Provinciaal blad van Noord-Brabant
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2026, 9755 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2026, 9755 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
In de Omgevingsverordening worden zes ‘Stalderingsgebieden’ onderscheiden. Binnen deze gebieden is toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren alleen toegestaan als er bewijs is overlegd dat binnen hetzelfde gebied dierenverblijf voor hokdieren is gesaneerd. Dit is zo bepaald om een verdere concentratie van de veehouderij in regio’s tegen te gaan.
Bij de technische omzetting van de Omgevingsverordening van de oude standaard (IMRO) naar de nieuwe standaard (STOP-TPOD) zijn de verschillende stalderingsgebieden onbedoeld als één gebied verbeeld op de kaart, zodat de grenzen tussen de gebieden niet meer zichtbaar zijn. Deze technische omissie wordt via deze wijziging hersteld.
Deze technische aanpassing betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
Aangezien uitsluitend sprake is van een technische wijziging, is deze niet ondertekend.
's-Hertogenbosch, juni 2026
A
Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Paragraaf 2.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 2 naar afdeling 2.1. ]
De gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de hoogste hoogwaterstand die een Regionale waterkering veilig moet kunnen keren is de ter plaatse van Gemiddelde overschrijdingskans regionale waterkering bepaalde waarde.
Bij de bepaling van het waterkerend vermogen wordt rekening gehouden met de waterstanden in relatie tot de overschrijdingskans, zoals weergegeven in Bijlage VIII.
Het verwezenlijken van de omgevingswaarde waterveiligheid betreft een resultaatsverplichting.
Voor een Compartimenteringskering geldt als omgevingswaarde waterveiligheid het feitelijk profiel van de compartimenteringskering, zoals vastgelegd in de legger van het waterschap.
[Red: Paragraaf 2.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 2 naar afdeling 2.1. ]
Binnen Norm wateroverlast stedelijk gebied geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van:
Met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, geldt binnen Afwijkende norm wateroverlast stedelijk gebied als norm een overstromingskans van 1/150 per jaar.
Het verwezenlijken van de omgevingswaarde wateroverlast betreft een inspanningsverplichting.
Binnen Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van:
Voor bebouwing binnen Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied geldt de omgevingswaarde wateroverlast van het omringende landgebruik.
Binnen Afwijkende norm wateroverlast buiten stedelijk gebied geldt met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als norm een overstromingskans van 1/10 per jaar voor landgebruik en bebouwing.
Het verwezenlijken van de omgevingswaarde wateroverlast betreft een inspanningsverplichting.
Binnen Normvrij gebied geldt geen omgevingswaarde wateroverlast.
[Red: Paragraaf 2.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 2 naar afdeling 2.1. ]
B
Hoofdstuk 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Paragraaf 4.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 4 naar afdeling 4.1. ]
Bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning betrekt het bevoegd gezag de oogmerken die bij de aanwijzing van de vergunningplichtige activiteit in Hoofdstuk 3 zijn opgenomen.
De instructieregels richten zich tot het orgaan dat bevoegd is een besluit te nemen over de omgevingsvergunning.
In aanvulling op afdeling 7.2 van de Omgevingsregeling bevat een aanvraag voor omgevingsvergunning als bedoeld in deze verordening:
de naam en het adres van de aanvrager;
de gewenste startdatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit;
de naam en het adres van degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op de locatie;
een machtigingsformulier in geval de aanvrager namens een initiatiefnemer handelt;
de gegevens en bescheiden opgenomen in Bijlage III.
Op verzoek van het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de instructieregels in dit hoofdstuk als het verrichten van de activiteit onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing wordt gevraagd.
Het verzoek om ontheffing bevat in ieder geval:
een onderbouwing waarom het verrichten van de activiteit onevenredig wordt belemmerd;
een beschrijving van de mogelijke gevolgen van de ontheffing voor het belang dat beschermd wordt door de bepaling waarvan ontheffing wordt gevraagd; en
een of meer verbeeldingen op kaart met een zodanige mate van nauwkeurigheid dat een duidelijk inzicht wordt verkregen van de locatie waarop de ontheffing betrekking heeft.
[Red: Paragraaf 4.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 4 naar afdeling 4.1. ]
De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.52, wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma's, de regionale waterprogramma's, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam. De vergunning wordt niet verleend als dat ertoe leidt dat:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, van dat besluit;
een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, van dat besluit;
een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt;
de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt;
de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; of
de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Het tweede lid, onder a tot en met d, geldt niet als:
het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbij het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, in verbinding met het eerste lid van dat besluit; of
het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden over:
de saneringsaanpak zodat deze leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;
het beoogde saneringsresultaat, waarbij op zijn minst het aanwezige gevaar voor het grondwater wordt weggenomen;
planning van de activiteit en wijziging daarvan;
het wijzigen van de activiteit ten opzichte van de aanvraag;
het beëindigen van de activiteit; en
verplichtingen na het beëindigen van de activiteit.
De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.62, wordt alleen verleend als de activiteit:
verenigbaar is met het belang van de werking en instandhouding van de aanwezige nazorgvoorziening;
verenigbaar is met de uitvoering van een nazorgmaatregel;
geen overschrijding van het berekende doelvermogen en de daarbij behorende belastingaanslag met zich brengt; en
past binnen de provinciale belangen die deze verordening beoogt te beschermen.
Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die nodig zijn gelet op het oogmerk waarvoor de regels zijn gesteld.
De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.112, wordt alleen verleend als:
de activiteit plaatsvindt op een datum of in een periode die verenigbaar is met werkzaamheden die de provincie Noord-Brabant op dezelfde datum of in dezelfde periode op dezelfde weg uitvoert;
het doel, de functionaliteit en de kwaliteit van de provinciale weg, dan wel van een tot de provinciale weg behorende verkeersvoorziening, niet wordt aantast;
het vrije uitzicht van weggebruikers op de provinciale weg of het zicht op tot de weg behorende verkeersvoorzieningen niet wordt aantast; en
er voldoende fysieke ruimte beschikbaar is.
