Openstellingsbesluit niet-productieve investeringen water GLB-NSP provincie Zuid-Holland 2026 - 2027

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

 

Gelet op artikel 1.3 en artikel 7.1, onderdeel e, onder 2o van de Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013;

 

Gelet op 1.2 en hoofdstuk 2, paragraaf 4 van de Regeling Europese landbouwsubsidies Zuid-Holland;

 

Overwegende dat het wenselijk is om bij te dragen aan de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, onder meer door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de koolstofvastlegging te verbeteren en duurzame energie te bevorderen;

 

Overwegende dat het wenselijk is om te bevorderen de duurzame ontwikkeling en het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door de afhankelijkheid van chemische middelen te verkleinen;

 

Overwegende dat het wenselijk is om bij te dragen aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot versterking van ecosysteemdiensten en tot de instandhouding van habitats en landschappen;

 

Overwegende dat de lidstaat Nederland op grond van het door de Europese Commissie op 13 december 2022 goedgekeurde Nationaal Strategisch Plan GLB 2023-2027 voor de interventie niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven, aanvullende nationale financiering levert zoals bedoeld in artikel 145 en 146 van verordening 2021/2115;

 

Overwegende dat de waterschappen op grond van het NSP de ontvangen Europese subsidie met minimaal hetzelfde bedrag aanvullen;

 

Overwegende dat hiertoe deze regeling is opgesteld;

 

Besluiten vast te stellen het volgende besluit:

 

Openstellingsbesluit niet-productieve investeringen water GLB-NSP provincie Zuid-Holland 2026 – 2027

Artikel 1 Begripsbepaling

In dit openstellingsbesluit wordt verstaan onder:

  • Regeling: Regeling Europese landbouwsubsidies Zuid-Holland;

  • Asv: Algemene subsidieverordening Zuid-Holland 2013.

Artikel 2 Aanvraagperiode

  • 1.

    Een aanvraag voor subsidie kan het hele jaar worden ingediend tot en met 7 juli 2028.

  • 2.

    Een aanvraag is tijdig ingediend indien deze uiterlijk 7 juli 2028 is ontvangen.

  • 3.

    Als een subsidieaanvraag niet volledig is, geldt als datum van binnenkomst de dag waarop de subsidieaanvraag is aangevuld en gecompleteerd als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 3 Subsidiabele activiteit

  • 1.

    Subsidie kan worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in of nabij watersystemen op niet-landbouwbedrijven in de volgende beheergebieden:

    • a.

      Hollandse Delta;

    • b.

      Rivierenland;

    • c.

      Delfland;

    • d.

      Rijnland;

    • e.

      Schieland en de Krimpenerwaard;

    • f.

      Stichtse Rijnlanden.

  • 2.

    Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt verstrekt in de vorm van een projectsubsidie.

  • 3.

    De activiteit, bedoeld in het eerste lid, draagt bij aan minimaal één van de volgende doelen:

    • a.

      matiging van en aanpassing aan klimaatverandering of bevorderen van duurzame energie;

    • b.

      bevorderen van duurzame ontwikkeling of efficiënt beheer van natuurlijke hulpbronnen;

    • c.

      het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, versterking van ecosysteemdiensten of instandhouding van habitats of landschappen.

Artikel 4 Aanvrager

Subsidie wordt, voor zover het hun beheergebied betreft in Zuid-Holland, uitsluitend verstrekt aan het:

  • a.

    Waterschap Hollandse Delta;

  • b.

    Waterschap Rivierenland;

  • c.

    Hoogheemraadschap van Delfland;

  • d.

    Hoogheemraadschap van Rijnland;

  • e.

    Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, of

  • f.

