Besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 maart 2026, PZH-2026-887920081 tot wijziging van paragraaf 2.16 van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

 

Gelet op artikel 1.3, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland;

 

Overwegende dat het gewenst is paragraaf 2.16 Verbeteren leefgebied boerenlandvogels van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 te wijzigen en daartoe opnieuw vast te stellen;

 

Besluiten:

Artikel I  

De Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Paragraaf 2.16 komt te luiden:

 

§ 2.16 Verbeteren leefgebied boerenlandvogels

 

Artikel 2.16.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt onder natuurvriendelijke oevers verstaan: een door de mens aangebrachte oever, in de vorm van een plas-drasberm of een flauw talud met hellingshoek van minimaal 1:3, en een breedte van minimaal 3 meter.

 

Artikel 2.16.2 Subsidiabele activiteiten

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor de volgende activiteiten:

    • a.

      waterhuishoudkundige maatregelen gericht op vernatting, zoals aanschaf, herstel of onderhoud van pompen of molens, herinrichting watersystemen, grondwerk, of aanleg van natuurvriendelijke oevers;

    • b.

      ongeschikt maken van het leefgebied van predatoren van boerenlandvogels, inclusief aanschaf en plaatsing van rasters, verwijderen van individuele bomen of terugzetten van hout of houtopstanden in en direct naast weidevogelgebieden];

    • c.

      aanleg van heggen, hagen, vogelakkers, voedselvelden, braakstroken of keverbanken, inclusief zaaigoed, en drie jaar ontwikkelingsbeheer, te weten het beheer van en de inkomstenderving voor de betreffende gronden;

    • d.

      beheerbaar maken van percelen, bijvoorbeeld door het verbeteren van de toegankelijkheid voor maaimachines en ander kleiner materieel;

    • e.

      tegengaan van verruiging voor een periode van maximaal drie jaar;

    • f.

      aanleg, inclusief eventuele begeleiding, van kruidenrijk grasland, te weten graslanden met een soortenrijkdom van minimaal 15 soorten grassen en kruiden per 25m2, door het in- of doorzaaien van:

      • i.

        geschikte plekken, te weten graslanden met een gematigde productiviteit van 5 tot 7 ton droge stof per hectare);

      • ii.

        met autochtone, streekeigen gras- en kruidenmengsels, te weten zaadmengsels die bestaan uit soorten die zijn aangepast aan de lokale omstandigheden; of

    • g.

      monitoring van de effectiviteit van de activiteiten.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3.

    Bij de aanleg van vogelakkers of voedselvelden als bedoeld in het eerste lid, onder c, geldt dat deze ook in de vorm van minimaal 9 meter brede randen kunnen worden aangelegd.

Artikel 2.16.3 Doelgroep

Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 wordt uitsluitend verstrekt aan:

  • a.

    agrarische collectieven, als bedoeld in artikel 3.2 van de Subsidieregeling natuur-en landschapsbeheer Zuid-Holland 2016;

  • b.

    terreinbeherende organisaties; of

  • c.

    gemeenten.

Artikel 2.16.4 Subsidievereisten

Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    de activiteiten dragen bij aan het verbeteren van de leefgebieden en het versterken van de populaties van de icoonsoorten grutto en patrijs;

  • b.

    monitoring van de effectiviteit van de activiteiten maakt onderdeel uit van de activiteiten.

Artikel 2.16.5 Aanvraagperiode

In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 worden ingediend:

  • a.

    vanaf 1 juni 2026 tot en met 30 juni 2026;

  • b.

    vanaf 1 februari 2027 tot en met 1 maart 2027.

Artikel 2.16.6 Aanvraagvereisten

[vervallen]

 

Artikel 2.16.7 Subsidiehoogte

De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 250.000,00.

 

Artikel 2.16.8 Rangschikking

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.3 worden aanvragen voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.16.2 die voor subsidie in aanmerking komen gerangschikt.

  • 2.

    De rangschikking wordt gemaakt op basis van de volgende beoordelingscriteria:

    • a.

      de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de structurele verbetering van het biotoop in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag;

    • b.

      de mate van effectiviteit van de maatregelen;

    • c.

      de mate waarin de activiteiten uitvoeringsgereed zijn.

