Provinciaal blad van Flevoland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Flevoland | Provinciaal blad 2026, 2995 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Flevoland | Provinciaal blad 2026, 2995 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Gedeputeerde Staten van Flevoland,
Overwegende dat:
de Omgevingsverordening provincie Flevoland, zoals laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2025, van kracht is;
het voorbereidingsbesluit van 14 mei 2025, beleidswijzigingen en andere verplichtingen nopen tot een herziening van deze Omgevingsverordening ten aanzien van behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen bij het MITC, grootschalige batterijopslag, netbewuste nieuwbouw en kernkwaliteiten werelderfgoed Schokland;
de omvang van de herziening is uitgebreid met een aantal onderwerpen te weten onder andere zwemwater, grondwateronttrekkingen, invasieve exoten en houtopstanden;
het daarnaast nodig is juridisch-technische, tekstuele en geometrische onvolkomenheden te herstellen;
Gelezen het voorstel van 19 januari 2026, nummer 3479498;
Gelet op het bepaalde in de Omgevingswet en de daarbij behorende uitvoeringsregelgeving, de Algemene wet bestuursrecht en de Provinciewet;
Besluiten:
Het ontwerp van de Tweede herziening Omgevingsverordening provincie Flevoland vast te stellen,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
Toegevoegd zijn regels over het verwijderen van heipalen (paragraaf 6.4.1.3), kernkwaliteiten UNESCO werelderfgoed Schokland (hoofdstuk 8), de energietoets bij grootschalige energieopslagsystemen (titel 14.3), netbewuste woningbouw (titel 14.4) en het behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen (hoofdstuk 18). Gewijzigd zijn regels over grondwateronttrekkingen (hoofdstuk 5), de adviesplicht bij vergunningvrije ontgrondingen (hoofdstuk 7), indieningsvereisten vergunningverlening wegen en vaarwegen (hoofdstuk 9 en 11), zwemwater (hoofdstuk 13), biodiversiteit bij zonneparken (titel 14.2), invasieve exoten en houtopstanden (hoofdstuk 16), provinciale wegen met geluidproductieplafonds (bijlage XIV bij hoofdstuk 9) en de toelichting bij geitenhouderijen (hoofdstuk 17). Daarnaast zijn juridisch-technische, tekstuele en geometrische onvolkomenheden hersteld in de hoofdstukken 3 t/m 9, 11, 12, 14 t/m 17, 19 en 22, bijlage I en de toelichting.
Toegevoegd zijn de volgende werkingsgebieden: ‘gebied exclusief grondwaterbeschermings-gebieden’, ‘interferentiegebied Almere Centrum en Randstad’, ‘interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek’, ‘luchtruim voor testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen’ en UNESCO werelderfgoed Schokland en omgeving’. Ook zijn de geometrieën van de volgende werkingsgebieden gewijzigd: 'beschermingszone Provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden Kuinderschans en - burchten, Unesco-monument Schokland en Rivierduingebied Swifterbant', ’gebied binnen de bebouwde kom’, ‘gebied buiten de bebouwde kom’, ‘gebied vergunningvrije bodemenergiesystemen’, ‘gebieden zonder omgevingswaarden wateroverlast’, 'grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren', ‘Natuurnetwerk Nederland’, ‘openbare vaarwegen binnen Flevoland’, ‘provinciale vaarwegen’ en ‘provinciale wegen’.
Deze ontwerp-wijzigingsverordening treedt nog niet in werking, eerst is er gelegenheid tot inspraak.
Aldus besloten in de vergadering van 17 februari 2026,
Gedeputeerde Staten van Flevoland,
de secretaris, de voorzitter,
A
Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die in een stiltegebied handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten .
Indien het achterwege laten van de handelingen of activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd, is diegene verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en
voor zover de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Ieder die kennis draagt van een voorval binnen een stiltegebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht gedeputeerde staten hierover onmiddellijk te informeren.
B
Artikel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die in een grondwaterbeschermingsgebied handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten.
Indien het achterwege laten van de handelingen of de activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs niet van diegene kan worden gevraagd, is diegene verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en
voor zover de gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
leder
Ieder die kennis draagt van een voorval binnen een grondwaterbeschermingsgebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten.
C
Artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in:
artikel 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het exploiteren van een vergunningplichtige stookinstallatie;
artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;
artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke stoffen;
artikel 3.36 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen;
artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen;
afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;
artikel 3.103 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de metaalproductenindustrie;
artikel 3.118 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische producten industrie;
artikel 3.122 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de leerindustrie;
artikel 3.170 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de milieustraat;
artikel 3.184 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
artikel 3.232 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische wasserij; en
artikel 3.329 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op militaire kazernes.
Het is verboden bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 2 meter ten opzichte van maaiveld.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor werken en handelingen:
werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werken die voorzien in:
het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik;
het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen.
wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze -al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarvoor de regels gelden zoals gesteld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk;
de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen of te verstoren met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden.
Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.
D
Artikel 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in:
artikel 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het exploiteren van een vergunningplichtige stookinstallatie;
artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;
artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke stoffen;
artikel 3.36 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen;
artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen;
afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;
artikel 3.103 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de metaalproductenindustrie;
artikel 3.118 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische producten industrie
artikel 3.122 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de leerindustrie;
artikel 3.170 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de milieustraat;
artikel 3.184 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
artikel 3.232 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische wasserij; en
artikel 3.329 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op militaire kazernes.
Het is verboden bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 2 meter beneden maaiveld.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:
werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werken die voorzien in:
het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik;
het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen.
wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarvoor de regels gelden zoals gesteld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk;
de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden.
Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.
E
Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 23 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijzeboringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijzeboringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijzeboringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijze zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 38 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijzeboringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 41 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijzeboringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 44 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijzeboringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 47 meter ten opzichte van NAP.
F
Artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Het gebied vergunningvrije bodemenergiesystemen is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Het gebied interferentiegebied Almere Centrum en Randstad is de locatie waarvan de geomterische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Het gebied interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
G
Afdeling 5.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling gaat over:
het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteitactiviteiten leefomgeving; en
het onttrekken van grondwater in verband met de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.183.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 5.3Artikel 5.3, onder a meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan Gedeputeerde Staten in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, doet kwalitatieve metingen van dat water.
Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in Bijlage V opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.
De metingen bedoeld in het vorige lid vinden plaats door het nemen van representatieve monsters van het water, die geanalyseerd worden volgens de parameters en frequentie opgenomen in Bijlage V, overeenkomstig de analysemethoden uit Bijlage 4 van de Drinkwaterregeling.
Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kunnen gedeputeerde staten in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan Gedeputeerde Statengedeputeerde staten de volgende gegevens verstrekt:
H
Afdeling 5.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraafafdeling gaat over de aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.183.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer is geen omgevingsvergunning vereist voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.183.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem tot een maximale diepte van 150 meter beneden NAP als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3 per uur.
Het eerste lid is niet van toepassing in een bij omgevingsplan of deze verordening aangewezen interferentiegebied als bedoeld in Artikel 5.12Afdeling 5.2.3.
In aanvulling op de gegevens en bescheiden zoals opgenomen in artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij een melding voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 5.6 eerste lid en in artikel 4.1149 van het Besluit activiteitactiviteiten leefomgeving de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in artikel 7.35 van de Omgevingsregeling.
