Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2026, 6811 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2026, 6811 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Wijzigingsbesluit Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Zeeland 2021
Artikel 12. Reserves, tweede lid komt als volgt te luiden:
De ondersteunende stichting rapporteert over de hoogte van de opgebouwde reserve in de jaarrekening.
Artikel 12. Reserves, vijfde lid komt als volgt te luiden:
Indien tijdens of na een zittingsperiode een fractie wordt opgeheven dient binnen drie maanden een voorlopige eindafrekening te worden opgesteld, waarbij rekening wordt gehouden met lopende verplichtingen. De opgebouwde reserve wordt op basis van deze voorlopige eindafrekening terstond teruggestort aan de Provincie. De definitieve eindafrekening en terugstorting van de resterende reserve dient binnen zes maanden plaats te vinden. Indien een fractie na opheffing van een bankrekening alsnog bankkosten in rekening gebracht krijgt dan wordt hiermee rekening gehouden in de definitieve afrekening.
Aan Artikel 12. Reserves een zevende lid toe te voegen dat luidt:
De bedragen, bedoeld in het vierde en vijfde lid, worden na terugstorting aan de provincie in de eerste plaats aangewend ter aanvulling van de bestemmingsreserve fractieondersteuning tot het op dat moment vereiste niveau. Het vereiste niveau van deze reserve wordt ten minste eenmaal per vier jaar, aan het einde van de statenperiode, opnieuw vastgesteld.
Aan Artikel 12. Reserves een achtste lid toe te voegen dat luidt:
Wanneer als gevolg van de verkiezingen, aan het einde van de statenperiode, de financiële bijdrage van een stichting niet toereikend is om te voldoen aan de wettelijke verplichting om een transitievergoeding uit te keren aan een fractieondersteuner, dan dient eerst de reserve, die bestaat uit het in enig jaar door de fractie niet gebruikte gedeelte van de haar toekomende bijdrage, hiervoor te worden aangewend.
Aan Artikel 12. Reserves een negende lid toe te voegen dat luidt:
Wanneer ook de reserve, genoemd in het vorige lid, niet toereikend is dan kan door de fractie bij provinciale staten een gemotiveerd verzoek worden ingediend voor een aanvullende financiële bijdrage.
Artikel 13. Administratieve verplichtingen, zesde lid komt als volgt te luiden:
Er mogen geen kosten ten laste worden gebracht van de middelen voor fractieondersteuning die betrekking hebben op een andere statenperiode dan de lopende. Uitzondering hierop vormen kosten met betrekking tot werkgeverslasten die noodzakelijkerwijs gemaakt moeten worden na de verkiezingen (bijv. transitiekosten, doorlopende Arbo-verzekering of een bestuurdersaansprakelijkheid verzekering). Indien boekhoudkundig mogelijk worden de kosten toegerekend aan de periode waar ze betrekking op hebben.
Aan Artikel 13. Administratieve verplichtingen, een zevende lid toe te voegen dat luidt:
Om te kunnen voldoen aan de vereisten, bedoeld in het eerste tot en met het zesde lid, wordt de administratie door de ondersteunende stichtingen ondergebracht bij hetzelfde administratiekantoor met uitzondering van de ondersteunende stichtingen die voor de financiële verantwoording al gebruik maakten van een administratiekantoor.
Artikel 14. Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage, komt als volgt te luiden:
Onverminderd het bepaalde in artikel 12 vierde tot en met zesde lid, legt elke fractie, binnen drie maanden na het einde van een kalenderjaar, aan provinciale staten verantwoording af over de besteding (binnen het bij deze verordening horende normenkader zoals opgenomen in bijlage I) van de bijdrage voor fractieondersteuning.
Het door de ondersteunende stichting van de fracties ingediende verslag met de financiële verantwoording wordt gecontroleerd door een door provinciale staten aan te wijzen registeraccountant volgens het bij deze verordening horende controleprotocol zoals opgenomen in bijlage II. De accountant rapporteert over de uitkomsten van de controle aan provinciale staten door middel van een beoordelingsverklaring en een rapport van bevindingen.
Indien een fractie niet tijdig verantwoording aflegt over de besteding van de bijdrage voor fractieondersteuning, draagt de fractie zelf zorg voor het verstrekken van de opdracht aan de door provinciale staten aangewezen registeraccountant, bedoeld in het derde lid. De kosten die hieruit voortvloeien komen voor rekening van de betreffende fractie.
