Provinciaal blad van Noord-Brabant
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2026, 6414 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2026, 6414 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant:
Overwegende dat
in de Omgevingsverordening Noord-Brabant is vastgelegd op welke locatie de regels van een artikel(-lid) gelden;
regelmatige actualisatie noodzakelijk is om te zorgen dat de juiste regels op een locatie van toepassing zijn;
wij daarom via een delegatiebesluit van Provinciale Staten de mogelijkheid hebben om de grenzen van de locaties te wijzigen;
inwerkingtreding van gemeentelijke plannen, kaartfouten en besluiten van Provinciale Staten, het Rijk en het Waterschap aanleiding kunnen vormen om grenzen van locaties aan te passen;
daarom twee keer per jaar een procedure wordt gevolgd om grenzen van locaties te actualiseren;
hiertoe een ontwerpbesluit is opgesteld en ter beschikking gesteld via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaarstellen (Lvbb) en Regels op de Kaart met de gelegenheid om gedurende zes weken zienswijzen in te dienen;
er PM zienswijzen zijn ingediend op het ontwerp van de kaartaanpassingen 2026-2 die zijn samengevat, beoordeeld en beantwoord in de Nota van zienswijzen en wijzigingen (definitieve tekst volgt bij vaststelling);
dat de motivering en de bijlagen bij dit wijzigingsbesluit de toelichting bevatten van de wijzigingen en de inzet van onze wijzigingsbevoegdheid;
Besluiten:
diverse wijzigingen van de Omgevingsverordening Noord-Brabant door te voeren en daartoe vast te stellen het ontwerp van de Wijziging Omgevingsverordening Noord-Brabant, kaartaanpassingen 2026-2 zoals is opgenomen in bijlage A'.
dat dit ontwerpbesluit gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd met gelegenheid tot het indienen van zienswijzen.
A
Artikel 5.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan ter plaatse van een Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf voorziet in de toedeling van een passende functie of gebruiksactiviteit op de locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast:
Een omgevingsplan voorziet in de toedeling van een passende functie of gebruiksactiviteit ter plaatse van de volgende locaties:
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf RBV: Regeling beëindiging veehouderijtakken (RBV);
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf BIV: Subsidieregeling beëindiging intensieve veehouderijen Noord-Brabant (BIV);
Sanerings- en verplaatsingslocatie GTB: Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden Noord-Brabant (GTB);
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf VIV: Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderij (VIV);
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf SUN: Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016 (SUN);
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf Srv: Subsidieregeling sanering varkenshouderijen;
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf MGA: Maatregel Gerichte Aankoop;
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf MGB: Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging;
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf LVVP: Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting.
Een omgevingsplan ter plaatse van een Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf voorziet in de toedeling van een passende functie of gebruiksactiviteit op de locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast:
Een omgevingsplan voorziet in de toedeling van een passende functie of gebruiksactiviteit ter plaatse van de volgende locaties:
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf - Lbv: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv);
Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf - Lbv-plus: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties-plus (Lbv-plus);
Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, kleinere sectoren (Lbv kleinere sectoren);
Het omgevingsplan waarin een passende functie of gebruiksactiviteit wordt toebedeeld aan een agrarisch bedrijf als bedoeld in het eerste en tweede lid, voorkomt dat op de slooplocatie nieuwe bebouwing wordt opgericht door het bouwperceel aan te passen tot een bij die functie of gebruiksactiviteit passende omvang.
B
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_ff0b70865d0246228a94180753493dc8/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_0e0acbdd50aa40b4bc5c8c04b45b3490/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_156897a973f448fabe169d481523a777/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_ae7ce3100a5c4caaa9bc7d50ab36f025/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_ae7ce3100a5c4caaa9bc7d50ab36f025/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5e26c521f4164946a285124c39ac5632/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10d2534ddd9847329d62f389c6096285/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_4ef93107bdb74faf829e78a0fe552b65/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_4ef93107bdb74faf829e78a0fe552b65/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e8bb56861a1d46e1b3a60c39747dcb9f/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e8bb56861a1d46e1b3a60c39747dcb9f/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_cc5cca8359d54cdea63cd108e77dc30c/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e9c957ab7d044eb98521d416c9a94b1c/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f900597c1c564b61aa22bda5cfbadc81/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f900597c1c564b61aa22bda5cfbadc81/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_2c405141f62749d3a696daf63b2a54ff/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_VI_Maatregelen_ammoniakemissiereductie/nld@2025‑12‑12;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_fa35416d285c49118cd4c1f11951a92d/nld@2025‑12‑12;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_d1a1bb8182bd45d7ab27d69b2f8970ae/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_d1a1bb8182bd45d7ab27d69b2f8970ae/nld@2026‑04‑07;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e108d7013dc443349ac08d3c8eaddbf2/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_c2bc60f8f2d44fd0b1951e4c6c58d94b/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2026/gebiedsaanwijzing_c3cd51753c1f49c79e1a6feea9349c10/nld@2026‑04‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_fd78d62051be4499bbd7181d5da603f9/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_8f9b723fb5144460b46f73940b87e710/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_8f9b723fb5144460b46f73940b87e710/nld@2026‑04‑07;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_42c56e61b0814fc1aa2a5d4603e1fabc/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_74894dc13d0c4a54a25f63493f1b2de6/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_a862978f2a5442aca91aee69948dd112/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_a862978f2a5442aca91aee69948dd112/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_bcbc9c1bced348f9a80b449c5930a16b/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b602bb7612b345cba74e9790bbeabe99/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e0f0afe58ea54b18ae8339a377298815/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f91b46e62ca4438ea6312fb67238c623/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f91b46e62ca4438ea6312fb67238c623/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_225138fa3a2043148c2a1f41a9f76a43/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_f4d7eaf069d643de9c572bff1ce010ec/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_91a6a5fa18a247e3a82dc9e88b0d773b/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_55a4044671a84397ae1c4823bb2fad5e/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_55a4044671a84397ae1c4823bb2fad5e/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5283fd7aeecc4cc8890a84e38be9f863/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5283fd7aeecc4cc8890a84e38be9f863/nld@2026‑04‑07;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b891d074edcc4db68d61bd511aa5b88c/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b891d074edcc4db68d61bd511aa5b88c/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_325c00e0bd8b407f85dcaa692b7d818a/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_325c00e0bd8b407f85dcaa692b7d818a/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_d02157d6323944fdaf6430dc4205fe3e/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_d02157d6323944fdaf6430dc4205fe3e/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_95f89d0177b94d6bb7613739a60fae63/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_95f89d0177b94d6bb7613739a60fae63/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_ea958b1dc94448c98286aa981d01611d/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5d88485d27ad4a8f91819e8049221405/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_96b9608443ec454ea71f8ed17e2b31b0/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_dc8f7c53395f4c978a5a32f13b702cd8/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9217cd4cb7e44e1caff8ab1f5bfc705c/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9217cd4cb7e44e1caff8ab1f5bfc705c/nld@2026‑04‑07;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_797ad88d02c14802aea73e2b7464f037/nld@2026‑03‑03;2
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_797ad88d02c14802aea73e2b7464f037/nld@2026‑04‑07;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5409b6c6a19647d3874dc3e548b87aba/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_588f2af2023944999301febaeecf6f3d/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_28cbb86cc7b0494aa9a1e529ab551794/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2026/gebiedsaanwijzing_2d8b54fe3b4e4dc7893937b68837849e/nld@2026‑03‑04;1
/join/id/regdata/pv30/2026/gebiedsaanwijzing_8ee3c5e9e4ee49fea94fa1e0202a70a9/nld@2026‑03‑04;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_225dc92d7dad4ee2ab15f38541a04384/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_8616c8f2499e43e5a75191a00d36392b/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_8e2302ca3cde4f4183093cd9084a9958/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_0fa69bc0f9ff468689cdf4a01395941c/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9e5a5e1f295843f4837c352710d32777/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_aafb0de18eaf47f0b47e244195940687/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/norm_cc06cee536fe4857a0b752388f4a4a5e/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10735dbaa9e844d58a6d33f4aecf0d0f/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_39d187064da444728d890615a8432797/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_39d187064da444728d890615a8432797/nld@2026‑04‑07;4
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e7ea6d632b784b70b8c9b020e9d27ac5/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_6c45b9559e2a4257aa06cc21dec87d5a/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_e47663638efd4b87aa14474054643c70/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_4da54be7c7f24392ad6465faa561e9d0/nld@2026‑03‑03;3
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_7914e4a3b41544ff9b19d80b25515224/nld@2025‑08‑07;1
/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b0a6b19bab0142b9833dfc6f1120ffc1/nld@2025‑12‑12;2
C
Na bijlage X wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
In de viewer Regels op de Kaart vindt u de versie van de Omgevingsverordening die ontstaat als de wijzigingen uit het ontwerpbesluit "Wijziging Omgevingsverordening Noord-Brabant, kaartaanpassingen 2026-2" worden vastgesteld.
De onderbouwing/ motivering van de voorgestelde wijzigingen is niet in de viewer te vinden maar bij het ontwerpbesluit tot wijziging.
Het ontwerpbesluit om de verordening te wijzigen is samen met de motivering van de aanpassingen te vinden in een Provinciaal Blad. Daar zijn ook de bijlagen bij de motivering te vinden, zoals een lijst met de kaartaanpassingen per gemeente en aanvullende onderbouwingen.
Klik in de viewer Regels op de Kaart bovenaan in de rechter informatiekolom op "Meer besluitkenmerken" om het onderdeel "Procedure informatie" te openen.
Klik daar op de link in de tekst "Bekijk besluit op overheid.nl"
In de provinciale viewer staan beide documenten. De keuze voor Besluit toont het ontwerpbesluit met de motivering en aanvullende bijlagen. De keuze voor Regels laat een versie van de verordening zien waarin de wijzigingen zijn verwerkt. Net als in Regels op de Kaart is te vinden waar de wijzigingen zitten; een uitroepteken geeft aan dat de tekst verder moet worden opengeklapt om de wijziging te vinden.
Bijkomende voordelen van het bekijken in die viewer:
Door tekst met "Gewijzigd" ervoor aan te vinken zijn bij gewijzigde locaties de veranderingen in de kaart te zien. Toegevoegde vlakken staan met groen op de kaart, verwijderingen met rood. Deze verschillen zijn niet te zien in de landelijke Regels op de Kaart-viewer.
In de Brabantse viewer is tijdens de reactieperiode ook meteen de link te vinden naar een formulier om een zienswijze in te dienen.
