Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 12 mei 2026 UTSP-2075818508-9967 houdende nadere regels op grond van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022 (Subsidieregeling Klimaatmitigatie en Circulaire samenleving provincie Utrecht 2026)

Gedeputeerde Staten van Utrecht;

 

Gelet op artikel 1.4 van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022 en de Beleidsregel projectsubsidies;

 

Overwegende dat:

  • -

    het voor klimaatmitigatie en de transitie naar een circulaire samenleving nodig is te experimenteren, leren, communiceren en netwerken op te bouwen om deze blijvende systeemverandering tot stand te brengen;

  • -

    partijen met een rol in circulaire transitie en klimaatmitigatie vaak een financiële impuls nodig hebben om op te schalen;

  • -

    deze subsidieregeling twee beleidsgrondslagen heeft: de Middellangetermijnstrategie Circulaire Samenleving 2025-2035 en De Utrechtse Klimaataanpak: Naar Netto Nul (2024-2027), waarbij in de strategie vermindering van de milieudruk, meer leveringszekerheid en een toekomstgerichte regionale economie voorop staan en bij de klimaataanpak CO2e-reductie, CO2e-verwijdering/-vastlegging en de aantoonbaarheid van klimaatimpact speerpunten vormen.

Besluiten de volgende subsidieregeling vast te stellen:

 

Paragraaf 1 Algemeen

Artikel 1.1 Definities

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) Nr. 651/2014, Pb EU2014, L 187, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard;

  • b.

    AsvpU: Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022;

  • c.

    beleidsregel projectsubsidies: beleid van Gedeputeerde Staten van Utrecht waarin is aangegeven welke kosten bij projectsubsidies subsidiabel zijn;

  • d.

    circulaire samenleving: een circulaire samenleving is een samenleving die binnen de planetaire grenzen leeft en daarbij grondstoffen, natuur en hulpbronnen niet uitput, zodat ook toekomstige generaties toegang houden tot dezelfde kwaliteit van leven. Deze samenleving minimaliseert het gebruik van primaire abiotische grondstoffen (niet-hernieuwbare grondstoffen uit de aarde), en sluit materiaalstromen waar mogelijk;

  • e.

    consortium: een samenwerkingsverband van twee of meer organisaties met als doel deel te nemen aan een gemeenschappelijke activiteit of hun middelen te bundelen om een gemeenschappelijk doel te bereiken;

  • f.

    consumptiegoederen: goederen die worden geleverd aan de consument en die zijn bedoeld voor persoonlijk gebruik;

  • g.

    CO2e: CO2-equivalenten, een eenheid om de impact van verschillende broeikasgassen, bijvoorbeeld methaan en lachgas, uit te drukken in één waarde: een kilogram CO2-equivalent staat gelijk aan de broeikaswerking van een kilogram CO2;

  • h.

    CO2e-reductie: het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen;

  • i.

    CO2e-verwijdering: het uit de atmosfeer (lucht) halen van broeikasgassen, met name koolstofdioxide door menselijk ingrijpen;

  • j.

    CO2e-opslag: het actief uit de atmosfeer halen van koolstofdioxide door deze op natuurlijke wijze of met technische middelen veilig en liefst langdurig op te slaan;

  • k.

    de-minimisverordening: verordening Nr. 2023/2831, PbEU L van 15 december 2023, op grond waarvan steun aan een onderneming tot een bedrag van € 300.000,- voor een periode van drie jaar is vrijgesteld;

  • l.

    hoogwaardig hergebruik: het opnieuw inzetten van producten, onderdelen of materialen met behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en waarde;

  • m.

    ketenregisseur: een persoon die verantwoordelijk is voor het organiseren van samenwerking tussen organisaties in een grondstoffenketen om voortgang te realiseren op een gezamenlijke opgave rondom circulariteit;

  • n.

