U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Omgevingsverordening Limburg

Gedeputeerde Staten van Limburg besluiten:

Artikel I

De 'Omgevingsverordening Limburg’ te wijzigen overeenkomstig  'bijlage A'.

Artikel II

De ontwerp Wijzigingsverordening 2026 Omgevingsverordening Limburg gedurende zes weken voor een ieder ter inzage te leggen. 



Maastricht, 24 maart 2026





Gedeputeerde Staten van Limburg voornoemd 

de voorzitter, de heer E.G.M. Roemer 

de secretaris, de heer drs. D.F. Timmer

Bijlage A Omgevingsverordening Limburg

A

Artikel 1.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.3 Schakelbepaling

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder een omgevingsplan mede verstaan een projectbesluit van gedeputeerde staten.

  • 2.

    In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt voor de toepassing van paragraaf 8.1.2 onder een omgevingsplan mede een projectbesluit van het dagelijks bestuur van het waterschap verstaan.

B

Artikel 2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.1 Instructieregel reserveringszone provinciale weg

C

Artikel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.2 Instructieregel reserveringszone spoorweg

  • 1.

    Een omgevingsplan geeft de functie reserveringszone spoorweg aan de zone van 15 meter aan weerszijden, gemeten vanuit het hart van een op de kaart aangeduide spoorweg.

  • 2.

    Een omgevingsplan laat in de reserveringszone spoorweg geen bouwwerken toe.

  • 3.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      tijdelijke bouwwerken;

    • b.

      bouwwerken als bedoeld in artikel 2.15f  artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

D

Artikel 2.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 2.5 kan in elk geval worden gewijzigd of ingetrokken als gedeputeerde staten dit nodig achten in het belang van het gebruik of de bescherming van de provinciale weg, dan wel de wijziging of uitbreiding van de provinciale weg.

E

Na paragraaf 3.2.3 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 3.2.4 Wonen en verblijven in waterveiligheidszones H5 en H6

Artikel 3.6 Instructieregel wonen en verblijven in waterveiligheidszone H5

  • 1.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in waterveiligheidszone H5 Noord- en Midden-Limburg en waterveiligheidszone H5 Zuid-Limburg voorziet niet in een nieuwe functie voor verblijf van niet-zelfredzame personen. 

  • 2.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in waterveiligheidszone H5 Noord- en Midden-Limburg en waterveiligheidszone H5 Zuid-Limburg laat een nieuwe woonfunctie of verblijfsrecreatiefunctie alleen toe als het waterschap en de Veiligheidsregio Zuid-Limburg of de Veiligheidsregio Limburg-Noord hebben geadviseerd over het waterveilig kunnen realiseren van de functie en de functie niet tot onverantwoorde extra opstuwing of overlast elders leidt.

  • 3.

    Aan het waterschap wordt in ieder geval advies gevraagd over: 

    • a.

       het overstromingsrisico op lokaal niveau, onderzocht met actuele gegevens;

    • b.

      waterdiepte en stroomsnelheid en de combinatie van beide;

    • c.

      de snelheid waarmee het water kan stijgen;

    • d.

      onverantwoorde extra opstuwing of overlast elders als gevolg van de nieuwe functie. 

  • 4.

    Aan de Veiligheidsregio Zuid-Limburg of de Veiligheidsregio Limburg-Noord wordt in ieder geval advies gevraagd over de mogelijkheden van vluchtwegen en evacuatie.

  • 5.

    De motivering bij een omgevingsplan bedoeld in het eerste lid beschrijft de wijze waarop is omgegaan met de adviezen bedoeld in het tweede lid.

Artikel 3.7 Instructieregel wonen en verblijven in waterveiligheidszone H6

Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in waterveiligheidszone H6 voorziet niet in een nieuwe woonfunctie, verblijfsrecreatiefunctie of functie voor verblijf van niet-zelfredzame personen. 

F

Het opschrift van artikel 3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.6 3.8 Melding

G

Het opschrift van artikel 3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.7 3.9 Risicoanalyse badwaterbassins

H

Artikel 3.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.8 3.10 Beheersplan badwaterbassins

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 15.64, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving, omschrijft het beheersplan in elk geval de volgende maatregelen om het risico van verdrinking van de gebruikers van badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter, te voorkomen of te beperken:

    • a.

      gedurende de openingstelling van één of meer badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter voor gebruikers, wordt vanaf iedere op het schematisch overzicht als bedoeld in Artikel 3.7artikel 3.9 opgenomen (strategische) locatie door tenminste één toezichthouder toezicht uitgeoefend;

    • b.

      indien een meer dan gemiddeld gebruikersaantal, de gesteldheid van de gebruikers dan wel het gebruik van een speeltoestel daar aanleiding toe geeft, wordt vanaf de relevante (strategische) locatie(s) als hiervoor aangeduid door meerdere toezichthouders toezicht uitgeoefend;

    • c.

      de toezichthouders beschikken aantoonbaar over de vaardigheid van reddend zwemmen;

    • d.

      de toezichthouders verrichten geen andere taken wanneer toezicht wordt uitgeoefend;

    • e.

      gedurende de openingstelling van één of meer badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter voor gebruikers, blijft het uitoefenen van toezicht vanaf de diverse (strategische) locatie(s) als hiervoor aangeduid onder alle omstandigheden – dus ook bij calamiteiten - gewaarborgd.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 15.64, tweede lid, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving omschrijft het beheersplan in elk geval de volgende maatregelen om het risico van letsel en de nadelige gevolgen van incidenten te voorkomen of te beperken:

    • a.

      gedurende de openingstelling van één of meer badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter voor gebruikers, beschikt ten minste één van de aanwezige toezichthouders over een geldig EHBO-diploma;

    • b.

      gedurende de openingstelling van één of meer badwaterbassins met een diepte van meer dan 1,40 meter voor gebruikers, beschikt ten minste één van de bij badwaterbassins aanwezige toezichthouders aantoonbaar over de vaardigheid van reanimeren.

I

Het opschrift van artikel 3.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.9 3.11 Veiligheidsmarkeringen zwemlocaties

J

Het opschrift van artikel 3.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.10 3.12 Logboek zwemlocaties

K

Artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.2 Aanwijzing beschermingsgebieden

Als gebieden als bedoeld in artikel 7.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangewezen: waterwingebiedwaterwingebiedengrondwaterbeschermingsgebiedgrondwaterbeschermingsgebieden en de boringsvrije zone Roerdalslenk en Venloscholzoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebied grondwaterbescherming.

Grondwaterbeschermingsgebieden zijn onderverdeeld in freatische grondwaterbeschermingsgebieden en niet-freatische grondwaterbeschermingsgebieden.

De boringsvrije zone Roerdalslenk is onderverdeeld in deelzones Roerdalslenk IRoerdalslenk IIRoerdalslenk III en Roerdalslenk IV.

L

Artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.4 Verboden en vergunningplichtige grondwateronttrekkingen

  • 1.

    De waterschapsverordening bepaalt dat het in de hydrologische bufferzone grondwaterafhankelijke natuur verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken.

  • 2.

    De waterschapsverordening bepaalt dat buiten de hydrologische bufferzone grondwaterafhankelijke natuur, het verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken met een capaciteit van meer dan 10 m3per uur voor andere doeleinden dan beregening en bevloeiing in de landbouw.

  • 3.

    De waterschapsverordening bepaalt dat in het gebied ten noorden van de Feldbiss en de Eerste Noord-Oost Hoofdbreuk buiten een hydrologische bufferzone grondwaterafhankelijke natuur verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken met een capaciteit van meer dan 10 m3per uur voor beregening en bevloeiing in de landbouw.

  • 4.

    De waterschapsverordening bepaalt dat het in de boringsvrije zone Roerdalslenk beneden de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 5.

    De waterschapsverordening bepaalt dat het in de boringsvrije zone Venloschol dieper dan vijf meter boven NAP verboden is zonder omgevingsvergunning grondwater te onttrekken of water te infiltreren.

  • 6.

    Ten aanzien van de grondwateronttrekkingen bedoeld in het tweede en derde lid, mag de waterschapsverordening in plaats van een omgevingsvergunning bepalen dat algemene regels in acht moet worden genomen.

  • 7.

    Als in de waterschapsverordening het zesde lid wordt toegepast bevat de waterschapsverordening een bepaling dat ten aanzien van de betreffende grondwateronttrekkingen het dagelijks bestuur van het waterschap maatwerkvoorschriften kan stellen.

M

Artikel 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.5 Beoordelingsregels grondwateronttrekkingen

  • 1.

    De waterschapsverordening bepaalt dat de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.4, eerste en derde lid, voor beregening en bevloeiing in de landbouw slechts kan worden verleend, als:

    a. het totale aantal putten, dat volgens de daarvoor geldende wettelijke bepalingen op 22 december 2009 legaal aanwezig was, niet toeneemt; en

    b. een te plaatsen put binnen een bufferzone grondwaterafhankelijke natuur niet dichterbij een natuurgebied wordt geplaatst dan de put die deze vervangt.

    • a.

      het totale aantal putten, dat volgens de daarvoor geldende wettelijke bepalingen op 22 december 2009 legaal aanwezig was, niet toeneemt; en

    • b.

      een te plaatsen put binnen een hydrologische bufferzone grondwaterafhankelijke natuur niet dichterbij een natuurgebied wordt geplaatst dan de put die deze vervangt.

  • 2.

    De waterschapsverordening bepaalt dat de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 4.4, vierde en vijfde lid, slechts kan worden verleend voor een onttrekking die uitsluitend bestemd is voor menselijke consumptie.

  • 3.

    De waterschapsverordening bepaalt dat bij beëindiging van een onttrekking de put zo wordt afgedicht dat grondwaterverontreiniging wordt voorkomen.

N

Artikel 4.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.9 Instructieregel grondwaterverontreiniging

[Gereserveerd]

Gereserveerd

O

Artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

Onverminderd het bepaalde in artikel 4.15, is buiten een hydrologische bufferzone grondwaterafhankelijke natuur voor het aanleggen of hebben van bodemenergiestystemen waarbij de onttrekken hoeveelheid grondwater niet meer is dan 10 m3 per uur, geen omgevingsvergunning vereist.

P

Artikel 4.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.23 Algemene regels Venloschol

  • 1.

    Boorputten zijn niet dieper dan 3.500 meter onder maaiveld.

  • 2.

    Bij het opsporen van aardwarmte en het winnen van aardwarmte wordt voldaan aan de Mijnbouwwet.

  • 3.

    Bij het aanleggen, hebben of gebruiken , gebruiken en afdichten van boorputten wordt de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch Boren BRLSIKB 2100  en het Protocol Mechanisch boren BRL SIKB 2101 in acht genomen.

Q

Artikel 4.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen in grondwaterbeschermingsgebieden

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning grond of baggerspecie toe te passen in een grondwaterbeschermingsgebied, als de kwaliteit van de grond of de baggerspecie de maximale waarde van de volgende kwaliteitsklassen overschrijdt:

    • a.

      de kwaliteit van de grond of de baggerspecie de maximale waarde van de volgende kwaliteitsklassen overschrijdt:

      ‘wonen’ bij toepassing op de bodem; of

      • 1.

        ‘wonen’ bij toepassing op de bodem; of

      • 2.

        ‘licht verontreinigd’ bij toepassing in oppervlaktewater; of

    • b.

      de kwaliteit van de grond of baggerspecie lager is dan de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem 'licht verontreinigd' bij toepassing in oppervlaktewater.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden zonder omgevingsvergunning grond of baggerspecie toe te passen in een grondwaterbeschermingsgebied als de kwaliteit van de grond of baggerspecie slechter is dan de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem.

  • 2 3.

    Het eerste lid is  en tweede lid zijn niet van toepassing op de verspreiding over het aangrenzende perceel van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud.

R

Artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.28 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de toepassing van de grond of de baggerspecie niet plaatsvindt in het kader van kan leiden tot een vergunningplichtige milieubelastende activiteit als bedoeld in hoofdstuk 3toename van het Besluit activiteiten leefomgevingrisico op verslechtering van de grondwaterkwaliteit.

S

Artikel 4.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.29 Kwaliteit grond en baggerspecie in waterwingebieden

  • 1.

    De grond of baggerspecie die wordt toegepast in een waterwingebied heeft geen lagere kwaliteit heeft dan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de verspreiding over het aangrenzende perceel van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud.

T

Artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Beperkt toegestane stoffen

  • 1.

    Het is verboden de stoffen die zijn opgenomen in onderdeel B van bijlage III voorhanden te hebben in grotere mate aanwezig dan de in die bijlage aangegeven drempelwaarden.

  • 2.

    Andere potentieel gevaarlijke stoffen zijn niet in grotere mate aanwezig dan 5000 kilogram vaste stof of 5 m3vloeistof per opslageenheid, tenzij dat volgens onderdeel C van bijlage III naar hoedanigheid, mobiliteit en persistentie toelaatbaar is, als ze onder een van de volgende categorieën vallen:

    1. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8;

    2. gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of

    3. gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

    • a.

      gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 2, 3, 4.1, 4.2, 4.3, 5.1, 5.2, 6.1, 6.2 of 8;

    • b.

      gevaarlijke stoffen van ADR-klasse 9 die het aquatisch milieu verontreinigen; of

    • c.

      gevaarlijke stoffen in de gevarenklasse acute toxiciteit, categorie 1, 2 of 3, bedoeld in bijlage I, deel 3, bij de CLP-verordening.

U

Artikel 4.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.33 Verkleining van het bodemrisico

Het bodemrisico van gevaarlijke stoffen, voor zover toegestaan op grond van de artikel 4.31 en artikel 4.32, wordt tot verwaarloosbaar verkleind door degene die de gevaarlijke stoffen voorhanden heeft, door het bieden van de hoogst mogelijke bescherming, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

1. volledig gesloten apparatuur of geïntegreerde lekdetectie;

2. opslag en gebruik boven een vloeistofdichte vloer of lekbak;

3. tweemaal vaker tussentijds bodemonderzoek dan geadviseerd in de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) maar in ieder geval iedere vijf jaar.

  • a.

    volledig gesloten apparatuur of geïntegreerde lekdetectie;

  • b.

    opslag en gebruik boven een vloeistofdichte vloer of lekbak;

  • c.

    tweemaal vaker tussentijds bodemonderzoek dan geadviseerd in de Nederlandse richtlijn bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) maar in ieder geval iedere vijf jaar.

V

Paragraaf 4.3.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.6 Boorputten en grondroeringen

Artikel 4.36 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het aanleggen, hebben, gebruiken en gebruikenafdichten van boorputten, het roeren van de grond en het verrichten van andere activiteiten in de bodem in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het aanleggen, hebben, gebruiken en gebruikenafdichten van boorputten, het roeren van de grond en het verrichten van andere activiteiten in de bodem in de boringsvrije zone Venloschol, als dat gedaan wordt voor het opsporen van aardwarmte of het winnen van aardwarmte, bedoeld in Paragraafparagraaf 4.3.2.

Artikel 4.37 Aanwijzing verboden gevallen waterwingebied en Roerdalslenk

  • 1.

    Het is verboden een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in een waterwingebied, als dat dieper dan drie meter beneden het maaiveld gedaan wordt.

  • 2.

    Het is verboden een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in de boringsvrije zone Roerdalslenk, als dat dieper dan de bovenkant van de Bovenste Brunssumklei gedaan wordt.

  • 3.

    Het is verboden een activiteit in de bodem te verrichten in een waterwingebied als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast.

  • 4.

    Het is verboden een activiteit in de bodem te verrichten in de boringsvrije zone Roerdalslenk als daardoor de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kan worden aangetast.

  • 5.

    De verboden, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, gelden niet voor:

    • a.

      werkzaamheden ten behoeve van waterwinning met het oog op openbare drinkwaterproductie;

    • b.

      een boorput ten behoeve van het grondwaterbeheer overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet;

    • c.

      het saneren van de bodem overeenkomstig paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het saneren van de bodem of het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst overeenkomstig de Wet bodembescherming;

    • d.

      bodemonderzoeken die in de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of bij of krachtens de Wet bodembescherming of voor een bouwactiviteit bij of krachtens de Omgevingswet zijn voorgeschrevende Omgevingswet zijn voorgeschreven, met uitzondering van bodemonderzoeken voor bouwactiviteiten.

  • 6.

    De verboden bedoeld in het tweede en het vierde lid, gelden ook niet voor werkzaamheden ten behoeve van andere onttrekkingen dan onttrekkingen met het oog op de drinkwaterproductie, als deze uitsluitend bestemd zijn voor menselijke consumptie.

  • 7.

    De verboden bedoeld in het eerste en het derde lid gelden niet voor een bodemonderzoek voor een bouwactiviteit in een waterwingebied waarvoor een omgevingsvergunning op grond van deze afdeling is verleend.

Artikel 4.38 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen grondwaterbeschermingsgebied en Venloschol

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in een grondwaterbeschermingsgebied, als dat dieper dan drie meter beneden het maaiveld gedaan wordt.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een boorput aan te leggen, te hebben of te gebruiken of de grond te roeren in de boringsvrije zone Venloschol, als dat dieper dan vijf meter boven NAP gedaan wordt.

  • 3.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit in de bodem te verrichten in een grondwaterbeschermingsgebied als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast.

  • 4.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit in de bodem te verrichten in de boringsvrije zone Venloschol als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast.

  • 5.

    De verboden bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, gelden niet voor:

    • a.

      werkzaamheden ten behoeve van waterwinning met het oog op openbare drinkwaterproductie;

    • b.

      een boorput voor het grondwaterbeheer overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet;

    • c.

      het saneren van de bodem overeenkomstig paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het saneren van de bodem of het verrichten van handelingen ten gevolge waarvan een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst, overeenkomstig de Wet bodembescherming;

    • d.

      bodemonderzoeken die in de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving of bij of krachtens de Wet bodembescherming of voor een bouwactiviteit bij of krachtens de Omgevingswet zijn voorgeschrevende Omgevingswet zijn voorgeschreven, met uitzondering van bodemonderzoeken voor bouwactiviteiten.

  • 6.

    De verboden bedoeld in het tweede en het vierde lid gelden niet voor werkzaamheden ten behoeve van andere onttrekkingen dan onttrekkingen met het oog op de drinkwaterproductie, als deze uitsluitend bestemd zijn voor menselijke consumptie.

  • 7.

    De verboden bedoeld in het tweede en het vierde lid gelden niet voor het aanleggen of hebben van een open bodemenergiesysteem dat overeenkomstig Artikelartikel 4.16, zesde lid, is gemeld of waarvoor op grond van Artikelartikel 4.16, zevende lid, de meldingsplicht niet geldt.

Artikel 4.39 Meldingsplichten

  • 1.

    Het verbod bedoeld in artikel 4.38, eerste lid, geldt niet indien het aanleggen van de boorput ten minste vier weken voor het begin ervan wordt gemeld aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone I van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.37, tweede lidvalt en dat dieper ligt dan 20 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone II van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.37, tweede lid valt en dat dieper ligt dan 30 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten.

  • 4.

    Het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone III van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van Artikelartikel 4.37, tweede lid valt en dat dieper ligt dan 80 meter beneden het maaiveld tot aan de Bovenste Brunssumklei, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten.

  • 5.

    Het aanleggen, hebben of gebruiken van een boorput of het roeren van de grond in deelzone IV van de boringsvrije zone Roerdalslenk, dat niet onder het verbod van artikel 4.37, tweede lid valt, wordt ten minste vier weken voor het begin ervan gemeld aan gedeputeerde staten.

  • 6.

    De verboden bedoeld in artikel 4.37, tweede en vierde lid en artikel 4.38, eerste tot en met vierde lid, gelden niet voor een bodemonderzoek voor een bouwactiviteit dat ten minste vier weken voor de aanvangsdatum van de uitvoering daarvan wordt gemeld aan gedeputeerde staten en:

    • a.

      het aannemelijk is dat de voor de realisatie van het bouwwerk waarvoor het bodemonderzoek wordt uitgevoerd benodigde toestemmingen en vergunningen zullen worden verkregen;

    • b.

      het bodemonderzoek noodzakelijk is gelet op de voor het bouwwerk waarvoor het bodemonderzoek wordt uitgevoerd geldende regels en voorschriften;

    • c.

      het aantal sonderingen en boringen niet groter is dan verplicht gelet op de voor het bouwwerk waarvoor het bodemonderzoek wordt uitgevoerd geldende regels en voorschriften;

    • d.

      het bodemonderzoek wordt uitgevoerd in overeenstemming met de hiervoor geldende protocollen, zoals vastgelegd in SIKB-, BRL- of NEN-normen; en

    • e.

      bij het trekken van de sondeerstaaf het gat wordt opgevuld om de beschermende werking van de kleilaag te herstellen, door injectie van afdichtingsmateriaal met een doorlatendheid van minder dan 10-9 m/s. 

  • 7.

    Een melding als bedoeld in het zesde lid bevat naast het bepaalde in artikel 1.5 de volgende gegevens: 

    • a.

      de beoogde aanvangsdatum van uitvoering van het bodemonderzoek; 

    • b.

      de maximale diepte van sonderingen en boringen; en 

    • c.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat aan het bepaalde in het zesde lid is voldaan.

  • 8.

    Als de aanvangsdatum van de uitvoering van het bodemonderzoek als bedoeld in het zesde lid wijzigt, wordt ten minste zeven dagen voor de gewijzigde aanvangsdatum de nieuwe aanvangsdatum gemeld aan gedeputeerde staten.

Artikel 4.40 Beoordelingsregels en voorschriften

  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit niet kan leiden tot een toename van de bestaande risico's voor de kwaliteit van het grondwater.

  • 2.

    Bij het aanleggen, hebben of, gebruiken en afdichten van een boorput in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone wordt de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100  en het Protocol Mechanisch boren BRL SIKB 2101 in acht genomen, tenzij in de omgevingsvergunning anders is bepaald.

W

Paragraaf 4.3.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.7 Afvalwater en hemelwater

Artikel 4.41 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het op of in de bodem brengen van afvalwater in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden.

Artikel 4.42 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te brengen in een waterwingebied, met uitzondering van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorzieningéén woning en dat alleen na doorsijpeling door de bodem of de ondergrond in het grondwater kan komen.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te brengen in een grondwaterbeschermingsgebied, met uitzondering van afvloeiend hemelwater dat alleen na doorsijpeling door de bodem of de ondergrond in het grondwater kan komen.

Artikel 4.43 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als er geen schadelijke stoffen op of inde activiteit niet kan leiden tot een toename van de bodem worden gebrachtbestaande risico’s voor de kwaliteit van het grondwater.

X

Na paragraaf 4.3.13 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 4.3.14 Bouwstoffen

Artikel 4.61 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden.

Artikel 4.62 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden om zonder omgevingsvergunning AVI-bodemas of metaalslakken op of in de bodem toe te passen in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied

Artikel 4.63 Beoordelingsregel

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

  • a.

    de toepassing van bouwstoffen noodzakelijk is voor een project van groot openbaar belang;

  • b.

    de aanvrager heeft aangetoond dat geen reëel alternatief beschikbaar is; en

  • c.

    er maatregelen worden getroffen om emissie naar bodem en grondwater volledig te voorkomen, waaronder in ieder geval afdichting, monitoring en een saneringsplan.

Y

Het opschrift van paragraaf 4.3.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.14 4.3.15 Overige milieubelastende activiteiten

Z

Het opschrift van artikel 4.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.61 4.64 Toepassingsbereik

AA

Het opschrift van artikel 4.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.62 4.65 Aanwijzing verboden gevallen

BB

Artikel 4.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.63 Meldingsplicht

  • 1.

    Het is verboden een milieubelastende activiteit, anders dan bedoeld in artikel 4.62, derde lid, te verrichten in een grondwaterbeschermingsgebied zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor milieubelastende activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is vereist op grond van hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

[Vervallen]

CC

Na paragraaf 4.3.14 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

Paragraaf 4.3.16 Milieubelastende activiteiten in zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming

Artikel 4.66 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten in zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming.

Artikel 4.67 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een zoekgebied drinkwaterwinning of een zoekgebied grondwaterbescherming een milieubelastende activiteit te verrichten die is opgenomen in bijlage V.

Artikel 4.68 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als de activiteit niet kan leiden tot een toename van de bestaande risico’s voor de kwaliteit van het grondwater.

DD

Afdeling 5.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.1 Regels over activiteiten

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van activiteiten in, op, onder of boven:

  • a.

    de stortplaats in Montfort (gemeente Roerdalen);

  • b.

    de stortplaats in Landgraaf;

  • c.

    de stortplaats in Schinnen (gemeente Beekdaelen);

  • d.

    de stortplaats in Weert;

  • e.

    de bedrijfsgebonden stortplaats Louisegroeve in Sittard-Geleen;

  • f.

    de baggerspecielocaties te Meers (gemeente Stein) en Swalmen (gemeente Roermond);

    de baggerspecielocatie Trierveld (gemeente Sittard-Geleen); en 

  • g.

    de baggerspecielocatie Swalmen (gemeente Roermond);

als daarvoor een sluitingsverklaring op grond van artikel 8.47 van de Wet milieubeheer is afgegeven.

als het bevoegd gezag de genoemde stortplaats voor gesloten heeft verklaard op grond van artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 5.2 Oogmerk

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: 

  • a.

    het voorkomen en waar nodig beperken van de risico's voor verontreiniging van de bodem en het grondwater; 

  • b.

    het beschermen van de nazorgvoorzieningen en nazorgmaatregelen; het veiligstellen van de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen en de uitvoering van de nazorg; 

  • c.

    het voorkomen van overschrijding van het doelvermogen zoals gestort in het nazorgfonds; 

  • d.

    het waarborgen van de belangen vanuit gezondheid en veiligheid.

Artikel 5.2 5.3 Aanwijzing verboden gevallenactiviteiten: nalaten

Het is verboden in, op, onder of boven een gesloten stortplaats activiteiten na te laten, als daardoor:

  • a.

    de instandhouding van de nazorgvoorzieningen belemmerd kan worden; of

  • b.

    de aanwezige nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden.

Artikel 5.3 5.4 Aanwijzing vergunningplichtige gevallenactiviteiten

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten in, op, onder of boven een gesloten stortplaats, als:

    • a.

      de activiteit niet wordt verricht ter uitvoering van het voor de stortplaats geldende nazorgplan;

    • b.

      de activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de nazorgvoorzieningen van de stortplaats.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit in, op, onder of boven een gesloten stortplaats te verrichten die niet dient ter uitvoering van het voor de gesloten stortplaats geldende nazorgplan en die niet in opdracht van Gedeputeerde Staten wordt verricht. 

  • 2.

    Het verbod is niet van toepassing op het verrichten van een activiteit voor zover hiervoor een omgevingsvergunning is verleend.

Artikel 5.4 5.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend, als het belang dat de gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het de fysieke leefomgeving veroorzaakt, zich daartegen niet verzet.

De omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 5.4 wordt alleen verleend als de activiteit: 

  • a.

    verenigbaar is met het belang van de werking en instandhouding van de aanwezige nazorgvoorzieningen

  • b.

    verenigbaar is met de uitvoering van een nazorgmaatregel

  • c.

    en geen overschrijding van het berekende doelvermogen en de daarbij behorende belastingaanslag met zich brengt.

Artikel 5.5 5.6 Voorschriften omgevingsvergunning

  • 1.

    Aan de omgevingsvergunning worden voorschriften verbonden die nodig zijn gelet op het oogmerk waarvoor de regels in deze afdeling zijn gesteld.

  • 2.

    Aan de omgevingsvergunning kunnen in ieder geval voorschriften worden verbonden die tot doel hebben:

    • a.

      de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

    • b.

      aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; of

    • c.

      te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd.

Artikel 5.6 5.7 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning

  • 1.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 bevat de gegevens vermeld in de leden 2 tot en met 8. 

  • 2.

    Bij de aanvraag wordt een rapport met verduidelijkende tekeningen ingediend, opgesteld door een ter zake deskundig bureau. Het geldende nazorgplan voor de gesloten stortplaats en de daarin opgenomen maatregelen dienen aantoonbaar te worden betrokken en als uitgangspunt bij de aanvraag te worden genomen. 

  • 3.

    Het rapport met tekeningen bedoeld in het tweede lid bevat:

    • a.

      een overzicht van de locatie, de situering van de voorgenomen activiteit, de toegankelijkheid van de locatie, dwarsdoorsneden, details van de beoogde te treffen voorzieningen en een overzicht van de aanwezige nazorgvoorzieningen op de gesloten stortplaats; 

    • b.

      een beschrijving van de voorgenomen activiteit; 

    • c.

      een beschrijving van contacten over de voorgenomen activiteit met andere instanties, waaronder de gemeente en het waterschap, belangengroepen en derden; 

    • d.

      een gemotiveerde toelichting waarom de activiteit in overeenstemming is met het omgevingsplan, dan wel een voor de activiteit verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit; 

    • e.

      een gemotiveerde toelichting of voor de voorgenomen activiteit een m.e.r-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk is; 

    • f.

      een beschrijving van eventuele andere omgevingsvergunningen of meldingen die nodig zijn voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit.

  • 4.

    Het rapport met tekeningen bedoeld in het tweede lid geeft inzicht in de wijze waarop de bouw, exploitatie en beëindiging van de voorgenomen activiteit zich verhouden tot de gebruiksbeperkingen die vanwege het nazorgregime op de gesloten stortplaats van toepassing zijn.

  • 5.

    Het rapport met tekeningen bedoeld in het tweede lid bevat onderbouwde informatie over de invloed van de voorgenomen activiteit op:

    • a.

      de op de gesloten stortplaats aanwezige nazorgvoorzieningen

    • b.

      de bereikbaarheid van de gesloten stortplaats en van de daar aanwezige nazorgvoorzieningen; 

    • c.

      de instandhouding van de voorzieningen ter voorkoming van emissies naar het milieu en de omgeving; 

    • d.

      het vigerende beheer- en onderhoudsprogramma behorende bij het nazorgplan voor de gesloten stortplaats; 

    • e.

      de periodieke controle, het herstel en de vervanging van die nazorgvoorzieningen.

  • 6.

    Het rapport met tekeningen bedoeld in het tweede lid bevat onderbouwde informatie over de effecten van de activiteit en, waar aard en omvang van de activiteit daartoe aanleiding geven, worden daarbij ook onderzoeksrapporten overgelegd. Voor zover van toepassing wordt daarbij ingegaan op de volgende aspecten: 

    • a.

      de opbouw van de aanwezige bovenafdichting; 

    • b.

      het functioneren van de bovenafdichting voor wat betreft draagvermogen, stabiliteit, en waterafvoer en de levensduur van de bovenafdichting; 

    • c.

      het functioneren van de onderafdichting; 

    • d.

      het functioneren van de percolaatafvoer en de percolaatwaterzuivering; 

    • e.

      het functioneren van de stortgasontrekkingsputten, de stortgasafvoer en de stortgasinstallatie; 

    • f.

      het functioneren van het monitoringsysteem, waaronder peilbuizen en drainagestelsels; 

    • g.

      de plaatselijke geohydrologische situatie; 

    • h.

      de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater en eventueel optredende verspreiding van aanwezige verontreinigingen; 

    • i.

      de geotechnische aspecten van de ondergrond en het stortlichaam met name het effect op de zakking van de bovenafdichting. Hierbij kunnen belasting- en zettingsberekeningen nodig zijn; 

    • j.

      het effect op de vervorming, zoals de toegestane rek van de diverse constructieonderdelen van de bovenafdichting en de waterafvoer van de afdichting. Hierbij dient extra aandacht te worden gegeven aan het effect op de functionaliteit van de voor de afwatering in de bovenafdichting aanwezige hemelwaterdrains, drainagematten en leidingen; 

    • k.

      de beschouwing van en het effect op de stabiliteit van de gesloten stortplaats, waar nodig onderbouwd met berekeningen op kritische plaatsen en bij extra belasting op taluds van de stortplaats. Belangrijk aandachtspunt hierbij is het beschouwen van de effecten op de gesloten stortplaats van windbelasting op windgevoelige elementen van de voorgenomen activiteit; 

    • l.

      de toe te passen funderingen en hoe deze zich verhouden tot de nazorgvoorzieningen; 

    • m.

      de vanwege de voorgenomen activiteit optredende emissies en effecten op milieu, lucht, bodem, water, natuur, landschap en omgeving, met aandacht voor cumulatie daarvan met de effecten vanwege de gesloten stortplaats zelf; 

    • n.

      de maatregelen die getroffen worden om de eventuele invloed van de voorgenomen activiteit op de nazorgvoorzieningen en de effecten op het beheer en onderhoud van die nazorgvoorzieningen te mitigeren en de wijze van monitoring daarvan.

  • 7.

    Het rapport met tekeningen bedoeld in het tweede lid bevat een beschrijving van de risico's die als gevolg van de voorgenomen activiteit kunnen ontstaan en de wijze waarop de risico's ondervangen worden voor: 

    • a.

      de op de gesloten stortplaats aanwezige nazorgvoorzieningen, waarbij de dimensies van de voorgenomen activiteit worden afgezet tegen de oppervlakte, diepte en hoogte van de gesloten stortplaats; 

    • b.

      de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen van de gesloten stortplaats. 

  • 8.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.3 ten minste het volgende:

    • a.

      een omschrijving van het voorgenomen gebruik van de gesloten stortplaats, de kadastrale aanduiding en een kadastrale kaart van het gebied van de stortplaats en met aanduiding van het gebied waar voorzieningen ter bescherming van het milieu (nazorgvoorzieningen) aanwezig zijn;

    • b.

      een omschrijving van de maatregelen die worden getroffen om de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te waarborgen, aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen en anderszins de uitvoering van de nazorg niet te belemmeren;

    • c.

      een beschrijving van de wijze van monitoring en evaluatie van de uitvoering van de onder b bedoelde maatregelen en de rapportage daarover aan gedeputeerde staten.

    Het rapport met tekeningen bedoeld in het tweede lid bevat een beschrijving van:

    • a.

      de te treffen maatregelen die erosie tegengaan; 

    • b.

      de aan te brengen beplanting; 

    • c.

      de veiligheidsaspecten bij het op de gesloten stortplaats in werking zijn van stortgasonttrekking, en de daarbij behorende leidingen en stortgasverwerking; 

    • d.

      de wijze waarop het beheer en onderhoud van de voorgenomen activiteit en te treffen maatregelen worden ingepast in het beheer- en onderhoudsprogramma van het nazorgplan, waarbij wordt ingegaan op: 

      • 1.

        de technische aspecten, waaronder monitoring, controle, inspectie, beheer en uitvoering; 

      • 2.

        een nulmeting, zodat milieuhygiënische effecten en de gevolgen van beheer en onderhoud ten opzichte van de start van de voorgenomen activiteit inzichtelijk zijn te maken; 

      • 3.

        de organisatorische aspecten en de invulling daarvan, zoals bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen, de wijze van afstemming tussen de exploitant van de activiteit en de provinciale nazorgorganisatie, communicatie naar derden; 

      • 4.

        de financiering van de activiteit en de effecten ervan op de nazorgkosten; 

      • 5.

        de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het zonder belemmeringen of hinder doorgang laten vinden van de uitvoering van de wettelijke nazorgtaak van de Provincie op de stortlocatie.

  • 9.

    Gedeputeerde Staten kunnen andere of aanvullende eisen aan de aanvraag stellen dan bedoeld in de leden 1 tot en met 8.

EE

Artikel 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.1 Aanduiding stiltegebieden

  • 1.

    Gedeputeerde staten zorgen ervoor dat de grens van het stiltegebied goed zichtbaar is aangeduid door borden van het model RVV L306b en RVV 306eRVV L306e.

  • 2.

    De borden worden geplaatst langs alle  openbare wegen en langs vaarwegen die toegang geven tot het gebied of die daaraan grenzen.

FF

Afdeling 6.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.2 Instructieregels stiltegebieden

Artikel 6.2 Kernkwaliteiten stiltegebieden

  • 1.

    De kernkwaliteiten van stiltegebieden zijn:

    • a.

      een natuurlijk stil karakter, een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving ter bevordering van het welzijn en de gezondheid van bezoekers en de geluidgevoelige fauna, bijdragend aan de bewustwording van een stil milieu en stille natuur;

    • b.

      geen verstoring van de stilte, uitgedrukt in een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van ten hoogste 40 dB(A);

    • c.

      het behoud van de stilte, wat in ieder geval tot uitdrukking komt in het streven naar:

    1°. alleen een geluidsbijdrage van gebiedseigen activiteiten in het stiltegebied;

    2°. geen toename van de geluidsbijdrage van niet-gebiedseigen activiteiten in het stiltegebied.

    De kernkwaliteiten van stiltegebied zijn:

    • a.

      een natuurlijk stil karakter ter bevordering van het welzijn en de gezondheid van bezoekers en de geluidgevoelige fauna, bijdragend aan de bewustwording van een stil milieu en stille natuur; 

    • b.

      een richtwaarde van een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van 40 dB(A).

  • 2.

    De kernkwaliteiten van stiltegebieden zijn nader uitgewerkt in bijlage VI.

Artikel 6.3 Instructieregels kernkwaliteiten stiltegebieden

  • 1.

    De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in een stiltegebied, bevat een beschrijving van:

    • a.

      de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten;

    • b.

      de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan;

    • c.

      de wijze waarop de negatieve effecten op het stille- en natuurlijke karakter worden voorkomen.

    De motivering bij een omgevingsplan, dat betrekking heeft op een gebied gelegen in een stiltegebied, bevat met het oog op het in stand houden of bereiken van de kernkwaliteiten bedoeld in artikel 6.2, in elk geval: 

    • a.

      een beschrijving van de functie die aan een locatie binnen het stiltegebied is toegedeeld en hoe die in evenwicht is met het natuurlijk stille karakter van het gebied;

    • b.

      een onderbouwing waaruit blijkt dat de nieuwe bij de functie behorende geluid veroorzakende activiteit, de maximaal toelaatbare waarde van 35 dB(A) LAeq,24h op 30 meter vanaf de activiteit niet overschrijdt;

    • c.

      in geval van wijziging van een bestaande geluid veroorzakende activiteit waarvoor geluidvoorschriften gelden: een onderbouwing waaruit, naast het gestelde onder a en b, blijkt dat het totale geluid van de activiteit na wijziging (bestaand en nieuw samen) niet hoger wordt dan vastgelegd in de bestaande geluidvoorschriften;

    • d.

      in geval van wijziging van een bestaande geluid veroorzakende activiteit waarvoor geen geluidvoorschriften gelden: een onderbouwing waaruit, naast het gestelde onder a en b, blijkt dat de maximaal toelaatbare waarde van 40 dB(A) LAeq,24h voor het totale geluid van de activiteit na wijziging (bestaand en nieuw samen) op 50 meter vanaf de activiteit, niet wordt overschreden; en

    • e.

      in geval op 30 meter vanaf de activiteit menselijk stemgeluid, niet zijnde muziekgeluid of stemgeluid vermengd met muziekgeluid, duidelijk hoorbaar kan zijn: de wijze waarop dat geluid met andere gebruiksregels dan met waarden tot een aanvaardbaar niveau in het omgevingsplan wordt beperkt. 

  • 2.

    Voor het bepalen van de geluidbelasting van een geluid veroorzakende activiteit als bedoeld in het eerste lid geldt artikel 6.6 van de Omgevingsregeling, met daarop de volgende verbijzonderingen:  

    • a.

      er geldt een beoordelingshoogte van 1,5 meter boven maaiveld; 

    • b.

      de beoordelingsperiode betreft het gehele etmaal (LAeq,24h), zonder toepassing van toeslagen op geluidbijdragen in de verschillende etmaalperioden; 

    • c.

      indien hoorbaar muziekgeluid in de buitenlucht niet is uitgesloten wordt rekening gehouden met de toeslag van 10 dB voor bijzondere geluiden, voor dat deel van de beoordelingsperiode dat er sprake is van muziekgeluid;  

    • d.

      de afstand wordt gemeten vanaf de begrenzing van de locatie waar de geluid veroorzakende activiteit wordt verricht, waarbij toepassing is gegeven aan het gestelde onder e; 

    • e.

      activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

      • 1.

        rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

      • 2.

        elkaar functioneel ondersteunen worden als één geluid veroorzakende activiteit beschouwd.

Artikel 6.4 Ontheffing instructieregels stiltegebieden

  • 1.

    Bij de beoordeling van een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 1.6 wordt rekening gehouden met het bepaalde in bijlage VI.

    Een ontheffing als bedoeld in artikel 1.6 wordt alleen verleend als: 

    • a.

      de functie past binnen het gebied; 

    • b.

      de functie niet kan worden ingepast zonder overschrijding van de geluideisen bedoeld in artikel 6.3, eerste lid;

    • c.

      de overschrijding van de geluideisen bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, zoveel als mogelijk wordt beperkt; en

    • d.

      er geen alternatieve locatie buiten het stiltegebied beschikbaar is.

  • 2.

    Een aanvraag om een ontheffing bevat een onderbouwing op basis waarvan gedeputeerde staten de aanvraag kunnen toetsen aan het bepaalde in het eerste lid. 

  • 3.

    Gedeputeerde staten kunnen in uitzonderlijke situaties afwijken van het gestelde in het eerste lid, op basis van een daartoe onderbouwde aanvraag. 

GG

Afdeling 6.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.3 Regels over activiteiten in stiltegebieden

Artikel 6.5 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van voertuigen en apparaten in een stiltegebied.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitoefening door politie en brandweer van hun wettelijke taken, op het toezicht op de naleving van publiekrechtelijke regels en op ambulancevervoer;

    • b.

      normale werkzaamheden die nodig zijn in verband met de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met bosbouw of met het beheer van het gebied of daarin aanwezige bouwwerken, infrastructuur en nutsleidingen;

    • c.

      wielertochten die voorkomen op de kalender van de Union Cycliste Internationale of van de Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie en op het gebruik van omroepinstallaties, sirenes, hoorns en dergelijke daarbij door personen die zijn belast met de leiding van deze wedstrijden.;

    • d.

      activiteiten die met toepassing van afdeling 6.2 zijn toegelaten of waarvoor, met het oog op de bescherming van het stiltegebied, in het omgevingsplan dan wel de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit of in een maatwerkvoorschrift geluidvoorschriften gelden.

Artikel 6.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een motorvoertuig of bromfiets met draaiende verbrandingsmotor te gebruiken in een stiltegebied buiten voor deze voertuigen openstaande wegen en terreinen.

  • 2.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een toertocht of wedstrijd voor motorvoertuigen of bromfietsen te houden of daaraan deel te nemen in een stiltegebied.

  • 3.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een van de volgende apparaten te gebruiken in een stiltegebied:

    • a.

      motorisch aangedreven werktuigen;

    • b.

      omroepinstallaties, sirenes, hoorns en soortgelijke apparaten;

    • c.

      ModelluchtvaartuigenRPA (drones), modelboten en modelauto's, aangedreven door verbrandingsmotoren;

    • d.

      muziekinstrumenten en andere geluidsapparaten, al dan niet gekoppeld aan geluidversterkers;

    • e.

      waterscooters, aangedreven door verbrandingsmotoren;

    • f.

      knalapparatuur en vuurwerk; of

    • g.

      vuurwapens.

  • 4.

    Het tweede lid geldt niet voor voertuigen of bromfietsen zonder verbrandings- of explosiemotor of die elektrisch worden aangedreven.   

  • 4 5.

    Het derde lid, aanhef en onder c en f, geldt niet voor het gebruik van RPA, knalapparatuur  en vuurwerk:

    • a.

      als dat noodzakelijk is voor het oproepen van personen of om dreigend gevaar af te wenden;

    • b.

      in de periode rondom de jaarwisseling, voor zover toegestaan bij het omgevingsplan of gemeentelijke verordening.

  • 6.

    Het derde lid, aanhef en onder f, geldt niet voor het gebruik van knalapparatuur, als dat noodzakelijk is voor faunabeheer of schadebestrijding in de agrarische bedrijfsvoering.

  • 5 7.

    Het derde lid, aanhef en onder g, geldt niet voor het gebruik van vuurwapens:

    • a.

      om een noodsein te geven;

    • b.

      voor jacht, faunabeheer of schadebestrijding.

Artikel 6.7 Beoordelingsregel omgevingsvergunning Beoordelingsregels omgevingsvergunningen voor activiteiten in stiltegebieden

  • 1.

    Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6 wordt rekening gehouden met het bepaalde in bijlage VI.

    Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 6.6 slechts verlenen indien:

    • a.

      het een incidentele (niet geregeld terugkerende) activiteit betreft. De activiteit kan betrekking hebben op meerdere dagen onder de voorwaarde dat deze aaneengesloten zijn dan wel dat de dagen een logisch en samenhangend geheel vormen; en 

    • b.

      geen alternatieve locatie buiten het stiltegebied beschikbaar is.

  • 2.

    Voor een activiteit behorende bij een toeristisch/recreatieve accommodatie of een horecagelegenheid kan in afwijking van het eerste lid een vergunning worden verleend onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      de activiteit vindt hoorbaar plaats in de openlucht of in tenten en dergelijke, op het terrein zelf dan wel op de terreinen die direct grenzen aan de accommodatie of gelegenheid;

    • b.

      het betreft een incidentele activiteit die in de dag- en/of avondperiode, tussen 7.00 uur en 23.00 uur, plaatsvindt en maximaal 3 dagen aaneengesloten duurt;

    • c.

      de duur van de activiteit bedraagt per dag 

      • maximaal 16 uur bij een bronsterkte van 75-85 dB(A), of

      • maximaal 8 uur bij een bronsterkte van 90 dB(A), of

      • maximaal 2 uur bij een bronsterkte van 95 dB(A);

    • d.

      indien de situatie ter plaatse niet in overeenstemming is met het bepaalde onder c, moet middels een akoestische onderbouwing worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de maximaal toelaatbare waarde van 40 dB(A) LAeq,24h op 50 m afstand vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, bij een maximaal bronvermogen Lwr van 95 dB(A). 

  • 3.

    Voor een activiteit bedoeld in het tweede lid wordt per kalenderjaar voor maximaal drie dagen een vergunning verleend. 

  • 4.

    Voor het bepalen van de geluidbelasting van een geluid veroorzakende activiteit als bedoeld in het tweede lid, onder d, geldt artikel 6.6 van de Omgevingsregeling met daarop de volgende verbijzonderingen:

    • a.

      er geldt een beoordelingshoogte van 1,5 meter boven maaiveld;

    • b.

      de beoordelingsperiode betreft het gehele etmaal (LAeq,24h), zonder toepassing van toeslagen op geluidbijdragen in de verschillende etmaalperioden;

    • c.

      de toeslag van 10 dB voor duidelijk hoorbaar muziekgeluid wordt niet toegepast; en

    • d.

      activiteiten die worden verricht binnen of in de directe nabijheid van de locatie als bedoeld in de aanhef van het tweede lid worden als één activiteit aangemerkt.

  • 5.

    Een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt getoetst aan de volgende criteria:

    • a.

      de aard, de omvang en de locatie van de activiteit en de te verwachten geluidsproductie; 

    • b.

      het tijdstip, de tijdsduur en periode waarin de activiteit plaatsvindt; 

    • c.

      het bepaalde in het eerste tot en met het vierde lid;

    • d.

      de toepassing van maatregelen om de verstoring in een stiltegebied zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 6.8 Specifieke aanvraagvereisten

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 7.3 en 7.4 van de Omgevingsregeling worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning bedoeld in artikel 6.7 ten minste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een overzichtelijke situatietekening waarop de plaats van de activiteit, met eventueel bijbehorende aan- en afvoerroutes, is aangegeven;

    • b.

      uitgezonderd bij toeristisch/recreatieve accommodaties en horecagelegenheden: de motivering van de keuze voor de locatie, zowel de noodzaak als het ontbreken van alternatieve locaties buiten het stiltegebied; 

    • c.

      uitgezonderd bij toeristisch/recreatieve accommodaties en horecagelegenheden: informatie waaruit blijkt dat het een incidentele activiteit betreft; 

    • d.

      gegevens over het type (model) apparaten en de te verwachten geluidsproductie, de locatie, het tijdstip, de tijdsduur en de periode waarin de activiteit plaatsvindt;

    • e.

      informatie over de maatregelen die genomen worden ter beperking van de geluidsproductie;

    • f.

      indien van toepassing, een akoestische onderbouwing als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, onder d.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen een akoestisch onderzoek verlangen, wanneer het voor de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning nodig is om de geluidimmissie van de activiteit op het stiltegebied beter inzichtelijk te maken.

HH

Het opschrift van afdeling 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.4 Industrieterreinen van provinciaal belangwaarvoor provincie geluidproductieplafonds vaststelt

II

Artikel 6.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.8 6.9 Aanwijzing Industrieterreinen van provinciaal belangwaarvoor provincie geluidproductieplafonds vaststelt

De volgende bedrijventerreinen worden aangewezen als industrieterreinen van provinciaal belangwaarvoor provincie geluidproductieplafonds vaststelt als bedoeld in artikel 2.12a van de Omgevingswet:

  • a.

    Chemelot;

  • b.

    NedCar, NedCar Yard, Industrial Park Swentibold.

JJ

Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 7 Landschappen Landelijk gebied

KK

Voor afdeling 7.3 worden drie afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 7.1 Instructieregels primair landbouwgebied

Artikel 7.1 Algemene instructieregel primair landbouwgebied

Een omgevingsplan voorziet niet in het toevoegen of uitbreiden van een niet-agrarische functie of het wijzigen van een niet-agrarische functie in een andere niet-agrarische functie in het primair landbouwgebied.

Artikel 7.2 Uitzonderingen algemene instructieregel primair landbouwgebied

  • 1.

    Artikel 7.1 is niet van toepassing op:

    • a.

      de aanleg, reconstructie of uitbreiding van infrastructuur of energie-infrastructuur;

    • b.

      een maatregel die nodig is met het oog op het waterbeheer of de openbare drinkwatervoorziening;

    • c.

      de uitbreiding of nieuwe ontwikkeling van een bedrijventerrein waarbij het bepaalde in artikel 12.10 in acht is genomen; of

    • d.

      een andere maatregel van groot openbaar belang.

  • 2.

    Artikel 7.1 is niet van toepassing op het toevoegen of uitbreiden van een niet-agrarische functie of het wijzigen van een niet-agrarische functie in een andere niet-agrarische functie, indien de nieuwe functie:

    • a.

      is afgewogen tegen de waarde van voedselproductie en de landbouwkundige waarde van de betreffende locatie en uit die afweging blijkt dat de nieuwe niet-agrarische functie prevaleert;

    • b.

      qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende locatie;

    • c.

      passend en verantwoord is tegen de achtergrond van de regels, het beleid en de marktsituatie voor de betreffende functie en de mogelijkheden voor de functie binnen andere zones; en

    • d.

      aantoonbaar geen of een minimale belemmering vormt voor in de omgeving liggende agrarische bedrijven en de ontwikkelingsmogelijkheden daarvan of voor mogelijke nieuwe agrarische bedrijven.

  • 3.

    Het bepaalde in het tweede lid, onder d is niet van toepassing indien de nieuwe functie een bovenlokaal of regionaal milieutechnisch of ruimtelijk knelpunt oplost.

  • 4.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste tot en met derde lid.

Afdeling 7.2 Instructieregels deelgebieden groenblauwe landbouwzone en verwevingsgebied

Artikel 7.3 Deelgebieden en landschappelijke kernkwaliteiten groenblauwe landbouwzone en verwevingsgebied

Artikel 7.4 Instructieregels ecologische verbindingszones

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een ecologische verbindingszone beschrijft:

  • a.

    hoe de waarde van het gebied als ecologische verbindingszone in stand blijft of wordt verbeterd, rekening houdend met de typering van de betreffende ecologische verbindingszone;

  • b.

    hoe de waarde van het gebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg in stand blijft; en

  • c.

    hoe op gebiedsniveau per saldo geen verlies van de landschappelijke kernkwaliteiten plaatsvindt.

Artikel 7.5 Instructieregels Maasvallei

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de Maasvallei beschrijft:

  • a.

    hoe de waterbergende en stroomvoerende functie van het gebied in stand blijft of wordt verbeterd;

  • b.

    hoe de waarde van het gebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg in stand blijft; en

  • c.

    hoe op gebiedsniveau per saldo geen verlies van de landschappelijke kernkwaliteiten plaatsvindt.

Artikel 7.6 Instructieregels beekdalen

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een beekdal beschrijft:

  • a.

    hoe de ruimte voor water en de waterbergende en watervoerende functie van het gebied in stand blijft of wordt verbeterd; 

  • b.

    hoe de waarde van het gebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg in stand blijft; en

  • c.

    hoe op gebiedsniveau per saldo geen verlies van de landschappelijke kernkwaliteiten plaatsvindt.

Artikel 7.7 Instructieregels natte laagten

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een natte laagte beschrijft:

  • a.

    hoe de waterbergende functie en de sponswerking van het gebied worden behouden of verbeterd; 

  • b.

    hoe de waarde van het gebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg in stand blijft; en

  • c.

    hoe op gebiedsniveau per saldo geen verlies van de landschappelijke kernkwaliteiten plaatsvindt.

Artikel 7.8 Instructieregels hellingen

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een helling beschrijft:

  • a.

    hoe het snel afstromen van water en erosie wordt voorkomen en hoe de infiltrerende, waterbergende en remmende werking van het bestaande landschap wordt behouden of verbeterd;

  • b.

    hoe de waarde van het gebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg in stand blijft; en

  • c.

    hoe op gebiedsniveau per saldo geen verlies van de landschappelijke kernkwaliteiten plaatsvindt.

Artikel 7.9 Instructieregels droogdalen

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een droogdal beschrijft:

  • a.

    hoe de afvoerfunctie en het behoud van de waterbergende en remmende werking van het landschap wordt behouden of verbeterd;

  • b.

    hoe de waarde van het gebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg in stand blijft; en

  • c.

    hoe op gebiedsniveau per saldo geen verlies van de landschappelijke kernkwaliteiten plaatsvindt.

Artikel 7.10 Instructieregels intrekgebieden Natura 2000-gebieden

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een intrekgebied Natura 2000-gebieden beschrijft:

  • a.

    hoe de waarde voor infiltratie van water naar het grondwater worden behouden en de waterkwaliteit wordt verbeterd;

  • b.

    hoe de waarde van het gebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg in stand blijft; en

  • c.

    hoe op gebiedsniveau per saldo geen verlies van de landschappelijke kernkwaliteiten plaatsvindt.

Artikel 7.11 Instructieregels overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden

[Gereserveerd]

Artikel 7.12 Compensatie van waarden

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een deelgebied als bedoeld in artikel 7.3, eerste lid onder a tot en met h, waarbij sprake is van aantasting van bos of landschapselementen voorziet in een compensatie, waarbij de regels opgenomen in bijlage IX worden gevolgd

Afdeling 7.3 Instructieregels ruimtelijke kwaliteit

Artikel 7.13 Instructieregels ruimtelijke kwaliteit

  • 1.

    De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bouw- of aanlegactiviteit met een oppervlakte van 50 m2 of meer, gelegen in het primair landbouwgebied, de groenblauwe landbouwzone, het verwevingsgebied of het Natuurnetwerk Limburg:

    • a.

      beschrijft de kenmerken en identiteit van het gebied; en

    • b.

      onderbouwt in woord en beeld op welke wijze de ontwikkeling en de bij de ontwikkeling betrokken percelen recht doen aan de kenmerken en identiteit van het gebied.

  • 2.

    De onderbouwing bedoeld in het eerste lid, onder b, gaat in op de onderdelen locatiekeuze, contextueel ontwerp, groen raamwerk, maat, schaal, positionering en verschijningsvorm.

LL

Afdeling 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.3 De groenblauwe mantel

Artikel 7.5 Kernkwaliteiten de groenblauwe mantel

  • 1.

    De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn:

    • a.

      het groene karakter;

    • b.

      het visueel-ruimtelijk karakter;

    • c.

      het cultuurhistorisch erfgoed;

    • d.

      het reliëf;

    • e.

      ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdal.

  • 2.

    De kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel zijn nader uitgewerkt in bijlage VIII.

Artikel 7.6 Instructieregels kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied in de groenblauwe mantel beschrijft:

  • a.

    de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten in de groenblauwe mantel;

  • b.

    de waarde van het plangebied als ecologische verbinding tussen gebieden gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg in het bijzonder met het oog op de impact voor de in het aanwijzingsbesluit aangewezen habitattypen en soorten in de Natura 2000 -gebieden (inclusief Natura 2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven) en overige bedreigde soorten die er hun leefgebied hebben;

  • c.

    de waarde van het plangebied met het oog op de instandhouding van de natuurdoeltypen in de aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg;

  • d.

    de waarde van het plangebied voor het bieden van ruimte voor water en als waterberging in laagten en beekdal en

  • e.

    de wijze waarop rekening is gehouden met de waarden onder a tot en met d;

  • f.

    hoe op gebiedsniveau per saldo geen kwaliteitsverlies plaatsvindt van de waarden onder a tot en met d.

  • g.

    hoe de negatieve effecten zijn gecompenseerd. Bij de compensatie van de negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “het groene karakter” worden de regels opgenomen in Bijlage IX gevolgd.

[Vervallen]

MM

Afdeling 7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.1 7.4 Instructieregels beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

Artikel 7.1 7.14 Beschrijving van de kernkwaliteiten van het beschermingsgebied nationaal landschap Zuid-Limburg

Artikel 7.2 7.15 Bescherming van het Nationaal landschap Zuid-Limburg

  • 1.

    De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, bevat een beschrijving van:

    • a.

      de in het plangebied voorkomende kernkwaliteiten;

    • b.

      de wijze waarop met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten is omgegaan;

    • c.

      de wijze waarop de negatieve effecten zijn gecompenseerd.

  • 2.

    Bij de compensatie van de negatieve effecten op het groene karakter wordt bijlage VIIIX gevolgd.

NN

Afdeling 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.2 7.5 Regels over activiteiten in het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

Artikel 7.3 7.16 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van grond- en ontwateringswerkzaamheden in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op:

    • a.

      het graven van regenwaterbuffers door het waterschap of het graven van kleinschalige drinkwater- of amfibieënpoelen ten behoeve van het versterken van de biodiversiteit;

    • b.

      het saneren van de bodem en het verrichten van activiteiten, als:

      • 1.

        daardoor een bodemverontreiniging wordt verminderd of verplaatst; en

      • 2.

        dat gebeurt overeenkomstig paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      het uitvoeren van bodemonderzoeken die in de hoofdstukken 3 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, bij of krachtens de Wet bodembescherming of voor een bouwactiviteit bij of krachtens de Omgevingswet zijn voorgeschreven;

  • 3.

    Deze afdeling is niet van toepassing op het aanleggen van een boorput in een beekdal beeklandschap.

Artikel 7.4 7.17 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

OO

Artikel 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.1 Aanwijzing wezenlijke kenmerken en waarden Natuurnetwerk Limburg

Als wezenlijke kenmerken en waarden gelden, in bestaande en nog te realiseren natuurgebieden de aanwezige en potentiële natuurwaarden vertaald in natuurbeheertypen  en landschapselementtypen, zoals vastgelegd op de natuurbeheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan. Verder behoren tot de wezenlijke kenmerken en waarden de beschermde  kenmerkende habitats en soorten, de geomorfologische en aardkundige waarden en processen, het cultuurhistorisch erfgoed, de waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, stilte, donkerte, openheid of juist geslotenheid van de landschapsstructuur.

PP

Artikel 8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.3 Ontwikkeling van groot openbaar belang

Artikel 8.2 is niet van toepassing op nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten, als:

  • a.

    er sprake is van een groot openbaar belang; en

  • b.

    er geen reële andere mogelijkheden zijn om in dit belang te voorzien; en

  • c.

    uit het omgevingsplan blijkt hoe negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt; en

  • d.

    uit het omgevingsplan blijkt hoe negatieve effecten voor het overige worden gecompenseerd, waarbij:

    • 1.

      de compensatie niet mag leiden tot verlies van oppervlakte, samenhang of kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden;

    • 2.

      tenzij gedeputeerde staten anders bepalen, de compensatie voorafgaand aan de ingreep plaatsvindt:

      • i.

        in natura in nog niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Limburg; of

      • ii.

        aansluitend aan het Natuurnetwerk Limburg indien dit leidt tot een verbetering van de kwaliteit of samenhang van het Natuurnetwerk Limburg.

1°. de compensatie niet mag leiden tot verlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke kenmerken en waarden;

2°. de compensatie tijdig plaatsvindt:

i. op financiële wijze; of

ii. in natura in nog niet gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Limburg.

QQ

Artikel 8.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.4 Vervallen

[Gereserveerd]

[Vervallen]

RR

Artikel 8.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.5 8.4 Saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen

  • 1.

    Artikel 8.2 is niet van toepassing bij een combinatie van onderling

    Artikel 8.2 is niet van toepassing bij een combinatie van onderling samenhangende activiteiten, waarvan één of meer afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuurnetwerk Limburg, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een toename van de oppervlakte en de verbetering van de kwantiteit,  kwaliteit en samenhang van het Natuurnetwerk Limburg op gebiedsniveau.

  • 2.

    Toepassing van de saldobenadering, bedoeld in het eerste lid, vindt alleen plaats als:

    • a.

      de combinatie van plannen, projecten of handelingen binnen één samenhangende gebiedsvisie wordt gepresenteerd;

    • b.

      per saldo sprake is van verbetering van de natuurwaarden het Natuurnetwerk Limburg in en rond het gebied, waarbij oppervlakte, kwaliteit en de samenhang van het Natuurnetwerk Limburg verbetert;

    • c.

      tenzij gedeputeerde staten anders bepalen, de verbetering voorafgaand aan de ingreep is gerealiseerd;

    • c d.

      ten aanzien van de te nemen maatregelen ter verbetering van de natuurwaardenhet Natuurnetwerk Limburg in de gebiedsvisie wordt aangegeven:

      • 1.

        de aard, de oppervlakte, de locaties en het tijdvak van realisatie van deze maatregelen;

      • 2.

        op welke wijze deze maatregelen feitelijk en planologisch duurzaam worden geborgd;

    • e.

      de uitvoering van deze visie voldoende is gegarandeerd; en

    • f.

      de verbetering van het Natuurnetwerk Limburg  niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van het Natuurnetwerk Limburg.

    1°. de aard, omvang, locaties en tijdvak van realisatie van deze maatregelen;

    2°. op welke wijze deze maatregelen feitelijk en planologisch duurzaam worden geborgd;

    • a.

      de uitvoering van deze visie voldoende is gegarandeerd;

    • b.

      de kwaliteitswinst niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van het Natuurnetwerk Limburg.

SS

Artikel 8.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.6 8.5 Kleinschalige ingrepen

  • 1.

    Artikel 8.2 is niet van toepassing op een individuele, kleinschalige ontwikkeling ingreep die leidt tot een verbetering van  de kwaliteit en een toename van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Limburg in of nabij dat gebied.

  • 2.

    Toepassing van het Het eerste lid vindt is alleen plaats van toepassing als uit het omgevingsplan blijkt dat:

    • a.

      de voorgestelde ingreep slechts leidt tot een beperkte aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en samenhang van het Natuurnetwerk Limburg in dat gebied;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn om in dit belang te voorzien;

    • b c.

      de voorgestelde ingreep leidt tot een kwalitatieve versterking verbetering van de kwaliteit en een toename van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Limburg, waarbij de samenhang van het Natuurnetwerk Limburg niet mag afnemen;

    • c.

      de oppervlakte natuur van het Natuurnetwerk Limburg ten minste gelijk blijft;

    • d.

      de kwaliteitswinstverbetering van het Natuurnetwerk Limburg niet wordt gefinancierd uit reguliere middelen voor realisatie van het Natuurnetwerk Limburg.; en

    • e.

      tenzij gedeputeerde staten anders bepalen, de verbetering van het Natuurnetwrk Limburg voorafgaand aan de ingreep plaatsvindt.

  • 3.

    De verbetering van het Natuurnetwerk Limburg vindt plaats in natura.

TT

Artikel 8.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.7 8.6 Compensatiebeleid

  • 1.

    Bij de compensatie van ingrepen van een groot openbaar belang in het Natuurnetwerk Limburg en bij ingrepen met negatieve effecten op natuurwaarden met de kernkwaliteit “groene karakter” worden de regels opgenomen in bijlage IX, gevolgd.

    Bij een ontwikkeling van groot openbaar belang als bedoeld in artikel 8.3, saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.4 en kleinschalige ingrepen als bedoeld in artikel 8.5 worden de regels opgenomen in bijlage IX gevolgd.

  • 2.

    In bijlage IX worden afhankelijk van de ontwikkeltijd van de te compenseren natuurtypen verschillende kwaliteitstoeslagen gehanteerd, waarbij de hoogste kwaliteitstoeslag geldt voor oude en waardevolle bossen

UU

Het opschrift van artikel 8.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.8 8.7 Wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurbeekzone

VV

Het opschrift van artikel 8.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.9 8.8 Instructieregel ter bescherming van de natuurbeekzone

WW

Het opschrift van paragraaf 9.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 9.2.4 Vangen van dieren en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen, beheer of onderhoud

XX

Artikel 9.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.23 Vrijstelling ruimtelijke ontwikkeling en bestendig beheer of onderhoud

Het verbod, bedoeld in artikel 11.58 artikel 11.54vijfdeeerste lid, onderdeel a en b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt niet voor het vangen en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van de soorten, genoemd in Bijlage X bij deze verordening, als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de activiteit is nodig:

    • 1.

      in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

    • 2.

      in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

    • 3.

      in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of

    • 4.

      in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied;

  • b.

    het vangen van de dieren vindt alleen plaats met behulp van schepnetten, schermen, vangemmers, vangkooien en kastvallen;

  • c.

    er wordt alleen overgegaan tot vangen van de dieren, als het niet redelijkerwijs mogelijk is om de dieren te verdrijven van de locatie waar de werkzaamheden plaatsvinden;

  • d.

    De vrijstellingen gelden alleen voor de periode die in Bijlage X is genoemd bij de betreffende soort;

  • e.

    Gevangen dieren worden direct na de vangst weer in de directe omgeving vrijgelaten.

YY

Het opschrift van afdeling 10.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 10.1 Instructieregels landbouw

ZZ

Paragraaf 10.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 10.1.1 Intensieve veehouderij Veehouderij

Artikel 10.1 Instructieregel nieuwvestiging intensieve veehouderij

Artikel 10.2 Instructieregel vergroting bouwvlak intensieve veehouderij

Een omgevingsplan laat geen vergroting van het bouwvlak voor intensieve veehouderij toe binnen het extensiveringsgebied intensieve veehouderij.

Artikel 10.3 Instructieregel vormverandering bouwvlak intensieve veehouderij

  • 1.

    Een omgevingsplan laat geen vormverandering van het bouwvlak voor intensieve veehouderij toe binnen het extensiveringsgebied intensieve veehouderij.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op vormverandering van het bouwvlak, als

    • a.

      de bestaande bouwmogelijkheden uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn; en

    • b.

      de vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur.

Artikel 10.1 Instructieregels nieuwvestiging van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders

Artikel 10.2 Instructieregels nieuwvestiging van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren

Artikel 10.3 Instructieregels vergroting bouwvlak van een veehouderij

  • 1.

    Een omgevingsplan laat geen vergroting van het bouwvlak van een veehouderij toe.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de vergroting van het bouwvlak van een veehouderij in het primair landbouwgebied

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de vergroting van het bouwvlak van een veehouderij in de groenblauwe landbouwzone of het verwevingsgebied als is aangetoond dat: 

    • a.

      het initiatief in positieve zin bijdraagt aan de beleidsmatige opgave voor de omgeving; en

    • b.

      de locatie niet in het extensiveringsgebied veehouderij ligt. 

  • 4.

    Het derde lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de vergroting van het bouwvlak van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders als is aangetoond dat:

    • a.

      deze volledig bestaat uit het houden van landbouwhuisdieren die jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop, waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van Verordening (EU) 2020/464 met betrekking tot biologische producten; en

    • b.

      sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse.

  • 5.

    Het derde lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op de vergroting van het bouwvlak van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren.

Artikel 10.4 Instructieregels vormverandering bouwvlak van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders

  • 1.

    Een omgevingsplan laat geen vormverandering van het bouwvlak van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders, toe in het extensiveringsgebied veehouderij

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op vormverandering van het bouwvlak van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders in het extensiveringsgebied veehouderij als is aangetoond dat:

    • a.

      het initiatief volledig bestaat uit het houden van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders waarbij jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop en waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van Verordening (EU) 2020/464 met betrekking tot biologische producten;

    • b.

      het initiatief in positieve zin bijdraagt aan de beleidsmatige opgave voor de omgeving;

    • c.

      sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse; en

    • d.

      de locatie niet in het Natuurnetwerk Limburg, het stedelijk gebied of een landelijke kern ligt.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op vormverandering van het bouwvlak van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders in het extensiveringsgebied veehouderij als:

    • a.

      de bestaande bouwmogelijkheden uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn; en

    • b.

      de vormverandering per saldo geen negatieve invloed heeft op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder, natuur, landschap, water en milieu.

AAA

Artikel 10.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.4 10.5 Instructieregel geitenhouderij

BBB

Het opschrift van artikel 10.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.5 10.6 Instructieregel nieuwvestiging glastuinbouw

CCC

Artikel 10.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.6 10.7 Instructieregel vergroting bouwvlak glastuinbouw

DDD

Na paragraaf 10.1.3 worden twee paragrafen ingevoegd, luidende:

Paragraaf 10.1.4 Akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt en andere plantaardige agrarische teelten

Artikel 10.8 Instructieregels nieuwvestiging van akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt en andere plantaardige agrarische teelten

Paragraaf 10.1.5 Verwaarding van mest en agrarische reststromen

Artikel 10.9 Instructieregels verwaarding van eigen mest en agrarische reststromen binnen het eigen bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijf

Artikel 10.10 Instructieregels collectieve verwaarding van mest en agrarische reststromen

  • 1.

    Een omgevingsplan laat geen collectieve verwaarding van mest en agrarische reststromen toe.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve verwaarding van mest en agrarische reststromen in het primair landbouwgebied als is aangetoond dat:

    • a.

      de verwaarding van mest en agrarische reststromen door samenwerkende agrarische bedrijven op een bestaand of vrijkomend agrarische bouwvlak of een andere vrijkomende locatie; en

    • b.

      sprake is van een toekomstbestendige locatie op basis van ten minste de volgende aspecten:

      • 1.

        kwaliteit van het leef- en vestigingsklimaat;

      • 2.

        zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik;

      • 3.

        bereikbaarheid en logistieke efficiëntie, met inbegrip van energie-infrastructuur;

      • 4.

        beschikbaarheid van regionale mest binnen een straal van 20 kilometer en daarop afgestemde verwaardingscapaciteit, geborgd via samenwerkingsovereenkomsten;

      • 5.

        bijmenging van maximaal 5% agrarische reststromen; en

      • 6.

        energiebehoefte, bijvoorbeeld als onderdeel van een energiegemeenschap of energiehub.

Artikel 10.11 Instructieregels solitaire (industriële) verwaarding van mest en agrarische reststromen

EEE

Het opschrift van artikel 10.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.7 10.12 Toepassingsbereik

FFF

Het opschrift van artikel 10.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.8 10.13 Verbod nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderijen

GGG

Het opschrift van artikel 10.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.9 10.14 Toepassingsbereik

HHH

Artikel 10.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.10 10.15 Ammoniakemissie dierenverblijven

  • 1.

    Een dierenverblijf heeft geen grotere ammoniakemissie per dierplaats dan de maximaal toegestane emissie die is opgenomen in bijlage XII, als het dierenverblijf

    • a.

      na 23 juli 2010 nieuw is opgericht, waarbij voor die oprichting een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1 eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was vereist, dan wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet is vereist; of

    • b.

      na 23 juli 2010 zodanig is gewijzigd dat het aantal dierplaatsen toe is genomen of hetin die zin dat het huisvestingssysteem als bedoeld in de RAV-lijst is gewijzigd, waarbij voor die wijziging een omgevingsvergunning krachtens artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was vereist, dan wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet is vereist; of

    • c.

      na 10 oktober 2013 gewijzigd is, waarbij een of meer van de in de bijlage XI opgenomen systemen zijn aangelegd, aangekoppeld of geïnstalleerd om de ammoniakemissie te reduceren.

  • 2.

    De activiteit bedoeld in artikel 10.910.14 heeft per 1 januari 2030 geen grotere ammoniakemissie per dier dan de maximaal toegestane emissie als opgenomen in bijlage XII.

  • 3.

    Het is verboden om de reductie van stikstofdepositie die als gevolg van het eerste of tweede lid plaatsvindt te gebruiken voor intern salderen of extern salderen

  • 4.

    Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen het bepaalde in het tweede lid buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover de toepassing gelet op de betrokken belangen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

III

Het opschrift van artikel 10.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.11 10.16 Maatwerkvoorschriften

JJJ

Het opschrift van hoofdstuk 11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 11 Cultureel erfgoed Herbenutting monumentale gebouwen

KKK

Het opschrift van afdeling 11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 11.1 Instructieregels herbenutting monumentale en beeldbepalende gebouwen

LLL

Artikel 11.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.1 Herbenutting van Instructieregels herbenutting monumentale en beeldbepalende gebouwen

  • 1.

    Een omgevingsplan dat nieuwe activiteiten toestaat betrekt daarbij de mogelijkheid om deze activiteiten in leegstaande monumentale gebouwen onder te brengen.

    Een omgevingsplan dat een nieuwe activiteit toestaat motiveert daarbij de mogelijkheid om deze activiteit in een leegstaand monumentaal gebouw onder te brengen.

  • 2.

    Wanneer het onderbrengen van de nieuwe activiteiten in leegstaande monumentale gebouwen niet mogelijk blijkt te zijn, wordt bij de beoordeling van het toestaan van de nieuwe activiteiten ook de mogelijkheid betrokken om deze activiteiten in leegstaande beeldbepalende gebouwen onder te brengen.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat uiterlijk 1 januari 2032 een overzicht van monumentale gebouwen die vanwege de huidige of verwachte leegstand of verandering van de functie kunnen worden aangemerkt als herbestemmingslocatie.

  • 3.

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording over de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste en tweede lid.

    Vanaf 1 januari 2032 wordt bij de in het eerste lid bedoelde motivering het in het tweede lid bedoelde overzicht betrokken. 

MMM

Hoofdstuk 12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 12 Wonen, werken en recreëren

Afdeling 12.1 Instructieregels wonen

Artikel 12.1 Algemene instructieregels wonen
  • 1.

    De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoeging van een of meerdere woningen in het landelijk gebied bevat een samenhangende integrale onderbouwing, programmatisch en ruimtelijk, voor het gehele grondgebied van de gemeente, waaruit blijkt welk gedeelte van de gemeentelijke woningbouwopgave in het stedelijk gebied of de landelijke kern gerealiseerd zal worden en welk deel niet en waarom niet.

  • 2.

    De onderbouwing als bedoeld in het eerste lid bevat ten minste:

    • a.

      een overzicht, met een toelichting, van de ruimtelijke kansen, belemmeringen en de prioritering van potentiële ontwikkellocaties voor woningbouw in het gehele grondgebied van de gemeente, uitgewerkt op een kaart;

    • b.

      een binnen de woningbouwregio regionaal afgestemde en door de gemeente vastgestelde lokale woningbouwprogrammering als uitwerking van het door Gedeputeerde Staten genomen besluit naar aanleiding van het provinciaal woningbouwbehoefteonderzoek dat elke drie jaar wordt uitgevoerd;

    • c.

      een analyse, met een toelichting, van de ontwikkelingsmogelijkheden voor woningbouw op onbebouwde plekken binnen het stedelijk gebied en de landelijke kern; en

    • d.

      een analyse, met een toelichting, van de ontwikkelingsmogelijkheden voor woningbouw op potentiële transformatielocaties

  • 3.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid bevat de motivering bij het omgevingsplan uiterlijk 1 januari 2032 een samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    De motivering bij een omgevingsplan beschrijft dat realisatie van de woningen beoogd is binnen een termijn van drie jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat wanneer deze termijn niet wordt gehaald, de gemeente de functie wonen heroverweegt en zo nodig bij de actualisatie van de programmering wijzigt.

  • 5.

    Elk woningbouwplan dat betrekking heeft op de toevoeging van een of meerdere woningen en deel uitmaakt van een omgevingsplan, wordt in de initiatieffase opgenomen in de monitoring woningbouw als bedoeld in afdeling 16.5.

  • 6.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het inpandig toevoegen van maximaal 5 woningen in een monumentaal gebouw.

Artikel 12.2 Aanwijzing woningbouwregio's

Als woningbouwregio's als bedoeld in artikel 7.8b van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden aangewezen: Noord-LimburgMidden-Limburg en Zuid-Limburg.

Artikel 12.3 Instructieregels gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma

Bij het opstellen van het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma als bedoeld in artikel 3.6, derde lid, van de Omgevingswet wordt het volgende in acht genomen: 

  • a.

    het gemeentelijk aandeel in het aantal woningen, als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onder a, onder 1, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in de woningbouwregio waartoe de gemeente behoort, wordt uitgewerkt op basis van het door Gedeputeerde Staten genomen besluit naar aanleiding van het provinciaal woningbouwbehoefteonderzoek dat elke drie jaar wordt uitgevoerd;

  • b.

    de gemeente actualiseert de woningbouwprogrammering iedere drie jaar;

  • c.

    de gemeente maakt afspraken met alle andere gemeenten in de woningbouwregio waartoe de gemeente behoort over het te realiseren aandeel woningen van de regionale opgave en daarbinnen het aandeel betaalbare woningen, waarbij op regionaal niveau sprake moet zijn van het toevoegen van twee derde betaalbare woningen en 30 procent sociale huurwoningen;

  • d.

    een programmeringsperiode van 10 jaar bevat circa 130% plancapaciteit om de gemeentelijke woningbouwopgave te realiseren. In een periode van vijf jaar dient ten minste 50% van deze plancapaciteit harde plannen te betreffen;

  • e.

    voor het inzichtelijk maken van de voortgang van de planning en realisatie van de gemeentelijke woningbouwopgave, als bedoeld in artikel 4.34, eerste lid, onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, wordt gebruik gemaakt van een door de Provincie Limburg ter beschikking gestelde monitoringsapplicatie;

Artikel 12.4 Instructieregels wonen in verwevingsgebied
  • 1.

    De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoeging van een of meerdere woningen in een verwevingsgebied bevat naast de onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, een onderbouwing waaruit blijkt:

    • a.

      hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van enerzijds het stedelijk gebied of de landelijke kern en anderzijds het landelijk gebied en daarnaast qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende locatie; en

    • b.

      dat de ontwikkeling grenst aan het stedelijk gebied of een landelijke kern of is gelegen in een bebouwingslint of bebouwingscluster.

  • 2.

    Het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, is niet van toepassing op:

    • a.

      het inpandig toevoegen van een of meerdere woningen in een monumentaal gebouw;

    • b.

      de huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten op een agrarische bouwkavel waar de te huisvesten short-stay arbeidsmigranten werkzaam zijn., mits de gemeente beschikt over een integrale samenhangende onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1 eerste of derde lid, en motiveert hoe de ontwikkeling past binnen deze onderbouwing; of

    • c.

      het toevoegen van een of meerdere woningen als dat een milieutechnisch of ruimtelijk knelpunt oplost.

Artikel 12.5 Instructieregels wonen in primair landbouwgebied
  • 1.

    Een omgevingsplan voorziet niet in het toevoegen van een of meerdere woningen in het primair landbouwgebied.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het inpandig toevoegen van een of meerdere woningen in een monumentaal gebouw, mits voldaan is aan de voorwaarden als genoemd in het derde lid, onder a tot en met e.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten op een agrarische bouwkavel waar de te huisvesten short-stay arbeidsmigranten werkzaam zijn, mits de ontwikkeling qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende locatie en de gemeente beschikt over een integrale samenhangende onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste of derde lid, en motiveert hoe de ontwikkeling past binnen deze onderbouwing;

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het toevoegen van een of meerdere woningen als dat een milieutechnisch of ruimtelijk knelpunt oplost, en:

    • a.

       de gemeente beschikt over een integrale samenhangende onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1 eerste of derde lid, en motiveert hoe de ontwikkeling past binnen deze onderbouwing;

    • b.

      er een gegronde noodzaak is voor het benutten van schaarse ruimte in het primair landbouwgebied;

    • c.

      de waarde van voedselproductie en de landbouwkundige waarde is afgewogen tegen de gewenste functieverandering naar wonen en uit die afweging blijkt dat de functie wonen prevaleert;

    • d.

      de functieverandering naar wonen aantoonbaar geen belemmering vormt voor in de omgeving liggende agrarische bedrijven; en

    • e.

      de ontwikkeling qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende locatie.

Artikel 12.6 Instructieregels wonen in de groenblauwe landbouwzone
  • 1.

    Een omgevingsplan voorziet niet in het toevoegen van een of meerdere woningen in de groenblauwe landbouwzone.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het inpandig toevoegen van een of meerdere woningen in een monumentaal gebouw.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op de huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten op een agrarische bouwkavel waar de te huisvesten short-stay arbeidsmigranten werkzaam zijn, mits de ontwikkeling qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende locatie en de gemeente beschikt over een integrale samenhangende onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste of derde lid, en motiveert hoe de ontwikkeling past binnen deze onderbouwing.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het toevoegen van een of meerdere woningen als dat een milieutechnisch of ruimtelijk knelpunt oplost en:

    • a.

      de gemeente beschikt over een integrale samenhangende onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid, en motiveert hoe de ontwikkeling past binnen deze onderbouwing;

    • b.

      er een gegronde noodzaak is voor het benutten van schaarse ruimte in de groenblauwe landbouwzone;

    • c.

      de functieverandering naar wonen bijdraagt aan de doelen ter plaatse op het gebied van natuur, water en landschap of aan het behoud van een monumentaal gebouw; en

    • d.

      de ontwikkeling qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende locatie.

Artikel 12.7 Instructieregels huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het realiseren van huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten buiten het stedelijke gebied of een landelijke kern neemt, naast het bepaalde in de artikelen 12.1 en 12.4 tot en met 12.6, het volgende in acht:

  • a.

    bij de planvorming, vergunningverlening en exploitatie van de huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten wordt voldaan aan de normen en eisen van de SNF-normenset voor huisvesting arbeidsmigranten, die vanaf 1 juli 2025 van kracht is;

  • b.

    in de huurcontracten die de exploitant van de huisvesting hanteert, is een opzegtermijn van ten minste een maand opgenomen;

  • c.

    de gemeente en exploitant van de huisvesting zorgen voorafgaand aan ingebruikname van de huisvesting, gezamenlijk voor het schriftelijk informeren van de arbeidsmigrant in diens eigen taal, over diens rechten en plichten, ten minste met betrekking tot:

    • 1.

      de wettelijk verplichte ontkoppeling van huurovereenkomst en arbeidsovereenkomst;

    • 2.

      de vindplaats van het gemeentelijk meldpunt voor ongewenst verhuurgedrag; en

    • 3.

      de registratie in de Basisregistratie Personen, zowel voor registratie van een niet-ingezetene bij een verblijf van minder dan vier maanden aaneengesloten, als voor registratie van een ingezetene bij een verblijf van vier maanden of langer.   

Afdeling 12.1 Instructieregels

Paragraaf 12.1.1 Wonen
Artikel 12.1 Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:

  • a.

    rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;

  • b.

    sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;

  • c.

    over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio’s bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;

  • d.

    het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5;

  • e.

    realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Artikel 12.2 Instructieregels bestaande planvoorraad wonen
  • 1.

    Een omgevingsplan, voor zover het betreft een bestemmingsplan dat van het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet deel uitmaakt en voor 16 januari 2015 is vastgesteld en dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een of meerdere woningen, wordt voor 1 januari 2025 geactualiseerd.

  • 2.

    De actualisatie bedoeld in het eerste lid vindt plaats op basis van actueel onafhankelijk regionaal kwalitatief en kwantitatief behoefteonderzoek.

  • 3.

    De mogelijkheid tot realisatie van woningen bedoeld in het eerste lid wordt slechts in stand gehouden als uit het onderzoek bedoeld in het tweede lid blijkt dat sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit.

  • 4.

    Indien de mogelijkheid tot realisatie van woningen op grond van het derde lid niet in stand kan worden gehouden, wordt de functie wonen voor 1 januari 2025 gewijzigd in een andere passende functie.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders heroverwegen voor 1 januari 2030 de mogelijkheden voor de realisatie van woningen die nog niet zijn gerealiseerd, op basis van actueel onafhankelijk regionaal kwalitatief en kwantitatief behoefteonderzoek.

  • 6.

    Indien uit het behoefteonderzoek bedoeld in het vijfde lid volgt dat een toegekende functie wonen niet meer nodig blijkt, starten burgemeester en wethouders een procedure gericht op het aanpassen van de functie wonen of het wijzigen van de functie wonen in een andere passende functie. De actualisatie van het omgevingsplan volgend op de actualisatie bedoeld in het eerste lid, dient voor 1 januari 2030 te zijn afgerond.

Paragraaf 12.1.2 Detailhandel
Artikel 12.3 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden detailhandel
  • 1.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad of planvoorraad detailhandel alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 5 (Wonen en leefomgeving), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale Detailhandelsvisie Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.

  • 2.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad of planvoorraad detailhandel alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 5 (Wonen en leefomgeving), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg.

