Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland

Besluit van Gedeputeerde Staten van 9 juni 2026, houdende het vaststellen van het Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland.Gedeputeerde Staten van Zeeland,

• Gelet op artikel 1.2 van de Omgevingswet jo.

• Gelet op artikel 3.4 van de Omgevingswet jo.

• Gelet op artikel 3.5, onder a van de Omgevingswet jo.

• Gelet op artikel 108 Provinciewet,

besluiten het volgende:

Artikel I

Het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied, vastgesteld op 2 september 2025, en het Stikstofplan Provincie Zeeland 2025, vastgesteld door Provinciale Staten op 12 december 2025, zijn nu onderdeel van het Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland.

Artikel II

Het vaststellen van het Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland zoals opgenomen in bijlage A.

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 9 juni 2026,

H,M. de Jonge, voorzitter



Drs. M.C.J. Franken, secretaris - algemeen directeur 

Bijlage A Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland

Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland

Hoofdstuk 1 Algemeen

1.1 Inleiding

De Provincie Zeeland heeft haar integrale lange termijn beleid voor de fysieke leefomgeving vastgelegd in de Zeeuwse Omgevingsvisie. Hierin wordt beschreven voor welke uitdagingen de Provincie staat. Er zijn vier ambities geformuleerd om deze uitdagingen het hoofd te bieden:

1. Uitstekend wonen en leven in Zeeland

2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied

3. Een duurzame en innovatieve economie

4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland

Provincies hebben onder de Omgevingswet verschillende instrumenten gekregen voor het vastleggen van het beleid voor de fysieke leefomgeving en de uitvoering daarvan. Eén van deze instrumenten is een programma. Provincies kunnen dit inzetten voor de uitwerking van het strategische beleid voor de fysieke leefomgeving. Het programma speelt een rol bij de ontwikkeling, doorwerking of uitvoering van dit beleid. In programma’s worden de doelstellingen en opgaven uit de Zeeuwse Omgevingsvisie uitgewerkt en vertaald naar concrete acties en/of maatregelen.

Een programma is, net als de Omgevingsvisie, zelfbindend; dit betekent dat het alleen het bestuur (in dit geval het Provinciale bestuur) zelf bindt. Het programma legt geen regels op aan andere bestuursorganen (het Rijk, het waterschap of de gemeente) of initiatiefnemers (burgers en bedrijven). Van een programma kan wel een stimulerende werking uitgaan; zo kan het initiatiefnemers stimuleren om de in de Omgevingsvisie en het programma gestelde doelstellingen te behalen. Als het voor het behalen van de doelstellingen nodig is dat de Provincie regels stelt voor burgers of lagere overheden, dan doet ze dit via de Omgevingsverordening Zeeland.

Binnen de Omgevingswet kennen we verplichte, onverplichte en vrijwillige programma’s. Voor specifieke onderwerpen verplicht de Omgevingswet bestuursorganen een programma op te stellen. Verplichte programma’s volgen uit Europese regelgeving of uit de wet. Voor de Provincie zijn de volgende programma’s verplicht: actieplan geluid, regionaal waterprogramma, beheerplan Natura 2000, een programma bij (dreigende) overschrijding omgevingswaarde en een volkshuisvestingsprogramma. Een onverplicht programma voor de Provincie is het inrichtingsprogramma. Landinrichting wordt gebruikt om de inrichting van het landelijk gebied te verbeteren. Daarnaast bestaat het vrijwillige programma. De Provincie mag met dit instrument zelf bepalen of zij een programma wil opstellen en wat de inhoud daarvan is. Dit type programma schrijft de Provincie op eigen initiatief en kan ingezet worden vanuit de wens tot beleidsontwikkeling en beleidsuitvoering.

Het uit te werken beleid in een programma gaat over de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van de fysieke leefomgeving op de korte en middellange termijn. Daarnaast bevat het programma maatregelen om te voldoen aan de vastgestelde omgevingswaarden en maatregelen voor het bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving.

Het programma bestaat uit een regeltekst en een besluittekst. De regeltekst is de kern van het programma. Hierin staan bijvoorbeeld de doelen, de maatregelen, participatie en communicatie. De regeltekst staat in het Omgevingsloket. De besluittekst en eventuele bijlagen staan op overheid.nl.

1.2 Voorrangsbepaling

Op het moment dat er tegenstrijdigheden optreden gaan verplichte programma’s voor op onverplichte en vrijwillige programma’s.

Hoofdstuk 2 Doel van dit programma

2.1 Aanleiding

De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft de ambities voor 2050 en, op hoofdlijnen, de aanpak om deze ambities te realiseren. Het Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland (hierna: Programma Landelijk Gebied) is een verdere uitwerking van de ambities ‘Balans in de grote wateren en het landelijk gebied’ en ‘Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland’. De concrete haakjes naar de Omgevingsvisie zijn opgenomen in het overzicht van de doelen.

De ambities binnen ‘Balans in het landelijk gebied’ en een ‘Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland’ hangen met elkaar samen. Het Programma Landelijk Gebied zorgt voor een samenhang tussen de opgaven in het landelijk gebied en draagt op die manier bij aan de twee ambities uit de Zeeuwse Omgevingsvisie. De samenhang in de opgaven betekent dat de maatregelen in dit Programma bijdragen aan verschillende doelen op het gebied van natuur, water, klimaatadaptatie, zoetwaterbeschikbaarheid en volhoudbare landbouw. Deze beleidsthema’s hebben hun eigen doelen en opgaven in het landelijk gebied. Om de samenhang te borgen en koppelkansen te creëren is ervoor gekozen om de aanpak voor de opgaven uit te werken in dit integrale Programma. Dat betekent ook dat bestaande beleidsdocumenten meegenomen worden. Onder andere het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied en een deel van het ambitiedocument agrarisch natuurbeheer zijn in dit Programma opgenomen.

Omgevingskwaliteit

Een programma is een flexibel instrument dat ingezet kan worden in de verschillende fasen van de beleidscyclus: ontwikkeling – doorwerking – uitvoering – terugkoppeling. Een programma is zelf-bindend, wat betekent dat het in dit geval voor de Provincie bindend is. Een programma kan wel een doorwerking hebben op andere overheden. Onderdelen kunnen leiden tot een aanpassing van de Omgevingsvisie en/of de Omgevingsverordening. Daarnaast is het, eenmaal vastgesteld, Provinciaal beleid waar ook andere overheden rekening mee moeten houden.

Een vrijwillig programma bevat volgens artikel 3.5 van de Omgevingswet:

• de uitwerking van het beleid voor ontwikkeling, gebruik, beheer, bescherming en behoud van de fysieke leefomgeving

• maatregelen om te voldoen aan vastgestelde omgevingswaarden

• maatregelen voor het bereiken van doelstellingen voor de fysieke leefomgeving

De fysieke leefomgeving bestaat volgens artikel 1.2 lid is in elk geval uit watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen en natuur.

In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet.

‘Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en

b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.’

De wet ziet dus op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en het beschermen en verbeteren van onder andere een goede omgevingskwaliteit.

In het Programma Landelijk Gebied zijn doelen voor natuur, water, klimaatadaptatie, zoetwaterbeschikbaarheid en volhoudbare landbouw opgenomen die integraal en samenhangend worden benaderd. Deze doelen dragen allen bij aan een gezonde fysieke leefomgeving en een goede kwaliteit van watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen en natuur.

Daarnaast omvat het Programma maatregelen die bijdragen aan het behalen van de doelen. Hierbij gaat het om doelstelling voor de fysieke leefomgeving zoals opgenomen in wetgeving of afspraken met het Rijk. De lijst met maatregelen is niet uitputtend en zal ook niet in alle gevallen leiden tot doelbereik. Het Programma moet dan ook worden gezien als een aanzet en een vervolg op het eerdere concept Zeeuws gebiedsprogramma van juli 2023.

De aanpak in het Programma past daarmee binnen de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet en voldoet aan de eisen van een vrijwillig programma volgens artikel 3.5 van de Omgevingswet.

Participatie

Sinds 1 januari 2025 is de ‘Wet versterking participatie op decentraal niveau’ in werking. Vanaf dat moment geldt er een overgangstermijn van twee jaar voor de overheden om een participatieverordening vast te stellen. De Provinciale nota Participatiebeleid 2025 is een eerste stap richting de Provinciale participatieverordening. Deze nota geeft de kaders en leidende principes van participatie weer, zodat duidelijk is wie wanneer kan meepraten en op welke manier. Dit zorgt voor transparantie en gelijke kansen, en helpt verwachtingen tussen Provincie en samenleving helder te maken.

De participatieverordening legt vast hoe en wanneer kennis kan worden ingebracht. Daarmee vergroten we de kwaliteit van het beleid en versterken we het vertrouwen in het proces. Participatie voorkomt daarnaast verrassingen later in het proces, doordat zorgen, wensen en ideeën vroegtijdig kunnen worden ingebracht.

Brede Welvaart

Brede welvaart gaat in essentie over het welzijn van mensen. Het is een maatstaf voor alles dat mensen van waarde vinden. Naast materiële welvaart gaat het ook om zaken als gezondheid, onderwijs, milieu en leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en (on)veiligheid. In Rijksbeleid, beleidsstukken en bestuursakkoorden komt brede welvaart steeds vaker terug als opgave én als manier van werken. Uit analyse is gebleken dat de brede welvaart op sommige plekken in Zeeland onder druk staat. Denk hierbij aan zowel economische-, als sociaal-culturele en ecologische aspecten. Het brede welvaartsperspectief in ons beleid betekent dat de kwaliteit van leven een belangrijk onderdeel uitmaakt van onze afwegingen.

Doel Brede welvaart:

Ook in het coalitieakkoord van de Provincie Zeeland heeft brede welvaart een prominente rol gekregen. Het doel van brede welvaart binnen het beleid van de Provincie Zeeland is dat bestuurders goede afwegingen kunnen maken tussen de economische, sociaal-maatschappelijk en ecologische impact van hun beleid. Brede welvaart kan een randvoorwaarde zijn voor grote transities en een conceptueel denkkader voor toekomstbestendig beleid. Brede welvaart nastreven vraagt om een integrale visie. Het dwingt beleidsmakers en bestuurders om breed te kijken, over de sectorale en departementale schotten heen. Zowel wanneer het gaat om de beoogde effecten als om de daartoe in te zetten middelen. En soms dus nog breder: dan houdt het ook rekening met de volgende generaties en mensen in andere landen.

Brede welvaart wordt gedefinieerd als de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’ en de mate waarin deze ten koste gaat van die van generaties na ons (‘later’) of van mensen buiten de eigen regio (‘elders’).

‘Leven in Zeeland’:

"Hoe is het gesteld met de kwaliteit van leven in Zeeland?" HZ-Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving geeft elke vier jaar een overzicht van hoe de Zeeuwse inwoners aankijken tegen het wonen, werken en leven in Zeeland. Leven in Zeeland geeft een 'gedetailleerde foto' van tevredenheid, ervaringen en verwachtingen van de Zeeuwse inwoners op de verschillende thema's. Dit met het model van brede welvaart als kapstok, de Regionale monitor brede welvaart van het CBS als vertrekpunt en een Zeeuws bevolkingsonderzoek als basis.

Voor het rapport ‘Leven in Zeeland 2026’ hebben de onderzoekers gebruik gemaakt van de antwoorden die ruim 11.000 Zeeuwen hebben gegeven op hun onderzoeksvragen. In de zomer van 2025 hebben de Zeeuwen weer een vragenlijst ingevuld. De rapportage is in maart 2026 overhandigd aan gedeputeerde Van der Maas. De belangrijkste conclusie van het onderzoek? Zeeuwen zijn over het algemeen tevreden over hun leven en het leven in Zeeland in het algemeen. De helft van de inwoners vindt dat het de goede kant opgaat met de provincie. Het aandeel dat dat niet vindt, is ten opzichte van vier jaar geleden wel gestegen van 19 naar 27 procent.

De inwoners geven het landschap (8), de samenleving (7,5) en economie (7,2) ook een ruime voldoende. Rust, ruimte, natuur en de saamhorigheid zijn aspecten van het wonen in Zeeland die ze het meeste prijzen. De bereikbaarheid, de druk van het toerisme op de leefbaarheid en de beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen baren Zeeuwen de meeste zorgen. Wonen en ouderenzorg zijn de belangrijkste prioriteiten voor de toekomst.

Dit rapport biedt input voor de komende beleidsperioden van de Zeeuwse overheden én draagt bij aan de dialoog over brede welvaart in Zeeland. Met de uitkomsten van 'Leven in Zeeland' in 2026 kunnen we kijken welke aandachtspunten er op gebiedsniveau zijn voor het Programma Landelijk gebied.

U kunt dit rapport lezen op https://publicaties.kczs.nl/leven-zeeland-i-2025

Nationaal Netwerk Brede Welvaart:

We zijn deelnemer aan het Nationaal Netwerk Brede Welvaart. Binnen dit netwerk bundelen zes regionale planbureaus en vier Rijksdepartementen de krachten om gezamenlijk werk te maken van brede welvaart. Dit doen ze met verschillende beleidspraktijken én experts op brede welvaartsthema’s. Hoewel de brede welvaartsopgaven per regio verschillen, zijn er ook veel kansen om door het land heen van elkaar te leren en niet ieder apart het (brede welvaart)wiel uit te vinden.

Sociaal Economische Impact Analyse:

Voor het concept Zeeuws gebiedsprogramma werd een Sociaal Economische Impact Analyse (SEIA) uitgevoerd om de effecten van de beoogde maatregelen op de omgeving, in brede zin, mee te wegen. Met een SEIA werden de gevolgen van een of meerdere maatregelen op de brede welvaart geanalyseerd. De systematiek was een hulpmiddel om in de loop van een gebiedsproces scherp voor ogen te houden welke doelen je wil bereiken en of de acties die je onderneemt ook effectief bijdragen aan die doelen. De impact van de maatregel werd op 8 brede welvaartthema’s getoetst. Het ging om de thema’s milieu, gezondheid, samenleving, subjectief welzijn, wonen, veiligheid, werken en leren en materiele welvaart. Door het wegvallen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied is de systematiek van de SEIA losgelaten. Wel wordt binnen de Provincie nog gewerkt aan een verdere uitwerking om het aspect brede welvaart mee te nemen in de besluitvorming.

2.2 Inhoudelijke doelen

Dit Programma is zoals aangegeven een verdere uitwerking van een aantal ambities in de Zeeuwse Omgevingsvisie. Daarnaast is het ook een volgende versie van het concept Zeeuws gebiedsprogramma dat in juli 2023 is vastgesteld. Op 2 juli 2024 hebben Gedeputeerde Staten besloten om, na het vervallen van het Nationaal Programma Landelijk Gebied (hierna: NPLG), verder te werken aan een volgende versie van het Zeeuws gebiedsprogramma. Daarbij hebben ze een aantal uitgangspunten over de doelen geformuleerd:

  • We werken door aan een volgende integrale versie van het Zeeuws gebiedsprogramma waarin alle sectoren worden meegenomen. Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten en de externe partners hebben immers in grote mate de opgaven (h)erkend en de integrale aanpak omarmd. De handreiking voor gebiedsprogramma's van februari dit jaar is daarbij niet leidend.

  • De volgende versie van het gebiedsprogramma bouwt voort op een eigen, Zeeuwse visie op het landelijk gebied, de gebiedenaanpak en geeft een integrale samenhangende aanpak van de opgaven natuur, stikstof, water en klimaat weer.

  • Het gebiedsprogramma is de basis voor maatregelen waarvoor andere financieringsbronnen worden gezocht. Maar het biedt ook de mogelijkheid om aan te sluiten bij andere processen zoals de kerncentrale, Europa en klimaatmaatregelen.

  • De prioriteiten liggen bij de wettelijk opgaven voor de Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Zeeland, de Bossenstrategie en de Kaderrichtlijn Water.

  • Opgaven die niet Zeeuws breed worden gedragen, zoals nieuwe natuur, worden in principe niet meegenomen tenzij zich meekoppelkansen voordoen.

  • De andere opgaven, zoals groenblauwe dooradering, worden meer gefaseerd opgepakt.

  • De stikstofopgave is in hoofdzaak een Rijksopgave, maar wij zullen ons inspannen om het richtinggevende reductie doel te halen.

Bij de besluitvorming over de opgaven en doelen is meegenomen dat niet alle doelen hetzelfde gewicht hebben. Doelen die voortkomen uit internationale verplichtingen hebben de hoogste prioriteit. Rond de instandhouding van de natuur is de situatie urgent. De diverse relevante drukfactoren zorgen ervoor dat de kwaliteit van de natuur achteruit gaat en dat daarmee niet aan de wettelijk eisen wordt voldaan. Dit heeft vergaande gevolgen voor de vergunningverlening. Het zorgt voor een toename van het aantal juridische procedures en de legalisering van PAS-melders blijkt in de praktijk tot nu toe vaak onmogelijk. Ook de doelen uit de Kaderrichtlijn water (KRW) zijn urgent en de termijn tot 2027 is kort. Dit vraagt om een voortvarende aanpak.

Daarnaast verschillen de termijnen waarbinnen het doel bereikt moet zijn. Bij de wettelijke doelen hoort ook een wettelijke termijn zoals KRW (2027) en stikstof (nu 2025 - 2035). Voor andere doelen gelden geen wettelijke termijn. Deze doelen worden dan ook meer gefaseerd opgepakt met een uitloop tot 2050.

Naast de wettelijke doelen voor natuur en water zijn er provinciale opgaven die van invloed zijn in het landelijk gebied. Allereerst de opgave voor de landbouw: de transitie naar een volhoudbare landbouw, passend bij de locatie en met een verdienmodel. Daarnaast liggen er opgaven voor klimaatadaptatie en de zoetwaterbeschikbaarheid, dat door een toenemende verdroging een grote opgave is geworden.



Hieronder is per thema een korte toelichting gegeven op de doelen waarbij ook is aangegeven wat de juridische basis is en de relatie met de Zeeuwse Omgevingsvisie.

Thema

Omgevingsvisie

Subthema

 Termijn

 Provinciaal doel

Water

3. Balans in grote wateren en het landelijk gebied > 

3.3. Hoofdlijnen aanpak > Watersysteem 

Kaderrichtlijn Water

2027

Grond- en oppervlaktewater voldoen aan de KRW-doelen (goede kwantitatieve en chemische/ecologische toestand) O.a.:

-concentraties nutriënten (m.n. stikstof) in grond- en oppervlakte-waterlichamen voldoen aan de vastgestelde doelen.

-concentraties gewasbeschermingsmiddelen in grond- en oppervlaktewaterlichamen voldoen aan de wettelijke normen.

-grondwaterlichamen voldoen aan de norm voor een goede kwantitatieve en kwalitatieve toestand.

-hydrologische condities Natura 2000 op orde.

Natuur

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied > 3.3. Hoofdlijnen aanpak > Ondergrond   

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied > 3.3. Hoofdlijnen aanpak > Natuur 

Natura 2000 (VHR)

 

Het bereiken van een gunstige staat van instandhouding, verslechtering uitsluiten, en het bevorderen van de biodiversiteit. 

Natuurnetwerk Zeeland

2027

Het realiseren van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). 

Bos

2030

Het realiseren van de doelstelling van de Zeeuwse Bosvisie, namelijk de aanleg van nieuw bos.

Groenblauwe dooradering

 

Streven naar 7% groenblauwe dooradering in 2030 en 10% in 2050. Stimuleren en zoeken naar meekoppelkansen. 

Agrarisch natuurbeheer

Gefaseerd tot 2050

Uitbreiding van het areaal agrarisch natuurbeheer in het landelijk gebied. 

Stikstof

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied > 3.3. Hoofdlijnen aanpak > Natuur 

Emissie

2030

Bijdragen aan het reduceren van stikstofemissie. 

Depositie

2035

Bijdragen aan het reduceren van stikstofdepositie op Natura 2000 – gebieden.

Klimaatadaptatie

3. Balans in grote wateren en het landelijk gebied > 3.3. Hoofdlijnen aanpak > Ondergrond

5 Klimaatbestendig en CO2 neutraal Zeeland >

5.3 Hoofdlijnen aanpak > Klimaatadaptatie

5 Klimaatbestendig en COneutraal Zeeland > 

5.3 Hoofdlijnen aanpak > Waterveiligheid 

Hitte, droogte, wateroverlast en zeespiegelstijging.

2050

Zeeland is in 2050 klimaatrobuust en waterbestendig.

Landbouw

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied > 3.3. Hoofdlijnen aanpak > Ondergrond   

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied > 3.3. Hoofdlijnen aanpak > Landbouw 

 

Continu

Volhoudbare landbouw, met bedrijfsvoering passend bij de locatie en met een verdienmodel 

Verdroging/verzilting

3 Balans in grote wateren en het landelijk gebied >

3.3 Hoofdlijnen aanpak > Watersysteem

5 Klimaatbestendig en COneutraal Zeeland >

5.3 Hoofdlijnen aanpak > Klimaatadaptatie

Zoetwaterbeschikbaarheid

2050

Zeeland in 2050 weerbaar laten zijn tegen zoetwatertekorten 

Toelichting

De doelen voor water komen uit de Kaderrichtlijn Water, een Europese richtlijn, die is vertaald naar nationale en regionale (water)plannen en regelgeving. In december 2027 moeten alle aangewezen wateren voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve normen voor grond- en oppervlaktewater. Dit is een opgave voor het Rijk, Provincies en de waterschappen. In het ​Regionaal Waterprogramma staat de aanpak beschreven om de doelen van de Kaderrichtlijn Water te behalen.

De doelen voor Natura 2000-gebieden komen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn, een Europese richtlijn, die vervolgens is vertaald naar de Omgevingswet. Het Programma Natuur is het provinciale kader waarin maatregelen zijn opgenomen om in de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden tot een gunstige staat van instandhouding te komen. De maatregelen landen zowel in de Natura 2000-gebieden als in een zone van 3 km daarbuiten.

Het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) is vastgelegd in de ​Provinciale Omgevingsverordening. Het netwerk bestaat uit een samenhangend geheel van bestaande natuurgebieden en verbindingen daartussen. Het draagt bij aan de bescherming en instandhouding van de natuur. Het NNZ is een wettelijke verplichting op basis van het Natuurpact.

In de Zeeuwse bosvisie is de bijdrage van Zeeland aan de landelijke opgave in de Nationale Bossenstrategie opgenomen. Deze opgave komt voort uit het Klimaatakkoord. Het betreft een inspanningsverplichting.

De opgave voor groenblauwe dooradering kent een lange geschiedenis. Het is gestart als onderdeel van het Functioneel Agrarisch Natuurbeheer en uiteindelijk via het Aanvalsplan Landschap in het ontwerp Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG) opgenomen. Met het besluit om niet verder te gaan met het NPLG is ook de hectare opgave voor groenblauwe dooradering vervallen. In het ambitiedocument agrarisch natuurbeheer (nadere toelichting hieronder) is opgenomen dat we blijven streven naar 10% groenblauwe dooradering in het landelijk gebied in 2050. Aangezien groenblauwe dooradering bijdraagt aan veel doelen, zoals biodiversiteit, water, klimaatadaptatie, versterking van het (cultuurhistorisch) landschap en beleefbaarheid van het landschap, is stimulering hiervan als doel opgenomen. Al dan niet in combinatie met andere maatregelen.

Het agrarisch natuurbeheer was in het ​Hoofdlijnenakkoord uit 2024 één van de pijlers ter vervanging van het NPLG. Voor het agrarisch natuurbeheer in brede zin is vanaf 2026 jaarlijks 500 miljoen beschikbaar gesteld vanuit het Rijk. De ambities voor het agrarisch natuurbeheer in Zeeland zijn nader uitgewerkt in het door Gedeputeerde Staten vastgestelde ambitiedocument agrarisch Natuurbeheer. Het doel is een uitbreiding van het areaal agrarisch natuurbeheer in het landelijk gebied zodat voedselproductie en biodiversiteit integraal verweven worden in het landschap en het boerenbedrijf.

Onder het NPLG was er voor stikstof een provinciale stikstofreductieopgave. Voor Zeeland was dat 631 ton minder stikstofuitstoot in 2035. Hiermee werd bijgedragen aan de landelijke doelstelling: 74% van de stikstofgevoelige natuur onder de Kritische Depositiewaarde (KDW). Dit was een inspanningsverplichting. Met het vervallen van het NPLG is ook het provinciale stikstofreductiedoel vervallen. Er gelden nu algemene doelen om bij te dragen aan het reduceren van zowel stikstofemissie als stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Klimaatdaptatie: In de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland (hierna: KasZ) is de overkoepelende doelstelling uitgewerkt voor landbouw, natuur, recreatie, stedelijk gebied en waterveiligheid in het algemeen. De KasZ is in alle Zeeuwse gemeenteraden, de Algemene Vergadering van het waterschap Scheldestromen en Provinciale Staten vastgesteld. Het is de Zeeuwse uitwerking van de Nationale Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie waarin de doelstelling van 2050 is vastgelegd.

Waterveiligheid: Aanvullend geldt vanuit de Deltawet dat in 2050 alle waterkeringen moeten voldoen aan de norm. In Zeeland ligt er een behoorlijk grote opgave m.b.t. versterking van de primaire waterkeringen. Daar hoort een veilige inrichting van het achterland ook bij (meerlaagse veiligheid).

