Provinciaal blad van Noord-Brabant
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2026, 3763 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Noord-Brabant | Provinciaal blad 2026, 3763 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincies Limburg, Noord-Brabant, en Zeeland van 24 februari 2026, houdende regels omtrent subsidieverstrekking ten behoeve van mkb innovatiestimulering topsectoren door de Zuidelijke provincies van Nederland (Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030)
Gedeputeerde Staten van Limburg,
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
Gedeputeerde Staten van Zeeland,
Gelet op artikel 5 van de Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v.;
Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;
Gelet op de artikelen 7 en 8 van de Algemene subsidieverordening Zeeland 2023;
Overwegende dat het Rijk middelen beschikbaar heeft gesteld voor een aantal gestandaardiseerde mkb-instrumenten die in alle regio’s van Nederland worden uitgevoerd;
Overwegende dat beoogd wordt om op kwaliteit te sturen en hiertoe subsidieverstrekking op landsdelig niveau voor de drie Zuidelijke Provincies samen noodzakelijk is en dit een voorzetting is van de werkwijze in de afgelopen jaren;
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;
Asb Zeeland: Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023;
Asv Limburg: Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v.;
Asv Noord-Brabant: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;
experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onderdeel 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant, of Limburg;
haalbaarheidsproject: project dat geheel of grotendeels bestaat uit haalbaarheidsstudie als bedoeld in artikel 2, onder 87, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onderdeel 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product;
innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces;
innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;
KIA: kennis- en innovatieagenda als bedoeld in bijlage 1;
mkb-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten dat afgebakend is in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;
projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project;
verbonden partijen: marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij;
Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.
Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.
Artikel 1.4 Subsidiabele activiteiten
Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een haalbaarheidsproject.
Artikel 1.8 Niet subsidiabele kosten
Onverminderd artikel 11 van de Asv Noord-Brabant, artikel 15 van de Asv Limburg en artikel 1.3.1, tweede lid, van het Asb Zeeland komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie subsidie is verstrekt voor dezelfde subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt het bedrag dat door deze bestuursorganen is verstrekt in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager op grond van deze paragraaf in aanmerking komt.
De subsidieontvanger toont desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van een rapport van het haalbaarheidsproject.
algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;
Asb Zeeland: Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023;
Asv Limburg: Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v.;
Asv Noord-Brabant: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;
experimentele ontwikkeling: experimentele ontwikkeling als bedoeld in artikel 2, onder 86, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Zeeland, Noord-Brabant of Limburg;
industrieel onderzoek: industrieel onderzoek als bedoeld in artikel 2, onder 85, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
innovatief product: technologisch nieuw product of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand product;
innovatief productieproces: technologisch nieuw productieproces of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaand productieproces;
innovatieve dienst: technologisch nieuwe dienst of wezenlijk nieuwe toepassing van een bestaande dienst;
KIA: kennis- en innovatieagenda als bedoeld in bijlage 1;
mkb-onderneming: kleine en middelgrote onderneming als bedoeld in bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
project: activiteit of samenhangend geheel van activiteiten dat afgebakend is in tijd en gericht op een specifiek eindresultaat;
projectsubsidie: subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de gehele of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project;
verbonden partijen: marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij;
Zuid-Nederland: grondgebied van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg.
Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze paragraaf projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.
Artikel 2.4 Subsidiabele activiteiten
Subsidie op grond van deze paragraaf kan worden verstrekt voor projecten gericht op het uitvoeren van een R&D-samenwerkingsproject, te weten een project bestaande uit industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling of een combinatie hiervan, in daadwerkelijke samenwerking en voor gezamenlijke rekening en risico uitgevoerd door een samenwerkingsverband.
Artikel 2.8 Niet subsidiabele kosten
Onverminderd artikel 11 van de Asv Noord-Brabant, artikel 15 van de Asv Limburg en artikel 1.3.1, tweede lid, van het Asb Zeeland komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.4 voor de tenderperiode genoemd in artikel 2.9, tweede lid, vast op € 7.100.000, met dien verstande dat maximaal 50% van het subsidieplafond beschikbaar is voor aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000.
Indien reeds door een bestuursorgaan of de Commissie van de Europese Unie subsidie is verstrekt voor dezelfde subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt het bedrag dat door deze bestuursorganen is verstrekt in mindering gebracht op de subsidie waarvoor de aanvrager op grond van deze paragraaf in aanmerking komt.
Indien de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, maken Gedeputeerde Staten voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie een afweging tussen de verschillende volledige aanvragen op basis van de volgende criteria zoals uitgewerkt in bijlage 3:
Indien na toepassing van het eerste en tweede lid, en artikel 2.6, eerste lid, onder h en i, blijkt dat de binnen de tenderperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het vastgestelde subsidieplafond, genoemd in artikel 2.10, te boven gaan, worden de aanvragen gerangschikt op volgorde van puntenaantal waarbij de aanvraag met de meeste punten bovenaan eindigt.
Artikel 2.13 Externe adviescommissie
Gedeputeerde Staten leggen aanvragen voor subsidie voor advies over artikel 2.12, eerste en tweede lid, voor aan een door hen in te stellen adviescommissie als bedoeld in artikel 82 van de Provinciewet.
‘s-Hertogenbosch, 24 februari 2026
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant
de voorzitter,
mr. I.R. Adema
de secretaris,
drs. G.H.E. Derks MPA
Bijlage 1 bij artikel 1.6, eerste lid, onder b, en artikel 2.6, eerste lid, onder b, van de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030
In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar deze bijlage. Deze bijlage is juridisch maatgevend voor de onderwerpen (de Kennis-en Innovatieagenda’s, hierna: KIA’s) waar een project zich op kan richten en voor de maatschappelijke impact waarop een R&D-Samenwerkingsproject mede wordt gerangschikt. Verderop wordt nader toegelicht waar de verschillende kennis- en innovatie-agenda’s zich op richten, en waar uw project zich dus op kan richten. In de algemene en artikelsgewijze toelichting op de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030 wordt aangegeven hoe deze informatie dient te worden geïnterpreteerd binnen de regeling en de aanvraag.
De KIA’s van het Missiegedreven Topsectoren en Innovatiebeleid vormen de basis voor de onderwerpen waarop een MIT-haalbaarheidsproject of een MIT-R&D-samenwerkings¬project zich kan richten. Het toetsingskader van de MIT, zoals opgenomen in deze bijlage, is de mkb-samenvatting van de KIA’s en daarmee leidend voor toetsing van de MIT-aanvragen.
Ondanks dat het toetsingskader ingedeeld is per KIA zijn de volledige KIA’s (zoals hieronder te vinden via topsectoren.nl) geen onderdeel van het toetsingskader voor de MIT-aanvragen. De agenda's zelf zijn primair geformuleerd als onderzoeksagenda’s waardoor ze niet altijd geschikt zijn als kader voor het mkb. Onder elke KIA staat een mkb-samenvatting van de volledige KIA in het MIT toetsingskader.
Verdeelcriteria en score R&D-project
R&D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden impact hebben. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en KIA’s op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt voor de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke baten op de genoemde terreinen.
Nadere informatie en voorbeelden
Voor KIA Circulaire Economie is de lijst voor kritieke grondstoffen te vinden via: https://single-market-economy.ec.europa.eu/sectors/raw-materials/areas-specific-interest/critical-raw-materials_en).
Voor de KIA Gezondheid en Zorg is de volgende additionele informatie relevant:
HI-NL kan aangeven of de kans reëel is dat een project en/of een innovatie succesvol kan worden. Meer informatie over dit instituut is te vinden op: https://www.healthinnovation.nl/
Interpretatie van het toetsingskader voor de verschillende MIT-instrumenten
Het toetsingskader van de MIT voor de KIA’s 1 t/m 5 bestaat uit verschillende (deel)missies (KIA 2: Circulaire Economie heeft geen meerdere deelmissies maar bestaat uit een missie). De KIA Sleuteltechnologieën bestaat uit een lijst van 44 technologieën, en daarbinnen zijn via de Nationale Technologie Strategie 10 technologieën geselecteerd waar ons land extra op wil inzetten. De NTS-technologieën zijn terug te vinden (Sleutel /Digitale) in de technologie lijsten van KIA 6 en 7 met de toevoeging “(NTS)”.
Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een klimaatneutraal energiesysteem in 2050. Ze dragen daarmee automatisch bij aan de tussendoelen voor 2030 zoals nationaal en Europees zijn vastgesteld.
De Kennis- en Innovatie Agenda (Hierna: KIA) Klimaat en Energie bevat 4 deelmissies:
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst in relatie tot bovenstaande deelmissies gericht te zijn op:
Projecten dienen bij te dragen aan het pad naar een circulaire economie in 2050. Voor deze missie zijn tussendoelen geformuleerd in het Nationaal Programma Circulaire Economie 2023-2030 en kansrijke thema’s om die tussendoelen te kunnen halen. De snelheid en het volume waarmee de beoogde innovatie impact zou kunnen maken, wegen mee in de beoordeling.
In een circulaire economie past het totaal van alle productie en consumptie binnen de planetaire grenzen. Voor circulariteit dienen nieuwe producten en diensten te worden ontworpen, waarbij het potentieel voor hergebruik en recycling het uitgangspunt is. Om te komen tot circulaire grondstof-ketens en processen moet de levensduur van producten en materialen worden verlengd door producten en processen te ontwikkelen en geschikt te maken voor het uitvoeren van reparatie, refurbishing, remanufacturing en andere levensduurverlengende bewerkingen, worden materialen en (kritische) grondstoffen aan het einde van de levensduur van producten teruggewonnen, en worden productie-, collectie-, sorteer -, reparatie-, refurbishing- en recyclingsprocessen geoptimaliseerd.
Maatschappelijk zal sprake moeten zijn van een systeemtransitie en van acceptatie. Dit vraagt om systeem- en sociale innovaties, zoals gedragsverandering van bedrijven en consumenten, meervoudige waarde creatie, ketenanalyse en ketensamenwerking, standaardisering en normering. MKB-innovaties zullen in deze ontwikkelingen moeten passen respectievelijk. deze moeten versterken.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst gericht te zijn op:
Ten slotte dienen de te ontwikkelen innovatieve producten, processen of diensten in relatie tot de bovenstaande deelmissie zich te richten op een (combinatie) van de volgende waardeketens:
KIA 3. Landbouw, Water en Voedsel
Projecten dienen bij te dragen aan de zes deelmissies van de KIA Landbouw, Water en Voedsel (LWV). Ten slotte is er een apart programma voor sleuteltechnologieën voor de KIA LWV dat geen onderdeel is van de deelmissies van LWV maar waar projecten nog steeds aan bij kunnen dragen.
De KIA LWV bevat 6 deelmissies:
Een belangrijk deel van de vraagstukken achter die deelmissies vraagt om onderzoek (kennis), om een eenmalige oplossing (een specifieke aanpak) of om oplossingen voor de inrichting van gebieden, en niet om een veelvuldig verkoopbaar MKB-product waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren. Dit geldt vooral de deelmissies 1, 3 en de systeemgerichte onderdelen van deelmissie 4. MKB-projecten liggen daarbij dus niet direct voor de hand, maar technologische oplossingen om kennis te verzamelen of in de praktijk te brengen zijn zeker niet ondenkbaar. Denk bijvoorbeeld aan innovaties ten behoeve van betere of gemakkelijker kennisverzameling, beheer (het bestrijden van exoten) of de ontwikkeling van sensoren.
Hieronder worden de deelmissies en het programma sleuteltechnologieën voor Landbouw, Water en Voedsel (LWV) nader toegelicht.
1. Deelmissie veerkrachtige natuur en vitale bodem
Deze deelmissie draait om innovaties die effectief bijdragen aan het ombuigen van de trend van natuur- en biodiversiteitsverlies. De sleutels liggen enerzijds bij biodiversiteitsherstel en het robuust maken van natuur binnen en buiten natuurgebieden, anderzijds bij de transitie naar een samenleving en economie die hier positief aan bijdragen. Het gaat ook om vernieuwde vormen van governance en waarderingssystemen en de innovatieve inzet van natuur als oplossing voor de maatschappelijke opgave om een veerkrachtige natuur en een vitale bodem te bewerkstelligen.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie bij te dragen aan de volgende vraagstukken:
2. Deelmissie duurzame land- en tuinbouw
Deze deelmissie beoogt de benodigde kennis, inzichten, innovaties en handelingsperspectieven te ontwikkelen om te komen tot een integraal duurzaam systeem van land- en tuinbouw, waarbij het systeem zowel de primaire bedrijven betreft als hun economische, maatschappelijke en ruimtelijke interacties.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie gericht te zijn op de volgende innovatieprogramma’s:
3. Deelmissie vitaal landelijk gebied in een klimaatbestendig Nederland
Deze deelmissie draait om de kwaliteit van bodem en water die onder druk staat, en de beschikbaarheid van voldoende zoet water voor drinkwater, industrie, irrigatie en natuur die niet meer altijd vanzelfsprekend is. Dat geldt voor het platteland maar ook voor bebouwde gebieden, waarin bijvoorbeeld stedelijk groen bijdraagt aan leefbaarheid en vermindering van wateroverlast en hittestress.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie gericht te zijn op:
(Hybride) groen-grijs-blauwe oplossingen voor de private en publieke ruimte die bijdragen aan biodiversiteit, het vasthouden en infiltreren van water en het verminderen van hittestress, de beheersing van het grondwaterpeil en het voorkomen van zettingen en bodemdaling. Duurzame en robuuste inrichting van ondergrondse leidingnetwerken voor drinkwater, hemelwater en afvalwater, rekening houdend met andere ondergrondse netwerken, klimaatverandering, de energietransitie en de woningbouwopgave.
Oplossingen voor het langer vasthouden van regenwater en gezuiverd afvalwater, waarbij landinrichting en -gebruik bijdragen aan het vasthouden van water. Inzet van technologische en natuurlijke zuivering om kwaliteit van zoetwatersystemen te beschermen (o.a. tegen verzilting) en te verbeteren. Het voorkomen van schadelijke emissies en lozingscalamiteiten. Duurzame alternatieven voor waterwinning en waterhergebruik.
4. Deelmissie duurzaam en gewaardeerd voedsel, dat gezond, toegankelijk en veilig is
Doel van deze deelmissie is dat in 2050 voedsel in Nederland en Europa op een duurzame manier wordt geproduceerd in transparante ketens, waarin alle ketenpartijen een bijdrage leveren aan de verduurzaming van het voedselsysteem als geheel en aan de voedselzekerheid. Het voedselsysteem is dan zo ingericht dat het bijdraagt aan de halvering van de ecologische voetafdruk. Het streven is dat er in 2030 de helft minder voedsel wordt verspild en dat er een verschuiving wordt gerealiseerd naar 50-50% dierlijke en plantaardige eiwitten. Ook worden zij- en reststromen maximaal verwaard. Er wordt toegewerkt naar een ecologisch, economisch en sociaal houdbaar systeem.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie bij te dragen aan de volgende ontwikkelingen:
Voedselzekerheid nu en in de toekomst (mondiaal/EU/Nederland); dit betreft schokbestendige (toekomstige) voedselsystemen, het bevorderen van inclusieve en duurzame groei in de agrifood sector in lage- en middeninkomenslanden, het terugdringen van verspilling en voedselverlies en de transitie naar duurzame en gezonde diëten in lage – en middeninkomenslanden.
Meervoudige verwaarding vanaf de agrifoodsector naar food en non-food; dit betreft verwaarding van biogrondstoffen uit de voedselketen naar voedsel en hoogwaardige, veilige, bioafbreekbare non-food producten, het halveren van de footprint in bestaande en nieuwe voedselketens door het valoriseren van de rest- en zijstromen, de reductie van en efficiënter gebruik van water, energie en grondstoffen en de ontwikkeling van markten en waardeketens voor schone en veilige producten uit organische restromen en voor biobased producten.
