U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Wijziging Omgevingsverordening Noord-Brabant, regelwijziging 3

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Overwegende dat

  • het vanwege het cyclische werken onder de Omgevingswet wenselijk is om periodiek te bezien of aanpassingen van de Omgevingsverordening Noord-Brabant nodig zijn, vanwege wijzigingen in wetgeving, wettelijke verplichtingen, nieuw beleid of vanwege de uitvoeringspraktijk;

  • de motivering van dit wijzigingsbesluit een overzicht en toelichting bevat op de opgenomen wijzigingen;

Besluiten:

Artikel I

De ontwerpwijziging Omgevingsverordening Noord-Brabant, regelwijziging 3 zoals opgenomen in in 'bijlage A' vast te stellen.

Artikel II

Dat deze ontwerpwijziging gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd met gelegenheid tot het indienen van zienswijzen.

12 mei 2026

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant

Bijlage A Omgevingsverordening Noord-Brabant

A

Artikel 3.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.90 Verbod verstorende activiteiten in Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten

  • 1

    In Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten worden in de periode 1 november tot 1 april, de volgende soorten niet opzettelijk verontrust:

    • a.

      brandganzen;

    • b.

      grauwe ganzen;

    • c.

      kolganzen;

    • d.

      rotganzen;

    • e.

      taigarietganzen;

    • f.

      toendrarietganzen;

    • g.

      smienten.

  • 2

    In afwijking van Artikel 3.88 Maatwerkregel schadeveroorzakende soorten, eerste lid, is het binnen een Rust- en foerageergebied, in de periode 1 november tot 1 april, alleen toegestaan van die vrijstelling gebruik te maken voor zover gebruikmaking hiervan niet leidt tot verontrusting van de aldaar aanwezige, in het eerste lid genoemde, soorten.

B

Artikel 3.92 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.92 Maatwerkregel meld- en herplantplicht houtopstanden

  • 1

    ​​DeIn aanvulling op artikel 11.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de meldplicht, bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving, alsmede de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet als sprake is van:

    • a.

      houtopstanden op oevers van vennen en poelen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn;

    • b.

      houtopstanden in verband met het realiseren van een werk overeenkomstig een onherroepelijk omgevingsplan of projectbesluit waarvoor reeds een planologische compensatie is vereist;

    • c.

      een tijdelijke houtopstand; of

    • d.

      houtopstanden als onderdeel van agroforestry.

  • 2

    Er is sprake van een tijdelijke houtopstand als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, is het tijdstip en de plaats van de aanleg gemeld op grond van artikel 3.4;

    • b.

      de houtopstand wordt niet aangeplant om te voldoen aan een herplantplicht als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving of vanwege een compensatieverplichting gebaseerd op andere regelgeving;

    • c.

      de houtopstand is aangeplant voor de productie van hout of biomassa; en

    • d.

      de houtopstand wordt binnen een periode van 40 jaar geheel geveld, gerekend vanaf het tijdstip van aanleg, bedoeld onder a.

  • 3

    Er is sprake van een houtopstand als onderdeel van agroforestry als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      voordat tot aanleg van de houtopstand wordt overgegaan, is het tijdstip en de plaats van de aanleg gemeld op grond van artikel 3.4;

    • b.

      de houtopstand wordt niet aangeplant om te voldoen aan een herplantplicht als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving of vanwege een compensatieverplichting gebaseerd op andere regelgeving; en

    • c.

      de houtopstand is aangelegd op landbouwgrond met een blijvende agrarische bestemming zonder dat daarvoor een provinciale subsidie is verleend.

C

Artikel 3.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.94 Maatwerkvoorschriften herplantplicht houtopstanden

  • 1

    Maatwerkvoorschiften over de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn mogelijk wanneer er sprake is van:

    • a.

      een velling van een houtopstand die als gevolg van natuurlijke processen op heideterreinen of zandverstuivingen is ontstaan; of

    • b.

      een velling van een houtopstand ter bevordering van de cultuurhistorische, aardkundige of archeologische waarden ter plaatse.

  • 2

    Het stellen van maatwerkvoorschriften over de plicht tot herbeplanting op dezelfde grond, bedoeld in artikel 11.130, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, is mogelijk als dit niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden ter plaatse en, in aanvulling op Artikel 3.93 Eisen herplanting houtopstanden, wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de andere grond is gelegen in de provincies Noord-Brabant of Limburg;

    • b.

      de andere grond is van gelijkwaardige grondkwaliteit;

    • c.

      als de velling heeft plaatsgevonden op grond die is gelegen in of aan een boskern vindt herplant ook plaats in of aan een boskern;

    • d.

      beplanting van de andere grond, gaat niet ten koste van ter plaatse aanwezige beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden; en

    • e.

      de andere grond is onbeplant en vrij van een herplantplicht als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving en vrij van natuurcompensatieverplichtingen, ontstaan vanuit andere wet- en regelgeving.

  • 3

    Maatwerkvoorschriften zijn mogelijk over de herplanttermijn, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving als natuurlijke of fysieke omstandigheden het niet mogelijk maken om binnen die termijn aan de plicht tot herbeplanting te voldoen.

D

Artikel 3.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.98 Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie veehouderij

  • 1

    Vanwege de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden is het vanaf 1 juli 2026 op iedere veehouderij verplicht maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 3.59 Besluit kwaliteit leefomgeving die ammoniakemissies verminderen zodat:

    • a.

      gemiddeld op bedrijfsniveau wordt voldaan aan de normen opgenomen in Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie; of

      alle huisvestingssystemen die op een veehouderijlocatie worden toegepast of in werking zijn gemiddeld voldoen aan Bijlage VI, waarbij een huisvestingssysteem dat niet in bijlage VI is opgenomen en waarvan de vrijwaringstermijn niet is verstreken, buiten beschouwing blijft; of, 

    • b.

      met elk huisvestingssysteem dat op een veehouderij wordt toegepast of in werking is, wordt voldaan aan de normen uit Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie, behoudens in het geval dat het huisvestingssysteem is gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of een melding ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving die:

      ieder huisvestingssysteem dat op een veehouderij wordt toegepast of in werking is voldoet aan Bijlage VI, behoudens een huisvestingssysteem waarvan de vrijwaringstermijn niet is verstreken.

      • 1.

        voor de hoofdcategorie rundvee uit bijlage V van de Omgevingsregeling ten hoogste 20 jaar geleden onherroepelijk is geworden of, in het geval van een melding, uiterlijk 20 jaar geleden is ingediend; of

      • 2.

        voor alle andere diercategorieën uit bijlage V van de Omgevingsregeling ten hoogste 15 jaar geleden onherroepelijk is geworden of, in het geval van een melding, uiterlijk 15 jaar geleden is ingediend.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor een veehouderij die op 19 juli 2017 voor een hele hoofdcategorie niet voldeed aan de eisen uit het Besluit emissiearme huisvesting als datum 1 januari 2020.

  • 3

    Het is verboden de maatregel, bedoeld in het eerste lid, te verrichten zonder hiervoor een melding te doen als bedoeld in artikel 3.4.

  • 4

    Bij de toepassing van het eerste lid is geen wijziging toegestaan van de diercategorie of het aantal dieren dat mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit of de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit respectievelijk de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, die gelden op het moment van indienen van de melding, bedoeld in het derde lid.

    De vrijwaringtermijn, bedoeld in het eerste lid, wordt gerekend vanaf het moment van onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of het doen van een melding ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving, en betreft:                           

    • a.

      20 jaar voor de hoofdcategorie rundvee uit bijlage V van de Omgevingsregeling;

    • b.

      15 jaar voor alle andere diercategorieën uit bijlage V van de Omgevingsregeling.

  • 5

    Voor de toepassing van dit artikel geldt dat het in beperkte omvang en aantal houden van hobbydieren voor privégebruik en zonder relatie met de bedrijfsvoering, niet betrokken hoeft te worden in de beoordeling of een veehouderij voldoet aan de normen uit Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie.

    Bij de toepassing van het eerste lid is het niet toegestaan dat:

    • a.

      de diercategorie wordt gewijzigd of het aantal dieren toeneemt dat mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de natuurtoestemming of de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit respectievelijk de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, die gelden op het moment van indienen van de melding, bedoeld in het derde lid, toeneemt;

    • b.

      een huisvestingssysteem wordt toegepast met een lagere emissiereductie dan ten tijde van het verlenen van de natuurtoestemming was opgenomen in de Omgevingsregeling of een voorganger daarvan. 

  • 6

    Voor de toepassing van dit artikel geldt dat het in beperkte omvang en aantal houden van hobbydieren voor privégebruik en zonder relatie met de bedrijfsvoering, niet betrokken hoeft te worden in de beoordeling of een veehouderij voldoet aan de normen uit Bijlage VI

E

Artikel 3.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.99 Maatwerkregel toepassing technieken dierenverblijf  

  • 1

    Als voor het oprichten van een nieuw dierenverblijf of de toepassing van een techniek als bedoeld in artikel 3.102 een omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit, een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of een melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving nodig is, anders dan de maatregel, bedoeld in artikel 3.98, eerste lid, moet het huisvestingssysteem voldoen aan de normen uit Bijlage VI.

  • 2

    Voor de toepassing van dit artikel omvat een dierenverblijf ook de daaraan gekoppelde mestopslag of mestbewerkingstechniek waarvoor een emissiefactor is vastgesteld in de Omgevingsregeling.

  • 3

    Het bepaalde in artikel 3.98, vijfde lidonder b, en zesde lid is van overeenkomstige toepassing.

F

Artikel 3.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.100 Natuurinclusieve veehouderij

G

Artikel 3.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.101 Minder dieren houden  

  • 1

    Een veehouderij voldoet aan artikel 3.98, eerste lid, door op de datum, bedoeld in de aanhef van dat artikel, binnen de bestaande diercategoriehoofdcategorie ten hoogste het aantal dieren te houden dat overeenkomt met de berekende emissie vanuit het dierenverblijf waarvan sprake zou zijn geweest als de toegepaste huisvestingssystemen zouden voldoen aan de vanaf 1 januari 2026 geldende normen voor emissiereductie, zoals opgenomen in Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie.

  • 2

    Artikel 3.98, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de diercategorie en het aantal dieren dat mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit of de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit respectievelijk de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, die ten tijde van de indiening van de melding, bedoeld in artikel 3.98, derde lid, gelden.

H

Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.11 Aanvullende beoordelingsregels kabels en leidingen Provinciale weg

In aanvulling op artikel 4.8 wordt de omgevingsvergunning voor het aanleggen, instandhouden, wijzigen of verwijderen van kabels of leidingen, bedoeld in Artikel 3.112, onder d, alleen verleend als:

  • a.

    de kabel of leiding een openbare functie of daarmee gelijk te stellen functie heeft;

  • b.

    de kabel of leiding niet in de lengterichting onder een gesloten verharding ligt, met uitzondering van telecommunicatiekabels of elektriciteitskabels, alstenzij daarvoor in de berm van de provinciale weg onvoldoende fysieke ruimte beschikbaar is; en sprake is van:

    • 1.

      telecommunicatiekabels of laagspanningselektriciteitskabels in een mantelbuis; of

    • 2.

      kabels en leidingen in een fietspad indien voldoende maatregelen zijn getroffen om onderhouds- en herstelwerkzaamheden te minimaliseren;

  • c.

    voor zover de kabel of leiding in een kunstwerk ligt, dit kunstwerk beschikt over mantelbuizen of holle ruimten die voor de ligging van een kabel of leiding zijn gereserveerd; en

  • d.

    de kabel of leiding op zodanige afstand van bomen en beplanting ligt dat daaraan geen schade wordt toegebracht.

I

Artikel 5.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.10 Meerwaardecreatie

  • 1

    Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken, waaronder:

    • a.

      de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren; en

    • b.

      de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn.

  • 2

    De fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit, bedoeld in artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap kan deel uitmaken van de meerwaardecreatie.

J

Artikel 5.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.12 Ontwikkelingsrichting

  • 1

    Een omgevingsplan dat de uitbreiding mogelijk maakt van een bestaande activiteit of dat een nieuwe functie of activiteit toedeelt in Landelijk gebied, bevat een onderbouwing dat die ontwikkeling past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied. Een ontwikkelingsrichting wordt opgesteld met toepassing van de basisprincipes, bedoeld in Paragraaf 5.1.2, en gaat in ieder geval in op de volgende aspecten:

    • a.

      welke activiteiten en functies vanuit een gebiedsgerichte benadering passen in de omgeving;

    • b.

      welke effecten de ontwikkeling van die activiteiten en functies heeft op andere aspecten, waaronder een veilige en gezonde leefomgeving, de te beschermen waarden, bedoeld in Afdeling 5.2, mobiliteit, agrarische ontwikkeling, stedelijke ontwikkeling, leefbaarheid en leegstand elders;

    • c.

      op welke wijze de omgevingskwaliteit in het gebied versterkt kan worden, mede gericht op de toepassing van artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en

    • d.

      op welke wijze de sloop van leegstaande of overtollige bebouwing wordt gerealiseerd.

  • 2

    Bij het opstellen van een ontwikkelingsrichting worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

K

Artikel 5.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.13 Maatwerk voor verplaatsing van functies en activiteiten

  • 1

    Een omgevingsplan kan vanwege algemeen belang een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken in Landelijk gebied als:

    • a.

      het een verplaatsing van een functie of activiteit betreft;

    • b.

      er geen geschikte bestaande locaties zijn voor hergebruik; en

    • c.

      het achterblijvende bouwperceel, inclusief alle daarin aanwezige functies en bebouwing, feitelijk en juridisch wordt opgeheven, behalve in een uitzonderlijk geval waarbij ten hoogste de woning gehandhaafd blijft als dat aanvaardbaar is vanuit omgevingskwaliteit.

  • 2

    Een omgevingsplan kan in andere gevallen dan bedoeld in het eerste lid een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken in Landelijk gebied als:

    • a.

      dat past binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen;

    • b.

      op een andere locatie aanzienlijke omgevingskwaliteitswinst wordt bereikt doordat een vergelijkbare gebruiksactiviteit met een gelijke omvang aan bebouwing als die mogelijk wordt gemaakt, feitelijk en juridisch geheel wordt opgeheven; en

    • c.

      zowel de ontwikkeling van de bouw- en gebruiksactiviteit als het feitelijk opheffen van de gebruiksactiviteit elders, passen binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12.

  • 3

    Bij de toepassing van het eerste en tweede lid worden deskundigen betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

  • 4

    Artikel 5.8, eerste lid, onder a en ed, zijn niet van toepassing op dit artikel.

L

Artikel 5.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit

  • 1

    Een omgevingsplan kan voor een concreet initiatief een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:

    • a.

      dat aantoonbaar bijdraagt aan het fysiek versterken van omgevingskwaliteit, zoals de sloop van bebouwing, de aanleg van natuur en bos, groenblauwe dooradering, het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken, het terugdringen van emissie van milieuhinderlijke stoffen of de verbetering van het woon- en leefklimaat, doordat die bouw- of gebruiksactiviteit daarvoor de middelen genereert;

    • b.

      de realisering van de onder a. bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd;

    • c.

      de onder a. bedoelde versterking van omgevingskwaliteit bijdraagt aan algemene belangen en juridisch is geborgd;

    • d.

      de bouw- of gebruiksactiviteit door meerwaardecreatie bijdraagt aan algemene belangen zoals energietransitie, klimaat, circulariteit en verduurzaming;

    • e.

      zowel de activiteit als de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12;

    • f.

      is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt;

    • g.

      zowel de activiteit als de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en

    • h.

      bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

  • 2

    In het geval dat de fysieke versterking van omgevingskwaliteit is gericht op sanering van een milieubelastende activiteit, omvat de juridische borging in ieder geval dat alle voor die activiteit op de locatie rustende rechten en toestemmingen, waaronder verleende vergunningen, zijn ingetrokken.