Aan de verordening toe te voegen een nieuw artikel 15. Hardheidsclausule:
In alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet of interpretatieverschillen zich voordoen, beslissen provinciale staten.
En de huidige artikelen 15. Intrekking oude verordening en overgangsrecht en 16. Inwerkingtreding en citeertitel te vernummeren naar artikel 16. Intrekking oude verordening en overgangsrecht en artikel 17. Inwerkingtreding en citeertitel.
De in de toelichting opgenomen tabel 'Kosten betalen uit het fractiebudget of niet?’ wordt verplaatst en toegevoegd als bijlage I, waarbij het opschrift komt te luiden:
Bijlage I Normenkader als bedoeld in artikel 14, eerste lid van de verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2021.
i Indexatie overeenkomstig Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
ii Indexatie overeenkomstig Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers
iii Indexatie eens per vier jaar op basis van consumentenprijsindex (CPI)
iv Indexatie eens per vier jaar op basis van consumentenprijsindex (CPI)
Aan de verordening wordt een bijlage II toegevoegd, luidende:
Bijlage II Controleprotocol als bedoeld in artikel 14, derde lid van de verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2021.
Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning 2021 provincie Zeeland (de Verordening) vanaf Hoofdstuk 3. Fractieondersteuning.
Dit controleprotocol is van toepassing met ingang van het verantwoordingsjaar 2026
De Verordening regelt dat de ondersteunende stichtingen van de fracties (hierna: “stichting”) een financiële bijdrage ontvangen van provinciale staten ter ondersteuning van het functioneren van de fractie. Elke stichting legt, binnen drie maanden na het einde van een boekjaar, aan provinciale staten verantwoording af over de besteding van deze financiële bijdrage voor fractieondersteuning. Deze verantwoordingsplicht schort op tot drie maanden na de verkiezingen voor de periode 1 januari tot en met 31 maart voorafgaand aan de verkiezingen.
De doelstelling van de beoordeling van het totaaloverzicht (waar de individuele verantwoordingen van de stichtingen aan ten grondslag liggen) door de accountant is om een beperkte mate van zekerheid te verkrijgen, voornamelijk door het verzoeken om inlichtingen en het uitvoeren van cijferanalyses, over de vraag of het totaaloverzicht geen afwijkingen van materieel belang bevatten. Hierdoor wordt de accountant in staat gesteld een conclusie tot uitdrukking te brengen dat hem niets is gebleken op grond waarvan de accountant zou moeten concluderen dat het totaaloverzicht niet, in alle van materieel belang zijde opzichten, is opgesteld in overeenstemming met de Verordening. De assurance-opdracht betreft een beoordeling door de accountant gericht op het verkrijgen van een beperkte mate van zekerheid, die resulteert in een beoordelingsverklaring.
Hieronder wordt in aanvulling op de definities uit de Verordening voor een aantal begrippen een definitie gegeven:
Het proces van het opstellen van de verantwoording door de ondersteunende stichtingen van de fracties tot het aanbieden daarvan aan provinciale staten en termijnen die daarbij worden gehanteerd zijn:
provinciale staten stellen de hoogte van de definitieve financiële bijdrage per fractie vast op de binnen de Verordening passende uitgaven in het boekjaar op basis van het totaaloverzicht met de beoordelingsverklaring van de accountant en een verslag van bevindingen met de uitkomsten van de beoordeling van de accountant.
De statengriffier is namens provinciale staten verantwoordelijk voor het geven van de opdracht aan de accountant. Informatie over de Verordening, de daarin opgenomen tabel “Kosten betalen uit het fractiebudget of niet?”, de procedure en het totaaloverzicht is in te winnen bij de statenadviseur financiën. Informatie over de door het bestuur van de stichting opgestelde verantwoording van de individuele fractie kan via de statenadviseur financiën worden opgevraagd bij de desbetreffende penningmeester van de stichting.
De accountant beoordeelt zowel de opgestelde verantwoordingen door de besturen van de ondersteunende stichtingen, het door de statengriffie op basis van de door de stichtingen verstrekte verantwoordingen opgestelde totaaloverzicht als de uitgaven die zijn gedaan door de stichtingen en de ontvangen financiële bijdragen. De financiële bijdragen moeten zijn uitgegeven overeenkomstig de hieraan gestelde voorwaarden in de Verordening.