Aan de omgevingsvergunning wordt een voorschrift verbonden dat de kosten die verbonden zijn aan het gebruikmaken van de omgevingsvergunning, alsmede de onderhoudskosten, voor rekening zijn van de vergunninghouder, tenzij Gedeputeerde Staten anders bepalen.
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het verrichten van werkzaamheden aan de provinciale weg, bedoeld in Artikel 3.112, onder a, alleen verleend als de werkzaamheden worden verricht door of namens het Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen of beheerders als bedoeld in de Spoorwegwet, vanwege hun zorgplicht voor wegen of spoorwegen of een andere wettelijke verplichting.
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een uitweg, bedoeld in Artikel 3.112, onder c, alleen verleend als:
de uitweg niet ontsluit op een stroomweg;
de uitweg ontsluit op een gebiedsontsluitingsweg buiten de bebouwde kom, is voldaan aan de volgende voorwaarden:
de uitweg ontsluit op een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom;
de aanvraag betrekking heeft op de eerste uitweg van het perceel, tenzij een tweede uitweg in het belang van de verkeersveiligheid noodzakelijk is;
er voldoende uitzicht is om veilig en onbelemmerd de uitweg in- en uit te rijden; en
de uitweg op een andere locatie ligt dan waar een tot de provinciale weg behorende verkeersvoorziening is gelegen.
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van kabels of leidingen, bedoeld in Artikel 3.112, onder d, alleen verleend als:
de kabel of leiding een openbare functie of daarmee gelijk te stellen functie heeft;
de kabel of leiding niet in de lengterichting onder een gesloten verharding ligt, met uitzondering van telecommunicatiekabels of elektriciteitskabels, als daarvoor in de berm van de provinciale weg onvoldoende fysieke ruimte beschikbaar is;
voor zover de kabel of leiding in een kunstwerk ligt, dit kunstwerk beschikt over mantelbuizen of holle ruimten die voor de ligging van een kabel of leiding zijn gereserveerd; en
de kabel of leiding op zodanige afstand van bomen en beplanting ligt dat daaraan geen schade wordt toegebracht.
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een leiding voor het lozen van water op een tot de provinciale weg behorend oppervlaktewaterlichaam, bedoeld in Artikel 3.112, onder e, alleen verleend als het oppervlaktewaterlichaam voldoende capaciteit heeft om het hemelwater of grondwater afkomstig van een perceel buiten de provinciale weg te verwerken.
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het plaatsen of bevestigen van een aanduiding, bedoeld in Artikel 3.112, onder f, alleen verleend als:
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het plaatsen of bevestigen van een kunstobject, bedoeld in Artikel 3.112, onder g, alleen verleend als:
Kunstloc Brabant een positief oordeel heeft gegeven over het ontwerp van het kunstobject;
de aanvraag wordt gedaan door het gemeentebestuur;
het kunstobject op het middenterrein van een rotonde binnen of direct op de grens van de bebouwde kom geplaatst wordt;
het kunstobject op het middenterrein van een rotonde maximaal 50% van het grondoppervlak van het middenterrein beslaat;
het kunstobject van niet-reflecterend materiaal is gemaakt;
het kunstobject uit statische delen bestaat;
het kunstobject geen scherpe of boven de provinciale weg uitstekende elementen bevat;
het kunstobject ondergeschikt is aan de technische en verkeerstechnische inrichting van de provinciale weg;
het kunstobject een minimale breekkans heeft; en
het kunstobject zo veel mogelijk vandalismebestendig is.
In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanbrengen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van een beschildering van een kunstwerk, bedoeld in artikel 3.112, onder h, alleen verleend als:
In aanvulling op Artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het plaatsen van voorwerpen op de provinciale weg, bedoeld in Artikel 3.112, onder i, alleen verleend als:
In aanvulling op Artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het houden van een evenement of wedstrijd zonder voertuigen, bedoeld in Artikel 3.112, onder j, alleen verleend als:
het evenement of de wedstrijd zonder voertuigen plaatsvindt binnen de bebouwde kom, tenzij het evenement of de wedstrijd zonder voertuigen van internationale, nationale of regionale betekenis is;
een omleidingsroute is bepaald, behalve wanneer het verkeer op de provinciale weg alleen kortstondig staande wordt gehouden door de politie of een verkeersregelaar, waarbij:
de bereikbaarheid voor hulpdiensten is gegarandeerd;
de uitvoerbaarheid van de dienstregeling voor het openbaar vervoer is gegarandeerd; en
er voldoende parkeerfaciliteiten zijn, afgestemd op het verwachte bezoekersaantal.
[Red: Paragraaf 4.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 4 naar afdeling 4.1. ]
In aanvulling op artikel 8.84 van het Besluit kwaliteit leefomgeving leidt het verlenen van de omgevingsvergunning voor een wateractiviteit er in ieder geval niet toe dat:
de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en
de doelstelling van het voorkomen van de achteruitgang van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de wateractiviteit wordt rekening gehouden met de nazorgmaatregelen en gebruiksbeperkingen die gelden na het uitvoeren van de grondwatersanering, bedoeld in Artikel 3.52.
Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater voorkomen of beperken.
In aanvulling op artikel 8.89 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is het tweede en derde lid van dat artikel van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die betrekking heeft op het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met de onttrekking van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening, en waarbij het in de bodem te brengen water niet afkomstig is uit een oppervlaktewaterlichaam.
C
Hoofdstuk 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Paragraaf 9.1 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Na ontvangst van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 4.1137 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 3.13, derde lid, neemt het college van burgemeester en wethouders de ontvangen gegevens op in het Landelijk Grondwater Register.
Het college van burgemeester en wethouders neemt de nazorgmaatregelen zoals opgenomen in het evaluatieverslag van de grondwatersanering, bedoeld in Artikel 2.52, en de gebruiksbeperkingen die daaruit voortvloeien op in het bodeminformatiesysteem.
Het college van burgemeester en wethouders brengt jaarlijks verslag uit aan Gedeputeerde Staten van de resultaten van de inzet van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap.
Gedeputeerde Staten stellen op grond van de ingekomen verslagen per regio een rapportage op ter bespreking in het regionaal overleg, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken.
