Openstellingsbesluit subsidie doorbraakprojecten circulaire sloop en oogst Zuid-Holland 2026

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

 

Gelet op artikel 1.3, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland en artikel 1.2 en 2.1 van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland;

 

Overwegende dat:

 

  • het noodzakelijk is om de doelstellingen uit het Grondstoffenakkoord 2017 ten aanzien van een volledig circulaire economie in 2050 te halen;

  • het hiervoor noodzakelijk is het gebruik van primaire fossiele grondstoffen, mineralen en metalen te verminderen;

  • circulaire sloop en oogst hier een aanzienlijke bijdrage aan kan leveren;

  • uit recente verkenningen blijkt dat opschaling van circulaire sloop en oogst in de praktijk wordt belemmerd door financiële, organisatorische, logistieke en juridische knelpunten;

  • het wenselijk is om door middel van doorbraakprojecten experimenteerruimte te bieden en ketensamenwerking te stimuleren om deze knelpunten te doorbreken;

Besluiten vast te stellen het volgende besluit:

 

Openstellingsbesluit subsidie doorbraakprojecten circulaire sloop en oogst Zuid-Holland 2026

Artikel 1 Begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.1 van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland wordt in dit openstellingsbesluit verstaan onder circulaire sloop en oogst: het geheel of gedeeltelijk afbreken of demonteren van een bouwwerk als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet, met het oog op het zonder aanpassing van vrijgekomen bouwmaterialen hergebruiken daarvan in andere bestaande of nieuw te realiseren bouwwerken.

Artikel 2 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor doorbraakprojecten ten behoeve van circulaire sloop en oogst in Zuid-Holland.

  • 2.

    Het project, bedoeld in het eerste lid, draagt bij aan het intensiveren van circulaire sloop en oogst en daarmee aan beperking van het grondstoffenverbruik in Zuid-Holland.

Artikel 3 Subsidievereisten

In aanvulling op artikel 2.3 van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, in aanmerking te komen voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project is een doorbraakproject gericht op het thema bouw;

  • b.

    het project is gericht op experimentele ontwikkeling;

  • c.

    het project is gericht op het zonder aanpassing van vrijgekomen bouwmaterialen hergebruiken daarvan in andere bestaande of nieuw te realiseren bouwwerken;

  • d.

    het project draagt bij aan intensivering van circulaire sloop en oogst;

  • e.

    het project draagt bij aan het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten;

  • f.

    de subsidie-aanvraag behaalt minimaal 20 punten op de beoordelingscriteria in artikel 7, eerste lid;

  • g.

    het project sluit aan bij ten minste één van de onderwerpen zoals omschreven in bijlage 1, te weten:

    • 1°.

      circulair opdrachtgeverschap;

    • 2°.

      draagvlak en waardeketens;

    • 3°.

      dashboards, delen van data en marktinformatie;

    • 4°.

      certificeringen en garanties.

Artikel 4 Aanvraagperiode

  • 1.

    In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland, worden subsidie-aanvragen ingediend binnen de tenderperiode van 4 mei tot en met 22 juni 2026.

  • 2.

    Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze binnen de in het eerste lid genoemde periode is ontvangen.

Artikel 5 Deelplafond

Gedeputeerde staten stellen het deelplafond voor de periode, genoemd in artikel 4, vast op € 650.000.

Artikel 6 Subsidiehoogte

In aanvulling op artikel 2.4, eerste en tweede lid, van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland, bedraagt de hoogte van de subsidie maximaal € 124.000 per aanvraag.

Artikel 7 Verdelingswijze

  • 1.

    In aanvulling op artikel 2.5 van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland worden volledige subsidie-aanvragen gerangschikt en wordt het aantal punten berekend door de som te nemen van de punten behaald voor ieder afzonderlijk beoordelingscriterium, waarbij:

    • a.

      voor ieder van de beoordelingscriteria, genoemd in artikel 2.5, derde lid, van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland punten kunnen worden behaald van nul tot en met vijf; en

    • b.

      de beoordelingscriteria, bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland, een wegingsfactor hebben van:

      • 1°.

        3 voor het criterium, genoemd onder a, mate van fundamenteel vernieuwend;

      • 2°.

        2 voor het criterium, genoemd onder c, haalbaarheid van het project;

      • 3°.

        1 voor het criterium, genoemd onder b, mate van impact.

  • 2.

    Indien toepassing van het eerste lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de onderlinge rangorde van die aanvragen bepaald door het hoogste aantal punten behaald voor het criterium, genoemd in artikel 2.5, derde lid, onder a, van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland.

  • 3.

    Indien toepassing van het tweede lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de onderlinge rangorde van die aanvragen bepaald door het hoogste aantal punten behaald voor het criterium, genoemd in artikel 2.5, derde lid, onder c, van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland.

  • 4.

    Indien toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de onderlinge rangorde van die aanvragen bepaald door loting.

  • 5.

    Onverminderd het eerste tot en met vierde lid, indien er ten aanzien van meerdere onderwerpen als bedoeld in artikel 3, onder g, subsidie-aanvragen zijn ingediend, komt in het kader van een spreiding van de beschikbare middelen, in ieder geval per onderwerp de subsidie-aanvraag met het hoogste aantal punten voor subsidie in aanmerking.

