Provinciaal blad van Zuid-Holland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zuid-Holland | Provinciaal blad 2026, 3739 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zuid-Holland | Provinciaal blad 2026, 3739 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van gedeputeerde staten van de provincie Zuid-Holland van 24 februari 2026, PZH-2026-886551573 (DOS-2024-0000928), tot wijziging van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 in verband met het toevoegen van een paragraaf voor het verstrekken van subsidie voor de aanschaf en aanleg van centrale wasplaatsen (wijzigingsbesluit Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 centrale wasplaatsen)
Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;
Gelet op artikel 1.3, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland;
Overwegende dat het wenselijk is om erfemissies van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater, bodem en riool te verminderen en daartoe subsidie te verstrekken voor het realiseren van centrale wasplaatsen;
Overwegende dat de te subsidiëren activiteiten in overeenstemming zijn met hoofdstuk I en artikel 14 van Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327), alsook met de voorwaarden die zijn gesteld in Verordening (EU) Nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PbEU 2023, 2831);
Aan Hoofdstuk 2 van de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:
Artikel 2.20.1 Begripsbepalingen
In aanvulling op artikel 1.1 van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016 wordt in deze paragraaf verstaan onder:
adviseur: onpartijdige en onafhankelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon die met betrekking tot de aanleg, inrichting en exploitatie van een centrale wasplaats beschikt over aantoonbare deskundigheid op het gebied van agrarische bedrijfsvoering en de emissies van gewasbeschermingsmiddelen van erf naar oppervlaktewater;
landbouwonderneming: kleine, middelgrote of micro-onderneming die aan de in bijlage I van de Landbouwvrijstellingsverordening vastgestelde criteria voldoet en waarin de primaire productie van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 44, van de Landbouwvrijstellingsverordening plaatsvindt;
Landbouwvrijstellingsverordening: Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327), met inbegrip van latere wijzigingen;
Artikel 2.20.2 Subsidiabele activiteiten
Subsidie op grond van deze paragraaf kan uitsluitend worden aangevraagd door een landbouwonderneming, loonwerkbedrijf, of mechanisatiebedrijf.
Artikel 2.20.4 Aanvraagperiode
In afwijking van artikel 2.3, eerste lid, van de Asv, worden aanvragen voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2, eerste lid, ingediend binnen de tenderperiode van 9 maart 2026 tot en met 9 juni 2026.
Artikel 2.20.5 Subsidievereisten
Om voor subsidie als bedoeld in artikel 2.20.2 eerste lid, in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:
de locatie waarop de centrale wasplaats wordt aangelegd, of waarop de aanpassing van een individuele wasplaats naar een centrale wasplaats plaatsvindt, is in eigendom of erfpacht van de subsidie-aanvrager. Indien de erfpachter voor de realisatie van de activiteit toestemming nodig heeft van de eigenaar van de locatie, dan beschikt de subsidie-aanvrager ten tijde van de aanvraag voor subsidieverlening over een toestemmingsverklaring van de eigenaar;
de subsidie-aanvrager stelt samen met de adviseur een exploitatieplan op voor de aanleg van een centrale wasplaats, of voor de aanpassing van een individuele wasplaats naar een centrale wasplaats, dat bij de subsidie-aanvraag wordt overgelegd, en waarin in ieder geval wordt beschreven:
de subsidie-aanvrager stelt, samen met de adviseur, ten behoeve van de aan te leggen centrale wasplaats of ten behoeve van het aanpassen van een individuele wasplaats naar een centrale wasplaats, een door de subsidie-aanvrager en de beoogde ondernemers die van de wasplaats gebruik gaan maken, te ondertekenen schriftelijke overeenkomst op die bij de subsidie-aanvraag wordt overgelegd. Deze overeenkomst bevat in ieder geval bepalingen over:
Onverminderd het eerste lid, beschikt de subsidie-aanvrager, indien voor het aanleggen van de centrale wasplaats, of het aanpassen van een individuele wasplaats naar een centrale wasplaats, een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet is vereist en deze nog niet is verleend, ten tijde van de aanvraag voor subsidieverlening in ieder geval over een ontvangstbewijs van het bevoegd gezag dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend.
Artikel 2.20.6 Weigeringsgronden
De hoogte van de subsidie voor de aanleg van een centrale wasplaats en voor het aanpassen van een individuele wasplaats naar een centrale wasplaats, bedraagt ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van € 280.000,00 voor de kosten bedoeld in artikel 2.20.8, eerste lid, onder a en b, en tot een maximum van € 20.000,00 voor de kosten bedoeld in artikel 2.20.8, eerste lid, onder c.