In aanvulling op de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 7.35 van de Omgevingsregeling wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving de toestemming verstrekt van de grondeigenaar of projectontwikkelaar waar de aanvraag betrekking op heeft.
In aanvulling op de registratieplicht zoals opgenomenals bedoeld in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een registratie bijgehouden van het gemiddelde chloridegehalte per jaar van het grondwater dat door het systeem in de bodem wordt teruggeleid.
Jaarlijks
In afwijking van artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden jaarlijks voor 1 maart worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerstevorige lid als ookalsook de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan het bevoegd gezag verstrekt.
De registratieplicht voor de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1150, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratieplicht ten aanzien van de hoeveelheid warmte en koude die aan de bodem zijn toegevoegd,jaarlijkse verstrekking daarvan als ook debedoeld in artikel 4.11504.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde jaarlijkse verstrekking van deze gegevens en bescheiden, iszijn niet van toepassing bij een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid waarbij het onttrokken water in een aaneengesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken.
Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie behaalt een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.183.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving met een installatiedatum van vóór 1 januari 2024 jaarlijks minimaal een energierendement van SPF 3,5 en een systeem met een installatiedatum na 1 januari 2024 jaarlijks een energierendement van minimaal SPF 5.
.
Maatregelen als bedoeld in het tweede lid dienen ertoe te strekken dat het energierendement verhoogd wordt, waarbij minimaal het energierendement zoals vastgelegd in het eerste lid behaald wordt.
Het is verplicht, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zich zo veel als mogelijk in te zetten voor het behalen van een zo hoog mogelijk energierendement.
Indien uit de jaarlijkse verstrekte gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving blijkt dat het energierendement beneden het in het eerste lid genoemde energierendement komt, of het energierendement lager is dan 80% ten opzichte van het jaar ervoor worden passende maatregelen getroffen.
Met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit wordt vermenging van zoet met zout of brak grondwater als bedoeldzoals aangeduid in onderstaande tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A) zoveel als wat redelijkerwijs kan voorkomen.:
I
Afdeling 5.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 5.12 verplaatst van afdeling 5.2.3 naar paragraaf 5.2.3.1. ]
Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.183.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek als bedoeld in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urkinterferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek 2019.
[Red: Artikel 5.13 verplaatst van afdeling 5.2.3 naar paragraaf 5.2.3.1. ]
Een open bodemenergiesysteem als bedoeld inwordt
Artikel 5.12 moet uitgevoerd worden als een doubletsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket tussen 60 en 225 meter minusonder maaiveld.
Het is verboden om een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.12
uit te voeren als recirculatiesysteem.
In afwijking van het eerste lid kan worden afgeweken van een doubletsysteem indien aangetoond kan worden dat dit past binnen het bodemenergieplanBodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0].
[Red: Artikel 5.14 verplaatst van afdeling 5.2.3 naar paragraaf 5.2.3.1. ]
De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in Artikel 5.12, moeten worden gepositioneerd binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart van het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0] aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden.
De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem moeten worden gepositioneerd in respectievelijk de warme en koude zoekgebieden als bedoeld in bijlage 1 van het Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk.
Binnen een zoekgebied kunnen open bodemenergiesystemen, als bedoeld in
Artikel 5.12, met een totale capaciteit van 500m³/uur en 750.000 m³/seizoen gerealiseerd worden.
De minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in
Artikel 5.12, bedraagt 40 meter.
Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied Almere Centrum en Randstad.
De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem moeten worden gepositioneerd in respectievelijk de warme en koude zoekgebieden als bedoeld in figuur 2.1 van het Bodemenergieplan Almere Centrum en Randstad.
Een open bodemenergiesysteem in de bufferzone sluit aan op de hierin gemarkeerde zoekgebieden als bedoeld in figuur 2.1 van het Bodemenergieplan Almere Centrum en Randstad.
De minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem bedraagt 40 meter.
J
Afdeling 5.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde staten houden een register bij waarin wateronttrekkingsactiviteiten, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden opgenomen.
In het grondwaterregister wordt de wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving ingeschreven met vermelding van de gegevens en bescheiden die in het kader van deze wateronttrekkingsactiviteit aan gedeputeerde staten verstrekt worden.
Gedeputeerde staten nemen de gegevens en bescheiden die worden verstrekt in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op in het register bedoeld in het vorige lid.
Een niet in het grondwaterregister opgenomen wateronttrekkingsactiviteit, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit leefomgeving, wordt ambtshalve door gedeputeerde staten in het grondwaterregister opgenomen. De datum van de ambtshalve inschrijving is de aanvangsdatum van de wateronttrekkingsactiviteit.
Gedeputeerde staten nemen een niet geregistreerde wateronttrekkingsactiviteit ambtshalve op in het register bedoeld in het eerste lid, waarbij de aanvangsdatum van de wateronttrekkingsactiviteit geldt als de datum van de ambtshalve inschrijving.
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19is de meest actuele versie van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing.
In aanvulling op het eerste lid is voor het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolse Hoek, zoalseen bij deze verordening aangewezen in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019]interferentiegebied het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk 68122/SV20190226, versie 3.0]daarvoor geldende bodemenergieplan van toepassing.
Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend indien er geen vermenging optreedt van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.dArtikel 5.11. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A).
In afwijking van het derde lid kan de omgevingsvergunning verleend worden indien aangetoond wordt dat de vermenging van zoet met zout of brak water niet leidt tot aanzienlijke verzilting van het grondwater.
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19is de meest actuele versie van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing.
K
Artikel 5.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het dagelijks bestuur van het waterschap neemt de volgende gegevens op in het grondwaterregister als bedoeld in Artikel 5.155.19, eerste lid:
een overzicht van de op grond van de waterschapsverordening vereiste vergunningen en gegevens en bescheiden op basis waarvan de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, plaatsvindt.
de gegevens die op grond van de waterschapsverordening vereist zijn in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, door de houder van de omgevingsvergunning of door degene op wie een informatieplicht rust aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt.
De in het eerste lid opgenomen registratieplicht geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waar mindereen hoeveelheid kleiner dan of gelijk aan 10.000 m3m3 grondwater onttrokken wordt.
De op grond van het eerste en tweede lid vermelde gegevens worden daarnaast aan gedeputeerde staten verstrekt in verband met de grondwateronttrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet.
L
Titel 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld uit oogpunt van de bescherming van de grondwaterkwaliteitgrondwater- en bodemkwaliteit en het beperken van risico’s voor verontreiniging van het grondwater en verdere verspreiding van verontreiniging in het grondwater.
Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die redelijkerwijs kunnen leiden tot verontreiniging van het grondwater of, beïnvloeding van een historische verontreiniging in het grondwater of beschadiging van de bodem.
Een bekende historische grondwaterverontreiniging is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Het margegebied historische grondwaterverontreiniging is de bekende historische grondwaterverontreiniging inclusief een zone van 500 meter buiten de bekende historische grondwaterverontreiniging waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging is de zone waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Het gebied exclusief grondwaterbeschermingsgebieden is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
M
Artikel 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voorafgaand aan het verrichten van een activiteit in een margegebied historische grondwaterverontreiniging wordt een risicobeoordeling grondwater uitgevoerd als blijkt dat die activiteit in staat is:
De risicobeoordeling grondwater is gericht op het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s van de bekende historische grondwaterverontreiniging als gevolg van de activiteit.Margegebied historische grondwaterverontreiniging
Bij het uitvoeren van de risicobeoordeling grondwater wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s wordt gebruik gemaakt van de Risicotoolbox Grondwater of een gelijkwaardige methode.