  • 3.

    Voor de hiervoor genoemde criteria in het tweede lid kunnen één tot en met vier punten per criterium worden behaald.

  • 4.

    Gedeputeerde Staten rangschikken de aanvragen op basis van het aantal punten, beginnend met de aanvraag die het hoogst aantal punten heeft behaald.

  • 5.

    Indien een aanvraag minder dan 9 punten behaalt, wordt de subsidie geweigerd.

  • 6.

    Indien toepassing van het tweede en derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de rangorde van die aanvragen bepaald door het hoogste aantal punten behaald voor de criteria, genoemd in het tweede lid, onder b en c.

  • 7.

    Indien toepassing van het zesde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de onderlinge rangorde van die aanvragen bepaald door het hoogste aantal punten behaald voor het criterium, genoemd in eerste lid, onder c.

  • 8.

    Indien toepassing van het zevende lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen, wordt de onderlinge rangorde van die aanvragen bepaald door loting.

Artikel 2.16.9 Subsidiabele kosten

Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in elk geval de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor monitoring van of onderzoek naar de effectiviteit van de activiteiten bedoeld in artikel 2.16.2, eerste lid, tot een maximum van 10% van de begroting;

  • b.

    kosten voor projectleiding, voor zover deze onderdeel is van concrete activiteiten, tot een maximum van 15% van de begroting;

  • c.

    in geval van aanleg van vogelakkers: vergoeding van gederfde inkomsten tot een maximum bedrag per hectare zoals vastgesteld in de tarievenlijst in bijlage 1 bij het meest recente Openstellingsbesluit SNL – SNL natuurbeheer en ANLb Zuid-Holland;

  • d.

    in geval van ontwikkelingsbeheer: de tarieven per hectare zoals vastgesteld in de tarievenlijst in bijlage 1 bij het meest recente Openstellingsbesluit SNL – SNL natuurbeheer en ANLb Zuid-Holland;

  • e.

    kosten voor het verkrijgen van een accountantsverklaring tot een maximum van €5.000,00, indien deze nodig is om de rechtmatigheid van de uitgave van het subsidiebedrag aan te tonen;

  • f.

    in geval van aanleg van natuurvriendelijke oevers: de daarmee gepaarde gaande kosten tot een maximum van 30% van de subsidiabele kosten;

  • g.

    kosten voor soft- en hardware voor weidevogeldrones die voldoen aan de vereisten in bijlage 11, tot een maximum van € 15.000 per drone en voor ten hoogste twee drones, inclusief eventuele opleidingskosten voor dronepiloten.

Artikel 2.16.10 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 2.5 van de Asv en in afwijking van artikel 2.16.9 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    kosten voor vangmiddelen zoals kraaien- en vossenvangkooien;

  • b.

    kosten voor monitoring en onderzoek die niet direct bedoeld zijn om de effectiviteit van de maatregel te beoordelen;

  • c.

    kosten voor maatregelen op het gebied van communicatie en educatie.

Artikel 2.16.11 Weigeringsgronden

In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv en onverminderd artikel 2.16.8, vijfde lid, wordt subsidie geweigerd indien:

  • a.

    de subsidieaanvraag onvolledig is op de laatste dag van de aanvraagperiode;

  • b.

    voor de activiteit reeds subsidie is verstrekt op grond van een andere subsidieregeling;

  • c.

    het project niet uitvoerbaar is vanwege wettelijke of praktische belemmeringen;

  • d.

    de te verlenen subsidie lager is dan € 25.000,00;

  • e.

    een of meer van de activiteiten in aanmerking komen voor subsidie onder paragraaf 3 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Zuid-Holland 2016.

Artikel 2.16.12 Verplichtingen

In aanvulling op artikel 1.4 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:

  • a.

    een project wordt binnen drie jaar na de subsidieverlening afgerond;

  • b.

    de activiteit bedoeld in artikel 2.16.2, eerste lid, onder a of c, wordt tot minstens vijf jaar na uitvoering daarvan in stand gehouden;

  • c.

    de activiteit bedoeld in artikel 2.16.2, eerste lid, onder b, wordt tot minstens vijf jaar na uitvoering daarvan in stand gehouden, behalve voor zover dit het herstel of onderhoud van pompen of molens betreft;

  • d.

    de resultaten van monitoring worden overgelegd aan Gedeputeerde Staten.