  • 3

    In aanvulling op het eerste lid worden bij de hierna genoemde gevallen tenminste de volgende aspecten in acht genomen:

    • a.

      als de activiteit de toevoeging van een woning betreft:

      • 1.

        wordt de woning gerealiseerd op een passende locatie;

      • 2.

        staat de omvang van de fysieke tegenprestatie voor omgevingskwaliteit in verhouding tot het oprichten van een woonfunctie, zoals uitgewerkt in een beleidsregel van Gedeputeerde Staten;

    • b.

      als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft:

      • 1.

        heeft het landgoed ten minste een omvang van10 hectare;

      • 2.

        is de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht op de ontwikkeling van natuur die bijdraagt aan de samenhang en kwaliteit van het Natuur Netwerk Brabant;

      • 3.

        bestaat 50% van het gerealiseerde landgoed uit aangelegde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant;

      • 4.

        wordt bebouwing buiten het Natuur Netwerk Brabant gesitueerd en zo veel mogelijk geconcentreerd opgericht;

      • 5.

        is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed;

      • 6.

        zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende bouw- of gebruiksactiviteiten mogelijk, waaronder zorg; en

      • 7.

        is de openbaarheid van het landgoed verzekerd;

    • c.

      als de ontwikkeling is gericht op het behoud van een bestaand landgoed is de toevoeging van een woning of een andere bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk op het bestaande landgoed als:

      • 1.

        het landgoed niet is aangewezen als complex cultuurhistorisch belang; en

      • 2.

        waar mogelijk toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder b;

    • d.

      als de ontwikkeling tot doel heeft om de cultuurhistorische waarden en kenmerken te behouden of te herstellen van een rijks- of gemeentelijk monument of een complex cultuurhistorisch belang, zoals beschreven op de Cultuurhistorische waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht op het behoud of herstel van de aanwezige waarden en kenmerken.

  • 4

    Er is sprake van een passende locatie voor de toevoeging van een woning als:

  • 5

    Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:

    • a.

      Artikel 5.8, eerste lid, onder a en ed;

    • b.

      Artikel 5.11.

M

Artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.15 Ruimte-voor-ruimtekavel

  • 1

    Een omgevingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling:

  • 2

    Het eerste lid vervalt op 1 januari 2030.

  • 3

    Bij de toepassing dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:

    • a.

      Artikel 5.8, eerste lid, onder a en ed;

    • b.

      Artikel 5.11; en

    • c.

      Artikel 5.77, eerste lid onder a.

N

Artikel 5.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.20 Voorafgaand onderzoek bij bouwactiviteit

  • 1

    Een omgevingsplan bepaalt dat voorafgaand aan het verrichten van een bouwactiviteit voor een gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, inclusief een daaraan grenzende tuin of een aangrenzend terrein, onderzocht wordt of er sprake is van een mobiele verontreinigingssituatie door:

    • a.

      raadpleging van een bodeminformatiesysteem;

    • b.

      voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • c.

      het overleggen van een beschikking op grond van artikel 29, eerste lid, in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die luidde voor de inwerkingtreding van de wet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing op: 

    • a.

      een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw met een oppervlakte van ten hoogste 50 m2; of

    • b.

      een bijbehorend bouwwerk van ten hoogste 50 m2.

  • 3

    Er is sprake van een mobiele verontreinigingssituatie als het grondwater:

    • a.

      een verontreinigingscontour heeft in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume die de signaleringsparameter grondwatersanering, zoals opgenomen in Bijlage V Gevaarlijke stoffen in het grondwater overschrijdt; of

    • b.

      in een kwetsbaar gebied als bedoeld in Artikel 3.49 de verontreinigende stof in minimaal 100 m3 poriën verzadigd bodemvolume de voorkeurswaarde grondwater overschrijdt, bedoeld in Bijlage V Gevaarlijke stoffen in het grondwater.

O

Artikel 5.48 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.48 Rivierbed

  • 1

    Een omgevingsplan ter plaatse van Rivierbed strekt mede tot bescherming tegen overstroming.

  • 2

    Een omgevingsplan ter plaatse van Rivierbed bepaalt dat de ontwikkeling van een activiteit alleen is toegestaan als deze past binnen de Beleidsregels grote rivieren 2025.

  • 2 3

    Als een omgevingsplan binnen Rivierbed voorziet in de ontwikkeling van een bouw- of gebruiksactiviteit, bevat het omgevingsplan een onderbouwing dat:

    • a.

      die activiteit of functie niet kwetsbaar is voor de waterdiepte en de frequentie van overstromen;

    • b.

      is verzekerd dat mensen en dieren op doelmatige wijze geëvacueerd kunnen worden; en

    • c.

      is verzekerd dat de permanente aanwezigheid van mensen hoogwatervrij kan plaatsvinden.

P

Na artikel 5.48 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 5.48a Rivierbed regionale rivieren

  • 1

    Een omgevingsplan ter plaatse van Rivierbed regionale rivieren strekt mede tot bescherming tegen overstroming.

  • 2

    Een omgevingsplan ter plaatse van Rivierbed regionale rivieren bepaalt dat de ontwikkeling van een activiteit alleen is toegestaan als deze is toegestaan binnen de Beleidsregels grote rivieren 2025.

  • 3

    Een omgevingsplan binnen begrenzingen Rivierbed regionale rivieren voorziet alleen in de ontwikkeling van een bouw- of gebruiksactiviteit van riviergebonden activiteiten, tenzij uit overleg met het waterschap blijkt dat hiertegen geen bezwaren bestaan.

  • 4

    Als een omgevingsplan binnen Rivierbed regionale rivieren voorziet in de ontwikkeling van een bouw- of gebruiksactiviteit, bevat het omgevingsplan aanvullend een onderbouwing dat:

    • a.

      die activiteit of functie niet kwetsbaar is voor de waterdiepte en de frequentie van overstromen;

    • b.

      is verzekerd dat mensen en dieren op doelmatige wijze geëvacueerd kunnen worden; en

    • c.

      is verzekerd dat de permanente aanwezigheid van mensen hoogwatervrij kan plaatsvinden.

Q

Artikel 5.52 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.52 Aanvullende regels voor windturbines in het Natuur Netwerk Brabant

In aanvulling op artikel 5.51 kan een omgevingsplan bepalen dat een windturbine is toegestaan in het Natuur Netwerk Brabant, in het geval dat:

  • a.

    het Natuur Netwerk Brabant de locatie van de windturbine direct aansluitend op hoofdinfrastructuur ligtwordt gesitueerd;

  • b.

    uit een alternatievenafweging blijkt dat negatieve effecten op de ecologische waarden en kenmerken waar mogelijk worden beperkt;

  • c.

    bij verlies van ecologische waarden en kenmerken wordt voldaan aan artikel 5.37 Compensatie; en

  • d.

    toepassing is gegeven aan artikel 5.31 Externe werking Natuur Netwerk Brabant tweede lid, voor de overdraai van de wieken.

R

Artikel 5.55 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling

  • 1

    Een omgevingsplan dat een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt voor wonen, werken of voorzieningen, wijst daarvoor een locatie aan binnen Stedelijk gebied en bevat een onderbouwing dat:

    • a.

      de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in Afdeling 7.2 Regionaal samenwerken; en

    • b.

      het een duurzame stedelijke ontwikkeling is.

  • 2

    Er is sprake van een duurzame stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen als:

    • a.

      een goede omgevingskwaliteit wordt bevorderd, met aandacht voor een natuurinclusieve inrichting en een veilige en gezonde leefomgeving;

    • b.

      toepassing wordt gegeven aan zorgvuldig ruimtegebruik, waaronder de transformatie van verouderde stedelijke gebieden;

    • c.

      optimaal invulling wordt gegeven aan netbewust bouwen en de mogelijkheden voor productie en gebruik van duurzame energie;

    • d.

      rekening wordt gehouden met klimaatverandering, waaronder het tegengaan van hittestress en voldoende ruimte voor de opvang of infiltratie van water;

    • e.

      de mogelijkheden voor duurzame mobiliteit worden benut; en

    • f.

      wordt bijgedragen aan een circulaire economie door invulling te geven aan de toepassing van industrieel, demontabel bouwen en het gebruik van duurzame biobased materialen.

  • 3

    Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen op een bedrijventerrein, stelt het omgevingsplan regels over:

    • a.

      een bij de aard van het bedrijventerrein en de toe te laten functies passende kavelomvang; en

    • b.

      het tegengaan van ontwikkelingen die een effectief gebruik van het bedrijventerrein beperken, zoals:

      • 1.

        bedrijfswoningen;

      • 2.

        bedrijven die doelmatig gevestigd kunnen worden in gemengde gebieden, tenzij die bedrijven concept-versterkend werken en geclusterd worden;

      • 3.

        voorzieningen die gelet op hun publieksaantrekkende werking thuishoren in centrumgebieden, tenzij deze concept-versterkend werken en geclusterd worden.

S

Artikel 5.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.68 Teeltbedrijf

  • 1

    Een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied bepaalt voor een teeltbedrijf dat binnen een bouwperceel:

  • 2

    In afwijking van het eerste lid, onder b, kan een omgevingsplan meer dan 3 hectare permanente teeltondersteunende voorzieningen toelaten als:

    • a.

      dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken;

    • b.

      er geen aardkundige waarden aanwezig zijn als bedoeld in Artikel 5.43;

    • c.

      de effecten van de ontwikkeling op het water- en bodemsysteem en omliggende waarden worden afgewogen;

    • d.

      maatregelen worden getroffen en geborgd waardoor de ontwikkeling bijdraagt aan een waterrobuuste inrichting van het gebied en een verstoring van de hydrologische situatie ter plaatse wordt gemitigeerd; en

    • e.

      juridisch en financieel is geborgd dat de voorzieningen na afloop van het gebruik worden verwijderd.

  • 3

    In afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a en d, kan een omgevingsplan ter plaatse van Landelijk gebied voorzien in permanente teeltondersteunende voorzieningen buiten het bouwperceel van het teeltbedrijf, als:

    • a.

      de voorzieningen geconcentreerd worden en aansluiten op een bouwperceel;

    • b.

      dit past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12, waarbij ook een mogelijke functie van het gebied voor klimaatadaptieve maatregelen is betrokken;

    • c.

      is voldaan aan Artikel 5.11 Kwaliteitsverbetering landschap; en

    • d.

      is voldaan aan de voorwaarden uit het eerste of tweede lid.

T

Artikel 5.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.72 Glastuinbouwconcentratiegebied

  • 1

    Een omgevingsplan ter plaatse van Glastuinbouwconcentratiegebied:

    • a.

      bepaalt welke ontwikkeling van glastuinbouw binnen het gebied is toegestaan;

    • b.

      kan in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a en ednieuwvestiging van een glastuinbouwfunctie mogelijk maken; en

    • c.

      onderbouwt dat de ontwikkeling van andere gebruiksactiviteiten binnen een bestaand bouwperceel de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de glastuinbouw niet belemmeren.

  • 2

    Artikel 5.71 is niet van toepassing op dit artikel.

U

Artikel 10.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.8 Overgangsrecht aanvragen technieken dierenverblijf

  • 1

    Op een vergunningsaanvraag voor het toepassen van een techniek of het oprichten van een nieuw dierenverblijf als bedoeld in artikel artikel 3.99 die is ingediend voor 1 oktober 2023 of 1 oktober 2025 voor de diercategorieën HA1, HA2 en HA3, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling, blijven de eisen uit bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie van toepassing zoals die golden op het moment van indiening, tenzij de normen in die bijlage ten tijde van besluitvorming van de vergunningaanvraag minder streng zijn.

  • 2

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in het geval dat de ingediende vergunningaanvraag is omgezet naar een melding als bedoeld in artikel 3.98, derde lid.

V

Artikel 10.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.10 Overgangsrecht emissiereducerende huisvestingssystemen

Vervallen

Het treffen van een maatregel als bedoeld in artikel 3.98, eerste lid, aanhef blijft voor huisvestingssystemen waarvoor de vrijwaringstermijn als bedoeld in artikel 3.98, vierde lid, is verstreken tot uiterlijk 1 januari 2030 buiten toepassing voor een bestaand huisvestingssysteem dat op grond van de Omgevingsregeling een hogere emissiereductie heeft dan de norm in bijlage VI en niet in bijlage VI is opgenomen. In het geval een veehouder toepassing wil geven aan artikel 3.98, eerste lid, onder a, blijft dit huisvestingssysteem buiten beschouwing.

W

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

aanduiding

opschrift, aankondiging of afbeelding op een bord, vlag, banner, spandoek of constructie, niet zijnde een verkeersbord als bedoeld in artikel 4 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

aardkundig waardevolle gebiedenkaart

instrument dat door Gedeputeerde Staten als beleid is vastgesteld en waarin de aardkundige waarden en kenmerken van provinciaal belang zijn beschreven;

aardkundige waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem van belang zijn; 

aardpen

veiligheidsmaatregel die voorziet in een verbinding van het elektriciteitsnet met de aarde;

agrarisch bedrijf

bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig-agrarisch bedrijf;

agrarisch-technisch hulpbedrijf

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, waaronder loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbehandeling of mestbewerking;

agrarisch-verwant bedrijf

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbehandeling of mestbewerking;

agroforestry

teeltsysteem waarbij akkerbouw of veehouderij wordt gecombineerd met de aanplant van een houtopstand, waaronder mede begrepen voedselbos;

ambitiekaart

kaart opgenomen in het Natuurbeheerplan waarop de begrenzing is vastgelegd van alle bestaande en nog te realiseren natuur met daarbij de aanwijzing van de beoogde ambitie per natuurbeheertype of landschapselement;

archeologisch monument

archeologisch terrein dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart staat afgebeeld en waaraan een monumentnummer is toegekend;

bebouwde kom

bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

bebouwing

bouwwerken

bebouwingscluster

vlakvormige verzameling van bebouwing die geheel of gedeeltelijk in Landelijk gebied ligt;

bebouwingsconcentratie

kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;

bebouwingslint

min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg, die geheel of gedeeltelijk in Landelijk gebied ligt;

bedrijfswaterplan

plan met waterconserverende of waterbesparende maatregelen, dat is opgesteld door degene die de onttrekkingsactiviteit verricht, overeenkomstig een door het bestuur van het waterschap vastgesteld model;

bedrijventerrein

aaneengesloten terrein met een bruto oppervlakte van ten minste één hectare voor de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, logistieke, ambachtelijke en dienstverlenende activiteiten en groothandel met de daarbij behorende voorzieningen, bedoeld voor de vestiging van meerdere bedrijven; 

bestaand bouwperceel

bouwperceel waarbinnen het geldende omgevingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat;

BEX

Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX) is een instrument voor melkveehouders die af willen wijken van de excretieforfaits voor melkvee in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;

biologische veehouderij

veehouderij die producten vervaardigt die gecertificeerd zijn volgens de geldende regelgeving voor biologische productie;

boorput

met daarvoor geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering;

boskern

aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 5 hectare;

bouwlaag

doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen;

bouwperceel

aaneengesloten virtueel of aangeduid vlak, waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;

bouwvlak

geometrisch bepaald vlak, waar gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

bouwwerk

Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij

instrument dat door Gedeputeerde Staten als beleid is vastgesteld en dat maatregelen benoemt voor individuele bedrijven die de transitie naar zorgvuldige veehouderij bevorderen;

bronaanpak

sanering gericht op het beheren, beperken of ongedaan maken van de inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit het vaste deel van de bodem, in zowel de onverzadigde als verzadigde zone, naar het grondwater, overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met de maatwerkregel, bedoeld in artikel 4.23 van deze verordening;

BRTN

Basisvisie Recreatie Tourvaartnet;

buisleiding

holle buis voor het transport van gas, olie of chemicaliën alsmede voor het transport van elektriciteit als dit wordt gekoeld met olie of chemicaliën, uitgezonderd het transport van aardgas;

CEMT

Conferentie van Europese Ministers van Transport;

circulatievloeistof

vloeistof die in gesloten bodemenergiesystemen gebruikt wordt om warmte uit de bodem op te nemen en aan de bodem af te geven

compartimenteringskering

regionale waterkering die als zodanig geen directe waterkerende functie heeft, tenzij in geval van doorbraak of overstroming van de primaire waterkering

cultuurhistorische waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;