N
Artikel 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering uit te voeren waarbij sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s, bedoeld in Artikel 6.4.
Bij de aanvraag om omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 6.10, eerste lid, worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de resultaten van de risicobeoordeling grondwater, bedoeld in Artikel 6.4;
de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
een beschrijving van de effecten die met de saneringsaanpak wordtworden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van het grondwater die met de grondwatersanering zal worden bereikt, waarbij minimaal de onaanvaardbare verspreidingsrisico’s worden weggenomen;
de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;
een omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken;
als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en
de naam van de milieukundig begeleider.
O
Na paragraaf 6.4.1.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Een omgevingsplan bepaalt dat heipalen, waaronder mede verstaan een prefab betonnen heipaal, die zich dieper dan 2 meter ten opzichte van maaiveld bevinden, indien zij hun funderende functie verliezen, tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte worden verwijderd op een dusdanige manier dat het eventueel onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte.
P
Artikel 6.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning voor een grondwatersanering als bedoeld in Artikel 6.10 wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving;
een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en
de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en
de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang en streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Artikel 6.216.22, derde lid is niet van toepassing:
voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; of
als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Q
Het opschrift van artikel 6.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
R
Afdeling 7.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt het verbod van artikel 5.1, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet voor ontgrondingsactiviteiten, voor zover het gaat om het ontgronden:
waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden; of
voor een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als:
Ten behoeve van het bouwen, in stand houden of het slopen van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend, indien bij het verlenen van deze omgevingsvergunning de ecologische belangen, archeologische belangen en de (geo)hydrologische belangen voldoende zijn afgewogen.
Het is verboden een ontgrondingsactiviteit, bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, te verrichten zonder dit ten minste vier werkenweken voor het begin ervan te melden.
Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over:
de kadastrale ligging van de ontgrondingslocatie;
de periode waarbinnen de ontgrondingsactiviteit wordt uitgevoerd;
een beschrijving van het doel van de ontgrondingsactiviteit;
de toestand en de functie van het terrein na het afronden van de ontgrondingsactiviteit;
de oppervlakte van het te ontgronden terreingedeelte in m2;
de beoogde maximale diepte in meter beneden maaiveld;
de huidige maaiveldhoogte in meters ten opzichte van NAP;
de opbouw van het bodemprofiel tot de grootste diepte van de voorgenomen ontgrondingsactiviteit; en
de hoeveelheid te ontgraven en af te voeren oppervlaktedelfstof in m3.
Artikel 7.5, derde lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.
Artikel 7.5 is niet van toepassing op een ontgrondingsactiviteit waarbij minder dan 1500 m3 wordt ontgraven.
S
Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
T
Titel 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het landschapsschoon en zijn gericht op het behoud en de ontwikkeling van een specifiek en karakteristiek landschapspatroon.
De regels over de omgevingskwaliteit van het landschap zijn gesteld met het oog op ontwikkelingen en activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de instandhouding en bescherming en de versterking van de landschappelijke waarden als aangegeven in het provinciale beleid voor landschap.
De regels in afdeling 8.2.2 UNESCO Werelderfgoed zijn gesteld met het oog op de instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed Schokland en omgeving die op grond van artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in samenhang met artikel 2.42 van de Omgevingsregeling zijn aangewezen.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op activiteiten in het landelijk gebied van Flevoland buiten de bebouwde kom en binnen het beperkingengebied provinciale wegen, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
In afwijking van het eerste lid zijn de regels in Afdeling 8.2.2, Artikel 8.10 en Artikel 8.11 van toepassing binnen het gebied UNESCO werelderfgoed Schokland en omgeving, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
U
Titel 8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 8.3 ongewijzigd verplaatst van titel 8.2 naar afdeling 8.2.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten om één of meer borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak.
Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst te houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht te houden van één of meer borden zonder omgevingsvergunning.
[Red: Artikel 8.4 verplaatst van titel 8.2 naar afdeling 8.2.1. ]
Het in Artikel 8.3 neergelegde verbod geldt niet voor het plaatsen, houden en/of verwijderen van borden;
die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats;
die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toedaarnaartoe;
die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer;
die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is;
die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis, zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits;
die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst;
op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaatsvindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en;
het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna, die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg;
die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg;
die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde bedrijventerrein;
die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voor zover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt;
die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken zoals bedoeld in Artikel 9.25 en Artikel 11.32;
die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie;
die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd;
die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting;
die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is;
die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, het algemeen bestuur van het waterschap of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing;
die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt, mits het bord geen merknaam bevat, niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;
die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini campingminicamping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;
die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;
langs openbare wegen, niet zijnde openbare wegen in beheer van de provincie Flevoland, die een georganiseerd buurtinitiatief voor sociale veiligheid laten zien, mits;
het geen commercieel initiatief is;
er maximaal twee van deze borden aan dezelfde weg staan;
de borden door of vanwege de gemeente, in beginsel geclusterd met andere borden en aan de rechterzijde van de weg, worden geplaatst;
het bord maximaal 0,6 bij 0,3 meter groot is en maximaal de laagste reflectieklasse heeft.
[Red: Artikel 8.5 ongewijzigd verplaatst van titel 8.2 naar afdeling 8.2.1. ]
De borden als bedoeld in artikel 8.4 zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud.
[Red: Artikel 8.6 ongewijzigd verplaatst van titel 8.2 naar afdeling 8.2.1. ]
Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 8.3 worden in aanvulling op artikel 7.2 en 7.3 Omgevingsregeling tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt;
een tekening van de voorgenomen constructie;
een opsomming van de te gebruiken materialen;
de verwachte begin- en einddatum van de activiteit; en
een beschrijving van de vorm, afmetingen, het doel en het opschrift van het bord.
De kernkwaliteiten van UNESCO Werelderfgoed Schokland en omgeving, als bedoeld in artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, betreffen:
de unieke archeologische overblijfselen die getuigen van zich aanpassende prehistorische en vroeg historische bewoning in een natter wordende omgeving;
het cultuurlandschap dat herinnert aan de eeuwige strijd tegen het water, met de inpoldering van de voormalige Zuiderzee als een van de grootste en meest visionaire prestaties van de mensheid in de twintigste eeuw, tot uiting komend in:
de contour en zichtbaarheid van het voormalige eiland in de polder;
de dorpsterpen en de begraafplaatsen op het voormalige eiland;
de vooroorlogse gebouwen en andere bouwwerken op het voormalige eiland;
overblijfselen en sporen van Middeleeuwse dijken en terpen in het landschap rond het voormalige eiland;
het verkavelingspatroon van het oude en het nieuw gecreëerde land;
de openheid van het agrarische landschap rond en op delen van het voormalige eiland;
de kenmerkende groenaanleg langs wegen, om erven en om het voormalige eiland; en
de erven en boerderijen met bijbehorende schuren en eventuele arbeiderswoningen behorend tot de initiële agrarische inrichting van het nieuwe land en een deel van het voormalige eiland.