5. Deelmissie duurzaam en veilig gebruik van de Noordzee en andere grote wateren
Deze deelmissie richt zich op het doel dat in 2050 in Nederland de ecologische draagkracht en waterkwaliteit en –beschikbaarheid in balans is met de opgave voor hernieuwbare energie, voedsel, visserij en andere economische activiteiten.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:
6. Deelmissie veilige en weerbare delta
Deze deelmissie richt zich op het doel dat Nederland een veilige en weerbare delta blijft, ook bij een stijgende zeespiegel en sterkere schommelingen in de afvoer van rivieren door toegenomen weerextremen. Het achterliggend land wordt beschermd met betaalbare, circulaire, klimaatneutrale maatregelen die zoveel mogelijk werken vanuit het natuurlijk systeem (NBS, water en bodem sturend) dan wel rekening houden met de natuur (natuurinclusief). Havens blijven bereikbaar en rivieren, kanalen en de Noordzee blijven veilig bevaarbaar.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:
7. Programma voor sleuteltechnologieën voor Landbouw, Water en Voedsel (LWV)
Dit programma richt zich op het doel dat in 2030 sleuteltechnologieën zijn ontwikkeld die bijdragen aan de missies in ‘groenblauwe‘ sectoren zoals land- en tuinbouw en watersystemen. De toepassing van sleuteltechnologieën helpt deze sectoren hun missies en doelen effectiever, sneller en/of efficiënter te bereiken.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissie de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:
Biotechnologie en veredeling draagt bij aan de beschikbaarheid van voldoende genetische variatie en innovatieve technologieën voor de veredeling en fokkerij zodat bedrijven sneller, efficiënter en effectiever hoogwaardig uitgangsmateriaal kunnen ontwikkelen dat geschikt is voor toepassing in de verschillende missieprogramma’s van de KIA Landbouw, Water, Voedsel.
Projecten dienen bij te dragen aan het doel dat in 2040 alle mensen in Nederland ten minste vijf jaar langer in goede gezondheid leven en dat de gezondheidsverschillen tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen.
De KIA Gezondheid en Zorg bevat de vijf deelmissies:
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of diensten in relatie tot de deelmissies daarvoor de volgende ontwikkelingen te ondersteunen:
Ten slotte is voor de te ontwikkelen innovatieve producten, processen of diensten in relatie tot de bovenstaande deelmissies het volgende relevant:
Projecten dienen bij te dragen aan de overkoepelende ambitie om (potentiële) tegenstanders steeds een stap vóór te blijven: 'always ahead of the threat’ met slimme oplossingen in dienst van een veilige maatschappij.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst daarvoor bij te dragen aan een van de volgende vijf deelmissies binnen de KIA veiligheid:
In 2030 is de georganiseerde ondermijnende criminaliteit in Nederland riskant en slecht lonend, door meer zicht op illegale activiteiten en geldstromen.
Zicht: Er is specifiek behoefte aan instrumentaria om criminele activiteiten waar te nemen en ontwikkelingen en patronen te herkennen zoals het ontstaan van criminele samenwerkingsverbanden en werkwijzen. Nieuwe, slimme sensoren (bijvoorbeeld uit de chemische industrie) kunnen ongebruikelijke activiteiten detecteren en gedragswetenschappelijke inzichten kunnen patronen herkennen en analyses versterken. Het waarnemend vermogen kan verhoogd worden door gebruik te maken van detectiemiddelen van andere publieke en private partijen.
Inzicht: Omdat veel illegale activiteiten zich ‘ondergronds’ manifesteren, is het van belang om toekomstige ontwikkelingen goed te voorspellen. Dat is nodig om de schaarse interventiemogelijkheden effectiever te benutten. Aanvullend op het vergroten van “zicht op“ georganiseerde criminaliteit, kan door kennisdeling, financiële en technische analyses het “inzicht in” criminele activiteiten worden vergroot. Met deze voorspellende kracht kunnen vervolgens interventies worden verbeterd of geëffectueerd.
Cyberveiligheid. In 2030 is veiligheid verplicht bij de ontwikkeling van digitale producten, en beschikt Nederland over een sterke cybersecurity kennis- en innovatieketen. De doelstellingen en acties in de Nederlandse Cybersecurity Strategie 2022-2028 (NLCS) vormen voor deze missie het overkoepelende kader.
Sleuteltechnologieën worden gekenmerkt door een generiek karakter met een breed toepassingsgebied of bereik in innovaties en/of sectoren binnen de KIA’s 1 t/m 5. Bij projecten die bijdragen aan de inhoudelijke KIA’s 1 t/m 5 zal dus veelal gebruik worden gemaakt van een of meer sleuteltechnologieën, waarbij sprake kan zijn van doorontwikkeling voor de specifieke toepassing.
Projecten die specifiek voor de KIA Sleuteltechnologieën worden ingediend, moeten bijdragen aan de generieke ontwikkeling van (een of meer) sleuteltechnologieën:
Hierbij wordt benadrukt dat onder optie 1 het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en onder optie 2 het puur toepassen ervan in een willekeurige sector niet anders dan binnen de missies reeds gebeurt, geen basis is voor toekenning van een subsidie.
Voor MKB-projecten binnen deze KIA wordt gezocht naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, die als product veelvuldig verkoopbaar zijn en waarvoor de MIT-subsidie de haalbaarheid moet aantonen of de technische ontwikkelrisico’s moet reduceren.
Hieronder de clusters van aangewezen Sleuteltechnologieën vanuit het perspectief van de potentiële bijdrage van technologie aan maatschappelijke uitdagingen in Nederland waaraan MKB-projecten kunnen bijdragen, de sleuteltechnologieën die onderdeel zijn van de nationale technologie strategie zijn aangemerkt met NTS:
De KIA Digitalisering is complementair aan de KIA Sleuteltechnologieën en representeert de zeven ‘Digital and Information Technologies’ (DIT’s) sleutel technologieën van de 44 sleutel technologieën uit de KIA Sleuteltechnologieën waarvan (1) Artificial Intelligence (AI) en (3) Cyber security technologies terugkomen in de Nationale Technologie Strategie (NTS).
Projecten die specifiek voor de KIA Digitalisering worden ingediend, dienen bij te dragen aan een van de zeven ‘Digital and Information Technologies’ (DITs) en de drie luiken zoals hieronder beschreven in acht te nemen. De sleuteltechnologieën die onderdeel zijn van de nationale technologie strategie zijn aangemerkt met NTS:
Projecten die specifiek voor de KIA Digitalisering worden ingediend, moeten:
Hierbij wordt benadrukt dat het doen van puur onderzoek naar DIT's geen basis is voor toekenning van een subsidie. Het puur toepassen van DIT's in een willekeurige sector komt alleen in aanmerking voor toekenning van een subsidie wanneer het project een van de maatschappelijke uitdagingen in de KIA's 1 t/m 5 adresseert.
KIA 8. Maatschappelijk Verdienvermogen
Het doel is om technologie beter te benutten in nieuwe producten, processen en diensten voor maatschappelijke uitdagingen en de impact van het ondernemen te versterken. Daardoor worden betere toepassingen ontwikkeld, die zowel economisch als maatschappelijk rendement opleveren.
Projecten passen in de KIA Maatschappelijk Verdienvermogen als ze een van de uitdagingen in KIA's 1 t/m 5 adresseren en zich richten op bovengenoemde doelstelling.
Vertaald naar projecten voor het MKB binnen de subsidiemodule MIT dient het te ontwikkelen innovatief product, proces of de dienst daarvoor de volgende technologiebenuttingen te verbeteren:
De methodisch onderbouwde manier van werken, waarbij gebruik gemaakt wordt van relevante Key Enabling Methodologies (zie de KEM agenda via https://kems.nl/).
Bijlage 2 bij artikel 1.9, vierde lid, en artikel 2.6, eerste lid, onder d, van de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030
Er zijn vier manieren waarop partijen, waaronder bijvoorbeeld leverancier en ontvanger of leveranciers onderling, met elkaar verbonden kunnen zijn: organisatorisch, economisch, financieel en op basis van juridische grondslagen. Voor elke van deze vorm van verbondenheid volgt hier een definitie.
1. Organisatorische verbondenheid:
De feitelijke leiding is in handen van dezelfde persoon of groep van personen:
Voor ‘persoon’ kan hier ook ‘rechtspersoon’ worden gelezen.
Er is sprake van (financiële) verbondenheid als de ene rechtspersoon meer dan 50% van de aandelen én meer dan 50% van de zeggenschap in handen heeft van de andere rechtspersoon. Ook een grote financiële afhankelijkheid kan duiden op financiële verbondenheid.
