Nadere subsidieregels gebiedsgerichte maatregelen programma Natuur 2026-2030

Gedeputeerde Staten van Limburg

maken ter voldoening aan het bepaalde in de Provinciewet en de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. bekend dat zij in hun vergadering van 14 april 2026 hebben vastgesteld:

 

Nadere subsidieregels gebiedsgerichte maatregelen programma Natuur 2026-2030

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Abiotische omstandigheid: fysische en chemische omstandigheid van een gebied die (mede) bepaalt of een vegetatietype of afzonderlijke planten of diersoorten er kunnen voorkomen en zich kunnen handhaven;

  • 2.

    Actieve landbouwonderneming: een entiteit die zich bedrijfsmatig bezighoudt met de primaire landbouwproductie en in die hoedanigheid staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK);

  • 3.

    Algemene Groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 187/1 van 26 juni 2014, zoals gewijzigd;

  • 4.

    Apparaatskosten: kosten die samenhangen met de regievoering van voorbereiding en uitvoering van het Provinciaal uitvoeringsprogramma Limburg;

  • 5.

    Areaal: begrensd gebied;

  • 6.

    Bestrijding: uitvoeren van maatregelen om een (populatie van een) invasieve exoot te verwijderen en/of te beheersen. Herstelmaatregelen (zoals herplant met inheemse soorten) kunnen deel uitmaken van de bestrijding en dienen noodzakelijk te zijn voor de bestrijding van de (populatie van een) invasieve exoot;

  • 7.

    Bronmaatregel: een maatregel die direct bij de bron stikstofemissies vermindert om de depositie op kwetsbare natuur te beperken;

  • 8.

    De-minimissteun: steun die voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van aanmelding als opgenomen in Verordening (EU) 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PbEU 2013, L 352) dan wel in Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU L, 2023/2831 van 15 december 2023);

  • 9.

    Gebiedsvreemd water: water afkomstig uit een ander stroomgebied of waterlichaam met afwijkende chemische samenstelling dan het natuurlijke watersysteem van het betreffende gebied;

  • 10.

    Goede staat: staat van een natuurgebied waarin de condities aanwezig zijn voor een duurzaam behoud van de voornaamste kenmerken van de daarin gelegen habitattypen of leefgebieden van soorten, zodanig dat het natuurgebied bij kan dragen aan het bereiken of behouden van een gunstige staat van instandhouding voor een habitat of een soort of een niveau van instandhouding als bedoeld in artikel 2 van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PbEU 2010, L 20);

  • 11.

    Gunstige staat van instandhouding van een habitattype (als bedoeld in artikel 1, onder e, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 372) en als bedoeld onderdeel A van bijlage 1 bij artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving): staat van instandhouding van een natuurlijke habitat waarvoor geldt dat:

    • a.

      het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en

    • b.

      de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en

    • c.

      de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is;

  • 12.

    Gunstige staat van instandhouding van een soort (als bedoeld in artikel 1, onder i, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 372) en als bedoeld in onderdeel A van bijlage 1 bij artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving):

    Staat van instandhouding van een soort waarvoor geldt dat:

    • a.

      uit populatie dynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en

    • b.

      het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en

    • c.

      er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;

  • 13.

    Habitattype: ecosysteemtype, opgenomen in bijlage 1 van de Habitatrichtlijn, op het land of water met karakteristieke geografische, abiotische en biotische kenmerken, die zowel geheel natuurlijk als half natuurlijk kunnen zijn;

  • 14.

    Habitat van een soort (als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG 1992, L 372): door specifieke abiotische en biotische factoren bepaald milieu waarin de soort tijdens één van de fasen van zijn biologische cyclus leeft;

  • 15.

    Invasieve exoot: soort opgenomen op de Unielijst invasieve exoten en die schade kan toebrengen aan stikstofgevoelige habitattypen of stikstofgevoelige leefgebieden van soorten;

  • 16.

    Klimaatslimme soorten: boom- en struiksoorten die in staat zijn om zich effectief aan te passen aan de veranderende klimatologische omstandigheden en die een belangrijke rol spelen in het herstellen en versterken van ecosystemen, die aangemerkt zijn met droogtolerantie 3 of hoger in de Boomsoortentabel | Gereedschapskist - Klimaatslim Bos- en Natuurbeheer;

  • 17.

    KRW: kaderrichtlijn water, die als doel heeft de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen (richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 (PBEU 200, L327);

  • 18.

    Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, Pb L 327/1 van 21 december 2022;

  • 19.

    Leefgebied van soorten: het leefgebied van een soort, opgenomen in bijlage 2 van de habitatrichtlijn of bijlage 1 van de vogelrichtlijn;

  • 20.

    Maatregel: niet-productieve natuurherstelmaatregel gericht op het verbeteren van stikstofgevoelige habitattypen of soorten;

  • 21.

    Natura 2000-gebied: in de Nederlandse provincie Limburg gelegen gebied als bedoeld in onderdeel A van de bijlage bij artikel 1.1van de Omgevingswet;

  • 22.

    Natuurgebied: in de Nederlandse provincie Limburg gelegen Natura 2000-gebied met stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten en een buiten Natura 2000-gebied in de Nederlandse provincie Limburg gelegen gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland met stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten;

  • 23.

    Natuurnetwerk Nederland (NNN): netwerk van gebieden als bedoeld in artikel 7.6, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • 24.

    Natuurpact: het door het Rijk en de provincies ondertekend document Natuurpact ontwikkeling en beheer van de natuur in Nederland van 18 september 2013, waarin de ambities met betrekking tot ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland zijn vastgelegd voor de periode tot en met 2027 (Kamerstukken II 2013/14, 33 576, nr. 6);

  • 25.

    Normenboek Natuur Bos en Landschap: het door Wageningen Environmental Research uitgegeven en periodiek geactualiseerde normenboek, geldend ten tijde van indiening van de subsidieaanvraag, met tijd- en kostennormen voor werkzaamheden ten behoeve van de aanleg en het beheer van natuur, bos en landschapselementen;

  • 26.

    Overgangsgebieden: overgangsgebied zoals opgenomen in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg;

  • 27.

    Primaire landbouwproductie: het produceren van de in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) vermelde producten, met uitzondering van de visserij- en aquacultuurproducten die zijn vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad;

  • 28.

    Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI Limburg): het strategisch plan voor de fysieke leefomgeving in Limburg, zijnde het door Provinciale Staten vastgesteld beleidsdocument. Zolang deze visie nog niet is vastgesteld wordt onder POVI verstaan het ontwerp van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg zoals dat op 26 mei 2025 ter inzage is gelegd;

  • 29.

    SKNL (Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap) -inrichtingsmaatregelen: maatregelen die leiden tot een bepaald beheertype op basis van de vigerende Subsidieregeling kwaliteitsimpuls natuur en landschap Limburg 2021;

  • 30.

    SNL (Subsidiestelstel Natuur en Landschap) -beheerpakket: een samenhangend geheel van beheermaatregelen en beheervoorschriften die binnen een leefgebied passen op basis van het vigerende Subsidiestelsel Natuur en Landschap;

  • 31.

    Specialist: een persoon die beroepshalve ecologisch of hydrologisch advies verstrekt of werkzaamheden begeleidt op het gebied van het herstel habitats, soorten of hydrologie en die schriftelijk aantoonbare opleiding, ervaring of specifieke ecologische of hydrologische kennis heeft;

  • 32.

    Rijkstrooiselsoorten: boomsoorten die goed verteerbaar strooisel produceren wat bijdraagt aan een gezondere bodem en een rijker ecosysteem;

  • 33.

    Stikstofgevoelig: een habitattype of leefgebied van soorten met een kritische depositiewaarde van meer dan 2400 mol/ha/jaar en waarvan de kritische depositiewaarde dreigt te worden overschreden;

  • 34.

    Uitvoeringskosten: kosten die noodzakelijk zijn voor uitvoering van de maatregelen met inachtneming van de Nadere regels subsidiabele kosten in het kader van het verstrekken van projectsubsidie 2017 (met uitzondering van de opslag van 50% voor de overhead berekend over de directe loonkosten) en artikel 17 van deze regeling.

Artikel 2 Doel van de regeling

Doel van deze regeling is het ondersteunen van projecten die erop zijn gericht om maatregelen te treffen en uit te voeren met als doel het behouden, verbeteren of bereiken van de gunstige staat van instandhouding van een natuurlijk habitattype en/of de gunstige staat van instandhouding van leefgebieden van soorten in Natura 2000-gebieden in de Nederlandse provincie Limburg of van een goede staat van instandhouding van habitattypen en leefgebieden van soorten gelegen buiten deze Natura 2000-gebied voor zover deze behoren tot de vijf gebieden zoals opgenomen in de bijlage behorende tot deze subsidieregeling. Hierbij dient het te gaan om stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden stikstofgevoelige van soorten.

Artikel 3 Aanvrager

Voor subsidie komen rechtspersonen, eenmanszaken, maatschappen, vennootschappen en natuurlijke personen in aanmerking. Aanvrager dient krachtens eigendom dan wel een ander zakelijk recht of publiekrechtelijke bevoegdheid zeggenschap te hebben over de grond(en) waarop of waaraan de maatregelen waarvoor subsidie wordt aangevraagd, worden getroffen of de aanvrager heeft schriftelijke toestemming van de eigenaar(s) van de grond(en) om deze te mogen gebruiken en de maatregelen te kunnen treffen.

Artikel 4 Vooroverleg

Subsidieverlening is een van de manieren waarop de Provincie Limburg de in artikel 2 genoemde activiteiten kan ondersteunen. Het is verplicht dat vóór het indienen van een subsidieaanvraag een vooroverleg wordt gevoerd op basis van een door aanvrager te overleggen concept-activiteitenplan en concept-begrotingsformat. Tijdens het vooroverleg wordt besproken of en in welke mate de maatregelen aansluiten bij de mogelijkheden die de subsidie biedt.

Hoofdstuk 2 Criteria

Artikel 5 Subsidiabele activiteit

Projecten dienen te zijn gericht op het verbeteren van condities en het opheffen van drukfactoren in en om stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden of stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten door middel van het uitvoeren van een of meer van de volgende limitatieve maatregelen:

  • 1.

    Maatregelen die limitatief zijn opgenomen in een Hoofdrapport voor de N2000 gebieden, een Natuurdoelanalyse of een daarop gebaseerd onderzoek, voor zover gericht op stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten;

  • 2.

    Maatregelen ter kwalitatieve of kwantitatieve verbetering van het hydrologisch systeem voor zover dit voor stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van soorten noodzakelijk is. Hieronder wordt mede verstaan het treffen en in werking stellen van maatregelen om zo het gewenste effect te behalen;

  • 3.

    Maatregelen voor het opheffen van gevolgen van vermesting en verzuring;

  • 4.

    Maatregelen ter verwijdering en het voorkomen van verdere verspreiding van invasieve exoten;

  • 5.

    Maatregelen ter voorkoming van verstoring van habitattypen en leefgebieden soorten;

  • 6.

    Beheer en inrichting van natuurgebieden, voor zover dit niet past binnen de kaders van het Natuurpact;

  • 7.

    Het opheffen van versnippering en het ontwikkelen van verbindingszones.

Artikel 6 Algemene subsidiecriteria

Om voor een subsidie in aanmerking te komen, dient aan alle onderstaande algemene criteria te worden voldaan:

  • 1.

    De maatregelen worden uitgevoerd ten behoeve van stikstofgevoelige Limburgse Natura 2000 gebieden en dragen aantoonbaar bij aan het de verbetering van de abiotische omstandigheden en/of kwaliteit en/of uitbreiding van het areaal van de stikstofgevoelige habitattypen of de leefgebieden van stikstofgevoelige soorten of;

  • 2.

    De maatregelen dragen aantoonbaar bij aan de verbetering van de abiotische omstandigheden en/of kwaliteit van leefgebieden van stikstofgevoelige soorten en stikstofgevoelige habitattypen als bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn buiten de Natura 2000 gebieden voor zover deze behoren tot de vijf gebieden zoals opgenomen in de bijlage behorende tot deze subsidieregeling;

  • 3.

    De maatregelen die worden uitgevoerd, zijn additioneel aan de uitvoeringsactiviteiten die worden uitgevoerd in het kader van het Natuurpact;

  • 4.

