Provinciaal blad van Fryslân
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2026, 529 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Fryslân | Provinciaal blad 2026, 529 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van Gedeputeerde Staten van 2 december 2025 strekkende tot wijziging van de Uitvoeringsregeling Asv provincie Fryslân 2022
De Uitvoeringsregeling Asv provincie Fryslân 2022 wordt als volgt gewijzigd:
Onder verlettering van onderdelen c, d, e, f, g, h, i en j naar d, e, f, g, h, i, j en k wordt een nieuw onderdeel c toegevoegd aan artikel 1.1 dat komt te luiden:
c. egalisatiereserve: een reserve die door de ontvanger van een boekjaarsubsidie kan worden gevormd, die bestaat uit het positieve verschil tussen gerealiseerde opbrengsten en de gerealiseerde kosten van subsidiabele activiteiten in enig jaar en dient ter dekking van tekorten in enig toekomstig jaar..
In artikel 2.1 wordt na het vierde lid een vijfde lid ingevoegd dat komt te luiden:
In afwijking van het vierde lid is het subsidieontvangers toegestaan om - ingeval van een positief financieel resultaat op een subsidiabele activiteit - een egalisatiereserve ter hoogte van het positieve resultaat (1ste maximum) te vormen zolang de boekjaarsubsidierelatie voortduurt en voor zover de totale reserve maximaal 10% van het subsidiebedrag (2de maximum) in het betreffende jaar waarin de reserve wordt gevormd of wordt gecontinueerd bedraagt..
Artikel 2.4 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.5 wordt als volgt gewijzigd:
Het tweede lid wordt als volgt gewijzigd en komt te luiden:
De hoogte van de subsidiabele loonkosten wordt bepaald op basis van een individueel uurtarief, waarbij de subsidieaanvrager kan kiezen uit de volgende varianten voor de berekening van dat uurtarief:
Het tarief is gelijk aan het jaarlijkse brutoloon van een persoon, vermeerderd met werkgeverslasten, gedeeld door het aantal werkbare uren van die persoon, waarbij het aantal werkbare uren per jaar is bepaald op 1.500 bij een voltijds dienstverband. Het berekende uurtarief kan worden vermeerderd met een percentage van maximaal 20% voor overhead. Het subsidiabele uurtarief bedraagt in ieder geval niet meer dan € 100,- exclusief overhead en € 120,- inclusief overhead; of
Artikel 2.11 wordt als volgt gewijzigd:
Onder vernummering van het tweede naar het derde lid wordt in artikel 2.12 een nieuw tweede lid ingevoegd dat komt te luiden:
Artikel 3.3 wordt als volgt gewijzigd:
Onder verlettering van onderdeel b. in het derde lid naar onderdeel c. wordt een nieuw onderdeel b. ingevoegd dat komt te luiden:
In het geval van boekjaarsubsidie een positief resultaat, zoals bedoeld onder a, resteert wordt een toegestane mutatie in de egalisatiereserve betrokken in het resultaat voor zover het positieve resultaat dit toestaat. De toegestane mutatie in de egalisatiereserve wordt - voor de berekening van de vaststelling - toegevoegd aan de werkelijke kosten. Een eventuele vrijval van de egalisatiereserve wordt toegevoegd aan de opbrengsten;.
Het nieuwe onderdeel c. wordt als volgt gewijzigd en komt te luiden:
Indien na de in onderdeel a, of in het geval van een boekjaarsubsidie na de in onderdeel a en b, bedoelde berekening een positief resultaat resteert, wordt de subsidie lager vastgesteld naar rato van het aandeel van de provinciale subsidie in de totale gerealiseerde opbrengsten, inclusief de begrote eigen bijdrage. Resteert een negatief resultaat, dan wordt de subsidie vastgesteld overeenkomstig de verlening..
Onder vernummering van artikelen 3.1, 3.2 en 3.3 naar 3.2, 3.3 en 3.4 wordt een nieuw artikel 3.1 ingevoegd dat komt te luiden:
Artikel 3.1 Aanvraag tot vaststelling
Binnen 13 weken na de datum waarop de activiteit op grond van de subsidieverleningsbeschikking moet zijn uitgevoerd of, indien dat eerder is, binnen 13 weken na de uitvoering van de activiteit, dient een aanvraag tot subsidievaststelling van de subsidie-ontvanger te zijn ontvangen door Gedeputeerde Staten.