Artikel 2.20.8 Subsidiabele kosten
Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie, komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:
de algemene kosten in verband met de onder onderdelen a en b bedoelde uitgaven, zoals kosten van een adviseur voor bouwkundig advies, het door een adviseur opstellen van het exploitatieplan en de overeenkomst, bedoeld in artikel 2.20.5, eerste lid, onder h en j, het zoeken en benaderen van beoogde gebruikers, het ontwikkelen van registratiesystemen voor gebruikers alsook juridische en administratieve systemen voor collectief gebruik, en leges voor vergunningaanvragen;
Artikel 2.20.9 Niet-subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 2.5 van de Asv en in afwijking van artikel 2.20.8 komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
Artikel 2.20.10 Verdelingswijze
Als toepassing van het derde lid ertoe leidt dat aanvragen op een gelijk puntenaantal eindigen en het vastgestelde deelplafond te boven gaan, wordt rangschikking van die aanvragen bepaald door het aantal punten behaald onder het criterium genoemd in het derde lid, onder a, waarbij de aanvraag met de meeste punten hoger eindigt in de rangschikking.
Indien de omgevingsvergunning, als bedoeld in de Omgevingswet, ten tijde van de beschikking tot subsidieverlening nog niet onherroepelijk is, verstrekken gedeputeerde staten de subsidie onder de ontbindende voorwaarde dat de omgevingsvergunning zal worden verleend door de daartoe bevoegde instantie en onherroepelijk is binnen twee jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening.
Artikel 2.20.12 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
In afwijking van artikel 1.4 van de Subsidieregeling Groen Zuid-Holland 2016 geldt voor het project geen verplichting tot start van de uitvoering binnen drie maanden na subsidieverlening, mits de centrale wasplaats uiterlijk binnen twee jaar na de datum van de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening is aangelegd en in werking gesteld, hetgeen tevens geldt voor de individuele wasplaats die is aangepast in een centrale wasplaats.
Artikel 2.20.13 Vangnetbepaling staatssteun
Subsidie die krachtens deze paragraaf wordt verleend wordt gerechtvaardigd door de De-minimisverordening en de Landbouwvrijstellingverordening.
Den Haag, 24 februari 2026
Gedeputeerde staten van Zuid-Holland
drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris
mr. A.W. Kolff, voorzitter
Toelichting behorende bij het wijzigingsbesluit Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 centrale wasplaatsen
De provincie Zuid-Holland zet zich in voor een gezonde en veilige leefomgeving waarin economische activiteiten, natuur en water in evenwicht zijn. Dit uitgangspunt is verankerd in de Omgevingsvisie Zuid-Holland, waarin de provincie de ambitie uitspreekt om te komen tot een gezonde natuur, een toekomstbestendig watersysteem en een vitale landbouw. Deze drie doelen zijn nauw met elkaar verweven: een sterke landbouwsector is afhankelijk van een goed functionerend watersysteem, en de kwaliteit van natuur en water wordt op haar beurt beïnvloed door de wijze waarop landbouwactiviteiten worden uitgevoerd.
Het Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland werkt dit verder uit door concrete opgaven te benoemen voor de verbetering van de waterkwaliteit. Daarbij is de Europese Kaderrichtlijn Water het leidende kader: deze richtlijn verplicht lidstaten om te zorgen voor een goede chemische en ecologische toestand van oppervlaktewateren. In Zuid-Holland is dit een structurele opgave, omdat watersystemen kwetsbaar zijn en op veel plekken nog niet aan de gestelde doelen wordt voldaan. Het terugdringen van verontreinigende emissies is daarom een belangrijk onderdeel van de provinciale wateraanpak.
Deze maatregel past binnen het Coalitieakkoord 'Krachtig Zuid-Holland 2023-2027', waarin Provinciale Staten hebben uitgesproken dat het terugdringen van verontreinigende emissies een belangrijk onderdeel is van de provinciale wateraanpak, en dat verdergaande inspanning nodig is om de kwaliteit van onze watersystemen te verbeteren conform de Kaderrichtlijn Water. Met het amendement "Krachtig aan de slag met de KRW: wasplaatsen" hebben Provinciale Staten uitgesproken dat zij gericht willen investeren in maatregelen die bijdragen aan het verminderen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen.
