Provinciaal blad van Zuid-Holland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zuid-Holland | Provinciaal blad 2026, 4964 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zuid-Holland | Provinciaal blad 2026, 4964 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 17 maart 2026, PZH-2026-887920081 tot wijziging van paragraaf 2.16 van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016
Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;
Gelet op artikel 1.3, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland;
Overwegende dat het gewenst is paragraaf 2.16 Verbeteren leefgebied boerenlandvogels van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 te wijzigen en daartoe opnieuw vast te stellen;
De Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 wordt als volgt gewijzigd:
Paragraaf 2.16 komt te luiden:
§ 2.16 Verbeteren leefgebied boerenlandvogels
Artikel 2.16.1 Begripsbepalingen
In deze paragraaf wordt onder natuurvriendelijke oevers verstaan: een door de mens aangebrachte oever, in de vorm van een plas-drasberm of een flauw talud met hellingshoek van minimaal 1:3, en een breedte van minimaal 3 meter.
Artikel 2.16.2 Subsidiabele activiteiten
Subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 wordt uitsluitend verstrekt aan:
Artikel 2.16.4 Subsidievereisten
Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:
Artikel 2.16.5 Aanvraagperiode
In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv kan een aanvraag voor subsidie als bedoeld in artikel 2.16.2 worden ingediend:
Artikel 2.16.6 Aanvraagvereisten
De hoogte van de subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten tot maximaal € 250.000,00.
Artikel 2.16.9 Subsidiabele kosten
Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen in elk geval de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:
Artikel 2.16.10 Niet subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 2.5 van de Asv en in afwijking van artikel 2.16.9 komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:
Artikel 2.16.11 Weigeringsgronden
In aanvulling op artikel 2.6 van de Asv en onverminderd artikel 2.16.8, vijfde lid, wordt subsidie geweigerd indien:
Artikel 2.16.12 Verplichtingen
In aanvulling op artikel 1.4 heeft de subsidieontvanger de volgende verplichtingen:
Na bijlage 10, behorende bij de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016, wordt bijlage I behorende bij deze regeling toegevoegd.
Den Haag, 17 maart 2026
Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris
mr. A.W. Kolff, voorzitter
Bijlage I bij de wijziging Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016
Bijlage 11 behorende bij artikel 2.16.9, onder g, van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016
De drone moet voorzien zijn van een Cx-label, te weten een label bedoeld in bijlage 1 bij Verordening (EU) 2019/945.
De drone heeft een minimale vliegtijd van 30 minuten en moet voorzien zijn van:
Op 29 juni 2022 is paragraaf 2.16 Versterken leefgebied boerenlandvogels toegevoegd aan de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016. Dit met de bedoeling investeringen te stimuleren voor het verbeteren van het leefgebied van onder meer de grutto en de patrijs. Deze subsidie geeft uitvoering aan de doelen die Gedeputeerde Staten hebben vastgesteld in het Zuid-Hollandse Actieplan Boerenlandvogels 2019-2027 1 .
De aanleiding voor de herziening is dat aanvragers hebben aangegeven activiteiten te missen die kunnen bijdragen aan de doelstelling van de subsidie. Drie activiteiten die hierbij vaak worden genoemd zijn: inzaaien kruidenrijk grasland, aanleggen natuurvriendelijke oevers en de aanschaf van weidevogeldrones.
Drones kunnen op meerdere manieren ingezet worden om populaties van boerenlandvogels te versterken. Onder andere om kuikens en nesten op te sporen zodat deze gespaard kunnen worden bij maaiwerkzaamheden. Ook kunnen ze worden ingezet om inzicht krijgen in het beheermozaïek en bij het monitoren van predatoren.
Naast het toevoegen van een aantal subsidiabele activiteiten is ook het minimumbedrag verhoogd (van € 5.000 naar € 25.000) en het maximumbedrag per aanvraag is verhoogd van € 200.000 naar € 250.000. Tot slot zijn gemeenten toegevoegd aan de doelgroep omdat zij zich in toenemende mate willen inspannen voor boerenlandvogels op eigen gronden.
Paragraaf 2.16 is met deze wijziging in zijn geheel opnieuw vastgesteld. Dit om twee redenen. Ten eerste betreft het een omvangrijke wijziging ten opzichte van de oorspronkelijke paragraaf. Ten tweede stonden in de oorspronkelijke paragraaf diverse elementen in de toelichting die in de regeling thuishoren. Deze elementen staan nu in paragraaf 2.16. Hierdoor kan het verwarring wekken als iemand de toelichting op de oorspronkelijke paragraaf leest. Door de paragraaf in zijn geheel opnieuw vast te stellen, kan deze verwarring niet optreden.