Aan het Burgerlijk Wetboek (BW) is voor de implementatie van Richtlijn 2006/46/EG in de Nederlandse wet, in 2008, in verband met verbonden partijen aan artikel 2:381 BW een nieuw, derde lid toegevoegd. Het BW definieert niet, ook niet in artikel 2:381, lid 3, wat een verbonden partij is. Uit de Memorie van Toelichting bij dit wetsvoorstel en het wetsvoorstel Uitvoeringswet flexibilisering BV-recht blijkt dat moet worden uitgegaan van de definitie in de door de Europese Unie goedgekeurde International Financial Reporting Standards en International Accounting Standards Board. Dit begrip moet dus worden uitgelegd aan de hand van de definitie zoals die is opgenomen in alinea 9 van International Accounting Standard 24. Deze International Accounting Standard richtlijn is ook verwoord in Controle en Overige Standaarden nummer 550.
Artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek
Een groep is een economische eenheid waarin rechtspersonen en vennootschappen organisatorisch zijn verbonden. Groepsmaatschappijen zijn rechtspersonen en vennootschappen die met elkaar in een groep zijn verbonden.
Een geassocieerde deelneming is een entiteit, met inbegrip van een entiteit zonder rechtspersoonlijkheid zoals een personenvennootschap, waarin de investeerder invloed van betekenis heeft en die geen dochteronderneming of belang in een joint venture is.
Een joint venture is een contractuele overeenkomst waarbij twee of meer partijen een economische activiteit aangaan waarover zij gezamenlijke zeggenschap hebben.
Bijlage 3 bij artikel 2.12, eerste lid, van de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030
Voor het bepalen van de rangschikking van projecten zijn vier verdeelcriteria benoemd. Per criterium zijn diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld.
a. de mate waarin technologische vernieuwing of wezenlijke nieuwe toepassingen van een bestaand product, productieproces of dienst wordt verwacht, te waarderen met maximaal 25 punten.
GS beoordeelt het vernieuwende karakter van het project. Hierbij speelt het brede innovatiebegrip een rol en gaat het over vernieuwing in de brede zin.
b. de mate waarin economische waarde wordt gecreëerd, te waarderen met maximaal 25 punten, voor:
Bij het beoordelen van de aanvraag bekijkt GS op welke wijze omgang met resultaten na afloop van het project plaatsvindt en wat het ex-post perspectief en aanpak van het project is. Het gaat hierbij om de lange termijn impact of investeringspotentie (publieke en / of private interesse van investeerders) van het project voor de fase na de subsidieperiode. Daarbij wordt het project vanuit de volgende perspectieven beoordeeld waarbij de context en regionale karakteristiek een rol spelen:
Voor de bijdrage aan de Zuid-Nederlandse economie kan naast bovenstaande ook gedacht worden aan de impact op werkgelegenheid in de regio (direct en indirect), de versterking van een economisch topsector/cluster en andere economische effecten voor de regio.
c. de mate van kwaliteit van het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6, te waarderen met maximaal 25 punten, gezien de:
Bij het beoordelen van de kwaliteit van het project kijkt GS naar de volgende zaken:
d. de mate waarin maatschappelijke impact wordt gerealiseerd, te waarderen met maximaal 25 punten.
GS beoordeelt in hoeverre het project bijdraagt aan de KIA’s zoals verwoord in bijlage 1. De maatschappelijk impact van het project hier en elders en in het heden en voor de toekomst zal in deze beoordeling worden meegenomen. Het project wordt uitgedaagd om hier op kwalitatieve en kwantitatieve manier invulling aan te geven (maatschappelijke business case). In de beoordeling wordt meegenomen:
Bijlage 4 bij artikel 2.6, derde lid, en artikel 2.12, tweede lid, van de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030
Toelichting behorende bij de Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030
De Subsidieregeling MIT Zuid-Nederland 2026-2030 (hierna: de regeling) sluit aan op de bestuurlijke keuze om het innovatiebeleid te richten op thematische missies, op ondersteunende sleuteltechnologieën en op maatschappelijk verdienvermogen. Deze aanpak is vastgesteld door het kabinet en is in grote lijnen overgenomen door alle provincies in hun economisch beleid en/of de Research and Innovation Strategies for Smart Specialisation (Regionale innovatiestrategieën; RIS3). Op nationaal niveau zijn de missies en de aanpak voor Sleuteltechnologieën door de topsectoren uitgewerkt in een zestal Kennis- en Innovatie-Agenda’s (KIA’s) waarnaar in bijlage 1 wordt verwezen. In november 2023 zijn deze agenda’s geconcretiseerd in het Kennis- en Innovatieconvenant (KIC), dat ook is ondertekend door de provincies1.
In de verschillende regionale MIT-regelingen en de landelijke regeling wordt verwezen naar bijlage 1, waar de KIA’s zijn vertaald naar zo concreet mogelijk doelen, die volgen uit de missies, de sleuteltechnologieënagenda en het beoogde verdienvermogen.
Relevantie voor mkb en mkb-innovaties
Missies omvatten een breed scala aan veranderingen en aanpassingen in ons dagelijks leven en ons patroon van produceren en consumeren. Zoals ook in de voorwaarden is aangegeven is de MIT-regeling gericht op het stimuleren van technologische innovaties. De KIA’s bevatten deels concrete vraagstukken binnen elk van de missies waarvoor technologische innovaties evident een bijdrage kunnen leveren. Andere vraagstukken beschrijven de noodzaak tot systeemveranderingen, een andersoortige aanpak of ander gedrag. Technologische innovaties zullen daar veelal een deeloplossing brengen of de veranderingen ondersteunen. Duidelijk moge zijn dat alleen subsidie wordt verstrekt voor het onderzoeken van de haalbaarheid van een innovatie respectievelijk het ontwikkelen ervan, met het bijbehorende innovatierisico, en niet voor het toepassen van een innovatieve werkwijze of een innovatief product in bijvoorbeeld het agrarisch bedrijf, in het stedelijk gebied, rivieren en zeeën of in de zorg.
Aansluiting op bestaande kennis en op onderzoeksagenda’s
Waar een innovatie is gericht op de missiethema’s zijn er geen verplichtingen ten aanzien van het gebruik van (sleutel)technologieën; de innovativiteit en de economische potentie zijn in dat opzicht doorslaggevend. Om vernieuwend en competitief te zijn is het in het algemeen relevant hoogwaardige actuele kennis en kunde in de innovatie te benutten en/of te combineren. Om competitief te blijven is het een voordeel om aansluiting te (kunnen) vinden op verdere ontwikkeling van die kennis en kunde in eigen land of regio. Om die reden is het advies om goed kennis te nemen van recent binnen de topsectoren en KIA’s ontwikkelde kennis respectievelijk van lopende onderzoeksprogramma’s en -projecten.
Waar de innovatie is gericht op doorontwikkeling of ondersteuning van de implementatie van een sleuteltechnologie, wordt verwezen naar de opsomming van sleuteltechnologieën in KIA 6 en de nadere informatie daar.
In deze toelichting wordt aangegeven hoe de informatie dient te worden geïnterpreteerd binnen de regeling respectievelijk de aanvraag.
De regeling is vastgesteld door de drie colleges van Gedeputeerde Staten van de provincies Zeeland, Noord-Brabant en Limburg, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft. Dit betekent dat de regeling moet passen binnen de kaders die bij de verschillende provincies zijn gesteld: Algemene subsidieverordening Zeeland 2023 (hierna: Asv Zeeland), Algemeen subsidiebesluit Zeeland 2023 (hierna: Asb), Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (hierna: Asv Noord-Brabant), Algemene Subsidieverordening Provincie Limburg 2023 e.v. (hierna: Asv Limburg). De regels van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de genoemde Asv’s liggen ten grondslag aan de regeling. De Asv’s zijn kaderverordeningen. Deze beschrijven op hoofdlijnen voor welke activiteiten subsidie kan worden verstrekt en bevatten verder delegatie- en bevoegdheidsbepalingen. Daarnaast geven de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant algemene procedureregels voor subsidieverstrekking. Voor Limburg zijn dit de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies. Voor Noord-Brabant is dit de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant. In Zeeland is dit geregeld in het Asb. De Asv’s verplichten de colleges van Gedeputeerde Staten om de inhoudelijke en beleidsmatige aspecten van het subsidiebeleid nader uit te werken in subsidieregelingen. Voor Zeeland is hiertoe het Asb aangewezen. Om die reden wordt deze regeling in Zeeland vastgesteld als bijlage bij het Asb. Voor zover mogelijk worden onderwerpen die worden geregeld in de afzonderlijke Asv’s niet herhaald in de regeling, behoudens die onderwerpen die niet in alle drie de Asv’s op dezelfde wijze zijn geregeld.