Bij eventuele onduidelijkheid over de aanvaardbaarheid van uitgaven, kan door de opsteller (het bestuur van de ondersteunende stichting) van de verantwoording of de accountant afstemming worden gezocht met de statenadviseur financiën. De statenadviseur financiën kan vervolgens, waar nodig, via de statengriffier afstemming zoeken met het presidium voor nadere duiding van aanvaardbare uitgaven.
Betrouwbaarheid en materialiteit
De beoordeling behoort zodanig te worden ingepland en uitgevoerd dat een beperkte mate van zekerheid wordt verkregen dat het totaaloverzicht geen afwijkingen (fouten) van materieel belang bevat.
Een goedkeurende beoordelingsverklaring impliceert dat de accountant geen reden heeft te veronderstellen dat het totaaloverzicht niet voldoet aan de normen van de in de toelichting op de Verordening opgenomen tabel “Kosten betalen uit het fractiebudget of niet?”.
Het totaalbedrag van de uitgaven van de stichtingen volgens het totaaloverzicht vormt de omvangsbasis waarop de toleranties in onderstaande tabel moeten worden toegepast. Voor de strekking van de beoordelingsverklaring gelden de volgende toleranties:
Indien de accountant zowel fouten in het totaaloverzicht als onzekerheden in de beoordeling aantreft, dan weegt de accountant deze bij de oordeelsvorming altijd in onderlinge samenhang.
Van fouten in het totaaloverzicht is sprake indien naar aanleiding van de uitgevoerde beoordeling is gebleken dat het totaaloverzicht onjuistheden bevat omdat deze niet voldoet aan de normen van de in de toelichting op de Verordening opgenomen tabel “Kosten betalen uit het fractiebudget of niet?”.
Van een onzekerheid in de beoordeling is sprake als er onvoldoende (assurance-) informatie beschikbaar is om posten in het totaaloverzicht als goed of fout aan te merken. Kortom als onzekerheid bestaat over het wel of niet voldoen aan de normen van de in de toelichting op de Verordening opgenomen tabel “Kosten betalen uit het fractiebudget of niet?”.
Voor fouten die worden geconstateerd tijdens de beoordeling geldt dat deze, voor zover dat mogelijk is, worden gecorrigeerd door het bestuur van de ondersteunende stichting in de verantwoording en vervolgens door de statengriffie in het totaaloverzicht. Als de accountant dan nog geen beoordelingsverklaring met een goedkeurende strekking kan afgeven dan wordt afstemming gezocht met het presidium via de statengriffier.
Provinciale staten willen alle bevindingen opgenomen zien in het verslag van bevindingen en hanteren dus geen rapporteringstolerantie.
Hoofdstuk 3 Accountantsproducten
Provinciale staten verwachten een beoordelingsverklaring van de accountant die voldoet aan de Nederlandse Standaard 2400 ‘Opdrachten tot het beoordelen van financiële overzichten’. Daarnaast verwachten provinciale staten een verslag van bevindingen waarin de accountant de bevindingen per individuele verantwoording (dus per fractie) uiteenzet.
De toelichting op de verordening komt als volgt te luiden:
Toelichting op de Verordening ambtelijke bijstand en fractieondersteuning Zeeland 2021
Artikel 33 van de Provinciewet (hierna: wet) bepaalt dat provinciale staten en elk van zijn leden recht hebben op ambtelijke bijstand (eerste lid) en dat de in de staten vertegenwoordigde groeperingen (de fracties) recht hebben op ondersteuning (tweede lid). Met betrekking tot de ambtelijke bijstand en de ondersteuning van fracties moeten provinciale staten een verordening vaststellen die ten aanzien van de ondersteuning regels over de besteding en de verantwoording bevat (derde lid). Met deze verordening wordt hieraan invulling gegeven.
De formulering van artikel 33 van de wet laat buiten twijfel dat individuele statenleden, dus ook die behorend tot een minderheid in provinciale staten, recht hebben op ambtelijke bijstand. Op deze verordening kan door alle statenleden een beroep worden gedaan.
De financiële bijdrage voor de fractieondersteuning is een subsidie als bedoeld in artikel 4:21, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Dit betekent dat titel 4.2 van de Awb van toepassing is op het verstrekken van de financiële bijdrage en dat het besluit van provinciale staten waarmee – na verantwoording en controle – de hoogte van de financiële bijdrage wordt vastgesteld (zie artikel 14) vatbaar is voor bezwaar en beroep.