D
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
|
Naam besluit |
Datum besluit |
Datum inwerkingtreding |
Hoofdonderwerpen |
|
Omgevingsverordening Noord-Brabant (initieel) |
11‑03‑22 |
01‑01‑24 |
Eerste complete versie |
|
Wijziging Omgevingsverordening, veegronde |
27‑10‑23 |
01‑01‑24 |
Beperking grootschalige logistiek |
|
TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant |
05‑12‑23 |
01‑01‑24 |
Geometrie update naar aanleiding van alle kaartwijzigingsbesluiten van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de Omgevingsverordening plus de geconsolideerde tekst |
|
TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2024 |
17‑09‑24 |
27‑09‑24 |
Kaartwijzigingen in verband met: |
|
TAM-omgevingsverordening - regelwijziging 1 |
13‑12‑24 |
01‑01‑25 |
Toevoegen locatie Boordieptes grondwaterbeschermingsgebied |
|
TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2025 -1 |
25‑02‑2025 |
11‑03‑25 |
Kaartwijzigingen in verband met: - verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB) - actualisaties en correcties (o.a. Regionale waterberging en Reservering waterberging en NNB). |
|
Omgevingsverordening Noord-Brabant |
01‑07‑2025 |
12‑08‑2025 |
Omzetting naar STOP/TPOD standaard: kleine tekstuele wijzigingen, o.a. bij omgevingswaarden en normen; vervanging van pdfkaart bijlage IX door normen |
|
Omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2025 -2 |
16‑09‑25 |
20‑09‑2025 |
Kaartwijzigingen in verband met:- natuurbeheerplan wijzigingen (NNB, voornamelijk ecologische redenen)- verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)- actualisaties en correcties |
|
Omgevingsverordening Noord-Brabant – regelwijziging 2 |
12‑12‑25 |
|
-toevoegen boringsvrije zones (drinkwaterreservering) -verduidelijking meldplicht en toevoegen informatieplicht ontgrondingen -invoeren maatregel Vermindering ammoniakemissies uit veehouderijen, inclusief aanpassing van de datum en wijziging van bijlage VI - nieuw artikel Tijdelijk handelingsverbod veehouderijen - toevoegen van de aanleg van warmtesystemen aan algemeen belang - ladder voor duurzame verstedelijking verwijderd - aanpassing vanwege aflopen Ruimte voor ruimte - bescherming N2000 - enkele correcties bij agrarische activiteiten - informatieplicht waterschappen - aanpassing definities - aanpassingen vanuit de uitvoeringspraktijk en herstel van enkele omissies |
|
Omgevingsverordening Noord-Brabant, kaartaanpassingen 2026-1 |
03‑03‑2026 |
|
Kaartwijzigingen in verband met: - verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Bebouwd gebied ) - actualisaties en correcties (o.a. Stedelijk gebied, NNB en LBV-locaties). |
|
Omgevingsverordening Noord-Brabant, kaartaanpassingen 2026-2 |
|
|
Kaartwijzigingen in verband met: -natuurbeheerplan wijzigingen (NNB, voornamelijk ecologische redenen) -gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)- actualisaties en correcties -Technische correctie artikel 5.76, verwijdering 'verzamellocatie' |
E
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat het verbod op het verrichten van een aangewezen milieubelastende activiteit in Artikel 3.24.
Milieubelastende activiteit
In een waterwingebied zijn alle milieubelastende activiteiten zoals aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving, als milieubelastende activiteit Waterwingebied aangewezen. Vanuit de risicobenadering, het zeer kwetsbare karakter van feitelijke wingebieden en de omstandigheid dat de waterwingebieden grotendeels in natuurgebied liggen, is hier voor een absoluut verbod gekozen.
Een uitzondering wordt alleen gemaakt voor de bedrijfsmatige activiteiten van het drinkwaterbedrijf, voor zover noodzakelijk voor de bereiding van drinkwater. Deze uitzondering ligt voor de hand: het drinkwaterbedrijf kan anders zijn taak niet vervullen. Omdat het bedrijf er zelf belang bij heeft dat een goede grondwaterkwaliteit wordt gehandhaafd, mag ervan uit worden gegaan dat het bedrijf zich tenminste aan zijn zorgplicht en de normen die voor grondwaterbeschermingsgebieden gelden, zal houden en dat het bevoegd gezag bij vergunningverlening daarop zal letten. Deze uitzondering is onder de vrijstelling opgenomen.
Het verbod is in de praktijk minder ingrijpend dan het lijkt omdat de meeste waterwingebieden in eigendom van de waterleidingbedrijven zijn en in die gebieden nagenoeg geen 'gewone' bedrijven aanwezig zijn. Bovendien kunnen activiteiten en bedrijven die op het moment van inwerkingtreden van de bepaling voor waterwingebieden legaal aanwezig zijn overeenkomstig de daarvoor geldende regels, vanwege overgangsrecht in werking blijven.
Schadelijke stoffen
In waterwingebieden is het gebruik of aanwezig hebben van schadelijke stoffen verboden.
Daarnaast is bepaald dat het op of in de bodem brengen van mogelijk schadelijke stoffen, waaronder het toepassen van grond en baggerspecie, het gebruik van meststoffen en het uitstrooien van as verboden is. Dit omvat ook het oprichten van constructies of werken als daardoor schadelijke stoffen in de bodem kunnen worden verspreid.
Constructies en werken
Binnen het wingebied zijn generiek alle werkzaamheden in of op de bodem verboden. Daarmee is niet alleen het verrichten van boringen maar bijvoorbeeld ook het oprichten van bebouwing geregeld. Het verbod geldt ook voor het onttrekken of toevoegen van warmte aan het grondwater, bijvoorbeeld door bodemenergiesystemen. Het risico van het inbrengen of verspreiden van verontreinigingen is vanuit de risicobenadering niet acceptabel. Bovendien is nog onvoldoende bekend wat het effect van temperatuurschommelingen is op de kwaliteit van het grondwater.
F
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.1, eerste lid onder e Omgevingswet is een verbod opgenomen om, zonder vergunning van Gedeputeerde Staten, of in uitzonderingsgevallen de minister, handelingen te verrichten of projecten te realiseren die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Voor bestaand gebruik geldt een uitzondering op de vergunningplicht. Veelal is sprake van sinds jaar en dag bestaand gebruik van de betrokken percelen.
In veel Natura 2000-gebieden binnen, of grenzend aan de provincie Noord-Brabant is de grondwaterstand een belangrijke randvoorwaarde voor de instandhoudingsdoelen. Rond de Natura 2000-gebieden in de provincie Noord-Brabant zijn daarom robuuste beschermingszones gesitueerd.
De waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta hanteren sinds medio 2014 een nieuw en flexibeler beleid voor agrarische beregening buiten de beschermingszones, in combinatie met waterconservering en besparing. Waterschap De Dommel hanteert dezelfde uitgangspunten maar heeft daarbij nog aanvullend beleid ontwikkeld voor overgangszones binnen de beschermde gebieden, dat per 1 maart 2015 in werking is getreden. Een flexibeler en meer gebiedsgedifferentieerd beleid sluit beter aan bij zowel de uitgangspunten van landbouworganisaties als die van natuurorganisaties, rekening houdend met de wateropgaven als gevolg van klimaatverandering.
Dit beregeningsbeleid is tot stand gekomen op basis van een passende beoordeling, zodat aan de eisen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving kan worden voldaan. Voor de aanvullende beleidsvariant van waterschap De Dommel is een nadere passende beoordeling vastgesteld.
Voorwaarden voor vrijstelling
Als een passende beoordeling is opgesteld volgens de eisen die daaraan worden gesteld, is het redelijk dat de provincie het flexibele beregeningsbeleid faciliteert met een vrijstelling die rekening houdt met het beleid en de regelgeving van de waterbeheerders. Daardoor is het aanvragen van afzonderlijke vergunningen voor degenen die van het flexibele beleid gebruik willen maken niet nodig, voor zover de agrarische beregening blijft binnen de randvoorwaarden van de algemene regels krachtens de regels van de waterschappen.
G
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemeen
In het verleden bestonden er diverse regelingen die vanuit een rood-voor-groen benadering ontwikkelingen mogelijk maakte:
de individuele ruimte-voor-ruimte regeling voor varkens- en kippenhouderijen;
de landgoederenregeling;
de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties;
nieuwe functies en activiteiten bij complexen van cultuurhistorisch belang;
splitsing van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of beeldbepalende woonboerderijen.
Rood voor groen betekent dat een ontwikkeling plaatsvindt vanuit de wens om een 'groen' doel te realiseren. Groen vanuit een brede betekenis, zoals de sloop van leegstaande gebouwen, de aanleg van natuur of landschapselementen, behoud van cultuurhistorisch waardevol landschap en gebouwen of de aanleg van extensieve recreatieve voorzieningen. Om het groene doel te realiseren, wordt de ontwikkeling van een rode functie ingezet. Met de opbrengst van die rode ontwikkeling in het Landelijk gebied (bijvoorbeeld de bouw van een woning of de ontwikkeling van een recreatieve of niet-agrarische functie), wordt dan het groene doel gerealiseerd.
De meeste van bovenstaande regelingen stammen uit de jaren 2000-2005. De voorwaarden voor toepassing van de regeling passen daarom niet altijd meer bij de uitgangspunten van deze tijd. Bijvoorbeeld bij ruimte voor ruimte kunnen alleen varkens- en pluimveebedrijven meedoen in voormalige reconstructiegebieden. De regeling is gebaseerd op de problematiek begin deze eeuw terwijl de huidige problematiek ook melkveehouders en bedrijven buiten de voormalige reconstructiegebieden betreft. En de landgoederenregeling was erg gedetailleerd waardoor creativiteit en afweging naar specifieke gebiedskenmerken steeds vaker achterwege bleef. Bijvoorbeeld: bij de landgoederenregeling werd in het verleden per wooneenheid van 750 m3 als tegenprestatie de aanleg van 2,5 hectare natuur gevraagd. Er werden daarbij geen eisen gesteld aan wat voor natuur of de locatie van de nieuwe natuur. Hierdoor ontstonden losliggende natuurgebiedjes die vanuit de kwaliteit en samenhang van het Natuur Netwerk Brabant slechts weinig bijdroegen. Bovendien stuitte de regeling soms op problemen in geval van een zorglandgoed.
Daarom is vanwege de opstelling van de omgevingsverordening aan Brabant Advies gevraagd advies te geven over een nieuwe regeling. Dit heeft geleid tot het op 10 juli 2020 uitgebrachte rapport 'Een nieuwe aanpak voor rood en groen'. Brabant Advies beveelt een nieuwe aanpak aan waarbij de gemeente als eerste aan zet is maar met een stevige rol voor de provincie om kennisontwikkeling, eenheid van beleid en het versterken van omgevingskwaliteit te ondersteunen. Gebaseerd op dit advies en ervaringen uit de praktijk, zijn in deze omgevingsverordening de oude regelingen samengevoegd. Doordat de doelen van de eerdere regelingen zijn gehandhaafd, zijn de basisuitgangspunten niet veranderd maar wel algemener geformuleerd. Daardoor biedt de regeling meer mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen en het combineren van opgaven. Bijvoorbeeld door te voorzien in een vraag voor de ontwikkeling van (tijdelijke) tiny houses. Vanuit de oude regeling was dat niet mogelijk. Met de nieuwe regeling kan meer maatwerk geleverd worden.
