Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet 2026

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

 

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

Overwegende dat:

 

gedeputeerde staten gelet op het bepaalde in artikel 13.5 en artikel 4.5 van de Omgevingswet in de in artikelen 8.5 en 8.6 van het Omgevingsbesluit aangewezen gevallen, voor zover zij ten aanzien van de daar genoemde activiteiten bevoegd gezag zijn, het voorschrift aan een omgevingsvergunning kunnen verbinden, dat degene die een activiteit verricht financiële zekerheid stelt dan wel de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid bij maatwerkvoorschrift kunnen opleggen;

 

gedeputeerde staten bij het toepassen van deze bevoegdheid een doorslaggevend gewicht toekennen aan het beginsel ‘de vervuiler betaalt’;

 

gedeputeerde staten het van belang achten dat consistent en transparant is, welke eisen daarbij aan de hoogte en de vorm van de te stellen zekerheid gesteld worden;

 

gedeputeerde staten bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet streven naar een uitvoerbare implementatie van de met de Omgevingswet in te voeren regeling over financiële zekerheidstelling;

 

Besluiten vast te stellen de volgende beleidsregels:

 

Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet 2026

 

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • afvalverwerkende activiteiten: activiteiten bedoeld in artikel 8.5, onder c tot en met s, van het Omgevingsbesluit;

  • BBT-conclusies: document met de conclusies over best beschikbare technieken, vastgesteld in overeenstemming met artikel 13, vijfde en zevende lid, van de richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (PbEU L 334);

  • berekende bedrag: bedrag dat:

    • a.

      overeenkomstig de IPO-Handreiking is bepaald;

    • b.

      overeenkomstig artikel 4, lid 4 is bepaald;

    • c.

      overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.10, tweede lid, aanhef en onder b tot en met d, of lid 3, van het Omgevingsbesluit is bepaald;

  • bevoegd gezag: bestuursorgaan dat met toepassing van de in artikel 13.5 van de Omgevingswet en artikel 4.5 van de Omgevingswet juncto artikel 2.13 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen bevoegdheden de verplichting tot stellen van een financiële verplichting kan opleggen, met inbegrip van de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort;

  • concern: groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek of een daar in functioneel opzicht mee gelijk te stellen samenwerkingsverband van ondernemingen;

  • drempelbedrag: bedrag, genoemd in artikel 3, eerste lid;

  • financiële risico: risico dat het bevoegd gezag gemaakte herstelkosten of nalevingskosten niet kan verhalen;

  • geboden beschermingsniveau: beschermingsniveau voor de leefomgeving geboden door de maatregelen conform de best beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies of de maatregelen die het bevoegd gezag met toepassing van artikel 8.30, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving aan de omgevingsvergunning heeft verbonden of gaat verbinden;

  • handreiking: meest recente versie van de “Handreiking financiële zekerheid ingevolge artikel 13.5 van de Omgevingswet”;

  • herstelkosten: kosten die het bevoegd gezag maakt bij het herstel van schade aan de fysieke leefomgeving als gevolg van de activiteit, als bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder b, en vierde lid, van de Omgevingswet;

  • kostencomponenten: kostencomponenten van de methodiek Berenschot;

  • majeure risico activiteit: exploiteren van een Seveso-inrichting of een ippc-installatie als bedoeld in 8.6, tweede lid, aanhef en onder e of f, van het Omgevingsbesluit;

  • methodiek Berenschot: methodiek, beschreven in hoofdstuk 3 van de IPO-handreiking;

  • nalevingskosten: kosten die het bevoegd gezag maakt voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning gelden voor degene die de activiteit verricht, als bedoeld in artikel 13.5, eerste lid, aanhef en onder a, en vierde lid van de Omgevingswet;

  • RIE4-bedrijven: inrichtingen uit bijlage I categorie 4 van de Richtlijn industriële emissies (RIE, richtlijn 2010/75/EU);

  • Seveso-inrichting: Seveso-inrichting zoals bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • vastgestelde bedrag: berekende bedrag na aftrek van de eventueel daarop te betrekken matiging als bedoeld in artikel 6.

Artikel 2. Reikwijdte

Deze beleidsregels zijn van toepassing:

  • a.

    op aanvragen om omgevingsvergunning en omgevingsvergunningen waarvoor gedeputeerde staten bevoegd gezag zijn;

  • b.

    indien gedeputeerde staten bevoegd zijn om maatwerkvoorschriften te stellen.