V
Het opschrift van artikel 8.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
W
Het opschrift van artikel 8.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
X
Na artikel 8.8 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed Schokland en omgeving:
Als uitzonderlijke universele waarde Schokland en omgeving gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in Artikel 8.7.
De motivering van een omgevingsplan bevat:
Ontheffing van Artikel 8.10, eerste lid, kan alleen worden verleend als:
er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang;
reële alternatieven die Schokland en omgeving niet of minder aantasten ontbreken;
de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt; en
er op of nabij de locatie waarvoor ontheffing wordt gevraagd voldoende compenserende maatregelen worden genomen, in de vorm van versterking van de resterende uitzonderlijke universele waarde van Schokland en omgeving.
Y
Artikel 9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk gaat over:
Voor activiteiten die niet plaats vindenplaatsvinden binnen het beperkingengebied met betrekking tot wegen in beheer bij de provincie Flevoland, geldt dat dit hoofdstuk ook van toepassing is op activiteiten nabij de provinciale wegen, die van invloed kunnen zijn op de belangen zoals genoemd in Artikel 9.1 onder a. en b.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
activiteiten door de provincie Flevoland, ten behoeve van de aanleg, de wijziging, het beheer en/of onderhoud van de weg, de toezicht en handhaving van de weg of de regeling van het wegverkeer over die weg;
activiteiten ten behoeve van het beheer en onderhoud van een weg in opdracht van de provincie Flevoland.
Z
Artikel 9.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft totop een activiteit in dit hoofdstuk wordt die alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het oogmerk genoemd in Artikel 9.1.
Een omgevingsvergunning wordt niet geweigerd als door het stellen van voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend.
AA
Artikel 9.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een verruiming of wijziging van een weg waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, worden bouwwerken, werken die geen bouwwerk zijn, kabels en leidingen of andere objecten verplaatst of verlegd in het geval ze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de werkzaamheden door of namens de wegbeheerder.
Indien met de rechthebbende geen schriftelijke overeenstemming wordt bereikt over de termijn waarop het bouwwerk, werkkabel, leiding of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
BB
Artikel 9.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CC
Artikel 9.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
DD
Artikel 9.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden om zonder omgevingsvergunning borden te plaatsen.
Het eerste lid is niet van toepassing op het plaatsen van toeristische en objectbewegwijzering overeenkomstig een door gedeputeerde staten vastgestelde beleidsregel.
De borden zoals bedoeld in het eerste lid:
worden geplaatst;
buiten de bebouwde kom;
op een deugdelijke wijze, hetgeen betekent dat borden op stalen palen worden bevestigd en met grondankers worden geplaatst;
in de onverharde buitenberm op een afstand van ten minste 1.80 meter uit de kant van de verharding;
zelfstandig en niet aan bestaande bebording en/of OV-masten bevestigd;
op minimaal 2 meter afstand van OV-masten;
zonder spiegeling, fluorisering, verlichting en bewegende delen;
minimaal 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld;
op minimaal 200 meter afstand van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in-en uitwegen en bochten; en
meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden.
verkeren in goede staat van onderhoud en worden onderhouden;
zijn niet groter dan 1.00 meter bij 1.00 meter;
worden met niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie aangebracht;
worden verwijderd door degene die de borden plaatst, indien de voorzieningen waarop de borden betrekking hebben niet langer aanwezig zijn en/of noodzakelijk zijn.
Voordat een bord wordt geplaatst dient een KLIC -melding gedaan te worden.
Na verwijdering van de borden wordt de berm in oorspronkelijke staat terug gebrachtteruggebracht.
EE
Artikel 9.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij eende aanvraag van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit op basis van dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag en worden die ondertekend en voorzien van:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.;
indien van toepassing: tijdelijke verkeersmaatregelen conform de actuele versie van Werk in Uitvoering 96b van het kennisplatform CROW; en
de adressering voor de legesheffing indien dit afwijkt van het adres van de aanvrager.
FF
Artikel 9.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tenminste vier weken voor het begin
Bij de aanvraag van een activiteitomgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.11 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
GG
Artikel 9.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HH
Artikel 9.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.22 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de totale afmetingen van de ruimte die de aanvrager wil gaan gebruiken;
een beschrijving van de verkoopinrichting waaronder begrepen de afmeting van de (mobiele) wagen of kar inclusief de daaraan vast gemaaktevastgemaakte uitbreidingen zoals luifels en zijschotten;
omschrijving van de waren die de aanvrager op de standplaats wenst te verkopen;
de periode van verkoop van waren;
een plaatsaanduiding op de weg waar de aanvrager de standplaats wil betrekken, onder vermelding van het wegnummer van de weg en de hectometrering; en
een plattegrondtekening met een schaal die niet kleiner mag zijn dan 1:1.000. Op de plattegrond is aangegeven:
II
Artikel 9.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.24 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
aard van het evenement;
te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het verkeer
een verkeersplan; en
omleidingsroutes indien de aanvrager wenst dat het verkeer wordt gestremd.
indien borden dienen te worden geplaatst en verwijderd, dienen tevens de gegevens en bescheiden uit artikel 9.31 te worden verstrekt.
JJ
Artikel 11.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een verruiming of wijziging van een vaarweg waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, worden bouwwerken, werken die geen bouwwerk zijn, kabels en leidingen of andere objecten, verplaatst of verlegd in het geval ze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de werkzaamheden door of namens de vaarwegbeheerder.
Indien met de rechthebbende geen schriftelijke overeenstemming wordt bereikt over de termijn waarop het bouwwerk, werk, kabel, leiding of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
KK
Artikel 11.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Kabels en leidingen moeten voldoen aan de technische eisen zoals vastgelegd in de volgende normen:
voor stalen transportleidingsystemen: de NEN 3650;
voor stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken, aanvullende op de NEN 3650: de NEN 3651;
voor stalen leidingen voor transport van gas, drinkwater en afvalwater, stuiklassen voor buizen en hulpstukken van PE met een dichtheid van tenminste 930 kg/m3, aanvullend op de NEN 3650: de NEN 3652;
voor niet-stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken: de NEN 7200.
Kabels en leidingen zijn, met inachtneming van de te verwachte gronddruk, berekend op een verkeersbelasting volgens belastingmodel 3 (Load Model 3) conform NEN-EN 1991-2.
Kabels en leidingen ten behoeve van de riolering hebben een dekking van ten minste 1.00 meter.
Roosters en deksels voor putten en kolken voor verkeersgebieden moeten voldoen aan de eisen, typebeproevingen, markering en kwaliteitsbeheersing in de NEN-EN 124.
De normadressaat dient voorafgaand aan het leggen van een kabel of leiding een KLIC -melding te doen en overleg te plegen met de betrokken netbeheerder.
