Provinciaal blad van Flevoland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Flevoland | Provinciaal blad 2026, 8458 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Flevoland | Provinciaal blad 2026, 8458 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Provinciale Staten van Flevoland,
Overwegende dat Provinciale Staten van Flevoland bij besluit van 8 november 2017 de Omgevingsvisie FlevolandStraks hebben vastgesteld (NL.IMRO.9924.SVFlevoStraks01-VA01);
Dat de Omgevingsvisie Flevolandstraks op onderdelen niet meer actueel is;
Dat er door het toenemende aantal complexe opgaven meer behoefte bestaat aan sturing, regie en samenhang tussen opgaven;
Dat meer concrete sturingsmogelijkheden op integrale doelstellingen en ruimtelijke ordening nodig zijn, waarmee de provincie regie neemt, richting geeft aan ontwikkelingen en koersvast keuzes maakt voor een toekomstbestendig Flevoland;
Dat in april 2024 de kaders voor de nieuwe omgevingsvisie en het daarvoor participatietraject zijn vastgesteld in de Startnotitie en het participatieplan;
Dat onder andere een zorgvuldig en kwalitatief participatieproces van de afgelopen jaren heeft bijgedragen aan het opstellen van de nieuwe omgevingsvisie;
Dat ten behoeve van de voorbereiding van de nieuwe omgevingsvisie een omgevingseffectrapport is opgesteld (Ontwerp Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Flevoland 2050 #3491150);
Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Flevoland van 3 maart 2026, nummer #3483667;
Gelet op artikel 3.1, tweede lid, Omgevingswet;
Besluiten:
De Ontwerp Omgevingsvisie Flevoland 2050, Blik op de Toekomst vast te stellen,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
De Omgevingsvisie Flevoland 2050, Blik op de toekomst treedt nog niet in werking, eerst is er gelegenheid tot inspraak.
De Ontwerp Omgevingsvisie wordt met het omgevingseffectrapport en verantwoordingsdocument ter inzage gelegd.
Aldus besloten in de openbare vergadering van 22 april 2026,
Provinciale Staten van Flevoland,
de griffier, de voorzitter,
Flevoland ontwikkelt zich en staat voor grote keuzes. We willen de komende jaren voldoende woningen bouwen en onze economie sterker maken. We hebben meer ruimte nodig voor het energiesysteem en infrastructuur. Daarbij willen we ruimte voor landbouw behouden en zorgen voor een aantrekkelijke leefomgeving. Deze uitdagingen moeten allemaal passen binnen de grenzen van onze provincie. Dat vraagt om keuzes en samenhangend omgevingsbeleid.
Grondslag
Met de vaststelling van deze nieuwe Omgevingsvisie Flevoland, Blik op de toekomst komt de Omgevingsvisie FlevolandStraks van 2017 te vervallen. Het opstellen van een omgevingsvisie is bij wet verplicht voor de provincie (Omgevingswet artikel 3.1). De Omgevingsvisie gaat over het hele grondgebied van Flevoland. De Omgevingswet schrijft voor dat het omgevingsbeleid zorgt voor een zorgvuldige toedeling van functies (aan locaties) in de beschikbare ruimte. Het omgevingsbeleid moet een duurzame en gezonde leefomgeving in stand houden. De provincie beschrijft in de omgevingsvisie op hoofdlijnen de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, vanuit een brede blik en met oog voor de brede welvaart. Een omgevingsvisie is juridisch bindend voor de provincie zelf en geeft richting aan andere partijen. Gemeenten, waterschappen en het Rijk moeten in hun beleid en besluiten rekening houden met de provinciale kaders.
Ons vertrekpunt is het vertrouwen tussen overheden, maatschappelijke organisaties, ondernemers en inwoners. Zij zijn daarom regelmatig gevraagd om mee te denken. Hun ideeën, zorgen en wensen hebben wij verwerkt in deze omgevingsvisie. Zo bouwen we samen aan een Flevoland dat in 2050 in alle opzichten in balans is.
In de uitvoering van deze omgevingsvisie neemt de provincie meer dan voorheen de regie. Dat doen we alleen waar dat nodig is, om doeltreffend met de opgaven die van provinciaal belang zijn aan de slag te kunnen. Vooral bij onderwerpen die de gemeentegrenzen overstijgen en bij opgaven vanuit het Rijk beschrijven we waar we als provincie verantwoordelijk voor willen zijn en waarom. In deze visie geven we aan welke onderwerpen van provinciaal belang zijn.
De opgaven vragen om duidelijke keuzes en een stevige provinciale koers. Ook het Rijk vraagt provincies nadrukkelijk om deze sturende rol op zich te nemen. Met deze omgevingsvisie zetten we daarom bewust een stap vooruit: van agenderen naar sturen.
Hoofdstuk 2 beschrijft de opgaven voor Flevoland, inclusief aandacht voor nationale en Europese uitdagingen.
Hoofdstuk 3 schetst een samenhangend wensbeeld voor de provincie in 2050: Flevoland in balans. Dit hoofdstuk gaat in op de rolneming en sturing die de provincie op basis van provinciaal belang kiest om dit wensbeeld te bereiken.
Hoofdstuk 4 introduceert drie samenhangende strategieën en principes die de provincie hanteert om Flevoland in balans te brengen.
Hoofdstuk 5 geeft een thematische uitwerking. Deze thema’s vormen een beleidsmatige dwarsdoorsnede door de strategieën en zorgen voor samenhang. Daarmee werken we onze visie op hoofdlijnen nader uit en formuleren waar nodig aanvullend provinciale belangen en principes.
Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoering van de visie. Hierin wordt toegelicht hoe de visie verder wordt uitgewerkt in omgevingsprogramma’s, hoe de samenwerking met medeoverheden vorm krijgt en hoe monitoring en evaluatie plaatsvinden.
Flevoland is ontworpen en ingepolderd voor grote (nationale) opgaven. Het ging om waterveiligheid, voedselzekerheid, overloopgebied van de Randstad voor de groeiende bevolking en verbindingen tussen regio’s met het noorden en oosten van Nederland. In korte tijd is de provincie uitgegroeid tot een krachtige polder in Nederland, met meer dan 450.000 inwoners, ongeveer 220.000 arbeidsplaatsen en een landbouwsector van internationaal niveau[1]. De ruimte, het ondernemerschap, de innovatiekracht en het maakbare karakter geven Flevoland een kenmerkende identiteit.
Tegelijkertijd laat de snelle groei sporen na. Flevoland is niet in alle opzichten in balans. De oorspronkelijke ruimtelijke ordening, gebaseerd op functiescheiding en grootschaligheid, biedt onvoldoende antwoord op de opeenstapeling van maatschappelijke, economische en ecologische opgaven van vandaag. De groeiende behoefte aan wonen, werken, mobiliteit, energie en voorzieningen legt een steeds grotere claim op de ruimte. Die ruimte is niet onbeperkt; alle grond is al in gebruik genomen. Zonder samenhangende keuzes dreigt verdere disbalans, met gevolgen voor de vitaliteit van de samenleving en de gezonde, veilige fysieke leefomgeving (brede welvaart).
We voorzien dat Flevoland in de komende decennia sterk zal groeien in bevolking en zonder sturing zal die groei de onbalans vergroten. Daarom geven we met deze omgevingsvisie richting aan die groei, zodat wonen, werken, voorzieningen, natuur, landbouw en infrastructuur elkaar onderling versterken. Door te sturen op de samenhangende ontwikkeling creëren we een regio waar het voor huidige en toekomstige generaties overal goed vertoeven is.
[1] Peildatum December 2025
De woningbouwopgave in Flevoland is groot. Tot 2050 wordt ingezet op minimaal 100.000 nieuwe woningen, wat leidt tot een sterke demografische groei. Voorheen concentreerde de groei van Flevoland zich vooral in Almere en Lelystad. De groei heeft zich structureel sneller ontwikkeld dan prognoses voorspelden. De opgave gaat echter verder dan woningaantallen alleen. Er zijn tekorten in de diversiteit van het woningaanbod, in betaalbaarheid en in toekomstbestendigheid van de bestaande woningvoorraad. Het aandeel sociale huur blijft achter bij het landelijk gemiddelde en de leefbaarheid van de kernen in het landelijk gebied vraagt ook om aandacht.
De groei vergroot de druk op het mobiliteitssysteem. Flevoland ligt midden in Nederland en is sterk verbonden met omliggende regio’s, maar de verbindingen met het oude land zijn beperkt en nu al overbelast. Files, vooral op de A6, beperkte spoorcapaciteit tussen Almere en Amsterdam en Utrecht en afhankelijkheid van autoverkeer zetten de bereikbaarheid onder druk. Dit gaat ten koste van verkeersveiligheid en kwaliteit van de leefomgeving. Het uitblijven van grote nationale keuzes over de komst van onder andere de Lelylijn, een IJmeerverbinding en de verhoging van de capaciteit op het spoor tussen Schiphol, Amsterdam, Almere en Lelystad (OV SAAL) raakt direct aan de ontwikkelruimte van Flevoland.
Doordat bovenregionale voorzieningen, zoals zorg en hoger onderwijs, onvoldoende meegroeien met de bevolkingsgroei, neemt de mobiliteit verder toe. Zonder ingrijpen zal deze onbalans nog groter worden.
De Flevolandse economie is de afgelopen jaren snel gegroeid, maar deze groei vertaalt zich onvoldoende naar passende werkgelegenheid voor inwoners binnen de provincie. Het aantal banen per hoofd van de beroepsbevolking ligt structureel lager dan het landelijk gemiddelde, waardoor veel werkenden hun baan buiten de provincie vinden. Dit leidt tot dagelijkse pendelstromen en extra druk op infrastructuur. Tegelijkertijd wordt veel van de werkgelegenheid die wel in Flevoland gevestigd is ingevuld door arbeidsmigranten. Deze ontwikkeling vraagt om een zorgvuldige afweging: hoe bieden we ruimte aan bedrijven die onze economie dragen en hoe kunnen we passende werkgelegenheid bieden? Hoe zorgen we ervoor dat de juiste bedrijven op de juiste plek komen, zonder dat functies elkaar in de weg zitten? Hoe bouwen we de netwerken tussen overheid, onderwijs en bedrijfsleven én met andere gebieden? Dit vraagt om keuzes over het bedrijvenaanbod in relatie tot onze beroepsbevolking, de aansluiting op onderwijs en de huisvesting van bedrijven die onze economische structuur daadwerkelijk versterken.
Deze afweging wordt gecompliceerd door grote opgaven op het gebied van energie en drink- en proceswater, die om een systeemverandering vragen. Het energiesysteem staat onder grote druk. Flevoland vervult met de energie-infrastructuur en grootschalige (duurzame) opwek een schakelfunctie in de leveringszekerheid van energie in Nederland. Net als in de rest van Nederland is netcongestie een groot probleem voor de verdere ontwikkeling van Flevoland. De overbelasting van het huidige energiesysteem belemmert in onze provincie de economische groei, woningbouw en verduurzaming. Tegelijkertijd zien we een toenemende vraag naar drink- en proceswater voor woningbouw en vanuit de industrie en de landbouw. De beperkte beschikbaarheid van water zet die ontwikkelingen onder zware druk. De samenhang tussen economische ontwikkeling, energie, water en ruimte vraagt om scherpe keuzes, in een provincie die juist op deze ontwikkelingen ook nationale functies vervult.
Het klimaat verandert sneller dan wij handelen. Weersextremen nemen toe: langdurige droogte en extreme neerslag komen vaker voor. Dit raakt direct aan onze waterveiligheid en veroorzaakt wateroverlast. Het tast de voedselzekerheid en de kwaliteit van de natuur aan. De watervoorraad in het IJsselmeergebied is van nationaal strategisch belang. Dat draagt bij aan de stapeling van opgaven op het gebied van zoetwaterbeschikbaarheid en waterveiligheid. De manier waarop wij tot op heden omgaan met ons water- en bodemsysteem leidt tot uitdagingen zoals bodemdaling, verzilting en drooglegging. Samenhangende strategische keuzes binnen en buiten de Flevolandse dijken zijn nodig. Alleen als we water en bodem medebepalend maken bij ruimtelijke keuzes en structureel investeren in het watersysteem, blijft Flevoland op de lange termijn onderdeel van een veilige en leefbare delta.
De kenmerken van de bodem en de dynamiek van het watersysteem bepalen op een aantal plekken wat daar wel en niet kan. Bodemdaling die gepaard gaat met de drooglegging van de polders en de verminderde waterkwaliteit en waterbeschikbaarheid beïnvloeden landbouwopbrengsten en biodiversiteit en raken het kwetsbare archeologische erfgoed in de ondergrond. De natuur staat onder druk door intensief grondgebruik, milieubelasting en versnippering. De agrarische sector is een essentiële pijler van voedselzekerheid en economie en staat voor een opgave op het gebied van verduurzaming en natuurinclusiviteit. Dit is nodig om de kwaliteitsdoelen voor water en natuur te behalen en om de bodem gezond te houden. Flevoland blijft de komende decennia groeien in inwoners, werkgelegenheid en voorzieningen. Deze groei vraagt om zorgvuldige keuzes over functiewijziging in het landelijk gebied.
Bovenstaande opgaven op het gebied van verstedelijking, economie, energie, water en bodem en behoud van landbouwgrond dwingen ons om keuzes te maken tussen onderling conflicterende ontwikkelingen. De uitdaging voor Flevoland is om vanuit provinciaal perspectief te sturen op een samenhangende ontwikkeling. Bij schaarste in ruimte, energie en water worden keuzes gemaakt, waarbij duidelijk wordt gemaakt welke prioriteiten de provincie heeft gehanteerd en tevens op basis van welke afwegingsprincipes dit is gebaseerd. We kijken daarin breed naar de effecten op de kracht van de samenleving en op de gezondheid van inwoners vanuit een perspectief op de brede welvaart. Zo kunnen we als provincie toewerken naar een nieuwe balans.
In 2050 is Flevoland in balans. Inwoners voelen zich verbonden met Flevoland, dat een eigen, unieke identiteit heeft ontwikkeld. Of het nu gevestigde polderbewoners zijn of nieuwkomers: mensen vinden hier een passende plek om te wonen en te werken. Alle ruimte wordt verstandig benut. De inrichting van de leefomgeving maakt zorgvuldig gebruik van de kenmerken van vruchtbare bodems en de natuurlijke dynamiek van het water, met vernieuwde principes voor de inrichting van het polderlandschap. De strategische en centrale ligging van Flevoland wordt optimaal benut; met de Randmeren, het Markermeer en IJsselmeer in de delta, tussen Veluwemassief en Laag-Nederland en op de as van de Randstad naar Noord-Nederland.
De sterke onderlinge verbinding van maakbedrijven met kennisintensieve high-tech maakt de economie weerbaar en internationaal concurrerend. Door zorgvuldig ontworpen woonwijken en bedrijventerreinen liggen steden en dorpen goed ingepast in het landschap. Flevoland biedt een gezonde leefomgeving voor mens en dier in uniek nieuw land met een herkenbare ontstaansgeschiedenis.
Flevoland omvat een aantal gelijkwaardige en sterke leefregio’s die aansluiten op de omliggende provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht en Noord-Holland. Elke leefregio is een onderling verbonden netwerk van vitale steden en dorpen. Elk met een eigen cultuurhistorie en karakter. Bewoners vinden daar winkels, zorg en vrijetijdsbesteding vlakbij in de eigen kern of bereikbaar in de regio. Een toegankelijk en beleefbaar buitengebied nodigt uit om ook buiten met elkaar actief te zijn. Zo vormen mensen verbonden en leefbare gemeenschappen die zich thuis voelen in Flevoland.
De leefregio’s vormen de basis voor een economie waarin mensen van alle opleidingsniveaus en achtergronden een passende baan vinden en zich een leven lang kunnen ontwikkelen. De nauwe samenwerking van het lokale MKB met high-tech bedrijven en kennisinstellingen, op alle onderwijsniveaus, geeft een goede aansluiting tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt in Flevoland. Er is een volwaardig aanbod van aantrekkelijke leer- en loopbaanpaden waardoor jongeren hun potentieel ten volle kunnen ontwikkelen in Flevoland.
De versterking van nationale mobiliteitsinfrastructuur (vaarroutes, weg en spoor) en energie-infrastructuur is gecombineerd met slimme lokale en regionale verbindingen naar het noorden en het oosten. Dit versterkt de alzijdige oriëntatie van Flevoland en vermindert de druk op de verbindingen zuidwaarts met Utrecht en naar het zuidwesten met Amsterdam. Knooppunten van (inter)nationale en robuuste regionale mobiliteits- en energie-infrastructuur bieden goede randvoorwaarden als vestigingslocatie voor bedrijvigheid. Met de ontwikkeling van bedrijvigheid rond onderzoeksinstellingen, campuslocaties en defensieactiviteiten worden in Flevoland de regionaal gewortelde innovatieve economische ecosystemen zichtbaar in het polderlandschap. Daarvoor is er voldoende omvang en variëteit aan werklocaties.
Nieuwe ontwikkelingen worden zorgvuldig en logisch ingepast in een robuust polderraamwerk. De inrichting van het polderlandschap is gebaseerd op de onderscheidende kenmerken van gebiedstypen. We houden rekening met specifieke opgaven in het landelijk gebied. De polderrandgebieden blijven duidelijk te onderscheiden van de open middengebieden, met lange landschappelijke lijnen en lage horizon. Gebieden met een combinatie van opgaven krijgen een vernieuwde landschappelijke structuur. De gebiedsinrichting houdt rekening met veranderende omstandigheden vanuit bodem en water. Stad en land zijn verbonden. De overgangen tussen de bebouwde omgeving en het landelijk gebied zijn verzacht en ondersteunen het functioneren van de natuur. Het landelijk gebied is toegankelijk en beleefbaar voor bewoners.
Het robuuste polderraamwerk biedt ruimte aan de toonaangevende agrarische sector, die wordt ondersteund door goede bodem-, biodiversiteit- en watercondities. De agrarische sector maakt verstandig gebruik van innovaties en de natuurlijke kenmerken van bodems, zodat Flevoland duurzaam bijdraagt aan de voedselzekerheid van Noordwest-Europa.
Het robuuste polderraamwerk kent een gebiedsspecifieke invulling van groenblauwe dooradering en routes die passen bij de landschappelijke identiteit en bijdragen aan de beleving. De inrichting van het watersysteem is verfijnd en gericht op vraagreductie en hergebruik. Zo zorgt het voor voldoende waterbeschikbaarheid van de juiste kwaliteit op het juiste moment voor mens en natuur. Daarmee functioneert het als een samenhangend water- en natuurnetwerk dat bijdraagt aan behoud en versterking van de biodiversiteit en toekomstbestendige landbouw. Het landelijk gebied is toegankelijk en beleefbaar voor recreatie en vormt met de steden en dorpen een aantrekkelijke, veilige en gezonde leefomgeving voor een vitale samenleving.

Om het wensbeeld van Flevoland in balans in 2050 te realiseren, kiezen we voor een sturend omgevingsbeleid. We hanteren drie strategieën voor een samenhangende ontwikkeling. Bij elke strategie geven we een nadere uitwerking van het wensbeeld voor Flevoland in 2050. Hierbij geven we expliciet aan wat we van provinciaal belang vinden. Deze definitie van het provinciaal belang vormt de grondslag voor onze rolneming en sturing. Bij elke strategie benoemen we principes die we hanteren voor die gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. We geven daarbij een gebiedsuitwerking op een schaalniveau en met een gebiedsafbakening die past bij de betreffende strategie.
Het wensbeeld met de drie strategieën vormt met de principes en gebiedsuitwerkingen de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid voor Flevoland. Deze vormen ons afwegingskader. Dit afwegingskader hanteren we in de nadere uitwerking van beleid en in besluitvorming over plannen en projecten. Hieronder geven we aan welke algemene beginselen daarbij gelden. De hoofdlijnen van ons omgevingsbeleid zijn uitgewerkt in de visiekaart in hoofdstuk 4. Daarbij is voor elk van de drie strategieën een kaartbeeld gemaakt met bijpassende gebiedsuitwerkingen. In hoofdstuk 6 geven we aan onder welke voorwaarden incidenteel afgeweken kan worden van de hoofdlijnen van ons omgevingsbeleid.
In onze sturing op de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving variëren we in rolneming zoals:
Reguleren
Rol: kaderstellend, normerend en doorwerkend.
In deze rol bieden we ruimte voor locatiekeuzes met afwegingskaders en stellen we regels ten behoeve van het provinciaal belang en de uitvoering van onze wettelijke taken. We geven hieraan invulling door het stellen van (instructie)regels in de omgevingsverordening en, waar nodig, door het geven van instructies en het nemen van besluiten bij projecten en vergunningen.
Realiseren
Rol: opdrachtgever, trekker, regisseur of medeontwikkelaar.
In deze rol zijn we leidend, aansturend en ondernemend. We maken prestatieafspraken en programmeren de gewenste regionale ontwikkeling. We geven waar nodig richting aan de gewenste ontwikkeling van woningbouw en werklocaties in afspraken met Rijk, regio’s en gemeenten.
Stimuleren
Rol: initiator, facilitator en aanjager.
In deze rol ondersteunen we andere partijen bij samenwerking en uitvoering. We leveren expertise en capaciteit, delen kennis en inspiratie, bevorderen samenwerking tussen partners en zetten financiële instrumenten in, zoals subsidies en cofinanciering, om gewenste ontwikkelingen te versnellen.
Participeren
Rol: netwerker, partner, deelnemer en samenwerker.
In deze rol werken we samen met andere overheden, maatschappelijke organisaties en marktpartijen aan provinciale en gezamenlijke opgaven. We nemen deel aan netwerken en samenwerkingsverbanden en participeren in gebiedsontwikkelingen en programma’s waar gezamenlijke belangen samenkomen, bijvoorbeeld via integrale ontwerpstudies en gezamenlijke gebiedsontwikkelingen.
Provinciaal belang
De definitie van het provinciale belang in deze omgevingsvisie vormt de grondslag voor onze rolneming en sturing op de gewenste ontwikkeling van de leefomgeving. De provinciale belangen die in deze omgevingsvisie zijn gedefinieerd zijn gelegen in:
ontwikkelingen die bijdragen aan nationale transities en (inter)nationale wettelijke doelen;
bovenlokale opgaven en ontwikkelingen;
opgaven en ontwikkelingen die strategisch van belang zijn;
de samenhang met de toekomstbestendigheid van sectoren of systemen;
ontwikkelingen die provinciale regie vereisen vanwege hun schaal, complexiteit en onderlinge samenhang;
een wettelijke taak.
Een provinciaal belang is gelegen in een (wettelijke) taak, in een bevoegdheid van de provincie of in beleidsuitspraken in deze omgevingsvisie. Het geeft aan waar de provincie over gaat, of over wil gaan. De inzet van de instrumenten van de Omgevingswet voor de uitvoering van de omgevingsvisie moet de provincie motiveren met dit provinciaal belang. Die motivatie moet toegesneden zijn op het betreffende instrument. Daarbij ligt de nadruk op een zorgvuldige afweging op grond van de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Het omgevingsbeleid gaat uit van een zo laag mogelijke borging bij gemeenten en waterschappen. De provincie richt zich op dat deel waar zij het meest doelmatig en doeltreffend kan handelen.
Dat iets van provinciaal belang is verklaard, betekent niet dat de provincie volledig verantwoordelijk is of alle werkzaamheden op zich neemt die volgen uit dat provinciaal belang. Waar mogelijk zijn het gemeenten, het waterschap en andere partijen die het provinciaal belang kunnen en moeten behartigen. De provincie heeft daarbij de taak om als gebiedsregisseur zorg te dragen voor de gebiedsgerichte coördinatie van de uitvoering van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen.
Voor sturing op een onderwerp is duidelijkheid nodig over wat de provincie wil en wat we niet willen, wat we zelf willen bijdragen en wat we van anderen verwachten. Dit is het beginsel van voorspelbaarheid. Niet alle toekomstige ontwikkelingen zijn nu al te voorspellen. Daarom bevat hoofdstuk 6 een afwijkingsprocedure voor initiatieven die niet eerder waren voorzien, maar wel een duidelijke kwaliteitsverbetering voor het gebied met zich meebrengen.
Voorzorgsbeginsel
Voor het borgen van de kwaliteit van de leefomgeving gaan we uit van het voorzorgsbeginsel. Dit betekent dat bedrijven en overheden maatregelen moeten nemen wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben voor het milieu of de gezondheid. Het gaat om activiteiten waarbij de beschikbare wetenschappelijke gegevens wel indicaties geven voor een risico, maar nog onvoldoende wetenschappelijk bewijs beschikbaar is over de aard of omvang van een risico. Het voorzorgsbeginsel vormt een grondslag voor ons als provincie om mogelijk schadelijke activiteiten te reguleren. Daarbij gelden ook de beginselen van preventief handelen, aanpak bij de bron en de vervuiler betaalt.
Om Flevoland in balans in 2050 te realiseren hanteren we drie strategieën:
Hiermee sturen we op de gewenste samenhangende ontwikkeling van wonen, werken, voorzieningen, bereikbaarheid, natuur, landbouw, water en bodem.
In 2050 is Flevoland in balans met vitale gemeenschappen in vijf sterke leefregio's. We zien sterke leefregio's als gebieden waarin wonen, werken, landbouw, voorzieningen, cultuur, bereikbaarheid en sociale leefkwaliteit zich in samenhang ontwikkelen.
De leefregio’s verschillen onderling in ligging, unieke omgeving en identiteit. Elke leefregio bestaat uit onderling goed bereikbare, vitale steden en dorpen. Elke leefregio voorziet in een onderling aanvullend aanbod van (bovenregionale) voorzieningen en een gevarieerde en toekomstbestendige woningvoorraad. Elke leefregio biedt een aantrekkelijke en afwisselende leefomgeving. Iedere kern voegt met (jonge) cultuurhistorie, karakter en diverse woonmilieus waarde toe aan de betreffende leefregio waarin deze kern gelegen is. Een deel van de leefregio's is provinciegrensoverschrijdend. Met deze leefregio’s is in 2050 een compleet netwerk van verbonden en leefbare gemeenschappen ontstaan.
De woningvoorraad in de leefregio's is toekomstbestendig, divers en sluit aan bij de behoeften van de huidige en toekomstige inwoners van Flevoland. Binnen leefregio’s vormt stedelijke en dorpscentra plekken waar wonen, werken en voorzieningen zich concentreren. In 2050 zien we voor Almere, Lelystad, Emmeloord, Urk, Dronten en Zeewolde meer concentratie in centra. Nieuwe wijken versterken bestaande kernen, sluiten aan bij het karakter van de leefregio en dragen bij aan de vitaliteit van de samenleving.
Het mobiliteitsnetwerk in combinatie met ruimtelijke keuzes bevordert duurzame mobiliteit. We benutten infrastructuur door stedelijke uitbreidingen te koppelen aan knooppunten van weg en spoor. Door hoogwaardige fiets-, weg- en openbaar vervoersverbindingen, binnen en tussen de leefregio’s zorgen we voor goede bereikbaarheid en verbindingen.
Leefregio's worden gekenmerkt door onderling verbonden en krachtige gemeenschappen waarin inwoners gezond, actief en betrokken zijn en waar oog is voor hun (sociale) veiligheid. De provincie ondersteunt de ontwikkeling van bovenlokale en bovenregionale voorzieningen in de leefregio's die een bijdrage leveren aan vitaliteit en die uitnodigen tot sociale samenhang en ontmoeting. Flevolanders ervaren hun leefregio als een plek waar het fijn is om te wonen, werken en leven.
In onze ambitie om Flevoland te laten uitgroeien tot een provincie in balans in 2050 met vitale gemeenschappen in sterke leefregio’s benoemen we een aantal provinciale belangen. Deze vormen de grondslag voor onze sturing op de gewenste ontwikkeling en onze rolneming.
Pr ovinciaal belang 1: Vitale gemeenschappen in onderling verbonden steden en dorpen in sterke leefregio’s
Motivatie: de provincie stuurt op dit provinciaal belang vanuit een bovenlokaal perspectief op de ontwikkeling van steden en dorpen zodat deze een onderling verbonden netwerk vormen. Ook met nabijgelegen kernen die in andere provincies liggen. Het bovenlokale perspectief ondersteunt de realisatie van passende woningbouw en werklocaties op de juiste plek door gemeenten. Dit versterkt de draagkracht voor kwalitatief hoogwaardige voorzieningen door publieke en private initiatiefnemers. Aan ontwikkellocaties stelt de provincie voorwaarden vanuit onder andere voorzieningen, water, energie, natuur, bodem, erfgoed en landschap om een goede ruimtelijke inpassing te borgen. De provincie investeert voor dit provinciaal belang in de ontwikkeling en versterking van infrastructuur en openbaar vervoer ten behoeve van een goede bereikbaarheid van wonen, werk en voorzieningen binnen leefregio’s.
Provinciaal belang 2: Evenwichtige ontwikkeling van de verschillende leefregio’s in Flevoland
Motivatie: de provincie kijkt vanuit bovenlokaal perspectief naar efficiënt ruimtegebruik en het benutten van de potentie en draagkracht van alle delen van Flevoland voor de groei van inwonersaantal en economie. Om een complete leefregio voor inwoners te bieden, kijken we vanuit bovenregionaal perspectief naar het evenwicht tussen wonen, werken, recreëren, natuur, mobiliteit, onderwijs, kunst en cultuur, zorg en overige voorzieningen in een fysiek en sociaal veilige omgeving. De provincie voert in opdracht van het Rijk regie op de woningbouwprogramma's van gemeenten en daarmee op passend woningaanbod voor specifieke aandachtsgroepen in Flevoland als geheel. De provincie bevordert met het oog op dit provinciaal belang een goed openbaar vervoer en goede aansluiting op (inter)nationale vervoersnetten.
Provinciaal belang 3: Gezonde klimaatbestendige leefomgeving en toegankelijk en beleefbaar buitengebied
Motivatie: de provincie hecht waarde aan een leefomgeving die uitnodigt tot beweging, ontspanning, recreatie en ontmoeting. Dit draagt bij aan gezondheid, verbondenheid en leefbaarheid voor onze inwoners. Nieuwe ontwikkelingen dragen daarom aantoonbaar bij aan een vitale samenleving. De provincie is medeverantwoordelijk voor het realiseren van Europese en nationale beleidsdoelen voor duurzaamheid, klimaatbestendigheid, biodiversiteit en gezondheid. We sturen op grond van dit provinciaal belang op een toegankelijk en beleefbaar buitengebied vanuit de kernen en we investeren in een robuuste inbedding van nieuwe woningbouw en werklocaties in een groene beleefbare omgeving.

