Ontwerpbesluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 19 mei 2026, PZH-2026-889475194 tot vaststelling van het Natura 2000-beheerplan Donkse Laagten 2026-2032

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

Gelet op artikel 3.8, derde lid, van de Omgevingswet;

Overwegende dat het noodzakelijk is om onder de Omgevingswet voor ieder Natura 2000-gebied een beheerplan te hebben;

Besluiten:

Artikel I

Het Natura 2000-beheerplan Donkse Laagten 2026 - 2032 wordt vastgesteld zoals is aangegeven in bijlage A.

Artikel II

[Gereserveerd voor de intrekkingsbepaling van het oude Natura 2000-beheerplan: Het Natura 2000-beheerplan Donkse Laagten, door gedeputeerde staten vastgesteld op 1 november 2015, inclusief de besluiten tot verlenging van de geldingsduur daarvan (d.d 12‑07‑2021),wordt ingetrokken.]

Artikel III

[Gereserveerd voor de inwerkingtredingsbepaling van het defintieve besluit: Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na uitgifte van het Provinciaal blad waarin dit besluit is bekendgemaakt.]

Artikel IV

Dit besluit wordt aangehaald als: Ontwerpbesluit Vaststelling Natura 2000-beheerplan Donkse Laagten 2026-2032.

Den Haag, 19 mei 2026

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,

drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris

mr. A.W. Kolff, voorzittter

Bijlage A

Natura 2000-beheerplan Donkse Laagten 2026-2032

Samenvatting

Over het beheerplan

Dit plan is een actualisatie van het eerste beheerplan voor het Natura 2000-gebied Donkse Laagten dat in 2015 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de Staatssecretaris van Economische Zaken. Daarbij wordt opgemerkt dat Gedeputeerde Staten het tijdvak van het eerste beheerplan bij besluit van 20 april 2021 hebben verlengd met een periode van vier jaar. De Omgevingswet verplicht het bevoegd gezag om elke zes jaar een beheerplan vast te stellen.

Bij het opstellen van dit beheerplan zijn relevante gebiedspartijen betrokken. Hierbij zijn de wettelijke kaders voor participatie gevolgd (artikel 10.8, Omgevingsbesluit) met als doel te komen tot een door de omgeving gedragen beheerplan. Alle belanghebbende partijen hebben de gelegenheid gehad om hun belangen in te brengen. Deze belangen zijn meegewogen in de totstandkoming van dit beheerplan.

Het Natura 2000-beheerplan Donkse Laagten wordt (op grond van artikel 3.8, Omgevingswet) vastgesteld door de overheden die op basis van eigendom en beheer voor het gebied verantwoordelijk zijn, in dit geval Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland.

Doelen

In het Aanwijzingsbesluit voor het Natura 2000-gebied Donkse Laagten van 23 december 2009 is Donkse Laagten aangewezen voor drie niet-broedvogelsoorten, zijnde de kleine zwaan, kolgans en de brandgans. Voor alle drie de niet-broedvogelsoorten geldt het doel ‘Behoud omvang en kwaliteit leefgebied’. Daarnaast geldt voor de kolgans ook het doel een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 830 vogels (seizoensgemiddelde). Ook zijn aan Donkse Laagten de kernopgaven 4.11: Plas-dras situaties en 4.15: Vochtige graslanden toegekend.

Met het wijzigingsbesluit van 16 december 2025 is Donkse Laagten ook aangewezen voor de grutto. Bij het opstellen van dit beheerplan is de grutto nog niet meegenomen in de toetsing. Bij de eerstvolgende natuurdoelanalyse zal de grutto worden meegenomen. 

Uitgevoerde maatregelen uit het eerste beheerplan

In de onderstaande tabel zijn de voorgenomen instandhoudingsmaatregelen uit het eerste beheerplan weergegeven.

Tabel S‑1 Instandhoudingsmaatregelen eerste beheerplan. Per maatregel is aangegeven of deze in de afgelopen beheerplanperiode is uitgevoerd.

Maatregel

Frequentie

Beheerder

Prestatie

De waterplas in polder Langebroek in stand te houden, zowel wat betreft oppervlakte als kwaliteit.

Doorlopend 

SBB

Oppervlakte ongewijzigd, maar de kwaliteit wordt beïnvloed door ganzenmest.

De openheid van het gebied behouden 

Doorlopend 

SBB

Gunstig en sinds 1e beheerplan onveranderd.

Verstoring door recreanten, beheerders, pachters en al dan niet gemotoriseerd verkeer niet doen toenemen.

Doorlopend 

SBB

Gunstig en sinds 1e beheerplan onveranderd.

De afwisseling van vochtige en nattere, matig voedselrijke graslanden, waarvan de vegetatie kort de winter in gaat, in stand te houden.

Doorlopend 

SBB

Gunstig en sinds 1e beheerplan onveranderd.

In beeld brengen van het gebruik als slaapplaats door kolgans, brandgans, kleine zwaan.

Maandelijkse telling okt-mrt

SBB

In de afgelopen beheerplan periode is dit niet elk jaar uitgevoerd. 

Beperkende voorwaarde voor sportvliegen, luchtballonvaarten en paragliden.

Doorlopend

SBB

Komt niet voor in winterhalfjaar, geen verstoring van Natura2000 doelsoorten.

Niet-opengestelde jacht

Doorlopend 

SBB

Sinds 1e beheerplan onveranderd.

Monitoring ter evaluatie gewenste effect maatregelen.

Doorlopend 

SBB

Er heeft geen aanvullende monitoring van instandhoudingsmaatregelen plaatsgevonden.

Monitoring ter inzicht veranderingen in het gebied.

Doorlopend 

SBB

Door regulier beheer aan voldaan.

Monitoring ter inzicht of activiteiten rondom/in het gebied effect hebben om instandhoudingsdoelen.

Doorlopend 

SBB

Er is geen verandering in de directe omgeving waargenomen. Hier heeft geen specifieke monitoring op plaatsgevonden.

Ontwikkeling habitattypen en soorten

Op basis van de landschapsecologische condities kan gesteld worden dat de slaap- en rustbiotoop voor de kleine zwaan en de kolgans in Donkse Laagten kwalitatief en kwantitatief op orde is. In de afgelopen jaren is hier geen verandering in gekomen, dit vanwege bestendig beheer en gebruik. Hiermee zijn de instandhoudingsdoelstellingen behaald. Dit is ongeacht de ogenschijnlijke achteruitgang van de populatie van de kleine zwaan in Donkse Laagten, welke gelijke trend houdt met de algemene achteruitgang van deze soort binnen Nederland en waarvan de oorzaak gelegen is in het verschuiven van de preferente overwinteringsgebieden naar noord |(oost)-Europa. Ook lijkt het alsof er een negatieve trend is ingezet in het aantal foeragerende kolganzen. Dit kan worden verklaard door de monitoringssystematiek. Ook kan het worden verklaard door de veranderingen in het jachtbeleid, waardoor graslanden buiten de Natura 2000-begrenzing relatief belangrijker zijn geworden als foerageergebied voor de kolgans. Het is nog niet mogelijk om over een eventuele afname een definitieve uitspraak te doen, er is geen aantoonbare trend waarneembaar. Op landelijk niveau is er gedurende de afgelopen twaalf jaar een significante afname met minder dan 5% van het aantal kolganzen waargenomen, wat mogelijk het gevolg is van de toenemende extensivering van agrarische gebieden.

Binnen Donkse Laagten is de kwaliteit van het leefgebied voor de brandgans vrijwel constant gebleven. Op basis van de huidige omstandigheden lijkt het vooruitzicht voor het leefgebied van de brandgans in Donkse Laagten zeer gunstig. Belangrijke kenmerken van het leefgebied, zoals de plas-drassituatie, voedselrijkdom en de structuur, zijn aanwezig in de graslanden van Donkse Laagten en worden door het huidige beheer adequaat bewerkstelligd en behouden. Hierdoor is ook voor de brandgans de instandhoudingsdoelstelling behaald. De aanzienlijke schommelingen in het aantal waargenomen brandganzen in Donkse Laagten zijn te wijten aan de keuze van rust- en foerageerplaatsen van de ganzen. Buiten de grenzen van het Natura 2000-gebied liggen graslanden die ook als foerageergebied worden gebruikt, waardoor de monitoring, het moment van de telling, een vertekend beeld kan geven. Desalniettemin lijkt er een groei in het aantal brandganzen waarneembaar in Donkse Laagten, wat het gunstige beeld verder bevestigt. 

Nieuwe maatregelen

Gelet op de huidige condities binnen Donkse Laagten en de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de Natura 2000-waarden (kolgans, brandgans en kleine zwaan) én de effectiviteit van de genomen en reeds voorziene maatregelen, zijn aanvullende maatregelen voor de drie vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling op dit moment niet aan de orde.

Maatregelen ten behoeve van kernopgaven

Ten behoeve van de kernopgave 4.15 Vochtige graslanden zijn de volgende maatregelen noodzakelijk.  

Het blauwgraslandperceel ten oosten van de Broekmolen vertoont verzuringsverschijnselen die waarschijnlijk veroorzaakt worden door het relatief lage peil in de teensloot ten zuiden van dit perceel. Door de schottenbalk in deze teensloot meer naar het westen te verplaatsen kan over een langer traject in de teensloot het peil worden opgezet waardoor de drainagebasis in het blauwgraslandperceel wordt verhoogd, waardoor hier de grondwaterstand stijgt.

De plas-drassituaties in het gebied zijn zowel functioneel voor de vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling als voor weidevogels. Door de aanwezigheid van deze vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling raken deze plas-drassituaties sterk vermest en bestaat er risico op het ontstaan van blauwalg. Dit is sterk nadelig voor de weidevogels. Om de vermesting tegen te gaan, dienen deze plas-drassituaties met enige regelmaat te worden geschoond. 

Onderzoeksmaatregelen

De kernopgave 4.15 Vochtige graslanden is ruimtelijk gekoppeld aan de uitstekken c.q. percelen die direct grenzen aan de teensloot aan beide zijden van het Achterwaterschap. De zich hier bevindende vegetaties, veelal kwalificerend voor het habitattype blauwgras, zijn gebaat bij kwel en hoge grondwaterstanden. Door het verondiepen en/of versmallen van de teensloot kan deze kwelinvloed worden versterkt. Hydrologisch onderzoek moet uitwijzen op welke locaties en welke wijze dit het meeste effect kan hebben.

Met het wijzigingsbesluit van 16 december 2025 is de grutto als instandhoudingsdoelstelling toegevoegd aan Donkse Laagten. Voor de grutto wordt in de komende beheerplanperiode uitgezocht welke maatregelen kunnen worden getroffen om het gebied verder te optimaliseren voor de soort. 

Monitoring

Informatie over de omvang, kwaliteit en draagkracht van het gebied voor de kolgans, brandgans en de kleine zwaan wordt verkregen uit een combinatie van de vogeltellingen, monitoring van abiotische factoren zoals hydrologie en bodem-pH en monitoring van de vegetatiestructuur. 

Vergunningvrij gebruik

In het eerste beheerplan zijn de vormen van gebruik beoordeeld op mogelijke effecten waarbij de conclusie was dat er geen sprake was van (significant) negatieve effecten omdat deze vormen en de soorten met een instandhoudingsdoelstelling elkaar in ruimte en tijd uitsluiten. De draagkracht van het gebied voor de vogels met een instandhoudingsdoelstelling is meer dan op orde. Op basis van de combinatie van ongewijzigd gebruik, gebruiken zonder overlap in ruimte en tijd met de instandhoudingsdoelen en zicht op het halen van de doelen, wordt geconcludeerd dat alle gevallen van gebruik zoals opgenomen in dit beheerplan, vergunningvrij zijn.  

De vogelsoorten waarvoor Donkse Laagten als Natura 2000-gebied is aangewezen, hebben geen stikstofgevoelig leefgebied. Dit betekent dat vormen van gebruik die leiden tot stikstofdepositie op het gebied geen (significant) negatieve effecten hierop hebben.

1 Inleiding

1.1 Wat is Natura 2000?

Wereldwijd zijn er afspraken tussen landen over het behoud en duurzaam gebruik van planten, dieren en micro-organismen (de Verenigde Naties 1992). Binnen de Europese Unie zijn vervolgens nadere afspraken gemaakt over de uitwerking van deze wereldwijde verdragen. Twee daarvan zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (zie tekstkader). Vanuit de Europese Vogelrichtlijn zijn beschermingsgebieden voor vogels aangewezen. In de Europese Habitatrichtlijn worden belangrijke natuurgebieden beschermd. Binnen Europa vormen beide samen het Natura 2000-netwerk van bijna 26.000 natuurgebieden, waarin planten en dieren beschermd moeten worden. In Nederland liggen 162 van deze Natura 2000-gebieden. De lidstaten hebben deze richtlijnen in nationale wetgeving verwerkt. In Nederland is dat de Omgevingswet (verder: Ow). 

Door de Natura 2000-gebieden doelgericht te beheren en te beschermen, wordt het voortbestaan van de bijzondere natuurwaarden (habitattypen en leefgebieden van soorten) verzekerd. Per gebied moet om die reden een Natura 2000-beheerplan worden opgesteld waarin is aangegeven hoe de bijzondere natuurwaarden in dat gebied duurzaam worden behouden. 

Samenhang tussen Natura 2000, de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn

De Vogelrichtlijn (79/409/EEG) heeft als doel om alle in het wild levende vogelsoorten en hun leefgebieden te beschermen. In Nederland zijn 79 gebieden aangewezen als 'speciale beschermingszone' die vallen onder de Vogelrichtlijn: dit zijn gebieden waar bedreigde (trek-)vogelsoorten voorkomen en daarom beschermd moeten worden. Daarnaast bevat de Vogelrichtlijn andere regels om (trek-)vogels te beschermen, ook buiten de speciale zones.

De Habitatrichtlijn (92/43/EEG) heeft als doel om de veelheid aan planten en dieren (biologische diversiteit) te behouden door het in stand houden van hun natuurlijke leefgebieden. Net als bij de Vogelrichtlijn dienen Europese lidstaten 'speciale beschermingszones' voor bedreigde dieren en planten aan te wijzen en die te handhaven. Ook bevat de Habitatrichtlijn regels voor het beschermen van dieren en planten los van deze beschermingszones.

De gebieden die worden aangewezen als speciale beschermingszone onder de Vogel- en Habitatrichtlijnen worden tezamen als 'Natura 2000' aangeduid.

1.2 Donkse Laagten en Natura 2000

Het Natura 2000-gebied Donkse Laagten (Figuur 1‑1) is een bijzonder natuurgebied bestaande uit vochtige en natte graslanden op afgetichelde percelen, gelegen in Polder Langenbroek en in een gedeelte van Polder Kortenbroek. Beide polders worden van elkaar gescheiden door een boezemkanaal genaamd Achterwaterschap. Daar waar het Achterwaterschap aan het natuurgebied grenst, valt het binnen de Natura 2000-begrenzing. In totaal heeft het Natura 2000-gebied een oppervlak van 190 ha. Het gaat om een natuurgebied in het laagveenlandschap van de Alblasserwaard (Provincie Zuid-Holland). De Alblasserwaard is een grootschalig en open veenweidelandschap dat omsloten is door de grote rivieren Lek en Merwede. Donkse Laagten maakt deel uit van het veenweidelandschap in het Groene Hart. De eigendomskaart is weergegeven in Figuur 1‑2.

Figuur 1-1 Begrenzing en status van het Natura 2000 gebied
afbeelding binnen de regeling
Figuur 1-1 Begrenzing en status van het Natura 2000-gebied Donkse Laagten (Ministerie van LNV 2009b). Donkse Laagten is geheel aangewezen als vogelrichtlijngebied (blauw; 190 ha).
Figuur 1-2 Overzicht eigendommen binnen donkse Laagte
Figuur 1-2 Overzicht eigendommen binnen Donkse Laagten, blauw: Waterschap Rivierenland, groen: Staatsbosbeheer, oranje: Particuliere eigenaar. 

Aanwijzingsbesluit

Het Aanwijzingsbesluit voor dit Natura 2000-gebied is vastgesteld op rijksniveau op 24 maart 2000 (Vogelrichtlijnbesluit N/2000/316). In het Aanwijzingsbesluit is de begrenzing van het gebied opgenomen en is aangegeven voor welke typen natuur (habitattypen en/of leefgebieden van soorten, de zogenaamde Natura 2000-waarden) het gebied belangrijk is. Het Aanwijzingsbesluit geeft aan welke instandhoudingsdoelstellingen gelden voor deze Natura 2000-waarden. 

De instandhoudingsdoelstellingen hebben betrekking op de oppervlakte en kwaliteit van habitattypen en de populatiegrootte en leefgebieden van soorten en geven aan of behoud of uitbreiding c.q. verbetering van kwaliteit wordt nagestreefd. In het Wijzigingsbesluit Donkse Laagten van 16 februari 2010 is initieel een complementair doel[1] voor het habitattype blauwgrasland opgenomen. Middels het Ontwerp-wijzigingsbesluit (PDN/2012-01) is het complementaire doel komen te vervallen, waarmee niet langer een instandhoudingsdoelstelling voor blauwgrasland binnen Donkse Laagten geldt (Ministerie van EZ, 2013). 

1.3 Over het beheerplan

De juridische status van het beheerplan

Na aanwijzing van het Natura 2000-gebied door het Rijk is door Gedeputeerde Staten al eerder een beheerplan opgesteld voor het gebied. Het beheerplan heeft in juridische zin meerdere functies: 

  • Het geeft een uitwerking van de in het aanwijzingsbesluit vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen in omvang, ruimte en tijd;

  • Het geeft aan welke instandhoudingsmaatregelen en passende maatregelen nodig zijn om deze instandhoudingsdoelstellingen te realiseren; 

  • Het geeft kaders voor toestemmingsverlening voor activiteiten en projecten en de handhaving daarvan.

Op 1 januari 2024 is de Ow in werking getreden. Ook onder de Ow zijn Gedeputeerde Staten verantwoordelijk voor het vaststellen van een beheerplan voor het Natura 2000-gebied (artikel 3.8, derde lid, Ow). Ingevolge de Ow is het Natura 2000-beheerplan een wettelijk verplicht vast te stellen programma. Het beheerplan Donkse Laagten bevat ook onder de Ow de uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstellingen. In het beheerplan worden de te nemen instandhoudings- en passende maatregelen in samenhang beschreven met inbegrip van de daarmee beoogde resultaten (artikel 4.26 Besluit kwaliteit leefomgeving, hierna: Bkl). 

 Het beheerplan kan beschrijven welke handelingen en ontwikkelingen in het gebied en daarbuiten, het bereiken van instandhoudingsdoelstellingen in het gebied niet in gevaar brengen. Daarbij kan worden aangegeven dat aan bepaalde nadere voorwaarden en beperkingen moet worden voldaan. Bij de vaststelling dat de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar worden gebracht, kunnen de positieve gevolgen van de in het gebied te treffen instandhoudingsmaatregelen worden betrokken. De beschrijving van deze maatregelen in combinatie met activiteiten in het beheerplan, betekent dat in het vervolg een afzonderlijke beoordeling van deze activiteiten in het kader van een vergunningprocedure – onder de Ow: een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit – niet noodzakelijk is (artikel 11.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving, hierna: Bal). Er dient dan wel een voortoets, passende beoordeling of ADC-toets te zijn gemaakt (artikel 11.21, Bal). 

Zoals hiervoor opgemerkt, worden beheerplannen gekwalificeerd als een programma in de zin van de Ow. Dit betekent dat sprake kan zijn van een plan-mer-plicht. Dit geldt voor programma's (en dus ook beheerplannen):  

  • 1.

    Die het kader vormen voor mer(beoordelings)-plichtige besluiten over projecten (als bedoeld in artikel 16.43 van de Ow.); 

  • 2.

    Die het kader vormen voor (andere) projecten die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben;  

  • 3.

    Waarvoor op grond van artikel 16.53c van de Ow. een passende beoordeling moet worden gemaakt.  

Voor onderhavig beheerplan geldt geen plan-mer-plicht. Dit omdat er geen activiteiten zijn vrijgesteld waarvoor een Passende Beoordeling moet worden opgesteld zijn opgenomen in voorliggend beheerplan, noch worden er maatregelen genomen die zijn opgenomen in de lijst van mer-plichtige activiteiten.    

Bij de voorbereiding van een beheerplan moeten burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen worden betrokken. Bij het vaststellen van het beheerplan wordt aangegeven hoe aan deze participatie vorm is gegeven en wat de resultaten daarvan zijn (artikel 10.8 Omgevingsbesluit, hierna: Ob). Er geldt tevens een (algemene) verplichting om rekening te houden met taken en bevoegdheden van andere overheden en een plicht om zo nodig afstemming te zoeken (artikel 2.2, eerste lid, Ow.). De in het beheerplan opgenomen maatregelen moeten tijdig door de verantwoordelijke overheden worden uitgevoerd (artikel 3.18, derde lid, Ow.). Een beheerplan wordt elke zes jaar geactualiseerd (artikel 10.18 Ob). 

De totstandkoming van het plan

De Ow verplicht het bevoegd gezag om elke zes jaar een beheerplan vast te stellen. Dit plan is een actualisatie van het eerste beheerplan voor het Natura 2000-gebied Donkse Laagten dat in 2015 is vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland en de Staatssecretaris van Economische Zaken. Daarbij wordt opgemerkt dat Gedeputeerde Staten het tijdvak van het eerste beheerplan bij besluit van 20 april 2021 hebben verlengd met een periode van vier jaar.  

In het kader van het eerste beheerplan zijn maatregelen uitgevoerd die bijdragen aan de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied. Deze maatregelen, en de verwachte effecten daarvan, zijn het uitgangspunt bij het opstellen van dit tweede beheerplan.

Participatie

Participatie is een belangrijke pijler in de Ow. Met participatie wordt bedoeld het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit. Bij het vaststellen van een programma moet worden gemotiveerd hoe belanghebbenden zijn betrokken en wat hiervan het resultaat is (artikel 10.8, Ow). Tevens vindt de Provincie het belangrijk dat tijdens het uitwerken van het beheerplan alle benodigde perspectieven en kennis op tafel komen. Dit leidt tot betere en gedragen beheerplannen. Om dit te bereiken zijn we in een zo vroeg mogelijk stadium met alle direct betrokkenen in gesprek gegaan. Ook ondernemers en omwonenden worden geïnformeerd, dit vraagt maatwerk per gebied.  

Hoe vult Provincie Zuid-Holland dit in? 

Bij het opstellen van dit beheerplan zijn relevante gebiedspartijen betrokken. Hierbij zijn de wettelijke kaders voor participatie gevolgd (artikel 10.8, Ow) met als doel te komen tot een door de omgeving gedragen beheerplan. Alle belanghebbende partijen hebben de gelegenheid gehad om hun belangen in te brengen. Deze belangen zijn meegewogen in de totstandkoming van dit beheerplan. 

Dit beheerplan is opgesteld door de provincie Zuid-Holland in samenwerking met RoyalHaskoningDHV en in overleg met een begeleidingsgroep van een vertegenwoordiging van de betrokken terreinbeherende instantie (Staatsbosbeheer) en andere mede-overheden (Omgevingsdienst Haaglanden, Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en Waterschap Rivierenland) en de Wildbeheereenheid Alblasserwaard West.  

Daarnaast zijn binnen de provincie verschillende afdelingen en programma’s betrokken bij de totstandkoming van dit beheerplan, waaronder:  

Monitoring, boerenlandvogels en de gebiedsgerichte aanpak van het Zuid-Hollands Programma Landelijk Gebied (ZH-PLG).

De vaststelling van het beheerplan

Het Natura 2000-beheerplan Donkse Laagten wordt (op grond van artikel 3.8, Ow) vastgesteld door de overheden die op basis van eigendom en beheer voor het gebied verantwoordelijk zijn, in dit geval Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland.  

De procedure is als volgt:  

  • Door het bevoegd gezag wordt eerst een ontwerp-beheerplan vastgesteld; 

  • Vervolgens wordt het ontwerp-beheerplan ter visie gelegd en kan eenieder, die het niet eens is met de nieuwe (nieuw ten opzichte van het eerdere beheerplan) (onderdelen van) het plan, een zienswijze indienen. Deze zienswijzen worden beoordeeld en het plan wordt hierop al dan niet aangepast; 

  •  Vervolgens wordt het plan definitief vastgesteld door het bevoegd gezag Provincie Zuid-Holland;  

  •  Daarna bestaat voor belanghebbenden de mogelijkheid tegen het plan in beroep te gaan. Een dergelijk beroep kan alleen betrekking hebben op de beschrijvingen van handelingen die het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar brengen, en de daarbij in voorkomend geval aangegeven voorwaarden en beperkingen en voor zover nieuw ten opzichte van het eerdere beheerplan. Dit volgt uit de Algemene Wet van Bestuursrecht. Een beroep kan leiden tot de aanpassing van het plan.