De landbouw is een belangrijke drager van het landelijk gebied. In het beleid van het kabinet Schoof kreeg de landbouw een belangrijke rol in het bereiken van de doelen voor natuur, water en klimaatadaptatie (“de boer aan het roer”). In het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030 (UPLG) wordt de Zeeuwse visie op landbouw beschreven als een volhoudbare bedrijfstak; economisch sterk, aangepast aan de klimaatverandering en in balans met de omgeving. Deze ontwikkeling draagt ook bij aan natuur- en landschapswaarden. Een volhoudbaar landbouwsysteem ontstaat door een samenhangende integrale benadering van bodem, beheer (zoet) water, biodiversiteit en het ondersteunen van kennis en innovatie. Het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied is geïntegreerd in dit Programma.

Verdroging/verzilting is een actueel thema in het landelijk gebied. In het concept Zeeuws gebiedsprogramma is al een koppeling gemaakt tussen zoetwaterbeschikbaarheid en de doelen voor natuur, stikstof, water en klimaatadaptatie. Hiervoor zijn twee sporen opgenomen, nl (1) efficiënt omgaan met het water dat valt en (2) op de langere termijn naar een ontwikkeling in het landelijk gebied die beter kan anticiperen op de wijzigende omstandigheden.

Hoofdstuk 3 Tijdelijk hoofdstuk beleidsontwikkeling

De integrale aanpak van de doelen voor natuur, water, klimaatadaptatie, zoetwaterbeschikbaarheid en volhoudbare landbouw vragen ook keuzes in de ruimtelijke inrichting. De keuze waar specifieke functies kunnen landen heeft immers gevolgen voor het landgebruik en ook voor omliggende functies. Bovendien beïnvloeden ruimtelijke keuzes ook de invulling van de opgaven en maatregelen in het landelijk gebied.

In dit Programma worden, al dan niet impliciet, keuzes gemaakt in de ruimtelijke inrichting. Deze keuzes hebben soms al een basis in andere programma’s of beleidsdocumenten. Voor dit Programma gaat het over hoe we om willen gaan met het water- en bodemsysteem en wat dat betekent voor verschillende functies in het landelijke gebied. Daarnaast gaat het over waar mogelijkheden zijn voor groenblauwe dooradering.

Water- en bodemsysteem

Het water- en bodemsysteem bepaalt eigenlijk al eeuwen waar we wonen, gewassen verbouwen, waar we vee houden en waar ruimte is voor natuur. De afgelopen decennia hebben we het water- en bodemsysteem steeds meer aangepast naar onze behoefte. En in dat proces lopen we nu tegen de grenzen aan, mede versterkt door de klimaatverandering.

In de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland is opgenomen dat voor volhoudbare landbouw een goede bodemkwaliteit en een robuust watersysteem noodzakelijk is. Daarnaast worden nieuwe ontwikkelingen klimaatadaptief ontworpen en hiervoor is het water- en bodemsysteem bepalend. Bij ontwikkelingen waar het water- en bodemsysteem randvoorwaardelijk, en dus sturend is, moet een functie (natuur, akkerbouw, veehouderij, wateropslag etc.) passen bij de locatie. Soms kan een locatie meer passend gemaakt worden, maar we moeten ook vaker accepteren dat dit niet kan. Er is een instrument ontwikkeld dat als hulpmiddel ingezet kan worden om te zien waar je vanuit klimaatadaptatie aan moet denken bij nieuwe ontwikkelingen. In de Water en Bodem Signaalkaarten is te zien welke aandachtspunten er zijn op een locatie. Onder andere vanuit de invalshoek landbouw en natuur. Er wordt nader bekeken hoe dit instrument geborgd wordt in de Omgevingsverordening.

In dit Programma gaan we ervan uit dat functies in principe moeten passen bij het water- en bodemsysteem. De functie is dus volgend aan dat systeem. En omdat er zoveel functies zijn, is het zoeken naar de meest passende functie of combinatie van functies voor een locatie. En daaruit volgt ook dat als een functie past bij een locatie, we die in principe willen behouden.

Groenblauwe dooradering

In het Zeeuwse landelijk gebied liggen sloten, bomenrijen en kreekruggen. Soms een bloeiende akkerrand of een wal begroeid met struiken. Dit netwerk van onderdelen in het landschap noemen we de groenblauwe dooradering. Groenblauwe dooradering zijn landschapselementen in de vorm van een dooradering door het landschap. De dooradering verbindt natuurgebieden met elkaar. Dieren kunnen zich hierlangs verplaatsen en zich erin verschuilen. De groenblauwe dooradering in het landschap is goed voor de biodiversiteit en zorgt voor een aantrekkelijk landschap. Daarnaast zijn deze landschapselementen in staat om stikstof op te vangen waardoor het niet verder verspreid.

Groenblauwe dooradering is een doel en draagt bij aan veel andere doelen: de bossenstrategie, koolstofvastlegging, biodiversiteit, versterking van het (cultuurhistorisch) landschap, klimaatadaptatie/hittestress en KRW-doelen. Het stimuleren van groenblauwe dooradering en het benutten van meekoppelkansen is dan ook een doel van dit Programma. Om meekoppelkansen te kunnen benutten moet helder zijn waar wij vanuit ruimtelijk perspectief groenblauwe dooradering voor ons zien.

In overleg met andere overheden (gemeenten en waterschap) en sectoren is besproken waar versterking van de bestaande structuur van de groenblauwe dooradering gewenst is, en waar uitbreiding plaats kan vinden. Uit het overleg zijn de volgende redeneerlijnen gekomen:

  • Koppeling aan een verbetering van het lokaal vasthouden van zoetwaterstromen, zowel op het maaiveld als onder het maaiveld.

  • Koppeling aan landschappelijke elementen als kreekbeddingen, kreekruggen en poelgronden.

  • Koppeling aan het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) en de oude ecologische hoofdstructuur.

  • Koppelingen aan belangrijke aanknopingspunten van het cultuurlandschap.

  • Versterken van het landschap en het verbeteren van mogelijkheden voor toerisme en recreatie.

  • Koppeling aan gebieden rond Natura 2000-gebieden.

Deze redeneerlijnen komen overeen met de in het ambitiedocument agrarisch natuurbeheer opgenomen ambities. Daarmee zijn de redeneerlijnen ook de basis voor dit Programma.

Hoofdstuk 4 Thema's

Om tot maatregelen te kunnen komen voor het bereiken van de doelen, moet eerst helder zijn voor welke opgaven we staan. Er is in beeld gebracht wat het beleid en de stand van zaken op dit moment is en vervolgens wat de opgaven zijn. Dit is een integraal Programma waarin we de keuze maken om de samenhang in het landelijk gebied te weergeven. Om de integraliteit te benadrukken zijn het beleid, de opgaven en de maatregelen verdeeld in vier thema’s. Deze benadering zorgt er voor dat koppelkansen nadrukkelijk in beeld komen.

In dit hoofdstuk gaan we nader in op deze thema’s. Per thema wordt een toelichting gegeven op het beleid en een eventuele aanpak. Vervolgens beschrijven we de opgaven per thema. Een uitgebreidere toelichting van de analyse die hier aan ten grondslag ligt staat in de bijlagen van de besluittekst van dit Programma.

Bij een aantal opgaven leggen we ook een link met de bijbehorende maatregelen. Dit doen we door de nummers van de maatregelen bij de opgave te benoemen. Het kan daarbij gaan om:

  • Koplopermaatregelen (dan staat er een k voor); om

  • Overige lopende maatregelen (dan staat er een o voor); of om

  • Nieuwe maatregelen: De nieuwe maatregelen hebben geen kleine letter, maar starten met een:

- N (Groen herstelt);

- W (elke druppel telt dubbel);

- G (van grond tot gewas); of

- M (meten is weten).

Bij een aantal opgaven wordt verwezen naar de begroting. Dat is te zien aan: (B).

4.1 Thema Groen herstelt

4.1.1 Beleid

Natuurherstel

De natuur in Europa gaat al jaren achteruit. In Nederland en ook in Zeeland staan soorten en ecosystemen onder druk. Zo zijn er steeds minder dier- en plantsoorten. Ook zijn het water en de bodem op veel plekken vervuild. Terwijl gezonde natuur juist hard nodig is: voor schone lucht, water, voedsel en een leefbare omgeving. Ook beschermt gezonde natuur tegen de gevolgen van klimaatverandering, zoals droogte en wateroverlast.

We werken in Zeeland dan ook aan natuurherstel. Om de basis op orde te krijgen zorgen we voor wettelijke bescherming van, en actief beheer in, het Natuurnetwerk Zeeland. Binnen dit Natuurnetwerk vallen ook de Natura 2000-gebieden. Dit zijn gebieden die aangewezen zijn onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. Deze gebieden zijn aangewezen, omdat er habitattypen voorkomen die, vanuit Europees oogpunt, bescherming nodig hebben. De Vogel- en Habitatrichtlijnen richten zich op het waarborgen van de biodiversiteit. De richtlijnen brengen dan ook instandhoudingsdoelstellingen met zich mee voor de Natura 2000- gebieden. Om die te halen, treffen we maatregelen. Zowel in de Natura 2000-gebieden als daarbuiten.

Natuurherstel buiten Natura 2000-gebieden

Aanleg Natuurnetwerk Zeeland

We werken onder andere aan natuurherstel door het realiseren van het NNZ. Bovendien draagt het realiseren van het NNZ bij aan een goede instandhouding van de Natura 2000-gebieden. De aanleg van hetNNZ is zowel binnen als buiten de Natura 2000-gebieden. De afspraken zijn vastgelegd in het Natuurpact(2013).

Bossenstrategie

In de Nationale Bossenstrategie (2020) hebben Rijk en Provincies afgesproken om maatregelen te treffendie bijdragen aan het herstel van de biodiversiteit in de Nederlandse bossen en daarmee ook bijdragenaan meer CO2-opslag. Daarnaast zorgen de maatregelen voor verbeterde waterkwaliteit (KRW), ruimtevoor recreatie en een bijdrage aan de circulaire economie. De Nationale Bossenstrategie is vertaald naarde Zeeuwse Bosvisie.

Groenblauwe dooradering

Groenblauwe dooradering (GBDA) omvat ‘kleine’ natuurelementen die het landschap in belangrijke matevormgeven, ook wel kleine landschapselementen genoemd in de vorm van punten, lijnen of vlakken (tot1,5ha) die optimaal aansluiten bij de fysische, geografische, hydrologische en/of ecologische omstandigheden.

De basisindeling van GBDA is:

• Houtige elementen (groen) zoals houtsingels, heggen, bomen, lanen.

• Kruiden en ruigten (groen) zoals akkerranden, bloembermen, dijken met kruidenbeheer.

• Natte elementen (blauw) zoals natuurlijke oevers, rietlanden, poelen, natuurlijk beheerde sloten.

Conform het Aanvalsplan Landschap (2022) kan met GBDA aan meerdere doelen worden bijgedragen, waaronder: biodiversiteit, klimaatadaptatie, CO2 vastlegging, waterkwaliteit, duurzaam inkomen boer, kwaliteit en diversiteit landschap, leefomgeving en recreatie, vestigingsklimaat, filteren van lucht, vasthouden van water en het tegengaan van bodemerosie. Het realiseren van meer GBDA leent zich goed voor een gebiedsgerichte aanpak.

De gezamenlijke overheden in Zeeland beheren heel wat hectares aan bermen, dijken en overige grazige delen van infrastructurele werken. Alles bij elkaar vormt dat reeds een uitgestrekt groeiend netwerk door heel Zeeland dat natuurgebieden met elkaar verbindt en eveneens de biodiversiteit en functionele agrobiodiversiteit op het platteland kan laten toenemen. De binnendijken vormen in Zeeland de ruggengraat van de dooradering. Een groot deel van de binnendijken is in eigendom en/of beheer bij terrein beherende organisaties en het waterschap, maar er zijn ook veel particuliere grondeigenaren zoals agrariërs.

Natte ecologische verbindingen zijn lijnvormige verbindingen in de vorm van kreken en waterlopen met hun brede oevers en hebben uit oogpunt van soortenbehoud de functie om planten en dieren in de gelegenheid te stellen om van het ene natuurgebied naar het andere natuurgebied te migreren zonder hinder van barrières. Natte ecologische verbindingen zijn gekoppeld aan (hoofd)waterlopen in beheer bij het waterschap en vormen geen aangrenzende gebruiksbeperkingen. De aangewezen natte ecologische verbindingen en KRW-lichamen doorsnijden voor een deel brongebieden van kwetsbare planten- en10diersoorten die binnen het agrarisch gebied aanwezig zijn. Het Natuurbeheerplan bevat begrenzingen van deze brongebieden in de vorm van voormalige getijdenkreken en binnendijken. Activiteiten tot beheer en verbetering van deze elementen komen daarmee in aanmerking voor toepassing van subsidie van Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Buiten het NNZ bestaan mogelijkheden voor beheer van elementen van de groenblauwe dooradering binnen de begrenzing van de agrarische leefgebieden die zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan.

De inzet van het agrarisch natuurbeheer is van groot belang voor de realisatie van meer groenblauwe dooradering. Daarnaast zijn er specifieke projecten en initiatieven. Zo zetten bijvoorbeeld de ondertekenaars vanuit de Zeeuwse Bijenstrategie zich in om kansen voor bijen te stimuleren door communicatie en het faciliteren of uitvoeren van bij vriendelijke projecten en onderzoek.

Een groot deel van de GBDA in Zeeland wordt gevormd door maatregelen in het agrarisch natuurbeheer. In 2025 ging dit om een oppervlakte van circa 1.300 ha. Hieronder vallen de bekende akkerranden en kruidenrijk grasland, maar ook het beheer van landschapselementen als hagen, knotbomenrijen en poelen op landbouwgrond evenals beheer van dijken.

De ontwikkeling van GBDA is als een van de koplopermaatregelen opgenomen en is een van belang zijnde meekoppelkans bij gebiedsontwikkelingen.

Daarnaast wordt er gewerkt aan het krijgen van een goed inzicht in het al aanwezige areaal GDBA in Zeeland. Daarvoor wordt een viewer van GBDA in Zeeland en een dashboard met de oppervlakte en het percentage aan GBDA ontwikkeld. Na oplevering wordt dit jaarlijks geactualiseerd.

Agrarisch natuurbeheer

Agrarisch natuurbeheer betreft maatregelen die worden genomen op landbouwgrond, in principe tenbehoeve van versterking van de biodiversiteit. ANB kan tevens bijdragen aan verbetering van de waterkwaliteit, bodem en aan klimaatadaptatie.

De bekendste regeling is het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) dat in eerste plaats is gericht op het creëren en in stand houden van leefgebieden voor doelsoorten (met name boerenlandvogels) die van internationaal belang zijn (conform de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn - VHR). In het ANLb-stelsel wordt de uitvoering overgelaten aan een agrarisch collectief (Poldernatuur Zeeland) dat directe contacten met deelnemende agrariërs heeft. Het collectief vraagt subsidie aan door middel van een gebiedsaanvraag. Het ANLb wordt betaald uit Europese middelen voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) en mede gefinancierd door Provincies, en waterschappen wanneer het KRW-doelen betreft. Het ANLb kent drie leefgebieden: Open grasland, Open akkerland en dooradering waarvan voor Zeeland met name de laatste twee van toepassing zijn. Ook in de categorie Water worden maatregelen uitgevoerd in onze Provincie.

Provincie Zeeland heeft een eigen Zeeuwse ambitie uitgewerkt voor het ANB die in juni 2025 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Daarin wordt de ontwikkeling naar een toekomstbeeld geschetst waarin meer agrariërs de kans krijgen om beheerder van het landschap te worden, natuurinclusief te ondernemen en daarmee bij te dragen aan de provinciale opgaven voor het landelijk gebied. Met aanvullende Rijksmiddelen voor ANB zal er meer ingezet worden op versterking van (kwetsbare) natuurgebieden, naast uitbreiding van maatregelen in kerngebieden om te zorgen dat de biodiversiteit daadwerkelijk verbetert.

Ambitiedocument agrarisch natuurbeheer (AANB):

In het ambitiedocument worden de doelen en ambities voor de komende jaren opgeknipt in een kortetermijn (2026-2028), middellange termijn (2029-2035) en een lange termijn (perspectief 2050). Voor dit Programma nemen we de ambities op korte (2026-2028) en middellange termijn (2029 -2035 mee. Dezezijn opgenomen bij de opgaven. De ambities voor de lange termijn kunnen op termijn geïntegreerdworden.

Ambities korte termijn (2026-2028)

Doelstelling voor het agrarisch natuurbeheer op de korte termijn is om meer resultaat te behalen in ecologisch kansrijke gebieden, met name daar waar de bereidheid onder agrariërs groot is én waar tegelijkertijd een bijdrage wordt geleverd aan de meest urgente provinciale opgaven. De beoogde strategie isom activiteiten uit te voeren binnen de bestaande kaders en afspraken, waarbij wordt voortgebouwd opwat er tot nu toe is gerealiseerd met het agrarisch natuurbeheer in Zeeland.

Ambities middellange termijn (2029-2025)

Voor de middellange termijn is het doel om de ontwikkeling naar een volhoudbare en natuurinclusievelandbouw in Zeeland te stimuleren. Tegelijkertijd moeten de behaalde resultaten die bijdragen aan debredere provinciale opgaven bestendigd worden. Strategie hierbij is om te behouden wat goed werkt,bestaande inspanningen te versterken en waar nodig en mogelijk de inzet van agrarisch natuurbeheerte verruimen.

Natuurherstel binnen Natura 2000-gebieden

Programma Natuur

In de provincie Zeeland liggen (geheel of gedeeltelijk) zestien Natura 2000-gebieden. In zeven van dezegebieden neemt de Provincie Zeeland het voortouw in het opstellen van het beheerplan. Om inzichtelijkte maken hoe de natuur zich in de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden heeft ontwikkeld ten opzichtevan het moment van de aanwijzing, zijn natuurdoelanalyses opgesteld per Natura 2000-gebied. Dezenatuurdoelanalyses vormen de basis voor de Natura 2000-beheerplannen, de maatregelen in Programma Natuur en ze leveren input voor gebiedsprocessen.

De natuurdoelanalyses geven aanvullende maatregelen wanneer er sprake is van verslechtering en het niet behalen van de instandhoudingsdoelstellingen met bestaande maatregelen. Dit geldt in Zeeland voor zes van de zeven gebieden waar de Provincie Zeeland voortouwnemer is voor het opstellen van het beheerplan. Afhankelijk van het gebied zijn de belangrijkste knelpunten:

• Gevolgen van een te hoge stikstofneerslag (onder andere vermesting en verzuring).

• Ontoereikende waterhuishouding (verdroging).

• Invasieve exoten.

• Verstoring door recreatie.

• Een te hoge begrazingsdruk.

De aanvullende maatregelen die uit de natuurdoelanalyses zijn gekomen worden uitgevoerd vanuit het Programma Natuur fase 2 en/of dit Programma Landelijk gebied.

Stikstof

Een van de drukfactoren op onze Natura 2000-gebieden is stikstof. Waar de andere drukfactoren om maatregelen in de Natura 2000-gebieden vragen, vraagt het reduceren van stikstof een bredere aanpak. Als we het hier over stikstof hebben, hebben we het over de chemische verbindingen van stikstof. Daarin zijn twee vormen: ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx). Ammoniak komt uit de landbouw (mest) en industrie. Stikstofoxiden komen vrij bij verbrandingsprocessen in de industrie, verkeer en huishoudens. Stikstof wordt uitgestoten (emissie) en daalt neer (depositie). Met de drukfactor stikstof in Natura 2000-gebieden bedoelen we de stikstof die daar neerdaalt. De herkomst van deze stikstof kan in de buurt zijn, maar kan ook van kilometers verderop of zelfs uit een ander land komen. Bovendien kan het vanuit verschillende sectoren afkomstig zijn. Het reduceren van stikstof in het kader van natuurherstel vraagt dan ook een gebied- en sector overstijgende aanpak. Gezien de benodigde integrale aanpak voor het reduceren van stikstof, wordt de reductie van stikstof in dit Programma meegenomen. We richten ons op het reduceren van stikstofemissie (Zeeland- en sectorbreed) en stikstofdepositie (op de Natura 2000-gebieden).

We hebben een Europese en wettelijke verplichting om de aangewezen Natura 2000-gebieden in een ‘gunstige staat van instandhouding’ te brengen of te houden. Om deze gunstige staat van instandhouding te kunnen bepalen is er voor stikstof per natuurtype (soort natuur) een Kritische Depositie Waarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft aan hoeveel stikstofneerslag dat type natuur kan hebben. Wanneer er meer neerslag op dat natuurtype komt, is een negatief effect op de instandhouding niet op voorhand uit te sluiten.

Waarom is stikstof een probleem?

Een te hoge stikstofneerslag zorgt voor veel voedingsstoffen in de bodem. Dat is vooral een probleem in natuurgebieden die van nature voedselarm zijn, zoals de duingebieden. Planten zoals bramen, brandnetels en grassen gaan er harder door groeien en verdringen de ander vegetatie. Daardoor verdwijnen insecten, vogels en vlinders en de soortendiversiteit gaat achteruit. Bovendien tast te veel stikstof het bodemleven aan wat gevolgen heeft voor de vitaliteit van de beplanting.

De stikstofneerslag draagt daarnaast ook bij een de verzuring van de bodem. Een zure bodem heeft tot gevolg dat planten essentiële voedingsstoffen niet meer goed kunnen opnemen. Ook dit leidt opnieuw tot verlies van de biodiversiteit.

PAS-melders

PAS-melders zijn bedrijven en ondernemers die onder het Programma Aanpak Stikstof (PAS) een melding voor bijvoorbeeld een uitbreiding van hun bedrijf deden bij de overheid. Destijds was daar in bepaalde gevallen geen vergunningaanvraag voor nodig. Echter oordeelde de Raad van State op 29 mei 2019 dat het PAS niet voldeed aan de Europese Habitatrichtlijn. De bedrijven en ondernemers die onder het PAS een melding hadden gedaan moesten alsnog een natuurvergunning aanvragen, die in veel gevallen niet te verlenen was. De overheid probeert sindsdien deze PAS-melders te legaliseren.

Ook in Zeeland zijn er PAS-melders die nog gelegaliseerd moeten worden. Dit zijn soms industriële activiteiten maar over het algemeen veehouderijen. In de afgelopen jaren is gebleken dat het legaliseren van PAS-melders een grote opgave is. Het verificatieproces is afgerond, er zijn gesprekken gevoerd met de PAS-melders en mogelijkheden tot legaliseren zijn onderzocht. Dit heeft tot nu toe echter niet geleid tot vergunningverlening.

In principe is het Rijk aan zet voor de aanpak tot legaliseren van de PAS-melders. Het legalisatieprogramma is onlangs verlengd tot 2028 en de minister van LVVN heeft in een Kamerbrief van 29 januari 2026 aangegeven dat voor 1 mei 2026 de inhoud van het vernieuwd legalisatieprogramma met oplossingen en handelingsperspectief bekend wordt gemaakt. Het streven van de minister is om het aangepaste programma nog voor het zomerreces vast te stellen.

Aanpak

Het is een Rijksopgave om de overbelasting door stikstof terug te dringen. De opgave is vastgelegd door middel van een omgevingswaarde in de Omgevingswet. De omgevingswaarde in onderstaand overzicht geeft het percentage areaal weer van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden die in dat jaar niet meer overbelast mag zijn door stikstof.

 Jaar

 Omgevingswaarde

 2025

 40%

 2030

 50%

 2035

 74%

Ondanks dat het een Rijksopgave is zitten we als Zeeland niet stil. Zo zijn er, met name generieke, beëindigings- en verplaatsingsmaatregelen waar bedrijven gebruik van willen maken, er is een stikstofbank en er is met Vlaanderen gewerkt aan een gezamenlijk toetsingskader. Daarnaast zetten win in onze stikstofaanpak zetten in op twee sporen. We reduceren stikstof (emissie en depositie) én er is bredere inzet nodig op natuurherstel. Door andere drukfactoren aan te pakken wordt de natuur namelijk weerbaarder tegen stikstof. De bredere inzet op natuurherstel staat hierboven beschreven onder natuurherstel. Denk daarbij aan herstel van het hydrologisch systeem, het vergroten van de dynamiek in de duinen, het tegengaan van verdroging en het terugdringen van verstoring door recreatie en exoten. Voor het reduceren van stikstof worden er in dit Programma maatregelen opgenomen. Deze maatregelen zijn Zeeland-breed en gaan uit van ‘alle sectoren dragen bij’. Binnen dit Programma is er ruimte om ook gebiedsspecifieke uitwerkingen te maken voor de stikstofoverbelaste Natura 2000-gebieden. Een eerste gebiedsspecifieke uitwerking is gemaakt voor de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren. Dit ‘stikstofplan’ komt voort uit het ‘crisisteam natuurherstel en stikstof’ en wordt hieronder nader toegelicht onder ‘gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren’.

Wat we al doen

Er zijn diverse maatregelen in voorbereiding of al in uitvoering:

• Bij het Rijk blijven wij benadrukken dat zonder Rijksinzet op scheepvaart en buitenlandse bronnen de Zeeuwse natuur niet kan herstellen. Daarin blijven wij inzetten op een bredere aanpak van alle drukfactoren, en niet alleen op stikstof. Ook hebben wij in IPO verband, samen met maatschappelijke partners, de bouwstenen “emissiereductie landbouw” en “natuur” aangeboden aan de ministeriele commissie economie en natuurherstel (MCEN). Hierin geven wij aan dat ook een rekenkundige ondergrens (RKO), het anders omgaan met Aerius en de kritische depositiewaarde (KDW) belangrijke elementen zijn om Zeeland vooruit te helpen. Hierbij hoort ook het meer inzetten op daadwerkelijke monitoring in gebieden en het verbeteren van het natuurbeheer.