Cultuurhistorische waardenkaart

instrument dat door Gedeputeerde Staten als beleid is vastgesteld en waarin de cultuurhistorische waarden en kenmerken van provinciaal belang zijn beschreven;

detailhandel

bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

dierenverblijf

gebouw dat gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.201 of artikel 3.202 Besluit activiteiten leefomgeving, of de melding, bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

ecologische verbindingszone

groene schakels die natuurgebieden in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) verbinden;

ecologische waarden en kenmerken

aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde;

equivalent A-gewogen niveau

geluidmaat uitgedrukt in LAeq waarbij over een periode variërende geluidniveaus zijn gemiddeld tot één waarde;

erftoegangsweg

weg met een verblijfsfunctie en waarop ontsluiting van percelen kan plaatsvinden;

evenement

openbaar toegankelijke, verplaatsbare activiteit van vermaak, gericht op het aantrekken van bezoekers, met uitzondering van weekmarkten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet, betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

extensieve recreatie

openlucht recreatie waarbij de beleving van rust belangrijk is en het aantal recreanten per hectare beperkt is;

gebiedskwaliteit

gemiddelde gehalte PFAS uit de desbetreffende bodemkwaliteitszone;

gebiedsontsluitingsweg

weg die de verbindingsschakel vormt tussen een stroomweg en een erftoegangsweg;

gebruiksoppervlakte

bruikbare oppervlakte van bebouwing en gronden, geschikt voor het beoogde gebruik, berekend op grond van NEN 2580;

gecombineerde opgave

jaarlijkse opgave die agrarische ondernemers doen aan het ministerie van Economische Zaken;

gedenkteken

niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie op de provinciale weg dat dient ter nagedachtenis aan één of meerdere dodelijke slachtoffers van een verkeersongeval dat op de weg heeft plaatsgevonden;

geluidluwe plek

plek waar de cumulatieve geluidbelasting maximaal 50 dB bedraagt;

geluidluwe zijde

zijde waar de cumulatieve geluidbelasting maximaal 50 dB bedraagt;

gesloten stortplaats

gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de wet milieubeheer;

gesloten verharding

asfalt, beton, open verharding met cementgebonden funderingen, klinkers met voegvulling, menggranulaat als puinverharding ten behoeve van de bovenliggende gesloten verharding en belemmerende ondergrondse voorzieningen;

gevaarlijke verontreinigende stoffen

stoffen als bedoeld in bijlage 1 van de wet, die behoren tot de families of groepen verontreinigende stoffen genoemd in bijlage VIII, Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327), punten 1 tot en met 9;

gezonde leefomgeving

omgeving die de fysieke en psychische gezondheid beschermt en bevordert;

glastuinbouwbedrijf

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt;

grond- of funderingswerken

werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies, met uitzondering van werken of handelingen waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, zoals het toepassen van een bodemenergiesysteem;

grootschalige logistiek

gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 3 hectare of groter, waarop grootschalige bebouwing staat en dat in hoofdzaak in gebruik is voor logistieke- of distributieactiviteiten, met een door de aard en schaal van de activiteiten hoge verkeersaantrekkende werking en impact op de omgevingskwaliteit;

GVE

groot vee-eenheid, waarmee de fosfaatproductie van landbouwhuisdieren wordt uitgedrukt en waarbij 1 GVE overeenkomt met de fosfaatproductie van één melkkoe;

hokdieren

landbouwhuisdieren met uitzondering van nertsen, melkrundvee en schapen;

kas

agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 m;

kernrandzone

overgangszone van stedelijk gebied naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies;

kunstobject

aard- en nagelvaste constructie dat dient ter uiting van enige vorm van kunst;

kunstwerk

civielbouwkundige constructie die onderdeel is van de weg bij kruising met een andere weg, spoorweg, waterweg of terreinverdieping;

kwaliteitsklasse landbouw/natuur

kwaliteitsklasse landbouw/natuur als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

kwaliteitsklasse licht verontreinigd

kwaliteitsklasse licht verontreinigd als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

kwaliteitsklasse niet verontreinigd

kwaliteitsklasse niet verontreinigd als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

kwaliteitsklasse wonen

kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

LAeq

Equivalent A-gewogen niveau of geluidmaat waarbij over een periode variërende geluidniveaus zijn gemiddeld tot één waarde;

LAeq, 24 uur

geluidmaat waarbij alle geluidniveaus over de periode van een etmaal zijn gemiddeld tot één waarde;

landbouw

akkerbouw, weidebouw, veehouderij, tuinbouw, waaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen, en elke andere vorm van bodemcultuur;

landgoed

ruimtelijk-functionele eenheid bestaande uit bos of overige natuur, al dan niet in combinatie met agrarische gronden, met daarin een geconcentreerde vorm van karakteristieke woon- en andere bebouwing;

landschappelijke waarden

gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten;

lawaaisport

voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, de motorsport en de modelvliegsport;

locatie

digitaal vastgelegd gebied waaraan regels zijn gekoppeld;

maatregelenkaart

provinciale kaart met maatregelen voor behoud en herstel van biodiversiteit en leefgebieden, opgenomen als bijlage bij de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant;

mestbehandeling

activiteit waarbij mest wordt behandeld tot een capaciteit van 25.000 m3 mest per jaar, inclusief het vergisten van mest;

mestbewerking

activiteit waarbij meer dan 25.000 m3 mest per jaar wordt behandeld, inclusief het vergisten van mest;

mestvergisting

omzetten van mest, al dan niet in combinatie met co-producten, in biogas en digestaat

mobiele verontreinigingssituatie

situatie waarbij de in de bodem aanwezige verontreinigende stoffen zich hebben verspreid naar het grondwater en aanleiding geven tot het uitvoeren van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit;

motorrijtuigen

motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede motorvoertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

N-depositie

neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat, waarbij de belasting op een punt binnen het habitat uitgedrukt wordt in mol, per ha, per jaar en de belasting op het habitat als geheel in mol, per jaar;

N-emissie

stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht, uitgedrukt in N kg/jaar;

natuurbeheerplan

provinciaal plandocument waarin de overeengekomen doelen op het gebied van natuur- en landschapsbeheer en agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn vastgelegd;

natuurinclusieve bedrijfsvoering

economisch rendabel en grondgebonden landbouwsysteem dat voedsel en gewassen produceert, in balans is met de natuurlijke omgeving, natuurlijke hulpbronnen integreert in de bedrijfsvoering en zorg draagt voor de biodiversiteit op en rond het bedrijf, zoals bedoeld in de Subsidieregeling transitie veehouderijen Noord-Brabant;

natuurontwikkelingsproject

project dat tot doel heeft de natuurlijke gesteldheid van een terrein te herstellen, te versterken of te ontwikkelen en dat een omvorming van bestaande natuur of het ontwikkelen van nieuwe, gebiedseigen natuur tot gevolg heeft;

natuurtoestemming

Natuurtoestemming:

  • onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de wet;

  • Onherroepelijke omgevingsvergunning of geldende melding voor een milieubelastende activiteit;

  • een activiteit waarvoor voor 1 januari 2024 geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; 

  • een activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming; of

  • een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd;

netto glas

aantal m2 kasoppervlakte;

nieuwvestiging

vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende omgevingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan;

omgevingskwaliteit

de kwaliteit van een plek of gebied die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde;

omschakeling

geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm; 

onconventionele winning van koolwaterstoffen

winningsmethode, waarbij via verticale en horizontale boringen en hydraulisch kraken schaliegas en schalie-olie uit de diepe ondergrond vrij wordt gemaakt door water, zand en chemicaliën onder hoge druk in een boorput te pompen en zo scheurtjes te creëren in het brongesteente waar het gas in opgesloten zit;

ontgronding

activiteit, gericht op het permanent dan wel tijdelijk verlagen van de hoogteligging van het maaiveld of het verdiepen van de waterbodem;

ontwikkeling

mogelijk maken van een functie of activiteit die op grond van het vigerende omgevingsplan niet is toegelaten;

Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte

entiteit gericht op de ontwikkeling van ruimte-voor -ruimte-kavels;

overig-agrarisch bedrijf

agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, teeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt;

parkeerterrein

aaneengesloten terrein dat wordt gebruikt voor het bieden van parkeergelegenheid aan vier motorvoertuigen of meer;

PAS

Programma Aanpak Stikstof;

permanente teeltondersteunende voorzieningen

teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas;

PFAS

poly- en perfluoralkylstoffen

PFOA

perfluoroctaanzuur;

profiel van vrije ruimte

ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor een toekomstige versterking van de waterkering;

provinciale weg

openbare weg waarvan het onderhoud ingevolge artikel 15 van de Wegenwet bij de provincie berust, waarvoor de provincie de belangen ingevolge artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 beschermt en waartoe in ieder geval behoren rijbanen, fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool- bus-, en halteplaatsen, vlucht- en andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen, bermsloten, alsmede de tot de weg behorende verkeersvoorzieningen;

recreatiewoning

woning of enig ander bouwwerk, ten behoeve van tijdelijk recreatief nachtverblijf;

regionale meerwaarde

mate van regionale binding aan en economische meerwaarde van het bedrijf in de regio, gelet op de herkomst van het bedrijf, werkgelegenheid, arbeidsmarkt, kennisinfrastructuur, plaats in regionale waardeketens, ruimtelijk economisch profiel van een regio, gebruik van regionale infrastructuur en afzetmarkt, in combinatie met de meerwaarde die het bedrijf heeft vanwege de bijdrage aan maatschappelijke opgaven, zoals de klimaatopgave, energietransitie, duurzaamheid, duurzaam ruimtegebruik, circulaire economie;

regionale waterkering

waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming;

risicobeoordeling grondwaterkwaliteit

beoordeling van de mate van gevaar voor het grondwater van een bodemverontreiniging bij een mobiele verontreinigingssituatie om vast te stellen of, en zo ja, welke maatregelen noodzakelijk zijn;

riviergebonden activiteit

riviergebonden activiteiten zoals bedoeld in artikel 4 van de Beleidsregels grote rivieren 2025

sondering

het bepalen van het draagvermogen van de grond door een staaf in de grond te drukken en daarbij de mechanische weerstand van de grond te meten;

splitsing

het mogelijk maken van een nieuw bouwperceel door opdeling van een bestaand bouwperceel;

Stowa

Stichting toegepast onderzoek waterbeheer

stroomweg

weg, met een nationale of internationale functie voor het langeafstandsverkeer, die een snelle verbinding vormt tussen steden, landsdelen of landen;

teeltbedrijf

agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het veredelen, vermeerderen of telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt;

teeltondersteunende voorzieningen

ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een teeltbedrijf of een glastuinbouwbedrijf;

toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater

onverwachte vondst van verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect door verontreiniging op of in de bodem, met onaanvaardbare risico’s voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater;

tuincentrum

bedrijf, geheel of in overwegende mate gericht op detailhandel van boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, kamerplanten, artikelen voor de aanleg en het onderhoud van de tuinen alsmede tuininrichtingsartikelen en aanverwante artikelen;

uitbreiding

vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak;

uitweg

ontsluitingsmogelijkheid van één of meerdere percelen naar de provinciale weg;

vaarwegbeheer

overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

veehouderij

milieubelastende activiteit, gericht op het houden van landbouwhuisdieren, als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van paarden;

veiligheidsvest

oranjerood vest als bedoeld in de norm NEN-EN 471:2003+A1:2008;

veldwerk

boorput of sondering

verbeteren van de bodemgesteldheid

verandering van de samenstelling of structuur van de bodem om deze meer geschikt te maken voor de functie van de bodem;

vergisting

het omzetten van koolhydraten door micro-organismen door middel van een anaeroob dissimilatieproces, waarbij biogas wordt geproduceerd;

verkeersregelaar

verkeersregelaar als bedoeld in de Regeling verkeersregelaars 2009;

verkeersvoorziening

element met een verkeersfunctie die door de bevoegde wegbeheerder in het kader van diens zorgplicht voor wegen is geplaatst of aangebracht op of aan de weg;

verkoopvloeroppervlak

voorkomende hoeveelheid bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen of het verlenen van aanverwante diensten; 

vestiging

mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan;

voertuigen

voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 alsmede voertuigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

voorjaars- en urenverbod

verbod op beregenen van grasland in de maanden april en mei, alsmede in juni en juli tussen 11.00 en 17.00 uur;

voorkeurswaarde grondwater

concentratie aan verontreinigende stof waarboven er sprake is van verontreiniging van het grondwater;

voorzieningen

faciliteit op het gebied van onderwijs, medische zorg, winkels, sport en ontspanning.

vrijetijdsvoorziening

bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van dag- of verblijfsrecreatie, met de daarbij behorende voorzieningen;

vrijloopstal

huisvestingssysteem voor melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar zonder ligboxen en voorzien van een zachte, vochtdoorlatende of absorberende bodem, waarbij het totale oppervlak ten minste het aantal dieren maal 10 vierkante meter bedraagt;

watergebonden vrijetijdsvoorziening

voorziening die onlosmakelijk is verbonden met waterrecreatie en watersport, uitgezonderd woonfuncties en watergebonden bedrijvigheid;

wedstrijd

activiteit gericht op prestatievergelijkingen tussen de deelnemers waarbij een prijs, beloning of aandenken in het vooruitzicht wordt gesteld;

weg gerelateerde voorziening

voorziening die direct aansluitend aan de weg ligt en die ten behoeve van weggebruikers ter plaatse gevestigd is, waaronder een motorbrandstoffenverkooppunt;

werkingsgebied

gebied waar de regels van een artikel gelden;

wet

Omgevingswet;

windturbines

bouwwerk bestaande uit een mast met bijbehorende fundering en de rotor, bedoeld voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie;

zijwegaansluiting

aansluiting van een weg van het Rijk, een gemeente of een waterschap op de provinciale weg;

zonnepark

opstelling van zonnepanelen of zonnecollectoren voor de opwek van elektriciteit of warmte, of een combinatie daarvan;

zorgvuldige veehouderij

veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.

één-op-één beheermethode

methode waarbij één persoon dieren opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet;

X

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

Aansluiting primaire waterkering

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_ff0b70865d0246228a94180753493dc8/nld@2025‑08‑07;1

Aardkundige waarden

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_0e0acbdd50aa40b4bc5c8c04b45b3490/nld@2025‑08‑07;1

Afwijkende norm wateroverlast buiten stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_156897a973f448fabe169d481523a777/nld@2026‑03‑03;3

Afwijkende norm wateroverlast stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_ae7ce3100a5c4caaa9bc7d50ab36f025/nld@2026‑03‑03;3

Attentiezone geluid provinciale weg

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5e26c521f4164946a285124c39ac5632/nld@2025‑08‑07;1

Attentiezone stiltegebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10d2534ddd9847329d62f389c6096285/nld@2025‑08‑07;1

Attentiezone waterhuishouding

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_4ef93107bdb74faf829e78a0fe552b65/nld@2026‑03‑03;3

Bebouwd gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e8bb56861a1d46e1b3a60c39747dcb9f/nld@2026‑03‑03;3

Behoud en herstel van watersystemen

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_cc5cca8359d54cdea63cd108e77dc30c/nld@2025‑08‑07;1

Beperking grootschalige logistiek

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e9c957ab7d044eb98521d416c9a94b1c/nld@2025‑08‑07;1

Beperkingen veehouderij

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f900597c1c564b61aa22bda5cfbadc81/nld@2026‑03‑03;3

Beschermingszone rivierwaterwinning

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_2c405141f62749d3a696daf63b2a54ff/nld@2025‑08‑07;1

Bijlage_V.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_V/nld@2025‑09‑16;1

Bijlage_VI.pdf

/join/id/regdata/pv30/2026/Bijlage_VI_ontwRW3_120526/nld@2026‑05‑12;1

Bijlage_VI_Maatregelen_ammoniakemissiereductie.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_VI_Maatregelen_ammoniakemissiereductie/nld@2025‑12‑12;1

Bijlage_VIII.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_VIII/nld@2025‑09‑16;1

Bijlage_X.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_X/nld@2025‑09‑16;3

Boringsvrije zone

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_fa35416d285c49118cd4c1f11951a92d/nld@2025‑12‑12;2

Compartimenteringskering

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_d1a1bb8182bd45d7ab27d69b2f8970ae/nld@2026‑03‑03;2

Cultuurhistorische waarden

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e108d7013dc443349ac08d3c8eaddbf2/nld@2025‑08‑07;1

Diep grondwaterlichaam

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_c2bc60f8f2d44fd0b1951e4c6c58d94b/nld@2025‑08‑07;1