    Hoogheemraadschap van Stichtse Rijnlanden.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

Onverminderd artikel 1.2, derde lid, onderdeel j en artikel 1.6 van de Regeling, omvat de subsidieaanvraag tevens een ondertekende en rechtsgeldige verklaring van de aanvrager gericht tot gedeputeerde staten van Zuid-Holland inhoudende:

  • a.

    aanvrager neemt de financiering op zich van de te subsidiëren activiteit, bedoeld in het eerste lid van artikel 3, alsmede

  • b.

    de hoogte van de financiering bedoeld in onderdeel a.

Artikel 6 Financiering

  • 1.

    Het deelplafond voor de periode, bedoeld in artikel 2, bedraagt € 10.000.000,--.

  • 2.

    De financiering, bedoeld in artikel 5, onderdeel a, komt geheel voor rekening van het waterschap of hoogheemraadschap in welk beheergebied de activiteit wordt uitgevoerd, zonder dat dit leidt tot een financiële bijdrage van de provincie.

Artikel 7 Toestemming indien activiteit reeds in uitvoering

In afwijking van artikel 1.5, eerste lid, onder i, van de Regeling en van artikel 2.6, eerste lid, onder a van de Asv wordt subsidie niet geweigerd indien:

  • a.

    de te subsidiëren activiteit al in uitvoering is of al is afgerond voordat de aanvraag is ingediend;

  • b.

    met de uitvoering van de activiteit, bedoeld in het eerste lid van artikel 3, is gestart na 1 januari 2023.

Artikel 8 Subsidiabele kosten

  • 1.

    De subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.4.3 van de Regeling, worden berekend door toepassing van artikel 1.9, eerste lid, onder a, b of c van de Regeling.

  • 2.

    Als de subsidiabele kosten worden berekend zonder vereenvoudigde kostenoptie, dan worden de loonkosten en kosten eigen arbeid berekend op de wijze als bedoeld in artikel 1.9a, eerste lid, onder a, van de Regeling.

  • 3.

    Als de subsidiabele kosten worden berekend met vereenvoudigde kostenoptie voor overige kosten, dan worden de kosten berekend op de wijze als bedoeld in artikel 1.9c, eerste lid, onder a, van de Regeling.

Artikel 9 Subsidievereiste

  • 1.

    Om voor subsidie als bedoeld in artikel 3 in aanmerking te komen heeft een aanvraag 30 of meer punten, beoordeeld op basis van de volgende criteria, waarbij voor elk criterium 0 tot 5 punten behaald kan worden en waarvoor de wegingsfactoren gelden zoals genoemd in het tweede lid:

    • a.

      de mate van effectiviteit van de activiteit;

    • b.

      de haalbaarheid van de activiteit;

    • c.

      de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit;

    • d.

      de mate van urgentie.

  • 2.

    De criteria hebben de volgende wegingsfactoren:

    • a.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder a, heeft een wegingsfactor van 4;

    • b.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een wegingsfactor van 3;

    • c.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder c, heeft een wegingsfactor van 2;

    • d.

      het criterium bedoeld in het eerste lid, onder d, heeft een wegingsfactor van 1.

Artikel 10 Subsidie-arrangement

Artikel 1.7, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling is van toepassing.

Artikel 11 Verplichting

De activiteit, bedoeld in artikel 2, wordt uiterlijk op 31 december 2028 afgerond.

Artikel 12 Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin dit besluit wordt geplaatst.

Artikel 13 Werkingsduur

Dit besluit vervalt op 1 april 2029.

Artikel 14 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit niet-productieve investeringen water GLB-NSP provincie Zuid-Holland 2026 – 2027.

Den Haag, 24 februari 2026

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland

drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris

mr. A. W. Kolff, voorzitter

Toelichting bij het Openstellingsbesluit niet-productieve investeringen water GLB-NSP Zuid-Holland 2026 - 2027

LEESWIJZER

Voorliggend openstellingsbesluit moet in samenhang gelezen worden met de Regeling Europese Landbouwsubsidies Zuid-Holland en de bijbehorende toelichting.

