Provinciaal blad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2026, 6724 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2026, 6724 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
LLO-regeling Samen werken aan ontwikkeling (NPH)
In deze regeling wordt verstaan onder:
LLO-ecosysteem: het samenhangend geheel van partijen die in de regio het verschil willen maken in het bevorderen van LLO om de leercultuur, de bestaande en innovatieve leerinfrastructuur te versterken ten behoeve van de brede welvaart voor allen en ter bevordering van het verdienvermogen van de regio;
privaatrechtelijke rechtspersonen: onder privaatrechtelijke rechtspersonen vallen organisaties die zijn opgericht op basis van het Burgerlijk Wetboek (BW) en die zelfstandig rechtspersoonlijkheid bezitten. Deze organisaties zijn dus geen onderdeel van de overheid en opereren meestal met een bepaald doel zoals winst, idealisme of vereniging van belangen. Hieronder vallen onder andere: Naamloze vennootschap (NV), Besloten vennootschap (BV), Vereniging, Stichting en Coöperatie;
publieke organisaties: een organisatie die deel uitmaakt van of wordt gefinancierd door de overheid en een publiekrechtelijke taak uitvoert. Hieronder vallen onder meer overheidsinstanties zoals rijksoverheid, provincies, gemeenten en waterschappen, evenals instellingen voor publiek bekostigd onderwijs, waaronder basisscholen, middelbare scholen, mbo-instellingen, hogescholen en universiteiten. Ook andere instellingen die op grond van wet- of regelgeving publiekrechtelijke bevoegdheden hebben of structureel bekostigd worden uit publieke middelen, worden als publieke partij aangemerkt;
Het doel van deze regeling is het bevorderen en versterken van een duurzame en inclusieve infrastructuur voor een leven lang ontwikkelen (LLO) door het stimuleren van samenwerkingsverbanden tussen werkgevers en/ of onderwijsinstellingen. De regeling ondersteunt initiatieven die bijdragen aan de ontwikkeling, uitvoering en opschaling van LLO-trajecten die inspelen op de veranderende arbeidsmarkt en de duurzame inzetbaarheid van (toekomstige) werkenden vergroten om zodoende een bijdrage te leveren aan de innovatiekracht van organisaties.
Artikel 6 Subsidiabele activiteiten
Voor zover sprake is van staatssteun, wordt subsidie verleend binnen de kaders van de artikelen 25 (onderzoeks- en ontwikkelingssteun), 27 (innovatieadviesdiensten en ondersteuning) en 31 (opleidingssteun) van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV), voor zover de betreffende activiteiten binnen de reikwijdte van deze artikelen vallen.
Subsidiabele activiteiten zijn gericht op één of meerdere van de volgende onderdelen:
Stimulering van deelname aan LLO
Activiteiten die bijdragen aan het vergroten van deelname van werknemers, werkzoekenden of andere doelgroepen aan leven lang ontwikkelen, zoals interventies gericht op bewustwording, motivatie, loopbaanoriëntatie of het wegnemen van drempels voor scholing.
Deze activiteiten vallen in beginsel niet onder de artikelen 25, 27 of 31 AGVV. Indien sprake is van staatssteun, kunnen deze activiteiten worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader of een ander Europees steunkader.
Activiteiten gericht op het ontwikkelen, vernieuwen of verbeteren van scholingsprogramma’s, opleidingsmodules, bedrijfsinterne scholing of praktijkgerichte leeromgevingen.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als opleidingsactiviteiten of de ontwikkeling van opleidingsprogramma’s, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 31 AGVV.
Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt
Activiteiten die bijdragen aan een betere afstemming tussen onderwijsaanbod en arbeidsmarktbehoefte, zoals het ontwikkelen van nieuwe leerroutes, kwalificaties, curricula, skills‑profielen of praktijkgerichte onderwijsmodules.
Voor zover deze activiteiten bestaan uit innovatieadviesdiensten of de ontwikkeling van nieuwe methodieken of instrumenten, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 27 of artikel 25 AGVV. Overige activiteiten kunnen, indien sprake is van staatssteun, worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader.