In de landbouwpraktijk kunnen emissies van gewasbeschermingsmiddelen via verschillende routes in het milieu terechtkomen. Een belangrijke bron van dergelijke emissies is het vullen en reinigen van spuitapparatuur op locaties waar dit niet op een gecontroleerde wijze kan plaatsvinden. Deze zogenoemde erfemissies vormen een substantiële bijdrage aan de belasting van het oppervlaktewater met gewasbeschermingsmiddelen en belemmeren daarmee het bereiken van de waterkwaliteitsdoelen. De provincie wil deze emissies terugdringen door het bieden van professionele voorzieningen voor het reinigen van spuitapparatuur, waarmee een praktische stap wordt gezet richting het verminderen van deze emissies en het versterken van de kwaliteit van het watersysteem.
Dit wijzigingsbesluit voegt een paragraaf toe aan de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 waarmee subsidie wordt verleend voor de aanleg van centrale wasplaatsen en het ombouwen van bestaande individuele wasplaatsen tot centrale wasplaatsen.
Een centrale wasplaats is een locatie die openstaat voor gebruik door meerdere ondernemers en is ingericht voor het inwendig en uitwendig reinigen van spuitapparatuur. De subsidie-aanvrager stelt samen met de ondernemers die van de wasplaats gebruik gaan maken een overeenkomst op.
Het collectieve karakter maakt het voor ondernemers makkelijker om gebruik te maken van goed ingerichte en professionele reinigingsvoorzieningen, en draagt bij aan een gezamenlijke transitie naar duurzamere bedrijfsvoering. Voor individuele ondernemingen is de aanleg van een dergelijke voorziening vaak financieel niet haalbaar, terwijl gezamenlijk gebruik wel binnen bereik ligt.
De subsidieregeling richt zich op landbouwondernemingen, loonwerkers en mechanisatiebedrijven, omdat deze in de praktijk de spuitapparatuur gebruiken en/of de wasplaatsen kunnen faciliteren. Door minimaal vijftien gebruikers gezamenlijk een wasplaats te laten exploiteren, wordt de drempel voor deelname verlaagd en ontstaat een duurzaam draagvlak voor beheer en onderhoud. Naast de investering in de fysieke aanleg van de wasplaats komt ook voorbereidend advies voor subsidie in aanmerking, zodat initiatiefnemers adequaat ondersteund worden in de voorbereiding en realisatie.
Gezien het beschikbare budget en de verwachte vraag wordt gebruik gemaakt van een tender waarbij aanvragen worden gerangschikt op basis van effectiviteit, haalbaarheid, efficiëntie en urgentie. Op deze wijze worden de beschikbare middelen ingezet voor de projecten die de grootste bijdrage leveren aan de waterkwaliteitsdoelstellingen en waar de meeste gebruikers profijt van hebben.
Met deze maatregel wordt aangesloten bij provinciale beleidsdoelen op het gebied van waterkwaliteit, duurzaamheid en een vitale landbouw, én wordt een concrete bijdrage geleverd aan het verminderen van emissies van gewasbeschermingsmiddelen in het regionale watersysteem. De subsidieregeling draagt daarmee bij aan de realisatie van de doelstellingen uit de Kaderrichtlijn Water en aan een toekomstbestendig watersysteem in Zuid-Holland.
De provincie kiest hierbij bewust voor een aanpak waarbij zij ondernemers faciliteert en stimuleert om te investeren in collectieve duurzame voorzieningen. Dit past bij de provinciale rol als verbinder en stimulator van transities in de landbouwsector. Door collectieve voorzieningen te ondersteunen, wordt een praktische basis gelegd voor verdere verduurzaming van de sector en wordt de samenwerking tussen ondernemers versterkt. Tegelijk wordt hiermee recht gedaan aan de realiteit dat individuele investeringen vaak niet haalbaar zijn, terwijl gezamenlijke oplossingen wel binnen bereik liggen. De subsidieregeling is daarmee een concrete uitwerking van het provinciale streven naar een vitale landbouw die in balans is met een gezond water- en natuursysteem.
Studies uit België en Duitsland schatten in, dat erfemissies verantwoordelijk zijn voor 40% tot 90% van de totale emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater (Carter, 2000; Kreuger & Nilsson, 2001; Mason et al., 1999). Deze grote bandbreedte hangt samen met type bedrijfsvoering, aanwezige voorzieningen en naleving best practices. Recente Nederlandse metingen bevestigen de substantiële bijdrage van erfemissies. Uit praktijkonderzoek blijkt dat "de emissiereductie [van veldemissies] zo succesvol is dat de erfemissie inmiddels 50 tot 60% van de totale emissie uitmaakt" (diverse bronnen, 2020-2021). Het POSSUM-model (POint Sources SUrface waters Model) ontwikkeld door Wageningen University & Research kwantificeert de verschillende erfemissie-bronnen (Beltman et al., 2011): het vullen van de spuittank, het inwendig reinigen van spuitapparatuur, het uitwendig reinigen van machines, het morsen bij vullen en mengen en het stallen van niet-gereinigde apparatuur. Ten slotte bevestigt het RIVM dat overmatige aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen biodiversiteit negatief kan beïnvloeden (STOWA-onderzoek van Hallmann & Jongejans, 2021).