De aanvrager vermeldt in het aanvraagformulier de volgende informatie:
Als de locatie nog niet duidelijk is, dan kan de verwachte locatie worden vermeld.
De (verwachte) locatie dient te worden weergegeven op perceelsniveau. Indien het niet mogelijk is om op perceelsniveau aan te geven, dan dient het niveau dat wel mogelijk is te worden aangegeven (bijvoorbeeld bedrijfs- of polderniveau).
Als de activiteiten (deels) plaatsvinden binnen het NNN, voegt de aanvrager een kaart toe met de locatie waarop die activiteiten plaatsvinden en het natuurbeheertype waarom het gaat. Daarnaast voegt de aanvrager een beschrijving toe waaruit blijkt dat de activiteiten passen bij het natuurbeheertype;
een onderbouwde omschrijving van de verwachte bijdrage aan het versterken of beschermen van de leefgebieden van de populaties van de betreffende icoonsoorten. Dit kan onder andere door inzicht te geven in de omvang van de lokale populaties van de betreffende soorten, bijvoorbeeld op basis van recente of historische monitoringsgegevens of door bij maatregelen voor akkervogels de uitgangspunten van het Partridge-project aan te houden https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/wat- wij-doen/onze-boerenlandvogels/kerngebieden-en-projecten/partridge1/informatiemap. Ook dient in de beschrijving te worden aangegeven hoe de te treffen maatregelen zich verhouden tot eventuele andere factoren die van invloed zijn op de lokale populatie (zoals waterpeil, mate van openheid/verstoring en het gevoerde beheer). Reden hiervan is dat het effectiever is om verschillende typen maatregelen te clusteren;
indien verwijderen van individuele bomen of terugzetten van hout of houtopstanden onderdeel uitmaakt van de aanvraag, bevat de aanvraag een omschrijving hoe wordt voldaan aan de volgende elementen:
Bij het verwijderen van bomen moet men zich houden aan de zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten zoals opgenomen in artikel 11.27, eerste en tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving. Indien het verwijderen van de bomen leidt tot een vergunningplichtige flora- en fauna-activiteit zoals bedoeld in de artikelen 11.37, 11.46 of 11.54, dan moet voorafgaand aan het verwijderen van de bomen een omgevingsvergunning zijn verleend;
Artikel 2.16.2 Subsidiabele activiteiten
Onder deze activiteit valt ook de benodigde apparatuur voor elektrische afrastering. De activiteiten in onderdeel b dienen ter verhoging van de overlevings- en reproductiegraad van weidevogels. Hierbij geldt dat de inzet van weidevogeldrones onder meerdere activiteiten kan vallen. Bij onderdeel b betreft dit het zoeken waar de vogels en hun predatoren zitten, bij onderdeel g (monitoring) gaat het erom uit te zoeken of de maatregelen die getroffen zijn ook werken.
Onder voedselvelden worden ook wintervoedselvelden verstaan.
Bij de aanleg van kruidenrijk grasland kan begeleiding onderdeel uitmaken van de activiteit. Het betreft begeleiding van de aanvrager bij het aanleggen, bijvoorbeeld door een ecologisch adviesbureau.
De doelgroep is uitgebreid met gemeenten. De reden om gemeenten toe te voegen als mogelijke aanvragers, is dat zij zich in toenemende mate willen inspannen voor boerenlandvogels op eigen gronden.
Artikel 2.16.4 Subsidievereisten
Vereist is dat de activiteiten bijdragen aan het verbeteren van de leefgebieden en het versterken van de populaties van de icoonsoorten grutto en patrijs. Hieronder worden de activiteiten verstaan die zijn opgenomen in artikel 2.16.2, eerste lid. Het uitgangspunt hierbij is dat het verbeteren van de leefgebieden leidt tot versterken van de populaties. Zo kunnen deze activiteiten omvatten ter verhoging van de overlevingsgraad van kuikens, waaronder het ongeschikt maken van het leefgebied van predatoren van boerenlandvogels, inclusief rasters, duurzaam maaien, en inzet van weidevogeldrones.