Activiteiten die gericht zijn op het versterken, structureren of professionaliseren van de samenwerking tussen de deelnemende werkgevers, werkgeversorganisaties en onderwijsinstellingen, eventueel aangevuld met andere uitvoeringspartners, met als doel gezamenlijk LLO‑activiteiten te ontwikkelen, af te stemmen of duurzaam te verankeren.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als innovatieadviesdiensten of kennisoverdracht, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 27 AGVV. Overige samenwerkingsactiviteiten kunnen, indien sprake is van staatssteun, worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader.
Vraagverkenning en -articulatie
Activiteiten gericht op het in kaart brengen van scholings-, ontwikkel- of arbeidsmarktbehoeften van werkgevers, werknemers, sectoren of regio’s, zoals taak- en functieanalyses, skills‑verkenningen, toekomstprognoses en strategische HRM‑analyses.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling, kunnen zij worden gesubsidieerd onder artikel 25 AGVV. Overige activiteiten kunnen, indien sprake is van staatssteun, worden gesubsidieerd onder het de‑minimissteunkader.
Verkenning van haalbaarheid of rendabiliteit van projecten of LLO-oplossingen
Activiteiten gericht op het onderzoeken van de haalbaarheid, rendabiliteit of effectiviteit van nieuwe LLO‑oplossingen, samenwerkingsstructuren, trajecten of fysieke/virtuele infrastructuren.
Voor zover deze activiteiten kwalificeren als haalbaarheidsstudies in de zin van artikel 25 AGVV kunnen zij onder dit artikel worden gesubsidieerd.
Artikel 12 Subsidiabele kosten
Voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2 van deze regeling, zijn uitsluitend de kosten subsidiabel die passen binnen de kostensoorten zoals toegestaan onder de toepasselijke artikelen van de AGVV. De koppeling tussen activiteiten en subsidiabele kosten luidt als volgt:
Voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van activiteiten als bedoeld in artikel 2 van deze regeling en worden gesubsidieerd op grond van het de‑minimissteunkader zijn alle kosten subsidiabel met uitzondering van de kosten zoals genoemd in artikel 14 van deze regeling en de kosten die op grond van de Procedureregeling van de provincie Groningen niet in aanmerking komen.
Artikel 13 Berekening loonkosten en eigen arbeid
De loonkosten, inclusief overhead, worden berekend:
als een vast percentage van een maandtarief van € 8.600 per werknemer, bij een voltijd dienstverband van 1.720 uur per jaar, of een evenredig deel daarvan bij een deeltijd dienstverband, overeenkomstig het vooraf vastgestelde vaste percentage van de tijd dat werknemers per maand aan het project hebben gewerkt en zonder verplichting om een afzonderlijk arbeidstijdregistratiesysteem op te zetten
In afwijking van het eerste lid maken kennisinstellingen gebruik van een uurtarief berekend op basis van een door de Minister van EZK goedgekeurde integrale kostensystematiek als bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies, indien zij daarover beschikken. Het gebruik van de integrale kostensystematiek is niet toegestaan indien binnen een project wordt gekozen voor de berekening van de loonkosten inclusief overhead, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c. 3.
Artikel 14 Niet-subsidiabele kosten
Voor subsidie komen de volgende kosten in ieder geval niet in aanmerking als subsidiabele kosten als bedoeld in artikel 13, eerste lid:
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat volgens het toepasselijke Europese steunkader is toegestaan.
Een lid van een adviescommissie neemt geen deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien dat lid een persoonlijk of zakelijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag, of een persoonlijk of zakelijk belang heeft bij de beschikking op een andere aanvraag in dezelfde onderlinge rangschikking. Voorafgaand aan elke vergadering ondertekenen de commissieleden een verklaring inzake belangenverstrengeling.