 

Met dit openstellingsbesluit wordt paragraaf 4 uit hoofdstuk 2 van de Regeling – de interventie niet-productieve investeringen niet-landbouw – opengesteld. De artikelen 2.4.1 tot en met 2.4.6 van de Regeling moeten tezamen gelezen worden met de artikelen in dit openstellingsbesluit. Daarnaast zijn de algemene en slotbepalingen uit de Regeling ook van toepassing op een aanvraag.

 

Naast de Regeling is ook de Algemene Subsidieverordening Zuid-Holland 2013 (Asv) van toepassing. Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling is vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer wat de beslistermijnen zijn voor gedeputeerde staten, algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht en de algemene weigeringsgronden. Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.

 

Algemeen

GLB is de afkorting voor het Europese Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Het Nationaal Strategisch Plan (NSP) is de Nederlandse invulling van het GLB. Nederland heeft op 30 september 2022 haar Nederlands Nationaal Strategisch Plan GLB 2023-2027 bij de Europese Commissie ingediend. Dit NSP is op 13 december 2022 door de Commissie goedgekeurd. De Regeling Europese landbouwsubsidies Zuid-Holland vormt de basis voor het verstrekken van NSP-subsidies door Zuid-Holland. Deze regeling is ook de grondslag voor dit openstellingsbesluit.

 

De regeling bevat diverse paragrafen. Door middel van openstellingsbesluiten kan subsidie worden verstrekt voor de in die paragrafen omschreven activiteiten. Paragraaf 4 van de regeling betreft 'niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven’. Ter uitvoering van deze paragraaf kan met dit openstellingsbesluit subsidie worden verstrekt voor niet-productieve investeringen in of nabij watersystemen op niet-landbouwbedrijven in de beheergebieden van het Waterschap Hollandse Delta, het Waterschap Rivierenland, het Hoogheemraadschap van Delfland, het Hoogheemraadschap van Rijnland, het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard of het Hoogheemraadschap van Stichtse Rijnlanden.

 

De investeringen moeten een bijdrage leveren aan de water- en klimaatdoelen voortvloeiend uit de Kaderrichtlijn Water en de Nitraatrichtlijn.

 

Voorbeelden van niet-productieve investeringen die op grond van dit openstellingsbesluit voor subsidie in aanmerking komen zijn: de aanleg en inrichting van natuurvriendelijke oevers die bijdragen aan de KRW-doelen en tevens een buffer vormen voor emissies naar oppervlaktewater, herstel watersystemen naar hun natuurlijke toestand, herstel van migratiemogelijkheden, vernatting gronden, aanleg van bufferzones langs watergangen, maatregelen die het waterbergend vermogen van gronden en watersystemen vergroten, de aanleg van helofytenfilters en waterhuishoudkundige aanpassingen in het watersysteem, vispassages en waterkwaliteitsbaggeren.

 

Aanvullende nationale financiering

Deze openstelling regelt de aanvullende nationale financiering zoals bedoeld in artikel 145 en 146 van verordening 2021/2115.

 

Onder aanvullende nationale financiering wordt in dit openstellingsbesluit verstaan de financiering ter compensatie van de Europese middelen uit de GLB-NSP pijler 1 die waterschappen ontvangen via andere GLB-NSP openstellingen.

 

Het openstellingstellingsbesluit biedt de mogelijkheid voor waterschappen om projecten in te dienen, zodat deze aangemerkt kunnen worden als aanvullende nationale financiering binnen het GLB-NSP. De projecten worden beoordeeld op basis van de voorwaarden en beoordelingscriteria zoals opgenomen in dit openstellingsbesluit en de Regeling.

 

Door projecten in te dienen en te realiseren leveren waterschappen een bijdrage aan de te behalen resultaten die staan opgenomen in het NSP. Hierbij gaat het om milieu- of klimaatgerelateerde prestaties door investeringen in plattelandsgebieden, oftewel verrichtingen die bijdragen aan doelstellingen inzake milieuduurzaamheid, en het bereiken van matiging van en aanpassing aan klimaatverandering in plattelandsgebieden.