Communicatie

Publicatie van het Natura 2000-beheerplan 

In het Provinciaal blad wordt de terinzagelegging van het ontwerpbeheerplan en vaststelling van het definitieve beheerplan aangekondigd. Het Provinciaal Blad is openbaar en de publicatie hierin wordt bij de participerende partijen van het beheerplan aangekondigd.  

Communicatie met in- en omwonenden 

De in- en omwonenden zijn geïnformeerd door middel van een bericht in de plaatselijke krant. 

1.4 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 is ingegaan op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Donkse Laagten en welke kernopgaven er voor dit gebied liggen. Hierna volgt in hoofdstuk 3 een beschrijving van de kaders waarin Natura 2000 is vormgegeven in de provincie Zuid-Holland. Dit is het tweede beheerplan voor het gebied. Hierna wordt in hoofdstuk 4 aangegeven welke maatregelen in het eerste beheerplan zijn uitgewerkt en wat de staat van uitvoering daarvan is bij het ingaan van dit tweede beheerplan. Voor dit tweede beheerplan is de landschapsecologische systeemanalyse (LESA) die is opgesteld voor de Natuurdoelanalyse Donkse Laagten (Provincie Zuid-Holland, 2022) geactualiseerd en is op basis daarvan beschreven welke knelpunten voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen na uitvoering van de maatregelen nog resteren, of zich nieuw hebben voorgedaan. Deze LESA is samengevat in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 is beschreven welke ontwikkelingen zich hebben voorgedaan in de verspreiding en kwaliteit van leefgebieden en in welke mate deze aansluiten bij de instandhoudingsdoelstellingen. Deze beschrijving is gebaseerd op een uitvoerige analyse die is opgenomen in de Natuurdoelanalyse Donkse Laagten (Provincie Zuid-Holland, 2022). Vervolgens is in hoofdstuk 7 een overzicht gegeven van de knelpunten voor doelrealisatie, die in de voorgaande hoofdstukken zijn geïdentificeerd. Daarnaast wordt uitgewerkt wat dit betekent voor de visie op doelbereik op systeemniveau en op het niveau van de instandhoudingsdoelstellingen. In hoofdstuk 8 zijn de maatregelen uitgewerkt die in de komende beheerplanperiode worden genomen om binnen de reikwijdte van het beheerplan knelpunten op te lossen. Het beheerplan sluit af met een toelichting op de wijze waarop monitoring plaatsvindt (hoofdstuk 9) en een toelichting op de juridische aspecten rond vergunningverlening en handhaving (hoofdstuk 10). Hoofdstuk 11 gaat ten slotte in op de resultaten van de toetsing huidig gebruik en wat dit betekent voor dit beheerplan. 

2 Natura 2000-doelen en -opgaven

Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld en vastgelegd in het Aanwijzingsbesluit. Het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en de instandhoudingsdoelstellingen is een taak van het Rijk. Het aanwijzen van doelen vindt plaats volgens vaste regels die vanuit de Europese Commissie zijn vastgesteld. In het Natura 2000-doelendocument (Ministerie van LNV, 2006) is dit uitgebreid beschreven. 

In de Nota van toelichting bij het Aanwijzingsbesluit zijn allereerst de algemene doelstellingen geformuleerd. Het Aanwijzingsbesluit geeft aan voor welke habitattypen en/of soorten het gebied is aangewezen. Voor deze habitattypen, habitat- en vogelrichtlijnsoorten zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd. Daarbij worden de termen “behoud”, “uitbreiding” en “verbetering” gebruikt. Voor een habitattype wordt de verdeling gemaakt in oppervlakte en kwaliteit, zodat de aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een habitattype altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de oppervlakte en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit wordt gegeven. Voor soorten is het leefgebied medebepalend en geldt een verdeling in omvang en kwaliteit van het leefgebied. De aanduiding van de instandhoudingsdoelstelling van een soort is altijd in de vorm van “behoud” of “uitbreiding” van de omvang van het leefgebied en van “behoud” of “verbetering” van de kwaliteit van het leefgebied ten behoeve van “behoud” of “uitbreiding” van de populatie. 

2.1 Algemene doelen

In het Aanwijzingsbesluit zijn de volgende algemene doelen geformuleerd voor Donkse Laagten.

Behoud en indien van toepassing herstel van: 

  • 1.

    De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; 

  • 2.

    de bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 

  • 3.

    de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; 

  • 4.

    de op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

2.2 Instandhoudingsdoelstellingen voor Vogelrichtlijnsoorten

Het Natura 2000-gebied Donkse laagten is aangewezen voor drie niet-broedvogelsoorten. Tabel 2-1 zijn de doelen voor niet-broedvogels samengevat. Daarnaast is het aantal gebieden dat voor deze soort binnen Nederland is aangewezen, het landelijk doel en de functie van het gebied voor de soorten aangegeven (Ministerie van LNV, 2009b). Het gebied Donkse Laagten levert geen relatief grote bijdragen voor de doelen geformuleerd voor niet-broedvogel populaties binnen Nederland aangezien de doelstellingen voor Donkse Laagten een maximum van <2% vormt van de landelijke doestellingen of er geen aantallen aan de doelstellingen verbonden zijn. 

Tabel 2‑1 Instandhoudingsdoelstellingen niet-broedvogels. Aangegeven is het aantal gebieden dat voor deze niet-broedvogelsoorten binnen Nederland is aangewezen, het landelijk doel, de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied, de relatieve bijdragen (percentage van de landelijke populatie: A4: >75%; A3: 50-75%; A2: 30-50%; A1: 15-30%; B2: 6-15%; B1: 2-6%; C: <2%) en de functie van het gebied (Bron: Aanwijzingsbesluit, Ministerie van LNV 2009b). 

Code

Soort 

Aantal gebieden in Nederland

Landelijk doel

Doelstelling voor Donkse Laagten

Relatieve bijdrage

Functie

A037

kleine zwaan

29

4.820

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied 

n.v.t

Slaap- en rustplaats 

A041 

kolgans

36

218.300

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 830 vogels (seizoensgemiddelde)

C (< 2%)

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

A045

brandgans

26

140.900

Behoud omvang en kwaliteit leefgebied

n.v.t. 

Slaap- en rustplaats

In het Aanwijzingsbesluit (Ministerie van LNV, 2009a) zijn voor deze soorten instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd. De hieronder weergegeven toelichtingen zijn afkomstig uit het Aanwijzingsbesluit en geven niet in alle gevallen de huidige situatie in het gebied weer. Voor een toelichting op de huidige situatie, zie de uitwerking in hoofdstuk 5.

  • A037 - Kleine zwaan 

Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. 

Toelichting: Het gebied heeft voor de kleine zwaan met name een functie als slaapplaats. Beschikbare gegevens zijn nog niet geschikt voor trendanalyse. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de vermoedelijke oorzaken van de landelijk matig ongunstige staat van instandhouding zijn niet gelegen in dit gebied. 

  • A041 - Kolgans 

Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 830 vogels (seizoensgemiddelde). 

Toelichting: Aantallen kolganzen zijn van internationale betekenis. De kolgans gebruikt het gebied met name als slaapplaats en foerageert zowel in het gebied als in de omgeving. De draagkrachtschatting heeft betrekking op de foerageerfunctie. De slaapplaatsfunctie is mogelijk belangrijker, maar er zijn niet voldoende telgegevens voor een kwantificering in het doel. Handhaving van de huidige situatie is voldoende, want de landelijke staat van instandhouding is gunstig.

  • A045 - Brandgans

Doel: Behoud omvang en kwaliteit leefgebied. 

Toelichting: Aantallen brandganzen zijn van nationale en internationale betekenis. Het gebied heeft voor de soort met name een functie als slaapplaats. Beschikbare gegevens zijn nog niet geschikt voor trendanalyse. Behoud van de huidige situatie is voldoende want de landelijke staat van instandhouding is gunstig. De doelstelling heeft geen betrekking op de eventuele functie van het gebied als broedgebied voor deze soort.

Op 16 december 2025 is het Aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied Donkse Laagten gepubliceerd, waarin de grutto als instandhoudingsdoelstelling wordt toegevoegd. Bij het opstellen van dit Natura 2000-beheerplan is de grutto nog niet meegenomen in de toetsing. Het huidige beheer van het gebied is grotendeels gericht op weidevogelbeheer en het gaat goed met de grutto in Donkse Laagten. Bij het actualiseren van de Natuurdoelanalyse wordt de soort meegenomen. 

2.5 Kernopgaven

Naast instandhoudingsdoelstellingen zijn voor elk Natura 2000-gebied kernopgaven aangegeven in het landelijke Natura 2000-Doelendocument (Ministerie van LNV, 2006). Zij geven aan wat de belangrijkste bijdragen van een gebied aan het Natura 2000-netwerk zijn en wat de belangrijkste verbeteropgaven zijn. De kernopgaven moeten leiden tot een duurzame bescherming van gebieden en een gunstige staat van instandhouding van specifieke habitattypen en -soorten. Deze kernopgaven worden geformuleerd per Natura 2000-landschap en omvatten de belangrijkste behoud- en herstelopgaven. Donkse Laagten maakt deel uit van het Natura 2000-landschap Meren en Moerassen. 

De opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid voor het landschap Meren en Moerassen is als volgt: 

  • Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels en meervleermuizen. 

  • Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak) met name in het deellandschappen Laagveen.

Voor Donkse Laagten is alleen het eerste punt van de landschappelijke kernopgave van toepassing. Per Natura 2000-landschap is de landschappelijke kernopgave vervolgens uitgewerkt in meerdere specifieke kernopgaven. Aan elk Natura 2000-gebied zijn één of meer van deze specifieke kernopgaven toegekend. De kernopgaven zijn niet opgenomen in het aanwijzingsbesluit, maar geven wel de belangrijkste behoud- en herstelopgaven aan, stellen prioriteiten en geven richting bij het opstellen van de beheerplannen. Aan Donkse Laagten zijn de kernopgaven 4.11: plas-dras situaties en 4.15: Vochtige graslanden toegekend. Voor grasetende watervogels zoals ganzen is voldoende beschikbaarheid van plas-drassituaties, in de juiste tijd van het jaar, van groot belang (Ministerie van LNV 2006). Eveneens dragen vochtige graslanden bij aan het leefgebied voor weidevogels en het behoud van bedreigde plantensoorten. 

3 Landelijk en provinciaal beleid

In Zuid-Holland ligt een aantal internationaal belangrijke natuurgebieden, waaronder Donkse Laagten. Natuur is niet alleen van belang vanwege ecologisch waarden, maar draagt ook in belangrijke mate bij aan een gezonde en prettige leefomgeving. Provincie Zuid-Holland werkt daarom aan het versterken van de natuur, zodat een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving ontstaat om in te wonen en te werken, die toegankelijk is voor iedereen. De provincie werkt samen met medeoverheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties aan het vergroenen van Zuid-Holland. 

3.1 Provinciaal Beleid

Visie Rijke Groenblauwe Leefomgeving

De visie Rijke Groenblauwe Leefomgeving[2] vormt het kader waarbinnen provincie Zuid-Holland werkt aan vijf belangrijke thema’s: 

  • 1.

    Gezonde leefomgeving voor mens en natuur 

  • 2.

    Groenblauw in en om de stad 

  • 3.

    Landschap en duurzame landbouw 

  • 4.

    Beheren, ontwikkelen en beschermen 

  • 5.

    Beleven en genieten van de leefomgeving

De provincie heeft een uitvoeringsagenda[3] vastgesteld om deze doelen te bereiken. De komende jaren richt de provincie zich met haar partners op het verduurzamen van de landbouw, het groener en waterrijker maken van het stedelijk landschap en het vergroten van de biodiversiteit. Daarnaast is de Omgevingsvisie Zuid-Holland vastgesteld[4].

Omgevingsvisie 

In provincie Zuid-Holland is de kern van het Natura 2000-beleid het op orde hebben van de biodiversiteit, het behalen van instandhoudingsdoelen (in termen van behoud, verbetering kwaliteit en uitbreiding oppervlak) en het bijdragen aan de landelijke staat van instandhouding van habitats en soorten. Er wordt daarbij een evenwichtige situatie verwacht tussen economie en natuur, met heldere kaders waarbinnen nieuwe economische, sociale en maatschappelijke activiteiten zich kunnen ontwikkelen. Dit is vastgelegd in de Omgevingsvisie Provincie Zuid-Holland[5] die per 1 mei 2024 van kracht is geworden.

Ruimtelijke bescherming

Provinciale Staten van Zuid-Holland hebben op 15 december 2021 de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) vastgesteld[6], die op 1 januari 2024 is ingegaan. Hierin is onder andere de planologische bescherming van de natuur in vastgelegd. 

De Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland (NNN). Naast de Natura 2000-gebieden maken ook andere natuurgebieden en ecologische verbindingszones daarvan deel uit. Het NNN heeft als doel om de Natura 2000-gebieden met elkaar te verbinden, zodat een robuuste natuur ontstaat die tegen een stootje kan, en waarbinnen soorten van het ene naar het andere gebied kunnen bewegen.

Natuurbeheerdoelen

De provincies leggen elk jaar de beheerdoelen en natuurontwikkelingsdoelen voor het NNN vast in het Natuurbeheerplan[7]. In het Natuurbeheerplan is vastgelegd op welke specifieke natuurdoelen het natuurbeheer moet worden gericht en welke subsidies daarvoor beschikbaar zijn. Dat geldt ook voor nieuwe natuur, functieverandering waarbij gronden voor natuur bestemd worden. Het Natuurbeheerplan geeft aan voor welke doelen deze nieuwe natuur ingericht moet worden. De beheerpakketten en ontwikkeldoelen die opgenomen zijn in het provinciale Natuurbeheerplan zijn, voor de Natura 2000-gebieden, afgestemd op de doelen uit de aanwijzingsbesluiten van Natura 2000. Daarmee draagt het Natuurbeheerplan middels de Subsidieregeling Natuur en Landschap (SNL) ook bij aan de Natura 2000-doelen. 

Watercondities en bodemdaling

Het waterbeheer van provincies (onderdeel van de Provinciale Omgevingsvisie) en van waterschappen is erop gericht om de watercondities voor de natuurdoelen te behouden of te verbeteren. In Donkse Laagten wordt nauw samengewerkt met Waterschap Rivierenland om de waterkwaliteit te optimaliseren voor de natuurdoelen. Daarnaast heeft het tegengaan van verdroging en bodemdaling, mede gezien de klimaatontwikkeling, een hoge prioriteit. Specifiek in het veenweidegebied, waar Donkse Laagten deel van uitmaakt, is het tegengaan van bodemdaling essentieel. Het waterbeheer is daar nauw mee verbonden. Dit is nader uitgewerkt in de regionale veenweidestrategie die in 2022 is vastgesteld[8]

Maatregelen ten behoeve van Natura 2000-doelen kunnen ook zijn opgenomen in het maatregelenpakket van de Kaderrichtlijn Water. Eveneens een Europees doel waar Rijk, provincies en waterschappen zich toe hebben verplicht. 

Eendenkooi

In Donkse Laagten ligt een eendenkooi. Activiteiten in en onderhoudswerkzaamheden aan de eendenkooi worden uitgevoerd binnen de begrenzing van de eendenkooi. Activiteiten, die in de winter plaatsvinden, zijn het voeren van staleenden, controlerondes, vangen van wilde eenden, wegvangen van mannelijke eenden en onderhoud (knotten van wilgen, het verwijderen van opschietend hout, het schoonhouden van de randen van de kooiplas en het repareren van de rietschermen die langs de vangpijpen staan). 

Faunabeheer 

Binnen het faunabeheer streeft de provincie naar een gezond evenwicht in populaties en weegt de belangen van natuur en samenleving zorgvuldig af. Onder faunabeheer wordt verstaan: de jacht op de wildsoorten en het beheren of bestrijden van inheemse dieren ter bescherming van de in de wet genoemde belangen. Het gaat dan om de bescherming van flora en fauna, openbare veiligheid en volksgezondheid alsmede beperking van (landbouw)schade of andere wettelijke belangen. Faunabeheer is beschreven in faunabeheerplannen. Zie voor de actuele plannen de website van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland (https://www.fbezh.nl/diersoorten/). 

Faunabeheer binnen de Natura 2000-gebieden kan onder andere nodig zijn om instandhoudingsdoelen van het gebied te realiseren, om de doelstanden voor de standganzen te behalen, ter beperking van predatie of ten behoeve van gestelde maatschappelijke- en natuurdoelen buiten het Natura 2000-gebied. Faunabeheer binnen de Natura 2000-gebieden is wettelijk toegestaan indien het niet in de weg staat van het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. In het kader van de integraliteit is faunabeheer meegenomen in de voortoets van het huidig gebruik (zie bijlage II voortoets en conclusie voortoets). Hiermee wordt vergunningverlening ontlast en ontstaat er voor alle partijen duidelijkheid over wat wel en niet mogelijk is, gelet op de doelstellingen van het gebied. 

Ganzen 

De grote populaties ganzen veroorzaken aanzienlijke schade aan landbouwgewassen en natuurlijke vegetaties. Daarnaast vormen ze een risico voor de veiligheid van het luchtverkeer. De provincie zet zich jaarrond actief in om de populaties standganzen binnen de provincie te reduceren tot op een niveau waarbij de schade acceptabel en de populatie beheersbaar is. Daarnaast is van groot belang dat ganzen met alle geschikte middelen, inclusief afschot, worden verjaagd van plaatsen waar ernstige schade kan ontstaan. Gedurende de winterperiode wordt rekening gehouden met de rust binnen de voor winterganzen aangewezen Natura 2000-gebieden en met de aangewezen ganzenrustgebieden. Voor het overige bepaalt in beginsel de terreinbeheerder, met als uitgangspunt het Natura 2000-beheerplan, vrijstellingen en vergunningen of optreden mogelijk is in een Natura 2000-gebied. De geldende vrijstellingen en vergunningen staan op de website van de Faunabeheereenheid Zuid-Holland. 

Bevers 

Het gaat goed met de beverpopulatie in Zuid-Holland, evenals in de rest van Nederland. De bever is een beschermde diersoort en één van de icoonsoorten van Zuid-Holland. Het dier spreekt tot de verbeelding, vervult een ecologische sleutelrol en is een voorbeeld van succesvol natuurherstel. Helaas gaat de toename van de aantallen bevers gepaard met enkele problemen waardoor actie is vereist. Zo kunnen door bevers gegraven gangen en holen in waterkeringen en onder wegen grote en ernstige gevolgen hebben voor de openbare veiligheid, maar ook schade veroorzaken aan flora en fauna. Afhankelijk van de situatie ter plaatse kunnen beveractiviteiten wel of niet acceptabel zijn. Beverbeheer is dan ook altijd maatwerk, waarvoor een vergunning nodig zal zijn. Dit is nu nog niet van toepassing in Donkse Laagten, maar het is niet ondenkbaar dat de bever zich gaat vestigen in het gebied. Als dat het geval is, moet bekeken worden of de vestiging problemen geeft in het gebied. Afhankelijk van de situatie ter plaatse kunnen beveractiviteiten wel of niet acceptabel zijn. Beverbeheer is dan ook altijd maatwerk, waarvoor een vergunning nodig zal zijn.

Predatoren 

Ter bescherming van kwetsbare soorten waaronder ook sommige Natura 2000-doelsoorten, zet de provincie in op het voorkomen dan wel beperken van predatie door bijvoorbeeld vossen, kraaien en (verwilderde) huiskatten. Waar mogelijk wordt de populatie vossen zo laag mogelijk gehouden in gebieden of locaties waar de vos nog niet voorkomt of tot voorkort nog niet voorkwam ter bescherming van grondbroeders. Het beheer van vossen vindt meestal in de schemering en ’s nachts plaats, waarbij gebruik wordt gemaakt van nachtzichtapparatuur. 

Jacht 

De jacht op de wildsoorten (op dit moment haas, fazant, wilde eend en houtduif) is in principe het recht van de eigenaar van de grond. De verantwoordelijke minister bepaalt wanneer de jacht is geopend; dit verschilt per soort. De wet verbiedt de jacht in Natura 2000-gebieden niet, maar uiteraard geldt ook voor de jacht dat de uitvoering hiervan niet in de weg mag staan aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. 

Exotenbeheer 

Exoten zijn dieren, planten, schimmels of micro-organismen die door menselijk handelen terechtkomen in een gebied waar ze van oorsprong niet voorkwamen en zich daar handhaven. Zogenaamde “Invasieve exoten” kunnen zich snel vermeerderen en/of verspreiden en zo inheemse soorten verdringen of op een andere manier de omgeving voor deze soorten ongeschikt maken. Daarmee vormen zij een gevaar voor onze biodiversiteit en Natura 2000-doelen evenals economische belangen. 

Om de verspreiding van invasieve exoten tegen te gaan is een Europese verordening tot stand gekomen, die de lidstaten verplicht om maatregelen te treffen voor exoten die zijn geplaatst op de zogenaamde Unielijst (https://www.nvwa.nl/onderwerpen/invasieve-exoten/unielijst-invasieve-exoten). Verschillende overheden zijn verantwoordelijk voor implementatie van deze verordening: 

  • Voor het bestrijden van de Chinese wolhandkrab en vijf Amerikaanse rivierkreeftsoorten is het Rijk verantwoordelijk; 

  • Voor het bestrijden van beverrat en muskusrat zijn de waterschappen verantwoordelijk. 

  • Voor het bestrijden van een aantal exoten, behorende bij artikel 3.67 van het Besluit Kwaliteit leefomgeving is de provincie verantwoordelijk. Daarnaast kan de provincie maatregelen treffen tegen (invasieve) exoten waar de provincie geen wettelijke verplichting voor heeft als deze inheemse beschermde flora en fauna (c.q., instandhoudingsdoelstellingen) schaden, al of niet in combinatie met schade aan de economie en/of de volksgezondheid. 

Bestrijding richt zich op volledige eliminatie van nog niet gevestigde invasieve exoten (als bedoeld onder Unielijst artikel 17) en gevestigde uitroeibare soorten (als bedoeld onder Unielijst artikel 19a)8. Voor invasieve exoten die al gevestigd en ruim verspreid zijn en niet in redelijkheid uit te roeien zijn (als bedoeld onder Unielijst artikel 19b), worden beheersmaatregelen getroffen8. De provincie prioriteert beheer van wijdverspreide exoten in en rond eigen gebieden, Natuur Netwerk Nederland en Natura 2000-gebieden of als deze soorten een belangrijke populatie vogel- of habitatrichtlijnsoorten in het buitengebied bedreigen. Additioneel aan de soorten op de Unielijst worden maatregelen genomen tegen exoten die het biodiversiteitsbelang schaden binnen de provincie (zie tabel 8.2 en Bijlage II). 

Bestrijding of beheer van exotische flora gebeurt veelal door terreinbeherende organisaties (en/of andere externe partners) in opdracht van de provincie Zuid-Holland. Bestrijding en beheer van exotische fauna wordt uitgevoerd door de faunabeheereenheid (FBE) Zuid-Holland, welke de coördinatie voert, in samenwerking met een lokale wildbeheereenheid (WBE) en/of terreinbeherende organisaties (zie tabel 8.2 en Bijlage II). 

4 Uitgevoerde instandhoudingsmaatregelen en regulier beheer

4.1 Overzicht maatregelenpakket voorgaande periode en staat van uitvoering

In Tabel 4‑1 zijn de voorgenomen instandhoudingsmaatregelen uit het eerste beheerplan weergegeven. Per maatregel is weergegeven of deze is uitgevoerd, gebaseerd op de jaarrapportages van de terreinbeheerders.  

Tabel 4‑1. Instandhoudingsmaatregelen eerste beheerplan. Per maatregel is aangegeven of deze in de afgelopen beheerplanperiode is uitgevoerd. 

Maatregel

Frequentie

Beheerder

Prestatie

De waterplas in polder Langebroek in stand te houden, zowel wat betreft oppervlakte als kwaliteit.

Doorlopend 

SBB

Oppervlakte ongewijzigd, maar de kwaliteit wordt beïnvloed door ganzenmest.

De openheid van het gebied behouden 

Doorlopend 

SBB

Gunstig en sinds 1e beheerplan onveranderd.

Verstoring door recreanten, beheerders, pachters en al dan niet gemotoriseerd verkeer niet doen toenemen.