• Voor projecten op het gebied van verbetering van hydrologie, verbetering van de kwaliteit in Natura 2000-gebieden en voor het vergroten van dynamiek in de duinen is de planvorming gestart. Het gaat om projecten in of nabij verschillende natuurgebieden, met veel aandacht voor de Zeeuwse duingebieden. Dit levert een betere waterhuishouding, hogere ecologische kwaliteit en herstel van natuurlijke processen zoals verstuiving in de duinen op. Hierdoor neemt de biodiversiteit en de veerkracht van kwetsbare ecosystemen toe. Voor het aantonen van het effect is het reguliere monitoringsstelsel beschikbaar, maar zijn de resultaten vaak pas op langere termijn merkbaar.

• Vlaanderen realiseert met het Stikstofdecreet en de maatregelen uit de Vlaamse PAS een geborgde dalende trend. Deze daling vertaalt zich in een afname in het aandeel uit Vlaanderen afkomstige stikstofdepositie op Zeeuwse Natura 2000-gebieden. We werken nog aan het doorrekenen van het effect op de depositie in Zeeland. Met Vlaanderen, het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) en de provincies Noord-Brabant en Limburg zijn werkafspraken gemaakt over de beoordeling van vergunningaanvragen met grensoverschrijdende effecten.

• In samenwerking met de terreinbeherende organisaties (TBO’s) worden diverse natuurherstelprojecten uitgevoerd. Het gaat enerzijds om terugkerende activiteiten als het bestrijden van exoten, maaien en begrazen. Daarnaast worden er ook nieuwe voorzieningen aangelegd zoals broedeilanden en vossenrasters. Ook worden verschillende projecten uitgevoerd in het kader van de Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap (SKNL). Deze projecten zorgen voor het terugdringen van invasieve soorten, verbetering van leefgebieden voor inheemse soorten, bescherming van broedvogels en versnelling van natuurherstel door extra financiering.

• In het kader van het afronden van het Zeeuws natuurnetwerk blijven we inzetten op de vrijwillige verwerving van de benodigde gronden. Na aankoop worden percelen uit productie genomen (geen bemesting en gewasbeschermingsmiddelen meer), ingericht als natuur en overgedragen aan de beherende organisatie. Dit levert uitbreiding en afronding van het natuurnetwerk op, vermindert verminderd druk op kwetsbare natuurgebieden en creëert robuuste aaneengesloten leefgebieden die duurzaam beheerd worden.

• Om bedrijfsverplaatsing mogelijk te maken hebben we op verschillende locaties in Zeeland een aantal melkveehouderijen aangekocht. Doel is om ondernemers een toekomst te bieden op een nieuwe locatie waarbij een sterke reductie van stikstofemissie op de ‘oude’ locatie wordt gerealiseerd. Deze maatregel zorgt voor forse stikstofreductie in gevoelige natuurgebieden, vergroot de ruimte voor natuurherstel én biedt ondernemers een nieuw toekomstperspectief. Voor de betrokken boeren betekent dit dat zij hun bedrijf kunnen voortzetten op een locatie met meer ontwikkelruimte en minder beperkingen door stikstofregels. Daar hebben zij de kans te investeren in verduurzaming en innovatie, waardoor hun bedrijfsvoering toekomstbestendiger wordt en er een nieuw evenwicht ontstaat tussen economische continuïteit en natuurdoelen.

• In het kader van de maatregel gebiedsgerichte beëindiging veehouderijlocaties (MGB) van het Rijk hebben we een subsidieregeling gemaakt voor ondernemers die hun bedrijf willen beëindigen. De belangstellingsregistratie voor deze regeling is inmiddels gesloten (eind 2025). Er hebben zich 14 veehouderijen aangemeld voor de regeling, waarvan er 7 voldoen aan de eisen om deel te kunnen nemen. Indien deze bedrijven daadwerkelijk van de regeling gebruik maken en stoppen, levert dit een structurele vermindering van stikstofuitstoot op, maakt het daarmee natuurherstel mogelijk en geeft het financiële zekerheid aan de stoppende ondernemers.

• In onze integrale gebiedenaanpak Schouwen-West en Noordwest-Walcheren werken we samen met allerlei ondernemers en organisaties aan het versterken van het landschap, het vergroten van de biodiversiteit en het verbeteren van de bedrijfsvoering. Er worden concrete projecten uitgevoerd op het gebied van natuur inclusieve landbouw, experimenteergronden, agrarisch natuurbeheer, etc. Ook wordt het hele watersysteem in de gebieden in kaart gebracht. Deze aanpak versterkt de landschappelijke kwaliteit, vergroot de biodiversiteit, stimuleert innovatie in de landbouw en verbetert samenwerking. Daarnaast ontstaat inzicht in het watersysteem, waardoor duurzame oplossingen voor waterkwaliteit en waterbeheer mogelijk worden.

• In het kader van het uitgangspunt dat alle sectoren bijdragen, wordt voor de schelpdiersector een regeling voorbereid die onder andere de toepassing van SCR-katalysatoren stimuleert. Deze katalysatoren reduceren de stikstofemissie met circa 60% en leveren daarmee een bijdrage aan de geborgde dalende trend. Voor de financiering wordt voorzien in een gezamenlijke inzet van Provincie Zeeland en het ministerie van LVVN.

• Binnen de Zeeuwse aanpak wordt ingezet op het ondersteunen van koplopers in verduurzaming. Dit betreft ondernemers en organisaties die aantoonbaar vooroplopen in innovatie en emissiereductie. Door deze partijen te stimuleren en belonen, wordt versnelling in de transitie bereikt en ontstaat een voorbeeldfunctie die anderen aanzet tot vergelijkbare stappen.

• In samenwerking met vervoerders en het Rijk wordt gewerkt aan het versneld verduurzamen van het Zeeuwse openbaar vervoer. Denk hierbij aan de introductie van emissievrije bussen, het verduurzamen van infrastructuur en pilots met innovatieve vervoersconcepten. Hiermee wordt niet alleen bijgedragen aan de reductie van stikstof en CO₂, maar ook aan betere bereikbaarheid en leefkwaliteit.

• De elektrificering van de Westerschelde Ferry vormt een belangrijke maatregel binnen de mobiliteitsopgave. Door de overstap naar volledig elektrische schepen wordt de uitstoot van stikstof en broeikasgassen sterk verminderd, terwijl de verbinding voor bewoners en toeristen behouden blijft.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren (stikstofplan)

Waarom een gebiedsspecifieke uitwerking voor de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren?

De aanleiding voor een eerste gebiedsspecifiek stikstofplan ligt in de vergunningverlening. Op 18 december 2024 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State twee uitspraken gedaan over intern salderen. Deze uitspraken hebben grote gevolgen voor projecten die intern gesaldeerd hebben en neerslag van stikstof veroorzaken. Intern salderen houdt in dat het bedrijf of de initiatiefnemer de extra stikstofuitstoot die veroorzaakt wordt door het project binnen het bedrijf of de projectlocatie oplost. Dit betekent dat de totale uitstoot van stikstof niet toeneemt maar herverdeeld wordt.

De kern van de uitspraken is dat er voor veel meer projecten dan voorheen sprake zal zijn van vergunningplicht voor een Natura 2000-activiteit (voorheen natuurvergunning). Dit terwijl tot 18 december 2025 veel situaties door intern salderen niet vergunningplichtig waren. De mogelijkheden voor vergunningverlening zijn ook aangescherpt.

Het nieuwe kader van de Raad van State geldt ook met terugwerkende kracht: alle projecten waar sinds 1 januari 2020 intern is gesaldeerd en waar dus voorheen geen natuurvergunning nodig was, zullen nu in de meeste gevallen alsnog een vergunning moeten aanvragen.

Dit beoordelingskader wat geldt voor projecten (natuurvergunningen) heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State met een uitspraak van 14 januari 2026 ook doorgetrokken naar het planspoor (bestemmingsplannen en omgevingsplannen). Ook hierbij geldt dat dit beoordelingskader per direct in lopende procedures geldt. Voor meer plannen dan voorheen zal gelden dat voor het project wat met het plan mogelijk wordt gemaakt alsnog een natuurvergunning nodig is.

Deze uitspraken hebben per direct dus grote gevolgen voor iedereen die een plan of project heeft dat stikstof uitstoot. Het was al zo dat vergunningverlening met betrekking tot stikstof steeds lastiger werd, maar nu zijn we op een punt gekomen dat er daadwerkelijk heel weinig meer mogelijk lijkt. Er zullen projecten zijn die eerder toegestaan leken te kunnen worden zonder natuurvergunning, maar die nu toch vergunningplichtig zijn geworden en in veel gevallen niet meer vergunbaar lijken. Dat heeft grote invloed op economische en maatschappelijke ontwikkelingen. Dit vraagt om een aanpak waarbij wordt ingezet op natuurherstel en stikstofreductie.

De hoofddoelstelling van het stikstofplan is het realiseren van een structureel geborgde daling van stikstofdepositie (die wij zelf kunnen beïnvloeden) in de meest kwetsbare natuurgebieden. Dit in samenhang met het herstel van de ecologische staat van deze gebieden. De meest kwetsbare gebieden in Zeeland zijn de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren. Hier is het effect van stikstof op de overbelaste natuurgebieden het grootst en daarmee is ook de invloed op de vergunningverlening het grootst.

De voorgestelde maatregelen zijn gericht op herstel van beschermde natuurwaarden en het verminderen van de stikstofuitstoot en andere drukfactoren. Daarbij is gekeken naar maatregelen die het grootste effect hebben op de natuurgebieden Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren. De maatregelen worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met gemeenten, waterschap, agrariërs, natuurorganisaties en andere belanghebbenden.

Recente jurisprudentie

De juridische context vormt het fundament onder het stikstofplan. Het bepaalt in hoge mate of Zeeland daadwerkelijk ruime krijgt om projecten te realiseren terwijl tegelijkertijd de natuur wordt beschermd. Economische en maatschappelijke opgaven kunnen alleen worden gerealiseerd wanneer natuurherstel en stikstofreductie aantoonbaar samengaan. Dat geldt niet alleen als ecologische noodzaak, maar ook als randvoorwaarde om vergunningverlening juridisch houdbaar te maken.

Uitspraken van de rechter in het afgelopen jaar benadrukken dat een structureel dalende stikstoftrend onmisbaar is. De landsadvocaat heeft in april 2025 gesteld dat de eerste stap naar juridisch houdbare vergunningverlening altijd bestaat uit een concreet maatregelenpakket dat aantoonbaar daadwerkelijk leidt tot reductie van stikstofemissies en -depositie

De jurisprudentie scherpt deze lijn verder aan. De rechtbank Oost-Brabant oordeelde in april 2025 dat bij bepaalde habitattypen waar achteruitgang wordt vastgesteld, of waar verslechtering niet valt uit te sluiten, binnen één jaar een substantiële daling van stikstofdepositie moet worden gerealiseerd. Een lange termijntrend is in die gevallen niet voldoende. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde bovendien dat maatregelen niet vrijblijvend mogen zijn, maar aantoonbaar geborgd. Borging betekent dat maatregelen juridisch afdwingbaar zijn, financieel gedekt worden, aantoonbaar zijn via monitoring en vergezeld gaan van een strategie voor toezicht, handhaving en bijsturing. Daarbij speelt natuurherstel en -verbetering een belangrijke rol, zowel in de uitvoering van maatregelen als in het leveren van kennis en monitoring. Door natuurherstel en -verbetering nadrukkelijk te betrekken ontstaat een stevig fundament voor de combinatie van transparantie, uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid die dit plan vraagt.

Additionaliteit en uitvoering

Een geborgd pakket maatregelen creëert ook beweegruimte voor vergunningverlening. Het maakt duidelijk dat de noodzakelijke stikstofdaling al via andere maatregelen plaatsvindt, zodat stikstofruimte die door saldering vrijkomt aanvullend kan worden benut voor nieuwe ontwikkelingen. Dit raakt aan de zogenaamde additionaliteitstoets. Daarbij is het niet voldoende om te verwijzen naar algemene beleidsvoornemens. Het bevoegd gezag moet concreet inzicht geven in de maatregelen die worden uitgevoerd, de effecten daarvan en de termijn waarbinnen die effecten zichtbaar zijn. Hierin ligt een directe koppeling met de uitvoeringsaspecten die in dit stikstofplan zijn opgenomen: alleen wanneer de uitvoering tijdig en aantoonbaar plaatsvindt, met borging in financiering en monitoring, kan de Provincie vergunningverlening juridisch onderbouwen en intrekkings- of handhavingsverzoeken gemotiveerd afwijzen.

Gebiedsspecifieke onderbouwing

De landsadvocaat heeft in april 2025 verder benadrukt dat de invulling van de additionaliteitstoets gebiedsspecifiek moet zijn en afhankelijk is van de staat van de natuur. Wanneer sprake is van (dreigende) verslechtering geldt de strengste toets. Per Natura 2000-gebied moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke stikstofdaling minimaal noodzakelijk is, binnen welke termijn die bereikt moet zijn en welke aanvullende natuurherstelmaatregelen daarbij horen. De natuurdoelanalyses (NDA’s) zijn hiervoor het fundament. Ze geven niet alleen richting aan de ecologische doelen, maar vormen ook de juridische onderbouwing voor het maatregelenpakket. Op basis van de NDA’s kunnen gebiedsgerichte doorrekeningen worden gemaakt die inzichtelijk maken of de voorgestelde maatregelen voldoende zijn om de geconstateerde verslechtering te stoppen.

Voor de rechter zal uiteindelijk zwaar wegen of duidelijk is welke daling noodzakelijk is en of de maatregelen die daarvoor nodig zijn daadwerkelijk worden uitgevoerd. Dit vraagt om meer dan beleid op papier: er moet zekerheid zijn dat de beoogde effecten in de praktijk worden gerealiseerd. Tegelijkertijd hoort bij een gebiedsspecifieke onderbouwing ook aandacht te zijn voor de bronnen die in de maatregelenpakketten niet beïnvloed kunnen worden, zoals scheepvaart. Ondertussen kan worden gewerkt aan juridische redeneerlijnen voor projecten die nodig zijn om te verduurzamen, maar tijdelijk stikstof uitstoten. Daarmee is de kern dat de Provincie moet kunnen laten zien dat er sprake is van een geloofwaardig en afdwingbaar maatregelenpakket, inclusief monitoring en bijsturing, dat leidt tot een structureel geborgde daling van stikstofdepositie in de meest kwetsbare gebieden.

Borging onder de Omgevingswet

Naast jurisprudentie en de additionaliteitstoets is ook de borging binnen de systematiek van de Omgevingswet van belang. Het stikstofplan is geïntegreerd in dit Programma. Dit Programma is een juridisch instrument onder de Omgevingswet en werkt zelfbindend voor de Provincie. Daarmee ontstaat een directe koppeling tussen beleid en uitvoering, die niet alleen de borging van maatregelen versterkt, maar ook een stevigere juridische basis biedt voor vergunningverlening. Daarnaast onderstreept opname in het Programma het provinciale belang en de urgentie van de stikstofaanpak, en maakt het duidelijk dat  de uitvoering onderdeel is van een bredere programmatische aanpak.

Strategische uitgangspunten voor de aanpak

Het stikstofplan is gebaseerd op een aantal strategische uitgangspunten. Deze vormen de leidraad bij het maken van keuzes en het afwegen van belangen in de uitvoering van het plan. De uitgangspunten zorgen voor samenhang, richting en juridische houdbaarheid van de aanpak. Daarnaast sluiten zij aan bij landelijke kaders en het Zeeuws provinciaal coalitieakkoord ‘Met Zeeland voor Zeeland’. De strategische uitgangspunten luiden als volgt:

• Van juridische noodzaak naar gedeelde urgentie

In de Zeeuwse aanpak zijn de uitspraken van de Raad van State in het kader van stikstof en de uitspraken van de rechtbank in de zaak Greenpeace leidend. Tegelijkertijd willen we deze juridische druk vertalen naar een gedeeld gevoel van urgentie binnen de regio. We zetten in op transparantie door open te communiceren over doelen en effecten, op eigenaarschap door sectoren en partijen verantwoordelijkheid te laten nemen, en op samenwerking via gebiedsgerichte overlegstructuren. Daarbij bieden we handelingsperspectief voor alle betrokkenen met concrete instrumenten zoals subsidies, advies en pilots, zodat urgentie wordt vertaald naar haalbare stappen.

• Doelgericht met focus op twee gebieden

We richten ons in dit stikstofplan niet op generieke emissiereductie, maar sturen op het effect op overbelaste natuur in twee specifieke gebieden; de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren. Het richten op deze gebieden draagt bij aan een geborgde dalende trend en het weer op gang brengen van vergunningverlening. Maatregelen in de rest van Zeeland krijgen vorm in de rest van dit Programma.

• Inzet op alle drukfactoren, waaronder stikstof

Een groot deel van de stikstofdepositie komt van bronnen buiten de directe invloed van de provincie, zoals scheepvaart en buitenlandse emissies. Om die reden richt dit plan zich op de beïnvloedbare bronnen binnen Zeeland. Alleen stikstofreductie is echter onvoldoende voor ecologisch herstel. Ook andere drukfactoren, zoals hydrologisch en ecologisch systeemherstel, krijgen aandacht. Zo worden natuurgebieden robuuster en beter bestand tegen externe belasting. De combinatie van reductie en herstel vormt de basis voor juridisch en ecologisch perspectief.

• Geborgde dalende trend als randvoorwaarde voor vergunningverlening

Vergunningverlening is juridisch houdbaar indien sprake is van een structureel dalende stikstofdepositie in overbelaste gebieden en natuurherstel. Dit betekent dat het maatregelenpakket niet alleen effectief moet zijn, maar ook aantoonbaar geborgd in tijd, financiering en monitoring. Dat betekent: heldere keuzes, heldere uitvoering, heldere controle en indien nodig bijsturing.

• Alle sectoren dragen bij – sector overstijgende benadering

De stikstofaanpak in Zeeland is niet beperkt tot één sector. We hanteren het uitgangspunt dat álle sectoren - waaronder landbouw, industrie, mobiliteit, bouw en recreatie - een evenredige bijdrage leveren. Dat betekent niet per se overal evenveel, maar wel naar vermogen, effect en urgentie. Alleen zo wordt de aanpak als rechtvaardig ervaren en voor alle partijen verdedigbaar.

• Vrijwillig waar het kan, verplicht waar het moet

Uitgangspunt blijft dat maatregelen op basis van vrijwilligheid worden genomen. We zetten in op vrijwillige maatregelen als het effectief en snel genoeg gaat. Waar dat niet leidt tot voldoende resultaat, houden we de optie open naar niet-vrijblijvend of verplicht beleid. Daarbij geldt de voorwaarde dat ondernemers moeten kunnen blijven ondernemen als uitgangspunt. Tevens houden we rekening met uitvoerbaarheid, juridische houdbaarheid en bestuurlijke draagkracht (financiën). Maatwerk en geleidelijkheid zijn essentieel, maar vrijblijvendheid is geen vanzelfsprekendheid.

• Inzet op uitvoering, niet alleen op beleid

Het plan is nadrukkelijk geen papieren strategie. Het gaat om uitvoerbare maatregelen op korte, middellange en lange termijn. We verbinden beleid direct met uitvoering, met stevige aandacht voor uitvoeringskracht, capaciteit, financiering en lokale samenwerking via de Zeeuwse Integrale Gebiedenaanpak.

• Verankering in bredere opgaven en Zeeland2050

De aanpak van stikstof is geen losstaand traject maar een voorwaarde voor het behoud van de kwaliteiten van Zeeland en het realiseren van de bredere opgaven die onderdeel uitmaken van de toekomstvisie Zeeland2050 en de Omgevingsvisie Zeeland. Denk aan woningbouw, energietransitie, economische groei, natuurkwaliteit en leefbaarheid. Daarom zal de aanpak in het voorjaar 2026 onderdeel gaan uitmaken van het Programma Landelijk Gebied.

• Financiële middelen van het Rijk

Een belangrijke voorwaarde voor het realiseren van geborgde maatregelen die leiden tot stikstofreductie en natuurherstel, is de financiële dekking. Uitgangspunt is dat de financiële middelen door het Rijk beschikbaar worden gesteld.

Toelichting maatregelen

Omvang maatregelen, we doen wat we kunnen.

Om daadwerkelijk resultaat te behalen, richten we onze maatregelen zo dicht mogelijk op de meest kwetsbare natuurgebieden. Daarom stellen we voor om te werken met zones rond deze gebieden. Juist daar kunnen we het meeste effect bereiken terwijl ondernemers hun bedrijf kunnen voortzetten. Dat vraagt soms om aanpassingen in de bedrijfsvoering, maar het perspectief voor landbouw en ondernemerschap blijft overeind. Met de middelen en ruimte die we hebben zetten we alles op alles om het maximaal haalbare resultaat te bereiken.

Uit berekeningen blijkt dat het verminderen van de stikstofemissie uit mest de meest effectieve maatregel is. Een reductie van 30 tot 50 procent lijkt haalbaar. Bij 30 procent reductie kan de huidige landbouw grotendeels worden voortgezet; bij 50 procent zijn aanpassingen in het teeltplan noodzakelijk, maar blijft het perspectief op landbouw overeind. Met alle maatregelen laten we zien dat we, door te doen wat binnen onze mogelijkheden ligt, daadwerkelijk verschil kunnen maken.

Toch blijft dit aanzienlijk minder dan de stikstofreductie die nodig is. Daarmee wordt zichtbaar dat Zeeland binnen de gestelde randvoorwaarden slechts een deel van de opgave kan realiseren. We doen wat we kunnen, maar verdere maatregelen van het Rijk zijn onmisbaar, met name ten aanzien van buitenlandse bronnen en de scheepvaart.

Belangrijk is ook dat stikstofreductie slechts één kant van de opgave is. Minstens zo essentieel is het versnellen en uitbreiden van natuurherstelmaatregelen. Alleen door reductie en herstel in samenhang op te pakken, kan daadwerkelijk perspectief ontstaan op natuurherstel, vergunningverlening en een stevige juridische onderbouwing bij procedures. De omvang van de maatregelpakketten dient dus niet alleen te worden beoordeeld op de bijdrage aan stikstofreductie, maar ook op de meerwaarde voor natuurherstel en brede gebiedsontwikkeling.

Scenario’s en voorkeur per maatregelenpakket

De wijze waarop maatregelen worden uitgevoerd en geborgd is bepalend voor de juridische houdbaarheid van dit plan en voor de snelheid waarmee weer ruimte ontstaat voor vergunningverlening. Het karakter van de uitvoering, vrijwillig, verplicht of een tussenvorm, heeft directe invloed op het maatschappelijk draagvlak, de uitvoerbaarheid en de effectiviteit.

Hieronder worden de mogelijke scenario’s kort geschetst. Per maatregel is een voorkeur benoemd. Daarbij is steeds gekeken naar de balans tussen effectiviteit, juridische borging en maatschappelijke haalbaarheid.

Overzicht scenario’s:

• Vrijwillig: uitvoering in gezamenlijkheid via de ZIGA, met nadruk op samenwerking en draagvlak. Resultaten zijn onzeker en juridisch pas bruikbaar zodra uitvoering zeker is;

• Vrijwillig maar niet vrijblijvend: start vrijwillig, maar met een afgesproken tijdpad en de afspraak dat

bij onvoldoende resultaat opschaling volgt naar verplichting;

• Desgewenst: op verzoek van een gebied of partij inzet van instrumenten als landinrichting of onteigening,

met volledige schadeloosstelling;

• Verplicht: vastlegging in beleid of regelgeving, juridisch afdwingbaar. Geeft de meeste zekerheid, maar

kan draagvlak aantasten;

• Maatwerk per maatregel: per sector of bron wordt de meest passende route gekozen; flexibiliteit staat

centraal;

• Afwachten: geen aanvullende provinciale maatregelen.

4.1.2 Opgaven

De resterende opgaven voor de doelen binnen groen herstelt worden hieronder beschreven.

In het Natuurpact is afgesproken dat Provincies uiterlijk in 2027 minimaal 80.000 ha nieuwe natuur in het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aanleggen. De opgave voor Zeeland is het afronden van het Natuurnetwerk Zeeland.

Uit de natuurdoelanalyses blijkt dat de habitattypen in de Natura 2000-gebieden niet in gunstige staat zijn. De opgave is om stappen te zetten om in elk geval verslechtering uit te sluiten en ook stappen te zetten naar de gunstige staat. Aangezien de natuur een dynamisch systeem is en herstel tijd kost worden in het Programma Natuur en ook in het Programma Landelijk Gebieden de eerste stappen gezet. Uit monitoring en evaluatie moet blijken welke vervolgstappen nodig zijn en wanneer.

De bosopgave voor Zeeland is in de Bosvisie beschreven: Het realiseren van 410 ha extra bos in 2030. Zowel binnen als buiten het Natuurnetwerk Zeeland moet er 205 ha bos bijkomen. Daarnaast is er nog een compensatieopgave van 4 ha.

Voor groenblauwe dooradering is in het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied (UPLG) als ambitie opgenomen: de realisatie van landschapselementen (7% GBDA in landelijk gebied in 2030).

In het AANB zijn de volgende ambities voor groenblauwe dooradering opgenomen.

Korte termijn (2026-2028): uitbreiding van het areaal in Zeeland groenblauwe landschapselementen om bij te dragen aan het streven van 10% groenblauwe dooradering (in 2050) van het Zeeuws landelijk gebied.

Middellange termijn (2029-2035): agrarisch natuurbeheer (waaronder groenblauwe dooradering) in randen rond alle natuurgebieden en ter versterking van ecologische verbindingen. Daarnaast ANB op en rond (binnen)dijken om het ecologische netwerk te versterken en het aanleggen en beheren van natuurvriendelijke oevers.