Paragraaf 2. Bepalen van het bedrag en de juridische vorm van de zekerheidstelling

Artikel 2a. Bestaande situaties

  • 1.

    De artikelen 3 tot en met 7 van deze paragraaf zijn niet van toepassing voor zover financiële zekerheid wordt gesteld:

    • a.

      voor het nakomen van verplichtingen die op grond van de omgevingsvergunning gelden indien degene die de activiteit verricht, al in gebreke is bij het nakomen van die verplichtingen; of

    • b.

      ter dekking van de aansprakelijkheid van degene die de activiteit verricht voor al bestaande schade aan de fysieke leefomgeving, voor zover deze schade al is afgedekt.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid, geldt, voor zover van toepassing in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 8.8 en 8.10, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit, voor het bepalen van het bedrag waarvoor zekerheid wordt gesteld als uitgangspunt de totale hoogte van:

    • a.

      de nalevingskosten; of

    • b.

      de herstelkosten.

  • 3.

    Indien sprake is van een geval als bedoeld in het eerste lid, bepaalt het bevoegd gezag in het vergunningvoorschrift over financiële zekerheid dat het bedrag waarvoor zekerheid wordt gesteld, per kalenderjaar wordt aangepast conform de ontwikkeling van de CBS-inputprijsindex Grond-, weg- en waterbouw (2020=100), deelgebied 4312 Bouwrijp maken van terreinen.

Artikel 3. Toets aan het drempelbedrag (uitgangspunt 1)

  • 1.

    Indien sprake is van een geval als bedoeld in artikel 8.5 van het Omgevingsbesluit, maakt het bevoegd gezag in ieder geval van de in artikel 13.5, eerste lid, of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid gebruik, indien de som van de kosten van afvoer en verwerking van de stoffen die op grond van de omgevingsvergunning of op grond van een rechtstreeks werkende bepaling bij of krachtens de Omgevingswet aanwezig mogen zijn, groter of gelijk is aan € 100.000.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde kosten van afvoer en verwerking worden berekend:

    • a.

      aan de hand van de toepasselijke normbedragen in het tabblad tarieven van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (www.lma.nl;)

    • b.

      door uitsluitend rekening te houden met de kosten van afvoer en verwerking van stoffen, niet met de eventuele opbrengst van die stoffen.

  • 3.

    Indien het in het eerste lid bedoelde drempelbedrag niet wordt overschreden, kan het bevoegd gezag van de in artikel 13.5 of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid gebruik maken indien specifieke feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.

  • 4.

    Van de in het vorige lid bedoelde feiten en omstandigheden is in ieder geval sprake indien degene die de activiteit verricht:

    • a.

      onvoldoende blijk geeft van een op beheersing van de relevante risico’s gerichte bedrijfsvoering; of

    • b.

      de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften of de op milieubelastende activiteiten van toepassing zijnde algemeen verbindende voorschriften onvoldoende naleeft.

Artikel 4. De methodiek Berenschot (uitgangspunt 2)

  • 1.

    Indien geen sprake is van een geval als bedoeld in artikel 8.10, tweede lid aanhef en onder a tot en met d, en lid 3, van het Omgevingsbesluit, een ontgrondingsactiviteit of een wateractiviteit, bepaalt het bevoegd gezag de hoogte van de stellen financiële zekerheid aan de hand van een berekening met de methodiek Berenschot en door op de bij uitgangspunt 3 beschreven wijze rekening te houden met de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit opgenomen criteria.

  • 2.

    Indien de toepassing van de methodiek Berenschot leidt tot een uitkomst waarbij de som van de drie kostencomponenten geringer is dan het in het volgende lid genoemde bedrag, wordt het in dat lid genoemde bedrag als uitkomst van de toepassing van de methodiek Berenschot beschouwd.

  • 3.

    Gelet op de bij het toepassen van bestuursdwang redelijkerwijs te verwachten kosten bedraagt het in het vorige lid bedoelde bedrag:

    • a.

      € 100.000 indien de in artikel 13.5, eerste lid, van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid gebruikt kan of dient te worden in verband of mede in verband met een majeure risico activiteit;

    • b.

      € 50.000 in alle andere gevallen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid en in afwijking van het tweede lid van artikel 5 kan het bevoegd gezag bij de activiteiten, bedoeld in artikel 8.5, aanhef en onder a tot en met s, van het Omgevingsbesluit de hoogte van de te stellen financiële zekerheid op een andere wijze bepalen dan met toepassing van de methodiek Berenschot, waarbij rekening houdend met artikel 8.10, tweede lid, onder a, van het Omgevingsbesluit een berekening wordt gemaakt van de opruimkosten van het bedrijf na een gedwongen bedrijfsbeëindiging of faillissement.