Artikel 8 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Artikel 9 Werkingsduur en overgangsrecht

Dit besluit vervalt op 31 december 2026, met dien verstande dat dit besluit van kracht blijft op subsidies die voor die datum zijn aangevraagd.

Artikel 10 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit subsidie doorbraakprojecten circulaire sloop en oogst Zuid-Holland 2026.

Den Haag, 14-04-2026

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland

drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris

M.E. van Leeuwen, plv. voorzitter

Bijlage 1 bij artikel 3 van het Openstellingsbesluit subsidie doorbraakprojecten circulaire sloop en oogst Zuid-Holland 2026

 

Deze bijlage hoort bij het Openstellingsbesluit subsidie doorbraakprojecten circulaire sloop en oogst Zuid-Holland 2026. Op grond van artikel 2 van het openstellingsbesluit kan subsidie worden verstrekt voor doorbraakprojecten ten behoeve van circulaire sloop en oogst in Zuid-Holland. In artikel 3, onder g, wordt voorgeschreven dat een project aansluit bij ten minste één van de vier daarin genoemde onderwerpen, zoals omschreven in deze bijlage. Hieronder volgt de omschrijving van deze onderwerpen.

 

  • Circulair opdrachtgeverschap

    Het project richt zich op het oplossen van knelpunten ten aanzien van onderwerpen die opdrachtgevers, zowel in de publieke als private sector, belemmeren in het standaard circulair uitvragen van sloop- en renovatieaanbestedingen, zoals: onzekerheid over afzet en kwaliteit, financiële drempels, capaciteit en logistiek en opslag.

  • Draagvlak en waardeketens

    Het project richt zich op het concreet en zichtbaar maken van maatschappelijke, ecologische en economische waarde van circulaire sloop en oogst, bijvoorbeeld via CO₂-besparing en materiaalpaspoorten, waarbij ook aandacht wordt besteed aan het vergroten van intern draagvlak onder opdrachtgevers en -nemers, zowel in de publieke als private sector.

  • Dashboards, delen van data en marktinformatie

    Het project richt zich op het matchen op vraag en aanbod van vrijgekomen bouwmaterialen op online marktplatforms, het inzichtelijk maken van kwaliteit, beschikbaarheid en de aansluiting op elkaar van vraag en aanbod van vrijgekomen bouwmaterialen op dergelijke platforms, of het monitoren van prestaties van vrijgekomen bouwmaterialen inzake CO₂-opslag of kosten.

  • Certificeringen en garanties

    Het project richt zich op het oplossen van knelpunten op het gebied van certificering van en garantie op vrijgekomen bouwmaterialen.

 

Toelichting behorende bij het besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 14-04-2026 PZH-2026-89361992 tot vaststelling van het Openstellingsbesluit subsidie doorbraakprojecten circulaire sloop en oogst Zuid-Holland 2026 onder de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland (Openstellingsbesluit subsidie doorbraakprojecten circulaire sloop en oogst Zuid-Holland 2026)

I. Algemeen

In Zuid-Holland werken we toe naar een volledig circulaire samenleving in 2050. Dit betekent een samenleving zonder afval, waarin bestaande grondstoffen en materialen worden hergebruikt voor nieuwe producten. Om deze ambitie waar te maken, stimuleert de provincie Zuid-Holland samenwerking tussen ondernemers, onderzoekers, inwoners en overheden. Aangezien maar liefst 30% van het grondstoffenverbruik in Zuid-Holland ligt, stimuleert de provincie op allerlei manieren deze gezamenlijke zoektocht.

 

Het bereiken van een circulaire economie ten behoeve van een circulaire samenleving kan door inzet van verschillende circulariteitsstrategieën:

  • Narrow the loop, ofwel minder grondstoffen gebruiken door van producten af te zien, producten te delen of ze efficiënter te fabriceren;

  • Slow the loop, ofwel het verlengen van de levensduur van producten en onderdelen door hergebruik en reparatie;

  • Close the loop, ofwel hoogwaardige recycling en de inzet van secundair materiaal en het wegnemen van lekkages en ongewenste materialen, zodat er alleen niet-herbruikbaar afval wordt verbrand of gestort;

  • Substitute, ofwel substitutie van eindige grondstoffen door duurzaam geproduceerde hernieuwbare grondstoffen (zoals biogrondstoffen) of alternatieve primaire grondstoffen met minder milieudruk.

Dit openstellingsbesluit maakt het mogelijk voor doorbraakprojecten ten behoeve van sloop en oogst subsidie te verlenen en is opgesteld als een invulling van het transitiethema ‘bouw’ (artikel 2.1, eerste lid, onder d, van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland) en circulair algemeen. De Subsidieregeling circulair Zuid-Holland (hierna: de regeling) subsidieert doorbraakprojecten, omdat zij een cruciale en belangrijke rol spelen in het op gang brengen van de transitie naar een circulaire economie en samenleving. Deze subsidieregeling is beleidsmatig gebaseerd op de provinciale beleidsnota ‘Innovaties in circulaire transities’.