De provincies Limburg en Noord-Brabant volgen het rijkssubsidiekader voor het systeem van verantwoording en financieel beheer van de subsidies. Beide Asv’s hanteren dezelfde standaardarrangementen voor wat betreft uitvoerings- en verantwoordingseisen. Ook aan de Asv van Zeeland heeft het gedachtegoed van het rijkssubsidiekader ten grondslag gelegen, met een andere verdeling van arrangementen. Voor wat betreft de verantwoording van de staatssteun wordt gebruikt gemaakt van artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Steun onder die vrijstelling moet gestaafd zijn met actuele en specifieke bewijsstukken. Afrekening op basis van een eindverantwoording en werkelijke kosten voldoet daar helemaal aan. Subsidies op basis van paragraaf 1 worden verleend en direct vastgesteld, zonder eindverantwoording waarmee op andere wijze voorzien moet zijn in actuele en specifieke bewijsstukken. Vooraf wordt daarom vanuit de uitvoerbaarheid van het project nadrukkelijk toegezien op een realistische urenplanning en achteraf wordt steekproefsgewijs gecontroleerd op behaalde resultaten (ongeveer 10%). Daarmee wordt in hoge mate voldaan aan het criterium van actuele en specifieke bewijsstukken. Tegelijkertijd is het maximum steunpercentage op grond van de vrijstelling tussen de 60 en 70%, terwijl paragraaf 1 maar 35% vergoedt. Hiermee wordt het risico op overcompensatie verkleind.
Voor de subsidies op grond van paragraaf 2 wordt afgerekend op basis van prestaties en gerealiseerde kosten om te verzekeren dat overcompensatie wordt uitgesloten. De noodzaak van het indienen van een controleverklaring is afhankelijk van de hoogte van de subsidie.
De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden.
In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen. Bij de aanvang van werkzaamheden gaat het om de aanvang van de werkzaamheden met betrekking tot het project of de eerste, juridisch bindende toezegging om materiaal te bestellen, dan wel een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt. Daarom moet bijvoorbeeld een overeenkomst met een derde die werkzaamheden uitvoert, van na de aanvraag dateren. Of moet deze een duidelijk voorbehoud bevatten, bijvoorbeeld dat het accepteren van de offerte afhankelijk is van het ontvangen van subsidie. In andere gevallen voldoet de subsidie niet aan het vereiste dat steun een stimulerend effect moet hebben en wordt de aanvraag afgewezen. Komt dit later aan het licht, dan wordt de subsidievaststelling gewijzigd naar nihil en wordt de uitbetaalde subsidie teruggevorderd.
Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun is uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven.
Onder e. Onderneming in moeilijkheden
In artikel 2 onderdeel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert.
Deze weigeringsgrond maakt duidelijk dat een aanvrager maar een keer (per kalenderjaar) subsidie kan ontvangen voor een haalbaarheidsproject. Als een aanvrager bijvoorbeeld twee aanvragen heeft ingediend voor projecten, die ondanks de eisen uit artikel 1.9 allebei zouden kunnen worden verleend, staat deze weigeringsgrond daaraan in de weg.
Een aanvraag die niet aan alle vereisten voldoet, wordt afgewezen. In dit onderdeel is dat volledigheidshalve expliciet vastgelegd.
De vereisten (zowel algemeen als specifiek) gelden voor alle aanvragen op grond van deze paragraaf en onverminderd de algemene vereisten die in de drie Asv’s zijn opgenomen.
Ten aanzien van projecten gericht op de KIA sleuteltechnologieën is het doen van puur onderzoek naar sleuteltechnologieën en/of het puur toepassen ervan in een willekeurige sector, anders dan binnen de missies, geen basis voor toekenning van een subsidie. Gezocht wordt naar innovaties die de randvoorwaarden voor de kennisontwikkeling en toepassing van sleuteltechnologieën verbeteren, en die als product verkoopbaar zijn.
In dit onderdeel ligt vast dat het project is gericht op de voorbereiding van de ontwikkeling van een innovatief product of productieproces, of innovatieve dienst. De term ‘gericht op’ verduidelijkt dat experimentele ontwikkeling of industrieel onderzoek deel kan uitmaken van het project.
Eerste lid onder f tot en met i
Bij de beoordeling van het projectplan wordt tevens gekeken naar de activiteiten die volgens de aanvrager na het project plaatsvinden. Waartoe dient de haalbaarheidsstudie, wat gebeurt er na dit project? Bij de beoordeling van diverse onderdelen is de beoordeling gericht op de na het project voorgenomen activiteiten.
Artikel 1.7 Subsidiabele kosten
Binnen een haalbaarheidsproject zijn de kosten die direct betrekking hebben op het project subsidiabel. Dit zijn loonkosten en kosten derden. Onder loonkosten wordt, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, het volgende verstaan: de optelsom van de bruto loonkosten, niet winstafhankelijke emolumenten, dan wel extra verdiensten naast het loon, werkgeverslasten, kosten van secundaire arbeidsvoorwaarden en, indien van toepassing, een evenredig deel van de begrote kosten voor een eventuele wachtgelduitkering na ontslag, voor personeel dat werkzaamheden verricht ten behoeve van subsidiabele activiteiten.
Dit gaat om de kosten van onderzoekers, technici en ander personeel voor zover zij zich met het project bezighouden.
Kosten derden omvatten, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, kosten die op factuur aantoonbaar en aan derden verschuldigd zijn en die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project, en dat zij in aanmerking komen op basis van artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Indirecte kosten, zoals overheadkosten, vallen niet onder kosten derden en worden meegenomen in de loonkosten.
In artikelen 1.3.2 en 1.3.3 van het Asb is bepaald op welke wijze personeelskosten en kosten derden subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken (artikel 8, onder b, van de Asv Zeeland). In artikel 3, tweede lid, van de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies ligt vast dat Gedeputeerde Staten van bepalingen in deze nadere regels kunnen afwijken. Aangezien zowel het Asb als de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies niet (of niet geheel) overeenkomen met de berekening van de subsidiabele kosten in deze paragraaf, maken Gedeputeerde Staten van Zeeland en Limburg gebruik van deze afwijkingsmogelijkheden. Dit is noodzakelijk gelet op de uniforme wijze van uitvoeren van deze paragraaf, waarop de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing is.
Uit het oogpunt van administratieve lastenverlichting wordt uitsluitend gewerkt met het forfaitaire uurtarief van 60 euro.
De grondslag hiervoor is artikel 1.7 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant. Dit uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie, en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60.
Voor een stagiair die een niet-marktconforme vergoeding ontvangt, is er sprake van fictieve dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief van € 60,- niet. Bij een marktconforme vergoeding is er wel sprake van dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief dus wel. Een marktconforme vergoeding is bijvoorbeeld het minimumjeugd- of cao-loon. De stagiair is bij zo’n stagevergoeding, net als gewone werknemers, in ‘echte’ dienstbetrekking.
Artikel 1.9 Vereisten subsidieaanvraag
De afgelopen jaren was het plafond voor haalbaarheidsprojecten op de dag van de openstelling steeds overtekend, met een loting tot gevolg. De verwachting is dat er ook in 2026 meer interesse is voor subsidies dan het beschikbare budget toelaat. Bij eerdere openstellingen bleek dat sommige aanvragers subsidie aanvragen voor meerdere projecten. Hiermee verhogen zij de lotingskansen. Om dit te voorkomen, is in het derde lid opgenomen dat een aanvrager op een dag slechts één aanvraag kan indienen. Door deze aanpassing wordt voorkomen dat aanvragers meerdere aanvragen doen waarvan er gelet op artikel 1.5, onder f, maar één kan worden toegekend.