B.

Na bijlage 10, behorende bij de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016, wordt bijlage I behorende bij deze regeling toegevoegd.

Artikel II  

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

Den Haag, 17 maart 2026

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris

mr. A.W. Kolff, voorzitter

Bijlage I bij de wijziging Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016

 

Bijlage 11 behorende bij artikel 2.16.9, onder g, van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016

 

Wet- en regelgeving:

De drone moet voorzien zijn van een Cx-label, te weten een label bedoeld in bijlage 1 bij Verordening (EU) 2019/945.

 

Technische kenmerken:

De drone heeft een minimale vliegtijd van 30 minuten en moet voorzien zijn van:

  • a.

    een warmtebeeldcamera met:

    • i.

      een minimale resolutie van 640x512 pixels;

    • ii.

      infrarood golflengte tussen 8um en 14um;

    • iii.

      frame rate van 30Hz of sneller;

  • b.

    een zoomcamera met:

    • i.

      een minimale optische zoomfactor van 7x, digitaal 48x;

    • ii.

      een minimale resolutie van 48 megapixels;

    • iii.

      een medium telecamera met een brandpuntsafstand van 70mm; en

    • iv.

      een telecamera met een brandpuntsafstand van 168mm;

  • c.

    een grondstation met een afstandsbediening met geïntegreerde touchscreen van minimaal 7 inch en 1400 Nits helderheid;

  • d.

    een videoverbinding tussen grondstation en drone in full HD van ten minste 1090p en 30 frames per seconde;

  • e.

    een laser rangefinder;

  • f.

    de volgende vliegfuncties:

    • i.

      missies programmeren voor automatische vliegpatronen waarmee gebiedsdekkend gezocht kan worden;

    • ii.

      missie pauzeren bij vinden hotspot, dan inzoomen en foto kunnen maken;

    • iii.

      vastleggen en delen locatie van nesten of andere onderwerpen op basis van GPS coördinaten;

    • iv.

      voortzetten van een na batterijwissel niet afgemaakte missie.

Toelichting

Algemeen

Op 29 juni 2022 is paragraaf 2.16 Versterken leefgebied boerenlandvogels toegevoegd aan de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016. Dit met de bedoeling investeringen te stimuleren voor het verbeteren van het leefgebied van onder meer de grutto en de patrijs. Deze subsidie geeft uitvoering aan de doelen die Gedeputeerde Staten hebben vastgesteld in het Zuid-Hollandse Actieplan Boerenlandvogels 2019-2027 1 .

 

De aanleiding voor de herziening is dat aanvragers hebben aangegeven activiteiten te missen die kunnen bijdragen aan de doelstelling van de subsidie. Drie activiteiten die hierbij vaak worden genoemd zijn: inzaaien kruidenrijk grasland, aanleggen natuurvriendelijke oevers en de aanschaf van weidevogeldrones.

  • -

    Kruidenrijk grasland speelt een belangrijke rol in de opgroeifase van weidevogelkuikens.

  • -

    Natuurvriendelijke oevers bieden schuil- en foerageermogelijkheden voor zowel kuikens als volwassen weidevogels.

  • -

    Drones kunnen op meerdere manieren ingezet worden om populaties van boerenlandvogels te versterken. Onder andere om kuikens en nesten op te sporen zodat deze gespaard kunnen worden bij maaiwerkzaamheden. Ook kunnen ze worden ingezet om inzicht krijgen in het beheermozaïek en bij het monitoren van predatoren.

Naast het toevoegen van een aantal subsidiabele activiteiten is ook het minimumbedrag verhoogd (van € 5.000 naar € 25.000) en het maximumbedrag per aanvraag is verhoogd van € 200.000 naar € 250.000. Tot slot zijn gemeenten toegevoegd aan de doelgroep omdat zij zich in toenemende mate willen inspannen voor boerenlandvogels op eigen gronden.