 

Juridisch kader

De juridische grondslag van deze regeling is artikel 1.3, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland (hierna: de Asv) en artikel 1.2 van de Subsidieregeling circulair Zuid-Holland (hierna: de regeling). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in dit openstellingsbesluit is vastgelegd, maar in de Asv en de regeling. In de Asv wordt onder meer geregeld wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten, wat de algemene verplichtingen zijn voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht, alsook wat de algemene weigeringsgronden zijn, en de algemene niet-subsidiabele kosten. In de regeling is voor activiteiten die bijdragen aan de circulaire transitie verder onder meer uitgewerkt wat er voor subsidieverstrekking voor die activiteiten geldt ten aanzien van subsidiabele kosten, specifieke weigeringsgronden, bevoorschotting en betaling, de doelgroep, subsidievereisten, subsidiehoogte en verdelingswijze en beoordelingscriteria. In dit openstellingsbesluit zijn voor onder andere de subsidievereisten, de subsidiehoogte, de verdelingswijze en beoordelingscriteria, nadere regels gesteld. Dit openstellingsbesluit moet dus worden gelezen in samenhang met de regeling en de Asv. Daarbij is de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

 

Voor wat betreft staatssteun geldt dat in de regeling gebruik wordt gemaakt van de algemene groepsvrijstellingsverordening (Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187)). Voor de subsidieverstrekking voor doorbraakprojecten (paragraaf 2 van de regeling) wordt in de regeling specifiek gebruik gemaakt van de artikelen 25 (Steun voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten) en 29 van de algemene groepsvrijstellingsverordening (Steun voor proces- en organisatie-innovatie). In dit openstellingsbesluit wordt toepassing gegeven aan de voorwaarden die ten aanzien van de toepassing van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening in de regeling zijn opgenomen. Dit openstellingsbesluit voldoet daarmee ook aan de voorwaarden van de algemene groepsvrijstellingsverordening. De regeling is kennisgegeven bij de Europese commissie.

 

Doel en beleidsmatige context

Het doel van deze openstelling is het intensiveren van circulaire sloop en oogst in Zuid-Holland door het doorbreken van de huidige status quo. Het openstellingsbesluit sluit aan bij provinciale en nationale ambities op het gebied van circulaire economie en grondstoffentransitie, waaronder de doelstelling om in 2050 volledig circulair te zijn.

 

Uit diverse verkenningen en gesprekken met ketenpartners blijkt dat sprake is van structurele belemmeringen die elkaar versterken. Het zorgvuldig demonteren en oogsten van bouwmaterialen is arbeidsintensief en kostbaar, terwijl primaire bouwmaterialen relatief goedkoop zijn, doordat milieu- en grondstoffenkosten nog onvoldoende zijn verdisconteerd. Hierdoor ontbreekt vooralsnog een sluitende businesscase voor hoogwaardig hergebruik van bouwmaterialen. Daarnaast bestaat er onzekerheid bij opdrachtgevers, financiers en verzekeraars over de certificering en garanties van vrijgekomen bouwmaterialen. Ook sluiten vraag en aanbod van vrijkomende materialen vaak niet op elkaar aan in tijd en plaats, wat leidt tot logistieke knelpunten en het ontbreken van adequate tijdelijke opslag.

 

Dit openstellingsbesluit beoogt deze systeembelemmeringen te adresseren door middel van doorbraakprojecten. Het gaat nadrukkelijk niet om het subsidiëren van reguliere sloop- of bouwactiviteiten, maar om projecten die experimenteerruimte benutten, nieuwe werkwijzen testen en aantoonbaar bijdragen aan opschaling en structurele verandering binnen de keten. Door deze projecten mogelijk te maken, wordt inzicht verkregen in wat werkt, waar regelgeving knelt en welke samenwerkingsvormen en verdienmodellen kansrijk zijn.

 

De subsidie richt zich op hoogwaardig hergebruik van vrijgekomen bouwmaterialen. Laagwaardige toepassingen, zoals het breken van puin voor funderingen of ophogingen, vallen buiten de reikwijdte van deze openstelling. De focus ligt op één-op-één hergebruik, waarbij de waarde en functionaliteit van materialen zoveel mogelijk behouden blijven.

 

Een van de bouwstenen in de strategie van Circulair Zuid-Holland is ‘Coalities en netwerken’. Op basis daarvan is in november 2025 het Vernieuwersnetwerk CIRCUIT (Circulaire uitwisseling van secundaire bouwmaterialen) van start gegaan. Het netwerk heeft vier actielijnen geformuleerd. Dit openstellingsbesluit is vastgesteld om deze vier specifieke onderwerpen te adresseren:

  • Circulair opdrachtgeverschap: niet alle opdrachtgevers – met name kleinere gemeenten, maar ook woningcorporaties – beschikken over voldoende kennis, tijd en expertise om sloop- en renovatieaanbestedingen circulair uit te vragen en te beoordelen. En dat terwijl juist opdrachtgevers met hun marktmacht circulair slopen, hergebruik en impactsturing kunnen afdwingen door dit expliciet op te nemen in aanbestedingen en contracten. We kunnen de rol van opdrachtgevers versterken door te werken aan onderwerpen als:

    • De sturende rol van de opdrachtgever in de keten;

    • Vroegtijdige betrokkenheid van relevante ketenpartijen;

    • Gerichter sturen via gunningscriteria;

    • Standaardisatie en minimumeisen;

    • Bestuurlijke verankering en prikkels;

    • Kennisdeling en lerende netwerken.