Artikel 5. Invulling van in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria (uitgangspunt 3)

  • 1.

    Ten aanzien van het in artikel 8.8, aanhef en onder a, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (draagkracht) gaat het bevoegd gezag overeenkomstig de in hoofdstuk 4 van de handreiking daarvoor beschreven werkwijze na, of degene die de activiteit verricht gedurende tenminste de eerste vijf jaar waarin het te stellen voorschrift over financiële zekerheid van kracht kan zijn, in staat is om zelf de nalevingskosten en de herstelkosten te dragen of deze aan het bevoegd gezag te vergoeden.

  • 2.

    Het bevoegd gezag houdt met de in artikel 8.8, aanhef en onder b en c (de aanwezigheid en de aard van de stoffen en maximaal verwachte schade), van het Omgevingsbesluit genoemde criteria rekening door toepassing van de methodiek Berenschot.

  • 3.

    Ten aanzien van het in artikel 8.8, aanhef en onder d, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen) houdt het bevoegd gezag uitsluitend rekening met de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen:

    • a.

      die niet reeds betrokken zijn in de toepassing van de methodiek Berenschot;

    • b.

      die een hoger dan geboden beschermingsniveau bieden;

    • c.

      waarvan de effectiviteit geborgd is gedurende een incident of een verstoring van de bedrijfscontinuïteit, waaronder een faillissement.

  • 4.

    Het bevoegd gezag houdt met het in artikel 8.8, aanhef en onder e, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (verhouding tussen het risico op schade aan de leefomgeving en de kosten van het stellen van de financiële zekerheid) rekening door:

    • a.

      de in artikel 3 beschreven toets aan het drempelbedrag; en

    • b.

      na te gaan of de kosten van het stellen van een financiële zekerheid hoger zijn dan 5 % van het berekende bedrag, voor zover degene die de activiteit verricht voldoende maatregelen heeft getroffen om de kans op schade aan de leefomgeving zo gering mogelijk te houden. Van voldoende maatregelen is in ieder geval geen sprake indien een lager beschermingsniveau voor de leefomgeving geboden wordt dan het geboden beschermingsniveau.

  • 5.

    Het bevoegd gezag houdt met het in artikel 8.8, aanhef en onder f, van het Omgevingsbesluit genoemde criterium (nalevingsgedrag) rekening door:

    • a.

      na te gaan of degene die de activiteit verricht, een compliance managementstrategie heeft ingevoerd die qua inhoud, navolging, evaluatie en bijstelling daarvan in voldoende mate daadwerkelijk bijdraagt aan een verkleining van het risico op schade; en voor zover dit niet het geval is

    • b.

      na te gaan in welke mate de overtredingen van degene die de activiteit verricht, redelijkerwijs kunnen duiden op een verhoogd risico op schade aan de leefomgeving.

Artikel 6. Weging van de in artikel 8.8 van de Omgevingsbesluit genoemde criteria (uitgangspunt 3, vervolg)

  • 1.

    Indien het bevoegd gezag bij het gebruik van de in artikel 13.5, eerste lid, of artikel 4.5 van de Omgevingswet opgenomen bevoegdheid rekening houdt met de in artikel 8.8 van het Omgevingsbesluit genoemde criteria, kan dit overeenkomstig het bepaalde in de volgende leden aanleiding geven tot een matiging van in totaal maximaal 25% van het berekende bedrag.

  • 2.

    Het bevoegd gezag besluit in ieder geval niet tot de in het eerste lid bedoelde matiging indien:

    • a.

      geen sprake is van een ingevoerde compliance management strategie als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, aanhef en onder a; of

    • b.

      de overtredingen van degene die de activiteit verricht, redelijkerwijs kunnen duiden op een verhoogd risico op schade aan de leefomgeving.

  • 3.

    De in het eerste lid bedoelde matiging bedraagt ten hoogste:

    • a.

      25% van het berekende bedrag indien degene die de activiteit verricht, gelet op het bepaalde in artikel 5, eerste lid, gedurende de eerste vijf jaar waarin het te stellen voorschrift over financiële zekerheid van kracht kan zijn, redelijkerwijs in staat kan worden geacht om zelf de nalevingskosten en de herstelkosten te dragen of deze aan het bevoegd gezag te vergoeden;

    • b.