In Zeeland zijn meerdere Natura 2000-gebieden op dit moment overbelast door stikstof. Dit leidt tot verlies aan biodiversiteit. Door de overbelasting is het steeds ingewikkelder om in de nabijheid van Natura-2000-gebieden natuurvergunningen te verlenen. Om tot natuurherstel te komen is ook inzet nodig op de drukfactor stikstof. Dat kan gebiedsspecifiek maar ook Zeeland breed.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren (stikstofplan)

Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren

Wat is de opgave?

Natuurherstel, geborgde dalende trend stikstof en ruimte voor vergunningverlening

Om vergunningverlening in beweging te krijgen en natuurherstel te realiseren, is het noodzakelijk om tot een geborgde dalende stikstoftrend en natuurherstel te komen. Borging is daarbij het sleutelwoord. Om die borging te realiseren wordt uitgegaan van een aantal randvoorwaarden. Deze sluiten aan bij de volgende uitgangspunten die eerder door Provinciale Staten zijn vastgesteld:

• Alle sectoren dragen bij;

• Focus op de meest overbelaste gebieden middels het stikstofplan, waarbij de aanpak binnen maar vooral ook buiten deze gebieden kan liggen.

Geborgde dalende trend

Om een geborgde dalende trend te kunnen bereiken geldt een aantal randvoorwaarden:

1. Voor een geborgde dalende trend moet ten eerste helder zijn waar maatregelen plaats vinden en wat het effect is. Om maatregelen effectief te kunnen laten zijn voor de meest overbelaste Natura 2000-gebieden is het noodzakelijk de maatregelen zo dicht mogelijk bij die gebieden uit te voeren. Dit geeft tevens helderheid voor overig Zeeland. Om die reden worden gebieden rondom de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren benoemd waarbinnen zoveel mogelijk maatregelen worden uitgevoerd.

2. Borging wordt ten tweede bereikt door zeker te stellen dat maatregelen ook daadwerkelijk uitgevoerd worden. Hoewel vrijwilligheid bij stikstof en natuurherstel voorop staat, moet er resultaat worden bereikt. Zonder een aantoonbare (geborgde) dalende trend blijft vergunningverlening moeizaam. Daarom wordt bij een aantal maatregelen als randvoorwaarde het principe vrijwillig maar niet vrijblijvend toegepast. Met betrokkenen binnen de zones worden afspraken gemaakt om maatregelen uit te voeren. Een termijn van 2 jaar is daarbij denkbaar. Een belangrijk uitgangspunt is wel dat het mogelijk moet blijven om te kunnen blijven ondernemen.

3. Ook zijn er financiële middelen nodig om maatregelen uit te voeren. Zonder middelen is er geen geborgd resultaat. De randvoorwaarde hierbij is dat deze middelen vanuit het Rijk komen. Deze middelen zijn benodigd voor de overbelaste gebieden, maar zeker ook voor de rest van Zeeland.

4. Tot slot moet het effect van de maatregelen gemonitord worden. Hiervoor moet een monitoringsprogramma worden opgesteld.

Opsomming opgaven:

  • Realiseren resterende opgave Natuurnetwerk Zeeland

  • Verslechtering in Natura 2000- gebieden uitsluiten

  • Stappen zetten naar een gunstige staat van instandhouding van Natura 2000- gebieden (hangt samen met opgave stikstof: zie hieronder)

  • Bosopgave realiseren: 410 ha in 2030 (N1)

  • Groenblauwe dooradering (kN4)

    - Uitvoeren Erfplus

    - Uitvoeren Ecologisch bermbeheer

    - Aanstellen Veldcoördinator en ontwikkelen instrumentenkoffer

  • GBDA ontwikkelen kwantitatieve monitoring (oN1)

    - Viewer en dashboard

  • Realisatie van landschapselementen (7% GBDA in landelijk gebied in 2030) (kN4 en N5)

  • In fases uitwerken van de voorgestelde maatregelen in het ambitiedocument

    - Toename areaal met ANB maatregelen (oN2)

  • ANLb leefgebied Open Akker: vergroten van het areaal en het stimuleren van deelname binnen de kerngebieden (clusters). Daarbij wordt ingezet op het verbreden van het aanbod aan beheerpakketten om beter aan te sluiten bij de ecologische potentie en de praktijk op het boerenerf.

  • ANLb leefgebied Dooradering: Zeeland-breed uitbreiden van het areaal en deelname, met beheer van meer (binnen)dijken, botanisch grasland en (nieuw aangelegde) groene plus blauwe landschapselementen.

  • ANLb categorie Water: uitbreiding van het areaal en de deelname op provinciale schaal, met nadruk op akkerranden en biodiverse bufferstroken langs (primaire) waterlopen.

  • ANLb categorie Klimaat: openstelling van budget voor het realiseren van geschikte klimaatmaatregelen, passend binnen het agrarisch natuurbeheer.

  • Aanleg landschapselementen: investeren in de aanleg van landschapselementen, om bij te dragen aan het streven van 10% Groenblauwe dooradering van het Zeeuwse landelijk gebied in 2050.

  • Inzet rondom Natura 2000- en (weide)vogelgebieden: meer maatregelen aan de randen van kwetsbare natuurgebieden ten behoeve van stikstofreductie en de versterking van de biodiversiteit.

  • Aansluiten bij de Zeeuwse Integrale Gebiedenaanpak: waar mogelijk meer maatregelen in gebieden met een extra uitdaging voor de landbouw, waaronder Schouwen-West, Noordwest Walcheren en Grenspark Groot Saeftinghe.

  • Uitbreiding (beleids)monitoring: Versterken van de bestaande monitoring door het uitbreiden van het meetnet, onder meer met waarnemingen van wintervogels, om zo beter inzicht te krijgen in de effectiviteit

  • Het verminderen van stikstofdepositie op de overbelaste Natura 2000-gebieden.

  • Het verminderen van stikstofemissie Zeeland- breed.

  • Komen tot een geborgde dalende stikstoftrend om vergunningverlening op gang te brengen (stikstofplan)

4.2 Thema Elke druppel telt dubbel

4.2.1 Beleid
Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) verplicht Europese lidstaten hun grond- en oppervlaktewater in goede toestand te brengen en te houden. Voor Zeeland zijn KRW-waterlichamen aangewezen die moeten voldoen aan specifieke doelen. Bij de doelen voor oppervlaktewater gaat het om eisen met betrekking tot de chemie (stoffen), biologie (soorten) en hydromorfologie (stroming, peilen en inrichting). Voor grondwater gaat het om chemie (stoffen) en kwantiteit. Met name de eis dat er evenwicht moet zijn tussen onttrekking en aanvulling van grondwater is voor Zeeland relevant.

Om de KRW-doelen te halen moeten de bestaande KRW-maatregelen uitgevoerd worden die opgenomen zijn in het Regionaal Waterprogramma. Daar bovenop is een gezamenlijke extra inspanning nodig om de KRW-doelen te kunnen halen. Deze worden uitgewerkt in een handelingsperspectief en daarnaast ook meegenomen in dit Programma.

Zoetwaterbeschikbaarheid

Zeeland loopt tegen een tekort aan zoetwaterbeschikbaarheid aan. De oorzaak is niet eenvoudig en heeft te maken met een stapeling van meerdere factoren. Zo is Zeeland maar beperkt aangesloten op het zoete hoofdwatersysteem. Om die reden zijn we grotendeels afhankelijk van wat er valt aan regenwater. Zoet water is belangrijk voor de alle beleidssectoren in het landelijk gebied: natuur, landbouw, recreatie, industrie. Klimaatverandering zorgt ervoor dat we te maken krijgen met langere periodes van droogte en een toenemende verziltingsdruk door zeespiegelstijging. Dit zorgt ervoor dat de zoetwatervoorraad in de ondergrond krimpt en er tekorten kunnen ontstaan tijdens het groeiseizoen.

Om Zeeland in 2050 weerbaar te maken tegen zoetwatertekorten worden maatregelen en projecten ontwikkeld en uitgevoerd binnen de samenhangende aanpak ‘Zeeuws Deltaplan Zoet Water’. Daarnaast wordt er vanuit de ​Motie van Campen ingezet op een gecoördineerde programmatische aanpak voor zoet water voor de landbouw. Nadere toelichting staat in Bijlage I Besluit PDF Documenten.

4.2.2 Opgaven

Het eindoordeel voor het Scheldestroomgebied in 2024 was dat geen enkel KRW-oppervlaktewaterlichaam in Zeeland voldoet aan de KRW. Er ligt dus voor Zeeland een opgave op alle KRW-oppervlaktewaterlichamen. De specifieke opgaven zijn terug te vinden in het ​Regionaal Waterprogramma.

Voor de grondwaterlichamen geldt dat deze aan de normen voor kwaliteit en kwantiteit voldoen. Wel worden met name in het zoete grondwater in dekzand en in kreekgebieden regelmatig bestrijdingsmiddelen aangetroffen en constateren we een geleidelijke aanvulling van het grondwater met verontreinigende stoffen. Gelet op het uitgangspunt van de Kaderrichtlijn Water dat inbreng van verontreinigende stoffen voorkomen of beperkt moet worden, vraagt dit aandacht. Het bestaande generieke beleid lijkt niet te volstaan. Ten aanzien van de kwantiteit vraagt met name het zoete grondwater in duin en dekzand om anti-verdrogingsmaatregelen in verband met de beïnvloeding van ecosystemen op het land. Het zoete grondwater in kreekruggen staat onder druk door de toenemende zoetwatervraag uit de landbouw.

Zeeland is primair ingericht op de afvoer van water, om wateroverlast te beperken en waterveiligheid te waarborgen. Het veranderende klimaat met piekbuien, langere periodes van droogte en toenemende verzilting vraagt echter om een nieuwe visie op waterbeheer. Er is inzet nodig op het zo goed mogelijk omgaan met wat er valt.

Opsomming opgaven:

  • Zo goed mogelijk omgaan met het zoet water wat er is en wat er valt.

  • De benodigde stappen zetten per waterlichaam in het kader van de KRW.

  • Vanuit andere beleidssectoren bijdragen aan een goede waterkwaliteit.

4.3 Thema Van grond tot gewas

4.3.1 Beleid
Voedsel

De landbouw- en voedselsector is in veel opzichten een belangrijke sector voor Nederland en zeker voor Zeeland. De sector is beeldbepalend voor het (cultuur)landschap, voorziet ons van voedsel, grondstoffen (uitgangsmateriaal), planten, biobased grondstoffen, agrarisch natuurbeheer, zorgt mede voor sociale samenhang in het buitengebied en is een economische factor van betekenis. De inzet van de Provincies is gericht op het creëren van positieve waarde vanuit de landbouw en voedselsector voor de economie, het landschap, de mens en maatschappij.

Vanuit het Interprovinciaal Overleg (IPO) is de ‘Toekomstvisie voor de landbouw- en voedselsector’(2022) gedefinieerd, met als thema's:

  • Produceren voedsel, planten, biobased materialen en energie;

  • Maatschappelijke diensten op het gebied van natuur- en landschap(sbeheer);

  • Innovaties die wereldwijd worden toegepast.

Op een manier die;

  • Een gezonde leefomgevingskwaliteit (natuur, biodiversiteit, lucht, bodem, water en klimaat) mogelijk maakt;

  • Bijdraagt aan de brede welvaart (dierenwelzijn, sociaal-maatschappelijk, ecologisch, economisch en landschappelijk);

  • Economisch volhoudbaar is.

Deze visie wordt momenteel (2025) samen met het Rijk en de ketenpartijen aangescherpt, uitgewerkt en gekwantificeerd op nationaal en gebiedsniveau. Tevens heeft het Rijk ook plannen om te komen met een landelijke Voedselvisie.

Kennis en innovatie

De Zeeuwse landbouwsector kenmerkt zich door innovatie en ondernemerschap. Zeeuwse bedrijven ontwikkelen bijvoorbeeld nieuwe, bij Zeeland passende teelten of gewassen voor biobased toepassingen. We willen de Zeeuwse landbouwsector ondersteunen in de transitie naar een volhoudbare bedrijfsvoering. De thema’s bodem, bodembeheer, water en biodiversiteit stellen we daarbij centraal. Dit willen we voor een zo groot mogelijke doelgroep bereikbaar maken. Innovaties die de opgaven met betrekking tot bodem, water en biodiversiteit bevorderen worden (zo mogelijk) ondersteund. Proefboerderij de Rusthoeve is een centrale schakel in kennisontwikkeling door testen en ervaringen opdoen in de praktijk.

Voorbeelden van innovaties in de akkerbouw zijn onder andere precisielandbouw, waarbij gebruik wordt gemaakt van technologie zoals GPS en sensoren om gewassen efficiënter en doelgerichter te telen. Fertigatie is een techniek waarbij meststoffen via het irrigatiewater worden toegediend, wat leidt tot minder verspilling en betere opname door planten. Nieuwe mest aanwendingstechnieken richten zich op het beperken van stikstofverliezen en het verbeteren van de bodemgezondheid. Deze innovaties zorgen voor hogere opbrengsten en minder milieubelasting. Door slimme data-analyse en gerichte bemesting wordt landbouw duurzamer en economisch rendabeler. Het betreft hier een aanvulling op de huidige koplopermaatregelen en een verdere uitwerking van het innovatieve landbouwspoor, waarbij nieuwe innovaties op het gebied van mestaanwending en precisielandbouw bijdragen aan de (door)ontwikkeling naar een volhoudbare landbouw.

Bodem

De bodem vormt letterlijk en figuurlijk de basis van een agrarisch bedrijf. Goed bodembeheer draagt bij aan de aanpak van een groot aantal uitdagingen waar de landbouwsector voor staat. Klimaatverandering, verduurzaming en vergroting van biodiversiteit zijn hier voorbeelden van.    

Landelijk en Europese ambities

De Rijksoverheid werkt in het Nationaal Programma Landbouwbodems (NPL) samen met partijen in de agroketen aan een gebiedsgerichte strategie voor duurzame landbouwbodems.

In de periode 2018-2023 heeft breed onderzoek plaatsgevonden naar de potentie voor extra koolstofvastlegging in Nederlandse minerale landbouwbodems. Daaruit is geconcludeerd dat het klimaatdoel van 0,5 Mton extra CO2-vastlegging voor minerale landbouwbodems haalbaar is, mits maatregelen die hieraan bijdragen voldoende en kundig worden geïmplementeerd door agrarische ondernemers. Daarom is in 2024 een stappenplan ontwikkeld richting 2030 om tot het klimaatdoel te komen. In stappen worden zaken als handelingsperspectief, lange termijn potentie, landbouwbeleid en kennisopbouw ontwikkeld en aangepast.

De Europese Commissie (EC) streeft ernaar dat alle bodems van de EU  in 2050 gezond zijn. Daartoe is een Europese bodemmonitoringsrichtlijn in ontwikkeling. De richtlijn heeft als doelen om voor alle bodems in de EU een solide en coherent monitoringskader op te zetten, de bodemgezondheid continu te verbeteren, bodems die al gezond zijn in die toestand behouden, en alle aspecten van bodemaantasting tegengaan. 

Zeeland

Ook in Zeeland wordt gezocht naar manieren om de kwaliteit van de landbouwbodem op peil te houden en te verbeteren. Het organische stofgehalte vormt een belangrijke, onmisbare factor voor een gezonde bodem, omdat dit effect heeft op het bodem- en plantenleven, de waterhuishouding en de bodemchemie. Andere manieren van landbewerking met lichtere machines of andere bewerkingstechnieken kunnen helpen bij het verbeteren van de bodemstructuur om zo verdichting tegen te gaan. Ondanks de hoeveelheid al beschikbare kennis over de bodem, liggen er nog verschillende vraagstukken. Inzet op onderzoek en innovatie binnen de agrarische sector is daarom van belang. In onderstaande paragrafen worden bodemgerelateerde ontwikkelingen geschetst waarbij de Provincie Zeeland aanhaakt.

Regeneratieve landbouw

In de tweede helft van de 20e eeuw en begin 21e eeuw bestond in Nederland, en dus ook in Zeeland, veel aandacht voor chemie en fysieke structuur in relatie tot hoogproductieve landbouwbodems. Er was in het algemeen minder aandacht voor biologie en ecologie. De landbouw wordt inmiddels geconfronteerd met steeds minder mogelijkheden voor chemisch ingrijpen bij plaag- en onkruidbestrijding, in combinatie met verslechtering van bodemstructuur. Daarbij komt een duidelijke klimaatverandering. Antwoorden op vraagstukken en opgaven rond bodemverbetering, stikstofreductie, klimaatadaptatie en biodiversiteit worden het meest effectief gevonden in de integrale benadering met regeneratieve principes.  

Regeneratieve landbouw is een vorm van landbouw die zich richt op het natuurlijk herstellen van de balans tussen bodemfysiologie, bodemchemie en de bodembiologie, waardoor het humusgehalte toeneemt en een vitale bodem ontstaat als basis voor een gezonde en weerbare teelt die minder afhankelijk is van chemische hulpstoffen. Door vastlegging van koolstof en nutriënten en een betere waterhuishouding is de bodem beter bestand tegen klimaatinvloeden. Bijkomende positieve effecten zijn verminderde uitspoeling van nutriënten naar grond- en oppervlaktewater en verbetering van de onder- en bovengrondse biodiversiteit. De ontwikkeling van dit bodemvoedselweb vormt ook weer een onderdeel van functionele agrobiodiversiteit.

Bij de regeneratieve principes kan gedacht worden aan het zoveel mogelijk combineren van bodembedekking met planten, minimale bodemverstoring, gewasdiversiteit, het toepassen van organische mest en het stimuleren van de interactie tussen plantenwortels en bodemleven. Het is ook het verminderen van chemische input (kunstmest, gewasbescherming) en het voorkomen van rottende processen in en op de bodem. De regeneratieve principes kunnen daarbij als basis dienen voor bijvoorbeeld de eiwittransitie en ontwikkeling van de biologische landbouw. Regeneratieve landbouw kent geen statische definitie, maar is een voortdurend proces van leren, experimenteren en aanpassen. Ondersteund door betrekkelijk nieuwe vormen van meten en analyseren, zoals bodemchroma, analyses van de bodembalans en het bodemleven en plantsapmetingen. 

Vanaf 2022 gaf de Provincie Zeeland financiële ondersteuning bij de omschakeling van een eerste akkerbouwbedrijf naar regeneratieve landbouw. Intussen wordt samen met belangenbehartiging (ZLTO), belangrijke stakeholders in de Zeeuwse landbouw (o.a. FarmPlus) en onderzoek (Proefboerderij de Rusthoeve / Delphy) steeds meer ingezet op regeneratieve landbouw. Dit onder andere door middel van GLB/nsp subsidietrajecten. 

Belangrijke randvoorwaarde daarbij is kennisopbouw en –verspreiding over de functie van het zeer diverse bodemleven. Daarom wordt ook als één van de koplopermaatregelen bij het Zeeuws gebiedsprogramma ingezet op kennisverspreiding over regeneratieve landbouw. 

Met investering van het Nationaal Groeifonds is in 2024 het landelijke programma ReGeNL van start gegaan. De partners binnen ReGeNL worden gevormd door een groeiend aantal boerencoöperaties, ketenpartijen, financiële instellingen, kennisinstellingen en toeleveranciers. Tot 2030 wordt via vijf actielijnen en drie perspectieven gewerkt aan de transitie naar regeneratieve landbouw.  De ZLTO is ook als partner betrokken bij Regeneratieve Landbouw Nederland (ReGeNL). Provincie Zeeland onderzoekt hoe zij, rechtstreeks of via de ZLTO, meer betrokken wordt om Zeeuwse boeren zo effectief mogelijk gebruik te laten maken van de kennis die opgebouwd wordt in dit programma.

Koolstofopslag

Het bevorderen van het organische stof- en koolstofgehalte in de bodem vormen belangrijke aandachtspunten in een duurzame bodembeheerstrategie voor de landbouw. Het vastleggen van koolstof in de bodem biedt veel voordelen, zoals een vruchtbaardere en gezondere bodem van goede kwaliteit doordat voedingstoffen en water beter worden vastgehouden. Om de organische stof in landbouwbodems te verhogen, kan er uitgegaan worden van dierlijke (onbehandelde) mest, compost, gewasresten, groenbemesters en veranderende manieren van grondbewerking. Hierbij is het belangrijk dat de oorsprong en toepasbaarheid van de stimulanten niet/minder vervuilende materie is, en daarbij het bodemleven en de functie daarvan in stand blijft en/of wordt bevorderd, naast dat het praktisch en kostentechnisch functioneel moet blijven. Door bovendien te kijken naar de ontwikkeling van businessmodellen voor koolstofvastlegging kan dit op termijn niet alleen leiden tot een gezondere bodem, maar ook een beter verdienmodel voor de boer. De EU ontwikkelt een raamwerk voor certificering van koolstofvastlegging. Dit raamwerk moet betrouwbaarheid van koolstofvastlegging gaan onderbouwen en is bedoeld om de vrijwillige markt te stimuleren. Vervolgens moeten de lidstaten in de EU hier uitvoering aan geven. Het gaat om alle vormen van koolstofvastlegging: in de landbouw (bodem, in duurzame biomassa zoals bomen), in biobased toepassingen en via technologische systemen (Carbon capture). 

De afgelopen jaren hebben we verschillende projecten op het gebied van koolstofvastlegging gestimuleerd (bijv. het Interreg project Carbon Farming en het IBP-Vitaal Platteland Zuid Westelijke Delta project Koolstofboeren). Voor de voortzetting van koolstofopslag in de bodem en nauwere samenwerking met andere instrumenten zoals doelsturing/Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's) en contracten hebben we o.a. een koplopermaatregel in het Zeeuws Gebiedsprogramma opgenomen. Ook zullen we de totstandkoming van één of meerdere compost coöperaties in Zeeland gaan verkennen met een initiatief als Agricycling.

Biodiversiteit in het landelijk gebied

Biodiversiteit in het landelijk gebied kan op meerdere manieren worden verbeterd. Hierbij gaan we in op natuurinclusieve landbouw.

Natuurinclusieve landbouw

Wanneer (volhoudbare) landbouw op basis van natuurlijke processen en met aandacht voor de natuur gebeurt, spreken we over natuurinclusieve landbouw. Daaronder wordt verstaan een vorm van landbouwproductie waarbij soorten en natuurlijke processen de productie ondersteunen en/of soorten de ruimte krijgen zonder een direct effect op de productie. Natuurinclusieve landbouw hoeft niet biologisch te zijn of betrokken bij het agrarisch natuurbeheer, maar dit kan de natuurinclusiviteit wel versterken zoals bijvoorbeeld regeneratieve landbouw. Een onderscheid is te maken tussen het bouwplan en de teeltmethoden.

Natuurinclusief bouwplan

In het bouwplan kunnen natuurinclusieve maatregelen worden genomen.

Gewasrotatie – rustgewas; het toepassen van rotatie en variatie in gewassen en het gebruik van rustgewassen zijn maatregelen voor een betere bodem. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan in het project Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) in de akkerbouw in Zuidwest Nederland (IBP Vitaal Platteland).

Gewasdiversificatie – strokenteelt; combinaties van - en diversiteit in - gewassen worden getest en toegepast in Zeeland. Voorbeelden zijn o.a. te vinden op Proefboerderij de Rusthoeve en "Boeren voor natuurinclusieve landbouw" op Schouwen-Duiveland en het "Zeeuws Biodivers Bouwplan" uitgevoerd met o.a. strokenteelt in Grenspark Groot Saefthinge.

Groenbemesters – vanggewassen - akkers jaarrond groen; initiatieven rondom deze gewassen zijn mede via GLB en Proefboerderij De Rusthoeve ingebed in de akkerbouw in Zeeland. Een voorbeeld is de campagne ‘1001 ha biodiverse groenbemesters’. De Provincie Zeeland streeft ernaar dergelijke campagnes structureel te blijven ondersteunen.

Agroforestry; een verdergaande vorm van natuurinclusieve landbouw die we willen stimuleren is de aanplant van houtige gewassen op agrarische grond; agroforestry (boslandbouw) en voedselbossen. Deze beide teeltsystemen liggen in elkaars verlengde maar betekenen niet hetzelfde. Agroforestry is een vorm van landbouw waarin houtige aanplant wordt gecombineerd met akkerbouwgewassen en/of veehouderij om een duurzaam systeem te vormen. Bomen kunnen worden toegevoegd aan bestaande percelen en onderdeel gaan uitmaken van een toekomstgericht landbouwsysteem. Agroforestry kan bijdragen aan het realiseren van de klimaatopgave (vastlegging CO2, zoet waterberging, fijnstofreductie/afvang stikstof e.d.), vergroten/herstellen van de biodiversiteit in het landelijk gebied en het verminderd gebruik van chemische middelen (kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen). 

Sinds 2021 is er zowel het Kennisnetwerk Voedselbossen in Zeeland als het Agroforestry Netwerk Zeeland opgezet. Binnen deze netwerken zijn verschillende bijeenkomsten en workshops geweest en zijn er pilotprojecten uitgevoerd. Met de opgedane kennis wordt verder gewerkt aan de daadwerkelijke aanleg en implementatie van boslandbouwsystemen in Zeeland.  

Teeltmethoden

Bij natuurinclusieve teeltmethoden onderscheiden we maatregelen waarbij elementen worden gereduceerd en elementen die worden toegevoegd.

Niet-kerende grondbewerking (NKG); deze oppervlakkige bewerking van de bodem wordt al op meerdere plaatsen in de provincie toegepast. We stimuleren dit met subsidies.