LL
Artikel 11.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grondwerkzaamheden met betrekking tot kabels en leidingen moeten voldoen aan de volgende eisen:
ontgravingen dienen gescheiden plaats te vinden en aangevuld te worden;
ontgravingen dienen na afloop van iedere dag te worden dichtgemaakt of, indien dit niet mogelijk is, veilig te worden afgezet;
bij het dichten van ontgravingen dient de oorspronkelijke opbouw van de grond te worden hersteld;
opengebroken weggedeelten, bestratingen en anderandere in verband met de werkzaamheden aanwezige obstakels dienen duidelijk te worden gemarkeerd;
kabels en leidingen dienen in den droge te worden gelegd of verlegd, zo nodig met behulp van bronbemaling van voldoende capaciteit nabij de verharding tot 0.25 meter beneden de onderkant van de boorbuizen of mantelbuizen; en
de bovenste laag van de aanvulling mag geen puin bevatten.
MM
Artikel 11.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder omgevingsvergunning borden te plaatsen.
Het eerste lid is niet van toepassing op het plaatsen van toeristische en objectbewegwijzering overeenkomstig een door gedeputeerde staten vastgestelde beleidsregel.
De borden zoals bedoeld in het eerste lid worden geplaatst:
worden geplaatst:
buiten de bebouwde kom;
op een deugdelijke wijze, dit betekent dat borden op stalen palen bevestigden met grondankers geplaatst moeten worden;
in de onverharde buitenberm op een afstand van ten minste 1.80 meter uit de kant van de verharding;
zelfstandig en niet aan bestaande bebording en/of OV-masten bevestigd;
minimaal 2 meter van OV-masten;
zonder spiegeling, fluorisering, verlichting en bewegende delen;
minimaal 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld;
minimaal 200 meter van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten; en meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden.
verkeren in goede staat van onderhoud en worden onderhouden;
zijn niet groter dan 1.00 meter bij 1.00 meter;
worden met niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie aangebracht;
worden verwijderd door degene die de borden plaatst indien de voorzieningen waarop de borden betrekking hebben niet langer aanwezig zijn en/of noodzakelijk zijn.
Voordat een bord wordt geplaatst, dient een KLIC-melding gedaan te worden.
Na verwijdering van de borden wordt de berm in oorspronkelijke staat terug gebrachtteruggebracht.
NN
Artikel 11.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij eende aanvraag van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit op basis van dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag en worden die ondertekend en voorzien van:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.;
indien van toepassing: tijdelijke verkeersmaatregelen conform de actuele versie van Werk in Uitvoering 96vw van het kennisplatform CROW; en
de adressering voor de legesheffing indien dit afwijkt van het adres van de aanvrager.
OO
Artikel 11.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij eende aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.18 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
als het gaat om het bouwen van een werk;
een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit;
een tekening van de voorgenomen constructie;
een opsomming van de te gebruiken materialen;
de te nemen maatregelen ten behoeve van de doorstroming van het vaarwegverkeer; en
de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.
als het gaat om het verwijderen van een werk;
PP
Artikel 11.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.30 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:
aard van het evenement; en
bebordingsplan
een verkeersplan.
Artikel 12.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
RR
Hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 13.1 verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de veiligheid, gezondheid en hygiëne van bezoekers van daartoe door gedeputeerde staten aangewezen zwemlocaties in oppervlaktewater.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op door gedeputeerde staten op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen zwemlocaties in oppervlaktewater.
[Red: Artikel 13.2 verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
De regels in dit hoofdstuk gelden voor de zwemlocaties, waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
De houder van de zwemlocatie neemt tijdig passende beheersmaatregelen indien sprake is van een situatie die een negatief effect heeft of redelijkerwijs kan hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de gezondheid en veiligheid van zwemmers.
De houder van de zwemlocatie informeert onverwijld gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam indien sprake is van een situatie, bedoeld in het eerste lid.
Degene die op een zwemlocatie handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als zwemlocatie is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten.
Indien het achterwege laten van de handelingen of de activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs niet van diegene kan worden gevraagd, is diegene verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en
voor zover de gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Ieder die kennis draagt van een voorval op een zwemlocatie, waarbij aannemelijk is dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als zwemlocatie is aangewezen, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten.
De houder van de zwemlocatie draagt zorg voor het beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid, gezondheid en hygiëne voor de bezoekers.
De houder van de zwemlocatie neemt tijdig passende beheersmaatregelen indien sprake is van een situatie die een negatief effect heeft of kan hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de veiligheid, gezondheid en hygiëne van bezoekers van zwemlocaties.
Passende beheersmaatregelen omvatten in ieder geval:
het treffen van maatregelen om situaties als bedoeld in het vorige lid op de zwemlocaties te voorkomen;
het plaatsen van een duidelijke en fysieke markering van de voor bezoekers van zwemlocaties gevaarlijke plaatsen op de zwemlocatie.
De houder van de zwemlocatie informeert onverwijld gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam indien sprake is van een situatie, zoals beschreven in Artikel 13.6, eerste lid.
Gedeputeerde staten wijzen bij de aanwijzing van zwemlocaties als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de houder van een zwemlocatie aan.
Als houder van een zwemlocatie wordt aangewezen de exploitant van de zwemlocatie.
Indien er geen duidelijke exploitant aanwezig is, wordt aangewezen als houder het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de zwemlocatie zich bevindt.
SS
Artikel 14.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening projectgebieden in een windgebied aanwijzen en wijzigen. Het aanwijzen en wijzigen van de begrenzing van een projectgebied kan ambtshalve en op aanvraag plaatsvinden.
Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een projectgebied wordt gebaseerd op een (voorstel tot aanpassing van een goedgekeurd) projectplan voor opschalen en sanerenof opschalen van windmolens. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak van de aanwijzing of wijziging van de begrenzing aan.
TT
Artikel 14.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gerekend vanaf 15 november 2018 mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 500 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland’, waarvan de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied.
Vanaf het moment dat gelet op de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, eerste lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt, laat een nieuw(e wijziging van het) een omgevingsplan buiten de aangewezen uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden geen grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden toe.
Gerekend vanaf 8 december 2022 laat een (nieuwe wijziging van) een omgevingsplan buiten de aangewezen uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden geen grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden toe.
In afwijking van Artikel 14.28, tweede lid mag een nieuw(enieuwe wijziging van een) omgevingsplan een grondgebonden opstelling voor zonne-energie toelaten op gietwaterbassins in het gebied Uitzondering glastuinbouw i.r.t. zonne-energie in landelijk gebied.
Vanaf het moment dat gelet op de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld In Artikel 14.25, eerste lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot in totaal maximaal 1000 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland, gerekend vanaf 15 november 2018, mits de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied.
Gerekend vanaf 8 december 2022 mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot in totaal maximaal 1000 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland, mits
de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied;
de inrichting en het beheer van de grondgebonden opstelling voor zonne-energie ter behoud van bodemkwaliteit en versterking van biodiversiteit plaatsvindt conform een aanleg- en beheerplan.
Een omgevingsplan mag op een locatie niet meer voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken.
In afwijking van het Artikel 14.28, vijfde lid mag een omgevingsplan, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken, blijven voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, indien voor die locatie opnieuw een omgevingsvergunning wordt verleend voor het realiseren van een nieuwe grondgebonden opstelling voor zonne-energie.
UU
Na titel 14.2 worden twee titels ingevoegd, luidende:
De regels in deze titel zijn gesteld om ruimte te bieden aan nieuwe grootschalige energieopslagsystemen in landelijk en stedelijk gebied van de provincie Flevoland, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied niet onevenredig wordt aangetast en rekening wordt gehouden met de invloed op de capaciteit van de elektriciteitsinfrastructuur.