In deze verordening vervult de griffier een centrale rol. De hoofdverantwoordelijkheid van de griffier is de ondersteuning van provinciale staten; de griffier is onder andere het eerste aanspreekpunt als het gaat om verzoeken om informatie en bijstand van statenfracties. Een nadere omschrijving van en toelichting op de taken van de griffier is vastgelegd in de ambtsinstructie van de griffier. De griffiemedewerkers vallen onder het gezag van de griffier. De medewerkers die niet formeel ondergebracht zijn bij de griffie handelen in ieder geval bij de uitvoering van de werkzaamheden voor de griffie overeenkomstig de aanwijzingen van de griffier.
De griffier vervult, via de secretaris, ook de rol van schakel tussen de statenleden en de reguliere ambtelijke organisatie. Dat de staten over een griffier met griffie beschikken die bijstand kan verlenen, betekent niet dat er geen behoefte is aan ambtelijke bijstand door de reguliere ambtelijke organisatie. De griffie is, in vergelijking met de reguliere organisatie, beperkt in omvang. Voor specialistische hulp op het gebied van het maken van amendementen, moties en regelingen zal in bepaalde gevallen een beroep op deze organisatie dan ook nodig zijn. Dit geldt ook voor specifieke informatie die alleen bij de reguliere ambtelijke organisatie beschikbaar is. Omdat de griffier geen zeggenschap heeft over de reguliere ambtelijke organisatie zal daarom de secretaris in dergelijke gevallen de ambtenaar die de ambtelijke bijstand verleent moeten aanwijzen. Daarom zijn bepaalde aspecten van de rol van de secretaris in deze verordening nader uitgewerkt.
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven behandeld.
Bijstand in de vorm van ondersteuning bij het opstellen van voorstellen, amendementen en moties kan verleend worden door ambtenaren die onder het gezag van provinciale staten vallen (artikel 104e van de wet) of door de reguliere ambtelijke organisatie die onder het gezag van het college valt (artikel 158 van de wet). Hoewel medewerkers van de griffie wel ambtenaren zijn in de zin van de Ambtenarenwet, is de term ‘ambtelijke bijstand’ in deze verordening voorbehouden aan het verlenen van bijstand door medewerkers van de reguliere ambtelijke organisatie.
In deze bepaling is voorzien in een eigen en gezamenlijke zorgplicht van griffier en secretaris met betrekking tot verzoeken om bijstand en in daartoe te voeren overleg.
Artikel 3. Verzoek om informatie
Statenleden die feitelijke informatie van geringe omvang nodig hebben of inzage of afschrift van bij provinciale staten, gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning berustende schriftelijke stukken, hoeven zich niet via de formele weg van artikel 167, tweede en volgende lid, van de wet tot het college te richten. In dit artikel is bepaald dat zij hun verzoek aan de griffier kunnen richten. Verzoeken die betrekking hebben op documenten waarop al dan niet geheimhouding rust, worden eveneens aan de griffier gericht. Daarbij wordt er voor de volledigheid op gewezen dat de griffier een opgelegde geheimhouding in acht moet nemen. Als een lid van provinciale staten geheime stukken opvraagt die alleen mogen worden ingezien, moet de griffier het verzoek van het Statenlid doorgeleiden naar het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd. Ook hier geldt dat informatie die gedeeld wordt met één lid beschikbaar is voor alle statenleden.
Een verzoek kan ook namens een statenlid door een fractiemedewerker worden gedaan. De griffier (of één van de griffiemedewerkers) verstrekt de informatie zo spoedig mogelijk (tweede lid). Als de griffier niet in staat is om volledig tegemoet te komen aan het verzoek, kan hij de secretaris vragen of de reguliere ambtelijke organisatie de informatie kan leveren. Het is in lijn met de onderlinge taakverdeling dat de griffier het aanspreekpunt en de aangewezen persoon is om de voortgang in het proces te bewaken.
Artikel 4. Verzoek om bijstand
Ook verzoeken om bijstand moeten aan de griffier gericht worden. Als de griffier of de medewerkers statengriffie de verzochte ondersteuning niet kunnen leveren, verzoekt de griffier de secretaris om inzet van ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie. Het is aan de secretaris om te beoordelen of een van de in het derde lid genoemde ‘weigeringsgronden’ voor het door ambtenaren van de reguliere ambtelijke organisatie verlenen van ambtelijke bijstand zich voordoet. Een weigering kan bijvoorbeeld aan de orde zijn indien de gevolgen en frequentie van dergelijke verzoeken door of namens een statenlid om bijstand, naar het oordeel van de secretaris, een te groot beslag op de ambtelijke organisatie legt. Overigens ligt het bij een conflict over het al dan niet verlenen van ambtelijke bijstand in de rede dat de commissaris van de Koning, als voorzitter van provinciale staten en het college, hierover overleg voert met de secretaris, de griffier en indien nodig ook het betrokken statenlid (vierde lid).