    De maatregelen worden onderbouwd middels een ecologisch en/of hydrologisch onderzoek en/of rapport opgesteld door ter zake kundige specialisten, dan wel door middel van een analyse uitgevoerd door een deskundig specialist waaruit blijkt welke drukfactoren worden aangepakt en welke soorten en habitats hiervan op welke wijze profiteren;

  • 5.

    De subsidieaanvraag heeft uitsluitend betrekking op de maatregelen waarvan de uitvoering dient te starten uiterlijk binnen één jaar na indiening van de aanvraag binnen de desbetreffende jaarlijkse indieningsperiode;

  • 6.

    Subsidieaanvragen onder deze subsidieregeling worden bij ontvangst getoetst op staatssteun en eventuele vrijstellingsmogelijkheden. Steun onder deze subsidieregeling, waarbij sprake is van staatssteun, kan, afhankelijk van het soort activiteit, worden vrijgesteld onder de de-minimisverordening, Algemene groepsvrijstellingsverordening (artikel 45 of 53) of Landbouwvrijstellingsverordening (artikel 36).

Artikel 7 Specifieke criteria Hydrologische maatregelen

Om voor een subsidie voor hydrologische maatregelen als bedoeld in artikel 5 lid 2 in aanmerking te komen, dient eveneens aan alle onderstaande specifieke criteria te worden voldaan:

  • 1.

    De hydrologische maatregelen moeten gericht zijn op het leveren van een significante bijdrage aan het bereiken van de hydrologische condities die nodig zijn voor het behoud of herstel van stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten.

  • 2.

    De hydrologische maatregelen moeten betrekking hebben op het bereiken van de gewenste waterpeilen of op het bereiken van de gewenste waterkwaliteit.

  • 3.

    Het project vindt plaats in een stikstofgevoelig N2000 gebied, een overgangsgebied, in de natuurgebieden benoemd in de bijlage behorende bij deze regeling, of binnen een zone van 500 meter rondom deze gebieden.

  • 4.

    Het project is additioneel ten opzichte van de KRW-maatregelen uit het waterbeheerplan van het waterschap.

  • 5.

    Het project voorziet niet in het aanvoeren of infiltreren van gebiedsvreemd water.

Artikel 8 Specifieke criteria Verzuring en vermesting

Om voor een subsidie voor verzuring en vermesting als bedoeld in artikel 5 lid 3 in aanmerking te komen, dient eveneens aan alle onderstaande specifieke criteria te worden voldaan:

  • a.

    Het project is gericht op treffen van maatregelen ten behoeve van het opheffen van de gevolgen van verzuring en/of vermesting van stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten.

  • b.

    Het project vindt plaats in stikstofgevoelige N2000 gebieden dan wel in de natuurgebieden benoemd in de bijlage behorende bij deze regeling.

  • c.

    Indien de maatregel is gericht op het significant verbeteren van de bodem van natuurgebieden met steenmeel of vergelijkbare stoffen, wordt de gift afgestemd op de bodemchemie.

  • d.

    Indien sprak is van het revitaliseren van bossen door het aanplanten van kleine clusters (kloempen) bomen en struiken geldt dat:

    • 1.

      Gebruik gemaakt wordt van rijkstrooiselsoorten en/of klimaatslimme soorten.

    • 2.

      Er minimaal 60% inheemse soorten worden aangeplant; niet inheemse soorten zijn alleen toegestaan als ze voorkomen in de tabel horend bij de gereedschapskist klimaatslim bosbeheer.

    • 3.

      Maximaal 40% van de totale oppervlakte van het projectgebied wordt aangeplant.

    • 4.

      De aanplant indien nodig wordt beschermd tegen wildschade.

Artikel 9 Specifieke criteria Invasieve exoten

Om voor een subsidie voor invasieve exoten als bedoeld in artikel 5 lid 4 in aanmerking te komen, dient eveneens aan alle onderstaande specifieke criteria te worden voldaan:

  • 1.

    Het project is gericht op de bestrijding van invasieve exoten en/of op het voorkomen van verspreiding van invasieve exoten naar N2000 gebieden of de natuurgebieden genoemd in de bijlage behorende tot deze subsidieregeling. Doel van de maatregel is opheffen of voorkomen van significant negatieve effecten door de invasieve exoten op stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten.

  • 2.

    Het project vindt plaats in stikstofgevoelige N2000 gebieden, dan wel binnen de overgangsgebieden, dan wel in de natuurgebieden genoemd in de bijlage behorende tot deze subsidieregeling of binnen een zone van 500 meter rondom deze gebieden, indien in die zone het risico bestaat dat de invasieve exoten zich in het betreffende natuurgebied kunnen vestigen.

  • 3.

    Het project voorziet in 5 jaar passende nazorg op behandelde locaties tot uiterlijk 2032, indien dit noodzakelijk is om de bestreden invasieve exoten verwijderd te houden of te beheersen.

  • 4.

    De bestrijding van de invasieve exoten gebeurt zonder chemische bestrijdingsmiddelen.

  • 5.

    De bestrijding van de invasieve exoten dient te worden uitgevoerd door een bedrijf met aantoonbare ervaring op dit gebied, danwel onder begeleiding van een specialist met aantoonbare kennis van exotenbestrijding.

Artikel 10 Specifieke criteria Verstoring

Om voor een subsidie voor verstoring als bedoeld in artikel 5 lid 5 in aanmerking te komen, dient eveneens aan alle onderstaande specifieke criteria te worden voldaan:

  • 1.

    Het project is gericht op maatregelen die leiden tot het opheffen of verminderen van significante verstoring in stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten.

  • 2.

    Het project vindt plaats in N2000 gebieden, dan wel in een natuurgebieden genoemd in de bijlage behorende tot deze subsidieregeling.

Artikel 11 Specifieke criteria Beheer en inrichting

Om voor een subsidie voor beheer en inrichting als bedoeld in artikel 5 lid 6 in aanmerking te komen, dient eveneens aan alle onderstaande specifieke criteria te worden voldaan:

  • 1.

    Het project is gericht op het eenmalig uitvoeren verbeterde inrichting.

  • 2.

    Het project vindt plaats in N2000 gebieden, dan wel in natuurgebieden genoemd in de bijlage behorende tot deze subsidieregeling.

