Provinciaal blad van Limburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Limburg | Provinciaal blad 2026, 5915 | gemeenschappelijke regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Limburg | Provinciaal blad 2026, 5915 | gemeenschappelijke regeling |
Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Beesel, Bergen (L), Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Mook en Middelaar, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray en Weert en het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg;
de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord met ingang van 1 december 2017 is opgericht als een openbaar lichaam zoals bedoeld in artikel 52 lid 1 jo. artikel 8, lid 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen;
de gemeenschappelijke regeling van de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord met ingang van 10 juli 2024 is gewijzigd vanwege ontwikkelingen in de bestuurspraktijk, de wetgeving en jurisprudentie;
de Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord wenst te transformeren naar een robuuste Omgevingsdienst, waardoor er een volgende wijziging van de gemeenschappelijke regeling nodig is;
artikel 51 van de Wet gemeenschappelijke regelingen en de Omgevingswet, en; de van de gemeenteraden en provinciale staten verkregen toestemming;
besluiten vast te stellen de tweede wijziging van de gemeenschappelijke regeling Regionale Uitvoeringsdienst Limburg-Noord, waardoor deze met ingang van 1 april 2026 als volgt komt te luiden:
Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Noord- en Midden-Limburg
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Waar in deze regeling artikelen van de Provinciewet of de Gemeentewet, dan wel andere wettelijke regelingen van overeenkomstige toepassing worden verklaard, wordt – tenzij anders vermeld – in die artikelen voor de provincie, provinciale staten, gedeputeerde staten en de commissaris van de koning, respectievelijk de gemeente, de raad, burgemeester en wethouders, de burgemeester, gelezen: de Omgevingsdienst, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
Artikel 3 Uniform regionaal milieutakenpakket
Het UTP wordt concreet uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 sub b van deze regeling en bestaat in de kern uit:
de milieutaken op het gebied van vergunningverlening, meldingen, toezicht, handhaving, juridische ondersteuning en gegevensbeheer en een aanvullende set van taken zoals vooroverleg, het beoordelen van omgevingsplannen / omgevingsplanactiviteiten op specifieke onderdelen, specialistische adviezen, overgangsregelingen en projecten ten behoeve van de regionale prioriteiten en doelstellingen.
Artikel 4 Werkzaamheden voor derden
De Omgevingsdienst is bevoegd om adviserende, ondersteunende en uitvoerende werkzaamheden voor derden te verrichten, mits de Omgevingsdienst minimaal 80% van de activiteiten blijft verrichten voor haar deelnemers. Het percentage van 80% wordt berekend op basis van de totale omzet van de Omgevingsdienst in een kalenderjaar, zoals dat volgt uit de vastgestelde jaarrekening.
Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.
Indien de stemmen met betrekking tot een bepaald voorstel staken, wordt het betrokken onderwerp aangehouden tot de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur. Indien de stemmen wederom staken, is het voorstel niet aangenomen. Ingeval de stemmen over besluiten met betrekking tot benoeming, voordracht of aanbeveling van personen staken, beslist terstond het lot.
Het algemeen bestuur besluit niet tot het vaststellen van meerjarige strategische plannen of het deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling dan nadat de raden onderscheidenlijk provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op het concept hun zienswijzen ter kennis van het dagelijks bestuur te brengen.
Het algemeen bestuur beslist niet over een voorstel alvorens de raden onderscheidenlijk provinciale staten om zienswijzen zijn gevraagd, wanneer ten minste een vijfde van de gemeenteraden, provinciale staten inbegrepen, het dagelijks bestuur hierom verzoekt. In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur afzien van het vragen van zienswijzen. Het dagelijks bestuur stelt de raden en provinciale staten hiervan schriftelijk en gemotiveerd op de hoogte.
Indien het tweede lid wordt toegepast, dan hebben de raden en provinciale staten twaalf weken de tijd hun zienswijzen bij het dagelijks bestuur naar voren te brengen. Voorafgaande aan het nemen van het besluit waarover de zienswijzen gegeven zijn, stelt het dagelijks bestuur de raden, provinciale staten en het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijzen, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door overlijden, ontslag of om een andere reden tussentijds zijn opengevallen vindt plaats binnen twee maanden na het tijdstip waarop de vacature is ontstaan. Een tussentijds tot lid van het dagelijks bestuur benoemd lid treedt af op het moment waarop degene in wiens plaats hij is benoemd zou aftreden.
Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het eerste lid dan nadat de raden en provinciale staten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.