Doorlopend 

SBB

Gunstig en sinds 1e beheerplan onveranderd.

De afwisseling van vochtige en nattere, matig voedselrijke graslanden, waarvan de vegetatie kort de winter in gaat, in stand te houden.

Doorlopend 

SBB

Gunstig en sinds 1e beheerplan onveranderd.

In beeld brengen van het gebruik als slaapplaats door kolgans, brandgans, kleine zwaan.

Maandelijkse telling okt-mrt

SBB

In de afgelopen beheerplan periode is dit niet elk jaar uitgevoerd. 

Beperkende voorwaarde voor sportvliegen, luchtballonvaarten en paragliden.

Doorlopend

SBB

Komt niet voor in winterhalfjaar, geen verstoring van Natura2000 doelsoorten.

Niet-opengestelde jacht.

Doorlopend 

SBB

Sinds 1e beheerplan onveranderd.

Monitoring ter evaluatie gewenste effect maatregelen.

Doorlopend 

SBB

Er heeft geen aanvullende monitoring van instandhoudingsmaatregelen plaatsgevonden.

Monitoring ter inzicht veranderingen in het gebied.

Doorlopend 

SBB

Door regulier beheer aan voldaan.

Monitoring ter inzicht of activiteiten rondom/in het gebied effect hebben op instandhoudingsdoelen.

Doorlopend 

SBB

Er is geen verandering in de directe omgeving waargenomen. Hier heeft geen specifieke monitoring op plaatsgevonden.

4.2 Regulier beheer

In Tabel 4‑2 zijn de reguliere beheermaatregelen uit het eerste beheerplan weergegeven. Het beheer in Donkse Laagten door Staatsbosbeheer, dat grotendeels is gericht op weidevogels, draagt bij aan de realisatie van de kernopgaven en instandhoudingsdoelen voor Donkse Laagten. Het voorkomen van weidevogels en overwinterende ganzen gaat in Donkse Laagten goed samen. Dit beheer is gebaseerd op de toegekende SNL beheertypen[9] zoals vastgelegd in 2014. Per maatregel is weergegeven of deze is uitgevoerd, gebaseerd op gesprekken met terreinbeheerders. 

Tabel 4‑2. Overzicht reguliere beheermaatregelen conform het eerste beheerplan, uitvoering en wijzigingen.

Beheer

Deelgebied

Frequentie/ omvang

Beheerder 

Uitvoering

Maaien en hooien

Vochtig weidevogelgrasland percelen

1x maaien + nabeweiden of 2x maaien

90% verpacht; SBB

Maaien en afvoeren van maaisel volgens de ‘Gedragscode soortenbescherming natuurbeheer’[10]. Dit vindt plaats na het broedseizoen, rond half/eind juni. Middels een check wordt het gebied vrijgegeven, waarna gemaaid mag worden. Eventueel vindt de tweede maaibeurt eind aug/begin sep plaats.

Maaien en hooien

Vochtig hooiland percelen

2x maaien per jaar

SBB

Maaien en afvoeren van maaisel volgens de ‘Gedragscode soortenbescherming natuurbeheer’. Dit vindt plaats na het broedseizoen, rond half/eind juni. Middels een check wordt het gebied vrijgegeven, waarna gemaaid mag worden. De tweede maaibeurt vindt eind aug/begin sep plaats.

Maaien en hooien

Uitstekken

 

SBB

Maaien en afvoeren van maaisel volgens de ‘Gedragscode soortenbescherming natuurbeheer’. Geen nabeweiding. 

Maaien en hooien

Blauwgraslanden nabij Zijdebrug

1x per jaar

SBB

Conform ‘Gedragscode soortenbescherming natuurbeheer’. Eerst wordt het waterpeil met 25 cm verlaagd (~25 cm onder maaiveld), waarna er met een lichte trekker (ongeveer 2 ton) met brede banden wordt gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd. 

Maaien en hooien

Oevers

1x per jaar

WSRL; pachters

Conform maaibeheer aangrenzend perceel, bij vochtig hooiland wordt de oever 1x meegenomen.

Maaien en hooien

Kade langs het Achterwaterschap; hoofdwatergang in Langbroek; wegberm (Donkse weg)

2x per jaar

WSRL; pachters

Half juli en sep. De kade aan de zijde van het Achterwaterschap en de oevers langs de hoofdwatergang Langbroek worden door WSRL gemaaid en geschoond en aan de binnenzijde van de kade door derde (pachters), waarmee contractueel het maaibeheer is vastgelegd. Drogen delen worden met maaimachines gemaaid en natte delen met een maaikorf. 

Maaien en hooien

Langs teensloot

1x per jaar

WSRL; pachters

 

Bemesting

Lange- en Kortenbroek

Op basis van bodemfauna en pH

SBB

5 ton/ha/jaar; Onder voorbehoud dat de productie niet te hoog wordt. 

Gefaseerd rietoever beheer

Langs Achterwaterschap

1/3 per jaar

WSRL

In wintermaanden (forst; dec-feb) met maaikorf gemaaid om opstand te voorkomen.

Knotten van knotbomen

Langs Achterwaterschap

1x in 4 jaar

WSRL

 

Sloten baggeren

Lange- en Kortenbroek

1/3 van de sloten per jaar

SBB

1/3 van de sloten, verspreid over het gebied, baggerspuiten per jaar. De bagger wordt dun over het aangrenzende perceel uitgespoten. Dit vindt zomers plaats (aug/sep) en is weersafhankelijk. Wanneer het regent slaat de bagger op maaiveld dicht. Dit beheer diept te sloten niet uit, maar met regelmatig onderhoud worden grootschalige ingrepen vermeden. 

Sloten schonen

Lange- en Kortenbroek

Als doorstroom in het geding komt. 

SBB

Deze ingreep wordt zoveel mogelijk vermeden omdat er weinig waterplanten in de sloten aanwezig zijn. Voor 15 oktober gecheckt door schouwmeester en de schoningswerkzaamheden moeten voor 15 november plaatsvinden. Bezwaar is mogelijk op basis van gebiedsspecifieke kenmerken. 

Baggeren

Achterwaterschap

1x in 18 jaar (2013)

WSRL

Achterwaterschap wordt in een keer in zijn geheel gebaggerd.

Baggeren

Teensloot

1x in 18 jaar (2016)

WSRL

 

Greppelonderhoud

Greppels

Jaarlijks in oktober/november

 

Greppels worden jaarlijks uitgehaald met een lichte trekker en greppelfrees, ten behoeve van een betere afvoer van overtollig (regen)water in de winter en een goede aanvoer in de lente en zomer. Dit gebeurt zo spoedig mogelijk nadat het vee de percelen heeft verlaten en uiterlijk op 15 december.

Peilbeheer

Achterwaterschap

Jaarrond

WSRL

Marge van 0,4 m met min NAP -1.2 m en max NAP -0,8 m.

Winterpeil

Lange- en Kortenbroek

 
 

Lager, omdat het gebied anders te nat is en er schade optreedt aan het maaiveld door vertrapping van ganzen. 

Zomerpeil

Lange- en Kortenbroek

 
 

Aangehouden als gemiddelde, maar in praktijk varieert het zomerpeil op basis van het weer. In het voorjaar staat het peil in de greppels tot aan maaiveld, in het najaar is het peil 10 cm lager en zijn de greppels waterafvoerend. 

Ganzenbeheer

Lange- en Kortenbroek

Broedperiode

SBB

s' Zomers broeden grote aantallen ganzen in het gebied. Om de aantallen in toom te houden wordt nestbehandeling uitgevoerd cf. het Faunabeheerplan Ganzen Zuid Holland

Dit beperkt de graasdruk en waterkwaliteit blijft behouden.

Muskusrattenbeheer

Sloten/oevers

6 tot 8 weken

WSRL

20 dagen gedurende het jaar verspreid over 6 tot 8 weken.

Maaien en hooien

De werkzaamheden die zijn gericht op het natuurbeheer en het onderhoud in Donkse Laagten worden uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van Staatsbosbeheer. De graslandpercelen met een weidevogeldoelstelling worden door Staatsbosbeheer verpacht aan boeren. Onder strenge voorwaarden mogen zij het perceel hooien en (na)beweiden. De terreindelen met een botanische doelstelling (de uitstekken en de blauwgraslanden bij de Zijdebrug) verpacht Staatsbosbeheer niet. Deze worden door Staatsbosbeheer in eigen beheer of in opdracht van Staatsbosbeheer door een loonwerker beheerd door te maaien en afvoer van het maaisel. Staatsbosbeheer verricht alle werkzaamheden volgens de ‘Gedragscode soortenbescherming natuurbeheer’ (VBNE, 13 februari 2025). De botanische doelstelling bestaat uit het behouden en waar mogelijk verbeteren, dan wel uitbreiden van de natte schraallandvegetaties bij de Zijdebrug. Deze doelstelling geldt ook voor de vochtige hooilandvegetaties, waaronder de dotterbloemhooilanden, op andere potentierijke locaties in het gebied.

Bemesting

Op hooilandpercelen en percelen waar nabeweiding plaatsvindt wordt, indien nodig, iedere twee of drie jaar extensief bemest met ruige stalmest, waardoor de voedselrijkdom van de graslanden op peil blijft (Staatsbosbeheer, 2007). Dit vindt primair plaats om de productiviteit van de graslanden in stand te houden ten gunste van de weidevogeldoelstelling maar heeft ook een positief effect op de kwaliteit van het gebied voor wintergasten. Waardevolle botanische percelen zoals de blauwgraslanden bij de Zijdebrug en de recent gegraven uitstekken nabij de boezem worden niet beweid of bemest. Hier wordt door een loonwerker de vegetatie gehooid. Indien noodzakelijk wordt iedere drie tot vijf jaar een onderhouds- en/of herstelbekalking uitgevoerd (Bilius, 2004; Staatsbosbeheer, 2007). Het beheer wordt grotendeels uitgevoerd door pachters.

Watergangen

  • Peilbeheer: Donkse Laagten heeft een eigen peilbeheer. Het peilbeheer is zo natuurlijk mogelijk en erop gericht om voldoende en zo veel mogelijk water van goede kwaliteit in Donkse Laagten te houden. Onderhoudswerkzaamheden aan de wateren zijn vaak kortstondig. Bovendien wordt voorafgaand aan de activiteit beoordeeld of verstoring van kleine zwanen of een groep (meer dan 100 individuen) kolganzen of brandganzen plaats zal vinden. Wanneer dit het geval kan zijn, wordt de activiteit op dat moment niet uitgevoerd. 

  • Greppelonderhoud: Greppels worden jaarlijks uitgehaald met een lichte trekker en greppelfrees, ten behoeve van een betere afvoer van overtollig (regen)water in de winter en een goede aanvoer in de lente en zomer. Dit gebeurt zo spoedig mogelijk nadat het vee de percelen heeft verlaten en uiterlijk op 15 december.  

  • Baggerwerkzaamheden Achterwaterschap: Baggerwerkzaamheden vinden een keer in de 18 jaar grootschalig plaats. 

Ganzenbeheer 

Indien noodzakelijk wordt door Staatsbosbeheer ganzenbeheer uitgevoerd. Bij ganzenbeheer gaat het om het treffen van maatregel conform het faunabeheerplan ganzen buiten de periode voor de aangewezen winterdoelen van het gebied. 

Muskusrattenbestrijding 

Bij de bestrijding van muskusratten wordt gewerkt volgens de ‘Gedragscode voor muskusrat en beverrat’. In Donkse Laagten komen muskusratten in beperkte aantallen voor. De bestrijding concentreert zich daarom op de randen van het gebied (langs de doorgaande wegen en boezemkaden). Daarmee wordt zoveel mogelijk voorkómen dat muskusratten vanuit de omgeving Donkse Laagten indringen en zich daar uitbreiden. Om uitbreiding van muskusratten van binnenuit het gebied te voorkomen vindt jaarlijks in de winterperiode een vlakdekkende controle plaats op de aanwezigheid van muskusratten. De controle wordt uitgevoerd door bestrijders van Waterschap Rivierenland. De controle neemt ongeveer 20 werkdagen in beslag en vindt gedurende het jaar verspreid over een periode van 6 tot 8 weken plaats. De benodigde tijd is afhankelijk van het aantal bestrijders dat wordt ingezet en het aantal muskusratten dat wordt gevangen. De bestrijding vindt zoveel mogelijk te voet plaats om de rust van overwinterende ganzen en kleine zwanen zo min mogelijk te verstoren. Af en toe worden er quads gebruikt bij de bestrijding. De controle wordt bloksgewijs aangepakt. Wanneer er aanwijzingen zijn dat er muskusratten aanwezig zijn, worden deze volgens de vigerende voorschriften (aanwijzing ex artikel 67 Ff-wet) bestreden. Er wordt gebruik gemaakt van klemmen en kooien, zodat betreding van het gebied als gevolg van controle van de vangmiddelen tot een minimum wordt beperkt. Deze activiteit vindt echter zeer sporadisch plaats met in acht name van de gedragscode zoals de WBE Alblasserwaard-West die hanteert. 

Faunabeheer binnen en rondom Donkse Laagten 

Predatiebeheer ten gunste van de Natura 2000 doelen wordt uitgevoerd op basis van faunabeheerplannen en/of afgegeven vergunningen. 

Rondom Donkse Laagten ligt een beleidsmatig aangewezen foerageergebied voor overwinterende ganzen waarbinnen de overwinterende ganzen tussen 1 november tot 1 april zo veel mogelijk met rust worden gelaten en niet worden verjaagd(Figuur 4.1). Binnen dit beleid mogen in het foerageergebied wel activiteiten plaatsvinden op het moment dat de overwinterde ganzen niet op de percelen zitten. 

Figuur 4-1 
afbeelding binnen de regeling
Figuur 4-1 Overzicht van het beleidsmatig aangewezen “Ganzenrustgebieden” uit de omgevingsbeleidmodule ‘Herziening 2024’ van de Provincie Zuid-Holland. Binnen dit aangewezen gebied (blauw)_ mag geen verjaging van ganzen en smienten plaatsvinden. De Donkse Laagten is rood omlijnd weergegeven. De afbeelding geeft een overzicht van de gehele Alblasserwaard. De actuele kaart is te vinden op https://geohub-zuid-holland.hub.arcgis.com

5 Landschapsecologische systeemanalyse in kort bestek

Door middel van een landschapsecologische systeemanalyse (LESA) wordt de samenhang onderzocht tussen verschillende natuurlijke systemen en hoe deze samenhang in de tijd verandert. Op die manier kan worden bekeken of doelen in het gebied haalbaar zijn en kunnen, waar nodig, effectieve maatregelen voor herstel worden opgenomen in het beheerplan. Voor dit Natura 2000-beheerplan is geen nieuwe LESA uitgevoerd. De LESA die is opgesteld voor de Natuurdoelanalyse van het gebied (provincie Zuid-Holland. 2022. Doelenanalyse Natura 2000 - 107 Donkse Laagten) is als basis gebruikt en, indien beschikbaar, aangevuld met nieuwe onderzoeken of meer recente gegevens. Dit hoofdstuk gaat in op de effecten van klimaatverandering op het gebied en het landschapsecologisch functioneren van het gebied. 

5.1 Klimaat

De laatste 30 jaar was volgens de Wereld Meteorologische Organisatie wereldwijd de warmste periode in 1.400 jaar (knmi.nl). In de 21ste eeuw wordt een verdere stijging van de gemiddelde temperatuur op aarde verwacht. Klimaatverandering is een natuurlijk proces; onder invloed van natuurlijke factoren ontstaan schommelingen in onder andere de temperatuur. Echter, de afgelopen eeuw is de invloed van de mens op het klimaat toegenomen door met name de uitstoot van broeikasgassen als koolstofdioxide en methaan. 

Door klimaatverandering neemt de kans toe op weersextremen, extreme buien, hitte, droogte, overstromingen. In oktober ’23 heeft het KNMI nieuwe klimaatscenario’s uitgebracht. De scenario’s zijn gebaseerd op de hoeveelheid uitstoot van broeikasgassen (en daarmee de wereldwijde opwarming) en de mate van neerslagverandering (vernatting of verdroging) in Nederland. Door de twee uitstootscenario’s te combineren met de twee vernatting/verdrogingsscenario’s ontstaan de vier klimaatscenario’s: Hn, Hd, Ln en Ld (Figuur 5‑1). 

Voor de vier klimaatscenario’s heeft het KNMI projecties afgeleid voor zeespiegelstijging en voor verschillende klimaatvariabelen zoals (lucht)temperatuur, neerslag en verdamping. Alle vier de scenario’s laten zien dat we hoe dan ook te maken krijgen met zeespiegel- en temperatuurstijging, drogere zomers en nattere winters. 

Figuur 5-1
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-1 De vier klimaatscenario’s zoals samengesteld door het KNMI met ‘Hoge uitstoot met verdroging (Hd) of vernatting (Hn)’ en ‘Lage uitstoot met verdroging (Ld) of vernatting (Ln)’.

Effecten op de Nederlandse natuur als gevolg van de klimaatverandering worden duidelijker. Onderzoek toont aan dat zangvogels ten opzichte van dertig jaar geleden tien dagen eerder beginnen met broeden, met een mogelijke “mismatch” met het voedselaanbod als gevolg. Daarnaast vindt er naar verwachting een geografische verschuiving plaats van plant- en diersoorten als gevolg van het warmer wordende klimaat: zuidelijke soorten komen Nederland binnen en andere ‘eigen’ soorten schuiven op naar het noorden (https://klimaatadaptatienederland.nl/kennisdossiers/natuur/ ). 

Nattere winters en extreme zomerbuien 

Langere natte periodes en piekafvoeren zorgen voor veel water in korte tijd. Natuur kan een goede buffer zijn om dit water op te vangen. Mogelijk moet er in de toekomst gekeken worden naar of het gebied zich hiervoor leent en op welke wijze opvang van water kan plaatsenvinden zodat mens en natuur hiervan kunnen profiteren. 

Doordat het waterpeil in veen zal verhogen, zal hierin meer CO2 worden opgeslagen. Daarnaast kan door vernatting de bodemdaling in veengronden verminderen. Tegelijkertijd wordt ook meer droogte verwacht, evenals een stijging van de temperatuur, welke juist tegenovergestelde effecten zullen hebben. 

Temperatuurstijging 

Door stijgende temperaturen kunnen de migratiepatronen van soorten veranderen. Soorten die vanuit het noorden in de winter naar Nederland trekken om hier te foerageren, kunnen in de toekomst wellicht voedsel vinden in het broedgebied. Deze wintergasten zien in de toekomst mogelijk geen noodzaak om weg te trekken uit de noordelijke broedgebieden. 

Tevens zal door warmere temperaturen de watertemperatuur stijgen. Hierdoor kunnen algen gemakkelijker groeien en wellicht ook exotische soorten makkelijker overleven. Ook het waterleven in de watergangen kan dus veranderen. 

De warmere zomers zal natuurrecreatie toenemen. Een intensiever gebruik heeft daarbij gevolgen voor de inrichting en natuurwaarde van gebieden. Er is een toenemende behoefte aan ‘gebruiksnatuur’ (https://klimaatadaptatienederland.nl/kennisdossiers/recreatie-toerisme/ ). 

Droogte 

Droogte heeft een flinke impact op de natuur. De waterstand en het vochtgehalte in de bodem daalt, boombladeren verkleuren en soorten lijden onder het gebrek aan water en voedsel. Door de droogte moeten we ook rekening houden met natuurbranden (https://vu.nl/nl/onderzoek/meer-over/natuurbranden-en-ons-veranderende-klimaat ). 

Vissen komen door verdroging verder onder druk te staan net als amfibieën en aan watergebonden planten en insecten. Daarbij neemt door droogte de kans toe op andere negatieve effecten: de achteruitgang van waterkwaliteit, komst van invasieve exoten, verzilting, belemmering van vismigratie (door o.a. sluiten van sluizen). 

Periodes met extreme droogte hebben naar verwachting dus ook invloed op de kwaliteit van de natte natuur. Veel natuurdoelen zijn in sterke mate afhankelijk van voedselarm en gebufferd water. Indien bij langere periodes van droogte wordt overgegaan op het inlaten van gebiedsvreemd water kan dit ten koste gaan van de kwaliteit van de natuur in het gebied, afhankelijk van de waterkwaliteit van het gebiedsvreemde water. 

Veenweidegebieden zijn gevoelig voor onder andere droogte en bodemdaling, ook landbouw krijgt te maken met verschuiving van klimaatzones en mogelijk wijzigingen in de biodiversiteit die ook productiviteit kunnen beïnvloeden. 

Zeespiegelstijging 

Een hogere zeespiegel betekent een zwaardere belasting voor duinen, dijken en stormvloedkeringen. Daarnaast komt er meer zoutwater het land binnen via de kust en rivieren. Dit kan negatieve effecten hebben voor de zoetwatervoorziening, die we gebruiken voor landbouw, en natuur en drinkwater. Ook kunnen door hogere waterstanden de buitendijkse natuurgebieden verkleinen. 

Samengevat zal door klimaatverandering de natuur veranderen. Soorten kunnen verdwijnen en verschijnen. Of de Natura 2000-doelen kunnen standhouden, zal op de lange termijn duidelijk worden. Dit beheerplan wordt vastgesteld voor zes jaar. In deze periode nemen wij geen specifieke maatregelen met betrekking tot klimaatverandering. Bij grootschalige ingrepen zal klimaatverandering worden meegenomen. De ingreep zal zodanig worden ingepast dat deze, voor zover dat te voorspellen is, klimaatbestendig is. 

5.2 Landschapecologisch functioneren

Geologie 

Het oostelijk deel van de provincie Zuid-Holland bestaat grotendeels uit komafzettingen, gevormd vanaf de Middeleeuwen tot heden. Zo ook de ondergrond van Donkse Laagten. Komafzettingen werden afgezet tussen stroomgordels, daar waar de stroomsnelheid (zeer) laag was. Afhankelijk van de stroomsnelheid werd kleinere of grotere deeltjes afgezet, daarmee ontstond door de jaren heen een gelaagdheid in de ondergrond van zand- of kleilagen. In Donkse Laagten bestaat de deklaag uit de geologische formaties van Nieuwkoop (NIHO-oranje) en Echteld (EC-lichtblauw; Figuur 5‑3). De Formatie van Nieuwkoop, ook wel Hollandveen genoemd, komt in het hele gebied voor tot aan maaiveld. Deze Formatie bestaat uit bruin tot zwart veen en ander organisch materiaal, soms vermengd met klei, en wordt aangetroffen in moerasgebieden. Hier onder ligt (eveneens gebiedsdekkend) de Formatie van Echteld, bestaande uit humeuze klei met zowel veenlagen als zandige en kleiige afzettingen. Deze deklaag rust op een laat-pleistocene ondergrond van grof, soms grindrijk zand en kleilagen die tot de formatie van Kreftenheye behoren. Zandige rivierduinen, die uit het late Pleistoceen stammen, zijn in sommige gevallen nog op maaiveldniveau aanwezig en dragen de naam donk. Het aan de oostzijde van het gebied gelegen dorpje Den Donk bevindt zich op zo’n rivierduin.

Figuur 5-2
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-2. Dwarsdoorsnede van de geologische ondergrond (GeoTOP v1.6) Donkse Laagten. Bron: DINO-loket.

Morfologie

Geomorfologisch is het gebied te classificeren als ontgonnen veenvlakte, wat duidt op een gebeid waar veen is ontwaterd en/of afgegraven (DINOloket, 2022). Voor het landbouwkundig gebruik werden de moerasachtige veengronden ontwaterd. Zodoende is het veen in het omliggende gebied, met name ten zuiden van Donkse Laagten, geoxideerd en is het onderliggende dekzandreliëf met lage ruggen, dalen en depressies steeds nadrukkelijker te zien in de hoogtekaart (Figuur 5‑4). Het proces van veenoxidatie en bodemdaling werd versterkt door de steeds betere bemaling en begreppeling van de omkade veengraslanden. Hierdoor heeft een sterke mate van maaivelddaling plaatsgevonden, waardoor de hoogteverschillen tussen de boezem en de polders steeds groter zijn geworden. 