  • 3.

    Er wordt slechts subsidie verleend voor zover deze maatregelen niet behoren tot het reguliere beheer zoals bedoeld in de SNL-beheerpakketten of de inrichting zoals bedoeld in de SKNL.

Artikel 12 Specifieke criteria Verbinden natuurgebieden

Om voor een subsidie voor verbinden natuurgebieden als bedoeld in artikel 5 lid 7 in aanmerking te komen, dient eveneens aan alle onderstaande specifieke criteria te worden voldaan:

  • 1.

    Het project voorziet in het maken van ecologische verbinding en/of het verbeteren van bestaande verbindingen tussen N2000 gebieden, voor zover dit een gunstige invloed heeft op stikstofgevoelige habitats of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten.

  • 2.

    De in lid 1 genoemde verbinding is opgenomen in de POVI kaart met ecologische verbindingszones.

  • 3.

    In de aanvraag wordt onderbouwd voor welke soorten de verbinding wordt ingericht en wordt tevens onderbouwd dat de beoogde inrichting functioneel is voor deze soorten.

Artikel 13 Verplichtingen subsidieontvanger

  • 1.

    Subsidieontvanger dient de maatregelen uiterlijk voor 31 december 2031 te hebben uitgevoerd;

  • 2.

    Subsidieontvanger dient eenmaal per jaar, uiterlijk op 15 februari, een verslag in te dienen omtrent de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten van het jaar ervoor (met peildatum 31 december), waarbij het verslag minimaal de volgende gegevens omvat:

    • a.

      Een overzicht van de natuurgebieden ten behoeve waarvan uitvoeringsactiviteiten plaatsvinden;

    • b.

      Per natuurgebied:

      • i.

        Een overzicht van de prioritaire opgaven waarvoor uitvoeringsactiviteiten plaatsvinden, tezamen met een overzicht van de soorten en habitats waarvan de natuurcondities verbeteren door de uitgevoerde maatregelen;

      • ii.

        De voortgang en realisatie van de prioritaire opgaven, met in het bijzonder:

        • -

          Het percentage weggenomen drukfactoren;

        • -

          De gerealiseerde stikstofemissiereductie;

        • -

          De oppervlakte herstelde natuur.

  • 3.

    Subsidieontvanger is verplicht om, conform een door de provincie verstrekt format, gegevens aan te leveren over de uitgevoerde maatregelen, effecten en omgevingscondities ten behoeve van monitoring.

  • 4.

    Subsidieontvanger kan enkel eenmaal per jaar, als onderdeel van het verslag omtrent de voortgang, als bedoeld in het tweede lid, een wijzigingsverzoek indienen.

  • 5.

    Minimaal één keer per jaar zal een voortgangsgesprek worden gevoerd met de provincie Limburg omtrent de inhoudelijke en financiële voortgang van de maatregelen.

  • 6.

    Bij de uitvoering van de maatregelen dient rekening te worden gehouden met eisen en randvoorwaarden uit de Omgevingswet en met eventuele vergunningen/ontheffingen die voorafgaand aan de uitvoering nodig kunnen zijn.

  • 7.

    Subsidieontvanger dient medewerking te verlenen aan, al dan niet vooraf aangekondigd, een of meer projectbezoeken door de Gedeputeerde Staten aangewezen toezichthouders. Deze kunnen plaatsvinden bij de start van het project en/of tijdens de uitvoering van het project en/of na afronden van het project. De subsidieontvanger verleent volledige medewerking aan deze projectbezoeken en draagt er zorg voor dat de voor de controle relevante locaties, waaronder de percelen waarop de activiteiten plaatsvinden, toegankelijk zijn.

Artikel 14 Afwijzingsgronden

In aanvulling op artikel 17 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v., wordt de subsidieaanvraag afgewezen, indien:

  • a.

    Het project niet aansluit bij de doelstelling van deze nadere subsidieregels zoals gesteld in artikel 2;

  • b.

    Het project niet is ingediend door een aanvrager zoals gesteld in artikel 3;

  • c.

    Geen vooroverleg heeft plaatsgevonden, zoals beschreven in artikel 4;

  • d.

    Geen sprake is van een subsidiabele activiteit zoals opgenomen in artikel 5;

  • e.

    Niet wordt voldaan aan alle algemene criteria in artikel 6 of de betreffende specifieke criteria van artikel 6, 7, 8, 9, 10, 11 of 12;

  • f.

    De Provincie Limburg dezelfde activiteit/project op dezelfde locatie al op een andere wijze subsidieert en/of financiert;

  • g.

    De te verstrekken subsidie lager is dan € 25.000,00;

  • h.

    De subsidieaanvraag is ontvangen buiten de periode zoals vermeld in artikel 19;

  • i.

    De aanvrager een ondernemer is tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat als bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel a, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • j.

    Er sprake is van een onderneming in moeilijkheden zoals bedoeld in artikel 1, vierde lid, onderdeel c, jo. artikel 2, onder 18, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening;

  • k.

    Er van overheidswege reeds een (wettelijke) verplichting ligt om natuur of landschap te compenseren dan wel te herplanten;

  • l.

    De aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

  • m.

    De kosten van de maatregel waarvoor subsidie is aangevraagd naar het oordeel van de Provincie niet voldoende in verhouding staat tot het te bereiken effect.

Hoofdstuk 3 Financiële aspecten

Artikel 15 Subsidieplafond

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks het subsidieplafond per indieningsperiode voor deze nadere subsidieregels vast.

  • 2.

    De wijze van verdeling van het subsidieplafond kunt u raadplegen op www.limburg.nl/subsidies > subsidieplafonds.

Artikel 16 Subsidiebedrag

  • 1.

    Het subsidiebedrag bedraagt maximaal 100% van de totale subsidiabele projectkosten.

  • 2.

    Het te verstrekken subsidiebedrag bedraagt maximaal € 7.500.000,00 en minimaal € 25.000,00 per aanvrager per indieningsperiode.

Artikel 17 Subsidiabele en niet subsidiabele kosten

  • 1.

    De volgende kosten zijn subsidiabel:

    • -

      Apparaatskosten van maximaal 15% van de totale subsidiabele kosten;

    • -

      De kosten die noodzakelijk, redelijk en realistisch zijn om de maatregelen te kunnen uitvoeren.