Dient een aanvrager op een dag toch meerdere aanvragen in, dan wordt de eerst ingediende aanvraag behandeld (vierde lid). De overige aanvragen worden afgewezen, aangezien deze niet voldoen aan de bepaling dat per dag slechts één aanvraag kan worden ingediend. Dit gebrek is niet herstelbaar. Een aanvrager kan niet aan deze afwijzingsgrond ontkomen door meerdere ondernemingen die als verbonden partijen gelden op dezelfde dag een aanvraag te laten indienen, zo volgt uit het vierde lid.
De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt uit de Algemene wet bestuursrecht.
Met dit artikel is geborgd dat de steunintensiteit voor het verrichten van activiteiten gericht op experimentele ontwikkeling niet hoger is dan de maximaal toegestane steunintensiteit uit artikel 25 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
Uit eerdere openstellingsperiodes onder de Subsidieregeling MKB innovatiestimulering topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 blijkt dat in veel aanvragen geen juist onderscheid wordt gemaakt tussen kosten voor het verrichten van een haalbaarheidsstudie, en kosten voor het verrichten van activiteiten gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling. Het kost de subsidieverstrekker veel tijd om hiervoor te corrigeren, terwijl de subsidieaanvrager minder subsidie ontvangt dan waarop deze rekende. Om deze effecten te voorkomen, wordt, net als in latere openstellingen onder de vorige MIT-regeling, slechts met het subsidiepercentage van 35% gewerkt. Dit percentage geldt hierdoor zowel voor het verrichten van een haalbaarheidsstudie, als voor het verrichten van activiteiten gericht op industrieel onderzoek of experimentele ontwikkeling.
Op grond van het tweede lid van artikel 1.11 geldt dat reeds eerder verstrekte subsidies voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan in mindering moeten worden gebracht op de subsidie. Dit voorkomt dat een aanvrager voor hetzelfde project meerdere subsidies ontvangt. Het ontvangen van meerdere subsidies is zowel vanuit het oogpunt van uitvoeringslasten, van een gelijk speelveld en van het voorkomen van onrechtmatige staatssteun onwenselijk.
Artikel 1.13 Beslistermijnen subsidieverlening
De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. Op grond van artikel 1.5.2, eerste lid, van het Asb, en in afwijking van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg, is de beslistermijn in deze paragraaf vastgesteld op 16 weken.
De provinciale regelgeving geeft de colleges van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de verplichtingen uit de Asv’s of het Asb aan te vullen.
De verplichting in het derde lid is opgenomen met het oog op een voorgenomen monitoring van de resultaten van deze paragraaf.
De elementen van vaststelling van de subsidies (aanvraagtermijn, beslistermijn en wijze van verantwoording) zijn in de drie provincies bepaald door de hoogte van de subsidie en het hieraan verbonden arrangement. Ter zake van arrangement 1 geldt dat in afwijking van artikel 1.7 en paragraaf 1.8 van het Asb tot met € 20.000 direct worden vastgesteld. De Asv’s van Noord-Brabant en Limburg kennen deze mogelijkheid.
Omdat het tweede lid bepaalt dat een samenwerkingsverband dient te bestaan uit ten minste twee mkb-ondernemingen, kan discussie ontstaan over de vraag of ook de ondernemingen binnen het samenwerkingsverband die géén mkb-onderneming zijn, voor subsidie in aanmerking kunnen komen.
Dit laatste wordt niet beoogd met de regeling. Deze heeft als doel het stimuleren van innovaties bij het midden- en kleinbedrijf (mkb). Daarom bepaalt het eerste lid dat de subsidie uitsluitend kan worden aangevraagd door en verleend aan mkb-ondernemingen in een samenwerkingsverband ten behoeve van de door henzelf uit te voeren projectactiviteiten.
Leden 1 en 2 laten in hun samenhang bezien, wél de ruimte dat ook andere ondernemingen dan mkb-ondernemingen deelnemen aan het samenwerkingsverband, mits er ten minste twee mkb-ondernemingen participeren. Ondernemingen in een dergelijk samenwerkingsverband die geen mkb-onderneming zijn, kunnen dan geen aanspraak maken op subsidie in relatie tot de door hen uit te voeren projectactiviteiten en dienen deze volledig zelf te bekostigen. Indien een grote onderneming wel subsidie aanvraagt, wordt de gehele aanvraag afgewezen. Dit omdat de aanvraag dan niet uitsluitend is aangevraagd door mkb-ondernemingen.
De weigeringsgronden gelden onverminderd de weigeringsgronden in artikel 4:25 (subsidieplafond) en 4:35 van de Awb en de weigeringsgronden in de drie Asv’s. Dit betekent dat de weigeringsgronden in de Asv’s onverkort gelden.
In artikel 6 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is bepaald dat steun wordt geacht een stimulerend effect te hebben wanneer de aanvraag om subsidie is ingediend voordat de werkzaamheden aan het project of de activiteit aanvangen. Bij de aanvang van werkzaamheden gaat het om de aanvang van de werkzaamheden met betrekking tot het project of de eerste, juridisch bindende toezegging om materiaal te bestellen, dan wel een andere toezegging die de investering onomkeerbaar maakt. Daarom moet bijvoorbeeld een overeenkomst met een derde die werkzaamheden uitvoert, van na de datum van de aanvraag dateren. Of moet deze een duidelijk voorbehoud bevatten, bijvoorbeeld dat het accepteren van de offerte afhankelijk is van het ontvangen van subsidie. In andere gevallen voldoet de subsidie niet aan het vereiste dat steun een stimulerend effect moet hebben en wordt de aanvraag afgewezen. Komt dit later aan het licht, dan wordt de subsidie vastgesteld op nihil (of wordt de subsidievaststelling gewijzigd naar nihil), en wordt de uitbetaalde subsidie teruggevorderd.
Een van de verplichtingen die gelden om gebruik te kunnen maken van een vrijstelling op grond van de algemene groepsvrijstellingsverordening, is het opnemen van de zogeheten Deggendorf clausule. Deze houdt in dat betaling van steun is uitgesloten aan een onderneming waarbij eerdere steun onrechtmatig en onverenigbaar is verklaard met de interne markt. Tegen de onderneming is in dat geval een terugvorderingsbevel gegeven.
Onder d. Onderneming in moeilijkheden
In artikel 2 onderdeel 18 van de algemene groepsvrijstellingsverordening is aangegeven in welke gevallen een onderneming in financiële moeilijkheden verkeert. Bij het indienen van een aanvraag, dient hiervoor een verklaring te worden gevoegd waarin wordt verklaard dat aanvrager niet in financiële moeilijkheden verkeert.
Deze weigeringsgrond maakt duidelijk dat een aanvrager per kalenderjaar maximaal € 175.000 subsidie kan ontvangen voor het uitvoeren van R&D samenwerkingsprojecten (of maximaal € 100.000 indien het subsidiebedrag maximaal € 200.000 is). Anders dan artikel 1.5 bevat artikel 2.5 geen beperking tot één subsidie per kalenderjaar. Dit zorgt ervoor dat een onderneming aan meerdere projecten kan deelnemen, zolang zij daarbij in totaal in het kalenderjaar maar onder het maximum uit artikel 2.11, tweede lid, blijft. Het zou immers onwenselijk zijn dat bij een onderneming die aan twee projecten wil deelnemen, en die daarvoor in totaal bijvoorbeeld € 75.000 subsidie aanvraagt, de tweede aanvraag wordt geweigerd. Dit terwijl een onderneming die één project wil uitvoeren, een veel hoger bedrag kan aanvragen. Bij de haalbaarheidsprojecten is er geen reden voor een bepaling als deze. Dit gelet op de ervaring dat de meeste aanvragen het maximum van € 20.000 betreffen, of daar niet ver vanaf zitten.
Een aanvraag die niet aan alle vereisten voldoet, wordt afgewezen. In dit onderdeel is dat volledigheidshalve expliciet vastgelegd.
De missies, sleuteltechnologieën en het maatschappelijk verdienvermogen, zijn vertaald in de KIA’s.