Het nieuwe artikel 3.2 wordt als volgt gewijzigd:
“Artikel 4.1” wordt vervangen door “artikel 2 Beleidsregel voorkoming misbruik en oneigenlijk gebruik bij subsidies 2024”..
De toelichting wordt als volgt gewijzigd:
Voor het vormen van fondsen of reserveringen als bedoeld in artikel 4:71 Awb is, zo blijkt uit het vierde lid, toestemming nodig van Gedeputeerde Staten. Dit geldt daarom ook voor de in artikel 1.1 genoemde egalisatiereserve. Echter het toestaan van fondsen of reserveringen heeft in beginsel voor de instelling geen (gunstig) effect bij de vaststelling van de subsidie. Immers blijkens artikel 3.3, derde lid, van de UAsv geschiedt de vaststelling op basis van werkelijke kosten en werkelijke opbrengsten. Het resultaat van deze twee componenten is de basis voor de vaststellingen. Reserveringen of het vormen van fondsen vinden juist plaats nadat het resultaat (winst) is bepaald, dus zouden dan geen invloed hebben op de berekening van de hoogte van de vaststelling.
In het vijfde lid van artikel 2.1 wordt een algemene regel gegeven op basis waarvan egalisatiereservevorming, mits binnen de voorwaarden van dit artikel wordt gebleven, is toegestaan zonder toestemming van Gedeputeerde Staten. Bij de vaststelling van de subsidie volgens artikel 3.3. zal dan ook rekening worden gehouden met deze reserve.
Een egalisatiereserve komt aan de orde zodra er een overschot (meer opbrengsten dan kosten) is behaald op de subsidiabele activiteiten. Dit overschot kan verschillende oorzaken hebben, bijvoorbeeld kostenefficiëntie dan wel extra bijdragen van derden. Welke oorzaak dit is, maakt voor het kunnen vormen voor een egalisatiereserve niet uit.
Er zijn voorwaarden verbonden aan de egalisatiereserve, zonder toestemming, zoals bedoeld in het vijfde lid. De volgende voorwaarden worden genoemd:
De reserve mag maximaal 10% bedragen van het subsidiebedrag in het betreffende jaar waarin de reserve wordt gevormd of wordt gecontinueerd. Voor de duidelijkheid wordt hier opgemerkt dat het om een totaalbedrag gaat, het gaat dus om de stand van de reserve in ieder jaar. Er is nadrukkelijk niet bedoeld dat ieder jaar 10% aan de reserve toegevoegd kan worden, ongeacht de stand van de reserve. Overstijgt de reserve het maximale percentage, dan moet daar alsnog toestemming voor worden gevraagd op grond van het vierde lid.
Egalisatiereserve met toestemming
In uitzonderingsgevallen kan Gedeputeerde Staten besluiten om een hoger percentage dan 10% toe te staan (hiervoor geldt de vereiste toestemming zoals bedoeld in het vierde lid). Hierbij kan gedacht worden aan situaties waarbij boekjaarinstellingen naar hun aard een jaarlijks fluctuerend kosten- en opbrengstenpatroon hebben.
Op grond van artikel 2.1 het vierde lid UAsv, juncto 4:71, eerste lid, onderdeel g, Awb kan Gedeputeerde Staten hiervoor namelijk toestemming geven. De toestemming kan zowel worden gegeven bij de verlening van de boekjaarsubsidie als bij de vaststelling van de boekjaarsubsidie.
Voor egalisatiereserves waarvoor deze ‘afwijkende’ toestemming is verkregen geldt ook dat deze – voor de berekening van de vaststelling van de subsidie – worden toegerekend aan de kosten.
Egalisatiereserve volgens artikel 4:72 Awb
Deze situatie moet worden onderscheiden van de situatie in artikel 4:72 Awb, waar over een plicht tot egalisatiereservevorming wordt gesproken. Artikel 4:72 Awb is niet van toepassing, omdat dit artikel in deze UAsv niet van toepassing is verklaard.
De artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.4 wordt als volgt gewijzigd:
Evenmin wordt subsidie verstrekt voor onvoorziene kosten voor zover die hoger zijn dan 5% van de subsidiabele kosten en onvoldoende gespecificeerde kosten. Vanuit het oogpunt van doelmatige subsidieverstrekking is het belangrijk dat kosten zoveel mogelijk inzichtelijk gemaakt en gespecificeerd worden. Subsidieaanvragers hebben op grond van deze bepaling de plicht om zo veel als mogelijk aan te geven en toe te lichten uit welke verschillende (soorten) kosten een bepaalde overkoepelende kostenpost bestaat en hoe hoog die kosten zijn per eenheid of product. Wat van subsidieontvangers wordt gevraagd moet echter wel blijven binnen redelijke grenzen. Om deze reden zijn 5% onvoorziene kosten toegestaan, omdat de realiteit altijd afwijkt van de inschatting vooraf.
Daarnaast wordt van de subsidieontvanger verwacht dat de kosten voldoende gespecificeerd worden. Wanneer van voldoende specificatie van kosten kan worden gesproken is moeilijk eenduidig aan te geven omdat dit per soort project kan verschillen. De aard van de subsidie en het te subsidiëren project kan hierbij betrokken worden. Zo is het bijvoorbeeld gebruikelijk bij subsidies aan mede-overheden, of semi-overheden, dat er gewerkt wordt met budgetramingen. Deze budgetramingen zijn hoog over en in die zin minder gespecificeerd. Het is echter gebruikelijk om zo te werken, dus wordt deze mate van specificatie in die gevallen geaccepteerd.
Verder is van belang dat het eerste lid geen limitatieve opsomming bevat van kosten die niet subsidiabel zijn. Op grond van het tweede lid kunnen Gedeputeerde Staten namelijk in een subsidieregeling of, bij het ontbreken daarvan, in een beschikking tot subsidieverstrekking, bepalen dat ook andere kosten niet subsidiabel zijn.
Tot slot is in het derde lid bepaald dat in een subsidieregeling of, bij het ontbreken daarvan, in een beschikking tot subsidieverstrekking gemotiveerd kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onder b. Dit gaat over de hiervoor al benoemde in-kind kosten. Deze afwijkingsmogelijkheid kan in ieder geval worden toegepast als het vasthouden aan deze bepaling, meestal in combinatie met bepalingen uit subsidieregelingen (maximaal percentage subsidie ten opzichte van totale subsidiabele kosten), leidt tot een onlogische of onredelijke uitkomst voor de subsidieontvanger.
De artikelsgewijze toelichting bij artikel 2.5 wordt als volgt gewijzigd:
De derde alinea wordt als volgt gewijzigd:
De hoogte van de subsidie wordt bepaald op basis van een uurtarief, dat wordt berekend op basis van de specifieke situatie van een bepaald personeelslid. De subsidieaanvrager heeft daarbij de keuze tussen twee varianten: een berekening van het uurtarief volgens een provinciale methode, of volgens een landelijke methode, de zogeheten integrale kostensystematiek (IKS) van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO).
Bij de eerste variant moet een organisatie die subsidie vraagt voor loonkosten kunnen aantonen hoe hoog het werkelijke brutoloon inclusief werkgeverslasten is en wat voor dienstverband (fulltime dan wel parttime en ingeval van parttime welke parttime-factor) de betreffende werknemer heeft. In artikel 1.1 is opgenomen wat onder brutoloon wordt verstaan. Daarbij is van belang dat overhead geen onderdeel mag uitmaken van de brutoloonkosten. Wel kan overhead als afzonderlijk onderdeel worden gesubsidieerd in de vorm van een opslag op het berekende uurtarief. Een aanvrager die te maken heeft met overheadkosten kan daarvoor separaat, dat wil zeggen: niet als onderdeel van het uurtarief maar in de vorm van een opslag op dat tarief, subsidie aanvragen en ontvangen. De subsidie voor overhead bedraagt maximaal 20% van het uurtarief zoals dat conform (de tweede zin van) het tweede lid is berekend. Zonder overhead bedraagt het maximum uurtarief € 100,-. Als wel sprake is van overhead wordt het uurtarief vermeerderd met die overhead, tot een maximaal uurtarief van € 120,-. Bij deze variant zij opgemerkt dat bij arrangement-3-verleningen de toetsing ‘aan de voorkant’ (bij de verlening) doorgaans marginaal zal plaatsvinden: dit betekent dat de aanvrager van de subsidie aannemelijk moet maken hoe hij tot het begrote tarief is gekomen. Bij de vaststelling van de subsidie zal de accountant nagaan of de daadwerkelijke gehanteerde tarieven overeenkomen met de voorgeschreven normen in dit artikel.