Geïntegreerde gewasbescherming (ICM); in Zeeland zien we deze vorm van reductie van gewasbeschermingsmiddelen onder andere bij strokenteelt, het project ‘Peren telen gestuurd door data’ en het KIF-project (Kennis- en Innovatieplatform Fruitteelt).

Duurzaam gebruik natuurlijke voedingsstoffen; voorbeelden van deze vorm van natuurinclusieve landbouw, waarbij minder krachtvoer en kunstmest wordt gebruikt, zien we onder andere bij het toepassen van organische bemesting en de teelt van eiwitgewassen.

Functionele agrobiodiversiteit (FAB); dit richt zich op het versterken van natuurlijke ecosystemen binnen landbouwbedrijven om zo de afhankelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen (steeds minder middelen beschikbaar) en de toenemende weersextremen (groter risico op plagen) te verminderen dan wel overbodig te maken. Het omvat:

  • Bevorderen van natuurlijke plaagbestrijding; verhogen van de aanwezigheid van natuurlijke vijanden zoals roofinsecten en vogels om plagen te beheersen zonder chemische middelen. 

  • Versterken van bodemgezondheid; zorgdragen voor een gezonde, veerkrachtige bodem door de diversiteit in bodemorganismen te vergroten.

  • Stimuleren van bestuivers; vergroten van het aantal en de diversiteit van natuurlijke bestuivers (in tegenstelling tot 'gedomesticeerde' honingbijen) door het leefgebied te creëren bijvoorbeeld door de aanleg van bloemenranden en gewasdiversiteit. 

Landschapselementen; landschapselementen zorgen voor meer biodiversiteit en kunnen tegelijk bijdragen aan natuurlijke plaagbestrijding. Voorbeelden zijn hagen langs landbouwpercelen of poelen voor amfibieën.

Nestkasten voor o.a. vogels, vleermuizen; maatregelen op het erf zoals nestkasten worden bij voorbeeld gestimuleerd in projecten van Stichting Landschapsbeheer Zeeland (SLZ), zoals de koplopermaatregel ErfPlus (kN4).

Randenbeheer - akkerranden en bloemstroken; kruiden- of bloemstroken bieden voedsel voor insecten en vogels. Ze kunnen helpen bij de bestuiving en het beperken van chemische gewasbescherming en verfraaien van het landschap. Vergoeding voor stroken wordt gegeven in het ANLb, de ecoregeling van het GLB en door enkele gemeenten.

Vogelakkers; om boerenlandvogels te helpen worden landbouwpercelen ingezaaid met een mengsel van granen en kruiden die een seizoen of jaar blijven staan. Dit gebeurt door heel Zeeland op plaatsen waar bijvoorbeeld roofvogels als de bruine kiekendief voedsel kunnen vinden.

Kruidenrijk grasland - rust in maaibeheer; dit zijn maatregelen in de veehouderij die we onder andere terugzien in ‘1001 ha kruidenrijk grasland’ en in het ANLb.

Natuurvriendelijk slootbeheer; dit bestaat uit maatregelen gericht op minder intensief slootbeheer zoals natuurgericht maaien, natuurvriendelijke oevers, kruidenrijke slootkanten en het benutten van overbreedte van de sloot voor biodiversiteit. Natuurvriendelijk slootbeheer vindt in Zeeland plaats in samenwerking met waterschap Scheldestromen en is onderdeel van de Koplopermaatregel Ecologisch bermbeheer (kN4).

Doelsturing en KPI’s

Een deel van de problemen in de Zeeuwse landbouw hangt samen met het ontbreken of niet sluiten van bepaalde kringlopen. Zo zijn er tal van locaties in Zeeland waar de natuur te kampen heeft met een overmaat aan stikstof, terwijl in de kringlopen op Zeeuws niveau ten aanzien van enkele nutriënten sprake is van tekorten. Er wordt al langer gesproken over het sluiten van bodem-, plant-, dier- en mestkringlopen en het bevorderen van samenwerking tussen akkerbouw en veehouderij. Binnen beleidskaders en wet- en regelgeving is nauwelijks nog sprake van samenhang.  Landelijke wet- en regelgeving is veelal gericht op middelsturing, terwijl brede doelsturing ervoor kan zorgen dat bijvoorbeeld organische meststoffen op meer efficiënte wijze ingezet kunnen worden.

Kringlooplandbouw; ook wel circulaire landbouw genoemd, houdt in dat we agrarische biomassa en de daarin opgeslagen voedingsstoffen vasthouden in het voedselsysteem door het minimaliseren van grondstofgebruik middels hergebruik van eigen producten via hernieuwbare bronnen, onderdelen en hoogwaardige grondstoffen. Het is een systeem van op zo laag mogelijk niveau gesloten kringlopen verwezenlijken, gericht op (de balans tussen) het behoud van het natuurlijk kapitaal en het optimaliseren van het bedrijfsrendement. In de zoektocht naar het verbeteren van kringlooplandbouw wordt niet enkel de focus gelegd op het sluiten van (regionale) kringlopen (bijvoorbeeld voor mest en veevoer), maar meer op het economisch en praktisch uitvoerbaar en meetbaar maken van kringlooplandbouw in de praktijk.

Voor de veehouder betekent kringlooplandbouw dat hij vooral gebruik maakt van ruwvoer uit eigen land en van reststromen uit akkerbouw, tuinbouw en de voedingsindustrie en de rest van de voedselketen, en dus zo min mogelijk plantaardige eiwitten die ook geschikt zijn voor menselijke consumptie, aan dieren voert. Verder produceert hij mest van goede kwaliteit door bijvoorbeeld managementmaatregelen op het voerspoor en het mestspoor.

Voor de akkerbouwer betekent kringlooplandbouw dat hij zoveel mogelijk gebruik maakt van dierlijke mest, compost en gewasresten om het bodemvoedsel-web te stimuleren. Verder maakt hij maximaal gebruik van agrobiodiversiteit op en in de bodem.

Vanwege de cruciale rol in de kringloop van nutriënten is een gezonde bodem één van de belangrijkste pijlers van kringlooplandbouw. Bodemvruchtbaarheid en dan met name het gehalte aan en kwaliteit van organische stof zorgt voor een stabiele opbrengst, het vasthouden van nutriënten, sporenelementen en water en een lagere druk van ziekten en plagen. Het verhogen van het gehalte aan organische stof is bovendien een natuurlijke manier om CO2 en andere broeikasgassen in te vangen en op te slaan. Bij de uitvoering van kringlooplandbouw denken we aan maatregelen zoals:

  • Managementmaatregelen op voerspoor en mestspoor in de veehouderij;

  • Toepassing van de verbeterde mest in akkerbouw, inclusief voedergewassen;

  • Verdere stimulering van opbouw van organische stof in de bodem, kwantitatief en kwalitatief, door minder bodembewerking en jaarrond plantendiversiteit.

Aanvullend op kringlooplandbouw wordt met volhoudbare landbouw aangegeven dat het zowel voor de boer, maar ook voor de natuur een volhoudbaar systeem oplevert. Verdienmodellen, een manier om volhoudbare landbouw te bedrijven, zorgen ervoor dat een boer voldoende perspectief kan hebben in zijn bedrijfsvoering. In Zeeland werkten we in de periode 2020-2024 binnen het Interbestuurlijk Programma Vitaal Platteland Zuidwestelijke Delta (IBP-VP ZWD), een samenwerking tussen de provincies Zeeland, Zuid-Holland, Noord-Brabant en de waterschappen, gemeenten en gebiedspartijen.

Tegelijkertijd komt er veel beperkende wet- en regelgeving op het agrarische bedrijf af. Doelstelling voor onder andere de Kaderrichtlijn Water (KRW), natuur, biodiversiteit, koolstofopslag en de reductie van stikstof bewegen agrariërs ertoe om innovatieve stappen te nemen. Het Ministerie van LVVN werkt aan een beleidsdocument over de implementatie van doelsturing en KPI's in Nederland, inclusief de borging en juridische uitvoering van deze systematiek en de te organiseren governance. In Zeeland hebben we de afgelopen jaren een pilot uitgevoerd naar de implementatie van KPI’s voor de landbouwsector in het kader van het project Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw Zuidwestelijke Delta. In het Programma zetten we de implementatie van doelsturing en KPI's in Zeeland voort en werken we er naartoe dat een groot deel van de agrariërs in Zeeland wordt beloond voor hun maatschappelijke prestaties middels een gedragen systematiek door overheden, vertegenwoordigers, banken en ketenpartijen.  Bovendien onderzoeken we de koppelingen van doelsturing en KPI's met gebiedsgerichte aanpakken en werken we aan een pilot Ontwikkelingsbank waarbij provinciale pacht wordt gekoppeld aan dit monitoringsinstrument.

Agrarische ketens

Om de transitie naar een meer volhoudbare landbouw te kunnen realiseren is een ketenaanpak nodig, waarbij alle schakels van belang zijn. Marges zijn gering, prijzen zijn wisselend en zijn voor het overgrote deel wereldmarkt-gerelateerd, grond en financiering drukken zwaar en de positie binnen de keten is kwetsbaar, de regeldichtheid wordt steeds groter. De mate van financiering en bestaande contracten met leveranciers en banken maken dat doorgaan op het reeds ingeslagen pad van intensivering en schaalvergroting vaak de enige mogelijkheid lijkt. De relaties in de keten zijn wederkerig. Enerzijds worden vanuit de keten dan wel de markt (retail, industrie, consument) wensen en eisen gesteld aan producten. Anderzijds bepaalt de (wereld)markt (de keten) de prijs en daarmee de marge voor het primaire product.  

Korte ketens wordt vaak als onderdeel gezien van multifunctionele landbouw. Hieronder worden diverse nevenactiviteiten van agrariërs naast de reguliere bedrijfsvoering verstaan. De Europese definitie van een korte keten luidt als volgt; ‘geen of maximaal één ketenpartij tussen de landbouwpartij en de consument aanwezig’.

Mede door de coronacrisis en de toegenomen interesse in regionale producten heeft de korte keten de afgelopen jaren veel aandacht gekregen. Er is veel onderzoek gedaan naar korte ketens, blockchain technologie en de totstandkoming hiervan. In Zeeland is de hele agrarische/ voedselketen aanwezig, van teler en verwerker tot retail en consument. Met een verscheidenheid aan producenten in de voedselketen en de positie van Zeeland als belangrijke voedselproducent en exporteur van voedsel (in Europa en daarbuiten) is het belangrijk om in te blijven zetten op brede doorontwikkeling van onze voedselketen. Dit heeft een relatie met het eerder benoemde thema voedsel. Daarnaast exporteren we ook veel kennis via de agro-food ketens de wereld over. Op provinciaal niveau werken we aan concrete initiatieven die korte ketens mogelijk maken en stimuleren en stimuleren we keteninnovaties. We doen dit onder andere samen met het kennis- en innovatienetwerk FoodDelta Zeeland, Impuls en de HZ University of Applied Sciences. Dit alles met als doel om de schakels in de gehele keten zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten en een korte keten te realiseren. 

De keten heeft raakvlakken met diverse andere beleidsthema's, waaronder de ketens voor eiwitgewassen (eiwittransitie), biobased gewassen (biobased bouwen en telen) en de agrarische en aquatische voedselproductie inclusief streekproducten.  

Het verkorten van de keten binnen de ketenaanpak is niet altijd het primaire doel. De ketenaanpak is er voornamelijk op gestoeld om in het kader van een volhoudbare landbouw het verdienmodel van de gehele agrarische en voedselproducerende keten te verbeteren (met uiteindelijk ook een verdienmodel voor de primaire producent en een transparante voedselketen). Dit kan ook betekenen dat een keten met een extra tussenschakel wordt verlengd in plaats van verkort.  

Platform Multifunctionele Landbouw; een groot aantal agrarische ondernemers combineert agrarische productie met levering van maatschappelijke producten en diensten zoals zorglandbouw, dag- of verblijfsrecreatie, boerderijeducatie, kinderopvang, boerderijverkoop en/of natuurbeleving en -beheer. Het Platform Multifunctionele Landbouw (Platform MFL) is opgericht om, naast het stimuleren van (door)ontwikkeling van MFL, knelpunten te inventariseren en weg te nemen. Hierin zijn verschillende belangrijke betrokkenen voor de multifunctionele landbouw vertegenwoordigd, waaronder het ministerie van LVVN, vertegenwoordiging van gemeentes, onderzoek en de financiële sector. 

Eiwitketen

In de komende decennia wordt een groei in de eiwitbehoefte voor humane consumptie voorzien. Aan steeds meer food producten wordt plantaardige proteïne toegevoegd. Bovendien wordt in de veehouderij gestreefd naar het vergroten van het aandeel eiwitten van eigen bodem in het rantsoen. Zeeland kan dat telen. Eiwitteelten (o.a. erwten, (veld)bonen, luzerne, quinoa en soja) zijn ook vanuit landbouwkundig oogpunt interessant. Het zijn teelten die rust brengen in de bodem, zorgen voor stikstofbinding en een minimale input van middelen nodig hebben. Zeeland kent bovendien van oudsher een traditie in de teelt van peulvruchten. Daarmee is dit een kansrijk onderdeel van de Zeeuwse kringloopagenda.

De teelt van eiwitten voor humane en veevoederconsumptie (food en feed) draagt bij aan een meer duurzame en volhoudbare landbouw, met aandacht voor biodiversiteit en een verdienmodel voor de boer, rekening houdend met de vraag naar eiwitgewassen uit de markt.

Met de eiwittransitie wordt de overgang van dierlijke eiwitten naar meer plantaardige eiwitten bedoeld. De transitie naar een voedselpatroon met meer plantaardige en minder dierlijke eiwitten is één van de grote mondiale uitdagingen van deze tijd (bijvoorbeeld het EAT-Lancet voedingspatroon). Een agrarische provincie als Zeeland kan daar een belangrijke rol in vervullen. In samenwerking met FoodDelta Zeeland en bedrijven uit de gehele eiwitketen van Zeeland is de Protein Delta vormgegeven, een ambitie en innovatieprogramma voor de eiwittransitie in ZeelandZeeland beoogt hiermee een zichtbare bijdrage aan de verandering van het (eiwit)menu van de regionale consument (inwoners en toeristen) te leveren en presenteert zich als een inspirerend proef- en demogebied voor de wereld.  

Om minder afhankelijk te worden van de import van buitenlandse eiwitten is de Nationale Eiwitstrategie (2020) ontwikkeld door LVVN. Binnen deze strategie wordt ingezet op meer plantaardige eiwitten zelf telen, meer eiwitten halen uit alternatieve bronnen zoals algen, wieren en insecten en meer terugwinnen van eiwitten uit rest- en nevenstromen. Op interprovinciaal niveau werken we samen met de andere eiwitprovincies en The Protein Cluster (onderdeel van FoodvalleyNL) om hier invulling aan te geven. Vanaf 2022 heeft de Provincie Zeeland tevens actief deelgenomen aan de Green Deal Eiwitrijke Gewassen, ook wel de Bean Deal genoemd. In deze deal is op veel fronten gewerkt aan onderzoek naar de opschaling van plantaardige eiwitgewassen in Nederland en de totstandkoming van meer draagvlak voor de eiwittransitie in de gehele voedselketen, van primaire producent tot retail en consument. Tevens is er in samenwerking met andere provincies en organisaties als de Rabobank en FoodvalleyNL gewerkt aan de opschaling van eiwitketens (o.a. veldbonen, droge soja, quinoa) via het aanstellen van een ketenregisseur, als onderdeel van het programma Plant Protein Forward. Het vervolg van de Bean Deal zal zich gaan richten op concrete ketenafspraken en deals voor opschaling van eiwitteelt in Nederland.  Ook hier willen wij als Zeeland een belangrijke rol bij blijven spelen.

Naast de Bean Deal werken we ook via andere instrumenten, zoals programma's als GLB-nsp, Zeeland in Stroomversnelling en OP-Zuid, aan de opschaling van eiwitinitiatieven en –innovaties. Ketenontwikkeling, van grond tot bord, is daarbij de focus, waarbij zowel aan de vraag en aanbodkant van eiwitgewassen initiatieven worden gestimuleerd. Hier willen we de komende jaren actief op blijven inzetten.

Biobased keten

Biobased teelten zoals vlas, miscanthus, hennep en stro (via graan) passen prima in het bouwplan van de Zeeuwse agrariër. Zeeland heeft van oudsher veel kennis op het gebied van teelt van vlas, onder andere op Zeeuws-Vlaanderen zijn er belangrijke vlasclusters gevestigd. Ook de verwerking van vlas tot vezels voor bouwmaterialen (onder andere bouwplaten en isolatie) vindt hier plaats. Voor andere toepassingen van vlas is er grote potentie. De hele keten is hier aanwezig, van veredeling tot afnemers in de bouw. Op dit moment worden er verkenningen uitgevoerd naar de teelt van wintervlas in Zeeland, zodat jaarrond vlas geteeld kan worden.

Met de Biobased Innovation Garden op Proefboerderij Rusthoeve (een samenwerking met Delphy) wordt al heel wat jaren gewerkt aan het onderzoeken van biobased teelten en het opschalen van businessmodellen voor biobased gewassen tot verwerkingsproducten. De komende jaren zal samen met het landelijke netwerk Building Balance, het K&I-netwerk Circulair Bouwen Zeeland en diverse andere partijen (waaronder de bouwsector en kennisinstellingen) gewerkt worden aan de opschaling van de teelt van biobased gewassen in Zeeland door in te zetten op ketenontwikkeling en kennisdeling. Want het zorgen voor voldoende afzet voor biobased gewassen is het primaire speerpunt. Hierdoor wordt het verdienvermogen rondom biobased gewassen voor bestaande telers en verwerkers verhoogd en worden meer agrariërs overgehaald om ook deze gewassen te gaan telen.

In het kader van Zeeland 2050 ligt er een enorme opgave om meer woningen te bouwen om nieuwe inwoners van Zeeland een plek te geven. In relatie tot duurzaamheid liggen er kansen voor het gebruik van biobased bouwmaterialen bij nieuwe en bestaande woningbouwprojecten, ook nu al, via de woonopgave uit de Woondeal, maar ook voor de toekomst.

Het werken aan de opschaling van biobased bouwen en circulaire economie vormt tevens een onderdeel van de Economische Agenda Zeeland; Uitvoeringsprogramma Economie 2024-2028.

Biologische landbouw

Biologische landbouw is een productiesysteem dat de gezondheid van de bodem, van ecosystemen en van mensen onderhoudt. De term ‘biologisch’ is via Europese wet- en regelgeving beschermd en biologische bedrijven worden hierop onafhankelijk gecontroleerd. Enkel gecertificeerde bedrijven mogen hun producten als biologisch aanbieden.

Biologisch boeren heeft meerdere positieve effecten die bijdragen aan de beoogde transitie naar een volhoudbare landbouw. Daarbij worden veelal de kwaliteit van de bodem (o.a. organische stofgehalte), de boven- en ondergrondse biodiversiteit en een mogelijk hogere marge voor het primaire bedrijf genoemd. Bij biologische landbouw worden geen chemische gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Bovendien kan de biologische keten een goede leer/ experimenteerfunctie hebben op volhoudbare landbouw in het algemeen. Desondanks blijft de groei van het aantal biologische ondernemers in Zeeland achter ten opzichte van andere Nederlandse (akkerbouw)provincies.  Dit terwijl het Ministerie van LVVN in 2022 het “Actieplan biologische landbouw” naar buiten bracht, waarin wordt gestreefd naar 15% biologische landbouw in Nederland in 2030. Voor Zeeland betekent dit een flinke groei ten opzichte van de huidige situatie, waarbij ongeveer 3% van het landbouwareaal biologisch is. Als Zeeland streven we naar 5% areaal biologische landbouw in 2030.

Een recentelijke uitdaging van de afgelopen jaren die voor de biologische sector een belangrijke rol speelt zijn de veranderende weersomstandigheden en het klimaat. Hierdoor is niet-chemische ziekte- en schimmelbestrijding hoger op de agenda komen te staan. Het veranderende middelenpakket maakt het voor de biologische sector uitdagend om de productie te garanderen. Het inzetten op nieuwe teelttechnieken en veredeling/ontwikkeling van nieuwe rassen kan helpen om deze uitdagingen te lijf te gaan.  

In samenwerking met de ZLTO, de Vereniging van Biologische boeren Zuidwest Nederland en Bionext gaan we de aankomende jaren (mede via de koplopermaatregel biologische landbouw (kA5) ) werken aan het verbeteren van de omstandigheden voor biologisch boeren in Zeeland. Hiertoe wordt een projectleider/ketenregisseur biologische landbouw aangesteld. We zetten in op kennisprogramma's om de bovenstaande uitdagingen aan te gaan en we gaan hard aan de slag om ketenontwikkeling te stimuleren, zodat de afzet voor biologische producten in Zeeland wordt vergroot. Het vergroten van de afzet is het primaire doel van deze samenwerking. Ook willen we boeren die twijfelen over omschakeling naar biologische landbouw tegemoetkomen middels een omschakelfonds. Zo zorgen we enerzijds voor het vergroten van de afzet en anderzijds de doorontwikkeling naar meer areaal biologische landbouw. Het ontwikkelen van kennisprojecten en ketenprojecten richting landelijke of provinciale subsidieprogramma's dient hier mede aan bij te dragen.

In de brede zin gaan we samen toewerken naar een concreet actieplan voor de realisatie van de ambitie van 5% biologische landbouw. Dit plan richt zich op enkele speerpunten die vanuit de sector als prioritair zijn aangegeven: 1) niet-chemische onkruidbestrijding en de daarbij behorende innovatie, 2) afzetbevordering van biologische producten via de keten, zowel lokaal als op landelijk/Europees niveau en 3) omgaan met klimaat en weersomstandigheden en ziekten en plagen. De belangrijkste uitdaging is het zorgen voor voldoende afzetmogelijkheden voor biologische producten. Daarin spelen afnemers van biologische producten een belangrijke rol, maar ook de consument die biologische producten in de supermarkt koopt. Het Ministerie van LVVN heeft in 2024-2025 een consumentencampagne uitgevoerd voor meer bewustwording omtrent biologische producten. Ketenpartijen en de retail spelen hierbij een essentiële rol.

4.3.2 Opgaven
Voedsel

De behoefte is om - aansluitend op de landelijke IPO-toekomstvisie en de visie van het Rijk - een Zeeuwse voedselstrategie op te stellen, waarbij ingegaan wordt op thema’s als; voedsel uit de regio, voedselverwerkende industrie, Zeeland als proeftuin, gezond eten door inwoners en minimalisering van verspilling.

1. Het opstellen van een visie, strategie en infographic met Zeeuwse ambitie (B) (oG6).

Kennis en innovatie

1. Onderbrengen praktijk groen onderwijs (Scalda) op locatie Rusthoeve (oG7):

- Projectplan.

- Realisatie ‘De Nieuwe Rusthoeve’ (B).

2. Behouden en versterken van onderwijs in de groene sectoren in Zeeland. Aantrekken van studenten en opleidingen (oG7):

- Minimaal 200 afgestudeerde studenten praktijkonderwijs ‘De Nieuwe Rusthoeve’ t/m 2030.

3. Ondersteunen van toegepast onderzoek naar bodem, water en biodiversiteitsvraagstukken (oG1):

- Minimaal twee initiatieven per jaar (B).

- Praktijkgerichte publicaties of rapportages.

- Mate van samenwerking met kennis- instellingen en praktijkpartners.

4. Inzetten op trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsacties en demonstratieprojecten (oG2):

- Minimaal twee initiatieven per jaar.

- Kennis- of gedragsverandering bij deelnemers.

- Bereik van minimaal 500 agrariërs/ per jaar ohgv kennis en innovatie.

Bodem

1. Stimuleren van organische stof opbouw in landbouwgrond (oG1):

- 3% organische stof in 2050 (B). Het verhogen van organische stof vergt geduld, lange termijn investeringen (>10 jaar) om een daadwerkelijke structurele verhoging van organische stof te realiseren (Bloem et al, 2017). Hierbij kunnen bodembiologische indicatoren (bijv. mineraliseerbare stikstof en heet water extraheerbaar koolstof (HWC)) een indicatie zijn voor de goede weg op de langere termijn. Het opbouwen van een goed en hoog organische stofgehalte in de bodem vraagt veel van de landbouwsector en een veranderend landbouwsysteem, waar veel (financiële) input mee gemoeid is. Organische stofgehalte verhogen met 1% vraagt om ±30.000 kg organische stof per hectare.

- Jaarlijks minimaal 1 project i.c.m. KPI/doelsturing.

2. Stimuleren van regeneratieve landbouwpraktijken (oG1).

- Ondersteunen twee initiatieven per jaar (B).

- 50 akkerbouwbedrijven in 2030 (deels) overgestapt op regeneratieve landbouw.

3. Stimuleren opslaan koolstof in landbouwgronden (kA1):

- Minimaal 150 deelnemende agrariërs in ZWD actief beloond voor langjarige koolstofopslag in bodem.

4. Opschalen concept boerderijcompostering (kA2):

- Minimaal 3 compostpilots en compost-coöperaties 2 in Zeeland.

5. Coöperatief sluiten van kringlopen door het lokaal composteren van lokale groene reststromen voor een vruchtbare bodem (kA2):

- Twee regio's binnen Zeeland, elk 1.000 ha betrokken, verwerken 78.000 ton biomassa.

6. Cursus en coaching bodemverbetering (technische inhoudelijke coaching op bodemverbetering) en kennisdeling regeneratieve landbouw (kA0):

- Coaching: 50 agrariërs; Kennisverspreiding RL: 8 groepen van 8-15 agrariërs en 50 beleidsmedewerkers en erfbetreders,

- Minimaal 2 initiatieven p/jaar voor kennisopbouw en verspreiding (B).