De regels voor grootschalige energieopslagsystemen gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren, genoemd in bijlage II onder 1 onder A bij het Omgevingsbesluit, en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Een omgevingsplan voorziet alleen in een nieuw grootschalig energieopslagsysteem als deze een doelmatige en doeltreffende bijdrage levert aan het versterken of blijven voorzien van een de goede werking van de elektriciteitsinfrastructuur conform een provinciaal programma grootschalige batterijopslag.
De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de lokale net situatie en indien van toepassing de netcongestie situatie, waarbij in ieder geval een onderbouwing wordt gegeven van het effect van het grootschalig energieopslagsysteem op het versterken of het blijven voorzien in een goede werking van de elektriciteitsinfrastructuur.
Regels in deze titel zijn gesteld met het oog op:
Deze titel is van toepassing op nieuwe woningbouwactiviteiten die tot belasting van de elektriciteitsinfrastructuur kunnen leiden.
Voor zover deze titel van toepassing is op het transporteren, opslaan of leveren van elektriciteit zijn de regels niet gesteld met het oog op de energievoorziening.
De regels voor netbewuste woningbouw gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, genoemd in bijlage II onder 1 onder A bij het Omgevingsbesluit, en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe woningbouwontwikkeling, wordt het netbudget voor netbewuste woningbouw, bedoeld in Bijlage VII Netbewuste woningbouw, in acht genomen.
De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop het netbudget voor netbewuste woningbouw in acht is genomen.
Het omgevingsplan kan het netbudget niet aanvullen of versoepelen.
VV
Afdeling 15.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk geeftbevat regels als bedoeld in artikel 2.31a en 2.44 vierde lid van de Omgevingswet.
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:
het begrenzen, aanwijzen en beschermen van op het land gelegen Natuurnetwerk Nederland;
het aanwijzen en veiligstellen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de begrensde gebieden;
het geven van een afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland en voorwaarden voor herbegrenzing;
het instellen van een registratie voor planologische besluiten bij het wijzigen van het Natuurnetwerk Nederland.
De regels in dit hoofdstuk gelden voor het Werkingsgebied natuurnetwerk Nederland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
Het Natuurnetwerk Nederland is de locatie, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.
Compensatie NNN binnen het zoekgebied Oosterwold is de locatie die is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.
Het kiekendieffoerageergebied is de locatie, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.
De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn vastgelegd op https://nnn.flevoland.nl/.
WW
Artikel 15.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Burgemeesten
Burgemeester en wethouders kunnen verzoeken de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de wezenlijke kenmerken en waarden te wijzigen ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen als genoemd in Artikel 15.3, tweede lid, onderdeel a of een enkelvoudige ontwikkeling als genoemd in Artikel 15.3, derde lid onderdeel b.
Het verzoek om wijziging van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland gaat vergezeld van een toelichting of onderbouwing waarin wordt aangetoond dat:
de uitvoering en langdurige instandhouding van de versterking of vergroting van het Natuurnetwerk Nederland is gewaarborgd,
de uitvoering van de versterking en vergroting uiterlijk aansluitend aan het realiseren van de enkelvoudige ontwikkeling plaats vindtplaatsvindt.
Wanneer de beoogde ontwikkeling of activiteit ten behoeve waarvan het Natuurnetwerk Nederland is gewijzigd niet of niet geheel plaats vindtplaatsvindt verzoeken burgemeester en wethouders tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de wijziging.
XX
Artikel 16.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1 tweede lid. aanhef en onder g van de wet in samenhang met artikel 11.54 eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX onder A van het Besluit activiteiten leefomgeving, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht ter voorkoming of bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren met betrekking tot de soorten en onder de voorschriften genoemd in Bijlage XI onder A..
In aanvulling op het eerste lid geldt de vrijstelling uitsluitend:
voor handelingen ter voorkoming van in het lopende of daarop volgendedaaropvolgende jaar dreigende schade;
voor de grondgebruiker respectievelijk een door hem op grond van de artikelen 11.44, vijfde lid, 11.52, vijfde lid en 11.58, zesde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen persoon;
op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, in of aan door de grondgebruiker gebruikte opstallen, of in het omringende gebied.
YY
Na artikel 16.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De verboden, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid van de Omgevingswet, met uitzondering van het verbod tot opzettelijk doden, gelden niet voor soorten genoemd in Bijlage XI onder B ten aanzien van de belangen genoemd in artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
ZZ
Artikel 16.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAA
Na artikel 16.9a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Aanvullend op afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden een houtopstand van de volgende categorieën geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan te melden:
houtopstanden die een kleinere oppervlakte beslaan dan 10 a (1000m2) of bestaan uit een rijplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;
Artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
Aanvullend op afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de plicht tot herbeplanting voor de volgende categorieën houtopstanden:
De herbeplanting bedoeld in het tweede lid voldoet aan artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving en aan de volgende eisen:
herbeplanting op dezelfde locatie is verplicht, tenzij Gedeputeerde Staten met een maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 16.12 anders bepalen;
herbeplanting dient binnen drie jaar na het vellen plaats te vinden en op bosbouwkundig verantwoorde wijze plaats te vinden.
BBB
Artikel 16.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 11.12611.131, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het in het eerste lid van artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 16.9b, eerste lidgeregelde verbod niet van toepassing op:
Beheerders die meer dan 75 ha bos en natuur in de provincie Flevoland beheren en beschikken over een certificaat natuurbeheer afgegeven door de Stichting Certificering SNL, indien de grond, waarop de te vellen houtopstand zich bevindt, binnen drie jaar na velling of teniet gaantenietgaan op bosbouwkundig verantwoorde wijze wordt herbeplant;
De vrijstelling als bedoeld onder a is niet van toepassing indien:
Een beheerder die gebruik maaktgebruikmaakt van de vrijstelling als bedoeld onder a verstrekt gedeputeerde staten voor 1 oktober een overzicht over het voorafgaande jaar met:
Voorts is het in artikel 11.126, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde niet van toepassing bij:
Het maximaal 1 keer per 4 jaar kappen van verjongingsgaten indien deze groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10 procent van het bosperceel.
Het vrijstellen van oevers van bestaande poelen en plassen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarslijn.
Het door natuurlijke ontwikkelingen te nietteniet gaan van houtopstanden in de volgende gevallen:
CCC
Artikel 16.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 11.12911.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 16.9b tweede lid niet wanneer het gaat om:
Het door natuurlijke ontwikkelingen teniet gaan van houtopstanden indien dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;
Teniet gaan door vraat van bevers (Castor fiber), mits de stobben niet verwijderd worden.
Houtopstanden als onderdeel van een agroforestry systeem.
Landschapselementen op agrarische grond, aangeplant na inwerkingtreding van deze bepaling en < 0,01 ha. De grond blijft na aanplant of verwijdering van landschapselementen geschikt voor de agrarische functie.