      20% van het berekende bedrag indien de technische en bedrijfsorganisatorische veiligheidsmaatregelen als bedoeld in artikel 5, derde lid, aanhef en onder a tot en met c, het risico op schade aan de fysieke leefomgeving in significante mate beperken;

    • c.

      20% van het berekende bedrag indien de kosten van het stellen van een financiële zekerheid hoger zijn dan 5% van het berekende bedrag en degene die de activiteit verricht, voldoende maatregelen heeft getroffen als bedoeld in artikel 5, vierde lid, aanhef en onder b.

Artikel 7. Randvoorwaarden ten aanzien van de te stellen financiële zekerheid (uitgangspunt 4)

  • 1.

    Van voldoende zekerheid als bedoeld in artikel 8.9, tweede lid, van het Omgevingsbesluit is in ieder geval geen sprake indien de financiële zekerheid niet voldoet aan de in de volgende leden gestelde eisen.

  • 2.

    De hoogte van de te stellen financiële zekerheid is tenminste gelijk aan de hoogte van het vastgestelde bedrag.

  • 3.

    De financiële zekerheid moet tijdig gesteld zijn in die zin, dat:

    • a.

      indien de activiteit in verband waarmee zij gesteld moet zijn nog niet is gestart, de financiële zekerheid uiterlijk gesteld moet worden op het moment waarop de activiteit aanvangt;

    • b.

      indien de activiteit in verband waarmee zij gesteld moet worden reeds gestart is, de financiële zekerheid uiterlijk gesteld moet worden op het moment waarop het vergunningvoorschrift op grond waarvan zij gesteld moet worden, in werking treedt.

  • 4.

    De rechtspersoon waartoe het bevoegd gezag behoort kan de kosten als bedoeld in artikel 13.5, vierde lid, van de Omgevingswet in verband waarmee de financiële zekerheid is gesteld, op zijn eerste schriftelijke aanzegging en zonder vertraging verhalen rechtstreeks op de financiële zekerheid. Enig doen of nalaten door degene die de activiteit verricht, beperkt de feitelijke en juridische mogelijkheden voor dit kostenverhaal niet.

  • 5.

    Het in het vorige lid bedoelde kostenverhaal blijft nog tenminste twee jaar mogelijk vanaf het moment waarop degene die de financiële zekerheid stelt, de daarmee gemoeide kosten niet meer betaalt. Het bepaalde in dit lid is niet van toepassing als het bepaalde in artikel 8.11, derde of vierde lid, van het Omgevingsbesluit van toepassing is.

  • 6.

    De partij waarbij door degene die de activiteit verricht de financiële zekerheid gesteld wordt, beschikt:

    • a.

      over een kredietwaardigheid van 1, 2 of 3 volgens de systematiek van de ‘credit quality steps’ van de European Banking Authority, of een daaraan gelijkwaardige kredietwaardigheid;

    • b.

      ten behoeve van het inroepen van de zekerheid door het bevoegd gezag over een correspondentieadres in Nederland.

  • 7.

    De financiële zekerheid is uitsluitend gesteld naar Nederlands recht. Uitsluitend de Nederlandse rechter is bevoegd om kennis te nemen van geschillen met betrekking tot de zekerheid.

  • 8.

    Een incident, een continuïteitsprobleem – met inbegrip van faillissement, surseance van betaling of een daarmee gelijk te stellen situatie – of een herstructurering van degene die de zekerheid dient te stellen of het concern waartoe hij behoort:

    • a.

      verkleint de kans op succesvol verhaal van de in het vierde lid bedoelde kosten op de gestelde financiële zekerheid niet; en

    • b.

      heeft niet tot gevolg dat de financiële zekerheid niet meer voldoet aan de in het tweede tot en met zevende lid daaraan gestelde eisen.4

Paragraaf 3. Beoordelingsregels

Artikel 8  

  • 1.

    Voor de bepaling van de hoogte van de te stellen financiële zekerheid wordt aangesloten bij het vastgestelde ‘Model Berenschot’ zoals benoemd in artikelen 4 en 5 van deze beleidsregels, rekening houdend met de mogelijkheid in artikel 4, lid 4 van deze beleidsregels

  • 2.