In een significant deel van de oppervlaktewaterlichamen in Zuid-Holland worden de normen van meerdere gewasbeschermingsmiddelen overschreden. Puntemissies — door activiteiten op het agrarisch erf, zoals het vullen van spuitmachines en het inwendig en uitwendig reinigen van apparatuur — dragen bij aan emissies naar oppervlaktewater (Brouwer et al., 2003; Van der Werf, 2007). Door het opvangen en zuiveren van reinigingswater van spuitmachines reduceren agrarische wasplaatsen de emissie van gewasbeschermingsmiddelen naar bodem en oppervlaktewater. Dit wordt bevestigd door de Handreiking Agrarische Wasplaatsen van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, waarin wordt gesteld dat een goed uitgeruste agrarische wasplaats een efficiënte manier is om erfemissies van gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 2021). Minder emissie betekent een lagere blootstelling van waterorganismen — zoals microben, macro-invertebraten en vissen — aan toxische stoffen of mengsels daarvan, wat positieve effecten kan hebben op soortendiversiteit, stabiliteit van voedselwebben en ecosysteemfunctie.
Dit wijzigingsbesluit voegt een paragraaf ‘Centrale wasplaatsen’ toe aan de Subsidieregeling groen Zuid-Holland 2016 (Srg). Hoofdstuk 1 van de Srg is daarom van toepassing, tenzij daarvan in deze nieuwe paragraaf wordt afgeweken. De subsidieregeling in deze nieuwe paragraaf van de Srg is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in deze subsidieregeling is vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staan onder meer wat de beslistermijnen zijn voor gedeputeerde staten, de algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht, en de algemene weigeringsgronden. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.
De subsidieregeling in deze nieuwe paragraaf van de Srg is getoetst op mogelijke staatssteunelementen. Onder de subsidieparagraaf kunnen loonwerkbedrijven of mechanisatiebedrijven overeenkomstig de voorwaarden voor reguliere de-minimissteun subsidie aanvragen (Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun), zie specifiek de artikelen 2.20.1, 2.20.3 2.20.6, derde lid, en 2.20.7 van de subsidieregeling.
Landbouwondernemingen kunnen onder de subsidieparagraaf overeenkomstig de algemene voorwaarden van hoofdstuk I en de specifieke voorwaarden van artikel 14 van de Landbouwvrijstellingsverordening subsidie aanvragen (Verordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2022, L 327); zie specifiek de artikelen 2.20.1, 2.20.3, 2.20.6, tweede lid, en 2.20.7 van de subsidieregeling.
Voor landbouwondernemingen die ook loonwerkbedrijf of mechanisatiebedrijf zijn, geldt dat zowel de voorwaarden van De-minimisverordening als de Landbouwvrijstellingsverordening van toepassing zijn; zie specifiek artikel 2.20.6, vierde lid, van de subsidieregeling.
Na de inwerkingtreding van deze subsidieregeling zal deze worden kennisgegeven bij de Europese Commissie.
Artikel 2.20.1 Begripsbepalingen
Artikel 2.20.1 bevat de begripsbepalingen die specifiek van toepassing zijn op de subsidieregeling in de nieuwe paragraaf 2.20 van de Srg Centrale wasplaatsen.
Er zijn begripsbepalingen opgenomen van de toepasselijke Europese staatssteunverordeningen (Landbouwvrijstellingsverordening en De-minimisverordening), de doelgroepen die subsidie kunnen aanvragen (landbouwonderneming, loonwerkbedrijf, mechanisatiebedrijf), en met betrekking tot de subsidiabele activiteiten (adviseur, individuele wasplaats, centrale wasplaats, spuitapparatuur).