Om het water te keren werden stevige en hoge winterkaden aangelegd, waarbij veelal kleigrond van achter de kade werd gebruikt. Plaatselijk zijn hierbij lager gelegen afgegraven stukken, de zogenaamde uitstekken, ontstaan. In deze lagere, nattere delen trad bodemdaling niet of nauwelijks op, in tegenstelling tot in het omringende veengraslandgebied. Het oorspronkelijke hoogteverschil tussen de afgegraven uitstekken en omliggende graslanden is dan ook niet meer aanwezig. Soms liggen de uitstekken zelfs enkele centimeters hoger dan de omringende veengraslandpercelen. Polder Langenbroek ligt ongeveer twee decimeter hoger dan Polder Kortenbroek (Figuur 5‑4). De zuidwestelijk gelegen blauwgraslandpercelen bij de Zijdebrug liggen, net als de agrarische polder aan de zuidzijde van Donkse Laagten, enkele decimeters lager dan de rest van het gebied. 

Figuur 5-3
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-3 Hoogtekaart van Donkse Laagten (AHN4).  Raai correspondeert met het dwarsprofiel dwarsprofielen van Donkse Laagten. Bron: (AHN, 2020).

Hydrologie

Donkse Laagten heeft specifieke waterhuishoudingsmaatregelen geïmplementeerd ten behoeve van het weidevogelbeheer. Deze maatregelen omvatten een eigen waterbeheer dat dateert uit 1984 en is verdeeld in verschillende polders met eigen peilregimes (Figuur 5‑5 en Figuur 5‑6). Als onderdeel van dit beheer is het waterpeil verhoogd met 15 tot 20 cm, waardoor het natuurgebied een hoger waterpeil heeft dan de omringende agrarische polders. Binnen Donkse Laagten zijn drie plas-drasgebieden aanwezig voor de kleine zwaan en weidevogels. 

De omliggende polders hebben een grotere drooglegging, waardoor het maaiveld sterker daalt dan in Donkse Laagten. Het peil op het Achterwaterschap is momenteel NAP -0,75 m en daarmee ruim hoger dan het peil in de aanliggende deelgebieden van Donkse Laagten. Hierdoor vindt er kadekwel plaats welke voornamelijk uittreedt in de teensloot en de daarachterliggende uitstekken. 

Door ontwikkelingen binnen het waterbeheer van Waterschap Rivierenland is het voornemen het peil van het Achterwaterschap naar dat van de Lage Boezem Nederwaard te brengen (NAP -0,90 m). Hoewel dit reeds is weergegeven in Figuur 5‑5 is dit niet vigerend (huidig peil bedraagt NAP -0,75 m). De voorgenomen peilwijziging zal - bij doorgang - in de loop der jaren stapsgewijs worden doorgevoerd. In dat geval zal het definitieve peil in 2029-2030 van kracht zijn. 

In de lagergelegen uitstekken bij de Zijdebrug lijkt het waarschijnlijk dat boezemgrondwater niet langer de wortelzone bereikt. Mogelijk hebben de perceelsloten nog steeds invloed van boezemgrondwater, zoals gesuggereerd door Schrijvers & De Bruin (2010). Vanwege de aard van de bodem, die bestaat uit veraard veen, is de laterale infiltratie van water vanuit deze sloten echter zeer beperkt. Gedurende de zomermaanden dalen de grondwaterstanden in de percelen als gevolg van verdamping. Tijdens dit proces kan boezemgrondwater, dat is aangereikt met basen door kalkrijke kleilaagjes in de bodem, worden aangetrokken uit diepere veenlagen. Deze interacties spelen een rol in het bepalen van de grondwaterkwaliteit en -stand in het gebied en kunnen ook invloed hebben op de vegetatie en biodiversiteit van Donkse Laagten.

De Groote- of Achterwaterschap loopt dwars door het gebied. Dit boezemwater, dat werd aangelegd in 1336, stroomt parallel aan de hoofdrichting van het gebied en mondt uit in de rivier de Lek. Het boezemwater heeft een eigen peil (NAP -0,75 m), met mogelijkheden voor peilverlaging bij het voormalen (min. NAP -1,0 m) en tijdelijke verhoging na hevige neerslag (max NAP -0,25 m). Dit peil is hoger dan het maaiveld in Donkse Laagten, behalve op de boezemkade. Dit hogere boezempeil kan boezemgrondwater, rijk aan calcium en bicarbonaat, naar het omringende gebied voeren. Dit resulteert in hogere grondwaterstanden in de smalle zone langs de boezem. 

In sommige delen van Donkse Laagten is oppervlakkige verzuring van het grondwater vastgesteld, met name in de uitstekken bij de Zijdebrug. Naarmate men verder van de boezem verwijderd raakt, neemt het risico op verzuring toe. Dit komt door verminderde invloed van boezemwater op het grondwater, waardoor verzurend regenwater een grotere impact heeft en de aanvoer van basenrijk kwelwater uitblijft. Aangezien Donkse Laagten holle percelen heeft, kan verzurend regenwater in de bodem infiltreren (Jongman, 1994; IWACO, 1997; Van den Broek et al., 2005). Atmosferische stikstofdepositie versterkt de verzuring in de blauwgraslandpercelen en de toplaag van de bodem in de omgeving. Verdroging speelt een sleutelrol bij het verzuringsproces in Donkse Laagten, omdat dit gepaard gaat met een afname van zuurstofarme omstandigheden en een verminderde basenaanvoer in de wortelzone en de daarmee gepaard gaande oxidatie van het veen.

Figuur 5-4
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-4  Peilvlakken Donkse Laagten en omgeving.
Figuur 5-5
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-5 detailkaart peilgebieden nabij de Zijdebrug.

Bodem

De bodem van Donkse Laagten bestaat uit een dun laagje humeuze tot venige klei van meestal 20-40 cm dik. Het kleilaagje ligt op een dik veenpakket van 12-14 m Hollandveen. Het Hollandveen wordt afgewisseld met kalkrijke kleilagen. De dunne kleilaag in de bovengrond is plaatselijk op de kopse einden van percelen afgegraven (uitstekken) voor versterking van de boezemdijk. In het grootste deel van het gebied is de bovenste dunne kleilaag echter nog aanwezig. De bovenste 15 cm van deze kleilaag heeft door het jarenlange gebruik als grasland een humusrijk karakter ontwikkeld, variërend van humeus tot zeer humeus. De bodemtypen in Donkse Laagten worden gekarakteriseerd als weideveengronden- en koopveengronden op bosveen (Figuur 5‑7). Een weideveengrond is een rauwveengrond met een zavel- of kleidek, waarin een minerale eerdlaag is ontwikkeld of een humusrijke bovengrond die tenminste 15 cm dik is. Rauwveengronden zijn veengronden zonder moerige eerdlaag. Dit is een laag waarin hoogstens 10 à 15% van de massa uit plantenresten bestaat met een herkenbare weefselopbouw. Een koopveengrond heeft wel een moerige eerdlaag, en valt daardoor onder de eerdveengronden. Bij koopveengrond is deze laag niet dikker dan 50 cm. Deze classificatie geeft aan dat het gebied overwegend bestaat uit veenachtige bodems die verschillende gradaties van ontbinding en humusaccumulatie hebben ondergaan. Dit heeft invloed op de eigenschappen van de bodem en draagt bij aan de unieke ecologische omstandigheden van het gebied.

Figuur 5-6
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-6 Bodemkundige landschapskaart (op basis van geologische kaart 1:50.000 en bodemkaart 1:50.000). 

Vegetatie

Aan het grootste gedeelte van Donkse Laagten is het beheertype vochtig weidevogelgrasland (N13.01) toegekend (Figuur 5‑8). Ook is er aan enkele vlakken het beheertype N10.02 Vochtig hooiland, N12.02 Kruiden en faunarijk grasland, N10.01 Nat schraalgrasland en N14.02 Hoog-/laagveenbos toegekend. De eendenkooi is aangemerkt met het beheertype eendenkooi (N17.04). Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. Het natuurbeheer binnen Donkse Laagten sluit geheel aan bij de Natura 2000-vogelrichtlijndoelen.

Natuurgebieden worden onderling verbonden door ecologische verbindingen, deze zijn (naast Natura 2000-gebieden) vaak opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland. Aan de zuidkant van de boezem Groote- of Achterwaterschap ligt een ecologische verbindingszone (moeraszone). Deze ecologische verbindingszone verbindt het Natura 2000-gebied Boezems Kinderdijk, dat ten westen van Donkse Laagten ligt, met het ten oosten van Donkse Laagten gelegen natuurgebied Smoutjesvlietlanden. De ecologische verbindingszone maakt geen deel uit van de begrenzing van het Natura 2000-gebied Donkse Laagten, maar sluit wel goed aan op de vogelrichtlijndoelen binnen deze begrenzing. 

Figuur 5-7
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-7. Beheertypenkaart (Provincie Zuid-Holland Natuurbeheerplan 2024). Waar het Achterwaterschap door het Natura 2000-gebied loopt, is dit op de beleidskaart onterecht als vochtig weidevogelgrasland ingetekend. In het kader van voorliggende rapportage is dit echter geen issue.

De graslanden binnen Donkse Laagten zijn kruidenrijk en hebben een grote patroondiversiteit. Ze worden gedomineerd door verschillende grassoorten zoals gestreepte witbol, fioringras, beemdlangbloem en veldbeemdgras. Scherpe boterbloem, rode klaver, echte koekoeksbloem, gewone rolklaver en grote ratelaar zijn enkele van de voorkomende kruiden die de graslanden kleur geven. De oevers zijn eveneens soortenrijk met soorten als gewone dotterbloem, wateraardbei, gele lis en moeraskartelblad. Deze graslanden behoren tot natuurbeheertypen N13.01 vochtig weidevogelgrasland (Figuur 5-9).

Figuur 5-8
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-8. Impressie van de vegetatie van de weidevogelgraslanden binnen de Donkse Laagten. Beeld: Tom van den Broek.

In (recent gegraven) uitstekken, in laagtes en langs een aantal slootkanten komen vegetatietypen voor die geschaard kunnen worden onder blauwgrasland en overige vochtige, matig voedselrijke graslanden zoals dotterbloemhooilanden. Blauwgraslandvegetaties komen voor direct langs de boezem in het westen van Polder Kortenbroek en in de drie westelijk gelegen uitstekken bij de Zijdebrug. Veel van de blauwgraslanden vertonen in meer of mindere mate kenmerken van verzuring in de vorm van soorten als sterzegge en veenpluis. Kadekwel reikt hier inmiddels onvoldoende tot in de wortelzone. Hoogstwaarschijnlijk omdat de teensloot te veel kwel afvangt waardoor mineraalarm neerslagwater dieper in het bodemprofiel kan doordringen. In de binnenteen van de kade is de invloed van de kadekwel goed zichtbaar. Hier komen lokaal blauwgraslandvegetaties voor met soorten als Spaanse ruiter, blauwe zegge, waterdrieblad, brede orchis en geelgroene zegge. De soortensamenstelling van de binnenteen wijst op overwegend vochtige condities.

De kade aan weerszijden van het Achterwaterschap is begrensd als NNN. Over grote delen van de kade – en dan meer specifiek: in de binnenteen – komen bijzondere vegetaties voor die kunnen worden toegerekend aan de beheertypen N10.01 – nat schraalland en N10.02 – vochtig hooiland.

In de boezem liggen zogenaamde boezemlandjes (eveneens NNN) die gekenmerkt worden door droge en natte ruigten en aan de noordoever van het Achterwaterschap vooral door zeggenrijke vegetaties. Deze herbergen bijzondere soorten als kleine valeriaan, gewone dotterbloem, grote ratelaar, waterdrieblad en rietorchis. Deze vegetaties vallen onder natuurbeheertypen N10.02 vochtig hooiland (Figuur 5‑9).

Donkse Laagten is een open en wijds landschap wat het, samen met het optimale hydrologische beheer en de soortenrijke vochtige graslanden, tot een ideaal weidevogelgebied maakt. In het voorjaar broeden hier verschillende soorten, waaronder grutto, kievit, veldleeuwerik en graspieper. In Figuur 5‑11 is het totaal aantal broedparen van het beheertype N13.01 vochtig weidevogelgrasland kwalificerende soorten weergegeven. De referentielijnen -hoog, midden en laag- zijn conform de SNL-systematiek aangeduid. Vooral vanaf 2011 zijn de aantallen hoog opgelopen, waarmee Donkse Laagten classificeert als een gebied met een zeer hoog aantal broedparen. 

Figuur 5-9
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-9. Impressie vochtig hooilandvegetatie in een boezemlandje aan de noordoever van het Achterwaterschap. Beeld: Tom van den Broek.
Figuur 5-10
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-10. Totaal aantal broedparen voor SNL-13.01 kwalificerende soorten per 100 ha in Donkse Laagten (data SBB)

Fauna

Figuur 5‑12 toont de trend van drie verschillende broedvogelsoorten binnen Donkse Laagten, terwijl Figuur 5‑13 de verspreiding van deze soorten in 2020 en 2021 binnen het gebied weergeeft. Zowel in Polder Kortenbroek als Langenbroek zijn de grutto en de tureluur aanwezig, maar het aantal broedparen van beide soorten is groter in Polder Langenbroek. Naast mogelijke andere factoren komt dit doordat Polder Langenbroek natter is vanwege het ontbreken van een moerige deklaag. Een ander mogelijke factor is de aanwezigheid van de eendenkooi in polder Kortenbroek. Moerige lagen zijn gevoeliger voor uitdroging dan gebieden waar klei tot aan het maaiveld reikt. In Polder Kortenbroek is wel een moerige laag aanwezig, wat Polder Langenbroek natter maakt tot aan het maaiveld, ondanks vergelijkbare waterbeheersing. De aanwezigheid van meer vocht in Polder Langenbroek heeft tot gevolg dat wormen in grotere aantallen voorkomen in de bovenste bodemlaag. Wormen trekken dieper de grond in bij drogere omstandigheden.

Zowel de grutto als de tureluur geven de voorkeur aan natte leefgebieden. Ideaal zijn vochtige, kruidenrijke graslanden met een gezond bodemleven en voldoende insecten aan de oppervlakte. Om jonge weidevogels te helpen overleven, zijn late maaidata en het behoud van kruidenrijke weilanden essentieel. Opmerkelijk genoeg geeft de spreidingskaart (Figuur 5‑13) aan dat de veldleeuwerik in hogere dichtheden voorkomt in de nattere Polder Langenbroek, terwijl de soort drogere omstandigheden prefereert. Dit verschijnsel wordt vermoedelijk veroorzaakt door verstoring. Binnen Polder Langenbroek zijn de percelen groter, wat betekent dat verstoring door recreatie langs het Achterwaterschap minder invloed heeft verder op de percelen. Wat betreft de trend lijkt de situatie van de veldleeuwerik minder gunstig dan die van de grutto en de tureluur, maar de populatie schommeling lijkt stabiel te zijn over de tijd.

’s Winters is Donkse Laagten een belangrijk gebied voor ganzen en zwanen. Om deze reden is Donkse Laagten in 2000 aangewezen als Vogelrichtlijngebied voor de kleine zwaan, kolgans en de brandgans. Belangrijke factoren voor de kwalificerende vogelsoorten zijn de structuur en hoogte van de vegetatie. Deze worden naast voedselrijkdom en pH van de bodem, ook beïnvloed door het gevoerde beheer. Staatsbosbeheer voert in Donkse Laagten een beheer waarbij zowel hooibeheer als extensief begrazingsbeheer plaatsvindt. Hierdoor blijft het landschap voldoende open en wordt (hoog)opgaande begroeiing vermeden. 

De steeds langere aanwezigheid van de Natura 2000-waarden kolgans en met name brandgans (welke ook al in het gebied broeden), overlapt in tijd steeds meer met de aankomst en vestiging van weidevogels. Het is niet ondenkbaar dat er in de toekomst concurrentie kan gaan ontstaan tussen de verschillende soorten ganzen en de weidevogels voor wat betreft broedlocaties. 

Figuur 5-11
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-11. Aantal en trend van grutto, tureluur en veldleeuwerik in de periode 1997 - 2021 (data SBB).
Figuur 5-12
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-12. Verspreiding van grutto, tureluur en veldleeuwerik in 2020 en 2021.

Binnen Donkse Laagten komt een aantal beschermde soorten uit de Habitatrichtlijn voor zoals heikikker, platte schijfhoren, zeggekorfslak en kleine modderkruiper (Gmeling Meyling & Boesveld 2008; Slagboom 2008). Over de recente verspreiding is niets bekend. 

Inventarisatie en monitoring 

De monitoring van de Natura 2000-doelen is gebaseerd op de SNL-monitoring. Monitoring van instandhoudingsmaatregelen is niet aan de orde omdat voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen voor de kleine zwaan, kolgans en de brandgans geen extra maatregelen nodig zijn. Informatie over de omvang, kwaliteit en draagkracht van het gebied voor de kolgans, brandgans en de kleine zwaan wordt verkregen uit een combinatie van de vogeltellingen, monitoring van abiotische factoren zoals hydrologie en bodem-pH en monitoring van de vegetatiestructuur.

Vogelinventarisaties worden jaarrond uitgevoerd. In de winterperiode vinden ganzentellingen en ringwaarnemingen plaats vanaf de openbare wegen. Om een beeld te krijgen van het belang van Donkse Laagten als slaapplaats worden jaarlijks vier tot zes slaapplaatstellingen uitgevoerd in Polder Langenbroek door vrijwilligers van de regionale Natuur- en Vogelwacht. Het gaat hierbij met name om ganzen, kleine zwanen en steltlopers (vooral wulp en grutto).

Monitoring van de waterkwaliteit van de boezem (Achterwaterschap) en diverse sloten wordt door Waterschap Rivierenland op een aantal locaties in (de omgeving van) het gebied uitgevoerd (Figuur 5.14). De frequentie van opname is éénmaal per maand. 

Figuur 5-13
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5-13. Monitoringslocaties waterkwaliteit van het waterschap.

Bodemonderzoek wordt slechts zeer incidenteel uitgevoerd. Hierbij wordt éénmalig een bodemmonster gestoken. De dichtheid aan bodemmonsters is laag, maximaal 3 per hectare, meestal veel minder. Inventarisatie van vegetatie vindt in het algemeen buiten het winterhalfjaar plaats.

Faunabeheer

Indien noodzakelijk wordt door Staatsbosbeheer ganzenbeheer uitgevoerd conform het faunabeheerplan ganzen. Bij zomerganzenbeheer gaat het om het prikken van eieren van grauwe gans, kolgans, nijlgans, grote Canadese gans en brandgans en het vangen van kolgans, brandgans, grote Canadese gans en soepgans.

Bij de bestrijding van muskusratten en beverratten wordt gewerkt volgens de ‘Gedragscode voor muskusrat en beverrat’. In Donkse Laagten komen muskusratten in beperkte aantallen voor en van beverratten wordt slechts incidenteel een melding gemaakt. De bestrijding concentreert zich daarom op de randen van het gebied (langs de doorgaande wegen en boezemkaden). Daarmee wordt zoveel mogelijk voorkómen dat muskusratten vanuit de omgeving Donkse Laagten indringen en zich daar uitbreiden. Om uitbreiding van muskusratten binnen het gebied te voorkomen vindt jaarlijks een vlakdekkende controle plaats op de aanwezigheid van muskusratten door bestrijders van Waterschap Rivierenland. Wanneer er aanwijzingen zijn dat er muskusratten of beverratten aanwezig zijn, worden deze volgens de vigerende voorschriften (aanwijzing ex artikel 67 Ff-wet) bestreden. 

Recreatie 

In Donkse Laagten vinden verschillende recreatieactiviteiten plaats. Donkse Laagten is opengesteld voor wandelen en fietsen op wegen en paden, waarbij honden jaarrond aangelijnd moeten zijn. Staatsbosbeheer verzorgt onder begeleiding van een deskundige gids excursies door Donkse Laagten. Hierbij kan het gebied buiten de paden en wegen worden betreden. In Donkse Laagten kan in beperkte mate gekampeerd worden op een paalkampeerterrein van Staatsbosbeheer. Het terrein is alleen te voet of per fiets bereikbaar. Het kampeerterrein biedt plaats aan maximaal drie trekkerstenten die binnen een straal van 10 m van de paal moeten staan. Open vuur is verboden en de enige voorziening is een waterpomp. Staatsbosbeheer voert diverse onderhoudsmaatregelen uit aan de recreatieve voorzieningen in Donkse Laagten.

Op de Groote- of Achterwaterschap wordt met (gemotoriseerde) boten en met kano’s gevaren. Voor het varen met (motor)boten met een grotere afmeting dan 15x4x0,8m (LxBxD)) op de Groote- of Achterwaterschap is een vergunning van het waterschap nodig. In het voorjaar en de zomer wordt regelmatig gevaren met kano’s en (motor)boten. Ook wordt de Groote- of Achterwaterschap gebruikt als vislocatie. Dit gebeurt vanaf de kant of in een bootje. De rechten hiervan zijn uitgegeven aan een beroepsvisser en de hengelsportfederatie. Eventuele vergunningen moeten daar aangevraagd worden. De overige watergangen zijn in eigendom van Staatsbosbeheer. In het voorjaar en de zomer wordt er vrijwel dagelijks gevist door sportvissers. In het najaar en winter wordt er af en toe gevist. Wanneer er ijs ligt, kan er op de Groote- of Achterwaterschap worden geschaatst. In dat geval worden ook schaatsevenementen georganiseerd. Op het gedeelte in Donkse Laagten zijn bij deze evenementen geen kraampjes, stempelposten en geluidsinstallaties aanwezig en is er geen sprake van toeschouwers op oevers. Ook op de waterplassen in Donkse Laagten wordt geschaatst wanneer er voldoende ijs ligt.

Boven Donkse Laagten wordt gevlogen met sportvliegtuigen, luchtballonnen en paragliders. Voor al deze activiteiten wordt verwacht dat de Gedragscode voor de Recreatieve luchtvaart is onderschreven door de gebruiker/bestuurder. Hierin is aangegeven dat natuurbeschermingsgebieden bij de planning en tijdens de vluchtuitvoering in principe zoveel mogelijk vermeden zullen worden. Indien het vliegen boven natuurbeschermingsgebieden niet valt te vermijden, wordt een vlieghoogte van minimaal 1000 voet (305 m) aangehouden. 

Overig

Binnen Donkse Laagten liggen geen openbare autowegen. Alleen bestemmingsverkeer maakt gebruik van de wegen die door Donkse Laagten lopen. De wegen binnen Donkse Laagten worden niet intensief gebruikt door gemotoriseerd verkeer. Er is soms sprake van verkeer op het fietspad dat daar niet is toegestaan. Donkse laagten valt binnen een laagvlieggebied van Defensie, hierdoor komt laagvliegend luchtverkeer boven Donkse Laagten incidenteel voor. 

6 Ontwikkeling en beoordeling van de Natura 2000-doelen

Dit hoofdstuk geeft een samenvatting van de huidige omvang en kwaliteit van de leefgebieden van vogelrichtlijnsoorten en de trends die daarin zichtbaar zijn. Deze zijn vervolgens afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen die voor de soorten gelden in het gebied. Wanneer de geconstateerde ontwikkelingen strijdig zijn met de geldende instandhoudingsdoelstellingen kan sprake zijn van een knelpunt. In het hierna volgende hoofdstuk worden deze knelpunten vervolgens samengevat. 

6.1 Vogelrichtlijn - niet-broedvogels

A037 Kleine Zwaan

Donkse Laagten is aangewezen als slaap- en rustbiotoop voor de kleine zwaan, met als hoofddoel het behoud van zowel de omvang als de kwaliteit van het leefgebied. In het gebied is tijdens het seizoen van 2020/21 een maximum van 24 kleine zwanen waargenomen (Tabel 6‑1). In de afgelopen jaren varieerde het maximale aantal waargenomen kleine zwanen tijdens de winterperiode in hoge mate. In 2016/17 werd het hoogste aantal van 168 individuen in één winterseizoen waargenomen, terwijl het laagste aantal werd geregistreerd in 2019/20 met slechts 14 individuen. Tussen 2014 en 2021 ligt het gemiddelde aantal individuen (seizoensmaximum) van rond de 78. In vergelijking hiermee was het seizoensmaximum van 24 individuen in 2020/21 relatief laag.

Tabel 6‑1. Aantal kleine zwanen in Donkse Laagten vanaf winter- en trekseizoen 2014/15. Bron: SOVON.