De Flevolandse steden en dorpen maken onderdeel uit van verschillende leefregio's. Ze onderscheiden zich in ligging, unieke omgeving en identiteit. Door op deze verscheidenheid aan leefregio's in te zetten, benut Flevoland haar centrale ligging tussen de Randstad en het oosten en noorden van Nederland. Met een alzijdige oriëntatie en sterkere aansluiting op deze stedelijke regio's wordt nabijheid vergroot en hiermee de Flevolandse positie benut in ruimtelijke, economische en functionele zin.
We onderscheiden vijf leefregio's, waarin de oriëntatie van de inwoners leidend is:
Leefregio Dronten - Noordoostpolder - Regio Zwolle vormt een dynamische leefregio waarin agrarische kracht, kennis en innovatie elkaar versterken. De regio profiteert van interregionale bereikbaarheid. Het Mobiliteit en Infrastructuur Test Centrum (MITC) is goed ingebed.
Leefregio Urk is een sociaal en economisch hechte gemeenschap die sterk groeit. De inwoners van Urk zijn sterk gespecialiseerd in maritiem en agritech. De unieke positie van Urk als maritiem en food cluster is stevig ingebed in Flevoland.
Leefregio Zeewolde & Veluwse randgemeenten met ruimte, landschap en gezonde leefmilieus als kwaliteit. We zien de potentie van Zeewolde en Ermelo, Harderwijk, Putten en Nijkerk om zich verder te ontwikkelen als een aantrekkelijke leefregio. Tezamen met andere omliggende gemeenten rond de randmeren, Eemvallei en Veluwe als vanzelfsprekend onderdeel van deze leefregio met de beoogde ontwikkeling van Defensie. Het is dan ook van belang om deze ontwikkeling goed in te bedden, waarbij de samenleving in deze regio een kwaliteitsimpuls krijgt.
Leefregio Almere vormt een hoogstedelijke schakel tussen de Metropoolregio's Amsterdam (MRA) en Amersfoort/Utrecht (MRU). Almere ontwikkelt zich passend bij deze hoogstedelijke dynamiek inclusief voorzieningen, werkgelegenheid en bereikbaarheid. Lelystad ontwikkelt zich tot een regionale centrumstad met een hoogwaardig OV-knooppunt en een passend aanbod aan voorzieningen.
Leefregio Lelystad ligt op het kruispunt ten opzichte van de vier andere leefregio's en op een aantrekkelijk groenblauw grensvlak in het hart van Nederland. Het is voor Lelystad de opgave om zich als hoofdstad van Flevoland verder te ontwikkelen met een sprong in kwaliteit en versterking van de sociale structuur.
De provincie stuurt op samenhang binnen en tussen leefregio’s. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling wordt de balans gezocht tussen voorgenomen ontwikkeling en de impact op de omgeving. Denk hierbij aan inrichting van het landschap, impact op het energiesysteem, aanwezige werklocaties, bereikbaarheid en woningbouw. Hierbij stuurt de provincie op een evenwichtige mix van wonen, werken en voorzieningen, met compacte verstedelijking waar mogelijk en uitbreiding waar nodig. Ook om de energie-, spoor-, en weginfrastructuur beter te benutten.
Demografische veranderingen vragen om meer sturing op een diverser woningaanbod. We zorgen voor passende woningen voor alle Flevolanders. De vergrijzing noodzaakt bijvoorbeeld om andere typen woningen toe te voegen in bestaande wijken. Ook stimuleren we doorstroming. Door in te zetten op de leefregio’s creëren we een Flevoland waarin verbonden en leefbare gemeenschappen centraal staan, met ruimte voor ontmoeting, welzijn en een sterke verbinding tussen wonen, werken en natuur.
Onderscheidende leefregio’s. Elke regio is een onmisbare schakel voor een vitale provincie in balans en draagt bij aan provinciale opgaven. Elke leefregio is anders. Daarom kiezen we voor maatwerk. Zo maakt elke leefregio een ontwikkeling door die past bij de eigen behoeften en kansen. Door integrale afstemming borgen we balans en kwaliteit van de ontwikkeling van Flevoland.

Groei vraagt om regie op samenhang. Met de groei van het aantal inwoners in Flevoland neemt ook de vraag toe naar diverse woonmilieus, meer ruimte voor bedrijvigheid, voorzieningen en groen. Sturen op samenhang zorgt voor sterke, complete regio's waar wonen, werken en recreëren elkaar versterken en bereikbaar blijven. Hierbij houden we zorgvuldig rekening met het water- en bodemsysteem, erfgoed, natuur en de (energie)infrastructuur.
Bereikbare voorzieningen. We ondersteunen de gemeenten zodat elke kern in de leefregio's beschikt over een goed aanbod van dagelijkse voorzieningen. Bovenlokale voorzieningen zijn bereikbaar in de vijf leefregio's.
Voldoende en passende werkgelegenheid. Werklocaties worden strategisch ontwikkeld in evenwicht met woningbouw. Dit zorgt ervoor dat voldoende en passende werkgelegenheid in alle leefregio’s aanwezig is. Hierbij hanteren we het ontwikkelprincipe dat elke nieuwe woning gepaard gaat met de ontwikkeling van één arbeidsplaats. We stimuleren een aanbod aan woonmilieus dat passend is bij de versterking van de (kennis)economie.
Netbewust en waterbewust bouwen. Nieuwe woningen en wijken worden zo ontworpen en gerealiseerd dat zij passen binnen de beschikbare en toekomstige capaciteit van het elektriciteitsnet en de drink- en proceswatervoorziening.

Spreiding van verstedelijking. Voor versterking van alle leefregio's zetten we in op verspreiding van verstedelijking met nieuwe woningen, bedrijven en voorzieningen. Om een evenwichtigere spreiding van groei over de vijf leefregio's te realiseren, vergroten we de bandbreedte van woningaantallen bij de kernen Dronten, Zeewolde en Emmeloord. Hiermee wordt de leefkwaliteit versterkt en krijgen voorzieningen een breder draagvlak. We continueren de ontwikkeling van Almere en Lelystad als stedelijke kernen. Hierbij maken we bewuste keuzes over inbreiding in en uitbreiding van kernen. Identiteit en cultuur van de steden en dorpen en leefregio's zijn bepalend voor het karakter van de ontwikkeling.
Identiteitsversterkend bouwen. We vinden het belangrijk om de lokale kenmerken te laten spreken in architectuur en openbare ruimte. Gekoppeld aan een divers woningaanbod passend bij de omgeving en behoeften vertelt iedere leefregio een eigen verhaal en versterkt zo de binding met bewoners.
Binnenstedelijke ontwikkeling stimuleren. In de meer stedelijke kernen Almere en Lelystad stimuleren we binnenstedelijke ontwikkeling om ook de bestaande stad en sociale structuren te versterken. We zetten samen met de gemeenten in op het intensiveren van centrumontwikkeling en stationsomgevingen met gemengde stedelijkheid in mix van wonen, werken en voorzieningen voor een verhoogde aantrekkingskracht en sociale interactie. Daarnaast hebben we aandacht voor bestaande woonwijken. Met sloop/nieuwbouw, splitsen en optoppen kunnen woningen worden toegevoegd voor specifieke doelgroepen, zoals ouderen en jongeren. Flexibiliteit en toekomstbestendigheid van de woningvoorraad staan hierbij centraal.
Uitbreidingswijken dragen aantoonbaar bij aan de kwaliteit van de bestaande kern en het functioneren van de leefregio. Aan de randen van steden en dorpen voorzien we ook specifieke uitbreidingsrichtingen. Hierbij moet expliciet aandacht worden besteed aan de gevolgen voor de bestaande kern en wijken inclusief voorzieningenniveau, bereikbaarheid en de vitaliteit van de samenleving. Als hiervoor functieverandering van landbouwgrond nodig is, moet dit zorgvuldig worden afgewogen.
Uitbreiding van kernen in het landelijke gebied moet bijdragen aan de doelen voor het landelijke gebied. We verkennen de mogelijkheden voor een financiële bijdrage aan de doelen van het landelijke gebied (water, bodem, klimaat, natuur, toekomstbestendige landbouw), indien het in de fysieke inpassing niet mogelijk is.
Nieuwe solitaire clusters van bebouwing buiten de aangegeven stedelijke gebieden worden uitgesloten. Eventuele nieuwe kernen ter versterking van leefregio's voor vitaliteit, leefkwaliteit en voorzieningen verkennen we eerst met de desbetreffende gemeente in een gezamenlijk ontwerpproces. Alvorens we daaraan medewerking verlenen.
Ontwikkelingen dragen aantoonbaar bij aan een vitale samenleving, waarbij leefbaarheid, gezondheid en sociale samenhang expliciet onderdeel zijn van de afweging.
Schaalsprong in bereikbaarheid. Een schaalsprong in bereikbaarheid is nodig voor het goed functioneren van de leefregio’s en de onderlinge verbindingen ertussen, zowel binnen Flevoland als met de rest van Nederland. Zonder deze schaalsprong neemt de druk op het huidige netwerk toe, waardoor woningbouw, leefkwaliteit en economische ontwikkeling ernstig worden belemmerd.
Beter gebruik maken van bestaande infrastructuur op kortere termijn. Zolang grote investeringen in het spoor- en wegennet en oeververbindingen nog niet plaatsvinden, richten we ons op locaties die op kortere termijn positief effect hebben in leefregio's. Dit betekent beter gebruik maken van bestaande infrastructuur, zoals de potentie van de stationsomgevingen van Dronten, Lelystad en Almere. Samen met de gemeenten willen we deze intensiever benutten en aantrekkelijker maken voor wonen, werken en voorzieningen. Ook het versterken van (H)OV-buslijnen binnen leefregio’s, met hogere frequenties in sterk groeiende gebieden, vergroot de bereikbaarheid op korte termijn.
Door het intensiveren en ontwikkelen van mobiliteitshubs wordt het netwerk robuuster. Voor reizigers betekent dit dat overstappen tussen vervoersmiddelen eenvoudiger wordt, waardoor een betere verbinding ontstaat tussen leefregio’s en stedelijke centra.
Op middellange termijn uitbreiden van nationale (snel)wegen. Binnen 10 jaar wordt de bereikbaarheid van de leefregio's versterkt met verbredingen van de infrastructuur op nationale snelwegen in Flevoland: de A6 en A27. En werken we samen met partners om de verbindingen tussen het oude en nieuwe land, zoals Zeewolde-Nijkerk en de aansluiting op de N50 als sterke verbinding tussen Emmeloord en Zwolle, uit te breiden en te optimaliseren. Zo verbeteren we de bereikbaarheid van leefregio's in gelijke mate met verstedelijking.
Grootschalige investeringen in het infrastructuurnetwerk zijn randvoorwaardelijk voor de schaalsprong van Flevoland richting 2050. Zonder grootschalige infrastructurele investeringen kan Flevoland haar nationale en regionale groeiambities niet realiseren. Het spoor- en wegennet in en om Flevoland lopen vol vanaf 2030. HOV-verbindingen zoals de Pampus-IJmeerverbinding, Emmeloord/Lelystad-Lelylijn en reservering voor Almere/Utrecht - Stichtse Lijn zijn nodig in een samenhangend netwerk dat verder reikt dan de provinciale grenzen. We willen hier met het Rijk harde afspraken over maken in het verlengde van de totale woningbouwopgave. Als zicht op adequate bereikbaarheidsmaatregelen ontbreekt, zullen we woningbouwlocaties uitstellen of andere woningbouwlocaties binnen Flevoland in de tijd prioriteren.
Toegankelijk en beleefbaar buitengebied voor inwoners. We zetten in op groene en aantrekkelijke routes vanuit en door de stad naar randbossen tussen het stedelijk en landelijk gebied en aantrekkelijke locaties voor waterrecreatie. We hebben oog voor de veiligheid en het welzijn van onze inwoners en voorkomen dat er criminele activiteiten worden ontplooid in het buitengebied (ondermijning). Op voormalige agrarisch erven zien wij mogelijkheden voor functieverandering met wonen en kleinschalige bedrijvigheid in een zone direct rondom een kern of in de verwevingsgebieden. Zo ontstaan leefgebieden waar recreatie, groen en sport in evenwicht zijn met bevolkingsgroei, en die ook in stedelijke omgeving bijdragen aan een veerkrachtige, klimaatbestendige en gezonde leefomgeving.
Daarom ondersteunen we de 3‑30‑300-3000-regel: vanuit elk raam zijn minimaal 3 bomen zichtbaar, in de buurt is minimaal 30% schaduwrijk groen, binnen 300 meter ligt een groengebied en daarnaast is vanuit een kern een wandeling in het randbos van 3000 meter te maken. Aan elke woningbouw- of bedrijventerreinuitbreiding wordt een groengebied gekoppeld, zodat rondom alle kernen randbossen ontstaan. Deze randbossen vormen een buffer voor landbouw, beschermen het open karakter van Flevoland, bieden mogelijkheden om te recreëren en verbinden stad en buitengebied via groen-blauwe routes.

In dit hoofdstuk werken we de principes integraal uit in gebiedsuitwerkingen; de vijf leefregio’s. We vertalen deze principes naar de specifieke opgaven, kansen en ambities voor de vijf leefregio’s in Flevoland. Door in te zoomen op elke leefregio maken we inzichtelijk hoe de provinciale strategie zich vertaalt naar concrete ruimtelijke keuzes, passend bij de identiteit en ontwikkelopgaven van iedere leefregio.
In 2050 vormen gemeente Dronten en gemeente Noordoostpolder een samenhangende leefregio met de regio Zwolle (leefregio Dronten - Noordoostpolder - Regio Zwolle) waarin wonen, werken, toekomstbestendige landbouw en natuur in balans zijn. Deze leefregio vormt een dynamisch geheel waarin agrarische kracht, duurzaamheid en innovatie elkaar versterken. Dronten en de Noordoostpolder blijven belangrijk gebied voor primaire productie voor de landbouw en dragen hieraan bij met agritechclusters, sterke kennis en maakindustrie. Het MITC, centraal gelegen in de leefregio, is goed ingebed en draagt bij aan het functioneren van deze leefregio.
De kernen vervullen elk een unieke functie binnen de regio. Door haar centrale ligging tussen Lelystad en Zwolle heeft Dronten veel groeipotentie. We voorzien voor Dronten een ontwikkeling tot een kern met meer stedelijke allures en behoud van ruimte voor groene, landelijke woonmilieus. Dit leidt tot een divers en aantrekkelijk leefklimaat. Om vitaliteit en bovenregionale bereikbaarheid te versterken, stimuleren we woningbouwontwikkeling aan de noordzijde van het station. De Noordoostpolder kenmerkt zich door haar landelijke en dorpse woonmilieus. Door zorgvuldig te zoneren tussen stedelijk en landelijk gebied beschermen we het open landbouwgebied. De Noordoostpolder is een wederopbouwgebied van nationaal belang en dit beschermen wij. Wij voorzien voor de woningbouwprogrammering in de Noordoostpolder na 2030 een grotere groei dan voorheen. In Emmeloord stimuleren we verdichting rond ons voorkeurstracé voor de toekomstige Lelylijn en het station. We voorzien uitbreidingsmogelijkheden voor wonen aan de oostzijde van de A6. Recreatieve routes naar Kuinderbos en tussen Kuinderbos en Voorsterbos worden gecombineerd met groenblauwe dooradering langs vaarten. De regio wordt verbonden door hoogwaardige fietsroutes. Daarnaast zetten we in op een verhoogde frequentie van een (H)OV-verbinding Emmeloord–Zwolle om zo de bovenregionale bereikbaarheid te verbeteren ook richting het MITC. Door de strategische ligging van Ens tussen Emmeloord en Zwolle aan de N50, naast een energieknooppunt en met een toekomstige (H)OV-verbinding zien we potentie voor schaalsprong in groei van het dorp.
In 2050 is leefregio Urk een sociaal hechte gemeenschap, waarin de maritieme economie en de karakteristieke identiteit van het dorp verder zijn versterkt. Urk beschikt over een gevarieerd woonaanbod en een passend voorzieningenniveau. De ruimtelijke ontwikkeling vindt plaats met behoud van de landschappelijke structuur, zodat de bijzondere geschiedenis van Urk als voormalig eiland herkenbaar blijft.
Vanwege de sterke autonome groei van Urk moet het dorp de ruimte hebben om te groeien. We zien daarvoor uitbreidingsmogelijkheden in noordelijke en oostelijke richting. De randweg Spuiweg in combinatie met een randbos, belangrijk voor de ontsluiting van de nieuwe woningen, is daarbij een stedelijke en landschappelijke grens van Urk.
Tegelijkertijd heeft Urk meer nodig dan alleen woningen. Veel inwoners werken lokaal, dus het versterken van werkgelegenheid is belangrijk. Uitbreiding van het bedrijventerrein in Urk, richting het zuiden, stevig ingebed in verschillende economische ecosystemen, biedt daarvoor mogelijkheden. Ook een versterkte infrastructuur, in de vorm van aantrekkelijke fietsroutes en een goede busverbinding, is essentieel voor een goede verbinding met de andere leefregio’s. Bovendien zien we potentie voor Urk, zoals het historisch centrum, om een aantrekkelijke bestemming te zijn en te blijven voor recreatie en toerisme. Het Urkerbos blijft een kerngebied voor natuur, recreatie en leefkwaliteit. Verdere ecologische en recreatieve versterking van dit gebied draagt bij aan een duurzaam en aantrekkelijk woon- en leefklimaat, passend bij de ruimtelijke opgaven van Urk.
In 2050 is Zeewolde een groene, goed verbonden gemeente met een compact dorps karakter en een hechte gemeenschap in de Leefregio Zeewolde & Veluwse randgemeenten en randmeren. De kern Zeewolde combineert aantrekkelijke woonmilieus met een strategische rol in de leefregio, mede dankzij de samenwerking met Defensie. Deze relatie biedt kansen tot nieuwe werkgelegenheid, hoogwaardige voorzieningen en robuuste (H)OV-verbindingen met omliggende gemeenten.
Om het draagvlak voor voorzieningen en de kwaliteit van het centrum te vergroten, willen we samen met Zeewolde inzetten op inbreiding in en rond het centrum. Daarnaast willen we in gesprek over een zuidelijke uitbreidingsrichting voor woningbouw, omdat voortdurende noordwaartse groei het centrum verzwakt. Ontwikkeling naar het zuiden versterkt juist de draagkracht van het centrum en zorgt voor een meer evenwichtige spreiding van de kern. We onderzoeken samen met Zeewolde hoe we een schaalsprong als onderdeel van een goed functionerende leefregio vorm kunnen geven.
Overcapaciteit uit windparken kan in Zeewolde zelf en in combinatie met ontwikkelingen rondom defensie ingezet worden. Deze ontwikkeling stemmen we zorgvuldig af op voorzieningen, natuur en bereikbaarheid. Bij eventuele onttrekking van natuurgebied zoeken we samen met Zeewolde en uitvoeringsorganisaties naar passende compensatie, bijvoorbeeld in het noordoosten.
In Oosterwold Fase 2 onderzoeken we samen met de gemeente Almere en Zeewolde welke mogelijkheden er zijn voor de ontwikkeling van woningen met behoud van zoveel mogelijk landelijk gebied en aansluiting op de Eemvallei. Oosterwold Fase 2 en de kazerne in Zeewolde bieden kans voor hoogwaardige openbaarvervoersontsluiting tussen Almere-Nijkerk-Harderwijk-Zeewolde-defensieterrein.
De leefregio kent als kwaliteiten: ruimte, landschap en gezonde leefmilieus. Daarom benutten we kansen voor aantrekkelijke fietsroutes en recreatieve verbindingen richting het Oude Land en Oosterwold om dit verder te versterken.
In 2050 is Almere doorgegroeid tot een van de grootste steden van Nederland en als vijfde high-tech brandpunt. Zij benut haar strategische ligging binnen de metropoolregio's in de leefregio Almere - MRA - MRU. Er is ingezet op een integrale aanpak passend bij hoogstedelijke dynamiek. Deze versterkt niet alleen Almere zelf, maar sluit ook aan op de omliggende regio’s. Voor deze integrale aanpak is het belangrijk de bovenregionale OV- en wegennet uit te breiden om de bereikbaarheid van woningen, werk en voorzieningen te versterken. Denk hierbij aan de A6, A27-verbreding, de IJmeerverbinding en de reservering voor de Stichtse Lijn.
Door haar gunstige ligging, het gevarieerde landschap, de diversiteit aan bestaande wijken en het potentieel voor grootschalige woningbouw en werklocaties, biedt Almere uiteenlopende woonmilieus voor Flevolanders én inwoners uit omliggende regio’s.
We stimuleren inbreiding bij en rondom stationsomgevingen en het centrum van Almere-Stad om de bestaande stad en sociale structuren te versterken. We omarmen de ambitie van Almere om hoofdstad van post-65 erfgoed van Nederland te worden. We ondersteunen nieuwe uitbreidingslocaties in Pampus en Oosterwold, mits deze samenhangend worden geprogrammeerd met werklocaties, voorzieningen en goede ontsluiting en voldoende wordt aangetoond dat ze bijdragen aan de vitaliteit van de samenleving. Voor Pampus benadrukken we een stedelijk milieu met hoge dichtheden en functiemix, waarbij de IJmeerverbinding een randvoorwaarde is en Flevoland een volwaardige IJmeerverbinding inclusief weg nastreeft. In Oosterwold Fase 2 onderzoeken we samen met de gemeente Almere en Zeewolde welke mogelijkheden er zijn voor de ontwikkeling van woningen met behoud van zoveel mogelijk landelijk gebied en aansluiting op de Eemvallei.
In 2050 is leefregio Lelystad een veerkrachtige en herkenbare hoofdstad met een sterke positie in de provincie. Bovendien vormt Lelystad als hoofdstad een schakel tussen de Metropoolregio Amsterdam en Regio Zwolle. Als een spin in het web gelegen in het midden van de provincie in verbinding met Almere, Enkhuizen, Harderwijk, Dronten, Urk en Emmeloord. En de unieke ligging aan het Markermeer met Nationaal Park Nieuwland, het Ketelmeer en IJsselmeer. Flevolanders gaan naar Lelystad om hier in hun vrije tijd te recreëren op en aan het water en gebruik te maken van de bovenlokale voorzieningen die de hoofdstad biedt. Voor haar inwoners biedt Lelystad een gezonde groene leefomgeving waarin sociale verbondenheid centraal staat. Woonmilieus zijn van goede kwaliteit, natuurinclusief en het netwerk van voorzieningen en de werkgelegenheid sluiten aan bij de veranderende behoeften van de bevolking.
Om dit te bereiken heeft de ontwikkeling van de stad als een samenhangende stedelijke eenheid met doorlopend stedelijk weefsel prioriteit bij alle gebiedsontwikkelingen. Op verschillende plekken, zoals de stationsomgeving en het nieuwe station Zuiderhage, het Stadshart en de ruim opgezette dreven is potentie voor Lelystad om te verdichten/intensiveren. Door herstructurering van bestaande (oudere) wijken kan de kwaliteit van deze wijken vergroot worden. Toevoegen van nieuwe woningen geeft een impuls aan voorzieningen, draagkracht en leefbaarheid van deze wijken. Andere woningtypen inpassen binnen bestaande wijken, met name appartementen, maakt het mogelijk voor starters en senioren om binnen hun wijk een passende woning te vinden.
Het Waterfront biedt Lelystad een kans om de stad te verrijken met een ander woonmilieu. De provincie ondersteunt deze ambitie en ziet naast woningbouw ook kansen voor recreatie en (water) toerisme in de gehele kustzone in aansluiting op het Nationaal Park Nieuw Land. De gedeeltelijke transformatie van bedrijventerrein Noordersluis bij Kornwerderzand kan hieraan bijdragen en de provincie onderzoekt dit graag samen met de gemeente. De groei van woningen vindt plaats ten westen van de A6. Zo beschermen we het landelijk gebied en bevorderen we de kwalitatief hoogwaardige ontwikkeling van de stad. In het zuiden werken gemeente, provincie en Rijk aan Zuiderhage, een nieuw stadsdeel dat goed verbonden moet worden de bestaande stad. Samen met onze partners werken we aan een goede vormgeving.
Hierbij houden we oog voor de ontwikkeling van Lelystad Airport als defensie- en burgerluchtvaartterrein, mede vanwege de geluidsoverlast en het gezondheidsaspect. De realisatie van de Lelylijn, station Zuiderhage en de verbreding van de A6 zijn belangrijke randvoorwaarden voor de ontwikkeling en versterken de positie van Lelystad als kruispunt van de provincie. Zij vergroten de regionale en nationale bereikbaarheid en zijn noodzakelijk om de groei van Lelystad te ondersteunen.
In 2050 heeft Flevoland een weerbare en toekomstbestendige economie waarin wonen en werken in balans zijn. De provincie kent vijf krachtige innovatieve economische ecosystemen die de Nederlandse en internationale concurrentiekracht versterken. De ecosystemen dragen bij aan maatschappelijke en technologische transities van digitalisering en energie. Almere is uitgegroeid tot het vijfde Hightech Brandpunt van Nederland, naast Brainport Eindhoven, Twente, Arnhem/Nijmegen en het gebied rond Delft.
Binnen elk innovatief economisch ecosysteem is het MKB nauw verbonden met kennisinstellingen en onderwijs. Op hotspots is de intensieve samenwerking tussen partijen zichtbaar in een unieke dynamiek. Hightech en innovatieve bedrijven vormen het hart van deze economische ecosystemen. Zij genereren hoogwaardige banen, bouwen sterke kennisclusters die andere bedrijvigheid aantrekken en stimuleren voortdurende technologische vernieuwing. De innovatieve economische ecosystemen en hotspots dragen bij aan een productiever en toekomstbestendig economisch model.
Digitalisering, innovatie, een toekomstbestendig energiesysteem en technologie fungeren als drijvende krachten voor deze toekomstbestendige economische ecosystemen. Dit komt tot uiting in datagedreven landbouw, geautomatiseerde processen, slimme en duurzame havens, en in betrouwbare en snelle digitale bereikbaarheid.
De arbeidsmarkt biedt werkgelegenheid op alle opleidingsniveaus. Door aantrekkelijke leer- en loopbaanpaden met sterke verbindingen tussen mbo, hbo, universiteiten en het bedrijfsleven, krijgen jongeren de kansen om in Flevoland te blijven of te komen. Praktijkgericht onderzoek en doorlopende leerlijnen zorgen ervoor dat talent behouden blijft en dat werknemers zich kunnen blijven ontwikkelen binnen de regio. Daarbij hoort het basisonderwijs, want daar worden de zaadjes gepland die via de doorlopende leerlijnen tot bloei komen.
Defensie-gerelateerde activiteiten zijn regionaal ingebed en bieden een belangrijke economische en maatschappelijke impuls. Ze werken synergetisch aan onze bestaande structuur en versterken de ecosystemen door nieuwe kansen te bieden voor dual-use technologieën en slimme materialen met adaptieve eigenschappen. Nieuwe ontwikkelingen in de omgeving van de defensielocaties die de defensieactiviteiten kunnen belemmeren, worden voorkomen.
Dankzij innovatieve economische ecosystemen waarin strategische hotspots zijn geïntegreerd, een sterke inbedding van Defensie vanuit het dual-use-principe en brede opleidingskansen, zetten we in op een weerbare en toekomstbestendige Flevolandse economie. Daarmee ontwikkelt de provincie zich tot een dynamische regio waarin ruimte, innovatie, technologie en brede welvaart duurzaam met elkaar verbonden zijn.
In het licht van onze ambitie om Flevoland in 2050 in balans te brengen benoemen we een aantal provinciale belangen. Deze vormen de grondslag voor onze sturing op de gewenste ontwikkeling. Het provinciaal belang is gelegen in bovenlokale economische ontwikkelingen die van strategisch van belang zijn en die bijdragen aan nationale transities. We kijken daarbij in het bijzonder naar de samenhang met de toekomstbestendigheid van het energiesysteem.
Provinciaal belang 4: Innovatieve economische ecosystemen rond onderscheidende economische sectoren
Motivatie: de nauwe samenwerking rond innovatie tussen kennisinstellingen, onderwijs en het MKB zijn de drijvende kracht van een concurrerende en toekomstbestendige economie in de regio. Deze economische ecosysteem zijn onderling verbonden en gericht op (inter)nationale transities op het gebied van energie, voedsel, defensie, digitalisering en circulaire economie. Met het oog op dit provinciaal belang benoemen we de vijf kansrijke innovatieve economische ecosystemen omdat deze:
bovenlokaal van karakter zijn en meerdere economische sectoren verbinden, strategisch bijdragen aan de internationale concurrentiekracht, vanwege hun schaal, complexiteit en onderlinge samenhang provinciale regie vereisen en (inter)nationale transities ondersteunen.
Op grond van dit provinciaal belang speelt de provincie een regisserende en verbindende rol en zal actief optreden zodra individuele gemeenten deze ontwikkelingen niet zelfstandig kunnen realiseren of sturen. We bevorderen de samenwerking binnen de innovatieve economische ecosystemen.
Provinciaal belang 5: Hotspots bundelen innovatie, talent, investeringen en productie en vormen de kernen van een zelfversterkend, concurrerend en toekomstbestendig economisch klimaat in Flevoland
Motivatie: Het provinciaal belang ligt in het versterken en ontwikkelen van hotspots als knooppunten voor innovatie, samenwerking en economische vernieuwing binnen Flevoland. In deze hotspots komen bedrijven, kennisinstellingen, talent en/of investeringen samen, waardoor innovatieve ecosystemen ontstaan die bijdragen aan een concurrerend, adaptief en toekomstbestendig economisch klimaat. Hotspots fungeren daarbij als ruimtelijke concentraties waar interactie en kennisuitwisseling worden versneld en die daarmee bijdragen aan het ontwikkelen en versterken van economische ecosystemen. Het provinciaal belang richt zich op het functioneren en de samenhang van deze innovatie-ecosystemen op provinciale schaal. De individuele locaties vormen hiervan de ruimtelijke manifestatie. De provincie ziet erop toe dat innovatie en samenwerking zich op daarvoor kansrijke plekken kunnen concentreren en zal, waar nodig, richting geven aan de ontwikkeling en onderlinge samenhang van hotspots. De ruimtelijke selectie en nadere uitwerking van concrete hotspots en interactiemilieus vindt plaats in omgevingsprogramma’s en gebiedsgerichte afwegingen.
Provinciaal belang 6: Adaptieve en weerbare digitale infrastructuur
Motivatie: een goed functionerende digitale infrastructuur, waaronder datacenters, is onmisbaar voor de economie en voor vitale sectoren. Het is randvoorwaardelijk voor de gewenste ontwikkeling van innovatieve economische ecosystemen en draagt bij aan nationale transitie op het gebied van digitalisering. De schaalgrootte en energievraag van deze infrastructuur, alsmede de noodzakelijke afstemming met energie-infrastructuur, rechtvaardigen provinciale regie. De invloed van digitale infrastructuur en datacenters op de leefomgeving vragen om zorgvuldige locatiekeuzes en inpassing. Op grond van dit provinciaal belang voeren wij, binnen nationale kaders, de regie op het energiesysteem en stuurt de provincie op zorgvuldige ruimtelijke inpassing.
Provinciaal belang 7: Energie-intensieve bedrijvigheid op locaties waar verduurzaming, opwek en opslag hand-in-hand gaan met robuuste energie-infrastructuur
Motivatie: de ontwikkeling van de energie-infrastructuur biedt op een aantal knooppunten gunstige randvoorwaarden voor energie-intensieve economische activiteiten, waaronder datacenters. Door de decentrale ontwikkeling van de energie-infrastructuur af te stemmen op keuzes van het Rijk voor het hoofdnet kunnen op locaties die geschikt zijn gunstige vestigingsvoorwaarden worden gecreëerd.
Provinciaal belang 8: Zorgvuldige fysieke inpassing en sociaaleconomische inbedding van defensieactiviteiten
Motivatie: de keuze van de defensielocaties is een nationaal belang en wordt door het Rijk gemaakt. Op provinciaal niveau is het voor Flevoland van belang om defensieactiviteiten zorgvuldig ruimtelijk in te passen en om kansen en potenties die defensie met zich meebrengt te benutten vanuit het dual-use principe om de bijdrage van defensieactiviteiten aan de ontwikkeling van de ecosystemen te maximaliseren.