 

Toelichting artikelen

Artikel 1.6 Subsidievereisten aanvraag (uit de Regeling Europese Landbouwsubsidies Zuid-Holland)

In Artikel 1.6 van de Regeling staat beschreven waaruit een aanvraag om subsidie moet voldoen. Onder deze vereisten valt een begroting van de kosten en een toelichting op de begroting.

Voor de aanvragen die worden ingediend voor dit openstellingsbesluit houdt deze verplichting in dat duidelijk moet zijn welk totaalbedrag aan kosten wordt gerealiseerd binnen het project en wat de onderbouwing is van de bedragen die in de begroting zijn opgenomen, bijvoorbeeld door middel van de concept SSK raming. Als investeringen hoger zijn dan € 650.000 (het zogenaamde eenheidsbedrag voor niet-productieve investeringen niet-landbouw zoals vastgelegd in het NSP), dan is een onderbouwing nodig voor de hogere kosten.

 

Artikel 2 Aanvraagperiode

Dit is een doorlopende openstelling, zodat waterschappen op elk moment een project kunnen indienen. Zodra een aanvraag is ingediend vindt de beoordeling van de provinciale adviescommissie plaats.

 

De einddatum is 7 juli 2028. De einddatum voor het afronden van activiteiten is 31 december 2028. De maximale termijn voor het nemen van een besluit over de subsidieaanvraag is 22 weken.

Terugrekenend vanaf 31 december 2028, rekening houdend met de 22 weken en met vakantieperiodes, is gekozen voor 7 juli 2028 als einddatum van de aanvraagperiode.

 

Artikel 5 Aanvraagvereisten

In dit artikel wordt geregeld dat het waterschap of hoogheemraadschap bij de subsidieaanvraag verklaart dat de kosten voor de subsidiabele activiteiten in de subsidieaanvraag door het waterschap zelf worden gefinancierd, met daarbij de hoogte van deze kosten.

 

Artikel 6 Financiering

In dit artikel wordt geregeld dat het waterschap of hoogheemraadschap de verklaring zoals bedoeld in artikel 5 daadwerkelijk nakomt.

 

Artikel 7 Toestemming indien activiteit reeds in uitvoering

In dit artikel wordt geregeld dat projecten die al in uitvoering zijn, maar nog niet zijn afgerond, in aanmerking komen in deze openstelling. Hierbij geldt dat activiteiten eerder dan 1 januari 2023 (start GLB-NSP) niet subsidiabel zijn. Onder afgerond wordt verstaan dat het proces verbaal van oplevering is afgegeven.

 

Artikel 9 Beoordelingscriteria

Alle aanvragen die voor subsidie in aanmerking komen, worden door een ambtelijke commissie gescoord op de vier criteria die in artikel 6 genoemd staan. Per criterium kan 0 tot en met 5 punten behaald worden.

Een aanvraag moet op basis van de criteria minimaal 30 punten behalen om voor subsidie in aanmerking te komen. Behaald een aanvraag minder dan 30 punten dan wordt de aanvraag alsnog geweigerd.

 

De selectiecriteria waarop de aanvragen worden gescoord zijn: de mate van effectiviteit, de haalbaarheid, de mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit en de urgentie.

 

De mate van effectiviteit

Bij dit criterium gaat het om het effect van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd, aan de beleidsdoelstellingen van het openstellingsbesluit. Bij de beoordeling van het effect wordt ook de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in ogenschouw genomen. Dit betekent echter niet dat aanvragen rekenkundig (effect gedeeld door subsidiebedrag) beoordeeld worden. Het effect blijft het leidende element.

Door het gevraagde subsidiebedrag mee te wegen wordt bezien in welke mate naar verwachting wordt bijgedragen aan de realisatie van het beoogde doel of de beoogde doelen en of de kosten in verhouding staan tot die verwachte bijdrage aan de doelrealisatie. Met deze invulling wordt voorkomen dat de adviescommissie bij de beoordeling wordt ‘gedwongen’ om grotere projecten een hogere score te geven dan projecten die op een kleinere schaal worden uitgevoerd (bijvoorbeeld een project dat betrekking heeft op 300 hectare moet niet per definitie hoger scoren dan een project dat betrekking heeft op 100 hectare).