  • Draagvlak en waardeketens: Onbekend maakt onbemind. Door succesvolle projecten te stimuleren, tonen we opdrachtgevers en architecten dat vrijgekomen materialen niet onderdoen voor nieuwe materialen in esthetiek en functionaliteit, en dat ze niet per definitie kostbaarder hoeven te zijn. Hierbij is het vooral van belang om wederom de rol van opdrachtgevers te versterken. Hoe krijg je bijvoorbeeld woningcorporaties of projectontwikkelaars mee? Maar ook het creëren van intern draagvlak bij opdrachtgevers is van belang. In het kader van dit thema zou het ook nuttig zijn om inzicht te krijgen van de gevolgen zijn van een ‘tax shift’: verlaging van de belasting op arbeid en verhoging van de belasting op materialen. Wat zou dat concreet betekenen voor de creatie van de waarde van vrijgekomen bouwmaterialen? Een ander onderwerp dat binnen dit thema valt is regelgeving: waar huidige regelgeving lineair bouwen bevoordeelt, biedt deze subsidie de ruimte om binnen de marges van de wet te pionieren met circulaire alternatieven.

  • Dashboards, delen van data en marktinformatie: online is veel aanbod te vinden van vrijgekomen bouwmaterialen. Maar tijd en locatie zijn vaak lastig te matchen, en er ontbreekt vaak overzicht. En de circulaire bouwsector staat of valt nu juist met inzicht in materiaalstromen, beschikbaarheid van vrijgekomen materialen, prijsontwikkeling en de prestaties van circulaire projecten. Zonder goede data en transparante marktinformatie blijft opschaling beperkt, blijven faalkosten hoog en is samenwerking in de keten lastig. Dashboards en datadeling zijn daarom essentieel om:

    • vraag en aanbod van vrijgekomen materialen te matchen;

    • kwaliteit, beschikbaarheid en aansluiting op elkaar van vraag en aanbod van vrijgekomen materialen inzichtelijk te maken;

    • prestaties (CO₂, circulariteit, kosten) te monitoren; en

    • leren en opschalen mogelijk te maken.

  • Certificeringen en garanties: Er heerst onzekerheid bij afnemers over de kwaliteit van vrijgekomen materialen. Door projecten te financieren die inzetten op certificering, testen en het afgeven van garanties, worden risico’s voor opdrachtgevers, verzekeraars en financiers weggenomen.

Doelgroep: aan wie kan subsidie worden verstrekt?

De kracht van circulair bouwen ligt in de samenwerking. Op grond van artikel 2.2 van de regeling kan subsidie enkel worden verstrekt aan (de penvoerders van) samenwerkingsverbanden. In het bijzonder wordt de vorming van consortia aangemoedigd, waarbij partijen uit verschillende schakels van de keten samenwerken om de mismatch tussen vraag en aanbod op te lossen voor specifieke producten of materialen.

 

In aanmerking komende partijen zijn bijvoorbeeld:

  • Sloopbedrijven en demontage- en inventarisatiespecialisten: De 'oogsters' die verantwoordelijk zijn voor het schadevrij verwijderen van materialen.

  • Bouwbedrijven en aannemers (grootbedrijf en MKB): De partijen die de logistieke en bouwkundige implementatie verzorgen.

  • Architecten en ontwerp- en adviesbureaus: De creatieve schakel die vrijgekomen materialen vanaf de ontwerpfase integreert (vraagsturing).

  • Opdrachtgevers (publiek en private sector): Woningcorporaties, vastgoedontwikkelaars en gemeenten die als 'launching customer' fungeren: de eerste klant die een nieuw product of dienst in gebruik neemt en een cruciale rol speelt in de marktintroductie ervan.

  • Kennis- en keuringsinstanties: Instanties die zich bezighouden met het valideren van de kwaliteit van geoogste materialen.

  • Andere partijen die actief zijn in de sloop-, renovatie- en bouwketen.

Kennisdeling en leerdoel

Een belangrijk uitgangspunt van deze openstelling is dat de resultaten van de projecten niet alleen ten goede komen aan de individuele subsidieontvangers, maar aan de sector als geheel. Daarom zijn, op grond van de regeling, subsidieontvangers verplicht om medewerking te verlenen aan kennisdeling over het project via de provincie. De provincie kan de inzichten in de resultaten van de projecten benutten voor verdere beleidsontwikkeling en voor het verbeteren van randvoorwaarden voor circulaire sloop en oogst in Zuid-Holland. Kennisdeling is ook een belangrijk thema voor het vernieuwersnetwerk CIRCUIT.

 

II. Artikelsgewijs

Artikel 1

Op dit openstellingsbesluit zijn de begripsbepalingen van artikel 1.1 van de regeling van toepassing. In aanvulling hierop is specifiek voor dit openstellingsbesluit een begripsomschrijving opgenomen van circulaire sloop en oogst.