 

Paragraaf 2.16 is met deze wijziging in zijn geheel opnieuw vastgesteld. Dit om twee redenen. Ten eerste betreft het een omvangrijke wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke paragraaf. Ten tweede stonden in de oorspronkelijke paragraaf diverse elementen in de toelichting die in de regeling thuishoren. Deze elementen staan nu in paragraaf 2.16. Hierdoor kan het verwarring wekken als iemand de toelichting op de oorspronkelijke paragraaf leest. Door de paragraaf in zijn geheel opnieuw vast te stellen, kan deze verwarring niet optreden.

 

Aanvraagvereisten

De aanvrager vermeldt in het aanvraagformulier de volgende informatie:

  • a.

    een beschrijving van de activiteiten, inclusief een planning en de locatie van de uit te voeren werkzaamheden, waarbij de aanvrager:

    • i.

      aangeeft of de activiteiten plaatsvinden binnen het NNN (Natuurnetwerk Nederland); en

    • ii.

      toelicht hoe het resultaat van de activiteiten 5 jaar in stand gehouden wordt.

  • Als de locatie nog niet duidelijk is, dan kan de verwachte locatie worden vermeld.

    De (verwachte) locatie dient te worden weergegeven op perceelsniveau. Indien het niet mogelijk is om op perceelsniveau aan te geven, dan dient het niveau dat wel mogelijk is te worden aangegeven (bijvoorbeeld bedrijfs- of polderniveau).

  • b.

    Als de activiteiten (deels) plaatsvinden binnen het NNN, voegt de aanvrager een kaart toe met de locatie waarop die activiteiten plaatsvinden en het natuurbeheertype waarom het gaat. Daarnaast voegt de aanvrager een beschrijving toe waaruit blijkt dat de activiteiten passen bij het natuurbeheertype;

  • c.

    een specificatie van de kosten. De specificatie van de kosten is ook voorzien van een onderbouwing van het bedrag. Hiervoor kunnen bijvoorbeeld offertes worden meegestuurd voor het uit te voeren project, of voor recent uitgevoerde vergelijkbare projecten;

  • d.

    een onderbouwde omschrijving van de verwachte bijdrage aan het versterken of beschermen van de leefgebieden van de populaties van de betreffende icoonsoorten. Dit kan onder andere door inzicht te geven in de omvang van de lokale populaties van de betreffende soorten, bijvoorbeeld op basis van recente of historische monitoringsgegevens of door bij maatregelen voor akkervogels de uitgangspunten van het Partridge-project aan te houden https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/wat- wij-doen/onze-boerenlandvogels/kerngebieden-en-projecten/partridge1/informatiemap. Ook dient in de beschrijving te worden aangegeven hoe de te treffen maatregelen zich verhouden tot eventuele andere factoren die van invloed zijn op de lokale populatie (zoals waterpeil, mate van openheid/verstoring en het gevoerde beheer). Reden hiervan is dat het effectiever is om verschillende typen maatregelen te clusteren;

  • e.

    door de monitoring dient de effectiviteit van de investering inzichtelijk gemaakt te worden. Dat kan bijvoorbeeld door BTS-tellingen uit te voeren om te bepalen of er broedparen aanwezig zijn en of deze ook broedsucces hebben;

  • f.

    een verklaring welke andere subsidies de aanvrager voor de activiteit ontvangt en door wie die subsidies worden verstrekt. Onder subsidies worden ook bijdragen verstaan.

  • g.

    indien verwijderen van individuele bomen of terugzetten van hout of houtopstanden onderdeel uitmaakt van de aanvraag, bevat de aanvraag een omschrijving hoe wordt voldaan aan de volgende elementen:

    • 1.

      tot maximaal vijf bomen mogen worden verwijderd, waarbij geldt dat deze bomen zich in een cirkel van 500 meter bevinden. Grotere bosjes en opstanden mogen alleen in het kader van beheer teruggezet worden. Hierbij gelden de volgende aandachtspunten:

      • Houtkap en terugzetten van hakhout kan gevoelig liggen. Daarom is het van belang dat er helder wordt gecommuniceerd over de reden van de kap.

      • De te kappen bomen dienen geen onderdeel te zijn van het zogenaamde groene erfgoed.

        Zie hiervoor https://rce.webgispublisher.nl/Viewer.aspx?map=groen%5Ferfgoed

    • 2.