Economische ecosysteembenadering
Flevoland stapt over van een sectorgerichte naar een economische ecosysteembenadering om in te spelen op de groeiende behoefte aan samenwerking, innovatie en samenhang. Dit versterkt de samenwerking tussen overheid, onderwijs en onderzoek, en bedrijfsleven. Zo kan de provincie complexe, grensoverschrijdende uitdagingen aanpakken en de gewenste impact realiseren.
Een economisch ecosysteem is een netwerk van bedrijven, organisaties, overheden en onderwijsinstellingen die samenwerken, van elkaar afhankelijk zijn en een ontwikkelingsambitie delen. In een gezond economisch ecosysteem delen en ontwikkelen partijen kennis, talent en middelen, waardoor nieuwe ideeën sneller tot bloei komen, bedrijven sneller groeien en marktkansen beter worden benut.
Innovatie vormt de motor van een economisch ecosysteem. Door nauwe samenwerking ontstaan nieuwe producten, diensten en werkwijzen die de toegevoegde waarde en productiviteit versterken. Startups leren van gevestigde bedrijven, onderzoekers werken samen met ondernemers, en nieuwe technologieën verspreiden zich snel door het netwerk. Deze constante vernieuwing houdt het economische ecosysteem vitaal en concurrerend.
De ontwikkeling van een economisch ecosysteem vereist een langjarige inzet van tijd, geld en bestuurlijk uithoudingsvermogen. Belangrijke elementen voor de ontwikkeling en versterking van een ecosysteem zijn onder meer de aanwezigheid van instellingen die fungeren als een structureel ankerpunt in ecosystemen op hotspots. Ankerinstellingen, zoals grote bedrijven, universiteiten, kennisinstellingen, ziekenhuizen of overheidsorganisaties, vormen de ruggengraat van een ecosysteem.
Grote bedrijven, universiteiten, kennisinstellingen, ziekenhuizen en de aan hen verbonden overheidsorganisaties vormen de ankers van een economisch ecosysteem. Ze bieden werkgelegenheid, trekken talent en investeringen aan, genereren kennis en onderzoek, creëren vraag naar toeleveranciers en gespecialiseerde diensten, zorgen voor stabiliteit in economisch moeilijke tijden. Ze vergroten de zichtbaarheid van het economische ecosysteem. Rond deze ankers ontstaat een netwerk van kleinere bedrijven en startups die profiteren van kennis, vraag en aanwezigheid van de grote spelers.
Hotspots zijn geografische concentraties binnen het economisch ecosysteem waar interactie en innovatie het meest intensief plaatsvinden. Deze ontstaan met name rond kennisinstellingen en innovatieve bedrijven. De potentie van deze hotspots wordt verzilverd als op die plekken intensieve samenwerking met het bedrijfsleven floreert. Gespecialiseerde bedrijven, de concentratie van talent, gedeelde infrastructuur, frequente en toevallige ontmoetingen creëren levendige informele netwerken die onmisbaar zijn voor innovatie. Een economisch ecosysteem met sterke hotspots versterkt zichzelf: succes trekt talent aan, talent stimuleert innovatie, innovatie trekt investeringen aan, en investeringen leiden tot productie en groei.
Vijf innovatieve economische ecosystemen
We zetten in op vijf innovatieve economische ecosystemen die van internationaal belang zijn en een bijdrage leveren aan nationale opgaven. Ze ondersteunen economische transities, vergroten de regionale concurrentiekracht en dragen bij aan de (inter)nationale doelstellingen om het concurrentievermogen en economische autonomie te vergroten. Deze ecosystemen zijn ontstaan rond sectoren waarin Flevoland al een sterke positie heeft opgebouwd en/of potentie heeft, zoals visserij, land- & tuinbouw, HighTech Systemen en Materialen (HTSM), ICT/digitalisering, logistiek, maritiem en energie. Ze bieden de provincie het aanpassingsvermogen en de economische veerkracht om in te spelen op veranderingen.
Elk economisch ecosysteem heeft een helder profiel en specifieke hotspots waar ondernemers, kennisinstellingen en overheden gezamenlijk werken en nauwe afstemming zoeken. Deze locaties zijn goed bereikbaar en voorzien van flexibele digitale, fysieke en energie-infrastructuur. Digitalisering, geavanceerde technologieën en innovatieve materialen versnellen ontwikkelingen, bijvoorbeeld voor defensietoepassingen met dual-use potentieel.
Flevoland versterkt haar economie door ecosystemen te verbinden met nationale en Europese netwerken. Door actief bij te dragen aan grotere nationale opgaven op het gebied van technologie, productie, voedsel, data en dienstverlening, positioneert de provincie zich als relevante schakel in internationale waardeketens. Deze uitwisseling vergroot zowel het leervermogen als de groeikansen van Flevolandse ecosystemen en verstevigt de economische structuur.
Inwoners profiteren direct door meer passende banen in de regio, betere aansluiting tussen voorzieningen en werklocaties, plus een economie die duurzaamheid en structurele productiviteitsgroei stimuleert. Het resultaat is een provincie waar mensen een leven lang met plezier wonen en werken, waar ondernemingen duurzaam groeien en waar economische vooruitgang maatschappelijke waarde creëert.
Innovatieve economische ecosystemen:
Agritech
Een netwerk van technologie, innovatie en economische activiteiten binnen landbouw, tuinbouw, aquacultuur en visserij. Dit economische ecosysteem combineert traditionele kennis met geavanceerde technologie zoals precisielandbouw, robotisering en data-analyse. Het draagt bij aan de arbeidsproductiviteit en de transitie naar een toekomstbestendige en klimaatbestendige voedselproductie.
Hightech
Een netwerk van activiteiten en bedrijven rondom kennis- en R&D-intensief ontwerp, ontwikkeling, productie en distributie van hoogwaardige materialen en componenten. De focus ligt op geavanceerde sleuteltechnologieën zoals halfgeleiders, fotonica, geavanceerde elektronica, software en digitale systemen, met toepassingen in kunstmatige intelligentie, robotisering en automatisering. Dit economische ecosysteem versterkt de Flevolandse positie in strategische technologieën en draagt bij aan de nationale en Europese innovatie- en technologieagenda's.
Slimme mobiliteit
Een netwerk van activiteiten met een focus op digitalisering en ontwikkeling van praktijktesten van innovatieve, autonome en duurzame vervoerssystemen. Dit varieert van landbouwvoertuigen en drones tot auto’s, vliegtuigen en schepen. De unieke infrastructuur van Flevoland wordt benut als 'Smart Area' voor zowel civiele als dual-use toepassingen. Het economische ecosysteem positioneert Flevoland als testlocatie van (inter)nationale betekenis voor innovatie.
Maritiem
Een verweven netwerk van bedrijven, kennisinstellingen, overheden en maatschappelijke organisaties die samen waarde creëren rond zee, scheepvaart en watergebonden activiteiten. Dit economische ecosysteem richt zich op toekomstbestendige scheepsbouw, maritieme innovatie en haven gebonden logistiek. Het draagt bij aan de verduurzaming van de maritieme sector en versterkt de economische positie van water gerelateerde bedrijvigheid in Flevoland.
Energie
Een energie-economisch ecosysteem waarin bedrijven, kennisinstellingen en energieknooppunten zijn verbonden. Het verbindt energie-innovatie met energie-intensievere bedrijvigheid: waterstofproductie, batterij- en opslagtechnologie, datacenters en maak- en recycle industrie. Het economische ecosysteem ondersteunt industriële processen waarbij een robuust en toekomstbestendig energiesysteem een randvoorwaarde is.
Koppelkansen met ecosystemen
Materialentechnologie en samenwerking met Defensie versterken en verbinden de vijf innovatieve economische ecosystemen. Materialentechnologie functioneert als sleuteltechnologie met toepassingen in alle ecosystemen: van duurzame en lichte materialen voor de agritech en hightech tot innovatieve composieten voor slimme mobiliteit, maritieme toepassingen en energietransitie. Sterke aanknopingspunten zijn aanwezig bij het Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) en het voorziene Instituut voor geavanceerde Materialen en Metrologie (IAMM).
Samenwerking met Defensie biedt kansen voor innovatie en investeringen, met name voor de innovatieve economische ecosystemen van hightech, slimme mobiliteit en energie. Door in te zetten op dual-use, waarbij militaire en civiele toepassingen elkaar versterken, wordt de veerkracht van de regionale economie versterkt en kan er beter worden ingespeeld op nationale en regionale opgaven. Defensie heeft nieuwe vestigingslocaties aangewezen in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie en zoekt actief naar partners voor innovatie, testen, bevoorrading en energietoepassingen. Wij faciliteren die samenwerking door waar mogelijk en passend ruimte te bieden voor ontwikkeling en met publiek-private partnerschappen.
Versterken van economische ecosystemen door goede randvoorwaarden te bieden
We versterken de vijf innovatieve economische ecosystemen door te zorgen voor een gunstig vestigingsklimaat. Randvoorwaarden hiervoor zijn een toekomstbestendig energiesysteem, multimodale en digitale bereikbaarheid, onderwijs en aantrekkelijke woonmilieus.
Sturen op regionale meerwaarde
We zetten zoveel mogelijk in op de vestiging van bedrijven met een regionale meerwaarde: bedrijven die aantoonbaar een mate van regionale gebondenheid hebben, bijdragen aan regionale economische innovatieve ecosystemen, een maatschappelijke meerwaarde hebben en zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte.
Bij ruimte voor bedrijvigheid hanteren we een zorgvuldige afweging. Regionaal programmeren van werklocaties is essentieel om gezamenlijke keuzes te maken over de vestiging van bedrijvigheid, afgestemd op de ruimtebehoefte van bedrijventerreinen en kantoren. Gemeenten en provincie maken onderling kwantitatieve en kwalitatieve afspraken om voldoende ruimte te borgen voor de ontwikkeling van innovatieve economische ecosystemen. Dit omvat zowel nieuw te ontwikkelen als bestaande locaties, met aandacht voor zorgvuldig ruimtegebruik, duurzaamheid en omgevingskwaliteit.
Uitbreiding vindt plaats op strategische locaties en staat in verhouding tot beschikbare ruimte en infrastructuur. Wanneer uitbreiding in het landelijke gebied plaatsvindt, leveren bedrijven een aantoonbare bijdrage aan de opgaven van dat gebied: verbetering van bodem, water, biodiversiteit en klimaat. Zo gebruiken we de Flevolandse ruimte efficiënt en toekomstbestendig.

Ruimte voor hotspots op gunstige locaties
Flevoland biedt binnen de innovatieve economische ecosystemen ruimte voor ontwikkeling van hotspots. Dit zijn locaties die gunstig zijn voor de clustering van kennis- en maakindustrie met voorzieningen voor innovatie, zodat bedrijven, onderwijs en onderzoek elkaar versterken.
Strategische zoekzones
Op lange termijn blijft ook ruimte nodig voor regionale en grootschalige bedrijven, zodat de innovatieve economische ecosystemen kunnen groeien en bloeien. Daarom wijzen we strategische zoekzones aan voor de ontwikkeling van grootschalige (boven)regionale bedrijventerreinen: de A6-zone rondom Almere, de A6-zone Lelystad Zuid (rondom de luchthaven), Lelystad Noord (rondom Flevokust Haven) en gebieden bij Urk/Noordoostpolder. De ontwikkeling van innovatieve economische ecosystemen op bepaalde hotspots krijgen onder voorwaarden van voldoende passende werkgelegenheid ruimte om te groeien. We zetten bij voorkeur in op het uitbreiden van bestaande bedrijventerreinen in plaats van het creëren van nieuwe.

Concentreren van specifieke bedrijvigheid voor circulariteit, energie, grootschalige bedrijfsvestigingen en datacenters
We concentreren specifieke nieuwe (boven)regionale en grootschalige bedrijfsvestigingen op de geschikte hotspots wanneer deze een bijdrage leveren aan één van de innovatieve economische ecosystemen. Flevoland maakt bewuste keuzes voor de vestiging en ontwikkeling van digitale infrastructuur die past bij de unieke kenmerken en ambities van de provincie.
Waar het de huisvesting van specifieke nieuwe grootschalige logistieke bedrijvigheid en ruimtelijk complex te faciliteren bedrijven betreft, moeten deze aantoonbaar bijdragen aan het ondersteunen, ontwikkelen of versterken van de innovatieve economische ecosystemen. Complexe bedrijven zijn bedrijven die door aard en omvang grote gevolgen kunnen hebben voor de leefomgeving. Bijvoorbeeld omdat hun activiteiten milieubelastend zijn of omdat ze de ruimtelijke keuzes in de omgeving beperken (denk aan bedrijven die niet naast een woonwijk kunnen staan).

