Verkeersbesluit inhaalverbod N214

PZH-2025-881194889 / DOS-2025-0003005

Inleiding

De provincie Zuid-Holland gaat werkzaamheden uitvoeren aan de N214 tussen de aansluiting op de A15 en de aansluiting op de A27. Naast het asfaltonderhoud worden op de N214 verbetermaatregelen uitgevoerd die bijdragen aan een vlotte en veilige doorstroming van het verkeer. Eén van de verbetermaatregelen die tijdens het groot onderhoud wordt uitgevoerd, is het instellen van een inhaalverbod. Op het westelijke deel van de N214 is in de huidige situatie al een algeheel inhaalverbod van kracht. Dit gedeelte van de N214 is gesloten voor onder andere het landbouwverkeer. Op de wegvakken van de N214 tussen de rotonde N214 – Damseweg (hectometer 12,7) en de aansluiting met de A27 (hectometer 22,5) is landbouwverkeer wel toegestaan op de hoofdrijbaan vanwege het ontbreken van alternatieve (parallelle) route. Op het merendeel van deze wegvakken is de weginrichting uitgevoerd met een zogenaamde 9-1 markering (9 meter doorgetrokken asmarkering, 1 meter onderbroken asmarkering). Deze markering is op het wegdek aangebracht om inhalen zoveel mogelijk te ontmoedigen, maar dit niet onmogelijk te maken voor onder andere het inhalen van landbouwverkeer. Gezien de grote snelheidsverschillen tussen landbouwvoertuigen en overige motorvoertuigen is het inhalen van deze categorie voertuigen wenselijk. De keuze voor de markering heeft echter ook het nadelige gevolg dat automobilisten andere voertuigen mogen inhalen. Deze inhaalacties kunnen zorgen voor gevaarlijke situaties met risico op frontale ongevallen. Om dit risico te beperken, is de Provincie Zuid-Holland voornemens een inhaalverbod in te stellen op de gehele N214. Op wegvakken waar de 9-1 markering aanwezig is, wordt ook een inhaalverbod ingesteld, maar het inhalen van landbouwvoertuigen blijft daar toegestaan. Op wegvakken waar al een dubbele doorgetrokken asmarkering aanwezig is blijft het algehele inhaalverbod ongewijzigd. Voor de verkeersmaatregelen is een verkeersbesluit verplicht.

Bevoegdheid

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben de bevoegdheid om op grond van artikel 18, eerste lid, sub b van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer (BABW) verkeersbesluiten te nemen voor wegen die bij haar in beheer zijn.

Krachtens het Besluit van de secretaris van de provincie Zuid-Holland van 14 maart 2025, PZH-2025-870791008, tot wijziging van het Ondermandaatbesluit van de provinciesecretaris van Zuid-Holland voor de opgavengerichte organisatie 2024, is deze bevoegdheid ondergemandateerd aan de Ambtelijke Opdrachtgever van Domein Uitvoering.

Overwegingen ten aanzien van het besluit

Krachtens artikel 15, eerste lid, van de WVW dient er een verkeersbesluit te worden genomen voor de plaatsing of verwijdering van de in artikel 12 van het BABW inzake het wegverkeer opgenomen verkeerstekens, evenals voor onderborden voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd.

Motivering

Uit het oogpunt van (zoals genoemd in artikel 2 lid 1 van de WVW):

  • het verzekeren van de veiligheid op de weg;

  • het beschermen van weggebruikers en passagiers;

  • het instandhouden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

  • het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer;

is het gewenst om een inhaalverbod in te stellen op diverse wegvakken van de hoofdrijbaan van de N214 (gemeente Molenlanden).

Belangenafweging

Op de N214 wordt een inhaalverbod ingesteld om de kans op gevaarlijke situaties en het risico op frontale ongevallen te verminderen. Dit draagt bij aan de verkeersveiligheid op de N214. Hierdoor wordt ook de bruikbaarheid van de weg en de vrijheid van het verkeer gewaarborgd. Om de doorstroming op de N214 te borgen, wordt een uitzondering gemaakt voor het inhalen van landbouwvoertuigen. Het snelheidsverschil tussen landbouwvoertuigen en het overige verkeer is relatief groot. Om wachtrijvorming en daaruit volgende onveilige verkeermanoeuvres te voorkomen, blijft het toegestaan het landbouwverkeer in te halen. Echter, landbouwverkeer inhalen is alleen toegestaan op wegvakken met een zogenaamde 9-1 markering. Op wegvakken waar al een dubbele doorgetrokken asmarkering aanwezig is, blijft het algehele inhaalverbod ongewijzigd.