Artikel 5. Geschil over verleende ambtelijke bijstand
Net als bij de weigering om ambtelijke bijstand door ambtenaren vanuit de reguliere ambtelijke organisatie te verlenen, kan de commissaris ook een rol vervullen als een statenlid niet tevreden is over de door een ambtenaar van de reguliere ambtelijke organisatie verleende ambtelijke bijstand. Als er een conflictsituatie ontstaat of dreigt te ontstaan kan de commissaris ook hier een bemiddelende rol spelen (tweede lid). De positie van de commissaris maakt hem bij uitstek geschikt voor deze taak als bruggenbouwer.
Artikel 6. Verstrekking informatie over verzoeken om ambtelijke bijstand
Dit artikel voorkomt dat de betreffende ambtenaar in een spagaat tussen staten en college terecht komt. Als een statenlid om ambtelijke bijstand verzoekt, moet hij ervan uit kunnen gaan dat de ambtenaar bij het verrichten van die werkzaamheden onafhankelijk opereert van het college. Om te verzekeren dat een ambtenaar niet door collegeleden onder druk wordt gezet om toch inlichtingen te verschaffen over het verzoek van een statenlid, is bepaald dat collegeleden zich voor informatie direct tot het betrokken statenlid wenden en niet tot de behandelend ambtenaar. Dit biedt bovendien een extra waarborg voor de onafhankelijke behandeling van een verzoek om ambtelijke bijstand.
De ambtenaar die ambtelijke bijstand verleent blijft echter wel onderdeel van de reguliere ambtelijke organisatie. Het verlenen van ambtelijke bijstand hoort tot de normale uitoefening van zijn taak. Als hij dit gedeelte van zijn taak niet goed uitoefent, behoudt het college de mogelijkheid om de ambtenaar hierop aan te spreken.
Het vragende statenlid heeft de mogelijkheid om geheimhouding te vragen over ambtelijke ondersteuning en/of het te geven advies. Omdat de ambtelijke ondersteuning altijd gericht is op activiteiten met een min of meer politiek karakter, is er geen verplichting voor het vragende statenlid om de reden van geheimhouding toe te lichten (tweede lid).
Artikel 7. Recht op financiële bijdrage
Fractieondersteuning wordt verstrekt als subsidie. De hoogte van het totale budget voor fractieondersteuning wordt door provinciale staten in de begroting opgenomen.
De fractieondersteuning bestaat uit een basisbedrag per in provinciale staten vertegenwoordigde fractie en een variabel deel per statenzetel van die fractie (tweede lid). Het basisbedrag wordt jaarlijks geïndexeerd met de CAO-loonindex omdat de financiële bijdrage bedoeld is voor ondersteuning van inhoudelijke aard, die veelal geleverd wordt door fractiemedewerkers die een arbeidsrelatie hebben met de ondersteunende stichtingen.
Het basisbedrag garandeert dat elke fractie de kans krijgt zich op een basisniveau te laten ondersteunen. Er wordt per zetel daarnaast een variabel deel toegekend, zodat ook ieder fractielid op gelijkwaardig niveau ondersteund kan worden.
De financiële bijdrage voor fractieondersteuning voldoet aan de definitie van subsidie van artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Omdat het verlenen van subsidies in de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 (hierna: ASV) onder artikel 6 aan het college gedelegeerd is, wordt voornoemde verordening uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard op de bijdrage voor fractieondersteuning. Niet alleen vanwege het dualisme tussen de staten en het college, maar ook omdat het regime in de ASV wezenlijk anders is dan het regime voor het verlenen, vaststellen en verantwoorden van de bijdrage voor fractieondersteuning (derde lid).
Artikel 8. Besteding financiële bijdrage
De fractie kan binnen de kaders van de verordening de bijdrage voor fractieondersteuning gebruiken voor inhoudelijke ondersteuning om de volksvertegenwoordigende, kaderstellende of controlerende rol van de fractie te versterken.