    Ieder geval dat gelet op artikel 8.5 of artikel 8.6 van het Omgevingsbesluit in aanmerking komt voor de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid, wordt aan de hand van de in onderstaande tabel weergegeven criteria beoordeeld:

     

    Criterium

    Mogelijke uitkomst van de beoordeling

    Omvang

    groot, middel, klein

    Aard

    hoog risico, middel risico, laag risico

    Risico op bodemsanering

    hoog risico, middel risico, laag risico

    Risico op sanering oppervlaktewater

    hoog risico, middel risico, laag risico

    Naleving

    onvoldoende, gemiddeld, voldoende

  • 3.

    Voor de mogelijke uitkomst van de in het vorige lid bedoelde beoordeling gelden de volgende scores:

     

    Mogelijke uitkomst van de beoordeling

    Score

    Groot

    2

    Hoog risico

    Onvoldoende

    Middel

    1

    Middel risico

    Gemiddeld

    Klein

    0

    Laag risico

    Voldoende

    Per geval worden de voor dat geval toepasselijke scores opgeteld.

  • 4.

    De volgorde waarin gevallen in aanmerking komen voor oplegging van de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid, kan aan de hand van de volgende uitgangspunten worden bepaald:

    • a.

      bij Seveso-inrichtingen, RIE4-bedrijven en afvalverwerkende activiteiten worden de scores voor het criterium ‘risico op sanering oppervlaktewater’ met 3 vermenigvuldigd alvorens de scores voor de criteria worden opgeteld;

    • b.

      bij afvalverwerkende activiteiten worden de scores voor het criterium ‘aard’ met 2 vermenigvuldigd alvorens de scores voor de criteria worden opgeteld;

    • c.

      hoe hoger de som van de voor een geval toepasselijke scores, hoe eerder dat geval in aanmerking komt voor oplegging van de verplichting;

    • d.

      hoe hoger de afzonderlijke scores die op een geval van toepassing zijn, hoe eerder - ten opzichte van andere gevallen waarbij de som van scores dezelfde waarde heeft - dat geval in aanmerking komt voor oplegging van de verplichting.

  • 5.

    Het bevoegd gezag kan bij het bepalen van de onderlinge rangorde van de gevallen rekeninghouden met lopende of op korte termijn te starten vergunningprocedures.

     

Paragraaf 4. Slotbepalingen

Artikel 9. Intrekking

De beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet worden ingetrokken op het moment dat deze beleidsregels in werking treden.

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin deze worden geplaatst en werken terug tot en met 1 januari 2026.

Artikel 11. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet 2026.

Den Haag, 26 mei 2026

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland

drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris

mr. A.W. Kolff, voorzitter

Toelichting Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet 2026

In de Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet was in artikel 8, lid 6 opgenomen dat nadat de jaren 2024 en 2025 zijn verstreken de uitvoering van het opleggen van de verplichting tot het stellen van financiële zekerheid aan de hand van dit artikel geëvalueerd wordt, waarna dit artikel, zo nodig, wordt aangepast of ingetrokken.

 

Onderstaand een toelichting op de gewijzigde artikelen.

 

Artikel 2a Bestaande situaties

Dit is een nieuw artikel.

Met de in artikelen 3 tot en met 7 van paragraaf 2 beschreven aanpak wordt het bedrag bepaald dat aan zekerheid moet worden gesteld in verband met eventueel toekomstig niet-nakomen van op grond van de omgevingsvergunning geldende verplichtingen of toekomstige schade aan de fysieke leefomgeving.

Het is echter ook mogelijk om een verplichting tot het stellen van financiële zekerheid (mede) op te leggen voor situaties waarin al sprake is van het niet-nakomen van verplichtingen of waarin al schade aan de fysieke leefomgeving is ontstaan.

Uit artikel 2a volgt dat voor dergelijke bestaande situaties het bedrag van de zekerheidstelling bepaald wordt op basis van een raming van de kosten die het bevoegd gezag zou maken bij het afdwingen van nakoming van de verplichtingen of bij het herstellen van de schade aan de fysieke leefomgeving. Ook als in verband met een bestaande situatie zekerheid is gesteld, kan het bevoegd gezag handhavend optreden en dient een overtreder de op grond van een omgevingsvergunning geldende verplichtingen na te komen en schade aan de fysieke leefomgeving te herstellen.