Algemene voorwaarden lid 1
De nieuwe regeling biedt meer mogelijkheden voor ontwikkelingen in het landelijk gebied, zolang deze als doel hebben de omgevingskwaliteit te versterken. Belangrijkste voorwaarde is dat een initiatief de realisering van de 'groene ontwikkeling' als doel heeft. De rode ontwikkeling (de toe te laten gebruiks- of bouwactiviteit) staat ten dienste van dat groene doel en wordt daarvoor volledig ingezet. Daarom is opgenomen dat de rode ontwikkeling tot doel heeft om de omgevingskwaliteit te versterken en daarvoor de middelen biedt.
De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gaat altijd om feitelijk nog te realiseren omgevingskwaliteit. Het is daarom niet mogelijk om in het verleden gerealiseerde kwaliteitswinst in te brengen. Er moet daarom een directe koppeling liggen tussen de toe te laten activiteit en de fysieke tegenprestatie in versterken omgevingskwaliteit. Vanuit de uitvoerbaarheid van de regeling kan er soms een beperkte tijd liggen tussen beide ontwikkelingen. Dat is uiteraard wel mogelijk.
'Groen' heeft in de rood-voor-groen benadering een brede betekenis: het versterken van omgevingskwaliteit. Dat impliceert dat de inzet (mede) is gericht op algemene belangen en dat het niet alleen een individueel belang betreft. Het kan bijvoorbeeld gaan om de aanleg van natuur en landschapselementen, sloop van leegstaande gebouwen, behoud en versterking van cultuurhistorische waarden en kenmerken, klimaatmaatregelen maar ook het verminderen van emissies van milieuhinderlijke stoffen. Uiteraard rekening houdend met de specifieke kenmerken, waarden en functies in een gebied. Wij benadrukken dat de opgenomen invulling van versterken van omgevingskwaliteit geen limitatieve opsomming betreft. Uitgangspunt van de regeling is wel dat de versterking van omgevingskwaliteit is gericht op de fysieke leefomgeving van het landelijk gebied.
Er geldt voorts een anti-dubbeltelbepaling. Als het versterken van de omgevingskwaliteit al is verzekerd vanwege een wettelijke verplichting of vanwege deelname aan een regeling, dan kan die versterking niet (nogmaals) ingebracht worden voor de toepassing van deze regeling. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een regeling waarbij een bedrijf een sloopverplichting heeft vanwege deelname. Of een subsidie die is ontvangen voor de aanleg van natuur.
De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit moet juridisch zijn geborgd. Het is aan gemeente en initiatiefnemer om hieraan concreet invulling te geven. Denkbaar is dat gewerkt wordt met voorwaarden die het beoogde gebruik of het mogen verrichten van de gebruiksactiviteit koppelen aan de voorwaarde dat de fysieke tegenprestatie is gerealiseerd en dat die ook in stand wordt gehouden. Daarnaast wordt een op de activiteit en fysieke versterking van omgevingskwaliteit gerichte regeling in het omgevingsplan verwacht. In sommige gevallen is het ook denkbaar dat wordt gewerkt met kwalitatieve verplichtingen. De borging moet op zo'n wijze zijn vorm gegeven dat die juridisch handhaafbaar en afdwingbaar is.
Een andere algemene voorwaarde gaat over de volhoudbaarheid van de ontwikkeling. Is er met de kennis van nu, ook richting de toekomst behoefte aan de ontwikkeling of gaat het om een tijdelijke functie? Het is ongewenst om nu nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken waardoor de leegstand van de toekomst ontstaat. Maar ook of een initiatief economisch levensvatbaar is: is er een goede bedrijfseconomische onderbouwing van het initiatief? De te ontwikkelen gebruiks- of bouwactiviteit moet verder uiteraard passen binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied (artikel 5.12).
Bij het mogelijk maken van de gebruiks- of bouwactiviteit wordt toepassing gegeven aan meerwaardecreatie (artikel 5.10); dat betekent bijvoorbeeld dat er aandacht is voor energietransitie, klimaatmaatregelen, duurzaam bouwen, leefbaarheid etc.
De activiteit en de beoogde fysieke tegenprestatie moeten voorts uiteraard passen binnen algemene uitgangspunten van deze verordening. Daaronder valt ook dat de nieuwe bouw- of gebruiksactiviteit op zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast.
Overleg
Toepassing van deze regeling vraagt om maatwerk per geval. Daarom is geen concrete regeling uitgewerkt voor de tegenprestatie. De tegenprestatie wordt in breed overleg met betrokken partijen, waaronder de provincie, ingevuld. Het is een nieuwe regeling en daarom is het, zeker in het begin, belangrijk dat binnen de provincie op een gelijke manier met de regeling wordt omgegaan. Daarom is opgenomen dat een deskundige op het gebied van omgevingskwaliteit vanuit de provincie bij de ontwikkeling van het plan wordt betrokken.
Beleidsregel
Gedeputeerde Staten hebben een beleidsregel vastgesteld die invulling geeft aan de minimale omvang van de fysieke tegenprestatie die verwacht wordt bij het toevoegen van een woning (lid 3, onderdeel a). In de beleidsregel zijn de uitgangspunten opgenomen die Gedeputeerde Staten hanteren voor de kosten van sloop, aanleg van natuur en landschapselementen of het inleveren van stikstofruimte. De beleidsregel bevordert een gelijke toepassing binnen de provincie.
Monitor
Brabant Advies concludeert in zijn rapport ook de wenselijkheid om de effecten van de toepassing van rood-voor-groen beter te monitoren en te evalueren. Daarom is een jaarlijkse rapportageplicht opgenomen voor Gedeputeerde Staten. Zo'n rapportageplicht kan ook bijdragen aan kennisontwikkeling en kennisdeling door goede voorbeelden uit te dragen.
Sanering milieuhinderlijke activiteit (lid 2)
De voormalige Ruimte voor ruimte regeling had mede tot doel een aanzienlijk milieuwinst te realiseren. Ook deze regeling voorziet daarin. Het is daarbij van belang dat als een rode ontwikkeling wordt ingezet om de sanering van milieuhinder te bereiken, ook geborgd wordt dat daadwerkelijk een sanering en niet alleen een -al dan niet tijdelijke- vermindering van hinder aan de orde is. Dat betekent dat het omgevingsplan juridisch vastlegt dat de activiteit niet langer is toegestaan. Het betekent ook dat bij de sanering van een milieuhinderlijke activiteit, alle op de locatie rustende rechten en vergunningen voor die activiteit ingetrokken moeten worden. Dat omvat alle aspecten, zoals de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, de Natura-2000 activiteit, de Flora- en fauna activiteit of een lozingsactiviteit. Dit betekent ook dat er geen mogelijkheden bestaan om de op de locatie rustende rechten of toestemmingen te verhandelen of in te zetten op een andere locatie. De regeling gaat ervan uit dat alle toestemmingen zijn ingetrokken.
Tot de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Noord-Brabant was het conform de oude RvR-regeling mogelijk om dierrechten voor varkens- en kippenhouderijen ter hoogte van 3500 kg fosfaat in te zetten als fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit. Het bestemmingsplan bevatte dan het bewijs dat deze verhandelbare rechten door de rvo zijn doorgehaald. Onder de Omgevingsverordening is deze mogelijkheid vervallen omdat deze dierrechten niet gekoppeld zijn aan de locatie. Het inleveren en intrekken van de omgevingsvergunning voor de Natura2000-activiteit kan als fysieke tegenprestatie worden ingebracht. Dit is in een beleidsregel uitgewerkt.
Specifieke voorwaarden lid 3
- Toevoegen woning (onderdeel a)
Belangrijk aandachtspunt bij het toevoegen of bouwen van een woning met als doel de omgevingskwaliteit te versterken, is dat de tegenprestatie in omgevingskwaliteit in de verordening is vastgelegd. Hierbij is een koppeling gelegd met een tegenprestatie die in verhouding staat tot de ontwikkeling van een woonfunctie. Daarvoor hebben Gedeputeerde Staten de beleidsregel Omgevingsrecht vastgesteld. De regeling in onderdeel a kan niet worden toegepast in geval van rijks- en gemeentelijke monumenten of cultuurhistorisch waardevolle complexen die op de Cultuurhistorisch waardenkaart zijn beschreven. Daarvoor is in onderdeel d een regeling opgenomen.
Wij vinden het vragen van een tegenprestatie met als doel het versterken van de omgevingskwaliteit redelijk omdat de regeling via maatwerk inbreuk maakt op basisprincipes van deze verordening, zoals het verbod op nieuwvestiging of het verbod op het toevoegen van individuele woningen in landelijk gebied. De omvang van de fysieke tegenprestatie is in een beleidsregel uitgewerkt. Vanuit de maatschappelijke behoefte zijn in die beleidsregel voor verschillende typen woningen uitgangspunten vastgelegd en maatwerktitels ontwikkeld door de Ontwikkelingsmaatschappij. Naast de klassiek grotere vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen, is er beleid ontwikkeld voor kleinere twee-onder-een-kapwoningen, kleinere wooneenheden in een bouwmassa van 1000 m3, tiny houses en inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing.
Wat onder karakteristieke bebouwing wordt verstaan, verschilt per geval. Karakteristieke bebouwing omvat de door gemeenten in het eigen erfgoedbeleid aangewezen bebouwing met cultuurhistorische waarden maar ook andere beeldbepalende bebouwing waarvan de gemeente behoud wenselijk vindt. In het geval dat bebouwing vanuit erfgoedbeleid niet is aangewezen, bevat het plan een onderbouwing waarom de bebouwing beeldbepalend is. Voorheen bevatte de verordening voor de splitsing van woonboerderijen of cultuurhistorische bebouwing een aparte regeling. Deze regeling werd als onduidelijk en rechtsongelijk ervaren omdat de toepassing voor splitsing van beeldbepalende woonboerderijen en cultuurhistorische bebouwing verschilde. De regeling is daarom aangepast en versoberd. De mogelijkheid voor het inpandig toevoegen van een woning (of meerdere wooneenheden) wordt met deze regeling voor alle situaties gelijk waardoor voor cultuurhistorisch waardevolle boerderijen, andere cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, beeldbepalende woonboerderijen en overige beeldbepalende bebouwing gelijke uitgangspunten gelden. Vanuit het doel van de regeling -versterken en behouden omgevingskwaliteit- wordt in ruil voor de toevoeging van een woning gevraagd dat in het omgevingsplan de karakteristieke kenmerken worden beschreven en beschermd en dat uit- en aanbouwen worden tegengegaan.
