Provinciaal blad van Overijssel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Overijssel | Provinciaal blad 2026, 5769 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Overijssel | Provinciaal blad 2026, 5769 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel 2026
Hoofdstuk 2 Voorzieningen Statenleden
Artikel 2. Vergoeding werkzaamheden
Van de vergoeding, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, van het Besluit, kan 20% worden uitgekeerd op basis van het aantal bijgewoonde Statenvergaderingen afgezet tegen het aantal gehouden vergaderingen in een bepaald kalenderjaar.
Artikel 3. Toelage lid onderzoekscommissie
Het Statenlid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 151a, derde lid, van de Provinciewet, ontvangt per jaar voor de duur van de activiteiten een toelage van maximaal 300% van de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, genoemd in artikel 2.1.1, eerste lid, van het Besluit.
Artikel 4. Toelage lid bijzondere commissie
Het Statenlid dat lid is van een bijzondere commissie, bedoeld in artikel 2.1.4, lid 1 van het Besluit, ontvangt per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie een toelage die gelijk is aan maximaal 100% van de maximum toelage, genoemd in artikel 2.1.4, lid 1 van het Besluit.
Hoofdstuk 5 Gemeenschappelijke voorzieningen
Artikel 7. Vergoeding kosten scholing
De kosten voor het in het eerste lid bedoelde scholing die niet door of namens de provincie wordt verzorgd of aangeboden, komen voor rekening van de provincie als deelname van belang is voor de vervulling van de functie van de ambtsdrager of het Burgerlid en op voorwaarde dat de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is en de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen,
Voor de Commissaris of Gedeputeerde is per jaar 2% van de bezoldiging als budget beschikbaar. Het budget geldt voor vier jaar en wordt bij de start van de Statenperiode vrijgemaakt. De besteding vindt plaats in drie fasen: bij de aanvang van het ambt als Gedeputeerde respectievelijk Commissaris; in de loop van de vierjaar periode; en in het traject ‘Van werk naar werk’ als begeleiding tijdens de uitvoering van de sollicitatieplicht.
Indien de Gedeputeerde meer dan één Statenperiode het ambt heeft vervuld, en hij in de eerdere ambtsperiode minder dan 10% van het beschikbare budget heeft besteed voor scholing, kan hem een tweede budget worden toegekend dat gelijk is aan het eerste budget met als uitdrukkelijk doel het voorkomen van een wachtgeldsituatie.
Artikel 8. Informatie- en communicatievoorzieningen
Gedeputeerde Staten stellen ten laste van de provincie aan de ambtsdrager, het Commissielid of het Burgerlid voor de duur van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Hiertoe ondertekent de ambtsdrager, het Commissielid of het Burgerlid een door Gedeputeerde Staten opgestelde bruikleenovereenkomst. Na beëindiging van het ambt of de functie, is overname van de genoemde voorzieningen niet toegestaan.
Artikel 9. Geschikte vervoersvoorziening
De ambtsdrager, het Commissielid of het Burgerlid die tijdelijk een functionele beperking heeft en niet in staat is met het openbaar vervoer of met eigen vervoer te reizen voor woon- werkverkeer of voor de uitoefening van de functie, kan op kosten van de provincie gebruik maken van een voor de beperking geschikte vervoersvoorziening.
Indien het een Statenlid, Commissielid of Burgerlid betreft, is het aan het presidium, namens Provinciale Staten, om te beoordelen of de gewenste vervoersvoorziening, bijvoorbeeld een taxi of een dienstauto, geschikt geacht kan worden en door de provincie kan worden vergoed of ter beschikking gesteld.