  • 3.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel aan de bestaande voorraad of planvoorraad detailhandel alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 5 (Wonen en leefomgeving), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg.

  • 4.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid;

    • b.

      een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Paragraaf 12.1.3 Kantoren
Artikel 12.4 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden kantoren
  • 1.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad of planvoorraad kantoren alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Kantoren Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.

  • 2.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad of planvoorraad kantoren alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg.

  • 3.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor kantoren aan de bestaande voorraad of planvoorraad kantoren alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg.

  • 4.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid;

    • b.

      een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Paragraaf 12.1.4 Bedrijventerreinen
Artikel 12.5 Vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen
  • 1

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de regionale visie Bedrijventerreinen Noord-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.

  • 2

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, het beleidskader werklocaties Midden-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg.

  • 3

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor bedrijventerreinen aan de bestaande voorraad of planvoorraad bedrijventerreinen alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 9 (Werklocaties) van de provinciale omgevingsvisie, de Structuurvisie Ruimtelijke Economie Zuid-Limburg en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg.

  • 4

    Een omgevingsplan:

    • a.

      laat geen bedrijfskavel toe met een oppervlakte groter dan 5 hectare;

    • b.

      laat niet toe dat bestaande bedrijfskavels worden samengevoegd waardoor er een bedrijfskavel met een oppervlakte groter dan 5 hectare ontstaat;

    • c.

      laat niet toe dat gebouwen zodanig worden gerealiseerd of met elkaar verbonden dat zij de grens van een bedrijfskavel overschrijden.

  • 5

    De motivering bij een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid en aan het vierde lid; en

    • b.

      een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Paragraaf 12.1.5 Vrijetijdseconomie
Artikel 12.6 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden vrijetijdseconomie
  • 1.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Noord-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Noord-Limburg.

  • 2.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Midden-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Midden-Limburg.

  • 3.

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in de regio Zuid-Limburg laat de toevoeging van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie aan de bestaande voorraad of planvoorraad vrijetijdseconomie alleen toe, als dat in overeenstemming is met de Limburgse principes en hoofdstukken 3 (Algemene zonering), 8 (Economie) en 15 (Landschap) van de provinciale omgevingsvisie en de bestuursafspraken regionale uitwerking POL2014 voor de regio Zuid-Limburg.

  • 4.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste, tweede of derde lid;

    • b.

      een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en, wanneer dat aan de orde is, de verantwoording van de afstemming in (sub-)regionaal verband.

Paragraaf 12.1.6 Bewoning van recreatieverblijven en recreatieterreinen
Artikel 12.7 Instructieregel verbod wonen in recreatieverblijven

Een omgevingsplan bevat geen bepalingen die het wonen in een recreatieverblijf mogelijk maken.

Artikel 12.8 Instructieregel verbod functieverandering recreatieverblijven naar wonen

Een omgevingsplan wordt niet zodanig gewijzigd dat de bestaande functie die het gebruik van een bouwwerk als recreatieverblijf toestaat wordt veranderd in een functie die de activiteit wonen toestaat.

Artikel 12.9 Instructieregels tijdelijke huisvesting specifieke doelgroepen op recreatieterreinen
  • 1.

    Het bepaalde in artikel 12.8 is niet van toepassing op tijdelijke huisvesting van short-stay internationale werknemerswoonurgenten en statushouders op recreatieterreinen voor de duur van maximaal 10 jaar, als:

    • a.

      er geen huisvesting mogelijk is binnen de regio in bestaande woningen in of nabij het bestaand bebouwd gebied van het stedelijk gebied en landelijke kernen;

    • b.

      er geen huisvesting mogelijk is binnen overige bebouwing in of nabij het bestaand bebouwd gebied van het stedelijk gebied en landelijke kernen;

    • c.

      er op een te revitaliseren recreatieterrein geen samenloop is met een bedrijfsmatige toeristisch-recreatieve exploitatie;

    • d.

      er duidelijke en bindende afspraken zijn gemaakt over de sanering of revitalisering van de recreatieterreinen na afloop van de tijdelijke huisvesting en een deel van de inkomsten vanuit het tijdelijk huisvesten van specifieke doelgroepen wordt gebruikt om de sanering of revitalisering van het recreatieterrein te bekostigen.

  • 2.

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 12.10 Maatwerk functieverandering recreatieverblijven

Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het bepaalde in artikel 12.8 gelegenheid bieden voor maatwerk, indien functieverandering naar wonen op de betreffende locatie vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is en de locatie is gelegen in of aansluitend aan een (dorps)kern, lint of bebouwingsconcentratie van reguliere woningen, en voldaan wordt aan de voor de betreffende regio vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen.

Paragraaf 12.1.7 Huisvesting internationale werknemers
Artikel 12.11 Instructieregel toepassing SNF-normen huisvesting internationale werknemers

Bij de vaststelling van een omgevingsplan dat voorziet in een functie die de tijdelijke of permanente huisvesting van internationale werknemers toestaat houdt het gemeentebestuur rekening met de normenset voor huisvesting van internationale werknemers voor het register van de Stichting Normering Flexwonen.

Paragraaf 12.1.8 Na-ijlende effecten steenkoolwinning

[Vervallen]

Afdeling 12.2 Instructieregels werklocaties

Paragraaf 12.2.1 Detailhandel en kantoren
Artikel 12.8 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden detailhandel
  • 1.

    Een omgevingsplan laat de toevoeging van een vestigingsmogelijkheid voor detailhandel alleen toe, als:

    • a.

      dat aansluit bij het in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen beleid om stedelijk gebied en landelijke kernen als belangrijke ontmoetingsplaatsen te behouden en reguliere detailhandelsbranches daar qua aard en omvang bij uitstek thuishoren; en

    • b.

      dit regionaal is afgestemd binnen de regio Noord-LimburgMidden-Limburg of Zuid-Limburg.

  • 2.

    Een omgevingsplan laat geen nieuwe grootschalige perifere winkelgebieden toe. 

  • 3.

    Een omgevingsplan laat de functiewijziging van leegstaande winkels in stedelijk gebied of in een landelijke kern alleen toe, indien deze functiewijziging is voorzien van een integrale en samenhangende onderbouwing van de gewenste toekomstige kwaliteit van het gebied en het effect van de functiewijziging op de omgeving. 

  • 4.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste of derde lid; en 

    • b.

      een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en de uitkomst en verantwoording van de afstemming in regionaal verband binnen de regio Noord-LimburgMidden-Limburg of Zuid-Limburg.

Artikel 12.9 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden kantoren
  • 1.

    Een omgevingsplan laat de toevoeging van een vestigingsmogelijkheid voor middelgrote kantoren met een bruto vloeroppervlak van 2.000 tot 5.000 m² en grote kantoren met een bruto vloeroppervlak van meer dan 5.000 m² alleen toe, als  

  • 2.

    Een omgevingsplan laat de functiewijziging van een leegstaand kantoorpand in stedelijk gebied of in een landelijke kern alleen toe, als de functiewijziging is voorzien van een integrale en samenhangende onderbouwing van de gewenste toekomstige kwaliteit van het gebied en het effect van de functiewijziging op de omgeving. 

  • 3.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste of tweede lid; en 

    • b.

      een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en de uitkomst en verantwoording van de afstemming in regionaal verband binnen de regio Noord-LimburgMidden-Limburg of Zuid-Limburg.

Paragraaf 12.2.2 Bedrijventerreinen
Artikel 12.10 Algemene instructieregels bedrijventerreinen
  • 1.

    Een omgevingsplan laat een nieuw bedrijventerrein of de uitbreiding of wijziging van een bestaand bedrijventerrein alleen toe, indien: 

    • a.

      dit in overeenstemming is met de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen beleidslijn ‘behoefte-bestaand-uitbreiding-nieuw’, waarbij de volgende stappen achtereenvolgens doorlopen moeten worden: 

      • 1.

        er moet worden aangetoond dat er behoefte is aan het nieuwe bedrijventerrein of de uitbreiding of wijziging van het bestaande bedrijventerrein; 

      • 2.

        als er een aantoonbare behoefte is, moet worden onderzocht of er mogelijkheden zijn voor gebruik of hergebruik van ruimte op een bestaand, eventueel te herstructureren bedrijventerrein;

      • 3.

        als gebruik of hergebruik van ruimte op een bestaand bedrijventerrein niet mogelijk is, moet worden onderzocht of uitbreiding mogelijk is aansluitend aan een bestaand bedrijventerrein. Als dat mogelijk blijkt, dan moet, indien de uitbreiding ook aansluit aan stedelijk gebied of in een landelijke kern, in het omgevingsplan worden gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de belangen van gezondheid en het beperken van overlast en hinder voor bewoners in het stedelijk gebied of de landelijke kern;

      • 4.

        als er aansluitend aan een bestaand bedrijventerrein geen mogelijkheden zijn, kan worden gekeken naar de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein. Indien de beoogde locatie van het nieuwe bedrijventerrein aansluit aan stedelijk gebied of een landelijke kern moet worden gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de belangen van gezondheid en het beperken van overlast en hinder voor bewoners in het stedelijk gebied of die landelijke kern; en

    • b.

      dit regionaal is afgestemd binnen de regio Noord-Limburg, Midden-Limburg of Zuid-Limburg.

  • 2.

    Een omgevingsplan:

    • a.

      laat geen bedrijfskavel toe met een oppervlakte groter dan 5 hectare;

    • b.

      laat niet toe dat bestaande bedrijfskavels worden samengevoegd waardoor er een bedrijfskavel met een oppervlakte groter dan 5 hectare ontstaat;

    • c.

      laat niet toe dat gebouwen zodanig worden gerealiseerd of met elkaar verbonden dat zij de grens van een bedrijfskavel overschrijden.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voor een bedrijventerrein in een logistiek knooppunt.

  • 4.

    Het tweede lid is niet van toepassing op voorzieningen voor:

    • a.

      opwekking, transport en opslag van energie;

    • b.

      waterzuivering;

    • c.

      defensiedoeleinden;

    • d.

      de Einstein Telescope.

  • 5.

    Gedeputeerde staten kunnen met toepassing van artikel 1.6 ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid, indien ten aanzien van de bedrijfsactiviteiten die uitgevoerd zullen worden op de nieuwe, de te vergroten of de te herontwikkelen bedrijfskavel sprake is van regionale meerwaarde.

  • 6.

    Gedeputeerde staten kunnen beleidsregels vaststellen over de invulling van het aspect regionale meerwaarde als bedoeld in het vijfde lid.

  • 7.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bestaand of nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein laat daarop uitsluitend bedrijfsactiviteiten toe in bedrijfscategorie 3, 4, 5 of 6. 

  • 8.

    In afwijking van het bepaalde in het zevende lid kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bestaand of nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein ook bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 1 en 2 toelaten, mits:

    • a.

      ten minste 80% van de beschikbare ruimte van het bedrijventerrein beschikbaar blijft voor bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 3, 4, 5 en 6;

    • b.

      aanwezige bedrijven door de bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 1 en 2 niet onevenredig worden beperkt in hun bestaande bedrijfsvoering; en

    • c.

      er geen andere reële vestigingsmogelijkheid is voor de bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 1 en 2.

  • 9.

    Het achtste lid geldt niet voor een bedrijventerrein aangewezen als bedrijventerrein van provinciaal belang.

  • 10.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat:

    • a.

      een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het eerste tot en met vierde en het zevende tot en met het negende lid; en

    • b.

      een beschrijving van het proces van voorbereiding van het initiatief, de planvoorbereiding en de uitkomst en verantwoording van de afstemming in regionaal verband binnen de regio Noord-LimburgMidden-Limburg of Zuid-Limburg.

Artikel 12.11 Instructieregels bedrijventerrein van provinciaal belang
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein van provinciaal belang laat daarop uitsluitend bedrijfsactiviteiten toe in bedrijfscategorie 4, 5 of 6.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op een bedrijventerrein van provinciaal belang ook bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 3 toelaten, mits deze: 

    • a.

      een regionale of bovenregionale functie vervullen;

    • b.

      een bedrijfskavel groter dan 2 hectare nodig hebben;

    • c.

      bijdragen aan de transitie naar een circulaire economie;

    • d.

      gericht zijn op grootschalige vervaardiging van goederen;

    • e.

      kadegebonden zijn; of

    • f.

      gebruik maken van de op het bedrijventerrein aanwezige overslagfaciliteiten.

  • 3.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat een verantwoording van de wijze waarop toepassing is gegeven aan het bepaalde in het eerste of tweede lid. 

Paragraaf 12.2.3 Solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare
Artikel 12.12 Instructieregels solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare
  • 1.

    Een omgevingsplan laat een nieuwe solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare niet toe.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op voorzieningen voor:

    • a.

      opwekking, transport en opslag van energie;

    • b.

      waterzuivering;

    • c.

      defensiedoeleinden; en

    • d.

      de Einstein Telescope.

  • 3.

    Bij leegstand of bij beëindiging van de bedrijfsvoering is functiewijziging of herstructurering van een solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare alleen mogelijk, indien de betreffende solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare geen bijdrage kan leveren aan de planningsopgave voor bedrijventerreinen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg.

  • 4.

    Indien blijkt dat de solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare bij leegstand of bij beëindiging van de bedrijfsvoering geen bijdrage kan leveren aan de planningsopgave voor bedrijventerreinen zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg, is een functiewijziging mogelijk mits gemotiveerd is:

    • a.

      hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van enerzijds het stedelijk gebied of een landelijke kern of anderzijds het landelijk gebied;

    • b.

      hoe de ontwikkeling qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende locatie; en

    • c.

      hoe de ontwikkeling een milieutechnisch of ruimtelijk knelpunt oplost en bijdraagt aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit op de locatie. 

  • 5.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat een verantwoording van de wijze waarop toepassing is gegeven aan het bepaalde in het tweede tot en met het vierde lid.

Paragraaf 12.2.4 Wonen op bedrijventerreinen
Artikel 12.13 Instructieregels wonen op bedrijventerreinen
  • 1.

    Een omgevingsplan voorziet niet in het toevoegen van een of meerdere woningen of het bieden van logies op een bedrijventerrein.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het toevoegen van een of meerdere woningen op een bedrijventerrein op een locatie die grenst aan stedelijk gebied of een landelijke kern mits: 

    • a.

      het toevoegen van de woningen geen belemmering vormt voor de bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein;

    • b.

      de bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein geen belemmering vormen voor het toevoegen van de woningen;

    • c.

      de gemeente beschikt over een integrale samenhangende onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid, en motiveert hoe de ontwikkeling past binnen deze onderbouwing;

    • d.

      er een gegronde noodzaak is voor het benutten van schaarse ruimte op het bedrijventerrein; en

    • e.

      de ontwikkeling qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en bij de bedrijfscategorie waartoe de omliggende bedrijfsactiviteiten behoren. 

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op tijdelijke woningen.

  • 4.

    De motivering bij een omgevingsplan bevat een verantwoording van de wijze waarop toepassing is gegeven aan het bepaalde in het tweede en derde lid.

Afdeling 12.3 Instructieregels vrijetijdseconomie

Artikel 12.14 Algemene instructieregels toevoegen of wijzigen vestigingsmogelijkheid voorziening voor vrijetijdseconomie
  • 1.

    Een omgevingsplan laat de toevoeging of wijziging van een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor vrijetijdseconomie alleen toe als:

    • a.

      de toevoeging of wijziging van de voorziening voor vrijetijdseconomie bijdraagt aan een gezonde en veilige leefomgeving, aansluit bij de kenmerken en identiteit van het gebied, bijdraagt aan het versterken van bebouwd gebied en landelijk gebied en er zorgvuldig is omgegaan met schaarse ruimte en voorraden; 

    • b.

      uit een actuele vraag- en aanbodanalyse blijkt dat vraag en aanbod kwantitatief en kwalitatief in balans zijn en er geen verdringing of leegstand ontstaat;

    • c.

      de toevoeging of wijziging van de voorziening voor vrijetijdseconomie in overeenstemming is met de visie van de gemeente op de gewenste toeristisch-recreatieve structuur van het totaal aan voorzieningen voor vrijetijdseconomie;

    • d.

      gemotiveerd is waarom het overnemen van een bestaande voorziening voor vrijetijdseconomie niet mogelijk is en geen gebruik kan worden gemaakt van een locatie die al de functie voorziening voor vrijetijdseconomie heeft;

    • e.

      toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 11.1;

    • f.

      de voorziening voor vrijetijdseconomie toeristisch-recreatief wordt geëxploiteerd;

    • g.

      gemotiveerd is dat er sprake is van een gedegen, toekomstbestendige ontwikkeling van de voorziening voor vrijetijdseconomie door een deskundige exploitant;

    • h.

      er geen sprake is van uitponding, tenzij is aangetoond dat binnen de voorziening voor vrijetijdseconomie een centrale beslissingsbevoegdheid voor verhuur, beheer en onderhoud is geborgd en een verhuurplicht geldt voor individuele recreatieverblijven;

    • i.

      op een kampeerterrein alleen mobiele kampeermiddelen worden toegestaan; 

    • j.

      het omgevingsplan bepaalt dat de vestigingsmogelijkheid voor de voorziening voor vrijetijdseconomie vervalt als de voorziening niet binnen drie jaar is gerealiseerd; en

    • k.

      er een actueel positief resultaat is van regionale afstemming vrijetijdseconomie op basis van de regionale bestuursafspraken in de regio Noord-LimburgMidden-Limburg of Zuid-Limburg of een verantwoording waarom regionale afstemming niet nodig is.

  • 2.

    De motivering bij een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid, bevat per onderdeel van het eerste lid een afzonderlijke verantwoording van de wijze waarop aan die onderdelen invulling is gegeven.

Artikel 12.15 Instructieregels toevoegen of wijzigen vestigingsmogelijkheid voorziening voor vrijetijdseconomie in relatie tot de algemene zonering
  • 1.

    In aanvulling op het bepaalde in artikel 12.14 geldt het volgende: 

    • a.

      een omgevingsplan laat op een werklocatie de toevoeging of wijziging van een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor vrijetijdseconomie niet toe, tenzij het betreft een hotel of een voorziening voor dagrecreatie in een gebouw op een stedelijk dienstenterrein;

    • b.

      een omgevingsplan laat in een verwevingsgebied of in de groenblauwe landbouwzone de toevoeging of wijziging van een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor dagrecreatie in een gebouw alleen toe als dat een monumentaal gebouw is;

    • c.

      een omgevingsplan laat in primair landbouwgebied de toevoeging of wijziging van een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor vrijetijdseconomie niet toe, tenzij dit in overeenstemming is met het bepaalde in afdeling 7.1 (algemene instructieregels voor primair landbouwgebied);

    • d.

      in aanvulling op het bepaalde onder c laat een omgevingsplan in primair landbouwgebied de toevoeging of wijziging van een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor dagrecreatie in een gebouw alleen toe als dat een monumentaal gebouw is;

    • e.

      een omgevingsplan laat in het Natuurnetwerk Limburg de toevoeging of wijziging van een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor vrijetijdseconomie niet toe, tenzij dit in overeenstemming is met het bepaalde in paragraaf 8.1.2;

    • f.

      in aanvulling op het bepaalde onder e laat een omgevingsplan in het Natuurnetwerk Limburg de toevoeging of wijziging van een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor dagrecreatie in een gebouw alleen toe als dat een monumentaal gebouw is.

  • 2.

    De motivering bij een omgevingsplan als bedoeld in artikel 12.14, eerste lid, bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid.

Artikel 12.16 Instructieregels heroverwegen bestaande omgevingsplannen
  • 1.

    Een omgevingsplan waarin een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor vrijetijdseconomie is opgenomen die nog niet is gerealiseerd en geen vervaltermijn kent, wordt voor 1 januari 2032 heroverwogen.

  • 2.

    Een omgevingsplan waarin een functie vrijetijdseconomie is opgenomen die niet meer benut wordt, wordt voor 1 januari 2032 heroverwogen.

  • 3.

    Een omgevingsplan waarin de mogelijkheid is opgenomen via een binnenplans vergunningsstelsel of een vrijstelling een vestigingsmogelijkheid voor een voorziening voor vrijetijdseconomie toe te voegen of te wijzigen, wordt voor 1 januari 2032 heroverwogen, voor zover het dergelijke mogelijkheden betreft.

  • 4.

    Een omgevingsplan waarin kamperen als functie is toegestaan en waar naast mobiele kampeermiddelen ook andere typen verblijf worden toegestaan maar niet gebruikt worden, wordt voor 1 januari 2032 heroverwogen, waarbij wordt afgewogen of het karakter van het kampeerterrein moet worden behouden door het gebruik van het terrein te beperken tot mobiele kampeermiddelen.

  • 5.

    De motivering bij een omgevingsplan als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, bevat een verantwoording van de heroverweging.

Afdeling 12.4 Instructieregels wonen in een recreatieverblijf of op een recreatieterrein

Artikel 12.17 Instructieregel verbod wonen in een recreatieverblijf

Een omgevingsplan bevat geen bepalingen die het wonen in een recreatieverblijf mogelijk maken.

Artikel 12.18 Instructieregel verbod functieverandering recreatieverblijf naar wonen
  • 1.

    Een omgevingsplan wordt niet zodanig gewijzigd dat de bestaande functie die het gebruik van een bouwwerk als recreatieverblijf toestaat wordt veranderd in een functie die de activiteit wonen toestaat, tenzij:

  • 2.

    In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid geldt dat het recreatieverblijf geen onderdeel mag zijn van een complex van recreatieverblijven.

  • 3.

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste en het tweede lid.

Artikel 12.19 Instructieregels tijdelijke huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten op een recreatieterrein
  • 1.

    Het bepaalde in artikel 12.18 is niet van toepassing op het voor de duur van maximaal 10 jaar toestaan van huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten op een recreatieterrein als:

    • a.

      er in de betreffende regio Noord-LimburgMidden-Limburg of Zuid-Limburg geen huisvesting mogelijk is in bestaande woningen in of nabij het stedelijk gebied of een landelijke kern;

    • b.

      er in de betreffende regio Noord-Limburg, Midden-Limburg of Zuid-Limburg geen huisvesting mogelijk is in overige bebouwing in of nabij het stedelijk gebied of een landelijke kern;

    • c.

      de huisvesting in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 12.7;

    • d.

      er duidelijke en bindende afspraken zijn gemaakt tussen de gemeente en de exploitant van het recreatieterrein over de sanering of revitalisering van het recreatieterrein na afloop van de tijdelijke huisvesting en een deel van de inkomsten vanuit de tijdelijke huisvesting wordt gebruikt om de sanering of revitalisering van het recreatieterrein te bekostigen;

    • e.

      en er op een te revitaliseren recreatieterrein geen samenloop is met een bedrijfsmatige toeristisch-recreatieve exploitatie.

  • 2.

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een verantwoording van de wijze waarop invulling is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid.

Afdeling 12.5 Instructieregels Na-ijlende effecten steenkoolwinning

[Red: Artikel 12.12 verplaatst van paragraaf 12.1.8 naar afdeling 12.5. ]

Artikel 12.12 12.20 Instructieregel na-ijlende effecten steenkoolwinning

De motivering van een omgevingsplan dat het bouwen van een nieuw bouwwerk in de gemeenten Brunssum, Beekdaelen, Heerlen, Landgraaf, Voerendaal, Kerkrade, Simpelveld, Beek, Sittard-Geleen en Stein mogelijk maakt, beschrijft op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning.

NNN

Hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 13 Energie

Afdeling 13.1 Instructieregels energie

Paragraaf 13.1.1 Energieparagraaf
Artikel 13.1 Instructieregel energiebeschrijving

De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe functie, met uitzondering van de toevoeging van minder dan 10 woningen, die tot een belasting van de energieinfrastructuur kan leiden bevat een beschrijving van:

  • a.

    de mogelijkheid tot aansluiting, waaronder de tijdigheid daarvan, op de energie-infrastructuur; en

  • b.

    de maatregelen die zijn afgewogen waarmee negatieve effecten op de energie-infrastructuur voorkomen kunnen worden

Paragraaf 13.1.2 Windernergie

[Red: Artikel 13.1 verplaatst van afdeling 13.1 naar paragraaf 13.1.2. ]

Artikel 13.1 13.2 Instructieregel uitsluitingsgebied windturbines
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het uitsluitingsgebied windturbines, laat binnen dat gebied geen plaatsing van een windturbine met een masthoogte van 25 meter of hoger toe.

  • 2.

    De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een windturbine bevat een verantwoording van:

    • a.

      de zorgvuldige afweging ten aanzien van de locatie;

    • b.

      de inspanningsverplichting van de initiatiefnemer om met de omgeving een lokaal eigendom te bereiken van minimaal 51 procent, waarbij in ieder geval is aangegeven: 

      • 1.

        welke inspanningen zijn verricht om mede-eigendom ten aanzien van de voorgenomen installatie en de exploitatie daarvan door een kring van partijen te bevorderen;

      • 2.

        welk percentage mede-eigendom is overeengekomen; en

      • 3.

        voor zover minder dan 51 procent mede-eigendom is overeengekomen, wat de redenen daarvan zijn en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen;

    • c.

      de gerealiseerde maatregelen ter versterking van de landschappelijke en natuurlijke inpassing die in stand worden gehouden na verwijdering van de windturbine.

Paragraaf 13.1.3 Zonne-energie

[Red: Artikel 13.2 verplaatst van afdeling 13.2 naar paragraaf 13.1.3. ]

Artikel 13.2 13.3 Instructieregel zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen

De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de mogelijkheid tot realisatie van een bedrijfsgebouw, beschrijft op welke wijze gebruik is gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2.3 van  het Besluit bouwwerken leefomgeving tot het stellen van maatwerkregels gericht op het maximaal benutten van het dakoppervlak van bedrijfsgebouwenhet bedrijfsgebouw voor het plaatsen van zonnepanelen maximaal is benut.

[Red: Artikel 13.3 verplaatst van afdeling 13.2 naar paragraaf 13.1.3. ]

Artikel 13.3 13.4 Instructieregels zonneparken
  • 1.

    Een omgevingsplan laat geen zonnepark toe in:

  • 2.

    Een omgevingsplan laat geen zonnepark toe op landbouwgrond tenzij:

    • a.

      het zonnepark het landbouwkundig gebruik van de grond ondersteunt of het zonnepark leidt tot substantieel behoud van het landbouwkundig gebruik;

    • b.

      het een tijdelijk zonnepark is, de grond binnen een periode van ten hoogste 30 jaar wordt getransformeerd op basis van bestuurlijk bindende afspraken  naar een andere functie dan landbouwgrond en het zonnepark bijdraagt aan de uitvoerbaarheid van die transformatie;

    • c.

      het zonnepark betekenisvol bijdraagt aan de vermindering van de netcongestie of zorgt voor vergroting van een efficiënter netwerkgebruik;

    • d.

      de grond gedurende ten minste tien jaar niet meer in gebruik is geweest als landbouwgrond; of

    • e.

      het zonnepark gesitueerd is op een bouwvlak waarop sloop van gebouwen plaatsvindt en het aantal vierkante meters pv-panelen niet groter is dan het aantal vierkante meters dat aanwezig was op daken van de gesloopte gebouwen.

  • 3.

    Het bepaalde in het tweede lid geldt niet voor projecten die zijn opgenomen in bijlage XIIIXIV.

  • 4.

    Een omgevingsplan dat een zonnepark toelaat bevat de volgende verplichtingen:

    • a.

      het zonnepark wordt landschappelijk en natuurlijk goed vormgegeven, ingepast en beheerd;

    • b.

      het zonnepark wordt brandveilig ontworpen;

    • b c.

      de omgevingskwaliteit, de bodemkwaliteit en de biodiversiteit van de locatie worden behouden of verbeterd; en

    • c d.

      het zonnepark wordt na beëindiging van de activiteit verwijderd.

  • 5.

    De motivering van een omgevingsplan voor een zonnepark bevat een verantwoording van:

    • a.

      de zorgvuldige ruimtelijke afweging ten aanzien van de locatie;

    • b.

      als het een zonnepark op landbouwgrond betreft, de door de gemeente gepleegde beleidsinspanningen om pv-panelen mogelijk te maken op daken en gevels van gebouwen, op onbenutte terreinen in bebouwd gebied en op gronden in het buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur;

    • c.

      als het een zonnepark op landbouwgrond betreft, de wijze waarop invulling is gegeven aan het tweede en het vierde lid;

    • d.

      het streven naar een financiële participatie van ten minste 51% in het zonnepark door de lokale omgeving, zoals omwonenden, energiecoöperaties, energiegemeenschappen, lokale bedrijven, semioverheden of overheden;

      de inspanningsverplichting van de initiatiefnemer om met de omgeving een lokaal eigendom te bereiken van minimaal 51 procent, waarbij in ieder geval is aangegeven: 

      • 1.

        welke inspanningen zijn verricht om mede-eigendom ten aanzien van de voorgenomen installatie en de exploitatie daarvan door een kring van partijen te bevorderen;

      • 2.

        welk percentage mede-eigendom is overeengekomen; en

      • 3.

        voor zover minder dan 51 procent mede-eigendom is overeengekomen, wat de redenen daarvan zijn en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen; en 

    • e.

      de gerealiseerde maatregelen ter versterking van de landschappelijke en natuurlijke inpassing die in stand worden gehouden na verwijdering van het zonnepark.

  • 6.

    Het eerste lid geldt niet voor een zonnepark op de locatie van de stortplaats in Schinnen (gemeente Beekdaelen), als bedoeld in artikel 5.1, onder c.

Paragraaf 13.1.4 Batterijopslag
Artikel 13.5 Instructieregel batterijopslag
  • 1.

    Een omgevingsplan laat alleen een batterij toe op een bedrijventerrein en geeft daartoe een motivering over een brandveilige inpassing.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een batterij toelaten op een vrijkomende bebouwde locatie buiten een bedrijventerrein mits:

    • a.

      het een batterij betreft waarover de netwerkbeheerder in bepalende mate zeggenschap heeft over de momenten en mate van invoeding en afname;

    • b.

      de locatie efficiënt binnen het electriciteitsnetwerk is gelegen;

    • c.

      het omgevingsplan een motivering bevat over een brandveilige inpassing;

    • d.

      de batterij landschappelijk en natuurlijk goed wordt vormgegeven, ingepast en beheerd;

    • e.

      de inspanningsverplichting van de initiatiefnemer om met de omgeving een lokaal eigendom te bereiken van minimaal 51 procent, waarbij in ieder geval is aangegeven: 

      • 1.

        welke inspanningen zijn verricht om mede-eigendom ten aanzien van de voorgenomen installatie en de exploitatie daarvan door een kring van partijen te bevorderen;

      • 2.

        welk percentage mede-eigendom is overeengekomen; en 

      • 3.

        voor zover minder dan 51 procent mede-eigendom is overeengekomen, wat de redenen daarvan zijn en of er andere vormen van financiële participatie zijn overeengekomen; en

    • f.

      het omgevingsplan de verplichting bevat dat de batterij na beëindiging van de activiteit wordt verwijderd.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan een omgevingsplan een batterij toestaan op een onbebouwde locatie buiten een bedrijventerrein, mits voldaan is aan het bepaalde in het tweede lid, onder a tot en met f, de ruimtelijke kwaliteit in het gebied wordt verbeterd en deze verbetering is verankerd in een bestuurlijk vastgestelde gebiedsvisie, inclusief uitvoeringsafspraken.

Afdeling 13.1 Windenergie

[Vervallen]

Afdeling 13.2 Zonne-energie

[Vervallen]

OOO

Na hoofdstuk 13 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 14 Ontgrondingen

Afdeling 14.1 Vergunningvrije en vergunningplichtige ontgrondingsactiviteiten

Artikel 14.1 Aanwijzing vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten

In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet, om zonder een omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, niet in de volgende gevallen:

  • a.

    landbouwkundige egalisatie of diepploegen van agrarische percelen, waarbij de bodem tot maximaal een meter diepte onder het oorspronkelijke maaiveldniveau wordt geroerd, mits geen bodemmateriaal wordt afgevoerd, niet onder de plaatselijke grondwaterstand wordt ontgraven, de overgangstaluds naar de kadastrale grens van eigendommen van derden niet steiler worden uitgevoerd dan 1:2 en dit werk in overeenstemming is met het omgevingsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit;

  • b.

    een ontgrondingsactiviteit van beperkte omvang, mits niet dieper dan 3 meter beneden het oorspronkelijke maaiveldniveau wordt ontgraven, de ontgravingsoppervlakte niet meer dan 400 m2 bedraagt en het ontgravingsvolume niet meer dan 500 m3 bedraagt;

  • c.

    het ontgronden, voor zover nodig voor het aanleggen of veranderen van een of meer klimaatbuffers of water afvoer drainage infiltraties door of in opdracht van een gemeente, waterschap of provincie, met een maximaal ontgravingsvolume van 5000 m3 per buffer of water afvoer drainage infiltratie en bedoeld voor het opvangen, vasthouden of bezinken van water ter voorkoming van wateroverlast of watertekorten, mits dit werk in overeenstemming is met het omgevingsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit;

  • d.

    het ontgronden, voor zover nodig voor het bouwrijp maken van een bedrijventerrein of woonwijk of voor zover nodig voor het aanleggen van een sportveld, openbaar park of plantsoen, mits dit werk in overeenstemming is met het omgevingsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit;

  • e.

    het ontgronden, voor zover nodig voor het saneren van landbodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIa van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 14.2 Uitzonderingen op vergunningvrije gevallen

In afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 14.1 geldt het verbod als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet, om zonder een omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, wel voor de in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 14.1 genoemde werken als:

  • a.

    het ontgronden verder gaat dan voor de technische realisering van de in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde werken en de in artikel 14.1 bedoelde werken, noodzakelijk is;

  • b.

    het ontgronden voor de in artikel 16.7, onder a en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde werken en de in artikel 14.1, onder b en c, bedoelde werken: 

    • 1.

      plaats heeft op minder dan een meter afstand van de kadastrale grens van het eigendom van een derde; of 

    • 2.

      als binnen vier meter afstand van een kadastraal eigendom van een derde, de overgangstaluds naar niet te ontgraven gronden steiler worden uitgevoerd dan 1:1, tenzij degene die ontgrondt schriftelijk kan aantonen dat van de eigenaar van het aangrenzende perceel toestemming is verkregen om op kortere afstand dan een meter, dan wel met steilere overgangstaluds dan 1:1 te werken; of 

  • c.

    het ontgronden voor een natuurbouwproject, als bedoeld in artikel 16.7, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, geschiedt op een terrein, dat op grond van het omgevingsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, geen natuur- of groenfunctie heeft.

Artikel 14.3 Omvangvereisten ontgrondingsactiviteit

In aanvulling op artikel 16.7, onder a en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de in artikel 14.1, onder b, genoemde werken, worden voor de toets aan de daarin opgenomen diepte-, oppervlakte- en volumecriteria, alle ontgrondingen die in elkaars nabijheid liggen en volgtijdelijk zullen worden uitgevoerd en waarbij onderlinge technische, organisatorische, functionele of financiële bindingen bestaan, aangemerkt als één ontgrondingsactiviteit. 

PPP

Hoofdstuk 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 15 Toezicht en handhaving

Afdeling 15.1 Kwaliteit uitvoering en handhaving basistakenpakket regionale uitvoeringsdiensten

Artikel 15.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op de uitvoering van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak die in opdracht van gedeputeerde staten door de regionale uitvoeringsdiensten worden uitgevoerd.

Artikel 15.2 Kwaliteitsborging

Om een goede kwaliteit van de uitvoering van de uitvoeringstaak en de handhavingstaak door de regionale uitvoeringsdiensten te waarborgen, worden de meest recente in dit verband door het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten vastgestelde kwaliteitscriteria in acht genomen.

[Vervallen]

QQQ

Hoofdstuk 16 wordt geplaatst na hoofdstuk 15. Hoofdstuk 16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 16 15 Overige onderwerpen Beschermingsgebied Einstein Telescope

Afdeling 16.1 15.1 Instructieregels beschermingsgebied Einstein Telescope

Artikel 16.1 15.1 Instructieregel beschermingsgebied Einstein Telescope
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied binnen het beschermingsgebied Einstein Telescope laat de activiteiten genoemd in artikel 16.215.2, eerste lid, niet toe.

  • 2.

    Het omgevingsplan bedoeld in het eerste lid bepaalt dat voor de activiteiten genoemd in artikel artikel 16.215.2, eerste lid, onderdelen b en c, het bevoegd gezag door middel van een omgevingsvergunning kan afwijken van het verbod van het eerste lid, mits uit door de aanvrager vooraf overgelegd onderzoek, naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat de activiteit geen trillingen kan veroorzaken die een nadelig effect kunnen hebben op de werking van de Einstein Telescope.

  • 3.

    Het omgevingsplan bepaalt dat het bevoegd gezag, alvorens zij een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid verleent, gedeputeerde staten in de gelegenheid stelt advies uit te brengen over de vergunningaanvraag.

  • 4.

    Het bevoegd gezag kan zich bij haar beslissing op een vergunningaanvraag als bedoeld in het tweede lid laten adviseren door een of meer deskundigen.

Afdeling 16.2 15.2 Verbod interfererende activiteiten beschermingsgebied Einstein Telescope

Artikel 16.2 15.2 Verbod interfererende activiteiten beschermingsgebied Einstein Telescope
  • 1.

    In het beschermingsgebied Einstein Telescope is het verboden een aanvang te maken met de volgende activiteit in het beschermingsgebied Einstein Telescope:

    • a.

      plaatsen of hebben van een windturbine;

    • b.

      ontgronding met uitzondering van een ontgronding die op grond op grond van artikel 16.7 of 16.8 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningvrij is;

    • c.

      boring of andere ingreep in de bodem anders dan bedoeld in onderdeel b, dieper dan 100 meter beneden het maaiveld, met uitzondering van een onderzoeksboring of wetenschappelijke boring die bedoeld is voor het verzamelen van data over de ondergrond en die is afgerond voordat de Einstein Telescope in werking is.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen b en c, afwijken mits uit door de aanvrager overgelegd onderzoek, naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat de activiteit geen trillingen kan veroorzaken die een nadelig effect kunnen hebben op de werking van de Einstein Telescope.

  • 3.

    Het bevoegd gezag kan zich bij haar beslissing op een vergunningaanvraag als bedoeld in het tweede lid laten adviseren door een of meer deskundigen.

  • 4.

    Het eerste tot en met het derde lid gelden totdat voor het gebied een onherroepelijk omgevingsplan in overeenstemming met artikel 16.115.1 is vastgesteld.

RRR

Hoofdstuk 14 wordt geplaatst na hoofdstuk 16. Hoofdstuk 14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 14 16 Monitoring en informatie

Afdeling 14.1 16.1 Algemeen

[Gereserveerd]

Afdeling 14.2 16.2 Monitoring watersystemen

Artikel 14.1 16.1 Verslag toetsing watersysteem
  • 1.

    Het waterschap brengt, vanwege de zorg die op hem rust voor het voldoen aan omgevingswaarden, bedoeld in artikel 3.1, iedere zes jaar verslag uit aan gedeputeerde staten over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale wateren onder zijn beheer.

  • 2.

    Het verslag bevat een beoordeling van de regionale wateren met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop zij moeten zijn ingericht. Die beoordeling geschiedt in het licht van de omgevingswaarde en de voorschriften, bedoeld in Artikel 3.1, en de legger, bedoeld in Artikel 3.4.

  • 3.

    Als de beoordeling daartoe aanleiding geeft, bevatten de verslagen een omschrijving van de voorzieningen die op een daarbij aan te geven termijn nodig worden geacht.

  • 4.

    Gedeputeerde staten stellen na overleg met het waterschap vast wanneer de verslagen voor de eerste maal en met welke frequentie daarna worden uitgebracht.

  • 5.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere voorschriften stellen met betrekking tot vorm en inhoud van de verslagen.

Afdeling 14.3 16.3 Grondwaterregister

Artikel 14.2 16.2 Grondwaterregister
  • 1.

    Er is een register van wateronttrekkingsactiviteiten waarbij grondwater wordt onttrokken of water wordt geïnfiltreerd.

  • 2.

    Het register wordt beheerd door gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het register bevat in ieder geval de vergunningen en de gegevens die krachtens artikel 4.6 en artikel 4.7 aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap verstrekt de gegevens aan gedeputeerde staten.

  • 5.

    Gedeputeerde staten kunnen wateronttrekkingsactiviteiten waarbij grondwater wordt onttrokken of water wordt geïnfiltreerd ambtshalve inschrijven, waarbij de aanvang van een onttrekking of infiltratie als datum van inschrijving geldt.

Afdeling 14.4 16.4 Faunabeheer

Artikel 14.3 16.3 Gegevensverzameling faunabeheer

De wildbeheereenheid neemt, in het kader van het faunabeheerplan, deel aan trendtellingen van diersoorten, afschotregistratie en de registratie van dood gevonden dieren, voor het gehele gebied waarover zich de zorg van de wildbeheereenheid uitstrekt.

Afdeling 14.5 16.5 Monitoring woningbouw

Artikel 14.4 16.4 Monitoring van de plancapaciteiten en woningbouwrealisaties
  • 1.

    Er is een monitor voor het registreren van woningbouwplannen en het controleren van woningbouw realisaties: de Plancapaciteitsmonitor Limburg.

    De provincie faciliteert de gemeenten door het aanbieden van een provinciale monitoringsapplicatie voor de registratie en monitoring van woningbouwplannen, maar ook voor de aanlevering van gegevens aan het Rijk.

  • 2.

    De monitormonitoringsapplicatie wordt beheerd door gedeputeerde staten Gedeputeerde Staten.

  • 3.

    Burgemeester en wethouders dragen zorg voor het actueel houden van de gegevens over woningbouwplannen in de monitor.

    De gemeente draagt zorg voor het registreren van de gegevens over woningbouwplannen en de realisaties in de provinciale monitoringsapplicatie.

  • 4.

    Burgemeester en wethouders documenteren in het systeem van monitoring woningbouwplannen zo gedetailleerd mogelijk vanaf de initiatieffase tot en met het onherroepelijk worden van het omgevingsplan of de omgevingsvergunning.

    De gemeente draagt zorg voor het zo volledig en tijdig mogelijk vanaf de initiatieffase tot en met de realisatie van de woningbouwplannen registreren van de woningbouwplannen in de provinciale monitoringsapplicatie.

  • 5.

    Burgemeester en wethouders dragen minimaal één keer per jaar zorg voor de controle van de realisaties van woningbouw.

SSS

Paragraaf 17.1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 17.1.1 Overgangsrecht diverse bepalingeninstructieregels algemeen

Artikel 17.2 17.1 Overgangsbepaling Algemene overgangsbepalingen instructieregels omgevingsplannen

  • 1.

    Op het tijdstip dat voor een locatie het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet, wordt omgezet naar het permanente deel van het omgevingsplan, wordt het omgevingsplan voor die locatie in overeenstemming gebracht met de instructieregels voor omgevingsplannen als opgenomen in deze verordening.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt een omgevingsplan binnen acht jaar na inwerkingtreding van deze verordening  vóór 1 januari 2032 in overeenstemming gebracht met de in deze verordening opgenomen instructieregels voor omgevingsplannen.

  • 4 3.

    Artikel 12.5, vierde lid, is niet van toepassing voor zover bedrijfsmatige activiteiten op grond van een ruimtelijk plan of een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking al rechtmatig op een (samengevoegde) bedrijfskavel met een oppervlakte groter dan 5 hectare worden verricht of zijn toegestaan op 1 januari 2024.

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor een activiteit die op het tijdstip bedoeld in die leden, reeds rechtmatig en overeenkomstig de voor die activiteit op dat tijdstip geldende regels is aangevangen of voor deze activiteit vóór dat tijdstip reeds de rechtens vereiste vergunningen zijn verleend en van kracht zijn.

  • 3 4.

    In afwijking van de termijn van acht jaar als bedoeld in het tweede lid geldt een kortere termijn als deze bij de betreffende instructieregel is bepaald.

  • 5.

    Artikel 13.3 geldt niet voor een zonnepark waarvoor het omgevingsplan of de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vastgesteld of in ontwerp ter inzage is gelegd voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel.

TTT

Artikel 17.1 wordt verplaatst van paragraaf 17.1.1 naar paragraaf 17.1.2. Artikel 17.3 wordt verplaatst van paragraaf 17.1.1 naar paragraaf 17.1.2. Artikel 17.4 wordt verplaatst van paragraaf 17.1.1 naar paragraaf 17.1.2. Artikel 17.5 wordt verplaatst van paragraaf 17.1.1 naar paragraaf 17.1.2. Paragraaf 17.1.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 17.1.2 Overgangsrecht dierenverblijvendiverse onderwerpen

[Red: Artikel 17.1 verplaatst van paragraaf 17.1.1 naar paragraaf 17.1.2. ]

Artikel 17.1 17.2 Overgangsbepaling infrastructuur: vergunningen provinciale wegen

Een vergunning verleend op grond van artikel 7.1.1, derde lid, van de Omgevingsverordening Limburg 2014, geldt als een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.5.

[Red: Artikel 17.3 verplaatst van paragraaf 17.1.1 naar paragraaf 17.1.2. ]

Artikel 17.3 Overgangsbepaling watersystemen: beheersplan badwaterbassins

Onverminderd artikel 15.67 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt tot het moment dat een beheersplan als bedoeld in artikel 15.64 van het Besluit activiteiten leefomgeving beschikbaar is, gedurende de openstelling van één of meer badwaterbassins uitvoering gegeven aan de door gedeputeerde staten, op grond van artikel 7 van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze verordeningvóór 1 januari 2024, bij besluit van 15 juli 2003 voor het zwembad vastgestelde 'Nadere voorschriften voor toezicht'.

[Red: Artikel 17.4 verplaatst van paragraaf 17.1.1 naar paragraaf 17.1.2. ]

Artikel 17.4 Overgangsbepaling grondwater: bodemenergiesystemen

Artikel 4.13, eerste lid, artikel 4.15 en artikel 4.16 gelden niet voor bodemenergiesystemen die zijn aangelegd voor 1 november 2009 of waarvoor voor die datum een vergunning op grond van de Grondwaterwet of een ontheffing op grond van artikel 5.34, eerste lid, van de Provinciale Milieuverordening Limburg was verleend.

Artikel 17.5 Overgangsbepaling grondwater: afvloeiend hemelwater

De verboden bedoeld in artikel 4.42, eerste en tweede lid, gelden niet voor het op of in de bodem brengen van afvloeiend hemelwater indien dit reeds plaatsvond vóór inwerkingtreding van artikel 4.42.

Artikel 17.6 Overgangsbepaling grondwater: zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming

Het verbod bedoeld in artikel 4.67 geldt niet voor een milieubelastende activiteit die op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel reeds rechtmatig en overeenkomstig de voor die activiteit op dat tijdstip geldende regels is aangevangen of voor deze activiteit vóór dat tijdstip reeds de rechtens vereiste vergunningen zijn verleend en van kracht zijn.

[Red: Artikel 17.5 verplaatst van paragraaf 17.1.1 naar paragraaf 17.1.2. ]

Artikel 17.5 17.7 Overgangsbepaling geluid: stiltegebieden

Artikel 6.6, eerste tot en met derde lid, geldt niet voor activiteiten in een stiltegebied die tot inwerkingtreding van deze artikelen1 januari 2024 werden verricht en op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 mochten worden verricht.

Artikel 17.8 Overgangsbepaling natuurgebieden: overeenkomsten natuurcompensatie

Op een overeenkomst met betrekking tot natuurcompensatie als bedoeld in artikel 8.6, waarvan een concept tussen de bij de overeenkomst betrokken partijen is gedeeld voor het tijdstip van inwerkingtreding van de gewijzigde bijlage IX, blijft bijlage IX zoals deze luidde voor dat tijdstip van toepassing.

Artikel 17.6 17.9 Overgangsbepaling landbouw: dierenverblijven varkens en kippen

  • 1.

    Artikel 10.10, eerste lid10.15 , eerste lid geldt niet voor dierenverblijven voor de diercategorieën varkens of kippen, als daarvoor uiterlijk op 23 juli 2010 een aanvraag voor een vergunning op grond van de Wet milieubeheer, een bouwvergunning op grond van de Woningwet of een vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 in behandeling is genomen of verleend is.

  • 2.

      Artikel 10.10, eerste lid10.15eerste lid, geldt niet voor dierenverblijven voor de diercategorieën varkens of kippen, als daarvoor uiterlijk op 23 juli 2010 een melding op grond van het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan.

Artikel 17.7 17.10 Overgangsbepaling landbouw: overige dierenverblijven

  • 1.

    Artikel 10.10, eerste lid10.15eerste lid, geldt niet voor dierenverblijven, anders dan dierenverblijven voor de diercategorie varkens en kippen, als daarvoor uiterlijk op 11 oktober 2013 een vergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in behandeling is genomen of verleend is.

  • 2.

    Artikel 10.10, eerste lid10.15eerste lid, geldt niet voor dierenverblijven, anders dan dierenverblijven voor de diercategorie varkens en kippen, als daarvoor uiterlijk op 11 oktober 2013 een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan.

Artikel 17.11 Overgangsbepalingen beschermingsgebied Einstein Telescope

    [Red: Lid 6. verplaatst van artikel 17.2 naar artikel 17.11. ]

  • 6 1.

    Afdeling 16.1 Artikel 15.1  geldt niet voor een in dat artikel bedoeld omgevingsplan dat is vastgesteld vóór het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 16.11 januari 2024, voor zover de in dat omgevingsplan toegestane activiteit, als bedoeld in artikel 16.2, tweede lid15.2eerste lid, reeds rechtmatig en overeenkomstig de voor die activiteit op dat tijdstip geldende regels is aangevangen of voor deze activiteit vóór hetdat tijdstip van inwerkingtreding van artikel 16.1 reeds de rechtens vereiste vergunningen zijn verleend en van kracht zijn.

  • [Red: Lid 7. verplaatst van artikel 17.2 naar artikel 17.11. ]

  • 7 2.

    Artikel 16.215.2 geldt niet voor een in dat artikel bedoelde activiteit voor zover deze activiteit vóór het tijdstip van inwerkingtreding van dat artikel1 januari 2024 reeds rechtmatig en overeenkomstig de voor die activiteit op dat tijdstip geldende regels is aangevangen of voor deze activiteit vóór hetdat tijdstip van inwerkingtreding van artikel 16.2 de rechtens vereiste vergunningen zijn verleend en van kracht zijn.

UUU

Artikel 17.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.8 17.12 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking de dag na de dag van bekendmaking van deze artikelen in het Provinciaal Blad.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag waarop de Omgevingswet in werking treedt.

    De artikelen 12.2 en 12.3 treden in werking met ingang van de dag waarop de Wet versterking regie volkshuisvesting in werking treedt, indien dat tijdstip later is dan de dag na de dag van bekendmaking van deze artikelen in het Provinciaal Blad.

VVV

Artikel 17.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.9 Intrekken Omgevingsverordening Limburg 2014

De Omgevingsverordening Limburg 2014 wordt ingetrokken.

[Vervallen]

WWW

Het opschrift van artikel 17.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 17.10 17.13 Citeertitel

XXX

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

agglomeratielandbouw

landbouwbedrijven waarbij de primaire agrarische productie geïntegreerd wordt met meerdere facetten van de agrarische productiekolom op één locatie

agrarische reststromen

reststromen die uitsluitend afkomstig zijn uit de agrarische sector (inclusief de verwerkende levensmiddelenindustrie), zoals potgrond, groente-, fruit- en plantenresten, gras, snoeiafval, afvalwater of andere organische resten, en uitdrukkelijk niet zijnde brandstoffen, plastics, metalen, glas of ander anorganisch afval

ammoniakemissie

emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar;

arbeidsmigranten

onderdanen van een ander land dan Nederland die rechtmatig in Nederland mogen verblijven en werken, welke maximaal 5 jaar aaneensluitend in Nederland verblijven om rechtmatig werkzaamheden te verrichten, tegen een inkomen van maximaal 130% van het minimumloon bedoeld in artikel 8 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag

badwaterbassin

een locatie waar gelegenheid wordt geboden tot het zwemmen of baden als bedoeld in artikel 15.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving

batterij

een zelfstandig functionerende batterij‑energieopslaginstallatie die als afzonderlijke installatie via een eigen netaansluiting op het openbare elektriciteitsnet is aangesloten en die een bruto‑oppervlak beslaat van meer dan 2.000 m²

bebouwd gebied

Synoniem van bebouwde omgeving. Een gebied dat vol staat met bebouwing in gebruik voor (een mix van) hoofdzakelijk de functies wonen, werken, winkelen, uitgaan, cultuur en openbare voorzieningen. Dit gebied kent weinig open ruimte. Dit gebied bestaat uit:

  • 1.

    stedelijk gebied

  • 2.

    landelijke kernen

  • 3.

    Werklocaties, opgedeeld in drie categorieën met alle drie een andersoortige inrichting en verschillende gebruikers:

    • a.

      bedrijventerreinen

    • b.

      stedelijke dienstenterreinen

    • c.

      solitaire bedrijfslocaties groter dan 1 hectare  

bebouwingscluster

twee of meer straten, al dan niet met een herkenbaar aaneengesloten stratenpatroon. Qua omvang en dichtheid is een bebouwingscluster kleiner dan een landelijke kern en ook de afwezigheid van voorzieningen en historische en/of lokale context maken dat een cluster onderscheidend is van een landelijke kern

bebouwingslint

een lijnvormige reeks bebouwing langs een weg, in een langgerekte vorm zonder herkenbaar aaneengesloten stratenpatroon, waarbij de onderlinge afstand van overwegend niet-agrarische woongebouwen met bijbehorende tuinen niet meer dan 70 meter is

bedrijfscategorie

een bedrijfscategorie zoals opgenomen Bijlage XIII

bedrijfskavel

een kavel met een gebouw of een complex van gebouwen, dienende voor de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van één bedrijf, met uitzondering van een landbouwbedrijfskavel

een kavel voor de uitoefening van bedrijfsmatige activiteiten ten behoeve van een bedrijf, inclusief alle met die activiteiten samenhangende boven- en ondergrondse voorzieningen, waaronder een (complex van) gebouw(en), waterberging, landschappelijke inpassing, parkeervoorzieningen, omheining, buitenopslag en in- en uitritten. Een landbouwbedrijfskavel/agrarische bedrijfskavel of een bedrijfskavel voor een bedrijf uit de sector vrijetijdseconomie vallen niet onder deze definitie. Een solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare valt wel onder de definitie voor bedrijfskavel;

beeklandschap

landschap dat bestaat uit natuurlijke en aangepaste beken, zoals rechtgetrokken beken. Hoewel ze variëren in loop en vorming, spelen beken een belangrijke structurerende rol in de Limburgse landschappen. De waterlopen hebben met hun dalen en afzettingen de ruimtelijke structuur en het landgebruik sterk beïnvloed.

beeldbepalende gebouw

gebouw met historische karakteristieken of deel uitmakend van een beschermd stads- of dorpsgezicht

bestaand bos- of natuurgebied binnen de groenblauwe mantellandbouwzone

een binnen de groenblauwe mantel landbouwzone gelegen terrein dat op grond van het omgevingsplan de functie bos of natuur heeft

boskern

een aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste vijf hectare

bouwen

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten.

bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren

brandbare vloeistof

een vloeistof met een vlampunt dat hoger ligt dan 55° C

bron of bronzone

plaats waar grondwater op natuurlijke wijze over een klein of groter oppervlak uittreedt

buitenste kantstreep

de markering van de begrenzing van de buitenzijde van de buitenste rijstrook

collectieve verwaarding van mest en agrarische reststromen

het door samenwerkende veehouderijen gezamenlijk verwaarden van mest,en agrarische reststromen, waarbij de mest afkomstig is van deze veehouderijen binnen een straal van 20 kilometer van de collectieve verwaarding, en de verwaardingscapaciteit nauw is afgestemd op deze regionale mestaanvoer ten behoeve van het verduurzamen van de bedrijfsvoeringen en het efficiënt en lokaal verwaarden van stofstromen.

dierplaats

een deel van een huisvestingssysteem dat is bestemd voor het houden van één dier

doelvermogen

bedrag dat nodig is om de nazorg van stortplaatsen na sluiting eeuwigdurend te kunnen financieren. Dit doelvermogen wordt bereikt door enerzijds heffingen op te leggen aan de exploitant van de stortplaats en anderzijds door het rendement dat behaald wordt op het vermogen in het Nazorgfonds.

extern salderen

salderen met één of meer activiteiten buiten de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning

geitenhouderij te nieuwvestigen

het gaan houden van geiten op een locatie waar nog geen geiten worden gehouden

geitenhouderij uit te breiden

op een locatie waar geiten worden gehouden, ten opzichte van de referentiesituatie: - het oppervlak dierenverblijf vergroten wanneer dat leidt tot een toename op het gebied van ammoniak en fijnstof ten opzichte van de referentiesituatie, of; - een dierenverblijf voor het (mede) houden van geiten realiseren en/of een gebouw of gronden op een bestaand bouwkavel voor het (mede) houden van geiten in gebruik nemen, wanneer dat leidt tot een toename op het gebied van ammoniak en fijnstof ten opzichte van het plafond zoals afgeleid uit de referentiesituatie, of; - het huisvestingssysteem veranderen ten behoeve van het houden van geiten wanneer dat leidt tot een toename op het gebied van ammoniak en fijnstof ten opzichte van het plafond zoals afgeleid uit de referentiesituatie, of; - de diercategorie veranderen binnen de bestaande hoofdcategorie geiten zoals opgenomen in bijlage V van de Omgevingsregeling, wanneer dat leidt tot een toename op het gebied van ammoniak en fijnstof ten opzichte van het plafond zoals afgeleid uit de referentiesituatie, of; - het verplaatsen of vergroten van de mestopslagcapaciteit afkomstig van geiten, of; - het vermeerderen van het aantal geiten dat binnen een bestaande geitenhouderij wordt gehouden ten opzichte van de referentiesituatie.

geluid veroorzakende activiteit

een activiteit door menselijk handelen als gevolg waarvan de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord;

glastuinbouw

het telen van groenten, fruit, snijbloemen, pot- of perkplanten of uitgangsmateriaal voor gewassen onder een permanent bouwwerk van glas, kunststof of vergelijkbaar materiaal, of in klimaatcellen

glastuinbouwbedrijf

een bedrijf waarvan het bedrijfsinkomen voor meer dan 50% afkomstig is uit glastuinbouw

graft

lijnvormige, evenwijdig aan de helling lopende trede, die vaak met gras, struiken en/of hakhout is begroeid

nieuwvestiging van intensieve veehouderij

de vestiging van een intensieve veehouderij op een nieuw agrarisch bouwvlak, of op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen intensieve veehouderij is gevestigd, met uitzondering van bestaande intensieve veehouderij. Bestaande intensieve veehouderij: intensieve veehouderij die op 1 juni 2004 aanwezig was in overeenstemming met: a. de toenmalige bepalingen bij of krachtens de Wet milieubeheer, en b. de toenmalige bepalingen bij of krachtens de Wet op de Ruimtelijke Ordening, waaronder begrepen de overgangsrechtelijke bepalingen van het toenmalig geldende bestemmingsplan, tenzij: - deze intensieve veehouderij op 1 juni 2004 geen wezenlijk onderdeel uitmaakte van de bedrijfsvoering; - deze intensieve veehouderij na 1 juni 2004 feitelijk is beëindigd, voor een periode langer dan een jaar onderbroken is geweest, de daarvoor krachtens de Wet milieubeheer benodigde vergunning blijvend is ingetrokken of vervallen of een melding is gedaan dat de intensieve veehouderij structureel is beëindigd;

harde plannen

alle vastgestelde plannen met een rechtstreekse bouwtitel, ongeacht of een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is verleend

herstructureringsopgave

het benutten van transformatielocaties en de onbebouwde plekken binnen het bestaand bebouwd gebied ten behoeve van kwaliteitsverbetering van de leefomgeving

holle weg

smalle, diepe, vaak loodrecht op de helling lopende insnijding, die in gebruik is als voetpad, wegen/of watergang

intensieve veehouderij

het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen, of parelhoenders, met uitzondering van het houden van landbouwhuisdieren in de categorieën en aantallen als genoemd in artikel 3.200, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het houden van varkens die jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop, waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van de EU-verordening biologische producten 2020/464, en onder behoud van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plekke, op een locatie buiten het Natuurnetwerk Limburg en buiten een extensiveringsgebied intensieve veehouderij

intern salderen

salderen binnen de begrenzing van één project of locatie ten behoeve van de verlening van een natuurvergunning

internationale werknemers

arbeidsmigranten, expats en alle andere doelgroepen met een niet-Nederlandse nationaliteit zonder verblijfsstatus die in Limburg werken, ongeacht de termijn van werk of verblijf in Nederland

kadegebonden

een bedrijfskavel die aan vaarwater ligt met een vaarklasse van II of hoger met (de mogelijkheid van) een haven, kade, drijvende laad- en losinstallatie of scheepshelling of scheepsdok, beperkt tot de aan de laad- en losvoorziening liggende kavel

kampeerterrein

een terrein waarop in mobiele kampeermiddelen overnacht kan worden met een recreatief doel 

kamperen

het met een recreatief doel overnachten in mobiele kampeermiddelen zoals een tent, een caravan of camper 

kwaliteitscriteria

de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving met betrekking tot de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met uitvoering en handhaving zijn belast

kwaliteitsklassen

de kwaliteitsklassen als bedoeld in artikel 29 van het Besluit bodemkwaliteit (2021)

landbouwgrond

landbouwgrond als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet

landelijk gebied

het Natuurnetwerk Limburg, de groenblauwe landbouwzone, het primair landbouwgebied en het verwevingsgebied samen 

mobiele kampeermiddelen

kampeermiddelen die door de gasten worden meegebracht om in te verblijven zoals een tent, caravan of camper. Tenten die blijven staan en verhuurd worden aan gasten vallen hier niet onder

modelluchtvaartuig

luchtvaartuig, niet in staat een mens te dragen, en uitsluitend gebruikt voor luchtvaartvertoning, recreatie of sport

monumentale gebouwen

de op grond van de Erfgoedwet aangewezen beschermde monumenten (rijksmonumenten), en de in een omgevingsplan opgenomen gebouwen van plaatselijk of regionaal belang

monumentaal gebouw

een op grond van de Erfgoedwet aangewezen beschermd monument (rijksmonument) of, in een omgevingsplan opgenomen gebouw van plaatselijk of regionaal belang

motorvoertuig

een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

nazorgmaatregel

maatregel die waarborgt dat de stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming biedt tegen die nadelige gevolgen, als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer. 

nazorgvoorziening

voorziening die nodig is ter bescherming van het milieu als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer. Voor een beschrijving van die voorzieningen wordt verwezen naar bijlage C van de Notitie Herontwikkeling (gesloten) stortplaatsen, de IPO-werkgroep Nazorg Stortplaatsen van 7 februari 2019 

nieuwvestiging van een bedrijf met akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt of een andere plantaardige agrarische teelt

 vestiging van een bedrijf met akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt of een andere plantaardige agrarische teelt op een nieuw agrarisch bouwvlak

nieuwvestiging van een glastuinbouwbedrijf

de vestiging van een glastuinbouwbedrijf op een nieuw agrarisch bouwvlak, of een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen glastuinbouwbedrijf is gevestigd

nieuwvestiging van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren

vestiging van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren op een nieuw agrarisch bouwvlak of op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen veehouderij met andere landbouwhuisdieren is gevestigd

nieuwvestiging van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders

vestiging van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders op een nieuw agrarisch bouwvlak of op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders is gevestigd

nieuwvestiging van een geitenhouderijgeitenhouderijen

het gaan houden van geiten op een locatie waar nog geen geiten worden gehouden

ontvlambare vloeistof

een vloeistof met een vlampunt van ten minste 21° C en ten hoogste 55° C

opsporen van aardwarmte

opsporen van aardwarmte als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet

parkeerplaats

ruimte waar motorvoertuigen kunnen worden geparkeerd, met uitzondering van een parkeerplaats voor maximaal 5 motorvoertuigen;

provinciale weg

Weg in beheer bij een provincie;

RAV-lijst

de lijst van diercategorieën en huisvestingssystemen met bijbehorende jaaremissies van ammoniak per diersoort zoals opgenomen in de bijlage V van de Omgevingsregeling genoemd (voorheen: bijlage bij artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij-Rav)

recreatieterrein

een gebied dat door een bedrijf geëxploiteerd wordt of werd voor verblijfsrecreatie, zoals een bungalowpark of kampeerterrein, al dan niet met centrale voorzieningen 

recreatieverblijf

een verblijf voor recreatief gebruik waarin overnacht kan worden, zoals een vakantiewoning, een stacaravan of een hotelkamer 

referentiesituatie

het deel van de geitenhouderij dat ziet op het houden van geiten op een huisvestingsysteem zoals dat uiterlijk op 20 december 2018 is gemeld op grond van het destijds geldende artikel 1.10 van het Activiteitenbesluit milieubeheer of is vergund met een omgevingsvergunning als bedoeld in het destijds geldende artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht dan wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht juncto artikel 2.2a van het Besluit omgevingsrecht

regionale afstemming vrijetijdseconomie

het bespreken en uitbrengen van een standpunt over een initiatief vrijetijdseconomie tussen de gemeenten in de regio Noord-Limburg, Midden-Limburg of Zuid-Limburg en de Provincie Limburg op basis van de regionale bestuursafspraken voor de betreffende regio 

RPA

op afstand bestuurd luchtvaartuig (remotely piloted aircraft), onbemand, niet zijnde een modelluchtvaartuig

RVV

Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990

short-stay

verblijf van maximaal vier maanden aaneengesloten, gedurende een periode van maximaal een jaar

solitaire (industriële) verwaarding van mest en agrarische reststromen

verwaarding van mest en agrarische reststromen op of direct nabij een bedrijventerrein anders dan verwaarding van eigen mest en collectieve verwaarding bedoeld in artikel 10.9 en 10.0

solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare

afzonderlijk gelegen bedrijfskavel voor één enkel bedrijf met bijbehorende voorzieningen, groter dan 1 hectare en niet grenzend aan of gelegen binnen een 'bedrijventerrein’ of een ‘stedelijk dienstenterrein’. Een (voormalige) landbouwbedrijfskavel, (voormalige) agrarische bedrijfskavel of bedrijfskavel voor een bedrijf binnen de sector vrijetijdseconomie valt niet onder deze begripsomschrijving.

statushouders

asielzoekers die een verblijfsvergunning hebben ontvangen en zich in Nederland permanent kunnen vestigen

stikstofdepositie

neerslaan van stikstofverbindingen uit de lucht op een oppervlakte, uitgedrukt in mol stikstof per hectare per jaar

toeristisch-recreatieve structuur

de opbouw naar type, omvang, locatie en onderlinge samenhang van het geheel van bedrijven in de vrijetijdseconomie in een gemeente.

transformatielocaties

locaties waar bestaand vastgoed geheel of gedeeltelijk wordt herontwikkeld naar een andere functie. Onder transformatie wordt hier tevens verstaan de uitbreiding van een bestaande woonfunctie, bijvoorbeeld bij het 'optoppen' van een wooncomplex of de splitsing van bestaande woningen

uitbreiding van geitenhouderijen

 op een locatie waar geiten worden gehouden:

  • 1.

    het oppervlak dierenverblijf vergroten wanneer dat leidt tot een toename op het gebied van ammoniak en fijnstof ten opzichte van de referentiesituatie; of

  • 2.

    een dierenverblijf voor het (mede) houden van geiten realiseren en/of een gebouw of gronden op een bestaand bouwkavel voor het (mede) houden van geiten in gebruik nemen, wanneer dat leidt tot een toename op het gebied van ammoniak en fijnstof ten opzichte van het plafond zoals afgeleid uit de referentiesituatie, of

  • 3.

    het huisvestingssysteem veranderen ten behoeve van het houden van geiten wanneer dat leidt tot een toename op het gebied van ammoniak en fijnstof ten opzichte van het plafond zoals afgeleid uit de referentiesituatie, of

  • 4.

    de diercategorie veranderen binnen de bestaande hoofdcategorie geiten zoals opgenomen in bijlage V van de Omgevingsregeling, wanneer dat leidt tot een toename op het gebied van ammoniak en fijnstof ten opzichte van het plafond zoals afgeleid uit de referentiesituatie, of

  • 5.

    het verplaatsen of vergroten van de mestopslagcapaciteit afkomstig van geiten, of

  • 6.

    het vermeerderen van het aantal geiten dat binnen een bestaande geitenhouderij wordt gehouden ten opzichte van de referentiesituatie.

uitponding

het afzonderlijk verkopen van recreatieverblijven − in- of exclusief grond − op een recreatieterrein 

veehouderij

milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.200, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van de aantallen en de doeleinden bedoeld in het tweede en vierde lid van dat artikel, waarbij varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders worden gehouden

veehouderij met andere landbouwhuisdieren

veehouderij met andere landbouwhuisdieren dan varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders

verwaarding van eigen mest en agrarische reststromen

verwaarding van mest en agrarische reststromen als bedoeld in artikel 10.9

verwaarding van mest en agrarische reststromen

het bewerken of verwerken van dierlijke mest, waaronder begrepen maar niet beperkt tot het mengen, scheiden, hygiëniseren, vergisten, composteren, drogen en indikken van dierlijke mest, alsmede het behandelen van dierlijke meststoffen tot eindproducten zoals as, mestkorrels, mengsels van gedroogd digestaat, of het exporteren van dierlijke meststoffen, en van agrarische reststromen

voorziening voor dagrecreatie in een gebouw

een voorziening voor dagrecreatie waar het gebruik inpandig plaatsvindt, zoals een bioscoop of een indoor-kartbaan

voorziening voor vrijetijdseconomie

een voorziening voor verblijfsrecreatie of een voorziening voor dagrecreatie 

vormverandering

de verandering van de vorm van een agrarisch bouwvlak waarbij de oppervlakte per saldo gelijk blijft

vormverandering van het bouwvlak

de verandering van de vorm van een agrarisch bouwvlak waarbij de oppervlakte per saldo gelijk blijft

weg

rijbaan, pad, trottoir, alsmede al hetgeen naar de aard van de weg daartoe behoort, waaronder de tot de weg behorende voorzieningen in, op, onder en boven de weg

windturbine

door de wind aangedreven installatie die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit

winnen van aardwarmte

winnen van aardwarmte als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet

woningbouwopgave

het benodigde aantal toevoegingen aan de woningvoorraad (nieuwbouw en overige toevoegingen zoals transformaties) verminderd met het aantal onttrekkingen (waaronder sloop) aan de woningvoorraad, gebaseerd op het regionale afgestemd kwalitatief en kwantitatief woonbehoefteonderzoek

wooneenheid

gedeelte van een woonfunctie dat bestemd is voor afzonderlijke bewoning

woonurgenten

mensen die snel een woning zoeken, maar vaak niet in aanmerking komen voor een urgentiestatus, omdat er geen sprake is van een levensbedreigende situatie of acuut probleem

zonnepark

een ruimtelijk samenhangende grondgebonden of drijvende installatie voor het opwekken van zonne-energie, groter dan 200 m2

zuiveringsslib

zuiveringsslib als bedoeld in artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet

zwemlocatie

een locatie waar gelegenheid wordt geboden tot het zwemmen als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving

YYY

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

Bedrijfscategorieën

/join/id/regdata/pv31/2026/Bedrijfscategorieen/nld@2026‑03‑30;1

bedrijventerreinen

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_48d1b28e4b8e4e6a8cf1d617e1e74ac1/nld@2023‑11‑29;1

bedrijventerrein

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_48d1b28e4b8e4e6a8cf1d617e1e74ac1/nld@2026‑03‑30;2

beekdal in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_6ff22bd64d9f4504acb749173c32b263/nld@2023‑11‑29;1

bedrijventerrein in een logistiek knooppunt

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_036cc1ea2b93447db63c229e181f0149/nld@2026‑03‑30;1

bedrijventerrein van provinciaal belang

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_9952b0dd5b794500a3840cdf51c2c203/nld@2026‑03‑30;1

beekdal

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_293ff35263094f138a23e389a87d3969/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_293ff35263094f138a23e389a87d3969/nld@2026‑03‑30;2

beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_a876fbc97a6446238c9b2c54c859337f/nld@2023‑11‑29;1

beschermingsgebied Einstein Telescope

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_a57f4f7c11a94f8d9b7bcdb81f5ee927/nld@2023‑11‑29;1

beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_1e95775e448a41de8c81b332465ec5b0/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_1e95775e448a41de8c81b332465ec5b0/nld@2026‑03‑30;2

buitengebied

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_fcb7900d55c547bd89ed9e2dc61b1a7b/nld@2023‑11‑29;1

droogdal

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_5936bdc3ae274c5bb75525e20ae712c3/nld@2026‑03‑30;1

ecologische verbindingszone

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_2759d6c6622c45b2a3733d3a43d55035/nld@2026‑03‑30;1

extensiveringsgebied intensieve veehouderij

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_0626b02bb500453c969d437835febd07/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_0626b02bb500453c969d437835febd07/nld@2026‑03‑30;2

freatische grondwaterbeschermingsgebieden

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_c051abde5bd5466593d67700bd352933/nld@2023‑11‑29;1

groenblauwe mantel

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_27ff416ccfd74f5ca4280a12f4ae079e/nld@2023‑11‑29;1

gesloten stortplaats

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_c0bc6c75cdfb4116a0165d74a48afc59/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_c0bc6c75cdfb4116a0165d74a48afc59/nld@2026‑03‑30;2

groenblauwe landbouwzone

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_d5abc8cf0e0647308903017bb281c412/nld@2026‑03‑30;1

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_4c2ec94a67bf4fb19cca938a0819d876/nld@2023‑11‑29;1

grondwaterbeschermingsgebied Hanik

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_5e381a3987fa40d58a426e606b53dc7f/nld@2023‑11‑29;1

helling

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_9ae94a7fdb0f4ece83da6e067a75a57e/nld@2026‑03‑30;1

hydrologische bufferzone grondwaterafhankelijke natuur

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_7ca2d5028cd84b17ad7721e7f3eb332e/nld@2023‑11‑29;1

industrieterreinen van provinciaal belang

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_f06fa2517abe40f598d96fa5c72221f8/nld@2023‑11‑29;1

industrieterreinen waarvoor provincie geluidproductieplafonds vaststelt

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_f06fa2517abe40f598d96fa5c72221f8/nld@2026‑03‑30;2

Natura 2000-gebieden ondergrondse kalksteengroeven

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_b5fc0aec454d435fb3ab50ae783f08d1/nld@2023‑11‑29;1

intrekgebied Natura 2000-gebieden

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_7b8bf802773c46149d0dfc5b9027c881/nld@2026‑03‑30;1

landelijke kernenkern

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_351afafff0b7410298f60bc5b6d36dee/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_351afafff0b7410298f60bc5b6d36dee/nld@2026‑03‑30;2

Maasvallei

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_7349e3395f9847728d3b31278bea0e45/nld@2026‑03‑30;1

Midden-Limburg

/join/id/regdata/pv31/2023/locatiegroep_6a463eab840442648e12fb8da2c896ad/nld@2023‑11‑29;1

natte laagte

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_4a43f7fc518645da8162691ccc3a3f21/nld@2026‑03‑30;1

Natura 2000

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_c4539f262b6146c387ce7ba56f00add3/nld@2023‑11‑29;1

natuurbeek

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_d877d7c7c67f4f30aed651b7856d2a8e/nld@2023‑11‑29;1

natuurbeekzone

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_944e32dc3bc443efa81d1e2e4d12b0bc/nld@2023‑11‑29;1

Natuurnetwerk Limburg

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_67d3d239f2544fbfb3ffe30ad18285f1/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_67d3d239f2544fbfb3ffe30ad18285f1/nld@2026‑03‑30;2

niet-freatische grondwaterbeschermingsgebieden

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_17440f1700364f2bbebdc597a0be1ccb/nld@2023‑11‑29;1

Noord-Limburg

/join/id/regdata/pv31/2023/locatiegroep_427926b96dd848ea92adbd94c5be4d77/nld@2023‑11‑29;1

ontwikkelingsgebied glastuinbouw

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_9f8420626b154ab0aa69b83529f63194/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_9f8420626b154ab0aa69b83529f63194/nld@2026‑03‑30;2

oude en waardevolle bossen

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_5ddc9d0909d643b79f8efa35789439ed/nld@2026‑03‑30;1

overgangsgebied rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_105af685e58040b4a13b4a0796431f76/nld@2026‑03‑30;1

overstromingskansgebied A

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_12a6a9a3eb5b43838cd36fd958d2212a/nld@2025‑02‑03;2

overstromingskansgebied B

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_ae93372edbfb4ee8be1aa8aa42da71d3/nld@2025‑02‑03;2

overstromingskansgebied C

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_baa58dcc34864c308418a7fcbe3bb47e/nld@2025‑02‑03;2

overstromingskansgebied D

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_3e66af12bf564dfebab917263caf6e63/nld@2025‑02‑03;2

overstromingskansgebied E

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_3818de53b57940af98974eba117cb6f6/nld@2025‑02‑03;2

primair landbouwgebied

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_3073722a57484b75b46eeb1356f7fe1f/nld@2026‑03‑30;1

provinciale weg

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_80232ccac2b64cb698aba1c454bd6d80/nld@2023‑11‑29;1

reserveringszone provinciale weg

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_ca5b2a711c1245dabc22b9e49bde1ae0/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_ca5b2a711c1245dabc22b9e49bde1ae0/nld@2026‑03‑30;2

reserveringszone spoorweg

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_6fd2b110bdf54094969957a4c830580b/nld@2023‑11‑29;1

uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_e20c012b4cbf4f12b403f2b42c41cbc1/nld@2023‑11‑29;1

Roerdalslenk

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_c2a24c4b3d5b4f2d89060c53ed65f122/nld@2023‑11‑29;1

Roerdalslenk I

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_dc1b3ae21f8e488ca3a37c3987ccc329/nld@2023‑11‑29;1

Roerdalslenk II

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_835063d1412644288bb8e6ddcd5ec557/nld@2023‑11‑29;1

Roerdalslenk III

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_8c0ece072f5e42f1930fdd9ae24173b1/nld@2023‑11‑29;1

Roerdalslenk IV

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_e24d003672cd434ab2dc719dfcde5701/nld@2023‑11‑29;1

solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_c929e612d68143e893bd81ebc6e9b955/nld@2026‑03‑30;1

stedelijk dienstenterrein

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_2755b016b3ed4c9d9e71da5b9e62c0c2/nld@2026‑03‑30;1

stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_074a0c0a072148159e62d1ffcb1af085/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_074a0c0a072148159e62d1ffcb1af085/nld@2026‑03‑30;2

stiltegebied

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_8b8351de9b134dfda92d0286fb6a6a14/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_8b8351de9b134dfda92d0286fb6a6a14/nld@2026‑03‑30;2

uitbreidingsgebied glastuinbouw 1

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_7e9c75b2d90b492588f22650365407ea/nld@2026‑03‑30;1

uitbreidingsgebied glastuinbouw 2

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_2200aba82ad54f4cb0f746867920068e/nld@2026‑03‑30;1

uitsluitingsgebied windturbines

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_17b5ce0d4fa0436b9d91c44c27fe13bf/nld@2023‑11‑29;1

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_17b5ce0d4fa0436b9d91c44c27fe13bf/nld@2026‑03‑30;2

Venloschol

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_ce5008cb3b9f4628bb46a4efc7e228e5/nld@2023‑11‑29;1

verwevingsgebied

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_e90bdade2bed4aeda1c917e912c12a4f/nld@2026‑03‑30;1

waterveiligheidszone H5 Noord- en Midden-Limburg

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_a0fbd72cb88849cabd5d9c3861d301e2/nld@2026‑03‑30;1

waterveiligheidszone H5 Zuid-Limburg

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_c454cc4d3a4149a1be984cfa46c08160/nld@2026‑03‑30;1

waterveiligheidszone H6

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_6a98e8ee1ded4ff2a9520f99320c3866/nld@2026‑03‑30;1

waterwingebied

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_73186db3ef2642f6ab3edd7fd47c0638/nld@2023‑11‑29;1

werklocatie

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_31f61839c0e94570ae5d6995c6ecaeb3/nld@2026‑03‑30;1

woonkernen gemarkeerd met punt F

/join/id/regdata/pv31/2023/gebiedsaanwijzing_23c04b8034fb4b91a9b98214a858d5cf/nld@2023‑11‑29;1

zoekgebied drinkwaterwinning

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_48cb02e98a3a426c8404d0a9fc6cc899/nld@2026‑03‑30;1

zoekgebied grondwaterbescherming

/join/id/regdata/pv31/2026/gebiedsaanwijzing_3d4164e232ca4d9b86f2f7f872c7a674/nld@2026‑03‑30;1

Zuid-Limburg

/join/id/regdata/pv31/2023/locatiegroep_46aedbff57e6414fa58c4cb34f268798/nld@2023‑11‑29;1

ZZZ

Bijlage V wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage V Verboden milieubelastende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden, zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming

Verboden milieubelastende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden, zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming

De milieubelastende activiteiten, bedoeld in Artikel 4.62artikel 4.65, derde lid en artikel 4.67, zijn de milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in de volgende artikelen van het Besluit activiteiten leefomgeving

  • a.

    artikel 3.41 (afvalwaterzuivering) 

  • b.

    artikel 3.44 (organische oplosmiddelen) 

  • c.

    artikel 3.47 (geologische CO2 opslag) 

  • d.

    artikel 3.54 (grootschalige energieopwekking) 

  • e.

    artikel 3.57 (olie- en gasraffinaderijen) 

  • f.

    artikel 3.60 (cokesproductie) 

  • g.

    artikel 3.63 (vergassen of vloeibaar maken van steenkool c.a.)

  • h.

    artikel 3.66 (basismetaalindustrie) 

  • i.

    artikel 3.69 (complexe minerale industrie) 

  • j.

    artikel 3.72 (basischemie) 

  • k.

    artikel 3.75 (complexe papier-, hout- en textielindustrie) 

  • l.

    artikel 3.78 (afvalverwijdering) 

  • m.

    artikel 3.81 (destructor) 

  • n.

    artikel 3.84 lid 1 en 2 (stortplaats) 

  • o.

    artikel 3.87 (afvalverbrander) 

  • p.

    artikel 3.103 (metaalproductenindustrie) 

  • q.

    artikel 3.111 (minerale productenindustrie) 

  • r.

    artikel 3.112 (papier-, hout, textiel-, en leerindustrie) 

  • s.

    artikel 3.128 (voedingsmiddelenindustrie) 

  • t.

    artikel 3.134 (rubber-, en kunststofindustrie) 

  • u.

    artikel 3.144 (scheepswerven) 

  • v.

    artikel 3.184 (verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen) 

  • w.

    artikel 3.200 (intensieve veehouderij) 

  • x.

    artikel 3.221 (bedrijf voor telen en kweken van waterplanten of waterdieren) 

  • y.

    artikel 3.296 (tankstation) 

  • z.

    artikel 3.304 (autosport en motorsport, zoals crossterrein, racebaan of kartbaan)

  • aa.

    artikel 3.320 (aanleg/exploitatie mijnbouwwerk)

AAAA

Na bijlage V wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage VI Vervallen

Vervallen

Vervallen

BBBB

Bijlage VI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VI Kernkwaliteiten en activiteiten stiltegebieden

A. Invulling instructieregels

1. Kernkwaliteiten van stiltegebieden

Activiteiten die qua functie passen bij het karakter van het gebied zijn in stiltegebieden in beginsel alleen wenselijk indien deze passend zijn bij de kernkwaliteiten en de voorgenomen bescherming en versterking ervan. De instructieregels vragen van gemeenten in de motivering bij het omgevingsplan op te nemen hoe met onderstaande kernkwaliteiten rekening is gehouden.

afbeelding binnen de regeling

Behoud van stilte

Hoewel een geluidsbijdrage van gebiedseigen activiteiten in het stiltegebied wordt toegestaan, hebben wij een denkrichting geformuleerd hoe ondanks de geluidsbijdrage invulling kan worden gegeven aan standstill.

Bestaande inrichtingen in de stiltegebieden kunnen in het kader van het overgangsrecht niet worden beperkt in de huidige vergunde geluidruimte. Voor een bestaande activiteit (of samengestelde activiteiten, voorheen "inrichting") geldt de vergunde geluidruimte en bij het ontbreken van een dergelijke vergunning hanteren wij in het stiltegebied een maximale bijdrage van 40 dB(A) LAeq 24 uursgemiddelde op 50 meter afstand van de activiteit.

Nieuwe activiteiten zijn niet passend bij de kernkwaliteiten en de bescherming en versterking daarvan. Indien deze wel kunnen worden toegestaan hanteren wij een afstandsbepaling voor de activiteit (of samengestelde activiteiten, voorheen "inrichting") in een stiltegebied van 35 dB(A) op 30 meter afstand. In de onderstaande motivering wordt ingegaan op de afwijkende afstand en de lagere toegestane geluidsbijdrage.

Indien voor een activiteit op de rand of in het stiltegebied een bijdrage van 40 dB(A) op 50 m wordt toegestaan, dan is er ten opzichte van het reeds aanwezige geluid al sprake van een overschrijding van de 40 dB(A) in het stiltegebied. Rekening houdend met het cumulatieve geluidseffect dient de toegestane geluidsbijdrage dus lager dan 40 dB(A) te zijn.