Soort

Functie

Aantal in

2014/15

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

Trend 2005

Trend 2010

Kleine Zwaan

slapen

seiz. max

146

63

168

74

59

14

24

 

~

~

In Nederland arriveert de kleine zwaan in oktober vanuit arctisch Rusland, afhankelijk van weersomstandigheden trekt de soort deels door naar Engeland. In februari/maart trekt de kleine zwaan weer naar het noorden. Tussen november-januari worden de hoogste aantallen aangetroffen in Nederland. Van 1987 tot 1994 is een sterke toename te zien in het aantal in Nederland overwinterende kleine zwanen (Tabel 6‑1). Echter, na deze periode van groei, is er een kanteling in de trend opgetreden en heeft er een afname plaatsgevonden in het aantal overwinterende kleine zwanen. Op de lange termijn (vanaf 1980) is de significante afname matig met < 5% per jaar en op korte termijn (laatste twaalf jaar) is de afname > 5% per jaar. Uit de kortetermijntrend volgt minimaal een halvering van het aantal overwinterende individuen in 15 jaar. Deze afname in Nederland gedurende de laatste twaalf jaar hing samen met een laag broedsucces: het in Nederland vastgestelde overlevingspercentage kuikens lag van 1991 tot en met 1999 onder tien procent, en was daarmee waarschijnlijk te laag om de sterfte te compenseren. De trend over de gehele populatie is negatief en de afname in Nederland weerspiegelt dus een afname op populatieniveau. 

Het voorkomen van de kleine zwaan is gebonden aan de aanwezigheid van water (zowel als slaapplaats en foerageergebied) en uitgestrekte polders of uiterwaarden (eveneens als foerageergebied). De kleine zwaan zoekt zijn voedsel voornamelijk in cultuurgrasland, bij voorkeur op akkers en natte, vaak ondergelopen graslanden met een korte vegetatie. Binnen Donkse Laagten wordt hier waarschijnlijk niet aan voldaan, aangezien de vegetatie in extensief beheerd grasland meestal te ruig of te schraal is. Echter kunnen foerageergebieden tot op enkele tientallen kilometers van de slaap- en rustbiotoop liggen, waardoor dit waarschijnlijk geen beperking vormt voor de instandhoudingsdoelstellingen van Donkse Laagten. Voor de kleine zwaan bestaan slaapplaatsen uit zoet of zout water, ondergelopen boezemlanden en zomerpolders, zand- en modderbanken. In Figuur 6‑2 zijn de potentiële rust- en slaapgebieden van kleine zwaan aangeduid en in Figuur 6‑3 is een impressie gegeven van geschikt rust- en slaapgebied van kleine zwaan binnen de Donkse Laagten. Verder moeten de slaapplaatsen vrij zijn van verstoring en niet toegankelijk zijn voor roofdieren zoals vossen.

Figuur 6.1
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6-1. Watervogeltrend van de kleine zwaan in Donkse Laagten en Nederland. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkergekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In Donkse Laagten is voor de lange als korte termijn geen trend aantoonbaar (~). In Nederland is sinds 1988 een significante matige afnamen, <5% per jaar (-) en de laatste 12 jaar is deze afnamen versterkt naar >5% per jaar (--).
Figuur 6.2
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6-2. Potentiële rust- en slaapgebieden van kleine zwaan (oranje gebieden) in de deelgebieden (witte stippellijn) van Natura 2000-gebied Donkse Laagten (witte omlijning). De slaapplaatsen bestaan uit zoete of zoute wateren, ondergelopen boezemlanden en zomerpolders.
Figuur 6.3
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6-3. Impressie van geschikt rust- en slaapgebied van de kleine zwaan binnen de Donkse Laagten (in de voorjaars- en zomermaanden van belang voor weidevogels).

Conclusie

Op basis van de landschapsecologische condities kan gesteld worden dat de slaap- en rustbiotoop voor de kleine zwaan in Donkse Laagten kwalitatief en kwantitatief op orde is. In de afgelopen jaren is hier geen verandering in gekomen, dit vanwege bestendig beheer en gebruik. Hiermee is de instandhoudingsdoelstelling behaald ongeacht de ogenschijnlijke achteruitgang van de populatie kleine zwaan in Donkse Laagten welke gelijke trend houdt met de algemene achteruitgang van deze soort binnen Nederland en waarvan de oorzaak gelegen is in het verschuiven van de preferente overwinteringsgebieden naar noord |(oost)-Europa.

A041 Kolgans

De instandhoudingsdoelstelling voor Donkse Laagten is gericht op het behoud van zowel de omvang als de kwaliteit van het leefgebied van de kolgans. Het gebied moet voldoende draagkracht bieden voor een gemiddelde populatie van 830 kolganzen gedurende het gehele jaar, gerekend als het seizoensgemiddelde van juli tot en met juni van het daaropvolgende jaar. Dit aantal is gebaseerd op het gemiddeld aantal kolganzen dat in de periode van 1999 tot 2004 in de Donkse Laagten werd waargenomen. Donkse Laagten heeft zowel een doelstelling als rust-/slaapbiotoop en als foerageerbiotoop (hiervoor is de instandhoudingsdoelstelling van gem 830 kolganzen van kracht). 

In het seizoen 2019/2020 werden in Donkse Laagten met functie slapen maximaal 1900 kolganzen waargenomen, maar het gemiddelde aantal met functie foerageren was in het seizoen 2021/2022 gemiddeld 304 kolganzen (Tabel 6‑2). De aanzienlijke schommelingen in de waargenomen aantallen kolganzen met functie slapen per seizoen zijn grotendeels te wijten aan de lage frequentie van de tellingen. Ook de aantallen foeragerende kolganzen schommelen sterk, dit is deels toe te schrijven aan het vaste tijdstip waarop deze tellingen worden uitgevoerd. Hierdoor kan het voorkomen dat op een bepaalde teldag enkele honderden kolganzen binnen de grenzen van Donkse Laagten worden geteld, terwijl net buiten deze grenzen tienduizenden vogels aan het foerageren zijn. Dit scenario kan de volgende dag volledig omgekeerd zijn. Het is daarom belangrijk om te begrijpen dat deze cijfers slechts een indicatie geven van de draagkracht van het gebied en ze zijn niet geschikt als basis voor een gedetailleerde trendanalyse.

Tabel 6‑2. Aantal kolganzen in Donkse Laagten vanaf winter- en trekseizoen 2014/15. Bron: SOVON.

Soort

Functie

Aantal in

2014/15

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

Trend 2005

Trend 2010

Kolgans

foerageren

seiz. gem

372

502

438

210

375

333

131

304

~

~

Kolgans

slapen

seiz. max

1050

3650

5100

5500

350

1900

 
 

-

-

Op landelijk niveau is er gedurende de afgelopen twaalf jaar een significante afname met minder dan 5% van het aantal kolganzen waargenomen (Figuur 6‑4). Deze kortetermijntrend kan worden toegeschreven aan de toenemende extensivering van agrarische gebieden, wat heeft geleid tot een verminderd aanbod van eiwitrijk gras als foerageermateriaal voor de kolganzen. Ondanks de recente afname blijft de lange termijn groei van minder dan 5% per jaar nog steeds significant.

Wat betreft Donkse Laagten is er echter geen aantoonbare trend waarneembaar, zowel op de lange als op de korte termijn. Het lijkt erop dat het aantal getelde kolganzen in Donkse Laagten aan het einde van de 20e eeuw een piek heeft bereikt en daarna afneemt maar sinds 2010 stabiel schommelt rond een zeker aantal (ca. 300). Het is echter niet mogelijk om op basis van de monitoringssystematiek van Staatsbosbeheer definitieve conclusies te trekken over of dit een tijdelijke dip is of een werkelijke trend. Wel is duidelijk dat het gemiddelde aantal al jaren onder de instandhoudingsdoelstelling ligt. 

Het perspectief voor de kolgans in Donkse Laagten is onder de huidige omstandigheden dan ook niet duidelijk. Hoewel het lijkt alsof er een negatieve trend is ingezet in het aantal foeragerende kolganzen in het gebied, is het op dit moment niet mogelijk om hierover een definitieve uitspraak te doen. In de bredere Alblasserwaard-regio lijkt er echter geen sprake te zijn van een dergelijke afname. Dit kan worden verklaard door de veranderingen in het jachtbeleid in het verleden, waardoor de graslanden buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied relatief belangrijker zijn geworden (zie Provincie Zuid-Holland, 2015) voor de kolganzen dan de graslanden binnen de begrenzing omdat deze – vanwege het agrarisch gebruik – eiwitrijker zijn.

Figuur 6.4
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6-4. Trend van de kolgans in Donkse Laagten en Nederland. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkergekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In Donkse Laagten is voor de lange als korte termijn geen slaapplaatstrend aantoonbaar (~). Voor Nederland is er op lange termijn (vanaf 1980) een significante toenamen van <5% per jaar (+), maar voor de korte termijn (laatste 12 jaar) is dit significant afnemend met <5% per jaar (-). 

De kolgans concentreert zich in groepen, soms samen met andere ganzensoorten zoals de brandgans en de kleine rietgans. Deze vogel heeft een voorkeur voor open landschappen in agrarische gebieden. Belangrijk voor de kolgans zijn rustige en roofdiervrije slaapplaatsen op grotere wateren en terreinen met voldoende voedselaanbod binnen een straal van maximaal 20 km (meestal <10 km) rondom de slaapplaatsen. De kolgans is voornamelijk te vinden in open agrarische gebieden, vooral in eiwitrijk cultuurgrasland. Dit maakt de soort kwetsbaar voor landschapsverdichting door wegen, bebouwing en beplanting. Verstoringseffecten zijn gemeten op afstanden van 400-600 m bij windmolens, 80-600 m bij wegen en 100-600 m bij bebouwing. Een afname in aantallen wordt gemeld bij extensivering van graslandpercelen, die door minder bemesting en een hogere aanwezigheid van vezelige grassoorten en kruiden een lagere voedseldraagkracht hebben.

Voor de kolgans heeft Donkse Laagten een functie als slaapplaats, maar de vogels foerageren ook in het gebied en de omliggende omgeving. Vooral de vochtige tot natte graslandpercelen met matig voedselrijke omstandigheden binnen de begrenzing van Donkse Laagten zijn belangrijk. Hier worden jaarlijks vele duizenden kolganzen aangetroffen. De kolganzen overnachten op bijna alle graslanden verspreid door het gebied. Polder Langenbroek lijkt de favoriete plek voor de kolganzen 's nachts en overdag, vooral rond het plas-drasperceel. De nabijheid van de boezemkade wordt overdag meestal vermeden, waarschijnlijk vanwege zichtverstoring als gevolg van recreatief gebruik van de kade.

Buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied zijn vooral de open agrarische graslanden van groot belang als foerageergebied voor de kolgans. Dit komt door het aanwezige voedselaanbod van eiwitrijke graslanden. Tot op heden zijn deze gebieden nog ruim beschikbaar in de directe omgeving. Ook binnen Donkse Laagten kunnen de meeste graslanden niet als schraal of grasarm worden aangemerkt en daardoor kunnen deze tevens voldoende eiwitrijk voedsel bieden.

Figuur 6.5
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6-5. Potentiële rust- en slaapgebieden van kolgans ’s nachts en foerageergebieden overdag. Polder Langebroek is zowel ‘s nachts en als overdag favoriet (donkerrood) polder Kortenbroek wordt enkel overdag gebruikt (oranje gebieden) in de deelgebieden (witte stippellijn) van Natura 2000-gebied Donkse Laagten (witte omlijning).  

Conclusie

Op basis van de landschapsecologische condities kan gesteld worden dat de slaap- en rustbiotoop voor de kolgans in Donkse Laagten kwalitatief en kwantitatief op orde is. In de afgelopen jaren is hier geen verandering in gekomen, dit vanwege bestendig beheer en gebruik. Hiermee is de instandhoudingsdoelstelling behaald, ongeacht dat het lijkt alsof er een negatieve trend is begonnen in het aantal foeragerende kolganzen. Dit kan worden verklaard door de monitoringssytematiek. Ook kan het mogelijk worden verklaard door de veranderingen in het jachtbeleid, waardoor graslanden buiten de N2000-begrenzing relatief belangrijker zijn geworden als foerageergebied voor de kolgans. Het is nog niet mogelijk om over een eventuele afname een definitieve uitspraak te doen, er is geen aantoonbare trend waarneembaar. Op landelijk niveau is er gedurende de afgelopen twaalf jaar een significante afname met minder dan 5% van het aantal kolganzen waargenomen, wat te wijden is aan de toenemende extensivering van agrarische gebieden.

A045 Brandgans

Donkse Laagten is specifiek aangewezen als een slaap- en rustbiotoop voor de brandgans, met als instandhoudingsdoelstelling het behoud van zowel de omvang als de kwaliteit van het leefgebied. In de jaren 2010 en 2015 werd een tijdelijke afname in de aantallen brandganzen waargenomen, zoals weergegeven in Tabel 6‑3 en Figuur 6‑6. Sinds die dip zijn de waarnemingen van brandganzen in de Donkse Laagten echter stabiel gebleven, zoals ook blijkt uit de gegevens in Tabel 5‑3.

Tabel 6‑3. Aantal brandganzen in Donkse Laagten vanaf winter- en trekseizoen 2014/15. Bron: website SOVON.

Soort

Functie

Aantal in

2014/15

2015/16

2016/17

2017/18

2018/19

2019/20

2020/21

2021/22

Trend 2005

Trend 2010

Brandgans

slapen

seiz. max

10000

2980

9000

9000

9000

9000

11000

 

+

+

In heel Nederland varieert het maximumaantal brandganzen tussen ongeveer 400.000 en 650.000 gedurende de periode 2005-2010 (Hornman et al., 2012). Over de langere termijn, sinds 1980, vertoonde het seizoensgemiddelde een stijging van ongeveer 9%. Na het jaar 2000 daalde deze gemiddelde groei in Noord-Nederland naar ongeveer 5%, terwijl deze in het oosten en westen van Nederland juist verder toenam (Hornman et al., 2012). SOVON, een Nederlandse organisatie voor vogelonderzoek, meldt ook een langdurige trend van significante toename van meer dan 5% per jaar, maar gedurende de afgelopen 12 jaar verzwakte deze toename tot minders dan 5% per jaar.

De aanzienlijke schommelingen in het aantal waargenomen brandganzen in Donkse Laagten zijn te wijten aan de keuze van rust- en foerageerplaatsen van de ganzen. Dit kan leiden tot situaties waarbij binnen de grenzen van Donkse Laagten slechts enkele tientallen tot honderden brandganzen worden geteld, terwijl net buiten deze grenzen duizenden vogels aan het foerageren zijn. Om dit te voorkomen zou men kunnen denken aan het verminderen van dagelijkse variaties door het maken landelijke synchrone tellingen met vaste teldagen om een representatief beeld van het aantal vogels te verkrijgen. Vanwege deze variabiliteit zijn de waarnemingen in de Donkse Laagten niet geschikt als basis voor een trendanalyse. Desondanks lijkt er volgens de beschikbare monitoringsgegevens een positieve ontwikkeling te zijn geweest in de aantallen overwinterende brandganzen, zoals weergegeven in Figuur 6‑6.

Figuur 6.6
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6-6. Slaapplaatstrend van de brandgans in Donkse Laagten. Deze grafiek is gebaseerd op het Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni). Weergegeven is het seizoensgemiddelde (rode punten), de trendlijn (donkergekleurde lijn) en het 95% betrouwbaarheidsinterval van de trendlijn (lichtgekleurde lijn). In Donkse Laagten is zowel voor de lange als korte termijn geen slaapplaatstrend aantoonbaar (~). In Nederland is sinds 1988 een significante toename, >5% per jaar (++, minimaal verdubbeling in 15 jaar) die is afgevlakt tot een matige toenamen, <5% per jaar (-) over de laatste 12 jaar.

Tegenwoordig is de brandgans in grote aantallen te vinden op cultuurgraslanden in open agrarische gebieden. Vooral in de maanden oktober en november vestigt de brandgans zich in deze agrarische gebieden. Deze vogelsoort vertoont een sterke neiging om grote concentraties te vormen. Ze geeft de voorkeur aan voedselgebieden die zich binnen een straal van minder dan 10 km bevinden van grote open wateren, variërend van intergetijdengebieden tot grote rivieren. De brandgans is over het algemeen trouw aan haar gekozen slaapplaats en voedselterrein en vertoont doorgaans minder uitwisseling tussen verschillende gebieden gedurende het winterhalfjaar in vergelijking met de kolgans.

Binnen Donkse Laagten is de kwaliteit van het leefgebied voor de brandgans vrijwel constant gebleven. Op hooilandpercelen en percelen waar nabeweiding plaatsvindt, wordt eens in de twee of drie jaar bemest met ruige mest. Dit draagt bij aan het behouden van voldoende voedselrijkdom in de graslanden, wat gunstig is voor weidevogels en wintergasten zoals de brandgans (Staatsbosbeheer, 2007). Op basis van de huidige omstandigheden lijkt het vooruitzicht voor het leefgebied van de brandgans in de Donkse Laagten dan ook positief. Zowel het biotoop als de potentiële rustgebieden vertonen gelijkenissen met die van de kolgans, zoals weergegeven in Figuur 6‑5.

Figuur 6.7
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6-7. Potentiële rust- en slaapgebieden ’s nachts van de brandgans en foerageergebieden overdag. Polder Langebroek is zowel ‘s nachts en overdag favoriet (donkerrood) polder Kortenbroek wordt enkel overdag gebruikt (oranje gebieden) in de deelgebieden (witte stippellijn) van Natura 2000-gebied Donkse Laagten (witte omlijning). 

Conclusie

Binnen Donkse Laagten is de kwaliteit van het leefgebied voor de brandgans vrijwel constant gebleven. Op basis van de huidige omstandigheden lijkt het vooruitzicht voor het leefgebied van de brandgans in Donkse Laagten zeer gunstig. Belangrijke kenmerken van het leefgebied, als de plas-drassituatie, voedselrijkdom en de structuur zijn aanwezig in de graslanden van Donkse Laagten en worden door het huidige beheer adequaat bewerkstelligd en behouden. Hierdoor is ook voor de brandgans de instandhoudingsdoelstelling behaald. De aanzienlijke schommelingen in het aantal waargenomen brandganzen in de Donkse Laagten zijn te wijten aan de keuze van rust- en foerageerplaatsen van de ganzen. Buiten de grenzen van het N2000-gebied liggen graslanden die ook als foerageergebied worden gebruikt, waardoor de monitoring, het moment van de telling, een vertekend beeld kan geven. Desalniettemin lijkt er een groei in het aantal brandganzen waarneembaar in Donkse Laagten, wat het gunstige beeld verder bevestigt. 

6.2 Conclusie/eindoordeel

Provincie Zuid-Holland heeft voor al haar Natura 2000-gebieden Natuurdoelanalyses (NDA’s) opgesteld, als onderdeel van de Gebiedsgerichte Aanpak Stikstof. Doel was om in beeld te brengen wanneer de natuurdoelen gehaald zijn (welke omvang/kwaliteit) en welke maatregelen daarvoor nodig zouden (kunnen) zijn. Hiervoor is een gezamenlijke handreiking opgesteld (definitieve versie d.d. juni 2022), waarin op voorspraak van het ministerie van LNV ook een ‘eindoordeel’ is opgenomen. Dit was oorspronkelijk geen onderdeel van de Zuid-Hollandse NDA's, en is daarom tot nu toe niet uitgevoerd. 

Het eindoordeel is opgesteld volgens een vaste methodiek, die op punten afwijkt van de methodiek zoals die is gehanteerd voor de natuurdoelanalyses, omdat alleen geborgde maatregelen mogen worden meegewogen. Om deze reden wijken de conclusies over de haalbaarheid van doelen soms af ten opzichte van de conclusies uit de natuurdoelanalyses waarin alle maatregelen zijn meegewogen. 

Het eindoordeel voor Donkse Laagten is opgenomen in bijlage I.

7 Visie op doelbereik

Aan de hand van verschillende niveaus (systeem- en instandhoudingsdoelstellingen) geeft dit hoofdstuk een visie op het duurzaam realiseren van de doelstellingen voor het gebied. De bestaande knelpunten en de kernopgaven, samen met de overige doelen, zijn als uitgangspunt genomen bij de uitwerking van onderstaande visie. Deze visie is gebaseerd op de eerder opgestelde visie in het beheerplan Donkse Laagten 2015 tot en met 2021 (Ministerie van EZ., 2015, Den Haag), aangevuld met inzichten (waaronder knelpunten) uit de voorgaande hoofdstukken, de Natuurdoelanalyse en het Eindoordeel Donkse Laagten. 

7.1 Overzicht knelpunten

Knelpunten 1e beheerplanperiode

In het eerste beheerplan zijn de waargenomen negatieve trends in aantallen kleine zwaan, brandgans en kolgans genoemd als knelpunt. Dit knelpunt wordt in paragraaf 7.3 verder toegelicht. Het eerste beheerplan noemt verder geen knelpunten. Voor geen van de vogelsoorten geldt dat er ingrijpende veranderingen in het gebied hebben plaatsgevonden die de slaap- en/of foerageerfunctie van Donkse Laagten hebben aangetast. In hoofdstuk 5.2 wordt het regulier beheer verder toegelicht, deze beheer-gerelateerde maatregelen zijn van belang voor de instandhouding van het leefgebied. Het beheer van Staatsbosbeheer zorgt voor een afwisseling tussen matig voedselrijke hooi- en weilandpercelen. Op hooilandpercelen en percelen waar nabeweiding plaatsvindt wordt iedere twee of drie jaar ook extensief bemest met ruige stalmest, waardoor de voedselrijkdom van de graslanden op peil blijft. De watergangen worden beheerd via peilbeheer en greppelonderhoud, ten behoeve van een betere afvoer van overtollig (regen)water. Bij de bestrijding van muskusratten wordt gewerkt volgens de ‘Gedragscode voor muskusrat en beverrat’. En indien nodig is er zomerganzenbeheer. Deze beheer-gerelateerde maatregelen zijn effectief gebleken. Derhalve zijn er geen andere knelpunten vanuit het 1e beheerplan. 

Knelpunten komende beheerplanperiode

In het kader van het opstellen van het tweede beheerplan is één nieuwe knelpunt geconstateerd. Daarnaast zijn hier eerdere vermoedde knelpunten benoemd.

NNN vs Natura 2000

Binnen het gebied is het beleid/beheer voor NNN niet strijdig met het Natura 2000-beleid/doelen. Hier komen zodoende geen knelpunten uit voort. Het beheer van de NNN-beheertypen vochtig weidevogelgrasland en kruiden- en faunarijk grasland dragen bij aan kwalitatief goed leefgebied voor de kleine zwaan, kolgans en de brandgans. Door het N2000-beheer van Staatsbosbeheer wordt de openheid behouden en wordt de productiviteit en zuurgraad van de bodem op orde gehouden door met enige regelmaat extensief te bemesten met ruige stalmest. Dit alles gebeurt zonder dat dit ten koste gaat van de botanische rijkdom. Dit beheer zorgt er ook voor dat het gebied met een korte grasmat de winter in gaat, waardoor de eiwitrijke spruiten makkelijk bereikbaar zijn. Daarnaast worden ook de drie plas-dras gebieden beheerd. Ook het beheer van Staatsbosbeheer draagt bij aan kwalitatief goed leefgebied voor de kleine zwaan, kolgans en de brandgans.

Huidig gebruik vs Natura 2000

Binnen het gebied is het huidige gebruik niet strijdig met het Natura 2000-beleid en de -doelen. Hier komen zodoende geen knelpunten uit voort. Zie voorts hoofdstuk 11. 

Jaarlijkse slaapplaatstelling

Op basis van de beschikbare data voor de slaapplaatstellingen van de aangewezen vogelsoorten blijkt dat niet elk jaar de tellingen consequent zijn uitgevoerd. Samen met SOVON wordt er gezocht naar een oplossing om de slaapplaatstellingen consequent jaarlijks uit te voeren.

7.2 Visie op systeemniveau

Voor een Vogelrichtlijngebied zoals Donkse Laagten zijn er verschillende belangrijke verbindingen tussen de abiotische (bodem) en biotische (vegetatie) factoren die van invloed zijn op het doelbereik. Belangrijke bodemfactoren zijn onder andere de voedselrijkdom en de zuurgraad. Sterke verschraling van de graslanden leidt tot een verminderde productie van biomassa en voedingswaarde in de graslanden. Dit maakt de graslanden minder aantrekkelijk als foerageergebied voor vogels, zoals de kolgans. Om de voedselrijkdom op peil te houden, wordt door Staatsbosbeheer op hooilandpercelen en percelen met nabeweiding, indien nodig, eens in de twee of drie jaar bemest met ruige mest. Daarnaast beïnvloedt de zuurtegraad in sterke mate de ontwikkeling van de vegetatie en heeft invloed op de aanwezige soorten en bodemorganismen. Over het algemeen wordt een pH-KCl waarde van 4,5 als ondergrens gehanteerd voor effectief weidevogelbeheer. Bij deze waarde gedijt het bodemleven optimaal, wat leidt tot een goede bodemstructuur en vegetatiegroei, gunstig voor zowel wintergasten als weidevogels.