Een landbouwonderneming is omschreven als een kleine, middelgrote of micro-onderneming die voldoet aan de definitie daarvan in bijlage 1 bij de Landbouwvrijstellingsverordening en waarin de primaire productie van landbouwproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 44, van de Landbouwvrijstellingsverordening plaatsvindt. Als onderneming wordt op grond van artikel 1 van bijlage 1 bij de Landbouwvrijstellingsverordening beschouwd iedere entiteit, ongeacht haar rechtsvorm, die een economische activiteit uitoefent. Tot de categorie kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (“kmo’s”) behoren op grond van artikel 2 van bijlage 1 bij de Landbouwvrijstellingsverordening ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt. De primaire landbouwproductie is de productie van in bijlage I bij het EU-verdrag vermelde producten van bodem en van de veehouderij die geen verdere bewerking hebben ondergaan die de aard van die producten wijzigt.
Individuele en centrale wasplaatsen zijn omschreven als voorziening of locatie die is ingericht en bestemd voor het inwendig en uitwendig reinigen van spuitapparatuur. Het verschil tussen een individuele wasplaats en een centrale wasplaats is vooral dat de centrale wasplaats anders dan de individuele wasplaats ook open moet staan voor het gebruik door derden. Spuitapparatuur wordt omschreven als voertuigen of werktuigen met gewasbeschermingsmiddelen die door Stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek (SKL) zijn getest en geregistreerd. De SKL is een onafhankelijke keuringsinstelling.
Artikel 2.20.2 Subsidiabele activiteiten
Artikel 2.20.2 bevat een omschrijving van de activiteiten die voor subsidie in aanmerking kunnen komen, te weten: de aanleg van een centrale wasplaats, het aanpassen van een individuele wasplaats naar een centrale wasplaats, en het inschakelen van een adviseur voor adviesdiensten. In artikel 2.20.1 zijn de begrippen individuele wasplaats, centrale wasplaats, en adviseur omschreven. In artikel 2.20.8 en 2.20.9 staan de kosten die hiervoor specifiek voor subsidie in aanmerking komen.
De aanleg van een centrale wasplaats, het aanpassen van een individuele wasplaats naar een centrale wasplaats, en advies hiervoor, draagt zoals onderbouwd in het algemeen deel van de toelichting bij aan het zoveel mogelijk voorkomen van de emissies van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater, bodem en riool. Daarmee zijn deze subsidiabele activiteiten gericht op de doelstellingen van artikel 14, derde lid, onder a, f en g, van de Landbouwvrijstellingsverordening.
Deze doelstellingen houden in: het verbeteren van de algehele prestatie en duurzaamheid van het landbouwbedrijf (art. 14, derde lid, onder a), het bijdragen aan een duurzame circulaire bio-economie en bevorderen van de duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door het verminderen van de afhankelijkheid van chemische middelen (artikel 14, derde lid, onder f), en het bijdragen tot het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, versterken van ecosysteemdiensten en in stand houden van habitats en landschappen (artikel 14, derde lid, onder g).
Artikel 2.20.3 vermeldt door wie de subsidie kan worden aangevraagd, te weten: een landbouwonderneming, loonwerkbedrijf, of mechanisatiebedrijf. Deze doelgroepen zijn in artikel 2.20.1 nader omschreven. Subsidie kan ook worden aangevraagd door een aanvrager die zowel landbouwonderneming als loonwerkbedrijf of mechanisatiebedrijf is. In dat geval geldt op grond van artikel 2.20.6, vierde lid, dat, in aanvulling op de algemene weigeringsgronden in de Asv, zowel aan de voorwaarden van de De-minimisverordening als de Landbouwvrijstellingsverordening moet worden voldaan.
Artikel 2.20.4 Aanvraagperiode
Artikel 2.20.4 bevat de specifieke periode waarbinnen subsidie-aanvragen moeten worden ingediend. Op grond van artikel 2.20.10 worden aanvragen vervolgens, naast de toetsing op volledigheid en aan de vereisten in artikel 2.20.5, op basis van kwaliteitscriteria met elkaar vergeleken en gerangschikt. Artikel 2.20.10 bevat de rangschikkingscriteria. Artikel 2.4 van de Asv bevat de beslistermijnen voor subsidieverlening.
Artikel 2.20.5 Subsidievereisten
Artikel 2.20.5 bevat de vereisten waaraan de aanleg van een centrale wasplaats of het aanpassen van een individuele wasplaats moet voldoen om voor subsidie in aanmerking te komen.
Artikel 2.20.5, eerste lid, onder b, vermeldt dat de aanleg van de centrale wasplaats, of de aanpassing van een individuele wasplaats naar een centrale wasplaats, wordt uitgevoerd door een aannemer met een onafhankelijk keurmerk. De belangrijkste onafhankelijke keurmerken voor aannemers zijn BouwGarant, KOMO, VCA, en branche-specifieke keurmerken zoals VLOK en Dakmerk.