Geen attentiezone waterhuishouding

/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_fd78d62051be4499bbd7181d5da603f9/nld@2026‑03‑03;3

Gemiddelde overschrijdingskans regionale waterkering

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_8f9b723fb5144460b46f73940b87e710/nld@2026‑03‑03;2

Gesloten stortplaats

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_42c56e61b0814fc1aa2a5d4603e1fabc/nld@2025‑08‑07;1

Glastuinbouwconcentratiegebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_74894dc13d0c4a54a25f63493f1b2de6/nld@2025‑08‑07;1

Groenblauwe waarden

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_a862978f2a5442aca91aee69948dd112/nld@2026‑03‑03;3

Grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_bcbc9c1bced348f9a80b449c5930a16b/nld@2025‑08‑07;1

Grondwatermeetpunt

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b602bb7612b345cba74e9790bbeabe99/nld@2025‑08‑07;1

Hollandse Waterlinies

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e0f0afe58ea54b18ae8339a377298815/nld@2025‑08‑07;1

Landelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f91b46e62ca4438ea6312fb67238c623/nld@2026‑03‑03;3

Maximum boordiepte

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_225138fa3a2043148c2a1f41a9f76a43/nld@2025‑08‑07;1

Maximum boordiepte grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_f4d7eaf069d643de9c572bff1ce010ec/nld@2025‑08‑07;1

Natura 2000-gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_91a6a5fa18a247e3a82dc9e88b0d773b/nld@2025‑08‑07;1

Natuur Netwerk Brabant

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_55a4044671a84397ae1c4823bb2fad5e/nld@2026‑03‑03;3

Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5283fd7aeecc4cc8890a84e38be9f863/nld@2025‑08‑07;1

Natuurnetwerk Nederland

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b891d074edcc4db68d61bd511aa5b88c/nld@2026‑03‑03;3

Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_325c00e0bd8b407f85dcaa692b7d818a/nld@2026‑03‑03;3

Norm wateroverlast stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_d02157d6323944fdaf6430dc4205fe3e/nld@2026‑03‑03;3

Normvrij gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_95f89d0177b94d6bb7613739a60fae63/nld@2026‑03‑03;3

Peilbesluitgebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_ea958b1dc94448c98286aa981d01611d/nld@2025‑08‑07;1

Provinciale vaarweg

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5d88485d27ad4a8f91819e8049221405/nld@2026‑03‑03;3

Provinciale weg

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_96b9608443ec454ea71f8ed17e2b31b0/nld@2025‑08‑07;1

Regionale waterberging

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_dc8f7c53395f4c978a5a32f13b702cd8/nld@2026‑03‑03;2

Regionale waterkering

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9217cd4cb7e44e1caff8ab1f5bfc705c/nld@2026‑03‑03;2

Reservering waterberging

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_797ad88d02c14802aea73e2b7464f037/nld@2026‑03‑03;2

Rivierbed

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5409b6c6a19647d3874dc3e548b87aba/nld@2025‑08‑07;1

Rivierbed regionale rivieren

/join/id/regdata/pv30/2026/gebiedsaanwijzing_9922572ce1794470b3cfee17872f071d/nld@2026‑05‑12;1

Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_588f2af2023944999301febaeecf6f3d/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_28cbb86cc7b0494aa9a1e529ab551794/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf - Lbv

/join/id/regdata/pv30/2026/gebiedsaanwijzing_2d8b54fe3b4e4dc7893937b68837849e/nld@2026‑03‑04;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf - Lbv-plus

/join/id/regdata/pv30/2026/gebiedsaanwijzing_8ee3c5e9e4ee49fea94fa1e0202a70a9/nld@2026‑03‑04;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf BIV

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_225dc92d7dad4ee2ab15f38541a04384/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf RBV

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_8616c8f2499e43e5a75191a00d36392b/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf SUN

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_8e2302ca3cde4f4183093cd9084a9958/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf VIV

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_0fa69bc0f9ff468689cdf4a01395941c/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie GTB

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9e5a5e1f295843f4837c352710d32777/nld@2025‑08‑07;1

Scheepvaartklasse BRTN

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_aafb0de18eaf47f0b47e244195940687/nld@2026‑03‑03;3

Scheepvaartklasse CEMT

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_cc06cee536fe4857a0b752388f4a4a5e/nld@2026‑03‑03;3

Stalderingsgebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10735dbaa9e844d58a6d33f4aecf0d0f/nld@2025‑08‑07;1

Stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_39d187064da444728d890615a8432797/nld@2026‑03‑03;3

Stiltegebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e7ea6d632b784b70b8c9b020e9d27ac5/nld@2025‑08‑07;1

Teeltgebied Zundert

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_6c45b9559e2a4257aa06cc21dec87d5a/nld@2025‑08‑07;1

Vaarweg beheer gemeente

/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_e47663638efd4b87aa14474054643c70/nld@2026‑03‑03;3

Vaarweg beheer provincie

/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_4da54be7c7f24392ad6465faa561e9d0/nld@2026‑03‑03;3

Waterwingebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_7914e4a3b41544ff9b19d80b25515224/nld@2025‑08‑07;1

Waterwinning voor menselijke consumptie

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b0a6b19bab0142b9833dfc6f1120ffc1/nld@2025‑12‑12;2

Y

Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

B. Aanvullende gegevens en bescheiden voor het doen van een melding

In de hierna vermelde gevallen worden aanvullend op Artikel 3.4 van deze verordening bij het doen van een melding de in deze bijlage opgenomen gegevens en bescheiden verstrekt. Het niet of niet volledig overleggen van de vereiste bijlagen dan wel het niet of onvoldoende verstrekken van de gevraagde gegevens kan leiden tot het buiten behandeling laten van de aanvraag.

Artikel 3.27 en Artikel 3.28 Meldplicht Waterwingebied

  • a.

    Een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;

  • b.

    Een verantwoording dat activiteit geen schade toebrengt aan bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • c.

    De aanwezige voorzieningen/maatregelen tijdens de werkzaamheden opdat bij eventuele lekkages van motorvoertuigen/werktuigen e.d. geen verontreinigende stoffen in de bodem kunnen komen noch anderszins een risico optreedt voor de kwaliteit van het grondwater;

  • d.

    Bij het verstrekken van de gegevens en bescheiden onder a tot en met c wordt bij de hierna genoemde activiteiten, voor zover van toepassing, ingegaan op de hierna genoemde aspecten:

    • 1.

      Bij de aanleg van een (on)verhard pad: het soort werkzaamheden, de diepte van de werkzaamheden, de bodemopbouw over deze diepte, wijze waarop afsluitende lagen hersteld worden, de gebruikte materialen voor het pad en de uitloogbaarheid hiervan;

    • 2.

      Bij werkzaamheden gericht op behoud/ontwikkeling van de natuurfunctie of extensieve recreatie: een beschrijving van de concrete werkzaamheden die in de bodem plaatsvinden en tot welke diepte, de bodemopbouw over deze diepte, de wijze waarop afsluitende lagen hersteld worden, de gebruikte materialen en de uitloogbaarheid hiervan (voor zover van toepassing);

    • 3.

      Bij civiel- en bouwtechnische werkzaamheden vanwege regulier onderhoud: een verantwoording waarom sprake is van regulier beheer en onderhoud (en geen renovatie/nieuwbouw), een beschrijving van alle concrete werkzaamheden en voor zover die in de bodem plaatsvinden: tot welke diepte, de bodemopbouw over deze diepte, de wijze waarop afsluitende lagen hersteld worden, de bij het regulier beheer en onderhoud gebruikte materialen en de uitloogbaarheid hiervan;

    • 4.

      Bij de aanleg van kabels en leidingen: een onderzoek waaruit blijkt dat er geen realistische alternatieven zijn voor de aanleg van kabels en leidingen buiten het waterwingebied, soort werkzaamheden, diepte werkzaamheden, de bodemopbouw over deze diepte, wijze waarop afsluitende lagen hersteld worden, de gebruikte materialen en de uitloogbaarheid hiervan;

    • 5.

      Bij de toepassing van grond of baggerspecie: de hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie, de dikte van de op te brengen laag grond of baggerspecie, de milieuverklaring bodemkwaliteit voor de toe te passen grond of baggerspecie, de partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM, voor de toe te passen grond of baggerspecie, de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie en de partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM, voor de af te voeren grond of baggerspecie.

Artikel 3.32 Meldplicht Grondwaterbeschermingsgebied Aanleg buisleiding

  • a.

    Een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;

  • b.

    Een verantwoording dat activiteit geen schade toebrengt aan bodem en het zich daarin bevindende grondwater:

    • 1.

      welke maatregelen worden getroffen om de risico's voor het grondwater te beperken;

    • 2.

      de aanwezige voorzieningen/maatregelen tijdens de werkzaamheden opdat bij eventuele lekkages van motorvoertuigen/werktuigen e.d. geen verontreinigende stoffen in de bodem kunnen komen noch anderszins een risico optreedt voor de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 3.33 Meldplicht aanleg of vervanging kunstgrasveld

  • a.

    Een beschrijving welke technische maatregelen bij de aanleg of vervanging worden getroffen;

  • b.

    Een onderhoudsplan waarin is beschreven welke maatregelen worden getroffen die uitloging gedurende het gebruik en uitloging vanwege het instrooien van materiaal voorkomen;

  • c.

    Een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

Artikel 3.34 Meldplicht lozen afstomend hemelwater van gebouwen / Artikel 3.35 Meldplicht lozen afstromend hemelwater van wegen / Artikel 3.37 Meldplicht aanleg parkeerterrein voor 100 voertuigen of meer /Artikel 3.38 Meldplicht lozen overig afvalwater

  • a.

    Een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • b.

    De wijze waarop de voorzieningen worden beheerd waardoor de zuiverende werking naar de toekomst toe behouden blijft;

  • c.

    De wijze waarop de gevolgen voor het milieu worden gemonitord.

Artikel 3.40 Meldplicht toepassen grond of baggerspecie

  • a.

    Een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • b.

    De hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie, de dikte van de op te brengen laag grond of baggerspecie, de milieuverklaring bodemkwaliteit voor de toe te passen grond of baggerspecie, de partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM, voor de toe te passen grond of baggerspecie, de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie en de partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM, voor de af te voeren grond of baggerspecie.

Artikel 3.53 Meldplicht Grondwatersanering

  • a.

    Kaarten (niet ouder dan drie maanden):

    • 1.

      Kadastrale kaart waarop de begrenzing van de saneringslocatie waarop de activiteit wordt verricht is aangegeven;

    • 2.

      Kaarten met zowel de horizontale als de verticale contouren van de verontreinigingen in de het grondwater en eventueel in de grond worden aangegeven;

    • 3.

      Dwarsdoorsnede van de grondwaterverontreiniging in de bodem;

  • b.

    De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover deze nog niet in het bezit zijn van de Provincie Noord-Brabant of de Omgevingsdienst:

    • 1.

      Een vooronderzoek bodem conform NEN 5725;

    • 2.

      Een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd conform waarbij het veldwerk is uitgevoerd door een persoon en een onderneming met erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000, het laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit heeft voor AS SIKB 2000 en de laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000;

    • 3.

      Een nader bodemonderzoek verricht conform NTA-5755 waarbij het veldwerk is uitgevoerd door een onderneming en persoon met erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000, het laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit heeft voor AS SIKB 2000 en de laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000;

  • c.

    Geef aan of er een bron van (mobiele) verontreiniging in de grond aanwezig is;

  • d.

    Rapportage en conclusies van de uitgevoerde risicobeoordeling grondwaterkwaliteit zoals opgenomen in Paragraaf 3.4.2 van deze verordening;

  • e.

    Duidelijke omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder een omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem, grond en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden, de methode die wordt gebruikt om de verontreiniging in het grondwater te verminderen en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater;

  • f.

    De omvang van de grondwaterverontreiniging voor de start van de grondwatersanering zowel in oppervlakte in m2 als in bodemvolume in m3;

  • g.

    De kwaliteit van het grondwater zowel bij aanvang de einddoelstelling per verontreinigende stof;

  • h.

    Een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen en effecten van de grondwatersanering naar de omgeving te voorkomen of te beperken;

  • i.

    De lozingsroutes en bestemming wanneer er afvalwater vrijkomt;

  • j.

    De verwachte duur van de grondwatersanering;

  • k.

    Aangeven welke milieubelastende activiteiten ten behoeve van het saneren van het grondwater nog meer uitgevoerd zullen worden zoals bijvoorbeeld ontgraven herschikken, opslag onttrekkingen en lozingen;

  • l.

    Een beschrijving van contacten over de activiteit(en) met andere (bestuurlijke) instanties, belangengroeperingen, derden;

  • m.

    Een beschouwing van de vraag of voor de uitvoering van de activiteit nog andere vergunningen nodig zijn;

  • n.

    Naam, adres en nummer van het erkenningscertificaat bodemkwaliteit van de milieukundig begeleider;

  • o.

    Naam, adres en nummer van het erkenningscertificaat bodemkwaliteit van de onderneming die de sanering uitvoert.

Artikel 3.67 Meldplicht Ontgrondingsactiviteit

  • a.

    Tekening met locatie aanduiding van de ontgronding op een topografische ondergrond (schaal 1:25.000);

  • b.

    Tekening met kadastrale aanduiding van het te ontgronden terrein en de daaraan grenzende percelen, waarop met duidelijke markering het te ontgronden perceel/de percelen zijn aangegeven. Met verschillende arceringen of duidelijk te onderscheiden kleuren moet aangegeven worden:

    • 1.

      het te ontgronden gebied vanaf de insteek; 

    • 2.

      het opnieuw in te richten gebied; 

    • 3.

      of het in verband met de ontgronding eventueel aan te passen gebied;

  • c.

    Lijst van kadastrale percelen met eigenaren;

  • d.

    Tekening van het te ontgronden terrein, met gegevens van een actuele hoogtemeting. Op de tekening de hoogtepunten aangeven t.o.v. NAP, gemeten in een raster van maximaal 50 x 50 meter (vierkantennet), dan wel gebruik maken van de Algemene Hoogtecijfers Nederland (AHN). Rondom het te ontgronden terrein moet een strook ter breedte van minimaal 30 meter bij de hoogtemeting worden betrokken. Met verschillende arceringen of duidelijk te onderscheiden kleuren moet aangegeven worden:

    • 1.

      Het te ontgronden gebied vanaf de insteek;

    • 2.

      Het opnieuw in te richten gebied; 

    • 3.

      Het in verband met de ontgronding eventueel aan te passen gebied; of

    • 4.

      Een GIS-bestand waarmee digitaal de contouren van de ontgronding zijn aangegeven.

  • e.

    Tekening van de ontgronding waarop door middel van dwarsprofielen de insteeklijnen, de taludhellingen en de bodemdiepten van de ontgronding ten opzichte van NAP zijn aangegeven;

  • f.

    Inrichtingstekening waarop de herinrichting van het te ontgronden terrein met de omgeving is aangegeven met de nieuwe hoogtes van het maaiveld ten opzichte van NAP, al dan niet met een inrichtingsplan (oa bij specifieke projecten en natuurprojecten). Met verschillende arceringen of duidelijk te onderscheiden kleuren moet aangegeven worden:

    • 1.

      Het te ontgronden gebied vanaf de insteek;

    • 2.

      het opnieuw in te richten gebied; of

    • 3.

      Het in verband met de ontgronding eventueel aan te passen gebied;

  • g.

    Een werkplan, dat naar gelang de omvang van de ontgronding, ingaat op:

    • 1.

      beschrijving van de bestaande situatie;

    • 2.

      reden van de ontgronding;

    • 3.

      gevolgen voor het milieu (met name natuur en landschap);

    • 4.

      gevolgen voor (geo)hydrologie;

    • 5.

      wijze waarop de ontgronding wordt uitgevoerd;

    • 6.

      fasering van de uitvoering;

    • 7.