Het reeds aanwezige geluid bestaat op basis van geluidsmetingen in Limburg in de meeste stiltegebieden uit een drietal geluidsbronnen: gebiedseigen geluidsbronnen, niet-gebiedseigen wegverkeer (soms railverkeer) en luchtvaart. [Bron: Geluidbelasting in stiltegebieden Limburg, RUD-ZL 2019] Uitgaande van 40 dB(A) in het stiltegebied die de resultante is van deze drie geluidsbronnen betekent dit dat een activiteit (of gebundelde activiteiten) niet meer dan 35 dB(A) mag bijdragen. Want drie geluidsbronnen van 35 dB(A) geven een cumulatieve geluidsbelasting van 40 dB(A) in het stiltegebied. De eis aan een activiteit is dus niet 40 dB(A), maar 35 dB(A).

De afstandsbepaling van 50 m uit het Besluit activiteiten leefomgeving is ongeschikt voor stiltegebieden, omdat deze afstandsbepaling geldt voor de geluidsbijdrage van samengestelde activiteiten op de dichtstbijzijnde woning indien er geen woning ligt binnen een afstand van 50 m. In het geval van een stiltegebied zou de afstand bij voorkeur liggen op de rand van het terrein en anders zo dicht mogelijk bij de activiteit. Daarom wordt niet uitgegaan van 50 m, maar van 30 m van de activiteit.

2. Voorwaarden ontheffing instructieregels

Ontheffing van de instructieregels als bedoeld in artikel 1.6 kan enkel worden verleend voor:

Activiteiten buiten het toepassingsbereik, waartoe gerekend agrarische activiteiten en activiteiten die nodig zijn voor het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van bijvoorbeeld onderhoud of infrastructuur in het gebied.

Voor activiteiten die niet met het karakter van het stiltegebied verenigbaar zijn, bijvoorbeeld in het geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen en waarbij alternatieven buiten het stiltegebied ontbreken wordt geen ontheffing verleend. Deze kunnen alleen mogelijk gemaakt worden door aanpassing van de gebiedsbegrenzing van het stiltegebied. De Provincie zal met wijziging van de gebiedsbegrenzing zeer terughoudend zijn.

B. Regels voor activiteiten

1. Verlenen van omgevingsvergunningen

Wij willen eenduidig vastleggen op welke wijze zal worden omgegaan met aanvragen om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6. Bij meervoudige aanvragen kan het voorkomen dat burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn voor het verlenen van de omgevingsvergunning voor de activiteit in een stiltegebied. In die gevallen hanteren ook zij deze bijlage bij het toetsen van de aanvraag.

Wij willen tot uitdrukking brengen dat het behoud van de stilte van groot belang is, maar:

dat in bepaalde situaties een omgevingsvergunning mogelijk is voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten die onder de verbodsbepalingen vallen, en dat bij terreinen grenzend aan toeristisch/recreatieve accommodaties en horeca er extra mogelijkheden voor een omgevingsvergunning zijn.

Het is in zijn algemeenheid mogelijk om voor vergunningplichtige gevallen een omgevingsvergunning te verstrekken indien het een incidentele (eenmalige) activiteit betreft, en er geen alternatieve locatie buiten het stiltegebied beschikbaar is. Bij toeristisch/recreatieve accommodaties en horeca-inrichtingen kan per activiteit en onder strikte voorwaarden maximaal 3 dagen per kalenderjaar en omgevingsvergunning worden verleend.

2. Toetsingskader incidentele activiteiten

2.1 Specificatie teksten Omgevingsvisie Limburg

In de Omgevingsvisie Limburg staat aangegeven dat:

'we ervoor kiezen om een aantal, van oudsher stille gebieden, ook stil te laten blijven, met een geluidniveau van 40 dB(A) of lager.'

De tekst uit de Omgevingsvisie geeft een norm voor het geluidniveau in de stiltegebieden. Deze norm moet echter nader worden gespecificeerd omdat onduidelijk is op welke periode deze norm betrekking heeft en op welke meethoogte. In aansluiting op de hierover door het RIVM in het rapport `Geluidbelasting in het landelijk gebied' (2002) en `Stille Gebieden en Gezondheid' (Gezondheidsraad, 2006) beschreven uitgangspunten wordt ter beoordeling van incidentele activiteiten het LAeq 24 uursgemiddelde ofwel LAeq, 24uurals uitgangspunt gehanteerd, waarbij de niveaus tijdens de avond- en nachtperiode even zwaar tellen als de dagperiode. Er wordt dus niet de gebruikelijke straffactor toegepast. Dit veronderstelt dat mensen die in de natuur verblijven het geluid van eenzelfde niveau in de avond en de nacht niet als hinderlijker ervaren dan gedurende de dagperiode.

Als toetsingsnorm wordt LAeq, 24uur gehanteerd:

Het LAeq,24uur van de te beschermen stiltegebieden dient, gemeten of beoordeeld op elke willekeurige plek in het stiltegebied, maximaal 40 dB(A) te bedragen.

Voor de meet- en beoordelingshoogte voor metingen dan wel berekeningen wordt standaard, dus voor alle beoordelingsperioden, een ontvangerhoogte (ho) van 1,50m boven lokaal maaiveld gehanteerd.

Indien in het kader van de toetsing dan wel handhaving, als onderdeel daarvan of in aanvulling hierop, metingen worden uitgevoerd zullen deze bemenste metingen worden uitgevoerd tijdens de dagperiode. Langdurige onbemenste metingen worden in beginsel niet geschikt geacht voor handhavings- of toetsingsdoeleinden.

Voor het overige worden ten behoeve van de uitvoering van de toetsing de regels overeenkomstig de aanvullingsregeling geluid Omgevingswet gehanteerd en de betreffende bijlage IVd (wegverkeer), bijlage IVe (railverkeer) en bijlage IVf (activiteiten).

Periode

De geluidbelasting in een stiltegebied wordt in hoofdzaak bepaald door de natuurlijke achtergrondgeluiden (ritselende bladeren, vogels, e.d.). De natuurlijke achtergrondgeluiden kennen een fluctuatie gedurende het etmaal. Om een voldoende beeld te kunnen krijgen van de geluidsituatie in stiltegebieden wordt daarom gebruik gemaakt van het 24-uurs gemiddelde geluidniveau: LAeq, 24 uur. In een periode van 24 uur komen zowel piekbelastingen als rustige periodes voor. Daarnaast is het een tijdsduur die het mogelijk maakt om metingen uit te voeren (dit in tegenstelling tot een jaargemiddelde). Het 24-uurs gemiddelde geluidniveau bedraagt met de aanwezigheid van de natuurlijke achtergrond geluiden en het overige gebiedseigen geluid al snel 40 dB(A). Er is weinig ruimte voor extra geluid. (Zie ook de meetresultaten in het meetrapport: 'Geluidbelasting in stiltegebieden Limburg, RUD-ZL 2019')

De relatie tussen fluctuaties in de dag (LAeq) en het LAeq,24 uur is in onderstaande figuur te zien:

afbeelding binnen de regeling

Toelichting bij het uitvoeren van een geluidmeting voor het bepalen van de geluidkwaliteit van een stiltegebied:

Alle geluidbronnen die tijdens de meting in het gebied aanwezig zijn, worden in de meting meegenomen. Het geluid dat wordt geproduceerd door gebiedseigen activiteiten (zie onder 1) en door luchtverkeergeluid (zie onder 2) wordt hierbij niet mee gemeten, tenzij dit onderdeel uitmaakt van de achtergrond en niet direct als zodanig herkenbaar is.

1. Met gebiedseigen activiteiten worden bronnen bedoeld die vanwege 'gangbare werkzaamheden' in het gebied aanwezig zijn.

2. Voor wat betreft het luchtverkeergeluid gaat het om die gebieden die in de directe nabijheid van een vliegveld zijn gelegen, met relatief hoge piekbelastingen die van grote invloed kunnen zijn op het uitvoeren van een meting. Vanwege deze grote invloed op een kortdurende meting wordt het geluid door een passerend vliegtuig en het geluid afkomstig van gebiedseigen activiteiten niet in de meting meegenomen. Betreft het een langdurige (onbemenste) meting (van 24 uur of meer) dan worden de geluiden door vliegtuigen en gebiedseigen bronnen wel meegenomen. Vanwege de lange tijdsduur van de meting is de invloed van deze bronnen minder groot op de uitkomst ervan. Ook is het praktisch erg lastig om de geluidmeting voor deze bronnen te corrigeren. Ten behoeve van toetsings- en handhavingsdoeleinden zal echter in beginsel gebruik worden gemaakt van bemenste kortdurende metingen.

Toelichting bij het maken van berekeningen voor de toetsing van het geluidniveau in stiltegebieden:

Indien voor het aanvragen van een omgevingsvergunning een geluidberekening noodzakelijk is worden, omwille van de eenvoud, alleen de geluidbronnen betrokken waarvoor de vergunning wordt gevraagd. Hierbij mag de geluidbron op een bepaalde afstand niet meer dan 40 dB(A) LAeq, 24 uur veroorzaken.

Uitgaande van een reeds aanwezig geluidsniveau van 40 dB(A) zal op deze afstand tijdelijk een lokale verhoging optreden tot 43 dB(A). Zie onderstaande wijze van berekenen van het LAeq, 24 uur.

afbeelding binnen de regeling

LAeq: Equivalent A-weighted Level. In deze geluidmaat zijn over een periode variërende geluidniveaus gemiddeld tot één waarde. Zowel de hoogte als het verloop van het geluidniveau spelen hierbij een rol. De A-weging houdt rekening met de gevoeligheid van het menselijk oor voor de toonhoogte van het geluid. De eenheid wordt gegeven in dB(A).

LAeq, 24 uur: Equivalente geluidmaat (zie LAeq) die wordt gebruikt bij de beoordeling van stiltegebieden. In deze geluidmaat worden alle geluidniveaus over de periode van een etmaal gemiddeld. De niveaus tijdens de avond- en nachtperiode tellen even zwaar als tijdens de dag. Dit veronderstelt dat mensen die in de natuur verblijven het geluid in de avond en nacht niet als hinderlijker ervaren dan overdag.

(Bron: Compendium voor de leefomgeving, definities en eenheden voor geluid en geur)

2.2 Uitgangspunten bij verlenen omgevingsvergunning voor incidentele activiteiten

Of vergunning kan worden verleend of niet, is afhankelijk van overwegingen, die te maken hebben met de noodzaak van de activiteit in het betreffende gebied, het voorkómen of beperken van geluidhinder en de duur van de activiteit.

Hierbij gelden de volgende uitgangspunten:

  • met het verlenen van vergunningen in stiltegebieden wordt terughoudend omgegaan en vergunningen worden slechts verleend als het gaat om eenmalige activiteiten;

  • bij toeristisch/recreatieve accommodaties en horecagelegenheden kan per activiteit en onder strikte voorwaarden maximaal 3 dagen per kalenderjaar een vergunning worden verleend.

De omgevingsvergunning heeft betrekking op activiteiten die plaatsvinden op het terrein zelf alsook op de terreinen die direct grenzen terreinen van de accommodatie of gelegenheid[1].

2.3 Beleidsregels voor omgevingsvergunningen incidentele activiteiten in stiltegebieden

Het is in zijn algemeenheid mogelijk om een vergunning op grond van artikel 6.6 van de Omgevingsverordening te krijgen indien:

het een eenmalige activiteit betreft, ener geen alternatieve locatie buiten het stiltegebied beschikbaar is.

Toelichting:

Ad 1) De vergunning is niet bedoeld voor (jaarlijks) terugkerende activiteiten, het moet gaan om incidentele, uitzonderlijke gebeurtenissen. De activiteit kan betrekking hebben op meerdere dagen onder de voorwaarde dat deze aaneengesloten zijn dan wel dat de dagen een logisch en samenhangend geheel vormen.

Ad 2) Bij het verzoek om vergunning is een nadere motivering van het ontbreken van een alternatieve locatie noodzakelijk. Het verkrijgen van de vergunning voor een activiteit in een stiltegebied staat los van andere eventueel noodzakelijke toestemmingen, ontheffingen en vergunningen voor die activiteit.

Specifiek voor toeristisch/recreatieve accommodaties en horecagelegenheden kan in afwijking van het bovenstaande een vergunning worden verleend onder de volgende voorwaarden:

1. de activiteit vindt niet plaats in de periode 15 maart tot 15 juli (broedseizoen);

2. het betreft een incidentele activiteit die plaatsvindt in de dag- en/of avondperiode (tussen 7.00 uur en 23.00 uur) en maximaal 3 dagen aaneengesloten duurt;

3. per kalenderjaar wordt voor maximaal 3 dagen een vergunning verleend voor de betreffende activiteit;

4. aan de voorwaarden kan worden voldaan, dat in de buitenlucht (inclusief activiteiten in tenten e.d.):

  • a.

    het berekende LAeq, 24 uurop 50 meter afstand van de geluidbron niet meer dan 40 dB(A) LAeq, 24 uurop 1,5 meter hoogte bedraagt en het bronvermogen LWr niet meer dan 95 dB(A) bedraagt (zie tabel 1 voor richtwaarden voor de duur van de activiteit bij verschillende bronniveau's), en

  • b.

    de activiteit plaats vindt op het terrein zelf dan wel op de terreinen die direct grenzen terreinen van de accommodatie of gelegenheid;

5. indien is gebleken dat de situatie ter plaatse niet in overeenstemming is met de situaties in tabel 1, moet middels een akoestische onderbouwing worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de geluideis bedoeld onder 4a;

6. het meten en rekenen vindt plaats conform de aanvullingsregeling geluid Omgevingswet bijlage IVf gehanteerd. Echter in uitzondering hierop wordt geen gebruik gemaakt van de toeslag voor muziekgeluid. Aanvullend hierop moet het LAeq, 24 uurworden berekend conform de hiervoor opgenomen wijze van berekenen.

Tabel 1. Richtwaarden voor de maximaal toelaatbare duur van de activiteit bij verschillende bronniveau's (indicatief en inclusief activiteiten in tenten e.d)

afbeelding binnen de regeling

Toelichting:

Bovenstaande tabel geeft een indicatie over hoe lang een activiteit kan duren bij een bepaalde bronsterkte om binnen de toetsingswaarde te blijven. Bij 'type activiteit' is aangegeven welke activiteiten in het algemeen mogelijk zijn bij de genoemde bronsterkte. Deze activiteiten zijn als voorbeeld bedoeld en zijn niet limitatief.

[1] De incidentele geluidbronnen en de begrenzing van de terreinen waar de aanvraag betrekking op heeft worden vastgelegd (op kaart) bij de vergunningaanvraag.

[Vervallen]

CCCC

Bijlage VIII wordt geplaatst na bijlage VI. Bijlage VIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VIII VII Kernkwaliteiten Groenblauwe Mantel Landschappelijke kernkwaliteiten artikel 7.3

Kernkwaliteiten Groenblauwe Landbouwzone

Kernkwaliteit

 Wat (de belangrijkste aspecten)

 Nadere ruimtelijke duiding

Groene karakter Noord- en Midden-Limburg

 Heggen, hagen, boomgaard, laan, schraalland, heide, grasland, bos. 

Specifiek per landschapstype in Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Natuurlijk'

 Zie: Atlas Limburg, Landschapskader Noord en Midden-Limburg; Kaart 4. Groen karakter

Groene karakter Zuid-Limburg

 Bronbossen, beken, hellingbossen, kalkgraslanden, heischrale graslanden, moerassen, bronnen, zinkflora, mantel- en zoomvegetaties, hellingen met veel graften, grubben en holle wegen.

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg 

Visueel-ruimtelijk karakter Noord- en Midden-Limburg

 O.a. grootschalige openheid vs. kleinschaligheid, doorzichten, zichtassen, panorama’s, coulissen, kamers, lanen en opgaand groen, compositie, kleur en materiaal, vorm.

Specifiek per landschapstype in Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Visueel-ruimtelijk'

 Zie: Atlas Limburg Landschapskader Noord- en Midden-Limburg; Kaart 3

Visueel-ruimtelijk karakter Zuid-Limburg

 Openheid op plateaus, kleinschaligheid rondom dorpen, op hellingen en in (droog)dalen. 

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Cultuurhistorisch erfgoed

 O.a. verwachte en reeds bekende archeologische waarden, mottes, kastelen, historische bouwkunst, historisch geografische elementen en patronen zoals wegen- en kavelpatronen, historische kernen, verdedigingswerken, ondergrondse kalksteengroeves, heggen

 

Cultuurhistorisch erfgoed Noord- en Midden-Limburg

 Zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Cultuurhistorie'

 Zie: Atlas Limburg Landschapskader Noord- en Midden-Limburg; Kaart 2

Cultuurhistorisch erfgoed Zuid-Limburg

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Reliëf Noord- en Midden-Limburg

 O.a. aardkundige waarden, dikke eerdlagen, geomorfologische landvormen, randen en breuken, steilere hellingen, steilranden, holle wegen, droogdalen, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen. 

Zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Landschapskenmerken' en 'Natuurlijk'

 Zie: Atlas Limburg Landschapskader Noord- en Midden-Limburg; Kaart 1

Reliëf Zuid-Limburg

 O.a. steilere hellingen, steilranden, holle wegen, droogdalen, grubben, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen.

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Kernkwaliteiten Groenblauwe Mantel

Kernkwaliteit

Wat (de belangrijkste aspecten)

Nadere ruimtelijke duiding

Groene karakter

Noord- en Midden-Limburg:

zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Landschapsecologie'

Zuid-Limburg:

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Specifiek per landschapstype in Landschapskader Noord en Midden Limburg

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Visueel-ruimtelijk karakter

Noord- en Midden-Limburg:

zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'Visueel-ruimtelijk'

Zuid-Limburg:

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Specifiek per landschapstype in Landschapskader Noord en Midden Limburg

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Cultuurhistorisch erfgoed

Noord- en Midden-Limburg:

Verwachte en reeds bekende archeologische waarden, mottes, kastelen, historische bouwkunst, historisch geografische elementen en patronen, zoals wegen- en kavelpatronen, verdedigingswerken, ondergrondse kalksteengroeves, heggen.

Zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'cultuurhistorie'

Zuid-Limburg:

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Vooral punt, lijnlocaties en ensembles

Specifiek per landschapstype in Landschapskader Noord en Midden Limburg

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Reliëf

Noord- en Midden-Limburg:

Steilere hellingen, steilranden, holle wegen, droogdalen, grubben, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen

Zie Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, deel A, hoofdstuk 4 onder 'landschapskenmerken' en 'Landschapsecologie' en deel b kaart 4 onder landschapselementen.

Zuid-Limburg:

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Specifiek per landschapstype in Landschapskader Noord en Midden Limburg

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

DDDD

Bijlage VII wordt geplaatst na bijlage VIII. Bijlage VII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VII VIII Kernkwaliteiten beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Kernkwaliteiten beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Kernkwaliteit

 Wat (de belangrijkste aspecten)

 Nadere ruimtelijke duiding

Reliëf

 Steilere hellingen, steilranden, graften, holle wegen, droogdalen, grubben, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen.

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Open-besloten karakter

 Openheid op plateaus, kleinschaligheid rondom dorpen, op hellingen en in (droog)dalen. Maar ook grootschalige openheid vs. kleinschaligheid, doorzichten, zichtassen, panorama’s, coulissen, kamers, lanen en opgaand groen, compositie, kleur en materiaal, vorm.

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Groene karakter

 Bronbossen, beken, hellingbossen, kalkgraslanden, heischrale graslanden, moerassen, bronnen, zinkflora, mantel- en zoomvegetaties, hellingen met veel graften, grubben en holle wegen.

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Cultuurhistorisch erfgoed

 Verwachte en reeds bekende archeologische waarden, mottes, kastelen, historische bouwkunst, historisch geografische elementen en patronen zoals wegen- en kavelpatronen, verdedigingswerken, ondergrondse kalksteengroeves, heggen.

 Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Kernkwaliteiten beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Kernkwaliteit

Wat (de belangrijkste aspecten)

Nadere ruimtelijke duiding

Reliëf

Steilere hellingen, steilranden, graften, holle wegen, droogdalen, grubben, beekdalen, bron- en kwelzones, vochtige laagten, breuktreden, overgangen Maasterrassen, geologische ontsluitingen

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Open-Besloten

Openheid op plateaus, kleinschaligheid rondom dorpen, op hellingen en in (droog)dalen.

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Groene karakter

Bronbossen, beken, hellingbossen, kalkgraslanden, heischrale graslanden, moerassen, bronnen, zinkflora, mantel- en zoomvegetaties, hellingen met veel graften, grubben en holle wegen

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

Cultuurhistorisch erfgoed

Verwachte en reeds bekende archeologische waarden, mottes, kastelen, historische bouwkunst, historisch geografische elementen en patronen, zoals wegen- en kavelpatronen, verdedigingswerken, ondergrondse kalksteengroeves, heggen.

Zie: Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg

EEEE

Bijlage IX wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage IX Natuurcompensatie Regels voor natuurcompensatie en natuurverbetering

Regeling natuurcompensatie en natuurverbetering

Deel 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regelingbijlage wordt verstaan onder:

  • a.

    Activiteit activiteit: een handeling die nadelige effecten heeft op natuurwaarden als bedoeld onder h.;

  • b.

    Nationaal landschap Zuid-Limburg: het beschermingsgebied dat op de kaart behorende bij deze verordening als zodanig is aangeduid.

  • c.

    Groenblauwe Mantel: het gebied dat op de kaart behorende bij deze verordening als zodanig is aangeduid.

  • d b.

    Compensatieplan plan: het plancompensatie- of natuurverbeterplan behorende bij de overeenkomst waarin onder meer beschreven wordt de oppervlakte, waar, wanneer, voor welke soorten en biotopen en hoe de compensatie of natuurverbetering gerealiseerd en beheerd wordt.;

  • e c.

    Compensatie compensatie: de aanleg van natuur- en bosgebieden ennatuurgebieden, bos of landschapselementen die het verlies in omvang en in kwaliteit van natuurwaarden als gevolg van een activiteit onder a. ongedaan maakt.;

  • d.

    natuurverbetering: de aanleg van natuurgebieden of bos of landschapselementen die leidt tot verbetering van het beschermingsgebied Natuurnetwerk Limburg als gevolg van het toepassen van saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.4 of kleinschalige ingrepen als bedoeld in artikel 8.5;

  • f e.

    Initiatiefnemer initiatiefnemer: een rechtspersoon of natuurlijk persoon die een activiteit uitvoert in een gebied met natuurwaarden.;

  • g f.

    Kernkwaliteiten: de kernkwaliteiten van de Groenblauwe Mantel en van het Nationaal landschap Zuid-Limburg;

    kernkwaliteiten: de landschappelijke kernkwaliteiten van deelgebieden bedoeld in artikel 7.3 en de kernkwaliteiten van het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg;

  • h g.

    Kwaliteitstoeslag kwaliteitstoeslag: de oppervlakte aan natuur die additioneel is aan de verloren gegane oppervlakte aan natuur met als doel om het als gevolg van een activiteit ontstane verlies aan natuurwaarden dat moeilijk of slechts na lange ontwikkelingstijd te realiseren is, te compenseren.;

  • i h.

    Natuurwaarden natuurwaarden:

    • alle terreinen en landschapselementen in het Natuurnetwerk Limburg die van overheidswege bescherming genieten als natuurgebied met het oog op natuurbehoud en/of behoud van soorten;

    • alle landschapselementen die van overheidswege een beschermde status hebben op grond van hun landschappelijke waarde; en

    • alle bosgebieden en opgaande groene elementen die onder de Omgevingswet vallen en gelegen zijn in de Groenblauwe Mantel en in het Nationaal landschap Zuid-Limburg.

      alle bos of landschapselementen gelegen gelegen in de deelgebieden als bedoeld in artikel 7.3 of in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg;

  • i.

    landschapselementen: meestal ”kleinschalige” structuren die een landschap vormgeven, waaronder lijnvormige elementen, zoals poelen, houtwallen, houtsingels, hagen en graften, vlakvormige elementen, zoals poelen en bosjes en puntvormige elementen zoals solitaire bomen;

  • j.

    Overeenkomst overeenkomst: een schriftelijke vastgelegde afspraak tussen initiatiefnemer en de Provincie Limburg aangaande de compensatie. of natuurverbetering;

  • k.

    Ruimtelijk plan:

    • een omgevingsplan;

    • een omgevingsvergunning waarmee van een omgevingsplan wordt afgeweken;

    • een projectbesluit.

  • l k.

    Wezenlijke wezenlijke kenmerken en waarden: wezenlijke kenmerken en waarden als bedoeld in artikel 8.1.

    • voor bestaande natuurgebieden: de actueel aanwezige natuurbeheertypen en de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan en

    • voor te realiseren natuurgebieden: de nagestreefde natuurdoeltypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het Provinciaal Natuurbeheerplan.

Artikel 2. Toepassingsbereik beleidsregel Artikel 2. Toepassingsbereik

Deze beleidsregelbijlage is van toepassing indien voorafgaand aan de activiteit is vastgesteld dat:

1. de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg worden vernietigd, verstoorden/of versnipperd en/of;

2. de kernkwaliteiten "groene karakter" van de Groenblauwe Mantel en/of van het Nationaal landschap Zuid-Limburg worden vernietigd, verstoord en/of versnipperd.

  • a.

    de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg worden vernietigd, verstoorden/of versnipperd;

  • b.

    bos of landschapselementen worden vernietigd, verstoord of versnipperd in de deelgebieden als bedoeld in artikel 7.3;

  • c.

    het groene karakter, als bedoeld in artikel 7.15 lid 2, worden vernietigd, verstoord of versnipperd in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg.

Artikel 3. Aanpak compensatie Artikel 3. Aanpak compensatie of natuurverbeteringopgave

1. Een activiteit in één of meerdere van de in artikel 2, onder 1 genoemde gebieden dient in beginsel financieelnatura gecompenseerd te worden op de wijze als beschreven in deel 2 van deze beleidsregelbijlage.

2. Indien financiële compensatie als bedoeld in het eerste lid niet mogelijk is of om andere redenen niet de voorkeur heeft, vindt compensatie in natura plaats op de wijze als beschreven in deel 3 van deze beleidsregel.

3. Voor zover sprake is van een activiteit in de gebieden zoals bedoeld in artikel 2, onder 2 vindt compensatie in natura plaats op de wijze als beschreven in deel 3 van deze beleidsregel.

Artikel 4. Bepalen van de compensatieopgave

1.

Natuur in het Natuurnetwerk Limburg is ingedeeld in 4 categorieën:

a. snel vervangbaar, ontwikkelingstijd < 2 jaar;

b. gemakkelijk vervangbaar, ontwikkelingstijd < 25 jaar;

c. matig vervangbaar; ontwikkelingstijd 25-100 jaar;

d. moeilijk of niet vervangbaar; ontwikkelingstijd > 100 jaar.

In deze regeling is de natuur ingedeeld per categorie.

2. Voor activiteiten die plaatsvinden in het Natuurnetwerk Limburg gelden, bovenop de vereiste één-op-één compensatie, de volgende kwaliteitstoeslagen:

a. Voor natuur in categorie 1 geldt, gezien de korte ontwikkelingstijd en de doorgaans eenvoudig te realiseren abiotische randvoorwaarden, géén kwaliteitstoeslag.

b. Voor natuur in categorie 2 geldt, gezien de langere ontwikkelingstijd en de doorgaans moeilijker te realiseren abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 33%.

c. Voor natuur in categorie 3 geldt, gezien de lange ontwikkelingstijd en de doorgaans moeilijk te realiseren abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 66%.

d. Voor natuur in categorie 4 geldt, gezien de natuurwaarden die slechts na ingrijpende inspanningen en een zeer lange ontwikkelingstijd hersteld kunnen worden en de doorgaans complexe abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 66 - 100%.

3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid geldt voor naaldhoutbos zonder bijzondere natuurwaarden, zoals nader aangeduid op de digitale kaart Naaldbos zonder bijzondere natuurwaarden geenkwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie.

4. Indien de activiteit plaatsvindt in het Nationaal landschap Zuid-Limburg en dit gebied niet gelegen is in het Natuurnetwerk Limburg, geldt er geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie als bedoeld in de aanhef van het tweede lid van dit artikel.

5. Indien de activiteit plaatsvindt in de Groenblauwe Mantel geldt er geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie als bedoeld in de aanhef van het tweede lid van dit artikel.

Deel 2 Financiële compensatie

Artikel 5. Voorwaarden bij financiële compensatie

1. Gedeputeerde Staten stellen in het eerste kwartaal van elk kalenderjaar de hoogte van het normbedrag vast per hectare voor financiële compensatie.

2. De initiatiefnemer stort de verplichte financiële compensatie op het bankrekeningnummer NL08 RABO 013.25.75.728 ten name van de Provincie Limburg en onder vermelding van de projectnaam.

3. De storting van de financiële compensatie als bedoeld in het tweede lid dient te geschieden binnen 60 dagen na ondertekening van de overeenkomst als bedoeld in artikel 6, eerste lid.

4. Financiële compensatie is niet mogelijk indien een activiteit in of nabij Natura2000-gebieden,Habitat- en Vogelrichtlijngebieden een (significant) negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen voor deze gebieden.

  • 1.

    Natuur in het Natuurnetwerk Limburg is ingedeeld in 4 categorieën: 

    • a.

      snel vervangbaar, ontwikkelingstijd < 2 jaar;

    • b.

      gemakkelijk vervangbaar, ontwikkelingstijd < 25 jaar;

    • c.

      matig vervangbaar; ontwikkelingstijd 25-100 jaar;

    • d.

      moeilijk of niet vervangbaar; ontwikkelingstijd > 100 jaar.

    In deze bijlage is de natuur ingedeeld per categorie.

  • 2.

    Voor activiteiten die plaatsvinden in het Natuurnetwerk Limburg gelden, bovenop de vereiste één-op-één compensatie, de volgende kwaliteitstoeslagen:

    • a.

      Voor natuur in categorie 1 geldt, gezien de korte ontwikkelingstijd en de doorgaans eenvoudig te realiseren abiotische randvoorwaarden, géén kwaliteitstoeslag.

    • b.

      Voor natuur in categorie 2 geldt, gezien de langere ontwikkelingstijd en de doorgaans moeilijker te realiseren abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 33%.

    • c.

      Voor natuur in categorie 3 geldt, gezien de lange ontwikkelingstijd en de doorgaans moeilijk te realiseren abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 66%.

    • d.

      Voor natuur in categorie 4 geldt, gezien de natuurwaarden die slechts na ingrijpende inspanningen en een zeer lange ontwikkelingstijd hersteld kunnen worden en de doorgaans complexe abiotische randvoorwaarden, een kwaliteitstoeslag van 66 - 100%.

  • 3.

    Voor de bos natuurtypen (N 14.01 - N 17.06) in categorie 4, die betrekking hebben op oude en waardevolle bossen, is een kwaliteitstoeslag van toepassing van 100% vanwege de ouderdom en of de bijzondere hoge natuurwaarden.

  • 4.

    Indien de activiteit plaatsvindt in het Nationaal Landschap Zuid-Limburg en dit gebied niet gelegen is in het Natuurnetwerk Limburg, geldt er geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie als bedoeld in de aanhef van het tweede lid van dit artikel.

  • 5.

    Indien de activiteit plaatsvindt in de groenblauwe landbouwzone geldt er geen kwaliteitstoeslag bovenop de één-op-één compensatie als bedoeld in de aanhef van het tweede lid van dit artikel.

  • 6.

    Indien de activiteit door verstoring leidt tot verlies aan kwaliteit van het Natuurnetwerk Limburg wordt, om de compensatie te berekenen, de methodiek toegepast uit het rapport ‘Methodiek Natuurcompensatie Limburg, Bepaling mitigatie en compensatie bij aantasting beschermde natuurwaarden’.

  • 7.

    Indien de activiteit leidt tot versnippering en daarmee tot verlies aan kwaliteit van het Natuurnetwerk Limburg wordt het geïsoleerde deel van het Natuurnetwerk Limburg één op één gecompenseerd.

  • 8.

    In afwijking van het bepaalde in het zevende lid geldt voor versnippering van oude en waardevolle bossen wel een kwaliteitstoeslag bovenop de één op één compensatie.

Artikel 5. Bepalen opgave compensatie bij natuurverbetering 

  • 1.

    Bij de inzet van saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.4 en kleinschalige ingrepen als bedoeld in artikel 8.5 wordt dezelfde categorie indeling gebruikt als genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat er de volgende toeslagen (zie Toelichting tabel 1) gelden:

    • a.

      voor natuur in categorie 1 geldt, gezien de ontwikkelingstijd en de te realiseren abiotische randvoorwaarden, een toeslag van 0%;

    • b.

      voor natuur in categorie 2 geldt, gezien de langere ontwikkelingstijd en de doorgaans moeilijker te realiseren abiotische randvoorwaarden, een toeslag van  66%;

    • c.

      voor natuur in categorie 3 geldt, gezien de natuurwaarden die slechts na ingrijpende inspanningen en een zeer lange ontwikkelingstijd hersteld kunnen worden en de doorgaans complexe abiotische randvoorwaarden, een toeslag van 132%;

    • d.

      voor natuur in categorie 4 geldt, gezien de bijzondere en hoge (potentiële) natuurwaarden die slechts na een zeer lange ontwikkelingstijd hersteld kunnen worden een toeslag van 132%-200%.

  • 2.

    Indien de verbetering van het natuurnetwerk niet vóór de start van de activiteit geheel is gerealiseerd en of wanneer het beheer niet in overeenstemming is met het plan dan treedt de boeteclausule uit de overeenkomst in werking.

  • 3.

    Voor alle natuurtypen, van de in artikel 5.1 genoemde categorieën, geldt dat de te ontwikkelen natuur, inclusief de kwaliteitstoeslag, ingevuld kan worden met andere natuurtypen uit een hogere categorie.

  • 4.

    Het toepassen van de saldobenadering (artikel 8.4) en kleinschalige ingreep (artikel 8.5) is uitgesloten in oude en waardevolle bossen. 

Artikel 6. Overeenkomst Artikel 6. Uitvoering compensatieverplichting en natuurverbetering

1. De financiële compensatieverplichting als bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt vastgelegd ineen overeenkomst.

2. De conceptovereenkomst is gekoppeld aan het ruimtelijk plan en dient bij het bestuurlijk vooroverleg aan de Provincie Limburg te worden voorgelegd.

Deel 3 Compensatie in natura

Artikel 7. Uitvoering compensatieverplichting

Voor compensatie in natura gelden de volgende voorwaarden:

a. de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het compensatieplan zijn vastgelegd in een overeenkomst;

b. door de uitvoering van de compensatie ontstaat een duurzame situatie;

c. de overeenkomst en het compensatieplan voldoen aan de in de artikelen 4 en 8 tot en met 11 vermelde criteria en richtlijnen;

d. de concept-overeenkomst en het compensatieplan is gekoppeld aan het ruimtelijk plan en dienen uiterlijk in het kader van het bestuurlijk vooroverleg aan de Provincie Limburg te worden voorgelegd.

  • a.

    de verantwoordelijkheden voor de uitvoering van het plan zijn vastgelegd in een overeenkomst;

  • b.

    door de uitvoering van het plan ontstaat een duurzame situatie;

  • c.

    de overeenkomst en het plan voldoen aan de in de artikelen 4 en 6 tot en met 9 vermelde criteria en richtlijnen in deze bijlage;

  • d.

    de concept-overeenkomst en het plan zijn gekoppeld aan de wijziging van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit of het projectbesluit waarmee de activiteit wordt mogelijk gemaakt en dienen uiterlijk voor de vaststelling van het omgevingsplan, danwel de verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van het projectbesluit aan de provincie Limburg te worden voorgelegd.

Artikel 8. Criteria voor toetsing van de overeenkomst en het compensatieplan Artikel 7. Criteria voor toetsing van de overeenkomst en het plan

Het uitgangspunt is geen nettoverlies aan natuurwaarden, voor wat betreft areaal, kwaliteit en samenhang. De overeenkomst en het compensatieplanplan worden door gedeputeerde staten beoordeeld op adequate invulling van de volgende onderdelen:

a. de compensatie dient te voldoen aan het gestelde in artikel 4;

b. het tijdstip van de realisatie van de compensatie voldoet aan het gestelde in artikel 9;

c. de locatie van de compensatie voldoet aan de eisen in artikel 10;

d. de waarborging en tijdige uitvoering voldoen aan de eisen in artikel 11;

e. juiste afstemming op andere overheidsregelingen en -plannen ten aanzien van natuur, bos en landschap conform artikel 12 en artikel 13;

f. het compensatieplan geeft inzicht in de inrichting van de compensatielocatie en het te voeren(aanloop)beheer;

g. een topografische kaart met daarop de locatie van de compensatie, de kadastrale percelen en de ligging van aangrenzende en omliggende natuur- en bosgebieden met een schaal van 1:10.000.

  • a.

    de compensatie dient te voldoen aan het gestelde in artikel 4;

  • b.

    de natuurverbetering dient te voldoen aan het gestelde in artikel 5;

  • c.

    het tijdstip van de realisatie van de compensatie en de natuurverbetering voldoen aan het gestelde in artikel 8;

  • d.

    de locatie van de compensatie en de natuurverbetering voldoen aan de eisen in artikel 9;

  • e.

    de waarborging en tijdige uitvoering voldoen aan de eisen in artikel 10;

  • f.

    juiste afstemming op andere overheidsregelingen en -plannen ten aanzien van natuur, bos en landschap conform artikel 12 en artikel 13;

  • g.

    het plan geeft inzicht in de inrichting van de locatie op een kaart met een schaal van 1:10.000 of gedetailleerder en het te voeren (aanloop)beheer;

  • h.

    de inrichting en het beheer zijn afgestemd op de locale (a)biotische potenties en het te realiseren natuurtype;

  • i.

    een topografische kaart met daarop de locatie(s) van de compensatie of natuurverbetering, de kadastrale percelen en de ligging van aangrenzende en omliggende natuur- en bosgebieden met een schaal van 1:10.000 of gedetailleerder.

Artikel 8. Realisatietermijn compensatie en natuurverbetering

  • 1.

    De initiatiefnemer meldt aan de Provincie Limburg de voltooiing van de compensatie of natuurverbetering.

  • 2.

    De compensatie of natuurverbetering dient gereed te zijn voor aanvang van de activiteit, tenzij gedeputeerde staten instemmen met een later tijdstip.

  • 3.

    Indien de compensatie of natuurverbetering niet (geheel) vóór de start van de activiteit(en) is gerealiseerd of wanneer uit de reguliere controles blijkt dat het beheer onvoldoende is, treedt de boeteclausule uit de overeenkomst in werking.

  • 4.

    In het eerste, vijfde en tiende jaar na realisatie van de compensatie is er een veldcontrole door de Provincie Limburg.

Artikel 9. Realisatietermijn compenserende maatregelen Artikel 9. Locatie van compensatie en natuurverbetering

1. De initiatiefnemer meldt aan de Provincie Limburg de voltooiing van de compensatie.

2. De compensatie dient gereed te zijn voor aanvang van de activiteit.

Artikel 10. Locatie van compensatie

1. Compensatie vanwege een activiteit in het Natuurnetwerk Limburg dient binnen de provincie Limburg in het Natuurnetwerk Limburg (areaaluitbreiding) uitgevoerd te worden en onder de voorwaarde dat er een duurzame situatie ontstaat in het Natuurnetwerk Limburg.

2. Compensatie vanwege een activiteit in de Groenblauwe Mantel dient in Groenblauwe Mantel te worden gerealiseerd.

3. Compensatie vanwege een activiteit in het Nationaal landschap Zuid-Limburg dient in het Nationaal landschap Zuid-Limburg te worden gerealiseerd.

  • 1.

    Compensatie vanwege een activiteit in het Natuurnetwerk Limburg dient binnen de Provincie Limburg in het Natuurnetwerk Limburg (op gronden die in het Natuurbeheerplan Limburg zijn aangeduid als C1/2,) of aansluitend aan het Natuurnetwerk Limburg uitgevoerd te worden en onder de voorwaarde dat er een duurzame situatie ontstaat in het Natuurnetwerk Limburg.

  • 2.

    Compensatie vanwege een activiteit in een deelgebied als bedoeld in artikel 7.3 dient gecompenseerd te worden in hetzelfde of een ander deelgebied.

  • 3.

    Compensatie vanwege een activiteit in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg dient in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg te worden gerealiseerd.

  • 4.

    Tijdelijke werkstroken, in het Natuurnetwerk Limburg, in een deelgebied als bedoeld in artikel 7.3 en in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, kunnen na afloop van het tijdelijk gebruik, worden ingezet voor natuurcompensatie. De oppervlakte kwaliteitstoeslag dient te voldoen aan respectievelijk artikel 9, eerste lid, tweede lid of derde lid. De locatie van de kwaliteitstoeslag en de tijdelijke werkstroken dienen te voldoen aan artikel 4 tot en met 9 van deze bijlage.

  • 5.

    Natuurverbetering als gevolg van het toepassen van de saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.4 en kleinschalige ingrepen als bedoeld in artikel 8.5 dient plaats te vinden aangrenzend of in de nabijheid van de ingreep. 

Artikel 11. Waarborging zorgvuldige en tijdige uitvoering Artikel 10. Waarborging zorgvuldige en tijdige uitvoering

1. Een initiatiefnemer, overheden hier niet onder begrepen, draagt uiterlijk op de datum van ondertekening van de overeenkomst zorg voor een bankgarantie ten gunste van de Provincie Limburg, die voldoende hoog is om de volledige uitvoeringskosten van de compensatiemaatregelen (inclusief de kwaliteitstoeslag conform artikel 4) te kunnen dekken. Onder de volledige kosten van de uitvoering van de compensatiemaatregelen worden in ieder geval begrepen de kosten van grondverwerving, inrichting, beheer gedurende 10 jaar na voltooiing van de inrichting en alle daarmee samenhangende overheadkosten.

2. De bij de bepaling van de hoogte van de bankgarantie te hanteren standaardbedragen en norm-kosten worden geïndexeerd aan de hand van de werkelijke prijspeilontwikkeling van de afzonderlijke onderdelen. Hierbij zal voor de grondverwervingskosten gebruik worden gemaakt van de grondprijs in de provincie Limburg.

3. Initiatiefnemer dient aanvullend op de bankgarantie een waarborgsom ten bedrage van 50% van de bankgarantie als bedoeld in het eerste en tweede lid van deze bepaling te storten op het bankrekeningnummer NL08 RABO 013.25.75.728 ten name van de Provincie Limburg en onder vermelding van de projectnaam.

4. De bankgarantie is afbouwend. Op het moment dat de compensatie overeenkomstig het compensatieplan is uitgevoerd zal het bedrag van de bankgarantie verminderd worden met een derdedeel. Indien na 5 jaar, bij de tweede veldcontrole, blijkt dat de compensatie overeenkomstig het compensatieplan in stand wordt gehouden vermindert opnieuw het bedrag van de bankgarantie met een derde deel. Het resterende deel van de bankgarantie vervalt na 10 jaar als uit veldcontrole is gebleken dat het beheer overeenkomstig het beheerplan is uitgevoerd.

5. Indien compensatie niet (geheel) vóór de start van de activiteit is gerealiseerd valt de bankgarantie in zijn geheel toe aan de Provincie Limburg die daarmee binnen een termijn van drie jaar (het ontbrekende deel van) de compensatie laat uitvoeren.

6. De initiatiefnemer spant zich ertoe in (inspanningsverplichting) dat uiterlijk gelijktijdig met het uitvoeren van het compensatieplan de daarmee ontstane bos-, natuur- en landschapswaarden planologisch zijn beschermd in een bestemmingsplan.

  • 1.

    Indien compensatie of natuurverbetering niet (geheel) vóór de start van de activiteit is gerealiseerd of wanneer de inrichting of het beheer niet overeenkomstig het plan wordt uitgevoerd treedt de boeteclausule inwerking. De boete is onmiddellijk opeisbaar bij het niet nakomen van de afspraken in de overeenkomst.

  • 2.

    De initiatiefnemer spant zich ertoe in (inspanningsverplichting) dat uiterlijk gelijktijdig met het uitvoeren van het plan de daarmee ontstane bos-, natuur- en landschapswaarden planologisch zijn beschermd door middel van een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.

Artikel 11. Overeenkomst

  • 1.

    De natuurcompensatie als bedoeld in artikel 4 en de natuurverbetering als bedoel in artikel 5 wordt vastgelegd in een overeenkomst.

  • 2.

    Het concept van de overeenkomst is gekoppeld aan de wijziging van het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit of het projectbesluit waarmee de activiteit wordt mogelijk gemaakt en dient uiterlijk voor de vaststelling van het omgevingsplan, danwel de verlening van de omgevingsvergunning of het vaststellen van het projectbesluit aan de Provincie Limburg te worden voorgelegd.

Artikel 12. Afstemming met andere verplichtingen

1. Uitvoering van compensatie in natura in gebieden waar al concreet vastgelegde verplichtingen liggen tot het realiseren van natuur, bos en/of landschapselementen is niet toegestaan en zal niet erkend worden als (onderdeel van) de uitvoering van een verplichting tot compensatie als bedoeld in deze beleidsregel.

2. Compensatie in gebieden waarbij in de financiering van de aanleg van bos-, natuur- en landschaps-waarden reeds op andere wijze is voorzien, wordt voor dat deel niet beschouwd als onderdeel van uitvoering van een compensatieverplichting ter zake waarvan de overeenkomst wordt gesloten.

3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing in die gevallen waarbij de Provincie Limburg ingevolge artikel 5, tweede lid, van deze beleidsregel reeds tot uitvoering van natuurcompensatie is overgegaan.

4. Voor de uit te voeren compensatiewerken dienen de vereiste toestemmingen, ontheffingen en/of vergunningen en dergelijke van overheidswege verkregen te zijn.

  • 1.

    Uitvoering van compensatie en natuurverbetering in natura in gebieden waar al concreet vastgelegde verplichtingen liggen tot het realiseren van natuur, bos en/of landschapselementen is niet toegestaan en zal niet erkend worden als (onderdeel van) de uitvoering van een verplichting tot compensatie en natuurverbetering als bedoeld in deze bijlage.

  • 2.

    Compensatie en natuurverbetering in gebieden waarbij in de financiering van de aanleg van bos-, natuur- en landschaps-waarden reeds op andere wijze is voorzien, wordt voor dat deel niet beschouwd als onderdeel van uitvoering van een compensatieverplichting of natuurverbetering ter zake waarvan de overeenkomst wordt gesloten.

  • 3.

    Voor de uit te voeren compensatie of natuurverbetering dienen de vereiste toestemmingen, ontheffingen en/of vergunningen en dergelijke van overheidswege verkregen te zijn.

Artikel 13. Afstemming met eerdere regelingen

Indien eerder in een ander verband een sluitende regeling is getroffen voor de compensatie van natuurwaarden en voor zover deze regeling voldoet aan de vereisten van voorliggende beleidsregeldeze bijlage, dan zal de reeds afgesloten regeling tevens beschouwd worden als een invulling van deze beleidsregelbijlage. Dit is ter beoordeling aan gedeputeerde staten.

Categorie-indeling natuur en landschapselementen

Categorie-indeling natuur en landschapselementen

De potentiele en actuele natuurwaarden en landschapselementen zijn vertaald in natuurtypen en landschapselementtypen. Deze indeling is afkomstig van B12 (IPO). De verschillende typen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. De indeling in natuurtypen is vooral gebaseerd op abiotische natuurcondities (waterhuishouding en voedselrijkdom). De natuurtypen en landschapselementtypen in Limburg zijn vastgelegd op 2 kaarten in het Provinciaal Natuurbeheerplan. De natuurtypenkaart brengt in beeld wat de actuele natuurwaarden zijn. De ambitiekaart geeft de na te streven natuurtypen aan.

In deze bijlage zijn de natuurdoeltypen en landschapselementtypen ingedeeld in vier categorieën op basis van de verschillende mate van vervangbaarheid. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat tijdens de inrichting van het nieuwe, te ontwikkelen natuurgebied of aan te leggen landschapselement alle noodzakelijke inrichtingsmaatregelen zoals bijvoorbeeld grondwerken en waterpeilverhoging worden genomen. De tijd die vervolgens nodig is om in het gebied voldoende natuurkwaliteit te laten ontwikkelen, is bepalend voor de mate van vervangbaarheid. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het feit dat sommige natuurwaarden alleen onder zeer specifieke omstandigheden tot ontwikkeling kunnen komen. Voor een aantal natuurwaarden kunnen geen of slechts in zeer beperkte mate potentiele vervangingsmogelijkheden aanwezig zijn. Dergelijke natuurkwaliteiten zijn moeilijk vervangbaar. De onderstaande verdeling is een algemene indicatie van de mate waarin de natuur vervangbaar is.

 Categorie natuur

 Vervangbaarheid

 Ontwikkelingstijd

 Kwaliteitstoeslag bij groot openbaar belang

 Kwaliteitstoeslag bij overige**

 1

 snel

 < 2 jaar

 0% 

 0% 

 2

 gemakkelijk

 2-25 jaar

 33%

 66%

 3

 matig

 25-100 jaar

 66%

 132%

 4

 moeilijk

 >100 jaar

 > 66%, maximaal 100%*

 132%-200%***

* Voor de bos natuurtypen in categorie 4 (N 14.01 - N 17.06), als het de oude en waardevolle bossen betreft, is een kwaliteitstoeslag van toepassing van 100% vanwege de ouderdom en of de waardevolle natuurwaarden.

** Zijnde Kleinschalige Ingreep en Saldobenadering

*** Het toepassen van Saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen en kleinschalige ingrepen is niet toegestaan in N 14.01 - N 17.06  indien het oude en waardevolle bossen betreft.

Tot categorie 4 behoren eveneens die natuurwaarden waarvoor geen potentieel geschikte locaties aanwezig zijn.

In onderstaande tabel zijn alleen die B12 natuurtypen die voorkomen binnen de Provincie Limburg opgenomen. Een uitzondering is gemaakt voor de natuurtypen die behoren tot de categorie Grootschalige, dynamische natuur (N01).

Grootschalige, dynamische natuur is een natuurtype waar natuurlijke processen een bepalende invloed hebben op het landschap. Als gevolg hiervan zijn jonge successiestadia zoals open grond, open water of grasland aanwezig, maar ook oude successiestadia zoals bossen of venen. Er is daarom sprake van een ruime variatie in levensgemeenschappen en soorten.

In Limburg zijn twee natuurtypen Grootschalige, dynamische natuur te onderscheiden namelijk N01.03 Rivier- en moeraslandschap en N01.04 Zand- en kalklandschap. Afhankelijk van de ligging van de hiervoor genoemde natuurtypen grootschalige, dynamische natuur bestaat het uit een groot variatie van voorkomende beheertypen die echter vanwege het veranderlijke landschap niet in omvang en ligging apart in het beheer worden vastgelegd.

Wanneer bij een ruimtelijk ingreep in N01.03 en N01.04 natuur wordt aangetast dient eerst een beheertype toegekend te worden aan dat deel van de Grootschalige, dynamische natuurtype dat wordt aangetast. Dit aangetaste beheertype dient gecompenseerd te worden waarbij de samenhang en het functioneren binnen het Grootschalige, dynamische natuurtype in ogenschouw genomen moet worden. 

 Natuur- en landschapselementtypen (L)

 Categorie vervangbaarheid

 Categorie vervangbaarheid

 Categorie vervangbaarheid

 Categorie vervangbaarheid

 

 1

2

3

4

 N 00.01 Nog om te vormen naar natuur 1)

 *

 *

 *

*

 N01.03 Rivier- en moeraslandschap

 
 

 *

 

 N01.04 Zand- en kalklandschap

 
 

 *

 

 N 02.01 Rivier

 

 *

 
 

 N 03.01 Beek en bronnen

 
 
 

 *

 N 04.01 Kranswierenwater

 

 *

 
 

 N 04.02 Zoete plas

 

 *

 
 

 N 05.03 Veenmoeras

 
 

 *

 

 N.05.04 Dynamisch moeras

 
 

 *

 

 N 06.01 Veenmosrietland en moerasheide

 
 
 

 *

 N 06.03 Hoogveen

 
 
 

 *

 N 06.04 Vochtige heide

 
 
 

 *

 N 06.05 Zwakgebufferd ven

 
 

 *

 

 N 06.06 Zuur ven of hoogveenven

 
 
 

 *

 N 7.01 Droge heide

 
 
 

 *

 N 7.02 Zandverstuiving

 

 *

 
 

 N 10.01 Nat schraalgrasland

 
 

 *

 

 N 10.02 Vochtig hooigrasland

 
 

 *

 

 N 11.01 Droog schraalgrasland

 
 

 *

 

 N 12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

 

 *

 
 

 N 12.03 Glanshaverhooiland

 

 *

 
 

 N 12.04 Zilt- en overstromingsgrasland

 
 

 *

 

 N 12.05 Kruiden- en faunarijke akker

 

 *

 
 

 N 12.06 Ruigteveld

 

 *

 
 

 N 13.01 Vochtig weidevogelgrasland

 

 *

 
 

 N 13.02 Wintergastenweide

 *

 
 
 

 N 14.01 Rivier- en beek begeleidend bos

 
 

 *

 

 N 14.02 Hoog- en laagveenbos

 
 
 

 *

 N 14.03 Haagbeuken- en essenbos

 
 
 

 *

 N 15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos

 
 
 

 *

 N 16.03 Droog bos met productie

 
 
 

 *

 N 16.04 Vochtig bos met productie

 
 
 

 *

 N 17.02 Drooghakhout

 
 
 

 *

 N17.06 Vochtig en hellinghakhout

 
 
 

 *

 L01.01 Poel en klein historisch water

 

 *

 
 

 L01.02 Houtwal en houtsingel

 
 

 *

 

 L01.03 Elzensingel

 
 

 *

 

 L01.05 Knip- of scheerheg

 

 *

 
 

 L01.06 Struweelhaag

 

 *

 
 

 L01.07 Laan

 
 

 *

 

 L01.08 Knotboom

 
 

 *

 

 L01.09 Hoogstamboomgaard

 

 *

 
 

 L01.16 Bossingel

 
 

 *

 

1) bij om te vormen naar natuur wordt gekeken naar de potenties van het gebied. De potentiele natuurwaarden bepalen in welke categorie.

Categorie-indeling natuur

De potentiële en actuele natuurwaarden zijn vertaald in respectievelijk natuurdoeltypen en natuurbeheertypen en vastgelegd op 2 kaarten in het Provinciaal natuurbeheerplan.

De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele natuurwaarden zijn. De ambitiekaart geeft de na te streven natuurdoeltypen aan.

In deze bijlage zijn de natuurdoeltypen en de natuurbeheertypen ingedeeld in vier categorieën op basis van de verschillende mate van vervangbaarheid. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat tijdens de inrichting van het nieuwe, te ontwikkelen natuurgebied alle noodzakelijke inrichtingsmaatregelen zoals bijvoorbeeld grondwerken en waterpeilverhoging worden genomen. De tijd die vervolgens nodig is om in het gebied voldoende natuurkwaliteit te laten ontwikkelen, is bepalend voor de mate van vervangbaarheid. Daarnaast moet rekening worden gehouden met het feit dat sommige natuurwaarden alleen onder zeer specifieke omstandigheden tot ontwikkeling kunnen komen. Voor een aantal natuurwaarden kunnen geen of slechts in zeer beperkte mate potentiële vervangingsmogelijkheden aanwezig zijn. Dergelijke natuurkwaliteiten zijn niet vervangbaar. Behalve om ecologische redenen kunnen bepaalde natuurkwaliteiten ook om bestuurlijke of privaatrechtelijke redenen moeilijk of niet vervangbaar zijn. De onderstaande verdeling is een algemene indicatie van de mate waarin de natuur vervangbaar is.

Categorie natuur

Vervangbaarheid

Ontwikkelingstijd

Kwaliteitstoeslag

1

snel

< 2 jaar

0%

2

gemakkelijk

2 - 25 jaar

33%

3

matig

25 - 100 jaar

66%

4

moeilijk of niet

> 110 jaar

> 66%, maximaal 100%

Tot categorie 4 behoren eveneens die natuurwaarden waarvoor geen potentieel geschikte locaties aanwezig zijn.

Het Handboek Streefbeelden voor Natuur en Water in Limburg (Provincie Limburg, 2002) is als uitgangspunt genomen voor het benoemen van de natuurdoeltypen. Alle daarin genoemde natuurdoeltypen zijn ingedeeld in één van de vier categorieën van vervangbaarheid.

Limburgse Natuurdoeltypen

Categorie vervangbaarheid

Categorie vervangbaarheid

Categorie vervangbaarheid

Categorie vervangbaarheid

 

1

2

3

4

A 1 Bossen

 
 
 
 

A 1.1 Wintereiken-Beukenbos

 
 
 

x

A 1.2 Parelgras- Beukenbos

 
 
 

x

A 1.3 Bronbos

 
 
 

x

A 1.4 Eiken-Haagbeukenbos

 
 
 

x

A 1.5 Berken-Zomereikenbos

 
 
 

x

A 1.6 Vogelkers-Essenbos

 
 
 

x

A 1.7 Elzenbroekbos

 
 
 

x

A 1.8 Berkenbroekbos

 
 
 

x

A 1.9 Essen-Iepenbos

 
 

x

 

A 1.10 Zwarte populieren-Wilgenbos

 
 

x

 
 
 
 
 
 

A 2 Struwelen

 
 
 
 

A 2.1 Doornstruweel

 

x

 
 

A 2.2 Bremstruweel

 

x

 
 

A 2.3 Gagelstruweel

 

x

 
 

A 2.4 Wilgenstruweel

 

x

 
 

A 2.5 Stroomdalwilgenstruweel

 

x

 
 
 
 
 
 
 

A 3 Heiden

 
 
 
 

A 3.1 Droge heide

 
 
 

x

A 3.2 Vochtige heide

 
 
 

x

A 3.3 Natte heide

 
 
 

x

 
 
 
 
 

A 4 Hoogveen

 
 
 

x

 
 
 
 
 

A 5 Graslanden

 
 
 
 

A 5.1 Kalkgrasland

 
 
 

x

A 5.2 Lössschraalgrasland

 
 
 

x

A 5.3 Heischraalgrasland

 
 
 

x

A 5.4 Zandschraalgrasland

 
 
 

x

A 5.5.1 Kamgrasweide

 

x

 
 

A 5.5.2 Glanshaverhooiland

 

x

 
 

A 5.6 Dotterbloemgrasland

 
 

x

 

A 5.7.1 Kleine zeggengrasland

 
 
 

x

A 5.7.2 Nat kalkgrasland

 
 
 

x

A 5.8 Sikkelklaver-kruisdistelgrasland

 
 

x

 

A 5.9 Inundatiegrasland

 
 

x

 

A 5.10 Vochtig kruidenrijk grasland

 

x

 
 

A 5.11 Droog kruidenrijk grasland

 

x

 
 
 
 
 
 
 

A 6 Moerassen

 
 
 
 

A 6.1 Kleine zeggenmoeras

 
 
 

x

A 6.2 Kalkmoeras

 
 
 

x

A 6.3 Rietmoeras

 

x

 
 

A 6.4 Grote zeggenmoeras

 
 

x

 

A 6.5 Inundatiemoeras

 
 

x

 
 
 
 
 
 

A 7 Ruigten

 
 
 
 

A 7.1 Droge ruigten

 

x

 
 

A 7.2 Vochtige ruigten

 

x

 
 

A 7.3 Verbindingsruigte

x

 
 
 
 
 
 
 
 

A 8 Wateren

 
 
 
 

A 8.1 Heuvellandbeek

 
 
 

x

A 8.2 Terrasbeek

 
 
 

x

A 8.3 Laaglandbeek

 
 
 
 

A 8.4 Rivier

 

x

 
 

A 8.5 Voedselarme plassen

 

x

 
 

A 8.6 Voedselrijke plassen

 

x

 
 
 
 
 
 
 

A 9 Pioniergemeenschappen

 
 
 
 

A 9.1 Pioniergemeenschappen op kalk

 

x

 
 

A 9.2.1 Pioniergemeenschappen op droog zand

 

x

 
 

A 9.2.2 Pioniergemeenschappen op vochtig zand

 

x

 
 

A 9.3 Pioniergemeenschappen op grind

 

x

 
 

A 9.4 Pioniergemeenschappen op klei

 

x

 
 
 
 
 
 
 

A 10 Kruidenrijke akkers

 
 
 
 

A 10.1 Kruidenrijke akker op kalkrijke bodem

 

x

 
 

A 10.2 Kruidenrijke akker op droog kalkarmzand

 

x

 
 

A 10.3 Kruidenrijke akkers op vochtige zware bodem

 

x

 
 

Natuurbeheertypen

Categorie vervangbaarheid

Categorie vervangbaarheid

Categorie vervangbaarheid

Categorie vervangbaarheid

 

1

2

3

4

N 00.01 Nog om te vormen naar natuur1

x

x

x

x

 
 
 
 
 

N 02.01 Rivier

 

x

 
 
 
 
 
 
 

N 03.01 Beek en bronnen

 
 
 

x

 
 
 
 
 

N 04.01 Kranswierenwater

 

x

 
 

N 04.02 Zoete plas

 

x

 
 
 
 
 
 
 

N 05.03 Veenmoeras

 
 

x

 

N 05.03 Dynamisch moeras 

 
 

x

 
 
 
 
 
 

N 06.01 Veenmosrietland en moerasheide

 
 
 

x

N 06.03 Hoogveen

 
 
 

x

N 06.04 Vochtige heide

 
 
 

x

N 06.05 Zwakgebufferd ven

 

x

 
 

N 06.06 Zuur ven of hoogveenven

 
 
 

x

 
 
 
 
 

N 7.01 Droge heide

 
 
 

x

N 7.02 Zandverstuiving

 

x

 
 
 
 
 
 
 

N 10.01 Nat schraalgrasland

 
 

x

 

N 10.02 Vochtig schraalgrasland

 
 

x

 
 
 
 
 
 

N 11.01 Droog schraalgrasland

 
 

x

 
 
 
 
 
 

N 12.02 Kruiden- en faunarijk grasland

 

x

 
 

N 12.03 Glanshaverhooiland

 

x

 
 

N 12.04 Zilt- en overstromingsgrasland

 
 

x

 

N 12.05 Kruiden- en faunarijke akker

 

x

 
 

N 12.06 Ruigteveld

 

x

 
 
 
 
 
 
 

N 13.01 Vochtig weidevogelgrasland

 

x

 
 

N 13.02 Wintergastenweide

x

 
 
 
 
 
 
 
 

N 14.01 Rivier- en beek begeleidend bos

 
 

x

 

N 14.02 Hoog- en laagveenbos

 
 
 

x

N 14.03 Haagbeuken- en essenbos

 
 
 

x

 
 
 
 
 

N 15.01 Dennen-, eiken- en beukenbos

 
 
 

x

 
 
 
 
 

N 16.03 Droog bos met productie

 
 

x

 

N 16.04 Vochtig bos met productie 

 
 

x

 
 
 
 
 
 

N 17.02 Drooghakhout

 
 
 

x

N 17.16 Vochtig en hellinghakhout

 
 
 

x

1)bij om te vormen naar natuur wordt gekeken naar de potenties van het gebied. De potentiele natuurwaarden bepalen in welke categorie.

Toelichting bij Bijlage IX Regels voor natuurcompensatie en natuuverbetering

Algemene bepalingen

Artikel 2. Toepassingsbereik

Deze bijlage is van toepassing op de bestaande landschaps-, bos- en natuurwaarden voor zover deze zijn gelegen binnen het Natuurnetwerk Limburg. De bijlage is ook van toepassing op de deelgebieden binnen de groenblauwe landbouwzone en verwevingsgebieden als bedoeld in artikel 7.3 en het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg, Voor de deelgebieden en het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg zijn aantal kernkwaliteiten opgenomen in artikel 7.3, tweede lid en artikel 7.14, eerste lid en uitgewerkt in respectievelijk bijlage VII en Bijlage VIII. 

Het uitgangspunt is dat afbreuk van bos-, natuur-, en landschapswaarden dient te worden voorkomen. Indien er toch sprake is van vernietiging, verstoring of versnippering van natuurwaarden is deze bijlage van toepassing.

Mitigerende en compenserende maatregelen dienen ter vervanging van optredend verlies van natuurwaarden en moeten derhalve nauwkeurig zijn toegesneden op de aard en omvang van de effecten van de uit te voeren activiteit. De aard van de effecten van de ingreep kan ingedeeld worden in drie categorieën: 

Vernietiging De activiteit vindt plaats in het natuur-, bos- of landschapsgebied waardoor natuurwaarden verdwijnen. 

Verstoring Verstoring treedt op indien een activiteit in/bij een natuur-, bos- of landschapsgebied uitstralingseffecten heeft op dat natuur-, bos- of landschapsgebied. Voorbeelden hiervan zijn: licht, geluid, trilling, betreding, visuele hinder en grondwaterstandverlaging. 

Versnippering Versnippering vormt een bedreiging voor de natuur. Een activiteit, zoals bijvoorbeeld de aanleg van infrastructuur, kan het leefgebied van plant- en diersoorten splitsen in kleinere eenheden (snippers of fragmenten) leefgebied. De ecologische relaties binnen een leefgebied of tussen delen van het leefgebied raken hierdoor verstoord of worden onmogelijk gemaakt. Dit heeft een negatieve invloed op: de verplaatsingsmogelijkheden van planten en dieren, genetische uitwisseling, biodiversiteit, de omvang van het leefgebied. Populaties raken geïsoleerd van elkaar in kleinere leefgebieden met als gevolg een grotere kans op uitsterven. Eveneens hebben drukfactoren op een klein, geïsoleerd gebied een grotere impact dan op een robuust ecosysteem. 

Relatie met soortenbescherming. Mitigatie en compensatie voor schade toegebracht aan soorten wordt niet via de lijn van de natuurcompensatie geregeld, maar via het spoor omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteit

Het is mogelijk om de mitigatie en/of compensatieverplichting volgens deze bijlage te combineren met de verplichting tot mitigatie en/of compensatie bij een flora- en fauna-activiteit ter zake van diezelfde activiteit. Uiteraard dient wel voldaan te worden aan de voorwaarden en eisen die worden gesteld vanuit de Omgevingswet.

Artikel 3. Aanpak compensatie en natuurverbetering De initiatiefnemer realiseert zelf voorafgaand aan de activiteit natuurcompensatie of natuurverbetering in het Natuurnetwerk Limburg of aangrenzend aan het Natuurnetwerk Limburg. Aan de compensatieplicht is voldaan indien tien jaar na realisatie uit veldonderzoek (drie controleronden) door de Provincie Limburg is gebleken dat de initiatiefnemer heeft gezorgd voor de instandhouding van de compensatiemaatregelen overeenkomstig het compensatieplan.In uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten gemotiveerd afwijken van het uitgangspunt om compensatie voorafgaand aan de activiteit te realiseren. 

Artikel 4. Bepalen van de compensatieopgave

Kwaliteitstoeslag De kwaliteitstoeslag voor gebieden in het Natuurnetwerk Limburg compenseert het kwaliteitsverlies aan natuurwaarden. Het uitgangspunt is dat door middel van het realiseren van een extra oppervlakte natuurterrein, bos of landschapselement het verlies aan waarden gedurende de periode tussen de uitvoering van de compenserende maatregelen en het moment dat het voor de nieuwe waarden nagestreefde kwaliteitsniveau is bereikt, moet worden overbrugd. De extra oppervlakte - dat wil zeggen de oppervlakte welke additioneel is aan de oppervlakte welke verloren gaat - wordt de ‘kwaliteitstoeslag' genoemd. Deze toeslag is afhankelijk van de snelheid waarmee de nagestreefde kwaliteit van de compensatie kan worden gerealiseerd en van de zeldzaamheid van de natuurwaarden die verloren gaan. 

De compensatieopgave, inclusief de kwaliteitstoeslag, kan ingevuld worden met andere natuurtypen van vergelijkbare waarde uit dezelfde of een hogere categorie onder de volgende voorwaarden:

  • water alleen gecompenseerd kan worden door water, droog door droog en vochtig door vochtig en

  • voldaan dient te worden aan wettelijke bepalingen.

Categorie 1 is de laagste en categorie 4 is de hoogste categorie.

Landschapselemententypen Wanneer het verwijderen van landschapselementen een verbetering van de natuurwaarden van het Natuurnetwerk Limburg geeft is er geen compensatie vereist voor het verlies aan landschapselementen. Het verlies aan natuurwaarden dat gebonden is aan landschapselementen weegt in dat geval minder zwaar dan de verbetering van de natuurwaarden van het natuurnetwerk in zijn geheel. 

Verstoring van rust en stilte Verstoring door geluid heeft een negatief effect op de rust en stilte in het Natuurnetwerk Limburg, en daarmee op het leefgebied van soorten. Dit heeft o.a. tot gevolg dat de communicatie tussen dieren onderling zoals bijvoorbeeld zang of roep wordt gestoord en daarmee het predatierisico vergroot en succesvolle voortplanting verkleind. Inmiddels is aangetoond dat het broedsucces van diverse vogelsoorten binnen een geluid belaste regio minder is, of dat de gebieden minder worden gebruikt.

Er is weinig onderzoek verricht naar het effect van een toename van geluidsbelastingop de kwaliteit van leefgebieden voor soorten. Van bevers, otters en muurhagedissen is enige locatiespecifieke informatie beschikbaar, maar minder vlakdekkend en het betreft geen sluitend wetenschappelijk onderzoek. Er zijn alleen goed onderbouwde gegevens voorhanden naar het effect van geluidsverstoring op broedvogels. Het berekenen van compensatie voor geluidsverstoring op leefgebieden kan dan ook het best worden gedaan aan de hand van broedvogels. Voor de provincie Limburg is dit uitgewerkt in het rapport: Methodiek Natuurcompensatie Limburg, Bepaling mitigatie en compensatie bij aantasting beschermde natuurwaarden. Dit rapport is op verzoek van de Provincie Limburg opgesteld om natuurschade aan flora, fauna en aan beschermde natuurgebieden, te berekenen en te compenseren. De methodiek is gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek door het voormalige Instituut voor Bos- en natuuronderzoek, tegenwoordig Wageningen University and Research (WenR). Deze methodiek is sindsdien regelmatig toegepast. 

De hiervoor genoemde methodiek biedt voor dit moment de beste garantie op het behoud van stilte en rust in het Natuurnetwerk Limburg en het bepalen van de daarvoor noodzakelijke compensatie.

Versnippering Het Natuurnetwerk Limburg staat voor een robuust ecologische structuur. Behoud van deze samenhang is één van de belangrijke opgaven voor het natuurnetwerk (artikel 8.2 van de Omgevingsverordening). Versnippering doet daar afbreuk aan. Versnippering van het natuurnetwerk ontstaat wanneer door een activiteit het natuurnetwerk wordt opgedeeld in eenheden van twee hectare of kleiner. Dergelijk kleine snippers kunnen niet meer onder optimale omstandigheden een volwaardige natuurfunctie vervullen in het natuurnetwerk. Ook is de impact van negatieve invloeden vanuit de omgeving (drukfactoren) op een kleine snipper natuur groter. 

Artikel 5. Bepalen compensatieopgave bij natuurverbetering.  De toeslagen bij het toepassen van saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.4 en kleinschalige ingrepen als bedoeld in artikel 8.5 zijn bedoeld om een duidelijke verbetering van het natuurnetwerk tot stand te brengen. Dit is meer dan alleen een compensatie van de natuurwaarden die verloren zijn gegaan zoals gebruikelijk is bij een groot openbaar belang.

Wanneer gebruik wordt gemaakt van saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.4 of kleinschalige ingrepen als bedoeld in artikel 8.5 is er geen sprake van een activiteit met een groot openbaar belang, maar een belang van één of enkele individuen. Uitgesloten is dan ook om gebruik te maken van de kleinschalige ingreep en saldobenadering bij oude en waardevolle bossen.

Artikel 6 Uitvoering compensatieverplichting en natuurverbetering De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het doorlopen van het gehele traject zoals het aankopen van de grond, het maken van een inrichtingsplan, inclusief een beheerplan voor de eerste tien jaar (met doorkijk na de eerste 10 jaar), het doorlopen van wettelijk procedures, het opstellen van een omgevingsplan voor de te realiseren natuurcompensatie, etc. Op verschillende momenten tijdens het doorlopen van het natuurcompensatietraject is afstemming met de Provincie Limburg noodzakelijk.

Vanuit ecologisch oogpunt is het ongewenst dat er te kleine natuurelementen worden gerealiseerd die gedurende een lange periode geïsoleerd zouden komen te liggen. Gestreefd wordt naar het creëren van een duurzame situatie. Dit betekent dat bij compensatie in de deelgebieden als bedoeld in artikel 7.3 en in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg aansluiting dient te worden gezocht bij reeds gerealiseerde kleine natuur- en landschapselementen.

Artikel 7. Criteria voor toetsing van de overeenkomst en het plan. Het plan bevat een onderbouwing van de berekening van de vereiste oppervlakte aan compensatie of natuurverbetering.

In het plan wordt onder anderen het beheer beschreven gedurende de looptijd van de overeenkomst met een doorkijk na de eerste tien jaar. Het beheer is afgestemd op de na te streven natuur die gecompenseerd dient te worden waarbij rekening dient te worden gehouden met de plaatselijke abiotische en biotische omstandigheden. Er is aandacht voor onder anderen invasieve exoten en inboeten. Voor de aansturing van het beheer wordt aangesloten op de beheertypen van B12. Zo nodig wordt het beheerplan gedurende de looptijd van de overeenkomst, in overleg met de Provincie Limburg, bijgesteld op basis van de drie controles die worden uitgevoerd door de Provincie Limburg. De controles worden uitgevoerd aan de hand van een checklist.

Bij de uitvoering van de maatregelen dient gebruik te worden gemaakt van inheemse, autochtoon, regionaal voorkomende soorten, bij voorkeur biologisch. Hiervan kan worden afgeweken indien kan worden aangetoond dat deze niet beschikbaar zijn. Bij het beheer mag geen gebruik worden gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen. Als blijkt dat alle andere middelen onvoldoende de ongewenste exoten kunnen bestrijden is het selectief en pleksgewijs gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen toegestaan na overleg met de Provincie Limburg.

In geval van een groot openbaar belang (artikel 8.3), bij toepassen van de saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen als bedoeld in artikel 8.4 en kleinschalige ingrepen als bedoeld in artikel 8.5 wordt een boeteclausule opgenomen in de overeenkomst. Indien uit de veldcontrole blijkt dat niet aan de afspraken is voldaan volgt een schriftelijk waarschuwing. Wanneer geen gehoor is gegeven aan de schriftelijk waarschuwing treedt de boeteclausule inwerking. Immers het niet nakomen van de afspraken leidt tot een bepaalde mate van verlies van natuurwaarden en druist daarmee in tegen het centrale doel van deze bijlage. De Provincie zal initiatiefnemer hiervan schriftelijk op de hoogte stellen. De hoogte van de boete staat in verhouding tot de omvang van de natuurcompensatie of natuurverbetering.

Een boeteclausule is niet nodig indien een overheid zelf initiatiefnemer is. De Provincie Limburg gaat ervan uit dat een bestuurlijke afspraak tussen twee overheden niet zeker gesteld hoeft te worden door een boeteclausule.

Artikel 8 Realisatietermijn compensatie en natuurverbetering De compensatie of natuurverbetering dient gereed te zijn voor aanvang van de activiteit. Dit betekent dat de nieuwe natuur moet zijn aangelegd voordat de te verwijderen natuur is verdwenen. De initiatiefnemer meldt het gereedkomen van de compensatie of natuurverbetering binnen een maand na gereedkomen zodat de eerste controle kan worden uitgevoerd. Er worden drie controles uitgevoerd. Deze worden, indien mogelijk, vastgelegd in de overeenkomst en vinden plaats in het eerste jaar na aanleg, na vijf jaar en na tien jaar. De controles dienen ervoor om te beoordelen of de natuurcompensatie of natuurverbetering is aangelegd volgens afspraak en of de natuurcompensatie of natuurverbetering zich ontwikkelt in de te verwachten richting zodat eventueel tijdig bijgestuurd kan worden. Indien daar aanleiding toe is kunnen er meer dan drie controles plaatsvinden. Voldoet de uitgevoerde compensatie of natuurverbetering niet aan de afspraken dan treedt de boetclausule, opgenomen in de overeenkomst, in werking. Indien uit de laatste controle blijkt dat is voldaan aan de overeenkomst wordt de overeenkomst afgesloten. De initiatiefnemer wordt hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Projecten waarbij de provincie zelf initiatiefnemer is, ondergaan dezelfde controle frequentie als projecten die extern worden gerealiseerd.

Het inzetten van tijdelijk werkstroken voor compensatie kan alleen indien de abiotische omstandigheden in oorspronkelijke staat zijn hersteld van voor het gebruik als werkstrook. 

Artikel 9 Locatie van compensatie en natuurverbetering Compensatie dient in principe binnen het Natuurnetwerk Limburg plaats te vinden op de gronden waar areaal uitbreiding van natuur is voorzien, de zogenaamde C gronden opgenomen in het Provinciaal Natuurbeheerplan. In sommige situaties kan compensatie plaatsvinden aangrenzend aan het NNL bij voorkeur in de deelgebieden als bedoeld in artikle 7.3.

Aangezien de Provincie Limburg niet over middelen beschikt om alle C gronden in het Natuurnetwerk Limburg te realiseren wordt natuurcompensatie ingezet als instrument om hierin te voorzien. De te realiseren compensatie dient samen met bestaande, reeds gerealiseerde delen van het Natuurnetwerk Limburg, minimaal twee hectare te beslaan om te voorkomen dat er te kleine natuurelementen worden gerealiseerd die gedurende een lange periode geïsoleerd zouden komen te liggen. Door een “vrije” ligging is er ook een grotere negatieve invloed vanuit de omgeving, Vanuit ecologisch oogpunt is dit een ongewenste situatie. Gestreefd wordt naar het creëren van een duurzame situatie. Door de compensatie in of aansluitend aan het Natuurnetwerk Limburg te realiseren ontstaat een robuust ecologisch netwerk. 

Bij de realisatie van de compensatiemaatregelen dient vermeden te worden dat door de uitvoering van de maatregelen de ter plekke aanwezige natuurwaarden verstoord of vernietigd worden. De locatie van de compensatie dient in potentie van vergelijkbare ecologische waarde te zijn. Bijvoorbeeld een grotere verstoring op de compensatielocatie, dan de locatie waar de natuur is vernietigd, is niet toegestaan. 

Artikel 10. Waarborging zorgvuldige en tijdige uitvoering. Op het moment dat de maatregelen zijn uitgevoerd zal de Provincie Limburg een veldcontrole uitvoeren. Vijf jaar na aanleg zal een tweede controle plaatsvinden. De laatste controle is na tien jaar. De bevindingen van de veldcontroles worden vastgelegd in een verslag. 

Artikel 12. Afstemming met andere verplichtingen Gronden in het Natuurnetwerk Limburg die zijn ingericht via bijvoorbeeld particulier natuurbeheer of worden ingericht door middel van een eind afwerkingsplan van een ontgronding worden niet aangemerkt als natuurcompensatie of natuurverbetering als bedoeld in deze bijlage. 

Artikel 13. Afstemming met andere regelingen Het is mogelijk dat reeds in ander verband een sluitende regeling is getroffen voor de compensatie van natuur-, bos- en landschapswaarden of voor natuurverbetering. Indien deze in overeenstemming is met hetgeen in deze bijlage is gesteld dan zal de reeds afgesloten regeling tevens beschouwd worden als een invulling van deze bijlage. Voldoet de gesloten regeling niet aan deze bijlage dan zal een aanvullende overeenkomst noodzakelijk zijn.

FFFF

Bijlage X wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage X Perioden vrijstelling vangstverbod en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van beschermde diersoorten

Perioden vrijstelling vangstverbod en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen van beschermde diersoorten

afbeelding binnen de regeling

GGGG

Na bijlage XII wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage XIII Bedrijfscategorieën 1 tot en met 6

Bedrijfscategorieën 1 tot en met 6

Bedrijfscategorieën

HHHH

Bijlage XIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage XIII XIV Lijst van zonneparkprojecten

Lijst van zonneparkprojecten

Lijst van zonneparkprojecten als bedoeld in artikel 13.313.4, derde lid

 
 

Wat is de (beoogde) locatie van het project?

 
 
 
 

Gemeente

Projectnaam

Straat

Huisnummer

Plaats

Ha zon

In welke fase bevindt het project zich?

 N en M Limburg

 
 
 
 
 
 

Bergen

Wellsmeer (uitgangspunt is dat bestaande afspraken bij dit project worden gehandhaafd)

Wellsmeer

 

Bergen

400

Omgevingsvergunning verleend

Echt-Susteren

Solar Provider Group, Bos en Broek

Bos en Broek

2

Koningsbosch

4,9

Subsidiebesluit en bouw

Echt-Susteren

Solar Provider group Dominicusweg

Dominicusweg

3

Maria Hoop

6,3

Subsidiebesluit en bouw

Echt-Susteren

LC Energy BV Putbroekersweg

Putbroekersweg

28

Maria Hoop

18,3

Subsidiebesluit en bouw

Echt-Susteren

Zonnepark Groensebos Sint Joost

Groensebos

 

Sint Joost

8

Subsidiebesluit en bouw

Horst aan de Maas

Zonneweide Dorperpeelweg

Dorperpeelweg

 

Mariaheide

275

Kenbaar gemaakt

Maasgouw

Mispadenhof

Mispadenhof/ Hofstraat

25

Maasgouw

1,5

Omgevingsvergunning verleend

Maasgouw

POL / de slaag / Osen 1 Heel

Osen

1

Heel

16

Principeverzoek ingediend

Nederweert

Zonnepark 't Kruis.

Landgoed 't Kruis

 

Nederweert

9,2

Omgevingsvergunning verleend

Peel en Maas

Zonnepark de Schorf

Schorfweg

 

Beringe

28

Omgevingsvergunning verleend

Peel en Maas

Zonnepark de Spiesberg

Spiesberg

 

Grashoek

14,5

Omgevingsvergunning aangevraagd

Roerdalen

Zonnepark Montfort Stort

Maasbrachterweg

3

Montfort

22

Subsidiebesluit en bouw

Roerdalen

Hobertveldweg

Waarderweg

 

St. Odiliënberg

14,4

Omgevingsvergunning aangevraagd

Roerdalen

Kleine Bergerweg

Kleine Bergerweg

 

St. Odiliënberg

20

Omgevingsvergunning aangevraagd

Venray

Solar Fields

Beemdweg

 

Leunen

25

Omgevingsvergunning verleend

Venray

Zonnepark Puttenweg-Spoor 3

Puttenweg

60

Ysselsteyn

2

Principeverzoek ingediend

Venray

Kronos

A73 Smakt

 

Smakt

20

Omgevingsvergunning aangevraagd

Weert

Zonnepark nabij windpark Schoordijk

Schoordijk

 

Weert

6,2

Principeverzoek ingediend

Zuid-Limburg

 
 
 
 
 
 

Meerssen

Schietecoven

Boksterveldweg

 

Meerssen

8

Principeverzoek ingediend

Voerendaal

Karstraat

Karstraat

 

Voerendaal

17

Principemedewerking verleend

Voerendaal

Heugdenweg

Heugdenweg

 

Voerendaal

3

Principemedewerking verleend

Voerendaal

Ransdalerweg

Ransdalerweg/Midweg

 

 Voerendaal

8

Principemedewerking verleend

IIII

Het opschrift van toelichting 'Toelichting' wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Toelichting Toelichting

JJJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.3 Schakelbepaling

In de verordening staan onder meer instructieregels. In de meeste gevallen gaat het om instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen als zij het omgevingsplan vaststellen of wijzigen. In artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 was bepaald dat de instructieregels die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van die verordening niet alleen voor 'bestemmingsplannen' golden, maar breder voor 'ruimtelijke plannen'. Hieronder werden niet alleen bestemmingsplannen begrepen, maar onder meer ook wijzigings- of uitwerkingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen waarmee werd afgeweken van het bestemmingsplan.

Een soortgelijke bepaling in de omgevingsverordening is onder de Omgevingswet niet meer nodig. Voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit gelden de instructieregels namelijk rechtstreeks op grond van de artikelen 8.0b en 8.0c van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze artikelen bepalen dat de instructieregels van de omgevingsverordening voor het vaststellen van een omgevingsplan, overeenkomstig worden toegepast als beoordelingsregel bij het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De overeenkomstige toepassing van de instructieregels bij een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is niet expliciet geregeld, maar dat is ook niet nodig. Immers het hele omgevingsplan, inclusief binnenplanse vergunningstelsels en daarbij horende beoordelingsregels, moet voldoen aan de instructieregel zoals opgenomen in de omgevingsverordening.

De overige 'ruimtelijke besluiten' die artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 noemde, hebben onder de Omgevingswet geen vergelijkbare opvolger gekregen.