Vanuit omgevingskwaliteit is de voorwaarde gesteld dat het toevoegen van een woning alleen op een passende locatie mogelijk is. Een toename van verspreid liggende bebouwing in het landelijk gebied is niet wenselijk, vanuit omgevingskwaliteit, toename van mobiliteit, verrommeling en de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische functies. Voor inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing is een aparte bepaling opgenomen.
Onderdeel a biedt dus de mogelijkheid voor de bouw of toevoeging van een incidentele woning of als dat aanvaardbaar is in de omgeving enkele woningen, op passende plekken in het buitengebied. Deze regeling is niet bedoeld om grotere clusters van woningen te ontwikkelen of een stedelijke ontwikkeling. Daarvoor zijn regels opgenomen in Afdeling 5.5 Ontwikkeling van stedelijke functies en mobiliteit.
In het vierde lid is uitgewerkt wat onder een passende locatie wordt verstaan. Een passende locatie ligt in of aansluitend op een bebouwingsconcentratie, Bebouwd gebied of Stedelijk gebied. De invulling van wat in deze verordening onder een passende locatie wordt verstaan, laat onverlet dat de gemeente ook altijd de afweging moet maken of het toevoegen van een woning aanvaardbaar is vanuit de ontwikkelingsrichting van een gebied. Voor inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing geldt dat die al op een bepaalde locatie aanwezig zijn zodat alleen de afweging vanuit de ontwikkelingsrichting vereist is.
Ontwikkeling van een nieuw landgoed (onderdeel b)
De landgoedregeling is bedoeld om meer natuur in het buitengebied te realiseren en om kwaliteit en allure aan het buitengebied toe te voegen. Het is daarom van belang om omgevingskwaliteit en de 'kwaliteit van het ontwerp' te betrekken. Onder de kwaliteit van het ontwerp wordt verstaan: eenheid tussen bebouwing en landgoed, eenheid in vorm/uitstraling van de aanwezige bebouwing, zoveel mogelijk concentratie van bebouwing en de wijze waarop gebruik is gemaakt van kenmerken van de omgeving. Hoewel van belang, is dit niet goed in formele regels te “vangen”.
De voorwaarden voor een landgoed zijn daarom tot enkele basisvoorwaarden teruggebracht.
Een landgoed is een ruimtelijke eenheid van aaneensluitende gronden met een omvang van ten minste 10 hectare. Reden hiervoor is dat een kleinere omvang tot gevolg heeft dat allerlei kleine initiatieven ontwikkeld kunnen worden die onvoldoende robuust zijn. Het landgoed kan bestaande woningen of bestaande agrarische bedrijven omvatten en gronden die binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) liggen. Vanwege de natuurdoelen die voor het NNB gelden, is het niet gewenst dat de bebouwing voor het landgoed daarbinnen wordt gerealiseerd. De tegenprestatie voor het oprichten van landgoedwoningen wordt verplicht ingezet ten behoeve van bij het gebied passende natuurontwikkeling op het landgoed en behoud van de op het landgoed aanwezige waarden. Voor het type natuur dat passend is bij gebied kan in veel gevallen aansluiting worden gezocht bij het natuurbeheerplan. Het is aan te bevelen hierover tijdig in overleg te treden met de provincie. Een landgoed bestaat -nadat de ontwikkeling is afgerond- ten minste voor 50% uit gerealiseerde natuur. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Natuurschoonwet. De 50% gerealiseerde natuur kan bestaan uit:
binnen het NNB gelegen bestaande gerealiseerde natuur;
binnen het NNB begrensde natuur die nog niet is gerealiseerd en die vanwege de landgoedontwikkeling wordt gerealiseerd;
nieuwe natuur die vanwege de landgoedontwikkeling als NNB begrensd wordt.
Natuurontwikkeling
de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit wordt ingezet voor natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing en het versterken van landschapsstructuren. De natuurtypen moeten passend zijn bij het gebied en NNB-waardig zijn.
kosten voor investeringen in natuur worden gebaseerd op de vergoedingen die worden toegepast in provinciale regelingen zoals de subsidieregeling Realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant. Dat betekent dat:
nieuwe natuur die vanwege de realisatie van het landgoed als NNB wordt begrensd, wordt toegevoegd als bestaande natuur. Hierdoor kan voor de aanleg geen subsidie verstrekt worden.
Een kwaliteitsimpuls van bestaande natuur kan meegenomen worden, mits de uitvoering van de maatregelen ook geborgd wordt.
Voor de invulling van NNB-waardige natuur wordt kwalitatief bezien of de aan te leggen en aan het NNB toe te voegen natuur vanuit ecologische doelen daadwerkelijk NNB-waardig is. Het gaat bij de ontwikkeling van een nieuw landgoed dus niet alleen om de kwantiteit van het natuuroppervlak, maar juist ook om de bijdrage die de nieuwe natuur levert aan de kwaliteit en de ruimtelijke samenhang van het NNB. Inrichting (op korte termijn), beheer en ontwikkeling moeten daarbij duurzaam zijn geborgd. In de praktijk betekent dit dat de toe te voegen natuur wordt aangelegd op een perceel dat grenst aan het huidige NNB en dat voldoet aan een of meer van de volgende ecologische criteria:
het perceel is nodig om de hydrologie van het NNB op orde te brengen;
het te realiseren natuurdoeltype geeft een versterking van dit natuurdoeltype op deze locatie of het NNB in de omgeving;
het perceel verbetert de interne verbinding binnen het NNB; het perceel draagt bij aan een goede aansluiting met een EVZ;
de toevoeging van dit perceel betekent een belangrijke vermindering van ongewenste randlengte van het NNB.
Ruimtelijke inrichting van het landgoed
Op een onderschikt deel van het totale landgoed kan een 'rode' ontwikkeling plaatsvinden door nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten toe te laten. Het kan dan gaan om landgoedwoningen of een andere bij het landgoed passende functie. De 'rode' ontwikkeling moet in een evenredige verhouding staan tot de omvang en kwaliteit van de nieuwe natuur, waarvoor het landgoed wordt ontwikkeld. Een inrichtingsplan geeft inzicht in de oppervlakte, inhoud en hoogte van de te realiseren bebouwing (landgoedwoningen of andere functie). Vanuit de principes voor een evenredige toedeling van activiteiten en functies (paragraaf 5.1.2) biedt de onderbouwing van het omgevingsplan inzicht in de effecten van de gewenste ontwikkeling op omliggende waarden en functies, waaronder mobiliteit. Voor een goede ruimtelijke inrichting van het landgoed hanteren wij als uitgangspunt dat:
bebouwing buiten het NNB wordt gesitueerd en zoveel als mogelijk geconcentreerd wordt opgericht;
bebouwing van allure is en qua omvang passend bij de uitstraling van een landgoed. Er wordt een beeldkwaliteitsplan voor de bebouwing opgesteld;
behoud van omvang en uitstraling van de bebouwing worden in het omgevingsplan geborgd;
behoud en versterking van cultuurhistorische waarden op het landgoed wordt in het omgevingsplan verzekerd. Naast woonfuncties zijn ook andere bij een landgoed en ontwikkelingsrichting passende gebruiksactiviteiten mogelijk, zoals zorg en agrarische activiteiten;
het landgoed is zodanig openbaar toegankelijk dat het in z’n geheel beleefbaar is, met uitzondering van een gebied (0,5 tot 1 ha) rondom de bebouwing.
Ontwikkeling op een bestaand landgoed (onderdeel c)
De regeling in onderdeel b is opgenomen voor de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Op bestaande landgoederen is het vanwege instandhoudingsdoelen van zo'n landgoed soms ook gewenst ontwikkelingen mogelijk te maken. Bij een dergelijke ontwikkeling wordt waar mogelijk toepassing gegeven aan de bepalingen onder b. Het onverkort vasthouden aan alle uitgangspunten is daarbij niet altijd mogelijk. Vroegtijdig overleg met medewerkers van de provincie is gewenst.
Het gaat hier niet om landgoederen die als complex cultuurhistorisch belang zijn opgenomen op de Cultuurhistorische waardenkaart. Daarvoor geldt onderdeel d.
Behoud en versterking van cultuurhistorische waarden en kenmerken (onderdeel d)
De mogelijkheid voor ontwikkeling richt zich behoud en herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken van provinciaal belang. De regeling biedt daartoe de mogelijkheid voor het toelaten van nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten, waaronder woonfuncties- in of bij:
rijks- en gemeentelijke monumenten: Het gaat hier om cultuurhistorisch waardevolle bebouwing die door Rijk of gemeenten is aangewezen als monument en die als zodanig is beschermd.
Ontwikkelingen binnen cultuurhistorisch waardevolle complexen: In het verleden bevatte de verordening een aparte aanduiding voor cultuurhistorisch waardevolle complexen. Deze complexen zijn in de Omgevingsverordening binnen de aangeduide locaties Cultuurhistorische waarden gebracht. Op de Cultuurhistorische waardenkaart zijn de kenmerken en waarden van deze gebieden en de daarbinnen gelegen complexen beschreven, alsmede de mogelijkheden voor ontwikkeling. Doel van de regeling is dat ontwikkelingen bijdragen aan behoud en versterking van de karakteristieke waarden en kenmerken van het complex. Nieuwe functies zijn vanwege het streven naar behoud van deze complexen mogelijk als ze bijdragen aan het behouden en versterken van de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of aan andere aspecten van cultuurhistorisch belang in de directe omgeving van het complex, zoals herstel van cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen.
Een concreet plan bevat de volgende elementen:
een onderbouwing waarom gebruikt wordt gemaakt van deze regeling (aantonen van de noodzaak);
een beschrijving en cartografische weergave van de actuele, aangetaste en verdwenen cultuurhistorische waarden van het complex;
een lijst en kaart met de (verdwenen) cultuurhistorische waarden die worden hersteld of worden versterkt;
bouwkundige tekeningen van de oorspronkelijke, huidige en gewenste situatie: dit omvat minimaal een plattegrond van alle verdiepingen, doorsneden, gevelaanzichten en een situatietekening op schaal;
hoe de geplande ontwikkeling een (landschap)architectonische meerwaarde betekent voor het complex;
hoe de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan het behoud van de historisch (landschap) architectonische kenmerkende stijl van het complex;
inzicht in de huidige en de toekomstige exploitatie van het complex;
hoe de cultuurhistorische waarden van het complex worden beschermd, behouden en versterkt in het omgevingsplan.
Naast de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de locatie en directe omgeving bepalen ook andere in de omgeving aanwezige waarden de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Een ligging in het Natuurnetwerk Brabant kan betekenen dat alleen kleinschalige, relatief extensieve nieuwe activiteiten aanvaardbaar zijn. In het algemeen geldt daarom dat bij toepassing van deze regeling de gemeente de voorgenomen functiewijziging afweegt in relatie tot de algemene visie op het gebied en het te voeren beleid. Bij het toelaten van nieuwe functies geldt binnen een aangeduid complex dat ook nieuwvestiging mogelijk is. Hierbij moet uiteraard ook ingegaan worden of de nieuwe functie inpasbaar is gelet op de aanwezige en/of verdwenen cultuurhistorische waarden.