Het college van burgemeester en wethouders registreert activiteiten en functies die tijdelijk worden toegestaan en geeft daarbij de locatie en periode aan tot wanneer de activiteit is toegestaan. Het overzicht wordt ter beschikking gesteld via een openbare voorziening.
[Red: Paragraaf 9.2 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Het waterschapsbestuur brengt vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarde, bedoeld in Artikel 2.1 Omgevingswaarde waterveiligheid regionale waterkering, elke drie jaar rapportage uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen onder zijn beheer.
Het waterschapsbestuur brengt binnen een jaar na afronding van de toetsing van de omgevingswaarde regionale waterkering, bedoeld in Artikel 6.6, hierover rapportage uit aan Gedeputeerde Staten.
De rapportage uit het tweede lid bevat een beoordeling van de veiligheid, waarbij onder meer de vastgestelde omgevingswaarde voor waterveiligheid, bedoeld in Paragraaf 2.1 en de hydraulische randvoorwaarden worden betrokken.
Als de beoordeling daarvoor aanleiding geeft, bevat de rapportage een omschrijving van de maatregelen die voortvloeien uit de veiligheidstoetsing die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.
Als de rapportage over de algemene waterstaatkundige toestand, bedoeld in het eerste lid, in tijd gelijk valt met de rapportage over de veiligheidstoetsing, bedoeld in het tweede tot en met vierde lid, dan kunnen deze rapportages gezamenlijk worden ingediend.
Het waterschapsbestuur brengt vanwege de zorg die op hem rust voor de handhaving van de omgevingswaarden voor wateroverlast, bedoeld in Paragraaf 2.2, periodiek verslag uit aan Gedeputeerde Staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.
Het verslag bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht, waarbij de omgevingswaarde wateroverlast en de legger worden betrokken.
Als de beoordeling daarvoor aanleiding geeft, bevat het verslag een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden bevonden.
Het waterschapsbestuur rapporteert jaarlijks aan Gedeputeerde Staten over de uitvoering van het regionale waterbeheer.
De rapportage, bedoeld in het eerste lid, bevat informatie over de voortgang van de uitvoering van het waterbeheerprogramma, de mate waarin de gestelde doelen worden bereikt, de redenen van eventuele afwijkingen en de voorgestelde maatregelen.
Het waterschapsbestuur informeert Gedeputeerde Staten jaarlijks voor 1 oktober over de bekende actuele tekortkomingen in het stelsel van primaire en regionale keringen en de te nemen maatregelen ter voorbereiding op een doeltreffend optreden bij gevaar als bedoeld in afdeling 19.4 van de wet.
In de informatie, bedoeld in het eerste lid, geeft het dagelijks bestuur aan of er tijdelijke of bijzondere maatregelen aan de orde zijn totdat de verbeteringswerken voor de desbetreffende keringen zijn afgerond.
[Red: Paragraaf 9.3 ongewijzigd verplaatst van hoofdstuk 9 naar afdeling 9.1. ]
Gedeputeerde Staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water, bedoeld in artikel 16.4 Besluit activiteiten leefomgeving, worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 3.18 Maatwerkregel informatieplicht wateronttrekkingsactiviteit worden verstrekt.
In het register, bedoeld in het eerste lid, worden ook de op grond van artikel 16.4 Besluit activiteiten leefomgeving verleende vergunningen vermeld op grond waarvan het onttrekken van water of infiltreren van water plaatsvindt.
Gedeputeerde Staten kunnen een inrichting voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water, bedoeld in artikel 16.4 Besluit activiteiten leefomgeving ambtshalve inschrijven in het grondwaterregister als de inrichting:
Als datum van inschrijving wordt aangehouden 1 januari van het jaar waarin de ambtshalve inschrijving plaatsvindt.
D
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_ff0b70865d0246228a94180753493dc8/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_0e0acbdd50aa40b4bc5c8c04b45b3490/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_156897a973f448fabe169d481523a777/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_ae7ce3100a5c4caaa9bc7d50ab36f025/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5e26c521f4164946a285124c39ac5632/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10d2534ddd9847329d62f389c6096285/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_4ef93107bdb74faf829e78a0fe552b65/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e8bb56861a1d46e1b3a60c39747dcb9f/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_cc5cca8359d54cdea63cd108e77dc30c/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e9c957ab7d044eb98521d416c9a94b1c/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f900597c1c564b61aa22bda5cfbadc81/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_2c405141f62749d3a696daf63b2a54ff/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_VI_Maatregelen_ammoniakemissiereductie/nld@2025‑12‑12;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_fa35416d285c49118cd4c1f11951a92d/nld@2025‑12‑12;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_d1a1bb8182bd45d7ab27d69b2f8970ae/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e108d7013dc443349ac08d3c8eaddbf2/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_c2bc60f8f2d44fd0b1951e4c6c58d94b/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_fd78d62051be4499bbd7181d5da603f9/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_8f9b723fb5144460b46f73940b87e710/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_42c56e61b0814fc1aa2a5d4603e1fabc/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_74894dc13d0c4a54a25f63493f1b2de6/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_a862978f2a5442aca91aee69948dd112/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_bcbc9c1bced348f9a80b449c5930a16b/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b602bb7612b345cba74e9790bbeabe99/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e0f0afe58ea54b18ae8339a377298815/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f91b46e62ca4438ea6312fb67238c623/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_225138fa3a2043148c2a1f41a9f76a43/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_f4d7eaf069d643de9c572bff1ce010ec/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_91a6a5fa18a247e3a82dc9e88b0d773b/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_55a4044671a84397ae1c4823bb2fad5e/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5283fd7aeecc4cc8890a84e38be9f863/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b891d074edcc4db68d61bd511aa5b88c/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_325c00e0bd8b407f85dcaa692b7d818a/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_d02157d6323944fdaf6430dc4205fe3e/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_95f89d0177b94d6bb7613739a60fae63/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_ea958b1dc94448c98286aa981d01611d/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5d88485d27ad4a8f91819e8049221405/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_96b9608443ec454ea71f8ed17e2b31b0/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_dc8f7c53395f4c978a5a32f13b702cd8/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9217cd4cb7e44e1caff8ab1f5bfc705c/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_797ad88d02c14802aea73e2b7464f037/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5409b6c6a19647d3874dc3e548b87aba/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_588f2af2023944999301febaeecf6f3d/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_28cbb86cc7b0494aa9a1e529ab551794/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2026/gebiedsaanwijzing_2d8b54fe3b4e4dc7893937b68837849e/nld@2026‑03‑04;1