 

Artikel 2

Op grond van artikel 2, eerste lid, van dit openstellingsbesluit kan subsidie worden verstrekt voor doorbraakprojecten ten behoeve van circulaire sloop en oogst in Zuid-Holland. Een doorbraakproject is in artikel 1.1 van de regeling omschreven als een circulair ketenproject dat gericht is op radicale en baanbrekende innovatie en dat zorgt voor een systeemverandering. Een circulair ketenproject is in artikel 1.1 van de regeling omschreven als een samenhangend geheel van activiteiten om producten, processen, diensten of businessmodellen circulair te ontwerpen, produceren of organiseren.

 

Op grond van artikel 2.2 van de regeling kan een aanvraag voor subsidie voor doorbraakprojecten uitsluitend worden verstrekt aan de penvoerder van een samenwerkingsverband. Op grond van artikel 2.3 van de regeling geldt ten aanzien van dit samenwerkingsverband dat deze bestaat uit ten minste twee partners uit de keten en dat de penvoerder van het samenwerkingsverband rechtspersoonlijkheid heeft. Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van de Asv geldt voor een samenwerkingsverband verder dat de samenwerking is vastgelegd in een door alle deelnemers ondertekende samenwerkingsovereenkomst die in ieder geval bevat:

  • a. de instemming van alle deelnemers over de aanwijzing van de penvoerder om de subsidieaanvraag in te dienen;

  • b. de bevoegdheid van de penvoerder om de betaling van het subsidiebedrag te ontvangen;

  • c. de instemming van alle deelnemers met de subsidiabele activiteit;

  • d. de verdeling van de verantwoordelijkheden, bevoegdheden en financiële verplichtingen betreffende de inkomsten en uitgaven van de deelnemers.

Artikel 3

In artikel 3 van het openstellingsbesluit staan de vereisten om voor subsidie in aanmerking te komen. Ook in artikel 2.3, eerste lid, van de regeling staan vereisten. Aan al deze vereisten moet worden voldaan.

 

Een van de vereisten is dat het moet gaan om een doorbraakproject. Dit begrip is omschreven in artikel 1.1 van de regeling. Een ander vereiste is dat het project is gericht op experimentele ontwikkeling. Dit begrip is in artikel 1.1 van de regeling omschreven onder verwijzing naar artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. In dat artikelonderdeel wordt experimentele ontwikkeling omschreven als: “het verwerven, combineren, vormgeven en gebruiken van bestaande wetenschappelijke, technologische, zakelijke en andere relevante kennis en vaardigheden, gericht op het ontwikkelen van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten, daaronder begrepen digitale producten, processen of diensten, ongeacht domein, technologie, bedrijfstak of sector (met inbegrip van, doch niet beperkt tot digitale bedrijfstakken en technologieën, zoals supercomputers, kwantumtechnologie, blockchaintechnologie, artificiële intelligentie, cyberbeveiliging, big data en cloudtechnologie). Dit kan bijvoorbeeld ook activiteiten omvatten die gericht zijn op de conceptuele formulering, planning en documentering van nieuwe producten, procedés of diensten. Experimentele ontwikkeling kan prototyping, demonstraties, pilotontwikkeling, testen en validatie omvatten van nieuwe of verbeterde producten, procedés of diensten in omgevingen die representatief zijn voor het functioneren onder reële omstandigheden, met als hoofddoel verdere technische verbeteringen aan te brengen aan producten, procedés of diensten die niet grotendeels vaststaan. Dit kan de ontwikkeling omvatten van een commercieel bruikbaar prototype of pilot die noodzakelijkerwijs het commerciële eindproduct is en die te duur is om te produceren alleen met het oog op het gebruik voor demonstratie- en validatiedoeleinden. Onder experimentele ontwikkeling wordt niet verstaan routinematige of periodieke wijziging van bestaande producten, productielijnen, fabricageprocessen, diensten en andere courante activiteiten, zelfs indien die wijzigingen verbeteringen kunnen inhouden.”

 

Verder geldt dat een aanvraag minimaal 20 punten moet behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. Daarmee wordt gewaarborgd dat enkel een doorbraakproject dat in voldoende mate een radicale en baanbrekende innovatie is, voor subsidie in aanmerking komt.

 

Artikel 6 Subsidiehoogte

In artikel 6 van het openstellingsbesluit staat het maximale subsidiebedrag per aanvraag. Dit in aanvulling op artikel 2.4, eerste en tweede lid, van de regeling. In die artikelleden van de regeling staan de maximumsubsidiepercentages voor doorbraakprojecten gericht op experimentele ontwikkeling, zoals aan de orde in dit openstellingsbesluit. Artikel 2.4, eerste lid, van de regeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.