Dat betekent dat fracties de financiële bijdrage voor fractieondersteuning mogen besteden:
In dit artikel is een aantal doelen met name genoemd waarvoor de bijdrage in ieder geval niet gebruikt mag worden (tweede lid). Deze opsomming is niet limitatief. Naast uitgaven die strijdig zijn met de wet is, het uiteraard niet de bedoeling dat statenleden hun eigen vergoeding voor het statenwerk aanvullen met de financiële bijdrage voor fractieondersteuning statenwerk (zoals vastgelegd in het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers), dat zijn grondslag vindt in de artikelen 93 en 94 van de Provinciewet. Ook mogen contributies aan politieke partijen of betalingen aan met politieke partijen gelieerde organisaties niet via de fractieondersteuning worden gefinancierd (tweede lid onder b). Een lidmaatschap van een dergelijke instelling is immers een individuele aangelegenheid van een statenlid en niet van de betreffende statenfractie. Verder wordt met nadruk uitgesloten dat de bijdrage wordt aangewend voor het financieren van verkiezingscampagnes (tweede lid onder e), inclusief de kosten van extra inzet van de fractiemedewerker. De bijdrage mag ook niet besteed worden voor betalingen aan bedrijven waar staten-, commissieleden of bestuursleden van de ondersteunende stichtingen eigenaar van zijn en aan betalingen aan partners en familieleden (tweede lid onder h). Dit ter voorkoming van belangenverstrengeling of de schijn daarvan wanneer een leverancier of een persoon geselecteerd wordt voor de levering van goederen of uitvoering van diensten ten bate van de fractie. In het keuze proces dienen persoonlijke belangen geen rol te spelen zoals bijvoorbeeld bij een opdracht aan een eigen bedrijf, vrienden of familie. Als definitie voor partner wordt gehanteerd:
Als laatste wordt genoemd dat de honorering voor werkzaamheden uitgevoerd door een bestuurslid van de partij of ondersteunende stichting niet uit de financiële bijdrage bekostigd mag worden (tweede lid onder i). Deze bepaling is opgenomen om de verhoudingen tussen bestuur en statenfractie zuiver te houden en de (schijn van) belangenverstrengeling te voorkomen. Het is onwenselijk dat een persoon die tegen betaling werkzaam is voor een fractie tegelijkertijd een bepalende rol heeft bij het bestuur van de ondersteunende stichting die hem of haar inhuurt. Ook kan het niet zo zijn dat een betaalde adviseur of assistent een bepalende rol heeft bij de samenstelling van de kieslijst voor de statenfractie. Hiermee ontstaat een onwenselijke afhankelijkheid.
Bij (andere) uitgaven die op grond van enige andere wettelijke regeling in aanmerking komen voor vergoeding van overheidswege (onder d) kan onder andere gedacht worden aan reis- en verblijfkosten, kosten voor een buitenlandse excursie of reis, kosten voor scholing en de contributie van bepaalde beroepsverenigingen. Deze komen voor vergoeding in aanmerking op grond van het Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers, dat zijn grondslag vindt in de artikelen 93 en 94 van de Provinciewet.
In de tabel in bijlage I vindt u een overzicht van kosten die al dan niet uit het fractiebudget betaald mogen worden.
Artikel 9. Voorschot financiële bijdrage
Dit artikel regelt de jaarlijkse, ambtshalve verlening van voorschotten ter hoogte van de overeenkomstig artikel 7 berekende voorwaardelijke aanspraak op subsidie. In een verkiezingsjaar wordt het voorschot in twee gedeelten gesplitst. Het voorschot tot en met maart heeft betrekking op de staten in de oude samenstelling. Na de verkiezingen wordt een voorschot verstrekt gebaseerd op de nieuwe samenstelling van provinciale staten.
Voor de nieuwe ondersteunende stichtingen kost het tijd om een bankrekening te openen. Om de fracties in de tussenliggende periode in staat te stellen uitgaven te doen die passen binnen deze verordening kunnen zij de griffie verzoeken om de kosten voor te financieren. Het voorschot wordt in mindering gebracht op de subsidie voor fractieondersteuning waar de fractie recht op heeft.
Artikel 10. Fractievergoeding na verkiezingen
Het spreekt vanzelf dat de bijdrage na verkiezingen aangepast wordt aan veranderde verhoudingen in provinciale staten. De bijdrage wordt berekend per de eerste dag van de maand na de verkiezingen. De kosten voor nieuwe fracties kunnen vanaf de dag na de verkiezingen verantwoord worden.
Artikel 11. Verandering zeteltal en splitsing of samenvoeging fractie
Als er mutaties plaatsvinden in zittende fracties dan wordt de financiële bijdrage aangepast aan de veranderde verhoudingen in de staten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen het basisbedrag en het variabel deel per zetel.