§5 Inlichtingen- en verantwoordingsplicht en participatie
Artikel 19 Inlichtingenplichten
Ieder college, respectievelijk gedeputeerde staten is bevoegd een door hem aangewezen lid in het algemeen bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van de raad, respectievelijk provinciale staten niet meer bezit. In dat geval zijn de artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet, respectievelijk de Provinciewet van overeenkomstige toepassing.
Artikel 24 Bijdrage van deelnemers
De benodigde middelen voor de uitvoering van de taken van de Omgevingsdienst worden verschaft door de deelnemers door het verstrekken van jaarlijkse bijdragen, op basis van de begroting.
Daarvoor gelden de volgende uitgangspunten:
de jaarlijkse bijdrage bestaat uit de volgende drie componenten:
Deze kosten worden opgenomen in de begroting.
Voor de verdeling van de bedrijfsvoeringskosten wordt de volgende staffel gehanteerd: 5% van het totaal van de bedrijfsvoeringskosten komt voor rekening van gedeputeerde staten en 95% van het totaal van de bedrijfsvoeringskosten komt voor rekening van de colleges. Voor de berekening van het percentage van de bedrijfsvoeringskosten dat per college dient te worden voldaan, wordt dezelfde staffel gebruikt als hierna onder 3. voor de niet- locatiegebonden activiteiten omschreven.
bij het niet overeenkomstig het bepaalde onder d tijdig voldoen van de voorschotten wordt aan de desbetreffende deelnemer rente in rekening gebracht. De rente wordt berekend conform de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119, eerste en tweede lid, van het BW en artikel 6:120, eerste lid, van het BW.
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting en bijbehorende stukken ten minste twaalf weken voordat deze aan het algemeen bestuur worden aangeboden, doch uiterlijk 30 april van het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de ontwerpbegroting geldt, toe aan de colleges en raden onderscheidenlijk aan gedeputeerde staten en provinciale staten.
Artikel 26 Jaarrekening en jaarverslag
Van de baten en lasten van de Omgevingsdienst wordt door het dagelijks bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording afgelegd aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de conceptjaarrekening en het jaarverslag met daarbij behorende bescheiden, zoals vermeld in artikel 217 van de Provinciewet. Na de eigen oordeelsvorming zendt het dagelijks bestuur de voorlopige jaarrekening jaarlijks vóór de in artikel 58b van de wet genoemde datum toe aan de raden en provinciale staten.
Hoofdstuk 6 Overige bepalingen
Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de Omgevingsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast, welke aan gedeputeerde staten wordt medegedeeld.
De uittredende deelnemer zendt het besluit tot uittreding aangetekend aan het algemeen bestuur. Daarbij wordt een opzegtermijn van twee jaar, ingaande op 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar, in acht genomen, tenzij de deelnemers unaniem een andere opzegtermijn overeenkomen of de wet tot een andere datum dwingt.
Artikel 31 Procedure voor opstellen en vaststellen uittredingsplan
Het in artikel 30, lid 3 vermelde uittredingsplan bevat de financiële, juridische, personele en organisatorische gevolgen die gedurende een termijn van vijf jaar het directe gevolg zijn van de uittreding. Tevens bevat het uittredingsplan de uittreedsom die betaald moet worden door de uittredende deelnemer.
Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke adviseur aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en de directeur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke adviseur aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het algemeen bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het algemeen bestuur van de uittredende deelnemer.
De onafhankelijke adviseur neemt bij het bepalen van de uittreedsom het bepaalde in dit artikel en in artikel 30 in acht en baseert zich daarbij op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. Tevens past de onafhankelijke adviseur bij de berekening van de uittreedsom een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toe om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.
Het algemeen bestuur is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittreedsom zo laag mogelijk te houden. Het algemeen bestuur onderzoekt in dat kader met de uittredende deelnemer de mogelijkheid tot overname van personeel, activa en contracten. Het voorgaande behoeft echter niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens anderen die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Artikel 32 Opheffing en liquidatie
Deze regeling kan worden opgeheven met instemming van alle deelnemers minus één, onverminderd het bepaalde bij of krachtens artikel 18.21 van de Omgevingswet. Het besluit tot opheffing wordt niet genomen voordat de raden onderscheidenlijk provinciale staten gedurende twaalf weken in de gelegenheid zijn gesteld om schriftelijk op de voorgestelde opheffing hun zienswijze bij het college, respectievelijk gedeputeerde staten naar voren te brengen.
Aldus vastgesteld door de Colleges van Burgemeester en Wethouders van de gemeenten Beesel, Bergen (L), Echt-Susteren, Gennep, Horst aan de Maas, Leudal, Maasgouw, Mook en Middelaar, Nederweert, Peel en Maas, Roerdalen, Roermond, Venlo, Venray en Weert en het College van Gedeputeerde Staten van de provincie Limburg.