      Bij het verwijderen van bomen moet men zich houden aan de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten zoals opgenomen in artikel 11.27, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien het verwijderen van de bomen leidt tot een vergunningplichtige flora- en fauna-activiteit zoals bedoeld in de artikelen 11.37, 11.46 of 11.54, dan moet voorafgaand aan het verwijderen van de bomen een omgevingsvergunning zijn verleend;

    • 3.

      In de aanvraag dient de locatie van het terug te zetten of te verwijderen hout op de kaart aangegeven te worden. Per locatie dient te worden weergegeven dat aan de volgende punten wordt voldaan:

      • i.

        er worden andere inrichtings- of beheermaatregelen getroffen op de betreffende locaties;

      • ii.

        er wordt gefaseerd gewerkt of er is een schriftelijke argumentatie waarom dit niet kan;

      • iii.

        er is contact geweest met de lokale natuur- of vogelwerkgroep of er is op een andere manier inzichtelijk gemaakt op welke manier onderzocht is welke beschermde of Rode Lijst soorten op de locatie voorkomen en hoe het leefgebied van deze soorten behouden kan worden.

        • let op: gemeentelijke bepalingen ten aanzien van kap en herplant verschillen per gemeente en blijven gewoon van toepassing.

Artikelsgewijs

 

Artikel 2.16.2 Subsidiabele activiteiten

 

eerste lid

 

onderdeel b

Onder deze activiteit valt ook de benodigde apparatuur voor elektrische afrastering. De activiteiten in onderdeel b dienen ter verhoging van de overlevings- en reproductiegraad van weidevogels. Hierbij geldt dat de inzet van weidevogeldrones onder meerdere activiteiten kan vallen. Bij onderdeel b betreft dit het zoeken waar de vogels en hun predatoren zitten, bij onderdeel g (monitoring) gaat het erom uit te zoeken of de maatregelen die getroffen zijn ook werken.

 

onderdeel c

Onder voedselvelden worden ook wintervoedselvelden verstaan.

 

onderdeel f

Bij de aanleg van kruidenrijk grasland kan begeleiding onderdeel uitmaken van de activiteit. Het betreft begeleiding van de aanvrager bij het aanleggen, bijvoorbeeld door een ecologisch adviesbureau.

 

Artikel 2.16.3 Doelgroep

De doelgroep is uitgebreid met gemeenten. De reden om gemeenten toe te voegen als mogelijke aanvragers, is dat zij zich in toenemende mate willen inspannen voor boerenlandvogels op eigen gronden.

 

Artikel 2.16.4 Subsidievereisten

 

onderdeel a

Vereist is dat de activiteiten bijdragen aan het verbeteren van de leefgebieden en het versterken van de populaties van de icoonsoorten grutto en patrijs. Hieronder worden de activiteiten verstaan die zijn opgenomen in artikel 2.16.2, eerste lid. Het uitgangspunt hierbij is dat het verbeteren van de leefgebieden leidt tot versterken van de populaties. Zo kunnen deze activiteiten omvatten ter verhoging van de overlevingsgraad van kuikens, waaronder het ongeschikt maken van het leefgebied van predatoren van boerenlandvogels, inclusief rasters, duurzaam maaien, en inzet van weidevogeldrones.

 

onderdeel b

Om de effectiviteit van de maatregelen zo goed mogelijk in beeld te krijgen, is monitoring van de effectiviteit van de activiteiten toegevoegd als subsidievereiste. Een aanvraag waarin monitoring geen uitdeel maakt van de activiteiten komt daardoor niet in aanmerking voor subsidie.

 

Artikel 2.16.8 Rangschikking

Het is de ambitie van de provincie Zuid-Holland om bij keuzes in de programmering van initiatieven

het maatschappelijk rendement van de geïnvesteerde ‘groene euro’s’ te vergroten. Dit rendementsdenken wordt vormgegeven door enerzijds aan de voorkant handvatten te bieden voor het voeren van het goede gesprek daarover, anderzijds door bij de gunningscriteria voor deze paragraaf duidelijk te zijn over de criteria waarop de ingediende subsidies worden afgewogen. Door aan de voorkant duidelijkheid te geven over de criteria worden de initiatiefnemers al in een vroeg stadium gestimuleerd om de beoogde projecten zo goed mogelijk te laten bijdragen aan de doelen van het (soorten)beleid.