    klimaatmitigatie: het nemen van maatregelen en het uitvoeren van activiteiten die zijn gericht op het voorkomen, verminderen of verwijderen van broeikasgasuitstoot om de opwarming van de aarde te beperken en (verdere) klimaatverandering tegen te gaan;

  • o.

    maakindustrie: bedrijven en sectoren die grondstoffen, componenten, stoffen en/of materialen omzetten in fysieke goederen;

  • p.

    mkb: midden- en kleinbedrijf met minder dan 250 werknemers, en een jaaromzet van maximaal 50 miljoen euro of een jaarlijks balanstotaal van maximaal 43 miljoen euro;

  • q.

    nature-based solution: een maatregel om natuurlijke of veranderde terrestrische, zoetwater-, kust- en mariene ecosystemen te beschermen, in stand te houden, te herstellen, duurzaam te gebruiken en te beheren, die een doeltreffend en adaptief antwoord biedt voor sociale, economische en ecologische uitdagingen en tegelijkertijd het menselijk welzijn, de ecosysteemdiensten, de veerkracht en de biodiversiteit ten goede komt;

  • r.

    primaire abiotische grondstoffen: primaire abiotische grondstoffen zijn onbewerkte materialen afkomstig uit niet-levende, natuurlijke bronnen. Ze worden direct uit de aarde gewonnen en zijn grotendeels niet-hernieuwbaar, zoals metalen, mineralen en fossiele brandstoffen. Voorbeelden zijn erts, zand, grind, steenkool, olie en gas;

  • s.

    regionaal circulair netwerk: een regionaal samenwerkingsnetwerk van bedrijven, maatschappelijke organisaties en/of overheden dat zich richt op het versnellen van de circulaire transitie, door onder andere kennis te delen, pilots en projecten uit te voeren en op te schalen, initiatieven te verbinden en gezamenlijk oplossingen te ontwikkelen en realiseren;

  • t.

    regionaal netwerk klimaatmitigatie: een regionaal netwerk of nationaal netwerk van bedrijven, maatschappelijke organisaties en/of overheden dat ook actief is in de provincie Utrecht, dat zich richt op vermijding, vermindering of verwijdering van CO2e-uitstoot binnen de regio Utrecht.

Artikel 1.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende activiteiten in de provincie Utrecht:

  • a.

    uitvoering of opschaling van een nature-based project dat bijdraagt aan de doelstellingen op het gebied van klimaatmitigatie (paragraaf 2);

  • b.

    het inhuren van een ketenregisseur voor het bevorderen van circulariteit (paragraaf 3);

  • c.

    het uitvoeren van specifieke projecten voor een regionaal circulair netwerk of een regionaal netwerk klimaatmitigatie (paragraaf 4).

Artikel 1.3 Algemene criteria

  • 1.

    Subsidie kan alleen worden verstrekt voor activiteiten die bijdragen aan één of meer van de volgende doelen van De Utrechtse Klimaataanpak: Naar netto nul (door de Provinciale Staten van Utrecht vastgesteld op 13 november 2024) en de Middellangetermijnstrategie Circulaire Samenleving (door de Provinciale Staten van Utrecht vastgesteld op 18 december 2024):

    • a.

      een verminderd gebruik van abiotische, primaire grondstoffen door:

      • i.

        minder materiaalgebruik of grondstoffenverbruik;

      • ii.

        langere levensduur van producten;

      • iii.

        een groter aandeel biobased grondstoffen; of

      • iv.

        hoogwaardig hergebruik;

    • b.

      het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen;

    • c.

      het verwijderen van CO2e uit de atmosfeer; of

    • d.

      het langdurig vastleggen van CO2e.

Artikel 1.4 Aanvraag

  • 1.

    Subsidieaanvragen kunnen doorlopend worden ingediend van: 19 mei 2026 tot en met 30 september 2026.

  • 2.