DDD
Artikel 16.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 16.9b en met inachtneming van artikel 11.3011.130 aanhef en onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen gedeputeerde staten bij maatwerkvoorschrift toestemming verlenen voor herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, eerste lid, indien:
De
de toestemming er niet toe leidt dat de oppervlakte van het oorspronkelijke bos kleiner wordt dan 15 hectare;
De
de andere grond is gelegen in de provincie Flevoland;
Beplanting
beplanting van andere grond niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden;
onbeplant is en vrij van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is;
vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen;
en geen wettelijke doelstelling kent die aan de herbeplanting in de weg staat.;
het geen landschapselement binnen het Natuurnetwerk Nederland betreft;
er geen soorten met instandhoudingsdoelstelling zijn aangetroffen;
er andere grond beschikbaar gesteld is of aangekocht zal worden ten behoeve van compensatie.
Bij ruimtelijke besluiten is herbeplanting op andere grond toegestaan, indien de velling noodzakelijk is voor het omgevingsplan.
Bij maatwerkvoorschrift kan van het eerste lid worden afgeweken als dit in overeenstemming is met het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, en naar het oordeel van gedeputeerde staten niet tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.
Herbeplanting als bedoeld in het eerste lid voldoet aan:
vergelijkbare of betere ecologische en landschappelijke waarde;
geschikte bodem en waterhuishouding;
gesloten kronendak binnen 5–10 jaar, met een bedekkingsgraad van tenminste 60% van de perceelsoppervlakte;
geen sierheesters, tuinsoorten of invasieve soorten zoals opgenomen in de Unielijst NVWA;
binnen Natura 2000-gebieden: geen schade aan instandhoudingsdoelen;
bij houtopstanden jonger dan 10 jaar kan, mits ecologische waarde beperkt is, worden volstaan met een compensatiefactor van 1,0 ten opzichte van de oppervlakte van de oorspronkelijke houtopstand;
indien de gevelde houtopstand ouder is dan 30 jaar, geldt een verhoogde compensatiefactor van 1,3 ten opzichte van de oppervlakte van de oorspronkelijke houtopstand;
indien de gevelde houtopstand ouder is dan 50 jaar, geldt een verhoogde compensatiefactor van 1,5 ten opzichte van de oppervlakte van de oorspronkelijke houtopstand;
uitzondering op compensatiefactor zoals vermeld in onderdeel f. g. h. wanneer houtopstanden door natuurlijke ontwikkeling teniet gaan zoals:
EEE
Artikel 16.12a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor de herbeplanting op andere grond dan bedoeld in artikelArtikel 16.1216.3 worden in aanvulling op artikel 11.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het kadastrale perceelsnummer en, indien niet het gehele perceel ingeplant wordt, een kaartje waarop het te beplanten perceelsgedeelte is aangegeven;
een beplantingsplan voor de herbeplanting; met in ieder geval een beschrijving van de bodemsamenstelling, waterhuishouding. Ook dient de soortensamenstelling, plantverband en nazorgplan te worden ingediend;
de schriftelijke instemming van de grondeigenaar, als deze niet de aanvrager is.;
passende begroting waarin ook grondaankoop, beplanting en nazorg zijn meegenomen.
FFF
Na artikel 16.12a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
In aanvulling op artikel 11.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving bevat een melding van voorgenomen velling ten minste gegevens en bescheiden over:
inleiding met reden van velling;
contactgegevens van de grondeigenaar (indien afwijkend van uitvoerder);
topografische en kadastrale locatie. Analoog ten minste schaal 1: 125.000 of als een digitale kaart (GIS);\
oppervlakte van de velling in vierkante meters of, in het geval van rijbeplanting of bomen buiten bos, het aantal bomen;
boomsoort en leeftijd;
QuickScan Flora en Fauna;
locatie van herplant.
GGG
Het opschrift van artikel 16.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHH
Artikel 16.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende algemene gegevens:
In aanvulling op het in artikel 6.2, eerste en tweede lid van het Omgevingsbesluit daaromtrent bepaalde bevat het faunabeheerplan voor wat betreft populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende nadere gegevens:
kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden;
een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel b bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;
de huidige en gewenste stand van de in onderdeel a bedoelde diersoorten of een onderbouwing voor Adaptive Impact Management;
per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken en schade te voorkomen;
per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel c, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, mits er geen sprake is van Adaptive Impact Management;
voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaats vindenplaatsvinden;
voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen;
een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.
Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft de uitoefening van de jacht de volgende gegevens:
kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten waarop wordt gejaagd;
een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.
III
Het opschrift van artikel 16.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
JJJ
Het opschrift van artikel 16.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
KKK
Artikel 16.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Teneinde voor goedkeuring als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid van de Omgevingswet in aanmerking te komen, voldoet een faunabeheerplan aan de eisen, opgenomen in Artikel 16.1416.15 en Artikel 16.1516.16 van deze verordening.
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een gehele of gedeeltelijke wijziging van het faunabeheerplan als bedoeld in Artikel 16.1516.16, tweede lid en een verzoek als bedoeld in Artikel 16.1516.16, derde lid.
LLL
Het opschrift van artikel 16.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
MMM
Het opschrift van artikel 16.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
NNN
Artikel 16.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De verplichting in Artikel 16.1916.20 is niet van toepassing op medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten of Stichting Flevolandschap, wanneer het jachtveld in eigendom is van deze organisatie, opvoorwaarde dat deze organisatie zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemtaan de gegevensverzameling als bedoeld in Artikel 16.2116.22 en de uitvoering van het faunabeheerplan ten aanzien vanwildsoorten.
OOO
Het opschrift van artikel 16.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Het opschrift van artikel 16.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Artikel 16.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde Staten verstrekken een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet alleen op aanvraag.
Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in het eerste lid wordt door de aanvrager bij BIJ12 ingediend binnen zeven werkdagen nadat hij de schade heeft geconstateerd, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen of via een vastgesteld electronischevastgestelde elektronische wijze.
Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.
RRR
Het opschrift van artikel 16.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
SSS
Artikel 17.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren, genoemd in bijlage II onder 1 onder A bij het Omgevingsbesluit en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
TTT
Hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behouden van test- en oefenruimte voor bemande luchtvaartuigen en onbemande luchtvaartuigen rondom het Mobiliteit en Infrastructuur Testcentrum (MITC).
De regels in dit hoofdstuk gelden voor het werkingsgebied Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
In een omgevingsplan worden geen functies aan locaties toebedeeld, die het testen en oefenen met bemande luchtvaartuigen en onbemande luchtvaartuigen kunnen beperken.
Een omgevingsplan bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten die het testen en oefenen met bemande luchtvaartuigen en onbemande luchtvaartuigenkunnen beperken, waaronder in ieder geval vallen:
Het omgevingsplan bepaalt dat het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet van toepassing is op bestaande activiteiten en bouwwerken voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning op 28 maart 2025 al rechtmatig worden verricht of zijn toegestaan. Daarbij wordt het volgende opgenomen:
indien het gaat om tijdelijk toegestane activiteiten en bouwwerken geldt deze uitzondering voor de duur van de daarvoor verleende toestemming;
het is alleen toegestaan om de toegestane bestaande functies en activiteiten te (laten) veranderen, mits daarmee de beperking van het belang dat deze paragraaf beoogt te beschermen naar aard en omvang wordt verkleind.
Een beroep op deze regeling vervalt indien de bestaande activiteiten langer dan één jaar worden onderbroken.
Ten aanzien van de omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid bepaalt het omgevingsplan het volgende:
UUU
Artikel 19.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan dat ziet op het toelaten van het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie wordt in de toelichting op het omgevingsplanop basis van onderzoek gemotiveerd dat provinciale belangen niet worden geschaad.