Passende locatie (lid 4)
Deze regeling maakt de bouw van een woning mogelijk in Landelijk gebied binnen een bebouwingsconcentratie in Landelijk gebied of op locaties die ter afronding aansluiten op Stedelijk gebied, Bebouwd gebied of een bebouwingsconcentratie. Daarnaast is het mogelijk een woning te realiseren binnen bestaand ruimtebeslag van Stedelijk gebied, Bebouwd gebied (artikel 5.57) of inpandig bij karakteristieke bebouwing. Vanwege de omstandigheid dat in sommige gebieden al veel ruimte in de bebouwingsconcentraties is benut, is opgenomen dat een woning ook aansluitend op een bebouwingsconcentratie, bebouwd- en stedelijk gebied kan worden opgericht. Hiervoor geldt dat er in zo'n geval sprake moet zijn van een logische afronding van de aanwezige bebouwing.
In de begripsbepalingen is opgenomen wat onder bebouwingsconcentratie wordt verstaan. Het gaat daarbij altijd om een verzameling van meerdere bouwpercelen met daarop aanwezige hoofd- en bijgebouwen. Een verzameling gebouwen op 1 perceel ten behoeve van de daar toegelaten functie betreft een bouwperceel en is als zodanig ook in de Omgevingsverordening gedefinieerd. Hieronder is een schematische weergave opgenomen van een kernrandzone, bebouwingslint en bebouwingscluster:
Niet iedere bebouwingsconcentratie is geschikt voor het toevoegen van een woning. Daarom geldt ook altijd dat de ontwikkeling moet passen binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied en niet in strijd mag zijn met overige beleidsdoelen. Niet alle dorps- en stadsranden of bebouwingsconcentraties zijn dan geschikt. Een ontwikkelingsrichting houdt immers integraal rekening met de waarden en belangen vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, recreatie, landbouw en overige aspecten, zoals de aanwezige dorps- of stedelijke structuur, mobiliteit, energie etcetera. Als een dorpsgrens bijvoorbeeld duidelijk gemarkeerd wordt door een weg, kan het in zo'n situatie niet wenselijk zijn om een nieuwe aanzet voor verstedelijking aan de overzijde van de weg te ontwikkelen. Of als een bebouwingsconcentratie in een gebied ligt met een overwegende agrarische functie kunnen nieuwe ontwikkelingen belemmerend voor die functie zijn. Dat is per situatie uiteraard verschillend. Het is overigens een mogelijkheid om aansluitend op een bebouwingsconcentratie, bebouwd gebied of stedelijk gebied een woning toe te staan en nadrukkelijk geen verplichting.
In het vijfde lid is aangegeven dat als dit artikel wordt toegepast, de daar genoemde bepalingen niet gelden.
De Omgevingsverordening Noord-Brabant (Ovr) stelt regels over diverse onderwerpen. Veel van de regels gelden niet in de hele provincie maar alleen op specifieke locaties die direct aan die regels gekoppeld zijn. De locaties die behoren bij de regels in de Omgevingsverording moeten dus actueel gehouden worden zodat de juiste regels op de juiste plek gelden.
Twee keer per jaar vindt daarom een kaartaanpassingsronde van de Omgevingsverordening Noord-Brabant plaats. Het ontwerp van de zogenaamde 'zomerronde' ligt in/ rond mei ter inzage en na beoordeling van de zienswijzen wordt de wijziging in september door Gedeputeerde Staten vastgesteld. Het ontwerp van de 'winterronde' ligt in/ rond december ter inzage en vaststelling van die wijziging vindt plaats aan het einde van het eerste kwartaal van het volgende jaar.
Uitleg bij de wijzigingen in dit besluit is te vinden in de volgende hoofdstukken. Hierin komen zowel de samenhang tussen de verschillende gebieden en meest voorkomende redenen voor wijziging aan de orde als de achtergrond van een aantal specifieke wijzigingen in dit besluit. De wijzigingen en bijbehorende categorie zijn per gemeente te vinden in Bijlage 1: Lijst meegenomen wijzigingen.
Voordat de wijzigingen kunnen worden vastgesteld en in werking treden ligt het ontwerp van de wijzigingen van de verschillende locaties eerst zes weken ter inzage. In die periode kan iedereen een zienswijze indienen. Gedeputeerde Staten besluiten na afloop over de beantwoording van de zienswijzen en de vaststelling van de wijziging van de Omgevingsverordening.
In deze 'zomerronde' zitten altijd wijzigingen van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) om ecologische redenen. Deze zijn ook opgenomen in een ontwerpbesluit tot aanpassing van het Natuurbeheerplan (NBP) en worden daarin gemotiveerd. Een kopie van dat ontwerpbesluit voor het NBP maakt daarom ook deel uit van de motivering van het ontwerpbesluit tot wijziging van de omgevingsverordening, te vinden in bijlage 3 met de ontwerpwijzigingen in het NBP. In het Natuurbeheerplan ligt vast welke natuurtypes behouden en ontwikkeld moeten worden binnen de grenzen van het NNB. Omdat de grenzen van het NNB in de omgevingsverordening en het NBP gelijk moeten blijven, liggen beide ontwerpwijzigingen in dezelfde periode ter inzage voor reacties. Daardoor kunnen de reacties op beide ontwerpbesluiten in samenhang worden beoordeeld.
Na de terinzagelegging worden de ontvangen zienswijzen samengevat en beantwoord in een "Nota van zienswijzen en wijzigingen". Bij de beantwoording van de zienswijzen staat ook of die leiden tot een aangepast wijzigingsbesluit bij de vaststelling. Verder gaat de nota in op reacties op het ontwerpwijzigingsbesluit voor het Natuurbeheerplan. Eventuele ambtshalve wijzigingen ten opzichte van het ontwerp worden ook in de nota opgenomen. Zowel het Besluit Natuurbeheerplan als de Nota van zienswijzen en wijzigingen worden toegevoegd als onderdeel van de motivering van dit wijzigingsbesluit.
Aangezien sprake is van algemene regelgeving is beroep tegen de vaststelling van het wijzigingsbesluit niet mogelijk.
In artikel 5.76 van de omgevingsverordening zijn locaties opgenomen waar diverse sanerings- en verplaatsingsregelingen voor (voormalige) agrarische bedrijven zijn toegepast. In lid 1 zijn locaties opgenomen met een indicatieve stip op een adres. In lid 2 zijn inmiddels exacte locaties opgenomen op basis van aangeleverde bestanden door gemeenten. Deze kunnen technisch niet meer bij elkaar in één bestand worden opgenomen. Daarom vervalt de 'verzamellocatie' 'Sanerings- en verplaatsingslocatie Agrarisch bedrijf' en wordt de inleidende zin bij elk lid aangepast.
De verschillende redenen voor locatiewijzigingen worden hier kort toegelicht.
Het kan voorkomen dat een locatie in de Ovr gewijzigd dient te worden voordat een gemeentelijk plan vastgesteld kan worden. Bijvoorbeeld door Bebouwd gebied op een locatie te leggen, waardoor meer ontwikkelingen in het Landelijk gebied mogelijk zijn. Meer informatie over dit soort wijzigingen is te vinden in Hoofdstuk 2.
Actualisaties en correcties komen gedurende het jaar naar voren. Bijvoorbeeld bij de behandeling van gemeentelijke plannen of vanwege vaststelling van andere besluiten, zoals een waterplan, of nieuwe gegevens. Zoals actuele gegevens van een waterschap over gerealiseerde ecologische verbindingszones. Meer informatie over deze categorie wijzigingen is te vinden in Hoofdstuk 3.
Een wijziging van een locatie heeft vaak ook gevolgen voor andere locaties. Als bijvoorbeeld Stedelijk gebied aan de rand van een kern groter wordt, 'verdwijnt' de locatie Landelijk gebied ter plaatse van die uitbreiding. Deze 'bijkomende' wijzigingen worden beschreven in Hoofdstuk 4.
De bevoegdheid van Gedeputeerde Staten, om de locaties in de Omgevingsverordening te wijzigen, wordt toegelicht in Hoofdstuk 5.
In beginsel vindt de aanpassing van de kaarten op basis van een in werking getreden gemeentelijk plan plaats, dus 'achteraf'. Deze wijzigingen zien we als actualisatie van de kaart van de Omgevingsverordening en worden daarom toegelicht in hoofdstuk 3.
In uitzonderingssituaties is het wel nodig om voorafgaand aan de vaststelling van een gemeentelijk plan een wijziging op de kaart van de Omgevingsverordening door te voeren. Dat is het geval bij de wijziging van 'Bebouwd gebied'. Dit is een aanduiding die extra functies en bouwwerken mogelijk maakt in het landelijk gebied. Zolang deze aanduiding er nog niet ligt, zijn omgevingsplannen die de extra functies en bouwwerken op basis van Bebouwd gebied mogelijk maken in strijd met de Omgevingsverordening.
Een ander voorbeeld van een wijziging die voor de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan in een wijzigingsprocedure van de omgevingsverordening moet meelopen is voor Beperkingen veehouderij op een concrete locatie van een agrarisch bedrijf.
Als een veehouderij binnen Beperkingen veehouderij ligt, gelden er afwijkende regels. Voor de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. Binnen extensiveringsgebied gold vanuit de wet dat geen uitbreiding van veehouderijen was toegestaan. In deze gebieden gelden sinds 1 oktober 2010 (vergaande) beperkingen voor intensieve veehouderijen, ook wel bekend als het 'slot op de muur'.
In dit wijzigingsbesluit:
In dit wijzigingsbesluit vinden geen aanpassingen van Beperkingen veehouderij plaats, die nodig zijn voorafgaand aan de vaststelling van een gemeentelijk plan of verlening van een vergunning. Er vinden wel wijzigingen plaats vanwege aanpassingen van andere locaties. Daarmee vallen deze wijzigingen van Beperkingen veehouderij binnen zogenoemde bijkomende wijzigingen.
Bebouwd gebied bestaat uit een concentratie van bebouwing in het landelijk gebied, zoals grootschalige bovenregionale recreatievoorzieningen, bedrijvenclusters in het landelijk gebied en grote clusters van woningen. Het is een aanduiding in de Omgevingsverordening die ook nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied, waaronder stedelijke ontwikkelingen, mogelijk kan maken.
Als een gemeentelijke ontwikkeling niet mogelijk is zonder dat er eerst Bebouwd gebied komt te liggen, dient de Omgevingsverordening gewijzigd te worden voordat de vaststelling van het gemeentelijke plan of verlening van een omgevingsvergunning plaatsvindt.