Artikel 19 Bevoorschotting en betaling
Gedeputeerde Staten kunnen onderbouwd afwijken van de in het eerste lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat. Dit is altijd het geval als de financiering niet zeker is gesteld.
Groningen, 15 april 2026
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Groningen,
René Paas, voorzitter
Johan Koopmans, plaatsvervangend secretaris
In 2019 is het Nationaal Programma Groningen gestart om Groningers perspectief te bieden. In dit programma werken inwoners, gemeenten, provincie, het Rijk, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen aan brede welvaart voor alle Groningers en aan het imago van Groningen.
Vanuit de Provincie Groningen is er onder meer gericht op gezondheid, economie, landschap en onderwijs, onderwerkpen die voor alle inwoners van Groningen belangrijk zijn. Daarvoor heeft de provincie een provinciaal programmaplan opgesteld. Dit programmaplan dient als kader voor het toekennen van middelen vanuit het Nationaal Programma Groningen.
Vanuit de programmalijn 'Werken aan Ontwikkeling' worden de middelen voor deze regeling beschikbaar gesteld.
De regionale arbeidsmarkt staat de komende jaren voor grote uitdagingen. Het verdienvermogen van de regio blijft achter en heeft versterking nodig. Binnen de programmalijn 'Werken aan Ontwikkeling' wordt de verbinding gelegd tussen de drie domeinen die voor de toekomstige arbeidsmarkt van belang z het missie gedreven innovatiebeleid, de inclusiviteitsagenda in het sociale domein en de toegang tot leven lang ontwikkelen.
De arbeidsmarktregio Groningen kent door de demografische ontwikkelingen - zoals ontgroening en vergrijzing, groei in de Stad en krimp in de Ommelanden met de druk die daarbij ontstaat op de lokale economie, voorzieningen en leefbaarheid - extra uitdagingen. De krappe arbeidsmarkt raakt mensen in hun dagelijks bestaan en werkgevers bij de uitvoering van hun werkzaamheden. Deze krapte op de arbeidsmarkt zal de komende decennia aanhouden. Met 'Werken aan ontwikkeling' wordt op zoek gegaan naar het versterken van de gehele arbeidsmarkt met oog voor economische innovatie en de leefbaarheid van het gehele gebied.
Veel arbeidsmarkt- en kwalificatieproblemen kunnen werkgevers niet in hun eentje oplossen. In aanvulling op de regeling voor individuele werkgevers subsidieert deze regeling samenwerking tussen 2 of meer werkgevers (of 1 of meer werkgeversorganisaties) met een onderwijsinstelling of andere uitvoeringspartner. Projecten onder deze openstelling stimuleren praktijkgerichte samenwerkingen tussen onderwijs, werkgevers en andere stakeholders om een duurzaam, inclusief en flexibel ecosysteem voor leven lang ontwikkelen (LLO) te realiseren.
Deze projecten hebben als gemeenschappelijk doel dat werkgevers samen bouwen aan een lerende samenleving in hun regio en/of sector, waarin mensen, ongeacht leeftijd of achtergrond, zich blijvend kunnen ontwikkelen (instroom, doorstroom en uitstroom),
De aanvragen worden op volgorde van ontvangst in de openstellingsperiode beoordeeld, volgens het zogenaamde ‘molenaarsprincipe’. Aanvragen worden na compleetheid beoordeeld op grond van vooraf kenbaar gemaakte criteria. Projecten die voldoen aan de minimale vereisten, waaronder een voldoende kwalitatieve bijdrage aan het programma, worden op volgorde van ontvangst beschikt totdat het voor deze subsidietitel geldende subsidieplafond is bereikt.
Bij de beoordeling van de subsidieaanvraag wordt gebruik gemaakt van een adviescommissie. De adviescommissie adviseert SNN. Een project wordt voorgelegd aan de adviescommissie die het project inhoudelijk op kwaliteit beoordeelt en advies geeft ten aanzien van de criteria die zijn opgenomen in artikel 17.