 

Op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de regeling bedraagt de subsidiehoogte als het project op experimentele ontwikkeling is gericht, zoals hier aan de orde, maximaal 25% van de subsidiabele kosten. Het subsidiepercentage van artikel 2.4, eerste lid, van de regeling kan worden verhoogd met:

  • a. 10% indien de aanvrager een middelgrote onderneming is;

  • b. 20% indien de aanvrager een kleine onderneming is;

  • c. 15% indien aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • o

      i. het project behelst daadwerkelijke samenwerking tussen:

      • ▪︎

        1°. ondernemingen waarvan er ten minste één een kleine of middelgrote onderneming is en geen van de ondernemingen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor haar rekening neemt; of

      • ▪︎

        2°. een onderneming en één of meer organisaties voor onderzoek en kennisverspreiding, waarbij deze organisaties ten minste 10% van de in subsidiabele komende kosten dragen en het recht hebben hun eigen onderzoeksresultaten te publiceren;

    • o

      ii. de projectresultaten worden ruim verspreid via conferenties, publicaties, open access-repositories of gratis of opensource-software.

De eventuele verhoging van het subsidiepercentage op grond van artikel 2.4, tweede lid, onder a of b, is afhankelijk van de penvoerder van het samenwerkingsverband. Als de penvoerder een middelgrote onderneming is, kan het percentage met 10% worden verhoogd. Is de penvoerder een kleine onderneming, dan geldt een percentage van 20%.

 

De subsidiabele kosten voor doorbraakprojecten gericht op experimentele ontwikkeling staan in artikel 1.3 van de regeling. Die kosten zijn in lijn met de algemene groepsvrijstellingsverordening. Deze kosten zijn, voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie:

  • a. personeelskosten: onderzoekers, technici en ander ondersteunend personeel voor zover zij zich met het onderzoeksproject bezighouden;

  • b. kosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project;

  • c. kosten van gebouwen en gronden voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project;

  • d. kosten van contractonderzoek, kennis en octrooien die op arm’s length-voorwaarden worden gekocht of waarvoor een licentie wordt verleend door externe bronnen, alsmede kosten voor consultancy en gelijkwaardige diensten die uitsluiten voor het project worden gebruikt;

  • e. bijkomende algemene kosten en andere operationele uitgaven, waaronder die voor materiaal, leveranties en dergelijke producten, die rechtstreeks uit het project voortvloeien.

In artikel 2.5 van de Asv staan algemene kosten die in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking komen.

 

Voor wat betreft bevoorschotting en betaling geldt op grond van artikel 1.7 van de regeling dat het voorschot voor subsidies van €25.000,- en hoger maximaal 80% van het verleende subsidiebedrag bedraagt en dat het voorschot op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen wordt uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.

 

In artikel 1.5 van de regeling zijn in aanvulling op de algemene verplichtingen in de Asv, specifieke verplichtingen van de subsidieontvanger opgenomen. Deze verplichtingen zijn in ieder geval:

  • a. de bevindingen en resultaten van het project worden toegankelijk gemaakt voor derden;

  • b. er wordt medewerking verleend aan kennisdeling over het project via de provincie;

  • c. het project is binnen 3 jaar na dagtekening van de subsidieverleningsbeschikking gerealiseerd. Van deze termijn is verlening mogelijk.

Ten aanzien van verantwoording geldt dat, gelet op de toepasselijke Europese staatssteunregelgeving, en op grond van artikel 1.8 van de regeling, artikel 4.3, eerste en tweede lid, van de Asv van overeenkomstige toepassing is, met uitzondering van een door een onafhankelijke account afgegeven verklaring. Dit betekent dat de aanvraag voor subsidievaststelling in ieder geval vergezeld gaat van een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan, en ook van een financieel verslag, of een jaarrekening als bedoeld in artikel 361 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waarin de gesubsidieerde activiteiten afzonderlijk zijn verantwoord.

 

Op grond van artikel 1.4 van de regeling wordt de subsidie in aanvulling op artikel 2.6 van de Asv voor zover hier van belang ten slotte geweigerd als:

  • a. de aanvrager een onderneming in moeilijkheden is als bedoeld in artikel 2, onder 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • b. voor zover er sprake is van ongeoorloofde cumulatie van steun als bedoeld in artikel 8 van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

  • c. voor het project reeds subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere provinciale subsidieregeling;

  • d. de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 50.000,00 voor doorbraakprojecten;

  • e. de totale projectkosten minder bedraagt dan: € 75.000,00 voor doorbraakprojecten.

Artikel 7 Verdelingswijze

Alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen worden gerangschikt. Om de rangschikking te bepalen worden de aanvragen getoetst aan de drie criteria, genoemd in artikel 2.5, derde lid, van de regeling. Per criterium kan 0 tot en met 5 punten behaald worden. Aan elk criterium is een wegingsfactor toegekend. De totaal behaalde puntenscore op basis van de beoordelingscriteria wordt berekend door per criterium het aantal behaalde punten te vermenigvuldigen met de wegingsfactor. Vervolgens worden alle scores op de criteria bij elkaar opgeteld.

 

Toelichting beoordelingscriteria (artikel 7, eerste lid, onder a)

In de regeling staan in artikel 2.5, derde lid, de volgende beoordelingscriteria:

  • Fundamenteel vernieuwend;

  • Impact;

  • Haalbaarheid.

Voor een uitgebreidere toelichting op die criteria wordt verwezen naar de regeling. Die toelichting is de basis voor de scores per criterium.