Circulaire bedrijven en milieubelastende activiteiten
We wijzen locaties aan voor de vestiging van milieubelastende activiteiten, waaronder circulaire bedrijvigheid. De vestiging en groei van circulaire bedrijvigheid gericht op verwerking en bewerking van kritieke grondstoffen is toegestaan als deze benodigd zijn voor nationale strategische autonomie en als de economische ecosystemen deze nodig hebben voor hun ontwikkeling. Deze grondstoffen zijn cruciaal voor de economische transities en defensie. Daarnaast sturen we op het behouden en beter benutten van locaties waar circulaire activiteiten zijn toegestaan. Flevoland wil de overgang maken van een lineaire naar een circulaire economie, waarbij grondstoffen efficiënt worden benut en afval wordt geminimaliseerd, resulterend in een minder afhankelijke grondstoffenposities van de ecosystemen.
Datacenters
We sturen op locaties voor datacenters als onderdeel van een robuuste digitale infrastructuur. Met een robuuste digitale infrastructuur bieden we goede randvoorwaarden voor het innovatieve economische ecosysteem van de hightech. Dit vormt een noodzakelijke voorwaarde voor onze toekomstige economische kansen, voor innovatie en onze nationale en Europese data-autonomie.
In lijn met de Rijksvisie op datacenters stelt Flevoland als voorwaarde dat digitale infrastructuur bijdraagt aan kennisintensieve werkgelegenheid, duurzaamheidsambities ondersteunt en de ruimtelijke kwaliteit versterkt.
We staan datacenters alleen toe als deze noodzakelijk zijn voor de digitale transitie (voor het autonoom functioneren) en bijdragen aan de ontwikkeling van de innovatieve economische ecosystemen. Datacenters moeten passen binnen onze duurzaamheidsambities en de (toekomstbestendigheid van) het energiesysteem. De voorwaarden voor energie-intensieve en grootschalige bedrijvigheid zijn ook van toepassing op datacenters.
Energie-intensieve bedrijvigheid
Met energie-intensieve bedrijvigheid bedoelen we datacenters en bedrijven die op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving onder de energie-onderzoeksplicht vallen en een jaarlijks elektriciteitsverbruik hebben van ten minste 10 MWh en ook bedrijvigheid die een totaal (aangevraagd of gecontracteerd) elektrisch transportvermogen heeft van 5 MW of hoger. Vanwege de impact op het energiesysteem vragen we voor deze categorie bedrijvigheid een energietoets.
Energie-intensieve bedrijvigheid concentreren we bij locaties waar energie-ecosystemen ontwikkeld kunnen worden. We sturen op deze locaties aan op een robuust energiesysteem waarbij verduurzaming, opwek en opslag een passende plek krijgen met meerwaarde voor de provincie. De nieuwe 380 kV hoogspanningslijn (Diemen-Ens-Vierverlaten) biedt mogelijkheden voor innovatieve ecosystemen bij nieuwe onderstations en bij de aftakking van de waterstof-backbone. Daarnaast biedt de huidige hoeveelheid aan opweklocaties mogelijk lokaal nog meer perspectief voor directe aansluiting.
Grootschalige bedrijvigheid (>5 hectare)
Vestiging en uitbreiding van grootschalige bedrijfsvestigingen (>5ha) wordt alleen toegestaan als het ondersteunend is aan de ecosystemen. Daarbij gaat het niet alleen om de grootschalige (XXL) logistiek maar ook om andere bedrijvigheid actief in de (maak)industrie, de bouw en datacenters. Ook hierbij zetten we in op clustering en concentraties van deze bedrijven op bestaande plekken zoals Flevokust Haven en LAB 1 en 2 in Lelystad, Stichtse Kant en De Vaart in Almere en Port of Urk op Urk.
Toekomstbestendig energiesysteem
We hanteren zes uitgangspunten voor een toekomstbestendig en robuust energiesysteem bij de verdere ontwikkeling van bedrijvigheid en specifiek de verdere ontwikkeling van energieknooppunten. Dit betekent dat we vooraf inzicht willen hebben in de impact van nieuwe ontwikkelingen op de stabiliteit van het energiesysteem, zodat we de gewenste economische ontwikkeling ook in de toekomst kunnen blijven faciliteren. We maken daarbij onderscheid in onze aanpak door de intensieve economische ontwikkelingen, waaronder datacenters, te koppelen aan energieknooppunten. Op deze wijze wordt energie-intensieve bedrijvigheid ruimtelijk zo ingepast dat dit efficiënt aansluit op de aanwezige energie-infrastructuur.
We zetten in op:
Aanlanding van windenergie op zee bij de Maxima-centrale, mits de koppeling gemaakt kan worden met een waterstofeconomie in Flevoland
Een aftakking van de landelijke waterstofbackbone naar de Maxima-centrale
Een waterstofcluster rondom de Maxima-centrale (Flevokust Haven en omgeving)
Koppeling van bedrijvigheid, opslag en opweklocaties waar mogelijk
Slimme koppelingen tussen warmtenetten bij het clusteren van bedrijvigheid
Voor de vijf innovatieve economische ecosystemen versterken we de hotspots waar gespecialiseerde bedrijven, kennisinstellingen en overheden intensief samenwerken. Deze werklocaties zorgen voor passende werkgelegenheid en innovatie, en fungeren als draaischijf voor samenwerking tussen bedrijfsleven, overheid, onderwijs en kennisinstellingen.
De belangrijkste hotspots in Flevoland zijn: het agrofoodcluster tussen Dronten, Lelystad (Aeres en WUR) en Emmeloord, de hightechcampus in Almere, het MITC, Lelystad Airport (Businesspark), Port of Urk en Flevokust Haven en omgeving.
De aanwezigheid van hotspots is belangrijk omdat zij een belangrijke basis vormen waarop de innovatieve economische ecosystemen gebouwd kunnen worden. Naarmate deze economische ecosystemen zich verder ontwikkelen, kunnen bestaande hotspots worden uitgebreid en kunnen nieuwe hotspots ontstaan. Deze hotspots onderscheiden zich door een ruimtelijke concentratie van activiteiten die:
een drijvende kracht zijn van innovatie voor de economische ecosystemen,
betekenis hebben voor innovatie van (inter)nationaal belang,
een bijdrage leveren aan nationale opgaven, zoals de militaire gereedstelling, de energietransitie en de wateropgave.
Door deze combinatie van functies trekken deze hotspots innovatie en bedrijvigheid aan waarvoor we ruimte willen bieden. Zo versterken ze de regionale economie en maken de samenleving veerkrachtiger en weerbaarder. Voor de ontwikkeling van deze plekken is goede bereikbaarheid essentieel: via de weg, per spoor, door de lucht, over het water, via leidingen en digitaal.
Het agrofoodcluster Dronten - Lelystad - Emmeloord vormt een strategische hotspot voor het agritech innovatieve economische ecosysteem, waar onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven intensief samenwerken aan innovaties voor duurzame landbouw en voedselproductie.
In Dronten faciliteert Aeres Hogeschool de ontwikkeling van agritech-innovaties met focus op precisielandbouw, robotica, digitalisering en emissiereductie. Het Agri Innovation Centre biedt experimenteerruimten, een ontwikkellaboratorium en faciliteiten voor kleinschalige test- en productiebedrijven, incubators en startups die mengbaar zijn met de stedelijke omgeving.
In Lelystad beschikt WUR Open Teelten over grootschalige proefvelden en experimenteerruimten voor veldgewassenonderzoek. De Boerderij van de Toekomst combineert agro-ecologische principes met moderne technologie als platform voor onderzoek en kennisuitwisseling. Emmeloord is de wereldwijde aardappelhoofdstad en het hart van de Nederlandse aardappelteelt en bekend om de gespecialiseerde kennis en ontwikkeling. Port of Urk en Zwolsehoek bieden koppeling met de visverwerkende industrie.
Voor scale-up en grotere productiefaciliteiten zijn reguliere bedrijventerreinen beschikbaar in de Noordoostpolder (De Munt en Nagelerweg), Dronten (Poort van Dronten en Business Zone Delta) en Lelystad (Lab 1 en 2). Deze ondersteunen de hotspot door ruimte te bieden aan toeleverende en verwerkende bedrijven.
De Green High Tech Campus Almere rondom de Zuidoever Weerwater is een hotspot voor het het high tech innovatieve economische ecosysteem en het vijfde “brandpunt” van Nederland. Deze hotspot kenmerkt zich door een hoogstedelijk milieu met hoogwaardige beeldkwaliteit, waar high tech innovatieve bedrijvigheid in de semiconductor-sector samenkomt met onderwijs en onderzoek in het Institute for Advanced Materials and Metrology (IAMM).
Het gebied combineert kleinschalige test- en productiefaciliteiten die mengbaar zijn met de stedelijke omgeving, incubator- en startupfaciliteiten, onderwijs- en opleidingscentra en onderzoeksinstellingen. De campus biedt ruimte voor experimenteren, innovatie en kennisdeling in een multifunctionele stedelijke setting.
Voor scale-up, grotere productiefaciliteiten en (maak)industrie zijn reguliere bedrijventerreinen beschikbaar in Almere (o.a. De Steiger, De Vaart) en Lelystad (o.a. LAB 1 en 2). Deze bedrijventerreinen ondersteunen de Green High Tech Campus door ruimte te bieden aan toeleverende en verwerkende bedrijven, zonder zelf direct onderdeel te zijn van de campus. Daarnaast monitoren we de impact van de Green High Tech Campus op de ontwikkeling en het aantrekken van nieuwe (en bestaande) bedrijvigheid. In de driehoek Almere-Lelystad-Zeewolde wordt actief gewerkt aan het realiseren van extra bedrijventerreinen voor het huisvesten van high-tech bedrijvigheid. We houden oog voor het risico van het verdringen van bestaande en reguliere MKB-bedrijvigheid door de potentieel sterke groei die de ontwikkeling van dit hightech cluster met zich mee kan brengen. We kijken naar en leren van de ontwikkelingen rondom het hightech cluster in Eindhoven/ Veldhoven.
Het Mobiliteit en Infrastructuur Test Centrum (MITC) is een strategische hotspot waar toepassingen op het gebied van smart mobility, cybertechnologie, composieten, energie en dual-use technologieën in samenwerking met Defensie samenkomen. Het heeft in Noordwest-Europa een unieke positie als testlocatie voor innovatieve mobiliteitsoplossingen, waaronder het testen en oefenen met bemande en onbemande luchtvaartuigen en voertuigen.
Het volledige MITC-gebied is gericht op doorontwikkeling van kennisinstellingen en testagentschappen met hoofdzakelijk R&D-, test- en certificeringsfaciliteiten. De focus ligt op toegepast onderzoek, aangevuld met kleinschalige incubator- en startupfaciliteiten. Alle activiteiten zijn ondersteunend aan en faciliterend voor de test-, experimenteer- en certificeringsactiviteiten op en om het MITC. Er is geen ruimte voor scale-up, productiefaciliteiten of toeleverende bedrijvigheid. Voor deze type bedrijvigheid zetten we regionaal in op het benutten van nabijgelegen bestaande en toekomstige bedrijventerreinen.
Het MITC levert een essentiële bijdrage aan de innovatieve economische ecosystemen slimme mobiliteit en hightech door zijn unieke test- en experimenteercapaciteit. Het gebied vraagt om zorgvuldig omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving om het gebruik van het luchtruim voor testen en oefenen niet te beperken. Het MITC heeft een aantrekkende werking als campus, maar vormt een gereguleerde en afgesloten omgeving. Met de partners verkennen we hoe in de toekomst in de nabijheid plaats geboden kan worden aan bedrijvigheid die met deze innovaties verbonden is.
Lelystad Airport vervult een (inter)nationale functie binnen het luchtvaartverkeer, waaronder groothandelsverkeer, general aviation en jachtvliegtuigen. Het ontwikkelt zich tegelijkertijd tot een kennis-hub met campusomgeving waar bedrijfsleven, onderwijsinstellingen en Defensie samenwerken aan innovaties zoals elektrisch en waterstofvliegen en (dual-use) toepassingen. Deze campusontwikkeling stimuleert technologische vernieuwing, werkgelegenheid en talentontwikkeling, met focus op economische ecosysteemontwikkeling waarbij productie-, maak- en toeleveringsbedrijven voor (duurzame) luchtvaart en slimme mobiliteit worden aangetrokken met bedrijfscampusachtige kwaliteiten.
Als hotspot draagt Lelystad Airport bij aan de innovatieve economische ecosystemen slimme mobiliteit en hightech. De goede verbindingen met MITC en omliggende stedelijke centra van Zwolle, Harderwijk en Amsterdam–Schiphol zijn essentieel. Dit geldt zowel voor de ontwikkelpotentie, als voor praktische aspecten van logistiek en brandstofaanvoer. Voor de ontwikkelpotentie is het van belang om geluids- en andere overlast in de leefomgeving te beperken en lokale samenwerking te versterken.
De Port of Urk en Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland (MSNF) zijn strategische werklocaties van provinciaal belang, dankzij hun unieke rol voor de maritieme maakindustrie en de internationaal toonaangevende seafoodsector.
Het gebied herbergt een krachtig cluster van bedrijven actief in scheepsbouw, onderhoud, visverwerking en aanverwante maritieme diensten, waarmee het een belangrijke economische motor vormt voor Urk en Noordelijk Flevoland.
Binnen deze clusters vinden campusontwikkelingen plaats die gericht zijn op kennisdeling, innovatie en talentontwikkeling in zowel de maritieme maakindustrie als het seafood domein: Campus Urk.
MSNF, Port of Urk en Campus Urk bieden ruimte voor de combinatie van (technisch) onderwijs en bedrijvigheid gekoppeld aan de maritieme sector, met een focus op maak- en productiebedrijven en toeleverende bedrijvigheid variërend van visserij tot koopvaardij, van binnenvaart tot maritieme techniek.
De provincie erkent de waarde van deze locatie als onderscheidend element binnen het nationale maritieme netwerk en als aanjager van regionale groei, en zet in op het behoud van voldoende ruimte voor verdere specialisatie en toekomstbestendige ontwikkeling van het cluster.
Deze hotspot draagt bij aan de innovatieve economische ecosystemen maritiem, slimme mobiliteit en hightech.
De Flevokust Haven en omgeving is een strategisch logistiek knooppunt van provinciaal belang aan water, weg en in de nabijheid van spoor, dat bijdraagt aan duurzame logistiek, economische structuurversterking en werkgelegenheid binnen het nationale en regionale logistieke netwerk. De ligging aan diep vaarwater en uitstekende multimodale ontsluiting maakt het gebied aantrekkelijk voor watergebonden bedrijvigheid en logistieke dienstverleners, met clustervorming rond multimodaliteit, logistiek en energie.
De Maxima-centrale draagt bij aan nationale leveringszekerheid voor energie. Rond deze centrale ontstaat een grootschalig energieknooppunt met ontwikkeling van energieinfrastructuur (380 kV, nieuwe onderstations), energieopslag, aanlanding wind op zee en regionale aansluiting op de aftakking van waterstofbackbone. In de nabijheid ligt ACCRES, een locatie met specifieke faciliteiten voor duurzaamheidsonderzoek, zoals algenvijvers, fotobioreactoren en waar initiatieven op het gebied van windenergie en batterijopslag worden onderzocht en getest. Zo biedt het mogelijkheden voor inkoppeling van windmolens aan smart grid Flevoland, waarbij verschillende vormen van duurzame energieproductie en netintegratie in samenhang kunnen worden onderzocht.
De provincie acht het essentieel dat er ruimte blijft voor verdere doorontwikkeling en toekomstige ruimteclaims, zodat het gebied zich duurzaam kan blijven specialiseren. De ontwikkeling vraagt om goede ruimtelijke ordening en een nieuw robuust raamwerk. Deze hotspot draagt bij aan de innovatieve economische ecosystemen slimme mobiliteit, energie én maritiem.
De nieuwe kazerne Zeewolde neemt een bijzondere positie in. Het is niet vergelijkbaar met de andere hotspots, maar kan wel worden aangemerkt als een bijzondere werklocatie. In deze opleidingskazerne worden ondersteunende diensten zoals zorg, logistiek en informatievoorziening samengevoegd en gaan opleiding en praktijk hand in hand. Deze ontwikkeling draagt bij aan de economische en sociale ontwikkeling van de regio, met werkgelegenheid, met het versterken van de regionale infrastructuur en met het aantrekken van kennisintensieve functies.
In 2050 beschikt Flevoland over een robuust polderraamwerk waarin drie polders tezamen met het water van het Markermeer, IJsselmeer, Ketelmeer en de randmeren de basis vormen voor dit wensbeeld. Het polderraamwerk verbindt waterveiligheid, waterbeschikbaarheid, bodemkwaliteit, archeologisch erfgoed, natuur, landschap en landgebruik tot één samenhangend geheel. Hiermee waarborgen we een gezonde, aantrekkelijke leefomgeving voor mens en dier. En hiermee versterken we de natuurlijke basis van de provincie: bodem, water, natuur en landschap. Deze basis vormt de ecologische en landschappelijke ondergrond waarop wonen, landbouw, economie en energieopgaven duurzaam kunnen voortbouwen.
Het raamwerk is ingericht om weersextremen door klimaatverandering zoals zeespiegelstijging, piekbuien, langdurige droogte en verzilting beter op te vangen. Het watersysteem binnen en buiten de polders functioneert als een samenhangend en veerkrachtig geheel. Dit krijgt vorm door waterveilige polders, voldoende en schoon zoetwater voor landbouw, natuur en drinkwater. Het polderraamwerk draagt ook bij aan een veerkrachtig landschap dat kan meebewegen met veranderende omstandigheden.
De drie polders hebben een ruimtelijke opbouw met aan de randen meer gesloten multifunctionele gebieden en in het midden grootschalige open agrarische gebieden. Met landschappelijke lijnen en eenheden zoals dijken, het stelsel van watergangen, bossen en laanbeplanting waarborgt het raamwerk de landschappelijke Flevolandse identiteit. Grote eenheden voor landbouw, wonen, economie, energie en natuur zijn hierbinnen afgestemd op de ondergrond en het watersysteem.
Flevoland is een belangrijke producent van voedsel en draagt bij aan de voedselzekerheid van Noordwest-Europa. De landbouw ontwikkelt zich verder in samenhang met landschap en ecologie. Hierin vormen natuurgebieden en groen-blauwe dooradering een doorlopend ecologisch netwerk dat biodiversiteit versterkt. Het groen-blauwe raamwerk voorziet Flevoland van voldoende en schoon water en tegelijkertijd beschermt dit raamwerk tegen wateroverlast.
Het robuust polderraamwerk brengt nieuwe balans in Flevoland. Een landschap waarin open en grote agrarische gebieden behouden blijven, randen en overgangen zijn verzacht, functies zorgvuldig worden ingepast en de unieke Flevolandse identiteit, boven én onder de grond toekomstbestendig is gewaarborgd. Zo blijft Flevoland een veilige, productieve en aantrekkelijke provincie voor huidige en toekomstige generaties.
In het licht van onze ambitie om Flevoland in 2050 in balans te brengen met een robuust polderraamwerk benoemen we een aantal provinciale belangen. Deze vormen de grondslag voor onze sturing op de gewenste ontwikkeling.
Provinciaal belang 9: De identiteit van het ontworpen landschap
Motivatie: het Flevolandse landschap is wereldwijd uniek en herkenbaar door mensen gemaakt met een goed oog voor de gebruikswaarde van de vruchtbare grond en de ruimte. De provincie is de architect van de vernieuwing van het polderontwerp voor een toekomstbestendige inrichting. Uitgangspunt blijft de combinatie van het regionale landschapsontwerp met de kracht van het landbouwkundige en waterstaatkundige landschap, met de dynamiek van het natuurlijke functioneren van water en bodem. We hebben kennis van en respect voor het archeologische erfgoed in de ondergrond: het prehistorische landschap in de ondergrond is de ontstaansgeschiedenis van Flevoland. Op grond van dit provinciaal belang formuleren we nieuwe inrichtingsprincipes voor het polderlandschap. In navolging van het originele polderontwerp nemen we de unieke combinatie van grondgebruik als uitgangspunt. We formuleren in ons omgevingsbeleid onderscheidende gebiedstypen.
Provinciaal belang 10: Be houd van voldoende landbouwgrond (voor voedselzekerheid in Noordwest-Europa)
Motivatie: het behouden van voldoende kwalitatief hoogwaardige landbouwgrond in Flevoland voor voedselproductie is essentieel voor de voedselzekerheid in Noordwest-Europa. De behoefte aan woningbouw, bedrijventerreinen, energievoorziening, natuur en aanpassingen van het watersysteem gaat gepaard met een ruimtevraag, ook voor ontwikkelingen van nationaal belang. De provincie stuurt op een zorgvuldig gebruik van landbouwgrond voor voedselproductie en het beperken van functiewijziging van landbouwgrond. De provincie stelt voorwaarden en eist een zorgvuldige onderbouwing bij het onttrekken van landbouwgrond.
Provinciaal belang 11: Goede kwaliteit van water en bodem
Motivatie: de provincie heeft tot taak, mede op grond van Europese en nationale wetgeving, dat grond- en oppervlaktewater en de bodems aan kwaliteitseisen voldoen. Dit is ook nodig voor een toekomstbestendige landbouw, voor een gunstige staat van instandhouding van de natuur, voor behoud van de archeologische en aardkundige waarden en voor een gezonde leefomgeving voor mens en dier. De provincie stelt randvoorwaarden aan ruimtegebruik en ontwikkelingen in de leefomgeving en stuurt op benodigde aanpassing van het watersysteem voor verbetering van waterkwaliteit en omgaan met verzilting. In het omgevingsbeleid houdt de provincie rekening met de natuurlijke dynamiek van het watersysteem en bodems.
Provinciaal belang 12: Versterken van natuur en biodiversiteit
Motivatie: de provincie heeft, mede op grond van Europese en nationale wetgeving, de verantwoordelijkheid te zorgen voor de gunstige staat van instandhouding van de natuur. Voor het ecologisch functioneren van natuurgebieden en voor wilde planten en dieren in de gehele provincie is het essentieel dat er voldoende verbindingen zijn tussen natuurgebieden. Op grond van dit provinciaal belang versterken we de groenblauwe dooradering. Dit doen we met landschapselementen zoals wegbermen, dijken en watergangen. Daarnaast versterken we groenblauwe dooradering in en rond de bebouwde omgeving. En we zetten in op natuurvriendelijke buitendijkse oevers en wateren. We sturen op grond van dit provinciaal belang op de samenhangende ontwikkeling van de inrichting van de leefomgeving en nemen daarin recreatiemogelijkheden mee.
Provinciaal belang 13: Toekomstbestendig en klimaatadaptief watersysteem
Motivatie: voor de Flevolandse polders met hun ligging beneden zeeniveau is een toekomstbestendig watersysteem als vanzelfsprekend, zowel binnen- als buitendijks. Als gevolg van klimaatverandering krijgen we te maken met veranderend weer en weersextremen. Op grond van dit provinciaal belang verkennen we de noodzakelijke aanpassingen van het watersysteem om waterveiligheid, waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit te borgen. Daarom zetten we in op het versterken van de samenhang van het buitendijkse systeem met het binnendijkse systeem in de context van de IJsseldelta.
Wonen, industrie en landbouw hebben een groeiende zoetwaterbehoefte en een grote druk op de waterkwaliteit. Met het oog op dit provinciaal belang zorgen we voor voldoende beschikbaarheid van schoon zoetwater en zijn we zuinig op onze strategische zoetwatervoorraad. Op basis van dit provinciaal belang stimuleren we gebruik van gezuiverd oppervlaktewater en stimuleren we de opvang en gebruik van regenwater in nieuwbouwwijken.

Nergens in Nederland is het landschap zo sterk ontworpen en optimaal bestemd als in Flevoland. Het is een volledig technisch gemaakt polderlandschap met als fundament de bodemgesteldheid en het watersysteem. Het oorspronkelijke polderontwerp wordt gekenmerkt door drie verschillende polderconcepten met verschillende ontwerpprincipes over openheid, groene horizonnen, beplanting en beleving. Het is als geheel functioneel en esthetisch ingericht. Dit ontwerp vraagt na decennia om aanpassing. Daarom verrijken we drie polderconcepten in het polderontwerp. We gaan met dit polderraamwerk zorgvuldig om met de bestaande opzet van Flevoland als cultuurhistorisch erfgoed en houden rekening met het archeologisch erfgoed in de ondergrond.
In het polderraamwerk introduceren we vijf gebiedstypen.
Open landbouwgebieden
Multifunctionele landbouwrandgebieden
Verwevingsgebieden
Adaptatiegebieden
Deltagebieden
We geven invulling aan deze gebieden passend bij de verschillende opgaven die er spelen. Zodanig dat transities en functies op de juiste plek in de polder kunnen landen. Hiermee zorgen we dat in de toekomst Flevoland zo optimaal mogelijk te gebruiken is voor mens en dier. Dit vergt soms dat we ons moeten aanpassen aan veranderende natuurlijke processen en soms meer technologisch moeten ingrijpen. Het polderraamwerk biedt daarmee ook bescherming en structuur aan de polders. De vijf gebiedstypen hebben unieke kenmerken op het gebied van water, bodem, natuur, landschapsbeleving en technologische ingrepen.
De kern van het robuuste polderraamwerk bestaat uit de open landbouwgebieden in het hart van Zuidelijk Flevoland, Oostelijk Flevoland en in de kamers en randen van de Noordoostpolder. Duurzaam ingericht voor de primaire productie van voedsel.
De overgangen van het oude naar het nieuwe land, op de oostelijke en zuidoostelijke randen van de polders liggen multifunctionele landbouwrandgebieden. Hier worden de overgangen tussen natuur en landbouw vormgegeven met multifunctionele landbouw en landgebruik in een grofmazige landschappelijke structuur. Deze randgebieden zijn mede ingericht om een plek te bieden voor uitvoering van de bossenstrategie, zoetwater uit kwel, recreatief gebruik en biodiversiteit.
De verwevingsgebieden zijn plekken waar functieverweving met landbouw mogelijk is omdat er in de toekomst voorzien wordt dat hier meer functies geconcentreerd worden, zodat open landbouwgebieden hiervan gevrijwaard blijven. Deze zijn gelegen rond Lelystad airport en LABII, op de plek waar Oosterwold II voorzien is, langs de A6 bij Flevokust Haven, ten noorden van Swifterbant en Dronten en langs de infrastructuur van het assenkruis in de Noordoostpolder. Deze gebieden zijn herkenbaar Flevolands dankzij deze zorgvuldige afweging over functiewijziging en inpassing van nieuwe functies.
Enkele specifieke plekken vragen om een adaptieve inrichting waar landbouw, natuur en verstedelijking zich kan aanpassen aan wisselende uitdagingen op het gebied van drooglegging en wateroverlast. Dit noemen we adaptatiegebieden Het zijn de diepste delen van de polders en gebieden waar de bodemdaling de drooglegging vermindert. Bij de inpoldering is sterk rekening gehouden met de juiste functie op de juiste plek en dat zetten we hiermee door.
Deltagebieden in Flevoland zijn de buitendijkse zones waar het land direct grenst aan grote open wateren zoals de randmeren, het Markermeer en IJsselmeer. We verkennen samen met partners de optimale inrichting van deltagebieden waar waterveiligheid, zoetwaterbeheer, natuur, economische belangen en recreatie samenkomen. Daarin hebben we een verantwoordelijkheid binnen het IJsselmeergebied.
De optelsom van deze vijf gebiedstypen vormt het robuuste polderraamwerk: een versterkt polderontwerp dat primair ruimte biedt aan natuur en landbouw en richting geeft aan toekomstbestendige landbouw en aan de wijze waarop natuur en water meer ruimte krijgen om veerkrachtig te zijn. Het raamwerk faciliteert een veerkrachtig watersysteem dat zorgt voor goede omstandigheden voor verschillende functies, voorziet in voldoende waterbeschikbaarheid en bijdraagt aan de doelen voor waterkwaliteit. Het polderraamwerk kent een vernieuwde landschappelijke structuur met oog voor cultuurhistorisch erfgoed, waarin ecologische processen worden versterkt door ruimte te bieden aan biodiversiteit. Binnen dit raamwerk kunnen kernen zorgvuldig inbreiden of uitbreiden met woningbouw en bedrijventerreinen, bij voorkeur op gunstig gelegen locaties zoals hoger gelegen delen rondom kernen. Bij recreatie wordt rekening gehouden met de draagkracht van de natuur en bouwen we voort op het ontwerp en de identiteit van het Flevolandse landschap.
Door het robuuste polderraamwerk te versterken, wordt de ligging van Flevoland omringd door zoetwater verfijnd en benut. In combinatie met groenblauwe dooradering door stedelijk en landelijk gebied worden ecologische systemen ondersteund en ontstaat er meer ruimte voor biodiversiteit. Het versterken van het contrast tussen het open middengebied en de polderranden biedt ruimte voor nieuwe functies die voortkomen uit de groeiopgaven van Flevoland. Het verzachten van overgangen tussen verschillende functies, waaronder tussen stedelijk en landelijk gebied, helpt daarbij.
Dit vullen we in het robuust polderraamwerk in met een vijftal nieuwe principes:
Onderscheid tussen een buitendijks en een binnendijks watersysteem elk met een eigen positie op de geleidelijke overgang tussen hoog en laag Nederland. Flevoland staat met het Markermeer, IJsselmeer en randmeren in verbinding met de IJsseldelta, Eem, Noordzeekanaal en de Waddenzee. Zeespiegelstijging en extremere regenval en voldoende zoetwater zijn hierin de grootste uitdagingen, waar we richting 2050 en 2100 meer invulling aan moeten geven. Het binnendijkse watersysteem zal door weersextremen, drogere en nattere perioden onder druk komen te staan. In de overgang van hoog naar laag Flevoland moeten we rekening houden met het beter benutten en afvoeren van water door sponswerking en cascadering.

Contrast vergroten tussen de grote open gebieden en de meer gesloten gebieden aan de randen van de polders. Dit biedt ruimte voor meer differentiatie aan functies aan de oostrand van de Noordoostpolder en aan de randen van Oostelijk en Zuidelijk Flevoland. Hiermee behouden we de open gebieden in het midden van de polders inclusief de noordwestelijke en zuidelijke rand van de Noordoostpolder beschikbaar voor toekomstbestendige landbouw.
Het verzachten van randen tussen bijvoorbeeld de randmeren en de dijken, tussen natuur en landbouw en tussen de kernen en het buitengebied. Door een geleidelijke overgang tussen functies te creëren kunnen er meerdere functies een plek krijgen aan de rand van een stad of dorp. Of kunnen landbouw en natuur elkaar versterken in buffers. Voornamelijk in de gebiedstypen verwevingsgebied en multifunctionele landbouw randgebieden zien we dit voor ons. Daarnaast kunnen we de dijkranden door middel van vooroevers verzachten en kunnen we de waterkwaliteit en ecologie versterken.

We versterken natuurverbindingen door het toevoegen van nieuwe natuur, groen-blauwe dooradering en het aaneenschakelen van bestaande natuurgebieden. Dit principe koppelen we aan gebieden waarin veel natuur aanwezig is, waar het watersysteem aanleiding geeft, waar de druk op de ruimte hoog is of waar het polderraamwerk versterkt moet worden. We werken eraan dat in 2050 zeker 10 % van de provincie een groenblauwe dooradering heeft. Hierdoor versterken we de biodiversiteit, de waterkwaliteit, beleving en recreatieve mogelijkheden.