Hoofdstuk 7 Betaling, declaratie, gebruik creditcard
Artikel 14. Betaling van kosten
Betaling van kosten op grond van deze verordening vindt plaats door:
Zwolle, 01 april 2026
Provinciale Staten voornoemd,
voorzitter,
ir. A.P. Heidema
griffier,
drs. R. Wiggers MMC
Toelichting Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel2026
Rechtspositionele zaken voor Staten- en Commissieleden, Commissaris van de Koning en Gedeputeerden zijn opgenomen in het Besluit rechtspositie decentrale politieke ambtsdrager (hierna: het Besluit). Ook de ministeriële regelingen (waarin een aantal rechtspositionele zaken verder wordt uitgewerkt), zijn gebundeld in één regeling: de Regeling rechtspositie decentrale politieke ambtsdragers (hierna: de Regeling). In het Besluit en de Regeling zijn veel elementen van de rechtspositie al uitputtend geregeld. Op enkele onderdelen geven het Besluit en de Regeling nog ruimte om op provinciaal niveau keuzes te maken of nadere regels te stellen. Dat gebeurt via de voorliggende Verordening rechtspositie decentrale ambtsdragers Overijssel (hierna: de Verordening).
In de Verordening zijn de onderwerpen die al uitputtend zijn geregeld in het Besluit en/of de Regeling, niet opgenomen. Voor een compleet beeld van de rechtspositie van de decentrale politieke ambtsdragers zullen dus zowel het Besluit, de Regeling alsook de Verordening geraadpleegd moeten worden.
Op een aantal plekken in de Verordening wordt de hoogte van een toelage of vergoeding vastgesteld. In die gevallen is verwezen naar en aansluiting gezocht bij vergoedingen die zijn opgenomen in het Besluit of in de Regeling.
Met betrekking tot de vergoeding aan Burgerleden is geconstateerd dat Overijssel afweek van de bepalingen in de circulaire 'Toelichting wettelijke bepalingen over commissies in de Provinciewet en Gemeentewet'. In die circulaire is opgenomen dat een Commissielid (Burgerlid) recht heeft op een vergoeding per vergadering terwijl de Burgerleden in Overijssel een vergoeding per dag ontvangen, ongeacht het aantal vergaderingen dat zij bijwonen. Dit is niet toegestaan. Met de actualisatie van voorliggende verordening wordt dit aangepast.
De arbeidsverhoudingen en fiscale positie
Staten-, commissie- en burgerleden zijn niet in dienst van de provincie. De provincie is dus niet de werkgever. Dat betekent bijvoorbeeld dat zij voor zover het betreft het Statenlidmaatschap niet vallen onder de werknemersverzekeringen zoals de Werkloosheidswet (WW), Ziektewet (ZW) en de Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen (WIA). Omdat er geen sprake is van een dienstbetrekking vallen zij niet onder de Wet op de loonbelasting 1964 maar worden hun inkomsten belast in de Wet inkomstenbelasting 2001.
Statenleden kunnen wel opteren voor de loonbelasting als voorheffing door te kiezen voor het fictief werknemerschap. Het Statenlid kan met de provincie overeenkomen dat deze loonheffing inhoudt. Het fictief werknemerschap kan worden aangevraagd bij de Belastingdienst. Dat wordt de “opting-in regeling” genoemd. Als gezamenlijk wordt gekozen voor het loonbelastingsysteem dan draagt de provincie de ingehouden loonheffing af aan de Belastingdienst. Omdat een Statenlid geen werknemer in de formele zin van het woord is, valt hij niet onder de socialezekerheidswetgeving. Om die reden worden over de statenvergoeding ook geen premies sociale zekerheid ingehouden. De inkomsten worden als loon belast in box 1. Het Statenlid hoeft in dat geval geen administratie bij te houden. Kosten die worden gemaakt kunnen niet worden afgetrokken. Wel kan de provincie onder voorwaarden bepaalde vergoedingen onbelast verstrekken en bepaalde faciliteiten onbelast in bruikleen beschikbaar stellen.
Als niet voor fictief werknemerschap wordt gekozen dan geldt voor het Statenlid dat de vergoeding voor werkzaamheden en de onkostenvergoeding als inkomsten worden gezien en mogen de (beroeps)kosten die worden gemaakt worden afgetrokken. Het resultaat zal het Statenlid moeten opgeven in de aangifte inkomstenbelasting, onder de post inkomsten uit overige werkzaamheden.
De provincie dient jaarlijks alle betalingen en verstrekkingen op grond van deze verordening aan de Belastingdienst te melden middels een opgave IB47. Eventuele verstrekkingen moeten naar de waarde in het economische verkeer worden opgegeven. Het daadwerkelijk zakelijk gebruik leidt dan tot aftrek.