De RUD Limburg-Noord transformeert per 1 april 2026 van een netwerkorganisatie naar een robuuste Omgevingsdienst. Om te komen tot een robuuste Omgevingsdienst is een wijziging van de gemeenschappelijke regeling vereist.
Aan de wijziging van de gemeenschappelijke regeling liggen de volgende leidende principes ten grondslag:
Uitgangspunt voor de wijziging van de GR is dat de Omgevingsdienst wordt belast met de uitvoering van het Uniform takenpakket (UTP), hetgeen bestaat uit:
Het uitvoeren van het UTP is nodig, om aan de robuustheidscriteria te kunnen voldoen. Wil een Omgevingsdienst robuust zijn, dan dient zij aan de volgende criteria te voldoen:
Met de uitvoering van het UTP wordt geborgd dat de Omgevingsdienst NML aan de robuustheidscriteria kan voldoen. Van belang is dat de deelnemers ten aanzien van de omvang van het UTP de autonomie niet uit handen geven. Bij de invulling van het UTP is de lokale inbreng namelijk voortdurend geborgd via het vaststellen van de uitvoerings- en handhavingsstrategie, het uitvoeringsprogramma en de evaluatierapportage. Al deze documenten dienen namelijk door de colleges en gedeputeerde staten zelf te worden vastgesteld.
De voormelde documenten vormen vervolgens de basis van het vast te stellen uitvoeringsprogramma. Hetgeen de uitwerking van het UTP vormt. Vanwege de belangrijke rol van het uitvoeringsprogramma, is in de GR opgenomen dat het doen van voostellen voor het vaststellen van het uitvoeringsprogramma door het AB met 2/3e meerderheid dient te geschieden (zie artikel 10).
Het volgende belangrijke uitgangspunt is, dat het mandaatbesluit van de robuuste Omgevingsdienst op hoofdlijnen zal aansluiten bij het modelmandaat dat is voorgeschreven door het IBP VTH. Uitgangspunt van dit modelmandaat is dat de volledige proceslijn (dus van het voorbereiden en nemen van besluiten tot aan een eventueel beroep bij de Raad van State) in mandaat bij de Omgevingsdienst wordt belegd.
Tot slot wordt een herijking van de jaarlijkse financiële bijdrage voorgesteld. de vaste jaarlijkse bijdrage gaat enerzijds uit van de vaste componenten 'bedrijfsvoeringskosten' en 'innovatiekosten' en gaat anderzijds uit van een jaarlijkse bijdrage voor de jaarlijkse kosten van de uitvoering van het UTP. Voor de berekening van de kosten voor het UTP wordt een onderscheid gemaakt tussen locatiegebonden en niet-locatiegebonden activitetien in een gemeente. Voor de niet-locatiegebonden activteiten is de kostenverdeelsleutel opgebouwd uit meerdere objectieve criteria:
Daarmee is er gekozen voor een transparante, voorspelbare verdeelsleutel die aansluit op de wensen en kenmerken van het werkgebied van de Omgevingsdienst NML.
1. Artikelsgewijze toelichting
De definities zijn aangepast als gevolg van de wijziging van het takenpakket dat de Omgevingsdienst voor de deelnemers gaat uitvoeren. Van belang zijn ook de termen "locatiegebonden activiteit" en "niet-locatiegebonden activiteit".
Locatiegebonden activiteiten zijn activiteiten die continu op een bekende locatie plaatsvinden met de daaraan gekoppelde VTH-taken van de Omgevingsdienst. Naast bedrijfslocaties betreft dit bijvoorbeeld ook activiteiten als het saneren van bodem.
Niet-locatiegebonden activiteiten zijn activiteiten op wisselende locaties, zoals mobiel puinbreken en het slopen van werken waarbij asbest vrijkomt, met de daaraan gekoppelde VTH-taken van de Omgevingsdienst.
Deze autonoom gedefinieerde termen zijn van belang voor de berekening van de jaarlijkse financiële bijdrage.
In artikel 2 wordt het belang waarvoor de Omgevingsdienst is ingesteld, beschreven. Voor de omschrijving van het belang is aangesloten bij de doelstellingen van de Omgevingswet, meer in het bijzonder het in artikel 18.21 omschreven doel.
in artikel 3 zijn de taken omschreven waarmee de Omgevingsdienst is belast. Dit betreft, kort gezegd, het UTP, zoals in de algemene toelichting omschreven. In het derde lis is tevens vermeld dat er aparte mandaten zullen worden verleend. Daarbij zal worden aangesloten bij het modelmandaat, zoals in de algemene toelichting is vermeld.