    De verdeling van het beschikbare budget zal plaatsvinden op basis van volgorde van ontvangst, met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU. De aanvragen worden digitaal ingediend, met gebruikmaking van het beschikbare aanvraagformulier op het subsidieportaal op de website van de provincie Utrecht.

Artikel 1.5 Algemene weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 4.6 van de AsvpU 2022, wordt subsidie in ieder geval geweigerd indien:

  • a.

    de activiteit niet ten minste gedeeltelijk binnen het grondgebied van de provincie Utrecht wordt uitgevoerd, of geen van de betrokken organisaties gevestigd is binnen het grondgebied van de provincie Utrecht;

  • b.

    op voorhand gegronde reden bestaat om aan te nemen dat de activiteiten technisch niet uitvoerbaar zijn;

  • c.

    de activiteit in de hoofdzaak gericht is op activiteiten waarvoor binnen de provincie Utrecht andere subsidieregelingen bestaan op het gebied van klimaatadaptatie en energietransitie;

  • d.

    de aanvrager reeds drie keer in hetzelfde kalenderjaar subsidieaanvragen heeft ingediend op grond van deze regeling, ongeacht in welke paragraaf de subsidie is aangevraagd; of

  • e.

    de aanvrager reeds twee keer in hetzelfde kalenderjaar subsidieaanvragen heeft ingediend op grond van één paragraaf in deze regeling.

De subsidie kan worden geweigerd indien:

  • a.

    gegronde reden bestaat aan te nemen dat de activiteiten of het resultaat ervan al eerder hebben plaatsgevonden;

Artikel 1.6 Algemene subsidieverplichtingen

Indien een vergunning, ontheffing of toestemming nog niet onherroepelijk verleend is bij de aanvraag, is de onherroepelijke vergunning, ontheffing of toestemming aanwezig op het moment van de start van de activiteit en wordt deze opgestuurd naar de provincie Utrecht via klimaatcentraal@provincie-utrecht.nl.

Artikel 1.7 Subsidieplafond

Het subsidieplafond voor deze regeling bedraagt:

  • a.

    voor het kalenderjaar 2026: € 500.000;

  • b.

    voor het kalenderjaar 2027: € 500.000.

Paragraaf 2 Projecten voor klimaatmitigatie

Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor uitvoering of opschaling van een project waarin met nature-based solutions verdere klimaatverandering wordt voorkomen. Deze activiteit versterkt of beschermt de biodiversiteit en verbetert de kwaliteit van de leefomgeving.

Artikel 2.2 Criteria

Voor de in artikel 2.1 bedoelde activiteiten gelden naast de algemene criteria genoemd in artikel 1.3 de volgende aanvullende criteria:

  • a.

    het project draagt op een effectieve manier bij aan de doelen zoals genoemd in artikel 1.3;

  • b.

    het project is naar het oordeel van GS uitvoerbaar binnen de gegeven tijd en met de middelen die zijn begroot.

Artikel 2.3 Doelgroep

  • 1.

    Subsidie kan slechts worden verstrekt aan gemeenten of waterschappen in de provincie Utrecht.

  • 2.

    Subsidie kan ten goede komen aan meerdere, samenwerkende gemeenten of waterschappen in de provincie Utrecht, met inachtneming van artikel 4.1 AsvpU.

Artikel 2.4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De subsidiabele kosten zijn die kosten als bedoeld in artikel 4.8 van de AsvpU.

  • 2.

    Kosten voor beleidsvorming, planontwikkeling, strategische verkenningen, onderzoek, haalbaarheidsstudies of vergelijkbare voorbereidende werkzaamheden komen voor subsidie in aanmerking, op voorwaarde dat deze kosten samen niet meer bedragen dan 16% van het subsidiebedrag.