Benutten van diversiteit van bodems en watersysteem voor functies op de juiste plek. In Flevoland is het onderscheid in bodemgesteldheid tussen de verschillende polders minimaal. De ene plek wat natter en dieper, de andere zandig of ziltig en de volgende ligt naast een natuurgebied of dorpskern. Met de groei-opgaven waar Flevoland tot 2050 voor staat, nemen de ruimteclaims toe. Met dit principe zorgen we ervoor dat telkens een zorgvuldige afweging plaats vindt op elke plek die van functie wijzigt. Hiermee beschermen we landbouw- en natuurgebieden en laten we tegelijkertijd steden en dorpen tot volle bloei komen. De verschillen in bodemgesteldheid zijn medebepalend voor welke functie op welke plek het meest geschikt is.
Met het toepassen van deze principes wordt één robuust polderraamwerk gerealiseerd.
De doelen voor toekomstbestendige landbouw, verbetering van de waterkwaliteit en versterking van de biodiversiteit hangen met elkaar samen. Een integrale aanpak is noodzakelijk. De situatie en daarmee de opgave/wat nodig is om de doelen te behalen, verschilt per locatie in Flevoland. Die invulling doen we in negen deelgebieden waar opgaven in een kenmerkende samenhang voorkomen. Deze komen overeen met de deelgebieden waar de provincie in gebiedsprocessen werkt aan de ambities voor het landelijk gebied. In hoofdstuk 5 thema landbouw is deze gebiedsgerichte aanpak nader uitgewerkt.
Water en bodem worden meegewogen bij nieuwe keuzes. We moeten afwegen waar nieuwe aanpassingen robuust zijn en waar het water en bodemsysteem bepalend is.
In elk van de gebiedstypologieën passen we een combinatie van principes toe om te komen tot het robuust polderraamwerk.
De landbouwgronden in Flevoland behoren tot de beste landbouwgronden van Nederland, met zeer vruchtbare landbouwgrond en omringd door zoetwater. Vanuit die oorsprong zetten wij in op het behoud van deze landbouwgrond om ook volgende generaties te blijven voorzien van kwalitatief goed en voldoende voedsel. Hiervoor moeten we primair zuinig omgaan met de onttrekking van onze landbouwgronden en dit zorgvuldig afwegen. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat de productiefactoren zoals de bodem- en waterkwaliteit en biodiversiteit in de landbouw toekomstbestendig zijn. Het terugdringen van vervuiling door gewasbeschermingsmiddelen en zeer zorgwekkende stoffen hoort daar ook bij. De open landbouwgebieden zien wij als een robuuste structuur waarvoor de zwaarste toets in het afwegingskader voor de functiewijziging van landbouwgrond geldt. Daarmee is functiewijziging van landbouwgrond naar een andere functie in dit gebied zeer uitzonderlijk.
Met de volgende principes geven wij handvatten om de verschillende opgaven vanuit landbouw, water, bodem, natuur en ecologie in gebiedsprocessen aan te pakken:
Kamerstructuur versterken
We zetten in op versterking van de oorspronkelijke kamerstructuur door het openhouden van grote gebieden, met groene dooradering aan de randen van de kamers (lanen, singels) en herkenbare erven met een robuuste erfsingel. Deze open kamerstructuur houdt oog voor Vogel en Habitat -Richtlijn doel-soorten (akkervogels) die hier hun primaire leefgebied hier hebben.
Groen-blauwe dooradering open gebied
We zien erop toe dat de groen-blauw dooradering rekening wordt gehouden met de productiviteit van de landbouw en de beleefbaarheid van de open kamers/landschappelijke hoofdstructuren.
Aan de randen van de polder richting het oude land zien we meer grofmazige gebieden. Deze gebieden lenen zich voor versterking van de groene structuur in combinatie met landbouw. We werken aan een functiemix die zowel ondersteunend is aan natuur en recreatie als aan de landbouw. Door deze functies toe te delen aan de multifunctionele landbouwrandgebieden houden we het open landbouwgebied beschikbaar voor voedselproductie.
Overgang natuur-landbouw
Aan de polderranden in een grofmazige landschappelijke structuur zoeken we naar geleidelijke overgangen als buffer tussen natuur en landbouw. Hier ontstaat een mix van functies waar natuur en landbouw samengaan. Dit zijn zoeklocaties voor uitbreiding van het bosareaal waarbinnen agroforestry goed tot de mogelijkheden behoort en waarbij de functie landbouw ongewijzigd kan blijven. Deze gebieden kunnen ook een functie hebben voor recreatie.
Water vasthouden
Binnen het robuuste watersysteem van Flevoland worden door veranderende omstandigheden, zoals droogte, extreme neerslag en zetting, de uitdagingen in de polder groter. We voorzien hiervoor een aantal robuuste ingrepen voor een toekomstbestendige polder en gaan deze samen in gebiedsprocessen verkennen. Op plekken in Flevoland waar we voorzien worden van schone kwel afkomstig van o.a. de Veluwe en de Wieden Weerribben zetten we in op het beter benutten van deze zoetwaterstromen.
Door het toevoegen van nieuwe blauwe verbindingen zetten we in op een betere ecologische waterkwaliteit met extra verbindingen tussen sloten en tochten en door een koppeling te maken met de groene dooradering. Hiermee blijft bij droogte het water langer in het gebied en wordt voorkomen dat het snel afstroomt. Bij extreme neerslag is er meer capaciteit voor de afvoer wat de drooglegging bevordert. We zetten in op maximaal behoud van schoon water en verminderen van het watergebruik.
Verbindingen versterken tussen natuurgebieden
Groenblauwe dooradering van het landschap tussen natuurgebieden is van belang voor uitwisseling van genetisch materiaal en noodzakelijk voor het in stand houden van gezonde populaties. De natuur in Flevoland is nog steeds volop in ontwikkeling en groenblauwe dooradering en routes zijn hierbij van groot belang voor de vestiging van nieuwe soorten binnen de provincie maar ook naar omliggende provincies.Door in kernen en in het landelijk gebied ecologische netwerken te versterken en nieuwe natuur toe te voegen rondom steden en dorpen met een randbos, langs waterwegen, oevers en tussen natuurgebieden in de polders, ontstaat een robuust groen-blauw raamwerk. Dit raamwerk versterkt biodiversiteit, verbetert de waterkwaliteit, voorziet landbouw van water en draagt bij aan klimaatadaptatie. Tegelijkertijd verhoogt het de recreatieve waarde in beleving en met wandel- en fietsroutes.
De verwevingsgebieden hebben plekken waar een hogere verstedelijkingsdruk te verwachten valt of plekken waar mogelijkheden zijn om meer stedelijke functies in te passen, omdat er bijvoorbeeld al infrastructuur aanwezig is. Dit zijn bij uitstek gebieden waar meerdere belangen bij elkaar komen waardoor er differentiatie van functies zal optreden. Zoals de natuurverbindingen, landbouwproductie, erftransformaties en bedrijven.
In adaptatiegebieden komen opgaven zoals bodemdaling, wateroverlast en druk van verstedelijking samen. Daarom vragen deze plekken om nieuwe oplossingen en integrale afwegingen. Water en bodem worden meegewogen bij nieuwe keuzes.
Tegengaan van verdere verzilting van bodems
Op locaties met verzilting vanuit de bodem vraagt het om afweging voor de grondwateronttrekking. Op locaties met verzilting door kwel kijken we naar een passende uitwerking bij aanpassingen in het watersysteem.
Gebiedsgericht geven we invulling aan de blauwe dooradering met het oog op het behalen van de kaderrichtlijn water doelen (KRW) en de waterbeschikbaarheid voor landbouw en natuur. We zetten in op een betere doorspoeling van sloten en tochten door betere verbindingen te maken.
Diepste delen en bodemdalingsgebieden
In diepste delen van de polder en gebieden waar de bodem het meest daalt zien we een toenemende uitdaging in de drooglegging en wateroverlast bij extreme neerslag. Dit leidt in de landbouw tot oogstverliezen en in stedelijk gebied tot overlast. Vaak was de bodemdaling al voorzien bij de inpoldering en dat vraagt met de huidige kennis en inzichten om nieuwe afwegingen. In het landelijk gebied kijken in gebiedsprocessen nadrukkelijk naar de handelingsperspectieven en koppelkansen. We gaan in gesprek over de mogelijkheden voor de toekomstbestendige inrichting van het gebied, waaronder gebruiksfuncties die met meer wateroverlast gecombineerd zouden kunnen worden.
In gebieden waar ook archeologische waarden aanwezig zijn zoals de Swifterbantcultuur en Schokland, zal het nat houden van deze bodems om de archeologie te bewaren een grotere rol gaan spelen en consequenties hebben voor het landgebruik.
De deltagebieden in Flevoland bestaan uit de Randmeren, het Markermeer, het IJsselmeer en de uitmonding van de IJssel.
Om Flevoland en omliggende provincies ook in de toekomst veilig te houden en te voorzien van voldoende zoetwater moeten we zorgvuldig omgaan met het Markermeer en IJsselmeer. Dit vraagt om bewuste afwegingen en nieuwe creatieve oplossingen. De omliggende wateren helpen om zoetwater vast te houden en te benutten, fungeren als veiligheidsbuffers bij zeespiegelstijging en bieden ruimte voor natuurontwikkeling. Naast deze drie hoofdfuncties dienen we zuinig om te gaan met water bij droogte en kunnen we het benutten voor drink- en proceswater.
Vergroten zoetwaterbeschikbaarheid, waterveiligheid en ecologie
We zetten buitendijks in op extra zoetwaterbeschikbaarheid voor periodes van droogte. Met omliggende partners verkennen we de mogelijkheden voor extra zoetwaterbeschikbaarheid in samenhang met waterveiligheid en de versterking van ecologie. Door klimaatverandering krijgen we vaker te maken met zoetwatertekorten. Dit geldt ook voor onze rivieren en het Markermeer en IJsselmeer.
We willen de zoetwaterbeschikbaarheid voor Flevoland en omliggende provincies vergroten door te kijken naar de buffercapaciteit van het IJsselmeer, Markermeer en Randmeren. Dit doen we in samenwerking met het Deltaprogramma zoetwater en het Deltaprogramma IJsselmeer. Als verkenningsrichting zien wij een mogelijke overstroombare waterkering in het Markermeer en IJsselmeer waarin we extra zoetwater vasthouden met een hoger peil voor droge periodes. Dit vergroot de nationale zoetwaterbuffer, biedt uitkomsten voor waterveiligheid voor omliggende provincies en biedt kansen voor nieuwe natuurontwikkeling. Het ontwerp moet rekening houden met peilbeheer, waterkwaliteit, economische belangen zoals scheepvaart en Natura 2000-gebieden. Een integrale kosten-batenanalyse en ecologische impactstudie zijn noodzakelijk om de haalbaarheid te bepalen.
Het blijft daarnaast noodzakelijk om ook regionaal en lokaal in te blijven zetten op water vasthouden en bergen. In stedelijk gebied kan dit door de sponswerking te vergroten.
Vooroevers
In het versterken van waterveiligheid, ecologie en beleefbaarheid onderzoeken we samen met onze gebiedspartners de mogelijkheden voor waterkeringen met vooroevers, in aansluiting op Oostvaardersoevers. Vooroevers remmen de golfslag, waardoor dijken minder belast worden. Daarnaast creëren ze een overgangszone waar biodiversiteit kan toenemen, de waterkwaliteit verbetert en ruimte ontstaat voor broedplaatsen en andere ecologische functies.
Onderstaande visiekaart toont de doelen, ambities en principes die zijn opgenomen in de drie strategieën: sterke leefregio’s, innovatieve economische ecosystemen en robuust polderraamwerk. De principes zijn ruimtelijk vertaald naar specifieke locaties of indicatieve zoekgebieden. De visiekaart geeft daarmee een samenhangende en integrale blik op de toekomst van Flevoland in 2050.

Om ervoor te zorgen dat Flevoland in 2050 in balans is, zijn drie strategieën geformuleerd. Daarmee sturen we op de gewenste samenhangende ontwikkeling. In dit hoofdstuk geven we aan hoe de samenhang van de strategieën eruitziet vanuit een thematisch perspectief. We werken daarbij onze visie op hoofdlijnen nader uit en formuleren waar dat nodig is, aanvullende provinciale belangen en principes die op deze thema’s ondersteunend zijn aan de strategieën.
Flevoland is de jongste provincie van Nederland en de snelst groeiende. Flevoland zet dit hoge groeitempo door. We sturen op deze groei zodanig dat in Flevoland wonen, werken en voorzieningen beter in balans zijn. De principes die wij hanteren voor de ontwikkeling van wonen en een vitale samenleving moeten bijdragen aan de vijf sterke leefregio’s en de randvoorwaarden versterken voor de ontwikkeling van onze innovatieve economische ecosystemen. In elk van deze leefregio’s is er voor inwoners nabijheid en toegankelijkheid van voorzieningen, zoals onderwijs, zorg en cultuur. Naast goed bereikbare voorzieningen is werk essentieel voor een betekenisvol leven en het actief deelnemen aan de samenleving. De Flevolandse samenleving is veerkrachtig, sociaal verbonden en gericht op samenleven. Gemeenschapszin, betrokkenheid en ruimte voor zingeving maken dat iedereen zich gezien voelt en kan bijdragen.
Aanvullend op de strategie voor sterke leefregio’s definiëren we daarom de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor doelgroepen, duurzaamheid, voorzieningen en leefbaarheid.
Provinciaal belang 14: Vitale steden en dorpen in Flevoland.
Provinciaal belang 15: Voldoende, passende en betaalbare woningen voor iedereen.
Provinciaal belang 16: Toekomstbestendige woningen en woonomgevingen in Flevoland.

Passende en betaalbare woningen voor iedereen
In de strategie voor de leefregio’s wordt gestuurd op een woningvoorraad die toekomstbestendig is en met voldoende variatie die aansluit bij de behoeften van de inwoners. Het woningaanbod moet ondersteunend zijn aan de gewenste economische ontwikkeling met aantrekkelijke woningen voor toekomstige werknemers.
De voorgenomen Wet versterking regie volkshuisvesting geeft de provincie een coördinerende rol in de woonopgave. De huidige en toekomstige woonbehoefte staat daarin centraal. Wij dienen ervoor te zorgen dat op provinciaal en regionaal niveau in de woonbehoefte wordt voorzien. Dat betekent dat we inzetten op voldoende, passende en betaalbare woningen voor iedereen, waaronder nadrukkelijk ook betaalbare koopwoningen, omdat deze bijdragen aan doorstroming, zelfstandigheid en vermogensopbouw van inwoners.
Het is van belang dat er passende woonruimte is voor Flevolanders in alle levensfasen. Het woningbouwprogramma moet doorstroming stimuleren, zodat ouderen passend kunnen wonen en ruime gezinswoningen beschikbaar komen. Flexibiliteit staat daarin centraal. De woningen zijn geschikt voor meerdere typen huishoudens en gemakkelijk aanpasbaar. Woningen voor ouderen worden zoveel mogelijk gebouwd met zorg in de nabijheid.
In het bijzonder gelden er wettelijke eisen[1] voor de betaalbaarheid van nieuwbouw en de woonbehoefte van aandachtsgroepen. Op regionaal niveau geldt de wettelijke eis dat minimaal 30% van de totale nieuwbouw sociale huur betreft en dat minimaal twee derde van de totale nieuwbouw betaalbaar is. Wij sturen erop dat de optelsom van de woningbouwprogramma’s van de gemeenten voldoet aan de wettelijke eisen.
Daarnaast moeten we op provinciaal niveau de woonbehoefte van een aantal wettelijk bepaalde aandachtsgroepen in beeld brengen. Wij moeten sturen, op dat het woonbeleid en de woningbouwprogramma’s van de gemeenten hier voldoende in voorzien.
Voor de wettelijke aandachtsgroep 'arbeidsmigranten' kiezen we voor een integrale aanpak. Het thema arbeidsmigratie is breder dan alleen huisvesting. Essentieel onderdeel hiervan is dat we werkgevers meer verantwoordelijkheden geven bij het oplossen van problemen die met arbeidsmigratie samenhangen, zoals huisvesting en scholing. We bieden ruimte voor de huisvesting van arbeidsmigranten passend bij de innovatieve economische ecosystemen. Locaties voor de huisvesting van arbeidsmigranten dienen daarbij logisch gesitueerd te zijn ten opzichte van de werklocatie en voorzieningen.
Toekomstbestendig bouwen
Om toekomstbestendig te zijn, is het van belang om circulaire en klimaatbestendige woningen en woonomgevingen te realiseren. In 2050 willen we dat Flevoland een voorbeeldregio is voor duurzaam wonen met innovatieve oplossingen die bijdragen aan een gezonde leefomgeving. Dit betekent dat we willen dat er in de toekomst anders gebouwd wordt, meer met biobased en circulaire materialen en energie- & waterbewust. Onder andere via de regiodeal Nieuw Land jagen we bouwinnovaties aan en versterken we het onderwijsaanbod om bouwvakkers en installateurs hiervoor op te leiden.
Nieuwe woningen en wijken worden zo ontworpen en gerealiseerd dat zij passen binnen de beschikbare en toekomstige capaciteit van het elektriciteitsnet en de watervoorziening.
Voorzieningenniveau op peil in leefregio’s
In elke leefregio hoort een bijpassend voorzieningenniveau. We zetten in op dat elke kern beschikt over een goed aanbod van dagelijkse voorzieningen zoals winkels, onderwijs, recreatief groen, sport en zorg, die goed bereikbaar zijn. Bovenlokale voorzieningen, zoals ziekenhuiszorg, cultuur en hoger onderwijs, moeten in alle vijf leefregio’s versterkt worden passend bij de groei. De provincie ontwikkelt daarvoor een voorzieningenmonitor. Daarin wordt het voorzieningenniveau van de Flevolandse gemeenten vergeleken met dat van Nederland en van referentiegemeenten. Daarin wordt meegenomen hoe inwoners de beschikbaarheid van voorzieningen ervaren. Om het aanbod aan voorzieningen op het gewenste niveau te brengen voeren we het gesprek met gemeenten en andere partners.
Versterking leefbaarheid
Versterking van leefbaarheid betekent een verbetering van de fysieke en sociale leefomgeving waarin het aantrekkelijker wordt om in te wonen, werken en verblijven. Het biedt een veilige en fijne omgeving, ingericht op ontmoeten, ontspannen, sporten en recreëren. Groen in en om de stad is hiervoor belangrijk. Ook voorzieningen voor recreatie, cultuur en sport dragen bij aan meer onderlinge verbondenheid en een gezonde leefstijl. We ondersteunen gemeenten hierbij door middel van ons natuur-, recreatie-, cultuur-, sociaal-, erfgoed- en sportbeleid. Hierbij kijken we wel naar de juiste functie op de juiste locatie. We hebben een positieve grondhouding ten opzichte van grootschalige leisure (vrijetijdseconomische) ontwikkelingen waarbij we waardevol toerisme als uitgangspunt nemen. Dit betekent dat we inzetten op een gebalanceerde en duurzame groei van bezoek, maar daarbij bewonersprofijt centraal stellen. Hierbij wordt rekening gehouden met alle drie dimensies van impact: economische impact, sociale impact en impact op de leefomgeving. Positieve impact vanuit alle dimensies kan leiden tot meer bewonersprofijt. Om te zorgen voor vitale steden en dorpen sluiten we permanente bewoning van recreatiewoningen op recreatieparken niet categorisch uit, maar beoordelen we per locatie op effecten voor leefbaarheid, ruimtelijke kwaliteit, natuurwaarden, veiligheid, voorzieningen en impact op de capaciteit van recreatiewoningen in Flevoland.
Gebaseerd op Ontwerpbesluit versterking regie volkshuisvesting en bijhorende stukken dd. 19‑12‑2025
Met de inzet op de vijf innovatieve economische ecosystemen werkt de provincie aan een weerbare en toekomstbestendige economie. Daarbij sluiten we aan bij bestaande kwaliteiten, maar werken we ook aan versterking en vernieuwing. De doorontwikkeling van de hotspots bieden hiervoor belangrijke vestigingscondities. Daarnaast zetten we in bredere zin in op een betere koppeling met onderwijs, het behoud van bedrijventerreinen met bijzondere kwaliteiten, een goede bereikbaarheid en waar mogelijk vermenging van werk- en woonlocaties. Dit moet leiden tot een sterke economisch structuur, die waarde toevoegt voor alle Flevolanders.
Bij economische ontwikkelingen wordt de samenhang met woningbouw, inclusief de huisvesting van arbeidsmigranten, expliciet betrokken. Daarbij wordt rekening gehouden met de effecten op de leefbaarheid van kernen en de balans tussen werken, wonen, infrastructuur en voorzieningen. Huisvesting van arbeidsmigranten wordt logisch gesitueerd ten opzichte van werklocaties en voorzieningen, evenwichtig over de provincie verspreid en afgestemd op de draagkracht van de directe omgeving. Waar mogelijk wordt ingezet op flexibele huisvestingsoplossingen, zodat deze in de toekomst kunnen worden aangepast in functie of locatie wanneer de vraag naar arbeidsmigranten verandert. Nieuwe initiatieven voor arbeidsmigrantenhuisvesting komen tot stand binnen de kaders van de provinciale omgevingsvisie en door inpassing in het lokale (gemeentelijke) omgevingsplan.
Aanvullend op de strategie innovatieve economische ecosystemen definiëren we daarom de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor programmering van werklocaties en samenwerking met onderwijs.
Provinciaal belang 17: Voldoende passende werklocaties en een gedifferentieerd aanbod aan bedrijventerreinen in Flevoland.
Provinciaal belang 18: Digitale voorzieningen, zoals datacenters, die ondersteunend zijn aan de innovatieve economische ecosystemen zijn van provinciaal belang voor een toekomstbestendige digitale infrastructuur.
Provinciaal belang 19: Vanwege de energiebehoefte van datacenters en de schaarste aan elektriciteitscapaciteit geven we in Flevoland in principe voorrang op de energie aansluiting aan woningbouw, scholen, zorgin-stellingen en andere maatschappelijke voorzieningen.

Voldoende passende werklocaties en een gedifferentieerd aanbod
Voor de innovatieve economische ecosystemen wordt ingezet op een aantal hotspots met een clustering van onderzoek en onderwijs met bedrijven. Door te zorgen voor goede bereikbaarheid en een aantrekkelijke omgeving verbinden we hotspots aan interactiemilieus die ontmoeting en samenwerking bevorderen. Elk van deze hotspots heeft een eigen functioneel ontwikkelingsperspectief, dat betreft onder andere:
de omvang en het schaalniveau,
randvoorwaarden op het gebied van land- en waterzijdige bereikbaarheid,
de beschikbaarheid van water en energie,
de toegestane milieubelasting,
en experimenteerruimte voor innovatieve technieken.
Elk van de hotspots heeft een eigen profiel dat kan variëren van een meer campus-achtige omgeving tot een aantrekkelijk multifunctioneel industrielandschap.
Vanuit provinciaal belang zien we toe op voldoende passende werklocaties en een gedifferentieerd aanbod aan bedrijventerreinen in Flevoland. We sluiten hiermee aan op de vraag en richten werklocaties zo efficiënt en effectief mogelijk in. Hiervoor hanteren we de volgende principes:
Bescherming van de huidige oppervlaktes en kwaliteiten. Dit geldt met name voor een aantal strategische locaties:
Watergebonden en watergerelateerde bedrijven;
Innovatieomgevingen (zoals campussen, innovatiedistricten, fieldlabs);
(Boven)regionale bedrijventerreinen die ruimte bieden aan grootschalige bedrijven;
Bedrijven met milieubelastende activiteiten of complexe bedrijven die een negatieve invloed hebben op de omgeving door geur, geluid, stof of trillingen.
Uitbreiding van de voorraad aan bedrijventerreinen, maar geen uitbreiding van de voorraad aan kantoren.
De bedrijventerreinenmarkt blijft sterk in ontwikkeling en duidt op structurele tekorten op de langere termijn. We wijzen strategische zoekgebieden aan voor (grootschalige) uitbreiding van (boven)regionale bedrijventerreinen. Kleinschalige uitbreidingen van bedrijventerreinen, passend bij de aard en omvang van (kleine) kernen blijft mogelijk, mits ze daadwerkelijk voorzien in de specifieke lokale behoeften.
De kantorenmarkt is onderhevig aan structurele trends die beperkend zijn voor de ontwikkeling van de behoefte naar kantoren. De markt blijft krimpen, ondanks een sterke groei van inwoners en kantoorhoudende banen. Daarom maximeren we de kantorenvoorraad op de huidige omvang. Nieuwe ontwikkelingen blijven mogelijk, afhankelijk van plek en omvang, en altijd in samenhang met de bestaande voorraad.
Het concentreren van specifieke nieuwe (boven)regionale en grootschalige bedrijfsvestigingen op de juiste plek. Niet elke werklocatie is qua ligging, omvang, bereikbaarheid en profiel geschikt voor de vestiging van meer grootschalige, regionale of complexe te faciliteren bedrijvigheid. We zetten in op de vestiging van deze type bedrijven op een selectiever aantal werklocaties in onze provincie;
Inzet op functiemenging op bedrijventerreinen waar mogelijk, zonder afbreuk te doen aan het behoud en de vestiging van bedrijven waar de bedrijventerreinen voor ontwikkeld zijn. Functiemenging, het combineren van wonen, werken, recreëren en voorzieningen, kent daarbij verschillende vormen:
Gebouwniveau (verticale menging): het stapelen van functies, zoals winkels of horeca op de begane grond met kantoren en/of woningen daarboven.
Straat- of blokniveau (horizontale menging): verschillende functies (bijv. woningen, kleine bedrijvigheid, winkels) bevinden zich naast elkaar in dezelfde straat of in een gemengd bouwblok.
Wijk- of gebiedsniveau: het creëren van gevarieerde buurten of wijken waar woon-, werk-, recreatie- en voorzieningenfuncties (ruimtelijk) in elkaar overlopen.
Meervoudig ruimtegebruik: het gebruiken van private of publieke ruimten en vastgoed voor verschillende doeleinden. Bijvoorbeeld meervoudig ruimtegebruik van daken voor energieopwekking (zonnepanelen of windenergie), wateropvang (blauwe daken), biodiversiteit (groene daken) en extra gebruiksruimte zoals dakterrassen of parkeerdaken;
Naast de benodigde ontwikkeling van nieuwe werklocaties zetten we in op het toekomstbestendig maken van de bestaande werklocaties. Nieuwe werklocatie-ontwikkeling moet in samenhang zijn met de bestaande werklocaties en mogen geen structurele negatieve impact hebben op de bestaande werklocaties. Daarom moeten bestaande locaties ook toekomstbestendig worden en blijven. Dat betekent o.a. een inzet op verbeteren van duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en inpassing, bereikbaarheid en organisatiegraad;
Intensivering van bestaande bedrijventerreinen, door zowel de fysieke ruimte als de milieuruimte beter te benutten;
Inzet op de vestiging van bedrijven met regionale meerwaarde.
Samen met gemeenten, ondernemers, en de buurprovincies werken wij dit verder programmatisch uit.
Toekomstbestendige digitale infrastructuur
Digitale infrastructuur vormt een essentiële randvoorwaarde voor het functioneren en de verdere ontwikkeling van innovatieve economische ecosystemen. Snelle, betrouwbare en veilige digitale netwerken maken het mogelijk dat bedrijven, kennisinstellingen en overheden effectief samenwerken, data uitwisselen en nieuwe technologieën ontwikkelen en toepassen. Zij ondersteunen innovatieprocessen zoals digitalisering, automatisering en het gebruik van data-gedreven toepassingen, en vergroten daarmee de productiviteit en het verdienvermogen van de regionale economie. Digitale voorzieningen, zoals datacenters, die ondersteunend zijn aan de innovatieve economische ecosystemen zijn van provinciaal belang voor een toekomstbestendige digitale infrastructuur.
Hyperscale datacenters zijn in Flevoland door het Rijk uitgesloten. In de Verstedelijkingsstrategie van de Metropoolregio Amsterdam (NOVEX-MRA) is zuidelijk Flevoland aangewezen als een zoekgebied voor een vierde hyperconnectiviteitscluster. De provincie Flevoland bepaalt of, waar en onder welke voorwaarden zij hiervoor ruimte biedt.
Na een weging van provinciale ambities en belangen formuleren we regels in de omgevingsverordening voor datacenters, in het bijzonder als deze ondersteunend zijn aan de innovatieve economische ecosystemen en die de ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid waarborgen. In gebieden met een provinciale of regionale woningbouwopgave krijgen woningen, maatschappelijke voorzieningen en bijbehorende infrastructuur voorrang op datacenters. Datacenters zijn alleen toegestaan na realisatie van de woningbouwdoelstellingen of als aangetoond kan worden dat vestiging de woningbouw niet belemmert.
Vanwege de energiebehoefte van datacenters en de schaarste aan elektriciteitscapaciteit geven we in Flevoland voorrang aan woningbouw, scholen, zorginstellingen en andere maatschappelijke voorzieningen conform het door Autoriteit Consument & Markt vastgestelde prioriteringsprotocol.
Verbinding onderwijs en economie
Voor de gewenste ontwikkeling van de Flevolandse economie is de verbinding tussen het bedrijfsleven, de publieke sector en het onderwijs essentieel (triple helix samenwerking). Op vmbo- en mbo-niveau moet deze verbinding sterk blijven en meegroeien, op hbo- en universitair niveau (technisch) moet deze versterkt worden. In het primair onderwijs moeten de zaadjes al geplant worden. Een stad met de omvang van Almere in 2050 heeft universitair onderwijs nodig, en een stad met de omvang van Lelystad heeft hbo-onderwijs nodig. Door passende en toekomstgerichte scholing kunnen we de economische ecosystemen versterken, vooral de verbinding tussen mkb-bedrijven en maakindustrie met kennisintensieve activiteiten.
De provincie zet in op het versterken van de onderwijsinfrastructuur door samen met onderwijsinstellingen, gemeenten en andere partners een agenda op te stellen die gericht is op de transities. We investeren in een goede arbeidsmarktinfrastructuur zodat vraag en aanbod beter op elkaar afgestemd is. Dit betekent bovenlokale samenwerking op het versterken van basisvaardigheden, de aanpak van onbenut arbeidspotentieel en het tegengaan van vroegtijdige schooluitval. Flevoland biedt daarom ruimte voor nieuwe onderwijs- en arbeidsmarktconcepten die aansluiten bij een toekomstbestendige en weerbare economie, waaronder campus ontwikkelingen voor maritiem, smart mobility en tech & transitie.
De transitie naar een arbeidsmarkt die meer gericht is op vaardigheden in plaats van diploma's vraagt om leven lang ontwikkelen. Hiervoor continueren we publiek-private samenwerking voor human capital en maken we het mogelijk om onderwijsprogramma's toekomstbestendig te financieren. Deze omgevingsvisie sluit aan bij ons economisch beleid dat wij een goede samenwerking tussen bedrijfsleven, onderwijs en kennisinstellingen op alle onderwijsniveaus ondersteunen.
Om de leefregio’s en de innovatieve economische ecosystemen goed te laten functioneren is goede bereikbaarheid van essentieel belang. Het stelt mensen in staat om mee te doen aan de maatschappij en draagt bij aan het verdienvermogen van Flevoland. Voor de ontwikkeling van nieuwe woonwijken zijn in elk van de leefregio’s een passende ontsluiting en soms aanvullende infrastructuur nodig. De economische ontwikkelingen en in het bijzonder de hotspots vragen om goede ontsluiting. Daarbij zetten we ook in op goed toegankelijk openbaar vervoer en hoogwaardige fietsroutes als verbinding tussen de woonkernen.
De strategische keuzes van deze omgevingsvisie voor de gewenste ontwikkeling van leefregio’s en innovatieve economische ecosystemen vragen om een nadere uitwerking van keuzes over mobiliteit. Zonder nadere keuzes neemt de congestie die gepaard gaat met de autonome ontwikkeling, in het bijzonder op de snelwegen, nog verder toe door de groei van inwonertal en economische activiteit die we voor Flevoland voorzien. Naast investeringen van het Rijk in de snelwegen en railverbindingen, vraagt dit van ons om een nadere verkenning te maken van oeververbindingen tussen de polders en met het oude land, het versterken van het provinciale wegennet en het HOV-netwerk, doorfietsroutes en plekken die knooppunten kunnen vormen tussen deze netten en met andere mobiliteitsoplossingen.
Aanvullend op de strategieën sterke leefregio’s en innovatieve economische ecosystemen definiëren we daarom de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor doorstroming, nieuw slim mobiliteitsaanbod, goederenvervoer en recreatieve fiets- en vaarroutes.
Provinciaal belang 20: Doorstroming op de provinciale wegen en verkeersveiligheid in Flevoland.
Provinciaal belang 21: De verschillende netwerken met multimodale knooppunten sluiten goed op elkaar aan en de reistijden tussen onze sterke leefregio’s en kernen blijven acceptabel.