      (eind-)bestemming na ontgronding;

    • 8.

      inrichtingsmaatregelen;

    • 9.

      toekomstig beheer van het ontgronde terrein met omgeving;

    • 10.

      de (tijdelijke) aanpassing van de infrastructuur (wegen, waterlopen, kabels, leidingen e.d.);

    • 11.

      de situering en inrichting van het werkterrein met parkeerplaatsen, aanlegsteigers, loodsen;

    • 12.

      aanvang en duur van de ontgronding, de werkdagen en werktijden;

    • 13.

      de situering en beheer van het zanddepot;

    • 14.

      de logistieke aspecten van de afvoer van de gewonnen oppervlaktedelfstoffen;

    • 15.

      de veiligheids- c.q. beveiligingsmaatregelen;

    • 16.

      de informatie naar c.q. communicatie met de bewoners in de omgeving van de ontgronding;

  • h.

    Uittreksel van het omgevingsplan met daarin aangegeven welke bepalingen van toepassing zijn op het gebied met eventueel een verwijzing naar de url waar het omgevingsplan kan worden gevonden;

  • i.

    Als het te ontgronden gebied valt in een gebied met een hoge of middelhoge indicatieve archeologische waarde: een archeologisch onderzoeksrapport volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie waarin de resultaten van het onderzoek naar de omvang, aard en kwaliteit van de aanwezige archeologische waarden zijn opgenomen;

  • j.

    Als het te ontgronden gebied valt in een gebied met een hoge aardkundige waarde: een aardkundig onderzoeksrapport, opgesteld door een gespecialiseerd deskundige op het gebied van aardkundige waarden, waarin de resultaten van het onderzoek naar de omvang, aard en kwaliteit van de aanwezige aardkundige waarden zijn opgenomen;

  • k.

    Als het te ontgronden gebied valt in een gebied met een hoge cultuurhistorische waarde: een onderzoeksrapport waarin is aangetoond dat de ontgronding de cultuurhistorische waarde versterkt/verbetert;

  • l.

    In het geval van een ontgronding die is gericht op een landbouwkundige-/cultuurtechnische verbetering, wordt er overeenkomstig de Uitvoeringsregeling Ontgrondingen en bouwgrondstoffen Provincie Noord-Brabant, een landbouwkundig onderzoeksrapport ingediend dat bestaat uit:

    • 1.

      een waterhuishoudkundig onderzoek waarin opgenomen:

      • I.

        actuele grondwaterstanden en de daaraan gerelateerde grondwatertrap op het perceel zelf;

      • II.

        gegevens over het oppervlaktewaterstelsel voor en na ontgronding (situatieschets, waterpeilen/stuwpeilen), inclusief eventuele drainageaanleg; en

      • III.

        als er sprake is van een ontgronding ter voorkoming van verdroging, een indicatie van de grondwaterstand over de afgelopen 10 jaar op basis van langjarige metingen op relevante TNO-meetbuizen in de omgeving;

    • 2.

      een bodemkundig onderzoek waarbij o.a. de bouwvoordikte wordt bepaald in een raster van 50 x 50 meter (vierkantennet);

    • 3.

      bedrijfseconomisch onderzoek naar de gevolgen van de ontgronding;

    • 4.

      eventuele alternatieve mogelijkheden op omgevings- en perceel niveau, waarmee eenzelfde effect als van de ontgronding bereikt kan worden (N.B. hiervoor dient eerst de waterbeheerder om advies gevraagd te worden);

  • m.

    Hydrologische onderbouwing;

  • n.

    Een machtigingsformulier als er namens de grondeigenaar/initiatiefnemer een aanvraag wordt ingediend.

Artikel 3.77 Meldplicht activiteit ten behoeve van algemeen nut Stiltegebied

  • a.

    Een tekening met de situatie waar geluidbronnen zijn gesitueerd;

  • b.

    Een beschrijving van de inzet van het materieel;

  • c.

    Een akoestische onderbouwing/berekening waaruit blijkt dat aan de gestelde normering wordt voldaan;

  • d.

    Inzicht in de samenhangende benodigde vergunningen, ontheffingen of meldingen.

Artikel 3.78 en Artikel 3.79 Meldplicht (mobiel) evenement Stiltegebied

  • a.

    Een tekening met de route en aantallen van de verkeersbewegingen;

  • b.

    Een tekening met de situatie waar geluidbronnen zijn gesitueerd;

  • c.

    Een beschrijving van de inzet van het materieel;

  • d.

    Een beschrijving van de bronsterkte van het materieel of geluidproducerende activiteiten;

  • e.

    Een tekening met daarop de ligging van de tijdelijke parkeerplaatsen;

  • f.

    Een toelichting waarom het betreffende (mobiele) evenement niet elders buiten het stiltegebied kan plaatsvinden;

  • g.

    Inzicht in de samenhangende benodigde vergunningen, ontheffingen of meldingen;

  • h.

    Een akoestische onderbouwing waaruit blijkt dat aan de in artikel 3.78 eerste lid of artikel 3.79 eerste lid genoemde norm wordt voldaan. De akoestische onderbouwing kan bestaan uit een akoestisch rapport of een inschatting van de geluidbelastingen op basis van de beschrijving van de locatie, de inzet en de geluidemissie van de geluidproducerende activiteiten. Hierbij kan naast bovenstaande tekeningen en beschrijving van de geluidbronnen binnen het (mobiele) evenement o.a. worden gebruik gemaakt onderstaande tabellen:

Bronsterkte

Type activiteit

Maximale bedrijfsduur

75-85

achtergrondmuziek

12 uur

90

solo-instrument (onversterkt)

10 uur

95

muziekgroep (onversterkt)

3 uur

afbeelding binnen de regeling

Indien het vrachtwagens betreft of gelijkwaardige voertuigen, kan voor een indicatie de geluidbelasting met 10 dB worden verhoogd. Voor de uurintensiteit moet worden uitgegaan van het maatgevende uur.

Artikel 3.96 Meldplicht velling houtopstand

  • a.

    een toelichting waarom het vellen van de houtopstand nodig is;

  • b.

    de oppervlakte van de te kappen houtopstand in vierkante meters, of in geval van rijbeplanting, het aantal te vellen bomen, met daarbij aangegeven de onderlinge plantafstand in meters;

  • c.

    een specificatie van:

    • 1.

      het aantal te kappen bomen;

    • 2.

      de soortaanduiding van de bomen;

    • 3.

      de leeftijd van de bomen;

  • d.

    een plan hoe aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldaan wordt met ten minste de volgende gegevens:

    • 1.

      de oppervlakte van de te herbeplanten houtopstand in m2 of, als sprake is van rijbeplanting, het aantal te planten bomen, met daarbij aangegeven de plantafstand in meters;

    • 2.

      een specificatie van:

      • I.

        het aantal te herbeplanten bomen, in geval van rijbeplanting;

      • II.

        de soortaanduiding van de te herbeplante bomen;

      • III.

        de kwaliteit van de te herbeplanten bomen met bij een bosplantsoen lengte plantmateriaal en diameter wortelhals en bij laanbomen stamomtrek gemeten op 1 meter en lengte boom;

    • 3.

      een toelichting over de geplande uitvoering van de herplanting met in elk geval een aanduiding van het plantseizoen;

  • e.

    als velling van de houtopstand gewenst is in afwijking van artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, de reden hiervan;

  • f.

    Als herbeplanting in afwijking artikel 11.129, eerste lid van het Besluit activiteiten gewenst is:

    • 1.

      de reden hiervan;

    • 2.

      als herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, gewenst is: een schriftelijke verklaring dat de eigenaar van het perceel waar de herbeplanting op plaatsvindt akkoord gaat met de herbeplanting;

    • 3.

      een kadastrale omschrijving van het perceel waar de herbeplanting op plaatsvindt en de omvang van de herbeplanting welke hier gaat plaatsvinden.

Artikel 3.98artikel 3.100, artikel artikel 3.101 Meldplicht Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie veehouderij

  • a.

    Overzicht en afschriften milieu, bouw en natuurtoestemmingen

    Er dient een overzicht en afschriften van de relevante ingediende/verleende milieu - en natuurvergunning(en)/melding(en) op en vanaf 25 mei 2010 van de uitgangssituatie inclusief plattegrondtekening(en) aangeleverd te worden (afschriften die al eerder aangeleverd zijn aan provincie Noord-Brabant hoeven niet toegevoegd te worden);

  • b.

    Een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de ammoniakemissie-normen opgenomen in bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie, door/op basis van

  • c.

    Afstand tot de drie dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebieden, inclusief welke gebieden dat zijn;

  • d.

    Bij een beroep op het voldoen met een natuurinclusieve veehouderij worden de volgende bescheiden overlegd:

    • 1.

      een (uitgebreidere) onderbouwing met bewijs dat er sprake is van een natuurinclusieve bedrijfsvoering;

    • 2.

      een onderbouwing met bewijs waarmee aangetoond wordt dat het bedrijf blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 grootvee eenheden (GVE) per hectare grond of minder;

    • 3.

      een onderbouwing waarmee aangetoond wordt dat, door het treffen van aanvullende maatregelen, de gemiddelde emissie op bedrijfslocatieniveau gelijk is aan de normen in bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie voor een niet-natuurinclusieve bedrijfsvoering.

  • e.

    Bij het voldoen met minder dieren:

    • 1.

      Overzicht van het maximaal aantal te houden dieren per diercategorie en per huisvestingssysteem;

    • 2.

      Berekening dat met het aantal dieren wordt voldaan aan de voor die diercategorie op de verplichte datum geldende normen uit bijlage VI.

  • f.

    Beoogde situatie:

    • 1.

      een omschrijving van de beoogde situatie, die onder andere de volgende onderdelen bevat:

      • I.

        te nemen maatregel uit bijlage VI (met OV-code) en norm;

      • II.

        diertabellen van de vergunde situatie, de feitelijke situatie ten tijde van de melding en de beoogde situatie waarbij aan de eisen uit de OV wordt voldaan, inclusief stalnummers, dieraantallen, diercategorieën en aangehouden emissiefactoren;

      • III.

        een totaaloverzicht van de vergunde emissie, de feitelijke emissie en de beoogde emissie;

      • IV.

        bij de toepassing van voer- en managementmaatregelen bij diercategorie HA1, HA2, HD1, HD2, HD3 of HD5, een berekening voor het beoogde emissiereductiepercentage;

      • IV V.

        bewijs van realisatie van de bestaande situatie via luchtfoto en foto van de stalinrichting per stal;

    • 2.

      AERIUS-verschilberekening (originele pdf) van de stalemissies in de feitelijke situatie ten tijde van de melding en de stalemissies in de beoogde situatie waarbij aan de eisen van de OV wordt voldaan, inclusief onderbouwing van de invoergegevens (x- en y-coördinaten emissiepunten, emissiepunthoogten, uittreedsnelheden etc.);

    • 3.

      indien aan de orde: een systeembeschrijving van het betreffende emissiearme huisvestingssysteem (indien van toepassing);

    • 4.

      een plattegrondtekening van de beoogde situatie.

Artikel 3.104 Meldplicht Maatwerkregel Forse stikstofreductie

  • a.

    Overzicht en afschriften milieu, bouw en natuurtoestemmingen: Er dient een overzicht en afschriften van de relevante ingediende/verleende milieu - en natuurvergunning(en)/melding(en) van de uitgangssituatie inclusief plattegrondtekening(en) aangeleverd te worden (afschriften die al eerder aangeleverd zijn aan provincie Noord-Brabant hoeven niet toegevoegd te worden);

  • b.

    Een beschrijving op welke wijze de reductie van stikstofemissies wordt gerealiseerd;

  • c.

    Afstand tot de drie dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief welke gebieden dat zijn;

  • d.

    In geval van een veehouderij, de gegevens en bescheiden zoals opgenomen bij artikel 3.98 Meldplicht Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie;

  • e.

    Beoogde situatie in andere gevallen dan onder d: 

    • 1.

      AERIUS-verschilberekening (orgiginele pdf) van de bestaande en beoogde situatie inclusief onderbouwing van de invoergegevens en GML-bestand;

    • 2.

      een plattegrondtekening van de beoogde situatie.

Artikel 3.113 Meldplicht gedenkteken

  • a.

    toezending van de gegevens van de zakelijk gerechtigde, bedoeld in Artikel 3.4, eerste lid, onder g, is niet van toepassing;

  • b.

    het wegnummer van de provinciale weg;

  • c.

    de kilometrering van de locatie van het gedenkteken;

  • d.

    de ligging van het gedenkteken uitgevoerd op een topografische kaart met een schaal niet kleiner dan 1:100.000.



Z

Bijlage VI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie  

AA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

13 Overzicht wijzigingsbesluiten omgevingsverordening Noord-Brabant

Overzicht wijzigingsbesluiten Omgevingsverordening Noord-Brabant

Naam besluit

Datum besluit

Datum inwerkingtreding

Hoofdonderwerpen

Omgevingsverordening Noord-Brabant (initieel)

11‑03‑22

01‑01‑24

Eerste complete versie

Wijziging Omgevingsverordening, veegronde

27‑10‑23





01‑01‑24





Beperking grootschalige logistiek

Bebouwd gebied aanpassing locaties

Vereenvoudiging stalderingsregeling

Aanpassing compensatie NNB

Overgangsrecht gesloten bodemenergiesystemen

Aanpassing regeling inpandig toevoegen woningen in beeldbepalende- en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

Vergunningplicht beschilderingen kunstwerk behorende tot provinciale weg

TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant



05‑12‑23





01‑01‑24





Geometrie update naar aanleiding van alle kaartwijzigingsbesluiten van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de Omgevingsverordening plus de geconsolideerde tekst

TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2024





17‑09‑24



27‑09‑24





Kaartwijzigingen in verband met:

- natuurbeheerplan wijzigingen (NNB, voornamelijk ecologische redenen)

- verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)

- actualisaties en correcties (o.a. diverse ecologische verbindingszones en Stedelijk gebied)

TAM-omgevingsverordening - regelwijziging 1





13‑12‑24





01‑01‑25





Toevoegen locatie Boordieptes grondwaterbeschermingsgebied

Vervallen Varend ontgassen (afdeling en locatie)

Toevoegen locatie en regels grondwatermeetpunten

Toevoegen locatie Natuurnetwerk Nederland

Aanpassing compensatie NNB

Aanpassing zonneparken en overgangsrecht

Toevoegen agrarische beëindigingsregelingen

TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2025 -1

25‑02‑2025

11‑03‑25

Kaartwijzigingen in verband met:

- verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)

- actualisaties en correcties (o.a. Regionale waterberging en Reservering waterberging en NNB).

Omgevingsverordening Noord-Brabant

 01‑07‑2025

 12‑08‑2025

Omzetting naar STOP/TPOD standaard: kleine tekstuele wijzigingen, o.a. bij omgevingswaarden en normen;

vervanging van pdfkaart bijlage IX door normen

Omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2025 -2

 16‑09‑25

 20‑09‑2025

Kaartwijzigingen in verband met:- natuurbeheerplan wijzigingen (NNB, voornamelijk ecologische redenen)- verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)- actualisaties en correcties

Omgevingsverordening Noord-Brabant – regelwijziging 2

 12‑12‑25

31‑12‑2025

-toevoegen boringsvrije zones (drinkwaterreservering) 

-verduidelijking meldplicht en toevoegen informatieplicht ontgrondingen

-invoeren maatregel Vermindering ammoniakemissies uit veehouderijen, inclusief aanpassing van de datum en wijziging van bijlage VI

- nieuw artikel Tijdelijk handelingsverbod veehouderijen

- toevoegen van de aanleg van warmtesystemen aan algemeen belang

- ladder voor duurzame verstedelijking verwijderd

- aanpassing vanwege aflopen Ruimte voor ruimte

- bescherming N2000

- enkele correcties bij agrarische activiteiten

- informatieplicht waterschappen

- aanpassing definities

- aanpassingen vanuit de uitvoeringspraktijk en herstel van enkele omissies

Omgevingsverordening Noord-Brabant, kaartaanpassingen 2026-1

 03‑03‑2026

 maart 07-03-2026

Kaartwijzigingen in verband met:

- verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Bebouwd gebied )

- actualisaties en correcties (o.a. Stedelijk gebied, NNB en LBV-locaties).