Andere cruciale factoren voor de kwalificerende vogelsoorten zoals de kleine zwaan, kolgans en de brandgans zijn de structuur en hoogte van de vegetatie. Naast de eerdergenoemde voedselrijkdom en pH-waarde van de bodem worden deze factoren ook beïnvloed door het toegepaste beheer. Staatsbosbeheer past in Donkse Laagten een beheer toe dat zowel hooibeheer als extensief begrazingsbeheer omvat. Hierdoor blijft het landschap voldoende open en wordt de groei van (hoog)opgaande begroeiing effectief beperkt.

Donkse Laagten maakt deel uit van het Natura 2000-landschap Meren en moerassen. Binnen dit landschap zijn de meest relevante ecologische sturende factoren en processen gerelateerd aan de waterdynamiek: de mate van permanent nat zijn, seizoensgebonden droogvallen en de mate van overstroming. Afhankelijk van de combinatie van deze factoren en de specifieke landschappelijke positie biedt het ontstane ecotoop het voorkeursleefgebied voor vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling in Donkse Laagten. Hoewel het landschap gedomineerd wordt door graslanden en sloten zijn er subtiele verschillen in abiotische omstandigheden die een invloed hebben op de vegetatie en de vogelsoorten. Zowel Polder Kortenbroek als Polder Langenbroek hebben kleibodems, maar in Polder Kortenbroek is een moerige deklaag aanwezig. Daarmee is Polder Kortenbroek bij een gelijke waterstand droger dan Polder Langenbroek, waar klei tot aan maaiveld rijkt. In Tabel 7‑1 wordt deze relatie weergegeven, voornamelijk in termen van gebruik. Dit wordt verder uitgewerkt in Figuur 7‑1, een landschapskaart die de locaties van deze preferente leefgebieden toont.

Tabel 7‑1. Landschapszones voor de soorten van Donkse Laagten

Zone

Ecotoop

Bodemtype

Vochtgehalte

Voedselrijkdom

Potentie soorten doelendocument

I

Polder/ veenweiden

koopveengronden

matig vochtig

voedselrijk tot matig voedselrijk

kolgans en brandgans als foerageergebied

II

Polder/ veenweiden

weideveengronden 

vochtig

voedselrijk tot matig voedselrijk

kolgans en brandgans als foerageer- en rustgebied

III

Plassen

koopveengronden/ weideveengronden 

nat tot geïnundeerd

voedselrijk tot matig voedselrijk

kleine zwaan

IV

Uitstekken

veen 

vochtig tot nat

matig voedselrijk tot voedselarm

Kernopgave 4.15 vochtige graslanden

Figuur 7-1
afbeelding binnen de regeling
Figuur 7-1. Landschapskaart Donkse Laagten. Landschapszones aangegeven volgens de kleurcodes uit Tabel 7 1.

7.3 Visie op realisatie instandhoudingsdoelstellingen

De waargenomen negatieve trend in aantallen van de kleine zwaan, de aanzienlijke schommelingen in het maximaal waargenomen aantal kolganzen en de stabiel gebleven aantallen brandganzen worden veroorzaakt door factoren die buiten de begrenzing van Donkse Laagten gelegen zijn. Zo hebben kolganzen en brandganzen zich door het afschaffen van de jacht in omliggende ganzenfoerageergebieden over een groter gebied verspreid wat tot lagere aantallen in Donkse Laagten leidt. De voedselrijkdom is in Donkse Laagten op peil doordat Staatsbosbeheer op hooilandpercelen en percelen waar nabeweiding plaatsvindt iedere twee of drie jaar bemest met ruige mest. Het verschil in aantrekkelijkheid tussen foerageergebied binnen en buiten de begrenzing is niet van belang voor het behalen van de doelen (behoud omvang en kwaliteit leefgebied), omdat de doelen worden behaald en Donkse Laagten in een groter foerageergebied voor ganzen ligt. Over de Alblasserwaard als geheel lijkt er van een afname van het aantal brand- en kolganzen immers geen sprake te zijn. Voor de kleine zwaan geldt dat er sprake is van een dalende trend op nationaal niveau als gevolg van een laag broedsucces in Rusland. 

Het beheer van Staatsbosbeheer zorgt voor een afwisseling tussen matig voedselrijke hooi- en weilandpercelen. Voor geen van de drie Vogelrichtlijnsoorten waarvoor het gebied is aangewezen, geldt dat er (ingrijpende) veranderingen ten opzichte van de eerste beheerplanperiode in het gebied plaatsvinden. Hierdoor is behoud van de slaap- en/of foerageerfunctie van Donkse Laagten voor deze soorten gewaarborgd.

7.4 Visie op aanwezige maar niet aangewezen VHR-waarden

Op verschillende locaties in de uitstekken en aan de binnenzijde van de boezemkade komen vegetaties voor die kwalificeren voor het habitattype H6410 – Blauwgrasland. Daarnaast bevinden zich in het gebied de volgende Habitatrichtlijnsoorten platte schijfhoren, zeggekorfslak, kleine modderkruiper en de heikikker. De vegetaties en het leefgebied van de genoemde soorten hebben baat bij (het bestendig voortzetten van) het reguliere beheer.

8 Instandhoudingsmaatregelen komende beheerplanperiode

8.1 Continuering regulier beheer

Om aan de instandhoudingsdoelen voor de kolgans, brandgans en de kleine zwaan (behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied) te voldoen, zijn de factoren openheid, rust, connectiviteit tussen slaap- en foerageerlocaties en de aanwezigheid van voldoende plas-dras situaties essentieel. In de actuele situatie wordt aan deze factoren voldaan. Het reguliere beheer van Staatsbosbeheer is afdoende om op korte en lange termijn behoud van dit geschikte leefgebied te garanderen. 

Voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen voor de kleine zwaan, kolgans en de brandgans zijn geen extra maatregelen nodig. Voortzetting van het reguliere beheer (zoals dat ook gedurende de looptijd van het eerste beheerplan plaatsvond) van Staatsbosbeheer is voldoende. Het regulier beheer dient in ieder geval de waterplas in Polder Langebroek in stand te houden, zowel wat betreft oppervlakte als kwaliteit. Ook dient middels het reguliere beheer de openheid van het gebied behouden te blijven en verstoring door recreanten, beheerders, pachters en al dan niet gemotoriseerd verkeer te worden voorkomen. En als laatste dient de afwisseling van vochtige en nattere, matig voedselrijke graslanden, waarvan de vegetatie kort de winter in gaat, in stand te blijven.

Faunabeheer 

Zoals beschreven in hoofdstuk 3 heeft de provincie verantwoordelijkheden om bepaalde fauna te beheren. In Donkse Laagten worden de volgende maatregelen getroffen.

Tabel 8‑1 Overzicht van faunabeheer in Donkse Laagten

Soort 

Voorwaarden (periode, locatie) 

Deelgebied 

Uitvoerder 

Reden bestrijding 

Standganzen

Bij standganzenbeheer gaat het om het beheren van deze populatie cf het faunabeheerplan ganzen buiten de aangewezen winterperiode voor de aangewezen doelsoorten 

 -

SBB/WBE

Om de aantallen in toom te houden en daarmee de o.a. de schade aan gewassen en de natuur wordt beheer uitgevoerd cf. het Faunabeheerplan Ganzen Zuid Holland 

Dit beperkt de graasdruk en waterkwaliteit blijft behouden

Muskusratten 

Bij de bestrijding van muskusratten wordt gewerkt volgens de ‘Gedragscode voor muskusrat en beverrat’.

De randen van het gebied. Langs doorgaande wegen en boezemkaden

WSRL

Voorkomen dat muskusratten vanuit de omgeving Donkse Laagten binnendringen en zich daar vestigen.

Beverrat

Levendvangkooien uitgezet om te voorkomen dat de soort zich verder uitbreidt.

De randen van het gebied. Langs doorgaande wegen en boezemkaden

WSRL

Voorkomen dat beverratten vanuit de omgeving Donkse Laagten indringen en zich daar uitbreiden.

Predatoren

Predatiebeheer ten gunste van de Natura 2000 doelen wordt uitgevoerd op basis van faunabeheerplannen/of afgegeven vergunningen.

Binnen Natura 2000-begrenzing

WBE

Tegen gaan van predatie op eieren en pullen van weidevogels en voorkomen verstoring wintergasten.

Exotenbestrijding

Zoals beschreven in hoofdstuk 3 heeft de provincie verantwoordelijkheden om bepaalde exoten te bestrijden. In Donkse Laagten worden de volgende maatregelen getroffen. 

Tabel 8‑2 Overzicht van exotenbestrijding in Donkse Laagten

Exoot 

Voorwaarden (periode, locatie) 

Oppervlakte 

Deelgebied 

Uitvoerder 

Reden bestrijding 

Ongewenste plantensoorten

Indien noodzakelijk voert Staatsbosbeheer bestrijding van exoten (grote waternavel en reuzenberenklauw) uit. Incidenteel is verwijdering van diverse ongewenste plantensoorten (o.a. akkerdistel, krul-, ridderzuring, Japanse duizendknoop) noodzakelijk.

 -

 -

SBB 

De verspreiding van exoten en ongewenste plantensoorten tegengaan indien dit de kwaliteit van het leefgebied voor de instandhoudingsdoelen aantast. 

Exoten dienen kort na vestiging in een gebied of kort na de ontdekking hiervan te worden bestreden om verdere schade te voorkomen. Indien natuurwaarden bedreigd worden, kan de provincie ten alle tijden overgaan tot ingrijpen (zie beleidskader 4.1). In de voortoets is chemische bestrijding van ongewenste plantensoorten meegenomen, echter in de praktijk wordt dit niet toegepast door Staatbosbeheer in Donkse Laagten. De Amerikaanse rivierkreeft is ook een aanwezige exoot, maar hiervoor is geen handelingsperspectief.

8.2 Nog uit te voeren uit voorgaande beheerperiode

Systeemmaatregelen

Er zijn geen systeemmaatregelen nodig. Ook vanuit de PAS zijn er geen herstelmaatregelen nodig, omdat de leefgebieden van de Vogelrichtlijnsoorten in Donkse Laagten niet stikstofgevoelig zijn.

Effectgerichte maatregelen

Er zijn ook geen aanvullende effectgerichte maatregelen nodig. Wel blijven de volgende monitoringsmaatregelen gelden om negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen te volgen. Het in beeld brengen van het gebruik van Donkse Laagten als slaapplaats door de kolgans, brandgans en de kleine zwaan wordt in het winterhalfjaar via een maandelijkse telling bijgehouden. Dit gebeurt van oktober tot en met maart. Daarnaast wordt er monitoring uitgevoerd ter evaluatie van kwantitatief doelbereik van instandhoudingsdoelstellingen, ter evaluatie of maatregelen het gewenste effect hebben, ter inzicht voor veranderingen in het gebied en ter inzicht of activiteiten rondom/in het gebied effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen. 

8.3 Maatregelen komende beheerplanperiode

Ten behoeve van de vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling

Op basis van de analyse kan gesteld worden dat de instandhoudingsdoelen die aan Donkse Laagten zijn meegegeven voor de kleine zwaan, kolgans en de brandgans gehaald worden (Tabel 8‑3). Voor de drie soorten is de draagkracht op orde en worden geen interne knelpunten geconstateerd. Omvang en kwaliteit van het leefgebied is daarmee gegarandeerd. Voor de kolgans ligt het aantal boven het doelaantal dat is meegegeven als instandhoudingsdoelstelling. Voor de kleine zwaan en de brandgans is zo’n doelaantal niet gegeven. 

Gelet op de huidige condities binnen Donkse Laagten en de omvang en kwaliteit van het leefgebied van de Natura 2000-waarden (kolgans, brandgans en kleine zwaan) én de effectiviteit van de genomen en reeds voorziene maatregelen, zijn aanvullende maatregelen voor de drie vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling op dit moment niet aan de orde.

Tabel 8‑3. Samenvatting haalbaarheid instandhoudingsdoelstellingen Donkse Laagten voor Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels). 

Soort 

Doelstelling leefgebied

Trend 

Knelpunten 

Maatregelen

Te realiseren

bij maximale inzet maatregelen 

[ha]

Is de opgave haalbaar

(omvang/ kwaliteit)

IHD* 

A037 kleine zwaan 

=/=

n.v.t

Trend niet aantoonbaar 

Geen, oorzaak afname volgt de landelijke trend en ligt buiten Natura 2000-gebied Donkse Laagten

Geen

n.v.t.

Ja (draagkracht op orde)

A041 kolgans

=/=

830

Trend niet aantoonbaar, aantallen boven IHD

Geen 

Geen

n.v.t.

Ja

(draagkracht op orde)

A045 brandgans

=/=

n.v.t

Trend niet aantoonbaar 

Geen 

Geen

n.v.t.

Ja 

(draagkracht op orde)

*seizoensgemiddelde

Onderzoeksmaatregelen

Sinds 16 december 2025 is de Donkse Laagten ook aangewezen voor de grutto. Hierbij zijn voor de soort doelaantallen meegegeven voor de verbetering van de draagkracht van het gebied. Doormiddel van het nemen van een onderzoeksmaatregel wordt achterhaald welke maatregelen in de toekomst genomen kunnen worden om het gebied voor de grutto verder te optimaliseren.

Ten behoeve van de kernopgaven

Ten behoeve van de kernopgave 4.15 Vochtige hooilanden zijn de volgende maatregelen wenselijk. Het blauwgraslandperceel ten oosten van de Broekmolen vertoont verzuringsverschijnselen die waarschijnlijk veroorzaakt worden door het relatief lage peil in de teensloot ten zuiden van dit perceel. In deze teensloot staat een schottenbalk die dit lage peil scheidt van het hogere peil ten oosten hiervan. Door de schottenbalk meer naar het westen te verplaatsen (PZH/SBB), kan over een langer traject in de teensloot het peil worden opgezet waardoor de drainagebasis in het blauwgraslandperceel wordt verhoogd, waardoor hier de grondwaterstand stijgt. Deze maatregel is weergeven in Figuur 8‑1.

Figuur 8-1
afbeelding binnen de regeling
Figuur 8-1 Verplaatsen schottenbalk ten behoeve van een hoger peil aan de gehele zuidzijde van de uitstek nabij de Broekmolen.

De plas-dras situaties in het gebied zijn zowel functioneel voor de vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling als voor weidevogels. Door de aanwezigheid van deze vogelsoorten met een instandhoudingsdoelstellingen raken deze plas-dras situaties sterk vermest en treedt er blauwalgvorming op. Dit is sterk nadelig voor de weidevogels. Om de vermesting tegen te gaan, is het noodzakelijk deze plas-dras situaties met enige regelmaat te schonen. De frequentie hiervan dient op basis van veldwaarnemingen te worden vastgesteld. Het schonen van de plas-dras situaties kan alleen uitgevoerd worden als een negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen kan worden uitgesloten. 

Onderzoeksmaatregelen

De kernopgave 4.15 Vochtige hooilanden is ruimtelijk gekoppeld aan de uitstekken c.q. percelen die direct grenzen aan de teensloot aan beide zijden van de Achterwaterschap. De zich hier bevindende vegetaties, veelal kwalificerend voor het habitattype Blauwgrasland, zijn gebaat bij kwel en hoge grondwaterstanden. Door het verondiepen en/of versmallen van de teensloot kan deze kwelinvloed worden versterkt. Hydrologisch onderzoek moet uitwijzen op welke locaties en op welke wijze dit het meeste effect kan hebben.

Ten behoeve van beheertypen

De kade van het Achterwaterschap is begrensd als Natura 2000-gebied en NNN. Hoewel zich op de kade van het Achterwaterschap geen aangewezen Natura 2000-waarden bevinden, zijn hier wel vegetaties aanwezig die zich kwalificeren voor nat schraalland en vochtig hooiland. Dit zijn twee beheertypen die op de kaart van het natuurbeheerplan van 2024 als doelstelling zijn aangegeven. Dit betekent dat er een grote verantwoordelijkheid rust bij de beherende organisaties om deze vegetaties in stand te houden -en liever nog- verder te ontwikkelen. Dit behoeft een zorgvuldig beheer, hetgeen betekent dat het moment van maaien moet worden afgestemd op de zaadzetting van bijzondere soorten. Te vroeg maaien, afhankelijk van het weer (vaak half juli, soms eerder en soms later), kan leiden tot het verdwijnen van karakteristieken soorten en daarmee het vervallen van kwalificeren voor een van genoemde beheertypen. Het is derhalve raadzaam om hier een specifiek maaibeleid voor te formuleren.

9 Monitoring

9.1 Inleiding

Monitoringsgegevens zijn nodig om de ontwikkelingen in het gebied te volgen. Op basis daarvan kan bepaald worden in hoeverre de Natura 2000-doelstellingen worden gehaald en in hoeverre de uitgevoerde maatregelen hebben bijgedragen aan het doelbereik. Hierdoor kan richting gegeven worden aan het beheer en eventueel aanvullende maatregelen. Hiertoe is informatie nodig over de volgende onderdelen: 

Vogelrichtlijnsoorten: 

  • Omvang en ruimtelijke verspreiding leefgebied van vogelrichtlijnsoorten;  

  • Aantallen en verspreiding vogelrichtlijnsoorten;   

  • Kwaliteitsaspecten voor leefgebieden van vogelrichtlijnsoorten en hun onderliggende criteria.   

Overige Monitoring 

  • Monitoring systeemherstel en abiotische omgevingscondities. 

Om een complete en gedegen analyse uit te kunnen voeren is dan ook een structurele monitoring benodigd. Om de bestaande informatie- en kennislacunes (t.a.v. verspreiding van soorten, abiotische condities, connectiviteit en barrières hierin, omvang leefgebieden, etc.) te dichten, wordt een monitoringsplan opgesteld waarin voor alle voornoemde onderdelen worden uitgewerkt wat er in ruimte, tijd, aard en omvang nodig is aan informatievergaring. Dit komt ten goede aan het periodiek uit kunnen voeren van een onderbouwde analyse, waarna steeds een vergelijking kan worden gemaakt met een eerder uitgevoerde analyse. Op die manier kan de provincie de ontwikkeling volgen en nagaan of voortzetting dan wel bijsturing van beleid, maatregelen en beheer nodig is.   

In het monitoringsplan zal invulling worden gegeven aan waar gemonitord moet worden, met welke dichtheid, wanneer en hoe vaak dit dient te gebeuren en welke aspecten precies in beeld moeten worden gebracht. In Tabel 9‑1 is aangegeven welke indicatoren gemeten dienen te worden om de ontwikkeling met betrekking tot de Natura 2000-waarden vast te stellen. Voorts vinden er ook extra algemene natuurinventarisaties plaats (zie Bijlage II- Inventarisatie en onderzoek).

Tabel 9‑1 Overzicht van strategische doelen, plandoelen en bijbehorende effectindicatoren.  

Strategisch doel  

Plandoel  

Effectindicator  

Duurzame realisatie van instandhoudingsdoelstellingen Donkse Laagten

Behoud populatie Natura 2000 vogelrichtlijnsoorten  

Omvang populatie en trend, omvang populatie per soort.  

Verspreiding populatie en trend, verspreiding populatie per soort.  

Behoud van oppervlakte/verspreiding leefgebied en behoud kwaliteit leefgebied.

Ontwikkeling procesindicatoren voor trend en toestand leefgebied*.  

  * Op landelijk niveau wordt op het moment van publiceren van dit beheerplan uitwerking gegeven aan wat de monitoring dient te omvatten. Omdat dit nog in ontwikkeling is, is het op dit moment nog onduidelijk welke maatregelen hiervoor genomen moeten worden en wat de effectindicatoren zijn. 

9.2 Vogelrichtlijnsoorten

Ruimtelijke verspreiding leefgebied

De plandoelen omvang/kwaliteit/verspreiding van leefgebieden van vogelrichtlijnsoorten zijn praktisch niet goed meetbaar. Dit doel wordt daarom in eerste instantie indirect gemonitord via de omvang en verspreiding van de populaties van de betreffende soorten. Wanneer deze populatiekenmerken een negatieve trend vertonen, moet vastgesteld worden of deze samenhangt met de kwaliteit of omvang van het leefgebied. Nader onderzoek kan daarvoor nodig zijn (zie paragraaf 9.4).  

De provincie Zuid-Holland is verantwoordelijk voor deze monitoring (Tabel 9‑2). Monitoring van soorten wordt waar mogelijk meegenomen in SNL monitoring. Daarnaast wordt het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM) als uitgangspunt genomen. Voor soorten waarvoor de NEM-monitoring niet of slechts gedeeltelijk voldoet is aanvullende monitoring opgezet. Voor veel soorten geldt dat in de loop van de eerste beheerplanperiode de monitoring is gestart. In de tweede beheerplanperiode zal de monitoring worden voortgezet. Betrouwbare trends over de ontwikkeling van een soort zijn pas op langere termijn vast te stellen. Voor overwinterende vogelsoorten (kleine zwaan, brandgans en kolgans) wordt informatie ontleend aan de jaarlijkse provinciale wintervogeltellingen (PZH/SOVON) waarin zes tellingen per winterhalfjaar plaatsvinden. 

Tabel 9‑2 Monitoringstabel van vogelrichtlijn soorten (VR)

Nummer 

Vogelrichtlijnsoort 

Methode van monitoring 

Frequentie 

Verantwoordelijke / Uitvoerder 

VR01 

Kleine zwaan 

Wintervogeltelling

maandelijks (oktober t/m maart)

PZH / Staatsbosbeheer (en vogelwerkgroep van Natuur- en Vogelwacht 'De Alblasserwaard', op vrijwillige basis)

VR02

Kolgans

Wintervogeltelling

maandelijks (oktober t/m maart) 

PZH / Staatsbosbeheer (en vogelwerkgroep van Natuur- en Vogelwacht 'De Alblasserwaard', op vrijwillige basis)

VR03

Brandgans

Wintervogeltelling

maandelijks (oktober t/m maart) 

PZH / Staatsbosbeheer (en vogelwerkgroep van Natuur- en Vogelwacht 'De Alblasserwaard', op vrijwillige basis)

VR04

Kleine zwaan

Slaapplaatstelling

Jaarlijks vier tot zes slaapplaatstellingen

PZH/Sovon

VR05

Kolgans 

Slaapplaatstelling 

Jaarlijks vier tot zes slaapplaatstellingen

PZH/ Sovon 

VR06

Brandgans

Slaapplaatstelling

Jaarlijks vier tot zes slaapplaatstellingen

 PZH/Sovon

Wintervogeltelling 

In de winterperiode vinden voor de instandhoudingssoorten ganzentellingen plaats vanaf de openbare wegen. Indien er in de winterperiode inventarisatieactiviteiten buiten de openbare wegen en paden uitgevoerd worden, wordt er rekening gehouden met deze vogelsoorten. Het monitoren van aantallen kolgans, brandgans en kleine zwaan (omvang van de populatie) die overdag aanwezig zijn in Donkse Laagten wordt uitgevoerd door vogelwerkgroep van Natuur- en Vogelwacht 'De Alblasserwaard'. Dit gebeurt op vrijwillige basis en op Alblasserwaard-niveau, door middel van maandelijkse wintervogeltellingen. Deze gegevens zijn voldoende om een indicatie van de draagkracht van het gebied te geven. 

Medewerkers van Staatsbosbeheer en de Natuur- en Vogelwacht beoordelen voorafgaand aan de activiteit of er verstoring van kleine zwanen of een groep (van meer dan 100 individuen) kolganzen of brandganzen plaats kan vinden. Wanneer dit het geval kan zijn, wordt de activiteit op dat moment niet uitgevoerd. 

Slaapplaatstelling 

Om een beeld te krijgen van het belang van Donkse Laagten als slaapplaats worden jaarlijks vier tot zes slaapplaatstellingen uitgevoerd in Polder Langenbroek door vrijwilligers van de regionale Natuur- en Vogelwacht. Dit wordt deze beheerplanperiode voortgezet. Het gaat hierbij met name om ganzen, kleine zwanen en steltlopers (vooral wulp en grutto). De telgegevens hiervan worden doorgegeven aan SOVON. Het accent ligt daarbij op het winterhalfjaar. Hierbij wordt na zonsondergang of voor zonsopgang geteld. Omdat veel vogels dagelijks gebruik maken van dezelfde slaapplaats, is het voldoende om in het winterhalfjaar éénmaal per maand een slaapplaatstelling te verrichten. Een voorwaarde daarbij is dat er bij goede weersomstandigheden wordt geteld (zie Hustings et al., 1989). In Donkse Laagten zijn minimaal op twee locaties tellingen nodig: in Polder Kortenbroek en in Polder Langenbroek (inclusief de waterplas waar de kleine zwaan soms overnacht). 