In bijlage 1 behorende bij de regeling is een verwijzing en uitwerking opgenomen van de KIA’s waar een project binnen moet passen dan wel uitvoering aan moet geven.
Eerste lid onder c. Instemming
Instemming van alle deelnemers omvat onder andere instemming met de begroting en een sluitend financieringsplan. Hierdoor kan getoetst worden wat ieders bijdrage in de subsidiabele kosten is en hoe de subsidie over de subsidiabele kosten van de deelnemers verdeeld wordt.
Eerste lid onder d. Verbondenheid
Deze bepaling (en de begripsbepaling in artikel 2.1) is ruimer dan de definitie van verbonden ondernemingen uit artikel 3 van bijlage I van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Volgens de definitie in de algemene groepsvrijstellingsverordening voldoen bijvoorbeeld twee partijen waarbij de een vijftig procent van de aandelen van de ander houdt aan dit vereiste. Dit laatste wordt niet beoogd met deze regeling, die mede is bedoeld om samenwerking binnen het mkb te stimuleren. Daarom staat in artikel 2.6 dat deelnemers aan het samenwerkingsverband geen verbonden partijen mogen zijn. Bij verbonden partijen gaat het om marktpartijen die economisch, organisatorisch, financieel of juridisch verbonden zijn en waarbij sprake kan zijn van beïnvloeding van de ene partij door de andere partij. In bijlage 2 zijn deze criteria uitgewerkt.
Eerste lid onder e. Niet meer dan 70%
Deze bepaling is opgenomen om er voor te zorgen dat er echt sprake is van een evenwichtig samenwerkingsverband door te voorkomen dat één van de partijen meer dan 70% van de subsidiabele kosten voor zijn rekening neemt.
In het tweede lid is opgenomen welke elementen in ieder geval in het projectplan moeten staan.
Bij de onderdelen c tot en met f gaat het om een beschrijving die wordt gebruikt bij de beoordeling bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.
Het project heeft een positieve bijdrage, positieve impact op één of meerdere missies, danwel is er sprake van impact op kennisontwikkeling of versterkte implementatie van een sleuteltechnologie. Om de projecten uit de verschillende KIA’s/missies zo goed mogelijk te kunnen beoordelen, en die baten met punten te waarderen, dienen de verwachte baten van de innovatie zoveel mogelijk te worden gekwantificeerd (in aantallen en/of getallen). Dat kan door onder andere een vergelijking te maken met producten, diensten of processen die al op de markt beschikbaar zijn. Ook de waarschijnlijkheid dat die baten kunnen worden bereikt, dient in het projectplan te worden onderbouwd. De impact dient waar mogelijk gekwantificeerd te worden, zodat blijkt wat de omvang ervan is.
De verschillende vormen die de impact in de verschillende missies kan krijgen, zijn toegelicht in bijlage 1.
Bij de laatste openstelling onder de Subsidieregeling innovatiestimulering MKB topsectoren Zuid-Nederland 2021-2025 bleek dat aanvragers regelmatig invulden dat hun project onder een bepaalde prioriteit paste, zonder toe te lichten waarom dat het geval is. Dit is om meerdere redenen onwenselijk. Het kost de subsidieverstrekker veel tijd om dit uit te zoeken. Daarnaast valt de subsidieaanvrager mogelijk niet onder de aangegeven prioriteit, waardoor de aanvraag niet in aanmerking komt voor de verdubbeling bedoeld in artikel 2.12, tweede lid. Om dit te voorkomen, dient de aanvrager te onderbouwen waarom het project onder de opgegeven prioriteit(en) past.
Artikel 2.7 Subsidiabele kosten
Binnen een R&D Samenwerkingsproject kunnen loonkosten, kosten derden en afschrijvingskosten worden verantwoord.
Onder loonkosten wordt, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, het volgende verstaan: de optelsom van de bruto loonkosten, niet winstafhankelijke emolumenten, dan wel extra verdiensten naast het loon, werkgeverslasten, kosten van secundaire arbeidsvoorwaarden en, indien van toepassing, een evenredig deel van de begrote kosten voor een eventuele wachtgelduitkering na ontslag, voor personeel dat werkzaamheden verricht ten behoeve van subsidiabele activiteiten.
Dit gaat om de kosten van onderzoekers, technici en ander personeel voor zover zij zich met het project bezighouden.
Loonkosten kunnen op twee manieren worden berekend: ofwel via het forfaitair uurtarief van € 60 ofwel via het bruto jaarsalaris opgeslagen met 50% voor overige lasten.
Kosten derden omvatten, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, kosten die op factuur aantoonbaar en aan derden verschuldigd zijn en die direct voor de subsidiabele activiteit worden gemaakt. Van belang is dat deze kosten op factuurbasis direct betrekking hebben op het project, en dat zij in aanmerking komen op basis van artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening. Indirecte kosten, zoals overheadkosten, vallen niet onder kosten derden en worden meegenomen in de loonkosten.
Onder afschrijvingskosten wordt, overeenkomstig artikel 1.3 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant, verstaan de kosten die de economische waardevermindering weergeven van een investering tegen historische kostprijs gedurende de economische levensduur. Dit betreft de afschrijvingskosten van apparatuur en uitrusting voor zover en zolang zij worden gebruikt voor het project, als bedoeld in artikel 25, derde lid, van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
In artikelen 1.3.2 en 1.3.3 van het Asb is bepaald op welke wijze personeelskosten en kosten derden subsidiabel zijn. Van deze regeling kan worden afgeweken (artikel 8, onder b, van de Asv Zeeland). In artikel 3, tweede lid, van de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies ligt vast dat Gedeputeerde Staten van bepalingen in deze nadere regels kunnen afwijken. Aangezien zowel het Asb als de Regels subsidiabele kosten projectsubsidies niet (of niet geheel) overeenkomen met de berekening van de subsidiabele kosten in deze paragraaf, maken Gedeputeerde Staten van Zeeland en Limburg gebruik van deze afwijkingsmogelijkheden. Dit is noodzakelijk gelet op de uniforme wijze van uitvoeren van deze paragraaf, waarop de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant van overeenkomstige toepassing is.
De grondslag voor de berekeningswijze van uurtarieven op basis van kosten per kostendrager is artikel 1.6 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant. Er wordt in deze paragraaf uitgegaan van een opslagpercentage van 50% voor indirecte kosten.
De grondslag voor het forfaitaire uurtarief van € 60 is artikel 1.7 van de Regeling algemene subsidienormen Noord-Brabant. Dit uurtarief wordt gehanteerd voor alle direct bij de subsidiabele activiteit betrokken personen die in loondienst zijn bij de aanvragende organisatie en omvat zowel directe arbeids- en loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten. Dit tarief kan ook toegepast worden indien personen van een verbonden onderneming (inclusief holding B.V. en management B.V.) betrokken zijn in de projectuitvoering. Ook eigenaren van ondernemingen die niet worden verloond op basis van een dienstverband kunnen gebruik maken van het forfaitair uurtarief van € 60.
Voor een stagiair die een niet-marktconforme vergoeding ontvangt, is er sprake van fictieve dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief van € 60,- niet . Bij een marktconforme vergoeding is er wel sprake van dienstbetrekking en geldt het forfaitair tarief dus wel. Een marktconforme vergoeding is bijvoorbeeld het minimumjeugd- of cao-loon. De stagiair is bij zo’n stagevergoeding, net als gewone werknemers, in ‘echte’ dienstbetrekking.
In dit plafond is een onderscheid gemaakt tussen zogenoemde grote projecten en kleine projecten. Grote projecten zijn projecten waarvoor een subsidie tussen € 200.000 tot en met € 350.000 wordt toegekend. Bij kleine projecten gaat het om een subsidie tot € 200.000. Dit onderscheid voorkomt dat het gehele subsidieplafond wordt toebedeeld aan grote projecten.
In het eerste lid ligt de hoofdregel vast dat maximaal 50% van het subsidieplafond beschikbaar is voor aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000. Dit kan ertoe leiden dat het beschikbare budget deels onbenut blijft indien na het toekennen van aanvragen onder € 200.000 minder dan de helft van het budget is uitgeput. Daarom is in het tweede lid een regel opgenomen die ervoor zorgt dat deze hoofdregel niet wordt toegepast indien het toekennen van aanvragen onder € 200.000 minder dan de helft van het budget betreft. Het overgebleven budget kan dan worden ingezet voor het toekennen van aanvragen met een subsidiehoogte van meer dan € 200.000.