Doorstroming op de provinciale wegen
Flevoland is een schakel in de bereikbaarheid van Nederland. Dat betekent dat er naast het regionale verkeer ook veel doorgaand verkeer via Flevoland loopt. Door de bevolkingsgroei en de ambities van Flevoland neemt de druk op het nationale en het provinciale mobiliteitsnetwerk sterk toe. In de huidige situatie en de autonome ontwikkeling, ook zonder de ambities van deze omgevingsvisie, leidt dit al tot congestie op de rijkswegen. Om Flevoland bereikbaar te houden is een toekomstbestendige mobiliteitsstrategie nodig.
Als provincie zijn we primair verantwoordelijk voor de provinciale wegen en het regionale openbaar vervoer. Inzet van de provincie is dat alle Flevolanders snel, betrouwbaar en veilig op de bestemming kunnen komen waar ze naar toe willen. Doorstroming op de provinciale wegen en verkeersveiligheid in Flevoland zijn van provinciaal belang. Daarom houden we, bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, hiermee rekening. Voor veel Flevolanders is en blijft de auto belangrijk, zeker in het landelijk gebied. Nieuwe technologie en smart mobility voegen daar naar verwachting nieuw aanbod aan toe zoals hoogwaardige fietsroutes. Wij hanteren als uitgangspunt voor mobiliteit: slim, schoon, en solide.
Bestaande spoornetwerk slim benutten
Naast nieuwe verbindingen zet de provincie in op het versterken van de nationale en internationale spoorbereikbaarheid van Flevoland door benutting en optimalisatie van het bestaande spoornetwerk. Daarbij ligt de prioriteit bij het realiseren van een rechtstreekse intercityverbinding met Utrecht en het behoud van de bestaande internationale verbinding naar België. Daarnaast worden mogelijkheden voor verdere uitbreiding van verbindingen met Duitsland onderzocht.
Bereikbare, betaalbare en slimme mobiliteit voor alle inwoners
Door toenemende verkeersdruk, langere reistijden en parkeerrestricties wordt bereikbaarheid van werk en voorzieningen steeds lastiger. Het uitbreiden van bestaande of nieuwe wegen biedt daarbij niet altijd een oplossing, zeker richting de grotere steden waar veel Flevolanders werken. We zetten daarom samen met lokale en landelijke organisaties actief in op ander, veilig en bewust reisgedrag. Als principe hanteren we - de juiste mobiliteit op de juiste plaats en voor iedereen betaalbaar. In de grote kernen, dus waar veel inwoners wonen, stimuleren we het gebruik van openbaar vervoer, de (elektrische)fiets en deelmobiliteit. Dat doen we langs het STOMP principe (Stappen, Trappen, Openbaarvervoer, MaaS (Mobility as a Service), Personenauto). Tegelijkertijd blijft de provincie oog houden voor en ruimte bieden aan vervoer per eigen auto. We vinden het belangrijk dat de verschillende netwerken met multimodale knooppunten goed op elkaar aansluiten en dat de reistijden tussen onze sterke leefregio’s en kernen acceptabel blijven. Waar nodig investeren we in OV- en weginfrastructuur, doorfietsroutes, stallingsvoorzieningen, mobiliteitshubs en locaties voor deelmobiliteit, waarbij een digitale ‘basis-op-orde’ uitgangspunt is. Hiermee versterken we de toegankelijkheid en kwaliteit van reisinformatie.
Ontwikkeling A27/A6-zone als Europese goederenvervoercorridor
Transport en opslag van goederen is een sterk groeiende sector die veel verkeersbewegingen met zich meebrengt. Met de komst van vele (internationale) logistieke bedrijven en Flevokust Haven maakt Flevoland deel uit van een Europees goederenvervoernetwerk. We onderzoeken samen met andere provincies en het Rijk hoe we de A27/A6-zone kunnen ontwikkelen tot een Europese goederenvervoercorridor die Flevoland via de noordelijke en oostelijk provincies met het buitenland verbindt. Voldoende capaciteit en bedieningstijden van de Lorentzsluis en Noordersluis bij Kornwerderzand zijn hiervoor van belang. Tot dusverre vervoeren bedrijven hun goederen vooral over de weg, slechts enkele bedrijven kiezen voor vervoer over water. Als provincie stimuleren we bedrijven om hun logistieke keten kritisch te evalueren en te onderzoeken of een modal shift naar vervoer over water en/of spoor mogelijk is. De provincie blijft hierbij investeren in de doorontwikkeling van Flevokust Haven.
Aantrekkelijke vaarwegen die bijdragen aan recreatieve ontwikkeling
Naast de wegen zijn ook de regionale vaarwegen van provinciaal belang. De vaarwegen in Flevoland zijn vooral belangrijk voor de afwatering en beroepsvaart, maar worden ook steeds belangrijker voor recreatie. Door de aanleg van natuurvriendelijke oevers en passantensteigers met aansluiting op fietspaden, maken we de vaarwegen aantrekkelijker voor inwoners en toeristen. Tegelijkertijd dragen natuurvriendelijke oevers bij aan de waterkwaliteit en versterking van de biodiversiteit.
De gewenste ontwikkeling van innovatieve economische ecosystemen en de groei van woningbouw in de leefregio’s wordt mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van het energienet. We werken gezamenlijk met de gemeentelijke partners aan een robuuste en toekomstbestendige energie-infrastructuur. In bovenlokale vraagstukken neemt de provincie de regierol. Netbeheerders zijn verantwoordelijk voor het beheer, onderhoud en de uitbreiding van het energiesysteem en zorgen voor een veilig transport. De principes van de strategie voor innovatieve economische ecosysteem zijn hierbij leidend. Voor de inpassing van nieuwe energie-infrastructuur, zowel de grootschalige als kleinere decentrale voorzieningen gelden de principes en gebiedsuitwerkingen voor het robuuste polderraamwerk.
Aanvullend op de strategieën sterke leefregio’s en innovatieve economische ecosystemen definiëren we de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor de onderlinge verbinding van energievraag en -aanbod van duurzaam opgewekte energie en voor de warmtetransitie.
Provinciaal belang 22: Een robuust en toekomstbestendig energiesysteem en een duurzame energiemix.
Provinciaal belang 23: Goede ruimtelijke inpassing van decentrale energie-infrastructuur en -activiteiten.
Provinciaal belang 24: Flevoland heeft voordeel van de eigen energieprojecten en opgewekte energie.

Uitgangspunten voor een robuust en toekomstbestendig energiesysteem
Flevoland heeft zich met de grootschalige windparken ontwikkeld tot een koploper in duurzame energie. Tegelijkertijd staan we voor nieuwe uitdagingen. Voor de elektrificatie van mobiliteit, industrie en wonen is de ontwikkeling van het energiesysteem randvoorwaardelijk. Zonder die ontwikkeling wordt de groei van bedrijvigheid en woningbouw geremd door netcongestie: een overvol energienetwerk.
De inzet op meer opwek en gebruik van duurzame energie vraagt om aanpassingsvermogen van ons energiesysteem. Netcongestie is tijdelijk van aard, maar ook in de toekomst moeten we rekening houden met de schaarste van energie en met beperkingen van de energie-infrastructuur. We hanteren zes uitgangspunten voor een robuust toekomstbestendig energiesysteem:
We zetten in op een robuust, toegankelijk energiesysteem, dat gebruik maakt van duurzame energie
We sturen op het flexibel en slim bij elkaar organiseren van zowel aanbod als vraag naar energie
Flevoland zet slim in op energiebesparing
Energie wordt aan de voorkant van de ruimtelijke inrichting van Flevoland meegewogen
Flevoland als pionier in energie: we geven ruimte aan experimenten en vernieuwing
We geven ruimte aan decentrale oplossingen die aansluiten op het Nederlandse energiesysteem
Hieronder worden een aantal van deze uitgangspunten nader uitgewerkt tot thematische principes voor de samenhangende ontwikkeling van het energiesysteem en de fysieke leefomgeving.
Robuust en toekomstbestendig energiesysteem
Flevoland breidt haar koploperspositie in duurzame energievoorziening uit. We zetten in op innovatie, het verhogen van leveringszekerheid en zelfvoorziening. We zorgen voor draagvlak met een energietransitie die haalbaar en betaalbaar is voor inwoners en ondernemers van Flevoland. We bieden experimenteerruimte voor innovatie. We combineren de uitbreiding van het energienetwerk met inzet op energiebesparing en de ontwikkeling van nieuwe energiedragers.
Een robuust en toekomstbestendig energiesysteem en een duurzame energiemix in 2050 is van provinciaal belang. We nemen op regionale schaal de regie waarbij we rekening houden met de rollen en bevoegdheden van gemeenten, netbeheerders en andere partners. We sturen op de ontwikkeling van decentrale energiesystemen als aanvulling op de (inter-)nationale energiesystemen.
We staan positief tegenover decentrale initiatieven die bijdragen aan het aansluitvermogen op het energiesysteem, zoals bijvoorbeeld ‘energiehubs’ en koppeling aan lokale opwek, en/of private netstructuren ‘smart grids’. Activiteiten waarvoor geen aansluiting gevonden kan worden op het energienet, zijn mogelijk inpasbaar met de ontwikkeling van decentrale energiesystemen. Private netstructuren zoals Gesloten Distributie Systemen (GDS’en) kunnen hier een rol in spelen. De goede ruimtelijke inpassing van activiteiten van decentrale energie-infrastructuur is van provinciaal belang.
We zetten in op de inzet van waterstof en andere niet-fossiele brandstoffen om het gebruik van energie in Flevoland verder te verduurzamen, en hoogenergetische vragers van duurzame brandstoffen te voorzien. Hiervoor is de aanleg van regionale infrastructuur voor het transport van waterstof en de aansluiting op de landelijke 'waterstofbackbone' randvoorwaardelijk.
We zien potentie voor de komst van kleine kernreactoren (small modular reactors) als onderdeel van een toekomstbestendige en betrouwbare energievoorziening voor Flevoland. We staan op de langere termijn open voor een verkenning voor de bouw van kleine kernreactoren (small modular reactors) als decentrale energieoplossing. Daarnaast zullen we meedenken bij initiatieven vanuit het bedrijfsleven zelf, vanuit de mogelijkheden van een provinciale overheid, denkend aan lobby en het samenbrengen van belanghebbende partijen. We verwachten dat ontwikkelingen en innovatie op het gebied van alternatieve energie snel zullen gaan. Als provincie zullen we, wanneer dit de provincie dient, inspringen op nieuwe ontwikkelingen daar waar en wanneer mogelijk.
Flexibel en slim bij elkaar organiseren van aanbod en vraag
We vinden het van provinciaal belang dat Flevoland meeprofiteert van de eigen opgewekte energie. Het energiesysteem moet voorbereid zijn op de stijgende vraag naar (duurzame) energie en betaalbaar en toegankelijk zijn. Het aanbod en de vraag naar (duurzame) energie moet daarom in samenhang beoordeeld worden.
In de Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 hebben we samen met Flevolandse gemeenten en het waterschap afgesproken om 5,81 TWh aan hernieuwbare elektriciteit op te wekken in 2030. De bestaande opweklocaties voor windenergie en zonne-energie willen we voortzetten. Uitbreiding van nieuwe grootschalige wind- en zonne-energieprojecten op Flevolands grondgebied staan we niet toe. We streven naar andere vormen van opwek en integratie van verschillende energiedragers ten behoeve van een duurzame energiemix, zoals bodemwarmte, aquathermie, waterstof en groen gas. Bij nieuwe locaties van opwek van duurzame energie sturen we zoveel mogelijk op dubbel ruimtegebruik.
We werken samen om de netcongestie te verlichten. Hierbij faciliteren we waar mogelijk bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe infrastructuur en sturen we op het flexibel en slim bij elkaar organiseren van vraag en aanbod. We streven daarbij naar concentratie van nieuwe initiatieven met een grote energievraag op locaties waar (hernieuwbare) energie beschikbaar is: de energieknooppunten. Dit zijn gebieden waar vraag en aanbod en aanbod van energie aan elkaar gekoppeld worden en met energiemanagement worden georganiseerd. Voorbeelden van energieknooppunten zijn Lelystad Noord, Almere Oost en Ens Zuid. We werken nader uit hoe we de ruimtelijke inpassing borgen met de principes voor de gewenste ontwikkeling van leefregio’s, innovatieve economische ecosystemen en het robuust polderraamwerk. Wij willen Flevolanders betrekken in de ambitie het energiesysteem te verduurzamen. We onderschrijven daarom de ambitie in het klimaatakkoord voor lokaal eigendom, een vorm daarvan is financiële participatie bij conversie en opslag. We ondersteunen partijen bij de uitvoering van deze ambitie.
Warmtetransitie en energiebesparing
Gemeenten hebben primair de regie in de warmtetransitie, waarbij zij in een warmteprogramma vastleggen op welke duurzame manier wijken in de toekomst worden verwarmd. Door in te zetten op collectieve warmtenetten in plaats van individuele oplossingen kunnen we het elektriciteitsnet minder belasten. Daarom ondersteunen we de gemeenten bij de ontwikkeling van warmtenetten. In deze hoedanigheid verkennen we de mogelijkheden voor een regionaal warmtebedrijf.
Ook zetten we in op energiebesparing in de gebouwde omgeving, bijvoorbeeld door bedrijven te stimuleren tot energie-efficiëntie of minder energie verbruik. In de woondeals met het Rijk zijn afspraken gemaakt voor klimaatbestendig bouwen.
Vroegtijdig betrekken energie bij planvorming
We maken strategische ruimtereserveringen voor het waarborgen van energiezekerheid in de toekomst. We beoordelen de invloed van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op de stabiliteit van het energiesysteem. Hiervoor ontwikkelen we een energietoets die initiatiefnemers en bevoegde gezagen helpt vroegtijdig inzicht te krijgen in de effecten op het energiesysteem. We vragen een energietoets voor energie-intensieve bedrijvigheid (zoals bedoeld in hfst. 4.2). Ook bij grootschalige opwek of (batterij)opslag en omzet met een (aangevraagd of gecontracteerd) elektrisch transportvermogen van 1 MW of hoger vragen we een energietoets.
Flevoland heeft een bijzondere relatie met water. De provincie bestaat uit drie polders die zijn ontstaan door drooglegging van delen van de voormalige Zuiderzee. Die polders zijn bijna geheel omgeven door water en liggen enkele meters onder zeeniveau. De provincie heeft een strategische regierol in het regionale waterbeheer, met focus op waterkwaliteit, waterveiligheid en waterbeschikbaarheid en bodemkwaliteit. Met de strategie voor het robuust polderraamwerk voorzien we in het borgen van de waterveiligheid. De beschikbaarheid van voldoende en schoon water en een gezonde bodem zijn belangrijke randvoorwaarden voor de landbouw en daarmee voor de voedselzekerheid, en ook voor het wonen en werken in Flevoland. De strategie en de principes voor een robuust polderraamwerk bieden in 2050 ruimte aan wonen, werken en een sterke landbouwsector in een herkenbaar en uitnodigend landschap waarin natuurlijke processen optimaal functioneren.
Aanvullend op de strategie robuust polderraamwerk definiëren we daarom de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor waterkwaliteit, waterveiligheid, waterbeschikbaarheid en bodemkwaliteit.
Provinciaal belang 25: Waterkwaliteit, waterveiligheid, waterbeschikbaarheid en bodemkwaliteit waarborgen in en voor Flevoland.
Provinciaal belang 26: Voldoen aan de Kaderrichtlijn Water.
Provinciaal belang 27: Bescherming van het grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zones.

Waterveiligheid
Flevoland is en blijft goed beschermd tegen overstromingen. Daarvoor is het cruciaal dat we goed beschermd blijven door sterke dijken. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij het Rijk en de waterschappen. Waar dijkversterking nodig is zoeken we samen met het waterschap naar mogelijkheden om ook andere ambities mee te koppelen en niet alleen een veilige maar ook een aantrekkelijke kustzone te realiseren.
Om te zorgen dat er voldoende ruimte is voor toekomstige dijkversterkingen worden de gronden rondom waterkeringen strategisch vrijgehouden. Daarom neemt de provincie de profielen van vrije ruimte (PVVR) rondom waterkeringen op in haar omgevingsbeleid.
Water en bodem medebepalend
De volgende uitgangspunten voor het bodem- en watersysteem zijn algemeen geldend:
Nadelen of kosten van inrichtingsmaatregelen niet afwentelen naar de toekomst;
De sponswerking van het systeem vergroten;
Rekening houden met extreme situaties en dat bezien vanuit het perspectief 2100;
Zoveel mogelijk uitgaan van mogelijkheden om de inrichting op termijn aan te passen, dus rekening houden met ruimtebeslag voor toekomstige ontwikkelingen;
Kansen benutten voor herstel van het watersysteem en de bodem en uitgaan van robuuste en daarmee toekomstbestendige systemen;
Uitgaan van de lagenbenadering.
Waterkwaliteit
In 2050 is de water- en bodemkwaliteit op orde. De provincie streeft naar schoon en aantrekkelijk water voor een gezonde leefomgeving en een toekomstbestendige landbouw. Dit gaat zowel over oppervlaktewater als over grondwater. Waterkwaliteit zien we als randvoorwaarde voor landbouwproductiviteit, biodiversiteit en klimaatbestendigheid.
Dit is vastgelegd in Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn. Om aan de Europese eisen te voldoen moeten we als provincie in het regionaal waterprogramma doelen en maatregelen opnemen om te voldoen aan de eisen van Kaderrichtlijn Water. Dat gaat zowel om de chemisch als de ecologische kwaliteit. In Flevoland hebben we een opgave voor zowel een vermindering van de vervuiling met chemische stoffen, met name gewasbeschermingsmiddelen en PFAS, als verbetering van de ecologische kwaliteit.
Aan de hand van een uitgebreid meetnet worden de waterkwaliteitsdoelen en maatregelen geëvalueerd, en wordt de aanpak zo nodig aangepast. De meetgegevens en de criteria waar een waterlichaam aan moeten voldoen zijn daarmee inzichtelijk voor iedereen. Zo kunnen agrarische ondernemers en andere bedrijven ook een aandeel leveren aan het terugdringen van ongewenste vervuiling. Waar nodig kunnen het rijk en de provincie extra regelgeving inzetten.
Waterbeschikbaarheid
De beschikbaarheid van water staat mede door klimaatverandering onder druk. Zowel extreme regenbuien als periodes met watertekort komen steeds vaker voor. Dit vraagt om toekomstbestendige keuzes, die niet alleen voor de eigen regio van belang zijn, maar ook op nationaal niveau. We hanteren het principe dat water en bodem medebepalend zijn en hebben dat in deze omgevingsvisie uitgewerkt in de strategie en principes voor een robuust polderraamwerk. Daarmee geven wij de kaders aan voor een toekomstbestendige inrichting van het watersysteem. Deze worden verder uitgewerkt in een (verplicht) regionaal waterprogramma.
Een paar ontwikkelingen zijn cruciaal en nemen wij daarin mee:
In droge perioden is de beschikbaarheid van schoon, zoet water steeds vaker onvoldoende. Waterverspilling moet worden voorkomen en waar mogelijk moeten we meer water vasthouden. De beschikbaarheid van IJsselmeerwater is en blijft cruciaal voor de ontwikkeling van natuur, landbouw en bedrijvigheid.
Tegelijkertijd gaan we vaker te maken krijgen met wateroverlast, het eerst en meest pregnant in die gebieden waar de bodem harder daalt dan elders in Flevoland. We werken toe naar een robuust watersysteem dat ingericht is op zowel droge als natte tijden.
Drinkwater en proceswater
Beschikbaarheid van water voor de bereiding van drinkwater en proceswater is al op korte termijn een grote uitdaging. Het drinkwater dat we in Zuidelijk en Oostelijk Flevoland gebruiken bestaat grotendeels uit diep grondwater dat zich onder Zuidelijk Flevoland bevindt. Om dit gebied blijvend te beschermen is het aangewezen als grondwaterbeschermingsgebied en tegelijkertijd ook als boringsvrije zone. Andere grondwateronttrekkingen dan die voor drinkwater worden hier niet toegestaan. Voor de Noordoostpolder komt het drinkwater vanuit Overijssel, ook daar zitten nu al knelpunten.
We verwachten dat de vraag naar drinkwater nog verder toeneemt en de beschikbaarheid afneemt. We zetten daarom in op waterbesparing, verkennen van mogelijkheden voor hergebruik, en het drinkwater reserveren voor waar dat echt nodig is. Om ook op de lange termijn voldoende drinkwater te behouden willen we het drinkwatergebruik per inwoner omlaag brengen en een vervanging vinden voor drinkwatergebruik voor bedrijfsprocessen.
Het is de zorgplicht van de provincie om te zorgen voor voldoende bronnen voor drinkwater. Daarom verkennen we nieuwe bronnen van grond- en oppervlaktewater. Bij het toewijzen van nieuwe watergebruikende functies houden we expliciet rekening met waterbeschikbaarheid.
Zwemwaterkwaliteit
Een speciaal onderdeel is zwemwater. Op de locaties die door de provincie zijn aangewezen als zwemlocatie wordt de waterkwaliteit regelmatig gecontroleerd om gezondheidsrisico’s te voorkomen. Zo nodig kan een zwemverbod worden ingesteld.
Bodemkwaliteit
De bodem van Flevoland is van oorsprong van bijzondere kwaliteit. De rijke kleigrond levert een hoge groeikracht en is zeer geschikt voor de akker- en tuinbouw. De bodemkwaliteit is een belangrijk onderdeel van een toekomstbestendige landbouw in 2050 en is belangrijk als onderdeel van het versterken van biodiversiteit (vooral in de bodem) en klimaatbestendigheid. Een gezonde bodem houdt water vast in droge periodes, voert water beter af bij extreme regen, slaat koolstof op en ondersteunt het wortelstelsel. Behoud en versterking van een vitale bodem is cruciaal. De verschillen in de ondergrond worden steeds meer ook in de bovengrond zichtbaar. De grondgebruiker is verantwoordelijk om maatregelen te nemen om schade te beperken en verantwoord om te gaan met de bodemkwaliteit.
Bij de oorspronkelijke inrichting van de provincie is rekening gehouden met de bodemopbouw, de juiste functie op de juiste plek. Dat principe zetten we door. Dat betekent ook dat we voor die locaties waar bijvoorbeeld sprake is van bodemdaling of verzilting gebiedsgericht zoeken naar passende oplossingen. Dat kunnen bijvoorbeeld maatregelen zijn in het watersysteem, maar ook verandering van functie kan niet worden uitgesloten.
Bij ingrepen in het water- en/of bodemsysteem waaronder ontgrondingen wordt onderzocht of deze eventueel kunnen leiden tot onomkeerbare negatieve gevolgen voor bodem en ondergrond, natuur en landschap en de daarin aanwezige archeologische waarden. De provincie maakt onderscheid tussen primaire en secundaire ontgrondingen. De provincie verleent in principe geen medewerking aan de winning van binnendijkse dieperliggende grondstoffen, vanwege de vaak nadelige effecten op de waterkwaliteit en het verlies van grondoppervlakte. Secundaire ontgrondingen zijn onder voorwaarden toelaatbaar, waarbij negatieve effecten als gevolg van het doorbreken van afsluitende deklagen zoveel mogelijk wordt voorkomen. Bovendien vindt de provincie het belangrijk dat grondstoffen die bij ontgrondingen vrijkomen zo hoogwaardig mogelijk worden afgezet. Ingrepen zijn alleen toegestaan als er onomstotelijk vaststaat dat er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en negatieve effecten zoveel mogelijk worden voorkomen.

De instandhouding van zowel een Europees natuurnetwerk (Natura 2000-gebieden) als een Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het behoud van beschermde en bedreigde soorten is een wettelijke taak van de provincie. Hetzelfde geldt voor het behoud en de versterking van de biodiversiteit. Daarnaast is biodiversiteit essentieel voor landbouw en een gezonde leefomgeving in zowel stedelijk als landelijk gebied.
Vooral in Europees verband is de provincie Flevoland hiervoor een belangrijk gebied. De Flevolandse wateren en moerasgebieden zijn belangrijke pleisterplaatsen op internationale trekroutes van meerdere vogelsoorten. De grootschalige bossen op rijke grond zijn van bijzondere waarde voor de Nederlandse natuur. De betekenis van Flevoland hiervoor is door het Rijk erkend, door het Nationaal Park Nieuw Land aan te wijzen als gebied waar de meest waardevolle en kenmerkende natuur van Nederland zich bevindt.
De strategie en principes voor een robuust polderraamwerk versterken de samenhang van de natuur en dragen bij aan behoud en versterking van biodiversiteit in Flevoland en omliggende provincies.
Aanvullend hierop definiëren we daarom de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor een robuust natuurnetwerk en een gezonde leefomgeving voor mens en dier.
Provinciaal belang 28: Instandhouding van zowel een Europees natuurnetwerk (Natura 2000-gebieden) als een Natuurnetwerk Nederland (NNN) en het behoud van beschermde en bedreigde soorten.
Provinciaal belang 29: Het versterken van de biodiversiteit en het tegengaan van invasieve exoten.
Beschermen en ontwikkelen van robuust natuurnetwerk