Omvang en kwaliteit leefgebied

De omvang, kwaliteit en draagkracht van het leefgebied is soortspecifiek. Er zal per soort gekeken moeten worden naar de specifieke ecologische vereisten, welke op basis van expert judgement bepaald kunnen worden. De aspecten die hieronder vallen zijn onder andere de mate van geschiktheid van het biotoop, foerageermogelijkheden, slaapplaatsmogelijkheden en de aanwezigheid van voldoende rust (Ministerie van LNV, 2009b). Hiertoe is het binnen Donkse Laagten relevant om de hydrologie, bodem-pH en vegetatiestructuur te monitoren (Tabel 9‑3). 

Tabel 9‑3 Monitoring abiotische omgevingscondities

Nummer 

Doel 

Methode van monitoring 

Frequentie 

Verantwoordelijke / Uitvoerder 

 VR07

Hydrologie (Waterkwaliteit)

Monitoring waterkwaliteit van de boezem (Achterwaterschap) en de diverse sloten binnen Donkse Laagten (vaste opnamepunten)

Wekelijks tot minder dan éénmaal per maand

Waterschap Rivierenland

VR08

Bodem-pH

Bodemonderzoek

1x per 6 jaar

Staatsbosbeheer

VR09

Vegetatiestructuur

Inventarisatie van vegetatie

1x per 6 jaar

Staatsbosbeheer

Hydrologie

Monitoring van de waterkwaliteit van de boezem (Achterwaterschap) en de diverse sloten binnen Donkse Laagten wordt door Waterschap Rivierenland uitgevoerd op een aantal locaties in (de omgeving van) het gebied. Dit wordt deze beheerplanperiode voortgezet. De frequentie van opname wisselt sterk: van wekelijks tot minder dan éénmaal per maand. De meeste locaties zijn via openbare wegen te bereiken. Sommige opnamepunten liggen op een locatie die voor publiek niet vrij toegankelijk is. Voor twee meetpunten van Waterschap Rivierenland moet het gebied betreden worden. Het gaat om meetpunten die éénmaal per maand worden opgenomen. Bij deze metingen zijn medewerkers ongeveer een half uur in het gebied aanwezig.

Bodem-pH

Bodemonderzoek wordt slechts zeer incidenteel uitgevoerd. Dit wordt deze beheerplan periode voortgezet. Hierbij wordt éénmalig een bodemmonster gestoken. De dichtheid aan bodemmonsters is laag, maximaal 3 per hectare, meestal veel minder. Indien de monitoringsactiviteiten buiten de openbare wegen en paden uitgevoerd worden, wordt er meestal rekening gehouden met de aanwezige kolganzen, brandganzen en kleine zwanen. Medewerkers van Staatsbosbeheer beoordelen voorafgaand aan de activiteit of er verstoring van kleine zwanen of een groep (van meer dan 100 individuen) kolganzen of brandganzen plaats kan vinden. Wanneer dit het geval kan zijn, wordt de activiteit op dat moment niet uitgevoerd. 

Vegetatiestructuur

Inventarisatie van vegetatie vindt in het algemeen buiten het winterhalfjaar plaats. Dit wordt deze beheerplanperiode voortgezet. Indien er in de winterperiode inventarisatieactiviteiten buiten de openbare wegen en paden uitgevoerd worden, wordt er rekening gehouden met de vogelsoorten. Medewerkers van Staatsbosbeheer en de Natuur- en Vogelwacht beoordelen voorafgaand aan de activiteit of er verstoring van kleine zwanen of een groep (van meer dan 100 individuen) kolganzen of brandganzen plaats kan vinden. Wanneer dit het geval kan zijn, wordt de activiteit op dat moment niet uitgevoerd. 

9.3 Opslag monitoringsgegevens

De monitoringsgegevens van het Natura 2000-gebied worden op verschillende plaatsen opgeslagen en beheerd. De opslag vindt plaats bij Staatsbosbeheer (wintervogeltellingen Donkse Laagten), bij de Natuur- en Vogelwacht (wintervogeltellingen Alblasserwaard) en bij SOVON (slaapplaatstellingen Donkse Laagten). De gegevens uit monitoring van instandhoudingsdoelen die voor de NEM worden uitgevoerd, worden doorgegeven aan het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het CBS berekent hieruit trends en statistieken ten behoeve van Nationaal en Europees beleid.

9.4 Uitvoering en financiering van de monitoring

Monitoring wordt uitgevoerd in opdracht van de provincie en door de terreineigenaren in het kader van SNL. Ook op particuliere percelen wordt in opdracht van de Provincie gemonitord. In de Ow. is vastgelegd dat de Provincie de Natura 2000-doelen en uitgevoerde maatregelen moet monitoren. Ook is in de wet (artikel 10.10b Ow.) opgenomen dat eigenaren en gebruikers daar medewerking aan moeten verlenen. De betreffende eigenaren worden altijd vooraf (ten minste vier weken voor uitvoering) op de hoogte gesteld, zodat indien nodig afstemming kan plaatsvinden.

9.5 Verantwoordelijkheden

Het Ministerie van EZ is verantwoordelijk voor de periodieke algemene rapportages aan de Europese Commissie en voor het (laten) monitoren van de staat van instandhouding van soorten en het leefgebied van de soorten. Dit is vormgegeven in het Netwerk Ecologische Monitoring (NEM). Dit is een samenwerkingsverband van overheidsorganisaties voor natuurmonitoring in Nederland. Partners in dit netwerk zijn onder andere het ministerie van EZ, het ministerie van IenM, Rijkswaterstaat en de provincies. Het monitoren van trends van soorten van de Europese Vogelrichtlijn zijn onderdeel van de NEM.

10 Vergunningverlening en handhaving

Dit hoofdstuk geeft het kader dat wordt gebruikt bij vergunningverlening, op grond van de voor natuurbescherming geldende wet- en regelgeving. Wanneer in dit hoofdstuk wordt gesproken over ‘de wet’ dan wordt daarmee bedoeld de Omgevingswet. Er wordt in dit hoofdstuk niet ingegaan op een mogelijke vergunningplicht vanuit andere wetgeving.

De status van Natura 2000-gebied brengt verplichtingen, maar ook kansen met zich mee. Voor activiteiten binnen het gebied, maar ook voor de activiteiten in de omgeving, kan dat beperkingen opleveren wanneer er kans is op schade aan de natuur. Dat is bijvoorbeeld aan de orde wanneer er sprake is van de uitstoot van stoffen waar de natuur kwetsbaar voor is, bij grondwateronttrekking, of wanneer bedrijven of activiteiten op een andere manier een verstorend effect hebben op de natuur. Aan de andere kant biedt de nabijheid van een Natura 2000-gebied ook kansen op het gebied van recreatie en maakt het een gemeente aantrekkelijk om in te wonen. 

Het uitgangspunt is dat de activiteiten die al plaatsvonden op het moment van aanwijzing van het Natura 2000 gebied kunnen blijven bestaan, mits deze ongewijzigd zijn (zie ook hoofdstuk 10). Dat neemt niet weg dat in sommige gevallen, zoals bijvoorbeeld bij toenemende recreatiedruk, het noodzakelijk kan zijn om in de bestaande situatie toch bij te sturen door bijvoorbeeld delen van het gebied minder of beperkter toegankelijk te maken. Nieuwe projecten en activiteiten moeten altijd worden getoetst. 

In hoofdstuk 10 wordt verdere uitwerking gegeven aan de vergunningplicht. 

 Woonomgeving 

De aanwezigheid van een Natura 2000-gebied is niet zelden een argument om de kwaliteit van de woonomgeving aan te geven. Ook hier geldt dat het bestaande gebruik van wonen, leven, werken, in de regel zonder beperking kan worden voortgezet. Bij nieuwe activiteiten of bij wijziging van het huidige gebruik kan wel sprake zijn van een vergunningplicht. Zo zijn bijvoorbeeld veel Natura 2000-gebieden erg gevoelig voor verlaging van het grondwaterpeil. Voor ingrepen die de waterhuishouding kunnen beïnvloeden zoals bijvoorbeeld de aanleg van drainage of aanpassing van watergangen zal dan ook meestal een vergunning noodzakelijk zijn. 

 Bedrijvigheid en stikstof 

De huidige depositie van stikstof is te hoog voor de aanwezige natuur. De meeste natuur is (bijzonder) gevoelig voor een overmaat aan stikstof. Een toename van stikstof moet dan ook in veel gevallen worden beschouwd als significant schadelijk voor de natuur. Dat betekent dat de stikstofdepositie verder moet worden teruggedrongen. Dat betekent ook dat tot die tijd nieuwe ontwikkelingen in de omgeving, die leiden tot een toename van stikstofdepositie, zijn uitgesloten, tenzij er in het kader van een vergunningenprocedure mitigerende of compenserende maatregelen worden getroffen. 

Voor het terugdringen van de stikstofdepositie is op landelijk en provinciaal niveau beleid in ontwikkeling. Dat beleid is gericht op het terugdringen van stikstofemissie uit alle sectoren. Dit beleid wordt niet in dit beheerplan maar in afzonderlijke provinciale en landelijke beleidsdocumenten vastgelegd. De concrete uitvoering van dit beleid zal vooral ook via de gebiedsprocessen vorm krijgen. 

Naast de uitstoot van stikstof kunnen er ook andere zaken spelen die het behalen van de Natura 2000-doelen in de weg staan. Vanuit de agrarische sector kan gedacht worden aan de uitspoeling van meststoffen en bestrijdingsmiddelen. Ook verdroging of verstoring in de vorm van licht en geluid kunnen een negatief effect hebben op de natuur. Activiteiten waarbij dit speelt zijn niet toegestaan zonder vergunning en zonder dat hiervoor mitigerende of compenserende maatregelen worden genomen. 

 Agrarische bedrijvigheid 

Binnen de meeste Natura 2000-gebieden bevinden percelen met een blijvende agrarische bestemming zich, op een enkele uitzondering na, buiten de Natura 2000-begrenzing. Dat betekent dat hier de relatie tussen landbouw en Natura 2000 vooral betrekking heeft op de zogenaamde ‘externe werking8 van het agrarisch gebruik op de natuur. Het uitgangspunt is dat het agrarische gebruik, zoals dat op het moment van aanwijzing als Natura 2000-gebied (plaatsing als Habitatrichtlijngebied op de Communautaire Lijst op 7 december 2004) van toepassing was en dat sindsdien niet in betekenende mate is gewijzigd, vooralsnog zonder vergunning kan worden voortgezet. Leiden deze activiteiten, ook bij ongewijzigde voortzetting, tot een verslechtering van de natuur, dan kunnen ingrijpen en een vergunning aan de orde zijn. In Donkse Laagten bevinden zich nog wel percelen in agrarisch gebruik binnen de Natura 2000-begrenzing. In de gebiedsprocessen vanuit het ZH-PLG wordt samen met de betrokken agrariërs gekeken welke mogelijkheden er zijn voor een vitale landbouwsector. 

 Particulier natuurbeheer  

Sinds 2013 is het voor particulieren in het Natura 2000-gebied ook mogelijk om SNL-subsidie aan te vragen voor particulier natuurbeheer op hun eigendommen in het gebied, mits het eigendom binnen de Natuurbeheerplankaart begrensd is. Dit wordt geregeld in het Natuurbeheerplan van de provincie. Het aanvragen van deze subsidie vraagt een waarborg van een goed en professioneel beheer van de natuur(doelen). Hierbij gelden meerdere regels. Het terrein moet bijvoorbeeld voldoen aan de kenmerken van een natuurbeheertype en Natura 2000-habitattype, en het beheer moet voldoen aan bepaalde kwaliteitseisen. Ook moet de beheerder voor een individuele subsidieaanvraag ten minste 75 hectare aan grond bezitten en beheren binnen het Natuur Netwerk Nederland in de provincie. Als de beheerder niet aan deze oppervlakte-eis voldoet, kan een samenwerkingsverband gevormd worden met andere natuurbeheerders voor een collectieve subsidieaanvraag. Een overzicht van alle voorwaarden en procedures is te vinden op: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/subsidiestelsel-natuur-en-landschap/natuurbeheer/.  

Daarnaast zijn er incidentele subsidies mogelijk vanuit het Programma Natuur. Ook hiervoor kunnen particuliere eigenaren subsidie aanvragen. Meer informatie is te vinden op de website van provincie Zuid-Holland (https://www.zuid-holland.nl/online-regelen/subsidies/).  

Overige bedrijvigheid 

Naast de uitstoot van stikstof kunnen er ook andere zaken spelen die het behalen van de Natura 2000-doelen in de weg staan. Vanuit de bedrijvensector kan gedacht worden aan wateronttrekking, windmolens of verstoring in de vorm van licht, geluid of anderszins. Wanneer er sprake is van kans op significante gevolgen voor de instandhoudingsdoelen is een vergunning vereist. De aanwezige bedrijvigheid ten tijde van de aanwijzing is geïnventariseerd. Voor verdere toelichting zie hoofdstuk 10 Vergunningverlening en handhaving. 

Mobiliteit 

Voor gemotoriseerd verkeer, waarbij sprake is van uitstoot van stikstof, geldt hetzelfde als hierboven beschreven. Er is een noodzaak tot terugdringing van de stikstofdepositie. Nieuwe ontwikkelingen waarbij sprake is van een toename van stikstof zijn vergunningplichtig. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan uitbreiding van parkeerplaatsen, vergroting van de wegcapaciteit of de organisatie van verkeer aantrekkende activiteiten. 

Naast de uitstoot van stikstof kan mobiliteit ook leiden tot directe schade aan habitattypen of leefgebieden. Dat kan bijvoorbeeld ook gelden voor fietspaden of nieuwe ATB-routes. Ook daarvoor geldt een vergunningplicht. 

Recreatie en toerisme 

De behoefte aan het recreëren in de natuur neemt nog steeds toe. Door de toenemende mobiliteit (auto, elektrische fiets en boten) wordt de natuur meer en intensiever benut. Alhoewel het mogelijk maken van de beleving van de natuur beleidsmatig een belangrijk doel is voor Natura 2000-gebieden (Provincie Zuid-Holland, 2023), lijkt dit in verschillende gebieden zijn grens te bereiken. Waar recreatie leidt tot het verdwijnen van diersoorten en het verarmen van de habitattypen is die grens overschreden. Om ervoor te zorgen dat de natuur en de beleving daarvan in de juiste balans blijven zal de huidige inrichting van de natuurgebieden dan moeten worden aangepast ten gunste van de natuurdoelen. 

Dit alles vraagt ook om verantwoordelijkheid vanuit de recreatiesector. De bijzondere natuurkwaliteit en het Europese keurmerk worden niet zelden door horeca en verblijfsrecreatie als ‘selling-point’ ingezet. Daar mag een verantwoordelijke ondernemer en een goede voorlichting aan de recreant voor worden teruggevraagd. 

In de Provinciale staten van provincie Zuid-Holland is speciaal aandacht gevraagd voor recreatief autoverkeer. In dit Natura 2000-gebied is dit niet van toepassing. 

Drones 

Vliegen met drones (alle gewichtsklassen) boven Natura 2000-gebied biedt kansen en risico’s. 

Kansen voor beheerders om met drones te monitoren en kansen voor toezichthouders om snel inzicht te krijgen in illegale- en noodsituaties. Inzet van drones kan belangrijke voordelen hebben ten opzichte van de inzet van helikopters, andere voertuigen en / of menselijke betreding. 

Inzet van drones brengt ook risico’s met zich mee, wanneer drones worden ingezet zonder kennis van aanwezige natuurdoelen en mogelijk verstoring van deze doelen veroorzaken. Omdat deze activiteit potentieel nadelige effecten kent op de Natura 2000-doelen, is deze activiteit in het kader van gebiedsbescherming in principe vergunningplichtig in het kader van gebiedsbescherming

 Buiten deze gebiedsbescherming kan vanuit de Ow en het Bal ook andere regelgeving van toepassing zijn op het vliegen met drones in N2000‐gebieden, zoals soortenbescherming of toegangsbeperkende besluiten. Daarnaast is de specifieke zorgplicht (artikel 11.6 Bal) altijd van kracht. 

Het gebruik van drones binnen een Natura 2000‐gebied is een vergunningplichtige activiteit. Gebruik van drones kan alleen worden vrijgesteld van de vergunningplicht in het kader van artikel 5.1, lid 1 onder e van de Ow, als het dronegebruik voldoet aan elk van de volgende vier voorwaarden: 

  • 1.

    De vluchten worden uitgevoerd voor de uitvoering van noodzakelijk beheer en onderhoud, noodzakelijke monitorings-, reddings-, inspectie-, toezicht-, opsporings-, en defensietaken (waaronder HEMS5, SAR6, politie, brandweer of kustwachtvluchten), alsmede voor de uitvoering van calamiteitenbeheer. In algemene zin geldt in daadwerkelijke calamiteitensituaties het adagium ‘nood breekt wet’. 

  • 2.

    De vluchten voor de onder 1 genoemde publieke taken worden in opdracht van de overheid, dan wel door of in opdracht van de terreinbeherende natuurorganisatie uitgevoerd. 

  • 3.

    De vluchten worden uitgevoerd binnen de specifieke (drone)categorie, of met inachtneming van een door de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) goedgekeurd handboek RPAS operaties7. 

  • 4.

    De piloot van de drone is aantoonbaar op de hoogte van de lokale en actuele situatie ten aanzien van de beschermde natuurwaarden en de verstoringsgevoeligheid van die waarden. De piloot handelt conform artikel 11.6 (specifieke zorgplicht) van het Bal. Verslaglegging hiervan ligt bij de gebruiker en kan via bijvoorbeeld het vluchtplan of vlieglogboek.  

10.1 Vergunningverlening

Wanneer geldt de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten? 

De vergunningplicht geldt voor activiteiten, inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Ow). Dit geldt zowel voor activiteiten binnen het Natura 2000-gebied als voor activiteiten die buiten het gebied plaatsvinden en invloed hebben op het gebied. Of een activiteit vergunningplichtig is moet per situatie worden beoordeeld. Hiervoor wordt vaak een ‘voortoets’ of ‘natuurtoets’ opgesteld door een (onafhankelijke) ecologisch adviseur.

Voor projecten die direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, geldt derhalve een uitzondering op de vergunningplicht. Daaronder vallen onder andere alle (instandhoudings-)maatregelen zoals deze in dit beheerplan zijn beschreven, maar bijvoorbeeld ook het reguliere (natuur- en water)beheer en onderhoud in het gebied alsmede uitvoeringsmaatregelen in NNN-gebieden die verband houden met of nodig zijn voor het halen van de gunstige staat van instandhouding van Natura 2000-waarden. Daarnaast kunnen in het beheerplan ook vrijstellingen van de vergunningplicht zijn opgenomen. Aanvullend kunnen in het beheerplan ook vrijstellingen van de vergunningplicht worden opgenomen. Hiervoor moeten activiteiten passend beoordeeld worden.

In het kader van het beheerplan is voor het huidige gebruik een voortoets uitgevoerd (zie paragraaf 11.2). Er is beoordeeld of het huidige gebruik in en direct rondom het gebied kan leiden tot significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen. Voor activiteiten waarvoor significant negatieve effecten niet op voorhand uitgesloten kunnen worden, moet een passende beoordeling opgesteld worden. Gedeputeerde Staten hebben ervoor gekozen geen vrijstellingen van de vergunningplicht op te nemen. 

Wanneer uit de voortoets blijkt dat voor een activiteit een passende beoordeling moet worden uitgevoerd, is niet in alle gevallen een vergunning nodig. In sommige gevallen (bijvoorbeeld veel veehouderijen) is al een vergunning verleend. Die vergunning blijft gewoon rechtsgeldig. Ook wanneer het gaat om activiteiten die al vóór de aanwijzing van Donkse Laagten als Natura 2000-gebied (zie 1.2 voor de specifieke data van aanwijzing) plaatsvonden én sindsdien ongewijzigd (d.w.z. met dezelfde intensiteit, op dezelfde locatie en in dezelfde periode) zijn voortgezet, is geen vergunning nodig. Voor vergunningverlening gelden de data van aanwijzing als referentie ten opzichte waarvan effecten moeten worden beoordeeld, tenzij er na deze data een besluit is genomen dat de activiteit inperkt. Is of wordt het huidig gebruik gewijzigd of is er sprake van verslechtering van de natuur, mede veroorzaakt door het huidig gebruik, dan kan het nodig zijn om in te grijpen en kan een vergunningplicht alsnog aan de orde zijn.   

Meer informatie over vergunningverlening kan worden gevonden via de website van Omgevingsdienst Haaglanden, die namens de provincie Zuid-Holland vergunningen toetst en verleent: https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/themas/natuurbescherming/.. 

Welke factoren zijn bepalend voor de vergunningplicht? 

Op de website van Synbiosys (Beschermde natuur in Nederland) is informatie te vinden over de storende factoren van (voorgenomen) activiteiten en voor welke soorten en / of habitattypen dit tot significante gevolgen kan leiden. Hier is onder andere de ‘effectenindicator’ te vinden. Deze geeft per Natura 2000-gebied een eerste indicatie van mogelijke effecten van de diverse storingsfactoren op de natuurdoelen.

Indien uit de voortoets blijkt dat de activiteit een significant negatief effect op een of meer instandhoudingsdoelstellingen kan hebben, is sprake van een vergunningplichtige activiteit en kan deze niet onverkort worden opgenomen in het beheerplan. Activiteiten die niet in de beoordeling zijn meegenomen, dienen eigenstandig te worden beoordeeld buiten het kader van voorliggend beheerplan en vormen daarmee derhalve ook geen onderdeel van de van een vergunning vrijgestelde Natura 2000-activiteiten. 

Wat moet een initiatiefnemer doen? 

Als er mogelijk sprake is van een significant (negatief of schadelijk) effect op de instandhoudingsdoelen van een niet-vrijgestelde activiteit in dit beheerplan óf van een gewijzigde óf een nieuwe activiteit, dan geldt een vergunningplicht. Wanneer het niet duidelijk is of er een vergunningplicht is, kan contact worden opgenomen met het bevoegd gezag. 

In de meeste gevallen zijn Gedeputeerde Staten van de provincie waarin de activiteit plaatsvindt bevoegd gezag. Voor het bevoegd gezag is het voor de beoordeling van belang dat er een duidelijke beschrijving is van de activiteit, dat wordt aangegeven in welke mate storingsfactoren aan de orde zijn en wat de ligging is ten opzichte van het Natura 2000-gebied. Voor een uitgebreide beschrijving van de procedure voor vergunningverlening en welke gegevens daarvoor moeten worden verstrekt, wordt verwezen naar de eerdergenoemde websites van Omgevingsdienst Haaglanden en provincie Utrecht. In een beperkt aantal in de wet omschreven situaties is de minister van LNV bevoegd om een besluit te nemen over vergunningaanvragen, waaronder aanvragen die betrekking hebben op luchthavens van nationaal belang, militaire terreinen en activiteiten, hoofdwegen, hoofdwatergangen en visserij. 

Als een activiteit een significant negatief effect heeft, is het mogelijk een vergunning te verlenen als de negatieve effecten worden voorkomen of sterk verminderd door het nemen van mitigerende (‘verzachtende’) maatregelen. Wanneer mitigerende maatregelen onvoldoende zijn om een significant effect op de natuurdoelen te voorkomen, dan is een zogenaamde ADC-procedure noodzakelijk. In dat geval kan alleen een vergunning worden verleend als er geen Alternatieven zijn, er sprake is van een ‘Dwingende reden van groot openbaar belang’ en de negatieve effecten worden gecompenseerd, waarbij de compensatie is gerealiseerd voordat de activiteit wordt uitgevoerd. 

Soortenbescherming en de zorgplicht

Naast de soorten met een instandhoudingsdoel zoals omschreven in VHR-doelen van het gebied, kunnen ook andere beschermde soorten voorkomen in of rondom een Natura 2000-gebied. In Donkse Laagten zijn dit bijvoorbeeld alle van nature in Nederland voorkomende broedvogels en soorten als de heikikker, platte schijfhoren, zeggekorfslak en kleine modderkruiper. Het verstoren, beschadigen of doden van beschermde soorten is niet toegestaan. Wanneer er toch een risico hierop bestaat, is een vergunning nodig. Meer informatie daarover is terug te vinden op de website van Omgevingsdienst Haaglanden: https://omgevingsdiensthaaglanden.nl/themas/natuurbescherming/beschermdesoortenenontheffingen/

Activiteiten die vallen onder de uitzondering op de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten (zie hierboven onder ‘wanneer geldt de vergunningplicht’), zijn ook uitgezonderd van een vergunningsplicht voor soorten. In alle gevallen geldt de zorgplicht (artikel 11.27 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving). Daarin staat dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, overige natuurgebieden en alle in het wild voorkomende dieren en planten. Handelingen met negatieve gevolgen voor natuurgebieden of soorten mogen niet worden uitgevoerd of er moeten maatregelen worden genomen om negatieve gevolgen te voorkomen en schade te herstellen.