Tot slot kan het bij deze variant voorkomen dat subsidieontvangers in de begroting niet werken met uurtarieven maar met een post ‘loonkosten’. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een of meerdere medewerker(s) volledig is/zijn vrijgemaakt voor het subsidiabele project. De opgevoerde post loonkosten in de begroting moet ook dan gebaseerd zijn op (maximaal) de begrote loonkosten, inclusief werkgeverslasten en maximaal 20% overhead. Tevens zal dan moeten worden aangegeven hoeveel fte in de begrote post loonkosten zijn opgenomen.
Bij de tweede variant kan de organisatie het door de RVO goedgekeurde IKS-tarief opvoeren. Voor de methode van de integrale kostensystematiek kan dus alleen worden gekozen door aanvragers waarvan de Eigen Verklaring IKS is goedgekeurd door de RVO. De IKS is een manier om directe en indirecte kosten toe te rekenen aan kostendragers, zoals arbeidsuren of machine-uren. Deze kosten houden verband met, en zijn noodzakelijk voor het uitvoeren van de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd. Een IKS is niet hetzelfde als het eenvoudigweg delen van alle kosten door de werkbare uren. De kosten moeten via controleerbare verdeelsleutels aan de kostendragers worden toegerekend. De IKS is complex en vooral geschikt voor grotere bedrijven en kennisinstellingen. Een voorwaarde is dat IKS stelselmatig wordt gebruikt het bedrijf of organisatie. Kleine bedrijven hebben meestal geen IKS die geschikt is voor het berekenen van subsidiabele kosten. Voor deze subsidieaanvragers zal op de eerste variant uitgekomen worden.
Werknemer A heeft een voltijd dienstverband, op grond waarvan haar brutoloon, inclusief werkgeverslasten, € 50.000,- per jaar bedraagt. Voor de berekening van het uurtarief wordt uitgegaan van een (fictief) aantal werkbare uren van 1.500 per jaar. Het uurtarief bedraagt daarmee € 50.000 / 1.500 = € 33,33. Dat tarief wordt vervolgens vermeerderd met het aantal uren dat het personeelslid (naar verwachting) ten behoeve van de gesubsidieerde activiteiten verricht. Als werknemer A (naar verwachting) in totaal 150 uren aan de gesubsidieerde activiteiten besteedt, bedragen de subsidiabele loonkosten van die werknemer maximaal 150 x € 33,3 = € 5.000,-..
De eerste stap is dat het deeltijdpercentage bepaald wordt. Twee dagen per week, betekent een dienstverband van 0,4 fte (overigens is het deeltijdpercentage doorgaans opgenomen op de loonstrook, zodat hier niet afzonderlijk een berekening van hoeft te worden gemaakt). Uitgaande van een fictief aantal werkbare uren van 1.500 per jaar voor een voltijd dienstverband, betekent dit 1.500 x 0,4 = 600 werkbare uren voor deze werknemer. Het subsidiabele uurtarief is dan € 18.500 / 600 uur = € 30,83. Als werknemer B (naar verwachting) in totaal 50 uren aan de gesubsidieerde activiteiten besteedt, bedragen de subsidiabele loonkosten van die werknemer maximaal 50 x € 30,83 = € 1.541,67.
De subsidieaanvrager voert IKS-uurtarieven voor eigen personeel op. Bij de aanvraag dienen de Eigen Verklaring IKS en de goedkeuring van de RVO bij de subsidieaanvraag overgelegd te worden. Op basis hiervan kan uitgegaan worden van de goedgekeurde IKS-uurtarieven. Ontbreekt de goedkeuring van de RVO dan moet de subsidieaanvrager terugvallen op de berekeningswijze onder a.