Bijna de helft van Flevoland, de Oostvaardersplassen, de Lepelaarplassen en alle grote wateren zijn onderdeel van het internationale natuurnetwerk Natura 2000. In nauwe samenwerking met de terreinbeherende organisaties zetten we ons in voor het behoud, de bescherming en de doorontwikkeling van deze natuurgebieden. Wanneer nodig zullen de beheerplannen en natuurdoelen worden geactualiseerd, binnen de wettelijke kaders. Aanvullend is het NNN (NatuurNetwerk Nederland), dat op nationale schaal moet zorgen dat de natuurkwaliteit op orde blijft en dat de plant- en diersoorten die hier thuishoren kunnen overleven. De wezenlijke kenmerken en waarden die zijn vastgelegd in de omgevingsverordening, versterken we waar mogelijk.
We hanteren als principe dat we zorgen voor en toezien op het behoud en het versterken van een robuust natuurnetwerk van hoge kwaliteit, met een diversiteit aan soorten en natuurgebieden die met een groenblauwe dooradering zorgt voor een aantrekkelijke en gezonde leefomgeving. Hoe groter de variatie, des te beter is het systeem bestand tegen veranderingen.
Op basis van Europese regelgeving is Nederland verplicht om eventuele achteruitgang van de biodiversiteit zowel binnen als buiten de natuurgebieden tegen te gaan en natuur te herstellen. Onderdeel hiervan is de vestiging en de verspreiding van invasieve exoten verder tegen te gaan. We hebben ons aangesloten bij het nationale Deltaplan Biodiversiteitsherstel. In dat verband werken we samen met gebiedspartners en andere overheden aan een natuurinclusief Flevoland.
Gezonde, aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving voor mens en dier
In Flevoland zijn we trots op onze natuur. De gemeente Lelystad profileert zich als hoofdstad van de Nieuwe Natuur, met als pronkjuweel het Nationaal Park Nieuw Land, met de onderdelen Markerwadden, Lepelaarplassen en Oostvaardersplassen. En ook de inrichting van steden en dorpen met ruim opgezette stadsparken en een groene omlijsting van dorpen en wijken dragen bij aan een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving. In 2050 willen we dat dit hele netwerk verder versterkt is, dat er meer samenhang is tussen de gebieden en dat de natuurgebieden beter bereikbaar zijn. Zowel de inwoners van de provincie als recreanten kunnen daar nog meer van genieten, en door de natuurlijke overgangen tussen stedelijk gebied en het landelijk gebied neemt de leefbaarheid toe.
Daarnaast hebben we ons verbonden aan bestuurlijke afspraken om voor 2050 nog ongeveer 1.700 ha extra bos te realiseren. Voor de invulling hiervan hanteren we vijf thematische principes, voor zover nodig in aanvulling op de principes voor de gebiedstypen van het robuust polderraamwerk:
Bosaanleg wordt gecombineerd met nieuwe woonlocaties. Bij uitbreiding van kernen is het uitgangspunt dat ook nieuwe randbossen worden aangelegd die voorzien in de recreatiebehoefte van de inwoners.
In het landelijk gebied stimuleren we de aanleg van nieuwe lanen, houtwallen, erfsingels en boszones, waarmee verbindingen tussen bosgebieden worden gelegd, en een overgangszone tussen natuur en landbouw ontstaat.
We stimuleren agroforestry in de multifunctionele landbouwrandgebieden en de verwevingsgebieden waarbij landbouw gecombineerd wordt met de aanleg van bomen en waarbij de agrarische functie behouden blijft.
Langs infrastructurele assen en nieuwe infrastructurele werken kunnen vanuit recreatie- en/of landschapsbelang boszones worden aangeplant. Die zones kunnen ook aangemerkt worden als klimaatbossen, die bijdragen aan de CO2-opslag.
Rondom nieuwe functies in het landelijk gebied, zoals energievoorzieningen of het toekomstig defensieterrein, vragen wij van initiatiefnemers dat zij zorgen voor een groenblauwe inpassing, zodat ze worden ingepast in het landschappelijk casco en bijdragen aan de doelen voor het landelijke gebied.
Een veilige, schone en gezonde leefomgeving is de kern van het milieubeleid. Het omvat aspecten zoals schone lucht, voldoende groen en het ervaren van veiligheid. Een omgeving die als prettig wordt ervaren en waar negatieve invloed op de gezondheid zo klein mogelijk is. De strategie en principes voor een robuust polderraamwerk zijn gebaseerd op een robuust natuurlijk fundament.
Aanvullend op de strategie robuust polderraamwerk definiëren we de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor een gezonde leefomgeving.
Provinciaal belang 30: Een veilige, schone en gezonde leefomgeving en een goede ‘omgevingskwaliteit’.
Provinciaal belang 31: Het beschermen van de stiltegebieden.
Realisatie van een goede milieukwaliteit
De provinciale accenten liggen op de wettelijke taken, zoals geluid, lichthinder, geur en bescherming van de bodemkwaliteit. Met de komst van de Omgevingswet is er een aantal andere milieuaspecten waarbij we als provincie een meer prominente rol hebben gekregen, zoals de zorg voor een ‘gezonde leefomgeving’ en een goede ‘omgevingskwaliteit’. Een nadere uitwerking van deze begrippen werken we uit in een omgevingsprogramma.
In Flevoland hebben we in vergelijking met andere provincies een relatief goede milieukwaliteit. Ons milieubeleid is erop gericht die gunstige situatie te behouden. We volgen in principe de landelijke lijn, tenzij blijkt dat er extra regionale beleid- en regelgeving nodig is om een gezonde leefomgeving te behouden volgens het voorzorgprincipe.
Ons principe is dat Flevoland zich blijft onderscheiden met de kwaliteiten rust, ruimte en groen. We hebben daarom drie stiltegebieden aangewezen; het Kuinderbos, het Roggebotzand en de “Stille kern’ van het Horsterwold. Voor deze gebieden geldt een zorgplicht en een richtwaarde voor maximale geluidbelasting.
Daarnaast hebben we ter voorkoming van de toename van de geluidsoverlast langs provinciale wegen zogeheten Geluidsproductieplafonds (GPP's) vastgesteld. Voor bewoners van woningen met een hoge geluidbelasting langs onze wegen bestaat een subsidieregeling om hen te helpen de overlast in de woning te beperken.
Voor grote lawaaimakers, zoals lawaaiproducerende buitensport, kiezen we voor concentratie rondom Luchthaven Lelystad.
Flevoland is een relatief donkere provincie. Ons principe is dat het aantal inwoners dat zich vaak stoort aan licht in de directe omgeving niet toeneemt. Om toename van kunstlicht te voorkomen zetten we in op innovaties op dit gebied, zeker wanneer dat ook tot energiebesparing leidt.
Om geurhinder te voorkomen wordt bij nieuwe planvorming expliciet aandacht besteed aan het risico van geurhinder, en hoe dat te voorkomen.
In lijn met Europese en nationale regelgeving en het voorzorgbeginsel richten we ons op het realiseren van een duurzame, gezonde en ecologisch verantwoorde leefomgeving, waarbij ook aandacht is voor het effect van deze middelen op de woonomgeving en de natuur. Voor gewasbeschermingsmiddelen streven we in interprovinciaal verband naar een gelijke uitgangspositie voor alle provincies.
Voor gevaarlijke stoffen die externe veiligheidsrisico’s met zich meebrengen in de vorm van doden en gewonden door brand, explosie of gifgasgevaar gaan we in 2026 een routeringsbesluit nemen voor een veilig transport door de provincie.
Een gezonde fysieke leefomgeving is een nieuw onderwerp dat in de Omgevingswet is opgenomen. Als provincie moeten we gezondheid expliciet meewegen in ons omgevingsbeleid. Voor zover nodig wordt een nadere uitwerking opgenomen in een omgevingsprogramma.
Beperken externe veiligheidsrisico’s
Externe veiligheid gaat over de risico’s voor mens en milieu bij gebruik, opslag en vervoer van gevaarlijke stoffen, denk bijvoorbeeld aan risico’s op brand, explosie en gifwolken. Vanuit het voorzorgprincipe richten we ons op het minimaliseren van de risico’s. Bij nieuwe ontwikkelingen passen we veiligheidsnormen en bufferzones toe. Kwetsbare functies, zoals wonen, zorg en onderwijs worden niet ontwikkeld binnen risicovolle aandachtsgebieden, tenzij deze aantoonbaar met mitigerende maatregelen kunnen worden beschermd. Ook provinciale infrastructuur zoals windparken, wegen en bedrijventerreinen stemmen we ruimtelijk af op eventuele gevolgen voor de omgevingsveiligheid.
Klimaat
Als jonge provincie, met weinig zware industrie, een hoog aandeel hernieuwbare energie en goed geïsoleerde woningen zijn we in Flevoland relatief klimaatvriendelijk. Door veranderende weersomstandigheden hebben wij echter ook te maken met uitdagingen zoals bodemdaling, verzilting en periodes van droogte. Daarnaast doen de grote opgaven voor woningbouw en economie een beroep op de beschikbare voorraden aan water, energie en grondstoffen. We hanteren hierbij twee principes:
klimaatmitigatie - het terugdringen en verminderen van emissies
klimaatadaptatie - het aanpassen aan klimaatverandering.
De klimaatopgave biedt kansen voor versterking en vernieuwing. We streven hiermee bij te dragen aan brede welvaart, een schonere leefomgeving en een robuustere natuur. Samen met partners geven we invulling aan de nationale en internationale doelstellingen.
Concrete ambities zijn het aanplanten van bomen, koolstof in de bodem vastleggen, toewerken naar een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met 55% in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050. De ruimtelijke keuzes voor wonen, werken, energie, mobiliteit en gebiedsontwikkeling moeten aantoonbaar bijdragen aan deze doelen.
Met het treffen van maatregelen voor de doelen voor het landelijke gebied wordt tevens invulling gegeven aan de klimaatdoelen.
De bijzondere historie van Flevoland vertelt ‘het verhaal van Flevoland’. Als onderdeel van de Zuiderzeewerken is de inrichting van het gebied op de tekentafel ontstaan. Dit heeft geleid tot een uniek landschap, visionair vormgegeven en tot in de kleinste details bedacht. Met de strategie en principes voor het robuust polderraamwerk geven we hieraan een nieuwe uitwerking voor de toekomst. Voor vijf gebiedstypen is dit nader uitgewerkt.
Aanvullend op de strategie robuust polderraamwerk definiëren we de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor de Flevolandse identiteit en bescherming van erfgoed en archeologie.
Provinciaal belang 32: Bescherming van de identiteit van het Flevolandse landschap.
Provinciaal belang 33: Bescherming van archeologische en aardkundige waarden.

Ontwikkeling op basis van de identiteit van de gebiedstypen en prehistorisch landschap in de ondergrond
Het landschap van Flevoland is uniek, het toonbeeld van de Nederlandse ontwerptraditie als gevolg van lef, experiment en vernieuwing. Dit heeft geleid tot een hoge mate van samenhang. De lange strakke lijnen, soms gemarkeerd met landschapselementen, laten een bewuste afwisseling van openheid en verdichting zien. Dit in combinatie met de groene horizon van bossen en groene eilanden in open gebieden. Een landschap van lucht, afwisselende gewassen, ontworpen verkavelingspatronen, ook wel een Mondriaanlandschap van wereldfaam genoemd.
In het landschap zie je ook de ontstaansgeschiedenis van Flevoland terug; Urk en Schokland als voormalige eilanden, de verschillen in kavelgrootte en de verschillen tussen de polderconcepten. Verschillen die zijn gevoed door nieuwe ontwikkelingen en veranderingen in functionele behoeften. Als provincie zetten we in op een zo hoog mogelijke omgevingskwaliteit te bereiken met een positief effect op de fijne leefomgeving en het welbevinden van mensen. De bestaande landschappelijke kernkwaliteiten worden herijkt en aangevuld met een landschappelijk casco volgens de strategie ‘robuust polderraamwerk’. Hiermee creëren we een nieuw polderraamwerk waarin de identiteit gewaarborgd blijft en dat flexibiliteit en veerkracht faciliteert.
De provincie Flevoland wil dit verhaal van Flevoland blijvend kunnen vertellen, en herkenbaar en beleefbaar maken voor en met een breed publiek. Hiervoor is van belang dat er voldoende herkenbare plekken of gebouwen zijn die laten zien hoe de omgeving tot stand is gekomen door de verhalen van de plek te vertellen, zichtbaar en toegankelijk te maken. Het Verdrag van Faro stelt erfgoedparticipatie centraal, benadrukt de sociaal-maatschappelijke waarde van erfgoed en stuurt aan op actieve deelname van erfgoedgemeenschappen in het erfgoedveld. We zien het als onze taak om Faro projecten, waarbij we participatie en betrokkenheid van mensen bij hun eigen culturele erfgoed versterken, te stimuleren en te ondersteunen vanuit erfgoed.
De provinciale inzet bestaat uit vijf erfgoedthema’s:
Erfgoed van de Toekomst: we zetten in op kwaliteit toevoegen zodat wat we nu maken het erfgoed van de toekomst kan worden. En dat bij transformaties cultuurhistorische kwaliteiten en aardkundige waarden in het ontwerp een plek krijgen.
De inpolderingsgeschiedenis: we zetten in op een zorgvuldige omgang met de elementen die herinneren aan de inpolderingsgeschiedenis, het vertellen en vastleggen van de verhalen van de eerste polderpioniers en de oude Zuiderzeevissers.
Iconen van vernieuwing en experiment: we streven ernaar dat erfgoediconen in goede staat zijn. Deze locaties gelden als unique selling points van de provincie.
De geschiedenis van het Zuiderzeeverleden: we streven ernaar dat Flevoland landelijk bekend staat als dé provincie van de scheepswrakken. We stellen een beschermingsprogramma op voor de scheepswrakken en zorgen voor een duurzaam behoud en bescherming van het maritieme erfgoed. Het Museum Batavialand vervult daarin als Nationaal Scheepsarcheologisch Depot een cruciale rol.
Het landschap in de ondergrond: we stimuleren onderzoek naar de ontwikkeling van de ondergrond in relatie tot gebruiks- en bewoningsgeschiedenis, mede in relatie tot de gevolgen van klimaatverandering en de mogelijkheid tot het in situ behoud van archeologische vindplaatsen. We geven prioriteit aan een beter begrip van de ontwikkeling van het prehistorische landschap en het gebruik van het landschap in de prehistorie. We hebben hierbij bijzondere aandacht voor de waterbodems.
Bescherming archeologische en aardkundig waardevolle gebieden
De ondergrond van Flevoland is uniek, omdat de Zuiderzee ervoor heeft gezorgd dat de bodem eeuwenlang onaangeroerd en goed afgeschermd is gebleven. De polders zijn gebouwd op een dikke laag zuiderzeeklei, zand, veen en de afzettingen van vlechtende rivieren. Die archeologie is voor Nederland uitzonderlijk, omdat in deze omstandigheden organisch materiaal bewaard is gebleven dat elders allang verloren is gegaan. Naast de sporen uit de steentijd zijn er ook terpen uit de Middeleeuwen en bevinden zich in de bodem de scheepswrakken die vergaan zijn in de Zuiderzee en vliegtuigwrakken uit de tweede wereldoorlog. Die archeologische resten bevinden zich zowel in de landbodem als in de waterbodem. Die mix van oud en nieuw is uniek en waardevol, waardoor het behoud en bescherming verdient. Met dit archeologisch archief moeten wij zorgvuldig omgaan zodat het ook voor toekomstige generaties behouden blijft.
Op basis van provinciale regelgeving en internationale verdragen beschermen we archeologische en aardkundige waarden. De omgeving Kuinderschans en Kuinderburcht, Urk en omgeving, Schokland (UNESCO Erfgoed) en het rivierduingebied bij Swifterbant zijn aangewezen als de belangrijkste archeologisch en aardkundig waardevolle gebieden (PArK)gebieden, en ook door aanwijzing van de TOP-10 gebieden worden archeologische waarden geborgd. Daarnaast zijn grote delen van Flevoland aangewezen als archeologisch aandachtsgebied of als aardkundig waardevol. Hier moet voorafgaand aan nieuwe ontwikkelingen onderzocht worden welke waarden in de ondergrond aanwezig zijn en hoe deze het beste beschermd kunnen worden.
In samenwerking met onze partners gaan we na of een herijking en/of aanvulling op het beleid voor archeologie en erfgoed wenselijk is.
Flevoland is onder andere ontworpen voor de voedselvoorziening van Nederland. Door de vruchtbare grond, de grote efficiënte percelen en de innovatieve en ondernemende agrariërs staat Flevoland bekend als een van de beste, meest productieve en innovatieve landbouwgebieden van Nederland. De agrarische sector van Flevoland en de visserij en visverwerkingsindustrie op Urk leveren een belangrijke bijdrage aan de voedselvoorziening van Noordwest-Europa. Met de strategie voor het robuust polderraamwerk kiezen we voor het behoud van voldoende landbouwgrond voor voedselproductie en hoogwaardig uitgangsmateriaal. We hebben daarbij de principes voor de ontwikkelingsmogelijkheden voor landbouw in de context van de vijf onderscheidende gebiedstypen benoemd.
Met de strategieën innovatieve economische ecosystemen en robuust polderraamwerk geven we principes mee voor de ontwikkeling van de agritech die onderscheidend is voor een veerkrachtige economie van Flevoland. Aanvullend hierop definiëren we de volgende provinciale belangen en hanteren we thematische principes voor toekomstbestendige landbouw, zorgvuldig omgaan met landbouwgrond, glastuinbouw en leefbaarheid.
Provinciaal belang 34: Het behouden van voldoende kwalitatief hoogwaardige landbouwgrond voor akkerbouw in Flevoland voor voedselzekerheid voor Noordwest-Europa.
Provinciaal belang 35: Landbouwinnovaties die bijdragen aan de voedselzekerheid van Noordwest-Europa en uitgangsmateriaal.
Provinciaal belang 36: De landbouwpraktijk houdt rekening met biodiversiteit en de grenzen van het Flevolandse bodem- en watersysteem.
Provinciaal belang 37: Een leefbaar en aantrekkelijk landelijk gebied.

Zorgvuldig omgaan met landbouwgrond
Het behouden van voldoende kwalitatief hoogwaardige landbouwgrond voor akkerbouw in Flevoland voor voedselproductie is essentieel voor de voedselzekerheid in Noordwest-Europa, en daarmee een provinciaal belang. Voldoende areaal voor de landbouw is ook nodig om te kunnen beschikken over de kritische massa voor innovatie, marktpositie, het sluiten van agrarische kringlopen en het gezamenlijk werken aan een gezond, leefbaar en economisch sterk landelijk gebied. We willen daarom zorgvuldig omgaan met de beschikbare landbouwgronden. Voor functieverandering van landbouwgrond is een nadrukkelijke afweging van de agrarische belangen tegenover andere belangen nodig. Het is geen automatisme dat andere ontwikkelingen ten koste van landbouw kunnen gaan.
Het Rijk komt met de verdere uitwerking van een afwegingskader voor het onttrekken van landbouwgrond. Ook nadat dit verwachte landelijke afwegingskader beschikbaar is, wordt functieverandering van agrarische gronden ten minste gemotiveerd aan de hand van de volgende stappen:
Voor alle functies geldt: eerst inbreiden, combineren en dan pas wijzigen. Daarmee wordt aangesloten bij huidige kaders en ladders, zoals de zonneladder en verstedelijkingsladder. Zo wordt druk op landbouwgrond zoveel mogelijk beperkt.
Als toch aanspraak moet worden gemaakt op landbouwgrond, dan zoeken we eerst naar functiecombinaties met meerwaarde voor de landbouwtransitie. We beginnen op de gronden met de grootste huidige en toekomstige uitdagingen, waar dit past bij de doelen voor het versterken van biodiversiteit en toekomstbestendige landbouw. Pas daarna richten we ons op landbouwgrond met minder beperkingen. En als laatste optie op landbouwgronden met weinig toekomstige uitdagingen, omdat hier de voedselproductie voorop staat. We sluiten hierbij aan bij de indeling in gebiedstypen van het robuust polderraamwerk.
Als een functiecombinatie niet mogelijk is, dan wordt bij voorkeur gekozen voor een functiewijziging met de meeste meerwaarde voor de transitie in het gebied. Daarbij wordt nagegaan of de functiewijziging past bij of ondersteunend is aan de doelen ‘versterken biodiversiteit’ en ‘toekomstbestendige landbouw’ dan wel de gewenste ruimtelijke ontwikkeling in het gebied.
Afwentelingseffecten (zoals een vergroting van de opgave voor de overgebleven landbouwgronden) worden zoveel mogelijk voorkomen of anders gecompenseerd. Dit houdt in dat elk initiatief in het landelijk gebied een bijdrage moet leveren aan de doelen voor het landelijk gebied, zijnde toekomstbestendige landbouw en versterken van biodiversiteit.
Na het toepassen van het afwegingskader wordt mogelijk voor functieverandering van agrarische gronden gekozen. Voor de gebiedsgerichte aanpak landelijke gebied verkennen we of een financiële bijdrage gevraagd kan worden voor het realiseren van de doelen van het landelijke gebied. Daarmee kunnen de lusten en lasten zo verdeeld worden dat de uiteindelijk gewenste gebiedsontwikkeling doorgang kan vinden en de doelen van het landelijke gebied worden behaald.
Doorontwikkeling innovatie voor een rendabele en toekomstbestendige landbouw
De Flevolandse land- en tuinbouw produceert op efficiënte en innovatieve wijze relatief veel en goed voedsel. Wij zien Flevoland als voornamelijk een akkerbouwprovincie. Landbouwinnovaties die daarom bijdragen aan de voedselzekerheid van Nederland en Noordwest-Europa zijn van provinciaal belang. Wij stimuleren en faciliteren landbouwinnovaties. Flevoland blijft koploper in de agrotechnologie en -kennis. In Flevoland worden de nieuwste technologieën op experimentenlocaties beproefd. Daarbij werken de vier O’s samen: Onderwijs & Onderzoek, Ondernemers, en Overheid. Dit is het visitekaartje van Flevoland.
Vanwege de vruchtbare bodem, de sterke kennisbasis en de innovatieve agrarische sector ligt de focus in Flevoland op hoogwaardige landbouw met toegevoegde waarde. Dit omvat naast de teelt van hoogwaardig plantaardig voedsel en plantmateriaal ook kennisontwikkeling, innovatie en agrotechnologie. Hiermee wordt de voedselproductie elders mogelijk gemaakt. Met deze focus streven wij naar één circulair systeem binnen Flevoland waarin de plantaardige en dierlijke sectoren samenwerken. Daarin levert de veehouderij dierlijke mest die in de plantaardige sectoren wordt ingezet. Mogelijk kunnen ook nutriënten uit de steden gebruikt worden als meststof. De nutriëntengift moet hierbij in balans zijn met de opnamecapaciteit van de bodem.
De uitdaging voor de sector is om te blijven voldoen aan de veranderende wensen van de consument en tegelijkertijd duurzaam, met oog voor dierenwelzijn, natuur en volksgezondheid en omgevingsbewust te blijven produceren.
Het is van provinciaal belang dat de landbouwpraktijk van 2050 rekening houdt met biodiversiteit en de grenzen van het Flevolandse water- en bodemsysteem. Samen met de sector worden richting 2050 keuzes gemaakt die zorgen dat hoge productie en hoge kwaliteit samen op kunnen gaan. Hierbij is een sterke verbinding met onderwijs en praktijkonderzoek onmisbaar, evenals een goede samenwerking met ketenpartners. Ons principe is dat in 2050 met goede bedrijfsvoering en innovaties de inzet van chemische gewasbeschermingsmiddelen met 75% is gereduceerd.
Landbouw is en blijft marktgestuurd. We gaan uit van ondernemersvrijheid, waarbij we geen voorkeur uitspreken voor specifieke productiemethoden. We faciliteren en bevorderen innovatie voor het realiseren van de balans tussen landbouw en andere functies in de fysieke leefomgeving en een door de markt gedreven verduurzaming. Voorbeelden zijn experimenten met precisielandbouw, robotisering, digitalisering en kunstmatige intelligentie die leiden tot nieuwe verdienmodellen.
Alleen wanneer er sprake is van risico’s op het gebied van volksgezondheid en milieuhygiëne (waaronder de kwaliteit van bodem en water) en voor een passende functietoedeling en efficiënt ruimtegebruik geeft de provincie gerichte sturing aan specifieke teelten. Dat geldt voor:
Bollenteelt is alleen mogelijk als wisselteelt als onderdeel van het bouwplan. Daarbij is het van belang dat we de kwalitatieve landbouwgrond met goede bodem en watercondities voor voedselproductie beschermen conform het voorzorgprincipe.
Groei of nieuwvestiging van geitenhouderij wordt niet toegestaan vanwege de volksgezondheid. Naar aanleiding van onderzoek van het RIVM naar de relatie tussen geitenhouderij en ziekten bij de bevolking, wordt de tijdelijke regeling omgezet naar een permanente regeling.
Voor glastuinbouw geldt een concentratiebeleid, omdat de teelt in kassen niet grondgebonden is en een stedelijke uitstraling heeft. Glastuinbouw kan alleen plaatsvinden in de daarvoor door de provincie aangewezen gebieden in Marknesse, Ens en Almere. Buiten die concentratiegebieden voor glas is alleen teeltondersteunend glas toegestaan. We verkennen de vitaliteit van de bestaande glastuinbouwgebieden en betrekken daarbij opties/mogelijkheden voor energiegebruik en netversterking.
De Flevolandse landbouw maakt haar maatschappelijke waarde duidelijk en weet zo de samenleving voor zich te winnen. Het betrekken van bewoners en ondernemers bij de voedselproductie en de dienstverlening in zorg en welzijn, recreatie en educatie door de landbouw vinden wij belangrijk. Wij ondersteunen dit in onze gebiedsbenadering. Aandachtspunten daarin zijn voedseleducatie en maatschappelijke verbinding, de versterking van Flevolandse landbouw en voedselketen, de samenwerking en regie in het innovatieve economische ecosysteem agritech en de profilering van Flevoland als innovatieve voedselregio.
Leefbaar en aantrekkelijk landelijk gebied
Door schaalvergroting is het aantal agrarische bedrijven in de loop der jaren sterk afgenomen. Hierdoor zijn nieuwe vraagstukken ontstaan, de erven zijn niet altijd meer nodig voor agrarische activiteiten, maar vormen wel markante onderdelen van het landschappelijk beeld zoals de schokbetonschuren. Functieverandering van het boerenerf kan bijdragen aan de leefbaarheid van het landelijk gebied, maar moet wel passen bij de kenmerken van het landelijk gebied. We stellen regels op voor erftransformatie op basis van de principes voor het robuust polderraamwerk in de vijf gebiedstypen van het landelijk gebied. Daarbij houden we rekening met effecten op de omgevingskwaliteit en met het behoud van agrarische productiemogelijkheden in de omgeving.
Het wensbeeld Flevoland in balans in 2050 is de leidraad voor een sturend omgevingsbeleid. Hiervoor kan worden aangesloten bij verschillende gebiedsprojecten en gebiedsprocessen die momenteel al lopen. Onze inzet hierin is gebaseerd op een wettelijke taak en kent een grondslag in een provinciaal belang zoals vastgelegd in deze omgevingsvisie. In gebiedsprojecten en in gebiedsprocessen met partners, is de inbreng van de provincie voortaan gebaseerd op de drie strategieën en de principes. De gebiedsuitwerkingen van deze omgevingsvisie krijgen in een gebiedsgerichte aanpak met partners hun een nadere invulling. Aanvullend hierop hanteren we de volgende werkwijze en procesmatige principes.
Complexe opgaven die vragen om een open aanpak
Onze aanpak in gebiedsontwikkeling kenmerkt zich door een open karakter zonder scherp omlijnd begin- en eindpunt. Het gaat om complexe opgaven in de fysieke leefomgeving en om complexe maatschappelijke opgaven.
In gebiedsontwikkeling leggen we de verbinding tussen de opgave in de fysieke leefomgeving met maatschappelijke en economische opgaven. Dit kan alleen worden gerealiseerd door nauwe samenwerking met verschillende relevante partijen. Elke gebiedsontwikkeling is maatwerk en we bekijken per traject welke organisatorische en contractuele vorm het beste is voor betrokken partijen. Deze aanpak maximaliseert de inzet en creativiteit van samenwerkingspartners, wat leidt tot relevante resultaten in het belang van Flevoland.
Voor onze inzet in gebiedsontwikkeling sluiten we aan op een initiatief van anderen of nemen we zelf het initiatief. We vinden het belangrijk om de opgave en onze inzet in een gebiedsproces vooraf te bepalen, zodanig dat er ruimte blijft voor samenwerking met partners in het proces. Daarbij is het beoogde resultaat redelijk bekend, maar de route ernaar toe niet waarbij rekening moet worden gehouden met nog niet uitgekristalliseerde afhankelijkheden.
Gebiedsgericht werken in het landelijk gebied
Een toekomstbestendig landelijk gebied vraagt om gebiedsgericht werken samen met alle gebiedspartners. De opgave voor het landelijk gebied wordt mede bepaald door nationale en Europese wetgeving en afspraken daarover met het Rijk. Daarop zijn de provinciale doelen voor het landelijk gebied gebaseerd. Deze geven richting aan de noodzakelijke transities in ons landelijk gebied: schoner water, sterkere natuur, klimaatbestendige landbouw en een toekomstbestendige voedselproductie.
De doelen voor het landelijk gebied zijn niet overal in Flevoland hetzelfde. Daarbij is de provincie voor het bereiken van de doelen in het landelijk gebied veelal afhankelijk van de uitvoeringskracht, inzet en eigendommen van onze partners zoals medeoverheden, terreinbeheerders en de agrarische ondernemers. Daarom werkt de provincie de doelen uit in regio's. We hanteren de principes en gebiedsuitwerking voor de vijf gebiedstypen van het robuust polderraamwerk voor maatwerk en een aanpak die recht doet aan de identiteit en de kracht van elk gebied.
De provincie werkt de doelen per regio uit ten behoeve van gebiedsgerichte aanpak, doelsturing in de inrichting, het gebruik en het beheer door gebiedspartijen. Zo wordt het voor bijvoorbeeld agrarische ondernemers en terreinbeherende organisaties duidelijk wat van hen wordt verlangd en kunnen zij zelf bepalen hoe zij daar invulling aan geven.
De aanpak per deelgebied zal bestaan uit de volgende onderdelen:
per gebied doelen te concretiseren,
opgaven te prioriteren,
maatwerk te leveren,
monitoring en voortgang met elkaar te organiseren,
en regionale samenwerking te versterken.
Met deze aanpak bouwen we samen aan een toekomstbestendig landelijk gebied.