Omgevingsverordening Noord-Brabant, kaartaanpassingen 2026-2

 
 

Kaartwijzigingen in verband met:

-natuurbeheerplan wijzigingen (NNB, voornamelijk ecologische redenen)

-gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)- actualisaties en correcties

-Technische correctie artikel 5.76, verwijdering 'verzamellocatie'

Omgevingsverordening Noord-Brabant, regelwijziging 3

 
 

-Toevoeging regels en locatie Rivierbed regionale rivieren

-verbeteringen in regels voor: herplantplicht, verminderen ammoniakemissie, indieningsvereisten, bijlage VI en beoordelingsregels voor kabels en leidingen



- verbetering in indien



BB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.98 Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie veehouderij

Algemeen

Om de aantasting van biodiversiteit te keren zijn op Europees niveau natuurdoelen geformuleerd. De lidstaten moeten deze natuurdoelen realiseren ten behoeve van een Europees natuurnetwerk: Natura 2000. Een overmaat aan stikstof is met stip het grootste knelpunt bijin veel Natura 2000-gebieden één van de grootste knelpunten.

De agrarische sector is door de emissie van ammoniak uit dierenverblijven een belangrijke bron van stikstof. De provincie heeft daarom in 2010, op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, de Verordening stikstof en Natura 2000 vastgesteld om de emissies uit dierenverblijven te beperken en daarmee een verslechtering van de kwaliteit van de voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied te voorkomen. De bepalingen vloeiden voort uit het Convenant Stikstof en Natura 2000 dat de provincie in 2009 gesloten heeft met diverse partners. De doelstelling van dit convenant is om de ammoniakbelasting op de N2000Natura 2000-gebieden substantieel te verminderen en de vergunningverlening voor veehouderijbedrijven rond N2000Natura 2000-gebieden weer vlot te trekken.

Na inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming zijn die bepalingen opgenomen in Paragraaf 1 “Natura 2000-gebieden” van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. De regeling voorzag in de borging van een blijvende daling van de ammoniakbelasting in de N2000Natura 2000-gebieden door een vermindering van de ammoniakemissie uit veehouderijen. De grondslag hiervoor was opgenomen in artikel 2.4, derde lid, van de Wet natuurbescherming.

Uit diverse signalen bleek dat de ammoniakbelasting op de N2000Natura 2000-gebieden niet is verminderd en dat de daling van de ammoniakemissies vanuit de landbouw niet substantieel doorzet of zelfs stagneert. Hiervoor wordt verwezen naar o.a. resultaten van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML), Balans van de leefomgeving 2016 en referentieraming van emissies naar lucht uit de landbouw tot 2030 (achtergronddocument bij de Nationale Energieverkenning 2015). De doelstelling van het Convenant stond hiermee onder druk.

De provincie zet sterk in op een verlaging van de emissies uit veehouderijen. Om haar doelstellingen te behalen alsmede zekerheid te creëren dat ook de doelstelling (en de bijbehorende randvoorwaarden) van het convenant worden gehaald, is op 7 juli 2017 besloten tot aanpassing van haar regels. Sindsdien zijn de regels nog enkele malen op onderdelen herzien.

Eind 2025 is een volgende grote wijziging vastgesteld. Hierbij is de werkwijze zo aangepast dat het aanpassen van verouderde huisvestingssystemen in alle gevallen gepaard moet gaan met verminderen van de ammoniakemissie uit dierenverblijven. Om dat te borgen is het binnen die maatregel niet langer mogelijk om een wijziging uitbreiding door te voeren van het aantal dieren of de diercategorie die wordt gehouden in het dierenverblijf waarin het verouderde huisvestingssysteem zich bevindt, te wijzigen.

De gestelde normen voor ammoniakemissies kwalificeren daardoor als passende maatregel in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Deze maatregelen dragen bij aan een daling van de stikstofdepositie in de overbelaste Brabantse Natura 2000-gebieden. In de eerste plaats zien de gestelde normen op het voorkomen van verdere verslechtering, en kwalificeren daarmee als passende maatregel. Uiteindelijk dragen passende maatregelen eveneens bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Instandhoudingsdoelstellingen kunnen immers alleen behaald worden als verslechtering van natuurwaarden wordt voorkomen. Daarmee kwalificeren de maatregelen eveneens als instandhoudingsmaatregel in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. 

De grondslag voor het stellen van maatwerkregels voor ammoniakemissies uit dierenverblijven is gelegen in artikel 4.6 lid 2 en 4.3 van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 11.7 van het Bal.

Lid1

Op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder g van de Omgevingswet draagt het provinciebestuur zorg voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied door het treffen van instandhoudings- of passende maatregelen als bedoeld in artikel 3.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Om deze reden geldt vanaf 1 juli 2026 voor iedere veehouderij een verplichting om ammoniakemissies te verminderen. De normen waaraan een veehouderij moet voldoen, zijn per diercategorie opgenomen in bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie. De normering gaat zo veel mogelijk uit van technische- en economische haalbaarheid en wordt periodiek geactualiseerd op basis van innovatie. In bijlage VI zijn daarvoor maatregelen en systemenhuisvestingssystemen opgenomen waarvan op basis van wetenschappelijke consensus aannemelijk is dat daarmee aan de gestelde norm voldaan kan worden. Ondernemers hebben keuzevrijheid met welke maatregel uit bijlage VI zij voldoen aan de normen. Dat kan door het treffen van voer- of management maatregelen of, het toepassen van een huisvestingssysteem zoals opgenomen in bijlage VI, het houden van minder dieren of een combinatie hiervan. Daarnaast bestaat er ook een mogelijkheid om met een natuurinclusieve bedrijfsvoering of het houden van minder dierente voldoen aan bijlage VI

De verplichting voor een veehouderij om te voldoen aan het eerste lid, onder b, geldt alleen voor veehouderijen met huisvestingssystemen die 20 jaar (voor rundvee) of 15 jaar (voor de overige diercategorieën) oud is.

Een veehouderij kan er voor kiezen om gemiddeld op een locatie (onder a) óf met ieder huisvestingsyssteem (onder b) te voldoen aan bijlage VI. Gemiddeld voldoen is alleen mogelijk met emissiearme huisvestingssystemen die in bijlage VI zijn opgenomen, omdat over die huisvestingssystemen geen wetenschappelijke onzekerheid bestaat. Overige huisvestingssystemen, opgenomen in bijlage V van de Omgevingsregeling, kunnen wel meegenomen worden bij het gemiddeld voldoen. De in Bijlage VI opgenomen maatregelen worden regelmatig aangepast aan de stand der techniek. Bijlage VI kan ook worden aangepast wanneer uit aanvullend (wetenschappelijk) onderzoek blijkt dat er wetenschappelijke consensus is over een bepaald reductiepercentage. Wijziging is aan de orde zodra er nieuwe emissie reducerende maatregelen worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Er zijn ook situaties denkbaar dat technieken nog niet opgenomen zijn in de Omgevingsregeling, maar wel perspectiefrijk zijn. In dergelijke gevallen kan verzocht worden om deze emissie reducerende systemen op te nemen in Bijlage VI van de verordening.

Lid 2

Tot 1 januari 2020 was het op basis van het landelijk afgesproken gedoogbeleid, vastgelegd in de Stoppersregeling onder het Actieplan ammoniak, toegestaan dat dierenverblijven niet voldeden aan de landelijke emissie-eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Die bedrijven dienden op 1 januari 2020 gestopt te zijn, óf, als ze toch zouden doorgaan, uiterlijk op die datum te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. In dit lid is geregeld dat die veehouderijen eveneens moeten voldoen aan de normen van Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie.

Lid 3

De maatwerkregel vermindering ammoniakemissie-normen kwalificeren veehouderijen kwalificeert als instandhoudings- of passende maatregel, gericht op stikstofreductie, waarbij op grond van het vierdevijfde lid geen uitbreiding in productiecapaciteit of wijziging van diercategoriëen mag plaatsvinden. Om te voldoen aan de verplichting om ammoniakemissies te verminderen, worden in bijlage VI limitatief de systemen en maatregelen opgenomen waarmee aan de normen voldaan kan worden. Omdat het gaat om een instandhoudings- of passende maatregel (artikel 3.59 Besluit kwaliteit leefomgeving) geldt er geen vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit. De wijze waarop een veehouderij voldoet aan de normen uit bijlage VI wordt op basis van de melding vastgelegd in een maatwerkbesluit. In het geval de veehouderij beschikt over een natuurvergunning, wordt het maatwerkbesluit op grond van artikel 3.4 zesde lid van deze verordening via een wijziging van de vergunningvoorschriften opgenomen. De grondslag voor het stellen van een maatwerkvoorschrift is gelegen in artikel 3.4, derde lid, van de Omgevingsverordening, in samenhang met artikel 4.5 Omgevingswet.

Lid 4

Om als instandhoudings- of passende maatregel aangemerkt te worden is het nodig dat zeker is dat de verplichting om verouderde huisvestingssystemen aan te passen leidt tot een substantiële reductie van ammoniakemissie uit veehouderijen en vermindering van ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden. Het moet daarbij in voldoende mate vaststaan dat deze verplichting op locatieniveau altijd leidt tot substantiële reductie van ammoniakemissies. Dit betekent dat er geen ruimte bestaat voor uitbreiding van productiecapaciteit (opvulling) of het wijzigen van diercategorie. Hier blijft een omgevingsvergunning voor nodig. Het aantal dieren en de bestaande diercategorie wordt bepaald op grond van de op het moment van indiening geldende omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit of de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit respectievelijk de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het kan hierbij alleen gaan om de feitelijk gerealiseerde situatie, die legaal (op grond van alle vigerende omgevingsvergunningen en/of meldingen) gerealiseerd is. Er wordt dus uitgegaan van de meest beperkende toestemming. Wat feitelijk gerealiseerd is, wordt gebaseerd op de geldende natuurtoestemming. Als er geen natuurtoestemming is, is de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit bepalend. 

Bij feitelijk gerealiseerde capaciteit wordt uitgegaan van de op het moment van indienen van de melding op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.

Als een veehouder wel wil uitbreiden of wisselen van diercategorie of een nieuwe activiteit op het bedrijf wil opstarten, geldt onverkort de verplichting om een omgevingsvergunning aan te vragen voor de Natura 2000-activiteit. Het kan hierbij alleen gaan om de feitelijk gerealiseerde situatie, die legaal (op grond van alle vigerende omgevingsvergunningen en/of meldingen) gerealiseerd is. Er wordt dus uitgegaan van de meest beperkende toestemming. Wat feitelijk gerealiseerd is, wordt gebaseerd op de geldende natuurtoestemming. Als er geen natuurtoestemming is, is de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit bepalend.

De verplichting voor een veehouderij om te voldoen aan het eerste lid geldt alleen voor veehouderijen met huisvestingssystemen die 20 jaar (voor rundvee) of 15 jaar (voor de overige diercategorieën) oud zijn. In artikel 10.9 is een overgangsregeling opgenomen voor bepaalde emissie reducerende huisvestingssystemen waarmee feitelijk de vrijwaringstermijn voor die systemen wordt verlengd tot uiterlijk 1 januari 2030.

Lid 5

Omdat sprake is van een passende maatregel dan wel instandhoudingsmaatregel is het op grond van lid 5 niet mogelijk om de diercategorie te wijzigen of een toename van het aantal dieren door te voeren die wordt gehouden in het dierenverblijf waarin het verouderde huisvestingssysteem zich bevindt. In de regeling is vastgelegd dat wordt uitgegaan van de feitelijk gerealiseerde capaciteit op het moment van indienen van de melding. Het gaat daarbij om de op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit. Het gaat daarbij om de feitelijk gerealiseerde situatie, die legaal (op grond van alle vigerende omgevingsvergunningen en/of meldingen) gerealiseerd is. Hierbij wordt altijd uitgegaan van de meest beperkende toestemming. Als een veehouder meer dieren wil gaan houden of wisselen van diercategorie of een nieuwe activiteit op het bedrijf wil opstarten, geldt onverkort de verplichting om een omgevingsvergunning aan te vragen voor een Natura 2000-activiteit. Het kan voorkomen dat op een veehouderijlocatie reeds emissie reducerende huisvestingssystemen of maatregelen zijn toegepast. Als de vrijwaringstermijn is verstreken moet opnieuw bezien worden of met de getroffen maatregel (nog steeds) wordt voldaan aan bijlage VI. Als een aanpassing van systeem of maatregel nodig is, is in dit vijfde lid, onder b, bepaald dat er in zo’n geval niet gekozen mag worden voor een maatregel met een lagere emissiereductie. Dat zou immers betekenen dat er een toename van stikstofemissies optreedt waardoor er geen sprake is van een passende maatregel of instandhoudingsmaatregel.

Lid 56

In de praktijk is gebleken dat het houden van hobbydieren op een veehouderij tot niet bedoelde situaties kan leiden en bij het beoordelen of voldaan wordt aan de eisen van Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie wordt betrokken. Daarom wordt nu in de regels nadrukkelijk bepaald dat de behuizing waarin hobbydieren worden gehouden, niet meetelt bij de beoordeling of aan de ammoniakemissie-normen wordt voldaan. Er is alleen sprake van hobbydieren als het houden van geringe aantallen dieren op geen enkele wijze als bedrijfsmatig beoordeeld kan worden. Wanneer daarvan sprake is, kan per geval verschillen. Hierover is veel jurisprudentie. Voor meer informatie verwijzen wij naar informatie daarover op de landelijke informatiepagina van het Informatiepunt Leefomgeving.  

Als het houden van geringe aantallen dieren is gerelateerd aan de bedrijfsvoering of als het houden daarvan direct is gerelateerd aan de hoofdcategorie, zoals mannelijke nakomelingen bij melk- of zoogkoeien, is er geen sprake van hobbydieren in de zin van deze regeling. In sommige gevallen zijn de aantallen bedrijfsmatig te houden dieren dermate beperkt in aantal dat het disproportioneel is om investeringen te vragen. Voor die gevallen is in Bijlage VI een regeling opgenomen. 

CC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.99 Maatwerkregel toepassing technieken dierenverblijf  

Lid 1

Bij het oprichten van een nieuw dierenverblijf of het toepassen van een techniek in een bestaand dierenverblijf zoals opgenomen in artikel 3.102 Lijst van technieken, moet worden voldaan aan de normen voor nieuwe dierenverblijven uit Bijlage VI in het geval voor die toepassing:

  • een omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit wordt aangevraagd. Dit omvat ook de situaties waarin een meervoudige aanvraag voor omgevingsvergunning is gedaan en waarvoor advies met instemming geldt door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4.25 Omgevingsbesluit;

  • een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving nodig is.

Het gaat hier om situaties die niet onder de maatregel vallen als bedoeld in artikel 3.98, zoals:

  • situaties waarbij sprake is van het oprichten van een nieuw dierenverblijf, 

  • een uitbreiding van productiecapaciteit of wijziging van diercategorie,

  • situaties waarbij vanuit de voortoets geen N2000-vergunning vereist is, of 

  • situaties waarin een ondernemer eerder dan de 15 of 20 jaarstermijn uit artikel 3.98 maatregelen treft. Als een ondernemer in dit geval tevens voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.98 (de matregel is opgenomen in bijlage VI en is geen vergroting van productiecapaciteit of wijziging van diercategorie) dan kan hij de maatregel treffen door een melding te doen als bedoeld in artikel 3.98, derde lid.

Bijlage VI

  De in Bijlage VI opgenomen normen voor ammoniakemissie voor dierenverblijven worden regelmatig aangepast aan de stand der techniek. Wijziging is aan de orde zodra er nieuwe emissiereducerende maatregelen worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Er zijn ook situaties denkbaar dat technieken nog niet opgenomen zijn in de Omgevingsregeling, maar wel perspectiefrijk zijn. In dergelijke gevallen kan verzocht worden om deze emissiereducerende systemen op te nemen in Bijlage VI van de verordening.

DD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.101 Minder dieren houden  

Dit artikel bevat een mogelijkheid om met het houden van minder dieren te voldoen aan de normen uit bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie. Hierbij wordt uitgegaan van de diercategorie hoofdcategorie en het aantal dieren dat legaal mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de omgevingsvergunning voor de natura 2000-activiteit of de omgevingsvergunning respectievelijk de melding voor de milieubelastende activiteit. Uitwisseling binnen de bestaande hoofdcategorie is mogelijk. Dat betekent bijvoorbeeld dat een bedrijf met zowel melkvee als jongvee, de reductie die nodig is voor het melkvee mag behalen door minder jongvee te houden.

  • Bij feitelijk gerealiseerde capaciteit wordt uitgegaan van de op het moment van indienen van de melding op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.