Eenmalige keuze per zittingsperiode
Zoals hierboven naar voren is gekomen kan de keuze om al of niet te opteren voor de loonbelasting voor het Statenlid ingrijpende gevolgen hebben. De beslissing om voor de loonbelasting te opteren kan eenmaal per zittingsperiode worden gemaakt en geldt in beginsel voor de (resterende) zittingsperiode. Wel kan betrokkene als spijtoptant terugkomen op deze beslissing voor de resterende periode. Opteren voor de loonbelasting hoeft niet bij aanvang van de zittingsperiode te gebeuren maar kan ook gedurende de zittingsperiode voor de resterende periode.
Artikel 1. Begripsomschrijving
Een groot deel van de definities in dit artikel is overgenomen uit het Besluit, de Regeling en het Reglement van Orde Provinciale Staten Overijssel 2023. Vanwege de leesbaarheid is niet verwezen naar de definities in het Besluit, de Regeling en het Reglement maar zijn de definities in de verordening herhaald.
De Commissievergaderingen en bijeenkomsten op Informatiedagen vormen de grondslag voor de vergoeding aan Burgerleden.
Dat neemt niet weg dat het begrip “Commissie” in de betekenis van hoofdstuk V van de Provinciewet kan blijven staan, omdat hieronder ook andere commissies vallen, zoals de onderzoekscommissies.
Artikel 2 Vergoeding werkzaamheden
Dit is een facultatief artikel. Het bevat een uitwerking van artikel 2.1.1, vierde lid, van het Besluit. Dat artikel biedt de mogelijkheid om te bepalen dat maximaal 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden als Statenlid wordt uitgekeerd, afhankelijk wordt gemaakt van het aantal Statenvergaderingen waaraan is deelgenomen. Dit artikel kan alleen in zijn geheel worden opgenomen in onze verordening en geldt dan voor alle Statenleden. Aan de hand van de presentielijsten wordt de juiste hoogte van de vergoeding voor de werkzaamheden vastgesteld.
Artikel 3 en 4. Toelagen lid onderzoekscommissie en lid bijzondere commissie
De onderzoekscommissie heeft een basis in de Provinciewet (artikel 151a). Het werk van die Commissie vindt in de praktijk vaak intenser en in een korter tijdsbestek plaats dan dat van reguliere Commissies. Het benodigde werk kan inhoudelijk en qua belasting zodanig variëren dat de vaststelling van de hoogte van de vergoeding voor dat werk is overgelaten aan Provinciale Staten. De vergoeding mag per jaar echter niet hoger zijn dan driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden als Statenlid (artikel 2.1.3 van het Besluit). Provinciale Staten stellen de toelage vast op het maximum of op een lager bedrag.
Er is ook een grondslag voor vergoedingen voor het werk in een bijzondere Commissie. Het moet dan gaan om een Commissie die bij verordening is ingesteld ter uitvoering van de taken en verantwoordelijkheden van Provinciale Staten. Ook geldt als vereiste dat het commissiewerk een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag kent, dat die niet tot het reguliere werk van de volksvertegenwoordiger geacht kan worden te behoren.
Provinciale Staten stellen de hoogte van de maandelijkse toelage voor lidmaatschap van een bijzondere Commissie vast. De toelage is maximaal gelijk aan het bedrag dat is genoemd in artikel 2.1.4. van het Besluit. Provinciale Staten bepalen hoe hoog de toelage voor lidmaatschap van een bijzondere Commissie is. De vergoeding wordt bij zowel de onderzoekscommissie als de bijzondere Commissie vastgesteld voor de duur van de activiteiten.
Artikel 5. en 6. Ter beschikking gestelde auto
De artikelen 2.2.10 van het Besluit en 2.8 van de Regeling bevatten de bepalingen over de aan de Commissaris of de Gedeputeerden ter beschikking gestelde auto. Onder een ter beschikking gestelde auto wordt niet alleen verstaan een auto die alleen ter beschikking staat van de Commissaris of één bepaalde Gedeputeerde, maar ook een deelauto en een auto op afroep.