Wanneer gedurende de statenperiode één of meer statenleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden hebben zij recht op het variabel bedrag dat per zetel wordt toegekend. Tegelijkertijd wordt het variabele deel van de subsidie aan de fracties waar de leden van de nieuwe fractie zich van hebben afgescheiden verlaagd.
Wanneer fractieleden toetreden tot een fractie die bestond aan het begin van de lopende statenperiode, wordt eveneens het variabel deel van de vergoeding (voor hun zetel) betrokken bij de nieuw vast te stellen fractievergoeding.
Bij verandering van een zetelaantal van een fractie wordt het eerder verleende variabele deel van het voorschot direct bijgesteld naar evenredigheid van het resterende aantal maanden van het jaar (derde lid).
Tenslotte wordt in het laatste lid de financiële afwikkeling geregeld in het geval dat een fractie ophoudt te bestaan.
De reserve bestaat uit het overschot van voorgaande jaren. Dit bedrag mag niet eindeloos groeien. De reserve wordt aan het einde van de zittingsperiode teruggestort in de provinciekas. Deze regeling biedt de mogelijkheid voor de fracties om gedurende de zittingsperiode de nodige armslag te hebben in de verdeling van de gelden. Er wordt zo recht gedaan aan het gegeven dat verkiezingen nieuwe verhoudingen met zich meebrengen en het verhindert dat er over de verkiezingen heen een situatie kan ontstaan met “rijke” gezeten fracties en minder welvarende nieuwe fracties.
Het vijfde lid regelt hoe wordt omgegaan met de opgebouwde reserve indien een fractie wordt opgeheven. Een fractie heeft tijd nodig om eventuele werkgeversverplichtingen goed af te wikkelen bij opheffing. Daarom wordt de fractie gevraagd een voorlopige eindafrekening op te stellen zodat een deel van de opgebouwde reserve al teruggestort wordt aan de provincie maar er voldoende geld op de bankrekening blijft staan voor de financiële afwikkeling. Binnen zes maanden moet de fractie een definitieve afrekening opstellen en de resterende reserve terugstorten. Indien een fractie na opheffing van een bankrekening alsnog bankkosten in rekening gebracht krijgt dan wordt hiermee rekening gehouden in de definitieve afrekening.
Ook met betrekking tot de reserve is het van belang dat goed wordt omgegaan met samenvoeging van fracties. Het in het zesde lid bepaalde voorziet er in, dat in een dergelijk geval onder overlegging van een verslag, een extra verantwoording wordt afgelegd.
De ondersteunende stichtingen die een arbeidsrelatie aangaan krijgen te maken met verplichtingen die horen bij het werkgeverschap, zoals het betalen van een transitievergoeding. Binnen de provincie is hiervoor een bestemmingsreserve fractieondersteuning ingesteld. Deze reserve is bedoeld voor transitievergoeding aan het einde van de statenperiode als een fractie op basis van de verkiezingsuitslag ophoudt te bestaan of als een fractie niet meer voldoende financiële bijdrage krijgt om de bestaande arbeidsovereenkomst(en) met de fractiemedewerkers te continueren. De opgebouwde reserves die worden teruggestort aan de provincie aan het einde van de zittingsperiode of bij opheffing van een fractie worden gebruikt om de bestemmingsreserve aan te vullen tot het niveau dat op dat moment nodig is. Het benodigde niveau wordt minimaal iedere vier jaar, aan het einde van de statenperiode, opnieuw bepaald (zevende lid).
Het achtste lid regelt dat als een fractie een transitievergoeding moet uitkeren aan een fractiemedewerker, deze in eerste instantie uit de opgebouwde reserve gefinancierd wordt. Indien de opgebouwde reserve niet voldoende toereikend is dan kan de fractie een gemotiveerd verzoek indienen voor een aanvullende financiële bijdrage (negende lid). Dit verzoek dient de fractie in bij de griffier. Na overleg over het verzoek in het presidium besluiten provinciale staten over de onttrekking aan de reserve.
Artikel 13. Administratieve verplichtingen
Om te zorgen dat aan het verslag waarmee de besteding van de financiële bijdrage wordt verantwoord (zie artikel 14) een deugdelijke administratie ten grondslag ligt, worden in dit artikel enkele eisen gesteld aan het voeren van deze administratie.