Artikel 2.20.5, eerste lid, onder d, vermeldt dat de subsidie-aanvrager uitsluitend afvalwater dat ter plaatse vrijkomt en gewasbeschermingsmiddelen bevat mag verwerken en verwerking elders van dit afvalwater is alleen toegestaan door een erkend verwerker. Derden mogen dus geen opgevangen afvalwater komen brengen. Met verwerken in dit artikelonderdeel wordt bedoeld het geheel van handelingen waarmee gebruikt (vervuild) water wordt opgevangen, behandeld en afgevoerd, zodat het voldoet aan milieueisen en geen schade veroorzaakt aan mens, milieu of infrastructuur.
Artikel 2.20.5, eerste lid, onder e, vermeldt dat aan de vereisten in de toepasselijke wet- en regelgeving moet worden voldaan. Die wet- en regelgeving is samengevat in hoofdstuk 6 van het rapport “Uitvoeringsplan agrarische wasplaatsen in de Zuid-Hollandse Delta” dat door CLM Onderzoek en Advies (September, 2025 CLM-publicatienummer: 1248, Auteurs: Yvonne Gooijer, Martine Swinkels en Wilco Veenland) in opdracht van Provincie Zuid-Holland is opgesteld. Regelgeving over wasplaatsen is grotendeels vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving, dat een amvb is die valt onder Omgevingswet. Onverminderd deze regelgeving, is in artikel 2.20.5, eerste lid, onderdeel f, onder meer geregeld dat de centrale wasplaats is voorzien van een vloeistofdichte bodemvoorziening conform artikel 5.19 Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 2.20.5 bevat verder vereisten ten aanzien van onder meer een exploitatieplan en een overeenkomst met ten minste vijftien andere gebruikers die bij subsidie-aanvraag moeten worden overgelegd. Zowel dat exploitatieplan als die overeenkomst kunnen samen met een adviseur worden opgesteld. Artikel 2.20.1 bevat een omschrijving van wat onder adviseur wordt verstaan. Op grond van artikel 2.20.8 komen de kosten van het door een adviseur opstellen van het exploitatieplan en de overeenkomst voor subsidie in aanmerking. Artikel 2.20.5, eerste lid, onderdelen h en j, bevatten de vereisten waaraan het exploitatieplan en de overeenkomst op hoofdlijnen in ieder geval moeten voldoen.
Op grond van artikel 2.2 van de Asv geldt dat de aanvraag door middel van een aanvraagformulier moet worden ingediend. In dat aanvraagformulier zijn de aanvraagvereisten opgenomen.
Artikel 2.20.6 Weigeringsgronden
Artikel 2.20.6 bevat de weigeringsgronden. Dit zijn formele gronden waaraan een aanvraag wordt getoetst. Als de aanvraag daaraan niet voldoet wordt deze afgewezen. In artikel 2.6 van de Asv staan algemene weigeringsgronden die samen met de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb op deze subsidieparagraaf van toepassing zijn. Artikel 2.20.6 bevat specifieke weigeringsgronden voor subsidieaanvragen op grond van deze paragraaf. De weigeringsgronden in het eerste lid zijn van toepassing op alle doelgroepen van deze subsidieregeling: landbouwondernemingen, loonwerkbedrijven en mechanisatiebedrijven. De weigeringsgronden in het tweede, derde, en vierde lid, volgen uit de De-minimisverordening en Landbouwvrijstellingsverordening. De weigeringsgronden in het tweede lid uit de Landbouwvrijstellingsverordening zijn alleen op landbouwondernemingen van toepassing. De weigeringsgronden in het derde lid uit de De-minimisverordening alleen op loonwerkbedrijven en mechanisatiebedrijven. Op grond van de De-minimisverordening kunnen overheden over een periode van drie jaar tot maximaal €300.000,- aan steun verlenen aan loonwerkbedrijven en mechanisatiebedrijven. Als dit plafond is bereikt, mag aan de onderneming in het betreffende jaar geen reguliere de-minimissteun meer worden verleend. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de de-minimisverklaring die bij de aanvraag moet worden overgelegd. Op grond van het vierde lid zijn zowel de eisen uit de De-minimisverordening als de Landbouwvrijstellingsverordening van toepassing op landbouwondernemingen die ook loonwerkbedrijven of mechanisatiebedrijven zijn.