  • Om gebruik te maken van de mogelijkheid om met minder dieren aan de normen uit bijlage VI te voldoen, is een aanpassing/ gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit of bij gebreke daarvan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, vereist. De intrekking van stikstofruimte kan niet worden ingezet ten behoeve van extern salderen.

Bij feitelijk gerealiseerde capaciteit wordt uitgegaan van de op het moment van indienen van de melding op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.

Om gebruik te maken van de mogelijkheid om met minder dieren aan de normen uit bijlage VI te voldoen, is een aanpassing/ gedeeltelijke intrekking van de natuurtoestemming vereist. De intrekking van stikstofruimte kan niet worden ingezet ten behoeve van intern of extern salderen.

EE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.103 Maatwerkregel Tijdelijk handelingsverbod veehouderijen  

FF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.104 Meldplicht Maatwerkregel forse stikstofreductie  

GG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.11 Aanvullende beoordelingsregels kabels en leidingen Provinciale weg

Onderdeel a

Voor telecommunicatiekabels en niet-gevulde mantelbuizen geldt een gedoogplicht ingevolge artikel 5.2 van de Telecommunicatiewet. Elektriciteitskabels en gasleidingen zijn door de wetgever op voorhand aangemerkt als werken van algemeen nut. Gedeputeerde Staten zijn in beginsel verplicht om die kabels in hun gronden te gedogen ingevolge de Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht. Dit geldt ook voor waterleidingen en rioleringen, als het gaat om concrete werken die door de minister als werken van algemeen nut zijn aangemerkt. Dat neemt niet weg dat in het belang van de verkeersveiligheid en kwaliteit van de provinciale weg regels te stellen zijn over de ligging van de kabels en leidingen. In het kader van voornoemde verplichtingen en in verband met de vaak beperkt aanwezige fysieke ruimte in provinciale wegen, zijn alleen voornoemde kabels en leidingen met een openbare functie toegestaan.

Onderdeel b

Om te voorkomen dat de provinciale weg opengebroken moet worden voor onderhoud aan kabels of leidingen, waardoor de doorstroming en veiligheid op de weg in het geding zijn, liggen kabels of leidingen niet in de lengterichting onder gesloten verhardingen van hoofdrijbanen of fietspaden. Kabels of leidingen die in bermen van de weg liggen, zijn bovendien veiliger bereikbaar als daaraan onderhoud of herstel moet plaatsvinden. Alleen wanneerWanneer in de berm van de weg onvoldoende fysieke ruimte beschikbaar is, wordtkan een uitzondering worden gemaakt voor het leggen van telecommunicatie- en elektriciteitskabels onder gesloten verharding, omdat deze kabels niet onderhoudsgevoeliger zijn dan andere kabels en leidingen met een openbare functie. Het leggen van kabels en leidingen in de lengterichting onder een fietspad met een open verharding is in beginsel wel toegestaan. Voor overige kabels en leidingen in een fietspad zijn aanvullende maatregelen gewenst om het functioneren van de Provinciale weg niet in gevaar te brengen en aan de zorgplicht te kunnen voldoen.

Onder c

Kabels of leidingen kunnen alleen in kunstwerken worden gelegd, als daarmee tijdens de bouw van het kunstwerk rekening is gehouden door middel van speciaal daarvoor bestemde mantelbuizen of holle ruimten. In het geval dat in een kunstwerk geen ruimte gereserveerd is voor kabels of leidingen, zijn in het belang van het behoud van de constructie geen nieuwe kabels of leidingen toegestaan, wanneer op het moment van de aanvraag onvoldoende gereserveerde ruimte beschikbaar is. Gelet op het bepaalde in artikel 1.1, onder aa, van de Telecommunicatiewet heeft de gedoogplicht voor kabels als bedoeld in de Telecommunicatiewet betrekking op kabels in openbare gronden. Kunstwerken zijn daarvan onderdeel. Dit betekent dat als een kunstwerk niet beschikt over mantelbuizen of holle ruimten, de provincie de aanwezigheid van een telecommunicatiekabel op een andere manier op of aan het kunstwerk moet toestaan.

Onderdeel d

Als kabels of leidingen moeten worden vervangen of verlegd, is het (ver)leggen naar een locatie onder bomen en struiken ter voorkoming van schade aan bomen of kabels en leidingen niet toegestaan. Kabels en leidingen moeten op een bepaalde afstand van beplantingen liggen. Die afstand is in beginsel minimaal de afstand die gelijk is aan de helft van de diameter van de kroon van de beplantingen. In bestaande situaties is dit echter niet altijd mogelijk vanwege ruimtegebrek binnen het bestaande wegprofiel. Maatwerk is derhalve vaak noodzakelijk.

HH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.30 Bescherming Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000-gebied

De instructieregels in dit artikel bevatten de kern voor de bescherming van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Bij het opstellen van een omgevingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Beide kaarten vormen de kern van het natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander beleid of regelgeving.

Op grond van onderdeel b. is het mogelijk om onderbouwd, in afwijking van het natuurbeheerplan, een op die plek ecologisch gezien gunstiger natuurtype te realiseren. Omdat de provincie bevoegd gezag is voor het bepalen welk natuurdoeltype wenselijk is, moet over een dergelijk voornemen overeenstemming zijn met een ecologisch deskundige van de provincie. Als toepassing wordt gegeven aan onderdeel b, wordt het natuurbeheerplan in de eerstvolgende ronde aangepast.

Naast behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken streeft de provincie binnen het NNB ook behoud na van cultuurhistorische waarden en andere wezenlijke kenmerken zoals rust en stilte. Op provinciaal niveau zijn de cultuurhistorische waarden en kenmerken vastgelegd op de Cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant en waar nodig vertaald in deze verordening.

Zolang de natuurdoelen in een gebied nog niet zijn gerealiseerd, kunnen bestaande functies en gebruiksactiviteiten worden voortgezet (eerbiedigende werking). Bestaand planologisch gebruik wordt gerespecteerd. Dit betekent dat de ontwikkelmogelijkheden van een agrarisch bedrijf, een recreatiewoning en een niet-agrarisch bedrijf die zijn opgenomen in een geldend omgevingsplan in stand blijven. Het betekent ook dat er geen nieuwe ontwikkelmogelijkheden geschapen mogen worden door een omgevingsplan te wijzigen of door de verlening van een omgevingsvergunning. Ook tijdelijke gebruiksactiviteiten, zoals evenementen, zijn niet toegestaan.

Als de realisering van de natuurbestemming is veiliggesteld doordat daarvoor een publiekrechtelijk besluit met financiering is vastgesteld, is de gemeente verplicht om binnen negen maanden een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen. Dit is het geval bij (juridische) verplichtingen van GS of van een waterschapsbestuur.

In enkele gevallen liggen er bestaande agrarische enclaves in Natura 2000-gebied, maar buiten het NNB. Deze enclaves zijn aangewezen vanuit het belang van die gebieden als foerageergebied van in het omliggende natuurgebied voorkomende soorten. Op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn is er de plicht dat deze enclaves hun huidige functie als foerageergebied blijven vervullen. Het is vanwege de aanwijzing als Natura 2000-gebied niet toegestaan om zonder een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit het huidige grondgebruik te wijzigen. Daarom is hiervoor een regeling in het vierde lid opgenomen.

II

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.48 Rivierbed

In aanvulling op de rijksregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn voor de in deze verordening aangewezen gebieden (Krammer-Volkerak-Zoommeer, Noordwaard, Overdiepse Polder en de Dongemonding) aanvullende regels opgenomen vanwege het realiseren van een adequate hoogwaterbescherming. Het rivierbed is het gebied vanaf de buitenkruinlijn van een primaire waterkering in de richting van de rivier. Het gaat dus om gebieden (veelal uiterwaarden) langs de grote rivieren. 

Voor het realiseren van een adequate hoogwaterbescherming en eisen aan buitendijkse bebouwing heeft de provincie een eigen, aanvullend, belang ten opzichte van de rijksregels. Voor veel ontwikkelingen in het rivierbed is een vergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving van de rivierbeheerder (Rijkswaterstaat) vereist. Aan deze vergunning kunnen compensatieverplichtingen worden verbonden.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving geeft aan dat alleen bestemmingen zijn toegestaan die geen feitelijke belemmering vormen voor de vergroting van de afvoercapaciteit van de rivier en leiden tot een zo gering mogelijke waterstandverhoging of afname van het bergend vermogen. Uit oogpunt van rivierbelang (rekening houdend met het stroomvoerend en bergend vermogen) is in sommige situaties bebouwing niet bezwaarlijk. De provincie vindt het van belang om ook rekening te houden met de bijzondere situatie dat er in het rivierbed van overheidswege geen bescherming tegen overstroming wordt geboden. Daarom is het vanuit veiligheidsoverwegingen belangrijk dat er geen functies en activiteiten in het rivierbed worden toegelaten die een gevaarlijke situatie opleveren. Overigens is een groot gedeelte van het rivierbed ook aangewezen als Natuur Netwerk Brabant, zodat op grond daarvan al beperkingen gelden ten aanzien van de toedeling van functies en activiteiten. Binnen het gebied is wel ruimte voor watergerelateerde bedrijvigheid (voor zover vanwege overige instructieregels mogelijk). Hiervoor wordt aangesloten bij het toetsingskader voor activiteiten uit de Beleidsregels grote rivieren 2025.

JJ

Na sectie 5.48 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 5.48a Rivierbed regionale rivieren

In aanvulling op de rijksregels voor rivierbed langs grote rivieren zijn in deze verordening regels opgenomen voor een adequate hoogwaterbescherming langs regionale rivieren. Het rivierbed is het gebied vanaf de buitenkruinlijn van een regionale waterkering in de richting van de rivier. Het gaat dus om gebieden (veelal uiterwaarden) langs de regionale rivieren zoals Mark en Vliet. Inhoudelijk komen de regels overeen met de regels voor het rivierbed (artikel 5.48). In het (addendum) Regionaal Water en Bodem programma (RWP) is beleid opgenomen om nieuwe (niet-riviergebonden) bebouwing in het gehele rivierbed te voorkomen. Functies die binnendijks ontwikkeld kúnnen worden, dienen ook binnendijks ontwikkeld te worden. 

KK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.54 Zonneparken in Landelijk gebied

In toenemende mate worden er initiatieven ontwikkeld voor het opwekken van zonne-energie. Hiervoor bestaan volop mogelijk binnen de steden en dorpen, met name op daken en gevels. Daarnaast zijn er soms mogelijkheden voor grondgebonden zonneparken in of aansluitend op stedelijk gebied en is de ontwikkeling van zonneproductie mogelijk door meervoudig ruimtegebruik op (gunstig gelegen) locaties in het landelijk gebied. Alle duurzame opwek door zonne-energie in landelijk gebied buiten bestaand ruimtebeslag valt onder deze regeling. Plaatsing van zonneparken op gronden die van belang zijn voor landbouwkundig gebruik, zoals vruchtbare landbouwgronden voor agrarisch gebruik en onze voedselproductie, willen wij voorkomen.

Vanwege het provinciaal belang inzake zorgvuldig ruimtegebruik, de naleving van afspraken en de toepassing van de zonneladder, is de ontwikkeling van zonneparken aangewezen als een geval van provinciaal belang. Gedeputeerde Staten hebben daardoor adviesrecht in het geval dat gemeenten een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit willen verlenen (zie ook de toelichting op Artikelbij artikel 5.1)

Zonneladder

Zonneladder

De zonneladder is een instrument om vanuit zorgvuldig ruimtegebruik af te wegen welke mogelijkheden er binnen een gemeente bestaan om invulling te geven aan de duurzame energie doelstellingen. Het is een berekeningsmethode om de behoefte aan grondgebonden zonneparken in het landelijk gebied goed te onderbouwen, bijvoorbeeld in de omgevingsvisie of een programma waarin het beleid voor de energietransitie is uitgewerkt. Door de zonneladder toe te passen brengt de gemeente in beeld welke mogelijkheden er zijn voor de ontwikkeling van andere duurzame energiebronnen (o.a. wind), welke mogelijkheden er zijn voor de opwek van zonne-energie op daken en gevels en welke mogelijkheden er zijn binnen bestaand ruimtebeslag in Stedelijk gebied of Bebouwd gebied. De zonneladder is in dit artikel verder uitgewerkt.

Lid 1

Lid 1

Belangrijke voorwaarde bij de ontwikkeling van zonneparken is dat de noodzaak van de ontwikkeling volgt uit de toepassing van de zonneladder; een onderzoek waaruit blijkt dat de mogelijkheden voor de opwekking van andere vormen van duurzame energie en de mogelijkheden voor het opwekken van zonne-energie binnen bestaand ruimtebeslag op daken, gevels of gronden in Stedelijk gebied, Bebouwd gebied of bestaande bouwpercelen onvoldoende zijn. Als uit onderzoek blijkt dat die mogelijkheden onvoldoende kunnen voorzien in de behoefte aan duurzame energie, is de ontwikkeling van een zonnepark ter plaatse van Landelijk gebied mogelijk. De mogelijkheden daarvoor zijn in het tweede lid uitgewerkt.

Het onderzoek biedt een gedegen ruimtelijke onderbouwing van de behoefte aan duurzame energie en een afweging van locaties en gaat in op aspecten als:

  • Wat is de energiebehoefte op langere termijn?

  • Hoe kan daarin worden voorzien (wind en zon)?

  • Welke capaciteit kan opgewekt worden met zon op daken en gevels?

  • Welke capaciteit kan worden opgewekt op locaties in Stedelijk gebied of Bebouwd gebied?

  • Zijn er onbenutte mogelijkheden in Stedelijk gebied in omliggende gemeenten, bijv op daken van een grootschalig bedrijventerrein?

  • Welke mogelijkheden zijn er binnen een bestaand bouwperceel in Landelijk gebied?

Lid 2

Lid 2

De ontwikkeling van een zonnepark ter plaatse van Landelijk gebied is alleen toegestaan als uit het onderzoek, zoals beschreven in het eerste lid, blijkt dat er vanuit duurzaamheidsdoelen een noodzaak is om een zonnepark op landbouwgronden te realiseren én als wordt voldaan aan één of meer van de drie genoemde situaties. De drie uitzonderingssituaties zijn:

  • a.

    meervoudig ruimtegebruik, bijvoorbeeld door gebruik te maken van mogelijkheden op gronden of objecten langs spoorlijnen en wegen, op water, op stortplaatsen, grond- en slibdepots, op vloeivelden, RWZI-terreinen of de ontwikkeling van agri-PV die ten dienste van de agrarische functie. Het gaat dan niet om medegebruik van een perceel, waarbij bijvoorbeeld op 1/3 van het perceel een (monofunctioneel) zonnepark staat en 2/3 nog agrarisch in gebruik is. Meervoudig ruimtegebruik betekent dat de gronden waar zonne-energie wordt opgewekt, tevens worden benut voor een andere functie of functies;

  • b.

    het zonnepark wordt ontwikkeld op gronden waarvan de agrarische functie is beëindigd (veelal restgebieden) of gebieden waarvan beleidsmatig is vastgelegd dat het agrarisch gebruik zal eindigen (transitiegronden), bijvoorbeeld gebieden waarin een wijziging van gebruik wordt beoogd naar een andere functie, zoals een woon-of werkfunctie, recreatie. Het kan ook gaan om gronden die minder geschikt worden voor een landbouwfunctie door verzilting, vernatting of bodemdaling. Na afloop van de gebruiksperiode van het zonnepark krijgt het gebied dan zijn definitieve functie. In sommige situaties kan een tijdelijk zonnepark financieel bijdragen aan een gebiedsgerichte opgave. Als daarbij geen sprake is van functiewijziging, geldt onverkort de voorwaarde van meervoudig ruimtegebruik;

  • c.

    het zonnepark draagt bij aan het verminderen van netcongestie of zorgt ervoor dat het netwerk efficiënter wordt gebruikt. Het gaat dan om slimme oplossingen waarbij de netbeheerder ook eisen stelt aan veiligheid (i.v.m. overstroom of spanningspieken) en betrouwbaarheid (stabiliteit van lokale en regionale elektriciteitsnet). Er is daarom altijd afstemming nodig met de netbeheerder. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik is het niet wenselijk dat er solitaire zonneparken worden ontwikkeld. Bovendien is het wenselijk dat zonneparken in de directe nabijheid van gebruikers worden gevestigd. Daarom is opgenomen dat een zonnepark moet aansluiten op bestaand ruimtebeslag als bedoeld in artikel 5.4 van de Omgevingsverordening of in combinatie met windturbines wordt ontwikkeld. Door de slimme oplossingen ruimtelijk te clusteren met bestaande functies kunnen opwek en afname op korte afstand gecombineerd worden, wat naast ruimtelijke- en landschappelijke kwaliteit ook bijdraagt aan een efficiënter netwerkgebruik. Er is bijvoorbeeld sprake van efficiënter netwerkgebruik of vermindering van netcongestie in de volgende gevallen:

    • 1.