Het gebruik en de financiële en fiscale behandeling van de ter beschikking gestelde auto zijn nagenoeg volledig geregeld in het Besluit en de Regeling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de situatie waarin een ter beschikking gestelde auto alleen ter beschikking staat van de Commissaris of een Gedeputeerde en de situatie waarin de ter beschikking gestelde auto door meerdere collegeleden wordt gebruikt (deelauto of auto op afroep), zoals het geval is bij de provincie Overijssel.
Als onderdeel van de bedrijfsvoering kan de provincie een auto met chauffeur voor zakelijk gebruik beschikbaar stellen aan Gedeputeerden. Het beleid ten aanzien van het gebruik daarvan is vastgesteld in de GS-nota’s van 23 januari 2007 (2007/0015725) en van 13 maart 2012 (2012/0045773). Voor de toepassing van dit artikel mede verstaan een door de provincie ingehuurde auto.
De ter beschikking gestelde auto met chauffeur kan door de Commissaris en Gedeputeerde nu ook worden gebruikt voor het reizen tussen de woning en de plaats van tewerkstelling zonder nadere bepaling. En voor reizen ten behoeve van nevenfuncties die de Commissaris en Gedeputeerde vervult uit hoofde van zijn ambt (zuivere qq-functies). Indien de Commissaris en Gedeputeerde voor reizen ten behoeve van een nevenfunctie gebruik maakt van de ter beschikking gestelde auto met chauffeur en daarvoor van een derde een vergoeding van reiskosten ontvangt, wordt die vergoeding in de Provinciale kas gestort.
Het gebruik van de ter beschikking gestelde auto – met chauffeur – voor dienstreizen en zuivere q.q.-functies wordt door de Belastingdienst als zakelijk beschouwd.
Gebruik voor andere nevenfuncties wordt gezien als privégebruik. Ook het gebruik voor bestuurlijke doeleinden geldt fiscaal als privégebruik.
Bij een gebruik van meer dan 500 km op jaarbasis heeft dat tot gevolg dat 22% van de cataloguswaarde bij de bezoldiging wordt geteld. De ter beschikking gestelde auto’s zijn uitgerust met een “zwarte doos” om het privégebruik te kunnen aantonen.
Artikel 7. Tegemoetkoming kosten scholing
De artikelen 2.3.3 en 2.4.4 van het Besluit geven aan Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om nadere regels te stellen over de scholing van ambtsdragers en Commissieleden. Het Besluit regelt dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing voor rekening van de provincie komen. Naast Statenleden en Commissieleden geldt de regeling ook voor Burgerleden. Dit is nader uitgewerkt in artikel 7 van de verordening.
Er dient onderscheid te worden gemaakt in partijpolitieke en niet-partijpolitiek georiënteerde scholing. Voor Staten-, Commissie- en Burgerleden is expliciet bepaald dat de kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde functionele scholing, zoals deelname aan congressen en opleidingen, ten laste kunnen worden gebracht van de provincie. Partijpolitieke scholing komt niet voor vergoeding door de provincie in aanmerking. De inhoud van de scholing is bepalend of deze al dan niet partijpolitiek georiënteerd is. Wanneer scholing verzorgd wordt door een politieke partij betekent dat niet automatisch dat die scholing partijpolitiek georiënteerd is. Scholing is partijpolitiek georiënteerd als zij geheel of gedeeltelijk tot doel heeft betrokkene op te leiden in het gedachtegoed van de desbetreffende partij.
Om in aanmerking te komen voor vergoeding van de scholingskosten, moet gemotiveerd worden dat het gaat om functiegerichte scholing. Scholing is functiegericht als zij beoogt de voor de functie benodigde vakkennis en vaardigheden te verwerven dan wel actueel te houden. Onder deze scholingskosten worden verstaan de cursus- en lesgelden, de kosten van het studiemateriaal, examen- en diplomakosten en de aanschafkosten van verplicht gesteld studiemateriaal. De reis- en verblijfkosten ontbreken in deze opsomming die al voor vergoeding in aanmerking komen op grond van 2.1.7 en 2.2.9 en 2.4.3 van het Besluit. Overigens kan de provincie ook zelf dit soort scholing (laten) verzorgen. Ook die lasten komen ten laste van de provincie.