  • 2.

    Voor wat betreft actieve landbouwondernemingen en natuurlijke personen geldt dat enkel de kosten derden, zoals bepaald in de Nadere regels subsidiabele kosten in het kader van verstrekken van projectsubsidie 2017, subsidiabel zijn.

  • 3.

    Aanvullend op artikel 15 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. zijn de volgende kosten niet subsidiabel:

    • -

      Kosten die betrekking op maatregelen waarvan de uitvoering pas zal starten na één jaar na indiening van de aanvraag binnen de desbetreffende jaarlijkse indieningsperiode;

    • -

      Onvoorziene kosten;

    • -

      Regulier beheer en onderhoud;

    • -

      Activiteiten in het kader van het Natuurpact;

    • -

      Maatregelen ter uitvoering van wettelijke taken of verplichtingen;

    • -

      Kosten voor financiële of contractuele verplichtingen die zijn aangegaan vóórdat de subsidie is aangevraagd dan wel kosten die reeds zijn gemaakt vóórdat de subsidie is aangevraagd;

    • -

      Grondverwerving en afwaardering van gronden;

    • -

      Maatregelen, zijnde bronmaatregelen, die zijn gericht op het verminderen van emissie van stikstofverbindingen aan de bron.

    • -

      Indien sprake is van staatssteun en de steun wordt verleend onder toepassing van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening of de Landbouwvrijstellingsverordening, dan zijn de kosten slechts subsidiabel voor zover zij passen binnen de betreffende verordeningen.

Hoofdstuk 4 Aanvraagprocedure

Artikel 18 Indienen aanvraag

  • 1.

    Een subsidieaanvraag kan uitsluitend worden ingediend bij Gedeputeerde Staten met gebruikmaking van het standaard (digitaal) aanvraagformulier dat geplaatst is op de website van de Provincie Limburg: www.limburg.nl/subsidies > actuele subsidieregelingen.

  • 2.

    Het standaard (digitaal) aanvraagformulier dient volledig ingevuld en rechtsgeldig ondertekend te worden en te zijn voorzien van alle bijlagen zoals aangegeven op het formulier en dient bij voorkeur digitaal, middels eHerkenning (aanvragen van organisaties) of DigiD (aanvragen van particulieren), te worden ingediend. Een aanvraag per e-mail is niet mogelijk en zal niet in behandeling worden genomen.

Artikel 19 Termijn voor indienen aanvraag

  • 1.

    Subsidieaanvragen kunnen uitsluitend worden ingediend binnen de door Gedeputeerde Staten vastgestelde jaarlijkse indieningsperioden. Daar waar aan de orde en dit wenselijk wordt geacht, zullen beschikkingen die zien op een nieuwe periode worden toegevoegd aan een verlening van een eerdere periode (herziening). Dit om de subsidie uiteindelijk in totaliteit te kunnen vaststellen.

  • 2.

    De eerste indieningsperiode start per datum inwerkingtreding van deze regeling en eindigt op 31 augustus 2026.

  • 3.

    Voor de daaropvolgende jaren geldt telkens een indieningsperiode van 1 februari tot 1 mei. De laatste indieningsperiode vindt plaats in 2029.

  • 4.

    Voor de datum van ontvangst is de datum van de ontvangststempel van de Provincie Limburg bepalend en bij digitale aanvragen de datum van digitale ontvangst.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 20 Hardheidsclausule

  • 1.

    In alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet beslissen Gedeputeerde Staten.

  • 2.

    Indien toepassing van het bepaalde in deze regeling, naar het oordeel van Gedeputeerde Staten, tot kennelijke onbillijkheden leidt, dan kunnen Gedeputeerde Staten van enige bepaling afwijken.

Artikel 21 Inwerkingtreding, beëindiging en citeertitel

  • 1.

    Deze Nadere subsidieregels treden in werking met ingang van 5 mei 2026;

  • 2.

    Deze Nadere subsidieregels vervallen met ingang van 1 augustus 2029, met dien verstande dat zij van toepassing blijven op subsidieaanvragen die vóór die datum zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten en subsidiebesluiten die vóór die datum zijn genomen, ook voor de volgende stappen in het subsidietraject;

  • 3.

    Deze regeling kan worden aangehaald als “Nadere Subsidieregels gebiedsgerichte maatregelen programma Natuur 2026-2031”.

Aldus besloten in de vergadering van Gedeputeerde Staten, gehouden op 14 april 2026.

Gedeputeerde Staten voornoemd

de voorzitter,

de heer E.G.M. Roemer

secretaris,

de heer D.F. Timmer

Bijlage: Kaarten van de vijf overige natuurgebieden behorende bij de Nadere subsidieregels gebiedsgerichte maatregelen 2026-2031

 

 

Toelichting Nadere subsidieregels gebiedsgerichte maatregelen 2026-2031

1. Aanleiding

Op grond van deze regeling wordt door het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) financiële middelen aan de provincie Limburg beschikbaar gesteld voor natuurherstel met het oog op een duurzame instandhouding van de overbelaste stikstofgevoelige Natura2000-gebieden en vijf overige natuurgebieden behorend tot het Limburgse Natuurnetwerk Nederland met voorkomens van stikstofgevoelige habitats of soorten buiten het N2000 netwerk. Rijk en provincies hebben hiertoe afspraken gemaakt in het Uitvoeringsprogramma Natuur. Het Programma Natuur borduurt voort op de bestaande afspraken van het Rijk en provincies in het Natuurpact (2013). De door het Rijk beschikbaar gestelde middelen zijn, behoudend het verwerven van zogenoemde sleutelhectares in het Natuurnetwerk Nederland, aanvullend aan de afspraken in het Natuurpact.

 

2. Provinciaal Uitvoeringsprogramma

Alle provincies hebben overbelaste stikstofgevoelige (Natura 2000) -gebieden en leefgebieden van soorten in beeld waar op korte termijn gebiedsgericht maatregelen genomen kunnen worden voor natuurherstel. Deze gebiedsgerichte maatregelen zijn opgenomen in het Limburgs offensief stikstof (LOS). De inzet richt zich vooral op maatregelen in en rond de beschermde natuurgebieden (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland, met het oog op het vlottrekken van de vergunningverlening. Met betrekking tot het LOS is met de medeoverheden, maatschappelijke organisaties en terreinbeheerders gesproken over de opgaven per specifiek gebied en de gewenste gezamenlijke aanpak.