Van belang is dat de subsidieontvanger per werknemer precies bijhoudt hoeveel uren die werknemer aan de gesubsidieerde activiteit heeft besteed. Daartoe moet een urenadministratie worden bijgehouden. In die administratie wordt in ieder geval opgenomen welke werknemer het betreft, hoeveel uren op een bepaalde datum zijn gemaakt en welke werkzaamheden zijn verricht.
In het vierde lid is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen. In principe is het uitgangspunt dat van deze afwijkingsmogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt. Er zijn immers twee werkbare varianten om loonkosten op te voeren genoemd in het tweede lid. In zeer bijzondere gevallen kan echter gebruik gemaakt worden van dit lid.
Tot slot is relevant dat dit artikel niet van toepassing is op boekjaarsubsidies. Bij boekjaarsubsidies hebben Gedeputeerde Staten inzicht in de organisatiebegroting waaruit de gehele personeelsformatie en bijbehorende kosten blijken. De personeelskosten worden vervolgens, via een activiteitenbegroting, toegerekend aan de activiteiten. Hiermee kan een sluitend verband worden gelegd tussen de in de activiteitenbegroting opgenomen personeelskosten en de totale personeelskosten opgenomen in de organisatiebegroting.
Bij coöperaties en verenigingen doet zich de bijzondere situatie voor dat zij leden hebben. Hoewel de leden van coöperaties en verenigingen, als deze rechtspersonen een subsidie aanvragen, strikt genomen niet geheel onafhankelijk zijn worden zij voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld aan een externe derde. Dit betekent dat bij coöperaties en verenigingen de kosten voor de inhuur van hun leden, als externe derden, subsidiabel zijn. Hierbij gelden wel de hiervoor opgenomen voorwaarden, het lid moet zijn 1) een persoon die beroepsmatig diensten verricht en 2) die diensten moeten aansluiten bij de activiteiten waarvoor zijn diensten worden ingezet.
Tot slot wordt hier opgemerkt dat deze norm, in de vorm van een maximumtarief, voornamelijk is gesteld voor de inzet van externe derden waarbij de kosten vrijwel geheel bestaan uit de inzet van uren. Wanneer dit niet het geval is, bijvoorbeeld in aannemersoffertes, autogarageoffertes of installateuroffertes waar een deel uren van de externe derde is, maar ook een belangrijk deel bestaat uit andere (materiaal)kosten, wordt het uurtarief marginaal getoetst. Dergelijke offertes waarin uurtarieven niet zijn opgenomen of uitgesplitst worden zonder verdere toetsing geaccepteerd. Er wordt van uitgegaan dat het opvragen van een offerte (of bij een hoger bedrag meerdere offertes), of het opstellen van een budgetraming op basis van ervaringsregels, voldoende zekerheid biedt dat een marktconform uurtarief wordt gehanteerd. Dat marktconforme uurtarief ligt in de regel onder de in dit artikel gestelde norm.
Pas bij de vaststelling van de subsidie ontstaat een onvoorwaardelijke en definitieve aanspraak op een bepaald subsidiebedrag. Gedeputeerde Staten zijn dus in beginsel ook pas op dat moment verplicht tot betaling van dat subsidiebedrag. Ingevolge artikel 4:95 Awb kunnen Gedeputeerde Staten echter vooruitlopend op die betalingsverplichting voorschotten verlenen.
Het eerste lid van dit artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten bij subsidies tot € 25.000,- en die geen boekjaarsubsidie zijn, ambtshalve – zelfstandig, zonder voorafgaande aanvraag tot een voorschot – maximaal 100% van het subsidiebedrag als voorschot verlenen. In het tweede lid is weergegeven dat voor subsidies vanaf € 25.000,- een ambtshalve voorschot van maximaal 80% wordt verleend. Het werkelijke voorschotpercentage kan onder meer afhankelijk zijn van de aard van de activiteiten, de mate van waarschijnlijkheid dat de activiteiten (conform de subsidieverlening) worden uitgevoerd en het risico dat eventuele onverschuldigd betaalde voorschotten niet kunnen worden teruggevorderd. In de voorschotbeschikking, die zoveel mogelijk wordt gecombineerd met de beschikking tot subsidieverlening (lid 5), wordt het werkelijke voorschotpercentage en/of -bedrag vermeld.