Artikel 2.20.7, 2.20.8 en 2.20.9 Subsidiehoogte en (niet-)subsidiabele kosten
Artikel 2.20.7 bevat het percentage van de subsidiabele kosten tot een maximumbedrag dat aan subsidie verleend kan worden. Aangezien de investering mede verband houdt met de specifieke milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen, zoals opgenomen in artikel 14, derde lid, onder a, f en g, van de Landbouwvrijstellingsverordening, bedraagt de steunintensiteit op grond van artikel 14, elfde lid, en twaalfde lid, onder a, van de Landbouwvrijstellingsverordening maximaal 80% van de in aanmerking komende kosten. Op grond van de De-minimisverordening kan over een periode van drie jaar tot maximaal €300.000,- aan steun worden verleend. De hoogte van de subsidie bedraagt daarom ten hoogste 80% van de subsidiabele kosten, tot een maximum van in totaal €300.000.
Artikel 2.20.8 vermeldt de verschillende soorten kosten die voor subsidie in aanmerking kunnen komen. De in dit artikel genoemde kosten stemmen overeen met die uit artikel 14, zesde lid, onder a, b, c en d, van de Landbouwvrijstellingsverordening. Het gaat hier kort samengevat om kosten voor realisatie van de centrale wasplaats met machines en uitrusting, en algemene kosten voor die uitgaven, zoals kosten van advies. Artikel 2.20.9 bevat de kosten die op grond van deze paragraaf – in aanvulling op de algemene niet-subsidiabele kosten genoemd in artikel 2.5 van de Asv – niet voor subsidie in aanmerking komen. Ook deze stemmen overeen met artikel 14, zesde lid, onder a, b, c en d, van de Landbouwvrijstellingsverordening.
Artikel 2.20.10 Verdelingswijze
Op grond van artikel 2.20.10 worden de subsidieaanvragen die volledig zijn en voldoen aan de vereisten van deze subsidieregeling beoordeeld op grond van kwalitatieve afwegingscriteria. Op basis daarvan wordt de rangorde bepaald. In artikel 2.20.10 worden 4 afwegingscriteria genoemd: effectiviteit, haalbaarheid, efficiëntie, en urgentie.
Onder effectiviteit wordt verstaan de mate waarin de centrale wasplaats in de praktijk bijdraagt aan het voorkomen van erfemissies van gewasbeschermingsmiddelen. Daarbij wordt gekeken naar het beoogde gebruik, het aantal deelnemende ondernemers en de mate waarin bestaande ongecontroleerde was- en reinigingsmomenten worden vervangen. Het aantal gebruikers wordt altijd beoordeeld in relatie tot de regionale context; in gebieden met een beperkt aantal bedrijven kan een kleinere groep gebruikers toch zeer effectief zijn. Ook de technische inrichting en zuiveringscapaciteit worden meegenomen.
Onder haalbaarheid wordt verstaan de mate waarin aannemelijk is dat het project binnen de gestelde termijnen en voorwaarden gerealiseerd en in werking gesteld kan worden. Hierbij wordt gekeken naar de mate van voorbereiding, het commitment van deelnemende ondernemers en de financiële en organisatorische onderbouwing. Ook de status van vergunningen, eventuele planologische wijzigingen en mogelijke omgevingsfactoren die tot vertraging kunnen leiden, spelen een rol. Projecten met veel onzekerheden scoren lager op haalbaarheid.
Onder efficiëntie wordt verstaan de verhouding tussen de gevraagde subsidie en het daadwerkelijke gebruik en bereik van de centrale wasplaats. Daarbij wordt gekeken naar de kosten in relatie tot het aantal gebruikers en de benutting van de beschikbare capaciteit. Ook de ligging en bereikbaarheid van de wasplaats, waaronder de aanrijdtijd voor gebruikers, worden betrokken. Een centrale en logisch gelegen wasplaats wordt als efficiënter beoordeeld.
Onder urgentie wordt verstaan de mate waarin het project inspeelt op een concrete en actuele noodzaak om emissies van gewasbeschermingsmiddelen te reduceren. Daarbij wordt gekeken naar de lokale situatie, zoals bekende waterkwaliteitsproblemen of het ontbreken van alternatieve voorzieningen. Ook wordt beoordeeld of het aantal initiatieven in een gebied in verhouding staat tot het aantal potentiële gebruikers. Projecten die een duidelijk ontoereikend aanbod invullen, scoren hoger op urgentie.
In artikel 2.20.5, tweede lid, is geregeld dat als voor de realisatie van een centrale wasplaats een omgevingsvergunning is vereist, en deze vergunning ten tijde van de subsidieaanvraag nog niet is verleend, bij de subsidieaanvraag in ieder geval een ontvangstbewijs van het bevoegd gezag moet worden gevoegd waaruit blijkt dat de aanvraag voor een omgevingsvergunning is ingediend.