/join/id/regdata/pv30/2026/gebiedsaanwijzing_8ee3c5e9e4ee49fea94fa1e0202a70a9/nld@2026‑03‑04;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_225dc92d7dad4ee2ab15f38541a04384/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_8616c8f2499e43e5a75191a00d36392b/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_8e2302ca3cde4f4183093cd9084a9958/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_0fa69bc0f9ff468689cdf4a01395941c/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9e5a5e1f295843f4837c352710d32777/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_aafb0de18eaf47f0b47e244195940687/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_cc06cee536fe4857a0b752388f4a4a5e/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10735dbaa9e844d58a6d33f4aecf0d0f/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10735dbaa9e844d58a6d33f4aecf0d0f/nld@2026‑06‑08;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_39d187064da444728d890615a8432797/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e7ea6d632b784b70b8c9b020e9d27ac5/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_6c45b9559e2a4257aa06cc21dec87d5a/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_e47663638efd4b87aa14474054643c70/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_4da54be7c7f24392ad6465faa561e9d0/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_7914e4a3b41544ff9b19d80b25515224/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b0a6b19bab0142b9833dfc6f1120ffc1/nld@2025‑12‑12;2
E
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemeen
In het verleden bestonden er diverse regelingen die vanuit een rood-voor-groen benadering ontwikkelingen mogelijk maakte:
de individuele ruimte-voor-ruimte regeling voor varkens- en kippenhouderijen;
de landgoederenregeling;
de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties;
nieuwe functies en activiteiten bij complexen van cultuurhistorisch belang;
splitsing van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of beeldbepalende woonboerderijen.
Rood voor groen betekent dat een ontwikkeling plaatsvindt vanuit de wens om een 'groen' doel te realiseren. Groen vanuit een brede betekenis, zoals de sloop van leegstaande gebouwen, de aanleg van natuur of landschapselementen, behoud van cultuurhistorisch waardevol landschap en gebouwen of de aanleg van extensieve recreatieve voorzieningen. Om het groene doel te realiseren, wordt de ontwikkeling van een rode functie ingezet. Met de opbrengst van die rode ontwikkeling in het Landelijk gebied (bijvoorbeeld de bouw van een woning of de ontwikkeling van een recreatieve of niet-agrarische functie), wordt dan het groene doel gerealiseerd.
De meeste van bovenstaande regelingen stammen uit de jaren 2000-2005. De voorwaarden voor toepassing van de regeling passen daarom niet altijd meer bij de uitgangspunten van deze tijd. Bijvoorbeeld bij ruimte voor ruimte kunnen alleen varkens- en pluimveebedrijven meedoen in voormalige reconstructiegebieden. De regeling is gebaseerd op de problematiek begin deze eeuw terwijl de huidige problematiek ook melkveehouders en bedrijven buiten de voormalige reconstructiegebieden betreft. En de landgoederenregeling was erg gedetailleerd waardoor creativiteit en afweging naar specifieke gebiedskenmerken steeds vaker achterwege bleef. Bijvoorbeeld: bij de landgoederenregeling werd in het verleden per wooneenheid van 750 m3 als tegenprestatie de aanleg van 2,5 hectare natuur gevraagd. Er werden daarbij geen eisen gesteld aan wat voor natuur of de locatie van de nieuwe natuur. Hierdoor ontstonden losliggende natuurgebiedjes die vanuit de kwaliteit en samenhang van het Natuur Netwerk Brabant slechts weinig bijdroegen. Bovendien stuitte de regeling soms op problemen in geval van een zorglandgoed.
Daarom is vanwege de opstelling van de omgevingsverordening aan Brabant Advies gevraagd advies te geven over een nieuwe regeling. Dit heeft geleid tot het op 10 juli 2020 uitgebrachte rapport 'Een nieuwe aanpak voor rood en groen'. Brabant Advies beveelt een nieuwe aanpak aan waarbij de gemeente als eerste aan zet is maar met een stevige rol voor de provincie om kennisontwikkeling, eenheid van beleid en het versterken van omgevingskwaliteit te ondersteunen. Gebaseerd op dit advies en ervaringen uit de praktijk, zijn in deze omgevingsverordening de oude regelingen samengevoegd. Doordat de doelen van de eerdere regelingen zijn gehandhaafd, zijn de basisuitgangspunten niet veranderd maar wel algemener geformuleerd. Daardoor biedt de regeling meer mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen en het combineren van opgaven. Bijvoorbeeld door te voorzien in een vraag voor de ontwikkeling van (tijdelijke) tiny houses. Vanuit de oude regeling was dat niet mogelijk. Met de nieuwe regeling kan meer maatwerk geleverd worden.
Algemene voorwaarden lid 1
De nieuwe regeling biedt meer mogelijkheden voor ontwikkelingen in het landelijk gebied, zolang deze als doel hebben de omgevingskwaliteit te versterken. Belangrijkste voorwaarde is dat een initiatief de realisering van de 'groene ontwikkeling' als doel heeft. De rode ontwikkeling (de toe te laten gebruiks- of bouwactiviteit) staat ten dienste van dat groene doel en wordt daarvoor volledig ingezet. Daarom is opgenomen dat de rode ontwikkeling tot doel heeft om de omgevingskwaliteit te versterken en daarvoor de middelen biedt.
De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gaat altijd om feitelijk nog te realiseren omgevingskwaliteit. Het is daarom niet mogelijk om in het verleden gerealiseerde kwaliteitswinst in te brengen. Er moet daarom een directe koppeling liggen tussen de toe te laten activiteit en de fysieke tegenprestatie in versterken omgevingskwaliteit. Vanuit de uitvoerbaarheid van de regeling kan er soms een beperkte tijd liggen tussen beide ontwikkelingen. Dat is uiteraard wel mogelijk.