Gedeputeerde Staten kunnen op grond van het derde lid ook een hoger percentage als voorschot verlenen, als op basis van een voorafgaande risicoanalyse blijkt dat daar niet of nauwelijks risico’s aan zijn verbonden. Dat is bijvoorbeeld het geval als (voldoende) zeker is dat de gesubsidieerde activiteiten tijdig en overeenkomstig de verlening worden uitgevoerd. De risicoanalyse moet altijd uitgevoerd worden, maar dit betekent niet dat andere belangen niet mogen worden meegenomen. Ook bij een hoger risico kunnen andere belangen toch tot afwijking van het uitgangspunt nopen.
Afwijking van het voornoemde uitgangspunt is mogelijk als hogere regelgeving hiertoe noopt. Het komt bijvoorbeeld voor dat vanuit Europese regelgeving (o.a. het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) verplicht wordt voorgeschreven dat een subsidie op rekening van een ander dan de subsidieontvanger wordt uitbetaald.
Voor de duidelijkheid wordt hier opgemerkt dat de eerste beoordeling bij vaststelling aan de hand van artikel 4:46 Awb wordt gedaan. Hierbij is de belangrijkste beoordeling of aan alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd en of aan de opgelegde verplichtingen is voldaan. Is dit niet het geval dan kan dit reden zijn om de subsidie lager vast te stellen. Is dit wel het geval dan wordt daarna naar de werkelijke kosten en opbrengsten gekeken en wat dit betekent voor het vast te stellen bedrag.
Na afloop van het boekjaar wordt het vaststellingsverzoek ingediend. De werkelijke kosten bedragen € 930.000,-. De overige dekking is hetzelfde gebleven, € 500.000,-. Boekjaarinstelling A heeft een egalisatiereserve gevormd in de jaarrekening van € 50.000,- en deze bestemd voor gesubsidieerde activiteiten.
Op grond van het derde lid van dit artikel wordt het bedrag dat gelijk is aan de totale werkelijk gemaakte subsidiabele kosten (€ 930.000,-) afgetrokken van de totale opbrengsten van derden en de begrote eigen bijdrage (€ 1.000.000,-). Dit resulteert in een positief resultaat van € 70.000,-. In het resultaat wordt ook een egalisatiereserve betrokken voor zover het positieve resultaat dit toestaat en het past binnen de voorwaarden beschreven in artikel 2.1, vijfde lid. De reserve is bestemd voor gesubsidieerde activiteiten, bedraagt niet meer dan 10% van de subsidie (€ 50.000,- t.o.v. € 500.000,-) en is opgenomen in de jaarrekening. Bovendien past de opgenomen reserve binnen het positieve resultaat (€ 50.000,- t.o.v. € 70.000,-). Het resultaat bedraagt na deze vervolgstap nog € 20.000,-.
Omdat een positief bedrag resteert, wordt de subsidie lager vastgesteld naar rato van het aandeel van de provinciale subsidie in de werkelijke opbrengsten, inclusief de begrote eigen bijdrage. Dat aandeel bedraagt 50% (€ 1.000.000,- / € 500.000,-). De subsidie wordt daarom in beginsel met € 10.000,- lager vastgesteld.
In artikel 3.3, derde lid, onderdeel b is opgenomen dat voor de berekening van het resultaat het bedrag van de mutatie in de toegestane egalisatiereserve mag worden toegevoegd aan de kosten. Hierbij wordt opgemerkt dat dit zowel kan gaan om de egalisatiereserve zonder toestemming (volgens artikel 2.1, vijfde lid) als om een egalisatiereserve waarvoor wel toestemming is gekregen (volgens artikel 2.1, vierde lid, juncto artikel 4:71 Awb).
De bijlage bij Uitvoeringsregeling Asv 2022 provincie Fryslân wordt als volgt gewijzigd:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-529.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.