Artikel 2.5 Bij de aanvraag te overleggen gegevens

In aanvulling op de te overleggen informatie bij een aanvraag zoals bedoeld in artikel 4.4 van de AsvpU, worden de volgende gegevens en stukken meegestuurd:

  • a.

    een projectplan met daarin in ieder geval:

    • i.

      de voorgenomen activiteiten;

    • ii.

      een toelichting hoe met de activiteit CO2e-uitstoot wordt vermeden, gereduceerd of verwijderd en een toelichting hoe met de activiteit de biodiversiteit en de kwaliteit van de leefomgeving wordt verbeterd;

    • iii.

      een risicoanalyse; en

    • iv.

      een planning.

Artikel 2.6 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 70% procent van de subsidiabele kosten bedraagt, met een minimum van € 30.000 tot een maximum van € 60.000.

  • 2.

    Als de subsidie ten goede komt aan meerdere, samenwerkende gemeenten of waterschappen, als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, bedraagt de hoogte van de subsidie maximaal 70% procent van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 40.000 tot een maximum van € 70.000.

Artikel 2.7 Subsidieverplichting

De subsidieontvanger is verplicht binnen 24 maanden na verlening van de subsidie de activiteiten te hebben afgerond.

Artikel 2.8 Staatssteun

Indien subsidie wordt verleend op grond van deze paragraaf, geldt dat de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 subsidieverlening plaatsvindt met inachtneming van artikel 45, tweede lid, onder c en d van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

 

Paragraaf 3 Ketenregie

Artikel 3.1 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor het inzetten van een ketenregisseur die circulariteit bevordert door organisaties in één keten te laten samenwerken, en daarbij toewerkt naar uitvoering van concrete pilots of projecten.

  • 2.

    Onder de activiteiten van de ketenregisseur valt in ieder geval planvorming: het opstellen van een gedragen plan van aanpak voor uitvoering van een circulaire pilot of project in de keten, begeleiding naar implementatie van een pilot of project, of opschaling van een succesvolle pilot.

  • 3.

    In aanvulling op de in het tweede lid bedoelde planvorming voert de ketenregisseur daarnaast twee of meer van de volgende activiteiten uit:

    • a.

      procesbegeleiding, zoals het ophalen van behoeften en wensen, het faciliteren van samenwerking, activeren en inspireren van ketenpartners, het uitbreiden van het consortium, oplossen van knelpunten tussen consortiumdeelnemers, het creëren van een gezamenlijk gevoel van urgentie, of begeleiding van een aanvraagtraject van nationale of Europese financiering;

    • b.

      programmamanagement, zoals overkoepelende sturing en aanpak op de doelen, planning en voortgang, kennisdeling mogelijk maken tussen partners, bijvoorbeeld door middel van monitoring van resultaten en het vastleggen van best practices, communicatiemiddelen ontwikkelen en verspreiden, bijeenkomsten of netwerkactiviteiten organiseren, borging en bestuurlijk draagvlak creëren bij consortiumpartners;

    • c.

      strategievorming: het opstellen van een interne strategie voor de ketenpartners;

    • d.

      praktijkgericht onderzoek om kennisgaten te dichten zodat een ketenproject doorgang kan vinden, zoals analyses van materiaal- en afvalstromen of de ontwikkeling van interventies voor gedragsverandering.

Artikel 3.2 Criteria

  • 1.

    Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten, bedoeld in artikel 3.1, wanneer de subsidieaanvrager namens minimaal drie organisaties in de keten, inclusief de aanvragende organisatie, de subsidie aanvraagt.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt voor activiteiten:

    • a.

      in de sectoren bouw, zorg, maakindustrie of consumptiegoederen; of

    • b.

      van een consortium van organisaties in dezelfde gemeente of in twee aangrenzende gemeentes, die vanwege fysieke nabijheid vergelijkbaar functioneren als een keten en die gericht zijn op circulaire samenwerking.

Artikel 3.3 Doelgroep

Subsidie kan worden verstrekt aan rechtspersonen.

Artikel 3.4 Subsidiabele kosten

Subsidiabel zijn uitsluitend de direct aan de uitvoering toe te rekenen uren van de circulaire ketenregisseur.