'Groen' heeft in de rood-voor-groen benadering een brede betekenis: het versterken van omgevingskwaliteit. Dat impliceert dat de inzet (mede) is gericht op algemene belangen en dat het niet alleen een individueel belang betreft. Het kan bijvoorbeeld gaan om de aanleg van natuur en landschapselementen, sloop van leegstaande gebouwen, behoud en versterking van cultuurhistorische waarden en kenmerken, klimaatmaatregelen maar ook het verminderen van emissies van milieuhinderlijke stoffen. Uiteraard rekening houdend met de specifieke kenmerken, waarden en functies in een gebied. Wij benadrukken dat de opgenomen invulling van versterken van omgevingskwaliteit geen limitatieve opsomming betreft. Uitgangspunt van de regeling is wel dat de versterking van omgevingskwaliteit is gericht op de fysieke leefomgeving van het landelijk gebied.
Er geldt voorts een anti-dubbeltelbepaling. Als het versterken van de omgevingskwaliteit al is verzekerd vanwege een wettelijke verplichting of vanwege deelname aan een regeling, dan kan die versterking niet (nogmaals) ingebracht worden voor de toepassing van deze regeling. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een regeling waarbij een bedrijf een sloopverplichting heeft vanwege deelname. Of een subsidie die is ontvangen voor de aanleg van natuur.
De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit moet juridisch zijn geborgd. Het is aan gemeente en initiatiefnemer om hieraan concreet invulling te geven. Denkbaar is dat gewerkt wordt met voorwaarden die het beoogde gebruik of het mogen verrichten van de gebruiksactiviteit koppelen aan de voorwaarde dat de fysieke tegenprestatie is gerealiseerd en dat die ook in stand wordt gehouden. Daarnaast wordt een op de activiteit en fysieke versterking van omgevingskwaliteit gerichte regeling in het omgevingsplan verwacht. In sommige gevallen is het ook denkbaar dat wordt gewerkt met kwalitatieve verplichtingen. De borging moet op zo'n wijze zijn vorm gegeven dat die juridisch handhaafbaar en afdwingbaar is.
Een andere algemene voorwaarde gaat over de volhoudbaarheid van de ontwikkeling. Is er met de kennis van nu, ook richting de toekomst behoefte aan de ontwikkeling of gaat het om een tijdelijke functie? Het is ongewenst om nu nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken waardoor de leegstand van de toekomst ontstaat. Maar ook of een initiatief economisch levensvatbaar is: is er een goede bedrijfseconomische onderbouwing van het initiatief? De te ontwikkelen gebruiks- of bouwactiviteit moet verder uiteraard passen binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied (artikel 5.12).
Bij het mogelijk maken van de gebruiks- of bouwactiviteit wordt toepassing gegeven aan meerwaardecreatie (artikel 5.10); dat betekent bijvoorbeeld dat er aandacht is voor energietransitie, klimaatmaatregelen, duurzaam bouwen, leefbaarheid etc.
De activiteit en de beoogde fysieke tegenprestatie moeten voorts uiteraard passen binnen algemene uitgangspunten van deze verordening. Daaronder valt ook dat de nieuwe bouw- of gebruiksactiviteit op zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast.
Overleg
Toepassing van deze regeling vraagt om maatwerk per geval. Daarom is geen concrete regeling uitgewerkt voor de tegenprestatie. De tegenprestatie wordt in breed overleg met betrokken partijen, waaronder de provincie, ingevuld. Het is een nieuwe regeling en daarom is het, zeker in het begin, belangrijk dat binnen de provincie op een gelijke manier met de regeling wordt omgegaan. Daarom is opgenomen dat een deskundige op het gebied van omgevingskwaliteit vanuit de provincie bij de ontwikkeling van het plan wordt betrokken.
Beleidsregel
Gedeputeerde Staten hebben een beleidsregel vastgesteld die invulling geeft aan de minimale omvang van de fysieke tegenprestatie die verwacht wordt bij het toevoegen van een woning (lid 3, onderdeel a). In de beleidsregel zijn de uitgangspunten opgenomen die Gedeputeerde Staten hanteren voor de kosten van sloop, aanleg van natuur en landschapselementen of het inleveren van stikstofruimte. De beleidsregel bevordert een gelijke toepassing binnen de provincie.
Monitor
Brabant Advies concludeert in zijn rapport ook de wenselijkheid om de effecten van de toepassing van rood-voor-groen beter te monitoren en te evalueren. Daarom is een jaarlijkse rapportageplicht opgenomen voor Gedeputeerde Staten. Zo'n rapportageplicht kan ook bijdragen aan kennisontwikkeling en kennisdeling door goede voorbeelden uit te dragen.
Sanering milieuhinderlijke activiteit (lid 2)
De voormalige Ruimte voor ruimte regeling had mede tot doel een aanzienlijk milieuwinst te realiseren. Ook deze regeling voorziet daarin. Het is daarbij van belang dat als een rode ontwikkeling wordt ingezet om de sanering van milieuhinder te bereiken, ook geborgd wordt dat daadwerkelijk een sanering en niet alleen een -al dan niet tijdelijke- vermindering van hinder aan de orde is. Dat betekent dat het omgevingsplan juridisch vastlegt dat de activiteit niet langer is toegestaan. Het betekent ook dat bij de sanering van een milieuhinderlijke activiteit, alle op de locatie rustende rechten en vergunningen voor die activiteit ingetrokken moeten worden. Dat omvat alle aspecten, zoals de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, de Natura-2000 activiteit, de Flora- en fauna activiteit of een lozingsactiviteit. Dit betekent ook dat er geen mogelijkheden bestaan om de op de locatie rustende rechten of toestemmingen te verhandelen of in te zetten op een andere locatie. De regeling gaat ervan uit dat alle toestemmingen zijn ingetrokken.