 

CRITERIUM 1: mate van fundamenteel vernieuwend

Nieuwe manier van denken

Bij de nieuwe manieren van denken wordt in de regeling verwezen naar de R-ladder:

 

 

Algemene toelichting op de R-ladder:

Producten worden overbodig door van de functie af te zien (refuse);

  • Productgebruik wordt geïntensiveerd, bijvoorbeeld door het delen of het maken van multifunctionele producten (rethink);

  • Producten efficiënter gefabriceerd worden door minder grondstoffen en materialen in het product of tijdens het gebruik ervan (reduce);

  • Het project richt zicht op hergebruik van afgedankt, nog goede producten die dezelfde functie kunnen vervullen voor andere gebruikers (re-use);

  • het project richt zich op repair, refurbish, remanufacture en/of repurpose door:

    • o

      Reparatie en onderhoud van kapotte producten voor gebruik in de oude functie(s) (repair);

    • o

      Het opknappen of moderniseren van oude producten (refurbish);

    • o

      Onderdelen van afgedankte producten te gebruiken in nieuwe producten met dezelfde functie (remanufacture);

    • o

      Afgedankte producten of onderdelen daarvan te gebruiken in nieuwe producten met een andere functie (repurpose);

  • Het project richt zich op recyclen, door materialen te verwerken tot dezelfde (hoogwaardige) of mindere (laagwaardige) kwaliteit.

Nieuwe manier van organiseren

In samenhang wordt gekeken naar de volgende aspecten:

Welke partners zijn betrokken:

  • De partijen die belangrijk zijn om het project tot een goed einde te brengen zijn betrokken;

  • Naast direct betrokken partijen ondersteunen zo nodig ook andere relevante partijen het project;

  • Bij ontbrekende partijen: er is een (plausibele) onderbouwing voor het ontbreken van de partij(en) en/of een plan om hen alsnog te betrekken.

Samenwerking tussen de partners:

  • De partijen hebben een andere financiële samenwerking opgezet dan in een lineaire samenwerking;

  • De partijen hebben een andere verantwoordelijkheid tot elkaar dan in een lineaire samenwerking;

  • De partijen hebben op een andere manier de samenwerking tussen de ketenpartners vastgelegd.

Nieuwe manier van doen

Nieuw denken en organiseren moet ook leiden tot nieuw doen (nieuwe praktijken). Verandert het routines en handelingen? Lokt het ander gedrag van publieke en private partijen uit? Voor het doorbreken van routines of het aanpassen van gedrag weegt mee welke voordelen dit alternatieve gedrag met zich meebrengt.

 

In samenhang wordt gekeken naar de volgende aspecten:

  • Het project breekt dagelijkse routines en handelingen en/of het lokt ander gedrag uit bij ketenpartijen;

  • Dit gedrag wordt aannemelijk geprikkeld, door middel van een ‘benefit’ in de zin van:

    • o

      Een economische opbrengst (c.q. minder kosten).

    • o

      Transactiekosten (‘kosten’ niet in letterlijke financiële zin, maar breder: moeite doen of tijd besteden valt hier ook onder).

    • o

      Niet-materiele opbrengsten/voordelen (bijv. ideologisch, status, zelfontplooiing, natuurwaarden);

  • Het is aannemelijk dat deze benefits sterk genoeg zijn zodat de eindgebruiker het gedrag daarop aanpast;

  • Het nieuwe gedrag is niet eenmalig maar heeft de potentie om de standaard gang van zaken te worden.

Scores fundamenteel vernieuwend

Op basis van bovenstaande aspecten (nieuwe manieren van denken, doen en organiseren) en in samenhang met elkaar wordt de mate van fundamenteel vernieuwend zeer slecht, slecht, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd:

 

0 punten bij kwalificatie zeer slecht

1 punt bij kwalificatie slecht

2 punten bij kwalificatie matig

3 punten bij kwalificatie voldoende

4 punten bij kwalificatie goed

5 punten bij kwalificatie zeer goed

 

CRITERIUM 2: mate van impact

Materiële impact

Bij materiële impact betreft het de directe resultaten, zoals de vermindering van CO₂-uitstoot of de afname van materiaal- en grondstoffengebruik in de totale keten c.q. over de totale levensduur. Het nader onderzoeken kan in dat geval onderdeel worden van het project, na indiening, indien aannemelijk is gemaakt dat de potentie tot reductie op materieel gebied bestaat.

 

In samenhang wordt gekeken naar de volgende aspecten:

  • Het project heeft direct materieel resultaat in de vorm van verminderd (primair, biotisch of abiotisch) materiaal- of grondstoffenverbruik;

  • Het project heeft direct materieel resultaat in de vorm van CO2-reductie;

  • De materiële claim is (plausibel) onderbouwd door onderzoek(en) of is aannemelijk gemaakt.

Iconische impact

Bij iconische impact wordt gekeken naar een verandering in gangbare ideeën, de dominante maatschappelijke discussie en onderliggende dominante modellen of theorieën.

 

In samenhang wordt gekeken naar de volgende aspecten:

  • Het project fungeert als icoon voor de (achterliggende) visie en zet aan tot nieuw denken;

  • Het project brengt een discussie op gang op maatschappelijk gebied of op gebied van beleid.