Indien SNN, op advies van de adviescommissie, besluit het project als voldoende te beoordelen, wordt ten slotte in de derde stap het project financieel-technisch getoetst. Beoordeeld wordt of het project voldoet aan de eisen om los van de beoordelingscriteria, voor subsidie in aanmerking te komen. Denk hierbij aan de staatssteunregelgeving, de uitvoeringsperiode, de maximaal gevraagde subsidie en sluitendheid van de financiering. In dit kader wordt ook getoetst of de begrote projectkosten voldoen aan de van toepassing zijnde regelgeving. Als na de inhoudelijke toetsing ook de financieel-technische toetsing positief blijkt, dan kan subsidie worden verleend en volgt de verleningsbeschikking. Indien hiertoe aanleiding is kan een afwijkende werkwijze worden gevolgd.
Het is noodzakelijk dat er toetsing plaatsvindt op staatssteunaspecten. In artikel 6 van deze regeling zijn alle relevante artikelen uit de Algemene groepsvrijstellingverordening opgenomen die van toepassing kunnen worden verklaard. SNN beoordeelt de projecten bij aanvraag op de regionale bepalingen en beoordeelt of het verlenen van staatssteun geoorloofd is.
Er kan ten aanzien van staatssteun in het algemeen sprake van zijn drie situaties: geen staatssteun (geen economische activiteiten), geoorloofde staatssteun of ongeoorloofde staatssteun. Steun kan worden verleend wanneer geen sprake is van staatssteun of wanneer de steun past binnen geldende staatssteunregels. De bepaling van de (maximale) steun wordt per begunstigde uitgevoerd, wat inhoudt dat de (maximale) subsidiepercentages kunnen verschillen tussen de projectpartners. Op basis van deze berekening wordt vervolgens het subsidiepercentage en subsidiebedrag voor het project als geheel bepaald.
De steunanalyse of er sprake is van staatssteun in de aanvraag, en indien dat zo is, welke grondslag tot geoorloofde staatssteun van toepassing is, is een verplicht onderdeel van de aanvraag. De steunanalyse dient dus door de aanvrager te worden aangeleverd. Het verdient aanbeveling deze te laten opstellen door een deskundige in dit specifieke rechtsgebied. De steunanalyse wordt door het SNN beoordeeld als onderdeel van de financieel-technische toets. Wanneer op grond van staatssteunbeperkingen (Algemene groepsvrijstellingsverordening of de de-minimisverordening) een lager maximumpercentage aan subsidie geldt dan het subsidiepercentage als genoemd in de regeling, het geldende (lagere) percentage wordt aangehouden bij de subsidieverlening
Dit artikel legt de definities vast voor zover daar in deze subsidietitel aan wordt gerefereerd. Daar waar van toepassing is de herkomst van de definities weergegeven.
Artikel 6 Subsidiabele activiteiten
Voor subsidie komen activiteiten in aanmerking die bijdragen aan het ontwikkelen van LLO-activiteiten.
Subsidiabele activiteiten zijn gericht op één of meerdere van de volgende onderdelen:
Stimulering van deelname aan LLO
Activiteiten die gericht zijn op het stimuleren van deelname aan scholing, vaardigheidsontwikkeling en leer- en ontwikkeltrajecten, met bijzondere aandacht voor werkenden, werkzoekenden, en de toekomstige beroepsbevolking.
Het ontwikkelen, verbeteren of toegankelijk maken van trajecten gericht op om-, bij- of nascholing, afgestemd op veranderende beroepen, sectoren en transities op de arbeidsmarkt.
Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt
Activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van de aansluiting tussen het onderwijsaanbod en de vraag vanuit de arbeidsmarkt, bijvoorbeeld via het aanpassen van curricula, ontwikkelen van nieuwe leerroutes of versterken van praktijkcomponenten in opleidingen.
Het opzetten, uitbouwen of verduurzamen van samenwerkingsstructuren en -processen gericht op gezamenlijke LLO-aanpakken, zoals gezamenlijke programmering, kennisdeling en afstemming tussen betrokken partijen.