7. Coaching op bodemverbetering (oG3):

- In 2028 zijn 150 akkerbouwers begeleid binnen programma BodemUP en 100 agrariërs kennis gemaakt met regeneratieve principes.

Biodiversiteit in het landelijk gebied

1. Stimuleren bewustzijn en kennis bij agrariërs en bewoners om Natuurinclusieve landbouw (NIL) te vergroten (oG4):

- Minimaal twee initiatieven per jaar.

2. Stimuleren teelten (o.a. kruidenrijk grasland, strokenteelt, vlas en hennep, bloeiende akkerranden) incl. beloning voor agrariërs (oG5):

- Minimale groei van 3% functionele agrobiodiversiteit in 2030.

- Jaarlijkse realisatie 500ha (1001ha Kruidenrijk Grasland/Groenbemesters/Klaverweide) in Zeeland.

3. Minimaal twee initiatieven per jaar waarbij herstel en beter benutten van (functionele) agrobiodiversiteit centraal staat (oG6).

4. ANB maatregelen worden genomen op ca. 50 ha landbouwgrond (oG7):

- Onder deze provinciale regeling worden een tiental maatregelen uitgevoerd rondom de kwetsbare Natura 2000- gebieden (Manteling van Walcheren en de Kop van Schouwen).

5. Stimuleren uitbreiding areaal agroforestry (oG8).

Doelsturing en Kritische Prestatie Indicator (KPI)

1. KPI aanpak uitwerken middels biodiversiteitsmonitoring akkerbouw Zuidwestelijke Delta (kA0):

- 500 deelnemers in 2027 in ZWD (koplopermaatregel), waarvan minimaal 100 in Zeeland.

- 1300 agrariërs (helft van Zeeuwse agrariërs) zijn actief bezig met doelsturing 2030 in Zeeland (B):

- Minimaal 2 projecten voor doelsturing en KPI's, waarvan minimaal 1 met focus op ketensamenwerking Zeeuwse gewassen (B).

Agrarische ketens

1. Stimuleren van het verkorten – of het verlengen – van de keten met essentiële schakels om producten regionaal af te kunnen zetten (oG8).

- Gesprekken lokale afnemers en aanbieders en verkenning een of meerdere foodhubs in Zeeland (2026).

- Minimaal 25% van de totale agrarische bedrijven dient in 2030 te verkopen via de korte keten met maximaal 1 tussenschakel in Zeeland (status 2025: 18%). Minimaal 2 initiatieven p/jaar.

- Onderzoek naar kansen voor ketenpartijen in de korte keten i.r.t. Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) (2026).

2. Ontwikkelen regionale keten eiwit- en biobased teelten en stimuleren eiwit- en biobased teelten in GGS (kA3/kA4).

3. Initiatieven ondersteunen die zich richten op de ontwikkelingen op het gebied van de eiwittransitie voor humane consumptie (oG8):

4. 7% areaal eiwitteelt in 2030  t.o.v. totaal areaal landbouw (status 2025: 4,5%) (B).

5. Minimaal 2 initiatieven p/jaar  t.o.v. het totale landbouwareaal in 2025, waarvan 1 gericht op afzetbevordering (B).

6. Ontwikkelen van ketensamenwerkingen voor de teelt en verwerking van biobased gewassen in Zeeland en kennisdeling over biobased (oG8):

- Minimaal 2 initiatieven p/jaar voor biobased teelten, met minimaal 1 project in het kader van ketenontwikkeling (B).

Biologische landbouw

1. Opstellen stimuleringsplan biologische landbouw (kA5):

- Uitvoeringsplan en aanstellen projectleider/ketenregisseur (2026).

2. Ontwikkeling biologische sector (oG9):

- Minimaal 2 initiatieven p/jaar (B).

- 5% areaal biologische landbouw in 2030 in Zeeland t.o.v. het totale landbouwareaal in 2025 (incl. areaal biologische landbouw in omschakeling) (B).

3. Er wordt een omschakelfonds gevormd voor ondersteuning van omschakelaar (kA5):

- Minimaal 100 hectare biologische landbouw per jaar wordt gerealiseerd via o.a. het omschakelfonds.

4.4 Thema Meten is weten

4.4.1 Beleid

Bij het opstellen van beleid werken we volgens de ‘Plan, Do, Check, Act’- cyclus (PDCA-cyclus). Er wordt beleid opgesteld, we voeren uit, evalueren, en passen aan waar nodig. Om beleid, zoals ook hierboven beschreven, te kunnen evalueren is monitoring van belang. Monitoring geeft inzicht in doelbereik en kan inzicht geven in eventuele benodigde aanpassingen of vervolgstappen. Om te kunnen monitoren moet er worden gemeten.

4.4.2 Opgaven

Binnen de doelen van dit Programma heeft de Provincie bestaande metingen (meetnetten) op het gebied van natuur, water en stikstof. De bestaande metingen zijn echter niet toereikend om voldoende te kunnen monitoren. De opgave is dan ook om de monitoring voor de doelen in dit Programma en voor dit Programma zelf op orde te krijgen.

Opsomming opgaven:

  • Voldoende meetcapaciteit/meetnetten om goed te kunnen monitoren.

  • Het kunnen evalueren van doelbereik van dit Programma.

Hoofdstuk 5 Maatregelen

De maatregelen zijn onderverdeeld in vier pakketten die passen bij de vier thema’s:

1. Thema Groen herstelt

In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die in hoofdzaak bijdragen aan natuurherstel, verbetering van de biodiversiteit en vermindering van de drukfactoren op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, waaronder stikstof.

2. Thema Elke druppel telt dubbel

In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die bijdragen aan de zoetwaterbeschikbaarheid, zowel voor landbouw als ook voor andere functies in het landelijk gebied. Uitgangspunt is, net als in het concept Zeeuws gebiedsprogramma, efficiënt omgaan met wat er is en wat er valt.

3. Thema Van grond tot gewas

In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die gericht zijn op de volhoudbare landbouw.

4. Thema Meten is weten

In dit pakket zijn maatregelen opgenomen die bijdragen aan monitoring en zo meer inzicht geven in de ontwikkelingen en het behalen van de doelen. Deze maatregelen dragen ook bij aan de monitoren van het effect van maatregelen.

De indeling in pakketten geeft een meer integrale aanpak weer. Maatregelen uit het pakket “Groen herstelt” kunnen ook bijdragen aan een volhoudbare landbouw. Andersom zullen maatregelen uit het pakket “Elke druppel telt” ook bijdragen aan ‘Van grond tot gewas’.

Lopende maatregelen

Koplopermaatregelen

In juli 2023 hebben Gedeputeerde Staten het concept Zeeuws gebiedsprogramma voorgelegd aan toenmalig minister Van der Wal. Kort daarna is vanuit de Regieorganisatie Transitie Landelijk Gebied (RTLG) de vraag gekomen welke maatregelen op korte termijn zouden kunnen starten. Hier zijn de koplopermaatregelen uitgekomen. Deze maatregelen zijn gebaseerd op de lijst met maatregelen die in het concept Zeeuws gebiedsprogramma is opgenomen.

De maatregelen zijn eerst door het Rijkstoetsteam (RTLG, LVVN natuur, LVVN agro, BZK en I&W) getoetst. Daarnaast heeft ook Wageningen Economic Research de maatregelen beoordeeld. Uiteindelijk heeft dat geleidt tot een toekenning van € 28 miljoen voor de koplopermaatregelen. De middelen moeten, overeenkomstig de voorwaarden, binnen vier jaar worden weggezet. Binnen deze tijd moeten de maatregelen zijn uitgevoerd. Jaarlijks voor 1 mei wordt er gerapporteerd aan het Rijk over de voortgang. De koplopermaatregelen zijn in dit Programma ingedeeld in dezelfde pakketten als de nieuwe maatregelen en aangeduid met een kleine letter k.

Overige lopende maatregelen

Naast de koplopermaatregelen zijn er overige lopende maatregelen die bijdragen aan de doelen en opgaven in dit Programma. Op dit moment hebben we opgenomen wat we in beeld hebben, het is echter geen uitputtende lijst.

Nu zijn in ieder geval de lopende maatregelen zoals beschreven in het voormalige UPLG opgenomen. Voor lopende maatregelen op het gebied van de KRW verwijzen we naar het Regionale Waterprogramma. Lopende maatregelen binnen Natura 2000- gebieden zijn te vinden Programma Natuur. Er gebeurt echter veel in het landelijk gebied. Zo worden er bijvoorbeeld ook diverse maatregelen binnen de Zeeuwse Gebiedenaanpak opgepakt.

Nieuwe maatregelen

Nieuwe maatregelen in dit Programma zijn maatregelen die, zo veel mogelijk integraal, bijdragen aan de opgaven en daarmee bijdrage aan het behalen van de doelen.

Voor het ophalen van de nieuwe maatregelen is overleg geweest met collega’s uit diverse vakgebieden: water, klimaatadaptatie, landbouw, natuur, monitoring, mobiliteit, bereikbaarheid enz. Daarnaast is gekeken aan welke koplopermaatregelen een vervolg kan worden gegeven en voor welke maatregelen uit het concept Zeeuws gebiedsprogramma er eerder geen financiering is ontvangen. Dit heeft geleid tot de totale lijst van maatregelen.

In onderstaande paragrafen worden kort de maatregelen beschreven, de financiering of de financieringsvraag en de invulling van de monitoring. Dat gaat dan vooral over de monitoring op maatregelniveau. Verder geven we, voor zover op voorhand bekend, aan of er gevolgen zijn voor andere overheden.

Maatregelen stikstofplan

De maatregelen die uit het stikstofplan komen zijn verwerkt in dit Programma. Een aantal maatregelen zijn een gebiedsspecifieke uitwerking van maatregelen die al in het ontwerp Programma zijn opgenomen. De toelichting op de gebiedsspecifieke uitwerking is dan ook toegevoegd aan de maatregelen die al in de pakketten waren opgenomen. Maatregelen uit het stikstofplan die niet aansluiten bij een al opgenomen maatregel zijn toegevoegd in het pakket ‘Groen herstelt’ onder het kopje gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren. Deze zijn te herkennen de letter S.

5.1 Thema Groen herstelt

5.1.1 Lopende maatregelen

Koplopermaatregelen

kN2 Versterken agrarisch Natuurbeheer

De toegekende middelen van € 4 miljoen worden voor een groot deel toegevoegd aan het budget voor Agrarisch Natuur- en landschapsbeheer om een groter areaal te realiseren. Daarnaast wordt hiermee de uitvoeringscapaciteit versterkt en de monitoring van het agrarisch natuurbeheer uitgebreid.

Financiering: € 4 miljoen aan toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal hectare aangelegd en/of beheerd.

Gevolgen overheden: geen.

kN4.1 Aanleg groenblauwe dooradering Reimerswaal

Doel van het project Reigersbergsepolder is om zoet water in het gebied te laten dat nu vanuit het Volkerak-Zoommeer geloosd wordt in de Westerschelde. Het water draagt bij aan de zoetwaterbeschikbaarheid voor de landbouw. Daarnaast wordt de combinatie gezocht met groenblauwe dooradering. Voor een aantal onderzoeken is €250.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: betreft gebied binnen de gemeente Reimerswaal. De uiteindelijk invulling heeft ruimtelijke gevolgen die mogelijk gevolgen hebben voor het gemeentelijke Omgevingsplan en/of de Omgevingsvisie. Bij dit project zijn ook het waterschap Scheldestromen en het Rijk (Ministerie van Infrastructuur en waterstaat) nauw betrokken.

kN4 Regelingen groenblauwe dooradering

Deze maatregel bestaat uit drie onderdelen:

  • a.

    Samen met het waterschap wordt een inventarisatie gedaan van dijkvakken die ecologisch beheerd kunnen worden. Vervolgens gaat het waterschap deze dijkvakken ook ecologisch beheren. Hiervoor is € 514.000,- beschikbaar.

  • b.

    Daarnaast loopt het project Erfplus dat tot doel heeft biodiversiteit toe te voegen aan boeren erven. Hiervoor is € 263.690,- beschikbaar.

  • c.

    Tot slot worden veldcoördinatoren opgeleid en een maatregelenkoffer samengesteld om initiatieven die bijdragen aan de groenblauwe dooradering te ondersteunen (€ 210.900,-).

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: Voor (1) het aantal hectare, voor (2) het aantal erven en voor (3) de inzet van de veldcoördinatoren.

Gevolgen overheden: Alleen het eerste onderdeel heeft invloed op de werkzaamheden van het waterschap. Zij zijn hierbij betrokken. De andere onderdelen hebben geen rechtstreekse gevolgen voor andere overheden.

Overige lopende maatregelen

oN1 Groenblauwe dooradering: Ontwikkelen kwantitatieve monitoring

Realiseren van een viewer met groenblauwe dooradering in Zeeland en een dashboard oppervlakte en percentage, jaarlijks te actualiseren. 

Financiering: Provincie Zeeland.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen voor overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, NEO- informatiedienst.

Periode: 2025 t/m 2030.

oN2 Agrarisch natuurbeheer Zeeland; uitwerken ambitie

In fases uitwerken van de voorgestelde maatregelen in het ambitiedocument agrarisch natuurbeheer.

Financiering: Europese GLB-middelen, aangevuld met nationale middelen.

Monitoring: uitgewerkte maatregelen uit het ambitiedocument.

Gevolgen voor overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland.

Periode bestaat uit drie fasen:

  • 2025 t/m 2028.

  • 2029 t/m 2035.

  • 2036 t/m 2050.

5.1.2 Nieuwe maatregelen

N1 Bos buiten Natuurnetwerk Zeeland

Het realiseren van bos buiten het Natuurnetwerk Zeeland. Vanuit de Bosvisie ligt er een opgave van 205 ha bos buiten het Natuurnetwerk. Onder bos valt alle opgaande houtige beplanting.

Financiering: € 30 miljoen, deels vanuit Provinciale middelen (€ 2 miljoen). Overige dekking is nog niet bekend.

Monitoring: aantal hectare bos.

Gevolgen overheden: de locatie van nog aan te leggen bos heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

N2 Ecopassage

De Deltaweg (N256) tussen Goes en Noord-Beveland wordt aangepakt. De Deltaweg doorsnijdt de Schenge, een voormalige zeearm die vroeger het eiland Wolphaartsdijk van Zuid-Beveland scheidde. De Schenge is nog steeds belangrijk voor de biodiversiteit. Nu de Deltaweg vernieuwd wordt, zou tegelijk met deze vernieuwing van de weg een ecopassage kunnen worden aangelegd waardoor dieren veilig kunnen oversteken.

Financiering: € 2 miljoen, de dekking is nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N3 Maatregelen Programma Natuur

In het Programma Natuur zijn natuurherstelmaatregelen opgenomen voor tien stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden in Zeeland. Er is minder budget voor de uitvoering dan dat er is geprogrammeerd. Niet alle maatregelen kunnen uitgevoerd worden vanuit het budget van Programma Natuur. Deze maatregelen worden meegenomen in dit Programma.

Financiering: zo'n € 60 miljoen, waarvan bijna € 40 miljoen gedekt is vanuit Programma Natuur. Overige dekking is nog niet bekend.

Monitoring: meegenomen in de bestaande monitoring.

Gevolgen overheden: nog niet bekend.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren (stikstofplan)

Deze maatregel wordt vanuit het stikstofplan opgepakt voor de gebieden rond de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren.

Het versnellen van natuurherstel richt zich op urgente habitats waar stikstof, verdroging en andere drukfactoren de draagkracht overschrijden. De uitvoeringscapaciteit wordt bepaald door financiële middelen, vergunningverlening, draagvlak en beschikbaarheid van uitgewerkte herstelmaatregelen. Momenteel vormt financiering de belangrijkste beperkende factor. Diverse maatregelen zijn reeds uitgewerkt in het Programma Natuur of bij terrein beherende organisaties, maar wachten op middelen en uitvoering.

Financiering: €10 miljoen aanvullend op de bovenstaande €20 miljoen.

Monitoring: Meegenomen in de bestaande monitoring.

Gevolgen overheden: Mogelijk gemeenten Veere en Schouwen-Duiveland.

N4 Opzetten pilot voor basiskwaliteit natuur

De pilot ziet op de toepassing van het instrument Basiskwaliteit Natuur. Er zijn door het ministerie LVVN diverse handvatten en tools uitgewerkt met betrekking tot de Basiskwaliteit Natuur. Er is behoefte aan meer praktijkervaring en daarvoor worden in elke provincie pilots gestart, zo ook in Zeeland.

Financiering: De eerste gebiedsanalyse wordt gefinancierd vanuit de ministeries LVVN en RVO. Financiering voor het vervolg is nog niet bekend. 

Monitoring: n.v.t. 

Gevolgen overheden: de locatie van de pilot heeft mogelijk gevolgen voor een gemeentelijke omgevingsvisie en/of omgevingsplan.

N5 Groenblauwe dooradering: hoe stimuleren we dit en zoeken we naar meekoppelkansen?

Er wordt een plan van aanpak opgesteld voor de stimulering van groenblauwe dooradering. Daarin worden ook de natte ecologische verbindingszones en de natuurvriendelijke oevers meegenomen.

Financiering: nog niet bekend. 

Monitoring: Op dit moment wordt in beeld gebracht hoeveel groenblauwe dooradering er in Zeeland aanwezig is. Dat geeft een ‘nul’-meting. De uitbreiding wordt gemonitord in aantal hectares. 

Gevolgen overheden: de locatie van nog aan te leggen groenblauwe dooradering heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

N6 Bijdrage cultuur/Erfgoed aan Stikstofopgave

In het Provinciale Koersdocument cultuur en erfgoed is opgenomen dat het cultuurveld actief bijdraagt aan het vormgeven van grote transities. De culturele broedplaats Nesse is mede op initiatief van de Provincie tot stand gekomen. Door middel van een culturele residentie geven ze nieuwe inzichten in het stikstofvraagstuk.

Financiering: € 25.000. Dekking vanuit Provinciaal budget (stikstof en cultuur). 

Monitoring: n.v.t. 

Gevolgen overheden: geen.

N7 Onderzoek ADC toets voor dijkverzwaringstraject Zuid-Beveland.

Bij de dijkverzwaring Zuid-Beveland zijn er effecten op onder andere het Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe. Om tot vergunningverlening te komen wordt gekeken naar de inzet van de ADC toets.

Vooruitlopend op deze toets wordt nagedacht over de compensatieverplichting. Dit is een pilot voor andere dijkverzwaringstrajecten.

Financiering: vanuit het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: de locatie van de eventueel nog aan te leggen natuurwaarden heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

N8 Inzet elektrisch materieel Natura 2000-gebieden

Bij de uitvoering van natuurherstelmaatregelen in Natura 2000-gebieden wordt groot- en klein materieel ingezet door aannemers vaak op basis van raamcontracten. Bij nieuwe aanbestedingen onder de huidige raamovereenkomst en/of bij de nieuwe raamovereenkomst wordt ingezet op zoveel mogelijk emissieloos werken.

Financiering: nog niet bekend. Monitoring: nader uit te werken.

Gevolgen overheden: geen.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren

Deze maatregel wordt vanuit het stikstofplan opgepakt voor de gebieden rond de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren.

Bij de uitvoering van natuurherstelmaatregelen ten behoeve van Natura 2000-gebieden wordt groot en klein materieel ingezet door de aannemers die hiervoor gecontracteerd worden. Als opdrachtgever van natuurherstelprojecten in de Natura 2000-gebieden gaan we bevorderen dat er geen/zo min mogelijk vervuilende machines ingezet worden. Aansluitend worden de bedrijven in de directe nabijheid van de natuurgebieden gestimuleerd om ook hun machine- en wagenpark te elektrificeren.

Financiering: €15 - €30 miljoen, middelen vanuit het Rijk. Monitoring: nader uit te werken. Gevolgen overheden: Mogelijk op termijn bij meer verplichtend karakter gevolgen voor de gemeenten Veere en Schouwen-Duiveland.

N9 Windsingels

Landschapselementen zoals windsingels vormen een fysiek obstakel voor de verspreiding van deeltjes en stoffen in de atmosfeer. De aanleg van houtige landschapselementen rond stallen kan de emissies reduceren, vast leggen en/of de uitstoot verspreiden.

Financiering: Schatting is € 300.000, dekking is nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

N10 Verduurzaming industrie

Het Rijk heeft in het kader van de Maatwerkafspraken met de grote industriële uitstoters afspraken gemaakt over het reduceren van een CO2 uitstoot en daarbij ook een reductie van stikstofemissie. Bij een aantal industriële uitstoters lopen deze gesprekken over maatwerkafspraken nog. Ook andere industriële partijen, die niet in deze aanpak zitten, kunnen met afspraken over een dalende CO2 uitstoot ook bijdragen aan een dalende stikstofdepositie.

Financiering: n.v.t. Monitoring: nader uit te werken

Gevolgen overheden: geen.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren (stikstofplan)

Deze maatregel wordt vanuit het stikstofplan opgepakt ten behoeve van de gebieden rond de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren.

In het kader van de Maatwerkafspraken was met de grote industriële uitstoters een traject gestart om afspraken met het Rijk te maken over primair het bovenwettelijk reduceren van CO2-uitstoot voor 2030. Daarnaast werden in dit verband ook afspraken gemaakt over het verbeteren van de kwaliteit van de leefomgeving, waarbij in ieder geval aandacht is voor maatregelen die zorgen voor significante NOx-reducties. Op dit moment loopt er nog één gesprek in Zeeland; de andere gesprekken zijn gestopt. Deze maatregel ziet op het opzetten en doorlopen van een soortgelijk traject als de maatwerkaanpak zoals het Rijk die heeft ontwikkeld. En is bedoeld voor grote en minder grote uitstoters met een stikstofdepositie op de Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren.

Financiering: Bijdrage van het Rijk. Aanvullend zal gezocht moeten worden naar mogelijkheden. Monitoring: nader uit te werken.

Gevolgen overheden: n.v.t.

N11 Recreatie stikstof

Uit AERIUS monitor blijkt dat ook de recreatie een bijdrage levert aan de stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Door bijvoorbeeld in te zetten op elektrificatie bevoorraadingsvoertuigen en verdere verduurzaming van verblijfseenheden kan bijgedragen worden aan meerdere doelen.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: nader uit te werken.

Gevolgen overheden: deze maatregel heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke Omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren

Deze maatregel wordt vanuit het stikstofplan opgepakt voor de gebieden rond de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren.

De (verblijfs)recreatie is een belangrijke functie in- en rond de duingebieden. En andersom zijn de duingebieden belangrijk voor een recreatief product. Ze zitten juist daar omdat daar de toerist graag wil zijn. Er wordt momenteel een onderzoek afgerond naar reductiemogelijkheden in de recreatie. Deze worden vooral gezien in het elektrificeren van de diverse functies, waaronder de verblijfsunits. Daarnaast kan recreatie een bijdrage leveren aan natuurherstel door de meest kwetsbare gebieden te ontzien. Samen met ondernemers zal worden bekeken wat er aan verduurzamingsmaatregelen al getroffen zijn, en welke opties er nog zijn om verder te verduurzamen.

Financiering: €10 - €100 miljoen, middelen vanuit het Rijk.

Monitoring: nader uit te werken.

Gevolgen overheden: Mogelijk gemeenten Veere en Schouwen- Duiveland.

N12 Zero-emissie mobiliteit

Uit AERIUS blijkt dat mobiliteit een bijdrage levert aan de stikstofdepositie stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Door in te zetten op zero-mobiliteit wordt een daling van de NOx emissie in en rond Natura 2000-gebieden bereikt.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: nader uit te werken.

Gevolgen overheden: deze maatregel heeft mogelijk gevolgen voor gemeentelijke Omgevingsvisies en/of omgevingsplannen.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren

Deze maatregel wordt vanuit het stikstofplan opgepakt voor de gebieden rond de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren.

Aanvullend aan de elektrificatie bij lokale ondernemers kan gestreefd worden naar emissievrije of emissie lage mobiliteit in zones rondom de betreffende natuurgebieden (milieuzones). Alle mobiliteit met verbrandingsmotoren zorgt vooral lokaal voor stikstofemissie. Door deze emissies terug te dringen wordt ook de stikstofbelasting beperkt. Daarin kan onderscheid worden gemaakt tussen toeristisch verkeer, woonwerkverkeer, vrachtverkeer en bouwverkeer. De inzet kan per type verkeer verschillen. Daarom zal eerst een analyse gemaakt worden van de kosten en de baten. Voor inwoners betekent dit een overgang naar schoner vervoer. Hoewel de maatregel vraagt om aanpassing, vooral voor wie nog een oudere auto gebruikt, wordt dit verzacht door subsidies en opkoopregelingen. Daartegenover staan voordelen als schonere lucht, minder geluidsoverlast en nieuwe voorzieningen, wat de leefkwaliteit en aantrekkelijkheid van de omgeving versterkt.

Financiering: €5 - €15 miljoen, middelen vanuit het Rijk.

Monitoring: nader uit te werken.

Gevolgen overheden: Afhankelijk van de maatregel gevolgen voor de gemeenten Veere en SchouwenDuiveland.

N13 Regeling aanpassen motoren mossel- en oesterkotters

In Zeeland is een vloot van 60 mosselkotters en 30 oesterkotters actief, veelal in Natura 2000- gebieden. Er wordt een regeling opgezet voor het aanpassen van motoren van de mossel- en oesterkotters. Dit draagt bij aan de CO2 en stikstofreductie opgaven.

Financiering: € 8 miljoen deels vanuit het Rijk, deels vanuit de Provincie. 