 

De keuze voor een gebiedsgerichte aanpak via gebiedsprocessen betekent dat op voorhand niet exact aangegeven kan worden wat de precieze uitkomsten zullen zijn voor het natuurherstel. Het proces vraagt flexibiliteit van partijen om samen tot optimaal gebiedsgericht maatwerk te komen.

 

3. Additionaliteit

In het uitvoeringsprogramma natuur hebben Rijk en provincies bestuurlijk afgesproken dat de middelen van het uitvoeringsprogramma additioneel op het Natuurpact worden ingezet. Het betreft maatregelen gericht op verbetering van condities van de natuur, zoals maatregelen rondom overgangsgebieden, of om extra hydrologische en inrichtingsmaatregelen.

 

De Provincie Limburg zal in het Provinciale Uitvoeringsprogramma omschrijven op welke wijze geborgd is dat de maatregelen additioneel zijn op het Natuurpact. Om nader richting te geven aan het begrip ‘additioneel’ zijn hieronder illustratief een aantal voorbeelden opgenomen. Additioneel op het Natuurpact zijn bijvoorbeeld:

  • maatregelen in en rond gebieden Natura2000 en Natuurnetwerk Nederland, die reeds conform beheertype zijn ingericht, maar waarvoor extra maatregelen voor natuurherstel nodig zijn ter versterking van Natura 2000-habitattypen en soorten;

  • maatregelen in de overgangszones rond overbelaste stikstofgevoelige Natura2000-gebieden voor herstel van natuur en biodiversiteit;

  • het versnellen van het inrichten van sleutelhectares binnen het Natuurnetwerk Nederland. Een voorbeeld van een sleutelhectare is de laatste ha, die nog niet kon worden ingericht, waardoor over een groter gebied de inrichting (bijvoorbeeld het verhogen van het waterpeil) lange tijd heeft stilgelegen;

  • maatregelen voor het reguleren van recreatieve druk en bestrijding van invasieve exoten;

Voorbeelden van maatregelen, die niet onder additionaliteit vallen, zijn:

  • Het realiseren van het NNL (C1-gebieden), conform de ontwikkelopgave van het Natuurpact, die via de SKNL bekostigd kunnen worden.

  • Maatregelen die reeds bekostigd zijn uit de Specifieke uitkering Programma Natuur fase 1.

Nadere artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 4 Vooroverleg

In dit artikel is bepaald dat overleg met de Provincie Limburg verplicht is voordat een subsidieaanvraag formeel wordt ingediend. Dit vooroverleg vindt plaats met (een) ambtelijk vertegenwoordiger(s) van Gedeputeerde Staten. In dit gesprek, wordt op basis van vooraf te overleggen informatie over de inhoud van het initiatief, nagegaan óf provinciale ondersteuning mogelijk is en zo ja in welke vorm.

 

Mogelijk sluit het initiatief waarvoor men een subsidie in het kader van de Nadere subsidieregels gebiedsgerichte maatregelen 2026-2031 wil aanvragen beter aan bij andere provinciale kaders en regelingen. Bovendien is subsidieverlening slechts één van de ondersteuningsmogelijkheden die de Provincie Limburg kan bieden.

 

Naast financiële ondersteuning kan de Provincie Limburg ook ondersteuning bieden op niet-financieel gebied. Daarbij kan gedacht worden aan ondersteuning door het bij elkaar brengen van partijen, kennisneming, het leveren van menskracht en expertise en het ontwikkelen van beleid en regelgeving.

 

In het vooroverleg kan ook aan de orde komen hoe de concept aanvraag verder kan worden geoptimaliseerd gelet op de doelstellingen van de subsidieregeling. Tenslotte zal uitleg gegeven worden over de procedure.

 

Het vooroverleg heeft nadrukkelijk een toetsend en richtinggevend karakter. Van aanvragers wordt verwacht dat zij zelf zorgdragen voor een volledig en kwalitatief goede aanvraag. De provincie geeft uitsluitend richting en aandachtspunten mee zodat de aanvrager de aanvraag zelf kan verbeteren.

 

In het vooroverleg zal aandacht zijn voor het voldoende inhoudelijk onderbouwd zijn van de aanvraag. Dit om zo veel mogelijk te garanderen dat de beoogde natuurverbetering na uitvoering van de maatregelen ook daadwerkelijk optreedt. Daarom vragen we voor alle maatregelen een onderbouwing.

 

Artikel 6 Algemene subsidiecriteria

Dit artikel bevat de algemene criteria waaraan iedere aanvraag moet voldoen om voor subsidie op grond van deze regeling in aanmerking te kunnen komen. Deze criteria gelden aanvullend op de criteria in de overige bepalingen in de regeling en beogen te waarborgen dat uitsluitend subsidie wordt verstrekt voor maatregelen die aantoonbaar bijdragen aan het verbeteren van condities en opheffen van drukfactoren in en om stikstofgevoelige Natura2000-gebieden of stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten in de provincie Limburg.

 

Maatregelen zijn subsidiabel indien deze worden uitgevoerd ten behoeve van stikstofgevoelige Limburgse Natura 2000-gebieden en aantoonbaar bijdragen aan de verbetering van de abiotische omstandigheden en/of de kwaliteit en/of uitbreiding van het areaal van stikstofgevoelige habitattypen of de leefgebieden van stikstofgevoelige soorten. Met abiotische omstandigheden wordt onder meer bedoeld de waterhuishouding, bodemchemie en waterkwaliteit en -kwantiteit, voor zover deze van invloed zijn op de instandhouding en het herstel van stikstofgevoelige habitattypen en soorten. Onder aantoonbare bijdragen wordt verstaan dat de aanvrager in de aanvraag inzichtelijk maakt welke ecologische verbetering met de maatregel wordt beoogd en op welke wijze deze verbetering optreedt. Daarbij moet sprake zijn van een logisch en navolgbaar verband tussen de maatregel, de aangepakte drukfactoren en het effect op de betreffende habitattypen of soorten. In het vooroverleg zal hier aandacht aan besteed worden, om te borgen dat de maatregelen optimaal gaan bijdragen aan het natuurherstel.