Vraagverkenning en -articulatie
Activiteiten die bijdragen aan het inzichtelijk maken van actuele en toekomstige leer- en ontwikkelbehoeften, zoals gezamenlijke verkenningen, behoeftenanalyses en het vormgeven van leertrajecten op basis van praktijkgerichte vraagstukken.
Verkenning van haalbaarheid of rendabiliteit van projecten of LLO-oplossingen
Activiteiten die bestaan uit onderzoek of analyse gericht op het bepalen van de uitvoerbaarheid, haalbaarheid, rendabiliteit of potentiële impact van (nieuwe) LLO-projecten of oplossingen.
Van belang is dat de complete subsidieaanvraag uiterlijk ingediend moet zijn op 31 december 2028 17.00 uur. De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats via het zogenoemde molenaarsprincipe: 'wie het eerst komt, wie het eerst maalt'. Het is daarmee mogelijk dat het beschikbare budget voor 31 december 2028 op is.
Artikel 10 Starttermijn en doorlooptijd
In de verleningsbeschikking zal een einddatum voor het project worden opgenomen, gebaseerd op hetgeen in de aanvraag is aangegeven als de datum waarop het project reëel voltooid zal zijn. De einddatum is medebepalend voor de periode waarin subsidiabele kosten gedeclareerd kunnen worden. Het is aan de aanvrager om in de aanvraag voldoende te onderbouwen dat de opgegeven periode noodzakelijk is voor het project en dat het project binnen de opgegeven periode volledig kan worden afgerond.
Een project duurt tot maximaal 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking met als uiterste einddatum 1 juli 2029.
Artikel 12 Subsidiabele kosten
Verletkosten van lerenden (niet-productieve uren)
Kosten voor de uren waarin lerenden zich niet bezig houden met hun reguliere werk, maar deelnemen aan LLO-activiteiten. Dit betreft niet-productieve uren die als leeruren worden ingevoerd. De verletkosten kunnen worden vergoed op basis van het bruto uurtarief en de voorwaarden voor het percentage van de jaarlijkse arbeidsduur.
De projectresultaten van het project dienen ten goede te komen aan de regio. Indien dit niet het geval is, zal de aanvraag worden afgewezen.
Ook van belang is dat een project technisch en economisch haalbaar is. Hierop wordt het project expliciet beoordeeld. Een project dient obstakelvrij te zijn om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Dit houdt in dat er geen wezenlijke formele, juridische en financiële aspecten mogen zijn die uitvoering van het project in de weg staan. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan benodigde vergunningen of milieueisen waar het project aan moet voldoen. De aanvrager dient aannemelijk te maken dat deze aspecten de start van het project op de voorziene datum niet in de weg zullen staan. In geval van vergunningverlening dient bijvoorbeeld expliciet in de aanvraag aangegeven te worden of hier sprake van is en in welke fase de vergunningverlening zich bevindt. De haalbaarheid van het project dient aldus expliciet door de aanvrager aannemelijk gemaakt te worden.
Verder moet duidelijk zijn dat het project fysiek voltooid moet kunnen zijn of dat alle concrete acties (de projectactiviteiten) volledig ten uitvoer kunnen worden gelegd binnen 36 maanden na dagtekening van de verleningsbeschikking. Tevens dient te worden onderbouwd dat de opgegeven uitvoeringsduur noodzakelijk is om het project geheel ten uitvoer te kunnen leggen.
Artikel 17 Beoordelingscriteria
Het is van groot belang dat de aanvrager zorgdraagt voor een gedegen kwantitatieve en kwalitatieve onderbouwing van de in de aanvraag gepresenteerde zaken. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van de beoordelingscriteria. Een complete en gedegen onderbouwing borgt dat de adviescommissie zich een goed oordeel kan vormen over een project en de mate waarin het project scoort op de beoordelingscriteria. Op basis van alle informatie die de aanvrager per criterium geeft, vormt de adviescommissie vervolgens een oordeel. De beoordeling wordt uitgedrukt in een kwalitatieve score die twee gradaties kent: voldoende en onvoldoende. Aanvragen met een voldoende totaalbeoordeling en het voldoen aan de knock-out criteria worden gehonoreerd.