In dit wijzigingsbesluit:
Beek en Donk Oost
In de gemeente Laarbeek wordt ten oosten van Beek en Donk Bebouwd gebied toegevoegd om een robuust toekomstperspectief te bieden voor het gebied waarin meerdere maatschappelijke opgaven samenkomen. De ontwikkelrichting Beek en Donk Oost is door de gemeente opgesteld in samenspraak met medewerkers van de Provincie Noord-Brabant en is vastgesteld door de gemeenteraad op 18 december 2025. Deze ontwikkelrichting is opgenomen in Bijlage 2: Ontwikkelrichting Beek en Donk Oost en geeft een integraal en gebiedsdekkend perspectief waarin woningbouw, landschap, cultuurhistorie, wateropgaven, landbouwtransitie en recreatie in samenhang zijn afgewogen. Uit de ontwikkelrichting blijkt dat sprake is van een goede 'rood-groen'-balans en dat de ontwikkeling bijdraagt aan de provinciale doelen voor omgevingskwaliteit, natuurversterking, klimaatadaptatie en het behoud van het complex van provinciaal cultuurhistorisch belang.
De actualisaties en correcties die opgenomen zijn in deze wijziging van de Omgevingsverordening komen voort uit verschillende processen, verzoeken en besluiten.
De Omgevingsverordening Noord-Brabant (Ovr) stelt regels over diverse onderwerpen. Een deel daarvan zijn regels waar een gemeente rekening mee moet houden bij het wijzigen van het gemeentelijke omgevingsplan en sommige vergunningen die daarvan afwijken. Veel van de regels gelden niet in de hele provincie maar alleen op specifieke locaties die direct aan die regels gekoppeld zijn. Zo bevat de Ovr voorwaarden voor woningbouwontwikkelingen in de locatie Landelijk gebied. Waar een nieuwe woonwijk wordt gerealiseerd moet de kaart worden geactualiseerd: dat gebied moet voortaan onder de regels voor Stedelijk gebied vallen en uit de locatie Landelijk gebied verwijderd worden. Deze wijzigingen zijn in dit hoofdstuk per 'locatie' (zoals Stedelijk gebied en Natuur netwerk Brabant) beschreven.
Naast het verwerken van plannen van gemeenten voor nieuwe ontwikkelingen kan actualisatie ook nodig zijn in verband met besluiten van Provinciale Staten, het Rijk en het Waterschap.
Een actualisatie van het Stedelijk gebied heeft vaak te maken met geldende gemeentelijk plannen of vergunningen voor woonwijken of bedrijventerreinen die nog op de kaart gezet moeten worden. Dan kan de kaart van de Omgevingsverordening Noord-Brabant (Ovr) voor bepaalde gebieden geactualiseerd worden naar 'Stedelijk gebied'.
Bij de vraag of een perceel tot stedelijk gebied behoort spelen de aanwezige ruimtelijke kenmerken zoals bebouwingsstructuur, -dichtheid en type functies een rol. Percelen met een agrarische functie worden over het algemeen niet meegenomen in het Stedelijk gebied in de Ovr. In het geval er in of aan de rand van het buitengebied grote of diepe vlakken met een functie of activiteit Wonen zijn opgenomen op basis van de kadastrale eigendommen, is het vanuit de verordening wenselijk om alleen de strook langs de weg met daarin erf, woning en nabijgelegen bijgebouwen op te nemen.
Een strook met een groenfunctie aan de rand van een nieuw gebied wordt vaak meegenomen in Stedelijk gebied omdat deze meestal qua inrichting en gebruiks- en bouwmogelijkheden behoort tot de stedelijke structuur. Soms is zo'n strook aan de rand van een ontwikkeling een landschapselement dat onderdeel uitmaakt van het landelijk gebied. Dan wordt deze niet opgenomen in het Stedelijk gebied. Het komt ook voor dat het Stedelijk gebied groter wordt dan de grenzen van de omgevingsplanwijziging of de omgevingsvergunning. Dat is het geval als bijvoorbeeld een of meer bestaande woningen die altijd in het buitengebied lagen door de ontwikkeling ook vast komt te liggen aan de woonkern en onderdeel uit gaan maken van de stedelijke structuur.
De wijzigingen van Stedelijk gebied zijn per gemeente opgenomen in Bijlage 1: Lijst meegenomen wijzigingen.
Een aanpassing van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) hangt vaak samen met een ontwikkeling binnen het NNB, bijvoorbeeld de reconstructie van een weg, aanleg van vrijliggende fietspaden of een ontsluitingsweg naar een nieuw wijk. Daarbij vindt dan verwijdering en vaak ook toevoeging (compensatie) plaats. Net als bij het Stedelijk gebied is het mogelijk dat er meer of minder NNB wordt toegevoegd en er niet uitsluitend wordt 'geknipt' met de grenzen van een omgevingsplanwijziging. Dat komt bijvoorbeeld voor als de grenzen van de wijziging zien op een ontwikkeling in het NNB waardoor een smal strookje overblijft dat op zichzelf te weinig natuurwaarden heeft om tot het NNB te blijven horen (en daarom ook gecompenseerd dient te worden). De wijzigingen van het NNB zijn per gemeente opgenomen in Bijlage 1: Lijst meegenomen wijzigingen. In de bijlage 3 met de ontwerpwijzigingen voor het Natuurbeheerplan worden ze verder toegelicht.
Wijzigingen van het NNB hebben doorwerking naar het Natuurbeheerplan (NBP), omdat daar ook het NNB verwijderd of toegevoegd dient te worden. De gronden die aan het NNB worden toegevoegd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant worden daarom ook opgenomen in het besluit voor het Natuurbeheerplan 2026. In het NBP is daarbij opgenomen welk natuurbeheertype deze gronden krijgen. Dit besluit bevat voornamelijk wijzigingen van het NNB om ecologische redenen. Deze zijn bijvoorbeeld het gevolg van een herijking of opschoning van kaarten, of naar aanleiding van verzoeken van terreinbeherende organisaties. Bij de beoordeling of een aanpassing gewenst dan wel noodzakelijk is staat centraal dat er na aanpassing sprake blijft van een robuust, goed functionerend NNB. Een gedetailleerdere beschrijving van de wijzigingen is opgenomen in bijlage 3 bij deze motivering.
Bij kaartfouten gaat het om geconstateerde fouten in de begrenzing voor al langer bestaande situaties die niet eerder zijn opgevallen. Dus niet op basis van een recent in werking getreden wijziging van een omgevingsplan zoals bedoeld in de eerste alinea over actualisatie in verband met reen ecent gemeentelijk plan.
De behoefte aan correctie komt meestal naar voren bij een inventarisatie ten behoeve van nieuwe ontwikkelingen. Op dat moment blijkt soms dat de bestaande situatie en het geldende omgevingsplan nog niet (correct) zijn verwerkt. Bij het Natuur Netwerk Brabant (NNB) gaat het meestal om bestaande en legale woningen die al sinds de jaren 70 aanwezig zijn maar niet uit het NNB zijn 'geknipt', of overlap tussen het NNB en de bestemming 'Verkeer' vanwege een weg. De kaartfouten waarbij het NNB is aangepast zijn terug te vinden in Bijlage 1: Lijst meegenomen wijzigingen en worden toegelicht in bijlage 3 met de ontwerpwijzigingen van het Natuurbeheerplan.
Op de kaart van de Omgevingsverordening zijn indicatieve tracés voor ecologische verbindingszones opgenomen met de aanduiding Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone. Deze liggen op locaties waar vanuit ecologisch perspectief een verbinding tussen natuurgebieden nodig is. Als deze verbinding is afgerond wordt de indicatieve ecologische verbindingszone verwijderd en komt daar NNB voor in de plaats. De locatie NNB neemt de bescherming van de zone over.
In dit wijzigingsbesluit:
Gerealiseerde ecologische verbindingszone Soeterbeekseweg
De ecologische verbindingszone Soeterbeekseweg is gelegen tussen Nuenen en Eindhoven. Dit betreft een EVZ die gelijkt loopt met een waterloop en deze is (door het waterschap) geheel gerealiseerd. Vandaar dat de aanduiding Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone is verwijderd en NNB is toegevoegd.
Op de kaart van de Omgevingsverordening zijn indicatieve tracés voor ecologische verbindingszones opgenomen met de aanduiding Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone. Deze liggen op locaties waar vanuit ecologisch perspectief een verbinding tussen natuurgebieden nodig is. Deze verbindingen staan op de kaart als een strook met een vaste breedte. De locatie NNB-ecologische verbindingszone blijft op de kaart staan als beschermende zone tot aanleg van een (deel-)tracé helemaal is afgerond. Daarna is deze voorlopige beschermingszone niet meer nodig en wordt daar verwijderd. De percelen waar de natuur uiteindelijk is gerealiseerd komen namelijk als NNB op de kaart te staan en de nieuwe natuur wordt op die manier beschermd.
Het komt een enkele keer ook voor dat een ontwikkeling als gevolg van een gemeentelijk plan binnen de beschermingszone voor de evz komt te liggen, waardoor deze verlegd dient te worden. Vaak wordt de evz dan verwijderd op de oorspronkelijke locatie en verplaatst. Als het gaat om een ontwikkeling die voor een beperkte oppervlakte samenvalt met de evz kan een kleine verwijdering van deze aanduiding voldoende zijn. In beide gevallen is de voorwaarde dat de evz goed kan blijven functioneren, gelet op de doelsoorten.
In dit wijzigingsbesluit:
EVZ Terheijden-Zonzeel: alternatief traject
Bij de EVZ Terheijden-Zonzeel is een alternatief traject bepaald, wat hier wordt toegelicht:
Tussen het natuurgebied Zonzeel en de Zonzeelseweg is ervoor gekozen het tracé van de B-watergang OWL07098 te volgen. Deze keuze is gemaakt omdat het niet mogelijk bleek om met de betreffende perceeleigenaren overeenstemming te bereiken over het gebruik van het eerder in de omgevingsverordening opgenomen EVZ-tracé. Met de perceeleigenaar aan de oostzijde van watergang OWL07098 kon wel een overeenkomst worden gesloten. Daarnaast leidt het aanhouden van dit tracé tot een kortere totale lengte van de EVZ, wat zorgt voor minder kosten en nog steeds leidt tot een robuuste verbinding tussen de Mark en Zonzeel.
Langs perceel ZLW00L156 is aangesloten bij het tracé van watergang OWL07209, gelegen aan de noordzijde van dit perceel. De betrokken perceeleigenaar heeft aangegeven uitsluitend bereid te zijn medewerking te verlenen indien de EVZ aan de noordzijde van het perceel zou worden gesitueerd, in plaats van aan de zuidzijde zoals voorheen opgenomen.