Per 1 april 2027 wijzigt het eerste lid van dit artikel zodanig dat alleen nog een financiële administratie wordt gevoerd op basis van het stelsel van baten en lasten. Zo is er eenduidigheid in de administratie van alle fracties en wordt rekening gehouden met overlopende posten in de administratie wanneer uitgaven deels betrekking hebben op een andere statenperiode dan de lopende (zesde lid).
De ondersteunende stichtingen brengen hun financiële administratie onder bij hetzelfde administratiekantoor zodat de administratieve vastleggingen volgens dezelfde systematiek gedaan worden (zevende lid). Dit zorgt voor een deugdelijke uniforme administratie waarmee de juiste en volledige totstandkoming van de fractieverantwoording is geborgd. Daarnaast biedt dit de ondersteunende stichtingen continuïteit wanneer gewisseld wordt van penningmeester en ondersteunt het administratiekantoor de penningmeester bij het opstellen van de fractieverantwoording en de juiste toepassing van het stelsel van baten en lasten. In het zevende lid is een uitzondering opgenomen voor de ondersteunende stichtingen die al gebruik maakten van een administratiekantoor.
Artikel 14. Verantwoording, controle en vaststelling financiële bijdrage
De statenfracties dienen prudent met de ter beschikking gestelde publieke middelen om te gaan. Het is een verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan provinciale staten als geheel om bij de jaarverantwoording vast te stellen of dit is gebeurd.
De verantwoording wordt opgesteld door de penningmeester van de fractie, ondersteund door het administratiekantoor. Deze levert de verantwoording tijdig aan bij de statenadviseur financiën. De statenadviseur fungeert als tussenpersoon naar de accountant die de controle uitvoert. Ten behoeve van de controle door de accountant is een controleprotocol in bijlage II opgenomen, dat nadere aanwijzingen geeft aan de accountant zoals bijvoorbeeld reikwijdte, geldende normstelling en te hanteren goedkeurings- en rapporteringstoleranties.
De penningmeesters van de fracties in provinciale staten komen in ieder geval jaarlijks samen om algemene financiële vraagstukken en desgewenst specifieke casuïstiek met betrekking tot de besteding en verantwoording van de fractievergoeding met elkaar te kunnen bespreken. Na controle van het verslag waarmee de besteding van de financiële bijdrage wordt verantwoord, stellen provinciale staten de hoogte van de financiële bijdrage ten behoeve van het functioneren van de betreffende fractie vast. Daarmee ontstaat een onvoorwaardelijke aanspraak op het vastgestelde bedrag.
Als het verleende voorschot hoger is dan de vastgestelde financiële bijdrage, dan kan het onverschuldigde bedrag overeenkomstig artikel 4:57, eerste lid, van de Awb teruggevorderd worden. De beslissing tot terugvordering is – evenals het besluit waarmee de financiële bijdrage wordt vastgesteld – een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Voorts wordt vastgesteld de hoogte van de wijziging van de reserve en van de resterende reserve; deze kan voor een of beide uiteraard ook nul bedragen.
De afspraken die door provinciale staten gemaakt worden met de accountant ten behoeve van de uitvoering van de opdracht zijn niet vrijblijvend. Daarom regelt het vijfde lid dat de werkzaamheden van de accountant doorgaan voor de fracties die hun verantwoording tijdig hebben aangeleverd. Een fractie die niet tijdig aanlevert draagt zelf zorg, op eigen kosten, voor het verstrekken van een opdracht aan de accountant om de werkzaamheden alsnog te laten uitvoeren.
Het overzicht van kosten die al dan niet uit het fractiebudget betaald mogen worden (zie bijlage I) verduidelijkt voor de fracties waaraan zij de financiële bijdrage mogen besteden. Voor de accountant is dit overzicht belangrijk om te beoordelen of de verantwoording is opgesteld in overeenstemming met deze verordening. De hardheidsclausule is opgenomen voor die gevallen waar onduidelijkheid bestaat over de aanvaardbaarheid van de uitgaven. In eerste instantie wordt hierover afstemming gezocht met de statenadviseur financiën. Deze kan vervolgens, waar nodig, via de griffier afstemming zoeken met het presidium voor een nadere duiding van aanvaardbare uitgaven. Provinciale staten besluiten over een aanpassing van het overzicht van kosten die al dan niet uit het fractiebudget betaald mogen worden.
De bovenstaande wijzigingen treden na publicatie van het besluit in het Provinciaal Blad in werking op 1 mei 2026.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-6811.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.