Een onderscheid is ook gemaakt tussen scholing die door of vanwege de provincie in het provinciaal belang is georganiseerd en scholing waaraan een individuele decentrale politieke ambtsdrager of een Commissielid of Burgerlid in verband met de vervulling van de functie op eigen initiatief wil deelnemen. In het laatste geval zijn er aanvullende voorwaarden gesteld (inhoudelijke informatie over de cursus, congres etc. en een kostenspecificatie).
Om te voorkomen dat er onredelijke kosten in rekening worden gebracht bij de provincie geldt de voorwaarde dat de prijs/kwaliteitverhouding redelijk moet zijn. Het gaat om de vraag of de kosten in redelijke verhouding staan tot de door de leverancier van de scholing te leveren prestaties. Hierbij kan ook meegewogen worden of er niet een goedkopere, kwalitatief betere of meer op de betrokkene toegesneden variant mogelijk is. En wellicht wordt een vergelijkbare cursus ook aangeboden op een locatie die dichter bij de woonplaats van de belanghebbende is gelegen. Tevens is als voorwaarde opgenomen dat de kosten niet al uit anderen hoofde worden vergoed. Voor Staten-, Commissie- en Burgerleden is dit ter beoordeling aan de voorzitter van Provinciale Staten in overleg met de griffier; voor Gedeputeerden en de Commissaris is dit ter beoordeling aan Gedeputeerde Staten.
Gezien de aard en duur van het ambt liggen voor Staten- en Commissieleden opleidingen voor de hand die gericht zijn op het persoonlijk functioneren in het ambt en niet opleidingen die gericht zijn op loopbaanontwikkeling. Voor de Commissaris en de Gedeputeerden geldt dat artikel 2.2.11 van het Besluit een aparte voorziening biedt voor loopbaanoriëntatie. Kosten die in voor loopbaanoriëntatie worden gemaakt, vallen dus niet onder de scholingskosten.
Voor Gedeputeerden geldt dat het scholingsbudget ineens vrijkomt bij aanvang van de periode. Bij GS-besluit van 14 juni 2016 (kenmerk 2016/0180095) zijn aanvullende regels gesteld ter voorkoming van een uitkeringssituatie van een Gedeputeerde:
Het benadrukken van het doel van de scholing – het voorkomen van de wachtgeldsituatie – geeft een gevoelsmatige verruiming van de 2% norm. Het budget per persoon bedraagt € 8.000,- per Statenperiode. Bij herbenoeming van een Gedeputeerde ontstaat een nieuwe aanspraak van het normbedrag van € 8.000,- zodat er bij 2 ambtstermijnen 2x € 8.000,- beschikbaar is. Voorwaarde is dat in de eerste ambtsperiode het budget nauwelijks is benut.
Het Besluit bepaalt (art. 2.3.2. en 2.4.4.) dat Gedeputeerde Staten ten laste van de provincie ict-middelen ter beschikking stelt aan Staten- en Commissieleden, Gedeputeerden en de Commissaris inclusief de daarbij behorende abonnementen. In artikel 8 is opgenomen dat deze voorziening ook geldt voor Burgerleden. Voor de administratie is het nog wel nodig om vast te leggen welke faciliteiten ter beschikking zijn gesteld. Voor die vastlegging is de bruikleenovereenkomst zeer geschikt.
Artikel 9. Geschikte vervoersvoorziening
De artikelen 2.1 en 2.6 van de Regeling maken het mogelijk om een geschikte vervoersvoorziening te vergoeden of ter beschikking te stellen aan een Staten- of Commissielid, de Commissaris of een Gedeputeerde met een (tijdelijke) functionele beperking. In artikel 9 van de verordening is geregeld dat deze voorziening ook geldt voor Burgerleden met een (tijdelijke) functionele beperking. Gedeputeerde Staten onderscheidenlijk het presidium beoordelen of de gewenste vervoersvoorziening geschikt is en dus verstrekt of vergoed kan worden.
Artikel 10. Bedrijfsgeneeskundige zorg.