Scores mate van impact

Op basis van bovenstaande aspecten van impact en in samenhang met elkaar wordt de mate van impact zeer slecht, slecht, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd:

 

0 punten bij kwalificatie zeer slecht

1 punt bij kwalificatie slecht

2 punten bij kwalificatie matig

3 punten bij kwalificatie voldoende

4 punten bij kwalificatie goed

5 punten bij kwalificatie zeer goed

 

CRITERIUM 3: mate van haalbaarheid

Bij de score op haalbaarheid wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:

  • De kwaliteit van het plan van aanpak:

    • o

      De kwaliteit van de uitwerking van het plan;

    • o

      De mate van volledigheid van het plan;

    • o

      De inschatting van de uitvoering van het plan;

    • o

      Het plan wekt vertrouwen voor de uitvoering.

    • o

      Het plan, de beoogde impact en de mate van fundamentele vernieuwing staan in verhouding tot het aangevraagde subsidiebedrag.

  • De kwaliteit en samenstelling van het samenwerkingsverband en het team. Het gaat hier om de samenstelling, de competenties van de individuen of partijen en de ervaring met veranderprojecten:

    • o

      Het team heeft een diverse samenstelling van verschillende kwaliteiten en achtergronden, waarbij er gekeken wordt of er rekening is gehouden met initiatieven van onderop zoals sociale ondernemers;

    • o

      Alle benodigde kwaliteiten en achtergronden zijn aanwezig in het team;

    • o

      Indien kwaliteiten of achtergronden ontbreken wordt (plausibel) onderbouwd hoe dit wordt opgevangen gedurende het project;

    • o

      Het team wekt vertrouwen over de uitvoer van het project door eerder bewezen kwaliteiten, ofwel in de voorbereiding op dit project ofwel in eerdere projecten.

  • De oriëntatie op de uitvoerbaarheid van de innovatie in de praktijk:

    • o

      De context waarin het project zich bevindt is omschreven;

    • o

      Het project bevindt zich in een omgeving waar de haalbaarheid wordt gestimuleerd, doordat er steun, betrokkenheid, enthousiasme en eigenaarschap vanuit diverse netwerken voor het initiatief is;

    • o

      Het project sluit aan bij urgenties en noden van betrokkenen, of speelt slim in op de kansen en crises in de omgeving;

    • o

      Niet alleen de uitvoerbaarheid van het doorbraakproject maar er wordt ook inzicht gegeven in de toekomstige uitvoerbaarheid van in de gewone praktijk en mogelijke obstakels daarvoor.

Scores mate van haalbaarheid

Op basis van bovenstaande aspecten en in samenhang met elkaar wordt de mate van haalbaarheid zeer slecht, slecht, matig, voldoende, goed of zeer goed gekwalificeerd:

 

0 punten bij kwalificatie zeer slecht

1 punt bij kwalificatie slecht

2 punten bij kwalificatie matig

3 punten bij kwalificatie voldoende

4 punten bij kwalificatie goed

5 punten bij kwalificatie zeer goed.

 

Toelichting wegingsfactoren (artikel 7, eerste lid, onder b)

Het doel van de regeling en deze openstelling is om doorbraakprojecten te stimuleren en te ondersteunen. De puntenscore per criterium wordt vermenigvuldigd met een wegingsfactor. De volgende wegingsfactoren zijn van toepassing:

  • I. 3 voor het criterium, genoemd onder a, mate van fundamenteel vernieuwend;

  • II. 2 voor het criterium, genoemd onder c, haalbaarheid van het project;

  • III. 1 voor het criterium, genoemd onder b, mate van impact.

De rangschikking wordt gemaakt aan de hand van de behaalde scores op deze criteria in combinatie met de wegingsfactor. Fundamenteel vernieuwend heeft als wegingsfactor 3, omdat dit criterium voor de innovatie en een systeemverandering, en uiteindelijk de transitie naar een circulaire economie, het meest belangrijke aspect is. Het gaat hierbij om de nieuwe manieren van denken, doen en organiseren die daartoe moeten leiden. Met de hoge score op dit criterium wordt gestimuleerd dat doorbraakprojecten fundamenteel vernieuwend zijn. Goede voorbeelden van fundamentele vernieuwing kunnen anderen doen laten volgen.

 

Haalbaarheid heeft als wegingsfactor 2, omdat dit aspect op orde moet zijn voor een goede uitvoering in de praktijk. De randvoorwaarden moeten in beeld zijn.

 

Impact heeft als wegingsfactor 1, omdat de verschillende vormen van impact belangrijk zijn voor doorbraakprojecten om te zorgen voor systeemverandering.

 

Toelichting spreiding van beschikbare middelen (artikel 7, vijfde lid)

Het uitgangspunt is dat de verdeling van de subsidie over volledige subsidieaanvragen plaatsvindt op basis van de rangschikking daarvan. Onverminderd dit uitgangspunt, schrijft het vijfde lid voor, met het oog op spreiding van beschikbare middelen, dat wanneer ten aanzien van meerdere onderwerpen als bedoeld in artikel 3, onder g, subsidieaanvragen zijn ingediend, in ieder geval per onderwerp één subsidieaanvraag, namelijk die met het hoogste aantal punten, voor subsidie in aanmerking komt.

Naar boven