De punten worden als volgt toegekend:

  • 0 punten: Zeer geringe bijdrage. Van een zeer geringe bijdrage is bijvoorbeeld sprake als door de activiteit de waterkwaliteit in het gehele gebied/peil vak niet verbetert, of dat de wateroverlast die wordt tegengegaan slechts zelden optreedt op een zeer beperkt aantal hectaren. 0 punten worden toegekend als de maatregel niet gericht is op een van de maatregelen zoals opgenomen in de KRW-factsheets.

  • 1 punt: geringe bijdrage. Van een geringe bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de activiteit betrekking heeft op het voorkomen van afspoeling van nutriënten, maar de afspoeling nog substantieel blijft. Ook wordt 1 punt toegekend indien het een end-of-pipe maatregel is die de waterkwaliteit verbetert, maar niet in de KRW-factsheets is opgenomen. Van een geringe bijdrage is eveneens bijvoorbeeld sprake als de wateroverlast die wordt tegengegaan slechts zeer lokaal tot enige overlast leidt.

  • 2 punten: matige bijdrage. Van een matige bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de activiteit een lokaal effect heeft. Dit is bijvoorbeeld als de waterkwaliteit in een waterlichaam wel verbetert, maar dat het waterlichaam niet rechtstreeks in verbinding staat met een KRW-waterlichaam en niet in de KRW-factsheets is opgenomen. Van een matige bijdrage is eveneens sprake als de wateroverlast in een gebied wordt voorkomen, maar wordt afgewenteld op een ander water.

  • 3 punten: voldoende bijdrage. Van een voldoende bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de activiteit effect heeft op een KRW-waterlichaam (het waterlichaam waarop de activiteit betrekking heeft, staat rechtstreeks in verbinding met een KRW-waterlichaam) en het een maatregel is uit de KRW-factsheets voor het waterlichaam. Daarbij is de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag in overeenstemming met wat normaliter de kosten zijn van een dergelijke activiteit.

  • 4 punten: goede bijdrage. Van een goede bijdrage is bijvoorbeeld sprake als de waterkwaliteit van een KRW-waterlichaam wordt verbeterd. 4 punten worden toegekend indien het een maatregel is uit de KRW-factsheets voor het waterlichaam en met het project de opgave voor minstens 50% wordt gerealiseerd. Ook worden 4 punten toegekend als de wateroverlast die wordt tegengegaan of voorkomen zeer frequent optreedt in een groot gebied. Daarbij is de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag, gelet op het effect, redelijk.

  • 5 punten: zeer goede bijdrage. Van een zeer goede bijdrage is sprake als het effect van de activiteit groter is dan redelijkerwijs van een activiteit verwacht mag worden. Dit is bijvoorbeeld als de waterkwaliteit in een KRW-waterlichaam aanzienlijk wordt verbeterd doordat alle maatregelen uit de KRW-factsheets worden uitgevoerd en daarnaast bijvoorbeeld ook zeer frequente wateroverlast in een groot gebied wordt tegengegaan. Daarbij is de hoogte van het gevraagde subsidiebedrag, gelet op het effect, zeer redelijk.

De mate van haalbaarheid

Of een project haalbaar is, zal worden bepaald aan de hand van de kwaliteit van het projectplan, de situatie in het veld en het draagvlak voor het project.