Artikel 4 Werkzaamheden voor derden
In artikel 4 is opgenomen dat de Omgevingsdienst werkzaamheden voor derden kan verrichten. Daarbij wordt enkel gedacht aan werkzaamheden voor andere openbare lichamen (zoals het waterschap of een naburige Omgevingsdienst). Vandaar dat de term "derde" in de begripsbepalingen van artikel 1 is gedefinieerd als een openbaar lichaam.
Artikel 6 en 7 Zittingsduur en werkwijze
In artikel 6 en 7 lid 4 was een regeling opgenomen omtrent onverenigbare functies. Artikel 52 jo. artikel 20 van de Wet gemeenschappelijke regelingen kent hiervoor een uitputtende regeling, waardoor deze artikelleden zijn geschrapt.
Met dit artikel wordt nu aangesloten bij artikel 52 jo. artikel 22 jo. artikel 20 van de Provinciewet. De regeling omtrent het quorum is nu gelijk aan de regels in gemeentelijke en provinciale verhoudingen.
In het derde lid is verwijderd dat de voorzitter een doorslaggevende stem heeft bij het staken van de stemmen. Nu wordt aangesloten bij artikel 31 en 32 van de Gemeentewet respectievelijk Provinciewet.
Artikel 10 Taken en bevoegdheden algemeen bestuur
De taken en bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn herzien. Aan de hand van de verplichtingen uit de Omgevingswet en het Omgevingsbesluit zijn de taken van het algemeen bestuur vormgegeven.
Uit artikel 13.5, 13.8 en 13.11 volgt dat de deelnemers aan een omgevingsdienst gezamenlijk een uitvoerings- en handhavingsstrategie, een uitvoeringsprogramma en evaluatierapportage moeten vaststellen. Om die reden is in artikel 10 lid 1 sub b opgenomen dat het AB voorstellen doet om te komen tot de voormelde besluiten.
Zodoende wordt de eenheid en uniformiteit van het UTP onder de deelnemers geborgd.
Tot slot is in artikel 10 lid 1 sub f de bevoegdheid opgenomen voor het AB om te besluiten over het deelnemen aan of treffen van een gemeenschappelijke regeling. Daarbij wordt vooral gedacht aan regelingen voor ondersteunende processen (archief, ICT). Wel is in dat geval een aanvullende zienswijze van de raden nodig (zie artikel 11).
In het tweede lid van artikel 10 is opgenomen in welke gevallen besluitvorming plaatsvindt bij gekwalificeerde meerderheid.
Alle artikelen met betrekking tot de adviesraad zijn vervangen door een algemene regeling voor het instellen van commissies. Indien ervoor wordt gekozen om een commissie (zoals een adviesraad) in te stellen, dan dient dat te geschieden via een apart instellingsbesluit en niet in de GR zelf, omdat het AB (of soms het DB) over de instelling gaat.
Artikel 21 biedt een kader voor inspraak bij uitzonderlijke situaties waarin de Omgevingsdienst zelf beleidskeuzes maakt met ingrijpende gevolgen, zoals bij de vaststelling van een nieuwe productencatalogus met grote impact op de uitvoering.
Aan hoofdstuk 5 zijn 3 nieuwe artikelen toegevoegd, te weten artikel 23, 24 en 27. Dit in verband met de nieuwe financieringssystematiek voor de Omgevingsdienst.
Artikel 23 is een standaardbepaling en ziet op de organisatie van het financieel beheer en de bevoegdheid van het AB om de nodige voorschriften vast te stellen.
Artikel 24 regelt de jaarlijkse bijdrage van de deelnemers, zoals ook in het algemeen deel van de toelichting uiteen is gezet.
Artikel 27 ziet op de mogelijkheid van verrekening van positieve en negatieve resultaten. Van belang is dat expliciet is bepaald dat de reserve in enig jaar niet meer mag bedragen dan tien procent van de gezamenlijke bijdragen van de deelnemers van dat jaar.
(voorheen) artikel 38 Beëindiging deeltaken
Artikel 38 (oud) is vervallen. Vanwege het uitgangspunt om te transformeren naar een robuuste Omgevingsdienst en inbreng van eenieder van het UTP, is artikel 38 verwijderd. De beëindiging van deeltaken is daarom niet meer mogelijk.
Tot slot is de geschillenregeling herijkt. Deze gaat eerst uit van een bemiddelende rol van het AB, alvorens het geschil kan worden voorgelegd aan een bevoegde rechter.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-5915.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.