Tot de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Noord-Brabant was het conform de oude RvR-regeling mogelijk om dierrechten voor varkens- en kippenhouderijen ter hoogte van 3500 kg fosfaat in te zetten als fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit. Het bestemmingsplan bevatte dan het bewijs dat deze verhandelbare rechten door de rvo zijn doorgehaald. Onder de Omgevingsverordening is deze mogelijkheid vervallen omdat deze dierrechten niet gekoppeld zijn aan de locatie. Het inleveren en intrekken van de omgevingsvergunning voor de Natura2000-activiteit kan als fysieke tegenprestatie worden ingebracht. Dit is in een beleidsregel uitgewerkt.
Specifieke voorwaarden lid 3
- Toevoegen woning (onderdeel a)
Belangrijk aandachtspunt bij het toevoegen of bouwen van een woning met als doel de omgevingskwaliteit te versterken, is dat de tegenprestatie in omgevingskwaliteit in de verordening is vastgelegd. Hierbij is een koppeling gelegd met een tegenprestatie die in verhouding staat tot de ontwikkeling van een woonfunctie. Daarvoor hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Omgevingsrecht vastgesteld. De regeling in onderdeel a kan niet worden toegepast in geval van rijks- en gemeentelijke monumenten of cultuurhistorisch waardevolle complexen die op de Cultuurhistorisch waardenkaart zijn beschreven. Daarvoor is in onderdeel d een regeling opgenomen.
Wij vinden het vragen van een tegenprestatie met als doel het versterken van de omgevingskwaliteit redelijk omdat de regeling via maatwerk inbreuk maakt op basisprincipes van deze verordening, zoals het verbod op nieuwvestiging of het verbod op het toevoegen van individuele woningen in landelijk gebied. De omvang van de fysieke tegenprestatie is in een beleidsregel uitgewerkt. Vanuit de maatschappelijke behoefte zijn in die beleidsregel voor verschillende typen woningen uitgangspunten vastgelegd en maatwerktitels ontwikkeld door de Ontwikkelingsmaatschappij. Naast de klassiek grotere vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen, is er beleid ontwikkeld voor kleinere twee-onder-een-kapwoningen, kleinere wooneenheden in een bouwmassa van 1000 m3, tiny houses en inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing.
Wat onder karakteristieke bebouwing wordt verstaan, verschilt per geval. Karakteristieke bebouwing omvat de door gemeenten in het eigen erfgoedbeleid aangewezen bebouwing met cultuurhistorische waarden maar ook andere beeldbepalende bebouwing waarvan de gemeente behoud wenselijk vindt. In het geval dat bebouwing vanuit erfgoedbeleid niet is aangewezen, bevat het plan een onderbouwing waarom de bebouwing beeldbepalend is. Voorheen bevatte de verordening voor de splitsing van woonboerderijen of cultuurhistorische bebouwing een aparte regeling. Deze regeling werd als onduidelijk en rechtsongelijk ervaren omdat de toepassing voor splitsing van beeldbepalende woonboerderijen en cultuurhistorische bebouwing verschilde. De regeling is daarom aangepast en versoberd. De mogelijkheid voor het inpandig toevoegen van een woning (of meerdere wooneenheden) wordt met deze regeling voor alle situaties gelijk waardoor voor cultuurhistorisch waardevolle boerderijen, andere cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, beeldbepalende woonboerderijen en overige beeldbepalende bebouwing gelijke uitgangspunten gelden. Vanuit het doel van de regeling -versterken en behouden omgevingskwaliteit- wordt in ruil voor de toevoeging van een woning gevraagd dat in het omgevingsplan de karakteristieke kenmerken worden beschreven en beschermd en dat uit- en aanbouwen worden tegengegaan.
Vanuit omgevingskwaliteit is de voorwaarde gesteld dat het toevoegen van een woning alleen op een passende locatie mogelijk is. Een toename van verspreid liggende bebouwing in het landelijk gebied is niet wenselijk, vanuit omgevingskwaliteit, toename van mobiliteit, verrommeling en de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische functies. Voor inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing is een aparte bepaling opgenomen.
Onderdeel a biedt dus de mogelijkheid voor de bouw of toevoeging van een incidentele woning of als dat aanvaardbaar is in de omgeving enkele woningen, op passende plekken in het buitengebied. Deze regeling is niet bedoeld om grotere clusters van woningen te ontwikkelen of een stedelijke ontwikkeling. Daarvoor zijn regels opgenomen in Afdeling 5.5 Ontwikkeling van stedelijke functies en mobiliteit.
In het vierde lid is uitgewerkt wat onder een passende locatie wordt verstaan. Een passende locatie ligt in of aansluitend op een bebouwingsconcentratie, Bebouwd gebied of Stedelijk gebied. De invulling van wat in deze verordening onder een passende locatie wordt verstaan, laat onverlet dat de gemeente ook altijd de afweging moet maken of het toevoegen van een woning aanvaardbaar is vanuit de ontwikkelingsrichting van een gebied. Voor inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing geldt dat die al op een bepaalde locatie aanwezig zijn zodat alleen de afweging vanuit de ontwikkelingsrichting vereist is.
Ontwikkeling van een nieuw landgoed (onderdeel b)
De landgoedregeling is bedoeld om meer natuur in het buitengebied te realiseren en om kwaliteit en allure aan het buitengebied toe te voegen. Het is daarom van belang om omgevingskwaliteit en de 'kwaliteit van het ontwerp' te betrekken. Onder de kwaliteit van het ontwerp wordt verstaan: eenheid tussen bebouwing en landgoed, eenheid in vorm/uitstraling van de aanwezige bebouwing, zoveel mogelijk concentratie van bebouwing en de wijze waarop gebruik is gemaakt van kenmerken van de omgeving. Hoewel van belang, is dit niet goed in formele regels te “vangen”.
De voorwaarden voor een landgoed zijn daarom tot enkele basisvoorwaarden teruggebracht.