Artikel 3.5 Bij de aanvraag te overleggen gegevens

In aanvulling op de te overleggen informatie bij een aanvraag zoals als bedoeld in artikel 4.4 van de AsvpU, worden de volgende gegevens en stukken meegestuurd:

  • a.

    Een projectplan, waarin in ieder geval de volgende onderdelen zijn opgenomen:

    • i.

      voorgenomen activiteiten van de ketenregisseur;

    • ii.

      hoe de activiteiten bijdragen aan de hoofddoelen, zoals genoemd in artikel 1.3;

    • iii.

      tot welke tastbare resultaten deze activiteiten moeten leiden, in de vorm van een project of pilot;

    • iv.

      een risicoanalyse die ingaat op de verschillende activiteiten, met mitigerende maatregelen;

    • v.

      welke organisaties lid zijn van het consortium en een beschrijving van de samenwerking; en

    • vi.

      een planning.

  • b.

    een machtiging voor de penvoerder per deelnemende partij.

Artikel 3.6 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 50% procent van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 40.000 tot een maximum van € 80.000.

  • 2.

    Als er minimaal twee mkb’ers zijn aangesloten bij het consortium, bedraagt de hoogte van de subsidie maximaal 60% van de subsidiabele kosten, met een minimum van € 40.000 tot een maximum van € 96.000.

Artikel 3.7 Subsidieverplichting

De subsidieontvanger is verplicht binnen 24 maanden na verlening van de subsidie de activiteiten te hebben afgerond.

Artikel 3.8 Staatssteun

Indien subsidie wordt verleend op grond van deze paragraaf, vindt subsidieverlening plaats met inachtneming van artikel 49 van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening.

 

Paragraaf 4 Regionale circulaire netwerken en regionale netwerken klimaatmitigatie

Artikel 4.1 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten gericht op het ontwikkelen, toepassen, opschalen of versterken van praktische oplossingen, voorzieningen, diensten of samenwerkingen binnen de regio die bijdragen aan de doelen genoemd in artikel 1.3, uitgevoerd door een regionaal circulair netwerk of een regionaal actief netwerk klimaatmitigatie.

Artikel 4.2 Criteria

Voor de in artikel 4.1 bedoelde activiteiten gelden naast de algemene criteria genoemd in artikel 1.3 de volgende aanvullende criteria:

  • a.

    de activiteiten en de uitkomsten zijn open toegankelijk voor alle leden van het netwerk;

  • b.

    de activiteiten zijn relevant voor meerdere leden van het regionale netwerk;

  • c.

    de activiteiten komen ten behoeve van een bestaand netwerk;

  • d.

    het project draagt op een effectieve manier bij aan de doelen zoals genoemd in artikel 1.3;

  • e.

    het project is naar het oordeel van GS uitvoerbaar binnen de gegeven tijd en met de middelen die zijn begroot.

Artikel 4.3 Doelgroep

De subsidie kan worden aangevraagd door regionale circulaire netwerken of regionale netwerken klimaatmitigatie, dan wel de rechtspersoon die verantwoordelijk is voor de coördinatie, organisatie en uitvoering van de activiteiten van een dergelijk netwerk.

Artikel 4.4 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De subsidiabele kosten zijn die kosten als bedoeld in artikel 4.8 van de AsvpU.

  • 2.

    Kosten voor het oprichten van een netwerk zijn in ieder geval niet subsidiabel.

Artikel 4.5 Bij de aanvraag te overleggen gegevens

In aanvulling op de te overleggen informatie bij een aanvraag zoals als bedoeld in artikel 4.4 van de AsvpU, worden de volgende gegevens en stukken meegestuurd:

  • a.

    een projectplan, met daarin in ieder geval:

    • i.

      de voorgenomen activiteiten;

    • ii.

      een omschrijving hoe met de activiteit:

      • i.