De hoogte van de subsidie is gemaximeerd op € 350.000 per R&D-samenwerkingsproject. Daarbij geldt dat de subsidie per deelnemer minimaal € 25.000 bedraagt en maximaal € 100.000 of € 175.000. Deze maxima per deelnemer zijn afhankelijk van de totale subsidie (al dan niet meer dan € 200.000). De aanvraag is leidend bij de bepaling van de subsidiehoogte. Dit betekent dat een aanvrager minder ontvangt, indien hij minder aanvraagt. Dit volgt uit de Algemene wet bestuursrecht.
Op grond van dit lid geldt dat reeds eerder verstrekte subsidies voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan in mindering moeten worden gebracht op de subsidie. Dit voorkomt dat een aanvrager voor hetzelfde project meerdere subsidies ontvangt. Dit is zowel vanuit het oogpunt van uitvoeringslasten, van een gelijk speelveld en van het voorkomen van onrechtmatige staatssteun onwenselijk.
Uit dit artikel volgt dat de gehele subsidieaanvraag wordt geweigerd indien de subsidiehoogte en verdeling van de subsidie over de deelnemers van het samenwerkingsverband er toe leidt dat een of meer deelnemers minder dan € 25.000 ontvangen of juist meer dan € 100.000 respectievelijk meer dan € 175.000 (afhankelijk van het totaal aangevraagde bedrag).
R&D-Samenwerkingsprojecten kunnen op meerdere maatschappelijke gebieden (missies) impact hebben en daarmee bijdragen aan de KIA’s zoals beschreven in bijlage 1. Dit is een gevolg van het feit dat de missies en KIA’s op zichzelf en onderling overlap vertonen. Ook kan de oplossing voor de ene missie negatief uitwerken op een andere. Iets vergelijkbaars geldt de bevordering van sleuteltechnologieën. Bij de toedeling van punten op het onderdeel maatschappelijke impact weegt de beoordelende commissie het totaal aan maatschappelijke kosten en baten op de genoemde terreinen.
Een aanvraag kan op grond van het eerste lid maximaal 100 punten behalen. De aanvraag kan een onderwerp betreffen waaraan prioriteit is toegekend als bedoeld in bijlage 4. In dat geval wordt het aantal punten verdubbeld dat is toegekend voor het criterium ‘mate waarin maatschappelijke impact wordt gerealiseerd’ (hierna: ‘maatschappelijke impact’). De totale score bedraagt in dat geval maximaal 125 punten.
Het gaat in het tweede lid nadrukkelijk om een verdubbeling van het aantal punten dat volgt uit de toepassing van het eerste lid. De vereisten uit artikel 2.6, eerste lid, onder h en i, blijven dan ook onverkort gelden. Als een aanvraag minder dan 10 punten scoort op een criterium bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, of minder dan 50 punten in totaal, wordt de aanvraag afgewezen.
Een aanvraag die 9 punten scoort op het criterium ‘creëren van economische waarde’ wordt afgewezen (artikel 2.6, eerste lid, onder h), ook al bedraagt de totale score 50 punten of meer en ook al wordt de score voor criterium ‘maatschappelijke impact’ op grond van het tweede lid verdubbeld. Die verdubbeling verandert niets aan de omstandigheid dat de aanvraag niet voldoet aan het vereiste dat een project op elk criterium minstens 10 punten scoort.
Een aanvraag die minstens 10 punten scoort op elk criterium, 12 punten scoort op het criterium ‘maatschappelijke impact’, en 48 punten in totaal, wordt eveneens afgewezen (artikel 2.6, eerste lid, onder i). Dat de score op grond van het tweede lid naar 60 stijgt door de verdubbeling van de punten voor het criterium ‘maatschappelijke impact’, doet daaraan niet af. Die verdubbeling verandert niets aan de omstandigheid dat de aanvraag niet voldoet aan het vereiste dat een project ten minste 50 punten scoort voor de verdeelcriteria, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid.
Deze keuze waarborgt dat erg matige projecten, die toevallig een onderwerp betreffen dat in bijlage 4 is opgenomen, subsidie ontvangen.
De aanvragen waarbij geen sprake is van een prioriteit kunnen geen extra punten scoren op het criterium maatschappelijke impact.
Artikel 2.14 Beslistermijnen subsidieverlening
De beslistermijnen voor subsidieverlening wijken onderling van elkaar af in de provincies. Omdat de subsidies uit een gezamenlijk plafond worden verstrekt, is het van belang gelijke termijnen te hanteren. Op grond van artikel 1.5.2, eerste lid, van het Asb, en in afwijking van de Asv’s van Noord-Brabant en Limburg, is de beslistermijn in deze paragraaf vastgesteld op 16 weken.
De provinciale regelgeving geeft de colleges van Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de verplichtingen uit de Asv’s of het Asb aan te vullen.
De verplichting in het derde lid is opgenomen met het oog op een voorgenomen monitoring van de resultaten van deze paragraaf.
Artikel 1.6.6, derde lid van het Asb bepaalt dat indien een instelling niet of niet volledig aan zijn plicht tot bekendmakingen of publiciteitsuitingen heeft voldaan door de provincie als subsidieverstrekker te noemen, de subsidie kan worden verlaagd met vijf procent, met een maximum van € 5.000. Ook wordt afgeweken van artikel 1.10.1 van de Asv 2023 van Zeeland, waaruit volgt dat indien binnen 5 jaar de subsidievaststelling blijkt dat activa zijn vervreemd, de subsidievaststelling kan worden gewijzigd of ingetrokken. Deze verplichting kennen de Asv’s Limburg en Noord-Brabant niet. Het opleggen van een sanctie in één van de provincies schaadt de eenduidigheid en gelijke behandeling. Vanwege de uniformiteit tussen de drie provincies is ervoor gekozen om deze sanctie op geen enkele subsidie die wordt verleend in het kader van deze paragraaf toe te passen en buiten toepassing te verklaren.
In het Asb zijn geen bepalingen met betrekking tot vermogensvorming opgenomen. De bepalingen van de Asv’s van Limburg en Noord-Brabant zijn grotendeels gelijkluidend. De bepaling van de Asv van Noord-Brabant is dan ook van toepassing verklaard op Zeeuwse subsidies.
Met deze bepaling wordt afgeweken van het beleid. Dit omwille van de eenduidigheid tussen de drie provincies en ten voordele van de aanvragers. Voor de hoogte van de bevoorschotting is aangesloten bij Zeeland, binnen de arrangementenhoogtes van Limburg en Noord-Brabant.
Subsidies op grond van deze paragraaf worden vastgesteld op basis van prestaties en gerealiseerde kosten. Hierbij gaat het om factuurbewijzen, urenstaten en betaalbewijzen (zoals een bankafschrift waaruit volgt dat er een betaling is verricht).
Ter zake de aanvraagtermijn waarbinnen de subsidieontvanger zijn aanvraag om vaststelling in moet dienen, hanteren de drie provincies drie verschillende termijnen in de Asv’s. Vanwege de uniforme uitvoering is aansluiting gezocht bij de termijn zoals genoemd in het Asb.
Voor deze paragraaf zijn specifieke prioriteitsgebieden vastgesteld. Deze gebieden zijn geselecteerd op basis van hun aansluiting bij de regionale sterktes van Zuid-Nederland. Door deze focus wordt de innovatiekracht van de regio optimaal benut en versterkt.
De projecten die aan deze prioritaire deelmissies bijdragen, worden inhoudelijk op dezelfde wijze getoetst als niet-prioritaire projecten. Het enige verschil is dat een regionale aanvraag die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen en voldoet aan de nationale prioritering extra punten kan krijgen binnen de beoordeling.
Voor de Haalbaarheidsprojecten is de prioritering niet van toepassing en is het toetsingskader in het geheel van toepassing (alle KIA’s genoemd in bijlage 1).
Kennis- en Innovatieconvenant 2024-2027, https://open.overheid.nl/documenten/2cc3f116-c82a-487c-8588-9f7b30b17ab2/file
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-3763.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.