 

Indien sprake is van staatssteun, moet het project voldoen aan de voorwaarden van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening dan wel de Landbouwvrijstellingsverordening. Dit criterium is opgenomen om te borgen dat subsidieverstrekking in overeenstemming is met het Europees staatssteunrecht. Indien nodig kunnen aanvullende gegevens worden opgevraagd.

 

De maatregel moet worden onderbouwd door middel van een ecologisch en/of hydrologisch onderzoek en/of rapport opgesteld door ter zake kundige specialisten, dan wel door middel van een analyse uitgevoerd door een deskundig specialist. Uit deze onderbouwing moet blijken welke drukfactoren worden aangepakt en welke habitattypen en soorten daarvan profiteren, alsmede op welke wijze dit effect wordt bereikt. De provincie beoordeelt of de onderbouwing voldoende concreet, navolgbaar en gebiedsspecifiek is.

 

Onder een deskundig specialist wordt verstaan een persoon of organisatie met aantoonbare deskundigheid en relevante ervaring op het gebied van ecologie en/of hydrologie, passend bij het type maatregel en het betreffende natuurgebied. Dit kan blijken uit opleiding, werkervaring, referentieprojecten of betrokkenheid bij vergelijkbare gebiedsprocessen. Indien er twijfel is over de kwaliteit van de onderbouwing, dan kan de provincie in voorkomende gevallen aanvullende informatie opvragen om de deskundigheid van de opsteller van de onderbouwing te kunnen beoordelen. Mocht blijken dat er sprake is van onvoldoende deskundigheid, dan kan dit leiden tot het afwijzen van de aanvraag.

 

Voor het onderbouwen van maatregelen kan bijvoorbeeld gebruik gemaakt worden van de N2000 profieldocumenten (https://www.natura2000.nl/beschermde-natuur) en de herstelstrategieën. https://www.natura2000.nl/hulpmiddelen/herstelstrategieen.

 

Artikel 7 Specifieke criteria Hydrologische maatregelen

Dit artikel bevat nadere vereisten voor subsidieaanvragen die betrekking hebben op hydrologische maatregelen. De hydrologische maatregelen moeten zijn gericht op het leveren van een significante bijdrage aan het bereiken van de hydrologische condities die nodig zijn voor het behoud of herstel van stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten.

 

Verhoging van het waterpeil

Peilverhoging leidt tot een hoger waterpeil tijdens (een deel van) het jaar of het langer vasthouden van een bepaald waterpeil gedurende het jaar. Onder een significante verhoging verstaan we een verhoging van minimaal 5 cm in stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten ten gevolge van de maatregel of ten gevolge van een pakket van maatregelen waar de maatregel onderdeel van uitmaakt. In het laatste geval moet aannemelijk zijn dat de maatregel een essentieel onderdeel is van het pakket van maatregelen.

 

Verbeteren van de waterkwaliteit

Verbetering van de waterkwaliteit bestaat uit het terugdringen van inspoeling van grond en/of nutriënten en/of bestrijdingsmiddelen in stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten. Voor de beoordeling van de verbetering van de waterkwaliteit bezien wij tevens of één of meer indicatoren van de Kaderrichtlijn water verbeteren.

De maatregel moet meer omvatten dan een beperkte of marginale ingreep. Van een significant effect is sprake indien aannemelijk is dat de maatregel leidt tot een ecologisch relevante verbetering van hydrologische omstandigheden die van invloed zijn op de instandhouding of het herstel van de stikstofgevoelige habitattypen of het leefgebied van stikstofgevoelige soorten. Het kan bijvoorbeeld gaan om het aanpakken van run-off knelpunten (waarbij grond en nutriënten inspoelen in een N2000-gebied) of maatregelen in intrekgebieden waar water inzijgt dat uittreedt in een N2000-gebied.

 

Onderbouwing hydrologische maatregelen

De aanvrager dient de significante bijdrage aan het bereiken van de benodigde hydrologische condities in stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten in de aanvraag te onderbouwen, bijvoorbeeld aan de hand van hydrologische analyses, modelberekeningen, peilgegevens, gebiedskennis of deskundigenrapportages. De aanvrager kan hierbij gebruikmaken van hydrologische studies, de Natuurdoelanalyses het N2000-beheerplan en deskundigenrapportages ter onderbouwing van de aanvraag. Ook documenten zoals de hierboven genoemde profieldocumenten, het handboek streefbeelden voor Natuur en Water in Limburg of het handboek natuurdoeltypen kunnen als bron gebruikt worden. In de hydrologische onderbouwing moet worden aangetoond dat significant positieve effecten aannemelijk zijn. Dit zal in het vooroverleg aan de orde komen.

 

Overige voorwaarden

De aanvrager dient inzichtelijk te maken dat de maatregel aanvullend is op het waterbeheerplan of andere reeds geprogrammeerde uitvoeringsmaatregelen van het waterschap of andere organisaties. De voorgenomen maatregelen moeten zien op bovenwettelijke verplichtingen om voor subsidie in aanmerking te komen.

 

Maatregelen die uitgesloten zijn van subsidiëring

Aanvoer en infiltratie van gebiedsvreemd water kan ongewenste effecten hebben op waterkwaliteit en bodemchemie, en daarmee op de instandhouding van stikstofgevoelige natuurwaarden.

Derhalve zijn dit soort maatregelen uitgesloten van subsidiering.

 

Artikel 9 Specifieke criteria Invasieve exoten

Dit artikel bevat nadere vereisten voor maatregelen die gericht zijn op duurzame bestrijding van invasieve exoten of het voorkomen van verspreiding daarvan. Invasieve exoten kunnen leiden tot verdringing van inheemse soorten en aantasting van habitatkwaliteit. Dit artikel beoogt te voorkomen dat invasieve exoten het herstel en behoud van stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van stikstofgevoelige soorten belemmeren.

 

Ook preventieve maatregelen zijn subsidiabel als het aannemelijk is dat zonder de maatregel exoten zullen vestigen in kwetsbare natuur. Van significant negatieve effecten is sprake indien de aanwezigheid of verspreiding van de invasieve exoot leidt, of naar verwachting zal leiden, tot aantoonbare achteruitgang van habitatkwaliteit of tot verdringing van typische soorten.