Artikel 2.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 gold niet voor provinciale inpassingsplannen. Reden daarvan was dat zowel de verordening als het inpassingsplan werden vastgesteld door Provinciale Staten en instructieregels geef je niet aan jezelf. Voor de opvolger van het inpassingsplan in de Omgevingswet, het projectbesluit, ligt dat anders. De omgevingsverordening wordt door Provinciale Staten vastgesteld (behoudens delegatie) en het projectbesluit door Gedeputeerde Staten. Instructieregels van Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten zijn wel mogelijk. Daarom is nu Artikel 1.3 opgenomen waaruit volgt dat de instructieregels van de verordening die betrekking hebben op een omgevingsplan ook voor een projectbesluit van Gedeputeerde Staten gelden. De Omgevingswet kent ook een projectbesluit dat wordt vastgesteld door een Minister (opvolger van het tracébesluit) of door het Dagelijks Bestuur van het waterschap (opvolger van het projectplan Waterwet). Op die projectbesluiten van een Minister ziet artikel 1.3 niet. Op grond van artikel 2.23, eerste lid, onder a, onderdeel 4°, van de Omgevingswet is het niet toegestaan in de omgevingsverordening een instructieregel over een projectbesluit van het Rijk op te nemen. AlleVoor projectbesluiten van het Dagelijks Bestuur van het waterschap gelden alleen de instructieregels die gericht zijn totbetrekking hebben op het waterschap staanbeschermen van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg en de daarbij behorende regels over natuurcompensatie (paragraaf 8.1.2). Dit is bepaald in hoofdstuk 3het tweede lid van artikel 1.3. Uit artikel 7.8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, volgt namelijk dat een omgevingsverordening daarover regels moet bevatten.

De instructieregels die specifiek gericht zijn tot het waterschap en die het waterschap in acht moet nemen bij vaststelling van de waterschapsverordening, staan in hoofdstuk 3.

Instructieregels van de Omgevingsverordening gelden niet voor besluiten van bestuursorganen van het Rijk. Dat volgt uit artikel 2.23 van de Omgevingswet. Beoordelingsregels, ook al zijn dat van overeenkomstige toepassing verklaarde instructieregels, gelden echter wel voor het Rijk. In voorkomend geval heeft een bestuursorgaan van het Rijk (een minister) de mogelijkheid om ontheffing aan te vragen (zie toelichting bij artikel 1.6). Dat volgt uit artikel 8.0b, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

KKKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 3.1 Omgevingswaarden wateroverlast

Vanuit de provincie gelden voor regionale oppervlaktewateren omgevingswaarden, ofwel “normen” voor wateroverlast. Het waterschap is de beheerder van de regionale wateren. Vanuit die positie dient (alleen) het waterschap concrete maatregelen te nemen om de afvoer- en bergingscapaciteit van een regionaal oppervlaktewater te vergroten. Daarom moet het waterschap voldoen aan de provinciale normen voor wateroverlast.

Deze omgevingswaarden geven de maximaal toelaatbare kans op overstromingper jaar van aangewezen gebieden aan. Ze zijn gericht op extreme situaties: situaties die niet vaak voorkomen. Deze omgevingswaarden geven afhankelijk vande functie van het gebied en van het oppervlaktewater aan, aan welke normen debescherming tegen wateroverlast moet voldoen. Bij de uitvoering van maatregelenom aan deze normen te voldoen wordt rekening gehouden met de gevolgen van hetextremer wordende weer, met meer hoosbuien en daardoor een grotere kans opwateroverlast. Bij de normstelling wordt het uitgangspunt gehanteerd dat maatregelen haalbaar en betaalbaar, landschappelijk inpasbaar en ecologischduurzaam zijn. De normering regionale wateroverlast bepaalt de opgave inzakewateroverlast door het waterschap.

Normeringstabel: uitgangspunten omgevingswaarden regionale wateroverlastvanuit oppervlaktewater in Limburg

Normeringstabel: uitgangspunten voor de omgevingswaarden regionale wateroverlast vanuit oppervlaktewater in Limburg. Deze uitgangspunten zijn gebaseerd op de gebiedsaanduidingen in de Omgevingsvisie Limburg 2021 (de zones en gebieden zijn benoemd in de tweede kolom “specificatie”). Deze zones en gebieden zijn in 2026 met het gereedkomen van de nieuwe Omgevingsvisie Limburg gewijzigd. De normering blijft echter vooralsnog ongewijzigd (zie onderstaande toelichting “Herziening normering op basis van nieuwe Omgevingsvisie”).

Gebied

Specificatie

  Norm gemiddelde overstromingskans per jaar

overstromingskansgebieden A

1. Natuurnetwerk Limburg

2. Groenblauwe mantel langs alle natuurbeken* en langs omgevingsgerichte wateren binnen beekdalen en natte laagten**

Geen

overstromingskansgebieden B

Groenblauwe mantel langs omgevingsgerichte wateren buiten natte laagten en beekdalen

1:10

overstromingskansgebieden C

1. Overige landbouwgebieden, recreatieparken

2. Bebouwing in bebouwde kernen langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg***

1:25

overstromingskansgebieden D

Glastuinbouwgebieden

1:50

overstromingskansgebieden E

Bebouwing in bebouwde kernen behalve langs beken en in droogdalen in beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

1:100

 Punten F

Lokale bescherming woonkernen

 1:25

* langs natuurbeken in de groenblauwe mantel is het overstromingskansgebied A begrensd op minimaal 25 meter breed aan beide zijden van de beek.

** natte laagten langs omgevingsgerichte wateren die op grond van de Omgevingsverordening Limburg 2014 een norm hadden, behouden deze norm vooralsnog, met de intentie om deze op termijn (bij herijking normering of herinrichting beekdal) te laten vervallen.

*** eventuele verhoging of verlaging van de overstromingskans afhankelijk van kosten-baten analyse en ruimtelijke impact.

Toelichting bij de normeringstabel

De norm is uitgedrukt als maximale overstromingskans per jaar. Een norm van bijvoorbeeld 1:10 geeft aan dat in elk jaar de kans op een overstroming hoogstens 1:10 (0,1) is. Anders gezegd: een overstroming komt gemiddeld gezien niet vaker voor dan eens per 10 jaar (omdat het “gemiddeld” is kan het wel betekenen dat bijvoorbeeld dit jaar en volgend jaar een overstroming plaatsvindt en daarna 20 jaar niet).

De norm voor bebouwing geldt voor woningen en bedrijfs- en kantoorgebouwen in bebouwde kernen. De norm geldt niet voor stedelijk groen en overige onbebouwde terreinen in stedelijk gebied.

Daarbij is van belang dat:

  •  

    de norm voor deze bebouwing alleen geldt voor water dat zich op straatniveau of hoger bevindt en over de begane grondvloer naar binnen stroomt. De norm geldt dus niet voor lager gelegen bebouwing, souterrains, kelders, etc. Ook als water vanaf een andere zijde dan de straatzijde het pand binnenstroomt wordt het straatniveau aangehouden. De norm geldt dan niet als deze bebouwing lager ligt dan het straatniveau aan de straatzijde;

  • we aannemen dat water pas over de begane grond naar binnen stroomt als het over de drempel(s) kan stromen. Drempel definiëren we als onderdorpel van een deurkozijn;

  •  

    drempels van panden over het algemeen op 15 cm of meer boven straatniveau liggen, zodat er tot dat waterniveau nog geen water over de begane grondvloer naar binnen stroomt. Er zijn echter ook situaties waarbij toch water naar binnen stroomt als er minder dan 15 cm water op straat staat. Bij deze situaties is er geen inspanningsplicht voor het waterschap om aan de norm te voldoen. Desgewenst kunnen waterschap en gemeente wel gezamenlijk onderzoeken welke maatregelen mogelijk zijn om wateroverlast te beperken.

De normering is gebiedsdekkend op kaart vastgelegd. De volledig gebiedsdekkende weergave van de normering op de kaart brengt met zich mee dat ook (bijv. hooggelegen) gebieden die buiten de invloed vallen van regionale oppervlaktewateren zoals aangewezen in de legger van het waterschap op de kaart een norm hebben gekregen. Omdat het waterschap voor deze laatstbedoelde gebieden geen taak heeft kan dat tot misverstanden leiden. Wij zullen daarom in de planperiode onderzoeken hoe wij de werking van de normering in de Omgevingsverordening Limburg kunnen verduidelijken.

Het waterschap is verantwoordelijk voor het realiseren van de bescherming volgens de normen. Daarbij dient het waterschap de maatregelen zodanig te ontwerpen, dat deze ook in het verwachte klimaat van 2050 nog voldoen aan de geldende normen uit de Omgevingsverordening Limburg. Daarom dient bij aanvang van het ontwerpproces van maatregelen uitgegaan te worden van de op dat moment geldende klimaatscenario’s voor 2050.

Aanpassing normering in het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

Voor bebouwd gebied in het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg geldt in meerdere gevallen een lagere norm (1:25) dan voor bebouwd gebiedelders in Limburg (1:100) vanwege de grote landschappelijke impact van maatregelen in hellend gebied in combinatie met de hoge kosten. Zeker gezien deverwachte klimaatverandering met toenemende hevige regenbuien.

De ambitie is om waar dit goed mogelijk is (kosten niet hoger zijn dan dete vermijden schade; maatregelen inpasbaar) een hogere norm, tot maximaal 1:100 te realiseren. Indien uit een gebiedsproces blijkt dat een norm van 1:25 opbepaalde locaties niet haalbaar is zonder disproportionele kosten of zeer grote ongewenste impact op de omgeving kan de provincie voor die locaties ook eenlagere norm dan 1:25 vaststellen. Naast een afweging op kosten, baten en landschappelijke impact kunnen ook andere aspecten hierbij meewegen, zoals veiligheid of maatschappelijke ontwrichting.

In het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg is voor adequate bescherming tegen wateroverlast samenwerking tussen gemeenten (tegengaan vanwateroverlast vanuit het rioleringsstelsel), eigenaren van gronden op dehellingen (beperken afstroming van hemelwater) en Waterschap (water vanuitbeken en droogdalen). Voor laaggelegen woningen of bedrijven kan het nodigblijven dat bewoners zelf aanvullende maatregelen treffen.

De normering wateroverlast, geldt als inspanningsverplichting, te realiseren in 2035 met de kanttekeningen dat

  • a.

    van de inspanningsverplichting alleen afgeweken kan worden als realisatie norm fysiek niet mogelijk is of zou leiden tot disproportionelekosten of disproportionele impact op andere belangen;

  • b.

    de aard van de verplichting en de realisatietermijn periodiek zal worden herijkt op basis van de resultaten van het onderzoek “Water in Balans”, eventuele Rijksimpulsen voor de aanpak en de 6-jaarlijkse toetsing van het watersysteem door het waterschap.

Herziening normering op basis van nieuwe Omgevingsvisie

In de Omgevingsvisie Limburg (vastgesteld in 2026) zijn sommige gebiedsbegrenzingen herzien. Zo zijn onder meer de grenzen van de bebouwde kernen (althans: landelijke kernen en stedelijk gebied) herzien. Omdat de normering in de Omgevingsverordening Limburg gerelateerd is aan de begrenzing van de landelijke kernen en het stedelijk gebied, zal deze herziening gevolgen hebben voor de normering. Landelijke kernen en stedelijk gebied kennen immers in de Omgevingsverordening Limburg een normering van 1:25 of 1:100. 

Ook de grenzen van de groenblauwe mantel (thans: groenblauwe landbouwzone), beekdalen en natte laagten en andere zones zijn herzien. Er zijn verwevingsgebieden toegevoegd. 

Samen met betrokken partijen zullen de gevolgen van bedoelde wijzigingen voor de normering wateroverlast en de inspanningsverplichting voor het waterschap in beeld worden gebracht. De herziening van de normering zal vervolgens in een volgende wijziging van de Omgevingsverordening Limburg worden opgenomen. 

LLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 3.2.3 Klimaatadaptatie

Deze paragraaf gaat over het rekening houden met risico’s ten aanzien van klimaatverandering bij nieuwe ontwikkelingen en het toepassen van mogelijke adaptatiemaatregelen op het gebied van regionale wateroverlast, droogte en overstromingen.

Klimaatverandering vergroot de kans op onder andere overstromingen, wateroverlast en langdurige perioden van droogte. Alle overheden hebben in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie afgesproken klimaatadaptief te handelen en ernaar te streven de inrichting van Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust te laten zijn. Door middel van stresstesten die diverseIn de afgelopen jaren zijn door de overheden hebbenverschillende stresstesten uitgevoerd is (via klimaateffectatlas.nl)die inzicht beschikbaargeven in de gevoeligheid van locaties voor onder anderetoekomstige wateroverlast, overstromingdroogte en droogteoverstroming. De resultaten van de stresstesten in Limburg laten zien dat er opgaven liggen om de ruimtelijke inrichting aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering.

Klimaatadaptatie vormt daarom een van de drie hoofdopgaven in de Omgevingsvisie Limburg en in het provinciaal Waterprogramma 2022-2027 wordt benadrukt dat er bij de ruimtelijke inrichting rekening gehouden dient te worden met het veranderende weer en bijbehorende momenten van droogte en wateroverlast. Een kwetsbare functie, zoals een verzorgingshuis, op een locatie met een hoog overstromingsrisico of een grote (grond- of oppervlakte)watervragende functie op een droogtegevoelige locatie zijn immers niet wenselijk. De juiste keuzes in de ruimtelijke inrichting dragen bij aan de beschikbaarheid van voldoende zoetwater voor de diverse waterafhankelijke functies in periodes van droogte, het beperken of voorkomen van wateroverlast bij hevige neerslag en overstroming bij hoge afvoerpieken. Klimaatadaptatie stelt daarom randvoorwaarden aan locatiekeuze, ruimtelijke inrichting, ontwerp, bouwwijze en grondgebruik. Nieuwe ontwikkelingen of functies worden zo mogelijk daar gesitueerd waar ze passen bij het natuurlijke water- en bodemsysteem. Zoals aangekondigd in het Waterprogramma 2022-2027 wordt door middel van de regels in artikel 3.5 geborgd dat de in het tweede lid omschreven risico’s worden meegenomen in de motivering van ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.

In de motivering bij het omgevingsplan wordt ingegaan op de locatiekeuze en de functie in relatie tot het potentieel voorkomen van wateroverlast, overstroming en droogte en hoe afwenteling hiervan naar andere locaties wordt voorkomen. De mogelijke gevolgen en afwegingen ten aanzien van deze risico’s worden beschreven. Daarbij dient tevens ingegaan te worden op de manier waarop hiermee in de inrichtings- en bouwwijze is omgegaan en welke mitigerende of adapterende maatregelen en voorzieningen zijn genomen en ook afwenteling naar andere locaties wordt voorkomen. Naast het gebruik van de stresstest- en overstromingskaarten en de afstemming met waterschap Limburg in het kader van de verplichte watertoets, wordt geadviseerd met Rijkswaterstaat, WML, GGD, Veiligheidsregio Zuid- of Noord-Limburg, provincie Limburg en andere betrokkenen in het betreffende plangebied overleg te plegen. Klimaatadaptatie is namelijk een brede maatschappelijke opgave, die raakvlakken heeft met andere kerntaken en ontwikkelingen.

De verschillende beschikbare kaarten kunnen op de volgende manieren worden geraadpleegd:

  • landelijke kaarten zijn te raadplegen via de kaartviewer van de klimaateffectatlas. In deze viewer staan landelijk ontsloten kaarten met informatie over landelijke wateroverlast, hittestress en overstromingsrisico's met een korte uitleg. De klimaateffectatlas is te raadplegen via: Kaartviewer - Klimaateffectatlas;

  • in samenwerking met het Waterschap Limburg is de ‘Onderlegger water en bodem Limburg’ opgesteld. De onderlegger bestaat uit Limburgdekkende basis- en signaleringskaarten per thema (waterveiligheid, waterkwaliteit, droogte en hitte) en is te raadplegen via: Onderlegger Water en Bodem - Provincie Limburg;

  • voor Noord- en Midden-Limburg (gebied van Echt-Susteren tot en met Mook- en Middelaar) zijn aparte stresstestkaarten beschikbaar via: Waterpanel Noord Klimaatatlas 2.0.

MMMM

Na sectie 3.2.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Paragraaf 3.2.4 Wonen en verblijven in waterveiligheidszones H5 en H6

In waterveiligheidszones H5 en H6 is door waterdiepte en stroomsnelheid (of een combinatie daarvan) sprake van een groot waterveiligheidsrisico dat zich in de toekomst meer en meer gaat manifesteren. De zones zijn tot stand gekomen met behulp van neerslagvoorspellingen voor het jaar 2100.Om die reden zijn instructieregels opgesteld voor een omgevingsplan voor een gebied gelegen in een van deze zones.   

In waterveiligheidszone H5 zijn de waterdiepte en de stroomsnelheid (en de combinatie hiervan) zo groot dat er gevaar is voor verdrinking, het meesleuren van mensen en auto’s en het instorten van bouwwerken en gebouwen. Om deze reden voorziet een omgevingsplan voor een gebied gelegen in deze zone niet in een nieuwe verblijfsfunctie voor niet-zelfredzame personen. Onder ‘niet-zelfredzame personen’ worden (in ieder geval) verstaan: mensen die tijdens een crisissituatie niet zelf voor hun eigen veiligheid kunnen zorgen en (deels) afhankelijk zijn van hulp van anderen. In dit kader kan gedacht worden aan (niet limitatief): ouderen van 70 jaar of ouder, kinderen jonger dan 12 jaar, personen met een beperking (lichamelijk, cognitief, neurologisch, psychisch, auditief of visueel), personen met een taalbarrière, gedetineerden/personen in een gesloten inrichting of personen in een zorginstelling.  

In waterveiligheidszone H5 zijn nieuwe woonfuncties of verblijfsrecreatiefuncties alleen toegestaan als deze functies zo waterveilig mogelijk kunnen worden gerealiseerd en niet tot onverantwoorde extra opstuwing of overlast elders leiden. Omdat dit een complexe afweging en beoordeling is, dienen het Waterschap en de Veiligheidsregio Zuid- Limburg of de Veiligheidsregio Limburg-Noord om advies gevraagd te worden. In de leden 3 en 4 van artikel 3.6 is bepaald waarover advies moet worden gevraagd. 

In waterveiligheidszone H6 zijn de gevaren van verdrinking, meegesleurd worden en het instorten van gebouwen en bouwwerken dusdanig groot dat het onverantwoord is om in die zone woonfuncties, verblijfsrecreatiefuncties en functies voor verblijf van niet-zelfredzame mensen toe te voegen. Om deze reden voorziet een omgevingsplan voor een gebied gelegen in waterveiligheidszone H6 niet in de hiervoor genoemde functies. 

NNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.2 Aanwijzing beschermingsgebieden

Een waterwingebied is het gebied waar grondwater wordt onttrokken uit de bodem voor de productie van drinkwater. Het is belangrijk dat deze gebieden beschermd worden om de kwaliteit van ons drinkwater te waarborgen en verontreiniging ervan te voorkomen. Daarom gelden in de waterwingebieden de strengste regels.

In de meeste gevallen ligt rondom een waterwingebied een grondwaterbeschermingsgebied om het waterwingebied extra te beschermen. Ook in een grondwaterbeschermingsgebied gelden strenge regels om het grondwater, bestemd voor de bereiding van drinkwater, te beschermen.

Naast waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden zijn er in de verordening twee boringsvrije zones aangewezen: de Roerdalslenk en de Venloschol. In deze boringsvrije zones wordt het grondwater afgedekt door een kleilaag. Deze kleilaag biedt een natuurlijke bescherming tegen vervuiling van het grondwater. Het doorboren van zo'n kleilaag zou kunnen leiden tot vervuiling van het grondwater en daarom worden er regels gesteld die het doorboren of op andere wijze aantasten van de kleilagen verbieden.

Het grondwater in de boringsvrije zones is gereserveerd voor drinkwater en water voor overige menselijke consumptie. Onder dat laatste wordt verstaan, water voor de vervaardiging, behandeling, conservering of het in de handel brengen van levensmiddelen.

De boringsvrije zone Roerdalslenk is onderverdeeld in vier deelzones. Deze onderverdeling is gemaakt omdat de kleilaag niet in iedere deelzone even diep is. In het geval dat er een boring of andere ingreep in de bodem plaatsvindt in de Roerdalslenk is het dus afhankelijk van de diepte van de kleilaag tot hoe diep dat is toegestaan.

Om in de toekomst de mogelijkheid te hebben een nieuwe grondwaterwinning te realiseren zijn in Zuid Limburg twee zoekgebieden drinkwaterwinning aangewezen. Deze gebieden zijn in potentie geschikt om hier op termijn een nieuwe drinkwaterwinning met bijbehorende beschermingsgebieden te realiseren. In Noord- en Midden-Limburg zijn de 200-jaarszones rond de bestaande drinkwaterwinningen aangewezen als zoekgebied grondwaterbescherming. Om te voorkomen dat in deze gebieden nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden die ongewenst zijn als het een grondwaterbeschermingsgebied wordt, zijn hiervoor regels in paragraaf 4.3.16 opgenomen.

OOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.3 Bebording waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden

In artikel 4.3 is bepaald dat de ligging van waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden duidelijk kenbaar wordt gemaakt door het plaatsen van borden aan de randen van de gebieden. Het model van de borden is landelijk vastgesteld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Het gaat om de borden 'waterwingebied' (RVV L304b) en 'einde waterwingebied' (RVV L304e) en 'grondwaterbeschermingsgebied' (RVV L305b) en 'einde grondwaterbeschermingsgebied' (RVV L305e). De ligging van boringsvrije zones , zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming wordt niet met borden aangegeven.

PPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Deze afdeling bevat instructieregels. Paragraaf 4.2.1 (artikelen 4.4 tot en met 4.8) bevat instructieregels gericht aan het waterschap die ze in acht moet nemen bij het vaststellen van de waterschapsverordening. Paragraaf 4.2.2 (artikel 4.10) bevat instructieregels aan gemeenten gericht op de vaststelling van het omgevingsplan, voor zover dit betrekking heeft op een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.

Artikelen 4.4 tot en met 4.7

Artikel 4.4 bevat instructieregels over het in de waterschapsverordening vergunningplichtig maken van bepaalde grondwateronttrekkingen. In artikel 4.5 worden een aantal criteria genoemd die het waterschap in acht moet nemen bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een grondwateronttrekking.

Rondom een verdrogingsgevoelig natuurgebied ligt een bufferzone. In deze hydrologische bufferzones grondwaterafhankelijke natuur gelden bijzondere regels voor onttrekkingen (artikel 4.5, eerste lid onder b).

Het doel van deze regel is het beschermen van de grondwaterstand in verdrogingsgevoelige natuurgebieden. Dit is nodig voor het behoud en herstel van het natuurgebied

QQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Deze afdeling bevat rechtstreeks werkende regels. Dat betekent dat ze voor iedereen bindend zijn. De activiteiten in deze afdeling zijn niet toegestaan in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en, boringsvrije zones , zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming of alleen onder bepaalde voorwaarden. Voor bepaalde activiteiten is een omgevingsvergunning vereist.

Voor de activiteiten van het drinkwaterbedrijf wordt er een uitzondering gemaakt voor het uitvoeren van bepaalde activiteiten die noodzakelijk zijn voor de bereiding van het drinkwater. Het drinkwaterbedrijf zou anders zijn taak niet kunnen vervullen. In Limburg is het drinkwaterbedrijf NV Waterleiding maatschappij Limburg (WML). WML heeft er zelf belang bij dat een goede grondwaterkwaliteit wordt gehandhaafd en zal daarom bij haar eigen activiteiten ervoor zorgdragen dat het grondwater in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en, boringsvrije zones , zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming wordt beschermd.

RRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.1 Bodemenergiesystemen

Het aanleggen en gebruiken van bodemenergiesystemen is in paragraaf 3.2.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen als milieubelastende activiteit. Het Besluit activiteiten leefomgeving geeft de volgende definitie voor een bodemenergiesysteem: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude voor de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen open en gesloten bodemenergiesystemen. Bij open systemen is er sprake van verplaatsing van het grondwater en bij gesloten systemen niet. Uit de Omgevingswet vloeit voort dat bij een gesloten bodemenergiesysteem moet worden voldaan aan algemene regels (opgenomen in paragraaf 4.111 Besluit activiteiten leefomgeving). Ook voor open bodemenergiesystemen gelden algemene regels (opgenomen in paragraaf 4.112 Besluit activiteiten leefomgeving), maar daarnaast is ook een omgevingsvergunning nodig. Die moet worden aangevraagd bij de provincie (artikel 3.19, eerste lid, Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 4.6, eerste lid 1, onder c, Omgevingsbesluit). Artikel 2.16 Besluit activiteiten leefomgeving geeft de mogelijkheid om met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer en als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3/uur, in de omgevingsverordening een uitzondering te maken op de vergunningplicht voor open systemen. Van die bevoegdheid is in subparagraaf 4.3.1.1 (artikelen 4.12 en 4.13) gebruik gemaakt. Er geldt geen vergunningplicht als het open systeem niet meer dan 10 m3 per uur onttrekt, maar alleen als het systeem buiten een hydrologische bufferzone grondwaterafhankelijke natuur ligt. Op grond van artikel 4.13 geldt voor vergunningvrije open bodemenergiesystemen wel een meldingsplicht.

Subparagraaf 4.3.1.2 geldt zowel voor open als gesloten bodemenergiesystemen maar alleen in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

In dit artikel 4.15 wordt een uitzondering gemaakt voor het grondwaterbeschermingsgebied Hanik voor het aanleggen of het hebben van een bodemenergiesysteem. Deze uitzondering is gemaakt omdat er een dikke kleilaag in de ondergrond van Hanik zit. Bodemenergiesystemen zijn toegestaan boven deze kleilaag.

In de Roerdalslenk hoeft tot in de bij de vier deelzones aangegeven diepten een boorput niet te worden gemeld, omdat de Bovenste Brunssumklei overal in de zone dieper ligt. In werkelijkheid kan dat echter beduidend dieper zijn. Om het gebruik van het grondwater niet onnodig te belemmeren (bijvoorbeeld voor bodemenergie) wordt het aanleggen van een diepere boorput toegestaan, maar slechts tot aan de beschermende laag. Om dat laatste te controleren is een meldingsplicht opgenomen. De plaatselijke ligging van de beschermende laag is bij de boorbedrijven bekend, de Provincie hanteert de meest recente geologische gegevens (REGIS II v2.2). REGIS II v2.2 is een model van de ondergrond. Dit model is toegankelijk via dinoloket.nl.

SSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.3 Grond en baggerspecie

Artikel 4.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen in grondwaterbeschermingsgebieden

Grond of baggerspecie mag alleen op de bodem in een grondwaterbeschermingsgebied worden toegepast als de kwaliteit niet slechter is dan de kwaliteitsklasse ‘wonen’. Bij toepassing in oppervlaktewater mag de kwaliteit niet slechter zijn dan ’licht verontreinigd’. Dit is bepaald in het eerste lid. Daarnaast is altijd van toepassing dat de kwaliteit van de grond of baggerspecie niet slechter mag zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem of waterbodem. Dit is bepaald in het tweede lid.

Er geldt in grondwaterbeschermingsgebieden een uitzondering voor baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud. Deze mag worden verspreid over het aangrenzende perceel. Onder regulier onderhoud wordt verstaan: het onderhoud dat nodig is om de watergang in de bestaande vorm en omvang in stand te houden voor de daarvoor bestemde functie. Voor waterwingebieden is eenzelfde uitzondering opgenomen in artikel 4.29, tweede lid.

Artikel 4.26 Toepassingsbereik

Onder regulier onderhoud wordt verstaan: het onderhoud dat nodig is om de watergang in de bestaande vorm en omvang in stand te houden voor de daarvoor bestemde functie.

TTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.6 Boorputten en grondroeringen

Voor waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, de Roerdalslenk en de Venloschol bevat de omgevingsverordening regels voor boorputten, het roeren van de grond en het verrichten van andere activiteiten in de bodem waardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast.

Voor de genoemde gebieden bevat de Omgevingsverordening één of meer verboden, uitzonderingen op deze verboden, vergunningsmogelijkheden en meldingen. In de tabel hieronder wordt een overzicht van de regels per type gebied gegeven.

Boorputten, grond roeren, activiteiten die slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten

 Waterwingebied

Grondwater-beschermingsgebied

Boringsvrije zone Roerdalslenk

Boringsvrije zone Venloschol

Verbod

Ja, indien dieper dan 3 meter beneden maaiveld 

Ja, indien dieper dan 3 meter beneden maaiveld

Ja, indien dieper dan bovenkant Bovenste Brunssumklei

Ja, indien dieper dan 5 meter boven NAP

Verbod geldt niet voor

Waterwinning drinkwaterproductie

Boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer

Bodemsanering

Verplicht Bodemonderzoek m.u.v. bodemonderzoek voor bouwactiviteit

Waterwinning drinkwaterproductie

Boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer

Bodemsanering

Verplicht Bodemonderzoek m.u.v. bodemonderzoek voor bouwactiviteit

Voor boorputten geldt: een boorput die niet onder een van deze 4uitzonderingen valt mag worden aangelegd indien deze uiterlijk 4 weken van tevoren aan GS is gemeld.

Waterwinning drinkwaterproductie

Boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer

Bodemsanering

Verplicht Bodemonderzoek m.u.v. bodemonderzoek voor bouwactiviteit

Onttrekkingen voor uitsluitend menselijke consumptie

Boringen die niet dieper gaan dan de bovenkant van de bovensteBrunssumklei dienen altijd 4 weken van tevoren gemeld te worden als ze dieper gaan dan:

- 20 meter in deelzone I;

- 30 meter deelzone II;

- 80 meter deelzone III; 

en alle boringen in deelzone IV.

Waterwinning drinkwaterproductie

Boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer

Bodemsanering

Verplicht Bodemonderzoek m.u.v. bodemonderzoek voor bouwactiviteit

Onttrekkingen voor uitsluitend menselijke consumptie

Omgevings-vergunning mogelijk?

voor bodemonderzoek voor bouwactiviteit 

ja

nee

ja

Melding + algemene regels

nee

voor bodemonderzoek voor bouwactiviteit

voor bodemonderzoek voor bouwactiviteit

voor bodemonderzoek voor bouwactiviteit

ANDERE ACTIVITEIT IN DE BODEM

Waterwingebied

Grondwaterbeschermings -gebied

Boringsvrije zone Roerdalslenk

Boringsvrije zone Venloschol 

 Verbod

Ja, als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast

Ja, als daardoor de beschermende werking van de Bovenste Brunssumklei kan worden aangetast

Ja, als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast

Ja, als daardoor de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kan worden aangetast

Verbod geldt niet voor

Waterwinning drinkwaterproductie

Boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer

Bodemsanering

Bodemonderzoek

Waterwinning drinkwaterproductie

Boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer

Bodemsanering

Bodemonderzoek

Waterwinning drinkwaterproductie

Boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer

Bodemsanering

Bodemonderzoek

Onttrekkingen voor uitsluitend menselijke consumptie

Waterwinning drinkwaterproductie

Boorputten ten behoeve van het grondwaterbeheer

Bodemsanering

Bodemonderzoek

Onttrekkingen voor uitsluitend menselijke consumptie

Omgevingsvergunning mogelijk?

nee

ja

nee

ja

Artikel 4.40 Beoordelingsregels en voorschriften

De in het tweede lid genoemde verplichting om bij het aanleggen, hebben, gebruiken of afdichten van een boorput in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringsvrije zone de Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100 en het Protocol Mechanisch boren BRL SIKB 2101 in acht te nemen, geldt ook voor boorputten waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist.

UUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.7 Afvalwater en hemelwater

Afvalwater wordt gedefinieerd in bijlage I, onderdeel A ,van de Omgevingswet: alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Lozen van afvloeiend hemelwater in de bodem valt niet onder het verbod, tenzij dit afvloeiende hemelwater afkomstig is van een bodembeschermende voorziening die bij of krachtens de Omgevingswet is voorgeschreven.

Het begrip 'bodembeschermende voorziening' is in het Besluit activiteiten leefomgeving gedefinieerd als 'vloeistofdichte bodemvoorziening, aaneengesloten bodemvoorziening, elementenbodemvoorziening, lekbak, geomembraanbaksysteem of vulpuntmorsbak'.

Achtergrond van de uitzondering voor afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening die bij of krachtens de Omgevingswet is voorgeschreven, is de volgende. Als een bodembeschermende voorziening verplicht is, op grond van algemene regels van de Omgevingswet of de voorschriften van een omgevingsvergunning, kan het afvloeiende hemelwater kennelijk verontreinigd worden. Dan is ongezuiverd lozen in de bodem niet acceptabel. Als een bodembeschermende voorziening niet verplicht is, is er kennelijk geen gevaar voor bodemverontreiniging en kan het afvloeiende hemelwater ongezuiverd geloosd worden. Het gaat dan met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden.

Afvloeiend hemelwater valt ook onder deze begripsomschrijving van afvalwater.

Het verbod van artikel 4.42 voor het zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te brengen geldt dus ook voor afvloeiend hemelwater. Voor het op of in de bodem brengen van afvloeiend hemelwater is voor waterwingebieden wel een uitzondering op het verbod opgenomen als het hemelwater afkomstig is van één woning, mits het hemelwater via doorsijpeling in de bodem of ondergrond terecht komt (artikel 4.42, eerste lid). Voor grondwaterbeschermingsgebieden geldt de uitzondering voor al het afvloeiend hemelwater dat via doorsijpeling in de bodem of ondergrond terecht komt (artikel 4.42, tweede lid). Door doorsijpeling ontstaat voldoende reistijd van het grondwater naar de pompputten waarin eventuele bacteriologische verontreinigingen kunnen afbreken. 

Artikel 4.43 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

Voor het op of in de bodem brengen van afvalwater in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied kan een omgevingsvergunning worden verleend als de betreffende activiteit geen kans op verslechtering van de kwaliteit van het ontvangend grondwater tot gevolg kan hebben. Daarvoor is het noodzakelijk dat het infiltrerend water een voldoende zuivering ondergaat. Het hemelwater dat in de ondergrond wordt gebracht moet voldoen aan de toetsingswaarden, bedoeld in bijlage XIX, onder A, bij het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Het is van belang dat de voorziening zodanig robuust is ontworpen en wordt onderhouden dat deze te allen tijde goed functioneert.

Met schadelijke stoffen wordt in dit artikel in ieder geval de gevaarlijke stoffen in bijlage III van deze verordening bedoeld.

Naast de definitie die het Besluit activiteiten leefomgeving aan 'gevaarlijke stoffen' geeft, acht de provincie tevens de stoffen op de lijst Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) van het RIVM schadelijk. Er zijn diverse wetten en (internationale) verdragen die verschillende stoffen als schadelijk bestempelen. Deze lijst van het RIVM bundelt al deze stoffen in één lijst. De ZZS-lijst is hier te vinden: https://rvszoeksysteem.rivm.nl/ZZSlijst/TotaleLijst

VVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.48 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Onder gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden wordt het onderhoud verstaan dat nodig is om de weg, spoorweg, vaarweg, parkeerplaats of ander terrein dat openstaat voor gemotoriseerd verkeer in de bestaande vorm en omvang in stand te houden voor de daarvoor bestemde functie.

Als een parkeerplaats een onderdeel is van een weg (parkeerplaats langs een openbare weg) geldt dat het verrichten van werkzaamheden zowel betrekking heeft op de openbare weg als op de parkeerplaatsen langs die weg. In dit geval is altijd een omgevingsvergunning nodig. Als een parkeerplaats openbaar is gelden altijd dezelfde regels als voor een weg. Een parkeerplaats voor maximaal 5 motorvoertuigen valt niet onder de regels. Dit volgt uit de begripsomschrijving van ‘parkeerplaats’ die in bijlage I is opgenomen. 

WWWW

Na sectie 4.3.12 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Paragraaf 4.3.14 Bouwstoffen

Artikel 4.61 Toepassingsbereik

Dit artikel heeft betrekking op het gebruik van AVI-bodemas en metaalslakken. 

AVI-bodemas is, conform het Besluit activiteiten leefomgeving, Bijlage I, A. Begrippen, het product dat resteert na verbranding in een installatie die alleen of in hoofdzaak is bedoeld voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen in een rooster-oven of een wervelbedoven. AVI-bodemas wordt ook wel AEC-bodemas genoemd. 

Onder de definitie van metaalslakken valt alle steenachtige bijproducten die vrijkomen bij de productie van metalen of andere producten uit ertsen. Voorbeelden zijn hoogovenslakken, staalslakken fosforslak, gieterijslak, koperslak, LD-staalslak en ELO-staalslak. 

Het gebruik van AVI-bodemassen en metaalslakken is in het waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied verboden. Er bestaat een risico dat het gebruik van deze stoffen tot verontreiniging van het grondwater kan leiden. Bijvoorbeeld doordat het in dikkere lagen wordt gebruikt dan waar bij een beoordeling van de bouwstof rekening mee is gehouden of doordat de natuurlijke omstandigheden anders zijn dan bij de beoordeling, zoals een hogere pH van het bodemvocht of het grondwater waar de bouwstof mee in aanraking kan komen. Gezien het belang van een langdurige goede kwaliteit van het grondwater voor de drinkwatervoorziening wordt het risico van het gebruik van deze bouwstoffen te groot geacht.

Artikel 4.62 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het verbod geldt voor alle toepassingen, waaronder ophogingen, funderingen, wegenbouw, waterkeringen en andere constructieve werken.

Artikel 4.63 Beoordelingsregel

Onderdeel van een vergunningsaanvraag is een onderbouwing waarom de gekozen werkwijze garandeert dat er geen kans is op emissie naar bodem of grondwater. In de vergunning kan een voorschrift worden opgenomen dat voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden er een monitoringsplan moet worden opgesteld om te garanderen dat er geen emissie optreedt. Onderdeel van het plan is ook een inventarisatie van maatregelen die mogelijk zijn indien toch een emissie naar bodem of grondwater wordt geconstateerd. 

Het groot openbaar belang in lid a van dit artikel heeft betrekking op het uit te voeren bouwproject en niet op het gebruik van de bouwstof.

XXXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 4.3.14 4.3.15 Overige milieubelastende activiteiten

YYYY

Na sectie 4.3.14 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Paragraaf 4.3.16 Milieubelastende activiteiten in zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming

Artikel 4.66 Toepassingsbereik

In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg zijn twee soorten zoekgebieden opgenomen die betrekking hebben op de drinkwaterwinning. De eerste categorie zoekgebieden betreft de zoekgebieden voor de uitbreiding van de grondwaterbeschermingsgebieden in Noord en Midden Limburg. Deze zoekgebieden bevatten de 200-jaarszone rond de grondwaterwinningen waarmee ons drinkwater wordt gemaakt. De 200-jaarszone is het gebied waarbinnen het grondwater 200 jaar of minder onderweg is naar de winning. 

Deze zoekgebieden grondwaterbescherming vormen de basis voor een aanpassing van de begrenzing van de grondwaterbeschermingsgebieden in de Omgevingsverordening Limburg. Om intussen te voorkomen dat zich hier ontwikkelingen voordoen die het toekomstige functioneren als grondwaterbeschermingsgebied kunnen frustreren, worden in de Omgevingsverordening regels opgenomen die bepaalde milieubelastende activiteiten (bijlage V) alleen mogelijk maken via vergunningverlening. Het gaat om dezelfde milieubelastende activiteiten die in grondwaterbeschermingsgebieden niet nieuw mogen worden verricht (artikel 4.65, derde lid) Bij een volgende aanpassing van de Omgevingsverordening zullen de gebieden definitief worden begrensd en zullen hier de regels voor grondwaterbeschermingsgebieden gaan gelden.  

In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg zijn ook twee nieuwe zoekgebieden voor nieuwe drinkwaterwinningen in Zuid Limburg opgenomen. Omdat de economie groeit, het watergebruik toeneemt en het grondwater steeds meer vervuild raakt, is er op afzienbare tijd behoefte aan een nieuwe drinkwaterwinning. Om de toekomstige functie als waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied niet te frustreren, is in de Omgevingsverordening voor beide zoekgebieden drinkwaterwinning de vestiging van bepaalde milieubelastende activiteiten (bijlage V) aan regels gebonden. Dergelijke nieuwe activiteiten zijn alleen mogelijk met een omgevingsvergunning. Wanneer duidelijk is dat een nieuwe drinkwaterwinning nodig is en waar deze zal worden gelokaliseerd, zal de Omgevingsverordening Limburg worden aangepast, het waterwingebied en het grondwaterbeschermingsgebied worden begrensd en de zoekgebieden komen te vervallen. Voorlopig wordt uitgegaan van één nieuwe winlocatie. 

De regels voor zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming zijn hetzelfde.

ZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.1 Regels over activiteiten

De Wet milieubeheer bevat in de artikelen 8.47 tot en met 8.51 een regeling voor stortplaatsen waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen zijn gestort (ook wel de 'Leemtewet-stortplaatsen' genoemd). Als deze stortplaatsen gesloten worden geven Gedeputeerde Staten een formele sluitingsverklaring af. Ook met de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft deze regeling vooralsnog in de Wet milieubeheer staan. Om te waarborgen dat in, op, onder of boven een gesloten stortplaats geen activiteiten plaatsvinden die schadelijk kunnen zijn voor de instandhouding van de nazorgvoorzieningen (of activiteiten die bijvoorbeeld de controle van de voorzieningen bemoeilijken) was in bijlage I, onderdeel B, artikel 1, onder c, van het oude Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaald dat inrichtingen in, op, onder of over een gesloten stortplaats omgevingsvergunningplichtig waren. In artikel 3.4 van het Bor was bepaald dat Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag voor die omgevingsvergunning waren. In artikel 7.9 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) waren de indieningsvereisten voor de aanvraag voor de omgevingsvergunning opgenomen. Onder het regime van de Wet milieubeheer/Wabo waren alleen activiteiten die werden uitgevoerd binnen een inrichting omgevingsvergunningplichtig. Omdat ook handelingen die worden uitgevoerd buiten een inrichting schadelijk konden zijn voor de nazorgvoorzieningen van een gesloten stortplaats, was in de Omgevingsverordening Limburg 2014 in artikel 7.3.1 een verbod voor dergelijke activiteiten buiten inrichtingen opgenomen. Gedeputeerde Staten konden ontheffing van dat verbod verlenen.

De Wet milieubeheer bevat in de artikelen 8.47 tot en met 8.51 een regeling voor stortplaatsen waar op of na 1 september 1996 afvalstoffen zijn gestort (ook wel de 'Leemtewet-stortplaatsen' genoemd). Gedeputeerde Staten verklaren een stortplaats voor gesloten indien aan de vereisten uit artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer is voldaan. Ook met de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft deze regeling vooralsnog in de Wet milieubeheer staan. Voor deze gesloten stortplaatsen heeft de provincie de verantwoordelijkheid voor de eeuwigdurende nazorg van de voorzieningen op de gesloten stortplaats. Voor de financiering van de uitvoering van de nazorg beschikt de provincie over een nazorgfonds. Gelet op deze specifieke verantwoordelijkheid is het belangrijk dat de provincie dan ook zelf de kaders stelt aan activiteiten die (financiële) gevolgen kunnen hebben voor deze eeuwigdurende nazorg en toeziet op naleving ervan.

Onder de Omgevingswet is het onderscheid tussen inrichtingen en handelingen buiten inrichtingen verdwenen. Er is hoe dan ook geen wettelijke bepaling meer op grond waarvan een activiteit die wordt uitgevoerd op een gesloten stortplaats altijd omgevingsvergunningplichtig is. Uit het  Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) kan weliswaar voorvloeienvoortvloeien dat een activiteit vergunningplichtig is, maar dat staan dan los van de vraag of die activiteit op een gesloten stortplaats plaatsvindt. Uit de Nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijkt dat het een bewuste keuze van de wetgever is geweest om activiteiten op een gesloten stortplaats niet automatisch vergunningplichtig te maken. Indien een provincie een vergunningplicht voor een activiteit op een stortplaats wenselijk acht, dient zij dat zelf in de omgevingsverordening te regelen. De bevoegdheid om een vergunningplicht in te voeren voor een milieubelastende activiteit is geregeld in artikel 2.15 , tweede lid, aanhef en onder c, van het Bal. Op grond van dat artikel kan een verbod in de omgevingsverordening worden gesteld om een milieuactiviteitactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten, ook al is die activiteit op grond van de landelijke regels niet vergunningplichtig. Activiteiten die niet in het Bal zijn aangewezen als milieubelastende activiteit kunnen ook schadelijk zijn voor de nazorgvoorzieningen. Ook daarvoor kan in de omgevingsverordening een omgevingsvergunningplicht worden ingesteld. Die bevoegdheid vloeit voort uit artikel 5.4 van de Omgevingswet. 

Voor de regeling in de nieuwe Omgevingsverordening is de regeling van artikel 7.3.1 van de oude omgevingsverordening als basis genomen. De vergunningplicht geldt voor alle activiteiten in, op, onder of boven een gesloten stortplaats die niet plaatsvinden ter uitvoering van het voor de stortplaats geldende nazorgplan, als die activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor de nazorgvoorzieningen van de stortplaats. Dat is dus ongeacht of de activiteit in het Bal is aangewezen als milieubelastende activiteit. Ook het nalaten van activiteiten indien daardoor de instandhouding van de nazorgvoorzieningen belemmerd kan worden of de nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden, valt onder het verbod.

De regeling geldt slechts voor een beperkt aantal stortplaatsen, namelijk de stortplaatsen waar op of na 1 september 1996 nog afvalstoffen zijn gestort. Dat zijn in Limburg de zeven stortplaatsen, inclusief twee baggerspecielocaties, die in het eerste lid van het artikel genoemd zijn. De regeling gaat pas gelden voor deze stortplaatsen als Gedeputeerde Staten een sluitingsverklaring hebben afgegeven. Van de zeven genoemde stortplaatsen is op dit moment alleen voor de bedrijfsgebonden stortplaats Louisegroeve te Sittard-Geleen een sluitingsverklaring afgegeven.

Op de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het verrichten van activiteiten in, op, onder of over een gesloten stortplaats, beslissen in principe Gedeputeerde Staten. Alleen bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op meerdere activiteiten kan het voorkomen dat Burgemeester en Wethouders op de meervoudige aanvraag beslissen. Dit volgt uit artikel 4.6, eerste lid, onder f, van het Omgevingsbesluit.

De vergunningplicht geldt voor alle activiteiten in, op, onder of boven een gesloten stortplaats die niet plaatsvinden ter uitvoering van het voor de stortplaats geldende nazorgplan en waarvoor de Provincie Limburg geen opdracht heeft gegeven. Dat is dus ongeacht of de activiteit in het Bal is aangewezen als milieubelastende activiteit.  

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

De regels van afdeling 5.1 gelden slechts voor een beperkt aantal stortplaatsen, namelijk de stortplaatsen waar op of na 1 september 1996 nog afvalstoffen zijn gestort. Dat zijn in Limburg de zeven stortplaatsen, inclusief twee baggerspecielocaties, die in het eerste lid van het artikel genoemd zijn. De regeling gaat pas gelden voor deze stortplaatsen als gedeputeerde staten een sluitingsverklaring hebben afgegeven. Van de zeven genoemde stortplaatsen is op dit moment alleen voor de bedrijfsgebonden stortplaats Louisegroeve te Sittard-Geleen een sluitingsverklaring afgegeven. 

Artikel 5.2 Oogmerk

Om te voorkomen dat gesloten stortplaatsen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken, worden (eeuwigdurende) nazorgmaatregelen genomen. Deze mogen niet worden belemmerd of aangetast. Degene die een gesloten stortplaats (of een deel daarvan) wil gebruiken, moet daarom goed nagaan welke nazorgmaatregelen zijn getroffen en daarmee rekening houden bij het verrichten van de voorgenomen activiteit. Inzicht in de getroffen en te treffen nazorgmaatregelen kan worden verkregen uit het nazorgplan (beschikbaar bij de provincie). De aanduiding van de locaties van de gesloten stortplaatsen bij deze regels is indicatief. De contour geeft de ligging van de stortplaats aan, maar ook in de nabijheid van de stortplaats kunnen nazorgvoorzieningen, zoals een stortgasverwerking, lozingsvoorziening vuilwater of meet- en monitoringsnetwerk aanwezig zijn. Dergelijke nazorgvoorzieningen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de nazorg als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer, zijn ook onderdeel van de stortplaats waarop deze paragraaf van toepassing is. 

Artikel 5.3 Aanwijzing verboden activiteiten: nalaten

Niet alleen het verrichten van bepaalde activiteiten, maar ook het nalaten van activiteiten kan schadelijk zijn met het oog op de nazorg van de stortplaats. Indien daardoor de instandhouding van de nazorgvoorzieningen belemmerd kan worden of de nazorgvoorzieningen beschadigd kunnen worden, geldt daarom ook een verbod voor het nalaten van activiteiten. 

Artikel 5.4 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor het verrichten van een activiteit in, op, onder of boven de stortplaats die negatieve gevolgen kan hebben voor de werking van nazorgvoorzieningen. Dit betekent dat het zonder vergunning verboden is een dergelijke activiteit te verrichten. Dit verbod geldt niet als de activiteit dient ter uitvoering van het voor de gesloten stortplaats geldende nazorgplan én de activiteit in opdracht van Gedeputeerde Staten wordt verricht. Deze twee voorwaarden zijn cumulatief; er dient dus aan beide voorwaarden te zijn voldaan wil de vergunningplicht niet gelden. 

Artikel 5.5 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning bedoeld in artikel 5.4 kan alleen worden verleend als een activiteit geen nadelige effecten heeft. Anders volgt een weigering. De regels treden niet in de bevoegdheid van gemeenten om via het omgevingsplan aan te geven welke activiteiten zij vanuit planologisch oogpunt toelaatbaar vinden. Het is overigens wel aan te raden hierbij vroegtijdig in overleg te treden met de provincie.  

Artikel 5.6 Voorschriften omgevingsvergunning

De regels in dit hoofdstuk borgen enerzijds inperking van risico's en anderzijds bieden zij  ruimte voor maatwerk. Aan een te verlenen vergunning zullen voorschriften worden verbonden die zien op de bescherming van de nazorgvoorzieningen, bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen en de onbelemmerde uitvoering van de nazorgmaatregelen. Daarnaast dienen die voorschriften om te voorkomen dat de activiteit resulteert in een overschrijding van het doelvermogen en de daarop gebaseerde belastingaanslag. Het doelvermogen en de belastingaanslag vloeien voort uit het systeem van de Wet milieubeheer met betrekking tot het sluiten van de stortplaatsen ten behoeve van het nazorgfonds. 

Bij het opstellen van de aanvraag voor de vergunning voor het uitvoeren van een activiteit op een gesloten stortplaats is het aan te bevelen om in ieder geval de volgende documenten te raadplegen: 

  • het voor de locatie van de gesloten stortplaats geldende nazorgplan;

  • de Notitie Herontwikkeling (gesloten) stortplaatsen, de IPO-werkgroep Nazorg Stortplaatsen van 7 februari 2019. 

Artikel 5.7 Indieningsvereisten aanvraag omgevingsvergunning

Gebruik van de gesloten stortplaats kan worden toegestaan als wordt gewaarborgd dat de stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt. Dat betekent dat het risico dat door het voorgenomen gebruik, nazorgvoorzieningen worden beschadigd of nazorgmaatregelen niet kunnen worden genomen, voldoende moet worden beperkt. De aanvrager zal daarom moeten aangeven hoe de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen wordt gegarandeerd, aantasting van de nazorgvoorzieningen wordt voorkomen en welke andere maatregelen worden genomen om te voorkomen dat de uitvoering van de nazorgmaatregelen wordt belemmerd. 

AAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.1 Algemeen

1. Stiltegebieden algemeen

Op grond van artikel 2.18 eerste lid, onder b, van de Omgevingswet berust bij het provinciebestuur de taak om geluid in stiltegebieden te voorkomen of te beperken. Aan deze provinciale taak is in artikel 7.11, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de verplichting gekoppeld om in de omgevingsverordening regels op te nemen over het voorkomen of beperken van geluidbelasting in bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden.

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 waren alleen rechtstreeks werkende regels voor activiteiten in stiltegebieden opgenomen. Deze regels zijn nu opgenomen in afdeling 6.3. Een verschil is dat de regels voor stiltegebieden in Omgevingsverordening Limburg 2014 alleen betrekking hadden op activiteiten buiten inrichtingen, hetgeen samenhangt met de wettelijke grondslag destijds (artikel 1.2, tweede lid, Wet milieubeheer). Door het vervallen van het begrip 'inrichting' onder de Omgevingswet is ook het onderscheid binnen/buiten inrichtingen vervallen. Een ander verschil is dat de Omgevingsverordening Limburg 2014 bepaalde dat Gedeputeerde Staten van sommige verbodsbepalingen ontheffing konden verlenen. In de systematiek van de Omgevingswet is die ontheffing een omgevingsvergunning geworden.

Nieuw is dat in In de Omgevingsverordening Limburg 2021zijn naast regels voor activiteiten (afdeling 6.3) ook instructieregels zijn opgenomen over fysieke doelstellingen in gemeentelijke omgevingsplannen, die daarmee bijdrageneen omgevingsplan (afdeling 6.2). Deze regels dragen gezamenlijk bij aan het beschermen van de stilte in die gebieden en de ambities die zijn beschreven in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. 

2. Beperken geluidbelasting in stiltegebieden

Het algemene uitgangspunt is dat verstoring van de stilte voorkomen moet worden, uitgedrukt in een 24-uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van ten hoogste 40 dB(A). Door middel van (instructie)regels willen we een significante toename van de geluidsbelasting in een stiltegebied voorkomen, anders dan als gevolg van gebiedseigen activiteiten. Daarmee wordt het natuurlijk stille karakter van deze gebieden behouden en geven we invulling aan standstill, hetgeen wordt beoogd in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg met de keuze om 'deze gebieden ook stil te laten blijven'.

De rechtstreeks werkende regels over activiteiten zijn opgesteld om een toename van geluid en daarmee de verstoring van de stilte te voorkomen. We doen dit vanuit de samenhang met de andere functies van het gebied, zoals natuur, landbouw, stille vormen van recreatie en buitengebied.

De geluidbelasting in een stiltegebied wordt in hoofdzaak bepaald door de natuurlijke achtergrondgeluiden (ritselende bladeren, vogels, e.d.). Echter vanuit de andere functies van het gebied kan sprake zijn van geluiden die het gevolg zijn van in het gebied passende activiteiten, ook indien zij door mensen worden veroorzaakt, en die in beginsel niet haaks op het karakter van het stiltegebied staan. Dit noemen we gebiedseigen activiteiten. Daartoe rekenen we normale werkzaamheden die nodig zijn in verband met de uitoefening van het agrarisch bedrijf, met bosbouw of met het beheer van het gebied of daarin aanwezige bouwwerken. Geluid afkomstig van normale, gangbare werkzaamheden beschouwen we als gebiedseigen geluiden. Daartoe rekenen we ook het bijbehorende (gemotoriseerd) verkeer op de daarvoor openstaande wegen en terreinen. Activiteiten waarvan een grote (meer dan 30% toename) verkeersaantrekkende werking uitgaat worden als niet-gebiedseigen beschouwd. Onder een grote verkeersaantrekkende werking wordt een toename van meer dan 30% verstaan, een toename van meer dan 1 dB door de verkeersaantrekkende werking. Hierdoor is er sprake van een toename van de geluidsbelasting van het wegverkeer in het stiltegebied en dus sprake van extra verstoring.

Het algemene uitgangspunt is dat verstoring van stiltegebieden voorkomen moet worden, zodat sprake kan zijn van een 24uursgemiddeld geluidsniveau LAeq,24h van ten hoogste 40 dB(A). Voor het behoud van het natuurlijk stille karakter van deze gebieden zijn instructieregels geformuleerd. Hiermee wordt invulling gegeven aan standstill, hetgeen wordt beoogd in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg met de keuze om ‘deze gebieden ook stil te laten blijven’. De rechtstreeks werkende regels voor incidentele activiteiten zijn opgesteld om een tijdelijke verstoring van de stilte zoveel mogelijk te beperken. 

Artikel 6.1 Aanduiding stiltegebieden

Door middel van artikel 1.2 van de omgevingsverordeningOmgevingsverordening zijn de stiltegebieden aangewezen. De geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II, artikel 1.1.

In artikel 6.1 is bepaald dat de ligging van stiltegebieden duidelijk kenbaar wordt gemaakt door het plaatsen van borden aan de randen van de gebieden bijlangs openbare wegen en vaarwegen die toegang geven tot die gebieden of daaraan grenzen. Het model van de borden is landelijk vastgesteld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Het gaat om de borden ‘stiltegebied’ (RVV L306b) en ‘einde stiltegebied’ (RVV L306e).

BBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.2 Instructieregels stiltegebieden

De instructieregels in artikel 6.3 artikel 6.3 van deze afdeling richten zich tot het bevoegd gezag (gemeenten) om bij het maken van een omgevingsplan de aanwezigheid en de bescherming van in artikel 6.2 de in artikel 6.2 vermelde kernkwaliteiten in acht te nemen.

Deze kernkwaliteiten kennen een relatie totzijn middels het provinciaal belang stiltegebied en ambitie stiltegebied verwoord in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Het stille karakter van de gebieden heeft een positief effect op het welzijn en de gezondheid van bezoekers, hetgeen een van de bredere doelstellingen is in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. Het stille karakter draagt ook bij aan de belevingswaarde van landschap en natuur.

Limburg heeft verschillende vormen van relatief rustige en stille gebieden die uit de ambities voor natuur en landschap in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg spreken. Denk aan (nieuwe) stadsnatuur en vergroening van stadlandzonesbebouwde gebieden, uitbreiding van bos en nieuwe natuur door biodiversiteitsdoelen en klimaatmaatregelen in het buitengebied. Bij stiltegebieden gaat het om robuuste en van oudsher stille gebieden in een kwalitatief hoogwaardige leefomgeving.

Artikel 6.2 Kernkwaliteiten stiltegebieden

In artikel 6.2 zijn de kernkwaliteiten van stiltegebieden geformuleerd. 

Onder b wordt als richtwaarde een waarde in LAeq,24uur gehanteerd. Het LAeq,24uur van de te beschermen stiltegebieden dient, gemeten of beoordeeld op elke willekeurige plek in het stiltegebied, maximaal 40 dB(A) te bedragen. Dit is overeenkomstig de rapporten `Geluidbelasting in het landelijk gebied‘ [RIVM, 2002] en `Stille Gebieden en Gezondheid‘ [Gezondheidsraad, 2006], waarin voor de beoordeling van incidentele activiteiten het LAeq 24 uursgemiddelde ofwel LAeq, 24uur als uitgangspunt geldt. De niveaus tijdens de avond- en nachtperiode tellen even zwaar als de dagperiode. Er wordt dus niet de gebruikelijke straffactor toegepast. Dit veronderstelt dat mensen die in de natuur verblijven het geluid van eenzelfde niveau in de avond en de nacht niet als hinderlijker ervaren dan gedurende de dagperiode. 

Artikel 6.3 Instructieregels kernkwaliteiten stiltegebieden

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op een gebied gelegen in een stiltegebied, strekt mede tot behoud van stilte en rust in het gebied en houdt daarmee rekening bij de toedeling van functies aan locaties.​ 

Het type functie dient te passen bij het natuurlijk stille karakter van stiltegebieden. Stiltegebieden beslaan voor circa 55% natuurgebied en voor circa 39% landbouwgebied. Dit zijn dan ook de primaire functies in een stiltegebied. Andere met het stiltegebied verenigbare functies kunnen rustige vormen van dag- of verblijfsrecreatie zijn. Geschikte activiteiten zijn wandelen, fietsen, paardrijden e.d. Andere voor de hand liggende activiteiten zijn incidenteel een of enkele recreatieverblijven of kampeerplekken voor doelgroepen die passen in een stiltegebied, zoals rustzoekers. Wonen - bestaand extensief wonen daargelaten - is geen bij de kernkwaliteiten passende functie, gezien het structurele karakter en mogelijke beperkingen voor bewoners. Functies waarvan een grote verkeersaantrekkende werking uitgaat worden ook als niet geschikt beschouwd. Een verkeersaantrekkende werking van gemiddeld 50 motorvoertuigen per etmaal (100 bewegingen) kwalificeert als een meer dan beperkte verkeersaantrekkende werking, tenzij het verkeer direct na het verlaten van de locatie waar de activiteit wordt verricht, wordt opgenomen in het heersende verkeersbeeld en de toename van het geluid door de verkeersaantrekkende werking beperkt blijft tot 10%. 

De mogelijkheden en voorwaarden van functies zijn, voor zover van toepassing, óók elders in de Omgevingsverordening en in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg per themabeleid bepaald. Indien een functie wat betreft aard en omvang (nu en in de toekomst) in evenwicht is met het natuurlijk stille karakter van het gebied, dient desalniettemin kritisch te worden gekeken naar (nieuwe of gewijzigde) geluid veroorzakende activiteiten, daar deze kunnen bijdragen aan een toenemende geluidbelasting op de stiltegebieden. 

   Het geluid van een bij de functie behorende (nieuwe) activiteit wordt getoetst in relatie tot de kernkwaliteiten binnen het stiltegebied, uitgedrukt in een 24-uursgemiddeld geluidsniveau van 40 dB(A). Hierbij gaat het om een zogenaamde ‘geluid veroorzakende activiteit’. Daaronder wordt verstaan: een activiteit door menselijk handelen als gevolg waarvan de ervaring van de natuurlijke geluiden in een stiltegebied kan worden verstoord.  

Om te voorkomen dat door cumulatie met andere geluidbronnen de richtwaarde wordt overschreden, wordt voor het toelaatbare geluid door een geluid veroorzakende activiteit binnen het stiltegebied uitgegaan van:

  • een maximaal toelaatbare waarde van 35 dB(A) LAeq,24h op 30 meter vanaf de activiteit, voor een nieuwe geluid veroorzakende activiteit;

  • een maximaal toelaatbare waarde van 35 dB(A) LAeq,24h op 30 meter vanaf de activiteit, voor een nieuwe geluid veroorzakende activiteit die aan een bestaande geluid veroorzakende activiteit wordt toegevoegd;

  • een maximaal toelaatbare waarde van 40 dB(A) LAeq,24h op 50 meter vanaf de activiteit, voor de wijziging van een bestaande geluid veroorzakende activiteit waarvoor geen geluidvoorschriften gelden.

Op deze drie uitgangspunten is artikel 6.3 eerste lid, onder b, c en d gestoeld. Bestaande activiteiten in de stiltegebieden kunnen in het kader van het overgangsrecht niet worden beperkt in de huidige vergunde geluidruimte. Voor een bestaande activiteit (of samengestelde activiteiten, voorheen “inrichting”) geldt de vergunde geluidruimte met bijbehorende geluidvoorschriften. Volgens het derde uitgangspunt wordt bij het ontbreken van dergelijke voorschriften in het stiltegebied een maximaal toelaatbare waarde gehanteerd van 40 dB(A) LAeq, 24uur op 50 meter afstand van de activiteit (na uitbreiding/wijziging). Deze afstandsbepaling is gebaseerd op artikel 5.72a van het Besluit kwaliteit leefomgeving voor de geluidsbijdrage van samengestelde activiteiten op de dichtstbijzijnde woning indien er geen woning ligt binnen een afstand van 50 meter. Voor nieuwe activiteiten is afgeweken van deze afstandsbepaling. In het geval van een stiltegebied zou de afstand bij voorkeur liggen op de rand van het terrein en anders zo dicht mogelijk bij de activiteit. In lijn met artikel 3.25 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt uitgegaan van 30 meter vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht. 

De hinder van verkeersbewegingen op de locatie binnen het stiltegebied - denk aan bezoekers en transporten ten behoeve van een bepaalde bedrijfsvoering - dient in de motivering bij een omgevingsplan te worden meegenomen. Dit geldt niet voor indirecte hinder op aan- en afvoerwegen. Echter kan dat wel een maat zijn voor bovenvermelde verkeersaantrekkende werking. 

In het eerste lid, onder e, is een regel opgenomen over menselijk stemgeluid. Soms behoort stemgeluid tot muziekgeluid, bijvoorbeeld (onversterkte) muziek van een zanger of van een koor, maar het kan er ook mee zijn vermengd, bijvoorbeeld als mensen meezingen met muziek. In beide gevallen wordt stemgeluid op basis van de instructieregels in artikel 6.3 onderdeel van het te beoordelen geluid door een activiteit en van de daaraan gekoppelde geluidwaarden die gelden voor diegene die de activiteit verricht. Daarmee worden uiteraard niet de mensen bedoeld die het geluid feitelijk maken, maar de exploitant van de activiteit die dit mogelijk maakt. Ander menselijk stemgeluid mag niet in het omgevingsplan door geluidwaarden worden begrensd. Aan ander menselijk stemgeluid kunnen wel voorwaarden worden gesteld, zoals over gedragsregels, locaties en sluitingstijden. In de instructieregels in artikel 6.3 is de noodzaak daarvoor gekoppeld aan het duidelijk hoorbaar kunnen zijn van dat stemgeluid op een afstand van 30 meter vanaf de activiteit (conform tweede lid, onder d). 

Artikel 6.4 Ontheffing instructieregels stiltegebieden

Ontheffing van de instructieregels als bedoeld in artikel 1.6 kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 6.4, eerste lid, onder a tot en met d. Het derde lid stelt gedeputeerde staten in staat om te beoordelen of een functie die niet voldoet aan de voorwaarden onder a tot en met d in het eerste lid, toch inpasbaar is. Bijvoorbeeld in het geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen.

CCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.3 Regels over activiteiten in stiltegebieden

De regels in deze afdeling zijn erop gericht dat mensen stilte kunnen ervaren en geluidgevoelige fauna beschermd wordt. In de omgevingsverordeningdeze afdeling is aangegeven voor welke activiteiten een verbod geldt en welke activiteiten alleen met een omgevingsvergunning mogen worden verricht. Tevens is aangegeven welke activiteiten zijn vrijgesteld.

Artikel 6.5 Toepassingsbereik

Afdeling 6.3 is van toepassing op activiteiten die ervoor kunnen zorgen dat de ervaring van natuurlijke geluiden in een stiltegebied worden verstoord. In artikel 6.6 zijn vergunningplichten opgenomen voor activiteiten binnen stiltegebieden die storende geluiden kunnen produceren.

Tweede lid, onder b: Het uitoefenen van gangbare werkzaamheden voor het agrarisch bedrijf, bosbouw of beheer van het gebied of daarin aanwezige bouwwerken en het ten behoeve daarvan gebruik van lawaaiige toestellen, staat de Omgevingsverordening toe. We beschouwen dit als gebiedseigen geluiden en hiervoor hoeft geen vergunning te worden gevraagd.

Voor de normale uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering is het gebruik van knalapparatuur in faunabeheer of schadebestrijding toegestaan. Hiertoe wordt echter niet de categorie van omroepinstallaties gerekend, bijvoorbeeld een geluidssysteem met alarmgeluiden van spreeuwen of de roep van roofvogels. Deze categorie is vergunningplichtig.

Artikel 6.5, eerste lid: Afdeling 6.3 is onder meer van toepassing op het gebruik van voertuigen in een stiltegebied. Dit betreft geen vliegverkeer, omdat de Provincie geen bevoegdheid heeft om regels te stellen die verstoringen door overvliegende vliegtuigen in stiltegebieden beperken.

Als het om activiteiten gaat met een niet-gebiedseigen geluid, spreken we Voorbeelden van gebiedsvreemd geluid, waarvoor wel vergunning kan worden aangevraagd. Bij gebiedsvreemd geluid wordt bijvoorbeeld gedoeld opactiviteiten in een gebied die onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen zijn het opsporen of ontginnen van in de bodem aanwezige stoffen, het omzagen en kappen van bomen anders dan voor bosbouwkundig onderhoud, de aanleg van nieuwe natuur, het aanleggen van transportleidingen, zoals hoogspanningsleidingen en buisleidingen voor het transport van stoffen, dwars door een stiltegebied heen, het rijden met motorvoertuigen over niet voor deze voertuigen openstaande wegen of het gebruiken van geluidsapparatuur. 

Artikel 6.5, tweede lid, onder b: Het uitoefenen van gangbare werkzaamheden voor het agrarisch bedrijf, bosbouw of beheer van het gebied of daarin aanwezige bouwwerken, en het ten behoeve daarvan gebruiken van lawaaiige toestellen, vallen buiten het toepassingsbereik. Denk daarbij ook aan het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk, infrastructuur of nutsleidingen. 

Artikel 6.5, tweede lid, onder d: De regels van afdeling 6.3 gelden niet voor activiteiten die zijn toegelaten met toepassing van de instructieregels opgenomen in afdeling 6.2. Ook kan voor activiteiten in het omgevingsplan, in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of in een maatwerkvoorschrift (waarmee algemene regels uit het omgevingsplan worden aangevuld) in de gebruiksfase sprake zijn van geluidvoorschriften ter bescherming van het stiltegebied. Het geluid door het gebruik van voertuigen en apparaten behoeft dan niet ook nog een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.6. Denk aan het toelaten van verkeer op eigen terrein of het in werking hebben van een bedrijf. Het gaat in het algemeen niet om incidentele activiteiten zoals aanlegwerkzaamheden of evenementen.

Artikel 6.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

De regels in afdeling 6.3 in de Omgevingsverordening Limburg zijn erop gericht dat mensen stilte kunnen ervaren en geluidgevoelige fauna beschermd wordt.

In dit artikel zijn vergunningplichten opgenomen voor activiteiten binnen stiltegebieden die storende geluiden kunnen produceren.

Tweede lid:  Artikel 6.6, tweede lid: Het houden van of deelnemen aan een toertocht of wedstrijd voor motorvoertuigen of bromfietsen zonder omgevingsvergunning is in stiltegebieden verboden. Dit zijn namelijk lawaaiige activiteiten die doorgaans te vermijden zijn en waarvoor alleen in uitzonderlijke gevallen vergunning wordt verleendbijvoorbeeld als omschreven in artikel 6.5, tweede lid, onder cbworden toegestaanof bij het verrijden van een memorial route op officiële herdenkingsdagen. Kenmerkend voor een toertocht of wedstrijd is dat het een georganiseerde activiteit is volgens een vooraf aangegeven route.

Derde lid, onder b:  Artikel 6.6, derde lid, onder b: Elke eerste maandag van de maand om 12.00 uur gaat het luchtalarm 1 minuut en 26 seconden af. Dit luchtalarm is een test van de overheid. In geval van nood gaat dit luchtalarm af als waarschuwing. Deze activiteiten mogen ook zonder omgevingsvergunning plaatsvinden in een stiltegebied.

Vierde lid:  Artikel 6.6, vijfde lid: Een remotely piloted aircraft (RPA), ook wel drone genoemd, kan ingezet worden bij het opsporenoproepen van personen die illegale (eventuele milieubelastende) activiteiten in stiltegebieden verrichtenof om dreigend gevaar af te wendenOokZo kan een drone gebruikt worden voor het snel en veilig verkrijgen van informatie over een brand of ander dreigend gevaar. Dit gebruik is vrijgesteld van het verbod.

Vijfde lid, onder b: Jacht, faunabeheer en schadebestrijding zijn grotendeels uitgezonderd van het verbod in dit artikel, vanwege de uitzonderingen voor deze categorie in artikel 6.5. Het gebruik van vuurwapens in dit kader door de jachthouder, faunabeheereenheid of wildbeheereenheid valt onder de uitzondering voor het beheer van het gebied. Het gebruik van vuurwapens in het kader van de schadebestrijding door dieren valt onder de uitzondering voor land- en tuinbouw.

Artikel 6.6, zesde lid: Voor de normale uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering is het gebruik van knalapparatuur in faunabeheer of schadebestrijding toegestaan. Hiertoe wordt echter niet de categorie van omroepinstallaties gerekend, bijvoorbeeld een geluidssysteem met alarmgeluiden van spreeuwen of de roep van roofvogels. Deze categorie is vergunningplichtig.

Artikel 6.6, zevende lid, onder b: De jacht is grotendeels uitgezonderd van het verbod in dit artikel, vanwege de algemene uitzondering op de regels van deze afdeling voor normale werkzaamheden die nodig zijn in verband met het beheer van het gebied, opgenomen in artikel 6.5, tweede lid, onder b. Jagen door de fauna- of wildbeheereenheid valt onder de uitzondering voor het beheer van het gebied. Jagen in het kader van de schadebestrijding door dieren zal doorgaans niet vallen onder de uitzondering voor het beheer van het gebied, maar het gebruik van vuurwapens voor dat doel kan wel vallen onder de vrijstelling van artikel 6.6, zevende lid, onder b.

Artikel 6.7 Beoordelingsregels omgevingsvergunningen voor activiteiten in stiltegebieden

Indien in het kader van de toetsing dan wel handhaving veldmetingen worden uitgevoerd, zijn dit bemenste metingen tijdens de dagperiode. Langdurige onbemenste metingen worden in beginsel niet geschikt geacht voor handhavings- of toetsingsdoeleinden.

Artikel 6.7, eerste lid: Hieronder vallen vooral activiteiten van algemeen nut. Voorbeelden van dit soort activiteiten zijn: het opsporen of ontginnen van in de bodem aanwezige stoffen, het aanleggen van kabels en leidingen, het bouwen van kunstwerken of natuurontwikkeling. 

Artikel 6.7, tweede lid, onder c: Dit geeft indicatie van de toegestane tijdsduur bij een zekere bronsterkte. Vaak zal het hierbij gaan om het ten gehore brengen van muziek. In dit kader worden de volgende voorbeelden genoemd: een bronsterkte van 75-85 dB(A) bij achtergrondmuziek; een bronsterkte van 90 dB(A) bij achtergrondmuziek bij grotere groepen; een bronsterkte van 95 dB(A) bij licht versterkte muziek solo-muzikant.

Artikel 6.7, tweede lid, onder d: Indien voor het aanvragen van een omgevingsvergunning een geluidberekening noodzakelijk is, worden, omwille van de eenvoud, alleen de geluidbronnen betrokken waarvoor de vergunning wordt gevraagd. Artikel 6.7 vierde lid: Voor de in dit lid vermelde en de in de Omgevingsregeling opgenomen regels wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.3.

Artikel 6.7 vierde lid: Voor de in dit lid vermelde en de in de Omgevingsregeling opgenomen regels wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 6.3. 

Artikel 6.8 Specifieke aanvraagvereisten

Ter verduidelijking van de op grond van artikel 7.3 van de Omgevingsregeling gevraagde gegevens over de activiteit kunnen naast het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de locatie ook wegnummers en/of kilometerpaaltjes worden vermeld. 

Artikel 6.8, eerste lid, onder d: Voor de te verwachten geluidsproductie worden gegevens gevraagd over het type materieel, de inzet ervan (startdatum, einddatum, feitelijk aantal werkdagen) en inzicht in eventueel gelijktijdige inzet. 

Artikel 6.8, eerste lid, onder e: Voorbeelden van informatie over maatregelen die genomen worden om de geluidsproductie te beperken, zijn het gebruik van elektrische apparatuur of een opstelling van materieel buiten het stiltegebied.

Artikel 6.8, tweede lid: Gedeputeerde staten kunnen een (aanvullend) akoestisch onderzoek verlangen, wanneer het voor de beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunning nodig is om de geluidimmissie van deze activiteit op het stiltegebied beter inzichtelijk te maken. Een voorbeeld is het inzichtelijk maken van het effect van bepaalde te nemen maatregelen of van de geluidimpact indien activiteiten achtereenvolgend of juist gelijktijdig maar over een kortere periode worden uitgevoerd.

DDDDD

Na sectie 6.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Afdeling 6.4 Industrieterreinen waarvoor provincie geluidproductieplafonds vaststelt

Artikel 6.9 Aanwijzing Industrieterreinen waarvoor provincie geluidproductieplafonds vaststelt

Artikel 2.12a van de Omgevingswet biedt de mogelijkheid om industrieterreinen aan te wijzen waarvoor de provincie geluidproductieplafonds vaststelt. Voor deze industrieterreinen is de provincie verantwoordelijk voor het vastleggen, monitoren en naleven van de geluidruimte.  

Na de wijziging van de Wet geluidhinder in 2007 zijn de taken en bevoegdheden met betrekking tot geluid van de meeste industrieterreinen overgegaan van de provincies naar de gemeenten. Uitzondering hierop vormen industrieterreinen waarvoor is vastgesteld dat het uitoefenen van deze taken doelmatiger en doeltreffender door de provincie plaatsvond. 

In Limburg betreft dit Chemelot (locatie Geleen) en NedCar, NedCar Yard, Industrial Park Swentibold. 

Voor deze industrieterreinen geldt dat de taken en bevoegdheden met betrekking tot het geluid - sinds de eerste vaststelling van de geluidzones op deze terreinen in respectievelijk 1987 en 2000 - bij de provincie zijn belegd. Bij de wijziging van de Wet geluidhinder in 2007 is ervoor gekozen deze taken niet over te dragen aan de betreffende gemeenten vanwege de omvang van deze terreinen in verhouding tot het gemeentelijke apparaat, de gemeentegrensoverschrijdende geluidimpact en de gemeentegrens overstijgende economische belangen van die industrieterreinen voor Limburg. Om die reden zijn de beide terreinen destijds aangewezen als ‘Industrieterrein van regionaal belang’ als bedoeld in de Wet geluidhinder (artikel 163, tweede lid). 

De mogelijkheid om ook onder de Omgevingswet industrieterreinen aan te wijzen waarvoor de provincie verantwoordelijk is voor de geluidproductie, is een beleidsneutrale voortzetting van de Wet geluidhinder. Door de aanwijzing van Chemelot (locatie Geleen) en NedCar, NedCar Yard, Industrial Park Swentibold als ‘Industrieterrein waarvoor de provincie geluidproductieplafonds vaststelt’ op grond van artikel 2.12a Omgevingswet, wordt een doelmatige en doeltreffende voortzetting van de geluidtaken geborgd en extra bestuurslasten voor gemeenten voorkomen en is een beleidsneutrale overgang van de Wet geluidhinder naar de Omgevingswet verzekerd. Daar komt bij dat de redenen die er destijds waren om deze industrieterreinen aan te wijzen als ‘Industrieterreinen van regionaal belang’ als bedoeld in de Wet geluidhinder, nog steeds aanwezig zijn. 

Chemelot en Nedcar (inclusief Industrial Park, maar zonder NedCar Yard) zijn vanuit economisch en mobiliteitsbeleid ook aangewezen als bedrijventerrein van provinciaal belang.

EEEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 7 Landschappen Landelijk gebied

FFFFF

Voor sectie 7.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

In de Omgevingsvisie Limburg is een provinciedekkende algemene zonering opgenomen die als volgt is opgebouwd:

  • 1.

    landelijk gebied; bestaat uit

    • a.

      Natuurnetwerk Limburg

    • b.

      groenblauwe landbouwzone

    • c.

      primair landbouwgebied

    • d.

      verwevingsgebied

  • 2.

    bebouwd gebied; bestaat uit:

    • a.

      stedelijk gebied

    • b.

      landelijke kernen

    • c.

      werklocaties, bestaat uit:

      • bedrijventerreinen

      • stedelijke dienstenterreinen

      • solitaire bedrijfslocaties groter dan 1 hectare

In afdeling 7.1 zijn de algemene instructieregels over het primair landbouwgebied opgenomen.  

De groenblauwe landbouwzone onderscheidt 8 deelgebieden. Deze gebieden zijn toegelicht onder afdeling 7.2. De deelgebieden van de groenblauwe landbouwzone kunnen ook (deels) onder verwevingsgebied liggen en kunnen elkaar overlappen. 

In hoofdstuk 8 staan de instructieregels over het Natuurnetwerk Limburg.  

Naast deze algemene instructieregels over een zone kunnen instructieregels over specifieke thema’s gelden, zoals landbouw (hoofdstuk 10), wonen (afdeling 12.2), werklocaties (afdeling 12.2) en vrijetijdseconomie (afdeling 12.3). In een aantal gevallen bevatten deze themagerichte instructieregels aanvullende instructieregels over ontwikkelingen in het primair landbouwgebied (bijvoorbeeld artikel 12.5 12.15), de groenblauwe landbouwzone (bijvoorbeeld artikel 12.6, 12,15) of het verwevingsgebied (bijvoorbeeld artikel 12.4, 12.15). 

Naast de algemene instructieregels met betrekking tot de zonering en de themagerichte instructieregels kunnen in een gebied bepaalde (rechtstreeks werkende) regels voor activiteiten gelden, zoals in grondwaterbeschermingsgebieden (afdeling 4.3), stiltegebieden (afdeling 6.3) en het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg (afdeling 7.5)

GGGGG

Na sectie wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Afdeling 7.1 Instructieregels primair landbouwgebied

Doel van het primair landbouwgebied is het creëren van een zone met maximale ruimte voor de landbouw, inclusief de tuinbouw. Beperkingen voor het (toekomstig) functioneren van de landbouw in dit gebied dienen zoveel mogelijk voorkomen te worden.  

Het heeft de voorkeur om het primair landbouwgebied zoveel mogelijk in te vullen met landbouwfuncties en om vrijkomende agrarische bebouwing en gronden zoveel mogelijk te behouden voor de landbouw. Die inzet is, zoals aangegeven in de Omgevingsvisie Limburg, in de Omgevingsverordening Limburg vertaald naar een ‘nee, tenzij’-bepaling voor de ontwikkeling van nieuwe niet-agrarische functies in dit gebied en de wijziging van de ene niet-agrarische functie naar de andere. Die bepaling heeft de vorm van een instructieregel die zich richt tot gemeenten. Gemeenten zullen (onder meer) moeten aantonen dat een nieuwe niet-agrarische ontwikkeling het functioneren van de landbouw in het primair landbouwgebied niet belemmert.  

Nieuwe ontwikkelingen kunnen vele vormen aannemen. Om deze reden zijn de instructieregels in deze paragraaf gericht op nieuwe niet-agrarische functies in het primair landbouwgebied in het algemeen. Voor specifieke nieuwe niet-agrarische functies in het primair landbouwgebied kunnen aanvullend ook andere instructieregels van toepassing zijn.

Artikel 7.1 Algemene instructieregel primair landbouwgebied

De instructieregel bevat als hoofdregel een verbod voor de ontwikkeling van nieuwe niet-agrarische functies in primair landbouwgebied maar ook voor de wijziging van de ene niet-agrarische functie in de andere. Onder een nieuwe functie wordt ook begrepen de herontwikkeling van een vrijkomend agrarisch bouwvlak met een nieuwe niet-agrarische functie of de toevoeging van een (neven)functie met een ander karakter als de bestaande functie. 

Artikel 7.2 Uitzonderingen algemene instructieregel primair landbouwgebied

Artikel 7.2, eerste lid, Het eerste lid benoemt een aantal specifieke niet-agrarische functies waarvoor de instructieregel van artikel 7.1 niet geldt.  

Artikel 7.2, tweede lid Het tweede lid van artikel 7.2 biedt ruimte voor andere niet-agrarische functies dan die genoemd zijn in het eerste lid. Hiermee wordt ruimte geboden voor lokale afweging in specifieke situaties. In die lokale afweging dient duidelijk gemaakt te worden dat in elk geval aan de voorwaarden genoemd onder a, b, c en d is voldaan. 

Onderdeel a bevat de voorwaarde dat uit een afweging van de nieuwe functie tegen de waarde van voedselproductie en de landbouwkundige waarde van de betreffende locatie blijkt dat de nieuwe niet-agrarische functie prevaleert. Bij die afweging spelen de volgende niet limitatieve elementen een rol:

  • de landbouwkundige waarde van de grond (bodemtype en -structuur, bodemvruchtbaarheid, waterhuishouding, geomorfologie en daaruit ontstane fysieke omstandigheden);

  • het bestaand en historisch (agrarisch) gebruik van het perceel (historisch landgebruik en het actief agrarisch landgebruik (bedrijfsmatig);

  • of het een uitbreiding van een bestaande functie betreft of gaat om een volledig nieuwe ontwikkeling;

  • de (beleidsmatige) ligging van het perceel (bijv. ten aanzien van het regionaal land- en tuinbouwbeleid, zoals het ontwikkelingsgebied glastuinbouw);

  • de bijdrage aan en het draagvlak voor lokale voedselvoorziening of circulaire landbouw;

  • de kwalitatieve argumenten voor de nieuwe functie (maatschappelijke meerwaarde);

  • de geschiktheid van de vrijkomende agrarische bebouwing voor agrarisch gebruik. De land- en tuinbouw blijft ook in de toekomst van belang voor onze voedselvoorziening en voor een vitaal landelijk gebied. Om de land- en tuinbouw (waaronder grond) te beschermen stimuleren we hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing en bouwvlakken door de agrarische sector zelf. Daarmee willen we ruimte bieden voor nieuwvestigers (zoals starters) en verplaatsers uit kwetsbare gebieden. Om deze reden dient een onderbouwing ten aanzien van de geschiktheid van de vrijkomende agrarische bebouwing voor agrarisch gebruik gemaakt te worden. Hierbij dient zowel naar de kwantitatieve als de kwalitatieve aspecten van de locatie gekeken te worden. Daarbij geldt dat een locatie niet te snel als ongeschikt mag worden bestempeld. Ook minder geschikte of verouderde gebouwen kunnen door sloop of herontwikkeling worden ingezet voor agrarische bedrijvigheid, zodat de bestaande planvoorraad optimaal wordt benut.

Onderdeel c bevat de voorwaarde dat de beoogde niet-agrarische functie past binnen de regels en het beleid voor de betreffende beleidssector verantwoord is, gezien de marktsituatie en beoogde ontwikkelingen op andere plekken. Dit zal in de praktijk eerder een ontwikkeling richting kleinschalige bedrijvigheid betekenen dan nieuwe woningbouw of voorzieningen voor vrijetijdseconomie. 

Onderdeel d past bij de wens dat nieuwe niet-agrarische functies geen of minimale belemmeringen opleveren voor bestaande, blijvende (en mogelijke toekomstige) landbouwbedrijven. Ook het oproepen van bezoekersstromen wordt gezien als een mogelijke belemmering.  