De mate waarin het project bijdraagt aan de ambities van het programma Werken aan Ontwikkeling (missiegedreven)
Bij het beoordelen van dit criterium wordt een oordeel gegeven over de passendheid van de aanvraag in uitvoeringsprogramma Werken aan Ontwikkeling en meer specifiek de bijdrage aan de doelstellingen waar de openstelling op ziet.
De beoordeling op dit punt wordt nadrukkelijk gekoppeld aan de kwalitatieve onderbouwing die in de aanvraag wordt gegeven. Er wordt bezien in welke mate de activiteiten corresponderen met de actie waar deze uitvoeringsregeling op gericht is. Bij de beoordeling wordt gekeken hoe de regio van dit project profijt heeft. Binnen het projectconsortium is ruimte voor partijen van buiten de regio, indien deze partijen over belangrijke expertise en kennis beschikken die van toegevoegde waarde zijn voor de uitvoering van het project
Hierbij wordt met name gelet op de elementen:
In hoeverre is er in de aanvraag rekening gehouden met veranderende omstandigheden tijdens de uitvoering van het project. Het project moet flexibel en wendbaar zijn, met de mogelijkheid om onderdelen bij te stellen als blijkt dat bepaalde onderdelen niet of onvoldoende werken. Er moet dus een mechanisme zijn voor bijsturing en het aanpassen van de activiteiten indien nodig.
De aanvraag moet voldoen aan alle formele eisen op het gebied van verantwoording, staatssteun, wet- en regelgeving. Dit betekent dat de subsidie in lijn moet zijn met de Europese staatssteunregels en dat de betrokken partijen beschikken over de benodigde administratieve en juridische structuren om de uitvoering van het project transparant en volgens de regels te waarborgen.
De aanvraag moet inzicht geven in de kostenstructuur van het project. Er moet duidelijkheid zijn over de cofinanciering van het project (in cash of in kind), zodat een deel (minimaal 50%) van de kosten door de samenwerkende partijen zelf wordt gedragen. Dit zorgt voor betrokkenheid en verantwoording bij de uitvoering van de activiteiten.
Artikel 19 Bevoorschotting en betaling
Indien aan een project een subsidie is toegekend zonder ontbindende/opschortende voorwaarden, kan vooruitlopend op het starten van het project worden verzocht om een voorschot van 40 procent van de verleende subsidie, met een maximum van € 500.000,-. Dit kan ook als bij projecten met ontbindende/opschortende voorwaarden, aan alle ontbindende/opschortende voorwaarden is voldaan.
Het derde lid geeft aan dat bevoorschotting plaatsvindt op basis van een verzoek dat tegelijkertijd met het indienen van een volledige voortgangsrapportage wordt gedaan. Bij een verzoek tot bevoorschotting worden de tot dan toe gemaakte, betaalde en gerapporteerde kosten als basis gebruikt voor de bepaling van het bedrag dat wordt uitbetaald. Het SNN kan ten opzichte van het verzoek kosten niet meenemen bij de berekening van het voorschot waarvan het SNN van mening is dat deze kosten niet subsidiabel zijn of dat nog niet duidelijk is of deze kosten aan het eind van het project subsidiabel gesteld kunnen worden. Op basis van de kosten die overblijven wordt vervolgens het uit te keren voorschotbedrag bepaald. Deze kosten worden hiertoe vermenigvuldigd met het effectieve subsidiepercentage, volgend uit de toegekende subsidie gedeeld door de totale subsidiabele kosten uit de aanvraag. Uit het feit dat een voorschot wordt verstrekt over kosten, volgt niet noodzakelijkerwijs dat deze kosten subsidiabel gesteld zullen worden bij de vaststelling van de subsidie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-6724.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.