Aan de noordzijde van watergang OVK00487 is besloten het tracé westwaarts te vervolgen, langs watergang OWL07710, in plaats van oostwaarts langs watergang OVK11663. Deze keuze heeft gevolgen voor het verdere verloop van de EVZ, omdat een alternatieve route noodzakelijk wordt om opnieuw aan te sluiten op het oorspronkelijke tracé bij watergang OVK09267. De keuze voor de westelijke route is ingegeven door het feit dat gesprekken met perceeleigenaren langs de oostelijke route niet tot overeenstemming hebben geleid. Langs de westelijke route bleken daarentegen perceeleigenaren bereid om overleg te voeren over realisering van een EVZ, en bevindt zich een kleiner aantal verschillende eigenaren dan langs de oostelijke route. Bovendien liggen langs de oostelijke route meerdere kavels met woonbebouwing, terwijl dit langs de westelijke route niet het geval is.
EVZ Soeterbeekseweg: Realisatie
De ecologische verbindingszone Soeterbeekseweg is gelegen tussen Nuenen en Eindhoven. Dit betreft een EVZ die gelijkt loopt met een waterloop en die inmiddels geheel is gerealiseerd door het waterschap. Vandaar dat de aanduiding Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone is verwijderd en NNB is toegevoegd.
Bebouwd gebied bestaat uit een concentratie van bebouwing in het landelijk gebied, zoals grootschalige bovenregionale recreatievoorzieningen, bedrijvenclusters in het landelijk gebied en grote clusters van woningen.
Actualisatie bestaande situatie
De aanduiding Bebouwd gebied kan toegevoegd worden voor een bestaand gebied dat qua karakter voldoet aan de aanduiding of nadat een gemeentelijk plan is in werking is getreden. In het laatste geval kan gedacht worden aan plannen waarbij er stedelijke ontwikkelingen mogelijk zijn gemaakt aan de rand van een kern met daartussen veel agrarische gronden en 'groene' functies. Het toevoegen van Stedelijk gebied voor het hele gebied sluit dan niet aan bij het stedenbouwkundige ontwerp van de uitbreidingswijk: de agrarische gronden en het groen zijn immers van groot belang in de opzet. Het alleen opnemen van de bebouwing en verharding op de provinciale kaart als Stedelijk gebied is bij zo'n plan vaak ook niet goed mogelijk. Bebouwd gebied past dan beter, omdat daar expliciet aandacht wordt gevraagd voor de rood-groenverhouding van het gebied.
In dit wijzigingsbesluit:
In dit wijzigingsbesluit komt geen wijziging van het Bebouwd gebied vanwege een actualisatie voor.
In de Omgevingsverordening zijn regionale waterkeringen opgenomen en de daarbij geldende omgevingswaarde. Het gaat hierbij om 2 typen regionale keringen, namelijk regionale keringen langs regionale rivieren, en compartimenteringskeringen. De gedetailleerde ligging van de keringen staat aangegeven op de betreffende legger van het waterschap. Voor de begrenzing van de locatie in deze omgevingsverordening wordt gebruik gemaakt van de gegevens van de waterschappen. Doordat de waterschappen onderling verschillende methoden gebruiken, is de weergave van de breedte in deze omgevingsverordening ook wisselend. De waterschappen verleggen soms keringen of waarderen deze op of af. Dit leidt dan ook tot wijzigingen in de Omgevingsverordening.
In dit wijzigingsbesluit:
Project Verbetering Regionale Keringen Mark-Dintel-Vliet
Het waterschap Brabantse Delta heeft project Verbetering Regionale Keringen Mark-Dintel-Vliet opgeleverd. Dit project is uitgevoerd om de regionale keringen weer te laten voldoen aan de geldende omgevingswaarde zoals opgenomen in de Omgevingsverordening. De projectplannen Waterwet zijn vastgesteld door het Algemeen Bestuur van het waterschap en zijn door Gedeputeerde Staten goedgekeurd (in 2022). Het gaat om de volgende wijzigingen:
Dijkverlegging Zuiddijk in Moerdijk
Bij de opgave voor Moerdijk ter hoogte van Zuiddijk is de dijk verlegd. Direct langs de oude dijk staat een bestaande woning die bij versterking van de dijk geamoveerd diende te worden. Door verlegging van de dijk is dit voorkomen en zijn er geen aanpassingen aan de woning vereist. In de nieuwe situatie loopt de dijk vanaf de Zuiddijk langs de bosrand over de al aanwezige ophoging in het landschap waar deze weer aansluit op de bestaande dijk.
Dijkverlegging ter hoogte van de ijsbaan in Terheijden
Bij de opgave voor Terheijden deelgebied Molenstraat is de dijk verlegd. De oude dijk loopt vanaf het gemaal Laakdijk in oostelijke richting naar de Molenstraat. In de nieuwe situatie loopt de dijk van het gemaal Laakdijk in zuidelijke richting langs de ijsbaan, met aan de westzijde de ecologische verbindingszone gelegen. De versterking wordt derhalve aan de oostzijde, middels een binnenwaartse versterking van de bestaande overige kering bij de ijsbaan aangebracht.
Lacunes in Terheijden
Bij het bedrijventerrein Bredaseweg tot aan het Markkanaal was over een groot gedeelte nog geen waterkering vastgelegd in de legger en de provinciale omgevingsverordening. Dit waren lacunes (hiaten) in het stelsel van regionale keringen. Er waren hooggelegen oevers of constructies die niet de formele status hadden van regionale kering, maar wel dienstdeden als kering ter bescherming van het achterland. Voorheen was de hoogte van een deel van deze verheelde kering voldoende om het achterland te beschermen. Met de nieuwe toets- en ontwerpnormen bleek de hoogte niet te voldoen en is de oever opgehoogd. Om het stelsel volledig te maken is het wenselijk de verbeterde kering aan te wijzen als regionale waterkering.
Roode Vaart, tussen Zevenbergen en Moerdijk
In de Omgevingsverordening komen aan de noordwestzijde van de Roode Vaart twee typen regionale waterkeringen samen, namelijk een genormeerde regionale kering met veiligheidsnorm 1/100 en een compartimenteringskering. Vanaf het samenkomen van de twee typen keringen tot aan de aansluiting op de primaire waterkering aan de noordzijde is de regionale kering als compartimenteringskering aangeduid. Dit is echter niet correct en komt ook niet overeen met de Legger van het waterschap Brabantse Delta. Dit deel van het tracé behoort een genormeerde regionale waterkering te zijn met een veiligheidsnorm 1/100. Vandaar dat dit is aangepast in de Omgevingsverordening, waardoor weer sprake is van een gesloten systeem en de genormeerde regionale kering aansluit op de primaire waterkering.
In de wijziging van de Omgevingsverordening worden regelmatig ook andere kaartwijzigingen meegenomen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om besluiten van het Rijk die door moeten werken in de kaarten van de verordening (=hogere regelgeving) of besluiten van Provinciale Staten.
In dit wijzigingsbesluit:
Deze categorie komt in dit besluit niet voor.
Een actualisatie van een locatie (zoals NNB) kan indirect ook gevolgen hebben voor een andere locatie (zoals Landelijk gebied). Deze 'afgeleide' wijzigingen worden ook in dit wijzigingsbesluit opgenomen.
Soms is er heel direct sprake van communicerende vaten: waar aan een locatie iets wordt toegevoegd, moet datzelfde vlak van een andere locatie verwijderd worden. Zo leidt het verwijderen van 'Attentiezone waterhuishouding' tot een overeenkomstige toevoeging aan het gebied 'Geen attentiezone waterhuishouding'. Vaak is de samenhang in gebieden wat minder duidelijk en vloeit deze voort uit de technische opbouw van de verordening of omdat onderwerpen inhoudelijk samenhang met elkaar hebben. De 'afgeleide' wijzigingen zijn daarom in dit hoofdstuk nader toegelicht.
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant sluiten het 'Stedelijk gebied', het 'Natuur Netwerk Brabant' (NNB) en 'Landelijk gebied' op elkaar aan en overlappen niet.
Dit betekent dat een wijziging in dit besluit in één van deze locaties ook gevolgen heeft voor de aangrenzende locatie van dit drietal. Er kan dus niet volstaan worden met het toevoegen van NNB op een perceel - op die plek moet ook meteen de geldende locatie Landelijk gebied of soms Stedelijk gebied worden verwijderd. Het toevoegen van 'Stedelijk gebied' betekent op zijn beurt dat daar meestal 'Landelijk gebied' verwijderd moet worden.
Bij het verwijderen van NNB wordt voor de nieuwe invulling gekeken naar de omringende locaties.
De hoofdregels voor toekenning van een ander locatie aan de gronden waar NNB is verwijderd zijn in deze volgorde:
het vlak grenst aan 'Landelijk gebied' met daarbij 'Groenblauwe waarde': het vlak wordt toegevoegd aan 'Landelijk gebied' en 'Groenblauwe waarde';
het vlak raakt geen 'Groenblauwe waarde', maar wel 'Stedelijk gebied': het vlak wordt toegevoegd aan 'Stedelijk gebied';
het vlak was volledig omringd door 'Landelijk gebied': het wordt toegevoegd aan 'Landelijk gebied';
het vlak wordt volledig omringd door NNB: de toekenning is maatwerk, vaak afgestemd op de meest voorkomende andere basislocatie (Landelijk gebied of Stedelijk gebied) in de nabijheid;
Bij smalle lange vlakken kan het gebeuren dat de strook deels aan de 'Groenblauwe waarde' grenst. Dan zal het toegevoegde 'Landelijk gebied' of 'Stedelijk gebied' over het algemeen op vergelijkbare wijze voorzien worden van 'Groenblauwe waarde'.
De regel dat er geen overlap mag zijn geldt niet voor alle andere locaties.
Een deel daarvan is niet afhankelijk van wijzigingen in Stedelijk gebied, Landelijk gebied en Natuur Netwerk Brabant en zal dus ongewijzigd blijven tenzij er een specifieke, zelfstandige aanleiding is om die locatie te wijzigen. Die zullen in dat geval als een hoofdwijziging behandeld worden in hoofdstuk 3.
Een aantal andere locaties kan wel beïnvloed worden door wijzigingen in het genoemde drietal locaties. Die worden toegelicht in de volgende onderdelen.
Een aanpassing van 'Stedelijk gebied' kan ertoe leiden dat een aantal andere locaties mee wijzigt. Dat doet zich voor bij 'Beperking veehouderij'. Waar deze op de kaart aansluit aan het 'Stedelijk gebied' schuift de grens van deze gebieden mee naar binnen of naar buiten met de verplaatsing van de grens van het 'Stedelijk gebied' zodat het gebied daar op aan blijft sluiten. Ook de norm voor wateroverlast wijzigt normaal gesproken mee. Zie hiervoor ook paragraaf Bijkomende wijzigingen in de normen voor wateroverlast.