Artikel 7.2, derde lid Als alternatief voor het bepaalde in het tweede lid, onder d, kan het derde lid worden toegepast op het moment dat de beoogde niet-agrarische functie resulteert in een grote regionale plus, in de vorm van het oplossen van een bovenlokaal milieutechnisch of ruimtelijk knelpunt. Aan de onderdelen a, b en c van het tweede lid moet dan wel worden voldaan.

HHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.3 De groenblauwe mantel

De beschermingsregimes van de huidige Zilvergroene natuurzone en de huidige Bronsgroene landschapszone komen in de omgevingsverordening sterk overeen. Ook in gebruik van deze gebieden (veelal agrarisch, grondgebonden landbouw) is weinig verschil (dit in tegenstelling tot de Goudgroene natuurzone waar het natuurbelang prevaleert). Het enige wat er verandert is dat ook voor de (voormalige) bronsgroene natuurzone inzichtelijk moet worden gemaakt wat de betekenis van een ontwikkeling in een 'plangebied' is voor de natuurwaarden in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg. Dit wordt in de vigerende verordening ook gevraagd voor de Zilvergroene natuurzone. Belangrijk is ons te realiseren dat dit niet meer is dan een motiveringsplicht en geen gebodsbepaling. De verwachting is dat deze motiveringsplicht in veel situaties weinig extra inspanning (motivering) vergt omdat verbindings- of bufferfuncties niet geraakt worden. De samenvoeging van de twee zones sluit aan bij de wens tot harmonisatie van de naamgeving van natuurzoneringen vanuit de Omgevingswet. Specifiek voor glastuinbouw is er in de vigerende Omgevingsverordening beleid geformuleerd gekoppeld aan de Zilvergroene natuurzone en Bronsgroene landschapszone.

In de herziening van de Omgevingsverordening wordt dit beleid met de naamsverandering in de Groenblauwe mantel niet anders. Verder is in navolging van POVI als kernkwaliteit toegevoegd:ruimte voor water en waterberging in de laagten en beekdalen.

Kaartaanduiding groenblauwe mantel.

De kaart van de groenblauwe mantel betreft een zoneringskaart. Dit betekent dat zones over bouwvlakken, gebouwen, wegen, paden en ander grondgebruik geprojecteerd kunnen zijn. Ook kan het voorkomen dat de begrenzing van de zone, bijvoorbeeld een bufferzone rondom beken, dwars over percelen geprojecteerd is. Voor eigenaren en (bedrijfsmatige) gebruikers van die percelen heeft dit geen beperkende gevolgen. Het exact en op perceelsniveau begrenzen van gebruiksfuncties hoort thuis op het niveau van het gemeentelijke omgevingsplan. Voor de bestemmingen in de vigerende bestemmingsplannen heeft de omgevingsverordening geen directe gevolgen. De daarin vastgelegde bestemmingen blijven bestaan zolang er zich geen nieuwe ontwikkelingen voordoen. De regels rondom de groenblauwe mantel in de omgevingsverordening richten zich dan ook niet tot de eigenaren en gebruikers van de grondgebieden binnen de groenblauwe mantel, maar richten zich alleen tot de gemeenten. Bij het vaststellen van een (nieuw) omgevingsplan moet de gemeente aangeven hoe zij is omgegaan met de kernwaarden van de groenblauwe mantel.

Gemeenten hebben een motiveringsplicht om in de toelichting op nieuwe omgevingsplannen of omgevingsplanactiviteiten in de groenblauwe mantel en in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg aan te geven hoe met de bescherming en versterking van de kernkwaliteiten in de betreffende gebieden wordt omgegaan.

Bij nieuwe ontwikkelingen zal rekening gehouden moeten worden met de aanwezige omgevingskwaliteiten, maar ook met regionale afspraken ten aanzien van de ontwikkeling van onder meer wonen, bedrijventerreinen, detailhandel en vrijetijdseconomie en met de (bedrijfs-)belangen van eigenaren en gebruikers van de gronden waarover de zonering van de groenblauwe mantel zich uitstrekt.

[Vervallen]

IIIII

Na sectie 7.1 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Afdeling 7.2 Instructieregels deelgebieden groenblauwe landbouwzone en verwevingsgebied

Artikel 7.3 Deelgebieden en landschappelijke kernkwaliteiten groenblauwe landbouwzone en verwevingsgebied

De groenblauwe landbouwzone is een van de zones van de algemene zonering opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg. Het is een actualisatie van de groenblauwe mantel zoals voorheen in de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgenomen. 

De groenblauwe landbouwzone is geen uniforme zone, maar kent een aantal gebiedsdifferentiaties, met elk zijn eigen doelen, beleid en instrumentarium. Het zijn: 

  • ecologische verbindingszones

  • Maasvallei

  • beekdalen

  • natte laagten

  • hellingen

  • droogdalen

  • intrekgebieden Natura 2000-gebieden

  • overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden

Deze acht soorten gebieden zijn in de Omgevingsverordening aangeduid als ‘deelgebieden’. Deelgebieden liggen onder de groenblauwe landbouwzone, maar kunnen ook onder delen van het verwevingsgebied liggen. Uitzondering is het deelgebied Maasvallei, dat volledig deel uitmaakt van de groenblauwe landbouwzone. Deelgebieden kunnen elkaar overlappen. 

In de Omgevingsvisie Limburg zijn de deelgebieden aangeduid als ‘kaartlagen’, maar die kaartlagen kunnen ook deels onder het Natuurnetwerk Limburg of onder het stedelijk gebied, de landelijke kernen of de werklocaties liggen. De instructieregels die in afdeling 7.2 voor de deelgebieden zijn opgenomen, gelden echter alleen voor de deelgebieden zoals begrensd in de Omgevingsverordening. 

De artikelen 7.3 tot en met 7.10 bevatten een motiveringsverplichting bij nieuwe ontwikkelingen in de zeven van de acht deelgebieden. Voor elk deelgebied is een apart artikel opgenomen. Elk artikel heeft dezelfde opbouw:

  • In het eerste lid van elk artikel is de motiveringsverplichting toegespitst op het deelgebied waar de ingreep plaatsvindt: de motivering is gericht op de specifieke opgaven en doelen die daar spelen. Verderop in deze toelichting is per artikel voor elk deelgebied een korte toelichting gegeven.

  • In het tweede lid van elk artikel wordt een motivering gevraagd met betrekking tot de instandhouding van de natuurdoeltypen in aangrenzende gebieden van het Natuurnetwerk Limburg.

  • In het derde lid van elk artikel wordt gevraagd om te motiveren dat door de ontwikkeling geen verlies van de landschappelijke kernkwaliteiten plaatsvindt. 

     De landschappelijke kernkwaliteiten zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. De landschappelijke kernkwaliteiten zijn opgenomen in artikel 7.3, tweede lid, en uitgewerkt in bijlage VIII. De motivering moet in elk geval een beschrijving omvatten van de aanwezige landschappelijke kernkwaliteiten in het plangebied en de verwachte aantasting daarvan als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep. Essentie is dat er op gebiedsniveau per saldo geen verlies van deze landschappelijke kernkwaliteiten mag plaatsvinden. Bijvoorbeeld door het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen.

De motiveringsplichten zijn instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen bij het wijzigen van het omgevingsplan en bij het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Om in het omgevingsplan of de omgevingsvergunning een goede motivering op te kunnen nemen zijn veelal gegevens nodig van de initiatiefnemer.  

In artikel 7.12 is een compensatieverplichting opgenomen die voor alle deelgebieden geldt wanneer sprake is van aantasting van bos of landschapselementen. Compensatie moet plaatsvinden overeenkomstig bijlage IX bij de Omgevingsverordening. Deze bijlage heeft primair betrekking op natuurcompensatie bij ingrepen in het Natuurnetwerk Limburg maar bevat ook regels over compensatie bij aantasting van bos of landschapselementen in de deelgebieden van de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied. 

Voor de overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden gelden de motiveringsvereisten niet. Voor deze overgangsgebieden zullen op een later moment op basis van gebiedsgerichte onderzoeken en gebiedsprocessen in het kader van het Programma Limburgs Offensief Stikstof (LOS) nadere regels in de Omgevingsverordening worden opgenomen. Waar sprake is van overlap van de overgangsgebieden met andere deelgebieden geldt de motiveringsplicht voor die andere deelgebieden uiteraard wel. Bovendien zal voor nieuwe ontwikkelingen met mogelijke significante effecten op het Natura 2000-gebied een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig zijn. In dat kader is ook een motivering vereist van de impact van de beoogde ingreep. 

De compensatieverplichting opgenomen in artikel 7.12 geldt wel voor overgangsgebieden rondom kwetsbare Natura 2000-gebieden.

Artikel 7.4 Instructieregels ecologische verbindingszones

De ecologische verbindingszones verbinden belangrijke natuurgebieden met elkaar en zorgen ervoor dat soorten zich kunnen verspreiden en dat er uitwisseling is tussen deelpopulaties. Het opnemen van ecologische verbindingszones als deelgebied in deze Omgevingsverordening maakt concrete toetsing van het effect van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen op de connectiviteit van de natuur in Limburg mogelijk. Er dient te worden gemotiveerd hoe de waarde van het gebied als ecologische verbindingszone in stand blijft of wordt verbeterd. Van belang daarbij is dat in de kaartlagen in de provinciale omgevingsvisie is opgenomen of de betreffende verbinding concreet begrensd is of is opgenomen als zoekgebied voor een verbinding. Bij een zoekgebied kan de precieze ligging van de verbindingszone nader worden bepaald. Er is daarmee bij een zoekgebied meer ruimte voor inpassing van een eventuele nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dan bij een concreet begrensde verbindingszone. Er is bijzondere aandacht nodig voor verbindingszones die menselijke infrastructuur kruisen. De knelpunten in de connectiviteit die hier ontstaan of al zijn ontstaan kunnen worden gemitigeerd met ontsnipperingsmaatregelen zoals ecoducten of tunnels met begeleidende rasters. In de motivering dient te worden ingegaan op het landschap dat toeleidt naar dergelijke voorzieningen, zodat het functioneren ervan niet in het geding komt.  

Inhoudelijk dient rekening te worden gehouden met de typering van de betreffende ecologische verbindingszone. De typering is opgenomen in de kaartlagen van de Omgevingsvisie Limburg, met verschillende streefbeelden om optimaal tegemoet te komen aan de ecologische vereisten van de soorten waarvoor de verbindingszone is aangewezen. Bij de motivering dient te worden ingegaan op deze specifieke vereisten.  

Het gaat om de volgende zeven typen: 

  • beekdal - ecologische verbindingszones: corridor bestaande uit een waterloop (stromende beek, rivier of stilstaand water) met plas-dras/moeras-situaties en oevers op de flanken begeleid door ruigtes, struweel, bomen of extensief grasland.

  • verbinding met landschapselementen - ecologische verbindingszones: landschapszone met afwisselend open agrarisch landschap en kleinschalig landschap met vochtige weilanden, ruigten, houtwallen, singels, bosjes en dergelijke.

  • bosverbinding - ecologische verbindingszones: mozaïeklandschap bestaande uit bosjes en struweel. Overige elementen zijn bijvoorbeeld (vochtige) weilanden en ruigten.

  • kleinschalig landschap met poelen - ecologische verbindingszones: corridor met stapstenen, ingebed in kleinschalig landschap. Natte elementen zijn essentieel (met name poelen).

  • kleinschalig landschap met schrale elementen - ecologische verbindingszones: corridor met stapstenen, ingebed in kleinschalig landschap. Schrale elementen zijn essentieel, zoals plekken met zand, ruigtes, open plekken in bos en heideterreintjes.

  • open landschap met schrale elementen - ecologische verbindingszones: corridor met bloem- en kruidenrijke graslanden, soms afgewisseld met kale zandige of steenachtige (kalk, grind, mijnsteen) ondergrond.

  • open akkerlandschap – ecologische verbindingszones: corridor die leefgebieden van de Europese hamster verbindt. Het behoud van akkerbouw, in het bijzonder de teelt van graan en aangepast agrarisch natuurbeheer zijn van belang. Nieuwe bebouwing en opgaande houtige beplanting kunnen leiden tot het verstoren van het functioneren van de verbinding. 

Artikel 7.5 Instructieregels Maasvallei

Op de kaart van het deelgebied Maasvallei is het rivierbed (bestaande uit het voormalige stroomvoerend en waterbergend winterbed) van de Maas opgenomen. In het gehele rivierbed bestaat het risico op hoogwater en overstroming.  

In de Maasvallei bevinden zich diverse functies en spelen meerdere belangen. Bij alle voorkomende functies – zoals landbouw, natuur, recreatie en toerisme, verspreide bedrijven en woningen – moet hier rekening gehouden worden met overstromingen vanuit de Maas. Het Maaswater moet in dit gebied geborgen en afgevoerd kunnen worden, om de bedijkte gebieden met daarin liggende dorpen zo veilig mogelijk te houden. Daarom is ruimte voor water, voor waterafvoer en waterberging van belang. Bij een ruimtelijke ontwikkeling dient daarom gemotiveerd te worden hoe dit behouden, gemitigeerd en gecompenseerd wordt. 

In het deelgebied Maasvallei geldt de Beleidslijn grote rivieren van het Rijk, die mogelijkheden voor nieuwe bebouwing en voor andere nieuwe ontwikkelingen beperkt. Binnen dit deelgebied moet daarom rekening worden gehouden met beperkte bouw- en ontwikkelmogelijkheden.

Artikel 7.6 Instructieregels beekdalen

De beekdalen zijn belangrijk voor het afvoeren van het water in natte perioden en voor het bergen van water voor drogere perioden. De beken moeten in deze beekdalen zo veel mogelijk ruimte krijgen. Dat betekent dat nieuwe bebouwing in de beekdalen niet wenselijk is. Deze kan enerzijds de afvoer of het bergend vermogen van de beek beperken en krijgt anderzijds waarschijnlijk te maken met wateroverlast en schade. Om zoveel mogelijk ruimte voor het water te behouden, geldt voor de beekdalen in de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied geen normering tegen wateroverlast. Het waterschap heeft hier geen taak om maatregelen te nemen om bescherming tegen wateroverlast te realiseren. 

Wanneer er toch om moverende redenen voor wordt gekozen om in het beekdal te bouwen is het van belang om het functioneren van de beek en het beekdal voor waterafvoer en waterberging zo veel mogelijk te behouden. Daarom wordt gevraagd om in dat geval mitigerende en compenserende maatregelen te nemen om ruimte voor water te behouden en de waterbergende en waterafvoerende functie te behouden. Daarom dient te worden gemotiveerd hoe dit is gebeurd. Daarnaast wordt aandacht gevraagd voor de omstandigheden in het beekdal. Er zal rekening gehouden moeten worden met hoge (grond-) waterstanden en wateroverlast.

Artikel 7.7 Instructieregels natte laagten

De natte laagten zijn belangrijk voor het watersysteem vanwege hun sponswerking (water vasthouden, laten infiltreren en/of vertraagd weer afgeven aan de omgeving).  

Daarom zijn de natte laagten belangrijke gebieden die een bijdrage kunnen leveren aan het herstel van een watersysteem dat kan omgaan met zowel zware buien als langere perioden van droogte. De Provincie wil deze gebieden zoveel mogelijk in stand houden, om zo het water de ruimte te geven en de sponswerking te behouden. Nieuwe verharding en bebouwing, drooglegging of ophoging is daarom niet wenselijk. Wanneer er toch om moverende redenen voor wordt gekozen om in de natte laagte te bouwen is het van belang om het functioneren van de natte laagte voor waterberging en sponswerking zo veel mogelijk te behouden. Daarom wordt gevraagd om in dat geval mitigerende en compenserende maatregelen te nemen.

Artikel 7.8 Instructieregels hellingen

De hellingen in Zuid-Limburg zijn belangrijk in verband met de wateroverlast van afstromend water en modder. Bij hevige regen, vooral op momenten dat de akkers nog niet begroeid zijn, spoelt water af van de landerijen en stroomt het over straten en tuinen en door huizen.  

Ter voorkoming van de wateroverlast is het belangrijk dat er op de hellingen maatregelen worden genomen om de afstroming te beperken en af te remmen, en om het gevallen water zo veel mogelijk in de bodem te laten infiltreren. Verharding en bebouwing zijn op de hellingen niet gewenst wanneer dit tot meer afstroming kan leiden. Een aanvullend aandachtspunt is het voorkómen van de zogenaamde ‘runoff’, waarbij nutriëntrijk water en landbouwgrond afspoelen en de gevoelige natuurgebieden op de hellingen binnenstromen en hier tot aantasting van de natuur leiden.  

Daarom geldt voor de hellingen in de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied een motiveringplicht en een compensatieplicht. Gemotiveerd moet worden hoe het snel afstromen van water en erosie worden voorkomen en hoe de infiltrerende, waterbergende en remmende werking van het bestaande landschap wordt behouden of verbeterd.

Artikel 7.9 Instructieregels droogdalen

De droogdalen in de heuvelachtige delen van Limburg zijn dalen die het grootste deel van het jaar geen water afvoeren of waar hooguit een klein bronbeekje ontspringt en afstroomt. Alleen bij hevige regenval komt er veel water tot afstroming. Bij of na hevige regenval stroomt het water door deze droogdalen van de plateaus naar de beekdalen. Ter voorkoming van wateroverlast in de dalen is het van belang om deze waterafvoer zoveel mogelijk te vertragen en het water zo mogelijk te laten infiltreren naar het grondwater.  

In de droogdalen moet de ruimte worden behouden voor de afvoer van water en de remmende werking van het landschap behouden. Bebouwing en verharding in de droogdalen is zowel vanuit de watervoerende en remmende rol, als vanuit wateroverlast voor de bebouwing niet wenselijk.  

De meeste droogdalen staan op de legger van het waterschap, wat betekent dat het waterschap verantwoordelijk is voor een goede geleiding van het water en voor het voldoen aan de normering voor wateroverlast in deze droogdalen.  

Daarom geldt voor de droogdalen in de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied een motiveringsplicht en een compensatieplicht. Gemotiveerd moet worden hoe de waterbergende en remmende werking van het landschap wordt behouden of verbeterd.

Artikel 7.10 Instructieregels intrekgebieden Natura 2000-gebieden

De intrekgebieden Natura 2000-gebieden zijn de gebieden waar het water infiltreert dat de (nabijgelegen) grondwaterafhankelijke Natura 2000-gebieden voedt. Dit zijn Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor nutriënten (nitraat en fosfaat). Daarom zijn verbetering van de waterkwaliteit en behoud van de waterkwantiteit van belang. Doel in deze intrekgebieden Natura-2000 is te zorgen voor voldoende infiltratie van water van een goede kwaliteit voor de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. 

De kwantiteit van het infiltrerende water moet worden behouden en de kwaliteit moet worden verbeterd. Grootschalige afdekking of verstening moet worden voorkomen of gemitigeerd.  

Daarom geldt voor de intrekgebieden Natura 2000-gebieden in de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied een motiveringsplicht, die vraagt om aan te geven hoe de waarden voor infiltratie van water naar het grondwater worden behouden en de waterkwaliteit wordt verbeterd. 

Afdeling 7.3 Instructieregels ruimtelijke kwaliteit

Artikel 7.13 Instructieregels ruimtelijke kwaliteit

Met deze instructieregels wenst de Provincie Limburg nadrukkelijker aan de voorkant van een initiatief te sturen op ontwikkelingen die in lijn zijn met de kenmerken en identiteit van een gebied. Niet alleen door het koesteren van bestaande kwaliteiten, maar juist ook het versterken en vernieuwen van de kwaliteiten door ze ontwikkelgericht in te zetten. Dat kan alleen door zeer vroeg in de planvorming (initiatieffase) de karakteristieken en biografie van de ontwikkellocatie en de bij de ontwikkeling betrokken percelen te kennen en te beschrijven en deze te gebruiken voor het ontwerp van de ontwikkeling. Ter ondersteuning heeft de Provincie hiervoor gebiedspaspoorten ontwikkeld waarin getypeerd is hoe de Provincie de kenmerken en identiteit van de gebieden ziet. De gebiedspaspoorten zijn een abstractie van het landschapskader Noord- en Midden-Limburg en het Handvat Kernkwaliteiten Nationaal landschap Zuid-Limburg. Ter inspiratie voor het ontwerp zijn voor diverse ontwikkelingen (geen uitputtende lijst) ontwerpbeginselen uitgewerkt. Met de paspoorten en ontwerpbeginselen krijgen ontwikkelaars en gemeenten handvatten om ontwikkelingen te ontwerpen die de ruimtelijke kwaliteit van Limburg vergroten.  

Ontwerpend onderzoek

Om te komen tot ontwikkelingen die in lijn zijn met de kenmerken en identiteit van een gebied kan ‘ontwerpend onderzoek’ ondersteunend zijn.  

Het is gangbaar dat er ten behoeve van omgevingsplanwijzigingen, landschappelijke onderzoeken worden uitgevoerd en dat er ontworpen wordt aan zaken als locatie, positionering, maat, schaal, verschijningsvorm etc. Om inzicht te geven in de kenmerken en identiteit van de uiteenlopende Limburgse gebieden, maakt de Omgevingsvisie Limburg onderscheid tussen twaalf gebiedstypen, gebaseerd op de landschapstypen. Voor elk gebiedstype is een gebiedspaspoort opgesteld. Daarin worden de kenmerken, de gebiedslogica, de verschijningsvorm, de ondergrond, het cultuurlandschap en de recente verandering van de gebiedstypen beschreven en in beeld gebracht. Het ‘landschappelijk  onderzoek’ kan daarvan gebruik maken of zich baseren op een ander regionaal of gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitskader. Aangezien de gebiedspaspoorten algemeen en abstract zijn is het raadzaam om deze aan te vullen met locatie specifieke informatie over de kenmerken en identiteit van het gebied. Bijvoorbeeld: 

·           De onderlegger water en bodem (Onderlegger Water en Bodem - Provincie Limburg); 

·           De regionale ontwerpende onderzoeken (Ontwerpende Onderzoeken - Provincie Limburg); 

·           Landschapskader Noord- en Midden-Limburg, Handvat Nationaal Landschap Zuid-Limburg (Landschap - Provincie Limburg); 

·           Een gebiedsbiografie, cultuurhistorische waardenkaart (Atlas Limburg); 

·           Handreikingen van Mooi Nederland (Ruimtelijke kwaliteit | Ruimtelijke ordening Nederland); 

·           Historisch- en aardkundig kaartmateriaal (Atlas Limburg

In de vervolgstap wordt visueel verkend en geanalyseerd hoe de gewenste ontwikkeling in lijn gebracht kan worden met de karakteristieken van de plek. Het is een iteratief proces dat onderzoek en ontwerp integreert. De motivatie doet verslag van dit proces.Bij het verkennen kan onder meer aandacht worden gegeven aan het te ontwikkelen programma (aard en omvang van initiatief), de zoektocht naar de juiste locatie, een variantenstudie, een eigen visie op het gebied en ontwerp in lijn met de landschappelijke karakteristieken. Voor het inzichtelijk maken zijn in de Omgevingsvisie Limburg ter inspiratie en ondersteuning een aantal ontwerpbeginselen uitgewerkt in beeld en tekst. De ontwerpbeginselen gaan in op de ontwerponderdelen contextueel ontwerp, groen raamwerk, zichtlijnen en open ruimte, positionering en verschijningsvorm en zijn aangevuld met generieke principes met betrekking tot maat en schaal, bouwhoogte en volume en materialisatie. 

JJJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 7.2 7.5 Regels over activiteiten in het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg

KKKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.4 7.17 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

LLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 8.1.2 Natuurnetwerk Limburg

Het Natuurnetwerk Limburg vormt het Limburgse deel van het Natuurnetwerk Nederland en is een samenhangend netwerk van natuurgebieden en (veelal om te vormen) landbouwgebieden met  (potentiele) natuurwaarden van (inter-)nationaal en provinciaal belang.

Het Natuurnetwerk Limburg wordt door de Omgevingsverordening beschermd tegen ontwikkelingen  activiteiten  die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten.  Het gaat dan om nieuwe activiteiten en wijzigingen van bestaande activiteiten. Dat is opgenomen in Artikel 8.2. Dat wil niet zeggen dat er nooit iets anders kan binnen het Natuurnetwerk Limburg dan natuurontwikkeling. Er zijn uitzonderingen mogelijk en die staan in de artikelen 8.3 tot en met 8.78.5. Bovendien omvat het Natuurnetwerk Limburg ook de zogenaamde ‘overige functies’ waar geen natuur voorkomt.

Genoemde artikelen van in de Omgevingsverordening hebben geen betrekking op bestaande omgevingsplannen. Dat betekent dus dat alle rechten en plichten die nu in omgevingsplannen zijn vastgelegd, blijven bestaan.

De bepalingen worden pas van toepassing bij een nieuwe ontwikkeling:

  • a.

    waarvoor het omgevingsplan moet worden gewijzigd of waarvoor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit vereist is (zie toelichting bij artikel 1.3), en

  • b.

    waarbij de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied worden aangetast of waarbij dit kan leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Limburg.

De regels uit de Omgevingsverordening gelden voor het hele Natuurnetwerk Limburg, inclusief de gebieden die geen natuur zijn of worden maar de invulling ervan varieert per deelgebied.

De buitengrenzen van het Natuurnetwerk Limburg passen bij het karakter van de Omgevingsverordening: vrij precies, schaal 1:10.000, maar zeker niet op perceelsniveau. Daardoor kan het in de praktijk voorkomen dat er bouwblokken doorsneden worden. Voor het omgevingsplan heeft dat geen directe gevolgen. De daarin toegedeelde functies aan locaties blijven staan zolang er zich geen nieuwe ontwikkelingen voordoen. Zijn er wel ontwikkelingen waardoor het omgevingsplan moet worden aangepast dan is er afstemming tussen gemeente en provincie gewenst over de vraag waar de begrenzing in het omgevingsplan precies moet worden gelegd.

Binnen het Natuurnetwerk Limburg worden vier situaties onderscheiden:

  • a.

    de bestaande bos- of natuurgebieden (waaronder de Natura 2000-gebieden);

  • b.

    areaaluitbreidingen natuur (waar omzetting van landbouw naar natuur is voorzien);

  • c.

    gebieden voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (alleen binnen Natura 2000); en

  • d.

    overige functies, die geen natuur zijn of worden, zoals wegen die door het gebied lopen en verspreide bebouwing, vaak agrarische bedrijven (de zogenoemde. bouwblokken) of kloosters.

Deze situaties staan niet in de geometrische begrenzingen bij de Omgevingsverordening omdat deze niet de precisie heeft van een omgevingsplan.

De bestaande natuur ligt bijna altijd al precies vast in een omgevingsplan.

De nog te realiseren areaaluitbreiding natuur heeft nu meestal een andere bestemming, vaak agrarisch. De provincie legt die areaaluitbreiding natuur precies vast in het Provinciaal Natuurbeheerplan, met het oog op de realisatie van die gebieden. Dat is geen ruimtelijk plan, het plan is gericht op beheer en financiering. Het is van belang dat de feitelijke effectuering in goed overleg tussen initiatiefnemer, gemeente en provincie plaats vindt. Achteraf (soms gebundeld op een later moment) vindt de verankering plaats in het omgevingsplan.

Ook de gebieden waarin sprake is van agrarisch natuurbeheer liggen in het Provinciaal Natuurbeheerplan vast. Vanwege hun ligging binnen Natura 2000-gebied is overigens vaak al sprake van een scherpe begrenzing.

De overige gebieden krijgen op het niveau van het omgevingsplan natuurlijk geen natuurbestemming; gemeenten hebben hier de ruimte om maatwerk te leveren. De bestaande functies liggen vast in het gemeentelijk omgevingsplan. De Omgevingsverordening heeft pas consequenties bij een ruimtelijke ontwikkeling die niet past binnen het vigerende omgevingsplan.

We zullen in het jaarlijks vast te actualiseren Provinciaal Natuurbeheerplan aangeven hoe het Natuurnetwerk Limburg is opgebouwd uit de beschreven vier situaties.

In Artikel 8.2 van de Omgevingsverordening is de algemene regel opgenomen dat ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten, niet zijn toegestaan.

De eerste vraag die dus moet worden beantwoord is of er sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Die verschillen per situatie en zijn uitgewerkt in het Provinciaal Natuurbeheerplan.

Indien er sprake is van aantasting wordt nagegaan of er sprake is van één van de uitzonderingssituaties die zijn beschreven in de artikelen 8.3 tot en met 8.7. Als wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze artikelen zijn opgenomen, kan de ontwikkeling doorgaan. De invulling van die voorwaarden verschilt weer per gebiedscategorie.

De manier waarop de natuurcompensatie uit Artikel 8.7 moet plaatsvinden, is opgenomen in Bijlage IX ‘Natuurcompensatie’.

Wijzigen van de begrenzing van het Natuurnetwerk Limburg

Zoals eerder beschreven zijn de buitengrenzen van het Natuurnetwerk Limburg vrij precies bij de Omgevingsverordening geometrisch begrensd. Het vastleggen en wijzigen van die grenzen is een bevoegdheid van Provinciale Staten.

Voor een aantal situaties wordt die bevoegdheid overgedragen aan Gedeputeerde Staten.

In de eerste plaats vanwege een duidelijke ecologische reden. In de praktijk zal dit vooral betrekking hebben op areaaluitbreidingen natuur die nog niet gerealiseerd zijn. Voorbeelden zijn de verbetering van milieu- en watercondities in een gebied of verzoeken van particulieren om te starten met particulier natuurbeheer in ecologisch kansrijke, maar niet begrensde gebieden. Omdat de areaaluitbreidingen natuur primair begrensd zijn om Natura 2000/ Kaderrichtlijnwater doelen te versterken, zal versterking van deze doelen ook het uitgangspunt dienen te zijn bij herbegrenzing.

Het initiatief voor aanpassing van de begrenzing is een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten en is gekoppeld aan de procedure van de (partiële) wijziging van het Provinciaal natuurbeheerplan.

In de tweede plaats kan de toepassing van één van de uitzonderingsbepalingen van de artikelen 8.3, 8.58.4 en 8.68.5 gevolgen hebben voor de buitengrenzen van de zone, bijvoorbeeld doordat buiten de bestaande zonenatuurnetwerk begrenzing een nieuw natuurgebied wordt aangelegd dat onderdeel moet gaan uitmaken van het Natuurnetwerknatuurnetwerk. Dan zal dat op de kaart zichtbaar moeten worden gemaakt. De wijziging van de geometrische begrenzing die daarvoor nodig is, kan door Gedeputeerde Staten worden vastgesteld.

      Als de grenzen worden gewijzigd, zal er ook een (partiële) wijziging van het Provinciaal natuurbeheerplan moeten plaatsvinden.

Artikel 8.2 Instructieregels voor omgevingsplannen Natuurnetwerk Limburg

Het voorkomen van natuurschade door ingrepen in of nabij het Natuurnetwerk is van groot belang om verdere achteruitgang van natuurkwaliteit en biodiversiteit te voorkomen.

De natuurkwaliteit staat onder druk door verschillende factoren. Door de toenemende bevolkingsdichtheid, verstedelijking, het intensief en grootschalig landgebruik en de hiermee gepaard gaande emissies, versnippering, verdroging en verstoring, staat de natuur en biodiversiteit onder grote druk. Ook het toegenomen recreatief gebruik van natuurgebieden, met name na de coronapandemie, zorgt voor een extra belasting op leefgebieden van bijvoorbeeld beschermde- en Rode Lijst soorten. 

Het primaire doel van het natuurnetwerk is plaats te bieden aan en in stand houden van natuur. Extensief recreatief medegebruik van natuurgebieden past daarbij, intensieve vormen van (recreatief) medegebruik niet. 

Om achteruitgang van de natuurkwaliteit in het Natuurnetwerk Limburg en de daarin voorkomende leefgebieden te voorkomen, is het belangrijk om scherp toe te zien op het toelaten van nieuwe activiteiten die nadelige gevolgen hebben op het natuurnetwerk. Dit wordt gedaan door het toepassen van het “Nee, tenzij” afwegingskader. Dit houdt onder andere in dat bepaalde nieuwe activiteiten en ontwikkelingen in het natuurnetwerk niet wenselijk en uitgesloten zijn zoals bijvoorbeeld: natuurbegraafplaatsen (incl. in- en uitbreiding), gebruik als trainingsveld, voedselbos en voorzieningen die niet bijdragen aan het in stand houden of de realisatie van de natuurdoelen.

In artikel 8.2 is de algemene regel opgenomen dat ontwikkelingen die de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied aantasten, niet zijn toegestaan. De eerste vraag die dus moet worden beantwoord is of er sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. Die verschillen per situatie. De natuur- en landschapselemententypen, als onderdeel van de wezenlijke kenmerken en waarden, zijn vastgelegd in het Provinciaal Natuurbeheerplan. 

Indien er sprake is van aantasting wordt nagegaan of er sprake is van één van de uitzonderingssituaties die zijn beschreven in de artikelen 8.3 tot en met 8.5. Als wordt voldaan aan de voorwaarden die in deze artikelen zijn opgenomen, kan de ontwikkeling doorgaan.

Artikel 8.3 Ontwikkeling van groot openbaar belang

Het is van belang om te onderzoeken of de activiteit ook buiten de invloedsfeer van het natuurnetwerk gerealiseerd kan worden zodat de kwaliteit, de oppervlakte en de samenhang van het natuurnetwerk niet achteruitgaan. Of dat er op een andere manier voorzien kan worden in de beantwoording van de voorliggende vraag of knelpunt (zie ook artikel 8.3, onder b). Voorkomen van natuurschade gaat voor mitigeren en compenseren.

De te compenseren ruimtelijke ontwikkeling wordt in beginsel natuurinclusief uitgevoerd; dit telt niet mee als compensatie. Natuurinclusief houdt in dat natuur en biodiversiteit integraal onderdeel uitmaken van het ontwerp van het initiatief, en de realisatie van de ruimtelijke ingreep en de in te richten omgeving.

Artikel 8.3, onderdeel a Onder groot openbaar belang wordt verstaan een belang dat van zodanig zwaarwegend maatschappelijk gewicht is dat het, bij wijze van uitzondering, kan rechtvaardigen dat beschermde natuurwaarden worden aangetast. Het gaat daarbij om belangen die de samenleving als geheel raken, of een groot deel ervan raken, en die uitstijgen boven reguliere openbare of louter economische belangen. Het begrip dient restrictief te worden uitgelegd. Slechts belangen van uitzonderlijke betekenis, zoals de bescherming van de volksgezondheid, de openbare veiligheid, waterveiligheid, energievoorziening of de instandhouding van essentiële infrastructuur en maatschappelijke functies, kunnen hieronder worden begrepen. Louter economische motieven of particuliere voordelen kwalificeren niet als groot openbaar belang.

Artikel 8.3, onderdeel b Een goed alternatievenonderzoek richt zich op reële alternatieven, die een kansrijk alternatief vormen voor de situatie die onderzocht wordt. Het onderzoek moet degelijk, betrouwbaar en objectief zijn en dient te leiden tot een duidelijke rapportage dat de onderzoeksvraag, de gebruikte methoden, de resultaten en de conclusies bevat. Tijdsverlies en meerkosten ten gevolge van de ontwikkeling op een alternatieve locatie zijn op zichzelf geen reden om dat alternatief af te wijzen.

Artikel 8.3, onderdeel c Indien een activiteit toch toelaatbaar wordt geacht na zorgvuldige afweging, dient nauwgezet te worden bezien hoe de aantasting zoveel als mogelijk kan worden beperkt (mitigatie). Daarvoor is het noodzakelijk zo concreet als mogelijk de nadelige effecten in beeld te brengen. Het aanleggen van bijvoorbeeld ecoducten, tunnels en rasters kan zorgen voor het mitigeren van de ingreep. Wanneer er na mitigatie nog steeds sprake is van nadelige effecten dient er gecompenseerd te worden volgens bijlage IX.

Artikel 8.3, onderdeel d Onder tijdig realiseren van compensatie en verbetering van het Natuurwetwerk Limburg wordt verstaan voorafgaand aan de ingreep, tenzij gedeputeerde staten in een specifieke casus anders bepalen.

Locatie van de compensatie. Compensatie en natuurverbetering kan ook aansluitend aan het Natuurnetwerk Limburg worden gerealiseerd indien dit leidt tot een verhoging van de kwaliteit van het Natuurnetwerk Limburg. Hierbij valt te denken aan bijvoorbeeld de ecologische verbindingszones van de groenblauwe landbouwzone. Dit betekent niet dat compensatie of natuurverbetering altijd direct grenzend aan het natuurnetwerk gerealiseerd moet worden. Het gaat om het behoud of versterken van de samenhang van het Natuurnetwerk Limburg. Voorkomen moet worden dat er nieuwe losse snippers natuur van het Natuurnetwerk ontstaan.

Gerealiseerde compensatie en natuurverbetering wordt vervolgens in de begrenzing van het Natuurnetwerk Limburg opgenomen.

Artikel 8.5 8.4 Saldobenadering bij samenhangende ontwikkelingen

Een uitzondering op het principe dat geen inbreuk is toegestaan op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg, betreft een combinatie van activiteiten die gezamenlijk tot een meerwaarde voor het Natuurnetwerk Limburg leiden. Zou elk van die activiteiten apart worden beoordeeld, dan zouden zij elk op zichzelf geen meerwaarde hebben of zelfs afbreuk doen aan de wezenlijke kenmerken en waarden. Door de activiteiten echter in onderlinge samenhang uit te voeren en te beoordelen, kan de kwaliteit van het Natuurnetwerk Limburg per saldo verbeteren. Het gaat daarbij om een verbetering van de kwaliteit op gebiedsniveau, waarbij wij ervan uitgaan dat de oppervlakte van het Natuurnetwerk Limburg niet afneemt. Dit is de 'saldo-benadering'. Hiermee wordt een gebiedsgerichte aanpak bevorderd.

Eén van de voorwaarden om de saldobenadering te kunnen toepassen, is dat de activiteiten onderdeel uitmaken van een gebiedsvisie. Verder dient voldoende zekerheid te worden verschaft dat de verschillende activiteiten die in de gebiedsvisie zijn opgenomen, ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Dat kan door de visie vast te stellen als gemeentelijke omgevingsvisie. Maar andere manieren zijn ook mogelijk bijvoorbeeld via de voorschriften in een omgevingsplan, contractuele verplichtingen, garantiestellingen of bestuursovereenkomsten. Het gaat erom dat de provincie voldoende vertrouwen in de uitvoering heeft.

Hiermee wordt geborgd dat een combinatie van activiteiten binnen één ruimtelijkegebiedsvisieruimtelijke gebiedsvisie onderlinge samenhang vertoont. Tevens is zo verzekerd dat toepassing van de saldobenadering de kwaliteit van het Natuurnetwerk Limburg daadwerkelijk verbetert, onder andere door de mogelijkheid van het juridisch verankeren van de kwaliteitswinst.

De verbetering van het Natuurnetwerk als gevolg van het toepassen van saldobenadering kan niet worden beschouwd als één van de samenhangende activiteiten. 

Toepassing van de saldobenadering binnen Natura 2000-gebieden zal vanwege de kaders van de Omgevingswet veelal niet mogelijk zijn.

Artikel 8.6 8.5 Kleinschalige ingrepen

Een andere uitzondering op het principe dat geen inbreuk is toegestaan op de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg is als het gaat om een kleinschalige ingreepingrepen. 

Door de initiatiefnemer dient vooraf aangegeven te worden hoe het initiatief kan leiden tot een kwalitatieve versterkingverbetering van het Natuurnetwerk Limburg. Normaliter dient daarbij voor de kwaliteitswinst meer te gebeuren dan nodig zou zijn op basis van Bijlage IX.

Verder gaan wij ervan uit dat het omgevingsplanruimtelijke plan een goede ruimtelijke onderbouwing van het initiatief bevat, waarbij wordt aangegeven welke alternatieven er bekeken zijn en welke maatregelen worden genomen om te zorgen voor een goede landschappelijke en natuurlijke inpassing. 

De meeste mogelijkheden voor dergelijke kleinschalige initiatieven zien wij in nog niet gerealiseerde areaaluitbreidingen natuur omdat hier de actuele natuurwaarden over het algemeen lager zijn dan in bestaande bos- ofen natuurgebieden en het uitvoeringsinstrumentarium na herbegrenzing elders ingezet kan worden. Omdat de areaaluitbreidingen natuur primair begrensd zijn om Natura 2000/ Kaderrichtlijn WaterKaderrichtlijnwater doelen te versterken, zal versterking van deze doelen ook het uitgangspunt dienen te zijn de invulling van voorwaarden van lid 2 van dit artikel.

Artikel 8.6 Compensatiebeleid

De manier waarop de natuurcompensatie uit artikel 8.3 en natuurverbetering uit artikel 8.4 en 8.5 moet plaatsvinden, is opgenomen in bijlage IX ‘Regels voor natuurcompensatie en natuurverbetering. 

Monitoring: Natuurcompensatie en natuurverbetering worden door de Provincie gemonitord. De stand van zaken wordt per project regelmatig geactualiseerd en is te volgen op de website van de Provincie Limburg.

MMMMM

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 9.2.4 Vangen van dieren en vernielen of beschadigen van de vaste voortplantings- of rustplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen, beheer of onderhoud

NNNNN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 10.1 Instructieregels landbouw

OOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 10.1.1 Intensieve veehouderij Veehouderij

Incidentele nieuwvestiging intensieve veehouderij

In artikel 10.1, lid 2, is een uitzonderingsbepaling opgenomen voor incidentele nieuwvestiging van intensieve veehouderijen op een toekomstbestendige vestigingslocatie. Incidentele nieuwvestiging van een intensieve veehouderij buiten het Natuurnetwerk Limburg en het extensiveringsgebied intensieve veehouderij is mogelijk, mits passend binnen wet- en regelgeving. Dit is enkel toegestaan als uitzondering en onder strikte voorwaarden. Artikel 10.1, lid 2, regelt deze uitzonderingsbepaling.

Het moet gaan om vestiging van een geheel nieuw bouwvlak voor intensieve veehouderij in combinatie met per saldo een kwalitatieve verbetering van het leefklimaat op gebiedsniveau. De kwalitatieve verbetering van het leefklimaat waarover in dit artikel wordt gesproken, omvat diverse aspecten. In elk geval zal daarbij gekeken worden naar de milieubelasting en de mate waarin een oplossing wordt geboden voor een ruimtelijk, milieuhygiënisch of maatschappelijk knelpunt. In de instructieregels staat als randvoorwaarde een koppeling met de beëindiging van vergelijkbare activiteiten elders. Ingeval van een incidentele nieuwvestiging van een intensieve veehouderij kan - met het oog op de vereiste verbetering van leefklimaat - beëindiging van een andere intensieve veehouderij worden ingezet in de vorm van bijvoorbeeld het opheffen of intrekken van een intensieve veehouderijbestemming/-aanduiding, omgevingsvergunning/Wet natuurbeschermingsvergunning en/of sloop van bebouwing en de afname van emissie op kwetsbare natuurgebieden en woonkernen. Voorwaarde daarbij is dat deze opties niet eerder zijn ingezet in het kader van een andere afspraak, regeling en/of overeenkomst.

Met het oog op een adequate borging van het bereiken van vorenbedoelde verbetering van het leefklimaat, maakt het doorhalen van de intensieve veehouderij-aanduiding op de te beëindigen locatie planologisch onderdeel uit van de planprocedure voor het mogelijk maken van het initiatief voor de incidentele nieuwvestiging. De intrekking en/of wijziging van de vergunning c.a. voor zover relevant voor de te beëindigen locatie moet(en) uiterlijk ten tijde van de planvaststelling geregeld zijn.

De eventuele herbestemming van de te saneren locatie zal wat betreft de toelaatbaarheid door het bevoegd gezag altijd aan het vigerende beleid en de regelgeving moeten worden getoetst en maakt, afhankelijk van de bestemmingskeuze, al dan niet onderdeel uit van de planprocedure voor het initiatief van incidentele nieuwvestiging. Eventuele waardevermeerdering van de ‘uitruillocatie’ door herbestemming (niet zijnde een intensieve veehouderijbestemming) staat los van de toepassing van deze regeling.

Of een locatie waar incidentele nieuwvestiging plaatsvindt een duurzame vestigingslocatie is, wordt in eerste instantie op lokaal niveau afgewogen en is afhankelijk van het initiatief. Uiteraard moet het initiatief ook passen binnen de provinciale belangen.

Deze instructieregel maakt daarmee ook verplaatsing mogelijk en gefaseerde afbouw van intensieve veehouderij op de niet-toekomstbestendige locaties. De mogelijkheid voor incidentele nieuwvestiging biedt een alternatief voor het schrappen van de ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij in de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg (2021).

Bestaande intensieve veehouderijen

In de praktijk kan het voorkomen dat een intensieve veehouderij al geruime tijd als zodanig bedrijfsmatig uitgeoefend wordt en ook over de vereiste milieuvergunning beschikt, maar niet (meer) als 'intensieve veehouderij' geregeld/bestemd blijkt te zijn in het omgevingsplan (voorheen: het bestemmingsplan), bijvoorbeeld wegens het ontbreken van een functieaanduiding 'intensieve veehouderij'.

De begripsomschrijving van 'nieuwvestiging intensieve veehouderij' en de daaraan gekoppelde uitzondering(sregel) voor 'bestaande intensieve veehouderij' beoogt te voorkomen dat gemeenten bij het alsnog planologisch regelen van een bestaande intensieve veehouderij (juridisch) onbedoeld en onnodig tegen het nieuwvestigingsverbod intensieve veehouderij van de Omgevingsverordening aanlopen. Onder de Omgevingsverordening Limburg 2014 was een passende intensieve veehouderijregeling in een bestemmingsplan niet mogelijk, ondanks dat het bedrijf feitelijk nog steeds als intensieve veehouderij in gebruik was is en over de vereiste vergunningen beschikte. Dit kon c.q. kan onbedoeld beperkende gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering. Om naar de toekomst bij het opstellen of wijzigen van een omgevingsplan wel in een passende regeling te kunnen voorzien, is de definitie van 'nieuwvestiging van intensieve veehouderij' (Bijlage I) aangepast en is er een nieuwe definitie voor bestaande intensieve veehouderij toegevoegd aan de begripsbepalingen in Bijlage I.

Voor situaties waarbij sprake is van 'bestaande intensieve veehouderij' in de zin van deze Omgevingsverordening, geldt het nieuwvestigingsverbod van intensieve veehouderij niet. Daarbij maakt het geen verschil of het bedrijf is gelegen in een voormalig landbouwontwikkelingsgebied of niet.

In deze Omgevingsverordening wordt met 'bestaande intensieve veehouderij' een bedrijf bedoeld dat conform het op 1 juni 2004 geldende planologische regime (inclusief het overgangsrecht) met intensieve veehouderij in bedrijf was en daaraan voorafgaand de daarvoor benodigde milieuvergunning(en) heeft verkregen. Om aanspraak te kunnen maken op een positieve regeling in het omgevingsplan, moet de bedrijfsvoering van de intensieve veehouderij na 1 juni 2004 niet feitelijk zijn gestaakt, onderbroken of in strijd met de milieuwetgeving zijn voortgezet.

Voor de bepaling of sprake is van 'bestaande intensieve veehouderij' in de zin van de Omgevingsverordening wordt als peildatum 1 juni 2004 aangehouden. Dit is de datum van bekendmaking van het vroegere Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg (op basis van de Reconstructiewet concentratiegebieden). In het Reconstructieplan werd de bekendmakingsdatum (1 juni 2004) aangehouden als uiterste datum waarop de milieuvergunning voor een intensieve veehouderij moest zijn verleend, wilde er sprake kunnen zijn van bestaande 'intensieve veehouderij' in de zin van het Reconstructieplan. Aan dit uitgangspunt (en de datum) wordt vastgehouden in de begripsbepalingen 'nieuwvestiging van intensieve veehouderij' en 'bestaande intensieve veehouderij'

Via de voorwaarden onder sub a. en b. wordt geborgd dat, wil er sprake kunnen zijn van 'bestaande intensieve veehouderij' in de zin van deze Omgevingsverordening, er op 1 juni 2004 sprake moet zijn geweest van een milieuhygiënisch en planologisch legale situatie. In het kader van de Wet milieubeheer gaat het daarbij om de vereiste milieuvergunning of melding. Bij planologisch legaal moet bijvoorbeeld worden gedacht aan een positieve bestemming, een vrijstellingsbesluit of een overgangsrechtelijke status.

Bij de beoordeling of sprake is van 'bestaande intensieve veehouderij' kent de Omgevingsverordening twee uitzonderingssituaties:

- indien de intensieve veehouderij op 1 juni 2004 geen wezenlijk onderdeel uitmaakte van de bedrijfsvoering valt ze niet onder de definitie. Deze uitzondering is opgenomen om te voorkomen dat (agrarische) bedrijven die ten tijde van de peildatum waren gericht op het houden van niet tot intensieve veehouderij gerekende diersoorten (zoals bijvoorbeeld een melkveebedrijf), maar waarbij tevens een beperkt aantal intensieve veehouderij-diersoorten aanwezig was (zoals enkele vleeskalveren of varkens) met een beperkte betekenis voor de bedrijfsvoering, óók als 'bestaande intensieve veehouderij' (moeten) worden aangemerkt en in een omgevingsplan dus een intensieve veehouderij-functie kunnen krijgen. De Omgevingsverordening zou anders de mogelijkheid bieden om in het omgevingsplan te voorzien in een verplaatsing van het zwaartepunt van de bedrijfsvoering naar intensieve veehouderij, waarna een nieuwe, grootschaligere intensieve veehouderij-activiteit zou (kunnen) ontstaan. De 'bestaande intensieve veehouderij'-bepaling is opgenomen voor bedrijven waarbij intensieve veehouderij op de peildatum al een wezenlijk bedrijfsonderdeel was. Zonder deze bepaling lopen dergelijke bedrijven, zo leert de praktijk en de jurisprudentie, (juridisch) onbedoeld en onnodig tegen het nieuwvestigingsverbod voor intensieve veehouderij aan in het geval een gemeente dit planologisch wil regelen;

- In het geval de bedrijfsmatige uitoefening van de intensieve veehouderij na 1 juni 2004 is beëindigd of onderbroken is geweest valt deze niet onder definitie van bestaande intensieve veehouderij en daarmee wél onder het nieuwvestigingsverbod van artikel 10.1 van de Omgevingsverordening. De beëindiging of onderbreking heeft betrekking op de feitelijke bedrijfsvoering met betrekking tot intensieve veehouderij. Daaronder valt bijvoorbeeld niet een tijdelijke beëindiging van het houden van dieren die inherent is aan de bedrijfsvoering, zoals het leeghouden van stallen om milieuhygiënische redenen of die het gevolg is van een calamiteit (bijv. een stalbrand). Voor de termijn van onderbreking wordt een periode van een jaar of langer aangehouden. Daarmee wordt aangesloten bij de periode die ook in artikel 3.2.2, onder 3. van het Besluit ruimtelijke ordening is opgenomen (overgangsrecht voor gebruik van grond en bouwwerken). Tevens wordt op die manier voorkomen dat een kortstondige beëindiging van de bedrijfsvoering tot gevolg heeft dat geen toepassing kan worden gegeven aan de uitzonderingsregeling voor 'bestaande intensieve veehouderij'.

Van beëindiging intensieve veehouderij is wél sprake als verleende (milieu)vergunningen na 1 juni 2004 zijn ingetrokken of vervallen, ook als de bedrijfsvoering daarna is voortgezet. De feitelijke bedrijfsactiviteiten hadden dan immers gestaakt moeten worden. Onder 'krachtens de Wet milieubeheer benodigde vergunning' in de tenzij-bepaling (tweede gedachtestreepje) wordt voor de toepassing van deze definitie tevens begrepen de vergunning (het besluit) dat krachtens de daaropvolgende wetgeving daarvoor in de plaats is gekomen.

Voor zover het gaat om intensieve veehouderij waarvoor een meldingsplicht geldt op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer, moet het bedrijf ingeval van een structurele beëindiging van de intensieve veehouderij van deze beëindiging een melding doen bij het bevoegd gezag. Ingeval van een dergelijke melding valt de intensieve veehouderij ook onder de tenzij-bepaling (tweede gedachtestreepje) en is er dus geen sprake van 'bestaande intensieve veehouderij' in de zin van deze Omgevingsverordening.

Kleinschalige initiatieven met landbouwhuisdieren

De Omgevingsvisie Limburg (2021) zet nadrukkelijk in op een transitie naar een meer toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie en de landbouwtransitie maakt daar onderdeel van uit. In het kader van de landbouwtransitie ziet de Provincie voor zichzelf vooral een faciliterende en stimulerende rol ten aanzien van initiatieven die bijdragen aan versterkende verdienmodellen voor de land- en tuinbouw, zoals landbouw gericht op maatschappelijke diensten, natuur- en/of landschapsinclusieve landbouw, agrarisch landschapsbeheer en voedselgemeenschappen. Denk hierbij aan het concept herenboeren, regionale afzet, korte ketens, hightech en gepersonaliseerd voedsel, gericht op een circulair agrofoodsysteem, uitgaande van de potentie in het gebied (zie o.a. par. 12.3 Omgevingsvisie Limburg 2021).

Om kansrijke kleinschalige initiatieven passend bij de landbouwtransitie-opgave te kunnen faciliteren, is de begripsbepaling van ‘intensieve veehouderij’ aangepast. Door initiatieven met geringe aantallen dieren uit te zonderen van deze begripsbepaling wordt ruimte gecreëerd voor de realisatie van dit soort initiatieven. In de begripsbepaling is daarbij een koppeling gemaakt met artikel 3.200, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Bovendien is de uitzondering alleen van toepassing als de locatie zich bevindt buiten het Natuurnetwerk Limburg en extensiveringsgebied intensieve veehouderij.

In artikel 3.200, tweede lid, van het Bal is vastgelegd dat het houden van rundvee, varkens, kippen en overige landbouwhuisdieren met de aldaar genoemde maximumaantallen, voor de toepassing van de Omgevingswet niet wordt beschouwd als een ‘milieubelastende activiteit’ in de zin van die wet. De wetgever gaat er dus vanuit dat het houden van de landbouwhuisdieren in die aantallen, dat wil zeggen:

a 10 stuks rundvee;

b 15 varkens;

c 350 kippen en

d 25 overige landbouwhuisdieren (met uitzondering van pelsdieren),

als zodanig in beginsel geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.

De opsomming in artikel 3.200, tweede lid, van het Bal is cumulatief bedoeld: men mag dus 10 koeien + 15 varkens + 350 kippen + 25 overige landbouwhuisdieren houden, zonder dat dit als een milieubelastende activiteit wordt aangemerkt. Overschrijdt men voor een of meerdere categorieën van diersoorten deze maximumaantallen, dan valt het initiatief voor de toepassing van de Omgevingsverordening niét meer onder de uitzondering binnen de definitie van ‘intensieve veehouderij’.

Een en ander impliceert tevens dat initiatieven passend binnen artikel 3.200, tweede lid, van het Bal geen intensieve veehouderij-aanduiding behoeven in een omgevingsplan. In geval deze bedrijven naderhand meer dan de aldaar genoemde aantallen dieren willen houden, herleeft alsnog het nieuwvestigingsverbod intensieve veehouderij met daarbij de optie van incidentele nieuwvestiging intensieve veehouderij (artikel 10.1, tweede lid).

Veehouderij staat in paragraaf 3.6.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving benoemd als een ‘milieubelastende activiteit’, een activiteit die nadelige gevolgen kan hebben voor het milieu (bijlage bij art. 1.1 Omgevingswet). De in het Bal bedoelde nadelige gevolgen van veehouderij zijn met name emissies van ammoniak en fijnstof, geurhinder, verontreiniging van de bodem en lozingen.

Het feit dat een nieuw kleinschalig initiatief qua aantal en categorie dieren voldoet aan het bepaalde in artikel 3.200, tweede lid, van het Bal en daarmee dus als niet milieubelastend wordt gekwalificeerd, betekent overigens niet dat een dergelijke initiatief dus overal (d.w.z. overal buiten het Natuurnetwerk Limburg en de extensiveringsgebieden intensieve veehouderij) is toegestaan. Afhankelijk van de lokale omstandigheden kunnen er aanvullende vergunningplichten gelden. Bijvoorbeeld voor een omgevingsvergunning voor een Natura2000-activiteit vanwege de (stikstof)effecten op een nabijgelegen natuurgebied. Daarnaast kan er, afhankelijk van het initiatief, ook een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of voor een omgevingsplanactiviteit aan de orde zijn. Of het starten en toestaan van een nieuw initiatief via een omgevingsplan daadwerkelijk mogelijk en aanvaardbaar is, moet dus niét alleen worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in artikel 10.1 van deze Omgevingsverordening. Van geval tot geval zal door de gemeente beoordeeld moeten worden of het initiatief (de activiteit) tevens past binnen de met het omgevingsplan beoogde ‘evenwichtige toekenning van functies aan locaties’ in de fysieke leefomgeving (zie art. 4.2 Omgevingswet). Dit criterium is ruimer dan het - voorheen - onder het Wet ruimtelijke ordening gehanteerde criterium ‘een goede ruimtelijke ordening’ en de gemeente moet daarbij rekening houden met alle, vanuit de fysieke leefomgeving, relevante belangen (óók provinciale belangen) en wet- en regelgeving/beleid.

Uiteindelijk zal - kortgezegd - aannemelijk moeten worden gemaakt dat er geen onaanvaardbare effecten zijn voor een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (zie ook art. 1.3 Omgevingswet). Dat geldt ook als het initiatief wordt mogelijk gemaakt via een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Artikel 3.200, tweede lid, van het Bal wijkt qua diersoorten enigszins af van de definitie van ‘intensieve veehouderij’ in Bijlage I bij Omgevingsverordening: ‘het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuiken, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen, of parelhoenders’.

Artikel 3.200, tweede lid, van het Bal noemt ook ‘rundvee’. Het bedrijfsmatig houden van rundvee, voor zover niet bedoeld voor de vleesproductie, valt niet onder de definitie van ‘intensieve veehouderij’ en is dus - als eventueel onderdeel van een nieuw initiatief - niet relevant voor de beantwoording van de vraag of het initiatief onder nieuwvestigingsverbod intensieve veehouderij van artikel 10.1 valt. Datzelfde geldt overigens ook voor de categorie ‘overige landbouwhuisdieren’ (art. 3.200, tweede lid 2, onderdeel d. Bal), voor zover het daarbij gaat om andere diersoorten dan die zoals genoemd in de definitie van ‘intensieve veehouderij’ (zie hiervoor). Een ‘landbouwhuisdier’ is in Bijlage I bij het Bal gedefinieerd als ‘een zoogdier of vogel voor de productie van vlees, melk, wol, pels, eieren of veren of paarden of pony’s voor het fokken’.

Een en ander laat uiteraard onverlet dat in voorkomende gevallen het aantal overig gehouden stuks rundvee en landbouwhuisdieren voor wat betreft hun effecten op de woon- en leefomgeving, het milieu, de natuur etc. (de fysieke leefomgeving), wél moet worden betrokken bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het initiatief (zie vorige alinea).

Met de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Limburg (2021) zijn de landontwikkelingsgebieden (LOG’s) vervallen en ook vanuit de bredere gedachte achter het voormalige Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg (komen tot een integrale en gebiedsgerichte aanpak voor de intensieve veehouderij-problematiek) is er geen aanleiding om aan het nieuwvestigingsverbod intensieve veehouderij voor kleinschalige IV-initiatieven vast te houden. Zij kunnen de economische vitaliteit en leefbaarheid van het landelijk gebied bovendien zelfs versterken, destijds ook een van de doelstellingen van het Reconstructieplan.

Ruimte voor diervriendelijke initiatieven varkenshouderij

Naast kleinschalige veehouderijen wil de Provincie evenzeer initiatieven voor varkenshouderijen faciliteren waarbij sprake is van vrije weidegang en vrije uitloop. Als subcategorie van intensieve veehouderij onderscheiden varkensbedrijven zich van pluimveebedrijven door een aanmerkelijk geringere fijn stof uitstoot, met aldus geringere gezondheidseffecten voor omwonenden. Hetzelfde geldt voor de uitstoot van endotoxinen, Overige subcategorieën intensieve veehouderij zijn kwantitatief van aanzienlijk minder belang, en veelal beperkt van schaalgrootte. Derhalve wordt tevens ‘varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop’ uitgezonderd van de begripsbepaling ‘intensieve veehouderij’. Dit is op overeenkomstige wijze gedaan als bij de ‘kleinschalige veehouderij’ door een afzonderlijke begripsbepaling op te nemen voor ‘varkenshouderij met vrije weidegang en vrije uitloop’. Onder weidegang wordt verstaan: de uitloop van dieren op grasland waarbij het grasland ook op langere termijn duurzaam intact blijft. Dit betekent dat het aantal dieren niet zodanig groot mag zijn dat het grasland binnen afzienbare termijn teniet gaat als gevolg van te intensief gebruik. Tevens dient voldaan te zijn aan de huisvestingseisen van EU Verordening 2020/464 Erkenningseisen biologische producten, Bijlage I deel III. Uitloop van dieren op 'kale grond' is geen weidegang zoals bedoeld in deze begripsbepaling. De uitzondering geldt alleen als de varkenshouder zich buiten het Natuurnetwerk Limburg en buiten het extensiveringsgebied intensieve veehouderij bevindt. Bovendien dient er sprake te zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Er is volgens vaste jurisprudentie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als onderbouwd kan worden dat voor omwonenden het totaal van alle omgevingseffecten, met name ook de cumulatieve geurbelasting, binnen aanvaardbare grenzen blijft.

Vormverandering

In artikel 10.3, is een uitzondering opgenomen voor de zogenaamde vormverandering van een bouwvlak van intensieve veehouderij binnen een op de kaarten behorende bij deze verordening als extensiveringsgebied intensieve veehouderij aangewezen gebied.

In de partiële herziening van het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg (2006) was eveneens een uitzondering voor vormverandering opgenomen. Dit naar aanleiding van de vernietiging door de Raad van State (2005) van de eerdere algehele verbodsbepaling voor vormverandering van een bouwvlak van intensieve veehouderij in extensiveringsgebieden intensieve veehouderij, zoals verwoord in het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg (2004) .

De uitzondering die in de partiële herziening van het Reconstructieplan Noord- en Midden-Limburg voor vormverandering was opgenomen, is in deze Omgevingsverordening is verankerd.

De aspecten die in geval van een beoogde vormverandering in ieder geval bij de integrale afweging moeten worden betrokken zijn landbouw, natuur, bos, landschap, recreatie, water, milieu en infrastructuur, woon-, werk- en leefklimaat en economische structuur. Dit als vertaling van de aspecten bedoeld in artikel 4 van de voormalige Reconstructiewet concentratiegebieden.

Naast de kaders neergelegd in wet- en regelgeving, zoals de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en de regels met betrekking tot landbouw en natuurgebieden in de Omgevingsverordening Limburg, zal daarbij tevens het met betrekking tot deze aspecten geformuleerde Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid in de beoordeling moeten worden betrokken.

Agglomeratielandbouw

In artikel 10.1, lid 3 is een uitzondering opgenomen voor de zogenaamde agglomeratielandbouw. Het gaat daarbij om IV-bedrijven waarbij de primaire agrarische productie geïntegreerd wordt met meerdere facetten van de agrarische productiekolom op één locatie. Bij deze veelzijdige bedrijven is een schaalvergroting waar te nemen. Zowel de veelzijdigheid als de schaalgrootte hebben een uitstraling op de omgeving. Bij agglomeratielandbouwbedrijven worden mogelijkheden voor het creëren van nieuwe samenwerkingsverbanden gezocht. Agglomeratielandbouwbedrijven zijn de proeftuinen voor een verdere innovatie door verwaarding en uitwisselen van stofstromen in het agrocomplex.

Veehouderij is de tak van de land- en tuinbouw die zich bezighoudt met het fokken, verzorgen en houden van dieren voor de productie van voedsel, (zoals vlees, melk en eieren), maar ook voor andere producten zoals leer en wol. In artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn veehouderijen aangewezen als milieubelastende activiteit. Het gaat om veehouderijen die onder de IPPC-richtlijn vallen, maar ook om het houden van landbouwhuisdieren dat niet onder de IPPC-richtlijn valt. Onder de aanwijzing als milieubelastende activiteit valt niet het houden van kleine aantallen landbouwhuisdieren, namelijk tot ten hoogste:

  • 10 stuks rundvee;

  • 15 varkens;

  • 350 kippen; en

  • 25 overige landbouwhuisdieren. 

Onder de aanwijzing als milieubelastende activiteit valt ook niet het houden van landbouwhuisdieren alleen:

  • voor natuurbeheer of beheer van de openbare ruimte;

  • voor educatieve doeleinden; of

  • bij onderzoeksinstellingen.

Onder een landbouwhuisdier verstaat de Omgevingswet een zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of een paard of pony voor het fokken Hieronder vallen ook de dieren die onderdeel zijn van de productieketen, zoals het houden van fokzeugen en moederdieren.

De instructieregels die betrekking hebben op veehouderijen zoals opgenomen in paragraaf 10.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg, gelden alleen als ze als milieubelastende activiteit zijn aangewezen. Deze instructieregels gelden dus niet voor de bovengenoemde kleine dieraantallen en doeleinden. Dit komt tot uitdrukking in het begrip ‘veehouderij’ zoals opgenomen in Bijlage I.

Het begrip ‘intensieve veehouderij’ wordt in deze (gewijzigde) instructieregels niet meer gehanteerd maar is vervangen door veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders. Dit zijn dezelfde landbouwhuisdieren die eerder onder het begrip ‘intensieve veehouderij’ vielen.

In het begrip ‘intensieve veehouderij‘ was een uitzondering opgenomen voor het houden van landbouwhuisdieren die jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop, waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van Verordening (EU) 2020/464 met betrekking tot biologische producten. Deze uitzondering geldt nog steeds, maar is nu in de betreffende artikelen opgenomen.

Enkele instructieregels gelden (ook) voor veehouderijen met andere landbouwhuisdieren. In bijlage I bij deze verordening is daarvoor een begripsomschrijving opgenomen waaruit blijkt dat hieronder wordt verstaan andere landbouwhuisdieren dan varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders.

Artikel 10.1 Instructieregels nieuwvestiging van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders

Eerste lid: Het uitgangspunt van artikel 10.1, het verbod op nieuwvestiging van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders, vindt zijn grondslag in het provinciale beleid gericht op bescherming van landbouwgrond, het beperken van milieudruk, het voorkomen van leegstand van bestaande agrarische bebouwing en bouwvlakken en de borging van natuur- en leefomgevingsdoelen (zoals ook in de Omgevingsvisie Limburg is opgenomen).

Nieuwvestiging kan zowel de vestiging van een veehouderij op een nieuw agrarisch bouwvlak zijn als de vestiging op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen veehouderij is gevestigd.

Het verbod opgenomen in het eerste lid is niet van toepassing in bepaalde situaties. Deze zijn uitgewerkt in de leden 2 tot en met 4. Het tweede lid bevat een algemene uitzondering op het verbod op nieuwvestiging en het derde en vierde lid bevatten specifieke uitzonderingen voor het primair landbouwgebied, de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied. Per zone gelden voorwaarden, die volgen uit het beleid voor zorgvuldig ruimtegebruik (zonering) en bescherming van gebiedskwaliteiten. Onderstaand wordt dit toegelicht. 

Tweede lid: Het verbod op nieuwvestiging geldt niet als sprake is van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders waarbij de dieren jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop en waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van Verordening (EU) 2020/464 met betrekking tot biologische producten. Daarbij gelden de aanvullende voorwaarden dat het initiatief in positieve zin bijdraagt aan de beleidsmatige opgave voor de omgeving. De bedrijfsvoering dient afgestemd te worden op de kansen en kwetsbaarheden die het gebied kenmerken. Het is ook van belang dat er sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. 

Verder moet de locatie gelegen zijn buiten het Natuurnetwerk Limburg, het stedelijk gebied, de landelijke kernen en het extensiveringsgebied veehouderij en ook buiten waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied.  

Door de uitzondering van het tweede lid worden veehouderijen met biologische huisvestingseisen gefaciliteerd. Dergelijke initiatieven zijn in de regel kleinschaliger van aard en spelen in op de maatschappelijke wensen op het vlak van onder andere dierenwelzijn, directe afzet aan consumenten en ruimtelijke kwaliteit. Overigens bieden deze regels ook ruimte voor veehouderijen op een grotere schaal. Daarom is het wel van belang dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Er is volgens vaste jurisprudentie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als onderbouwd kan worden dat voor omwonenden het totaal van alle omgevingseffecten, met name ook de cumulatieve geurbelasting, binnen aanvaardbare grenzen blijft. 

Ter bescherming van de omgevingskwaliteiten in kwetsbare gebieden (Natuurnetwerk Limburg, het stedelijk gebied, de landelijke kernen en het extensiveringsgebied veehouderij) wordt een nieuwvestiging ook daar niet toegestaan.  

Het verbod op nieuwvestiging in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied sluit aan bij de regels over activiteiten in deze gebieden, opgenomen in hoofdstuk 4 van deze verordening. 

Derde lid: Een nieuwvestiging van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders in het primair landbouwgebied, die niet past binnen de voorwaarden van het tweede lid is mogelijk indien onderbouwd wordt dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Die worden hieronder toegelicht:  

a. de huidige planvoorraad biedt geen ruimte

Leegstaande agrarische gebouwen zijn vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, ondermijning en veiligheid een probleem en dus een provinciaal aandachtspunt. Door het hoge aantal stoppende agrariërs, dat naar verwachting de komende jaren nog verder toeneemt, neemt de leegstand en hiermee de opgave verder toe. 

De land- en tuinbouw blijft ook in de toekomst van belang voor onze voedselvoorziening en voor een vitaal landelijk gebied. Om de land- en tuinbouw (waaronder grond) te beschermen stimuleren we hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing en bouwvlakken door de agrarische sector zelf. Daarmee willen we ruimte bieden voor nieuwvestigers (starters) en verplaatsers uit kwetsbare gebieden. Om deze reden dient onderbouwd te worden dat de huidige planvoorraad geen ruimte voor het gewenste initiatief biedt, voordat een nieuw bouwvlak opgericht wordt. Om te beoordelen of het gewenste initiatief past binnen de bestaande planvoorraad, dient zowel naar de kwantitatieve als de kwalitatieve aspecten van de planvoorraad gekeken te worden. Daarbij geldt dat een locatie niet te snel als ongeschikt mag worden bestempeld. Ook minder geschikte of verouderde gebouwen kunnen door sloop of herontwikkeling worden ingezet voor nieuwvestiging, zodat de bestaande planvoorraad optimaal wordt benut voordat kostbare landbouwgrond wordt omgezet naar een bouwvlak. Bij de onderbouwing dient overigens ook gekeken te worden naar de plaatsgebonden toekomstbestendigheid en de afstand tot andere (gevoelige) functies van de potentiële planvoorraad. 

Deze instructieregel maakt daarmee ook verplaatsing mogelijk, als de stikstofproblematiek is opgelost, en gefaseerde afbouw van intensieve veehouderij op de niet-toekomstbestendige locaties. 

b. het initiatief draagt in positieve zin bij aan een beleidsmatige opgave voor de omgeving

Door middel van de algemene zonering voor het landelijk en stedelijk gebied zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg is aangegeven welke visie en doelen de Provincie Limburg in de betreffende zones heeft. Het is daarom van belang dat onderbouwd wordt dat het initiatief op een duurzame en toekomstbestendige locatie gevestigd wordt. Ook in het primair landbouwgebied vragen we deze onderbouwing, zodat de juiste ontwikkelingen op de juiste plekken landen. In of rondom primair landbouwgebied kunnen namelijk ook factoren spelen die de toekomstbestendigheid van een nieuw initiatief kunnen beïnvloeden. In eerste instantie wordt dit op lokaal niveau afgewogen en is dit afhankelijk van het initiatief. Uiteraard moet het initiatief dan ook passen binnen de provinciale belangen. 

In het geval van een nieuw bouwvlak voor een veehouderij moet per saldo een kwalitatieve verbetering van het leefklimaat op gebiedsniveau plaatsvinden. De bedrijfsvoering dient afgestemd te worden op de kansen en kwetsbaarheden die het gebied kenmerken. In elk geval zal daarbij gekeken worden naar de milieubelasting en de mate waarin een oplossing wordt geboden voor een ruimtelijk, milieuhygiënisch of maatschappelijk knelpunt. In de instructieregels staat als voorwaarde een koppeling met de beëindiging van vergelijkbare activiteiten elders. 

c.    Er een koppeling is met de beëindiging van vergelijkbare activiteiten elders

Ingeval van een nieuwvestiging van een veehouderij kan, met het oog op de vereiste verbetering van leefklimaat, beëindiging van een andere intensieve veehouderij worden ingezet in de vorm van bijvoorbeeld het opheffen of intrekken van een intensieve veehouderijbestemming/-aanduiding, de omgevingsvergunning en/of sloop van bebouwing en de afname van emissie op kwetsbare natuurgebieden en woonkernen. Voorwaarde daarbij is dat deze opties niet eerder zijn ingezet in het kader van een andere afspraak, regeling en/of overeenkomst. 

Met het oog op een adequate borging van het bereiken van de verbetering van het leefklimaat, maakt het schrappen van de veehouderij-aanduiding op de te beëindigen locatie planologisch onderdeel uit van de planprocedure voor het mogelijk maken van het initiatief voor de nieuwvestiging. De wijziging van het omgevingsplan c.a. voor zover relevant voor de te beëindigen locatie moet(en) uiterlijk ten tijde van de planvaststelling geregeld zijn. 

De eventuele herbestemming van de te saneren locatie zal wat betreft de toelaatbaarheid door het bevoegd gezag altijd aan het vigerende beleid en de regelgeving moeten worden getoetst en maakt, afhankelijk van de bestemmingskeuze, al dan niet onderdeel uit van de planprocedure voor het initiatief van nieuwvestiging. Eventuele waardevermeerdering van de ‘uitruillocatie’ door herbestemming (niet zijnde een veehouderijbestemming) staat los van de toepassing van deze regeling. 

d. de locatie ligt niet in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied

Het verbod op nieuwvestiging in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied sluit aan bij de regels over activiteiten in deze gebieden, opgenomen in hoofdstuk 4 van deze verordening. 

Vierde lid: Een nieuwvestiging van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders in de groenblauwe landbouwzone of het verwevingsgebied, die niet past binnen de voorwaarden van het tweede lid is mogelijk indien onderbouwd wordt dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.  

In de groenblauwe landbouwzone of het verwevingsgebied kan nieuwvestiging van een veehouderij enkel plaatsvinden op een bestaand bouwvlak waar nog geen veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders is gevestigd. Gezien de doelstellingen en opgaven in deze gebieden is nieuwvestiging op landbouwgrond niet toegestaan als er nog geen bestaand agrarisch bouwvlak is. Bestaande bouwvlakken dienen zoveel als mogelijk hergebruikt te worden. In verband met de betreffende doelstellingen en opgaven in deze gebieden dient aan onderstaande voorwaarden voldaan te worden: 

  • a.

    het initiatief draagt in positieve zin bij aan een beleidsmatige opgave voor de omgeving;

  • b.

    er is een koppeling met de beëindiging van vergelijkbare activiteiten elders; en

  • c.

    de locatie ligt niet in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. 

Hierbij streven we naar een toekomstbestendige nieuwvestiging, waarbij rekening wordt gehouden met het gebied. De bedrijfsvoering dient afgestemd te worden op de kansen en kwetsbaarheden die het gebied kenmerken. Dit geldt in het bijzonder voor dit lid, omdat het de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied betreft. Voor de nadere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij het tweede lid.

Artikel 10.2 Instructieregels nieuwvestiging van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren

Eerste lid: Het uitgangspunt van artikel 10.2, het verbod op nieuwvestiging van veehouderijen met andere landbouwhuisdieren dan varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders, vindt zijn grondslag in het provinciale beleid gericht op bescherming van landbouwgrond, het beperken van milieudruk, het voorkomen van leegstand van bestaande agrarische bebouwing en bouwvlakken en de borging van natuur- en leefomgevingsdoelen (zoals ook in de Omgevingsvisie Limburg is opgenomen). Voor deze andere landbouwhuisdieren waren geen regels in de Omgevingsverordening opgenomen. Ook voor deze landbouwhuisdieren vinden we het belang dat over de toekomstbestendigheid van het initiatief wordt nagedacht, zodat de juiste ontwikkelingen op de juiste plekken landen.

Nieuwvestiging kan zowel de vestiging van een veehouderij op een nieuw agrarisch bouwvlak zijn als de vestiging op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen veehouderij is gevestigd.

Het verbod opgenomen in het eerste lid is niet van toepassing in bepaalde situaties. Deze zijn uitgewerkt in de leden 2 tot en met 5. Het tweede lid bevat een algemene uitzondering op het verbod op nieuwvestiging en het derde en vierde lid bevatten specifieke uitzonderingen voor het primair landbouwgebied, de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied. Per zone gelden voorwaarden, die volgen uit het beleid voor zorgvuldig ruimtegebruik (zonering) en bescherming van gebiedskwaliteiten. Onderstaand wordt dit toegelicht.

Tweede lid: Het verbod op nieuwvestiging geldt niet als sprake is van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren waarbij de dieren jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop en waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van Verordening (EU) 2020/464 met betrekking tot biologische producten. Daarbij gelden de aanvullende voorwaarden dat het initiatief in positieve zin bijdraagt aan de beleidsmatige opgave voor de omgeving en dat sprake blijft van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse.

In het vijfde lid is een afwijkende invulling van de voorwaarde bedoeld onder a opgenomen voor de rundveehouderij.

Verder moet de locatie gelegen zijn buiten het Natuurnetwerk Limburg, het stedelijk gebied en de landelijke kernen.

Door de uitzondering van het tweede lid worden veehouderijen met biologische huisvestingseisen gefaciliteerd. Dergelijke initiatieven zijn in de regel kleinschaliger van aard en spelen in op de maatschappelijke wensen op het vlak van onder andere dierenwelzijn, directe afzet aan consumenten en ruimtelijke kwaliteit. Overigens bieden deze regels ook ruimte voor veehouderijen op een grotere schaal. Daarom is het wel van belang dat er sprake moet zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse. Er is volgens vaste jurisprudentie sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als onderbouwd kan worden dat voor omwonenden het totaal van alle omgevingseffecten, met name ook de cumulatieve geurbelasting, binnen aanvaardbare grenzen blijft.

Ter bescherming van de omgevingskwaliteiten in kwetsbare gebieden (Natuurnetwerk Limburg, het stedelijk gebied, de landelijke kernen en het extensiveringsgebied veehouderij) wordt een nieuwvestiging ook daar niet toegestaan.

Derde lid: Een nieuwvestiging van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren in het primair landbouwgebied, die niet past binnen de voorwaarden van het tweede lid is mogelijk indien onderbouwd wordt dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Die worden hieronder toegelicht.

a. de huidige planvoorraad biedt geen ruimte

Leegstaande agrarische gebouwen zijn vanuit het oogpunt van ruimtelijke kwaliteit, ondermijning en veiligheid een probleem en dus een provinciaal aandachtspunt. Door het hoge aantal stoppende agrariërs, dat naar verwachting de komende jaren nog verder toeneemt, neemt de leegstand en hiermee de opgave verder toe.

De land- en tuinbouw blijft ook in de toekomst van belang voor onze voedselvoorziening en voor een vitaal landelijk gebied. Om de land- en tuinbouw (waaronder grond) te beschermen stimuleren we hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing en bouwvlakken door de agrarische sector zelf. Daarmee willen we ruimte bieden voor nieuwvestigers (starters) en verplaatsers uit kwetsbare gebieden. Om deze reden dient onderbouwd te worden dat de huidige planvoorraad geen ruimte voor het gewenste initiatief biedt, voordat een nieuw bouwvlak opgericht wordt. Om te beoordelen of het gewenste initiatief past binnen de bestaande planvoorraad, dient zowel naar de kwantitatieve als de kwalitatieve aspecten van de planvoorraad gekeken te worden. Daarbij geldt dat een locatie niet te snel als ongeschikt mag worden bestempeld. Ook minder geschikte of verouderde gebouwen kunnen door sloop of herontwikkeling worden ingezet voor nieuwvestiging, zodat de bestaande planvoorraad optimaal wordt benut voordat kostbare landbouwgrond wordt omgezet naar een bouwvlak. Bij de onderbouwing dient overigens ook gekeken te worden naar de plaatsgebonden toekomstbestendigheid en de afstand tot andere (gevoelige) functies van de potentiële planvoorraad.

Deze instructieregel maakt daarmee ook verplaatsing mogelijk, als de stikstofproblematiek is opgelost, en gefaseerde afbouw van intensieve veehouderij op de niet-toekomstbestendige locaties.

b. het initiatief draagt in positieve zin bij aan een beleidsmatige opgave voor de omgeving

Door middel van de algemene zonering voor het landelijk en stedelijk gebied zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg is aangegeven welke visie en doelen de Provincie Limburg in de betreffende zones heeft. De bedrijfsvoering dient afgestemd te worden op de kansen en kwetsbaarheden die het gebied kenmerken. Ook in het primair landbouwgebied vragen we deze onderbouwing, zodat de juiste ontwikkelingen op de juiste plekken landen. In of rondom primair landbouwgebied kunnen namelijk ook factoren spelen die de toekomstbestendigheid van een nieuw initiatief kunnen beïnvloeden.

Vierde lid: Een nieuwvestiging van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren in de groenblauwe landbouwzone of het verwevingsgebied, die niet past binnen de voorwaarden van het tweede lid is mogelijk indien onderbouwd wordt dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.

Nieuwvestiging van een veehouderij met andere landbouwhuisdieren in de groenblauwe landbouwzone of het verwevingsgebied is alleen mogelijk op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen veehouderij met andere landbouwhuisdieren is gevestigd, met de voorwaarde dat het initiatief aantoonbaar een beleidsmatige opgave voor de omgeving is. In deze zones is het namelijk extra van belang om passende afwegingen omtrent landbouw, natuur, water, leefomgeving en andere maatschappelijke opgaven te maken. Bij een nieuwvestiging van een veehouderij op een bestaand agrarisch bouwvlak waar nog geen veehouderij is gevestigd, in de groenblauwe landbouwzone of het verwevingsgebied dient onderbouwd te worden dat het initiatief in positieve zin bijdraagt aan de beleidsmatige opgave voor de omgeving.

Voor de toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij het tweede lid.

Vijfde lid: Jaarrond vrije weidegang voor rundvee is in Nederland niet haalbaar vanwege weersomstandigheden en het ontbreken van grasgroei in de winter. Daarom is gekozen voor de volgende uitzondering: runderen moeten in het weideseizoen (1 april – 1 november) minimaal 120 dagen per jaar, dagelijks ten minste zes uur, buiten kunnen grazen. Deze regeling sluit aan bij de biologische Europese normen en zorgt ervoor dat dierenwelzijn en praktische uitvoerbaarheid in balans zijn.

Artikel 10.3 Instructieregels vergroting bouwvlak van een veehouderij

Eerste lid: De instructieregels over vergroting van het bouwvlak gelden voor alle vormen van veehouderij, dus zowel voor veehouderijen met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders, als voor veehouderijen met andere landbouwhuisdieren. Het is namelijk van belang dat iedere veehouderij bewust is van de maatschappelijke opgaven in een gebied, met name als dit de groenblauwe landbouwzone of het verwevingsgebied betreft. Het uitgangspunt van het provinciale beleid is dat vergroting van het bouwvlak van veehouderijen niet wenselijk is, maar dit geldt niet voor het primair landbouwgebied. In de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied is vergroting van het bouwvlak alleen onder voorwaarden mogelijk. Onderstaand is dit nader toegelicht.

Tweede lid: Vergroting van het bouwvlak is toegestaan in het primair landbouwgebied. Er gelden geen randvoorwaarden vanuit provinciale instructieregels. Deze zone is immers aangewezen met het oog op mogelijkheden voor agrarische ontwikkeling en schaalvergroting van toekomstbestendige bedrijven. Hier staan agrarische belangen centraal en wordt actief ruimte geboden voor groei en modernisering van de sector.

Derde lid: In de groenblauwe landbouwzone en het verwevingsgebied is vergroting van het bouwvlak alleen mogelijk indien onderbouwd wordt dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Die worden hieronder toegelicht:

a.    het initiatief draagt in positieve zin bij aan een beleidsmatige opgave voor de omgeving

Hieronder wordt verstaan dat vanuit de omgevingskwaliteiten afgewogen wordt of de ontwikkeling passend is bij de opgaven die voor het betreffende gebied gelden. Daarbij is een zorgvuldige afweging nodig van de in de omgeving aanwezige waarden. De Provincie Limburg vindt ruimtelijke kwaliteit en een kwalitatieve landschappelijk inpassing van belang. Specifiek in de groenblauwe landbouwzone en in het verwevingsgebied is het belangrijk dat de ontwikkeling van het bedrijf past binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied. De bedrijfsvoering dient afgestemd te worden op de kansen en kwetsbaarheden die het gebied kenmerken.

b.    de locatie ligt niet in het extensiveringsgebied veehouderij ligt

De extensiveringsgebieden veehouderij zijn aangewezen ter bescherming van verzuringsgevoelige natuurgebieden.