Deze omgevingsvisie is de eerste stap op weg naar een meer sturend omgevingsbeleid voor Flevoland. Dit zijn de hoofdlijnen van ons omgevingsbeleid: het strategische beleidskader voor het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving in Flevoland. Het wensbeeld voor Flevoland in balans in 2050 en de drie strategieën waarmee we dit wensbeeld willen realiseren, zijn bepalend voor de inzet van de andere kerninstrumenten van het omgevingsbeleid. In dit hoofdstuk geven we aan op welke manier we van visie naar uitvoering gaan en hoe we daarvoor de andere kerninstrumenten van het omgevingsbeleid willen inzetten.
Voor een samenhangende aanpak van de opgaven en het realiseren van de ambities van deze omgevingsvisie vinden we het van belang dat gewerkt wordt met een beperkt aantal omgevingsprogramma’s. Omgevingsprogramma’s geven op een logische manier uitvoering geven aan de drie strategieën en de gebiedsuitwerkingen van de omgevingsvisie. Dit geldt voor de inhoudelijke afbakening van omgevingsprogramma’s en voor de rolneming daarin.
In omgevingsprogramma’s worden het wensbeeld 2050 en de strategieën waar nodig nader uitgewerkt, er worden beleidsdoelen aan verbonden en maatregelen opgenomen waarmee die doelen gerealiseerd worden. Maatregelen kunnen onder andere projecten die gericht zijn op samenwerking en/of gebiedsprocessen, het uitvoeren van een subsidieregeling of het opstellen van nieuwe regels in de omgevingsverordening omvatten. Omgevingsprogramma’s zijn gericht op het realiseren van de gewenste kwaliteit van de leefomgeving.
De omgevingsprogramma’s kunnen thematisch van opzet zijn of gebiedsgericht of een combinatie hiervan. We borgen in de vertaling van de omgevingsvisie naar omgevingsprogramma’s het integrale karakter en de samenhangende sturing. Waar nodig worden (reeds lopende) gebiedsprocessen en gebiedsprojecten opgenomen in omgevingsprogramma's. Daarmee wordt een samenhangende uitvoering geborgd.
Een daadkrachtige uitvoering van de maatregelen voor het realiseren van de omgevingsvisie en voor het behalen van provinciale beleidsdoelen is wenselijk. Het is van belang dat omgevingsprogramma’s meerjarig zijn voor een bepaalde tijd. Dit maakt een realistische aanpak mogelijk en borgt een passende monitoring en evaluatie. De opzet van omgevingsprogramma's op een gelijksoortige wijze borgt de mogelijkheid voor een eenduidige monitoring en evaluatie en daarmee ook de monitoring en evaluatie van deze omgevingsvisie.
Deze omgevingsprogramma’s hebben een strategisch en integraal karakter. Op basis van de Omgevingswet zijn er ook verplichte programma’s, bijvoorbeeld het regionaal waterprogramma en de beheerplannen Natura 2000-gebieden. Om te zorgen voor een samenhangende sturing op de fysieke leefomgeving maken we deze verplichte programma’s op termijn bij voorkeur onderdeel van onze integrale omgevingsprogramma’s.
Met deze omgevingsvisie en met het opstellen van de omgevingsprogramma’s werken we stapsgewijs toe naar een goed ingericht beleidshuis omgevingsbeleid. Daarin zijn de kerninstrumenten van het omgevingsbeleid onderling inhoudelijk en qua vorm goed op elkaar afgestemd. Hiermee zorgen we ervoor dat de verdere beleidsuitwerking en doorwerking van deze omgevingsvisie stuurt op de samenhangende ontwikkeling en beheer van de fysieke leefomgeving.
Het realiseren van de gewenste kwaliteit van de leefomgeving in Flevoland wordt met de juiste inzet van de kerninstrumenten een continu proces volgens de beleidscyclus. In deze omgevingsvisie kijken we ver vooruit naar 2050 en verder. Zo zorgen we ervoor dat we nu de juiste keuzes maken die nodig zijn voor de lange termijn. Jaarlijkse monitoring van de kwaliteit van de leefomgeving en regelmatige evaluatie van de kerninstrumenten wordt daarop gericht. Op basis daarvan kunnen we besluiten tot een tijdige actualisatie, bijstelling of gehele vernieuwing van de instrumenten van het beleidshuis. We hanteren hierbij een continu lerende houding.
Voor de goede inrichting van het beleidshuis omgevingsbeleid is het nodig om bestaand provinciaal beleid in lijn te brengen met deze omgevingsvisie. Waar het kan zullen lopende en aankomende beleidstrajecten al toewerken naar de meer integrale omgevingsprogramma's. In de overgangsfase kunnen er incongruenties zijn tussen het bestaande beleid en deze nieuwe omgevingsvisie. In die gevallen is deze omgevingsvisie in principe leidend.
Het is primair aan waterschap en gemeenten om invulling te geven aan de provinciale belangen in planprocedures. Als het doelmatig en efficiënter is, kan de provincie de uitvoering ervan zelf ter harte nemen. Hierbij zetten we soms zelf instrumenten uit de Omgevingswet in, zoals een projectbesluit of een omgevingsvergunning.
Als het nodig is zorgen we voor externe doorwerking door middel van de omgevingsverordening. In de omgevingsverordening zijn de regels voor de fysieke leefomgeving bijeengebracht. Naast deze kerninstrumenten op basis van de Omgevingswet hanteren we beleidsregels op basis van de Algemene wet bestuursrecht voor specifieke bevoegdheden van de provincie.
Regelgeving volgt beleid
In de goede inrichting van het beleidshuis nemen we ook de omgevingsverordening mee. De omgevingsverordening bevat de algemeen verbindende voorschriften van de provincie. Het bepaalt de externe werking van het provinciale beleid door verplichtingen aan medeoverheden, inwoners en bedrijven op te leggen.
Voor de omgevingsverordening hanteren we het principe ‘regelgeving volgt beleid’. Hiermee bedoelen we dat de omgevingsverordening de omgevingsvisie en omgevingsprogramma’s volgt. De aanleiding om regels te stellen of te veranderen is dus in principe gelegen in nieuw of aangepast beleid. Het is van belang dat provinciale regelgeving een toegevoegde waarde heeft aansluitend op de beleidssturing, bijvoorbeeld vanuit regionale of gemeentegrens overstijgende belangen of omdat de provincie sterker wil sturen dan een gemeente en/of dit noodzakelijk is vanuit het voorzorgsbeginsel. De hoofdlijnen van het beleid van deze omgevingsvisie en van de omgevingsprogramma’s die hier op aansluiten zijn bepalend voor de inhoud van de omgevingsverordening. Daarnaast kunnen regels voortkomen uit instructieregels van het Rijk.
Omgevingsbeleid en regels gebaseerd op onderzoek, data en digitaal werken
De opgaven in Flevoland vragen om integrale keuzes en afwegingen ten aanzien van onder andere water en bodem, landbouw, natuur, economie, energie, mobiliteit en woningbouw. Daarbij moeten afwegingen zorgvuldig, transparant en uitlegbaar zijn. Daarom zetten we samen met partners in op een gedeelde digitale aanpak, waarin kennis en data op een betrouwbare, transparante en herleidbare manier de basis vormen voor beleid en uitvoering.
Digitale informatievoorziening ondersteunt open en navolgbare besluitvorming en participatie. Daarmee verbinden we beleidsvorming met uitvoering, monitoring en tijdige bijsturing. Nieuwe digitale ontwikkelingen versterken het beleidsproces, maar blijven altijd aanvullend op menselijke en bestuurlijke afwegingen. Zo verbinden we digitale innovatie met publieke waarden en een transparante overheid.
Samenwerken
De provincie werkt veel samen met medeoverheden. Flevoland neemt deel aan verschillende provinciegrens-overstijgende samenwerkingsverbanden zoals de Metropoolregio Amsterdam (MRA), Regio Zwolle, Regio EHPZ (Ermelo, Harderwijk, Putten en Zeewolde) en IJsselmeergebied. Een aantal van deze regio's is door de rijksoverheid aangeduid als NOVEX-gebied. Een NOVEX-gebied is een regio waar veel complexe ruimtelijke opgaven samenkomen die om intensieve samenwerking tussen het Rijk en de regio vragen. Het doel van het NOVEX-programma ("Nationale Omgevingsvisie Extra") is om deze opgaven gezamenlijk aan te pakken en de uitvoering ervan te versnellen. Eerder heeft het Rijk ook het Rijk-regioprogramma Amsterdam-Almere-Markermeer vastgesteld. In deze omgevingsvisie geven wij aan hoe wij uitvoering geven aan deze afspraken met medeoverheden.
Op meer lokaal niveau werken we actief met de gemeenten aan gebiedsontwikkeling. De ontwikkeling van Mobiliteit Infrastructuur Test Centrum (MITC), Maritieme Servicehaven Noordelijk Flevoland (MSNF) en Lelystad Airport zijn voorbeelden waar provincie Flevoland aan werkt. In deze omgevingsvisie is dit in het bijzonder met de strategie voor innovatieve economische ecosystemen en hotspots uitgewerkt.
Met de rijksoverheid heeft Flevoland van oudsher een bijzondere band. In 2022 is de Strategische Agenda Flevoland (SAF) uitgekomen. De agenda is een gezamenlijk perspectief van Rijk en regio op het ruimtegebruik in Flevoland. In deze omgevingsvisie is dit onder meer met de drie strategieën uitgewerkt en geborgd.
In 2025 is voor het eerst een Ruimtelijk Arrangement afgesloten tussen het Rijk en de provincie. Een ruimtelijk arrangement is een set van wederkerige afspraken tussen het Rijk en een provincie over de ruimtelijke vertaling van maatschappelijke opgaven. Het doel is om nationale en regionale doelen beter op elkaar af te stemmen. In deze omgevingsvisie is hiervan de ruimtelijke en gebiedsspecifieke uitwerking gegeven.
De afspraken uit het Ruimtelijk Arrangement, de NOVEX-gebieden van het Rijk en de regionale samenwerkingsverbanden zijn daarmee in deze omgevingsvisie uitgewerkt en geborgd. Met onze omgevingsprogramma’s geven we hieraan verdere uitwerking en uitvoering. De afspraken met onze medeoverheden zijn belangrijk om de ambities, opgaven en doelen uit de omgevingsvisie te realiseren. Bij actualisatie van gemaakte afspraken of nieuwe afspraken zal steeds gekeken worden of het nodig is om de instrumenten uit het beleidshuis omgevingsbeleid hierop aan te passen.
Uitvoeringsorganisaties
In een aantal gevallen vragen wij uitvoeringsorganisaties om bepaalde taken en activiteiten uit te voeren. Dit noemen we onze verbonden partijen. Dit zijn zelfstandige organisaties die taken uitvoeren voor de provincie en waar de provincie een bestuurlijk en financieel belang in heeft. Horizon Flevoland en de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek (OFGV) zijn voorbeelden hiervan. Het provinciale omgevingsbeleid en de regels zijn, als het gaat om de fysieke leefomgeving, het kader voor de afspraken met onze verbonden partijen.
Ruimte voor initiatieven
Er zijn veel inwoners, bedrijven en organisaties in Flevoland die kansen zien om hun woning, bedrijf of perceel verder te ontwikkelen of om zich juist hier te vestigen. Het eerste aanspreekpunt voor initiatiefnemers is in principe de gemeente, tenzij dit wettelijk anders bepaald is. De provincie, specifiek Gedeputeerde Staten, is een wettelijk verplichte overlegpartner bij zowel wijzigingen van het omgevingsplan als buitenplanse ruimtelijke omgevingsvergunningen. Hierbij beoordeelt de provincie initiatieven, plannen en vergunningen op provinciale belangen vanuit het ‘ja, mits’-principe van de Omgevingswet. Om onze provinciale belangen te beschermen en behartigen zetten wij waar nodig ons wettelijk instrumentarium in indien er niet aan de ‘mits’ wordt voldaan.
In deze omgevingsvisie definiëren wij onze provinciale belangen. Gedeputeerde Staten stellen daarnaast gevallen van provinciaal belang vast over wanneer zij advies- en instemming wensen bij buitenplanse ruimtelijke omgevingsvergunningen van andere overheden. In Flevoland is ervoor gekozen dit te benoemen in een overzichtelijke Lijst van gevallen van provinciaal belang. De inhoud van de lijst komt voort uit het omgevingsbeleid van de provincie, wettelijke taken en regelgeving. De lijst wordt op basis van deze omgevingsvisie geactualiseerd en zal in lijn met de Samenwerkingsafspraken GS-PS Omgevingswet steeds worden aangepast als er sprake is van nieuw vastgesteld beleid in het beleidshuis omgevingsbeleid of wanneer er nieuwe wettelijke taken en bevoegdheden voor de provincie zijn.
Afwijken van beleid
Het is denkbaar dat er ontwikkelingen zijn waar het beleid van de provincie nog niet in voorziet. Een incidentele afwijking is altijd mogelijk. Het omgevingsbeleid voor een gebied of initiatief kan onder voorwaarden tijdelijk worden verruimd wanneer er nog geen nieuw beleid is ontwikkeld, maar we al wél stappen willen zetten vooruitlopend op mogelijk beleid. Hiermee borgen wij wat voorheen het experimentenkader heette. We noemen dit de uitgebreide afwijkingsprocedure.
Om gebruik te maken van de uitgebreide afwijkingsprocedure moet er aan een initiatief een tussen gebiedspartners overeengekomen integraal plan ten grondslag liggen, waarin een kwaliteitsimpuls voor het gebied wordt aangetoond.
Het plan moet inzicht bieden in:
De wijze waarop de afwijking past binnen deze omgevingsvisie, in het bijzonder de drie strategieën in hoofdstuk vier;
De ambities voor versterking van de toekomstbestendigheid van het gebied;
Het waarborgen en verbeteren van de (ruimtelijke) kwaliteit van het gebied, bijvoorbeeld door randvoorwaarden voor nieuwe functies te stellen;
De wijze waarop met de bestaande situatie en functies in het gebied wordt omgegaan;
De afbakening van het gebied waar de afwijking voor geldt;
De wijze waarop invulling gegeven wordt aan participatie.
Bij de totstandkoming van een afwijking binnen de uitgebreide procedure moet er rekening gehouden worden met onze algemene principes:
Bij stedelijke uitbreiding moet worden aangesloten bij bestaande ruimtelijke structuren, bij voorkeur de huidige kernen.
Nieuwe solitaire clusters van bebouwing buiten de aangegeven stedelijke gebieden worden uitgesloten.
De omvang van nieuwe ruimte voor wonen, werken en voorzieningen moet in verhouding staan tot de grootte van de kern en de positie ervan in de leefregio, de innovatieve economische ecosystemen en het robuust polderraamwerk.
Infrastructuur is zo gebundeld dat versnippering van ruimtelijke eenheden wordt voorkomen en geen omvangrijke barrières in stedelijke en ecologisch waardevolle gebieden ontstaan volgens de principes van het robuust polderraamwerk.
Bij de locatiekeuze en invulling van werklocaties dient rekening te worden gehouden met:
versterking van de economische ontwikkeling van Flevoland, in het bijzonder de innovatieve economische ecosystemen zoals benoemd in hoofdstuk vier;
de regionale programmering van werklocaties;beheersing van de mobiliteit door een goede bereikbaarheid per openbaar vervoer;
efficiënt gebruik van infrastructuur en vervoermiddelen;
verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid;
Tevens moet rekening worden gehouden met de potenties van de gemeenten en de positie van de kernen in leefregio’s en het robuust polderraamwerk.
Nieuwe niet-agrarische functies moeten passen bij de principes van het robuust polderraamwerk voor de vijf gebiedstypen in het landelijk gebied. De landschappelijke en cultuurhistorische basiskwaliteiten blijven voldoende herkenbaar en/of worden verrijkt.
Vestiging in het buitengebied van activiteiten die thuishoren op een bedrijventerrein of in een woonkern is in principe niet toegestaan. Milieuhygiënisch, landschappelijk en verkeerstechnisch ongewenste effecten moeten worden voorkomen.
De algemene principes worden van wezenlijke betekenis geacht voor de gewenste ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van het gebied. Gelet op het bestuurlijk belang dat aan de algemene principes wordt gehecht, zal de provincie niet lichtvaardig instemmen met ontwikkelingen die hier niet mee in overeenstemming zijn. Het accent van eventuele provinciale betrokkenheid op het vlak van de ruimtelijke ordening ligt bij deze algemene principes.
Verder gelden de volgende procedurele spelregels bij de inzet van deze uitgebreide afwijkingsprocedure:
De afwijking kan gaan om één of meerdere initiatieven en/of gebieden waar (planologische) verruiming mogelijk wordt gemaakt bij planprocedures en vergunningverlening.
Gedeputeerde Staten beslissen omtrent het verlenen van medewerking aan de inzet van de uitgebreide afwijkingsprocedure nadat zij Provinciale Staten hebben geconsulteerd.
De tijdsduur waarbinnen afgeweken mag worden, wordt van tevoren afgesproken, waarbij twee jaar de gangbare termijn is, tenzij er aanleiding is om hiervan af te wijken.
De afwijking moet worden geëvalueerd door de gebiedspartners en voorgelegd aan Gedeputeerde Staten.
Op basis van de uitkomst van de evaluatie kunnen Gedeputeerde Staten met voorstellen komen over het al dan niet structureel aanpassen van het omgevingsbeleid. Hierbij wordt Provinciale Staten betrokken. Een uitkomst kan ook zijn dat het beleid niet wordt aangepast.
Monitoring en evaluatie
Met monitoring volgen we hoe het gaat met de uitvoering van het beleid. Ontwikkelingen gaan snel en effecten van beleid zijn soms lastig te voorspellen bij complexe vraagstukken. Door regelmatig te monitoren en te evalueren kijken we hoe het gaat met de uitvoering en of we de gestelde doelen halen. We bekijken dan actief of bijstelling van de beleidsdoelen en/of aanpassing van de inzet van instrumenten nodig is.
Het is van belang om in de omgevingsprogramma’s prestatie-indicatoren te verbinden aan de maatregelen en resultaatindicatoren aan de doelen, rekening houdend met de looptijd van het omgevingsprogramma. Indicatoren zijn verbonden met het provinciaal belang om goed te kunnen monitoren op doelrealisatie. Het is van belang dat er een passende en uitvoerbare monitoring- en evaluatiecyclus bij ingericht wordt, bij voorkeur met gebruikmaking van bestaande monitors. Voor de omgevingsverordening wordt jaarlijks bekeken op welke onderwerpen actualisatie nodig is.
Voor deze omgevingsvisie is het wenselijk gebruik te maken van de monitor Brede Welvaart. Mogelijk kan een aantal verdiepende indicatoren op de prioriteiten van deze omgevingsvisie aan de monitor toegevoegd worden, bij voorkeur in combinatie met het perspectief en beleving van inwoners. Deze monitoring vormt de basis voor de evaluatie van de omgevingsvisie wanneer die aan de orde is.
Voor alle instrumenten uit het beleidshuis omgevingsbeleid geldt dat een tussentijdse wijziging mogelijk is in geval van gewenste of urgente ontwikkelingen. Bij het actualiseren van de omgevingsvisie of een omgevingsprogramma is het van belang dat naar het effect op de andere instrumenten in het beleidshuis omgevingsbeleid gekeken wordt. Indien nodig of wenselijk worden omgevingsvisie, programma en/of verordening in samenhang (partieel) aangepast. Dat wordt per ontwikkeling bekeken.
Rapportage stand van het beleidshuis omgevingsbeleid
Een keer in de twee jaar brengen we een rapportage uit over de stand van zaken van het beleidshuis omgevingsbeleid. Het bevat een terugblik en vooruitblik en een beeld van het samenspel van de visie, de programma's en de verordening. We monitoren zo de werking van het beleidshuis voor een sturend en samenhangend omgevingsbeleid.
Op de provinciale webpagina feitelijkflevoland.nl presenteren we dashboards en publicaties over de fysieke leefomgeving in Flevoland. Het betreft zowel de stand van zaken / toestand van de regio als ook informatie over beleidsmonitoring en -evaluatie.
Via Feitelijk Flevoland is de voortgang van maatregelen, doelen en trends in de leefomgeving te volgen. De monitors geven signalen af wanneer doelen in gevaar komen of wanneer ontwikkelingen sneller gaan dan verwacht. De voortgang wordt zoveel mogelijk digitaal inzichtelijk gemaakt, onder meer via kaarten, dashboards en open data. Hierdoor ontstaat een gedeeld beeld van waar Flevoland staat en welke bijsturing nodig is.
Agroforestry: Natuurinclusieve landbouw vorm waarbij bomen en struiken worden geïntegreerd in agrarische productiesystemen, gericht op meervoudig ruimtegebruik, versterking van biodiversiteit en landschap.
Biobased: Producten gemaakt van natuurlijke, hernieuwbare materialen zoals vlas, stro en houtvezel.
Bovenregionale voorziening: Een voorziening met een functie en uitstraling die het regionale niveau overstijgt en van betekenis is voor meerdere regio’s, ook buiten de provincie, en waarvoor provinciale regie of afweging nodig is, bijvoorbeeld een instelling voor hoger onderwijs, een museum voor beeldende kunst of een gespecialiseerde medische instelling.
Buffercapaciteit: De ruimte of capaciteit om pieken op te vangen, voor bijvoorbeeld water.
Cascadering: Het stapsgewijs en zo hoogwaardig mogelijk inzetten en verdelen van water binnen en tussen peilvakken, passend bij de waterkwaliteit en functie.
Circulaire economie: Een economisch systeem waarin producten en grondstoffen zo lang mogelijk in omloop blijven door hergebruik, reparatie en recycling, met minimale afvalstromen, behoud van waarde en minder druk op natuurlijke hulpbronnen.
Digitale infrastructuur: Het samenstel van netwerken en voorzieningen dat digitale connectiviteit en dataverkeer mogelijk maakt in de fysieke leefomgeving.
Dual-use: Ruimte of voorzieningen die zowel civiel (burgers) als militair gebruikt kunnen worden.
Ecologie: Het geheel aan relaties tussen planten, dieren en hun leefomgeving, en de manier waarop deze samen ecosystemen vormen en functioneren binnen de fysieke leefomgeving.
Ecosysteem (economisch): Het samenhangende netwerk van bedrijven, kennisinstellingen, overheden en andere partijen dat binnen een economisch thema samenwerkt aan innovatie. In de omgevingsvisie zijn vijf innovatieve economische ecosystemen benoemd, waarbij wordt ingezet op het functioneren van het systeem als geheel om gezamenlijke kansen te creëren en te benutten.
Energiedrager: Een stof of systeem dat energie opslaat of transporteert, bijvoorbeeld elektriciteit, warmte of waterstof.
ERMTS: Een modern digitaal systeem voor spoorverkeer dat treinen veiliger en efficiënter laat rijden.
Functieverweving: Het combineren van functies zoals wonen, werken, natuur en recreatie in één gebied.
Functiewijziging: Het veranderen van het gebruik van een gebouw of gebied, bijvoorbeeld van landbouw naar natuur.
Gemeenschappen: Buurten, wijken of dorpen waarin inwoners gemeenschappelijke activiteiten, belangen of identiteit hebben.
General aviation: Niet-commercieel vliegverkeer, zoals recreatievliegers, lesvluchten en kleine zakelijke toestellen.
Gezonde leefomgeving: Een leefomgeving die schoon, veilig en prettig is om in te wonen, werken en ontspannen, zonder schadelijke invloed op gezondheid.
Groenblauwe dooradering: Netwerk van groen (natuur, beplanting) en blauw (water) dat gebieden verbindt.
Grondwater: Water dat in de bodem zit en niet zichtbaar is.
Human capital: De kennis, vaardigheden en talenten van mensen.
Hyperconnectiviteitscluster: Een gebied met een hoge mate van digitale onderlinge verbondenheid. Het ondersteunt de digitale economie doordat bedrijven, datacenters en kennisinstellingen hier supersnel, betrouwbaar en grootschalig data kunnen verwerken, delen en opslaan.
Incubator: Een fysieke locatie, vaak op een campus of bedrijventerrein, waar start-ups en beginnende ondernemingen worden ondersteund in hun ontwikkeling en groei, bijvoorbeeld door huisvesting, begeleiding, netwerken en faciliteiten.
Invasieve exoten: Planten of dieren die niet van oorsprong in Nederland voorkomen en schade veroorzaken aan natuur of gezondheid.
Kern: Een stad of dorp.
Knooppunt: Een plek waar verschillende vervoersmiddelen samenkomen, zoals bus, trein, fiets en auto.
Kritieke grondstoffen: Materialen die belangrijk zijn voor economie en technologie, maar schaars of moeilijk verkrijgbaar zijn.
Kwelwater: Water dat uit diepere waterlagen in de bodem omhoogkomt door druk.
Landschappelijk casco: De landschappelijke basisstructuur van de polders.
Landschappelijke structuur: De grote lijnen en patronen in het landschap, zoals kavels, waterlopen, wegen en bossen.
MKB/maakbedrijven: Kleine en middelgrote ondernemingen die fysieke producten maken of verwerken, zoals machines of onderdelen.
Modal shift: Het verschuiven van vervoer van de weg naar duurzamere opties zoals trein, water of fiets.
MRA: Metropoolregio Amsterdam
MRU: Metropoolregio Utrecht
Natuurinclusiviteit: Het versterken van natuur en biodiversiteit door deze integraal mee te nemen in ruimtelijke ontwikkeling en beheer.
Netcongestie: Een overvol elektriciteitsnet waardoor er tijdelijk geen ruimte is voor nieuwe aansluitingen of uitbreiding.
Oppervlaktewater: Water boven de grond, zoals plassen, rivieren, meren en sloten.
Polderraamwerk: De landschappelijke, ecologische en water- en bodem basisstructuur van Flevoland.
Precisielandbouw: Landbouw waarbij technologie, zoals drones, zelfrijdende landbouwvoertuigen, sensoren en GPS gebruikt worden.
Proceswater: Water dat bedrijven gebruiken in productieprocessen, niet bedoeld om te drinken.
Randbos: Een randbos is een groene kraag met bomen rondom een stad of dorp en vanuit een kern toegankelijk voor bijvoorbeeld een wandeling. Het dient hiermee als overgangszone en buffer tussen het landelijk en stedelijk gebied.
Robuust: sterk, adaptief en toekomstbestendig.
Smart mobility: Slimme mobiliteitsoplossingen zoals deelmobiliteit, reisinformatie of autonome voertuigen.
Small modular reactor (SMR): Kleine kerncentrale.
Sociale cohesie: Hoe sterk mensen in een buurt of dorp met elkaar verbonden zijn en zich onderdeel voelen van een gemeenschap
Solitaire clustering: Bebouwing van nieuwe woningen die niet liggen binnen of direct aansluiten op bestaand bebouwd gebied.
Sponswerking: De capaciteit van een gebied om water vast te houden bij regen en langzaam af te geven bij droogte.
Toekomstbestendig: Bestendig tegen toekomstige veranderingen in klimaat, economie of bevolking.
Uitgangsmateriaal: Het basismateriaal voor teelt, zoals zaaizaad of pootgoed.
Versnippering: Natuurgebieden en bosjes los van elkaar, waardoor dieren en planten minder ruimte hebben en minder goed kunnen verplaatsen.
Verzilting: Het zouter worden van bodem of water, vaak door droogte, oppompen of door druk of zeewater.
Waterstofbackbone: Het nationale hoofdtransportnet voor waterstof.
/join/id/regdata/pv24/2026/giod90b59ba-b80f-4241-873a-2f8a39dfa830/nld@2026‑05‑19;19-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioc7b90c0f-e2ea-415f-a1ea-7934f4550b1d/nld@2026‑05‑19;11-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioab746cf1-2e84-4f52-9b84-288c41ab6f85/nld@2026‑05‑19;22-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioa8481163-3377-4e4d-8425-48aafe38868b/nld@2026‑05‑19;21-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio6c70f6be-4101-4f23-9a3a-08627e103c24/nld@2026‑05‑19;25-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio589955de-1b94-41c6-9dd4-0bef6ddc60c0/nld@2026‑05‑19;15-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio14fc02d7-1d6f-4f2c-95e6-c1c8c576bda6/nld@2026‑05‑19;9-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioe5cc1128-ba7e-414a-ba78-209c39d24766/nld@2026‑05‑19;6-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioef443cb5-74ab-4410-9710-2682a6b992ae/nld@2026‑05‑19;10-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio797e92a0-88a2-45b0-9de6-f2beab8f3126/nld@2026‑05‑19;7-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio8f71bc16-ef7c-47e0-8cef-03a7f95f512b/nld@2026‑05‑19;8-0
/join/id/regdata/pv24/2026/giocff1a7cb-b06c-4e88-abac-1a6a065bdfc6/nld@2026‑05‑19;5-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioca370dd0-49a9-4b4f-bfee-250a196c9b12/nld@2026‑05‑19;4-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio9d6d77c9-fe66-4d81-b116-09e2bcc72deb/nld@2026‑05‑19;17-0
/join/id/regdata/pv24/2026/giob1ecd905-673a-4259-bf3f-e9ca90b3df64/nld@2026‑05‑19;24-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio260bf431-4ef1-45a2-918c-3b953638380c/nld@2026‑05‑19;13-0
/join/id/regdata/pv24/2026/giobb6d4aff-0b5e-4c1e-a368-785059168d01/nld@2026‑05‑19;23-0
Ontwerp Omgevingseffectrapport Omgevingsvisie Flevoland 2050: /join/id/pubdata/pv24/2026/47pdf07a56090-1ab0-457f-8902-f1ffb5dec28b/nld@2026‑05‑19;111
Verantwoordingsdocument ontwerp-Omgevingsvisie Flevoland 2050, Blik op de toekomst: /join/id/pubdata/pv24/2026/47pdf140dcedd-2a5f-4794-8df5-351a055787f4/nld@2026‑05‑19;111
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-8458.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.