Om de subsidiegelden zo effectief mogelijk te benutten is in deze paragraaf gekozen voor een methode waarbij de subsidieaanvragen onderling met elkaar worden vergeleken en op basis van kwaliteit van de aanvraag gerangschikt.

 

Per criterium waarop projecten gescoord worden, wordt hieronder aangegeven welke elementen worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling.

  • a.

    Mate van verbetering van de leefgebieden van de populaties van de icoonsoorten grutto of patrijs (omvang en kwaliteit) in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag: hoe sterker de mate van verbetering van het leefgebied en hoe lager het gevraagde subsidiebedrag, des te hoger de score.

    Aandachtspunten hierbij zijn de omvang van het project, de mate van kwaliteitsverbetering en de totale som van de gevraagde subsidie. Het gaat hier feitelijk om het rendement van de subsidie.

  • b.

    Effectiviteit: hoe meer zekerheid is over de effectiviteit van de maatregelen, des te hoger de score.

    Hebben de maatregelen uit het project zich al eens bewezen of zijn er twijfels over de effectiviteit?

  • c.

    Uitvoerbaarheid: hoe meer uitvoeringsgereed, hoe hoger de score. Aandachtspunten hierbij zijn eventuele vergunningen, de beschikbaarheid van de gronden, dan wel de toestemming van de grondeigenaar.

Beoordeling criteria a tot en met c:

1= slecht; 2 = onvoldoende; 3 = voldoende, 4 = zeer goed

 

Artikel 2.16.9 Subsidiabele kosten

 

onderdeel a

Monitoring en onderzoek zijn alleen subsidiabel voor zover bedoeld om de effectiviteit van voorgestelde maatregelen te beoordelen. Monitoring en onderzoek mogen niet meer dan 10% van de totale begroting per aanvraag bedragen.

 

onderdeel d

Bij het ontwikkelingsbeheer gelden de tarieven uit de tarievenlijst in bijlage 1 bij het Openstellingsbesluit SNL – SNL natuurbeheer en ANLb Zuid-Holland. Om te voorkomen dat deze paragraaf elk jaar moet worden aangepast, bevat het onderdeel een dynamische verwijzing naar dit openstellingsbesluit. Bij de aanvraag geeft de aanvrager aan welk natuurbeheertype het betreft (zie het onderdeel ‘aanvraagvereisten’ in het algemene deel van de toelichting, onderdeel b).

 

onderdeel g

Kosten voor soft- en hardware zijn subsidiabel voor ten hoogste twee drones, en tot een maximum van € 15.000 per drone. Als een aanvrager kosten opvoert voor opleidingskosten voor dronepiloten zijn deze niet separaat subsidiabel, maar tellen die mee in het maximum van € 15.000 per drone. Als de kosten voor soft- en hardware lager zijn dan dit maximum, kunnen deze opleidingskosten daardoor in aanmerking komen voor subsidie. Het is aan de aanvrager rekening te houden met de maximale kosten.

 

Artikel 2.16.10 Niet subsidiabele kosten

De kosten voor vangmiddelen zoals kraaien- en vossenvangkooien zijn toegevoegd als niet subsidiabele kosten. Deze kosten zijn uitgesloten omdat provincie Zuid-Holland dit onderwerp via andere middelen en op een meer planmatige manier wil faciliteren.

 

Artikel 2.16.11 Weigeringsgronden

 

onderdeel e

Een of meer van de activiteiten komen in aanmerking voor subsidie onder paragraaf 3 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Zuid-Holland 2016. Activiteiten die via het reguliere Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer kunnen worden gefinancierd, passen niet onder deze paragraaf. Dit zou de instrumenten die Gedeputeerde Staten hanteert immers vertroebelen. In dit onderdeel is het natuur- en landschapsbeheer niet genoemd. Dit komt omdat paragraaf 2.16 geen kosten bevat die subsidiabel zijn op grond van hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Zuid-Holland 2016.

 

Den Haag, 17 maart 2026

 

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

 

drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris

 

mr. A.W. Kolff, voorzitter


1

https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/natuur-landschap/actieplan-boerenlandvogels/

Naar boven