Door middel van deze regels wordt een zorgvuldige afweging gemaakt die past bij de kernwaarden van elke zone.

Vierde lid: Het vierde en vijfde lid bevat een uitzondering op de regel van het derde lid dat vergroting van het bouwvlak nooit in het extensiveringsgebied veehouderij mag plaatsvinden. Het vierde lid bevat de uitzondering voor veehouderijen met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders. Vergroting van het bouwvlak is mogelijk als de veehouderij volledig bestaat uit het houden van landbouwhuisdieren die jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop, waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van Verordening (EU) 2020/464 met betrekking tot biologische producten. Daarnaast geldt de voorwaarde dat het woon- en leefklimaat niet in het geding komt.

Vijfde lid: Het vijfde bepaalt dat de regel van het derde lid waaruit volgt dat vergroting van het bouwvlak nooit in het extensiveringsgebied veehouderij mag plaatsvinden, niet geldt voor een veehouderij met andere landbouwhuisdieren. 

Artikel 10.4 Instructieregels vormverandering bouwvlak van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders

Eerste lid: Artikel 10.4 geeft de regels over de vormverandering van een bouwvlak van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders, weer. De hoofdregel van artikel 10.4, is het verbod op vormverandering van het bouwvlak van een veehouderij met varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor roodvleesproductie, geiten, eenden, konijnen, kalkoenen of parelhoenders in het extensiveringsgebied veehouderij.

Tweede lid: Er geldt een uitzondering voor het houden van landbouwhuisdieren die jaarrond de mogelijkheid wordt geboden van vrije weidegang en vrije uitloop, waarbij wordt voldaan aan de huisvestingseisen van Verordening (EU) 2020/464 met betrekking tot biologische producten.

Derde lid: Er is een andere uitzondering opgenomen in het geval de bestaand bouwmogelijkheden uit bedrijfseconomisch oogpunt ongunstig zijn. Hierbij is wel van belang dat onderbouwd wordt dat er geen negatieve invloed ontstaat op de aspecten die bij de integrale afweging moeten worden betrokken, in het bijzonder natuur, landschap, water en milieu. Naast de kaders neergelegd in wet- en regelgeving, zoals de Omgevingswet, het Besluit kwaliteit leefomgeving en de regels met betrekking tot landbouw en natuurgebieden in de Omgevingsverordening Limburg, zal daarbij tevens het met betrekking tot deze aspecten geformuleerde Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid in de beoordeling moeten worden betrokken.

PPPPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.4 10.5 Instructieregel geitenhouderij

QQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 10.1.3 Glastuinbouw

Artikel 10.5 10.6 Instructieregel nieuwvestiging glastuinbouw

Voor de glastuinbouw streven westreeft de Provincie Limburg een verdergaande concentratie en clustering na. Dit doen we doorDaarom wordt nieuwvestiging enkel toe te staantoegestaan in de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw. De begrenzing van de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw in de Omgevingsverordening Limburg is een concrete invulling van de concentratiegebieden en projectvestigingsgebieden glastuinbouw uit het eerdere POL2006. Het is de nadere invulling die gemeenten in hun ruimtelijke plannen aan deze zoekgebiedengebieden hebben gegeven.

Het telen van paddenstoelen en witlof in klimaatcellen valt niet onder de begripsbepaling glastuinbouw.

Artikel 10.6 10.7 Instructieregel vergroting bouwvlak glastuinbouw

We streven Eerste lid: De Provincie streeft naar een geleidelijke afbouw van glastuinbouw op minder duurzame locaties. Dit betekent dat vergroting van een bouwvlak van een glastuinbouwbedrijf niet is toegestaan in dehet Natuurnetwerk Limburg en de Groenblauwe mantel, met uitzondering van ontwikkelingen in het uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouwgroenblauwe landbouwzone. 

Zoals aangekondigd in de Omgevingsvisie Limburg is de Provincie voornemens het glastuinbouwbeleid te actualiseren. Tot die tijd hanteren we de oorspronkelijke begrenzing van het Natuurnetwerk Limburg en Groenblauwe mantel. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat bestaande rechten behouden blijven. In de Omgevingsverordening Limburg 2021 werd het glastuinbouwbeleid gekoppeld aan de zone ‘buitengebied’. In de Omgevingsvisie Limburg wordt deze zone niet meer gebruikt en om die reden is er gekozen voor de term ‘uitbreidingsgebied glastuinbouw 1’. Daarnaast waren er in de Omgevingsverordening Limburg regels gekoppeld aan het ‘uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw’ en deze term is in Omgevingsvisie Limburg ook niet meer van toepassing. Daarom is er gekozen voor de vervangende term ‘uitbreidingsgebied glastuinbouw 2’. In beide gevallen betreft dit geen inhoudelijke wijziging van de werkingsgebieden. Het betreft alleen een naamswijziging. 

Buiten de ontwikkelingsgebieden glastuinbouw is doorgroei onder voorwaarden mogelijk in combinatie met sloop van bestaande kassen (eveneens buiten een ontwikkelingsgebied glastuinbouw). De achterliggende gedachte van de instructieregel is het gelijktijdig verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit van Limburg en het bieden van uitbreidingsruimte voor de glastuinbouw. Per saldo zal het totaal aantal hectares glas gelegen buiten de ontwikkelingsgebieden afnemen. De resterende bedrijven in het buitengebied dragen bij aan een kwaliteitsverbetering in het buitengebied en een toekomstgerichte, duurzame en op bundeling gerichte ontwikkeling van glastuinbouw.

Tweede lid: In uitbreidingsgebied glastuinbouw 1 geldt dat voor uitbreidingen tot en met 30.000 m² netto glastuinbouw geen verplichte sloop elders plaatsvindt. Pas bij uitbreidingen boven deze omvang moet voor iedere extra m² twee m² buiten een ontwikkelingsgebied glastuinbouw worden gesloopt. Hiermee wordt ruimte geboden aan kleinschaligere kwaliteitsverbetering, terwijl grootschalige uitbreiding altijd gepaard gaat met sanering van overtollig of verspreid glas.

De voorwaarde bij deze instructieregelregel is ten eerste dat het moet gaan om een toekomstbestendige locatie. Of een locatie een toekomstbestendige locatie is, wordt in eerste instantie op lokaal niveau afgewogen en is afhankelijk van het initiatief. Uiteraard moet het initiatief ook passen binnen de provinciale belangen.

Ten tweede, bij uitbreidingen waarbij het totale areaal glas (nieuwe en bestaand samen) meer dan 30.000 m² netto glastuinbouw omvat, geldt dat er voor iedere 1 m² netto uitbreiding glastuinbouw boven de 30.000 m2 (nieuw en bestaand) tevens 2 m² netto glastuinbouw buiten een ontwikkelingsgebied glastuinbouw wordt gesloopt.

In het uitzonderingsgebied uitbreiding glastuinbouw geldt eveneens de eis van een toekomstbestendige locatie. Daarnaast dient er bij uitbreidingen voor iedere 1 m² netto uitbreiding glastuinbouw in dit gebied in alle gevallen 2 m² netto glastuinbouw buiten een ontwikkelingsgebied glastuinbouw te worden gesloopt.

Het telen van paddenstoelen en witlof in klimaatcellen valt niet onder de begripsbepaling glastuinbouw.

Derde lid: In uitbreidingsgebied glastuinbouw 2 geldt deze verplichte sloopverplichting (voor iedere m² uitbreiding twee m² sloop buiten het ontwikkelingsgebied) bij elke uitbreiding, ongeacht de omvang. Dit gebied is dan ook nadrukkelijk bedoeld voor versterkte uitruil en actieve sanering.

De voorwaarde bij deze regel is ten eerste dat het moet gaan om een toekomstbestendige locatie. Of een locatie een toekomstbestendige locatie is, wordt in eerste instantie op lokaal niveau afgewogen en is afhankelijk van het initiatief. Uiteraard moet het initiatief ook passen binnen de provinciale belangen.

RRRRR

Na sectie 10.1.3 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Paragraaf 10.1.4 Akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt en andere plantaardige agrarische teelten

Artikel 10.8 Instructieregels nieuwvestiging van akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt en andere plantaardige agrarische teelten

Eerste lid: Het uitgangspunt is dat nieuwvestiging van bedrijven gericht op akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt of andere plantaardige agrarische teelten niet wordt toegestaan. Deze keuze volgt uit het streven naar zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, het beschermen van landbouwgrond en het voorkomen van verdere ruimtelijke versnippering in het landelijk gebied. Gezien het grote aantal vrijkomende agrarische bouwvlakken (zoals de veehouderijen, die deelnemen aan beëindigingsregelingen) is er geen noodzaak voor het toevoegen van nieuwe locaties. Het beleid is erop gericht bestaande bebouwing en bouwvlakken optimaal te benutten en herstructurering te bevorderen.

Tweede lid: Nieuwvestiging van een bedrijf gericht op akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt of andere plantaardige agrarische sectoren wordt alleen als uitzondering toegelaten in het primair landbouwgebied onder voorwaarden. Aangetoond moet worden dat er in de huidige planvoorraad geen ruimte is voor de gewenste ontwikkeling. De land- en tuinbouw blijft ook in de toekomst van belang voor onze voedselvoorziening en voor een vitaal landelijk gebied. Om de land- en tuinbouw (waaronder grond) te beschermen stimuleren we hergebruik van vrijkomende agrarische bebouwing en bouwvlakken door de agrarische sector zelf. Daarmee willen we ruimte bieden voor nieuwvestigers (zoals starters) en verplaatsers uit kwetsbare gebieden. Om deze reden dient onderbouwd te worden dat de huidige planvoorraad geen ruimte voor het gewenste initiatief biedt, voordat een nieuw bouwvlak opgericht wordt. Om te beoordelen of het gewenste initiatief past binnen de bestaande planvoorraad, dient zowel naar de kwantitatieve als de kwalitatieve aspecten van de planvoorraad gekeken te worden. Daarbij geldt dat een locatie niet te snel als ongeschikt mag worden bestempeld. Ook minder geschikte of verouderde gebouwen kunnen door sloop of herontwikkeling worden ingezet voor nieuwvestiging, zodat de bestaande planvoorraad optimaal wordt benut voordat kostbare landbouwgrond wordt omgezet naar een bouwvlak.

Daarnaast dient het initiatief in positieve zin bij te dragen aan de beleidsmatige opgave voor de omgeving. Door middel van de algemene zonering voor het landelijk en stedelijk gebied zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg en de Omgevingsverordening Limburg is aangegeven welke visie en doelen de Provincie Limburg in de betreffende zones heeft. Het is daarom van belang dat onderbouwd wordt dat het initiatief op een duurzame en toekomstbestendige locatie gevestigd wordt. Ook in het primair landbouwgebied vragen we deze onderbouwing, zodat de juiste ontwikkelingen op de juiste plekken landen. In of rondom primair landbouwgebied kunnen namelijk ook factoren spelen die de toekomstbestendigheid van een nieuw initiatief kunnen beïnvloeden. In eerste instantie wordt dit op lokaal niveau afgewogen en is dit afhankelijk van het initiatief. Uiteraard moet het initiatief dan ook passen binnen de provinciale belangen.

In het geval van een geheel nieuw bouwvlak voor een bedrijf gericht op akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt of andere plantaardige agrarische sectoren moet per saldo een kwalitatieve verbetering van het leefklimaat op gebiedsniveau plaatsvinden. De bedrijfsvoering dient afgestemd te worden op de kansen en kwetsbaarheden die het gebied kenmerken. Daarbij dient aangetoond te worden dat de nieuwvestiging bijdraagt aan de kwalitatieve verbetering van de leefomgeving. Dit laatste kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden door sloop van leegstaande gebouwen elders in het buitengebied, het versterken van landschappelijke kwaliteit of het oplossen van lokale knelpunten. Hiermee zet de Provincie in op een zorgvuldige balans tussen agrarisch ondernemerschap en ruimtelijke en maatschappelijke doelen in het landelijk gebied.

Paragraaf 10.1.5 Verwaarding van mest en agrarische reststromen

De Provincie Limburg onderkent het belang van verwaarding van mest en agrarische reststromen als onderdeel van kringlooplandbouw, verduurzaming van de landbouw en de energietransitie. Daarbij staat voorop dat verwaarding alleen plaatsvindt op locaties die aanvaardbaar zijn en daadwerkelijk bijdragen aan reductie van emissies uit stallen en bij bemesting van percelen. Het beleid is er daarom op gericht om enkel verantwoorde en zorgvuldig ingepaste initiatieven toe te staan, met duidelijke randvoorwaarden om negatieve effecten op omgeving, natuur en landschap te voorkomen.

Onze inzet is om de verwaarding van mest en agrarische reststromen, en daarmee de productie van groen gas, te stimuleren. Daarnaast draagt dit bij aan de verlaging van emissies uit stallen en bij de bemesting van percelen. Activiteiten moeten op daarvoor aanvaardbare locaties plaats vinden. We zetten daarbij in op het zogenoemde monovergisting, uitgaande van dagverse of aangezuurde mest uit stallen, toevoeging van restromen tot maximaal 5 volumeprocent en nabehandeling van de vergistingsresiduen. Dit met het oog op een optimale biogas productie en zo groot mogelijke reductie van ammoniak. 

Dit kenmerk is van toepassing op alle categorieën. Er worden namelijk drie hoofdcategorieën onderscheiden:

  • verwaarding van eigen mest en agrarische reststromen binnen het eigen bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijf;

  • collectieve verwaarding van mest en agrarische reststromen;

  • solitaire (industriële) verwaarding van mest en agrarische reststromen.

Artikel 10.9 Instructieregels verwaarding van eigen mest en agrarische reststromen binnen het eigen bouwvlak van een bestaand agrarisch bedrijf

Deze vorm is toegestaan ter ondersteuning van het eigen agrarisch bedrijf in het primair landbouwgebied.

Onder aanvullende voorwaarden wordt verwaarding ook in het verwevingsgebied of de groenblauwe landbouwzone toegestaan. In verwevingsgebieden of de groenblauwe landbouwzone moet aangetoond worden dat het initiatief in positieve zin bijdraagt aan de beleidsmatige opgave voor de omgeving. De impact op de omgeving moet aanvaardbaar zijn op basis van een zorgvuldige belangenafweging. Hierbij dient gedacht worden aan de omliggende omgevingskwaliteiten en –kenmerken (zoals wonen, natuur, landschap, water, etc.).

Artikel 10.10 Instructieregels collectieve verwaarding van mest en agrarische reststromen

Provinciaal beleid faciliteert collectieve initiatieven van samenwerkende agrarische bedrijven op bestaande of vrijkomende bouwvlakken in het primair landbouwgebied. Een bedrijfsontwikkelingsplan moet de toekomstbestendigheid en ruimtelijke kwaliteit onderbouwen, met aandacht voor leefklimaat, logistiek, regionale input, energie-inpassing en beperking van het aandeel reststromen. De maximaal toegestane straal van 20 km borgt het regionale karakter en voorkomt ongewenste milieu- en verkeersbelasting. Deze afstand wordt vastgesteld met het oog op praktische uitvoerbaarheid. Aan de hand van de toepassing in de praktijk zal worden beoordeeld of bijstelling van de maximale afstand wenselijk of noodzakelijk is.

Door collectieve mestverwaarding te beperken tot deze regionale straal voor aanvoer waarborgen we namelijk dat kringlopen lokaal worden gesloten en bevorderen we samenwerking binnen de regio. Dit voorkomt onnodig transport van mest. Daarnaast draagt deze aanpak bij aan een betere ruimtelijke inpassing en acceptatie en wordt de potentie voor lokale productie van groen gas en reductie van emissies maximaal benut. Zo ondersteunen we een circulaire landbouw en energietransitie op regionale schaal.

Wij vinden het van belang dat samenwerkende agrariërs hun commitment aan collectieve mestverwaarding vastleggen in samenwerkingsovereenkomsten (contracten). Hiermee stimuleren we langdurige samenwerking en wordt de continuïteit van het initiatief geborgd. Dit zorgt voor toekomstbestendige en betrouwbare verwaarding van mest op regionale schaal.

Artikel 10.11 Instructieregels solitaire (industriële) verwaarding van mest en agrarische reststromen

Voor solitaire (industriële) verwaarding en bijbehorende energiewinning uit mest en agrarische reststromen richt de Provincie zich op vestiging op bedrijventerreinen voor hogere milieucategorieën, met aanwezige infrastructuur en schaalgrootte passend bij de activiteit.

Dit biedt met name kansen voor grootschaligere duurzame/groene energieproductie bij industrie of bedrijvigheid met aansluitende (energie)behoeften en duurzaamheidsopgaven. Om deze reden zijn minder eisen gesteld dan bij de collectieve verwaarding van mest en agrarische restromen.

SSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.10 10.15 Ammoniakemissie dierenverblijven

Dit artikel waarborgt dat de beoogde afname van de achtergronddepositie, voor zover deze veroorzaakt wordt door stalemissies, op de gewenste manier afneemt. Op de ondernemer rust de verplichting om er zorg voor te dragen, dat iedere nieuwe, c.q. op wezenlijke onderdelen gewijzigde stal zal moeten voldoen aan de emissie(reductie)eisen uit deze regeling, die verder gaan dan de huidige eisen van de Omgevingswet (voorheen: het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij of ' AMvB Huisvesting). De intentie is dat voor intensieve veehouderijbedrijven de emissie per dierplaats met 85% daalt ten opzichte van traditionele stalsystemen.

Voor extensievere sectoren (rundvee) betreft dit 51% met weidegang en 70% bij permanent opstallen. Omdat niet voor alle sectoren systemen voorhanden zijn met dergelijk reductiepercentages, zijn in bijlage XII de nu redelijkerwijs haalbare emissiewaarden opgenomen die per 2030 haalbaar zullen zijn.

Artikel 10.10, eerste lid, onder a en b

Artikel 10.15, eerste lid, onder a en b Het uitgangspunt van de regels is dat de systematiek aansluit op het investeringsritme van de veehouderijen. Vaak in combinatie met een uitbreiding, investeert een veehouder in nieuwe stallen of in belangrijke renovaties van bestaande stallen. Op die momenten kan de investering worden benut voor emissiereducerende systemen die voldoen aan bijlage XII bij deze verordening. Bijlage XII met emissie(reductie)eisen wordt periodiek aangescherpt aan de stand der techniek. De combinatie van het investeren en aanscherpen van de emissiereductie-eisen leidt stapsgewijs naar de reductiedoelstellingen waaraan alle stallen op 1 januari 2030 moeten voldoen.

Momenten waarop de bedrijfsontwikkeling leidt tot de bouw van nieuwe stallen en/of het renoveren van bestaande stallen zijn de momenten waarop geïnvesteerd kan worden in het toepassen van emissiereducerende systemen. Daarbij is een duidelijk koppeling gemaakt met de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen. Wanneer voor de nieuwbouw of renovatie van stallen een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen nodig is, dan moet deze betreffende nieuwe stal voldoen aan bijlage XII bij deze verordening.

Wanneer er een renovatie van een bestaande stal plaatsvindt waar een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen nodig is (bijv. bij het vervangen van de kap na schade), en waarbij door de wijziging er geen wijziging in de 'Rav-code' plaatsvindt, dan valt deze renovatie niet onder definitie van nieuwe stal.

Onder de Omgevingswet is de 'Rav-lijst', de bijlage behorende bij artikel 2 van de voormalige Regeling ammoniak en veehouderij, opgenomen in de bijlage V bij de Omgevingsregeling.

Artikel 10.10, eerste lid, onder c

Artikel 10.15, eerste lid, onder c  Dit onderdeel bevat bepaalde emissiearme systemen binnen en buiten de stal, het veranderen van putten en roostervloeren, het installeren van ventilatie- en klimaatsystemen, luchtwassers of biofilters. Deze systemen, die zijn opgenomen in bijlage XI van de Omgevingsverordening, vragen een dermate investering dat, gezien de eis om in 2030 te voldoen aan de technische eisen uit bijlage XII en het doel van de verordening van een algemeen dalende trend in ammoniakdepositie, deze ook zonder bouwvergunning moeten voldoen aan de emissie(reductie)eisen uit de verordening. Ook het aanleggen, aankoppelen of installeren van zo'n systeem aan een bestaande stal leidt met deze verordening tot het beoordelen van deze stal als nieuwe stal.

In het Provinciaal Blad 2010/40 is aangekondigd dat de technische eisen uit de verordening met terugwerkende kracht vanaf 23 juli 2010 gaan gelden voor bedrijven met varkens en kippen. In de aankondiging is een "nieuwe stal" gedefinieerd als een na 22 juli 2010 nieuw opgericht dan wel geheel of gedeeltelijk gerenoveerd dierenverblijf waarvoor een bouwvergunning krachtens de Woningwet noodzakelijk is. Door wijziging in de regelgeving na de aankondiging is niet in alle gevallen een bouwvergunning/omgevingsvergunning noodzakelijk voor de in bijlage XII genoemde emissiearme technieken. Voor bedrijven die in de periode tussen 23 juli 2010 en het vaststellen van de verordening hebben geïnvesteerd in de genoemde technieken zonder dat is voldaan aan de technische vereisten uit bijlage XII zal in voorkomende gevallen per individueel geval door middel van een zorgvuldige belangenafweging worden beoordeeld of toepassing kan worden gegeven aan de in artikel 10.11 van de verordening opgenomen mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften.

De stalnormen opgenomen in de bijlage zullen regelmatig aangepast worden aan de technische ontwikkelingen op basis van de landelijke lijst met emissiefactoren van bijlage V van de Omgevingsregeling (voorheen: bijlage bij artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij. Daarnaast zijn situaties denkbaar dat technieken nog niet opgenomen zijn op deze lijst, maar wel perspectiefrijk zijn. Ook in deze gevallen kan de bijlage worden aangepast.

Voor het aanpassen van de bijlage kan advies worden ingewonnen bij onafhankelijke deskundigen. Ook indien niet duidelijk is hoe in een concreet geval een bepaalde technische voorziening zich verhoudt tot de reductietaakstelling uit het eerste lid kan advies worden ingewonnen bij onafhankelijke deskundigen. De provincies Noord-Brabant en Overijssel hebben voor het beoordelen van stalsystemen en het geven van advies inzake het aanpassen van de stalnormen een commissie van deskundigen benoemd.

Wijziging ten opzichte van Omgevingsverordening Limburg 2014

De diercategorieën zijn aangepast en tevens is er een kolom bijgevoegd met maximale emissie vanaf 1 januari 2030 (de laatste kolom). Dit zijn reductiepercentages die dan haalbaar zullen zijn met de betreffende technieken die dan voorhanden zijn.

De in de bijlage opgenomen reducties zijn percentages die gelden ten opzichte van de traditionele emissies (overige huisvestigingssystemen), zoals opgenomen in bijlagen V en VI van de Omgevingsregeling (voorheen: bijlage bij artikel 2 van de Regeling ammoniak en veehouderij). De bijbehorende emissiefactor is de emissie uitgedrukt in het aantal kilogrammen ammoniak per dierplaats per jaar dat maximaal is toegestaan.

Artikel 10.15, derde lid Met de reductie van stikstofdepositie wordt een bijdrage geleverd aan het herstel van Natura 2000- gebieden. Op basis van artikel 6, tweede lid, Habitatrichtlijn zijn lidstaten verplicht om passende maatregelen te nemen. De reductie van stikstofdepositie die wordt behaald met dit artikel wordt ingezet als een passende maatregel waarmee wordt voldaan aan de verplichting van artikel 6, tweede lid, Habitatrichtlijn.

Artikel 10.15, vierde lid Er zijn bijzondere situaties denkbaar, waarin duidelijk is, dat niet aan de verordening voldaan kan worden en het ook niet redelijk is dit te vereisen. Hierbij valt te denken aan ondernemers die als gevolg van het ontbreken van nog niet bewezen effectieve innovatieve stalsystemen niet in staat zijn om te voldoen aan het bepaalde in het tweede lid. Het is in dergelijke gevallen aan gedeputeerde staten om op basis van een integrale afweging te besluiten het bepaalde in het tweede lid buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken.

TTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.11 10.16 Maatwerkvoorschriften

Er zijn bijzondere situaties denkbaar, waarin duidelijk is, dat niet aan de verordening voldaan kan worden en het ook niet redelijk is dit te vereisen. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan vee dat vanwege cultuurhistorisch-educatief/museaal oogpunt gehouden wordt of een veebedrijf dat zijn vee inzet voor het beheer van het Natura 2000 gebied. Tevens kan het voor de noodzakelijk zijn dat er proefstallen worden gebouwd waarbij nog niet voldaan kan worden aan de eisen uit bijlage XII. Het is in dergelijke gevallen aan Gedeputeerde Staten om op basis van een integrale afweging te besluiten of van de verordening kan worden afgeweken door middel van het stellen van maatwerkvoorschriften.

Gedeputeerde Staten besluiten gebruik te maken van de in artikel 10.1110.16 opgenomen mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen.

UUUUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 11 Cultureel erfgoed Herbenutting monumentale gebouwen

VVVVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 11.1 Instructieregels herbenutting monumentale en beeldbepalende gebouwen

WWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 11.1 Herbenutting van Instructieregels herbenutting monumentale en beeldbepalende gebouwen

Dit artikel betreft een motiveringsplicht voor omgevingsplannen inzake de herbenuttingsmogelijkheden van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen. Het doel van de instructieregel is de stimulering van de herbenutting van leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen.

Zowel in het stedelijk gebied als landelijk gebied hebben we steeds vaker te maken met leegstaande of leegkomende bebouwing. Daarbij gaat het vaak om leegstaande woningen, bedrijfsgebouwen, kantoren, agrarische bebouwing, scholen, winkels etc. Een aspect dat daarbij onze bijzondere aandacht heeft is de leegstand van monumentale en beeldbepalende gebouwen en het zoeken van herbenuttingsmogelijkheden voor dit soort bijzondere gebouwen.

In bijlage I bij deze verordening is de volgende omschrijving van monumentale gebouwen opgenomen: 'monumentale gebouwen: de op grond van de Erfgoedwet aangewezen beschermde monumenten (rijksmonumenten), en de in een omgevingsplan opgenomen gebouwen van plaatselijk of regionaal belang'. Beeldbepalende gebouwen zijn in bijlage I omschreven als 'gebouwen met historische karakteristieken of deel uitmakend van een beschermd stads- of dorpsgezicht. Het begrip 'stads- en dorpsgezichten' is omschreven in bijlage I bij de Omgevingswet

Herbenutting van monumentale en beeldbepalende gebouwen kan bijdragen aan de instandhouding van de betreffende gebouwen zelf, maar ook aan het behoud of verbeteren van het woon- en leefklimaat in de steden en dorpen waar dit aan de orde is. De opgave in artikel 11.1 bevat een inspanningsverplichting voor gemeenten. Deze houdt in dat bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bijvoorbeeld kantoren, woningbouw, bedrijventerreinen, detailhandel, land- en tuinbouw, vrije tijdseconomie/verblijfsaccommodaties in eerste instantie naar leegstaande monumentale en, indien dit geen resultaat heeft, vervolgens naar leegstaande beeldbepalende gebouwen wordt gekeken en deze ook zoveel mogelijk hiervoor worden benut. Bij nieuwe ontwikkelingen gaat het niet alleen om nieuwbouw, uitbreiding en herstructurering van terreinen of bebouwing, maar ook om functiewijzigingen waarbij de nieuwe functie in een gebouw wordt ondergebracht.

Waar het gaat om het zoeken naar herbenuttingsmogelijkheden kent artikel 11.1 een nadrukkelijke voorkeursvolgorde: eerst komen de leegstaande monumentale gebouwen voor (een beoordeling op de mogelijkheid van) herbenutting in aanmerking en wanneer dit geen resultaat oplevert, de leegstaande beeldbepalende gebouwen.

De vraag binnen welk gebied naar leegstaande monumentale of beeldbepalende gebouwen gezocht moet worden, wordt bepaald door de functie van het gebouw en het verzorgingsgebied. In beginsel is het voldoende dat binnen de eigen gemeentegrens naar eventuele mogelijkheden wordt gezocht. In voorkomende gevallen - bijvoorbeeld als de nieuwe functie een regionaal verzorgingsgebied heeft- dient ook naar mogelijkheden buiten de eigen gemeentegrens te worden gekeken. De Provincie is graag bereid om in voorkomende gevallen mee te denken over maatregelen die noodzakelijk zijn om een monumentaalgebouw of locatie geschikt te maken voor een andere functie. Verder zijn voorkomende rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten uiteraard te raadplegen in de Erfgoedkaart Limburg welke ontwikkeld is door de gemeenten in Limburg en de Provincie Limburg.

Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan wordt door de Provincie tevens bekeken op welke wijze de gemeente invulling heeft gegeven aan haar inspanningsverplichting met betrekking tot het zoeken naar herbenuttingsmogelijkheden voor leegstaande monumentale en beeldbepalende gebouwen.

Een nieuwe functie voor leegstaande monumentale gebouwen is essentieel voor de instandhouding van deze gebouwen en het behoud van de cultuurhistorische waarden die ze vertegenwoordigen. Ook kan het behoud van die gebouwen bijdragen aan het behoud of de verbetering van het woon- en leefklimaat in steden en dorpen.  De instructieregel in deze afdeling heeft tot doel te stimuleren dat bij planvorming actief de mogelijkheden worden onderzocht die monumentale gebouwen (leegstand en verwachte leegstand) bieden voor het onderbrengen van de nieuwe activiteit. Waar in deze afdeling wordt gesproken van ‘monumentale gebouwen', worden rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten bedoeld. De instructieregel in deze afdeling stuurt aan op een proactieve praktijk ten aanzien van de herbenutting van leegstaande monumentale gebouwen, waarbij de gemeente een overzicht heeft van de herbestemmingslocaties in haar gemeente.  

Artikel 11.1, eerste lid Een omgevingsplan dat een nieuwe activiteit toestaat motiveert daarbij het mogelijk hergebruiken van leegstaande monumentale gebouwen in de betreffende gemeente. Het betreft dan potentieel her te bestemmen monumentale gebouwen in de directe nabijheid van het plangebied. Met ‘nabijheid’ bedoelen we in dezelfde wijk of hetzelfde dorp. De motivering omvat de afweging waarom voor de betreffende functie geen leegstaand of op korte termijn leegstaand monumentaal gebouw in de nabijheid van het plangebied herbenut wordt. Bij nieuwe activiteiten met een beperkte omvang, bijvoorbeeld de omvang van een enkele woning of winkel, volstaat een korte motivering dat de mogelijkheid van herbenutting van een monument is onderzocht en de reden dat herbenutting daarvan niet opportuun is. Een omgevingsplan voor een omvangrijke nieuwe activiteit dient voorzien te zijn van een uitgebreidere beschrijving van het gevolgde proces en de gemaakte afwegingen bij de keuze uit alternatieve locaties.  

Artikel 11.1, tweede lid De genoemde motivering onder het eerste lid van dit artikel bevat vanaf uiterlijk 1 januari 2032 een gemeentelijk overzicht van monumentale gebouwen die, vanwege de huidige of verwachte leegstand of verandering van functie, kunnen worden aangemerkt als herbestemmingslocatie. Dit overzicht maakt vanaf die datum vast onderdeel uit van het omgevingsplan. Met een ‘herbestemmingslocatie’ is een locatie bedoeld waaraan, met het oog op de toekomstbestendigheid van het gebouw of de gebouwen, een nieuwe functie dient te worden toegedeeld.  

Artikel 11.1, derde lid Tot 1 januari 2032 volstaat de gevraagde motivering ten aanzien van herbenutting van monumentale gebouwen uit het eerste lid. Na die datum dient het overzicht uit het tweede lid meegenomen te worden in die motivering. Op deze wijze is er een overgangsperiode om herbestemmingslocaties op te nemen in het omgevingsplan.

XXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 12 Wonen, werken en recreëren

Afdeling 12.1 Instructieregels wonen

Artikel 12.1 Algemene instructieregels wonen

Het wetsvoorstel voor de Wet versterking regie volkshuisvesting zal de provincie de bevoegdheid geven om meer regie op woningbouw te nemen. Doordat de Omgevingswet de provincie de mogelijkheid geeft om instructieregels ten aanzien van de inhoud van het omgevingsplan in de omgevingsverordening op te nemen, zijn deze instructieregels voor de provincie een middelen om meer regie op woningbouw te nemen. De instructieregels zorgen er namelijk voor dat de juiste plannen voor de juiste woningen in Limburg worden opgenomen om daarmee het provinciale belang “de juiste woning op de juiste plek en voldoende betaalbare woningen” te kunnen garanderen.

Artikel 12.1, eerste lid: De Provincie vraagt van gemeenten om een samenhangende integrale onderbouwing op te nemen in de motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoeging van een of meerdere woningen. Onder het toevoegen van een of meerdere woningen in dit artikel en de volgende artikelen wordt mede het wijzigen van de functie naar wonen verstaan. Die motivering kan door de gemeente worden opgesteld als een apart document, waarnaar wordt verwezen. Uit de motivering moet enerzijds blijken welk gedeelte van de woningbouwopgave (gebaseerd op de 10-jarige programmering die met de provincie is afgestemd) in het stedelijk gebied of de landelijke kernen gerealiseerd kan worden en anderzijds welk gedeelte niet en waarom dan niet. De motivering is alleen nodig bij de toevoeging van woningen in het landelijk gebied, maar de gevraagde samenhangende integrale onderbouwing moet wel betrekking hebben op de gehele gemeente.

De Provincie vraagt gemeenten om aan de voorkant goed na te denken en duidelijkheid te verschaffen over de toevoegingen van woningen in het stedelijk gebied en de landelijke kernen. Plannen dienen vanaf de initiatieffase geregistreerd te worden in de door de Provincie ter beschikking gestelde monitoringsapplicatie. Bij het opstellen van de samenhangende integrale onderbouwing houden gemeenten rekening met de Limburgse principes zoals vermeld in de Omgevingsvisie Limburg: onder andere het zorgvuldig omgaan met de schaarse ruimte en voorraden, ontwikkelingen binnenstedelijk vóór ontwikkelingen buitenstedelijk en het versterken van het bebouwd gebied en het landelijk gebied.

Artikel 12.1, tweede lid: De voorwaarden waaraan de samenhangende integrale onderbouwing voor het gehele grondgebied van een gemeente moet voldoen, zijn in het tweede lid opgenomen. Hieronder volgt een toelichting per onderdeel.

Artikel 12.1, tweede lid, onder a: Van een gemeente wordt gevraagd om op een kaart in beeld te brengen welke potentiële ontwikkellocaties voor woningbouw er zijn binnen de gemeente. Ook wordt gevraagd om een toelichting te geven op de ruimtelijke kansen, belemmeringen en de prioritering van deze potentiële ontwikkellocaties voor woningbouw. Uit de toelichting moet blijken waarom er wel of niet gekozen wordt voor een bepaalde ontwikkellocatie (kansen en belemmeringen), rekening houdend met de mogelijkheden om in de hoogte te bouwen (dichtheid) en niet enkel in de breedte. Daarnaast dient de toelichting inzichtelijk te maken aan welke woningbouwontwikkeling een gemeente prioriteit geeft en waarom. Indien nodig, kunnen gemeenten de provincie vragen om met deze informatie (“ontwikkelkaart”) vertrouwelijk om te gaan.

Artikel 12.1, tweede lid, onder b: Bij het in beeld brengen van de potentiële ontwikkellocaties dienen gemeenten rekening te houden met de door hen op te stellen woningbouwprogrammering. De provincie bepaalt op basis van een woningbehoefteonderzoek, dat elke 3 jaar herijkt wordt, de netto woningbouwopgave per woningbouwregio. Gemeenten bepalen in regionaal verband en op basis van de lokale inzichten en verwachtingen voor elke gemeente de te leveren bijdrage aan de regionale woningbouwopgave. Gemeenten houden hierbij niet alleen rekening met de te realiseren woningaantallen, maar ook met de betaalbaarheidseisen. De programmering dient per gemeente te worden vastgesteld en te zijn afgestemd met de gemeenten binnen de woningbouwregio waartoe de gemeente behoort. De programmering vormt een onderdeel van de samenhangende integrale onderbouwing en beslaat een programmeringsperiode van tien jaar.

Artikel 12.1, tweede lid, onder c: Van gemeenten wordt gevraagd om in de samenhangende integrale onderbouwing ook de ontwikkelingsmogelijkheden voor woningbouw binnen stedelijk gebied en landelijke kernen te betrekken. Het gaat hier om het afwegen van de woningbouwpotentie van onbebouwde plekken binnen het stedelijk gebied en de landelijke kernen. Daarbij kan gedacht worden aan verdichting binnen een ruim opgezette woonwijk of aan het benutten van braakliggende percelen.

Door die onbenutte mogelijkheden te onderzoeken en vervolgens wél te benutten, wordt ook voldaan aan de Limburgse principes van duurzaam omgaan met de schaarse ruimte en voorraden én het versterken van het bebouwd en landelijk gebied. Bij de analyse van de mogelijkheden voor aanvullende woningbouw binnen stedelijk gebied en landelijke kernen dient evenwel een goede afweging te worden gemaakt ten opzichte van andere belangen zoals klimaatadaptatie en een gezonde leefomgeving. Met het benutten van deze onbebouwde plekken en de transformatielocaties (artikel 12.1, tweede lid, onder d) kan invulling worden gegeven aan de herstructureringsopgave van het bestaand bebouwd gebied.

Artikel 12.1, tweede lid, onder d: Van gemeenten wordt gevraagd om in de samenhangende integrale onderbouwing ook de potentiële transformatielocaties te betrekken. Het gaat hier om het afwegen van de woningbouwpotentie van bestaande bebouwing. Een transformatielocatie is een locatie waar bestaand vastgoed geheel of gedeeltelijk wordt herontwikkeld naar een woonfunctie. Denk daarbij aan het realiseren van appartementen in een voormalige winkel of woningbouw ter plaatse van een in onbruik geraakt fabriekscomplex. Het gaat hier in de eerste plaats om locaties binnen het stedelijk gebied en de landelijke kernen, maar ook daarbuiten gelegen transformatielocaties, zoals vrijkomende agrarische bebouwing, kunnen hierin betrokken worden. Onder transformatie wordt tevens verstaan de uitbreiding van een bestaande woonfunctie, bijvoorbeeld bij het 'optoppen' van een wooncomplex of de splitsing van bestaande woningen. Er wordt gevraagd om een toelichting over de (on)mogelijke inzetbaarheid van deze transformatielocaties voor de woningbouwopgave. Met het benutten van deze transformatielocaties en de onbebouwde plekken (artikel 12.1, tweede lid, onder c) kan invulling worden gegeven aan de herstructureringsopgave van het bestaand bebouwd gebied.

Artikel 12.1, derde lid: De gevraagde samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid, ziet op een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoeging van een of meerdere woningen. Het kan gaan om een wijziging van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Met ingang van 1 januari 2032 verplicht de Omgevingswet alle gemeenten om een volledig omgevingsplan te hebben dat voldoet aan alle eisen van de wet. Met ingang van die datum dient de samenhangende integrale onderbouwing, als bedoeld in het eerste en tweede lid van artikel 12.1, onderdeel uit te maken van de motivering van het omgevingsplan. 

Artikel 12.1, vierde lid: Bij de wijziging van een omgevingsplan dat betrekking heeft op de toevoeging van woningen wordt de termijn vastgelegd waarbinnen de functie wonen zal worden herzien als de woningen dan nog niet gerealiseerd zijn, met als gevolg voortzetting of toedeling van een andere passende functie. De gewenste realisatietermijn voor woningbouw betreft 3 jaar. Indien de functie wonen niet is gerealiseerd binnen deze 3 jaar, dan wordt de functie heroverwogen. Indien niet (meer) passend bij de actuele woonbehoefte, vindt de toedeling van een andere functie plaats. De termijn van 3 jaar is voor het overgrote deel van de woningbouwinitiatieven uitvoerbaar. Het is aan de gemeente om in de motivering van het omgevingsplan de voorzienbaarheid van woningbouw op te nemen, op een voor haar passende wijze. Hierbij dient ook het moment van heroverweging, namelijk iedere 3 jaar dat de woningbouwprogrammering wordt herijkt, te worden opgenomen. De herijking van de programmering is het meest geschikte moment om te kijken naar de onbenutte planvoorraad, aangezien hierbij de woningbouwbehoefte integraal wordt afgewogen ten opzichte van de bestaande woonvoorraad en de toekomstige nieuwe woningbouwplannen. 

Artikel 12.1, vijfde lid: De Provincie vraagt, net als het Rijk, van de gemeente om haar plannen goed en tijdig (vanaf de initiatieffase) te registreren in de plancapaciteitsmonitor, zodat ontwikkelingen in de plancapaciteit en woningbouwrealisaties goed gemonitord worden. De registratie van woningbouwplannen vindt plaats via een door de provincie beschikbaar gestelde monitoringsapplicatie. Afdeling 14.5 heeft betrekking op deze monitoring.

Er wordt voor de registratiewijze aansluiting gezocht bij de PPM (Publiek-private monitor), die de volgende 4 fases onderscheidt: een initiatieffase, planfase, vergunningsfase en realisatiefase. (Bron: Samen aan het stuur! Handleiding voor een effectieve Publiek-Private Monitor (PPM)). Een project wordt geregistreerd (vanaf de initiatieffase) in de plancapaciteitsmonitor wanneer gemeente en ontwikkelende partijen een principeovereenkomst hebben. Denk aan een akkoord intaketafel, een principeakkoord van burgemeester en wethouders of een intentieovereenkomst. Het project past dan binnen de gemeentelijke visie om op die locatie woningbouw te ontwikkelen. 

Artikel 12.1, zesde lid: Het betreft hier de inpandige realisatie van maximaal 5 woningen in een monumentaal gebouw. Om deze beperkte ontwikkeling mogelijk te maken, hoeft de gemeente niet te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid. Het belang van het behoud van het monumentaal gebouw heeft hier voorrang.

Indien het een inpandige realisatie van meer dan 5 woningen betreft dient de gemeente wel te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid en dient zij tevens te motiveren hoe de betreffende (grotere) ontwikkeling past binnen deze onderbouwing, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave en de daarbij behorende programmering.

Artikel 12.2 Aanwijzing woningbouwregio's

Het Besluit versterking regie volkshuisvesting voegt een nieuw artikel 7.8b toe aan het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van dit artikel heeft de Provincie Limburg een drietal woningbouwregio’s aangewezen: Noord-Limburg, Midden-Limburg en Zuid-Limburg. Een woningbouwregio omvat de gemeenten die voor de woningbouwopgave uit een oogpunt van een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als een eenheid moeten worden aangemerkt. Dit artikel treedt in werking gelijktijdig met de Wet versterking regie volkshuisvesting.

Artikel 12.3 Instructieregels gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma

De Wet versterking regie volkshuisvesting zal de provincie de bevoegdheid geven om instructieregels te stellen over de inhoud van het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma, om op die manier meer regie te kunnen voeren op de woningbouwopgave. Dit artikel met instructieregels voor het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma treedt in werking gelijktijdig met de Wet versterking regie volkshuisvesting.Hieronder volgt een toelichting per onderdeel.

Artikel 12.3, onder a: De provincie stelt per drie jaar een woningbehoefteonderzoek op. Aan de hand van dit onderzoek bepaalt de provincie de regionale netto woningbouwopgave. Gemeenten bepalen in regionaal verband (woningbouwregio) en op basis van de lokale inzichten en verwachtingen voor elke gemeente de te leveren bijdrage aan de regionale woningbouwopgave. Daarnaast stelt een gemeente, naar aanleiding van de door de provincie aangeleverde netto-woningbouwopgave per woningbouwregio, in afstemming met andere gemeenten (behorende tot haar woningbouwregio) de lokale woningbouwprogrammering op. Deze lokale programmeringen geven inzicht in de onderliggende opgave om te komen tot het netto aantal toe te voegen woningen aan de Limburgse woningvoorraad. De gemeentelijke programmeringen kennen dus een saldobenadering. Dit betekent dat, conform de wettelijke verplichtingen, een gemeente de jaarlijkse streefcijfers voor nieuwbouw, overige toevoegingen en onttrekkingen in de programmering moet opnemen, zodanig dat dit optelt in de regio tot de netto woningbouwopgave.

Artikel 12.3, onder b: Conform de landelijke richtlijn dient de woningbouwprogrammering elke drie jaar te worden geactualiseerd.

Artikel 12.3, onder c: In het provinciale volkshuisvestingsprogramma beschrijft de provincie enerzijds wat de provinciale woningbouwopgave is en anderzijds welke benodigde ontwikkeling van de bestaande woningvoorraad op het niveau van een woningbouwregio hierbij hoort; dit op basis van het provinciale woonbehoefteonderzoek dat elke drie jaar wordt herijkt. Bij het bepalen van de actuele en verwachte woonbehoefte wordt niet louter gekeken binnen de eigen gemeentegrenzen, maar wordt ook gekeken naar het gemeentelijk aandeel in de woonbehoefte binnen de woningbouwregio waartoe een gemeente behoort. Daarbij wordt expliciet ook de woonbehoefte betrokken van ouderen en de aandachtsgroepen die bij ministeriële regeling worden aangewezen op grond van artikel 62a, eerste lid, van de Woningwet, dat door de Wet versterking regie volkshuisvesting aan de Woningwet wordt toegevoegd.

Onder de Wet versterking regie volkshuisvesting worden gemeenten verplicht om regionale afspraken te maken over hun aandeel om de regionale doelen van maximaal tweederde betaalbare woningen en 30 procent sociale huur te behalen. De provincie krijgt daarin een regierol. Om hierop beter te kunnen sturen en te komen tot een evenwichtige verdeling van de woningbouwopgave is deze instructieregel opgenomen in de verordening.

Artikel 12.3, onder d: De beschikbaarheid van voldoende woningbouwlocaties in het omgevingsplan is essentieel voor de realisatie van de woningbouwopgave. Onderdeel daarvan is dat er voldoende locaties voor woningbouw beschikbaar zijn in de plannen (het omgevingsplan) van gemeenten ofwel dat er voldoende plancapaciteit is. Uit de praktijk blijk dat een deel van de plannen vertraging oploopt of zelfs zal afvallen. In de praktijk is dit veelal circa 30% van de plancapaciteit. Gelet hierop, en gezien de looptijd van de totstandkoming van een omgevingsplan, is een extra plancapaciteit ten opzichte van het aantal benodigd te bouwen woningen van belang voor het realiseren van de woningbouwopgave. Daarmee kan bij vertraging of afvallen van woningbouwontwikkelingen gekeken worden naar alternatieve woningbouwlocaties, zowel nieuwbouw als transformaties.

Om bovenstaande reden zijn er vanaf 2022 afspraken tussen het Rijk en de provincies gemaakt die ervoor zorgen dat de planvoorraad op lokaal en regionaal niveau, voor een programmaperiode van 10 jaar, plannen moet bevatten die samen voorzien in de mogelijke realisatie van 130% van het aantal woningen volgens de lokale én regionale programmering. Dit betekent dat 130% plancapaciteit benodigd is om de lokale en regionale woningbouwprogrammering voor 100% te kunnen realiseren. Hierbij dient het aandeel harde plannen per gemeente in de eerste 5 jaar van de programmaperiode minimaal 50% van het totaal aantal te bouwen woningen te zijn.

De hardheid van plannen is van belang om spoedige realisatie te verzekeren en snelle doorwerking van woningbouwontwikkeling te stimuleren. Een percentage van 50% is haalbaar wanneer meer realistische planningen gehanteerd worden. De Provincie moet hierop regie voeren en neemt om die reden deze instructieregel op. 

Artikel 12.3, onder e: Om regie te kunnen voeren over de woningbouw en om inzicht te bieden in de samenhang op regionaal niveau, is het van cruciaal belang dat provincie en gemeenten de voortgang van de planvorming en de realisaties van woningen kunnen volgen. Op dit moment worden er door gemeenten verschillende systemen gebruikt. Dat veroorzaakt verwarring en onduidelijkheden. Door het gebruik van één centrale monitoringsapplicatie wordt dit voorkomen. Aan gemeenten wordt daarom gevraagd om woningbouwplannen vanaf de initiatieffase te registreren via de door de provincie Limburg ter beschikking gestelde monitoringsapplicatie, zodat de voortgang van de realisatie van de gemeentelijke woningbouwopgaven door de provincie gemonitord kunnen worden. Hierbij geldt dat gemeenten minimaal tweemaal per jaar hun woningbouwplannen in de provinciale monitoringsapplicatie bijwerken.

Indien uit de monitoring als bedoeld in artikel 16.4 blijkt dat de planvorming en realisatie van de woningbouw afwijken van de gemeentelijke programmering, zal de provincie overleg voeren met desbetreffende gemeente, en indien nodig, afspraken maken over het bijstellen van de planvoorraad. Van de betreffende gemeente zal gevraagd worden om haar planvoorraad weer op zowel de lokale als provinciale programmering af te stemmen, zodat plannen voor de juiste woningen ontwikkeld en gebouwd worden.

Artikel 12.4 Instructieregels wonen in verwevingsgebied

Door woningbouw zoveel mogelijk te concentreren in het stedelijk gebied en de landelijke kernen kunnen zowel het stedelijk gebied als het landelijk gebied versterkt worden. Daar waar woningbouw in het stedelijk gebied of de landelijke kern niet meer mogelijk is, wordt ruimte geboden in het verwevingsgebied. De aanvullende voorwaarden waaronder dit mogelijk is, zijn in dit artikel genoemd.

Om een ontwikkeling in het verwevingsgebied mogelijk te kunnen maken, dient een gemeente te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid, en vervolgens te motiveren hoe de betreffende ontwikkeling past binnen deze onderbouwing, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave en de daarbij behorende programmering die onderliggend gebaseerd is op zowel de lokale als regionale woonbehoefte.

Artikel 12.4, eerste lid: Ook binnen het verwevingsgebied dient een zorgvuldige afweging te worden gemaakt over de stedenbouwkundige en landschappelijke uitwerking van een woningbouwplan. De gemeente dient te motiveren hoe en waarom de betreffende ontwikkeling bijdraagt aan het versterken van enerzijds het stedelijk gebied of de landelijke kern en anderzijds het landelijk gebied. 

Artikel 12.4, eerste lid, onder b: Het is van belang dat de toevoegingen in het verwevingsgebed (nieuwbouw en transformatie-initiatieven) niet geïsoleerd liggen ten opzichte van het stedelijk gebied of de landelijke kern, maar hier een ruimtelijk logische verbinding mee aangaan. Denk daarbij aan een goede aansluiting op bestaande stedenbouwkundige structuren, zoals andere bebouwing en infrastructuur. Dit is ook van belang voor onder andere de bereikbaarheid van voorzieningen en hulpdiensten.

Binnen bebouwingslinten en bebouwingsclusters zijn enkel kleinschalige ontwikkelingen mogelijk. Aan de randen van bebouwingslinten en bebouwingsclusters zijn enkel kleinschalige ontwikkelingen mogelijk als deze een logische afronding van het lint of cluster vormen, waarna geen verdere toekomstige uitbreiding meer mogelijk is.

Artikel 12.4, tweede lid, onder a: Het betreft hier de inpandige realisatie van een of meerdere woningen in een monumentaal gebouw. Het toevoegen van woningen in rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten is beperkt tot het inpandig toevoegen, omdat deze uitzondering specifiek de herbenutting en het behoud van de rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten ten doel hebben. Die monumenten beschikken veelal over een grote hoeveelheid te herbestemmen vloeroppervlakte.

Artikel 12.4, tweede lid, onder b: Om huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten in het verwevingsgebied op een agrarische bouwkavel, waar de te huisvesten short-stay arbeidsmigranten werkzaam, zijn mogelijk te kunnen maken, dient een gemeente te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid. Daarin dient de gemeente te motiveren hoe de betreffende ontwikkeling past binnen deze onderbouwing, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave en de daarbij behorende programmering.

Artikel 12.4, tweede lid, onder c: Locaties die hiervoor in aanmerking kunnen komen zijn transformatielocaties waar milieuproblemen (bijvoorbeeld spuitzones) en/of verstorende bebouwing aanwezig zijn, bijvoorbeeld oude fabrieksterreinen of vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s). De woningbouw dient te voorzien in ruimtelijke kwaliteitswinst waarmee het knelpunt ter plekke wordt opgelost. Daarmee is niet bedoeld dat iedere transformatielocatie hiervoor zonder meer in aanmerking komt. Het blijft een situationele afweging, die tevens onderdeel dient uit te maken van de samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid.

Artikel 12.5 Instructieregels wonen in primair landbouwgebied

Artikel 12.5, eerste lid: In beginsel is woningbouwontwikkeling in het primair landbouwgebied niet toegestaan, omdat we het primaire landbouwgebied zoveel mogelijk willen beschermen. Het beschermen van en het zorgvuldig omgaan met hoogwaardige land- en tuinbouw is immers van belang voor de voedselzekerheid. 

Artikel 12.5, tweede lid: Het betreft hier de inpandige realisatie van een of meerdere woningen in een monumentaal gebouw in het primair landbouwgebied. Het toevoegen van woningen in rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten is beperkt tot het inpandig toevoegen, omdat deze uitzondering specifiek de herbenutting en het behoud van de rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten ten doel hebben. Die monumenten beschikken veelal over een grote hoeveelheid te herbestemmen vloeroppervlakte.

Indien het een inpandige realisatie betreft van meer dan 5 woningen, dient tevens te worden voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van het derde lid, onder a tot en met e. Indien het een inpandige realisatie betreft van maximaal 5 woningen, hoeft – overeenkomstig artikel 12.6 – niet te worden voldaan aan de voorwaarde uit het derde lid, onder a (het hebben van een integrale samenhangende onderbouwing).

Artikel 12.5, derde lid: Om huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten in het primair landbouwgebied op een agrarische bouwkavel, waar de te huisvesten short-stay arbeidsmigranten werkzaam, zijn mogelijk te kunnen maken, dient een gemeente te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid. Daarin dient de gemeente te motiveren hoe de betreffende ontwikkeling past binnen deze onderbouwing, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave en de daarbij behorende programmering.

Artikel 12.5, vierde lid: Locaties binnen het primair landbouwgebied die hiervoor in aanmerking kunnen komen zijn transformatielocaties waar milieuproblemen (bijvoorbeeld spuitzones) en/of verstorende bebouwing aanwezig zijn, bijvoorbeeld oude fabrieksterreinen of vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s). De woningbouw dient te voorzien in ruimtelijke kwaliteitswinst waarmee het knelpunt ter plekke wordt opgelost. Bij een functiewijziging naar wonen gelden de in het vierde lid genoemde cumulatieve voorwaarden. Aan alle voorwaarden dient voldaan te zijn alvorens het toevoegen van woningen in het primair landbouwgebied mogelijk is.

Hieronder volgt een toelichting per onderdeel.

Artikel 12.5, vierde lid, onder a: Alvorens een gemeente voor het toevoegen van een of meer woningen kan uitwijken naar het primair landbouwgebied, dient zij te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing zoals bedoeld in artikel 12.1. Daarnaast dient gemotiveerd te worden hoe de betreffende ontwikkeling past binnen deze onderbouwing, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave en de daarbij behorende programmering.

Artikel 12.5, vierde lid, onder b: Een gemeente moet aan de hand van de integrale samenhangende onderbouwing, als bedoeld in artikel 12.1 aantonen en onderbouwen dat er een gegronde noodzaak is voor het uitwijken naar het primair landbouwgebied en waarom de betreffende ontwikkeling niet in het verwevingsgebied kan worden gerealiseerd. Die noodzaak kan niet gelegen zijn in het gegeven dat landbouwgrond goedkoper is en daarom realisatie van woningbouw gemakkelijker en sneller kan.

Artikel 12.5, vierde lid, onder c: Bij een functiewijziging naar wonen zal het door het Rijk aangekondigde afwegingskader ‘beschermen hoogwaardige landbouwgrond’ gehanteerd worden. Bij het bepalen van de waarde van voedselproductie en de landbouwkundige waarde, worden de volgende niet limitatieve elementen betrokken:

  • de landbouwkundige waarde van de grond (bodemtype en -structuur, bodemvruchtbaarheid, waterhuishouding, geomorfologie en daaruit ontstane fysieke omstandigheden);

  • het bestaand en historisch (agrarisch) gebruik van het perceel (historisch landgebruik en het actief agrarisch landgebruik (bedrijfsmatig);

  • de (beleidsmatige) ligging van het perceel (bijv. ten aanzien van het regionaal land- en tuinbouwbeleid, zoals het ontwikkelingsgebied glastuinbouw);

  • de bijdrage aan en het draagvlak voor lokale voedselvoorziening of circulaire landbouw;

  • de kwalitatieve argumenten voor de nieuwe functie (maatschappelijke meerwaarde);

  • de ruimtelijke kwaliteit;

  • de vraag of een vrijkomende agrarische bebouwing niet meer geschikt is voor agrarisch gebruik.

Artikel 12.5, vierde lid, onder d: Bij een functiewijziging naar wonen mag er aantoonbaar geen sprake zijn van een belemmering voor de in de omgeving liggende agrarische functies. Ook de eventuele toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van de in de omgeving liggende agrarische functies kunnen daarbij een rol spelen.

Andersom mag ook de woonfunctie niet beperkt worden door omliggende agrarische activiteit. Bij een functie wijziging zullen de volgende niet limitatieve elementen betrokken worden bij de beoordeling of de functiewijziging geen belemmering vormt:

  • afstand tot spuitzones;

  • afstand tot stankcirkels;

  • ernst van de geluidsoverlast;

  • hoogte van de (fijn)stof- en emissiebelasting;

  • ernst van de licht- en verkeershinder;

  • waterhuishouding.

Ook wanneer het verzoek tot functiewijziging een voormalige bedrijfswoning betreft, dient voldaan te zijn aan alle voorwaarden. Indien dat niet het geval is, kan er geen omzetting plaatsvinden.

Artikel 12.5, vierde lid, onder e: binnen het primair landbouwgebied dient een zorgvuldige afweging te worden gemaakt over de stedenbouwkundige en landschappelijke uitwerking van een woningbouwplan. De gemeente dient daarom te motiveren hoe de ontwikkeling qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende plek.

Artikel 12.6 Instructieregels wonen in de groenblauwe landbouwzone

Artikel 12.6, eerste lid: In beginsel is woningbouwontwikkeling in de groenblauwe landbouwzone niet toegestaan, omdat we groenblauwe landbouwzone zoveel mogelijk willen beschermen. De groenblauwe landbouwzone staat in functie van zowel landbouw als natuur, water en landschap. In deze zone wordt gestreefd naar een groenblauwe landbouw, die zoveel mogelijk extensief, natuur-inclusief en ‘watervriendelijk’ van aard is.

Artikel 12.6, tweede lid: Het betreft hier de inpandige realisatie van een of meerdere woningen in een monumentaal gebouw in de groenblauwe landbouwzone. Het toevoegen van woningen in rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten is beperkt tot het inpandig toevoegen, omdat deze uitzondering specifiek de herbenutting en het behoud van de rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten ten doel hebben. Die monumenten beschikken veelal over een grote hoeveelheid te herbestemmen vloeroppervlakte.

Artikel 12.6, derde lid: Om huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten in de groenblauwe landbouwzone op een agrarische bouwkavel, waar de te huisvesten short-stay arbeidsmigranten werkzaam, zijn mogelijk te kunnen maken, dient een gemeente te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing als bedoeld in artikel 12.1, eerste en tweede lid. Daarin dient de gemeente te motiveren hoe de betreffende ontwikkeling past binnen deze onderbouwing, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave en de daarbij behorende programmering.

Artikel 12.6, vierde lid: Locaties die hiervoor in aanmerking kunnen komen zijn transformatielocaties waar milieuproblemen (bijvoorbeeld spuitzones) en/of verstorende bebouwing aanwezig zijn, bijvoorbeeld oude fabrieksterreinen of vrijkomende agrarische bebouwing (VAB’s). De woningbouw dient te voorzien in ruimtelijke kwaliteitswinst waarmee het knelpunt ter plekke wordt opgelost. Bij een functiewijziging naar wonen gelden de in het derde lid genoemde cumulatieve voorwaarden. Aan alle voorwaarden dient voldaan te zijn alvorens het toevoegen van woningen in de groenblauwe landbouwzone mogelijk is.

Hieronder volgt een toelichting per onderdeel.

Artikel 12.6, vierde lid, onder a: Alvorens een gemeente voor het toevoegen van een of meerdere woningen kan uitwijken naar de groenblauwe landbouwzone, dient zij te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing zoals bedoeld in artikel 12.1 eerste en tweede lid, en vervolgens te motiveren hoe de betreffende ontwikkeling past binnen deze onderbouwing, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave en de daarbij behorende programmering.

Artikel 12.6, vierde lid, onder b: Een gemeente moet aan de hand van de integrale samenhangende onderbouwing, als bedoeld in artikel 12.1 eerste en tweede lid, aantonen en onderbouwen dat er een gegronde noodzaak is voor het uitwijken naar de groenblauwe landbouwzone en waarom de betreffende ontwikkeling niet in het verwevingsgebied kan worden gerealiseerd. Die noodzaak kan niet gelegen zijn in het gegeven dat de grond goedkoper is en daarom realisatie van woningbouw gemakkelijker en sneller kan.

Artikel 12.6, vierde lid, onder c: De ontwikkeling moet bijdragen aan de beoogde doelen ter plaatse op het gebied van natuur, water en landschap, bijvoorbeeld door natuur-inclusief te bouwen. Onderliggende kaartlagen van de groenblauwe landbouwzone zijn daarbij bepalend voor de vraag of een ontwikkeling in de groenblauwe landbouwzone mogelijk is, dan wel extra gemotiveerd moet worden. 

Artikel 12.6, derde lid, onder d: Zeker binnen de groenblauwe landbouwzone dient een zorgvuldige afweging te worden gemaakt over de stedenbouwkundige en landschappelijke uitwerking van een woningbouwplan ten opzichte van de te realiseren doelen of belangen in de groenblauwe landbouwzone. De gemeente dient daarom te motiveren hoe de ontwikkeling qua maat, schaal en functie past bij de ruimtelijke situatie en de identiteit van de betreffende plek.

Artikel 12.7 Instructieregels huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten

Een omgevingsplan dat voorziet in de huisvesting voor arbeidsmigranten dient te voldoen aan het bepaalde in artikel 12.1. Dat geldt ook voor huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten. Wanneer huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten niet in het stedelijk gebied of een landelijke kern gerealiseerd kan worden, geldt aanvullend het bepaalde in artikel 12.7.

Hieronder volgt een toelichting per onderdeel.

Artikel 12.7, onder a: Om conform het advies van het Aanjaagteam Bescherming Arbeidsmigranten misstanden bij kwetsbare arbeidsmigranten, zoals slechte huisvesting en uitbuiting, tegen te gaan, hanteren wij de SNF-norm die geldt per 1 juli 2025. Hierin is o.a. bepaald dat bewoners van een nieuwbouwlocatie waarvoor de onderneming een aanvraag om een omgevingsvergunning heeft ingediend na 1 juli 2025, minimaal 15,0 m2 gebruiksoppervlak wonen (GBO) per persoon moeten hebben. Ook mag de slaapkamer maximaal door één persoon worden gebruikt, tenzij schriftelijk aangetoond wordt dat het door de personen gewenst is de slaapkamer te delen (maximaal twee personen per slaapkamer). Bewoners hebben in hun slaapkamer per persoon minimaal 3,5 m2 vloeroppervlakte ter beschikking.

Artikel 12.7, onder b: Arbeidsmigranten zijn vaak afhankelijk van een uitzendbureau voor zowel werk als huisvesting wat hen kwetsbaar maakt. Om acute dakloosheid te voorkomen, bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dient in de huurcontracten die de exploitant van de huisvesting hanteert, een opzegtermijn van ten minste één maand te worden opgenomen. De gemeente dient hierover afspraken te maken met de exploitant.

Artikel 12.7, onder c: Om arbeidsmigranten beter te beschermen tegen misstanden en om hun rechtspositie als huurder te borgen, dient de gemeente samen met de exploitant van de huisvesting gezamenlijk zorg te dragen voor voldoende, toegankelijke en begrijpelijke informatievoorziening voor arbeidsmigranten in hun eigen taal. Daarbij wordt specifiek aandacht besteed aan de rechten en plichten die voor arbeidsmigranten gelden. De informatie betreft in ieder geval de onderwerpen vermeld sub 1 tot en met 3.

Afdeling 12.1 Instructieregels

Paragraaf 12.1.1 Wonen

"Van papier naar realisatie"

Sinds de provinciale omgevingsverordening van 2014 is er veel veranderd ten aanzien van de woningmarkt en daarom ook ten aanzien van het woningmarktbeleid. Samenwerking in de regio blijft belangrijk en om aan de actuele vraag te voldoen is het belangrijk om waar mogelijk belemmeringen weg te nemen. We hebben geconstateerd dat de provincie Limburg over meer dan voldoende planvoorraad beschikt om aan de kwantitatieve vraag te voldoen (2x meer planvoorraad dan de vraag). Of met deze bestaande planvoorraad voldaan kan worden aan de kwalitatieve vraag is niet altijd duidelijk. Daarbij zijn veel gemeenten na de vaststelling van het bestemmingsplan sterk afhankelijk van de bereidheid van de ontwikkelaar/initiatiefnemer om tot realisatie van de woningen te komen. Maar in papieren plannen kan niemand wonen. Om van de woningen op papier echte woningen te maken, om te stimuleren dat plannen worden gerealiseerd, in heel Limburg, in steden en op het platteland, hebben we een realisatietermijn voor woningbouwplannen in de omgevingsverordening opgenomen.

We maken onderscheid in plannen die onherroepelijk en nog niet gerealiseerd zijn (op de plank liggen) en plannen die vanaf 2022 in procedure gaan (nieuwe woningbouwplannen). Zo dienen alle onherroepelijke en niet gerealiseerde plannen van vóór 2015, vóór 2025 te zijn gerealiseerd. Indien realisatie niet plaatsvindt, dan zal de gemeente deze plannen voor die termijn heroverwegen. Voor alle woningbouwplannen die tussen 2015 en 2021 onherroepelijk zijn geworden, geldt dat ze uiterlijk in 2029 dienen te zijn gerealiseerd en anders door de gemeente worden heroverwogen. Voor alle nieuwe woningbouwplannen die vanaf 2022 door de gemeente worden vastgesteld, geldt dat ze binnen vijf jaar dienen te worden gerealiseerd. Heeft de realisatie niet plaatsgevonden, dan worden ze door de gemeente heroverwogen.

Voor onherroepelijke niet gerealiseerde woningbouwplannen en nieuwe niet gerealiseerde woningbouwplannen geldt dat de gemeentelijke heroverweging plaatsvindt op basis van de dan geldende actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte en de dan geldende regionale afspraken en samenwerking. Dankzij de Limburg brede realisatie termijn verwachten we een toename van de realisaties. Dankzij de Limburg brede heroverweging kunnen de gemeenten gelijktijdig optrekken en enerzijds bepalen of het plan wordt voortgezet en binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd, of anderzijds bepalen dat het plaats maakt voor een andere passende functie. Daarmee tevens ook plaats makend voor andere woningbouwplannen. De belangrijkste gemeentelijke belemmeringen, afhankelijkheid van derden en de eeuwige houdbaarheid van papieren plannen, nemen we met de instructieregels in de omgevingsverordening weg. Gesteund door de andere instrumenten die wij als provincie en het Rijk inzetten, vergroten we de slagingskans van onze gezamenlijke wens om te zorgen voor de realisatie van 'de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment'.

Artikel 12.1 Instructieregels nieuwe planvoorraad wonen

Artikel 12.1, onder a: een plan dient te voldoen aan de van toepassing zijnde inhoudelijke thema's zoals opgenomen in de provinciale omgevingsvisie.

Artikel 12.1, onder b: het onderzoek is onafhankelijk en wordt in opdracht van de gemeente of regio uitgevoerd. Als bron wordt in ieder geval gebruik gemaakt van data uit het Dataportaal van de Provincie: Centraal Vastgoed Register Wonen, Plancapaciteitsmonitor en Progneff. Waarbij we de woonbehoefte minimaal prognosticeren voor 2030 (met doorkijk naar 2040) en de woonbehoefte minimaal prognosticeren naar eigendom (huur, vrijesector huur, koop) en type (grondgebonden, appartement (met lift), levensloopbestendige woning) en huishoudenssamenstelling. Eventueel ook naar prijsklasse conform PCM categorieën.

Een actueel onderzoek betreft een onderzoek waarvan de resultaten bij voorkeur niet ouder zijn dan 2 jaar, doch in het uiterste geval niet ouder zijn dan 4 jaar. Van belang is dat de resultaten zijn geactualiseerd aan de hand van recente data (zie toelichting lid b) en waarbij de resultaten onderbouwen dat er sprake is van kwalitatieve en kwantitatieve behoefte.

In de Limburgse Agenda Wonen wordt ingegaan op de Limburgse kwalitatieve en kwantitatieve behoefte. Kwalitatieve behoefte heeft onder de huidige demografische en marktomstandigheden meer belang dan de kwantitatieve behoefte. Om ook de kwantitatieve behoefte op peil te brengen zijn artikel 12.1, onder e. en artikel 12.2 geformuleerd die sturen op het gebruik van de functies wonen, binnen afzienbare tijd.

Artikel 12.1, onder c: de provincie Limburg is onderverdeeld in de drie regio's Noord, Midden en Zuid. Het is aan de regio om afspraken te maken over de wijze van bereiken van overeenstemming. Deze afspraken worden regionaal gemaakt en regionaal nageleefd. Een actueel voorbeeld van deze afspraken betreft de regionale structuurvisies of woonvisies en ondersteunende overlegvormen. De regio Zuid-Limburg maakt desgewenst afspraken over de bevoegdheden van de subregio's: Maastricht Heuvelland, Westelijke Mijnsteek en Parkstad Limburg. Waarbij Parkstad vanwege de status van de subregio Parkstad Limburg/ bestuurscommissie, deze subregio met gemeenten afspraken maakt over de verdeling van bevoegdheden tussen gemeenten en de stadsregio.

Artikel 12.1, onder d: hiermee wordt gedoeld op de plancapaciteitsmonitor en zijn eventuele opvolgers. Gemeenten dienen de plannen in de plancapaciteitsmonitor (of de opvolger daarvan) op te nemen en actueel te houden. In overleg met gemeenten wordt constant gewerkt aan het vinden van verbeterpunten en het vergemakkelijken van het bijhouden van de data.

Artikel 12.1, onder e: elk nieuw omgevingsplan legt bij vaststelling van het plan in de planregels de voorzienbaarheid vast, samen met de termijn waarbinnen de functie wonen zal worden herzien met als gevolg, voortzetting of toedeling van een andere passende functie. De gewenste realisatietermijn betreft 5 jaar. Indien de functie wonen niet is gerealiseerd binnen deze 5 jaar, dan wordt de functie heroverwogen en indien niet (meer) passend bij de actuele behoefte, vindt de toedeling van een andere functie plaats. De termijn van 5 jaar is voor het overgrote merendeel van de woningbouwinitiatieven uitvoerbaar. Het is aan burgemeesters en wethouders om in de planregels van het omgevingsplan op een voor de betreffende gemeente passende wijze de voorzienbaarheid/moment van heroverweging, 5 jaar, in de planregels op te nemen.

Artikel 12.2 Instructieregels bestaande planvoorraad wonen

Dit artikel is opgenomen om parellel aan de realisatietermijn van nieuwe omgevingsplannen voor de functie wonen, ook de bestaande planvoorraad wonen te heroverwegen en desnoods te actualiseren door deze voort te zetten of te schrappen.

In de regionale structuurvisies wonen zijn deze afspraken reeds door de gemeenten vastgelegd. Met dit artikel ondersteunen wij gemeenten en zorgen we voor één datum waarop alle gemeenten 'de klokken gelijk zetten'. De eerste actualisatie dient plaats te hebben gevonden vóór 1 januari 2025 en heeft betrekking op alle functies wonen die nog niet zijn gerealiseerd, waarvan de toedeling dateert van voor 1 januari 2015.

Voor deze ijkdatum is gekozen omdat de omgevingsverordening 2014 op 16 januari 2015 in werking is getreden. In de omgevingsverordening 2014 was de noodzaak voor actuele planvoorraad voor het eerst opgenomen. Destijds werd de actualisatieplicht ondersteund door de wettelijke 10 jarige actualisatieplicht voor bestemmingsplannen. Onder de Omgevingswet is er geen wettelijke periodieke actualisatieplicht voor omgevingsplannen meer. Het belang van actualisatie wordt wel onderschreven in de regionale structuurvisies Wonen, in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg en in de Limburgse Agenda Wonen 2020-2023.

De tweede actualisatie dient plaats te vinden voor 1 januari 2030. Dit betreft ook het jaar waarop alle gemeenten dienen te beschikken over een omgevingsplan dat voldoet aan de Omgevingswet. Dit houdt in dat in het omgevingsplan van 2029, in opvolging van de eerste actualisatie, 1) alle functies wonen die in 2025 zijn voortgezet en 2) alle functies wonen die tussen 2015 en 2021 zijn toegedeeld, worden heroverwogen.

Met deze actualisatieplicht in twee stappen, sturen we op planvoorraad die past bij de actuele kwalitatieve en kwantitatieve behoefte, welke tevens ook binnen afzienbare tijd wordt gerealiseerd en anders plaats maakt voor andere woningbouwplannen of functies.

Paragraaf 12.1.4 Bedrijventerreinen
Artikel 12.5 Vestigingsmogelijkheden bedrijventerreinen

Artikel 12.5, lid 4, onderdeel a

De vraag naar (grootschalige) bedrijfsruimte neemt toe. Ook is er een tendens van verdergaande schaalvergroting, hetgeen impact heeft op de (kwaliteit van de) omgeving en het landschap. Tegelijkertijd vragen ontwikkelingen op het gebied van natuur, energie, mobiliteit, klimaatadaptatie en woningbouw om (meer) ruimte. Een en ander vereist een weloverwogen en integrale keuze ten aanzien van de ruimte die we voor bedrijvigheid willen en kunnen faciliteren (zorgvuldig ruimtegebruik). Daarom heeft de Provincie ervoor gekozen om de oppervlakte van een bedrijfskavel te maximeren tot 5 hectare. Deze maximale bedrijfskaveloppervlakte geldt niet alleen voor nieuwe bedrijfsvestigingen op bedrijventerreinen, maar ook voor nieuwe solitaire bedrijfsvestigingen daarbuiten, bijvoorbeeld in het buitengebied. Onderdeel a. ziet op de situatie waarbij in een omgevingsplan een nieuwe bedrijfsvestiging met bijbehorende bedrijfskavel wordt geregeld.

Artikel 12.5, lid 4, onderdeel b 

Gezien de keuze van de Provincie om de bedrijfskaveloppervlakte te maximeren tot 5 hectare (artikel 12.5, lid 4, onderdeel a), is het ook ongewenst dat een of meerdere reeds bestaande bedrijfskavel(s) kleiner dan 5 hectare, al dan niet in combinatie met een of meerdere nieuwe bedrijfskavel(s), zodanig (kunnen) worden samengevoegd dat daardoor alsnog een aaneengesloten bedrijfskavel ontstaat met een totale oppervlakte van meer dan 5 hectare. Het is dus niet de bedoeling dat een bestaande bedrijfskavel van bijvoorbeeld 3 hectare wordt samengevoegd met een andere bestaande of nieuwe bedrijfskavel van bijvoorbeeld 4 hectare, ten einde op die manier een bedrijfskavel van in totaal 7 hectare te creëren.

Artikel 12.5, lid 4, onderdeel c

Met het bepaalde in artikel 12.5, lid 4, onderdeel c, wordt beoogd te voorkomen dat:

  • een bedrijf één (bedrijfs)gebouw kan realiseren dat gesitueerd is op verschillende bedrijfskavels; en

  • een bedrijf op meerdere bedrijfskavels (bedrijfs)gebouwen realiseert die onderling fysiek met elkaar zijn of worden verbonden.

Deze ‘inperking’ draagt bij aan de invulling van de provinciale doelstelling om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en beoogt ‘omzeiling’ van de maximale bedrijfskaveloppervlakte te voorkomen.

Artikel 12.5, lid 5

Gemeenten dienen te verantwoorden op welke wijze invulling is gegeven aan de instructieregel als bedoeld in artikel 12.5, vierde lid. Aan de instructieregel van artikel 12.5, vierde lid, onderdeel a. kan bijvoorbeeld invulling worden gegeven door in het omgevingsplan een regel op te nemen waarin wordt bepaald dat de grootte van een bedrijfskavel:

  • niet meer van 5 hectare mag bedragen; of

  • niet meer mag bedragen dan de oppervlakte die op de kaart van het ruimtelijk plan is aangegeven.

In beide gevallen moet de regel worden gekoppeld aan - in elk geval - de locaties van de bedrijventerreinen op de kaart van het omgevingsplan. In de praktijk wordt soms gebruik gemaakt van een verkavelingsplan met daarin een (gedetailleerd) ontwerp van de verdeling van de gronden voor bedrijfskavels. Mits er een rechtstreekse koppeling wordt gelegd tussen de regel en het verkavelingsplan (bijv. als bijlage bij de regels), kán ook dit een optie zijn. Het is aan de gemeente om te bepalen hoe zij op dit onderdeel adequaat toepassing wenst te geven aan het bepaalde in artikel 12.5, vierde lid.

Paragraaf 12.1.5 Vrijetijdseconomie
Artikel 12.6 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden vrijetijdseconomie

Onder voorzieningen voor vrijetijdseconomie worden verstaan:

  • voorzieningen voor verblijfsrecreatie zoals bungalowparken, kampeerterreinen, hotels, vakantiewoningen en -appartementen, bed & breakfasts en groepsaccommodaties alsmede overnachtingsplaatsen voor campers en jachthavens met overnachtingsmogelijkheden en dergelijke; en

  • voorzieningen voor dagrecreatie zoals attractieparken, speeltuinen, dierenparken, bioscopen, golfbanen en dergelijke.

Bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van vrijetijdseconomie zijn de Limburgse principes zoals opgenomen in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg van belang, waaronder het zorgvuldig omgaan met ruimte. Dit houdt in dat er ruimte is voor nieuwe goede plannen in combinatie met het verbeteren van de kwaliteit van de bestaande voorraad, het terugdringen van leegstand en het schrappen van plannen die niet aansluiten op de vraag. Een actuele vraag-aanbodanalyse en een bedrijfsontwikkelingsplan zijn noodzakelijke elementen bij het onderbouwen van het toevoegen van een vestigingsmogelijkheid. Specifieke beleidslijnen voor vrijetijdseconomie zijn opgenomen in hoofdstuk 8 van de Provinciale Omgevingsvisie Limburg.

Paragraaf 12.1.6 Bewoning van recreatieverblijven en recreatieterreinen

Een nieuwe woonwijk wordt op een ander type locatie gepland dan een nieuw bungalowpark of kampeerterrein. Voor wonen is de afstand tot winkels, scholen en maatschappelijke voorzieningen heel belangrijk. In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg is opgenomen dat wonen in beginsel alleen maar is toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Bij een vakantiepark is juist de ligging buiten het bebouwd gebied van belang. Als een recreatieverblijf wordt gebruikt voor wonen of wanneer er een omvorming naar wonen plaatsvindt, leidt dat meestal tot een ongewenste toevoeging aan de woningmarkt op een verkeerde locatie. Als er vervolgens ter vervanging nieuwe recreatieverblijven bij komen in het landelijk gebied vindt extra verstening van het landelijk gebied plaats. Vanuit het Limburgs principe 'zorgvuldig omgaan met ruimte' zijn daarom de artikelen 12.7 en 12.8 opgenomen. Doel van deze artikelen is in een omgevingsplan vast te leggen dat er in een recreatieverblijf niet gewoond mag worden en dat een recreatieverblijf niet de functie wonen mag krijgen. Onder 'recreatieverblijven' worden ook hotels verstaan.

Er doen zich echter situaties voor waarin het verbod van artikel 12.8 te streng is, bijvoorbeeld in het geval van een vakantiewoning in of aansluitend aan een (dorps)kern. In dergelijke gevallen kunnen Gedeputeerde Staten maatwerk bieden door middel van toepassing van artikel 12.10.

In Limburg is op dit moment sprake van een aanzienlijk aantal recreatieterreinen dat niet meer vitaal genoeg is om nog succesvol als toeristisch bedrijf te functioneren. Om deze recreatieterreinen te revitaliseren of te saneren is geld nodig. Tegelijkertijd bestaat in Limburg nu ook een tekort aan huisvesting voor short-stay internationale werknemers, woonurgenten en statushouders.

Een oplossing hiervoor is het tijdelijk toestaan van de huisvesting van deze specifieke doelgroepen op te revitaliseren of te saneren recreatieterreinen via het toepassen van artikel 12.9. Daarbij gelden wel bepaalde voorwaarden (artikel 12.9 lid 1, a. tot en met d). Een van die voorwaarden is dat een deel van de inkomsten uit de tijdelijke huisvesting wordt gebruikt voor de revitalisering of sanering van het recreatieterrein.

In de praktijk blijkt dat een gelijktijdig, gemengd verblijf van de groepen 'recreanten' en 'tijdelijke bewoners' op een bedrijfsmatig toeristisch-recreatief geëxploiteerd recreatieterrein vaak tot fricties leidt en tot bijvoorbeeld negatieve/lage beoordelingen van het recreatieterrein op boekingssites. Om (verdere) imagoschade voor zowel het voort te zetten individuele bedrijf als de regio te voorkomen, is als voorwaarde in artikel 12.9 opgenomen dat op een te revitaliseren recreatieterrein geen samenloop met een bedrijfsmatige toeristisch-recreatieve exploitatie mag plaatsvinden. Hiermee wordt bedoeld dat als tijdelijke huisvesting plaatsvindt, er geen toeristisch-recreatieve exploitatie van het recreatieterrein mogelijk is, tenzij de tijdelijke huisvesting is voorzien op een volledig afgescheiden deel van het terrein met een eigen toegang.

In de context van artikel 12.9 is een recreatieterrein een gebied dat door een bedrijf geëxploiteerd werd/wordt voor verblijfsrecreatie, zoals een bungalowpark of kampeerterrein, al dan niet voorzien van centrale voorzieningen. Het regelmatig verhuren van een vakantiewoning, gelegen op een recreatieterrein, door de eigenaar zelf wordt niet gezien als een bedrijfsmatige toeristisch-recreatieve exploitatie van een recreatieterrein.

Paragraaf 12.1.7 Huisvesting internationale werknemers
Artikel 12.11 Instructieregel toepassing SNF-normen huisvesting internationale werknemers

In de instructieregel voor het gemeentelijk omgevingsplan in art. 12.11 waarin de normenset van de SNF als richtlijn voor de gemeenten voor de huisvesting van internationale werknemers wordt toegevoegd is de constructie “rekening houden met” gebruikt. Dit is een begrip dat onder de Omgevingswet wordt gebruikt in de instructieregels van de provincies en het Rijk. Het stuurt voor dit onderwerp inhoudelijk de belangenafweging die de gemeente moet maken bij het opstellen van een omgevingsplan.

Het gebruik van de constructie “rekening houden met” brengt de zwaarwegende positie van een belang bij de integrale belangenafweging tot uitdrukking, zonder echter dwingend te sturen op de uitkomst daarvan. Afwijken van de instructieregel door de gemeente kan daarmee, maar is alleen toegestaan als het bestuursorgaan (het college van B&W of de gemeenteraad) daar goede redenen voor heeft. Het bestuursorgaan moet dit dan wel goed motiveren.

Ten aanzien van de toepassing van de huisvestingsnormen die in de SNF-norm zijn opgenomen betekent dit dat indien de gemeente goede redenen heeft om in plaats van de SNF-norm de AKF-norm toe te passen, de gemeente dit mag doen, mits zij in de besluitvorming rond dat omgevingsplan motiveert waarom de AKF-norm in de voorliggende situatie beter geschikt is dan de SNF-norm.

Paragraaf 12.1.8 Na-ijlende effecten steenkoolwinning

[Vervallen]

Afdeling 12.2 Instructieregels werklocaties

Paragraaf 12.2.1 Detailhandel en kantoren
Artikel 12.8 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden detailhandel

Deze instructieregels bevatten een concrete doorvertaling van het beleid uit de Omgevingsvisie Limburg en de (voormalige) bestuursafspraken. 

Artikel 12.8, eerste lid, onderdeel a: Met winkels die qua aard bij uitstek thuishoren in stedelijk gebied of landelijke kernen wordt gedoeld op in ieder geval de volgende branches: kleding, schoenen en andere modeartikelen, voedings- en genotmiddelen en producten voor persoonlijke verzorging. Dergelijke winkels zijn publiekstrekkers, zorgen voor een gevarieerd voorzieningenaanbod in een centrum, dragen bij aan levendigheid en ontmoeting in het centrum, versterken andere functies en bevorderen op die manier de leefbaarheid ter plekke.

Artikel 12.8, eerste lid, onderdeel b: Regionale afstemming vindt plaats binnen de regio Noord-Limburg, Midden-Limburg of Zuid-Limburg, waarbij gemeenten onderling rekening houden met regionale (structuur)visies en afspraken met betrekking tot economie en/of detailhandel.