        CO2e-uitstoot wordt vermeden, gereduceerd of verwijderd; of

      • ii.

        het gebruik van primaire abiotische grondstoffen wordt verminderd;

    • iii.

      een risicoanalyse; en

    • iv.

      een planning.

Artikel 4.6 Hoogte van de subsidie

Voor de subsidiabele activiteit als bedoeld in artikel 4.1 geldt dat de hoogte van de subsidie bedraagt maximaal 70% procent van de subsidiabele kosten bedraagt, met een minimum van € 25.000 tot een maximum van € 50.000.

Artikel 4.7 Subsidieverplichting

De subsidieontvanger is verplicht binnen 24 maanden na verlening van de subsidie de activiteiten te hebben afgerond.

Artikel 4.8 Staatssteun

Indien subsidie wordt verleend op grond van deze paragraaf, en er sprake is van staatssteun, vindt subsidieverlening plaats met inachtneming van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening of De-minimis verordening.

 

Paragraaf 5 Slotbepalingen

Artikel 5.1 Inwerkingtreding

Deze subsidieregeling treedt in werking op de dag na publicatie in het Provinciaal Blad en vervalt op 1 januari 2028, met dien verstande dat deze regeling van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd of verstrekt.

Artikel 5.2 Overgangsrecht

Subsidies die zijn aangevraagd of verstrekt vóór de datum van inwerkingtreding van deze subsidieregeling of een wijziging hiervan, worden behandeld overeenkomstig de op dat moment geldende regelgeving.

Artikel 5.3 Citeertitel

Deze subsidieregeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Klimaatmitigatie en Circulaire samenleving provincie Utrecht 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 12 mei 2026.

Gedeputeerde Staten van Utrecht,

Voorzitter,

mr. J.H. Oosters

Secretaris,

mr. drs. A.G. Knol - van Leeuwen

Toelichting  

Artikelsgewijs

 

Paragraaf 1 Algemeen

 

Artikel 1.4 Aanvraag

Voor en na het indienen van de aanvraag kan op vrijwillige basis een gesprek plaatsvinden tussen aanvrager en provincie waarin een toelichting wordt gegeven op de activiteiten, doelstellingen, het tijdspad, de te bereiken resultaten en eventuele toepasbare staatssteunregels.

 

Paragraaf 2

 

Artikel 2.1 Subsidiabele activiteiten

De subsidiabele activiteiten beschreven in dit artikel zijn intentioneel breed omschreven. Ter inspiratie is deze lijst opgenomen, om aanvragers op weg te helpen. Deze lijst dient als toelichting van mogelijk activiteiten, die zich dus niet hoeven te beperken tot hetgeen dat is opgesomd. Inschrijver wordt uitdrukkelijk uitgenodigd een eigen voorstel in te dienen dat voldoet aan de in deze regeling opgenomen eisen.

Subsidiabele activiteiten zijn bijvoorbeeld:

  • -

    Activiteiten die zijn gericht op CO2e-verwijdering of langdurige CO2e-vastlegging (bijvoorbeeld in bodems, blijvende houtopstanden of gewassen die worden verwerkt en gebruikt in de biobased bouwketen).

  • -

    Telen/winnen, bewerken, verwerken, fabricage en/of gebruik van biobased materialen voor infrastructurele projecten, zoals biobased asfalt of circulair beton, aansluitend op de Utrechtse Asfaltstrategie.

  • -

    Telen/winnen, bewerken, verwerken, fabricage en/of gebruik van biobased materialen voor het bouwen of verbouwen van woningen en utiliteitsgebouwen.

  • -

    Agricycling pilots, waarin reststromen uit de landbouw worden benut voor bijvoorbeeld compost of bokashi.

 

  • a.

    Om de door ons verstrekte middelen een zo groot mogelijke impact te geven, hechten wij waarde aan projecten met een voorbeeldfunctie of projecten met potentie tot opschaling. Om anderen te laten leren van opgedane ervaringen en deze breed toepasbaar te maken, kan de provincie subsidieontvangers vragen deze kennis actief te delen bijvoorbeeld met een presentatie of publicatie.