 

Artikel 3. Toets aan het drempelbedrag (uitgangspunt 1)

In lid 2 van dit artikel wordt onder a verwezen naar de toepasselijke normbedragen in het tabblad tarieven van het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (www.lma.nl). De tarievenlijst is het laatste tabblad van het excel-bestand. Dit is te downloaden op https://www.ipo.nl/thema/ruimte-en-leefomgeving/leefomgeving/

 

Artikel 4. De methodiek Berenschot (uitgangspunt 2)

Een nieuw lid 4 is toegevoegd. Met dit lid wordt tot uitdrukking gebracht dat bij onder meer afvalverwerkende activiteiten (maar ook bij bijvoorbeeld ontgrondingen) de methodiek Berenschot niet toegepast hoeft te worden.

 

Artikel 8

De naam van Paragraaf 3 waaronder artikel 8 valt, is gewijzigd van: ‘Invoering Omgevingswet’ naar ‘Beoordelingsregels ‘.

In artikel 8 was de pilotperiode, te weten de jaren 2024 en 2025, opgenomen. Deze pilotperiode is verstreken. Lid 6 van de Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet is om deze reden dan ook verwijderd.

Artikel 8 is gewijzigd en hierin zijn de selectiecriteria opgenomen. Onderstaand een tabel met een nadere invulling van artikel 8 (prioritering).

 

Operationalisatie van criteria financiële zekerheid voor Seveso- en RIE4-bedrijven

Seveso- en RIE4-bedrijven

Score

Criteria

Omvang

Groot: hoge drempelinrichtingen

2

Middel: lage drempelinrichtingen

1

Klein: niet Seveso (RIE4)

0

Aard van het risico

Hoog risico: doorsnee PR 10-6-contour > 2000 m

2

Middel: doorsnee PR 10-6-contour > 500 m en < 2000 m

1

Laag risico: doorsnee PR 10-6-contour < 500 m

0

Risico bodemsanering

Hoog: onvolledige of geen voorzieningen voor productopvang en bluswateropvang en een mobiele bodembedreigende stof aanwezig

2

Middel: volledige voorzieningen en een mobiele bodembedreigende stof aanwezig

1

Laag: alleen immobiele of geen bodembedreigende stof aanwezig

0

Risico sanering oppervlaktewater Weegfactor x 3

Hoog: onvoldoende opvangvoorzieningen en ZZS aanwezig

2

Middel: onvoldoende opvangvoorzieningen en BZV aanwezig

1

Laag: voldoende opvangvoorzieningen (bv. PGS15-loods/ 1 uur bluswateropvang bij procesinstallaties)

0

Naleving

Niet goed: > 1 VLOD opgelegd in 2023

2

Gemiddeld: 1 VLOD opgelegd in 2023

1

Goed: geen VLOD opgelegd in 2023

0

Aspect dat bij de selectie wordt betrokken

Interferentie met lopende procedures

 

Operationalisatie van criteria financiële zekerheid voor afvalbedrijven

Afvalbedrijven

 

Criteria

Hoeveelheid stoffen

Groot: > 100.000 ton

2

Middel: > 1.000 en < 100.000 ton

1

Klein: < 1.000 ton

0

Aard van de stoffen

Weegfactor x 2

Hoog risico: gevaarlijke afvalstoffen

2

Middel risico: niet-gevaarlijke afvalstoffen

1

Laag risico: metalen, papier, puin, glas, textiel, grond (klasse AW en wonen) (afval vallend onder producent verantwoordelijkheid (pmd, e-waste) en ander afval met positieve waarde)

0

Risico bodemsanering

Hoog: onvolledige of geen voorzieningen voor productopvang en bluswateropvang en een mobiele bodembedreigende stof aanwezig

2

Middel: volledige voorzieningen en een mobiele bodembedreigende stof aanwezig

1

Laag: alleen immobiele of geen bodembedreigende stof aanwezig

0

Risico sanering

Oppervlaktewater

Weegfactor x3

Hoog: onvoldoende opvangvoorzieningen en ZZS aanwezig

2

Middel: onvoldoende opvangvoorzieningen en BZV aanwezig

1

Laag: voldoende opvangvoorzieningen (bv. PGS15-loods/ 1 uur bluswateropvang bij procesinstallaties)

0

Naleving

Niet goed: > 1 VLOD opgelegd in 2023

2

Gemiddeld: 1 VLOD opgelegd in 2023

1

Goed: geen VLOD opgelegd in 2023

0

Aspect dat bij de selectie wordt betrokken

Interferentie met lopende procedures

Artikel 9. Intrekking

De Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet worden ingetrokken.

 

Artikel 10. Inwerkingtreding

De Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet 2026 werken terug tot en met 1 januari 2026.

 

Artikel 11. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: Beleidsregels financiële zekerheid Omgevingswet 2026.

Naar boven