Artikel 12.8, tweede lid: Grootschalige perifere winkelgebieden zijn ruimtelijk afgebakende locaties aan de rand van steden of in buitenstedelijke zones, die gekenmerkt worden door een concentratie van grootschalige detailhandelsvestigingen (groter dan 1.000 m²), veelal gericht op volumineuze goederen, zoals auto’s en woon-, bouw-, tuin-, en doe-het-zelfartikelen. Deze locaties zijn zelden goed inpasbaar in binnenstedelijke winkelgebieden vanwege hun omvang, ruimtelijke uitstraling, parkeerbehoefte en oriëntatie op vooral de bereikbaarheid per auto. Deze grootschalige perifere winkelgebieden complementeren het reguliere winkelapparaat in stads- en dorpscentra en zijn inmiddels in voldoende mate rondom de stedelijke gebieden aanwezig.

Artikel 12.8, derde lid: Om de leefbaarheid in het bebouwd gebied te versterken, leegstand tegen te gaan en een bijdrage te leveren aan de aanpak van andere ruimtelijke vraagstukken, zoals woningbouw, vergroening en bereikbaarheid, wordt gekeken naar de mogelijkheden om leegstaande winkelpanden te transformeren naar met name woonfuncties. Aan de transformatie van leegstaande winkels naar een andere functie moet altijd een integrale afweging voorafgaan, die wordt beschreven in een samenhangende onderbouwing bij de wijziging van het omgevingsplan. Daarbij moet zowel de gewenste toekomstige kwaliteit van het gebied, als het effect van de functiewijziging op de omgeving inzichtelijk worden gemaakt. Bij een functiewijziging wordt een integrale afweging gemaakt die aansluit bij de Limburgse principes uit de Omgevingsvisie Limburg.

Artikel 12.8, vierde lid, onderdeel b: Regionale afstemming vindt plaats binnen de regio Noord-Limburg, Midden-Limburg of Zuid-Limburg, waarbij gemeenten onderling rekening houden met regionale (structuur)visies en afspraken met betrekking tot detailhandel. De motivering bij het omgevingsplan bevat hierbij de uitkomst en verantwoording van de afstemming in regionaal verband.

Artikel 12.9 Instructieregels toevoeging vestigingsmogelijkheden kantoren

Deze instructieregels bevatten een concrete doorvertaling van het beleid uit de Omgevingsvisie Limburg en de (voormalige) bestuursafspraken. 

Artikel 12.9, eerste lid, onderdeel a:

De concentratielocaties voor middelgrote en grote kantoren zijn:

  • de vier Brightlands campussen: Campus Greenport Venlo, Chemelot Campus Sittard-Geleen, Maastricht Health Campus en Smart Services Campus;

  • de volgende grootschalige kantoorlocaties (groter dan 1 ha met meerdere kantoorgebouwen) in Maastricht (Ceramique, Geusselt en Randwyck), Heerlen (Coriopolis, Kantorenboulevard, en Zeswegen), Sittard-Geleen (Mauritspark en Kantorenpark), Weert (Centrum-Noord), Roermond (Buitenop, Slachthuisstraat en Wolfskuil) en Venlo (Kantorenpark Noorderpoort);

  • de centrumgebieden van Maastricht, Heerlen, Sittard-Geleen, Weert, Roermond en Venlo.

Op de Brightlands campussen dienen de kantoorontwikkelingen aan te sluiten bij de aard van de campus waar de ontwikkeling plaatsvindt. Buiten de concentratielocaties blijven kleinere kantoren qua maatvoering passend binnen bebouwd gebied en kunnen ze via maatwerk eventueel ook als nieuwe invulling van bestaande (leegstaande) monumentale en beeldbepalende gebouwen worden gerealiseerd.

Artikel 12.9, eerste lid, onderdeel b: Regionale afstemming vindt plaats binnen de regio Noord-Limburg, Midden-Limburg of Zuid-Limburg, waarbij gemeenten onderling rekening houden met regionale (structuur)visies en afspraken met betrekking tot economie en/of kantoren. De motivering bij het omgevingsplan bevat hierbij de uitkomst en verantwoording van de afstemming in regionaal verband.

Artikel 12.9, tweede lid: Om de leefbaarheid in het bebouwd gebied te versterken, leegstand tegen te gaan en een bijdrage te leveren aan de aanpak van andere ruimtelijke vraagstukken, zoals woningbouw, vergroening en bereikbaarheid, wordt gekeken naar de mogelijkheden om leegstaande kantoorpanden te transformeren naar met name woonfuncties. Aan de functiewijziging van (voormalige) kantoren moet altijd een integrale afweging voorafgaan, die wordt beschreven in een samenhangende onderbouwing bij een wijziging van het omgevingsplan. Daarbij moet zowel de gewenste toekomstige kwaliteit van het gebied, als het effect van de functiewijziging op de omgeving inzichtelijk worden gemaakt. Bij een functiewijziging wordt een integrale afweging gemaakt die aansluit bij de Limburgse principes uit de Omgevingsvisie Limburg.

Paragraaf 12.2.2 Bedrijventerreinen
Artikel 12.10 Algemene instructieregels bedrijventerreinen

De instructieregels van artikel 12.10 zijn van toepassing op alle bestaande en te ontwikkelen bedrijventerreinen in Limburg. Artikel 12.10, eerste tot en met zevende lid, gelden ook voor bedrijventerreinen die zijn aangewezen als ‘bedrijventerrein van provinciaal belang’. Voor deze bedrijventerreinen gelden aanvullend de instructieregels opgenomen in artikel 12.11 (Instructieregels bedrijventerrein van provinciaal belang). Daarbij wordt opgemerkt dat artikel 12.10, tweede lid, niet van toepassing is op een bedrijventerrein van provinciaal belang dat tevens is aangeduid als bedrijventerrein in een logistiek knooppunt. Dit is bepaald in het derde lid.

‘Bedrijventerreinen’ vormen een onderdeel van de zone ‘werklocaties’, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg. Deze zone bestaat naast ‘bedrijventerreinen’ ook uit ‘stedelijke dienstenterreinen’ (voor grootschalige detailhandel- en/of kantoorontwikkelingen) en ‘solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare’. Voor deze laatste categorie gelden de instructieregels opgenomen in artikel 12.12. 

Artikel 12.10, eerste lid, onderdeel a: Om zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik te stimuleren, wordt de in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen redeneerlijn ‘behoefte-bestaand-uitbreiding-nieuw’ (Hoofdstuk 12, paragraaf 4 van de Omgevingsvisie Limburg) gehanteerd. Deze redeneerlijn is gebaseerd op het onderdeel ‘Bedrijventerreinen’ uit de Ladder voor duurzame verstedelijking (zie: Informatiepunt Leefomgeving). Nieuwe bedrijven moeten zich dus bij voorkeur vestigen op bestaande bedrijventerreinen. Als dat niet mogelijk is, wordt gestuurd op uitbreiding aan de buitengrenzen van bestaande bedrijventerreinen. Voor gevestigde bedrijven kan daarbij maatwerk aan de orde zijn. Gemeenten zijn daarbij als eerste aan zet, maar wel in onderlinge regionale afstemming. Pas als uitbreiding aan de buitengrens van bestaande bedrijventerreinen ook geen oplossing biedt, wordt gekeken naar de vierde stap: de mogelijkheden voor nieuwe locaties voor bedrijventerreinen. Door deze volgorde te hanteren, worden ontwikkelaars gestimuleerd tot het herontwikkelen van bestaande bedrijventerreinen.  

Afgelopen periode kende Limburg geen tekort aan bedrijventerreinen, maar bij een planningshorizon tot 2035 en verder, overtreft de ruimtebehoefte de beschikbare voorraad (bron: analyses op basis van www.rebislimburg.nl). Aansluitend bij de redeneerlijn ‘behoefte-bestaand-uitbreiding-nieuw’, is het grootste deel van deze ruimtebehoefte in te vullen door gebruik van nog beschikbare voorraad of door verdichting en herontwikkeling op bestaande bedrijventerreinen (bron: rapport 'Potentie Beter Benutten Bedrijventerreinen Limburg, juni 2024'). De dan nog resterende behoefte dient te worden ingevuld met uitbreidingen van bestaande bedrijventerreinen of plannen voor nieuwe bedrijventerreinen. Deze behoefte is als planningsopgave aan gemeenten, uitgesplitst per regio, opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg.  

Om een nieuw bedrijventerrein of de uitbreiding of wijziging van een bestaand bedrijventerrein mogelijk te maken, wordt gebiedsgericht gekeken naar de mogelijkheden voor uitbreiding per zone. In het geval van de ontwikkeling van een nieuw bedrijventerrein of de uitbreiding of wijziging van een bestaand terrein, dient in de motivering bij een omgevingsplan te worden onderbouwd hoe de beoogde uitbreiding of nieuwe ontwikkeling:

  • past binnen de instructieregels die gelden voor de zone waar de ontwikkeling zich in bevindt; en

  • hoe rekening is gehouden met de belangen van gezondheid en het beperken van overlast en hinder voor bewoners in het stedelijk gebied of de landelijke kern, indien de ontwikkeling aansluit aan het stedelijk gebied of een landelijke kern.

Onderstaande tabel geeft de mogelijkheid voor uitbreiding of nieuwe ontwikkeling van bedrijventerreinen per zone aan, met daarbij de verwijzing naar de artikelen in de Omgevingsverordening waaraan voor de uitbreiding of nieuwe ontwikkeling van een bedrijventerrein moet worden voldaan. Hierbij wordt opgemerkt dat deze tabel enkel weergeeft welke artikelen gelden voor de uitbreiding en nieuwe ontwikkeling van bedrijventerreinen in relatie tot de zonering zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg. Hiernaast kunnen ook andere instructieregels en wet- en regelgeving van toepassing zijn waaraan moet worden voldaan. 

Zone

Nieuwe bedrijventerreinen en uitbreiding of wijziging van bestaande bedrijventerrein toegestaan?

Natuurnetwerk Limburg

Nee, tenzij wordt voldaan aan artikel 12.10 (algemene instructieregels bedrijventerreinen) en de instructieregels over het Natuurnetwerk Limburg in paragraaf 8.1.2. 

groenblauwe landbouwzone

Nee, tenzij wordt voldaan aan artikel 12.10 (algemene instructieregels bedrijventerreinen) en aan de motiverings- en compensatieplicht voor ontwikkelingen binnen deze zone zoals gesteld in afdeling 7.2. In deze zone gelden specifieke opgaven en doelen op het gebied van natuur, landschap en water waar rekening mee gehouden moet worden.

primair landbouwgebied

Ja, mits wordt voldaan aan artikel 12.10 (algemene instructieregels bedrijventerreinen) en de instructieregels voor ontwikkelingen binnen deze zone zoals gesteld in afdeling 7.1.

verwevingsgebied

Ja, mits wordt voldaan aan artikel 12.10 (algemene instructieregels bedrijventerreinen).

stedelijk gebied / landelijke kernen

Ja, mits wordt voldaan aan artikel 12.10 (algemene instructieregels bedrijventerreinen).

Bij het motiveren hoe een ontwikkeling past binnen de redeneerlijn ‘behoefte-bestaand-uitbreiding-nieuw’ en binnen een specifieke zone, houden gemeenten rekening met de Limburgse principes zoals vermeld in hoofdstuk 3.3 van de Omgevingsvisie Limburg. In dat kader worden onder andere de volgende Limburgse principes genoemd: “Principe 3: Zorgvuldig omgaan met onze schaarse ruimte en voorraden (boven- en ondergronds)” en “Principe 4: Versterken bebouwd én landelijk gebied”. 

Artikel 12.10, eerste lid, onderdeel b: Regionale afstemming vindt plaats binnen de regio Noord-Limburg, Midden-Limburg of Zuid-Limburg, waarbij gemeenten onderling rekening houden met regionale (structuur)visies en afspraken met betrekking tot economie en/of bedrijventerreinen. De motivering bij het omgevingsplan bevat hierbij de uitkomst en verantwoording van de afstemming in regionaal verband.

Artikel 12.10, tweede lid, onderdeel a: Er is een tendens naar verdergaande schaalvergroting, hetgeen impact heeft op de (kwaliteit van de) omgeving en het landschap. Tegelijkertijd vragen ontwikkelingen op het gebied van natuur, energie, mobiliteit, klimaatadaptatie en woningbouw om (meer) ruimte. Een en ander vereist een weloverwogen en integrale keuze ten aanzien van de ruimte die de Provincie Limburg voor bedrijvigheid wil en kan faciliteren (zorgvuldig ruimtegebruik). Daarom heeft de Provincie Limburg ervoor gekozen om de oppervlakte van een bedrijfskavel te maximeren tot 5 hectare. Onderdeel a. ziet op de situatie waarbij in een omgevingsplan een nieuwe bedrijfsvestiging met bijbehorende bedrijfskavel wordt geregeld. Hierbij wordt opgemerkt dat de grens van een bedrijfskavel niet gelijk hoeft te zijn aan de kadastrale perceelsgrenzen. Bij het toetsen van het tweede lid is de grens van de bedrijfskavel leidend, niet de kadastrale perceelsgrenzen.

Aan de instructieregel van artikel 12.10, tweede lid, onderdeel a, kan door de gemeente invulling worden gegeven door bijvoorbeeld:

  • in het omgevingsplan een regel op te nemen waarin wordt bepaald dat de grootte van een bedrijfskavel niet meer dan 5 hectare mag bedragen; of 

  • de op de kaart van het omgevingsplan weer te geven bedrijfskavels niet groter te laten zijn dan 5 hectare. 

In beide gevallen moet de regel worden gekoppeld aan - in elk geval - de locaties van de bedrijventerreinen op de kaart van het gemeentelijke omgevingsplan. In de praktijk wordt soms gebruik gemaakt van een verkavelingsplan met daarin een (gedetailleerd) ontwerp van de verdeling van de gronden voor bedrijfskavels. Mits er een rechtstreekse koppeling wordt gelegd tussen de regel en het verkavelingsplan (bijvoorbeeld als bijlage bij de regels), kán ook dit een optie zijn. Het is aan de gemeente om te bepalen hoe zij op dit onderdeel adequaat toepassing wenst te geven aan het bepaalde in artikel 12.10, tweede lid, onderdeel a.

Artikel 12.10, tweede lid, onderdeel b: Gezien de keuze om de bedrijfskaveloppervlakte te maximeren tot 5 hectare (artikel 12.10, tweede lid, onderdeel a), is het ook ongewenst dat een of meerdere reeds bestaande bedrijfskavels kleiner dan 5 hectare, al dan niet in combinatie met een of meerdere nieuwe bedrijfskavels, zodanig worden samengevoegd dat daardoor alsnog een aaneengesloten bedrijfskavel ontstaat met een totale oppervlakte van meer dan 5 hectare. Het is dus niet de bedoeling dat een bestaande bedrijfskavel van bijvoorbeeld 3 hectare wordt samengevoegd met een andere bestaande of nieuwe bedrijfskavel van bijvoorbeeld 4 hectare, om op die manier een bedrijfskavel van in totaal 7 hectare te creëren. 

Artikel 12.10, tweede lid, onderdeel c:

Met het bepaalde in artikel 12.10, tweede lid, onderdeel c, wordt beoogd te voorkomen dat:

  • een bedrijf één (bedrijfs)gebouw kan realiseren dat gesitueerd is op verschillende bedrijfskavels; of

  • een bedrijf op meerdere bedrijfskavels (bedrijfs)gebouwen realiseert die onderling fysiek met elkaar zijn of worden verbonden.

Deze ‘inperking’ draagt bij aan de invulling van de provinciale doelstelling om te komen tot zorgvuldig ruimtegebruik en beoogt ‘omzeiling’ van de maximale bedrijfskaveloppervlakte te voorkomen.

Artikel 12.10, derde lid: De in het tweede lid opgenomen instructieregel geldt niet voor de bedrijventerreinen in logistieke knooppunten. Daarbij gaat het om planologisch geregelde en in ontwikkeling zijnde grootschalige bedrijventerreinen gelegen in de logistieke knooppunten in Noord-Limburg (Venlo/Venray) en Zuid-Limburg (Sittard-Geleen/Stein/Beek). De reden voor deze uitzondering is gelegen in het feit dat het hier gaat om bedrijventerreinen die naar aard en omvang geschikt (en ook bedoeld) zijn voor bedrijfskavels met een oppervlakte groter dan 5 hectare. De aanduiding ‘logistiek knooppunt’ slaat niet op het gehele grondgebied van genoemde gemeenten en ook niet op alle daarbinnen gelegen bedrijventerreinen. De bedrijventerreinen in een logistiek knooppunt zijn als informatieobject opgenomen in Bijlage II.

Artikel 12.10, vierde lid: Uit de toelichting bij artikel 12.10, tweede lid, onderdeel a blijkt dat het een bewuste keuze is om bedrijfskavels te maximaliseren zodat andere ontwikkelingen ook nog kunnen worden gefaciliteerd binnen de aanwezige oppervlakte van de provincie Limburg. Er zijn echter projecten met een potentieel aanzienlijk ruimtebeslag (groter dan 5 hectare) die tegelijkertijd van zodanig groot maatschappelijk belang zijn, dat een uitzondering op de maximale kavelgrootte van 5 hectare gerechtvaardigd is. In het vierde lid zijn dan ook voorzieningen c.q. activiteiten opgenomen waarvoor artikel 12.10, tweede lid, niet van toepassing is. 

Onderdeel a ziet op alle soorten energiebronnen, waaronder elektriciteit, gas en waterstof, en alle voorzieningen die ten behoeve van de opwekking, het transport en de opslag ervan fysiek noodzakelijk zijn. Onderdeel a dient te worden gelezen in samenhang met de instructieregels over energie in hoofdstuk 13. 

Onderdeel b richt zich vooral op de realisering van waterzuiveringsinstallaties. 

Bij defensiedoeleinden als bedoeld in onderdeel c moet gedacht worden aan oefenterreinen, kazernes en bijbehorende voorzieningen zoals opslag van militair materieel. Het betreft dus niet bedrijvigheid met een commercieel oogmerk en gericht op de vervaardiging van (militaire) producten of materieel. De in onderdeel d bedoelde Einstein Telescope betreft een toekomstig ondergronds onderzoeksobservatorium voor het meten van zwaartekrachtsgolven. Mocht deze in de toekomst gedeeltelijk ook in Nederland komen te liggen en is hiervoor een bedrijfskavel groter dan 5 hectare nodig, dan is deze gelet op het maatschappelijk en wetenschappelijk belang van dit project, eveneens vrijgesteld van de instructieregel opgenomen in het tweede lid. 

Artikel 12.10, vijfde en zesde lid:

Artikel 12.10, tweede lid regelt in de onderdelen a, b en c dat het niet is toegestaan om in een omgevingsplan:

  • bedrijfskavels met een oppervlakte groter dan 5 hectare op te nemen;

  • bestaande bedrijfskavels samen te voegen tot een bedrijfskaveloppervlakte groter dan 5 hectare; en 

  • de mogelijkheid te bieden dat een bedrijf op meerdere bedrijfskavels (bedrijfs)gebouwen realiseert die onderling met elkaar zijn of worden verbonden en daarmee de grens van een bedrijfskavel overschrijden. 

In bijzondere gevallen kan er - bij wijze van uitzondering - aanleiding zijn niet aan de instructieregel vast te houden. In zo'n geval bestaat er voor gedeputeerde staten de mogelijkheid om op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente op basis van artikel 1.6 een ontheffing te verlenen van deze instructieregel. Bij de beoordeling van een dergelijk ontheffingsverzoek wordt gekeken of er sprake is van ‘regionale meerwaarde’. Dit is expliciet vastgelegd in het vijfde lid. In dat verband is in het zesde lid bepaald dat Gedeputeerde Staten door middel van beleidsregels nader invulling kunnen geven aan het aspect ‘regionale meerwaarde’. 

Art. 12.10, zevende en achtste lid: Artikel 12.10, zevende en achtste lid zijn vooral bedoeld om te voorkomen dat bedrijventerreinen die geschikt zijn voor zwaardere bedrijvigheid (zoals maak- en procesindustrie, andere productievormen, recycling, overslag, logistiek e.d.) worden ingevuld met lichtere functies (zoals kantoren, detailhandel, maatschappelijke, medische of recreatieve functies). In feite wordt hiermee ter stimulering van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zorgvuldig ruimtegebruik) een minimale milieuklasse toegepast. Activiteiten met een lagere milieubelasting kunnen terecht in stedelijk gebied of in een landelijke kern óf op een stedelijk dienstenterrein. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet werden bedrijfsactiviteiten bij ruimtelijke plannen voor wat betreft hun milieubelasting en richtafstanden ingedeeld in ‘milieucategorieën’, oplopend van milieucategorie 1 (lichtste categorie) tot milieucategorie 6 (zwaarste categorie). Deze indeling in milieucategorieën was ontleend aan de Staat van bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen in Bijlage 1 van de VNG-Handreiking Bedrijven en milieuzonering. Onder de Omgevingswet wordt niet meer geredeneerd vanuit milieucategorieën en daarmee corresponderende richtafstanden, maar de indeling van bedrijfsactiviteiten in de VNG-Handreiking blijft als zodanig voor de praktijk nog steeds relevant en bruikbaar. Zo ook voor de toepassing van het zevende en achtste lid. In bijlage XIII is daarom de Staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij voornoemde VNG-uitgave (editie 2009) gedeeltelijk opgenomen. Om verwarring naar aanleiding van het gebruik van ‘verouderde’ terminologie te voorkomen, wordt in het zevende en achtste lid niet meer gesproken van ‘milieucategorie’, maar van ‘bedrijfscategorie'. De ‘zwaarte’ is hetzelfde gebleven: een bedrijf(sactviteit) in voorheen ‘milieucategorie 1’ valt in Bijlage XIII onder ‘bedrijfscategorie 1’ en zo verder. 

De instructieregel betreft bedrijventerreinen die bedrijvigheid toestaan die wordt gerekend tot bedrijfscategorie 3 en hoger. Hiermee wordt beoogd de schaarse milieugebruiksruimte te beschermen, zodat er voldoende ruimte overblijft voor bedrijven die elders moeilijk inpasbaar zijn. Tevens draagt deze instructieregel bij aan het behoud van economische activiteiten in stedelijk gebied, landelijke kernen en op stedelijke dienstenterreinen. Deze stedelijke dienstenterreinen zijn een specifiek segment binnen de zonering werklocaties zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg en zijn bedoeld voor grootschalige detailhandel- en kantoorontwikkelingen.

In afwijking van het zevende lid kunnen gemeenten bij uitzondering toch de vestiging van een activiteit/bedrijf in een lichtere bedrijfscategorie (1 en 2) op een specifieke bedrijfskavel toestaan. Dit kan alleen onder de in het achtste lid genoemde voorwaarden, waarbij aan alle voorwaarden moet zijn voldaan. Dit om zoveel mogelijk te voorkomen dat door ongewenste functiemenging de maximaal toegestane bedrijfscategorie in feite wordt verlaagd, bedrijven onevenredig worden beperkt in hun bedrijfsvoering en er onnodig incourante bedrijfskavels of bedrijfspanden ontstaan. Uit het achtste lid volgt dat voor het toepassen van deze afwijkingsmogelijkheid het enkel gaat om (zeer) bijzondere gevallen, waarbij de gemeente alle relevante belangen moet afwegen. Daarbij zal ook onderbouwd moeten worden dat er geen andere geschikte plek is voor de betreffende ontwikkeling (onderdeel c.).

Art. 12.10, negende lid: Bij bedrijventerreinen van provinciaal belang moet voor wat betreft uitzonderingen voor bedrijfsactiviteiten vallend onder een lagere bedrijfscategorie worden voldaan aan de instructieregels in artikel 12.11. Hiervoor geldt dus niet de uitzonderingsmogelijkheid geregeld in art. 12.10, achtste lid. Het bepaalde in het negende lid beoogt dit te verduidelijken.

Artikel 12.11 Instructieregels bedrijventerrein van provinciaal belang

De bovenstaande instructieregels zijn van toepassing op de bedrijventerreinen die zijn aangewezen als bedrijventerrein van provinciaal belang. Naast dit artikel, gelden voor deze bedrijventerreinen ook de instructieregels vastgelegd in artikel 12.10. 

Deze instructieregels beogen te waarborgen dat er voldoende ruimte beschikbaar is en blijft voor:

  • (boven)regionale, groot van omvang zijnde en/of zware bedrijvigheid. Met grootschalige bedrijvigheid wordt gedoeld op bedrijfsactiviteiten die qua omvang en aard, bijvoorbeeld productiecapaciteit, personeelsbezetting en aantal verkeersbewegingen, aanzienlijk zijn. Denk hierbij aan grote distributiecentra;

  • de transitie naar een circulaire economie. Hiermee wordt gedoeld op bijvoorbeeld ruimte voor het transporteren, sorteren en recyclen van reststromen, demontage, reparatie, maar ook voor daaraan gekoppelde op- en overslagfaciliteiten;

  • het clusteren van risicovolle bedrijfsactiviteiten, dat wil zeggen bedrijfsactiviteiten waarbij wordt omgegaan met gevaarlijke stoffen en waarbij dus veiligheidsissues spelen;

  • het optimaal benutten van kadegebonden kavels (‘natte kavels’) en aanwezige overslagfaciliteiten. 

Om ruimte voor deze bedrijvigheid te borgen, zijn verschillende bedrijventerreinen in Limburg aangewezen als ‘bedrijventerrein van provinciaal belang’. Met bedrijventerreinen van provinciaal belang bedoelen we:  

  • haventerreinen;

  • grootschalige logistiek-industriële terreinen in de twee logistieke knooppunten (Noord-Limburg (Venlo/Venray) en Zuid-Limburg (Sittard-Geleen/Stein/Beek) (zie kaart in Bijlage II van deze verordening); 

  • bedrijventerreinen met vestigingsmogelijkheden voor bedrijfsactiviteiten in bedrijfscategorie 4 of hoger; of 

  • bedrijventerreinen die een bovenregionale functie vervullen en door hun infrastructurele ontsluiting geschikt zijn voor omvangrijke productie en distributie. 

Om verwarring naar aanleiding van het gebruik van ‘verouderde’ terminologie te voorkomen, wordt in het eerste en tweede lid en in bijlage XIII niet meer gesproken van ‘milieucategorie’, maar van ‘bedrijfscategorie'. Zie in dit verband tevens de toelichting op artikel 12.10, zevende en achtste lid. Deze bedrijventerreinen zijn aangewezen als ‘bedrijventerrein van provinciaal belang’ vanwege hun specifieke kenmerken, nodig voor de transitie naar een circulaire economie en/of vanwege hun strategische ligging in de nationaal aangewezen logistieke knooppunten, dan wel (potentie) voor clustering van bovenregionaal opererende bedrijvigheid.  

Bij het veranderen van functie, omvang of vestigingsmogelijkheden op een bedrijventerrein van provinciaal belang, moet worden gemotiveerd hoe rekening wordt gehouden met het borgen van ruimte voor de hierboven benoemde opgaven en categorieën van bedrijvigheid. Daarnaast is afstemming vereist tussen gemeente en gedeputeerde staten. 

Een ‘bedrijventerrein van provinciaal belang’ is niet te verwarren met een ‘industrieterrein waarvoor provincie geluidproductieplafonds vaststelt’ (afdeling 6.4). Deze terreinen droegen voorheen de naam ‘industrieterrein van provinciaal belang’.

Paragraaf 12.2.3 Solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare
Artikel 12.12 Instructieregels solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare

Met een solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare wordt in het kader van deze instructieregel gedoeld op een afzonderlijk gelegen bedrijfskavel voor één enkel bedrijf met bijbehorende voorzieningen, groter dan 1 hectare en niet grenzend aan of gelegen binnen een 'bedrijventerrein’ of een ‘stedelijk dienstenterrein’. Een (voormalige) landbouwbedrijfskavel, (voormalige) agrarische bedrijfskavel of bedrijfskavel voor een bedrijf binnen de sector vrijetijdseconomie valt niet onder deze begripsomschrijving.

Solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare vormen een onderdeel van de zone ‘werklocaties’ zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg. Deze zone bestaat naast ‘solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare’ uit ‘bedrijventerreinen’ en ‘stedelijke dienstenterreinen’ (voor grootschalige detailhandel- en/of kantoorontwikkelingen). Voor de ‘bedrijventerreinen’ gelden de instructieregels in paragraaf 12.2.2.

Artikel 12.12, eerste lid: Solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare zijn veelal in het verleden ontstaan toen er nog nauwelijks sprake was van geplande ontwikkeling/clustering van bedrijven op bedrijventerreinen. Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) wordt nieuwaanleg van dergelijke locaties voor solitair gevestigde bedrijven in de regel onwenselijk geacht. 

Artikel 12.12, tweede lid: Onderdeel a ziet op alle soorten energiebronnen, waaronder elektriciteit, gas en waterstof, en alle voorzieningen die ten behoeve van de opwekking, het transport en de opslag ervan fysiek noodzakelijk zijn. Onderdeel a. dient te worden gelezen in samenhang met de instructieregels over energie in hoofdstuk 13. Onderdeel b richt zich vooral op de realisering van waterzuiveringsinstallaties. Bij defensiedoeleinden als bedoeld in onderdeel c moet gedacht worden aan oefenterreinen, kazernes en bijbehorende voorzieningen zoals opslag van militair materieel. Het betreft dus niet bedrijvigheid met een commercieel oogmerk en gericht op de vervaardiging van (militaire) producten of materieel. De in onderdeel d bedoelde Einstein Telescope betreft een toekomstig ondergronds onderzoeksobservatorium voor het meten van zwaartekrachtsgolven. Mocht de Einstein Telescope in de toekomst gedeeltelijk ook in Nederland komen te liggen en is hiervoor een bedrijfskavel groter dan 1 hectare nodig, dan is dit observatorium, gelet op het maatschappelijk en wetenschappelijk belang van dit project, eveneens vrijgesteld van de instructieregel opgenomen in het eerste lid.

Artikel 12.12, derde lid: Afgelopen periode kende Limburg geen tekort aan bedrijventerreinen, maar bij een planningshorizon tot 2035 en verder overtreft de ruimtebehoefte de beschikbare voorraad (bron: analyses op basis van www.rebislimburg.nl). Aansluitend bij de redeneerlijn ‘behoefte-bestaand-uitbreiding-nieuw’, is het grootste deel van deze ruimtebehoefte in te vullen door gebruik van nog beschikbare voorraad of door verdichting en herontwikkeling op bestaande bedrijventerreinen (bron: rapport Potentie Beter Benutten Bedrijventerreinen Limburg, juni 2024). De dan nog resterende behoefte dient te worden ingevuld met uitbreidingen van bestaande bedrijventerreinen of plannen voor nieuwe bedrijventerreinen. Deze behoefte is als planningsopgave aan gemeenten, uitgesplitst per regio, opgenomen in de Omgevingsvisie Limburg. Bij de herstructurering of functiewijziging van een solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare dient de gemeente te motiveren waarom deze bedrijfskavel geen bijdrage kan leveren aan deze planningsopgave.

Artikel 12.12, vierde lid: Bij leegstand of bij beëindiging van de bedrijfsvoering zijn locaties die in aanmerking kunnen komen voor functiewijziging locaties waar milieuproblemen (bijvoorbeeld spuitzones) en/of verstorende bebouwing aanwezig zijn. Hierbij kan gedacht worden aan oude fabrieksterreinen. De functiewijziging of herstructurering dient te voorzien in ruimtelijke kwaliteitswinst waarmee het knelpunt ter plekke wordt opgelost. Daarmee is niet bedoeld dat iedere locatie hiervoor, zonder meer in aanmerking komt. Het blijft een situationele afweging, waarbij ook moet worden voldaan aan de instructieregels die gelden voor de zonering waardoor de solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare is omgeven en de instructieregels die gelden voor de beoogde nieuwe functie. 

Paragraaf 12.2.4 Wonen op bedrijventerreinen
Artikel 12.13 Instructieregels wonen op bedrijventerreinen

Op bedrijventerreinen is een toenemende ruimtedruk ontstaan door de vestiging van functies die niet direct aan een bedrijventerrein te relateren zijn. Kwetsbare functies, waaronder wonen, inclusief huisvesting van arbeidsmigranten of tijdelijk wonen, lenen zich niet voor functiemenging op een bedrijventerrein. Huisvesting van arbeidsmigranten wordt, in lijn met de Omgevingsvisie Limburg, voor de toepassing van artikel 12.13 niet als een vorm van logies beschouwd, maar als ‘wonen’. Omdat in de praktijk de huisvesting van arbeidsmigranten planologisch soms als een vorm van ‘logies’ wordt geregeld, is ‘het bieden van logies’ ook opgenomen in het eerste lid van artikel 12.13. De toepasselijkheid van artikel 12.13, eerste lid, op huisvesting van arbeidsmigranten in de vorm van logies is op die manier verduidelijkt. Voor de uitleg van het begrip ‘logies’ moet worden aangesloten bij de begripsomschrijving van ‘logiesfunctie’ in Bijlage I, onder B bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving: ‘gebruiksfunctie voor het bieden van recreatief verblijf of tijdelijk onderdak aan personen’.

Kwetsbare functies, zoals hierboven benoemd, lenen zich niet voor functiemenging op een bedrijventerrein vanwege:

  • omgevingsfactoren (geluids- en geuroverlast, verkeersveiligheid, fijnstof, milieucirkels en de vaak niet-geringe afstand tot voorzieningen) met een impact op de kwetsbare functie; 

  • de impact van de kwetsbare functie op het functioneren van het bedrijventerrein (bijvoorbeeld mogelijke belemmeringen voor uitbreiding van bedrijfsvestigingen nabij de kwetsbare functie); 

Daarnaast geldt dat er op bedrijventerreinen een ruimtedruk bestaat en er naar de toekomst toe voldoende geschikte ruimte op bedrijventerreinen beschikbaar moet blijven (in de diverse bedrijfscategorieën). Het toedelen van een functie aan een kavel op een bedrijventerrein die impact heeft op dat bedrijventerrein, past niet binnen het uitgangspunt om voldoende geschikte ruimte op bedrijventerreinen beschikbaar te houden. Ook past het niet bij het in de Omgevingsvisie Limburg opgenomen Limburgse principe 1 “Recht doen aan een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, dier en plant”.

Artikel 12.13, eerste lid: Onder het toevoegen van een of meerdere woningen wordt mede het wijzigen van de functie naar wonen verstaan. 

Artikel 12.13, tweede lid: Het is van belang dat de woning niet geïsoleerd ligt ten opzichte van het stedelijk gebied of een landelijke kern, maar hier een ruimtelijk logische verbinding mee aangaat. Denk daarbij aan een goede aansluiting op bestaande stedenbouwkundige structuren, zoals andere bebouwing en infrastructuur. Dit is ook van belang voor onder andere de bereikbaarheid van voorzieningen en hulpdiensten. Grenzend aan stedelijk gebied of een landelijke kern, betekent ook dat de kavel waar de woning(en) op is voorzien aan de rand van een bedrijventerrein is gelegen. Wanneer de kavel aan de rand van een bedrijventerrein ligt, is de impact van omgevingsfactoren op een woning het meest te beperken. Dit geldt ook voor de impact van de woning op het functioneren van het bedrijventerrein. 

In bepaalde gevallen kan aan de randen van een bedrijventerrein het toevoegen van een of meerdere woningen worden toegestaan. Hierbij moet worden voldaan aan alle vereisten als benoemd in onderdeel a tot en met e. 

Hieronder volgt een toelichting per onderdeel.  

Artikel 12.13, tweede lid, onderdeel a en onderdeel b: 

Bij het toevoegen van een of meerdere woningen moet aangetoond worden dat er geen sprake is van een belemmering voor de omliggende bedrijfsactiviteiten op het bedrijventerrein. Andersom mag ook het toevoegen van een of meerdere woningen niet beperkt worden door omliggende bedrijfsactiviteiten. Bij de beoordeling of de ontwikkeling geen belemmering vormt, kunnen de volgende elementen betrokken worden. Daarbij geldt dat dit geen limitatieve opsomming is:

  • afstand tot nabijgelegen bedrijven en voorzieningen (bijvoorbeeld supermarkt);

  • bereikbaarheid;

  • ernst van geuroverlast, geluidsoverlast, licht- en verkeershinder;

  • zichtlijnen;

  • groeninpassing.

Artikel 12.13, tweede lid, onderdeel c: Alvorens een gemeente voor het toevoegen van een of meerdere woningen kan uitwijken naar een bedrijventerrein, dient zij te beschikken over een samenhangende integrale onderbouwing zoals bedoeld in artikel 12.1. Daarnaast dient gemotiveerd te worden hoe de betreffende ontwikkeling past binnen deze onderbouwing, als onderdeel van de totale gemeentelijke woningbouwopgave en de daarbij behorende programmering. 

Artikel 12.13, tweede lid, onderdeel d: Een gemeente moet aan de hand van de integrale samenhangende onderbouwing, als bedoeld in artikel 12.1 aantonen en onderbouwen dat er een gegronde noodzaak is voor het benutten van de schaarse ruimte op een bedrijventerrein. Die noodzaak kan niet gelegen zijn in het gegeven dat de grond op het bedrijventerrein goedkoper is en daarom realisatie van woningbouw gemakkelijker en sneller kan. 

Artikel 12.13, tweede lid, onderdeel e: De gemeente dient te motiveren hoe de ontwikkeling qua maat (omvang), schaal (schaalniveau) en functie past bij de ruimtelijke situatie. Hierbij moet ook worden gemotiveerd hoe de beoogde ontwikkeling zich verhoudt tot de bedrijfscategorieën waartoe de omliggende bedrijfsactiviteiten behoren.    

Afdeling 12.3 Instructieregels vrijetijdseconomie

Artikel 12.14 Algemene instructieregels toevoegen of wijzigen vestigingsmogelijkheid voorziening voor vrijetijdseconomie

Algemeen

De instructieregels in artikel 12.14 zijn gebaseerd op het beleid in de Omgevingsvisie Limburg. De instructieregels zijn gericht op het toevoegen of wijzigen van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie. Vrijetijdseconomie is de sector binnen de economie die de bedrijven met verblijfsrecreatie en/of dagrecreatie omvat. Voorzieningen voor vrijetijdseconomie bestaan uit twee groepen: voorzieningen voor verblijfsrecreatie en voorzieningen voor dagrecreatie.

Een voorziening voor verblijfsrecreatie is een voorziening waar toeristen kunnen overnachten, zoals een bungalowpark, kampeerterrein/camperplaats, hotel, vakantiewoning of vakantieappartement, bed & breakfast, groepsaccommodatie of jachthaven met overnachtingsmogelijkheid. Verblijfsrecreatie is het overnachten in een voorziening voor verblijfsrecreatie met een recreatief doel of voor het bezoeken van beurzen, congressen of andere werkgerelateerde activiteiten buiten de reguliere woonomgeving. Dit omvat niet de (tijdelijke) huisvesting van arbeidsmigranten.

Een voorziening voor dagrecreatie is een voorziening waarvoor een toegangsbewijs of lidmaatschap nodig is, zoals een attractiepark, zwembad, bioscoop, kartbaan, rederij voor rondvaarten, golfbaan, visvijver of boerengolf. Onder voorziening voor dagrecreatie vallen ook musea en kastelen, net als betaalde rondleidingen op bijvoorbeeld een wijndomein of kaasmakerij. Dagrecreatie is het bezoeken van een voorziening voor dagrecreatie, zoals een attractiepark of zwemplas. Dagrecreatie omvat ook activiteiten zoals wandelen, fietsen en paardrijden die niet aan een specifieke locatie gebonden zijn.

De voorzieningen voor dagrecreatie bestaan ook weer uit twee groepen: voorzieningen voor dagrecreatie in de openlucht en voorzieningen voor dagrecreatie in een gebouw. Een voorziening voor dagrecreatie in de openlucht is een voorziening voor dagrecreatie waar het gebruik overwegend in de openlucht plaatsvindt, zoals een golfbaan, openluchtzwembad of visvijver. Een voorziening voor dagrecreatie in een gebouw is een voorziening voor dagrecreatie waar het gebruik overwegend inpandig plaatsvindt, zoals een bioscoop of een indoor-kartbaan.

Het kan bij al deze voorzieningen gaan om permanente of om tijdelijke voorzieningen. Het incidenteel verhuren van de eigen (eerste) woning, bijvoorbeeld via een boekingsplatform, wordt niet gezien als een voorziening voor verblijfsrecreatie. Initiatieven voor bijvoorbeeld een (fiets)café, restaurant, ijssalon of openbare speeltuin vallen niet onder voorzieningen voor dagrecreatie. Datzelfde geldt voor sportieve, culturele en maatschappelijk evenementen.

Voor initiatieven op het gebied van vrijetijdseconomie in vrijkomende of voormalige agrarische bebouwing gelden dezelfde regels als voor andere initiatieven op dit gebied. Er is in het verleden een grote hoeveelheid agrarische bebouwing vrijgekomen en dit zal ook de komende jaren nog het geval zijn. Gezien de opgaven voor de vrijetijdseconomie kan geen uitzondering worden gemaakt op voornoemde regels.

Artikel 12.14, eerste lid: Onder het toevoegen of wijzigen van vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie wordt bijvoorbeeld verstaan:

  • het toestaan van meer slaapplaatsen;

  • het toestaan van meer recreatieverblijven;

  • het vergroten van de oppervlakte van de betreffende voorziening (bijvoorbeeld kampeerterrein, verblijfsrecreatie, dagrecreatie etc.);

  • het (deels) wijzigen van het type verblijfsrecreatie (bijvoorbeeld van kamperen naar bungalows);

  • het (deels) wijzigen van een voorziening voor verblijfsrecreatie in een voorziening voor dagrecreatie of omgekeerd;

  • het (deels) omzetten van seizoensgebonden naar jaarrond verblijfsrecreatie;

  • of het herinrichten van een bestaand terrein voor verblijfsrecreatie.

Bij initiatieven voor verblijfsrecreatie moet duidelijk worden aangegeven voor hoeveel personen slaapplaatsen worden gerealiseerd. Bij de besluitvorming over het initiatief dient dit eenduidig te worden vastgelegd. Een slaapplaats is een overnachtingsmogelijkheid voor één persoon. Het vaak gehanteerde begrip ‘bed’ is niet eenduidig.

Bij het omschrijven van het initiatief worden vaak termen gebruikt als ‘ecolodge’, ‘trekkershut’, ‘groepsaccommodatie', ‘luxe’, ‘ecologisch’ en ‘duurzaam’, zonder dat duidelijk wordt omschreven wat hieronder wordt verstaan. De gebruikte termen moeten in de motivering worden uitgelegd en toegelicht. Bij de besluitvorming over het initiatief dienen deze termen eenduidig te worden vastgelegd.

Artikel 12.14, eerste lid, onder a: Limburgse principes Een initiatief moet passen in de Limburgse principes die in de Omgevingsvisie Limburg zijn opgenomen in paragraaf 3.3.

Artikel 12.14, eerste lid, onder b: Vraag-aanbod-analyse/marktonderbouwing vrijetijdseconomie In de Omgevingsvisie Limburg is aangegeven dat vraag en aanbod van voorzieningen voor vrijetijdseconomie in balans moeten zijn. Een kwantitatieve uitbreiding van het aanbod is alleen mogelijk als dit niet leidt tot verdringing en leegstand. Dat geldt zowel voor voorzieningen voor verblijfs- als voor voorzieningen voor dagrecreatie. Ook de kwaliteit van het aanbod moet passen bij de vraag. Een voortdurende kwaliteitsslag is nodig om het aanbod aan te passen aan de veranderende vraag van zowel vaste als nieuwe gasten.

Bij een initiatief moet onderbouwd worden dat er voldoende marktruimte is. In de praktijk wordt vaak beargumenteerd waarom het betreffende initiatief zal gaan slagen. Dat is niet voldoende. Er moet ook aangetoond worden dat het niet ten koste gaat van andere bedrijven in de vrijetijdseconomie. Daarvoor zijn, in samenwerking tussen de gemeente en de initiatiefnemer, een actueel overzicht én een analyse van vraag en aanbod, inclusief de harde planvoorraad, nodig. Het overzicht moet betrekking hebben op het geografische gebied dat voor het schaalniveau van het initiatief relevant is. De gemeente dient daar ook andere tegelijkertijd lopende initiatieven bij te betrekken, de zogenoemde zachte planvoorraad. Bij de analyse en prognose van relevante cijfers en trends is een bronvermelding essentieel. Enerzijds om inzicht te krijgen in de definitie van de cijfers en de wijze waarop deze verkregen zijn. Anderzijds om duidelijkheid te krijgen over de onafhankelijkheid van de cijfers. Een vraag-aanbod-analyse is actueel als deze is gebaseerd op gegevens of cijfers van niet meer dan twee jaar oud.

Artikel 12.14, eerste lid, onder c: Gemeentelijke visie op de toeristisch-recreatieve structuur Voor het beoordelen van initiatieven voor vrijetijdseconomie is een gemeentelijke visie op de bestaande en gewenste toeristisch-recreatieve structuur noodzakelijk. De gemeente moet aangeven wat de meerwaarde van een initiatief is voor de toeristisch-recreatieve structuur in de gemeente en in de regio. Ook andere tegelijkertijd lopende initiatieven moeten bij de beoordeling worden betrokken. 

Van de gemeente wordt kennis van en een visie op de aanwezige toeristisch-recreatieve structuur verwacht, met name wat betreft:

  • de mogelijke ontwikkeling ervan in relatie tot de draagkracht van het gebied;

  • de ruimtelijke kwaliteit;

  • de impact op de bewoners van het gebied. 

Het gaat daarbij enerzijds om onder andere de vraag of een toevoeging aan het bestaande aanbod nog wenselijk is, en zo ja: welk type, in welke omvang en op welke plek. Anderzijds gaat het bijvoorbeeld om gebieden met overaanbod, waar omvorming of vermindering van het aanbod gewenst is.

Artikel 12.14, eerste lid, onder d: Overnemen bestaande voorziening of een locatie met de juiste functie Ondernemers die een bedrijf willen beginnen nemen een bestaand bedrijf over of zoeken naar een locatie die in het omgevingsplan al de juiste functie heeft. Pas als dat niet mogelijk is, komen andere opties in beeld, zoals vestiging op een nieuwe locatie. Bij de besluitvorming over een initiatief is het feit dat een ondernemer een locatie in eigendom heeft, een van de vele aspecten in de totale afweging.

Artikel 12.14, eerste lid, onder f Toeristisch-recreatieve bedrijfsmatige exploitatie Alleen initiatieven die zijn gericht op een langjarige toeristisch-recreatieve bedrijfsmatige exploitatie en waarvan bekend is wie de exploitant is of wordt, zijn toegestaan. Het initiatief is dan gericht op winst door exploitatie, bijvoorbeeld het bieden van overnachtingen of het bieden van vermaak. Initiatieven die uitsluitend zijn gericht op projectontwikkelingswinst worden niet toegestaan. Een voorbeeld daarvan is het bouwen van een complex van recreatiewoningen als tweede woning zonder verhuurplicht en zonder centrale voorzieningen. In Limburg is daarvoor te weinig ruimte beschikbaar.

Artikel 12.14, eerste lid, onder g: Toekomstbestendige ontwikkeling - bedrijfsontwikkelingsplan Alleen initiatieven waarbij sprake is van een gedegen, toekomstbestendige ontwikkeling, zijn toegestaan. Om te beoordelen of er sprake is van een dergelijke ontwikkeling is het opstellen van een bedrijfsontwikkelingsplan door de exploitant noodzakelijk. Een deskundige exploitant met hart voor de gastvrijheidssector is essentieel voor de kwaliteit van het bedrijf. 

Een bedrijfsontwikkelingsplan (BOP) geeft onder meer inzicht in:

  • de voorgenomen ontwikkelingen op korte (0-2 jaar), middellange (2-5 jaar) en lange termijn (5-10 jaar);

  • de exploitant zelf (opleiding/ervaring); de wijze van exploitatie van het bedrijf (arbeidsinzet/personeel);

  • het te realiseren kwaliteitsniveau;

  • de beoogde doelgroep(en).

Als een bedrijf uit meerdere onderdelen bestaat, omvat het BOP het gehele bedrijf en niet alleen het toeristisch-recreatieve deel. Dit is noodzakelijk vanwege de integrale beoordeling van het initiatief. De omvang en complexiteit van een BOP zijn afhankelijk van de omvang van het totale bedrijf. Voor een zeer kleinschalig initiatief is het verslag van een 'keukentafelgesprek' door de gemeente voldoende. In de praktijk blijkt dat ondernemers goed in staat zijn zelf een BOP op te stellen. Instanties als de Kamer van Koophandel en het LIOF kunnen daarbij behulpzaam zijn.

Artikel 12.14, eerste lid, onder h: Uitponding en verhuurplicht Verblijfsrecreatie-initiatieven of uitbreiding hiervan waarbij sprake is van uitponding, zijn niet toegestaan. Het is ongewenst dat op een recreatieterrein een situatie ontstaat met meerdere eigenaren. Daardoor wordt het nemen van noodzakelijke beslissingen voor een goede exploitatie lastig. Een uitzondering is alleen mogelijk als een gemeente aantoont dat een centrale beslissingsbevoegdheid is geborgd. Daarbij moet er ook een verhuurplicht zijn voor alle individuele recreatieverblijven.

Artikel 12.14, eerste lid, onder i: Kampeerterreinen en camperplaatsen In de praktijk blijkt er een groot verschil in karakter en beleving te bestaan tussen enerzijds 'echte' kampeerterreinen waar met de eigen tent, caravan of camper wordt gekampeerd en anderzijds terreinen met 'vaste' recreatieverblijven zoals permanente safari- of glampingtenten, stacaravans en chalets. In veel omgevingsplannen is de kampeerfunctie zo breed geformuleerd dat beide typen mogelijk zijn. Wat begint als een eenvoudig kampeerterrein kan daardoor veranderen in een soort huisjespark. Bij nieuwe initiatieven is het wenselijk om vooraf goed te bepalen waar men voor kiest. In sommige gebieden is een kampeerterrein een toelaatbare functie, maar een huisjesterrein niet. 

Als in een omgevingsplan een kampeerterrein wordt opgenomen, dient op dat terrein alleen het gebruik van mobiele kampeermiddelen (tent, caravan of camper) te worden toegestaan. Als het wenselijk is bijvoorbeeld permanente tenten of chalets te plaatsen, dient dat duidelijk met een andere aanduiding in het omgevingsplan te worden opgenomen. 

Een specifiek aandachtspunt hierbij is ook het eventueel vastleggen van seizoensgebonden of jaarrond kamperen. Als het bij de afweging over de toelaatbaarheid van een kampeerterrein belangrijk is dat het gebruik beperkt is tot een specifieke periode, dan dient dat duidelijk te worden vastgelegd. Een camperplaats waar overnacht mag worden, wordt gezien als een specifiek kampeerterrein. Campers zijn een kampeermiddel en kunnen op veel kampeerterreinen terecht. Het heeft de voorkeur om (delen van) bestaande kampeerterreinen geschikt te maken voor campers boven het realiseren van aparte nieuwe camperplaatsen. De opbrengsten van de verhuur van camperplaatsen zijn belangrijk bij de gewenste vitalisering van bestaande verblijfsrecreatieterreinen. Daarnaast dient in het algemeen te worden voorkomen dat er op veel plekken kleinschalige verblijfsrecreatiebedrijfjes ontstaan. Dit omdat bij het toestaan van kleine bedrijven vaak onvoldoende rekening wordt gehouden met de mogelijke groei ervan. Het voorgaande heeft geen betrekking op het realiseren van parkeerplaatsen voor campers waar géén overnachting is toegestaan. 

Artikel 12.14, eerste lid, onder j: Vervallen vestigingsmogelijkheden bij niet realiseren Vestigingsmogelijkheden die in een onherroepelijk omgevingsplan zijn opgenomen en niet zijn gerealiseerd, worden harde planvoorraad genoemd. Deze harde planvoorraad belemmert nieuwe initiatieven doordat er bij de vraag-aanbodanalyse rekening mee moet worden gehouden. Daarom dient bij het opnemen van vestigingsmogelijkheden voor voorziening voor vrijetijdseconomie in een omgevingsplan te worden bepaald dat de vestigingsmogelijkheden vervallen als ze niet binnen drie jaar zijn gerealiseerd. Bestaande harde planvoorraad dient voor 1 januari 2032 te worden heroverwogen (zie toelichting op artikel 12.16). 

Artikel 12,14, eerste lid, onder k: Regionale afstemming vrijetijdseconomie De afgelopen jaren heeft regionale afstemming plaatsgevonden in elk van de regio's Noord-Limburg, Midden-Limburg of Zuid-Limburg over initiatieven voor vrijetijdseconomie. Regionale afstemming over een initiatief gebeurt tussen de gemeenten in de betreffende regio en de Provincie op basis van de regionale bestuursafspraken voor die regio. In de regio Zuid-Limburg is afgesproken dat het resultaat van regionale afstemming vrijetijdseconomie maximaal één jaar geldig is. Daarna dient opnieuw regionaal afgestemd te worden. Dit om te voorkomen dat het resultaat van regionale afstemming niet meer actueel is. Het is wenselijk dat ook in de regio's Noord-Limburg en Midden-Limburg het resultaat van regionale afstemming actueel is.

Artikel 12.15 Instructieregels toevoegen of wijzigen vestigingsmogelijkheid voorziening voor vrijetijdseconomie in relatie tot de algemene zonering

In de Omgevingsvisie Limburg is in paragraaf 13.6.6 beleid opgenomen voor het toevoegen of wijzigen van vestigingsmogelijkheden voor vrijetijdseconomie in relatie tot de algemene zonering. 

De mogelijkheden voor het vestigen of uitbreiden van een voorziening voor verblijfs- of dagrecreatie zijn afhankelijk van de doelen van de specifieke zones en weergegeven in een tabel in de Omgevingsvisie Limburg. Deze tabel is hierna opgenomen en in artikel 12.15 uitgeschreven in instructieregels. 

Zone

Voorziening voor verblijfsrecreatie

Voorziening voor dagrecreatie in de openlucht

Voorziening voor dagrecreatie in een gebouw

 

Vestiging of 

Uitbreiding 

Vestiging of 

Uitbreiding 

Vestiging of 

Uitbreiding 

Stedelijk gebied

ja

ja

ja

Landelijke kernen

ja

ja

ja

Werklocaties

alleen hotels op stedelijk dienstenterrein

Nee

alleen op stedelijk dienstenterrein 

Verwevingsgebied

Ja

Ja

Nee, tenzij in monumentaal gebouw

Primair Landbouwgebied

Nee, tenzij 1)

Nee, tenzij 1)

Nee, tenzij in monumentaal gebouw en tenzij 1)

Groenblauwe landbouwzone

Ja, mits 2)

Ja, mits 2)

Nee, tenzij in monumentaal gebouw en tenzij 2)

Natuurnetwerk Limburg

Nee, tenzij 3)

Nee, tenzij 3)

Nee, tenzij in monumentaal gebouw en tenzij 3)

1)     Vestiging of uitbreiding is alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de instructieregels voor het primair landbouwgebied opgenomen in hoofdstuk 7

2)     Vestiging of uitbreiding is alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de instructieregels voor de groenblauwe landbouwzone opgenomen in hoofdstuk 7

3)     Vestiging of uitbreiding is alleen mogelijk indien voldaan wordt aan de instructieregels voor het Natuurnetwerk Limburg opgenomen in hoofdstuk 8

Bij de mogelijkheden voor vestiging en uitbreiding van voorzieningen voor dagrecreatie is het van belang onderscheid te maken in twee categorieën: voorzieningen in de openlucht en voorzieningen in een gebouw.

Voorzieningen voor dagrecreatie in de openlucht maken gebruik van een terrein in de openlucht, eventueel ondersteund door een relatief klein bedrijfsgebouw. Voorbeelden daarvan zijn een golfbaan, een visvijver of een dagstrand.

Voorzieningen voor dagrecreatie in een gebouw, zoals een bioscoop of overdekte kinderspeeltuin, horen thuis in het stedelijk gebied, in een landelijke kern of op een stedelijk dienstenterrein. Dit type voorzieningen en andere functies, zoals detailhandel en horeca, versterken elkaar en kunnen met name de vitaliteit van het stedelijk gebied versterken. Ook vanwege de bebouwing is een locatie in een van voornoemde zones wenselijk.

De schaal van de voorziening moet passen bij de schaal van het stedelijk gebied of de landelijke kern. Een uitzondering daarop is het vestigen van een grootschalige (boven)regionale dagrecreatieve trekker buiten deze zones, als de beoogde locatie bij een integrale afweging van belangen de meest optimale locatie blijkt. Een andere uitzondering betreft monumentale gebouwen in verwevingsgebied, primair landbouwgebied, de groenblauwe landbouwzone en het Natuurnetwerk Limburg. Ten behoeve van het behoud en beheer van die gebouwen is vestiging en/of uitbreiding van dagrecreatie in een gebouw in deze zones onder voorwaarden mogelijk.

Effecten van vrijetijdseconomie op specifieke kwetsbaarheden van de groenblauwe landbouwzone kunnen onder meer zijn:

  • geluid;

  • verkeersbewegingen;

  • stikstofemissie;

  • ruimtebeslag;

  • gevolgen bebouwing voor ruimtelijke kwaliteit;

  • verminderde infiltratie of verhoogde afstroming door verhard oppervlak;

  • verstoring ecologische waarden;

  • gebruik voedingsstoffen/gewasbeschermingsmiddelen ten behoeve van beheer terreinen.

Deze opsomming is niet limitatief. Deze effecten zijn van belang bij toepassing van de instructieregels voor de groenblauwe landbouwzone opgenomen in hoofdstuk 7.

Artikel 12.16 Instructieregels heroverwegen bestaande omgevingsplannen

Artikel 12.16, eerste tot en met derde lid: Schrappen/vervallen onbenutte functies vrijetijdseconomie en binnenplanse vergunningsstelsels/vrijstellingen Het is wenselijk harde planvoorraad voor vrijetijdseconomie te schrappen als er geen zicht is op realisatie. Harde planvoorraad is een functie die in een omgevingsplan is opgenomen, maar die nog niet gerealiseerd is. De harde planvoorraad kan goede nieuwe initiatieven belemmeren. Het is ook wenselijk dat gemeenten de in omgevingsplannen bestaande functies voor vrijetijdseconomie (verblijfs- en/of dagrecreatie) die niet meer benut worden, actief schrappen in overleg met betrokkenen. Denk daarbij aan gestopte bedrijven of beëindigde nevenactiviteiten op agrarische bedrijven.

Via binnenplanse vergunningsstelsels of vrijstellingen in vigerende omgevingsplannen kunnen nog vestigingsmogelijkheden voor voorzieningen voor vrijetijdseconomie worden toegevoegd die niet meer passen bij het huidige beleid. Daarin staat immers de balans tussen vraag en aanbod centraal. Het is wenselijk deze mogelijkheden te schrappen.

Artikel 12.16, vierde lid: Heroverwegen brede kampeerfunctie Het is wenselijk eventuele ‘brede’ kampeerfuncties in omgevingsplannen te heroverwegen en indien mogelijk aan te passen. In sommige omgevingsplannen staat een brede definitie van kamperen. Onder kamperen valt dan niet alleen het kamperen met een tent, caravan of camper, de zogenaamde mobiele kampeermiddelen, maar ook kamperen in een stacaravan of chalet. Stacaravans en chalets worden steeds degelijker en luxer, waardoor het onderscheid met een vakantiewoning vrijwel verdwenen is. Het karakter van een kampeerterrein gaat daardoor verloren.

Afdeling 12.4 Instructieregels wonen in een recreatieverblijf of op een recreatieterrein

Artikel 12.17 en artikel 12.18 instructieregels verbod wonen in een recreatieverblijf en verbod functieverandering recreatieverblijf naar wonen Doel van deze artikelen is in een omgevingsplan vast te leggen dat er in een recreatieverblijf niet gewoond mag worden en dat een recreatieverblijf niet de functie wonen mag krijgen. Deze artikelen zijn opgenomen vanwege het Limburgs principe ‘zorgvuldig omgaan met ruimte’. Een woonwijk wordt op een ander type locatie gepland dan een bungalowpark of kampeerterrein. Voor wonen is een goede bereikbaarheid – van maatschappelijke voorzieningen en van andere mensen – belangrijk voor de sociale cohesie. Wonen is in principe alleen maar toegestaan in bestaand bebouwd gebied. Bij een vakantiepark is juist de ligging buiten het bebouwd gebied van belang. Als een recreatieverblijf wordt gebruikt voor of omgevormd naar wonen, leidt dat meestal tot een ongewenste toevoeging aan de woningmarkt op een verkeerde locatie. Als er vervolgens ter vervanging nieuwe recreatieverblijven bijkomen in het landelijk gebied, vindt extra ongewenste verstening van dat gebied plaats.

Deze regels gelden ook voor hotels omdat die ook voorkomen buiten het bestaand bebouwd gebied.

Artikel 12.18 Instructieregel verbod functieverandering recreatieverblijf naar wonen

Artikel 12.18, eerste lid: uitzondering op het verbod Er doen zich situaties voor waarin een uitzondering wenselijk is op het verbod van artikel 12.18, eerste lid, bijvoorbeeld in het geval van een solitaire vakantiewoning in een landelijke kern. In een dergelijk geval is sprake van het toevoegen van een woning op een juiste locatie. In het eerste lid, onder a tot en met c, is opgenomen op welke locaties een verandering naar de functie wonen in principe kan worden toegestaan.

Artikel 12.18, eerste lid, onder c: Functieverandering van een recreatieverblijf naar wonen in de groenblauwe landbouwzone is mogelijk als het aansluit op bebouwingslinten en bebouwingsclusters in het verwevingsgebied. Aan deze randen van bebouwingslinten en bebouwingsclusters zijn enkel kleinschalige ontwikkelingen mogelijk als deze een logische afronding vormen, waarna geen verdere toekomstige uitbreiding meer mogelijk is. Overigens is de genoemde functieverandering op basis van artikel 12.18, eerste lid, onder a ook mogelijk in de groenblauwe landbouwzone als de locatie aansluit aan het stedelijk gebied of een landelijke kern.

Artikel 12.18, tweede lid: Recreatieverblijven die gelegen zijn in een complex van recreatieverblijven, zoals een bungalowpark, vallen niet onder de uitzondering op het verbod. Een gemengd gebruik van een dergelijk complex voor zowel verblijfsrecreatie als wonen is niet wenselijk (zie ook de toelichting op artikel 12.19, onder e)

Artikel 12.19 Instructieregels tijdelijke huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten op een recreatieterrein

Algemeen In Limburg is op dit moment sprake van een aanzienlijk aantal recreatieterreinen dat niet meer vitaal genoeg is om nog succesvol als toeristisch bedrijf te functioneren. Om deze recreatieterreinen te revitaliseren of te saneren is geld nodig. Tegelijkertijd bestaat in Limburg nu ook een tekort aan huisvesting voor short-stay arbeidsmigranten. Een win-win-oplossing hiervoor is het tijdelijk toestaan van de huisvesting van deze specifieke doelgroep op te revitaliseren of te saneren recreatieterreinen. Daarbij gelden wel bepaalde voorwaarden (artikel 12.19, eerste lid, a tot en met e). In deze context is een recreatieterrein een gebied dat door een bedrijf geëxploiteerd werd of wordt voor verblijfsrecreatie, zoals een bungalowpark of kampeerterrein, al dan niet met centrale voorzieningen. Het regelmatig verhuren van een vakantiewoning op een recreatieterrein door de eigenaar zelf, wordt niet gezien als een bedrijfsmatige toeristisch-recreatieve exploitatie van een verblijfsrecreatieterrein.

Artikel 12.19, eerste lid, onder d: Voorwaarde revitalisering of sanering Een van de voorwaarden voor tijdelijke huisvesting van short stay arbeidsmigranten op een verblijfsrecreatieterrein is dat een deel van de inkomsten uit de tijdelijke huisvesting wordt gebruikt voor de revitalisering of sanering van het terrein. Daarover moeten duidelijke en bindende afspraken zijn gemaakt tussen de gemeente en de exploitant.

Artikel 12:19, eerste lid, onder e: Voorwaarde geen samenloop tijdelijke huisvesting met toeristisch-recreatieve exploitatie Uit de praktijk blijkt dat een gelijktijdig gemengd verblijf van verblijfsrecreanten en tijdelijke bewoners op een verblijfsrecreatieterrein vaak tot fricties leidt en tot bijvoorbeeld negatieve recensies en lage beoordelingen op boekingssites. Om (verdere) imagoschade voor zowel het voort te zetten individuele bedrijf als de regio te voorkomen, is het ongewenst dat op een te revitaliseren verblijfsrecreatieterrein samenloop met een bedrijfsmatige toeristisch-recreatieve exploitatie plaatsvindt. Daarmee wordt bedoeld dat wanneer tijdelijke huisvesting plaatsvindt er geen toeristisch-recreatieve exploitatie van het verblijfsrecreatieterrein mogelijk is, tenzij de tijdelijke huisvesting gebeurt op een volledig afgescheiden deel van het terrein met een eigen toegang.

Afdeling 12.5 Instructieregels Na-ijlende effecten steenkoolwinning

[Red: Sectie 12.12 verplaatst van sectie 12.1.8 naar sectie 12.5. ]

Artikel 12.12 12.20 Instructieregel na-ijlende effecten steenkoolwinning

De voormalige steenkoolwinning in Zuid-Limburg leidt tot na-ijlende effecten, met name in de vorm van bodembeweging. Deze brengen mogelijk belemmeringen met zich mee in het gebruik van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld in geval van verzakkingen. Het is van belang goed met deze risico's om te gaan.

In de Provinciale Omgevingsvisie Limburg is daarom de ambitie opgenomen dat de Provincie Limburg ernaar streeft negatieve effecten als gevolg van voormalige steenkoolwinning samen met haar partners te voorkomen, en daar waar deze optreden adequaat te handelen.

Om hier mede invulling aan te geven is een instructieregel opgenomen voor de gemeenten in de voormalige mijnbouwregio die bepaalt dat de motivering van een omgevingsplan dat het bouwen van een nieuw bouwwerk in deze gemeenten mogelijk maakt, beschrijft op welke wijze rekening is gehouden met de na-ijlende effecten van de voormalige steenkoolwinning.

De betreffende gemeenten kunnen daartoe gebruik maken van alle informatie over de na-ijlende effecten die beschikbaar is via het Informatiecentrum Nazorg Steenkoolwinning en de kaartviewer van Het Gegevenshuis in Landgraaf. Het betreft onder andere de onderzoeksrapporten en het kaartmateriaal van IHS die zijn opgesteld in het kader van het onderzoek naar de na-ijlende effecten van de steenkoolwinning, dat in opdracht van de minister van Economische Zaken en Klimaat is uitgevoerd en in december 2016 is gepubliceerd, en de vervolgonderzoeken die naar aanleiding hiervan door de regio (provincie en gemeenten) zijn uitgevoerd. In de onderzoeksrapporten wordt onder andere ingegaan op de mogelijke risico's van de na-ijlende effecten voor de regio. Deze zijn ruimtelijk vertaald in kaartmateriaal.

YYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 13 Energie

Afdeling 13.1 Instructieregels energie

Paragraaf 13.1.1 Energieparagraaf
Artikel 13.1 Instructieregel energiebeschrijving

Bij de planvorming van een ontwikkeling dient al duidelijk te worden of en zo ja wanneer een aansluiting op het energiesysteem is voorzien. Mede op basis van deze informatie kunnen gemeenten de planning van de (woning)bouwprogrammering beter inrichten. Dit in relatie tot het provinciaal belang dat plannen zo spoedig mogelijk leiden tot daadwerkelijke realisatie. Dit artikel verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een omgevingsplan waarin nieuwe functies worden mogelijk gemaakt (anders dan minder dan 10 woningen) die een relevante belasting van de energie-infrastructuur kunnen veroorzaken, binnen de uitvoeringsparagraaf inzicht te geven in hoe het plan zich verhoudt tot de aanwezige of de te realiseren energie-infrastructuur. In de motivering van het omgevingsplan wordt aangegeven hoe bij de planontwikkeling rekening is gehouden met de mogelijkheid tot aansluiting, de tijdigheid van de aansluiting op de energie-infrastructuur van de regionale of landelijke netbeheerders en de maatregelen die zijn afgewogen om negatieve effecten te voorkomen.

Deze motiveringsverplichting sluit aan bij de Omgevingsvisie Limburg, waarbij is ingezet op een toegankelijke, betaalbare, veilige en stabiele energievoorziening die in balans is met de ruimtelijk-economische opgaven en het leefklimaat. De Omgevingsvisie Limburg benoemt nadrukkelijk het streven naar een integrale benadering van ruimtelijke keuzes en (duurzame) energie-infrastructuur om zo energiezekerheid en de realisatie van de energietransitie te waarborgen.

De aanleiding voor deze instructieregel ligt in de toenemende problematiek van netcongestie. In Limburg (en andere delen van Nederland) wordt het elektriciteitsnet steeds zwaarder belast, onder andere door de versnelling van woningbouw, de groei van duurzame energieopwekking en de elektrificatie van industrie en mobiliteit. Limburg is door Netbeheerder Enexis aangeduid als congestiegebied waarin nieuwe aansluitingen of verzwaringen van bestaande aansluitingen niet of slechts vertraagd kunnen worden gerealiseerd. Dit kan leiden tot stagnatie van maatschappelijke en economische ontwikkelingen, vertragingen in woningbouw of bedrijfsvestigingen en het niet kunnen nakomen van klimaatdoelstellingen.

Ook landelijke beleidsstukken, zoals het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (MIEK), benadrukken daarom het belang van tijdige afstemming tussen overheden, netbeheerders en initiatiefnemers. Het is van belang dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen niet alleen ruimtelijk en beleidsmatig gewenst zijn, maar ook praktisch uitvoerbaar wat betreft de aansluiting op en capaciteit van het energienetwerk.

De in het artikel voorgeschreven beschrijving moet in ieder geval betrekking hebben op:

  • de mogelijkheid tot aansluiting: in hoeverre kan de ontwikkeling worden aangesloten op de bestaande of geplande energie-infrastructuur? Is aansluiting technisch mogelijk binnen de geplande termijn van realisatie van het plan?

  • tijdigheid: wordt er rekening gehouden met de realisatiesnelheid van netwerkuitbreidingen en vergunningprocedures bij de netbeheerders? Zijn er afspraken met de netbeheerders gemaakt?

  • maatregelen: zijn er alternatieve oplossingen zoals energiehubs, een andere energiedrager, congestiemanagement of lokale opslag afgewogen? 

In lijn met de Omgevingswet stimuleert deze instructieregel een vroegtijdige en integrale afstemming tussen gemeenten, initiatiefnemers en de netbeheerders om de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen te vergroten.

De gevraagde beschrijving draagt bij aan:

  • 1.

    transparantie voor het bevoegd gezag, initiatiefnemers en andere belanghebbenden ten aanzien van de energievoorziening en daarmee de uitvoerbaarheid;

  • 2.

    het stimuleren van netbewuste nieuwbouw en efficiëntere oplossingen binnen het energiesysteem; en

  • 3.

    het bevorderen om verduurzaming en energie-infrastructuur als integraal onderdeel van gebiedsontwikkeling te beschouwen. 

Deze instructieregel sluit aan bij de Nota Ruimte en de Beleidsbrief Verduurzaming Gebouwde Omgeving, waarin het belang wordt benadrukt van een samenhangende aanpak van ruimtelijke en energieopgaven en het tijdig betrekken van de netbeheerders bij planvorming.

Door het opnemen van een verplichte energieparagraaf in het omgevingsplan wordt geborgd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen beoordeeld worden op de ruimtelijke impact en hun feitelijke uitvoerbaarheid binnen de (gemeentegrens overschrijdende) energie-infrastructuur, met specifieke aandacht voor de actuele problematiek van netcongestie. Dit sluit aan op zowel provinciale als landelijke beleidsdoelstellingen, voorkomt ongewenste stagnatie van ruimtelijke en economische ontwikkelingen en draagt bij aan een toekomstbestendig Limburg.

Paragraaf 13.1.2 Windernergie
Artikel 13.2 Instructieregel uitsluitingsgebied windturbines

Artikel 13.2, tweede lid, onder a: Onderdeel a vraagt dat een omgevingsplan dat een windturbine mogelijk maakt, zorgvuldig motiveert waarom de gekozen locatie passend en verantwoord is. Hierbij zet het bevoegd gezag concreet uiteen op basis van welke ruimtelijke en beleidsmatige uitgangspunten de locatie is gekozen. Daarbij worden eventuele lokale afname en opslag in beschouwing genomen. De Omgevingsvisie Limburg benoemt specifiek zoekgebieden voor windenergie. Deze gebieden zijn door middel van een beoordeling op provinciale schaal geselecteerd op basis van landschapscapaciteit, impact op het milieu, afstand tot gevoelige bestemmingen (zoals woningen en natuurgebieden) en de aansluiting op het elektriciteitsnet. Bij een zorgvuldige ruimtelijke afweging ten aanzien van de locatie behoort ook een motivering of de locatie is gelegen binnen deze zoekgebieden en zo niet waarom deze locatie ook passend wordt geacht.

Deze motivering geeft ook aan hoe rekening wordt gehouden met cumulatie-effecten, hoe de locatie zich verhoudt tot bestaande functies, geplande ontwikkelingen en het provinciaal beleid ten aanzien van landschap en leefomgeving en hoe het initiatief past binnen internationale, nationale en provinciale beleidslagen (zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Limburg, bufferzones, veiligheid en hinder).

Artikel 13.2, tweede lid, onder b: Onderdeel b verplicht tot het verantwoorden van de inspanningen die de initiatiefnemer levert om met de omwonenden, energiegemeenschappen, energiecoöperaties, lokale verenigingen, lokaal bedrijfsleven, overheden en semioverheden tot concrete afspraken te komen over de invulling van de zeggenschap over het project, het juridisch en economisch (mede-)eigenaarschap van de installatie en het juridisch bezitten van een energieproject en de daarmee gegenereerde elektriciteit. Met andere woorden: hoe is daadwerkelijk geprobeerd om onder andere de lokale gemeenschap zeggenschap te geven over planning, de bouw en exploitatie van het project en wat is daar het resultaat van?

De Omgevingsverordening Limburg en de Omgevingsvisie volgen het uitgangspunt over lokaal eigendom uit het Klimaatakkoord en het NPRES. Daarbij is onze inzet om te komen tot een meerderheidsaandeel van omwonenden, lokale bedrijven en overheden in energieprojecten. Daarom is ons streven dat ten minste 51% van de windturbines in lokaal eigendom wordt gerealiseerd en geëxploiteerd. Dit stimuleert het draagvlak, vergroot de betrokkenheid en zorgt ervoor dat een significant deel van de financiële opbrengsten lokaal blijft. Een financieel participatieplan is daarbij aan te bevelen. De initiatiefnemer moet niet alleen het percentage lokaal eigendom aantonen, maar ook concreet maken hoe de omgeving meeprofiteert, daarbij kan gedacht worden aan:

  • het percentage van de opbrengst dat daadwerkelijk aan de lokale gemeenschap wordt uitgekeerd;

  • overeenkomsten die zijn gesloten met lokale partijen of individuele omwonenden;

  • het transparante proces dat is doorlopen voor de invulling van eigendom en financiële participatie transparant;

  • de aansluiting bij voorbeelden uit NPRES-regio’s, waar bijvoorbeeld dorpsfondsen, omgevingsregelingen of coöperatieve modellen zijn toegepast;

  • het inzicht geven in het doorlopen participatieproces en in de uitkomsten daarvan, waarbij ingegaan wordt op de financiële- en eigendomsstructuur van het project en een overzicht wordt gegeven van de verdeling van de eigendoms- en zeggenschapsverhouding binnen het project en van de taakverdeling.

Artikel 13.2, tweede lid, onder c: Onderdeel c legt vast dat de motivering in het omgevingsplan ten minste beschrijft welke maatregelen zijn getroffen voor de landschappelijke en natuurlijke inpassing en dat deze maatregelen na het verwijderen van de windturbine behouden blijven.

Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn:

  • aanleg van landschappelijke beplantingen, houtwallen of poelen die de visuele impact van de turbine beperken, de biodiversiteit verhogen of ecologische verbindingen versterken;

  • inrichtingsmaatregelen die bijdragen aan het herstel van het oude landschap of het versterken van cultuurhistorische structuren;

  • ecologische maatregelen, zoals het verbeteren van habitats voor lokale fauna, die ook na verwijdering van de windturbine behouden blijven.

Paragraaf 13.1.3 Zonne-energie

[Red: Sectie 13.2 verplaatst van sectie 13.2 naar sectie 13.1.3. ]

Artikel 13.2 13.3 Instructieregel zonnepanelen op daken van bedrijfsgebouwen

Gemeenten krijgen vanaf 1 januari 2022 met het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) de mogelijkheid om zonnepanelen op daken van gebouweigenaren te verplichten. De aankomende wijziging van het Bbl voor zonnepanelen op daken richt zich op utiliteitsgebouwen die niet onder de BENG-eisen (Bijna Energieneutrale Gebouwen) vallen. Om daadwerkelijk gebruik te maken van deze bevoegdheid specifiek voor het realiseren van zonnepanelen op nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen, is deze instructieregel gericht op het maximaal benuttenvanhet dakoppervlak voor de opwek van zonne-energie bij nieuw te realiseren bedrijfsgebouwen. Onder bedrijfsgebouwen verstaan wij, in lijn met de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek, alle gebouwen bestemd voor bedrijfsmatig gebruik. Hieronder vallen o.a. bedrijfshallen en loodsen, kantoren, supermarkten en schoolgebouwen.

Deze instructieregel legt vast dat bij de motivering van een omgevingsplan waarin nieuwe bedrijfsgebouwen mogelijk worden gemaakt, specifiek wordt onderbouwd op welke wijze het beschikbare dakoppervlak maximaal wordt ingezet voor zonnepanelen. Dit volgt uit het principe van zuinig en efficiënt ruimtegebruik, zoals verankerd in de Omgevingsvisie Limburg. Het landelijke beleid (o.a. Kamerbrieven over de zonneladder en uitwerking van het Klimaatakkoord) onderschrijft dat vóór het toestaan van zonneparken op grond eerst daken en andere benutbare oppervlakken maximaal moeten worden gebruikt. Deze eis voorkomt verdere ‘bebouwing’ van het landschap, waaronder agrarische gronden, en stimuleert de integratie van duurzame energie in bestaande bebouwing.

Bij het realiseren van zonnepanelen op bedrijfsdaken is ook de constructieve veiligheid van essentieel belang. De motivering moet daarom inzicht geven in de draagkracht en bouwkundige geschiktheid van de daken om veilig en verantwoord het gewicht en de windbelasting van zonnepanelen te kunnen dragen. Mogelijke beperkingen (zoals brandveiligheid, technische draagkracht of toekomstige uitbreidingsplannen) dienen onderbouwd te worden, zodat duidelijk is dat het maximale haalbare potentieel wordt benut, zonder risico’s voor de veiligheid. Qua brandveiligheid is het advies om rekening te houden met de handreiking van Brandweer Nederland op dit onderwerp, zodat bij het ontwerp van bouwwerken met zonnepanelen de juiste veiligheidskeuzes worden gemaakt. Onder bedrijfsgebouwen wordt, in lijn met de definitie van het Centraal Bureau voor de Statistiek, verstaan: alle gebouwen bestemd voor bedrijfsmatig gebruik. Onder ‘bedrijfsgebouwen’ vallen onder andere bedrijfshallen en loodsen, kantoren, supermarkten en schoolgebouwen.

[Red: Sectie 13.3 verplaatst van sectie 13.2 naar sectie 13.1.3. ]

Artikel 13.3 13.4 Instructieregels zonneparken

Installaties voor de opwek van zonne-energie, waarbij met behulp van photovoltaische-panelen (pv-panelen) zonlicht in elektriciteit wordt omgezet, zijn onmisbaar om de RES-doelstellingen voor de opwekking van hernieuwbare energie in 2030 te halen. Uit een oogpunt van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik willen wij pv-panelen en andere vormen van opwekking met behulp van zonne-energie zoveel mogelijk combineren met andere functies. Hierin volgen wij de Nationale beleidskeuze zoals verwoord in de NOVI: We realiseren de opgave van duurzame energie met oog voor de kwaliteit van de omgeving en combineren deze zo veel mogelijk met andere functies.

  Het Rijk heeft met medeoverheden de voorkeursvolgorde zon uitgewerkt. Wij hebben deze voorkeursvolgorde in de Provinciale Omgevingsvisie opgenomen als de Limburgse zonneladder. De Limburgse zonneladder is als volgt (niet volgtijdelijk):

  • 1.

    Op daken en gevels van gebouwen;

  • 2.

    Onbenutte terreinen in bebouwd gebied;

  • 3.

    Gronden in buitengebied met een andere primaire functie dan landbouw of natuur;

  • 4.

    Landbouwgronden gelegen in het buitengebied en (landbouw)gronden gelegen in de groenblauwe mantellandbouwzone;

  • 5.

    Uitsluitingsgebieden (Natuurnetwerk Limburg en waterwingebieden en bestaande bos- of natuurgebieden binnen de groenblauwe mantellandbouwzone).

Essentie van deze lijn is om bij de duurzame opwek van zonne-energie landbouwgronden en natuurgebieden zoveel mogelijk te ontzien (deels uitsluitingsgebieden en nee-tenzij-principe). Inspanningen richten zich primair op zon op dak en op gevels én het benutten van andere mogelijkheden in bebouwd en onbebouwd gebied (meervoudig ruimtegebruik treden 1 t/m 3). Landbouwgronden kunnen zowel landbouwgronden binnen als buiten de groenblauwe mantellandbouwzone zijn.

Op 26 oktober 2023 hebben het Rijk, Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Unie van Waterschappen (UvW) en Netbeheer Nederland (NBNL) het bestuursakkoord ‘bestuurlijke verankering van voorkeursvolgorde zon’ gesloten waarin striktere voorwaarden voor het gebruik van landbouwgrond voor de plaatsing van pv-panelen zijn opgenomen. Tevens is beoogd om landelijk meer eenduidigheid te krijgen in de gehanteerde voorwaarden voor het gebruik van landbouwgrond voor de opwekking van zonne-energie. Met dit bestuursakkoord blijven de principes van de Limburgse zonneladder overeind, maar zijn in het bijzonder de nee-tenzij-criteria voor het gebruik van landbouwgrond, artikel 13.313.4, lid 2, in lijn gebracht met de afspraken uit het bestuursakkoord. 

De landelijke bestuurlijke afspraken zijn gemaakt in het besef dat de afspraken een negatieve impact kunnen hebben op de doelen voor hernieuwbare opwek en de afspraken die in RES-verband zijn gemaakt. Daarom vindt hierop gerichte monitoring plaats. Dit stelt landelijke partijen in staat om de afspraken te kunnen bijstellen indien de noodzaak hiervoor blijkt. 

Het landelijke bestuursakkoord beoogt het beperken van zon op landbouwgrond en dit slechts onder een beperkt aantal uniforme voorwaarden toe te staan. Lokale ruimte, flexibiliteit en lokale instemming zijn belangrijk, maar dragen niet bij aan de gewenste uniformiteit en het voorkomen van wildgroei in uitzonderingen. Lokale instemming is een belangrijk succesfactor voor de energietransitie, maar geen uitzonderingsgrond op zich.

De aanscherping van de voorkeursvolgorde geldt voor nieuwe projecten. Projecten die ten tijde van het bestuursakkoord reeds vergevorderd waren in de planvoorbereiding en/of participatie zijn uitgezonderd van deze aanscherping, dit is geregeld in artikel 13.313.4, lid 3. Voor deze ‘pijplijn-projecten’ gelden wel de overige voorwaarden van artikel 13.313.4, zoals zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Deze laatste instructieregels zijn redactioneel verbeterd op basis van de opgedane praktijkervaring bij de toetsing van gemeentelijke ruimtelijke plannen aan de Provinciale belangen en de instructieregels.

De instructieregels in artikel 13.313.4 gelden voor zonneparken groter dan 200 m2. Onder zonneparken worden zowel grondgebonden installaties als drijvende installaties op water verstaan. De begripsomschrijving van zonnepark is in Bijlage I opgenomen.

Artikel 13.3, lid 1: Uitsluitingsgebieden

Natuurnetwerk Limburg en een bestaande bos- of natuurgebied binnen de groenblauwe mantel  Artikel 13.4, eerste lid, onder a en c: Natuurnetwerk Limburg en een bestaande bos- of natuurgebied binnen de groenblauwe landbouwzone

Binnen het Natuurnetwerk Limburg (NNL) zijn de waardevolste en gevoeligste natuurgebieden binnen Limburg aangeduid. Veelal zijn het leefgebieden van (zeer) zeldzame soorten of vervullen ze (zeer) specifieke functies ten behoeve van het voortbestaan van beschermde soorten. Deze waardevolle natuurgebieden zijn bewust ingezet voor ontwikkeling van natuur en de natuuropgave die onze provincie heeft. De bestaande bos- en natuurgebieden binnen de groenblauwe mantel landbouwzone vervullen nadrukkelijk een ondersteunende functie aan het NNL. Het betreffen vaak stapstenen in de migratie van soorten en refuge locaties in deze kleinschaligere landschappen. Het betreft hierbij specifiek ‘een binnen de groenblauwe mantellandbouwzone gelegen terrein dat op grond van het omgevingsplan de functie bos of natuur heeft.’ De begripsomschrijving is in bijlage I opgenomen.