Met dit criterium wordt naar de haalbaarheid van de investering gekeken. Voor de haalbaarheid worden de volgende aspecten in samenhang bezien:

  • De eisen die gesteld worden aan de projectleider (ervaring en opleiding);

  • Kent het project een realistische planning, opzet en begroting (is er draagvlak, zijn de eventueel benodigde gronden al verworven, zijn benodigde vergunningen al verleend?);

  • De kwaliteit van het projectplan. Een kwalitatief goed projectplan is een plan dat realistisch is, waarin alle mogelijke risico’s zijn geïdentificeerd en beheersbaar zijn gemaakt en zijn gereduceerd;

  • Zijn de relevante partijen bij de investering betrokken;

  • Beschikt de ontvanger over een financiële buffer om eventuele financiële tegenvallers in het project op te kunnen vangen?

Op basis van bovenstaande aspecten wordt de haalbaarheid als volgt gekwalificeerd:

  • 0 punten als de haalbaarheid zeer gering is. Er is geen vertrouwen dat de activiteit kan worden uitgevoerd ;

  • 1 punt als de haalbaarheid gering is. Er is enig vertrouwen dat de activiteit kan worden uitgevoerd;

  • 2 punten als de haalbaarheid matig is. Om de activiteit te kunnen uitvoeren, moet nog aan een aantal voorwaarden (bijvoorbeeld vergunningen) worden voldaan, waarbij het nog onzeker is of aan de voorwaarden voldaan kan worden;

  • 3 punten als de haalbaarheid voldoende is. De activiteit kan worden uitgevoerd, de risico’s zijn inzichtelijk gemaakt, maar nog niet concreet beheersbaar gemaakt;

  • 4 punten als de haalbaarheid goed is. De activiteit kan worden uitgevoerd, de risico’s zijn benoemd en beheersbaar gemaakt;

  • 5 punten als de haalbaarheid zeer goed is. De activiteit kan worden uitgevoerd, ook als er zich gedurende de uitvoering financiële tegenvallers voor doen.

De mate van efficiëntie

Bij dit criterium wordt gekeken naar de wijze van uitvoering van de activiteit. Om dit te kunnen beoordelen wordt gekeken naar de input (geld, kennis, kunde en overige middelen) die wordt ingezet om de output te kunnen realiseren. Daarbij wordt bezien of de opgevoerde kosten passend zijn (worden de resultaten met de juiste middelen gehaald?). Ook wordt gekeken naar de verhouding proceskosten- feitelijke investeringskosten en wordt bezien of bij de uitvoering van de activiteit op een goede manier gebruik gemaakt wordt van reeds bestaande kennis en kunde. Onder efficiëntie wordt dus verstaan: gegeven de resultaten van het project, hoe redelijk zijn de opgevoerde kosten en in hoeverre wordt op een goede manier gebruik gemaakt van reeds bestaande bronnen (kennis, kunde, middelen).

 

Op basis van de genoemde aspecten worden de volgende scores toegekend:

  • 0 punten als de efficiëntie zeer gering is. Kosten worden niet doelmatig gemaakt en middelen niet doelmatig ingezet. De opgevoerde project kosten zijn te hoog in relatie tot de output. Ook wordt er geen gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde;

  • 1 punt als de efficiëntie gering is. Kosten en middelen worden onvoldoende doelmatig ingezet. De aanvraag bevat bijvoorbeeld veel uren van adviseurs of kosten voor haalbaarheidsstudies, in plaats van bestaande kennis en kunde gebruik te maken;

  • 2 punten als de efficiëntie matig is. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten en de ingezette middelen is matig. Er wordt wel gebruik gemaakt van bestaande kennis en kunde, maar de opgevoerde project kosten zijn hoog in relatie tot de output;

  • 3 punten als de efficiëntie voldoende is. De doelmatigheid van de opgevoerde kosten zijn redelijk en de benodigde kennis en kunde is in kaart gebracht en wordt gebruikt in het project;

  • 4 punten als de efficiëntie goed is. De opgevoerde projectkosten staan in goede verhouding met de output van het project. Het project wordt efficiënt uitgevoerd;

  • 5 punten als de efficiëntie zeer goed is. Het project wordt efficiënter uitgevoerd dan redelijkerwijs verwacht mag worden. De aanvrager realiseert de grootst mogelijke output met de zo klein mogelijke inzet van geld, kennis, kunde en overige middelen.