 

Indien dit noodzakelijk is om de bestreden invasieve exoten verwijderd te houden of te beheersen, moet het project voorzien in 5 jaar passende nazorg op behandelde locaties na uitvoering van de regeling tot uiterlijk 2032. Afhankelijk van de soort is effectieve bestrijding in de regel meerjarig en kunnen herhaalacties noodzakelijk zijn. De aanvrager dient te beschrijven welke nazorgmaatregelen worden uitgevoerd, gedurende welke periode en op welke wijze monitoring en herhaalbeheer worden georganiseerd. Een kortere periode of het niet uitvoeren van nazorg dienen gemotiveerd te worden in de aanvraag. Onvoldoende onderbouwing kan een reden zijn voor het afwijzen van de aanvraag.

 

Bestrijding van exoten heeft alleen zin als de bestrijding gebeurt conform de laatste wetenschappelijke kennis, en met kennis en ervaring van de te bestrijden soort. Daarom is het een vereiste dat de bestrijding wordt uitgevoerd door een bedrijf met aantoonbare expertise in exotenbestrijding, blijkend uit minimaal twee referentieprojecten in de afgelopen vijf jaar of uitgevoerd door een bedrijf dat werkt conform de landelijke leidraad invasieve exotenbestrijding.

 

Artikel 12 Specifieke criteria Verbinden natuurgebieden

Dit artikel bevat nadere vereisten voor maatregelen die gericht zijn op het realiseren of verbeteren van ecologische verbindingen tussen Natura 2000-gebieden. Ecologische verbindingen kunnen bijdragen aan robuustere populaties en een betere uitwisseling van (typische) soorten, waardoor de veerkracht van stikstofgevoelige habitats en leefgebieden toeneemt. Het artikel beoogt te borgen dat subsidie wordt ingezet voor verbindingen die ecologisch functioneel zijn en passen binnen provinciaal beleid.

 

Het project moet voorzien in het maken van een ecologische verbinding en/of het verbeteren van bestaande verbindingen tussen Natura 2000-gebieden, of het opheffen van barrières in ecologische verbindingszones, voor zover dit een gunstige invloed heeft op stikstofgevoelige habitats (waaronder de hierbij horende typische soorten) of leefgebieden van stikstofgevoelige soorten. Met gunstige invloed wordt bedoeld dat de verbinding aantoonbaar bijdraagt aan de verspreidingsmogelijkheden, uitwisseling of instandhouding van soorten die afhankelijk zijn van stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden. De aanvrager dient te onderbouwen waarom de maatregel bijdraagt aan ecologische functionaliteit en waarom dit relevant is voor stikstofgevoelige natuurwaarden.

 

De verbinding moet zijn opgenomen in de POVI-kaart met ecologische verbindingszones.

 

In de aanvraag moet worden onderbouwd voor welke (typische) soorten de verbinding wordt ingericht en dat tevens moet worden onderbouwd dat de beoogde inrichting functioneel is voor deze soorten. De aanvrager dient hierbij inzichtelijk te maken welke ecologische eisen de doelsoorten stellen aan het landschap en hoe de inrichting hieraan voldoet. Dit kan betrekking hebben op bijvoorbeeld vegetatiestructuur, breedte van de verbinding, beheer, barrières en de aanwezigheid van geschikte stapstenen. De provincie beoordeelt of de onderbouwing voldoende aannemelijk maakt dat de verbinding daadwerkelijk functioneel zal zijn.

 

Artikel 17 Subsidiabele en niet subsidiabele kosten

Enkel kosten die noodzakelijk, redelijk en realistisch zijn om de maatregelen te kunnen uitvoeren, zijn subsidiabel. Hiermee wordt beoogd dat beschikbare subsidiegelden doelmatig worden ingezet en dat met publieke middelen een zo groot mogelijk effect voor natuur, bos en landschap wordt bereikt.

 

Bij de beoordeling van de doelmatigheid van de kosten kan de Provincie onder meer gebruikmaken van de kostennormen uit het meest recente Normenboek Natuur, Bos en Landschap van Wageningen Environmental Research. Dit normenboek bevat gangbare tijd- en kostennormen voor werkzaamheden in natuur-, bos- en landschapsbeheer. De daarin opgenomen normen geven een referentie voor wat in de praktijk als gebruikelijke en doelmatige kosten voor dergelijke werkzaamheden wordt beschouwd.

 

Indien de in de subsidieaanvraag opgevoerde kosten aanzienlijk afwijken van de in het normenboek opgenomen kostenniveaus, kan dit voor de Provincie aanleiding zijn om te beoordelen of de kosten nog in redelijke verhouding staan tot het te realiseren effect (artikel 14, sub m). Daarbij kan ook worden gekeken naar de aard en omvang van de maatregel, de lokale omstandigheden en de verwachte bijdrage aan de doelstellingen van de regeling.

 

Het artikel biedt ruimte voor maatwerk. In gemotiveerde gevallen kunnen hogere kosten aanvaardbaar zijn, bijvoorbeeld wanneer specifieke terreincondities (hellingen, natte gebieden), toegankelijkheid of ecologische randvoorwaarden de uitvoering aantoonbaar duurder maken. De Provincie beoordeelt dit per aanvraag.

 

Binnen deze subsidieregeling wordt geen subsidie verstrekt voor kosten die verband houden met maatregelen die zijn gericht op het verminderen van de emissie van stikstofverbindingen aan de bron. Hieronder worden onder meer verstaan technische aanpassingen aan stallen, installaties of aanpassingen in de bedrijfsvoering die primair gericht zijn op emissiereductie.

 

De regeling is nadrukkelijk gericht op het realiseren van natuurherstel en het verbeteren van de abiotische omstandigheden in stikstofgevoelige natuurgebieden. Maatregelen die uitsluitend of primair gericht zijn op het reduceren van stikstofemissies vallen buiten de reikwijdte van deze regeling.

 

Indien emissiereductie een neveneffect is van een maatregel die primair is gericht op natuurherstel, kunnen de kosten van die maatregel wel subsidiabel zijn, mits wordt voldaan aan de overige criteria van de regeling.

Naar boven