Waterwingebieden Artikel 13.4, eerste lid, onder b: Waterwingebieden

Gezien het grote belang van een waterwingebied voor een veilige openbare drinkwatervoorziening, gelden in deze gebieden strikte regels ter bescherming van het grondwater (zie ook hoofdstuk 4 van deze verordening). In waterwingebieden wordt dan ook het voorzorgprincipe gehanteerd. Dat wil zeggen dat bij enige onzekerheid over een mogelijk negatief effect van een ingreep, deze niet wordt toegestaan. Om deze reden zijn waterwingebieden opgenomen als uitsluitingsgebied voor zonneparken door de provincie.

Artikel 13.3, lid 2 Nee-tenzij-criteria voor het gebruik van landbouwgrond

Artikel 13.4, tweede lid:  In het Bestuursakkoord Aanscherping Zon op Land d.d. 26 oktober 2023 is onderschreven dat landbouwgrond essentieel is om te voorzien in onze behoefte aan voedsel. Het monofunctioneel gebruik van bestaande landbouwgrond voor zon-pv is om die reden ongewenst. Onder een aantal voorwaarden, nee-tenzij-criteria, wordt het gebruik van landbouwgrond wel toegelaten overeenkomstig het bestuursakkoord.

Agri-pv Artikel 13.4, tweede lid, onder a: Agri-pv

Agri-pv is het combineren van landbouw met het opwekken van zonne-energie. Daarbij blijft de functie landbouw behouden en maakt het gebruik van pv-panelen slechts beperkt inbreuk daarop of draagt juist bij aan de landbouwkundige functie. Meervoudig ruimtegebruik, met primair landbouwkundig gebruik is de norm. De eerste toepassingen vinden plaats in de land- en tuinbouw. Een exacte definitie van agri-pv bestaat nog niet en zal in de komende jaren worden ontwikkeld mede op basis van (inter)nationale ervaringen en onderzoek.

Met onderstaande voorbeelden wordt agri-pv geïllustreerd. Het is aan de initiatiefnemer om aan te tonen en vast te leggen in de procedurestukken dat sprake is van het substantieel behoud van de landbouwfunctie. Wij leggen substantieel behoud uit als een landbouwkundige opbrengst van ten minste 75% van de huidige referentiesituatie, enkel op basis van locatiespecifieke omstandigheden in een concrete situatie is het mogelijk om te onderbouwen dat met een lager percentage kan worden volstaan. Het CBS houdt de jaarlijkse opbrengst bij van vele soorten akkerbouwgewassen, uitgedrukt in kg/ha. Deze statistiek laat een variatie zien in de opbrengst van jaar tot jaar. Na realisatie van het project, vragen we de initiatiefnemer voor een periode van 3 jaar jaarlijks de gewasopbrengsten van het perceel te bepalen. Deze kunnen worden vergeleken met de CBS-statistiek (driejarig gemiddelde van het aan de orde zijnde akkerbouwgewas). De getallen doen vooral dienst om toekomstige ontwerpen beter te maken en meer in het algemeen om kennis over de combinatie van landbouw en energie-opwek op te doen. Aan de hand hiervan en in combinatie met landelijke data en ontwikkelingen zal bepaald gaan worden of agri-pv voor de langere termijn perspectief biedt en de voorgestelde regels afdoende en werkbaar zijn.

Figuur 1: voorbeelden van Agri-PV systemen (bron: Holland Solar)
afbeelding binnen de regeling

Landbouwgrond in transitie Artikel 13.4, tweede lid, onder b: Landbouwgrond in transitie

Landbouwgronden kunnen tijdelijk worden ingericht als zonnepark als ze:

  • in de toekomst een andere functie krijgen zoals woon-werk, recreatie of natuur of;

  • in de toekomst minder geschikt worden voor landbouw, bijvoorbeeld door verzilting, vernatting of bodemdaling.

Zonne-energie draagt financieel bij aan het mogelijk maken van deze gebiedsgerichte opgaven gedurende een periode van maximaal 30 jaar, waarna de gebieden hun definitieve functie zullen krijgen. Van deze mogelijkheden kan pas worden gebruik gemaakt als dit onderdeel uitmaakt van bestuurlijke afspraken tussen Provincie en Gemeente over de gebiedsgerichte aanpak, waarbij de inzet van zonne-energie van toegevoegde waarde wordt geacht en op basis van een bestuurlijk geaccordeerde visie, programma of vergelijkbaar document.

Een omgevingsplan dat zijn grondslag kent in dit artikel dient vergezeld te gaan van een beschrijving over de functie en inpassing van de grond na afloop van de zonnepark-periode en hoe dit overeengekomen en/of juridisch verankerd is. De termijn van 30 jaar wordt als maximum gehanteerd; dit is afgeleid van de technische levensduur van zonnepanelen en het belang om na deze periode daadwerkelijk de volgende stap in gebiedsontwikkeling te zetten.

Het zonnepark vormt geen op zichzelf staand einddoel, maar functioneert als aanjager of katalysator voor de gewenste transformatie van het gebied. In de praktijk betekent dit dat opbrengsten, samenwerking, voorzieningen of participatie gelieerd aan het zonnepark actief worden ingezet ter voorbereiding, financiering of facilitering van de beoogde nieuwe functie. Belangrijk is dat na de zonneparkperiode de grond niet terugvalt naar landbouwfunctie, maar juist getransformeerd wordt naar een andere maatschappelijk gewenste functie: denk aan natuurontwikkeling, recreatie, wonen of bedrijvigheid. Afspraken of juridische borging kunnen bijvoorbeeld worden vastgelegd in anterieure overeenkomsten, exploitatieplannen of publiekrechtelijke contracten. Dit borgt de uitvoerbaarheid.

Betekenisvolle bijdrage aan de netcongestie Artikel 13.4, tweede lid, onder c: Betekenisvolle bijdrage aan de netcongestie

Zonneparken dragen bij aan de gewenste opwek van hernieuwbare energie, maar vormen tevens een belasting voor het overvolle elektriciteitsnetwerk. De maatschappelijke kosten voor de aanleg van zonneparken in het buitengebied kunnen bovendien relatief hoog zijn. Tegelijkertijd kan een zonnepark dat met een directe lijn een bedrijf of meerdere bedrijven rechtstreeks van elektriciteit voorziet, bijdragen aan het verminderen van de netcongestie en kan bestaande energie-infrastructuur beter worden benut als een zonnepark wordt aangesloten op een elektriciteitsaansluiting van een bestaande opwekker, in de praktijk vaak een windpark, waarmee verlenging van de bedrijfstijd kan worden bereikt en de bestaande kabel efficiënter wordt benut. Daarom worden projecten op landbouwgrond betekenisvol geacht als die:

  • a.

    achter de meter aangesloten worden van een enkele afnemer of een collectief van afnemers zonder dat sprake is een toename van de teruglevering van elektriciteit op het elektriciteitsnet. Daarvoor geldt dat de mogelijkheden voor zon-op-dak geheel zijn benut; of

  • b.

    aangesloten worden op een elektriciteitsaansluiting van een energieopwekker (zgn. cable-pooling).

Bovengenoemde situaties leiden niet tot extra netinpassingskosten en beperken een claim op aanvullende capaciteit op het elektriciteitsnetwerk. Het is wenselijk dat een initiatiefnemer in de initiatieffase van het project hierover al in contact treedt met de decentrale netbeheerder.

De uitzondering genoemd onder a, kan benut worden voor een enkele ondernemer die wil voorzien in eigen hernieuwbare energie. De uitzondering geldt ook voor meerdere bedrijven die willen samenwerken en hun verbruik en opwek met elkaar afstemmen en daarover een groepscontract afsluiten met de netbeheerder. Dit collectief van bedrijven kan gezamenlijk besluiten tot extra opwek via zonnepanelen om te voorzien in een ontbrekende energievraag. Ook energiegemeenschappen kunnen op soortgelijk wijze opereren. Voorwaarde voor deze drie voorbeelden is dat zon-op-dak is benut en er geen (aanvullende) teruglevering plaatsvindt op het elektriciteitsnet. Hiervoor dient de omvang van het zonnepark aan te sluiten bij het gebruiksprofiel van de afnemer(s) en kan middels opslag verder worden geoptimaliseerd en voorkomen worden dat er teruglevering plaatsvindt.

Grond die 10 jaar niet in gebruik is geweest als landbouwgrond Artikel 13.4, tweede lid, onder d: Grond die 10 jaar niet in gebruik is geweest als landbouwgrond

Gronden kunnen vrij zijn van bebouwing en een agrarische functie hebben in het omgevingsplan, maar al vele jaren een feitelijk ander gebruik hebben dan landbouwkundig gebruik. Dit betreft bijvoorbeeld onder meer gronden langs een verkeersfunctie. De termijn van 10 jaar sluit aan bij de voormalige herzieningstermijn onder de Wet ruimtelijke ordening.

Op gronden in het bouwvlak na sloop van opstallen Artikel 13.4, tweede lid, onder e: Op gronden in het bouwvlak na sloop van opstallen

Op veel agrarische opstallen zijn pv-panelen gesitueerd. Als, bijvoorbeeld als voorwaarde van een regeling, deze opstallen worden gesloopt, achten we het ruimtelijk aanvaardbaar dat de pv-panelen die eerder op het dak gesitueerd waren, terug geplaatst worden op de grond. In beginsel op dezelfde gronden waar voorheen de opstallen stonden. Als binnen het bouwvlak een situering mogelijk is die beter aansluit op de aanwezige landschappelijk waarden, natuurlijke waarden of de omgevingskwaliteit, dan heeft die situering de voorkeur. Het is niet wenselijk dat dit tot een toename van pv-panelen gaat leiden. Het aantal vierkante meters is daarom gemaximaliseerd op de vierkante meters pv-panelen die voorheen op de daken waren gelegen.

Artikel 13.313.4lid 3derde lid

De RES-regio’s hebben in hun RES-bod 1.0 zon op landbouwgrond opgenomen. Gemeenten en markt zijn op basis van deze bestuurlijke afspraken aan de slag gegaan met het voorbereiden van projecten. Er zijn daarmee projecten die d.d.26 oktober 2023, datum bestuursakkoord, in een vergevorderd stadium voor voorbereiding waren. Deze projecten behoeven niet te voldoen aan de regels opgenomen in artikel 13.313.4, lid 2. Er is een lijst opgesteld met projecten waarvoor de uitzondering geldt. Deze lijst is opgenomen in bijlage XIIIbijlage XIV. Het betreft projecten die voorafgaand aan het bestuursakkoord:

  • in ontwikkeling waren, bijvoorbeeld door uitgevoerde onderzoeken door te zake deskundige onafhankelijke adviseurs;

  • in een participatief proces zijn besproken met de omgeving;

  • de instemming hadden van de gemeente; en

  • idealiter al vooroverleg met de provincie heeft plaatsgevonden.

Artikel 13.3, lid 4

Het zonnepark landschappelijk en natuurlijk goed wordt vormgegeven en ingepast Artikel 13.4, vierde lid, onder a: Het zonnepark landschappelijk en natuurlijk goed wordt vormgegeven en ingepast

Hier dient aansluiting gezocht te worden bij hoofdstuk 7 (landschappenlandelijk gebied), 8 (natuurgebieden) van deze verordening en de principes van de Omgevingsvisie Limburg. Om de voorgenomen landschappelijke inpassing te beoordelen, zijn voor Noord- en Midden Limburg het ‘landschapskader Noord en Midden Limburg’ en de ‘Handreiking Landschap Grootschalige Energie opwek zon-op-land RES Noord-en Midden-Limburg’ waardevolle handvatten. Voor Zuid-Limburg zijn relevante bronnen het ‘Handvat Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Zuid-Limburg’, de ‘Landschappelijke verdiepingsstudie Zon en Wind (HeusschenCopier)’ Energie en Ruimte Zuid-Limburg (Ecorys) en Milieueffectstudie Zonne- en windenergie RES Zuid-Limburg. Voor de het Beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de groenblauwe mantel (afdeling 7.1 en 7.3) landbouwzone gelden aanvullende regels ten aanzien van de omgang met landschappelijke kernkwaliteiten.

Artikel 13.4, vierde lid, onder b: het zonnepark wordt brandveilig ontworpen

De instructieregel dat een zonnepark brandveilig moet zijn ontworpen volgt op verzoek van de Veiligheidsregio. Brandweer Nederland kent hiertoe de Handreiking Brandveiligheid Zonnevelden. Deze is bedoeld om de brandveiligheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten vanaf het eerste ontwerp te borgen. De handreiking bevat landelijke richtlijnen rond veilige plaatsing, bereikbaarheid, situering van schakelkasten en het voorkomen en beheersen van brandrisico’s. Dit onderdeel verplicht initiatiefnemers om hun ontwerp aantoonbaar brandveilig te realiseren. Dit draagt bij aan een eenduidig en toetsbaar Limburg breed kader voor vergunningverlening, uitvoering en toezicht. Zo wordt niet alleen de veiligheid van zonneparken voor omgeving, hulpdiensten en beheerders gewaarborgd, maar ontstaat er ook uniformiteit en duidelijkheid bij de ruimtelijke ontwikkeling van zonneparken in Limburg.

De ruimtelijk kwalitatieve omgevingswaarde, bodemkwaliteit en de biodiversiteit van de locatie worden behouden Artikel 13.4, vierde lid, onder c: De ruimtelijk kwalitatieve omgevingswaarde, bodemkwaliteit en de biodiversiteit van de locatie worden behouden

De bedoeling van deze bepalingen is om bij de keuze van de locatie, het ontwerp, de aanleg en de inrichting rekening te houden met de aanwezige omgevingskwaliteit, bodemkwaliteit en ecologische kernkwaliteiten van het gebied, deze te behouden en waar mogelijk te versterken. Een goede ‘omgevingskwaliteit' is opgenomen in de centrale doelstelling (artikel 1.3) van de Omgevingswet. Dit geeft aan dat bijvoorbeeld de aanwezige cultuur-historische waarden in het gebied, cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap belangrijk zijn. Het gaat daarbij om zowel de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als de waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden.

Voor bodemkwaliteit en biodiversiteit is specifiek aandacht nodig voor vocht- en lichttoetreding onder de panelen en het (maai)beheer van het project. Wij maken bij de toetsing gebruik van de uitkomsten van onderzoek die de WUR doet op dit gebied om te komen tot certificering van zonneparken, onder de naam Ecocertified Solar Parks. TNO heeft binnen het ‘Nationaal Consortium Zon in Landschap’ een voorlopige belichtingstoets onder panelen ontwikkeld. Deze is beschreven in het vakblad Bodem en ook op de website van dit consortium te vinden. Deze belichtingstoets hanteren we bij de toetsing tot het moment dat er nieuwe inzichten beschikbaar zijn.

Het zonnepark wordt na beëindiging van de activiteit verwijderd Artikel 13.4, vierde lid, onder d: Het zonnepark wordt na beëindiging van de activiteit verwijderd

Zonneparken hebben over het algemeen een tijdelijk karakter en zulke projecten worden vaak via een buitenplanse omgevingsplan activiteit (bopa) mogelijk gemaakt. Aan een dergelijke vergunning wordt de termijn verbonden en de voorwaarde dat na afloop van de termijn de situatie van voor de vergunningverlening wordt hersteld. Bij opname in het omgevingsplan worden deze eisen in het omgevingsplan verankerd. Bij beëindiging van een zonnepark gelegen op een bouwvlak, dient het bouwvlak aangepast te worden conform de nieuwe functie. Via het afsluiten van een anterieure overeenkomst met de exploitant worden meer zekerheden over de verwijdering verkregen. Daarbij behoren afspraken over de financiële borging, om de kosten hiervoor tijdig af te kunnen dekken.

Instandhouding landschappelijke inpassing Artikel 13.4, vijfde lid, onder a: zorgvuldige ruimtelijke afweging ten aanzien van de locatie

Het is gewenst om aangebracht landschapselementen, de groene dooradering en ecologische verbeteringen die bij de aanleg zijn aangebracht te behouden, voor zover deze elementen passend zijn in de aansluitende landschappelijke structuur. In het landschapsontwerp dienen deze elementen al aangeduid te worden. Daarbij behoren afspraken over de (financiële) borging voor het verdere beheer van deze landschapselementen.

Artikel 13.3, lid 5

Zorgvuldige ruimtelijke afweging locatie

Een omgevingsplan motiveert waarom op deze locatie een zonnepark aanvaardbaar is: waarom is een zonnepark op deze locatie afgezet tegen gemeentelijke en regionale visie(s) een aanvaardbare locatie? Een brede afweging bijvoorbeeld in een gemeentelijke Omgevingsvisie, op basis van het toekomstig afwegingskader functieverandering landbouwgrond (AFL) vanuit het Nationaal en Limburgs Programma Landelijk Gebied of regionaal ontwerpend onderzoek kunnen voor deze motivatie een goede bron zijn.

Dit onderdeel vraagt dat een omgevingsplan dat een zonnepark mogelijk maakt, zorgvuldig motiveert waarom de gekozen locatie passend en verantwoord is. Hierbij zet het bevoegd gezag concreet uiteen top basis van welke ruimtelijke en beleidsmatige uitgangspunten de locatie is gekozen.

De Omgevingsvisie Limburg benoemt specifiek zoekgebieden voor zonneparken, die op basis van een beoordeling op provinciale schaal zijn geselecteerd vanwege landschapscapaciteit en de aansluiting op het elektriciteitsnet. Bij een zorgvuldige ruimtelijke afweging behoort ook een motivering of de locatie is gelegen binnen deze zoekgebieden en zo niet, waarom deze locatie ook passend wordt geacht afgezet tegen de gemeentelijke Omgevingsvisie en/of regionale visie(s) in RES-verband.

Wij adviseren daarbij om bij de ruimtelijke afweging expliciet de Limburgse principes opgenomen in de Omgevingsvisie te benoemen, met name op het gebied van veiligheid en hinder.

Niet op treden 1 t/m 3 van de zonneladder Artikel 13.4, vijfde lid, onder b: Niet op treden 1 t/m 3 van de zonneladder

Het beleid is er op gericht om zo veel mogelijk zonnepanelen te situeren op daken en niet-landbouwgronden. Met betrekking tot de motivatieplicht wordt aan gemeenten gevraagd te onderbouwen wat de potentie is voor zon-pv op de tredes 1 t/m 3, in hoeverre dit potentieel wordt en kan worden benut, de inspanningen die de gemeente doet om het potentieel op de tredes 1 t/m 3 te (laten) benutten en in hoeverre de inzet van trede 4 noodzakelijk is om de RES-doelen of de gemeentelijke doelstelling te behalen. Er zijn gemeenten die een dergelijke analyse al hebben uitgevoerd. De analyse doet recht aan de reeds langer vastgelegde voorkeursvolgorde zon, oftewel de zonneladder, en noodzaakt gemeenten op alle fronten actief beleid te hebben met betrekking tot het benutten van zon-pv op tredes 1 t/m 3.

De wijze waarop invulling is gegeven aan het tweede en vierde lid Artikel 13.4, vijfde lid, onder c: De wijze waarop invulling is gegeven aan het tweede en vierde lid

Deze bepaling behoeft, naast het onder artikel 13.313.4, lid 2 en 4 vermelde, geen verdere toelichting.

Streven naar financiële participatie van ten minste 51% door de lokale omgeving

Zonneparken hebben een impact op het landschap en de woonomgeving. Naast het zo goed als mogelijk inpassen, zijn we ook een voorstander van lokaal eigendom van de energie-opwek. Lokaal eigendom wil zeggen dat inwoners/ondernemers/overheden collectief (gedeeltelijk) eigenaar zijn van de installatie van een wind- of zonnepark en zeggenschap hebben over (de ontwikkeling van) het project, inclusief (een deel van) de opbrengsten. De collectiviteit kan verlopen via energiecoöperaties, energiegemeenschappen of een op te richten entiteit.

Bij energie-opwek wordt voor de exploitatie gebruik gemaakt van SDE-subsidie, die mede door de Limburger is opgebracht. Wij achten het rechtvaardig dat de Limburger daarvan een deel terugkrijgt als hernieuwbare opwek nabij of aangrenzend aan hun woonomgeving plaatsvindt. Dit kan middels eigenaarschap, maar ook door andere vormen van financiële participatie zoals door een lagere energierekening. Het is naar onze mening tevens een noodzakelijke voorwaarde om steun te krijgen of te behouden voor de energietransitie.

Het streven naar 51% lokaal eigenaarschap komt hieruit voort. Dit is tevens opgenomen in ons beleidskader “Nieuwe Energie en schoon leefmilieu (p. 45)”. Het is een streven, zoals dit ook geldt voor het streven naar 50% lokaal eigendom uit het Klimaatakkoord, dat ook de beide RES-regio’s hanteren. Wij beoordelen de inspanning die is gedaan om 51% eigenaarschap te bereiken. Er kan gekozen worden om af te wijken van het algemeen streven naar 51% lokaal eigendom vanwege lokale, project gerelateerde redenen, bijvoorbeeld als de omgeving niet geïnteresseerd is of niet in staat is om zelf te investeren en de voorkeur geeft aan een andere vorm van (financiële) participatie. 

Wij willen partijen aanmoedigen te zoeken naar co-creatie, waarbij ontwikkelaars een meer dienende rol vervullen bij de totstandkoming van lokaal gedragen hernieuwbare opwek. Het streven naar 51% past hierbij, maar dit streven moet niet worden verward met een eis of verplichting. Een omgevingsplan dient daarom een beschrijving te bevatten van de wijze waarop de omgeving is betrokken en zorg is gedragen voor het bevorderen van maatschappelijk draagvlak, eigenaarschap en financiële participatie.

Artikel 13.3, lid 6

Artikel 13.4, vijfde lid, onder d: Lokaal eigenaarschap

Dit onderdeel verplicht tot het verantwoorden van de inspanningen die initiatiefnemers leveren om met de omwonenden, energiegemeenschappen, energiecoöperaties, lokale verenigingen, lokaal bedrijfsleven, overheden en semioverheden tot concrete afspraken te komen over de invulling van de zeggenschap over het project:  het juridisch en economisch (mede-)eigenaarschap van de installatie en het juridisch bezitten van een energieproject en de daarmee gegenereerde elektriciteit. Met andere woorden: hoe is daadwerkelijk geprobeerd om onder andere de lokale gemeenschap zeggenschap te geven over planning, de bouw en exploitatie van het project; wat is daar het resultaat van?

De Omgevingsverordening Limburg en de Omgevingsvisie volgen het uitgangspunt over lokaal eigendom uit het Klimaatakkoord en het NPRES. Daarbij is onze inzet om te komen tot een meerderheidsaandeel van omwonenden, lokale bedrijven en overheden in energieprojecten. Daarom is ons streven dat ten minste 51% van de windturbines in lokaal eigendom wordt gerealiseerd en geëxploiteerd. Dit stimuleert het draagvlak, vergroot de betrokkenheid en zorgt ervoor dat een significant deel van financiële opbrengsten lokaal blijft. Een financieel participatieplan is daarbij aan te bevelen. Initiatiefnemers moeten niet alleen het percentage lokaal eigendom aantonen, maar ook concreet maken hoe de omgeving meeprofiteert, daarbij kan gedacht worden aan:

  • het percentage van de opbrengst dat daadwerkelijk aan de lokale gemeenschap wordt uitgekeerd;

  • overeenkomsten die zijn gesloten met lokale partijen of individuele omwonenden;

  • het transparante proces dat is doorlopen voor de invulling van eigendom en financiële participatie transparant;

  • de aansluiting bij voorbeelden uit NPRES-regio’s, waar bijvoorbeeld dorpsfondsen, omgevingsregelingen of coöperatieve modellen zijn toegepast;

  • het inzicht geven in het doorlopen participatieproces en in de uitkomsten daarvan, waarbij ingegaan wordt op de financiële- en eigendomsstructuur van het project en een overzicht wordt gegeven van de verdeling van de eigendoms- en zeggenschapsverhouding binnen het project en van de taakverdeling.

Artikel 13.4, vijfde lid, onder e: Instandhouding landschappelijke inpassing

Het is gewenst om aangebracht landschapselementen, de groene dooradering en ecologische verbeteringen die bij de aanleg zijn aangebracht te behouden, voor zover deze elementen passend zijn in de aansluitende landschappelijke structuur. In het landschapsontwerp dienen deze elementen al aangeduid te worden. Daarbij behoren afspraken over de (financiële) borging voor het verdere beheer van deze landschapselementen.

Artikel 13.4, zesde lid:  Een zonnepark op de stortplaats in Schinnen is nog niet gerealiseerd. Het verkeert wel in een vergevorderd ontwikkelstadium en er is er geen sprake van landbouwgronden. De locatie kent tevens de aanduiding bestaand bos- of natuurgebied binnen de groenblauwe mantellandbouwzone. Een specifieke regeling is derhalve gewenst.

Paragraaf 13.1.4 Batterijopslag
Artikel 13.5 Instructieregel batterijopslag

Artikel 13.5, eerste lid: Deze bepaling borgt dat een batterij primair wordt toegestaan op bedrijventerreinen, waar voorzieningen, (energie)infrastructuur en ruimtelijke randvoorwaarden aanwezig zijn om grootschalige energieopslaginstallaties veilig, goed bereikbaar te plaatsen. Batterijopslag betreft een commerciële bedrijfsmatige activiteit. Dat maakt dat, gelijk aan andere commerciële bedrijfsmatige activiteiten, een bedrijfsterrein de geëigende locatie is. Gebaseerd op lopende landelijke batterij-initiatieven, vindt de Provincie Limburg een maat van 2000 m² aan bruto perceel oppervlak een oppervlaktemaat waarboven de provinciale belangen betrokken dienen te worden. In de definitie is dit vastgelegd. Batterijopslag kent risico’s op het gebied van brandveiligheid en externe veiligheid, zodat bij locatiekeuze altijd aandacht dient te zijn voor de veiligheid. Afstemming met de Veiligheidsregio hierover wordt geadviseerd. Zo wordt voldaan aan de eisen van een schoon en veilig leefmilieu.

Artikel 13.5, tweede lid, onder a; Dit onderdeel beoogt alleen batterijen toe te laten die functioneren als onderdeel van het landelijke en regionale elektriciteitsnet. De sturing door TenneT en Enexis is hierbij cruciaal: batterijopslag mag niet louter commercieel lokaal plaatsvinden, maar moet primair bijdragen aan een toegankelijk en stabiel elektriciteitsnet.

Artikel 13.5, tweede lid, onder b: De locatie moet dusdanig binnen het electriciteitsnetwerk liggen dat de toegevoegde waarde van de batterij optimaal wordt benut, bijvoorbeeld nabij hoogspanningsstation, afnemers, knelpunten, om tot energieknooppunten te komen, waarbij invoeding, opslag, transport en afname lokaal geclusterd zijn.

Artikel 13.5, tweede lid, onder c: De risico’s rond externe veiligheid, brand, en omgevingsveiligheid dienen te worden getoetst door de Veiligheidsregio. Dit waarborgt een veilig ontwerp, beheer en geeft kennis van de installatie bij onverhoopte, calamiteiten.

Artikel 13.5, tweede lid, onder d: Landschappelijk en natuurlijke inpassing is een belangrijke randvoorwaarde. Inpassing houdt in dat de batterij wordt afgestemd op het omringende landschap en de aanwezige natuurwaarden (ook in breder verband) – bijvoorbeeld via beplanting, vormgeving en beheer. Een landschappelijke inpassingsstudie door een ter zake deskundig en onafhankelijk landschapsontwerp bureau is daarbij aan te bevelen.

Artikel 13.5, tweede lid, onder e: Deze sociale en participatieve randvoorwaarde is ontleend aan het Klimaatakkoord, NPRES en het Beleidskader Nieuwe Energie en een Schoon Leefmilieu: projecten moeten substantieel in lokaal eigendom komen en een deel van de financiële baten ten goede laten komen aan de lokale gemeenschap. Daardoor groeien draagvlak en maatschappelijke betrokkenheid. Dit wordt nationaal steeds vaker als voorwaarde gesteld bij energie-infrastructuur. Qua uitvoering dient aangesloten te worden bij de toelichting op het lokaal eigenaarschap zoals ook aangegeven bij windenergie (artikel 13.2) en zonneparken (artikel 13.4) 

Artikel 13.5, tweede lid, onder f: De voorwaarde om de batterij te verwijderen bij beëindiging van de electriciteitsopslag-activiteit draagt bij aan het voorkomen van onnodig ruimtebeslag. Verwijdering biedt kansen om op dat moment de landschappelijke en natuurlijke kwaliteit te verbeteren. Het sluit aan op circulair en duurzaam beleid: materialen moeten na exploitatie veilig en gericht op hergebruik of recycling worden verwijderd. Op dat moment dient afgewogen te worden wat een nieuwe gewenste functie is voor deze locatie. Dit in de wetenschap van een aanwezige energie-infrastructuur.

Artikel 13.5, derde lid: Als batterijopslag wordt voorzien op een onbebouwde locatie, gelden alle eisen uit lid 2 en de extra eis dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. Dit moet worden vastgelegd in een bestuurlijk vastgestelde gebiedsvisie. De uitvoering van deze visie dient gestaafd te worden door een overeenkomst tussen de gemeente en een initiatiefnemer. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit sluit aan bij de wens om energie-infrastructuur niet alleen in te passen, maar ook direct te koppelen aan landschappelijke ontwikkeling en kwaliteitsverbetering binnen een gebied.

Afdeling 13.2 Zonne-energie

[Vervallen]

ZZZZZ

Na sectie 13 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Hoofdstuk 14 Ontgrondingen

Afdeling 14.1 Vergunningvrije en vergunningplichtige ontgrondingsactiviteiten

Bij veel activiteiten die plaatsvinden in onze leefomgeving wordt de bodem afgegraven. Dit kan negatieve gevolgen hebben die een nadere afweging noodzakelijk maken. Met het in werking treden van de Omgevingswet per 1 januari 2024 zijn de regels voor ontgrondingen opgenomen in artikel 5.1 van de Omgevingswet en de paragrafen 6.2.2 en 16.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

De vrijstellingen voor ontgrondingsactiviteiten zijn daarbij voortaan landelijk geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • § 6.2.2 voor ontgrondingsactiviteiten in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, en

  • § 16.2.2 voor ontgrondingsactiviteiten op land, in regionale wateren en in een winterbed van een rivier in beheer bij het Rijk.

Artikel 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving biedt de mogelijkheid om af te wijken van de in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen vergunningvrije gevallen, door een aanvullend verbod of vergunningvrij geval op te nemen in de omgevingsverordening als dat doelmatig en doeltreffend is.

Ervaringen maken duidelijk dat bepaalde ontgrondingsactiviteiten, zoals kleine ontgravingen of ontgravingen voor aan te leggen bedrijventerreinen en sportterreinen, die voorheen waren vrijgesteld in artikel 6.1.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014, nu niet meer zijn vrijgesteld op basis van het. Ook blijkt dat de vrijstellingen opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving interpretatie-discussies opleveren, die voorheen ondervangen waren door de vrijstellingen en bijbehorende toelichting in de Omgevingsverordening Limburg 2014, zoals situaties waarin meer wordt ontgraven dan nodig is voor de technische realisering van het vrijgestelde werk of wat moet worden verstaan onder de normale uitoefening van land-, tuin- of bosbouw. Wij achten het doelmatig en doeltreffend om hiervoor regels op te nemen in de Omgevingsverordening Limburg.

Met de regels in dit hoofdstuk wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid die artikel 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving biedt om aanvullingen of afwijkingen door te voeren ten opzichte van de landelijk aangewezen vergunningvrije gevallen. 

Artikel 14.1 Aanwijzing vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten

Artikel 14.1, onder a: In de Nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving is bij artikel 16.7 beschreven dat de normale uitoefening van land-, tuin- of bosbouw niet wordt aangemerkt als “ontgronding”. Wanneer sprake is van normale uitoefening van land-, tuin- of bosbouw is in de Nota niet nader toegelicht. Onder de normale uitoefening van de land-, tuin- of bosbouw wordt gedoeld op werkzaamheden gericht op het voor agrarisch gebruik geschikt houden van de grond. Gedacht wordt daarbij aan periodiek terugkerende cultuurmaatregelen die geen of een geringe invloed hebben op de hoogteligging, zoals frezen, eggen, spitten en mengwoelen. Ook het planten of rooien van gewassen of bomen wordt geschaard onder normale uitoefening van land-, tuin- of bosbouw.

Egalisaties, diepploegen of andere handelingen, waarbij de onder de bouwvoor aanwezige bodemlagen worden vergraven of geroerd, vallen in beginsel niet onder normale landbouwkundige uitoefening. Deze werken kunnen daarmee wel als “ontgronding” worden aangemerkt. Artikel 14.1, onder a, bevat hiervoor echter een vrijstelling van de vergunningplicht omdat de diepte vaak beperkt is. Deze werken moeten dan wel voldoen aan de beschreven criteria. 

Belangrijk is dat de initiatiefnemer vooraf toetst of er omgevingsplanbepalingen zijn die de egalisatie- of diepploegwerken mogelijk in de weg staan. Als in dat verband een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit van de gemeente benodigd is, moet deze vergunning verleend zijn voordat de vrijstelling van artikel 14.1, onder a, geldt.

Als wordt voldaan aan de omgevingsplanbepalingen, er niet onder de plaatselijke grondwaterstand wordt ontgraven en er sprake is van een gesloten grondbalans, zijn deze werken vrijgesteld. Daarbij mag de bodem dan tot niet meer dan een meter diepte onder het oorspronkelijke maaiveld worden geroerd en mogen taluds langs de erfgrens met kadastrale eigendommen van derden niet steiler worden gemaakt dan 1:2.

Artikel 14.1, onder b: Onder de Ontgrondingenwet waren in de Omgevingsverordening Limburg 2014 kleine ontgravingen vrijgesteld. Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving stelt dit soort ontgravingen enkel vrij voor waterpartijen. Met opname van artikel 14.1, onder b, worden ook andersoortige ontgravingen dan voor waterpartijen vrijgesteld als deze ontgravingen een beperkte omvang en daarmee een gering effect op de omgeving hebben. In artikel 14.2, onder b is wel bepaald dat de vrijstelling niet geldt als de insteeklijn van de ontgraving op minder dan een meter van de erfgrens is gelegen of de overgangstaluds bij deze insteeklijn steiler worden uitgevoerd dan 1:1.

Artikel 14.1, onder c: De aanleg van klimaatbuffers en waterafvoer drainage infiltraties (hierna: wadi’s) wordt gekenmerkt door een maatschappelijk belang om wateroverlast of watertekorten te voorkomen. Daarnaast mag ervan uit worden gegaan dat initiatiefnemers zoals gemeente, waterschap en provincie voorafgaand aan de aanleg alle daaraan verbonden belangen in voldoende mate hebben onderzocht en afgewogen aan de hand van het omgevingsplan, projectbesluit en/of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Een vergunningplicht voor de ontgrondingsactiviteit zal hier naar verwachting weinig aan toevoegen. Om deze redenen zijn klimaatbuffers of wadi’s tot 5000 m3 vrijgesteld als deze door of in opdracht van een gemeente, het waterschap of de provincie worden gerealiseerd. De vrijstelling geldt echter niet als de insteeklijn van de ontgraving op minder dan een meter van de erfgrens is gelegen en/of de overgangstaluds bij deze insteeklijn steiler worden uitgevoerd dan 1:1.

Artikel 14.1, onder d: Het bouwrijp maken van bedrijventerreinen en woonwijken kent een maatschappelijk belang. Onder het bouwrijp maken worden alleen grondwerken verstaan die ten dienste staan of passen binnen de functies industrie of wonen. Het bouwrijp maken van terreinen bestemd voor recreatiewoningen valt niet onder de vrijstelling voor het bouwrijp maken van woonwijken. Uitgravingen die nodig zijn voor het bouwen van de recreatiewoningen, zoals bijvoorbeeld voor funderingen, zullen in de regel zijn vrijgesteld op grond van artikel 16.7, onder f, van het Besluit activiteiten leefomgeving; het bouwrijp maken van het daarvoor bestemde (recreatie)terrein blijft vergunningplichtig.

Ook de aanleg van sportvelden, openbare parken en plantsoenen hebben een maatschappelijke betekenis. Als de daarmee gemoeide belangen in voldoende mate zijn onderzocht en afgewogen aan de hand van het omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, zal een vergunningplicht voor de ontgrondingsactiviteit hier naar verwachting weinig aan toevoegen.

Daarnaast was het bouwrijp maken van bedrijventerreinen en het aanleggen van sportvelden eerder onder de Ontgrondingenwet ook al vrijgesteld in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving kent deze vrijstellingen niet. Daarom worden deze alsnog vrijgesteld in artikel 14.1, onder d. Hierbij zij opgemerkt dat de term “sportvelden” zich niet uitstrekt tot sportterreinen en in enge betekenis moet worden opgevat. Sportterreinen zoals golfterreinen en motorcrossterreinen zijn daarmee niet vrijgesteld op grond van artikel 14.1, onder d.

Artikel 14.1, onder e: De sanering van landbodem was eerder onder de Ontgrondingenwet ook al vrijgesteld in de Omgevingsverordening Limburg 2014. Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving kent deze vrijstelling niet en artikel 16.8 van dat besluit richt zich enkel op waterbodems en oevers. Artikel 14.1, onder e, beoogt alsnog de sanering van landbodem aan de hand van de interventiewaarde bodemkwaliteit vrij te stellen.

Artikel 14.2 Uitzonderingen op vergunningvrije gevallen

Artikel 14.2, onder a: De uitzonderingsbepalingen uit artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 14.1 gelden alleen voor die ontgrondingen die nodig zijn voor de realisering van het werk. Het ter plaatse dieper ontgronden om bijvoorbeeld zand te winnen en de ontgraven ruimte weer aan te vullen met andere bodemmaterialen, valt niet onder de genoemde uitzonderingsbepalingen.

Artikel 14.2, onder b: De vrijstellingen in artikel 16.7, onder a en h, van het Besluit activiteiten leefomgeving en de in artikel 14.1, onder b en c, bedoelde werken, maken het mogelijk om op of tegen een perceelsgrens tot een diepte van 3 meter te graven zonder omgevingsvergunning. Hiermee zou aan de perceelsgrens een steilrand kunnen ontstaan en zouden belangen kunnen worden geschaad van aangrenzende perceeleigenaren. Dit artikel in de omgevingsverordening Limburg beoogt dat te voorkomen, omdat de voornoemde vrijstellingen niet gelden als de insteeklijn van de ontgraving op minder dan een meter van de erfgrens is gelegen en/of de overgangstaluds bij deze insteeklijn steiler worden uitgevoerd dan 1:1. Hiermee ontstaat een geleidelijke overgang naar gronden van derden. Mochten er kortere afstanden of steilere taluds worden voorgestaan langs de erfscheiding met andermans percelen, dan is dat enkel mogelijk met schriftelijke instemming van de omliggende perceeleigenaar/perceeleigenaren, dan wel is voor de ontgrondingsactiviteit een omgevingsvergunning benodigd als deze schriftelijke instemming van eigenaren van omliggende percelen ontbreekt. 

Artikel 14.2, onder c: De in artikel 16.7, onder c van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen vrijstelling voor natuurbouwprojecten geeft ruimte om, onder het mom van natuurbouw, terreinen tot een halve meter diepte te ontgraven zonder vergunning. Voor het in werking treden van de Omgevingswet was deze vrijstelling in de Omgevingsverordening Limburg 2014 alleen gerelateerd aan terreinen met een functie goudgroene natuur (thans: Natuurnetwerk Limburg). De aanvullende bepaling in artikel 14.2, onder c, regelt dat de vrijstelling voor natuurbouwprojecten alleen geldt als de te ontgraven terreinen in het geldende omgevingsplan een natuur- of groenfunctie dragen. Hiermee wordt beoogd, als voorheen, te voorkomen dat de vrijstelling voor natuurbouwprojecten wordt misbruikt voor ontgravingen die feitelijk niet worden ingegeven vanuit natuurdoelstellingen. Ontgravingen op terreinen die geen natuur- of groenfunctie dragen, zijn hiermee niet te scharen onder de vrijstelling voor natuurbouwprojecten, zoals opgenomen in artikel 16.7, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 14.3 Omvangvereisten ontgrondingsactiviteit

Dit artikel beoogt te voorkomen dat een ontgrondingsactiviteit zodanig in tijd, fysieke begrenzing of naar specifieke doelstellingen wordt opgeknipt dat met de afzonderlijke delen wordt voldaan aan vrijstellingscriteria voor ontgravingsdiepte, -oppervlakte of -volume. Bij de volgtijdelijkheid is ook de voorzienbaarheid van belang en om die reden is hierbij het woord “zullen” opgenomen. Ook als een bouwvoor tijdelijk opzij wordt gezet, dient dat in het ontgravingsvolume meegeteld te worden. Voor de toets aan de vrijstellingscriteria voor diepte, oppervlakte of volume, die zijn opgenomen in artikel 16.7, onder a en h van het Besluit activiteiten leefomgeving en de in artikel 14.1, onder b, beschreven gevallen, alsmede voor de MER-beoordelingsplicht of MER-plicht, moeten alle ontgrondingen, voor zover deze niet als zelfstandige activiteit of deelactiviteit zijn vrijgesteld op basis van enig ander artikel, in hun samenhang beoordeeld kunnen worden. Artikel 14.3 beoogt deze beoordeling vanuit onderlinge samenhang mogelijk te maken. 

AAAAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 16 15 Overige onderwerpen Beschermingsgebied Einstein Telescope

BBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 17.1 Overgangsrecht

Algemeen: Overgangsrecht ontheffingen Omgevingsverordening Limburg 2014

In de Omgevingsverordening Limburg 2014 waren diverse verbodsbepalingen opgenomen waarvan Gedeputeerde Staten ontheffing konden verlenen. Het betrof ontheffingen als bedoeld in artikel 1.3 van de Wet milieubeheer. Het ging om de volgende ontwerpen:

- activiteiten in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones;

- activiteiten in stiltegebieden;

- activiteiten in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg;

- activiteiten op, onder of boven een gesloten stortplaats.

In de Omgevingsverordening Limburg 2021  die met ingang van 1 januari 2024 geldt zijn bovenstaande regels in vergelijkbare vorm teruggekeerd. Overeenkomstig de systematiek van de Omgevingswet is het 'verbod tenzij ontheffing' vervangen door een 'verbod tenzij omgevingsvergunning'. In artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet is geregeld dat de verleende ontheffingen gelijk worden gesteld met omgevingsvergunningen. Op aanvragen om ontheffing die voor inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn ingediend, blijven de oude regels van toepassing tot het moment waarop het besluit onherroepelijk is geworden (artikel 4.1, onder n, en artikel 4.3 Invoeringswet Omgevingswet).

Paragraaf 17.1.1 Overgangsrecht diverse bepalingeninstructieregels algemeen

Artikel 17.2 17.1 Overgangsbepaling Algemene overgangsbepalingen instructieregels omgevingsplannen

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten 8 jaar de tijd, dus tot 1 januari 2030, om bestemmingsplannen en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een omgevingsplan. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstaat van rechtswege een tijdelijk deel van het omgevingsplan, waarin de bestaande gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving worden samengevoegd. Via artikel 22.1, aanhef en onder c, van de Omgevingswet en hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit voegt het Rijk regels toe aan dit tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit is de zogenoemde bruidsschat.

De Omgevingsverordening Limburg bevat onder meer instructieregels die gemeenten in acht moeten nemen bij:

  • 1.

    een wijziging van het omgevingsplan;

  • 2.

    een beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet ontstond van rechtswege een tijdelijk deel van het omgevingsplan. Alle op dat moment bestaande ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen (met verbrede reikwijdte), zijn onderdeel gaan uitmaken van dat tijdelijk deel. Via artikel 22.1, aanhef en onder c, van de Omgevingswet en hoofdstuk 7 van het Invoeringsbesluit voegde het Rijk regels toe aan dit tijdelijk deel van het omgevingsplan. Dit is de zogenoemde bruidsschat.

Voor 20301 januari 2032 moeten gemeenten het tijdelijk deel van het omgevingsplan omzettenhebben omgezet naar een permanent omgevingsplan voor de hele gemeente, dat voldoet aan de eisen van de Omgevingswet.

Het omzetten van ruimtelijke regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan naar het nieuwe omgevingsplan kan per locatie. De gemeente hoeft dus niet in één keer voor het hele grondgebied de regels om te zetten. Maar als een ruimtelijke regel voor een locatie vervalt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, moeten alle ruimtelijke regels voor die locatie vervallen. Het is dus niet mogelijk om voor een locatie een ruimtelijke regel te schrappen en tegelijkertijd andere ruimtelijke regels voor diezelfde locatie te behouden. 

De omgevingsverordening bevat onder meer instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten. Een deel van die instructieregels is een beleidsneutrale omzetting van instructieregels voor bestemmingsplannen die waren opgenomen in hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening Limburg 2014. De voorliggende Omgevingsverordening voegt daar enkele instructieregels over een aantal nieuwe onderwerpen aan toe, zoals zonneparken.

Uitgangspunt van de instructieregels is dat een gemeente deze moet toepassen op het moment dat zij voor een locatie het nieuwe omgevingsplan vaststelt. Dat betekent dus dat voor 2030 alle instructieregels in de omgevingsplannen verwerkt moeten zijn. Maar op het moment dat een gemeente voor een locatie het tijdelijk deel van omgevingsplan al eerder omzet naar het nieuwe omgevingsplan, worden op dat moment de voor die locatie relevante instructieregels verwerkt. Enkele instructieregels bevatten een kortere termijn waarbinnen de gemeente de instructieregel moet hebben verwerkt. Daar heeft de gemeente dus niet de tijd tot 2030.

De instructieregels voor omgevingsplannen gelden ook als beoordelingsregel voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (zie toelichting bij artikel 1.3). Op het moment dat de gemeente op zo'n aanvraag beslist moet zij direct op dat moment rekening te houden met de relevante instructieregels.

Overgangsbepaling artikel 17.2, lid 4

Bedrijven die op het moment van inwerkingtreding van artikel 12.5, vierde lid, reeds op bedrijfskavels groter dan 5 hectare zijn gevestigd of vergund, worden niet geraakt door de instructieregels van artikel 12.5, vierde lid. Bovendien geldt dat in afwachting van de aanpassing van een omgevingsplan, bedrijfskavels met een oppervlakte groter dan 5 hectare planologisch toegestaan blijven als dit reeds in het betreffende omgevingsplan werd toegestaan.

Uitgangspunt van de instructieregels is dat een gemeente deze moet toepassen op het moment dat zij voor een locatie het omgevingsplan wijzigt of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit verleent. Als een gemeente (een deel van) het omgevingsplan wijzigt, dan zullen daar ook bestaande functies in worden vastgelegd die al eerder in een bestemmingsplan waren opgenomen en die niet veranderen. Uiteraard hoeft in een dergelijk geval niet voldaan te worden aan instructieregels die na vaststelling van dat bestemmingsplan in werking zijn getreden. De bepaling in het derde lid van artikel 17.1 zorgt hiervoor. Bestaande legale situaties hoeven dus niet te voldoen aan de instructieregels voor omgevingsplannen als opgenomen in deze Omgevingsverordening, tenzij anders bepaald in de desbetreffende instructieregel.

Paragraaf 17.1.2 Overgangsrecht diverse onderwerpen

In deze paragraaf zijn een specifieke overgangsbepalingen opgenomen bij onderwerpen in de hoofdstukken 1 tot en met 16 van de Omgevingsverordening. Bij de volgorde van deze overgangsbepalingen is de volgorde aangehouden waarin de artikelen waar ze naar verwijzen in de hoofdstukken 1 tot en met 16 zijn opgenomen. De meeste specifieke overgangsbepalingen horen bij rechtstreeks werkende regels voor activiteiten. Voor de meeste instructieregels in de Omgevingsverordening geldt het overgangsrecht zoals opgenomen in paragraaf 17.1.1. 

In de artikelen in paragraaf 17.1.2 is steeds een tijdstip opgenomen waarmee het onderscheid tussen nieuwe gevallen (hiervoor geldt de instructieregel onverkort) en bestaande gevallen (hiervoor geldt de overgangsbepaling) wordt gemarkeerd. In een aantal artikelen is de datum van 1 januari 2024 opgenomen en in een aantal andere artikelen is de datum omschreven als ‘het tijdstip van inwerkingtreding van de bepaling’. Voor ‘1 januari 2024’ is gekozen als het om een bepaling gaat die al in de Omgevingsverordening Limburg staat sinds deze oorspronkelijk in werking is getreden, namelijk op 1 januari 2024, toen de Omgevingswet ook in werking trad. Bij nieuwe bepalingen die in 2026 aan de Omgevingsverordening Limburg worden toegevoegd is op het moment van schrijven van deze toelichting de exacte datum van inwerkingtreding nog niet bekend. Bij een volgende wijziging van de Omgevingsverordening zal die datum worden vermeld.

[Red: Sectie 17.1 verplaatst van sectie 17.1.1 naar sectie 17.1.2. ]

Artikel 17.1 17.2 Overgangsbepaling infrastructuur: vergunningen provinciale wegen

De Omgevingsverordening Limburg 2014 kende een vergunningplicht voor bepaalde activiteiten en werken op of nabij provinciale werken (artikel 7.1.1, derde lid, Omgevingsverordening Limburg 2014). Voor die vergunningen voorziet de Invoeringswet Omgevingswet niet in overgangsrecht (anders dan voor ontheffingen zoals hierboven onder 'Algemeen: Overgangsrecht ontheffingen Omgevingsverordening Limburg 2014' beschreven). Daarom is daarvoor in de Omgevingsverordening een artikel opgenomen. In de voorliggende Omgevingsverordening gaat het om omgevingsvergunningen voor activiteiten in een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg.

CCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 17.2 Slotbepalingen

Artikel 17.9 Intrekken Omgevingsverordening Limburg 2014

Het grootste gedeelte van de Omgevingsverordening Limburg 2014 vervalt van rechtswege bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, omdat de wettelijke grondslagen voor die delen van die verordening dan vervallen (o.a. Waterwet, Wet milieubeheer, Wet natuurbescherming, Ontgrondingenwet). Het onderdeel 'Provinciale Wegen' (paragraaf 7.1) vervalt echter niet van rechtswege omdat dat onderdeel artikel 57 van de Wegenwet als grondslag heeft en de Wegenwet als aparte wet blijft bestaan naast de Omgevingswet. Het onderdeel Wegen is omgezet naar hoofdstuk 2 Infrastructuur, paragraaf 2.2.1, van de nieuwe Omgevingsverordening. Om te voorkomen dat onduidelijkheid ontstaat over de vraag of paragraaf 7.1 van de Omgevingsverordening Limburg 2014 naast de nieuwe Omgevingsverordening toch nog blijft gelden, wordt de Omgevingsverordening Limburg 2014 met artikel 16.9 ingetrokken. Overigens heeft paragraaf 2.2.1 van de verordening naast de Omgevingswet artikel 57 van de Wegenwet als grondslag.

Ook eventuele onduidelijkheden over andere onderdelen van de Omgevingsverordening Limburg 2014 waarvan zou kunnen worden gesteld dat deze mogelijk mede zouden kunnen berusten op de autonome bevoegdheden op grond van de Provinciewet om verordeningen vast te stellen, worden hiermee voorkomen.

[Vervallen]

Toelichting bij de Wijzigingsverordening 2026 Omgevingsverordening Limburg

Hieronder volgt per hoofdstuk een korte toelichting op de wijzigingen.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.3 Schakelbepaling

In dit artikel is geregeld dat de instructieregels die zich richten tot gemeenten en die zij in acht moeten nemen bij een wijziging van het omgevingsplan en het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook gelden voor een projectbesluit van Gedeputeerde Staten. Aan dit artikel is nu in een tweede lid toegevoegd waaruit volgt dat de instructieregels van paragraaf 8.1.2, die betrekking hebben op het beschermen van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Limburg en de daarbij behorende regels over natuurcompensatie, ook gelden voor projectbesluiten van het waterschap. Uit artikel 7.8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, volgt namelijk dat een omgevingsverordening daarover regels moet bevatten. Dat was tot nu toe niet gebeurd en deze omissie wordt met het nieuwe tweede lid, van artikel 1.3 hersteld.

Hoofdstuk 2 Infrastructuur

In de artikelen 2.1 en 2.2 is een onjuiste verwijzing naar een artikel van het Besluit bouwwerken leefomgeving gecorrigeerd.

Artikel 2.6 is aangepast met een grondslag om een verleende omgevingsvergunning voor een activiteit in een beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg te kunnen wijzigen of intrekken als dat nodig is vanwege werkzaamheden met betrekking tot die weg (wijziging of uitbreiding)

Hoofdstuk 3 Watersysteem

Er is een nieuwe paragraaf 3.2.4 (Wonen en verblijven in waterveiligheidszones H5 en H6) toegevoegd met instructieregels die zich richten tot de gemeenten. Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij deze paragraaf.

De artikelen 3.8-3.12 zijn als gevolg van het toevoegen van paragraaf 3.2.4 vernummerd.

Hoofdstuk 4 Grondwater

In artikel 4.2 zijn twee soorten nieuwe gebieden toegevoegd: zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming.

In afdeling 4.3 zijn een aantal regels voor activiteiten in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones gewijzigd, waaronder regels voor het toepassen van bepaalde bouwstoffen en aangepaste regels voor boringen en sonderingen bij bodemonderzoeken voor bouwactiviteiten. De wijzigingen hangen veelal samen met ervaringen in de uitvoeringspraktijk. In een nieuwe paragraaf 4.3.16 is voor de zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming bepaald dat geen nieuwe milieubelastende activiteiten mogen worden verricht die zijn opgenomen in bijlage V. 

Achtergrond bij wijziging regels Grondwaterbescherming (artikel 4.2 en afdeling 4.3)

Aanpassing Artikel 4.2 Aanwijzing beschermingsgebieden

De zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming zijn een nieuwe categorie beschermingsgebieden voor de openbare drinkwatervoorziening.

Aanpassing Paragraaf 4.3.3

Artikel 4.27 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen in grondwaterbeschermingsgebiedenDe formulering van de bestaande tekst is juridisch correct, maar wekt verwarring. Inhoudelijk wordt er niets gewijzigd alleen helderder omschreven.

Artikel 4.28 Beoordelingsregel omgevingsvergunning

Tekst wordt aangepast omdat de bestaande omschrijving onvolledig is.

Aanpassing artikelen 4.37, 4.38 en 4.39 sonderingen

De vrijstelling voor sonderingen door de kleilaag is te ruim. Conform de huidige regels mag in de verschillende gebieden onbeperkt worden gesondeerd en gelden er geen eisen voor sonderingen die het risico op aantasting van de beschermende werking van de kleilaag beperken.De regels zijn zodanig aangepast dat er een vergunningplicht geldt voor sonderingen en boringen ten behoeve van bouwactiviteiten in waterwingebieden (artikel 4.37, vijfde en zevende lid) en een meldplicht met een aantal voorschriften in grondwaterbeschermingsgebieden en de boringsvrije zones Roerdalslenk en Venloschol (artikel 4.39, zesde t/m achtste lid). Deze regels beogen de aantasting van de beschermende werking van de kleilaag zoveel mogelijk te beperken en bouwactiviteiten boven de kleilaag toch mogelijk te maken. Voor het ontwerpen van een fundering boven de kleilaag kan het nodig zijn informatie te verzamelen over het grondpakket onder de kleilaag.

Aanpassing paragraaf 4.3.7 Afvalwater en hemelwater

Afkoppelen van hemelwater en het vervolgens zonder bodempassage in de diepere ondergrond infiltreren vormt een bedreiging voor de grondwaterkwaliteit in waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden. Met name het gebruik van grindpalen, waardoor geen gebruik wordt gemaakt van een bodempassage of een andere zuiveringstap, brengt risico’s met zich mee voor de grondwaterkwaliteit. Daarom wordt infiltratie in grondwaterbeschermingsgebieden zonder doorsijpeling door de bodem of de ondergrond naar het grondwater verboden.

Afkoppelen in waterwingebied is zonder omgevingsvergunning verboden. Het in de bodem brengen van afstromend hemelwater in een waterwingebied is ongewenst omdat door het geconcentreerd op één plek in de bodem brengen van water het risico bestaat dat het water niet voldoende lang onderweg is naar de pompputten. Daardoor is de bacteriologische bescherming door voldoende lange reistijd in de ondergrond in gevaar komen.

Bestaande kleinschalige infiltratie van afstromend hemelwater op het niveau van één woning wordt als een gering risico beschouwd.

Hoewel afvloeiend hemelwater als afvalwater wordt aangemerkt is gekozen voor de titel ‘afvalwater en hemelwater’ van deze paragraaf om duidelijker te laten zien waar deze betrekking op heeft.

Aanpassing artikel 4.23 Boorputten aardwarmte Venloschol, Artikel 4.36 Toepassingsbereik Boorputten en grondroeringen en Artikel 4.40 Beoordelingsregels

Uit de huidige tekst blijkt niet duidelijk dat de regels voor alle boorputten die gelden op basis van ‘Beoordelingsrichtlijn Mechanisch boren BRL SIKB 2100’ ook van toepassing zijn op het afdichten van boorputten. Dit wordt toegevoegd aan de bestaande teksten in de genoemde artikelen.

Verder wordt ook de verwijzing naar het ‘Protocol Mechanisch boren BRL SIKB 2101’ opgenomen omdat daar de werkwijze nader wordt uitgewerkt.

Artikel 4.40 heeft als titel “Beoordelingsregels”. Artikel 4.40, tweede lid zou dan ook zo gelezen kunnen worden dat deze alleen van toepassing is wanneer sprake is van een omgevingsvergunning. Dat is niet altijd het geval. Bijvoorbeeld bij boorputten die niet dieper dan vijf meter boven NAP gelegen zijn. In die gevallen is het alsnog wenselijk dat voornoemde beoordelingsrichtlijnen gevolgd worden. Derhalve is de titel van het artikel aangepast door ‘en voorschriften’ toe te voegen.

Aanpassing paragraaf 4.3.14 Overige milieubelastende activiteiten, Artikel 4.63 Meldingsplicht

Artikel 4.63 schrijft voor dat milieubelastende activiteiten in een grondwaterbeschermingsgebied moeten worden gemeld. Het heeft geen toegevoegde waarde om informatie over milieubelastende activiteiten te hebben die niet zijn verboden conform de regels in de Omgevingsverordening.

De huidige praktijk is dat er niet wordt gemeld door initiatiefnemers en dat er ook niet op wordt gehandhaafd. Als er een melding binnenkomt is onduidelijk hoe deze wordt geregistreerd. Om overbodige administratieve lasten te voorkomen wordt het gehele artikel geschrapt.

Aanpassing paragraaf 4.3.14 Overige milieubelastende activiteiten, Artikel 4.61 Toepassingsbereik

In Artikel 4.61 zijn regels gesteld aan het gebruik van bepaalde bouwstoffen die een risico vormen voor de grondwaterkwaliteit. Het betreft AVI-bodemas en metaalslakken.

Op basis van het voorzorgsbeginsel wordt het gebruik van specifieke bouwstoffen in het waterwin- en grondwaterbeschermingsgebied verboden. Er bestaat een risico dat het gebruik van deze stoffen tot verontreiniging van het grondwater leidt. Voorbeelden zijn doordat het in dikkere lagen wordt gebruikt dan waar bij een beoordeling van de bouwstof rekening mee is gehouden of doordat de natuurlijke omstandigheden anders zijn dan bij de beoordeling zoals een hogere pH van het bodemvocht of het grondwater waar de bouwstof mee in aanraking kan komen. Gezien het belang van een langdurige goede kwaliteit van het grondwater voor de drinkwatervoorziening wordt het risico van het gebruik van deze bouwstoffen te groot geacht.

Onder bepaalde voorwaarden kan een vergunning worden verleend voor het gebruik van deze bouwstoffen.

Aanpassing Paragraaf 4.3.16 Milieubelastende activiteiten in de zoekgebieden drinkwaterwinning en zoekgebieden grondwaterbescherming

Doel van de zoekgebieden drinkwaterwinning is om in deze gebieden een nieuwe winning voor de openbare drinkwatervoorziening te kunnen realiseren. Daartoe zijn bepaalde nieuwe milieubelastende activiteiten die een toekomstige aanwijzing als grondwaterbeschermingsgebied bemoeilijken niet toegestaan. Het gaat om dezelfde nieuwe milieubelastende activiteiten die nu ook al in grondwaterbeschermingsgebieden verboden zijn (bijlage V).

Er kan een vergunning worden verleend indien aangetoond wordt dat de activiteit op basis van aard of locatie geen bedreiging vormt voor het grondwater. Dat kan bijvoorbeeld door aanvullende beschermende maatregelen te nemen waardoor het risico op verontreiniging van het grondwater aanmerkelijk wordt verkleind.

Als op basis van uitgevoerd onderzoek door WML en provincie bepaalde delen van het zoekgebied niet meer in aanmerking komen om te worden ingezet als grondwaterbeschermingsgebied kan een activiteit in die delen worden vergund, vooruitlopend op een aanpassing van de begrenzing van het zoekgebied.

Aanpassing bijlage I, artikel 1

De begripsbepaling van een parkeerplaats is toegevoegd.

Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij deze afdeling.

Hoofdstuk 5 Gesloten stortplaatsen

De wijzigingen in dit hoofdstuk hebben met name betrekking op een aantal nieuwe bepalingen waarin is opgenomen welke gegevens moeten worden overgelegd bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit in, op, onder of boven een gesloten stortplaats.Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 6 Geluid

De regels in hoofdstuk 6 over stiltegebieden zijn gedeeltelijk geherformuleerd, bijvoorbeeld omdat zij onvoldoende duidelijk of concreet waren en deels waren vermeld in een bijlage. Maar ook vanwege de introductie van begrippen uit de Omgevingswet en nieuwe omschrijvingen in de Provinciale Omgevingsvisie Limburg. De teksten zijn hierop aangepast, verkort of verplaatst.

Achtergrond bij wijziging regels stiltegebieden (afdeling 6.1-6.3)

Afdeling 6.1 Algemeen

Artikel 6.1 Aanduiding stiltegebieden

In artikel 6.1 eerste lid, is het type model RVV 306e gecorrigeerd naar de juiste benaming RVV L306e. Dit betreft een technische wijziging.

In artikel 6.1 tweede lid is het woord ‘alle’ verwijderd. De aanwezigheid van stiltegebiedborden langs alle openbare wegen is niet de praktijk. Vanwege de beperkte impact op het verlagen van het geluidsniveau is het niet doelmatig om bij letterlijk iedere toegangsweg een stiltegebiedbord te plaatsen. 

Afdeling 6.2 Instructieregels stiltegebieden

Artikel 6.2 Kernkwaliteiten stiltegebieden

Artikel 6.2 is beleidsneutraal gewijzigd, met het oog op handhaafbaarheid.

In het eerste lid, onder a, is de kernkwaliteit ‘kwalitatief hoogwaardige leefomgeving’ verwijderd omdat hij, hoewel relevant, met alleen geluidregels niet toetsbaar is.

Ten aanzien van de kernkwaliteiten onder b en c is gekozen voor een verkorte formulering om discussie omtrent zachte termen ‘verstoring’, ‘behoud’ en ‘gebiedseigen’ weg te nemen. Onder b is de term richtwaarde toegevoegd aan het geluidsniveau, zodat dit overeenkomt met het gestelde in hoofdstuk 8.5.1.2 van de Omgevingsvisie. Regels over de geluidsbijdrage zijn verplaatst naar artikel 6.3.

Artikel 6.2 tweede lid, verwijzing naar bijlage VI, is komen te vervallen omdat deze bijlage is vervallen en de inhoud ervan in de artikelen is geïntegreerd.

Artikel 6.3 Instructieregels kernkwaliteiten stiltegebieden

Artikel 6.3 is beleidsneutraal gewijzigd onder toepassing van omschrijvingen in de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving. Het artikel gaat over ‘evenwichtige toedeling van functies’ aan locaties en de daarmee samenhangende geluidbijdrage.

In het eerste lid is de evenwichtige toedeling van functies verwoord. De gevraagde beschrijving in het oude artikel 6.3 is verkort geformuleerd onder a. De rekendetails, afkomstig uit voormalige bijlage VI, zijn vertaald naar het eerste lid, onder b, c en d (over maximaal toelaatbare waarden), en het tweede lid (over het bepalen van de geluidbelasting).

Enkele toepasselijke formuleringen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn eveneens in dit artikel opgenomen, omdat zij verhelderend zijn voor de motivering in het eerste lid en de verbijzonderingen in het tweede lid. Dit betreft de toevoeging over stemgeluid in het eerste lid, onder e (op grond van artikel 5.73 Besluit kwaliteit leefomgeving), de bij ministeriële regeling gestelde regels in het tweede lid (op grond van artikel 6.6 Omgevingsregeling), de omschrijving over afstand in het tweede lid, onder d (op grond van artikel 3.25 Besluit kwaliteit leefomgeving) en de samenhang van activiteiten in het tweede lid, onder e (op grond van artikel 5.58 Besluit kwaliteit leefomgeving).

Artikel 6.4 Ontheffing instructieregels stiltegebieden

Artikel 6.4 is gewijzigd, waarbij rekening is gehouden met formuleringen in artikelen 6.2 en 6.3.

Het eerste lid vervangt de voorwaarden ontheffing instructieregels uit bijlage VI, onder A. De eerdere uitzondering op het toepassingsbereik is niet overgenomen omdat dat zag op incidentele activiteiten. Activiteiten die niet met het karakter van het stiltegebied verenigbaar zijn, zijn anders omschreven, met de geluidseisen uit artikel 6.3 als uitgangspunt. De voorwaarden onder a tot en met d gelden cumulatief bij toetsing ervan. Het derde lid is toegevoegd om gedeputeerde staten in staat te stellen om te beoordelen of een bepaalde functie niet toch inpasbaar is.

Afdeling 6.3 Regels over activiteiten in stiltegebieden

Artikel 6.5 Toepassingsbereik

Artikel 6.5 is nagenoeg gelijkluidend en verhelderd.

Aan het tweede lid, onder b, is aanwezige ‘infrastructuur en nutsleidingen’ toegevoegd, daar deze strikt genomen niet onder de definitie van bouwwerken vallen, maar waarvan het reguliere onderhoud wel beoogd was uitgezonderd te zijn van een vergunningplicht.

Het tweede lid, onder c, is gelijkluidend.

Het tweede lid, onder d, is nieuw toegevoegd om de koppeling met het omgevingsplan meer concreet te maken voor gemeenten. Omdat activiteiten onder zowel c als d gepaard gaan met de fysieke inrichting van een gebied zijn deze onderdelen in het artikel achtereen geplaatst. 

Artikel 6.6 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Artikel 6.6 is nagenoeg gelijkluidend.

Ingevoegd is het vierde lid waarin voertuigen of bromfietsen zonder verbrandings- of explosiemotor of die elektrisch worden aangedreven zijn uitgezonderd van vergunningplicht voor toertochten of wedstrijden. Niet alleen komen in de praktijk steeds meer elektrisch aangedreven voertuigen op de weg of op terreinen, het is ook een motivatie voor elektrificatie van voertuigen die deelnemen aan toertochten of wedstrijden, waardoor de geluidbelasting vermindert.

Ingevoegd is het zesde lid over knalapparatuur, dat voorheen met gelijke bewoordingen in de toelichting stond. In het vijfde lid is knalapparatuur nu niet meer passend en verwijderd.

Artikel 6.7 Beoordelingsregels omgevingsvergunningen voor activiteiten in stiltegebieden

Artikel 6.7 is nieuw, maar beleidsneutraal want het is gebaseerd op de inhoud van de huidige bijlage VI en onder toepassing van omschrijvingen in de Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving.

De huidige bijlage VI vermeldt onder B.1, over het verlenen van omgevingsvergunningen, gelijktijdig de termen ‘incidenteel’ en ‘eenmalig’. Dit is niet hetzelfde. De toelichting onder 2.3, Beleidsregels voor omgevingsvergunningen incidentele activiteiten in stiltegebieden, verduidelijkt dat het niet gaat om (jaarlijks) terugkerende activiteiten, maar om incidentele, uitzonderlijke gebeurtenissen. Het eerste lid van artikel 6.7 is in overeenstemming gebracht met de beleidsregels door uit te gaan van incidentele, dat wil zeggen niet geregeld terugkerende activiteiten.

De activiteiten onder het tweede lid zijn gelijkwaardig aan de huidige bijlage VI, met dien verstande dat de toets aan het broedseizoen is vervallen. Een toets hieraan volgt mogelijk wel uit de regels van de Omgevingswet met betrekking tot natuur en soorten.

In het vierde lid zijn de verbijzonderingen vermeld voor de rekenregels. Enkele toepasselijke formuleringen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in dit lid opgenomen, omdat zij verhelderend zijn voor de vergunningaanvraag. Dit betreft de bij ministeriële regeling gestelde regels (op grond van artikel 6.6 Omgevingsregeling) en de samenhang van activiteiten onder d (op grond van artikel 5.58 Besluit kwaliteit leefomgeving). 

Het vijfde lid met toetscriteria is nieuw toegevoegd, maar werkt volgens de huidige werkwijze.

Artikel 6.8 Specifieke aanvraagvereisten

Artikel 6.8 bevat een aantal eisen voor aan te leveren gegevens bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit in een stiltegebied. Deze gegevens zijn noodzakelijk om te kunnen beoordelen of de vergunning wel of niet kan worden verleend. Bij de formulering van artikel 6.8 is rekening is gehouden met formulering van de beoordelingsregels in artikel 6.7. 

Motivatie voor wijziging van het stiltegebied Noorbeek

De kaartlaag ‘stiltegebieden’ voor het stiltegebied ‘gebied ten zuiden van Mheer en Noorbeek’ wordt aangepast door de begrenzing van het stiltegebied te verleggen naar de perceelgrens van sportcomplex Brigidastraat te Noorbeek.

De aanleiding voor de wijziging van het stiltegebied bij het sportcomplex Brigidastraat in Noorbeek is ontstaan doordat het sportcomplex deels binnen en deels buiten het stiltegebied ligt. Hierdoor gelden er verschillende regels voor activiteiten op het terrein, wat tot onduidelijke en ongelijke situaties leidt. Het sportcomplex bestaat al sinds 1979, terwijl de grens van het stiltegebied pas in 1991 is vastgesteld; hierdoor ligt de grens op een onlogische plek over het terrein. De gemeente Eijsden-Margraten heeft daarom verzocht om de begrenzing van het stiltegebied aan te passen, zodat het gehele sportcomplex buiten het stiltegebied valt en de regelgeving eenduidiger wordt. Door de gemeenten overgelegde onderzoeken tonen aan dat de geluidbelasting bij het huidige gebruik niet past bij de kernkwaliteiten van het stiltegebied en dat er geen beschermde soorten op het terrein voorkomen. Er zijn geen ambities om het gebruik van het sportcomplex te wijzigen of uit te breiden.

Door verlegging van de grens van het stiltegebied op de perceelgrens van het sportcomplex wordt het stiltegebied ‘gebied ten zuiden van Mheer en Noorbeek’ met circa 2,81 ha verkleind. Daar de Omgevingsvisie het kader schept voor de Omgevingsverordening is de contourwijziging bij de laatste wijziging van de Omgevingsvisie doorgevoerd op kaartlaag ‘stiltegebieden’ bij de Omgevingsvisie. Voor de toepassing van de regels voor stiltegebieden is de wijziging van de begrenzing van het gebied in de Omgevingsverordening bepalend.

Afdeling 6.4 Industrieterreinen waarvoor de provincie geluidproductieplafonds vaststelt

De ‘industrieterreinen van provinciaal belang’ hebben de nieuwe naam ‘industrieterreinen waarvoor de provincie geluidproductieplafonds vaststelt’ gekregen, om verwarring te voorkomen met de ‘bedrijventerreinen van provinciaal belang’ waarvoor in afdeling 12.2 instructieregels zijn opgenomen.

Hoofdstuk 7 Landelijk gebied

Dit hoofdstuk was voorheen getiteld ‘Landschappen’ en bevatte de regels over het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg en de groenblauwe mantel. Het nieuwe hoofdstuk 7 bevat de algemene instructieregels voor het primair landbouwgebied (afdeling 7.1) en de deelgebieden binnen de groenblauwe landbouwzone en verwevingsgebied (afdeling 7.2). 

In afdeling 7.3 zijn instructieregels over ruimtelijke kwaliteit opgenomen.

De afdelingen 7.4 en 7.5 bevatten respectievelijk de instructieregels over en de regels voor activiteiten in het beschermingsgebied Nationaal landschap Zuid-Limburg. In artikel 7.17 is op drie plaatsen de term ‘beekdal’ vervangen door ‘beeklandschap’. De kaart van het deelgebied ‘beekdal’ (artikel 7.3, eerste lid, onder c) is daarmee niet van toepassing bij artikel 7.17. In Bijlage I is een begripsomschrijving van ‘beeklandschap’ opgenomen. De artikelen in de afdelingen 7.4 en 7.5 zijn vernummerd maar verder niet gewijzigd.Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 8 Natuurgebieden

De eisen en regels met betrekking tot compensatie en natuurverbetering bij ingrepen in het Natuurnetwerk Limburg zijn op onderdelen aangepast. Dat geldt ook voor de bijlage IX waarin dit verder is uitgewerkt. Deze bijlage bevat ook de regels over compensatie bij aantasting van bos of landschapselementen in de deelgebieden binnen de groenblauwe landbouwzone en verwevingsgebied (artikel 7.12) en bij compensatie van de negatieve effecten op de kernkwaliteit ‘het groene karakter’ in het beschermingsgebied Nationaal Landschap Zuid-Limburg (artikel 7.15, tweede lid).

Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dit hoofdstuk en de toelichting bij Bijlage IX.

Hoofdstuk 9 Flora en fauna

Met uitzondering van de correctie van een verduidelijking van de titel van paragraaf 9.2.4 en correctie van verkeerde verwijzing in artikel 9.23 is dit hoofdstuk niet gewijzigd. 

Hoofdstuk 10 Landbouw

Dit hoofdstuk is grotendeels herzien. De instructieregels met betrekking tot de intensieve veehouderij (paragraaf 10.1.1) en de glastuinbouw (paragraaf 10.1.3) zijn herschreven. Enkele instructieregels gelden ook voor het houden van andere landbouwhuisdieren. Geheel nieuw zijn instructieregels over de akkerbouw, tuinbouw, sierteelt, fruitteelt en andere plantaardige agrarische teelten (paragraaf 10.1.4) en instructieregels over verwaarding van mest (paragraaf 10.1.5).

Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dit hoofdstuk.

De instructieregels voor nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderijen (paragraaf 10.1.2) en de rechtstreeks werkende regels voor nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderijen (afdeling 10.3) zijn ongewijzigd, met uitzondering van de uiterste datum waarop gemeenten het nieuwvestiging- en uitbreidingverbod in het omgevingsplan moeten hebben verankerd. Die datum is verschoven naar 1 januari 2032, waarop alle gemeenten moeten beschikken over een omgevingsplan dat aan alle eisen van de Omgevingswet voldoet. Tot die datum geldt in ieder geval het rechtstreeks werkende verbod op nieuwvestiging en uitbreiding geitenhouderijen zoals opgenomen in afdeling 10.2.

Hoofdstuk 11 Herbenutting monumentale gebouwen

Dit hoofdstuk was voorheen getiteld ‘Cultureel erfgoed’. De hierin opgenomen instructieregels gericht op herbenutting van monumentale gebouwen zijn herschreven. Er is voor een titel gekozen die beter aansluit op de inhoud van het hoofdstuk.

Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 12 Wonen, werken en recreëren

Het bevat instructieregels over de volgende onderdelen:

  • a.

    Afdeling 12.1: Wonen

  • b.

    Afdeling 12.2: Werklocaties

  • c.

    Afdeling 12.3: Vrijetijdseconomie

  • d.

    Afdeling 12.4: Wonen in een recreatieverblijf of op een recreatieterrein

  • e.

    Afdeling 12.5 (Na-ijlende effecten steenkoolwinning) is vernummerd maar inhoudelijk ongewijzigd

De wijzigingen in afdeling 12.1 hangen met name samen met de wens om meer regie te nemen op wonen. De inwerkingtreding van de 12.2 en 12.3 is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting omdat de provincies pas door die wet de bevoegdheid krijgen instructieregels vast te stellen over het gemeentelijk volkshuisvestingsprogramma.

Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij de verschillende afdelingen van dit hoofdstuk. Hieronder is kort de achtergrond bij de wijzigingen in afdeling 12.2 (werklocaties) opgenomen.

Achtergrond bij wijziging regels werklocaties (afdeling 12.2)  

  • 1.

    Titel en volgorde instructieregels zijn aangepast zodat dit beter aansluit bij de Omgevingsvisie;

  • 2.

    Nieuwe instructieregels (aansluitend bij hetgeen is aangekondigd in de Omgevingsvisie):

    • a.

      Instructieregels m.b.t. minimale milieucategorieën op bedrijventerreinen (artikel 2.10, zevende, achtste en negende lid): Deze instructieregels zijn vooral bedoeld om te voorkomen dat bedrijventerreinen die geschikt zijn voor zwaardere bedrijvigheid (zoals maak- en procesindustrie, andere productievormen, recycling, overslag, logistiek e.d.) worden ingevuld met lichtere functies (zoals kantoren, detailhandel, maatschappelijke, medische of recreatieve functies). In feite wordt hiermee ter stimulering van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zorgvuldig ruimtegebruik) een minimale milieuklasse toegepast. Activiteiten met een lagere milieubelasting kunnen terecht in stedelijk gebied of landelijke kernen óf op stedelijke dienstenterreinen. Hiermee willen we de schaarse milieugebruiksruimte beschermen, zodat er voldoende ruimte overblijft voor bedrijven die elders moeilijk inpasbaar zijn. Tevens draagt deze instructieregel bij aan het behoud van economische activiteiten in stedelijk gebied, landelijke kernen en op stedelijke dienstenterreinen.

    • b.

      Uitzonderingen op instructieregel m.b.t. verbod op bedrijfskavels met een oppervlakte groter dan 5 hectare (artikel 12.10 lid 4): Uit de toelichting bij artikel 12.10, tweede lid, onderdeel a blijkt dat het een bewuste keuze is om bedrijfskavels qua oppervlakte te maximaliseren zodat andere ontwikkelingen ook nog kunnen worden gefaciliteerd binnen de aanwezige oppervlakte van de Provincie Limburg. Er zijn echter projecten met een aanzienlijk ruimtebeslag (groter dan 5 hectare) die tegelijkertijd van zodanig groot maatschappelijk belang zijn, dat een uitzondering op de maximale kavelgrootte van 5 hectare gerechtvaardigd is. In het vierde lid zijn dan ook voorzieningen c.q. activiteiten opgenomen waarvoor artikel 12.10, tweede lid, niet van toepassing is. 

    • c.

      Instructieregels voor bedrijventerreinen van provinciaal belang (artikel 12.11): Deze instructieregels beogen te waarborgen dat er voldoende ruimte beschikbaar is en blijft voor:

      • (boven)regionale, groot van omvang zijnde en/of zware bedrijvigheid;

      • de transitie naar een circulaire economie; -het clusteren van risicovolle bedrijfsactiviteiten;

      • het optimaal benutten van kade gebonden kavels (‘natte kavels’) en aanwezige overslagfaciliteiten.

    • d.

      Instructieregels voor solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare (artikel 12.12): Het beleid in de Omgevingsvisie met betrekking tot leegstaande solitaire bedrijfskavels is door vertaald in instructieregels om zo bij leegstand of beëindiging van de bedrijfsvoering op een solitaire bedrijfskavel groter dan 1 hectare gebiedsgericht te kunnen kijken naar transformatie van de locatie naar bedrijventerrein of, indien dit niet mogelijk is, naar functiewijziging of herstructurering. De functiewijziging of herstructurering dient te voorzien in ruimtelijke kwaliteitswinst waarmee het knelpunt ter plekke wordt opgelost.

    • e.

      Instructieregels voor wonen op bedrijventerreinen (artikel 12.13):Het beleid in de Omgevingsvisie met betrekking tot Efficiënt ruimtegebruik en functiemenging bedrijventerreinen is door vertaald in een instructieregel met betrekking tot wonen op bedrijventerreinen. Op bedrijventerreinen is een toenemende ruimtedruk ontstaan door de vestiging van functies die niet direct aan een bedrijventerrein te relateren zijn. Kwetsbare functies, waaronder wonen, inclusief huisvesting van arbeidsmigranten of tijdelijk wonen, lenen zich niet voor functiemenging op een bedrijventerrein. Dit vanwege: 

      • omgevingsfactoren (geluids- en geuroverlast, verkeersveiligheid, fijnstof, milieucirkels en de vaak niet-geringe afstand tot voorzieningen) met een impact op de kwetsbare functie; 

      • de impact van de kwetsbare functie op het functioneren van het bedrijventerrein (bijv. mogelijke belemmeringen voor uitbreiding van bedrijfsvestigingen nabij de kwetsbare functie); 

      Daarnaast geldt dat er op bedrijventerreinen een ruimtedruk bestaat en er naar de toekomst toe voldoende geschikte ruimte op bedrijventerreinen beschikbaar moet blijven (in de diverse bedrijfscategorieën). Het bestemmen van een kavel op een bedrijventerrein naar een functie die impact heeft op het bedrijventerrein past niet binnen het uitgangspunt om voldoende geschikte ruimte op bedrijventerreinen beschikbaar te houden. Ook past het niet bij het Limburgse principe 1 “Recht doen aan een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, dier en plant”.

  • 3.

    Concretisering bestaande instructieregels met betrekking tot detailhandel, kantoren en bedrijventerreinen: de verwijzingen naar hoofdstukken in de Omgevingsvisie en de regionale bestuursafspraken zijn geconcretiseerd (artikel 12.8, artikel 12.9 en artikel 12.10, eerste lid). Hierbij wordt niet langer algemeen verwezen naar de regionale bestuursafspraken en hoofdstukken uit de POVI waaraan moet worden voldaan, maar is in de instructieregels uitgewerkt wat inhoudelijk in een omgevingsplan moet worden gemotiveerd n.a.v. de bestuursafspraken en de Omgevingsvisie. 

  • 4.

    De naamgeving van het kaartbeeld ‘bedrijventerreinen’ zoals dit was opgenomen in de Omgevingsverordening 2021 is gewijzigd in ‘werklocaties’ en geactualiseerd aansluitend bij Ruimtelijk Economisch Bedrijventerreinen Informatie Systeem (REBIS). Deze naamgeving sluit aan bij de Algemene Zonering zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. ‘Werklocaties’ is hierbij de overkoepelende zone. ‘Bedrijventerreinen’ is een van de subcategorieën in deze zone. De andere subcategorieën in de zone ‘werklocaties’ zijn: ‘stedelijke dienstenterreinen’ (voor grootschalige detailhandel- en/of kantoorontwikkelingen) en ‘solitaire bedrijfskavels groter dan 1 hectare’.

  • 5.

    Waar van toepassing is de link gelegd met de algemene zonering uit de Omgevingsvisie.

Hoofdstuk 13 Energie

Nieuw in dit hoofdstuk zijn paragraaf 13.1.1 (instructieregel energieparagraaf) en 13.1.4 (instructieregels batterijopslag). De instructieregels over windenergie (paragraaf 13.1.2) en zonne-energie (paragraaf 13.1.3) zijn gewijzigd.Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 14 Ontgrondingen

Dit hoofdstuk is volledig nieuw en bevat een aantal vrijstellingen van en aanvullingen op de vergunningplicht voor ontgrondingsactiviteiten. In artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn de landelijk geregelde vrijstellingen opgenomen. Artikel 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalt dat in de omgevingsverordening hiervan kan worden afgeweken. Van deze bevoegdheid is hier gebruik gemaakt.Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 14 bevatte voorheen de regels over monitoring en informatie. Deze zijn verplaatst naar hoofdstuk 16.

Hoofdstuk 15 Beschermingsgebied Einstein Telescope

De regels over het beschermingsgebied Einstein Telescope stonden voorheen in hoofdstuk 16 (overige bepalingen) maar zijn naar een ‘eigen’ hoofdstuk verplaatst. Inhoudelijk zijn de regels ongewijzigd.Hoofdstuk 15 bevatte voorheen de regels over toezicht en handhaving. Deze zijn vervallen omdat die regels met ingang van 31 mei 2024 zijn opgenomen in de Verordening uitvoering en handhaving (omgevingsrecht) Provincie Limburg 2024.Hoofdstuk 16 Monitoring en informatie.

Dit hoofdstuk was voorheen hoofdstuk 14. Alleen de bepalingen over monitoring woningbouw (afdeling 16.5 zijn gewijzigd). Voor een inhoudelijke toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij afdeling 12.1 (wonen).

Hoofdstuk 17 Overgangsrecht en slotbepalingen

Een aantal overgangsbepalingen zijn nieuw of gewijzigd in verband met nieuwe of gewijzigde (instructie)regels. Op grond van overgangsbepalingen kunnen situaties die op het tijdstip van inwerkingtreding van een instructieregel of regel over een activiteit, al legaal bestonden uitgezonderd worden van toepassing van de nieuwe regel.

Technische wijzigingen

Naast de inhoudelijke wijzigingen zijn in deze Omgevingsverordening ook technische wijzigingen doorgevoerd om te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsdocumenten (TPOD). Dit zijn wijzigingen op het vlak van opmaak en annotaties. Deze wijzigingen zijn allemaal zichtbaar in de 'renvooi', maar wijzigen de Omgevingsverordening niet inhoudelijk.

Naar boven