Een landgoed is een ruimtelijke eenheid van aaneensluitende gronden met een omvang van ten minste 10 hectare. Reden hiervoor is dat een kleinere omvang tot gevolg heeft dat allerlei kleine initiatieven ontwikkeld kunnen worden die onvoldoende robuust zijn. Het landgoed kan bestaande woningen of bestaande agrarische bedrijven omvatten en gronden die binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) liggen. Vanwege de natuurdoelen die voor het NNB gelden, is het niet gewenst dat de bebouwing voor het landgoed daarbinnen wordt gerealiseerd. De tegenprestatie voor het oprichten van landgoedwoningen wordt verplicht ingezet ten behoeve van bij het gebied passende natuurontwikkeling op het landgoed en behoud van de op het landgoed aanwezige waarden. Voor het type natuur dat passend is bij gebied kan in veel gevallen aansluiting worden gezocht bij het natuurbeheerplan. Het is aan te bevelen hierover tijdig in overleg te treden met de provincie. Een landgoed bestaat -nadat de ontwikkeling is afgerond- ten minste voor 50% uit gerealiseerde natuur. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Natuurschoonwet. De 50% gerealiseerde natuur kan bestaan uit:
binnen het NNB gelegen bestaande gerealiseerde natuur;
binnen het NNB begrensde natuur die nog niet is gerealiseerd en die vanwege de landgoedontwikkeling wordt gerealiseerd;
nieuwe natuur die vanwege de landgoedontwikkeling als NNB begrensd wordt.
Natuurontwikkeling
de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit wordt ingezet voor natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing en het versterken van landschapsstructuren. De natuurtypen moeten passend zijn bij het gebied en NNB-waardig zijn.
kosten voor investeringen in natuur worden gebaseerd op de vergoedingen die worden toegepast in provinciale regelingen zoals de subsidieregeling Realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant. Dat betekent dat:
nieuwe natuur die vanwege de realisatie van het landgoed als NNB wordt begrensd, wordt toegevoegd als bestaande natuur. Hierdoor kan voor de aanleg geen subsidie verstrekt worden.
Een kwaliteitsimpuls van bestaande natuur kan meegenomen worden, mits de uitvoering van de maatregelen ook geborgd wordt.
Voor de invulling van NNB-waardige natuur wordt kwalitatief bezien of de aan te leggen en aan het NNB toe te voegen natuur vanuit ecologische doelen daadwerkelijk NNB-waardig is. Het gaat bij de ontwikkeling van een nieuw landgoed dus niet alleen om de kwantiteit van het natuuroppervlak, maar juist ook om de bijdrage die de nieuwe natuur levert aan de kwaliteit en de ruimtelijke samenhang van het NNB. Inrichting (op korte termijn), beheer en ontwikkeling moeten daarbij duurzaam zijn geborgd. In de praktijk betekent dit dat de toe te voegen natuur wordt aangelegd op een perceel dat grenst aan het huidige NNB en dat voldoet aan een of meer van de volgende ecologische criteria:
het perceel is nodig om de hydrologie van het NNB op orde te brengen;
het te realiseren natuurdoeltype geeft een versterking van dit natuurdoeltype op deze locatie of het NNB in de omgeving;
het perceel verbetert de interne verbinding binnen het NNB; het perceel draagt bij aan een goede aansluiting met een EVZ;
de toevoeging van dit perceel betekent een belangrijke vermindering van ongewenste randlengte van het NNB.
Ruimtelijke inrichting van het landgoed
Op een onderschikt deel van het totale landgoed kan een 'rode' ontwikkeling plaatsvinden door nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten toe te laten. Het kan dan gaan om landgoedwoningen of een andere bij het landgoed passende functie. De 'rode' ontwikkeling moet in een evenredige verhouding staan tot de omvang en kwaliteit van de nieuwe natuur, waarvoor het landgoed wordt ontwikkeld. Een inrichtingsplan geeft inzicht in de oppervlakte, inhoud en hoogte van de te realiseren bebouwing (landgoedwoningen of andere functie). Vanuit de principes voor een evenredige toedeling van activiteiten en functies (paragraaf 5.1.2) biedt de onderbouwing van het omgevingsplan inzicht in de effecten van de gewenste ontwikkeling op omliggende waarden en functies, waaronder mobiliteit. Voor een goede ruimtelijke inrichting van het landgoed hanteren wij als uitgangspunt dat:
bebouwing buiten het NNB wordt gesitueerd en zoveel als mogelijk geconcentreerd wordt opgericht;
bebouwing van allure is en qua omvang passend bij de uitstraling van een landgoed. Er wordt een beeldkwaliteitsplan voor de bebouwing opgesteld;
behoud van omvang en uitstraling van de bebouwing worden in het omgevingsplan geborgd;
behoud en versterking van cultuurhistorische waarden op het landgoed wordt in het omgevingsplan verzekerd. Naast woonfuncties zijn ook andere bij een landgoed en ontwikkelingsrichting passende gebruiksactiviteiten mogelijk, zoals zorg en agrarische activiteiten;
het landgoed is zodanig openbaar toegankelijk dat het in z’n geheel beleefbaar is, met uitzondering van een gebied (0,5 tot 1 ha) rondom de bebouwing.
Ontwikkeling op een bestaand landgoed (onderdeel c)
De regeling in onderdeel b is opgenomen voor de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Op bestaande landgoederen is het vanwege instandhoudingsdoelen van zo'n landgoed soms ook gewenst ontwikkelingen mogelijk te maken. Bij een dergelijke ontwikkeling wordt waar mogelijk toepassing gegeven aan de bepalingen onder b. Het onverkort vasthouden aan alle uitgangspunten is daarbij niet altijd mogelijk. Vroegtijdig overleg met medewerkers van de provincie is gewenst.
Het gaat hier niet om landgoederen die als complex cultuurhistorisch belang zijn opgenomen op de Cultuurhistorische waardenkaart. Daarvoor geldt onderdeel d.
Behoud en versterking van cultuurhistorische waarden en kenmerken (onderdeel d)
De mogelijkheid voor ontwikkeling richt zich behoud en herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken van provinciaal belang. De regeling biedt daartoe de mogelijkheid voor het toelaten van nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten, waaronder woonfuncties- in of bij:
rijks- en gemeentelijke monumenten: Het gaat hier om cultuurhistorisch waardevolle bebouwing die door Rijk of gemeenten is aangewezen als monument en die als zodanig is beschermd.