Monitoring: aantal mossel- en oesterkotters dat gebruik maakt van de regeling. 

Gevolgen overheden: geen

N14 Stimuleren walstroom binnenvaart in gemeentelijke havens

In de Provinciale havens zijn inmiddels overal walstroomvoorzieningen geplaatst. In gemeentelijke havens is dat niet overal het geval. Deze maatregel stimuleert het plaatsen van walstroom in de gemeentelijke havens.

Financiering: nog niet bekend, dekking vanuit Provinciale middelen. 

Monitoring: aantal gemeentelijke haven waar walstroomvoorzieningen worden aangelegd. 

Gevolgen overheden: geen.

N15 Buitenland: Samenwerking Straits Comité

Het organiseren van kennisuitwisselingsbijeenkomsten voor experts uit bovengenoemde regio’s met mogelijk als resultaat gezamenlijke lobbyactiviteiten en of grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten.

Financiering: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen. 

Monitoring: n.v.t. 

Gevolgen overheden: geen.

N16 Buitenland: Samenwerking Vlaanderen

Deelnemen aan de Grensoverschrijdende Samenwerking (GROS) Vlaanderen – Nederland Stikstof. Deze samenwerking ziet toe op een continue gegevensuitwisseling, kennisopbouw en relatieverbetering tussen deelnemers. Daarnaast de uitwerking van een plan voor grensoverschrijdende samenwerking op gebiedsniveau in de grensstreek.

Financiering: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen. Projecten nog onbekend. 

Monitoring: n.v.t. 

Gevolgen overheden: geen.

N17 Pilot Scheepvaart

Het opzetten van een projectgroep scheepvaart als voorzetting van de pilot scheepvaart ter bevordering van gegevensuitwisseling, kennisopbouw en netwerk in de grensregio. Hierbij is aandacht voor onderwerpen zoals ankerplaatsen, gedeelde informatiebasis, scheepvaartverkeer Westerschelde en mondiale emissie regulatie.

Financiering: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen. 

Monitoring: n.v.t. 

Gevolgen overheden: geen.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren (stikstofplan)

In dit Programma zitten diverse maatregelen die zich richten op stikstofreductie. Een aantal daarvan worden (ook) gebiedsspecifiek opgepakt en uitgewerkt in het kader van het stikstofplan. Hieronder staan maatregelen die uit het stikstofplan komen en niet onder andere maatregelen vallen.

S1 Verplaatsing of beëindiging gehouden dieren niet zijnde veehouderij in overleg met ondernemers

Tot nu toe is de stikstofaanpak met name gericht op bedrijfsmatig gehouden landbouwhuisdieren, zoals runderen, varkens en pluimvee. Er zijn echter ook andere vormen van dierhouderij die buiten deze agrarische functie vallen, bijvoorbeeld het houden van paarden, pony’s, alpaca's, schapen of geiten, al dan niet bedrijfsmatig. Deze bedrijven komen niet in aanmerking voor de (rijks) regelingen, maar er zijn wel enkele tientallen van dergelijke bedrijven. Hoewel deze activiteiten vaak kleinschaliger zijn, kunnen zij, door hun ligging en gebruik, lokaal toch zorgen voor een relatief hoge stikstofuitstoot, vooral wanneer zij plaatsvinden in de nabijheid van kwetsbare Natura 2000-gebieden. Dit maakt het noodzakelijk om ook in deze categorie gericht maatregelen te treffen. Binnen de gebiedsgerichte aanpak willen wij daarom, samen met gebiedspartners en betrokken dierhouders, een specifiek reductieplan ontwikkelen. Hierbij zal eerst gekeken worden naar de kosten en de baten. Dit plan richt zich op het in beeld brengen van de belangrijkste bronnen en het vaststellen van maatregelen die praktisch uitvoerbaar zijn en leiden tot een meetbare vermindering van emissies. Hoe een reductie kan worden gerealiseerd zal met betreffende ondernemers worden besproken, eveneens wat daarvoor nodig zal zijn. Hierbij zal wederom ook weer aandacht zijn voor de kosten in relatie tot de baten

Financiering: €12,5 - €50 miljoen, middelen vanuit het Rijk of Europa 

Monitoring: nader uit te werken. 

Gevolgen overheden: Mogelijk gemeenten Veere en Schouwen- Duiveland.

Daarnaast worden 3 maatregelen van juridische aard voorgesteld die generiek in heel Zeeland kunnen worden toegepast:

S2 Intrekken slapende vergunningen

Slapende natuurvergunningen zijn natuurvergunningen die in zijn geheel niet (meer) gebruikt worden. Er kan beleid worden opgesteld voor het intrekken van slapende natuurvergunningen. Hiervoor kan worden aangehaakt bij de handreiking voor handhavings- en intrekkingsbeleid van het Interprovinciaal Overleg (IPO).

Financiering: n.v.t. 

Monitoring: nader uit te werken. 

Gevolgen overheden: n.v.t.

S3 Intrekken latente ruimte in vergunningen

Latente ruimte is de ruimte die een ondernemer in een lopende natuurvergunning heeft, maar niet gebruikt en ook niet meer nodig heeft voor zijn bedrijfsvoering. Deze maatregel betreft het opstellen van beleid voor het intrekken van latente ruimte uit natuurvergunningen. Deze maatregel vindt in overleg plaats met de betrokkenen waarbij er aandacht is voor termijnen van revisievergunningen. Ook hier kan worden aangehaakt bij de IPO-handreiking voor handhavings- en intrekkingsbeleid.

Financiering: n.v.t. 

Monitoring: nader uit te werken. 

Gevolgen overheden: n.v.t.

S4 Afromen stikstofdepositie bij intern salderen (beleidsregel intern salderen)

In de huidige beleidsregels zijn alleen kaders voor extern salderen opgenomen, omdat intern salderen immers niet vergunningplichtig was. Nu intern salderen weer vergunningplichtig is geworden, zullen de kaders hiervoor weer opgenomen moeten worden in de beleidsregels. Daarbij kan ervoor worden gekozen om, net als bij extern salderen, een bepaald percentage af te romen ten behoeve van de natuur. Dit zorgt ervoor dat er bij elke economische ontwikkeling waarvoor wordt gesaldeerd (zowel intern als extern) altijd een netto verbetering voor de natuur optreedt. Hierbij zal worden aangehaakt bij de IPO-lijn, op punten aangepast aan de Zeeuwse situatie.

Financiering: n.v.t. 

Monitoring: nader uit te werken. 

Gevolgen overheden: n.v.t.

5.2 Thema Elke druppel telt dubbel

5.2.1 Lopende maatregelen

Lopende maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water en zoetwaterbeschikbaarheid.

kW4 Stimulering regelbare drainage

Middels een subsidieregeling wordt een bijdrage geleverd aan de aanleg van regelbare drainage waardoor meer zoet water kan worden vastgehouden. Hiervoor is € 2.500.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal hectare dat voorzien is van regelbare drainage.

Gevolgen overheden: geen.

kW5.1 Pilot plaatsen van zoet/zout stuw en aanpassing systeem

Door het plaatsen van zoet/zout stuwen en aanpassing systeem wordt meer zoet water vastgehouden. Dit is een pilot waarvoor € 500.000,- beschikbaar is.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal zoet/zoutstuwen dat is geplaatst.

Gevolgen overheden: geen.

kW5.2 Pilot verondiepen/verplaatsen sloten

Deze pilot ziet op het verondiepen en verplaatsen van sloten zodat meer zoet water in de ondergrond kan worden vastgelegd. Hiervoor is € 370.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: bijdrage aan de zoetwaterbeschikbaarheid.

Gevolgen overheden: geen.

Overige maatregelen

Overige maatregelen voor de KRW staan in het ​regionaal waterprogramma.

5.2.2 Nieuwe maatregelen

Nieuwe maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water en zoetwaterbeschikbaarheid.

W1 Moerasgebieden Zeeuws- breed

Door moerasgebieden aan te leggen wordt zoet water opgevangen dat in het zomerseizoen kan worden gebruikt door omliggende functies als de landbouw. Het draagt tevens bij aan de biodiversiteit. Met deze maatregel worden één of meerdere moerasgebieden aangelegd op nader te bepalen locaties.

Financiering: Eenmalige € 7 miljoen. Jaarlijks € 0,5 miljoen. Bijdrage van deelnemende partijen.

Monitoring: aantal moerasgebieden.

Gevolgen overheden: mogelijk voor gemeenten en/of waterschap Scheldestromen.

W2 Project Reimerswaal

Project voor de uitvoering van benodigde aanpassingen aan sloten, duikers, het gemaal, en het inrichten van een nieuw inlaatpunt en enkele nieuwe passages. Deze aanpassingen zijn nodig om het water uit het Bathse spuikanaal verder de Reigersbergsche polder in te sturen. Dit is een vervolg op de koplopermaatregel waarin vooronderzoek is gedaan.

Financiering: Raming is € 40 miljoen, dekking is nog onbekend.

Monitoring: aantal hectares landbouwgrond dat zoet water beschikbaar heeft.

Gevolgen overheden: Er zijn mogelijk gevolgen voor de Omgevingsvisie en/of Omgevingsplannen van de gemeente Reimerswaal.

W3 Aanvullende maatregelen Kaderrichtlijn water (KRW)

In 2024 is een tussenevaluatie uitgevoerd voor de KRW om de stand van zaken voor doelbereik in beeld te brengen. Dit was een onderdeel van het KRW-impulsprogramma dat in 2023 is gestart. Op basis van de aanbevelingen uit de tussenevaluatie heeft het Regionaal Bestuurlijk Overleg Schelde (RBO) aan het Regionaal Ambtelijk Overleg Schelde(RAO) gevraagd om een regionaal handelingsperspectief uit te werken. Dit handelingsperspectief bestaat uit aanvullende maatregelen voor de KRW. Dit om alles op alles te zetten om de doelen te bereiken in 2027. Sommige aanvullende maatregelen worden al uitgevoerd. Andere zijn nog in voorbereiding, hier is nog geen bestuurlijk akkoord voor.

Financiering: Vanuit verschillende budgetten.

Monitoring: aantal uitgevoerde maatregelen.

Gevolgen overheden: Aanvullende maatregelen moeten opgenomen worden in de plannen begrotingen van Provincie, waterschap en gemeenten.

W4 Regelbare drainage

Deze maatregel betreft een tweede openstelling van de subsidieregeling voor het aanleggen van regelbare drainage voor het vasthouden en infiltreren van zoet neerslagwater. Deze maatregel is bovendien gericht op kennisdeling en coaching over de toepassing van regelbare drainage en innovatieve drainagetechnieken.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: aantal hectare dat voorzien is van regelbare drainage.

Gevolgen overheden: geen.

W5 Slimmer omgaan met zoet water

Door aanpassingen in het watersysteem kan bijgedragen worden aan de zoetwaterbeschikbaarheid voor o.a. de landbouw. Gedacht kan worden aan aanpassingen aan het slotensysteem (daar waar deze een drainerende werking hebben) betere scheiding van zoet en zout oppervlaktewater, aanleg van kwelschermen die de kwelstroom afvangen en benutting van afstromend hemelwater in bebouwd gebied.

Financiering: Nog niet bekend.

Monitoring: bijdrage aan de zoetwaterbeschikbaarheid.

Gevolgen overheden: waterschap Scheldestromen als uitvoerende partij is betrokken.

W6 Opwaarderen suboptimale stroom (Riool Water Zuiverings Installatie - RWZI)

Deze maatregel betreft het extra zuiveren van de zoetwaterstroom die nu vanuit de RWZI op het oppervlaktewater wordt geloosd met het doel de zoetwaterstroom beschikbaar te stellen voor de landbouw. Er loopt momenteel een onderzoek bij de RWZI Westerschouwen.

Financiering: Tussen de € 2,5 en € 75 miljoen, afhankelijk van het aantal RWZI’s. De dekking is nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: in samenwerking met waterschap Scheldestromen en het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat.

W7 Opwaarderen suboptimale stroom (Industrie)

Hergebruik van afvalwater (effluent) vanuit de industrie, met toevoeging van een extra zuiveringsstap, is een kansrijke maatregel om efficiënter om te gaan met zoet water en om de lozing van afvalwater te verminderen.

Financiering: Nog niet bekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

5.3 Thema Van grond tot gewas

5.3.1 Lopende maatregelen

Lopende maatregelen voor voedsel. kennis en innovatie. bodem, biodiversiteit in het landelijk gebied, doelsturing en KPI's, agrarische ketens en biologische landbouw.

Koplopermaatregelen

kA0 Cursus en coaching bodemverbetering

Deze maatregel, waarvoor € 456.116,- beschikbaar is, betreft de technische inhoudelijke coaching op het gebied van bodemverbetering en kennisdeling over regeneratieve landbouw.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal deelnemers aan de cursus en aantal bedrijven dat gebruik maakt van de coaching.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: ZLTO, Provincie Zeeland.

Periode: 2026 t/m 2028

kA1/kA2 Vervolgonderzoek relatie stikstof zoet water

Met deze langjarige pilot wordt de aanname getest dat middels irrigatie en fertigatie er minder stikstofbehoefte is bij de plant en daarmee minder emissie van stikstof naar de lucht en het water. Voor de pilot is zo'n € 86.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

kA2 Bodemverbetering door gebruik van lokale biomassa

In het Grenspark Groot Saeftinghe wordt in een gebiedsgerichte aanpak gewerkt aan de inzet van lokale biomassa voor bodemverbetering. Hiervoor is € 280.000,- beschikbaar. Deze maatregel sluit aan bij kA2 Agricycling.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal bedrijven dat meedoet.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: ILVO, WUR, agrariërs, agrarische collectieven- ketenpartners (terreinbeheerders en waterschap Scheldestromen), Provincie Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

kA3/A4 Ontwikkelen en stimuleren regionale keten eiwit- en biobased teelten

Binnen het Grenspark Groot Saeftinghe wordt de biobased en eiwitteelt gestimuleerd en wordt ingezet op ketenontwikkeling. Hiervoor is € 286.150,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal hectares biobased- en eiwitteelt.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, Gebiedenaanpak GGS.

Periode: 2025 t/m 2028.

kA5 Uitwerken stimuleringsplan biologische landbouw

Het percentage biologische landbouwbedrijven ligt in Zeeland onder de landelijke doelstelling. Met deze maatregel wordt, in overleg met de sector, een stimuleringsplan uitgewerkt. Tevens wordt onderzocht of het mogelijk is een omschakelfonds op te zetten. Voor deze maatregel is zo'n € 991.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende maatregelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal bedrijven dat omschakelt naar biologische landbouw en het aantal hectares biologisch landbouwgrond.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, ZLTO.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

kA9 Landbouwgrond uit bemesting halen en reductie gebruik bestrijdingsmiddelen

De middelen, €14 miljoen worden ingezet voor de afwaardering van gronden ten behoeve van verschillende doelen rond de Kop van Schouwen, Manteling van Walcheren en in het Grenspark Groot Saeftinghe.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal hectares.

Gevolgen overheden: mogelijk voor de gemeenten als de omzetting gevolgen heeft voor het Omgevingsplan.

kV7 Vrijwillige (gedeeltelijke) beëindiging veehouderijen

Een groot deel van de veehouders dit willen stoppen komen niet in aanmerking voor de landelijke beëindigingsregelingen. De € 2 miljoen die beschikbaar is wordt toegevoegd aan de Maatregel Gerichte Beëindiging (MGB) voor Zeeuwse veehouderijen binnen 2,5 km van Natura 2000-gebieden in Nederland en Vlaanderen.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal veehouderijen dat gebruik maakt van de regeling.

Gevolgen overheden: bij een (gedeeltelijke) beëindiging komt vaak de vraag over herinvulling. Bij het gesprek over de invullingsmogelijkheden is ook de gemeente betrokken.

Maatregelen die samen met Noord-Brabant en Zuid-Holland worden opgepakt, binnen de Zuidwestelijke Delta:

kA0 Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's)

Deze maatregel sluit aan op het eerdere project Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw Zuid Westelijke Delta en betreft op de realisatie en implementatie van de verdere ontwikkeling van de KPI-systematiek en het opschalen van het aantal deelnemers. Hiervoor is €1 miljoen beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal deelnemers.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, Boerenverstand, Delphy, ZLTO, ZAJK, Rabobank, ZPG, FarmPlus, BO Akkerbouw, Louis Bolk Instituut, WUR, Proefboerderij de Rusthoeve, Ketenpartijen en het groen onderwijs.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

kA0 Fieldlab Volhoudbare Landbouw Zuidwestelijke Delta

Het doel van deze maatregel is het doorontwikkelen van een vitale interbestuurlijke samenwerking en triple helix samenwerking met als hoofddoel de transitie naar een volhoudbare en toekomstbestendige agrarische sector en voedselketen die past binnen de ecologische randvoorwaarden van een vitale Zuidwestelijke Delta. Voor de maatregel is €610.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincies ZWD (Zeeland, Noord-Brabant, Zuid-Holland), Delphy, WUR, Proefboerderij de Rusthoeve.

Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

kA1 Koolstofboeren Zuidwestelijke Delta

Deze maatregelen ziet op het doorontwikkelen van de koolstofvastlegging als verdienmodel. De ontwikkeling wordt gefaciliteerd middels monitoring en certificeringsprojecten. Voor de maatregel is €330.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende maatregelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincies ZWD (Zeeland, Noord-Brabant, Zuid-Holland), ZLTO.

Periode: 2025 t/m 2028.

kA2 Agricycling Zuidwestelijke Delta (samen met Noord-Brabant en Zuid-Holland)

Deze maatregel betreft het opschalen van een pilot in de Hoeksche Waard. Daar worden coöperatief kringlopen gesloten, waarbij groene reststromen lokaal verwerkt worden. Daarmee wordt bijgedragen aan een vruchtbare bodem. Voor de maatregelen is €660.000,- beschikbaar.

Financiering: toegekende maatregelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: aantal bedrijven dat meedoet.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincies ZWD (zeeland, Noord-Brabant, Zuid-Holland), ZLTO, waterschap, Agricycling, FarmPlus.

Periode: 2025/2028.

Overige lopende maatregelen

oG1 Ontwikkelen kennis

Deze maatregelen betreft het ondersteunen van toegepast onderzoek naar bodem, water en biodiversiteitsvraagstukken.

Financiering: Provinciaal budget Food-Landbouw, Europese en Rijkssubsidies.

Monitoring: aantal onderzoek. Gestreefd wordt naar twee initiatieven per jaar in de periode 2025-2030 (B).

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, Proefboerderij de Rusthoeve, Delby, Delta Climate Center, Impuls Zeeland, FoodDelta Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG2 Verspreiden kennis

Deze maatregel ziet op het vergroten van kennis door inzet op trainingen, workshops, coaching, voorlichtingsacties en demonstratieprojecten.

Financiering: provinciaal budget Food-Landbouw en Rijk.

Monitoring: het aantal initiatieven en deelnemende agrariërs per jaar. Gestreefd wordt naar minimaal 2 initiatieven per jaar, kennis- of gedragsverandering bij deelnemers en het bereiken van minimaal 500 agrariërs in de periode 2025-2030.

Gevolgen voor andere overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland i.s.m. benodigde betrokken partijen.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG3 BodemUP

Goed bodembeheer is één van de uitdagingen waar de landbouw voor staat. Door bedrijven te coachen op bodemverbetering kunnen stappen worden gezet naar een betere bodemkwaliteit.

Financiering: Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.

Monitoring: aantal deelnemende bedrijven. Gestreefd wordt naar 150 deelnemende akkerbouwers in 2028 en 100 agrariërs die kennis gemaakt hebben met regeneratieve principes.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: ZLTO, Provincie Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2028.

oG4 Natuurinclusieve landbouw (NIL); areaal en kennis vergroten

Deze maatregel ziet op het stimuleren van kennis bij agrariers en bijdragen aan de bewustwording om daarmee het areaal natuurinclusieve landbouw te vergroten.

Financiering: Provinciaal budget Food-Landbouw.

Monitoring: aantal initiatieven per jaar. Gestreefd wordt naar 2 initiatieven in de periode 2025-2030.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG5 Functionele agrobiodiversiteit; stimuleren van natuurlijke plaagbestrijding, bodemverbetering en bestuiving

Stimuleren van specifieke teelten zoals kruidenrijk grasland, strokenteelt, vlas en hennep, akkerranden enz. die bijdragen aan de agrobiodiversiteit.

Financiering: nog niet bekend.

Monitoring: aantal hectares agrobiodiversiteit en specifieke teelten. Gestreefd wordt naar een minimale groei van 3% functionele agrobiodiversiteit in 2030 en jaarlijks 500 ha specifieke teelten.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, Rijk, Urgenda, ZLTO.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG6 Functionele agrobiodiversiteit; ondersteunen innovatieve technieken en onderzoeken

Deze maatregel betreft het ondersteunen van innovatieve technieken en onderzoeken die bijdragen aan de functionele agrobiodiversiteit.

Financiering: via het GLB-nsp.

Monitoring: het aantal initiatieven per jaar. Gestreefd wordt naar minimaal twee initiatieven in de periode 2025-2030 (B).

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, Rijk, Poldernatuur Zeeland, Stichting Landschapsbeheer Zeeland, ZLTO, Proefboerderij de Rusthoeve.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG7 Natuurelementen op Landbouwgrond (Programma Natuur)

Deze maatregel ziet op het plaatsen van natuurelementen op landbouwgrond die bijdragen aan de biodiversiteit en plaagdierbestrijding.

Financiering: Financiering komt uit het Programma Natuur via het ANB.

Monitoring: aantal ha waarop de maatregelen worden getroffen. Het streven is dat tussen 2025 en 2030 op ca. 50 hectare landbouwgrond natuurelementen worden toegevoegd.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, uitvoering Poldernatuur Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2030.

oG8 Agroforestry; stimuleren ontwikkeling

Het doel van deze maatregel is om agroforestry te stimuleren.

Financiering: Provinciaal budget Food-Landbouw, subsidieregeling Zeeuwse Bosvisie.

Monitoring: de toename van het areaal agroforestry in percentages.

Gevolgen overheden: n.v.t.

Partijen: Provincie Zeeland, WUR, ondernemers, ZLTO, ZPG, Agroforestry Netwerk Zeeland.

Periode: 2025 t/m 2030.

5.3.2 Nieuwe maatregelen

Nieuwe maatregelen voor voedsel. kennis en innovatie. bodem, biodiversiteit in het landelijk gebied, doelsturing en KPI's, agrarische ketens en biologische landbouw.

G1 Kringlooplandbouw

Middels kringlooplandbouw houden we agrarische biomassa en de daarin opgeslagen voedingsstoffen in het voedselsysteem. Deze maatregel omvat het stimuleren, faciliteren en coördineren van onderzoek, kennisopbouw en –verspreiding en financiering van de verbeterde kringloop in Zeeland.

Financiering: €6,8 miljoen voor vier jaar. Dekking is nog niet bekend.

Monitoring: aantal bedrijven dat meedoet.

Gevolgen overheden: geen.

Partijen: Provincie Zeeland, agrariërs, ZLTO, FarmPlus, Rusthoeve, Delphy, ReGeNL.

Periode: 2025 t/m 2030.

G2 Innovatie in de akkerbouw

Deze maatregel ziet op het stimuleren van innovatieve technieken in de landbouw zoals precisielandbouw, waarbij met behulp van GPS en sensoren gewassen doelgerichter kunnen worden geteeld. Daarnaast kunnen met behulp van vloeibare bemesting meststoffen efficiënter worden toegediend. En er komen ook steeds nieuwe innovatieve mestaanwendingstechnieken die wij met deze maatregel willen stimuleren en waarover we de kennis willen delen.

Financiering: €1 miljoen, dekking is nog onbekend.

Monitoring: aantal projecten dat wordt ondersteund.

Gevolgen overheden: geen.

G3 Onderzoek handelingsperspectief gebruik bestrijdingsmiddelen

Dit betreft een onderzoeksproject. Het onderzoek moet antwoord geven op vragen als “wat is het juridisch kader en wat betekent dit voor de landbouw in specifieke gebieden?” en “wat is het handelingsperspectief voor het gebruik van bestrijdingsmiddelen rond Natura 2000-gebieden, KRW-lichamen en bijvoorbeeld woningbouwlocaties?”

Financiering: bijna €2 miljoen. Dekking is nog onbekend.

Monitoring: aantal hectares.

Gevolgen overheden: Dit heeft mogelijk gevolgen voor een gemeentelijke Omgevingsvisie en/of Omgevingsplan.

G4 Minder emissie uit mest

Uit AERIUS monitor blijkt dat bemesting een belangrijke lokale bron is die zorgt voor een stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De emissie kan worden beperkt door maatregelen die betrekking hebben op het verbeteren van de aanwending, de kwaliteit van de mest, toevoegingen aan de mest, aanpassingen in stalsystemen, aanpassingen in teelten of een extensievere bedrijfsvoering.

Financiering: Kosten zijn afhankelijk van de invulling van deze maatregel. 

Monitoring: nader uit te werken. 

Gevolgen overheden: Dit heeft mogelijk gevolgen voor een gemeentelijke Omgevingsvisie en/of Omgevingsplan.

Gebiedsspecifieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren (stikstofplan)

Deze maatregel wordt vanuit het stikstofplan opgepakt voor de gebieden rond de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren.

Bemesting van landbouwgrond is een belangrijke lokale bron die zorgt voor stikstofdepositie op de Kop van Schouwen en de Manteling van Walcheren. Daarom willen we maximaal inzetten op innovatie en toewerken naar mogelijke regelingen hiervoor. Dit maatregelenpakket kan gezien worden als een verzameling van maatregelen, en zal samen met betrokkenen op maatregelniveau verder worden uitgewerkt. Het doel van dit pakket is om 30-50% emissiereductie uit mest te bewerkstelligen. De wijze waarop is vrijwillig en aan de ondernemer. Samen met ondernemers gaan we kijken wat er al gerealiseerd is en wat er nog voor mogelijkheden zijn.