Als er op de gronden die worden toegevoegd aan Stedelijk gebied een locatie Cultuurhistorische waarden, Groenblauwe waarden of Attentiezone waterhuishouding ligt, dan blijft die meestal gewoon liggen. Bij het maken van het plan is hier als het goed is rekening gehouden met deze waarden in de opzet en/of verkaveling van het plan. Er is bijvoorbeeld voldoende ruimte overgelaten voor het behoud van de cultuurhistorisch waardevolle elementen, groen en water. Deze waarden moeten ook in de toekomst behouden blijven. Daarom blijft de aanduiding van de waarden in de provinciale verordening staan, ook al wordt Stedelijk gebied toegevoegd.
Alleen in bijzondere gevallen is het gemeentelijk plan zo opgezet dat de locatie voor een of meer van de genoemde waarden (deels) uit de omgevingsverordening verwijderd wordt.
Omdat de regels binnen Natuur Netwerk Brabant (NNB) een strenger beschermingsregime bevatten dan de regels voor Groenblauwe waarden (GBW), heeft het handhaven van de locatie GBW geen zin op gronden waar NNB wordt toegevoegd. De locatie GBW wordt dan standaard verwijderd.
Werkzaamheden zoals bijvoorbeeld grondwateronttrekking, het graven van sloten en aanleggen van drainage, kunnen invloed hebben op de waterhuishouding in een gebied. Dergelijke activiteiten kunnen zo nadelige gevolgen hebben voor verdrogingsgevoelige natuur in de nabijheid. Om dit type natuur te beschermen is in de Omgevingsverordening Noord-Brabant (Ovr) een 'Attentiezone waterhuishouding' opgenomen die mede is afgestemd op de grenzen van het NNB. Hier moet de gemeente regels in het omgevingsplan opnemen om verdroging te voorkomen, bijvoorbeeld een vergunningplicht voor werkzaamheden die verdrogend kunnen werken.
Daarnaast kent de Ovr ook een gebied 'Beperkingen veehouderij' dat als een beschermingszone op en rondom het NNB ligt.
De wijzigingen in de buitengrenzen van het NNB in dit wijzigingsbesluit kunnen daardoor ook leiden tot aanpassing van de grens van 'Attentiezone waterhuishouding' en 'Beperkingen veehouderij'.
Toevoeging van percelen NNB op gronden waar nog geen 'Beperkingen veehouderij' ligt zorgt ervoor dat het perceel in kwestie bij dit wijzigingsbesluit wordt toegevoegd aan 'Beperkingen veehouderij'.
Toevoeging van percelen NNB aan de rand van een gebied met natte natuur kan ertoe leiden dat de grens van de 'Attentiezone waterhuishouding' mee op moet schuiven. Waar het toevoegen van NNB daar aanleiding toe geeft worden er bij de vaststelling van dit wijzigingsbesluit dan ook toevoeging van 'Attentiezone waterhuishouding' opgenomen. Andersom geldt ook, dat verwijdering van percelen aan de rand van het NNB ertoe kan leiden dat de Attentiezone aan de nieuwe grens moet worden aangepast en ook kleiner kan worden.
Een vergelijkbare aanpassing geldt voor Natuurnetwerk Nederland (NNN). Wijzigingen van het Natuur Netwerk Brabant kunnen ook gevolgen hebben voor de grenzen van het Natuurnetwerk Nederland. Met name waar de grenzen van deze locaties samenvallen en de grens van het NNB ruimer of kleiner wordt, zal het NNN ook mee schuiven.
In de Omgevingsverordening Noord-Brabant zijn regels opgenomen die verbonden zijn aan het gebied waar de 'Attentiezone waterhuishouding' níet ligt. Een toevoeging van percelen aan de 'Attentiezone waterhuishouding' zoals beschreven in de paragrafen hierboven betekent dus dat het gebied 'Geen attentiezone waterhuishouding' kleiner wordt. Andersom betekent een verwijdering van de attentiezone dat het gebied 'Geen attentiezone waterhuishouding' op de kaart groter wordt.
In hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant (Ovr) zijn omgevingswaarden voor wateroverlast opgenomen waar de waterschappen rekening mee moet houden.
Deze overstromingskansen hangen samen met de ligging en functie van de gronden en zijn bijvoorbeeld soepel in natuurgebieden en het strengst in stedelijk gebied. Daarom hebben de wijzigingen van het NNB, 'Stedelijk gebied', 'Regionale waterberging' en 'Reservering waterberging' automatisch ook gevolgen voor de normen wateroverlast die horen bij de instructieregels voor het waterschap. Wanneer gronden bijvoorbeeld niet langer deel uitmaken van het Natuur Netwerk Brabant maar 'gewoon' landelijk gebied worden brengt dat met zich mee dat de voor NNB geldende status 'normvrij' verwijderd moet worden en op dezelfde plek de norm voor wateroverlast buiten stedelijk gebied moet worden toegevoegd.
De hoofdregels voor de toekenning van de normen voor wateroverlast zijn als volgt:
De strengste normen gelden in het stedelijk gebied zoals dat is opgenomen in de Ovr. Hier is sprake van twee normen: in een gebied met 's-Hertogenbosch en een aantal omliggende plaatsen (soms in stukken afgekort als HoWaBo) geldt een gezamenlijk afgesproken aparte norm.
Gronden die zijn aangewezen als Natuur Netwerk Brabant, regionale waterberging, reservering waterberging en overig oppervlaktewater zijn normvrij.
In het overige buitengebied is de norm afhankelijk van het grondgebruik - voor bebouwing, akker of weiland bijvoorbeeld.
Gedeputeerde Staten zijn bevoegd tot vaststelling of wijziging van de Omgevingsverordening in de gevallen die genoemd worden in het Delegatiebesluit Omgevingsverordening Noord-Brabant. Bijvoorbeeld als evidente fouten hersteld moeten worden.
Specifiek wordt in het besluit aangegeven dat 'werkingsgebieden' gewijzigd kunnen worden als:
de wijziging nodig is voor een doelmatige uitvoering;
de wijziging bijdraagt aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen;
er sprake is van een kennelijke onjuistheid in de begrenzing; of
de grens van een gebied niet langer in overeenstemming is met een in werking getreden omgevingsplan.
De wijzigingen in deze Omgevingsverordening passen binnen deze gevallen.
In de motivering van de gemeentelijke besluiten tot het wijziging of afwijking van het omgevingsplan is beschreven waarom deze passen binnen (afwijk-)regels en/of de uitgangspunten van de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Het kan zo zijn dat het voor een passend plan nodig is een werkingsgebied te wijzigen, bijvoorbeeld door toevoeging van 'Bebouwd gebied'. De wijziging is dan nodig voor een doelmatige uitvoering van de Omgevingsverordening en draagt bij een het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen.
Ook komt het vaak voor dat een ontwikkeling plaats kan vinden zonder wijziging van een werkingsgebied, maar later wel een wijziging nodig is om de juiste regels ter plaatse van de ontwikkeling te laten gelden. Bijvoorbeeld bij de uitbreiding van een woonkern in Landelijk gebied met een stedelijke ontwikkeling. Daar wordt Stedelijk gebied opgenomen en wordt bijvoorbeeld de Norm wateroverlast aangepast.
De actualisaties betreffen soms begrenzingen die niet meer in overeenstemming zijn met in werking getreden omgevingsplannen. Ook komt het voor dat de wijzigingen nodig zijn voor een doelmatige uitvoering van de Omgevingsverordening en draagt de wijziging bij aan het doel waarvoor het werkingsgebied is opgenomen. Zoals bij de wijziging van ecologische verbindingszones, waardoor ze op een ecologisch gezien betere plek komen te liggen. Of het wijzigingen van Regionale waterberging op basis van recente gegevens van een Waterschap.
De wijzigingen die vallen onder de categorie 'correcties' zijn kennelijke onjuistheden van begrenzingen of de begrenzing is niet langer in overeenstemming met een in werking getreden omgevingsplanwijziging. Bijvoorbeeld een al lang bestaand vlak waar wonen is toegestaan en al tientallen jaren legaal een woning staat in het NNB.
Bij de wijziging van een grens van het Natuur Netwerk Brabant (NNB) geldt aanvullend dat Gedeputeerde Staten bevoegd zijn als:
hierdoor geen wijziging optreedt van de grens van een N2000-gebied;
de ecologische samenhang van het Natuur Netwerk Brabant wordt verbeterd;
de kwalitatieve en kwantitatieve ambities van het Natuur Netwerk Brabant worden behouden of versterkt.
Bij de punten II en III gaat het om het NNB op de schaal van de provincie Noord-Brabant, dus op een hoger abstractieniveau dan bijvoorbeeld gronden waar het NNB wordt verwijderd in verband met een gemeentelijke planontwikkeling. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant is geregeld dat op het hogere abstractieniveau aan punten II en III voldaan wordt, onder andere door het opnemen van een algemeen artikel tot behoud, herstel of duurzame ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken ter plaatse van NNB (art. 3.15 IOV en 5.30 Ovr). Ook het onder voorwaarden toestaan van planontwikkelingen binnen het NNB, mogelijk gemaakt in de Ovr artikelen 5.34, 5.35, en 5.36 past binnen punten II en III van de GS bevoegdheid tot wijziging.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat in de omgevingsverordening, in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland (NNN), regels worden opgenomen over regels in omgevingsplannen. De regels moeten onder andere verzekeren dat de oppervlakte van het NNN niet achteruitgaat.
In de Omgevingsverordening zijn daarom regels opgenomen die ervoor zorgen dat aantastingen van het NNN, bijvoorbeeld door een gemeentelijk initiatief, gecompenseerd worden (o.a. artikelen 5.37, 5.38 en 5.39). Daarbij wordt gestuurd op een voorkeurslocatie binnen het NNB, waardoor kwaliteit en samenhang worden geborgd. In de regeling is ook opgenomen dat de omvang van het Natuurnetwerk Nederland niet mag afnemen. Dat betekent dat in het geval een ontwikkeling aantasting geeft van kernmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland er voor fysieke compensatie gezocht moet worden naar een locatie buiten het aangeduide Natuurnetwerk Nederland. Alleen in gevallen waarbij onderbouwd wordt dat het niet mogelijk is om natuur op een voorkeurslocatie in te richten, kan een locatie buiten een voorkeursgebied worden aangewezen om aan de compensatieverplichting te voldoen. De noodzakelijke compensatie moet in zo'n geval bijdragen aan samenhang en kwaliteit van het NNB en ligt daarom aansluitend op of in de directe nabijheid van een bestaande natuurfunctie. Dit bevordert dat er geen nieuwe 'losliggende' natuurgebieden ontstaan en dat de compensatie bijdraagt aan het beoogde netwerk van natuurgebieden. Of en wanneer er sprake is van een locatie die bijdraagt aan samenhang en kwaliteit van het NNB is maatwerk. Vandaar dat afstemming tussen de gemeente en de provincie plaatsvindt over de compensatielocatie en de inrichting daarvan.
Als een gemeente kiest voor financiële compensatie zorgen Gedeputeerde Staten voor realisering van de fysieke compensatie en daarmee voor het minimaal gelijk blijven van het NNN.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-6414.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.