Ontwikkelingen binnen cultuurhistorisch waardevolle complexen: In het verleden bevatte de verordening een aparte aanduiding voor cultuurhistorisch waardevolle complexen. Deze complexen zijn in de Omgevingsverordening binnen de aangeduide locaties Cultuurhistorische waarden gebracht. Op de Cultuurhistorische waardenkaart zijn de kenmerken en waarden van deze gebieden en de daarbinnen gelegen complexen beschreven, alsmede de mogelijkheden voor ontwikkeling. Doel van de regeling is dat ontwikkelingen bijdragen aan behoud en versterking van de karakteristieke waarden en kenmerken van het complex. Nieuwe functies zijn vanwege het streven naar behoud van deze complexen mogelijk als ze bijdragen aan het behouden en versterken van de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of aan andere aspecten van cultuurhistorisch belang in de directe omgeving van het complex, zoals herstel van cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen.
Een concreet plan bevat de volgende elementen:
een onderbouwing waarom gebruikt wordt gemaakt van deze regeling (aantonen van de noodzaak);
een beschrijving en cartografische weergave van de actuele, aangetaste en verdwenen cultuurhistorische waarden van het complex;
een lijst en kaart met de (verdwenen) cultuurhistorische waarden die worden hersteld of worden versterkt;
bouwkundige tekeningen van de oorspronkelijke, huidige en gewenste situatie: dit omvat minimaal een plattegrond van alle verdiepingen, doorsneden, gevelaanzichten en een situatietekening op schaal;
hoe de geplande ontwikkeling een (landschap)architectonische meerwaarde betekent voor het complex;
hoe de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan het behoud van de historisch (landschap) architectonische kenmerkende stijl van het complex;
inzicht in de huidige en de toekomstige exploitatie van het complex;
hoe de cultuurhistorische waarden van het complex worden beschermd, behouden en versterkt in het omgevingsplan.
Naast de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de locatie en directe omgeving bepalen ook andere in de omgeving aanwezige waarden de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Een ligging in het Natuurnetwerk Brabant kan betekenen dat alleen kleinschalige, relatief extensieve nieuwe activiteiten aanvaardbaar zijn. In het algemeen geldt daarom dat bij toepassing van deze regeling de gemeente de voorgenomen functiewijziging afweegt in relatie tot de algemene visie op het gebied en het te voeren beleid. Bij het toelaten van nieuwe functies geldt binnen een aangeduid complex dat ook nieuwvestiging mogelijk is. Hierbij moet uiteraard ook ingegaan worden of de nieuwe functie inpasbaar is gelet op de aanwezige en/of verdwenen cultuurhistorische waarden.
Passende locatie (lid 4)
Deze regeling maakt de bouw van een woning mogelijk in Landelijk gebied binnen een bebouwingsconcentratie in Landelijk gebied of op locaties die ter afronding aansluiten op Stedelijk gebied, Bebouwd gebied of een bebouwingsconcentratie. Daarnaast is het mogelijk een woning te realiseren binnen bestaand ruimtebeslag van Stedelijk gebied, Bebouwd gebied (artikel 5.57) of inpandig bij karakteristieke bebouwing. Vanwege de omstandigheid dat in sommige gebieden al veel ruimte in de bebouwingsconcentraties is benut, is opgenomen dat een woning ook aansluitend op een bebouwingsconcentratie, bebouwd- en stedelijk gebied kan worden opgericht. Hiervoor geldt dat er in zo'n geval sprake moet zijn van een logische afronding van de aanwezige bebouwing.
In de begripsbepalingen is opgenomen wat onder bebouwingsconcentratie wordt verstaan. Het gaat daarbij altijd om een verzameling van meerdere bouwpercelen met daarop aanwezige hoofd- en bijgebouwen. Een verzameling gebouwen op 1 perceel ten behoeve van de daar toegelaten functie betreft een bouwperceel en is als zodanig ook in de Omgevingsverordening gedefinieerd. Hieronder is een schematische weergave opgenomen van een kernrandzone, bebouwingslint en bebouwingscluster:


Niet iedere bebouwingsconcentratie is geschikt voor het toevoegen van een woning. Daarom geldt ook altijd dat de ontwikkeling moet passen binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied en niet in strijd mag zijn met overige beleidsdoelen. Niet alle dorps- en stadsranden of bebouwingsconcentraties zijn dan geschikt. Een ontwikkelingsrichting houdt immers integraal rekening met de waarden en belangen vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, recreatie, landbouw en overige aspecten, zoals de aanwezige dorps- of stedelijke structuur, mobiliteit, energie etcetera. Als een dorpsgrens bijvoorbeeld duidelijk gemarkeerd wordt door een weg, kan het in zo'n situatie niet wenselijk zijn om een nieuwe aanzet voor verstedelijking aan de overzijde van de weg te ontwikkelen. Of als een bebouwingsconcentratie in een gebied ligt met een overwegende agrarische functie kunnen nieuwe ontwikkelingen belemmerend voor die functie zijn. Dat is per situatie uiteraard verschillend. Het is overigens een mogelijkheid om aansluitend op een bebouwingsconcentratie, bebouwd gebied of stedelijk gebied een woning toe te staan en nadrukkelijk geen verplichting.
In het vijfde lid is aangegeven dat als dit artikel wordt toegepast, de daar genoemde bepalingen niet gelden.
In de Omgevingsverordening worden zes ‘Stalderingsgebieden’ onderscheiden. Binnen deze gebieden is toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren alleen toegestaan als er bewijs is overlegd dat binnen hetzelfde gebied dierenverblijf voor hokdieren is gesaneerd. Dit is zo bepaald om een verdere concentratie van de veehouderij in regio’s tegen te gaan.
Bij de technische omzetting van de Omgevingsverordening van de oude standaard (IMRO) naar de nieuwe standaard (STOP-TPOD) zijn de verschillende stalderingsgebieden onbedoeld als één gebied verbeeld op de kaart, zodat de grenzen tussen de gebieden niet meer zichtbaar zijn. Deze technische omissie wordt via deze wijziging hersteld.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-9755.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.