Financiering: €5 - €20 miljoen. Financieringsbronnen vanuit het Rijk. 

Monitoring: nader uit te werken.

Gevolgen overheden: Mogelijk op termijn bij meer verplichtend karakter gevolgen voor de gemeenten Veere en Schouwen-Duiveland.

G5 Zero- emissie landbouw

Aanpassingen in de bedrijfsvoering kunnen leiden tot minder stikstofemissie in de vorm van NOx. Het gaat dan bijvoorbeeld om het elektrificeren van machines, biovergisters of agroforestry.

Financiering: Kosten zijn afhankelijk van de invulling van deze maatregel. 

Monitoring: vermindering stikstofemissie en -depositie via AERIUS. Aantal bedrijven waar emissiearme technieken worden gebruikt.

Gevolgen overheden: n.v.t.

G6 Voedselvisie en -strategie

In samenwerking met Zeeuwse partijen en in lijn met landelijke ontwikkelingen van het Ministerie van LVVN/Rijk en IPO ontwikkelen we onze eigen Zeeuwse voedselvisie en bijbehorende strategie. De uitgangspunten zijn voedselverspilling, korte ketens/ voedsel van dichtbij, gezond en veilig voedsel en Zeeland als proeftuin voor innovaties en gezond en veilig voedsel.

Financiering: onbekend. Dekking mogelijk vanuit het Provinciaal budget Food Landbouw. Additionele middelen vanuit subsidie openstellingen op provinciaal of landelijk niveau (ZIS, nsp etc.) voor uitvoering van projecten die uit de visie of strategie komen. 

Monitoring: visie, strategie en infographic met Zeeuwse ambitie (B). 

Gevolgen voor overheden: geen. Partijen: Provincie Zeeland i.s.m. betrokken partijen. Periode: 2025.

G7 Kennis

Er wordt ingezet op het ontwikkelen en stimuleren van praktische kennis binnen zowel het onderwijs als de agrarische sector. De Provincie vervult hierin een verbindende rol door onderwijs, onderzoek en praktijk met elkaar te verbinden.

Financiering: onbekend. 

Monitoring: n.v.t. 

Gevolgen voor overheden: geen. Partijen: Provincie Zeeland, Proefboerderij de Rusthoeve, Scalda, gemeente Noord-Beveland, Delta Climate Center, onderwijsinstellingen in de groene sector, Hogeschool Zeeland, FoodDelta Zeeland, ZLTO/ZAJK. Periode: 2025 t/m 2030.

G8 Ketens

Korte ketens wordt vaak als onderdeel gezien van multifunctionele landbouw. Hieronder worden diverse nevenactiviteiten van agrariërs naast de reguliere bedrijfsvoering verstaan. De Europese definitie van een korte keten luidt als volgt; 'geen of maximaal één ketenpartij tussen de landbouwpartij en de consument aanwezig'. Het verkorten van de keten binnen de ketenaanpak is niet altijd het primaire doel. De ketenaanpak is er voornamelijk op gestoeld om in het kader van een volhoudbare landbouw het verdienmodel van de gehele agrarische en voedselproducerende keten te verbeteren (met uiteindelijk ook een verdienmodel voor de primaire producent en transparante voedselketen). Dit kan ook betekenen dat een keten met een extra tussenschakel wordt verlengd in plaats van verkort.

Financiering: onbekend.

Monitoring: aantal bedrijven dat deelneemt. 

Gevolgen voor overheden: geen. Partijen: Provincie Zeeland, WUR, regionale (agro)food producenten, FoodDelta Zeeland, Stichting Zeker Zeeuws Streekproduct, Coöperatie Zeker Zeeuws, ZLTO , K&I-netwerk, Protein Delta Zeeland, eiwitketen (van teler tot consument), ZAJK, Farmplus, K&I netwerk Circulair Bouwen Zeeland, Building Balance, Delphy, Proefboerderij Rusthoeve, ketenpartijen. Periode: 2025 t/m 2030.

G9 Biologische landbouw

We gaan de aankomende jaren (mede via de koplopermaatregel biologische landbouw) werken aan het verbeteren van de omstandigheden voor biologisch boeren in Zeeland. Hiertoe wordt een projectleider/ketenregisseur biologische landbouw aangesteld.

Financiering: onbekend. 

Monitoring: het aantal bedrijven dat overstapt naar een biologische bedrijfsvoering en het aantal hectares dat biologische landbouwgrond. 

Gevolgen voor overheden: geen. Partijen: Provincie Zeeland, ZLTO, de Vereniging van Biologische boeren Zuidwest Nederland en Bi-onext. Periode: 2025 t/m 2028 (en verder tot 2030).

G10 Herwaardering grond

Door beperkende maatregelen op bemesting en gewasbeschermingsmiddelen op te leggen in combinatie met groenblauwe dooradering wordt grond minder waard. Deze maatregel betreft de vergoeding van de waardevermindering, door middel van een subsidieregeling.

Financiering: kosten voor herwaardering zijn bekend. Totale kosten zijn afhankelijk van de inzet van het instrument. 

Monitoring: de oppervlakte waarvoor een vergoeding van de waardevermindering is uitgekeerd. 

Gevolgen overheden: geen.

5.4 Thema Meten is weten

5.4.1 Lopende maatregelen

kW1 Pilot slim real-time meetnetwerk

Met het aanleggen van een real-time meetnetwerk wordt de verzilting en de stikstofbelasting in het oppervlaktewater gemeten. Met €350.000,- worden de eerste metingen gedaan, o.a. bij de zoet/zout stuwen (kW 5.1).

Financiering: toegekende middelen voor koplopermaatregelen.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

5.4.2 Nieuwe maatregelen

M1 Optimalisatie Stikstof metingen (invullen informatieleemtes)

Om het effect van maatregelen te bepalen is het meten van emissies en/of deposities belangrijk. Daarnaast geven metingen ook inzicht in het doelbereik. Er wordt op al een aantal punten in Zeeland stikstof gemeten, maar een optimalisatie is gewenst. Hiervoor wordt een plan van aanpak opgesteld. Deze maatregel is aanvullend op het Slim real-time meetnetwerk.

Financiering: Schatting is €100.000,-.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

M2 Uitbreiding Slim real-time meetnetwerk

Met deze maatregel wordt het meetnetwerk dat nu in het Grenspark Groot Seaftinghe wordt gerealiseerd opgeschaald naar heel Zeeland en daarbij ook andere kwaliteitsparameters mee te nemen, zoals stikstof.

Financiering: €4 miljoen. Dekking is nog onbekend.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

M3 Uitbreiding natuurmonitoring en effectiviteit maatregelen

Voor de natuurmonitoring wordt gebruik gemaakt van meetnetten. Er is behoefte aan een uitbreiding van de natuurmonitoring, en daarmee de meetnetten, om:

  • Het Programma Landelijk Gebied te monitoren;

  • De koplopermaatregelen te kunnen monitoren;

  • Om invulling te geven aan diverse wensen op het gebied van monitoring is uitbreiding.

Financiering: zo'n €1 miljoen vanuit eigen middelen, uitbreiding Agrarisch Natuur en landschapsbeheer, en vanuit het Rijk (Ministerie van LVVN) via het Verbeterprogramma VHR monitoring.

Monitoring: n.v.t.

Gevolgen overheden: geen.

Hoofdstuk 6 Financiering, uitvoering en monitoring

Voor het behalen van de doelen is het noodzakelijk dat maatregelen worden uitgevoerd. Daar is financiering voor nodig. In dit hoofdstuk geven we inzicht in de benodigde financiering en eventuele financieringsbronnen. We geven, een eerste richting voor de uitvoering en gaan in op de monitoring van het Programma

6.1 Financiering

Voor het behalen van de doelen is voor heel Zeeland een uitgebreid pakket aan maatregelen nodig. Er is voor de meeste maatregelen een raming gemaakt van de kosten. De kostenraming is vaak een schatting, gebaseerd op aannames en wordt nog beïnvloed door veel factoren. Bij nadere uitwerking van de maatregelen is er meer duidelijkheid over de feitelijke kosten.

6.1.1 Overzicht

In onderstaand overzicht zijn per maatregel de geschatte kosten weergegeven.

6.1.1.1 Thema Groen herstelt

Kosten voor natuurherstel en stikstof.

N1 Bos buiten Natuurnetwerk Zeeland: € 30 miljoen, deels vanuit Provinciale middelen (€ 2 miljoen).

N2 Ecopassage Deltaweg: € 2 miljoen.

N3 Maatregelen Programma Natuur: € 30 miljoen.

N4 Opzetten pilot voor basiskwaliteit natuur: de eerste gebiedsanalyse wordt gefinancierd vanuit de ministeries LVVN en RVO. Financiering voor het vervolg is nog niet bekend.

N5 Groenblauwe dooradering: onbekend. Deels vanuit middelen voor ANB.

N6 Bijdrage cultuur/Erfgoed aan stikstofopgave: € 25.000. Dekking vanuit Provinciaal budget (stikstof en cultuur).

N7 Onderzoek ADC toets voor dijkverzwaringstraject Zuid-Beveland: vanuit het Hoogwaterbeschermingsprogramma.

N8 Inzet elektrisch materieel Natura 2000-gebieden: onbekend.

N9 Windsingels: Schatting is € 300.000, dekking is nog niet bekend.

N10 Herwaardering grond: kosten voor herwaardering zijn bekend. Totale kosten zijn afhankelijk van de inzet van het instrument.

N11 Maatwerk verduurzaming industrie: n.v.t.

N12 Recreatie stikstof: onbekend, afhankelijk van de gekozen inzet.

N13 Zero-emissie mobiliteit: niet bekend.

N14 Regeling aanpassen motoren mossel- en oesterkotters: € 8 miljoen deels vanuit het Rijk, deels vanuit de Provincie. Dekking is geregeld.

N15 Stimuleren walstroom binnenvaart in gemeentelijke havens: nog niet bekend, dekking vanuit Provinciale middelen.

N16 Buitenland: Samenwerking Straits Comité: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen.

N17 Buitenland: Samenwerking Vlaanderen: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen. Projecten nog onbekend.

N18 Pilot Scheepvaart: Inzet Provincie Zeeland vanuit Provinciale middelen.

S1 Verplaatsing of beëindiging gehouden dieren niet zijnde veehouderij in overleg met ondernemers: €12,5 - €50 miljoen

S2 Intrekken slapende vergunningen: n.v.t.

S3 Intrekken latente ruimte in vergunningen: n.v.t.

S4 Afromen stikstofdepositie bij intern salderen: n.v.t.

6.1.1.2 Thema Elke druppel telt dubbel

Kosten voor de Kaderrichtlijn Water en zoetwaterbeschikbaarheid.

W1 Moerasgebieden Zeeuws breed: Eenmalige € 7 miljoen. Jaarlijks € 0,5 miljoen. Bijdrage van deelnemende partijen.

W2 Project Reimerswaal: Raming is € 40 miljoen, dekking is nog onbekend.

W3 Aanvullende maatregelen Kaderrichtlijn water (KRW): onbekend.

W4 Regelbare drainage: onbekend, afhankelijk van het vervolg lopende subsidieregeling.

W5 Slimmer omgaan met zoet water: onbekend.

W6 Opwaarderen suboptimale stroom (Riool Water Zuiverings Installatie - RWZI): Tussen de € 2,5 en € 75 miljoen, afhankelijk van het aantal RWZI’s. De dekking is nog niet bekend.

W7 Opwaarderen suboptimale stroom (Industrie): onbekend.

6.1.1.3 Thema Van grond tot gewas

Kosten voor voedsel, kennis en innovatie, bodem, biodiversiteit in het landelijk gebied, doelsturing en KPI's, agrarische ketens en biologische landbouw.

G1 Kringlooplandbouw: €6,8 miljoen voor vier jaar. Dekking is nog niet bekend.

G2 Innovatie in de akkerbouw: €1 miljoen, dekking is nog onbekend.

G3 Spuitvrije zones: €1,8 miljoen. Dekking is nog onbekend.

G4 Minder emissie mest: Kosten zijn afhankelijk van de invulling van deze maatregel.

G5 Zero- emissie landbouw: Kosten zijn afhankelijk van de invulling van deze maatregel.

G6 Voedselvisie- en strategie: onbekend.

G7 Kennis die groeit: onbekend.

G8 Agrarische ketens: onbekend.

G9 Biologische landbouw: onbekend.

6.1.1.4 Thema Meten is weten

M1 Optimalisatie stikstof metingen: Schatting is €100.000,-.

M2 Uitbreiding slim real-time meetnetwerk: €4,5 miljoen. Dekking is nog onbekend.

M3 Uitbreiding natuurmonitoring en effectiviteit maatregelen: €1,4 miljoen vanuit eigen middelen, uitbreiding Agrarisch Natuur en landschapsbeheer, en vanuit het Rijk (Ministerie van LVVN) via het Verbeterprogramma VHR monitoring.

6.1.2 Financieringsbronnen

Met het wegvallen van het Transitiefonds is er geen financiering meer vanuit het Rijk. Voor middelen moeten we dus op zoek naar financiering. Daarbij wordt nadrukkelijk ook gekeken naar Europese subsidies en Rijksmiddelen (niet alleen van LVVN, maar ook van bijvoorbeeld KGG en EZ). We zien dat financiering vanuit het Rijk en/of Europa vaak gebiedsgericht is. Om daarbij aan te haken, maar ook om nader invulling te geven aan de uitvoering van het Programma stellen we gebiedspakketten op. Hieronder staat bij ‘uitvoering’ een nadere toelichting op de inzet van gebiedspakketten.

Daarnaast kan voor financiering ook zoveel mogelijk worden aangehaakt bij grote projecten als de Midden-Zeeland route en het compensatiepakket kernenergie. Ook in overleg met andere overheden kan gezocht worden naar gezamenlijke financiering als de maatregel bijdraagt aan gezamenlijke doelen.

Van de middelen die nu vanuit het Rijk beschikbaar worden gesteld voor bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer en stikstof landt een klein deel in Zeeland. Met de bestaande subsidieregeling zoals GLB wordt ook bijgedragen aan het behalen van de doelen.

Stikstofplan

Voor de uitvoering van de maatregelen uit het stikstofplan is 20 miljoen beschikbaar gesteld vanuit Provinciale middelen. Hiervoor wordt een bestedingsplan worden opgesteld, waarbij aandacht zal zijn voor het maximaal mogelijk maken van innovatie op het vlak van emissiereductie uit mest. Het is daarbij van belang om niet alleen te denken in losse subsidies of tijdelijke regelingen, maar in structurele financiering die zekerheid biedt voor de langere termijn.

6.2 Uitvoering

Gebiedspakketten

Om uitvoering te geven aan de maatregelen uit het Programma en financiering te organiseren, stellen we gebiedspakketten op. Per gebied wordt een vertaling van de doelen uit het Programma gemaakt en wordt een bijpassend maatregelenpakket samengesteld. Dit maatregelenpakket bestaat uit een concretisering van maatregelen uit het Programma per gebied en uit maatregelen die uit het gebied komen en bijdragen aan de doelen uit het Programma. Hiermee verbinden we het Programma met de gebiedenaanpak en maken we de uitvoering concreet.

Gebiedenaanpak

Bij de uitvoering van de maatregelen zijn veel partners betrokken. De gebiedenaanpak staat daarbij centraal. Deze geïntegreerde gebiedenaanpak heeft als doel meerwaarde te creëren met een gezamenlijke aanpak van verschillende ruimtelijke opgaven.. Op dit moment zijn er vijf gebieden binnen de gebiedenaanpak. Voor de delen van Zeeland die nu nog buiten de huidige gebiedenaanpak vallen, wordt gezocht naar een passende overlegstructuur die ook bijdraagt aan de uitvoering in die delen van Zeeland. Er wordt gekeken naar een Zeelanddekkende gebiedenaanpak.

6.3 Monitoring

Voor het Programma Landelijk Gebied wordt gewerkt aan een monitoringsaanpak. Door monitoring hebben we inzicht in de uitvoering van de maatregelen en waar we staan ten opzichte van de doelen. Hiermee kunnen we onze inzet verantwoorden, bijsturen waar nodig en onze aanpak borgen.

De monitoring begint bij de basis: de uitvoering van de maatregelen. Om de uiteindelijke bijdrage aan doelen te kunnen bepalen moet helder zijn hoe de maatregel is verlopen en wat het heeft opgeleverd.

Het verzamelen van gegevens doen we volgens twee manieren die we ook in verschillende situaties gebruiken. Het is namelijk afhankelijk van de maatregel wanneer welke vorm het meest geschikt is om te kunnen monitoren en evalueren.

1. Administratief

Hierbij wordt veelal kwalitatieve maar ook kwantitatieve gegevens verzameld over de maatregel. Denk aan het bijhouden van het proces en de voortgang, indicatoren over verschillende outputs zoals hectares, aantal deelnemers en financiële voortgang.

2. Meten

Wanneer een maatregel gemonitord wordt via metingen is het belangrijk dat het verband tussen de uitvoering van de maatregel en het meetresultaat aan te tonen is. Hierbij kunnen we stellen dat een effect bij een maatregel hoort en externe factoren niet van toepassing zijn.

Voor veel maatregelen uit het programma zijn duidelijke indicatoren op te stellen. Voor de maatregelen die dat nog niet hebben wordt uitgezocht hoe de maatregel verder geconcretiseerd kan worden met een geschikte monitoring. De eerste focus ligt bij de lopende maatregelen en daarna de nieuwe maatregelen.

De data en informatie die verzameld wordt over de maatregelen zijn nodig om te kunnen voldoen aan diverse rapportageverplichtingen. Voor de koplopermaatregelen moet elk jaar voor 1 mei een voortgangsrapportage worden aangeleverd volgens een door het Rijk opgesteld format. De rapportageverplichting hiervoor is voorzien van monitoring op meerdere vlakken. Bijvoorbeeld op voortgang van uitvoering, borging en kosten.

Naast de voortgang van de maatregelen werken we toe naar de monitoring en evaluatie van het doelbereik door de maatregelen. Echter is het bepalen van het effect van een maatregel op de doelen een ingewikkelde opgave. Voor veel doelen bestaat al een monitorings- en evaluatiesysteem en wordt inzet gepleegd op kennisontwikkeling. Bij het bepalen van het doelbereik door de maatregelen zal zoveel mogelijk aansluiting en samenwerking gezocht worden bij de bestaande systemen. Het uitgangspunt is dat de monitoring efficiënt en werkbaar moet zijn.

Met het vormgeven van de monitoring en evaluatie van het Programma Landelijk Gebied Provincie Zeeland wordt verbinding gezocht met monitoring van de Omgevingsvisie.

6.3.1 Gebiedsspeciefieke uitwerking Kop van Schouwen en Manteling van Walcheren (stikstofplan)

Monitoring is belangrijk voor vertrouwen in de uitvoering. Alleen met betrouwbare gegevens kan worden vastgesteld of maatregelen daadwerkelijk leiden tot een daling van stikstofemissie en -depositie en herstel van natuurwaarden. Daarom wordt gewerkt aan een monitoring- evaluatieplan. 

Daarbij zijn drie onderdelen van belang. Ten eerste een solide datahuishouding: datasets die actueel, volledig en transparant zijn. Ten tweede een rapportagestructuur die bestuurders, partners en inwoners inzicht geeft in de voortgang. Ten derde een mechanisme voor bijsturing: wanneer blijkt dat maatregelen niet het gewenste effect hebben, moet er snel kunnen worden opgeschaald of aangepast.

Bijlage I Begrippen

AANB

Ambitiedocument agrarisch natuurbeheer

AERIUS calculator

Rekenprogramma voor het berekening van de stikstofdepositie.

AERIUS monitor

Monitoringstool voor de herkomst en de ontwikkeling van de stikstofdepositie

ANLB

Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer

BBT

Best Beschikbare Techniek

Bkl

Besluit kwaliteit leefomgeving

BZK

Ministerie van Binnenlandse Zaken

ETS-bedrijven

ETS-bedrijven = Emission Trade System bedrijven

EZK

Ministerie van Economische Zaken

GBDA

Groenblauwe dooradering

GLB

Gemeenschappelijk landbouwbeleid

Hexagon

Zeshoek. Natura2000-gebieden zijn in AERIUS verdeeld in hexagonen met een oppervlakte van 1 ha. Per hexagon is vastgelegd welke habitattypen aanwezig zijn.

IenW

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat

KasZ

Klimaatadaptatiestrategie Zeeland 2021-2026, vastgesteld 8 oktober 2021

KDW

Kritische depositie waarde

Klimaatadaptatie

Aanpassing aan klimaatverandering is het proces waardoor samenlevingen de kwetsbaarheid voor klimaatverandering verminderen of waardoor zij profiteren van de kansen die een veranderend klimaat biedt.

Klimaatmitigatie

bestaat uit maatregelen bedoeld om de omvang of snelheid van de klimaatverandering te beperken

Koplopermaatregelen

Maatregelen uit het concept Zeeuws gebiedsprogramma waarvoor financiering is ontvangen. Uit te voeren in 2024-2025-2026-2028

KPI

Kritische Prestatie Indicatoren

KRW

KaderRichtlijn water

Landelijk Gebied (LG)

Landelijk gebied: contramal van het stedelijk gebied volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving

LVVN

Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur

Maatregelpakket

Een of meer maatregelen die een samenhangend geheel vormen

NDA

NatuurDoelAnalyse

NNN

Natuurnetwerk Nederland

NNZ

Natuurnetwerk Zeeland

NORU

Nota Ruimte

NOVEX

Nationale Omgevingsvisie Extra

NSP

North Sea Port

NV gebied

Nutriënt Verontreinigde gebieden

Omgevingsvisie Provincie Zeeland

Omgevingsvisie Provincie Zeeland zoals gepubliceerd op het Digitaal Stelsel Omgevingswet

Omgevingswaarde

Een resultaatsverplichting voor de oppervlakte van de stikstofgevoelige natuur met een stikstofbelasting lager dan de kritische depositiewaarde (bron: Aerius).

OW

Omgevingswet

OZO

Overleg Zeeuwse Overheden

PAGW

Programmatische Aanpak Grote Wateren

PN

Programma Natuur

Prioritair gebied

Gebied dat door het Rijk extra aandacht krijgt omdat de natuur daar nadelige effecten ondervindt door te hoge stikstofconcentratie.

RA

Ruimtelijke Arrangement: keuzes en afspraken met het Rijk over ruimtevragers en de ruimtelijke verdeling. Programma NOVEX

ReGeNL

Regeneratieve landbouw Nederland

RES

Regionale Energiestrategie Zeeland

RV

Ruimtelijke voorstel: Overzicht van alle opgaven met een ruimtelijk effect (met knelpunten en mogelijke oplossingen). Programma NOVEX

SLA

Schone Lucht Akkoord 2021-2023

SNL

Subsidiestelstel Natuur en Landschap

SPUK

Speciale Uitkering

SSRS

Stikstof Registratie Systeem

Stikstofdepositie

De neerslag van stikstof

Stikstofemissie

De uitstoot van stikstof

Tbo

Terrein beherende organisaties zoals Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Het Zeeuwse Landschap

VHR

Vogel- en Habitatrichtlijn

Voortouwnemer

Provincie die verantwoordelijk is voor het opstellen van het beheerplan, de monitoring en rapportage over de uitvoering van de herstelmaatregelen en voor het opstellen van een NDA voor het betreffende Natura 2000-gebied. Voor de Rijkswateren is Rijkwaterstaat voortouwnemer.

WEcR

Wageningen Economic Research

Wnb

Wet natuurbescherming (nu Omgevingswet).

Wsn

Wet Stikstofreductie en Natuurherstel

ZIGA

Zeeuwse Integrale gebiedenaanpak: Gebiedsproces in vijf gebieden: Noordwest Walcheren, Schouwen-West, Veerse Meer, Grenspark Groot Saeftinghe, North Sea Port District.

Zoetwatervoorkomens

Gebieden waar zoet water (tot 1500 mg Cl/liter) met een minimale dikte van 15m op een ondoorlatende onderlaag ligt of op zout grondwater drijft.

ZWD

Zuidwestelijke Delta

Bijlage II Overzicht informatieobjecten

Gemeente Noord-Beveland en gemeente Goes (Deltaweg)

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_b8b3b8cd578843ad8ad1efcbffb4c95d/nld@2026‑06‑10;1

Grenspark Groot Saefthinge

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_b7c6314411694a5bb6853998ffb5a9b0/nld@2026‑06‑10;1

Landelijk Gebied Provincie Zeeland

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_790831affc5f4edb87e874d3d4e5ba25/nld@2026‑06‑10;1

Natura 2000

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_a29345c5f1bd4731889926884300828c/nld@2026‑06‑10;1

Provinciegrens Zeeland

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_b335b0e932d04a0c9c4b79febbfc7da1/nld@2026‑06‑10;1

Reimerswaal

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_9ba85c4f92b64b22adb6345cec363258/nld@2026‑06‑10;1

Rioleringsgebied RWZI

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_897c9b2625cd492da6e00cdb48c73c3c/nld@2026‑06‑10;1

Schouwen-Duiveland

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_d9e50104d29b4099943fa7a32a2d5ec1/nld@2026‑06‑10;1

Vrijwillige verkoop veehouderijen

/join/id/regdata/pv29/2026/locatie_24d7e0a981ca49239ee22238830edcb0/nld@2026‑06‑10;1

Naar boven