Artikel 2.20.11 regelt in het verlengde hiervan dat wanneer de omgevingsvergunning ten tijde van de beschikking tot subsidieverlening niet onherroepelijk is – dus als er nog rechtsmiddelen tegen het besluit tot vergunningverlening openstaan – de subsidie onder de ontbindende voorwaarde wordt verstrekt dat de omgevingsvergunning zal worden verleend door de daartoe bevoegde instantie en onherroepelijk is binnen twee jaar na de bekendmaking van de beschikking tot subsidieverlening. Dit betekent dat indien aan de vereisten van deze paragraaf is voldaan de subsidieverleningsbeschikking onmiddellijk in werking treedt, en de subsidie-ontvanger daarmee een voorwaardelijke aanspraak verkrijgt, maar dat die die aanspraak van rechtswege vervalt indien de voorwaarde (het niet verkrijgen van een onherroepelijke omgevingsvergunning binnen de gestelde termijn) niet wordt vervuld.
Het beroep op de voorwaarde door gedeputeerde staten geschiedt door een intrekking van de subsidieverleningsbeschikking overeenkomstig artikel 4:48, eerste lid, Awb. Dat artikel bepaalt dat zolang de subsidie niet is vastgesteld, het bestuursorgaan de subsidieverlening kan intrekken of ten nadele van de subsidie-ontvanger kan wijzigen, indien: (a) de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet of niet geheel hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden; (b) de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen; (c) de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid (d) de subsidieverlening anderszins onjuist was en de subsidie-ontvanger dit wist of behoorde te weten, of (e) met toepassing van artikel 4:34, vijfde lid, een beroep wordt gedaan op de voorwaarde dat voldoende gelden ter beschikking worden gesteld.
Artikel 2.20.12 Verplichtingen van de subsidie-ontvanger
Artikel 2.20.12 bevat specifieke verplichtingen in aanvulling op de algemene verplichtingen die zijn opgenomen in de artikelen 3.1 tot en met 3.5 en 6.2 van de Asv, en deels in afwijking van de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 1.4 van de Srg. De verplichtingen in artikel 2.20.12 houden onder meer in dat niet binnen drie maanden met het project hoeft te worden begonnen, maar dat de centrale wasplaats wel uiterlijk binnen twee jaar na de beschikking tot subsidieverlening moet zijn gerealiseerd en in werking zijn. Deze termijn hangt samen met de duur van het verkrijgen van een eventueel benodigde onherroepelijke omgevingsvergunning. De termijn waarbinnen de centrale wasplaats moet zijn gerealiseerd en in werking zijn, kan worden verlengd. Verder geldt de verplichting dat de centrale wasplaats na realisatie ten minste vijf jaar na de vaststellingsbeschikking moet blijven staan en in werking zijn.
Overig: voorschot en verantwoording
Op grond van artikel 1.6 van de Srg geldt dat het voorschot voor subsidies van € 25.000,- en hoger, zoals hier aan de orde, maximaal 80% van de maximale subsidie bedraagt. Dit voorschot wordt op basis van prestaties, besteding en liquiditeitsbehoefte in termijnen uitgekeerd waarvan de hoogte en de tijdstippen in de beschikking tot subsidieverlening worden bepaald.
Voor wat betreft verantwoording, zijn de artikelen 4.2 en 4.3 van de Asv van toepassing. In artikel 4.2 van de Asv is bepaald op welke wijze subsidie-ontvangers subsidie vanaf € 25.000,00 tot € 125.000,00 aan gedeputeerde staten moeten verantwoorden. Er moet een aanvraag voor vaststelling worden ingediend. Deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Daarnaast wordt een beknopt financieel verslag gevraagd op basis van de ingediende begroting. Dat financieel verslag kan eruit bestaan dat de activiteit conform de begroting is uitgevoerd. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat in het kader van een steekproef de achterliggende financiële gegevens (urenlijsten, facturen en eventuele betaalbewijzen) worden opgevraagd.
In artikel 4.3 van de Asv is bepaald op welke wijze subsidie-ontvangers subsidie vanaf € 125.000,00 aan gedeputeerde staten moeten verantwoorden. Er moet een aanvraag voor vaststelling worden ingediend. Deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (eerste lid). In het tweede lid is bepaald dat, in aanvulling op het eerste lid, een financieel verslag en een accountantsverklaring moet worden afgegeven of een jaarrekening waarin de gesubsidieerde activiteiten afzonderlijk zijn verantwoord met een accountantsverklaring.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-3739.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.