    Mocht het project een officiële start kennen, dan verzoeken wij de subsidieontvanger de provincie Utrecht hiervan vooraf op de hoogte te brengen via klimaatcentraal@provincie-utrecht.nl, zodat voldoende publiciteit aan de activiteiten kan worden gegeven.

 

Artikel 2.2 Subsidiecriteria

Tweede lid, onder a:

Een activiteit draagt op een effectieve manier bij aan de doelen zoals genoemd in artikel 1.3 wanneer de aanvrager inzichtelijk maakt waarom en hoe de voorgestelde interventie bijdraagt aan de doelen. Omdat het gaat om relatief kleinschalige initiatieven vragen wij geen kwantitatieve berekeningen van CO₂e reductie. Wel wordt verwacht dat de aanvrager:

  • -

    concreet beschrijft welk circulair of klimaatmitigerend gedrag of proces wordt beïnvloed of uitgevoerd, en

  • -

    aannemelijk maakt dat de gekozen aanpak logisch, realistisch en passend is om dat effect te bereiken (bijv. door doelgroep, aanpak, locatie of partners te onderbouwen).

Voor eenvoudige aanvragen met bijvoorbeeld weinig samenwerkende partijen of met een eenvoudig procesbeschrijving en een duidelijk eindresultaat hoeven deze aspecten niet uitgebreid onderbouwd te worden.

 

Tweede lid, onder b:

Hierbij wordt getoetst of het aannemelijk is dat de aanvrager erin zal slagen een activiteit te voltooien. Bij een samenwerking zal ook het procesmatige aspect van de samenwerking zoals onderlinge taakverdeling, planning en inzet van menskracht wordt hierbij beoordeeld. Uitvoerbaarheid wordt getoetst aan de hand van de kwaliteit van het projectplan; gecontroleerd wordt of de geraamde kosten en tijd in verhouding staan tot de uit te voeren activiteiten, en of er een duidelijke omschrijving is bijgevoegd van beheersmatige aspecten zoals een tijdsplanning en risico’s.

 

Voor eenvoudige aanvragen met bijvoorbeeld weinig samenwerkende partijen of met een eenvoudig procesbeschrijving en duidelijk eindresultaat hoeven deze aspecten niet uitgebreid onderbouwd te worden.

 

Artikel 2.6 Hoogte van de subsidie

De provincie Utrecht beoogt regionale samenwerking tussen Utrechtse decentrale overheden te stimuleren. Daarom krijgen subsidieaanvragen waarbij twee of meer overheden samenwerken een hogere vergoeding.

 

Paragraaf 3 Ketenregie

 

Artikel 3.2 Subsidiecriteria

De afbakening in sectoren sluit aan bij de sectoren waarin Utrecht veel werkgelegenheid heeft en waar, volgens het geactualiseerde Nationaal Programma Circulaire Economie, grote circulaire impact kan worden bereikt: de zorgsector, bouw en consumptiegoederen (ICT, textiel, meubels). Dit zijn sectoren met omvangrijke materiaalstromen én waar al veel energie en beweging zit in Utrecht op het gebied van circulariteit. Daarnaast speelt de maakindustrie een belangrijke rol in de circulaire transitie, ondanks haar relatief kleine omvang in Utrecht. Tot slot is er ook veel potentieel voor bedrijven die niet specifiek in dezelfde sector opereren, maar vanwege fysieke nabijheid ook als een keten kunnen fungeren.