De mate van urgentie

Met dit criterium wordt voorrang gegeven aan activiteiten die urgentie hebben. Een activiteit kan urgentie hebben omdat bijvoorbeeld de kwaliteit van het water zeer onvoldoende is, of dat de wateroverlast zeer ernstig is. Een maatregel is in dat geval op zeer korte termijn nodig. Ook projecten die betrekking hebben op het behalen van de doelen van de KRW of de Nitraatrichtlijn, worden als urgent gezien.

Is langer wachten met het uitvoeren van de activiteit echt niet langer verantwoord, er is gelijk actie noodzakelijk (zeer dringende urgentie), dan worden er 5 punten toegekend;

  • 0 punten worden toegekend als de activiteit ook niet op de lange termijn noodzakelijk is;

  • 1 punt wordt toegekend als de activiteit niet op de middellange maar wel op de lange termijn noodzakelijk is;

  • 2 punten worden toegekend als de activiteit op de middellange termijn noodzakelijk is;

  • 3 punten worden toegekend als de activiteit op korte termijn noodzakelijk is;

  • 4 punten worden toegekend als de activiteit op zeer korte termijn noodzakelijk is.

Wegingsfactoren

Aan de criteria zijn wegingsfactoren toegekend. Het criterium effectiviteit heeft de hoogste wegingsfactor (4), dit criterium wordt namelijk als belangrijkste criterium gezien. De effectiefste activiteiten dragen het meest bij aan de doelen van het openstellingsbesluit.

Het criterium haalbaarheid heeft de een na hoogste wegingsfactor (3). Het is namelijk, naast dat een activiteit effectief is, ook van belang dat de activiteit uitgevoerd kan worden. Wanneer de haalbaarheid onzeker is, wordt het ook onzeker of het effect wel bereikt kan worden.

Het criterium efficiëntie heeft de wegingsfactor 2. Bij de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd, zal naar verwachting, tussen de verschillende aanvragen niet veel verschil zitten in het efficiënt gebruik van middelen. Dit criterium heeft dan ook een minder groot onderscheidend vermogen.

Het criterium urgentie heeft de wegingsfactor 1. Het criterium is het minst belangrijk voor de bijdrage aan de doelen van het openstellingsbesluit. Het is echter wel een extra onderscheidend criterium, zodat de beste en urgentste activiteiten als hoogst gerangschikt worden.

 

Artikel 10 Subsidie-arrangement

Op de subsidies is arrangement 2 van toepassing. Dit arrangement is toegelicht in de toelichting van de Regeling Europese landbouwsubsidies Zuid-Holland. Hierin staat het volgende.

 

Bij subsidies onder arrangement 2 wordt uitgegaan van prestatiesubsidiëring in plaats van subsidiëring van de input op basis van werkelijke kosten. Dit betekent dat er een vast bedrag (lumpsum) of een vast bedrag per prestatie-eenheid (p*q) wordt verstrekt ten behoeve van een voorafgaand aan de verlening bepaalde activiteit of prestatie. Hiermee komen bij deze subsidies gedetailleerde financiële verantwoordingen te vervallen. De verantwoording geschiedt uitsluitend over de uitgevoerde activiteiten of over een vooraf bepaalde meetbare prestatie-eenheid. Voor deze subsidies wordt dus niet aan de subsidieontvanger de verplichting opgelegd om een door een accountant opgesteld stuk, zoals een controleverklaring, te overleggen.

 

Om bij de vaststelling aan te tonen dat aan de aanbestedingsplicht is voldaan, levert de subsidiebegunstigde de gunningsbrief, weigeringsbrieven en programma van eisen aan.

 

Artikel 11 Verplichting

Naast artikelen 1.15 en 1.20 van de Regeling is een aanvullende verplichting dat activiteiten uiterlijk 31 december 2028 afgerond moeten zijn.

Naar boven