Om de effectiviteit van de maatregelen zo goed mogelijk in beeld te krijgen, is monitoring van de effectiviteit van de activiteiten toegevoegd als subsidievereiste. Een aanvraag waarin monitoring geen uitdeel maakt van de activiteiten komt daardoor niet in aanmerking voor subsidie.
Het is de ambitie van de provincie Zuid-Holland om bij keuzes in de programmering van initiatieven
het maatschappelijk rendement van de geïnvesteerde ‘groene euro’s’ te vergroten. Dit rendementsdenken wordt vormgegeven door enerzijds aan de voorkant handvatten te bieden voor het voeren van het goede gesprek daarover, anderzijds door bij de gunningscriteria voor deze paragraaf duidelijk te zijn over de criteria waarop de ingediende subsidies worden afgewogen. Door aan de voorkant duidelijkheid te geven over de criteria worden de initiatiefnemers al in een vroeg stadium gestimuleerd om de beoogde projecten zo goed mogelijk te laten bijdragen aan de doelen van het (soorten)beleid.
Om de subsidiegelden zo effectief mogelijk te benutten is in deze paragraaf gekozen voor een methode waarbij de subsidieaanvragen onderling met elkaar worden vergeleken en op basis van kwaliteit van de aanvraag gerangschikt.
Per criterium waarop projecten gescoord worden, wordt hieronder aangegeven welke elementen worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling.
Mate van verbetering van de leefgebieden van de populaties van de icoonsoorten grutto of patrijs (omvang en kwaliteit) in relatie tot het gevraagde subsidiebedrag: hoe sterker de mate van verbetering van het leefgebied en hoe lager het gevraagde subsidiebedrag, des te hoger de score.
Aandachtspunten hierbij zijn de omvang van het project, de mate van kwaliteitsverbetering en de totale som van de gevraagde subsidie. Het gaat hier feitelijk om het rendement van de subsidie.
Beoordeling criteria a tot en met c:
1= slecht; 2 = onvoldoende; 3 = voldoende, 4 = zeer goed
Artikel 2.16.9 Subsidiabele kosten
Monitoring en onderzoek zijn alleen subsidiabel voor zover bedoeld om de effectiviteit van voorgestelde maatregelen te beoordelen. Monitoring en onderzoek mogen niet meer dan 10% van de totale begroting per aanvraag bedragen.
Bij het ontwikkelingsbeheer gelden de tarieven uit de tarievenlijst in bijlage 1 bij het Openstellingsbesluit SNL – SNL natuurbeheer en ANLb Zuid-Holland. Om te voorkomen dat deze paragraaf elk jaar moet worden aangepast, bevat het onderdeel een dynamische verwijzing naar dit openstellingsbesluit. Bij de aanvraag geeft de aanvrager aan welk natuurbeheertype het betreft (zie het onderdeel ‘aanvraagvereisten’ in het algemene deel van de toelichting, onderdeel b).
Kosten voor soft- en hardware zijn subsidiabel voor ten hoogste twee drones, en tot een maximum van € 15.000 per drone. Als een aanvrager kosten opvoert voor opleidingskosten voor dronepiloten zijn deze niet separaat subsidiabel, maar tellen die mee in het maximum van € 15.000 per drone. Als de kosten voor soft- en hardware lager zijn dan dit maximum, kunnen deze opleidingskosten daardoor in aanmerking komen voor subsidie. Het is aan de aanvrager rekening te houden met de maximale kosten.
Artikel 2.16.10 Niet subsidiabele kosten
De kosten voor vangmiddelen zoals kraaien- en vossenvangkooien zijn toegevoegd als niet subsidiabele kosten. Deze kosten zijn uitgesloten omdat provincie Zuid-Holland dit onderwerp via andere middelen en op een meer planmatige manier wil faciliteren.
Artikel 2.16.11 Weigeringsgronden
Een of meer van de activiteiten komen in aanmerking voor subsidie onder paragraaf 3 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Zuid-Holland 2016. Activiteiten die via het reguliere Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer kunnen worden gefinancierd, passen niet onder deze paragraaf. Dit zou de instrumenten die Gedeputeerde Staten hanteert immers vertroebelen. In dit onderdeel is het natuur- en landschapsbeheer niet genoemd. Dit komt omdat paragraaf 2.16 geen kosten bevat die subsidiabel zijn op grond van hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Zuid-Holland 2016.
Gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-4964.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.