10.2 Toezicht en handhaving

Het Natura 2000-beheerplan dient als kader voor de uitvoering van het beheer, het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen en ook voor vergunningverlening en handhaving. Het halen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelen en het daarvoor nemen van de juiste maatregelen is een wettelijke verplichting. Toezicht en handhaving is hiervoor een van de instrumenten. 

Toezicht en handhaving wordt uitgevoerd door toezichthouders in dienst van de provincie, het waterschap, de gemeente en Staatsbosbeheer. Daarnaast zijn er ook toezichthouders in het gebied actief van bijvoorbeeld de politie, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en jachtopzichters. Vaak trekken de verschillende toezichthouders samen op. In Zuid-Holland worden toezicht en handhaving uitgevoerd door Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid. Met hen worden per gebied specifieke afspraken gemaakt ten aanzien van toezicht en handhaving. Op hun website is meer informatie te vinden over toezicht en handhaving in Natura 2000-gebieden, en kan een melding worden gemaakt van (mogelijk) illegale activiteiten: https://www.ozhz.nl/themas/natuur/

De provincie heeft een regierol bij de toezicht en handhaving van de milieuwetgeving. Waar mogelijk worden deze wetten ook ingezet voor de bescherming van de Natura 2000-gebieden.

11 Huidig gebruik en MER-plicht

11.1 MER-plicht

11.1.1 Kader MER-plicht

Met de invoering van de Omgevingswet worden Natura 2000-beheerplannen beschouwd als een verplicht programma. Eén van de gevolgen daarvan is dat bij het opstellen dan wel wijzigen c.q. actualiseren van een beheerplan sprake kan zijn van een plan-mer(beoordelings)plicht. Op hoofdlijnen zijn er twee routes die leiden tot een plan-mer-plicht. Deze worden hieronder kort toegelicht.

Hier de lijstaanhef

  • 1.

    De eerste route is wanneer het beheerplan activiteiten waarvoor een passende beoordeling opgesteld had moeten worden, vrijstelt van vergunningplicht. Een passende beoordeling moet worden opgesteld wanneer “

    een plan of project [..] niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor zo'n gebied, [….], rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied”.  

  • 2.

    De tweede route is wanneer het beheerplan ‘kaderstellend’ is voor mer-plichtige plannen of projecten of voor plannen of projecten met ‘aanzienlijke milieugevolgen’. Het is daarbij voldoende dat het plan (of programma) richting geeft aan of de toon zet voor het latere mer-(beoordelings)plichtige besluit. Het is geen vereiste dat de projecten waarvoor het plan of programma een kader stelt al concreet zijn uitgewerkt. Belangrijk hierbij is dat ‘milieugevolgen’ verder reiken dan directe (significante) gevolgen voor het Natura 2000-gebied zelf. Het kan ook gaan om effecten buiten het Natura 2000-gebied of milieueffecten die de instandhoudingsdoelen niet (significant) beïnvloeden. In de praktijk kan het Natura 2000-beheerplan kaderstellend zijn voor verschillende vormen van gebruik (incl. beheer en onderhoud) in en direct rondom het gebied en voor maatregelen die genomen worden om de instandhoudingsdoelen (instandhoudingsmaatregelen) te behalen of verslechtering te voorkomen (passende maatregelen). Hoewel beheer-, instandhoudings- en passende maatregelen vallen onder de uitzondering op de vergunningplicht voor ‘Natura 2000-activiteiten’ (artikel 5.1 Ow.), kunnen zij in theorie ‘aanzienlijke milieugevolgen’ hebben of kunnen zij voorkomen op de lijst van mer-plichtige activiteiten. Een voorbeeld daarvan is het afplaggen van meer dan 150 ha veengrond wat beschouwd zou kunnen worden als de mer-plichtige activiteit turfwinning.   

Of het beheerplan 'kaderstellen' is voor mer-plichtige plannen of projecten wordt op twee manieren getoetst.

Hier de lijstaanhef

  • I.

    De eerste (en makkelijkste) is of het plan of project voorkomt op de lijst van mer-plichtige projecten, zoals hierboven al genoemd. Deze lijst is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit.   

  • II.

    De tweede is of het beheerplan kaderstellend is voor andere activiteiten met aanzienlijke milieueffecten dan genoemd in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Of hiervan sprake is, moet worden beoordeeld op basis van criteria uit bijlage II van de SMB1-richtlijn. Het gaat daarbij zowel om kenmerken van de plannen en programma’s als om kenmerken van de effecten en de gebieden die kunnen worden beïnvloed.  

In Bijlage II van de SMB-richtlijn wordt onder meer verwezen naar de risico's voor menselijke gezondheid, bijzonder natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed, beschermde landschappen en de overschrijding van milieunormen of grenswaarden.

11.1.2 Mer-beoordeling

Een Natura 2000-beheerplan is een verplicht programma onder de Omgevingswet. Dat betekent dat in beginsel een mer-beoordelingsplicht geldt. 

Om te kunnen beoordelen of er voor dit Natura 2000-beheerplan een mer-plicht geldt, moeten de volgende vragen worden beantwoord:

Hier de lijstaanhef

  • 1.

    Worden er activiteiten vrijgesteld waarvoor een passende beoordeling opgesteld moet worden?

  • 2.

    Vormt het beheerplan het kader voor mer-plichtige activiteiten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit?

  • 3.

    Vormt het beheerplan het kader voor overige activiteiten met aanzienlijke milieugevolgen?

Wanneer alle vragen met 'nee' beantwoord kunnen worden, is er geen sprake van een mer-plicht.

Voor het beheerplan van Donkse Laagten is er geen sprake van een mer-plicht. Er zijn geen activiteiten vrijgesteld waarvoor een passende beoordeling opgesteld zou moeten worden. Daarnaast vormt dit beheerplan geen kader voor mer-plichtige activiteiten of andere activiteiten met aanzienlijke milieugevolgen. 

11.2 Toetsing huidig gebruik

Figuur 11-1 Schematische weergave toetsing huidig gebruik
afbeelding binnen de regeling
Figuur 11-1 Schematische weergave toetsing huidig gebruik. Het rode kader geeft de scope van de voortoets weer.  
11.2.1 Methodiek voortoets

De toetsing huidig gebruik geeft uitsluitsel of voor een activiteit al dan niet op voorhand de kans op optredende significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Indien significant negatieve effecten op voorhand niet kunnen worden uitgesloten is een Passende beoordeling vereist (artikel 16.53c, Omgevingswet). De gevolgde stappen zijn hieronder kort toegelicht. In Bijlage II staat de uitkomst van deze analyse beschreven.

  • 1.

    Overzicht gebruik

    In stap 1 is een overzicht van het huidig gebruik beschreven. Er is een opsomming gemaakt van het gebruik dat plaatsvindt in en rond het gebied. De lijst bestaat uit vrijgestelde activiteiten uit het eerste beheerplan, aangevuld met activiteiten die aanwezig waren ten tijde van de aanwijzing (maar nog niet in beeld). Hierbij zijn ook activiteiten binnen en buiten de begrenzing meegenomen die, gelet op de verstoringsfactoren, invloed zouden kunnen hebben op de aanwezige natuurwaarden. Het overzicht geeft de duiding of het bestaand of nieuw gebruik is, of het veranderd is ten opzichte van ten tijde van opstellen eerste beheerplan en zo ja, in wat voor opzicht. Wanneer het een vorm van gebruik niet een Natura 2000-activiteit[11] is, wordt het niet meegenomen in verdere toetsing. Wanneer het gebruik niet meer voorkomt in het Natura 2000-gebied wordt deze ook niet meegenomen in de verdere toetsing. Stikstof depositie als gevolg van gebruik is niet beoordeeld. 

  • 2.

    Storingsfactoren

    Overzicht van welke verstoringsfactoren (voorbeeld; oppervlakteverlies of verdroging) kunnen optreden door een categorie gebruik (voorbeeld; bebouwing of visserij) op basis van categorieën van de effectenindicator (Broekmeyer et al. 2005). De effectenindicator was ten tijde van het opstellen van de voortoets nog beschikbaar, maar is sindsdien offline gehaald. Bron: effectindicator (Beschermde natuur in Nederland). De achterliggende informatie van deze tool is te vinden op (Beschermde SoortenIndicator (BeSI) - BIJ12). Deze tabel is ingevuld op basis van expert judgement: ja/nee of de categorie tot een van de storingsfactoren kan leiden. Dit is op basis van bestaand gebruik, dus de vraag is of het gebruik zoals zich dat nu voordoet kan leiden tot de factor. De vraag is dus niet of de factor op gaat treden als die betreffende categorie geïntroduceerd wordt. 

  • 3.

    Trend doelen

    Per instandhoudingsdoel is de trend in het evaluatierapport geanalyseerd, er is gekeken of dit doel moet worden meegenomen in de verdere analyse. Vanuit de totaallijst van doelen geven we hier aan welke doelen met zekerheid een positieve trend hebben (en om die reden niet betrokken worden), welke een negatieve trend hebben maar waarvan we met zekerheid kunnen zeggen dat dit komt door de gebruikte karteermethode, door successie, door het uitgevoerde beheer en/of uitgevoerde maatregelen (en om die reden niet betrokken worden). Indien er onzekerheid is over de verklaring van een negatieve of positieve trend of als er geen verklaring voor de negatieve trend is, wordt een doel meegenomen in de verdere analyse. Ook als de trend van een doel stabiel is wordt deze verder meegenomen in de analyse.

  • 4.

    Effecten indicator HT en HR

    Voor de instandhoudingsdoelen (zie Stap 3) is ingevuld wat de gevoeligheid voor de storingsfactoren die mogelijk kunnen optreden door het gebruik. Dus alleen de Instandhoudingsdoelstellingen die mee worden genomen uit de analyse 'trend doelen'. De gebruikte bron was ten tijde van het opstellen van de voortoets nog beschikbaar, maar is sindsdien offline gehaald. Bron: effectindicator (Beschermde natuur in Nederland). De achterliggende informatie van deze tool is te vinden op (Beschermde SoortenIndicator (BeSI) - BIJ12). 

  • 5.

    Instandhoudingsdoel(en)

    Per Instandhoudingsdoel is dit apart verder uitgewerkt in een tabel. Dit is gegenereerd op basis van de vorige stappen (stap 2 & 4). Dit is een combinatie van de beoordeling storingsgevoeligheid voor het HT of de VHR-soort (stap 4) en de expert judgement beoordeling over uit tabblad 'Storingsfactoren' (stap 2). Per gebruik (stap 1) wordt in een cel 'relevant' ingevuld indien een gebruikscategorie een verstoringsfactor kan veroorzaken (stap 2; ‘ja’) EN de soort gevoelig is voor die verstoringsfactor (stap 4; 'zeer gevoelig', 'gevoelig' of 'onbekend'). In de overige cellen staat 'nee'. 

  • 6.

    Samenvattende tabel

    In deze tabel staat een samenvatting van de tabellen per ISHD (stap 5) of het bestaand gebruik relevant is voor de Instandhoudingsdoelen. In deze tabel staat per gebruik of er storingsfactoren veroorzaakt kunnen worden waar de instandhoudingsdoelen gevoelig voor zijn. Wanneer er 'Ja' in de tabel staat, moet dat betreffende gebruik voor de corresponderende doelen verder meegenomen worden in de voortoets. 

  • 7.

     Analyse overlap tijd & ruimte

    In deze analyse staat beschreven waar, wanneer, hoe vaak etc. een gebruik plaatsvindt, en of dat gebruik is gewijzigd. Daarbij staat een analyse over de overlap in tijd of ruimte van een gebruik en een ISHD. Bij ruimte gaat het niet alleen om fysieke overlap maar ook of het gebruik binnen de verstoringsafstand plaatsvindt. Wanneer veel onbekend is, geldt het voorzorgbeginsel. Indien er vormen van gebruik zijn die volledig in ruimte/tijd met HT of leefgebied uitsluiten, dan hebben deze geen effect. Voor deze vormen is dus de conclusie dat ze vrijgesteld kunnen worden. 

  • 8.

    Nadere analyse effect

    In deze tabel staat per gebruik aangegeven of ondanks dat er overlap in met de ISHD is, er een andere reden is om effect uit te sluiten; omdat de frequentie, duur en intensiteit van een gebruik niet kan leiden tot een significant negatief effect, of omdat het gebruik plaatsvindt binnen daarvoor bestemde infrastructuur. 

  • 9.

    Overzicht conclusie

    In deze tabel staat een overzicht van alle vormen van gebruik in betreffend N2000-gebied en aangeven of dit gebruik vergunningvrij kan worden opgenomen in beheerplan of dat er een passende beoordeling nodig is. Deze tabel is een samenstelling van kolommen uit de vorige stappen, inclusief de conclusie van deze voortoets met een uitgebreide toelichting waarom deze conclusie is getrokken. Indien er kenmerk(en) van het gebruik[12] verbonden zijn aan de vrijstelling staan deze hier ook beschreven.

De bovenstaande stappen zijn in een apart document uitgewerkt. Door complexiteit en grootte van de analyse is er voor de bruikbaarheid voor gekozen om in dit beheerplan de resultaten in beschrijvende vorm op te nemen (zie Bijlage II). Ook is in paragraaf 11.3 een samenvattende tabel opgenomen. Bestaand gebruik is niet vergunningplichtig indien zo is aangegeven in de onderstaande hoofdstukken en de activiteit in dezelfde mate en omvang wordt uitgevoerd als daar beschreven (Bijlage I Alle wijzigingen van een activiteit ten opzichte van de referentiesituatie dienen opnieuw te worden getoetst.

11.3 Samenvattende tabel uitkomst voortoets

De voortoets is achtereenvolgend gerapporteerd in Bijlage II. In de onderstaande tabel is de conclusie weergegeven. Bestaand gebruik is niet vergunningplichtig indien zo is aangegeven in Tabel 11‑1 en de activiteit in dezelfde mate en omvang wordt uitgevoerd als beschreven in bijlage II. Alle wijzigingen van een activiteit ten opzichte van de referentiesituatie dienen opnieuw te worden getoetst.

Tabel 11-1 Conclusie voortoets Donkse Laagten.

Gebruik

Binnen of buiten de N2000-begrenzing

Gebruik vergunningvrij 

Toelichting waarom gebruik wel of niet vergunningvrij kan worden opgenomen.

Gebruik kan vergunningvrij in Beheerplan worden opgenomen met de volgende kenmerk(en) van het gebruik[13]

Natuurbeheer (Maaien en hooien, bemesting, peilbeheer, greppelonderhoud, slotenschonen, sloten baggeren, gefaseerd rietoever beheer, knotten van knotbomen)

Binnen

Ja

Met de invoering van de Omgevingswet is de Wet Natuurbescherming (Wnb) ingetrokken en zijn de bepalingen daaruit overgegaan in de Ow en in de daaraan hangende Amvb's (het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Omgevingsbesluit). Deze omzetting is 'beleidsneutraal' gebeurd. Dat wil zeggen dat materieel gezien de regels nog steeds hetzelfde zijn en dat de rechtspraak die onder de Wnb tot stand is gekomen nog onverminderd het juridische kader weergeeft. Dit volgt bijvoorbeeld uit deze passage uit de wetsgeschiedenis: “Bij de parlementaire behandeling van het voorstel voor de Wet natuurbescherming is door het toenmalige kabinet meermalen bevestigd dat het normenkader en de instrumenten ongewijzigd zullen overgaan en dat geen afbreuk wordt gedaan aan het beschermingsniveau; de overgang van de regels over de bescherming van de natuur en de daarbij horende bevoegdheidsverdeling geschiedt dus beleidsneutraal.”. (Kamerstukken II 2017/18, 34985, nr. 3, p. 7).” Op basis van onderstaande artikelen uit de Omgevingswet (die onverkort zijn doorgevoerd vanuit de Wnb, kan worden geconcludeerd dat zowel natuurbeheer en als instandhoudingsmaatregelen vrijstelling kent van de vergunningplicht en derhalve onverkort vergunningvrij in het beheerplan kunnen worden opgenomen en dat daarmee geen Passende Beoordeling voor deze activiteiten nodig is. Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Omgevingswet juncto de bijlage bij (artikel 1.1) Omgevingswet, met de bepaling: “activiteit, inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied;” Artikel 11.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal): “Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, is niet van toepassing op projecten die zijn beschreven in en worden gerealiseerd overeenkomstig een beheerplan”.

-

Instandhoudingsmaat-regelen

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Baggerwerkzaamheden Achterwaterschap

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Bodemonderzoek

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Hydrologische inventarisaties

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Inventarisatie van vegetatie en amfibieën

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Vogelinventarisaties (ganzentellingen en ringwaarnemingen)

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Broedvogelinventarisatie 

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Steltlopertelling

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Weidevogel en BMP-broedvogeltellingen

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Naturalis insectenonderzoek en WUR graslandonderzoek, waarin ganzenschade en kruidensamenstelling worden meegenomen. 

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Zoogdieronderzoek met behulp van vallen of door middel van zichtwaarnemingen of geluid.

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Ganzenbeheer

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Muskusrattenbestrijding

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Beverratbestrijding

Binnen

Ja

Zie toelichting natuurbeheer.

-

Ongewenste plantensoorten (onder andere grote waternavel & reuzen berenklauw)

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Jacht en schadebestrijding

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Eendenkooi

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Wandelen en fietsen

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Kamperen

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Excursies

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Onderhoudsmaatregelen aan recreatieve voorzieningen

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Varen

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Schaatsen

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Sportvissen

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Sportvliegen

Binnen

Ja

In het eerste beheerplan werden er een voorwaarde gesteld voor sportvliegen. Wanneer het gebruik volgens deze beschrijving wordt uitgevoerd, zijn significant negatieve effecten op Natura 2000 habitattypen en leefgebieden uitgesloten, daarom is deze voorwaarde als kenmerk van het gebruik ook in het tweede beheerplan opgenomen. 

In de winterperiode (1 oktober – 30 april) heeft vliegen met sportvliegtuigen een verwaarloosbaar effect op de instandhoudingsdoelen indien de Gedragscode voor de Recreatieve Luchtvaart gevolgd wordt. Het volgen van deze gedragscode is daarom als kenmerk van het gebruik in het beheerplan opgenomen. 

Luchtballonvaart

Binnen

Ja

In het eerste beheerplan werden er voorwaarden gesteld voor luchtballonvaart. Wanneer het gebruik volgens deze beschrijving wordt uitgevoerd, zijn significant negatieve effecten op Natura 2000 habitattypen en leefgebieden uitgesloten, daarom zijn deze voorwaarden als kenmerken van het gebruik ook in het tweede beheerplan opgenomen. 

In de winterperiode (1 oktober – 30 april) is er een verwaarloosbaar effect indien een minimale vlieghoogte van 305m wordt aangehouden. Hieraan wordt voldaan wanneer ballonvaarders zich houden aan de Gedragscode recreatieve luchtvaart en de Gedragscode Ballonvaart waarin eveneens 305m als minimale vlieghoogte wordt aangehouden. Landen met luchtballonnen in Donkse Laagten heeft in de winterperiode een groot effect op de instandhoudingsdoelen. Hoewel de hier gestelde kenmerken van het gebruik worden gedekt door de gedragscode ballonvaart boven Natura 2000-gebieden wordt dit gebruik beschreven met de volgende kenmerken: 

- minimale vlieghoogte in de winterperiode van 305m; 

- landingsverbod in de winterperiode.

Paragliden

Binnen

Ja

In het eerste beheerplan werden er een voorwaarde gesteld voor sportvliegen. Wanneer het gebruik volgens deze beschrijving wordt uitgevoerd, zijn significant negatieve effecten op Natura 2000 habitattypen en leefgebieden uitgesloten, daarom is deze voorwaarde als kenmerk van het gebruik ook in het tweede beheerplan opgenomen. 

In de winterperiode (1 oktober – 30 april) heeft paragliden een verwaarloosbaar effect op de instandhoudingsdoelen indien een minimale vlieghoogte van 305m wordt aangehouden, conform de Gedragscode recreatieve luchtvaart. Deze minimale vlieghoogte is daarom als kenmerk van gebruik in het beheerplan opgenomen.

Gemotoriseerd verkeer

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Defensie

Binnen

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten. Omdat de frequentie, duur en intensiteit van een gebruik niet kan leiden tot een significant negatief effect.

-

Landbouw

Buiten

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Molen

Buiten

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Jacht en schadebestrijding

Buiten

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

Verkeer rondom Donkse Laagten

Buiten

Ja

Significante effecten kunnen op voorhand worden uitgesloten.

-

12 Referenties

12.1 Overzicht referenties

Broekmeyer, M., E. Schouwenberg, M. van der Veen, D. Prins, & C. Vos. 2005. Effectenindicator Natura 2000-gebieden: achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Alterra. 

de Verenigde Naties. 1992. Raamverdrag klimaatverandering van de Verenigde Naties. IPCC, Rio de Janeiro. 

Gmeling Meyling, A., & A. Boesveld. 2008. Inhaalslag Verspreidingsonderzoek Mollusken van de Europese Habitatrichtlijn. Resultaten van het inventarisatiejaar 2007. Platte schijfhoren Anisus vorticulus. Stichting ANEMOON, Heemstede. 

Kwak, R. 2009. Donkse Laagten. in Europese Natuur in Nederland, Laag Nederland, Natura 2000-gebieden’, KNNV Uitgeverij, Zeist. 

Ministerie van EZ. 2015. Natura 2000-beheerplan Donkse Laagten (107). Dienst Landelijk Gebied en Staatsbosbeheer, Den Haag. 

Ministerie van EZ. 2013. Wijzigingsbesluit Natura 2000-gebieden Witte en Zwarte Brekken, Sneekermeergebied, Deelen, Leekstermeergebied, Zuidlaardermeergebied, Elperstroomgebied, Arkemheen, IJsselmeer, Markermeer & IJmeer, Polder Zeevang, Boezems Kinderdijk, Donkse Laagten en Veerse Meer. 

Ministerie van LNV. 2009a. Aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Donkse Laagten. 

Ministerie van LNV. 2009b. Kaart Natura 2000-gebied Donkse Laagten. 

Ministerie van LNV. 2006. Natura 2000 doelendocument: duidelijkheid bieden, richting geven en ruimte laten

van der Molen, P. C., G. J. Baaijens, A. P. Grootjans, & A. J. M. Jansen. 2010. Landschapsecologische Systeemanalyse. 

provincie Zuid-Holland. 2022. Doelenanalyse Natura 2000 - 107 Donkse Laagten

provincie Zuid-Holland. 2023. Recreatieperspectief Zuid-Holland 2030. Hoe houden we Zuid-Holland aantrekkelijk en beweegvriendelijk? Online beschikbaar: https://www.zuid-holland.nl/publish/pages/30954/recreatieperspectief_zuid-holland_januari_2023.pdf. 

Slagboom, R. 2008. Inventarisatie amfibieën en vissen af te plaggen percelen; Notitie van Richard Slagboom aan Nico de Bruin. 

vereniging van bos- en natuurterreineigenaren. 2025. GEDRAGSCODE SOORTENBESCHERMING NATUURBEHEER.

Toelichting

Algemene toelichting

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Gedeputeerde staten zijn verplicht om voor alle Natura 2000-gebieden die in de provincie liggen of, als een gebied ook in andere provincies ligt, maar grotendeels in Zuid-Holland een beheerplan vast te stellen. De looptijd van het voorgaande beheerplan verliep op 1 november 2025. Daarom wordt nu dit beheerplan vastgesteld.

Artikelgewijze toelichting

Artikel I

Conform de toe te passen digitale standaarden voor besluiten onder de Omgevingswet die als omgevingsdocument zijn aangemerkt (Standaard Officiële Publicaties - Toepassingsprofiel Omgevingsdocumenten STOP-TPOD) is de inhoud van het Natura 2000-beheerplan zelf in een aparte bijlage opgenomen.

Artikel III

Er is geregeld dat de wijziging de dag na bekendmaking in werking zal treden.

Naar boven