Dit artikel bevat de uitwerking van artikel 2.3.5. van het Besluit. De geneeskundige zorg is al geregeld voor ambtenaren en Gedeputeerden. Aansluiten bij wat er al is geregeld is de meest eenvoudige vorm om de bedrijfsgeneeskundige zorg voor de Statenleden en de Commissaris in te richten.
Artikel 11. Vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen
In dit artikel is het presentiegeld voor Commissieleden en Burgerleden geregeld. Deze bepaling geldt voor de Commissieleden en Burgerleden, niet voor Statenleden en Gedeputeerden die in de Commissie zitten. Hun vergoeding is immers al geregeld in het Besluit. In het Besluit (art. 2.4.1.) staat: dat een Commissielid per vergadering een vergoeding ontvangt voor het bijwonen van de vergaderingen van de Commissie. Voor de definitie van de term ‘vergadering’ is aansluiting gezocht bij artikel 80 Provinciewet waar in het eerste lid staat dat Provinciale Staten Statencommissies kunnen instellen die besluitvorming van Provinciale Staten kunnen voorbereiden. Het gaat dus om het voorbereidende karakter en het is niet van belang welke naam aan een vergaderstructuur wordt gegeven. Het wettelijk kader van artikel 80 Provinciewet geldt niet alleen voor vergaderstructuren waaraan de naam ‘Statencommissie’ is gegeven, maar voor alle gremia waarin de besluitvorming van Provinciale Staten wordt voorbereid. Over reguliere commissievergaderingen bestaat geen twijfel dat die vallen onder de term vergadering. De onduidelijkheid zit in de werkbezoeken/infosessies. Volgens bovenstaande alinea komen die bijeenkomsten alleen voor vergoeding in aanmerking als sprake is van voorbereiding van besluitvorming. Dit is niet bij alle infosessies/werkbezoeken het geval.
Om een eenduidige lijn te trekken is in het presidium afgesproken om infosessies/werkbezoeken alleen aan te merken als ‘vergadering’ (en dus in aanmerking te laten komen voor vergoeding) indien er binnen twee maanden besluitvorming plaatsvindt over het onderwerp van de infosessie/het werkbezoek.
In bepaalde gevallen, zoals bij bijzondere deskundigheid en/of zwaarte van de taak in de Commissie, is het mogelijk om een hoger bedrag aan vergoeding per vergadering toe te kennen dan bepaald in het Besluit. Het kan bijvoorbeeld gaan om een Commissie met een bijzondere opdracht die een hogere belasting kent voor één of meerdere Commissieleden. Door het verordening vereiste kan op provinciaal niveau een algemene en politieke afweging worden gemaakt. Deze hogere vergoeding wordt geregeld in de verordening waarmee de Commissie wordt ingesteld waarin het Commissielid, waarvoor de hogere vergoeding op zijn plaats is, zitting zal hebben.
Artikelen 14 t/m 16. Betalingen van kosten
In artikel 14/15 zijn de wijze en de volgorde van de betalingen aangegeven: op factuur rechtstreeks, gebruik van de creditcard en vooruitbetaling. In artikel 16 is de wijze van declaratie aangegeven en de termijn waarbinnen de declaratie moet geschieden.
Er is een duidelijke volgorde aangebracht in de manieren van betalen. De voorkeursvariant is rechtstreekse facturering aan de provincie. Als dat niet mogelijk is, kan de uitgave worden gedaan met een Provinciale creditcard. Alleen als de betaling niet op die manieren kan gebeuren, kan de ambtsdrager of het commissielid de betaling uit eigen middelen doen en vervolgens declareren bij de provincie. Met deze aanpak wordt zo veel mogelijk vermeden dat privémiddelen door de Commissaris of de Gedeputeerde (moeten) worden gebruikt voor zakelijke uitgaven.
De accountant toetst de toepassing van de declaratieregels voor Provinciale Staten steekproefsgewijs. Verder wordt op basis van deze toetsing jaarlijks een geaggregeerd overzicht van gedeclareerde kosten, voorzien van het oordeel van de accountant van Provinciale Staten en een algemene toelichting, gepubliceerd op de Provinciale website.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-5769.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.