      Cable pooling, waarbij een zonnepark en een windpark gebruik maken van een gedeelde aansluiting;

    • 2.

      Zonprojecten met een directe aansluiting of een directe lijn op een afnemer (bijvoorbeeld op een bedrijventerrein);

    • 3.

      Energiehubs die het zonnepark integreren met meerdere afnemers;

    • 4.

      Zonneparken in combinatie met een elektriciteitsopslagsysteem (EOS) waarbij tevens sprake is van een capaciteitsbeperkend contract (CBC).

Lid 3

Lid 3

Inpassing in de omgeving

Idealiter heeft de gemeente een visie en afwegingskader voor de inpassing van zonneparken in Landelijk gebied. Hierin worden de volgende aspecten meegenomen.

Vanuit het streven naar omgevingskwaliteit geldt als basis bij alle ontwikkelingen de toepassing van de principes voor een evenredige toedeling van functies uit Paragraaf 5.1.2 waarbij volgens de methodiek van diep-rond-breed uit de Brabantse omgevingsvisie wordt gekeken naar de effecten van een ontwikkeling op omliggende waarden en functies en hoe de ontwikkeling kan bijdragen aan de ontwikkeling van omgevingskwaliteit. De ontwikkeling van het zonnepark moet passen binnen de ontwikkelingsrichting (Artikel 5.12) die met de toepassing van de principes uit paragraaf 5.1.2 wordt opgesteld. De effecten van het zonnepark op omliggende waarden worden met maatregelen gemitigeerd. Het omgevingsplan bevat daartoe voorwaarden die een goede inpassing in de omgeving waarborgen. Binnen een gebied waarin vanuit provinciaal belang waarden aanwezig zijn, wordt specifiek ingegaan op hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het behoud van die waarden respectievelijk aan de ontwikkeling daarvan. De landschappelijke inpassing kan deel uitmaken van de verplichte kwaliteitsverbetering van het landschap die is opgenomen in Artikel 5.11.

Afstemming en regionale afspraken

Vanuit zorgvuldig gebruik van de open ruimte, afstemming van duurzame energieprojecten in een gebied en de in sommige gebieden beperkte capaciteit van het netwerk, geldt als randvoorwaarde dat projecten zijn afgestemd met omliggende gemeenten via regionaal overleg en met de netwerkbeheerder. Deze aanpak past ook bij de regionale energiestrategieën die vanuit het Rijk worden gevraagd.

Bij de afstemming met de netwerkbeheerder spelen diverse aspecten een rol, zoals een aansluiting op het energienet binnen redelijke termijn, de kosten die gemoeid zijn met het aanleggen van energie-infrastructuur, eisen vanwege veiligheid (i.v.m. overstroom of spanningspieken) en betrouwbaarheid van elektriciteitsnet. De resultaten van de afstemming met de netwerkbeheerder maken deel uit van de onderbouwing van het zonnepark.

Bij de afstemming met omliggende gemeenten spelen aspecten een rol vanuit zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingskwaliteit. In sommige regio's bestaan er ruime mogelijkheden voor het opwekken van zonne-energie op daken van bijvoorbeeld grootschalige bedrijventerreinen. De duurzaamheidsdoelen kunnen dan op een hoger schaalniveau dan dat van een individuele gemeente worden gerealiseerd. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit en behoud van landbouwgronden wil de provincie deze mogelijkheden zoveel mogelijk benutten. Daarom is opgenomen dat de realisatie van monofunctionele zonneparken in Landelijk gebied moeten passen in daarover gemaakte regionale afspraken. Deze voorwaarde gaat verder dan alleen het onderling, regionaal afstemmen van zonneparken.

Redelijke termijn

Wij willen voorkomen dat initiatieven planologisch mogelijk worden gemaakt of worden vergund, terwijl deze gedurende lange termijn niet ontwikkeld worden. Wij vinden dat gelet op zorgvuldig ruimtegebruik en de noodzaak vanuit de behoefteonderbouwing niet wenselijk. Als er gedurende lange termijn geen mogelijkheid voor aansluiting is, kan de situatie immers dusdanig gewijzigd zijn dat de noodzaak voor een zonnepark in landelijk gebied is komen te vervallen.

Onder aansluiting op het energienet wordt verstaan de aansluiting van het zonnepark op het energienet. De termijn begint te lopen als bij planologische toestemming c.q. vergunning van het initiatief geen aansluiting op het net mogelijk is. Voor een termijn die redelijk kan worden geacht voor een aansluiting op het energienet, wordt gedacht aan een periode van 3 tot 5 jaar. Uit afstemming met de netbeheerder blijkt dat dit overeenkomt met de huidige praktijk. De netbeheerder geeft ook aan dat hiervoor geen harde termijn gesteld kan worden omdat de termijn van aansluiting afhankelijk is van de specifieke situatie. Daarbij spelen diverse factoren een rol, zoals het wel of niet aanwezig zijn van netcongestie, de omvang van de aanwezige netcongestie, het aantal aanvragen voor een aansluiting in een betreffend gebied en de snelheid waarmee de aanwezige energie-infrastructuur kan worden uitgebreid. Daarom moet voor elk zonnepark worden onderbouwd en afgestemd met de netwerkbeheerder, wat in die specifieke situatie een redelijke termijn voor aansluiting is.

Maatschappelijke meerwaarde

Nieuwe ontwikkelingen voldoen aan het meerwaarde-principe van Artikel 5.10. Naarmate de inbreuk op de basisregels groter is, verwachten wij een grotere inspanning op het gebied van een bijdrage aan maatschappelijke doelen. In de genoemde uitzonderingssituaties kan er sprake zijn van nieuwvestiging. Daarom verwachten wij dat als er een zonnepark gerealiseerd wordt dat dit ook bijdraagt aan bijvoorbeeld sloop van vrijkomende opstallen elders.

De voorwaarde van maatschappelijke meerwaarde is ook gericht op de betrokkenheid van inwoners, bijvoorbeeld doordat inwoners kunnen participeren in het project of doordat de ontwikkeling bijdraagt aan maatschappelijke cohesie of (financiële) bijdragen aan andere maatschappelijke opgaven, zoals de ontwikkeling van natuur of landschap. Vanuit rijksbeleid wordt gestreefd naar participatie van inwoners met 50% eigenaarschap. De onderbouwing van een zonnepark gaat hier op in.

Het enkele gegeven dat het project duurzame energie oplevert is niet voldoende. Een goede invulling van deze voorwaarde garandeert ook betrokkenheid van de inwoners door meespraak bij het project.

Maatschappelijke meerwaarde staat los van de verplichte kwaliteitsverbetering landschap, zoals opgenomen in Artikel 5.11.

Tijdelijkheid

In beginsel voorzien zonneparken in een tijdelijke behoefte. De technologische ontwikkeling voor het opwekken van zonne-energie gaat steeds verder waardoor er steeds meer mogelijkheden ontstaan voor meervoudig ruimtegebruik op daken (op het noorden), op muren, geïntegreerd in ruiten, op wegen enzovoorts. Het is daarom goed al bij het toelaten na te denken over hoe de sanering wordt veiliggesteld.

Vanwege dit tijdelijke karakter van zelfstandige opstellingen voor zonne-energie is de ontwikkeling daarom uitsluitend mogelijk met een regeling voor tijdelijk gebruik in het omgevingsplan of de toepassing van een tijdelijke omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Na afloop van de toegelaten termijn van 25 jaar geldt als voorwaarde dat de zonnepanelen en de daarbij behorende voorzieningen worden verwijderd. Batterij-opslag die onderdeel is van het zonnepark of die wordt opgericht ten behoeve van opslag van opgewekte energie van het zonnepark, valt ook onder de verplichting tot verwijdering. Dit betekent dat de situatie van voor de ontwikkeling wordt hersteld, behoudens de maatregelen die waren gericht op het versterken van de landschappelijke kwaliteit. Het is aan de gemeente om te beslissen of de maatregelen gericht op kwaliteitsverbetering landschap na afloop van de termijn gehandhaafd moeten worden.

Het toepassen van een tijdelijke omgevingsvergunning is overigens efficiënt vanuit het terugdringen van bestuurslasten omdat er geen omgevingsplanprocedures doorlopen hoeven te worden bij aanvang of na afloop van het gebruik. De gemeente bepaalt op welk objectief moment de termijn begint te lopen.

Omdat het belangrijk is dat voor eenieder kenbaar is welke tijdelijke mogelijkheden vergund zijn, vragen wij aan gemeenten om dit te registreren via een openbare voorziening die voor iedereen toegankelijk is (Artikel 9.4 Registratieplicht tijdelijke functies en activiteiten), bijvoorbeeld op de gemeentelijke website. Een dergelijk overzicht is ook van belang voor toezicht en handhaving. Het is wenselijk dat de voorziening openbaar is, zodat het voor eenieder duidelijk is wanneer de gunningstermijn is afgelopen. Uiteraard geldt vanuit het vereiste van tijdelijkheid ook dat de gemeente na afloop van de periode toeziet op de sanering van het zonnepark. In een specifiek geval kan dat ook betekenen dat er een nieuw besluit met een tijdelijke termijn wordt gesteld.

LL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.67 Maatwerk omvang bouwperceel veehouderij

In zes gevallen kan de gemeente een uitzondering maken op de maximale omvang van 1,5 hectare.

De eerste uitzondering betreft bedrijven met een veebezetting van ten hoogste 2 GVE per hectare die blijvend beschikken over voldoende grond. Het streven van de provincie is er op gericht kringlopen zo veel mogelijk te sluiten; dergelijke bedrijven voldoen daaraan. Het aantal GVE op een bedrijf dient te worden afgeleid uit de bijlage met GVE normen per dier gebaseerd op RVO- en WUM-fosfaatexcreties uit de meest actuele versie van het rapport “Rekenregels van de Kringloopwijzer” van Wageningen Research (WUR). Indien het genoemde rapport niet in normen voorziet wordt het aantal GVE afgeleid uit bijlage 1 uit de verordening EU2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad. Wat betreft de hoeveelheid grond moet worden uitgegaan van de grond waarover het bedrijf langdurig beschikt of kan beschikken. Voor de bepaling hiervan wordt de totale minimale oppervlak van de gronden uit de gecombineerde opgave betrokken waarover minimaal drie achtereenvolgende en meest recente jaren is gerapporteerd in de gecombineerde opgave. Deze grond moet binnen een straal van 15 km van het bedrijf gelegen zijn, met uitzondering voor veehouderijen met een biologische bedrijfsvoering. De veehouder moet dit op verzoek aantonen door middel van een uitdraai van de laatste drie jaren van het “Overzicht ingevulde gegevens Gecombineerde opgave” van de RVO.

Een tweede uitzondering betreft een uitbreiding boven de 1,5 hectare wanneer dit bijdraagt aan het oplossen van een zogenaamd knelpunt. Hieraan zijn strenge voorwaarden verbonden, waaronder dat er elders een bedrijf feitelijk en juridisch wordt opgeheven, waardoor ook een overbelaste situatie wordt opgeheven. Een overbelaste situatie is gedefinieerd in het tweede lid. De vergroting van het bouwperceel mag niet groter zijn dan het bouwperceel dat wordt opgeheven met een maximum van 2,5 hectare.

De derde uitzondering betreft een situatie waarin een bedrijf vanwege een innovatief bedrijfsconcept meer ruimte nodig heeft. Het gaat er hierbij niet om dat een bedrijf meer beesten houdt dan een gemiddeld ander bedrijf op 1,5 hectare doet. Het gaat er om dat vanwege het innovatieve concept meer ruimte nodig is. Hierbij wordt advies voorgeschreven van een deskundigencommissie. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij het deskundigenpanel dat voor innovatie is ingesteld vanwege de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij. Een vergelijkbare mogelijkheid is opgenomen voor biologische veehouderijen. In beide gevallen mag de grotere omvang van het bouwperceel niet zijn ingegeven vanuit de wens meer dieren te houden.

Een vijfde uitzondering betreft zogenaamde voorloper bedrijven. Als een bedrijf dusdanige maatregelen treft dat hij een blijvende score behaalt op de BZV van 8,5 kan het daarmee eenmalig ontwikkelingsruimte verdienen van 0,5 hectare. De maximaal toelaatbare omvang van een bouwperceel bedraagt daarmee 2 hectare. Het gaat dan vooral om maatregelen die de ondernemer treft om de inpasbaarheid van het bedrijf in diens omgeving te verbeteren, zoals het terugdringen van emissies en volksgezondheid. De BZV kan daarvoor specifieke maatregelen aanwijzen.

Tot slot is in het derde lid een laatste uitzondering opgenomen. Dit betreft een verruiming van het bouwperceel tot een maximale omvang van 2 hectare voor bedrijven die afhankelijk zijn van de opslag van ruwvoer. Harde voorwaarde hierbij is dat het omgevingsplan er voor zorgt dat deze verruiming alleen benut wordt voor het oprichten van voorzieningen ten behoeve van ruwvoeropslag.

MM

Na sectie 10.8 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 10.10 Overgangsrecht emissiereducerende maatregelen

Dit artikel bevat een overgangsregeling voor diverse toegepaste huisvestingssystemen die nu niet in bijlage VI zijn opgenomen en volgens de Omgevingsregeling een reductiepercentage hebben dat minimaal gelijk is aan de norm uit bijlage VI. Het gaat bijvoorbeeld om biologische combi-luchtwassers, volièrehuisvesting en warmtewisselaars. Omdat er op dit moment twijfel bestaat over de effectiviteit en de mate van emissiereductie zijn deze systemen niet opgenomen op de menukaart. De overgangsregeling geldt tot uiterlijk 2030. De periode tot 2030 kan door de sector worden benut om de werking van de huisvestingssystemen nader te onderzoeken. Dit kan leiden tot het wel of juist niet opnemen in bijlage VI. Zolang de werking van huisvestingssystemen die onder het overgangsrecht vallen niet voldoende zeker is, en deze huisvestingssystemen niet zijn opgenomen in bijlage VI, kunnen deze niet worden ingebracht bij het gemiddeld voldoen op locatieniveau als bedoeld in artikel 3.98, eerste lid, onder a.

NN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.9

Eerste lid

Om bij handhaving op te kunnen treden op basis van de eisen die werden gesteld aan huisvestingssystemen op het moment dat een overtreding plaatsvond, wordt in dit artikel verwezen naar de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant, de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant 2013 en de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant zoals die op een bepaald moment geldt of gold. In bijlage 1 Overzicht eisen huisvestingssystemen van deze toelichting is opgenomen (welke versie van) welke verordening in welke periode van kracht was, zodat daaruit voor eenieder is af te leiden waartoe hij verplicht is.

Tweede lid

Tot 8 juli 2017 kende de voormalige Verordening natuurbescherming de mogelijkheid van intern salderen bij het realiseren van nieuwe stallen. Sinds de wijziging van 8 juli 2017 moet een nieuwe stal nu in zijn geheel voldoen aan bijlage 2 van de verordening, waar voorheen de nieuwe stal gemiddeld moest voldoen aan de bijlage. Het alsnog aanpassen van de plannen van lopende aanvragen brengt extra kosten met zich mee. Daarom is een overgangsbepaling opgenomen voor aanvragen, die al zijn ingediend op het moment van inwerkingtreding van de wijziging op 19 juli 2017. Voor deze aanvragen blijft de oude bepaling van artikel 1.4, eerste lid Vnb gelden: de nieuwe stal dient gemiddeld te voldoen aan bijlage 2.

[Vervallen]

Motivering

Statenmededeling

Naar boven