Alles tegen elkaar afgewogen zijn de te nemen maatregelen dus in ieders belang.

Overleg

Overeenkomstig artikel 24 van het BABW is er overleg gepleegd met de korpschef. Deze heeft ingestemd met de maatregelen.

Besluit

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, gelet op het voorgaande, besluiten:

  • 1.

    Alle eerder genomen verkeersbesluiten in te trekken die strijdig of gelijk zijn met de hieronder beschreven verkeersmaatregelen die betrekking hebben op het instellen c.q. aanwijzen van verkeersmaatregelen aan desbetreffende wegen of weggedeelten opgenomen in dit besluit;

  • 2.

    Door plaatsing van borden F1 uit bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), met het onderbord “inhalen landbouwverkeer toegestaan” (onderbord OB101), een verbod in te stellen voor het inhalen van gemotoriseerd verkeer, met uitzondering van het landbouwverkeer. Dit verbod wordt ingesteld voor de onderstaande wegvakken van de provinciale weg N214, overeenkomstig bijgaande tekeningen met tekeningnummer 7411, 7412 en 7414:

    • a.

      Rotonde N214 – Damseweg (hectometer 12,7) en kruispunt N214 – N216 (hectometer 15,8);

    • b.

      Kruispunt N214 – N216 (hectometer 15,8) en kruispunt N214 – Gorissenweg (hectometer 18,8);

    • c.

      Rotonde N214 – Botersloot (hectometer 19,7) en kruispunt N214 – Hugo Botterweg (hectometer 20,8)

    • d.

      Kruispunt N214 – Hugo Botterweg (hectometer 20,8) en kruispunt N214 – Minkeloos (hectometer 22,1)

  • 3.

    Te bepalen dat dit besluit in werking treedt met ingang van de dag na publicatie in de Staatscourant.

Bezwaar en voorlopige voorziening

Tegen dit besluit kunnen belanghebbenden ingevolge artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij ons een gemotiveerd bezwaarschrift indienen. Dit bezwaarschrift moet binnen zes weken na de dag van bekendmaking van dit besluit worden toegezonden, onder vermelding van “Awb-Bezwaar” in de linkerbovenhoek van enveloppe en bezwaarschrift. Het bezwaar moet worden gericht aan: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, t.a.v. het Awb-secretariaat, Postbus 90602, 2509 LP Den Haag.

Het bezwaarschrift dient te zijn ondertekend en het volgende te bevatten:

  • naam en adres van de indiener;

  • dagtekening;

  • omschrijving van het besluit waar tegen het bezwaar is gericht;

  • gronden van het bezwaar.

U kunt ook digitaal bezwaar maken. Dat kunt u doen door uw bezwaarschrift te sturen aan rechtsbescherming@pzh.nl. Meer informatie vindt u op deze webpagina: https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/bezwaar/bezwaar-beslissing/.

Krachtens artikel 6:16 van de Awb schorst het bezwaar de werking van dit besluit niet. Gelet hierop kan – als tegen dit besluit bezwaar wordt gemaakt – ingevolge artikel 8:81 van de Awb bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag, sector Bestuursrecht, Postbus 20302, 2500 EH Den Haag (bezoekadres: Prins Clauslaan 60 te Den Haag), een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden ingediend. Voor het verzoek zal griffierecht worden geheven.

Wij verzoeken u een kopie van dit verzoek om een voorlopige voorziening toe te zenden aan: Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland, Postbus 90602, 2509 LP Den Haag.

U kunt een voorlopige voorziening ook digitaal indienen. Voor informatie daarover verwijzen wij u naar deze webpagina van de rechtspraak: https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/rechtsgebieden/bestuursrecht/procedures/voorlopig-voorziening.

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland

Naar boven