 

Artikel 3.4 Subsidiabele kosten

De subsidie wordt enkel verstrekt voor de uren voor de inzet van de ketenregisseur verstrekt. Met behulp van de subsidie kan een ketenregisseur worden ingehuurd die verantwoordelijk is voor de uitvoering en coördinatie van de beoogde activiteiten zoals bedoeld in artikel 4.1. Inhuur is mogelijk op basis van een opdracht aan een ZZP’er of via detachering, een tijdelijke arbeidsovereenkomst, het (deels) vrijmaken van een bestaande medewerker die momenteel een andere functie vervult, of in een samenwerkingsconstructie met een andere partij. Hierbij wordt gewerkt met een vast uurtarief-systematiek, zoals opgenomen in de beleidsregel subsidiabele kosten.

 

Paragraaf 4 Regionale circulaire netwerken en regionale netwerken klimaatmitigatie

 

Artikel 4.1 Subsidiabele activiteiten

De subsidiabele activiteiten beschreven in dit artikel zijn intentioneel breed omschreven. Ter inspiratie is deze lijst opgenomen, om aanvragers op weg te helpen. Deze lijst dient als toelichting van mogelijk activiteiten, die zich dus niet hoeven te beperken tot hetgeen dat is opgesomd. Inschrijver wordt uitdrukkelijk uitgenodigd een eigen voorstel in te dienen dat voldoet aan de in deze regeling opgenomen eisen.

 

Subsidiabel zijn bijvoorbeeld activiteiten ten behoeve van:

  • -

    het opzetten van een gemeentelijk of regionaal monitoringsdashboard m.b.t. de hoeveelheid grondstoffen regionaal worden verbruikt, hergebruikt, gerepareerd of in kringlopen worden gehouden;

  • -

    het opzetten van een regionaal monitoringsdashboard voor het gebruik van materialen, levensduurverlenging van producten of het maken van materiaalvoetafdrukken;

  • -

    het opzetten van een regionaal monitoringsdashboard voor het meten en inzichtelijk maken van de relatie tussen circulariteit en CO2e-reductie;

  • -

    het versterken van de biobased bouwketen door het vergroten van de productiecapaciteit in de regio of het garanderen van de vraag naar biobased (verbouw)materiaal;

  • -

    het rekenen en werken met CO2e-budgetten of -plafonds (met een rekentool in een voorbeeldproject);

  • -

    het opzetten of opschalen van een circulair ambachtscentrum;

  • -

    stimulering van kleine makers;

  • -

    ondersteuning van circulaire bewonersinitiatieven;

  • -

    organiseren van regionale depots voor herbruikbare bouwmaterialen;

  • -

    een circulair loket voor ondernemers;

  • -

    coaching en begeleiding van circulaire ondernemers m.b.t. van innoveren of het verduurzamen van de bedrijfs(voerings)formule;

  • -

    instrumenten of trainingen voor regionaal circulair inkopen en opdrachtgeven.

Tweede lid, onder a

Een activiteit draagt op een effectieve manier bij aan de doelen zoals genoemd in artikel 1.3 wanneer de aanvrager inzichtelijk maakt waarom en hoe de voorgestelde interventie bijdraagt aan de doelen. Omdat het gaat om relatief kleinschalige initiatieven vragen wij geen kwantitatieve berekeningen van CO₂e reductie of grondstoffengebruik. Wel wordt verwacht dat de aanvrager:

  • -

    concreet beschrijft welk circulair of klimaatmitigerend gedrag of proces wordt beïnvloed of uitgevoerd, en

  • -

    in geval van circulaire projecten, aangeeft op welke trede van de R ladder (bijvoorbeeld Refuse, Reduce, Re-use, Repair, Recycle) de interventie effect sorteert, en

  • -

    aannemelijk maakt dat de gekozen aanpak logisch, realistisch en passend is om dat effect te bereiken (bijv. door doelgroep, aanpak, locatie of partners te onderbouwen).

Voor eenvoudige aanvragen met bijvoorbeeld weinig samenwerkende partijen of met een eenvoudig procesbeschrijving en een duidelijk eindresultaat hoeven deze aspecten niet uitgebreid onderbouwd te worden.

 

Tweede lid, onder b

Zie toelichting onder 2.2

Naar boven