VVV
Artikel 22.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De artikelen 4.1149 tot en met 4.1156 van het Besluit activiteiten leefomgeving als ook de regels zoals opgenomen in paragraafAfdeling 5.2.25.2.2 van deze omgevingsverordening zijn niet van toepassing op een open bodemenergiesysteem waarvoor een vergunning is verleend en waarbij de aanvraag van die vergunning is gedaan voor 1 juli 2013.
De regels zoals opgenomen in Afdeling 5.2.3 zijn niet van toepassing op open bodemenergiesystemen in het ininterferentiegebieden
Artikel 5.12 bedoelde interferentiegebied die geïnstalleerd zijn vóór de datum waarin het interferentiegebied als bedoeld in Artikel 5.12Afdeling 5.2.3 is aangewezen in de gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 2.2b, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht dan wel in het omgevingsplan.
WWW
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
gronden die worden ingezet voor de agrarische bedrijfsvoering ten
behoeve het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen
en/of het houden van dieren met uitzondering van:
- de (voormalige) agrarische bouwpercelen waar zelfstandige, bij elkaar horende
bebouwing is toegelaten en
- bij de afwezigheid van een expliciet bouwperceel de voor bewoning en daarbij
behorende voorzieningen zoals voor stalling en opslag bedoelde gebouwen bij het
agrarisch (glastuinbouw) bedrijf;
de afstand vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot het middelpunt van de as, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein de afstand wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994
combinatie van bomen en struiken met akkerbouw, veeteelt of groenteteelt op hetzelfde perceel, en die zowel economische als ecologische voordelen biedt, zoals een gezondere bodem, hogere opbrengsten, meer biodiversiteit en efficiënter gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De term is een verzamelnaam voor diverse systemen, van rijenteelt tot voedselbossen, waarbij houtige gewassen en landbouw worden geïntegreerd in ruimte of tijd
bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
de afstand vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot het middelpunt van de as, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein de afstand wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994
activiteiten met het oog op het behoud van de functie en het prestatieniveau van een vaarweg en de daartoe behorende objecten, met dien verstande dat de activiteiten niet mogen leiden tot een capaciteitsvergroting of functieverandering van de (vaar)weg of daartoe behorende objecten.
bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
activiteiten met het oog op het behoud van de functie en het prestatieniveau van een wegvaarweg en de daartoe behorende objecten, met dien verstande dat de activiteiten niet mogen leiden tot een capaciteitsvergroting of functieverandering van de (vaar)weg of daartoe behorende objecten.
het normale onderhoud en beheer, met dien verstande dat dit niet mag leiden tot een uiteindelijke (vrijwel) gehele vernieuwing of vervanging van de windturbine
activiteiten met het oog op het behoud van de functie en het prestatieniveau van een weg en de daartoe behorende objecten, met dien verstande dat de activiteiten niet mogen leiden tot een capaciteitsvergroting of functieverandering van de (vaar)weg of daartoe behorende objecten.
een geitenhouderij die op 2 februari 2019 in gebruik is in overeenstemming met het op dat moment geldende bestemmingsplan èn beschikt over de benodigde omgevingsvergunning(en) op grond van de op dat moment geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel dat daar een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor is ingediend, of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend.
het normale onderhoud en beheer, met dien verstande dat dit niet mag leiden tot een uiteindelijke (vrijwel) gehele vernieuwing of vervanging van de windturbine
een windmolen die 12 maart 2015 feitelijk bestaat dan wel mag worden opgericht en gebruikt conform een reeds verleende omgevingsvergunning
een geitenhouderij die op 2 februari 2019 in gebruik is in overeenstemming met het op dat moment geldende bestemmingsplan èn beschikt over de benodigde omgevingsvergunning(en) op grond van de op dat moment geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel dat daar een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor is ingediend, of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend.
Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
een windmolen die 12 maart 2015 feitelijk bestaat dan wel mag worden opgericht en gebruikt conform een reeds verleende omgevingsvergunning
uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg;
een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte
Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook
een boom met een bijzondere status vanwege leeftijd, omvang, soort cultuurhistorische, ecologische, dendrologische, monumentale, of landschappelijke waarde buiten de bebouwingscontour die voldoet aan volgende kenmerken: • een stamomtrek van ten minste 100 cm of meer gemeten op 1,30 meter hoogte, • een naar inschatting minimale leeftijd van 50 jaar, • behorend tot een inheemse of cultuurhistorisch waardevolle soort, • in redelijke gezondheid en zonder direct gevaar voor de omgeving, én • gelegen op een locatie waar de boom vanaf de openbare weg zichtbaar is, óf solitair staat met minimaal 20 meter afstand tot de dichtstbijzijnde andere boom van vergelijkbare omvang
het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem in verband met het voorkomen of beperken van een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater.
een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte
een voor publiek toegankelijke activiteit van vermaak op, aan of nabij de provinciale weg, zoals feesten, markten, optochten en avondvierdaagsen. Onder een evenement valt tevens een voor publiek toegankelijke activiteit van vermaak op, aan of nabij de provinciale vaarweg, zoals tochten op het water en watersportfestivals.
opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook
Faunabeheerplan als bedoeld in afdeling 16.3.2
het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem in verband met het voorkomen of beperken van een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater.
Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
houtopstanden op erven van bedrijfsgebouwen van ten minste 7 meter breed en ten minste 3/4 van de omtrek van het erf
het houden van 10 geiten of meer
een voor publiek toegankelijke activiteit van vermaak op, aan of nabij de provinciale weg, zoals feesten, markten, optochten en avondvierdaagsen. Onder een evenement valt tevens een voor publiek toegankelijke activiteit van vermaak op, aan of nabij de provinciale vaarweg, zoals tochten op het water en watersportfestivals.
toestel of activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een omgevingsplan begrepen gronden;
Faunabeheerplan als bedoeld in afdeling 16.3.2
geluidniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Omgevingswet.
Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
een samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op het maaiveld of op water. Voor de toepassing van deze titel wordt met een grondgebonden opstelling voor zonne-energie gelijk gesteld, elke opstelling voor zonne-energie in het landelijk gebied, al dan niet op een dak, waarbij de oppervlakte aan zonnepanelen groter is dan één hectare.
het houden van 10 geiten of meer
degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
toestel of activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een omgevingsplan begrepen gronden;
Het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater.
geluidniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Omgevingswet.
in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater
een samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op het maaiveld of op water. Voor de toepassing van deze titel wordt met een grondgebonden opstelling voor zonne-energie gelijk gesteld, elke opstelling voor zonne-energie in het landelijk gebied, al dan niet op een dak, waarbij de oppervlakte aan zonnepanelen groter is dan één hectare.
Bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van dieren van soorten, genoemd in artikel 8.3, vierde lid, en het doen van pogingen daartoe, in een jachtveld, in overeenstemming met de regels over de uitoefening van de jacht, gesteld op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder k.
degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
Degene die op grond van artikel 8.3 gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een jachtveld.
Het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater.
de vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoerings- en handhavingstaak zijn belast
Lithium houdende stationaire energiedrager voor de opslag van elektriciteit met een vermogen van meer dan 1 MW vermogen en meer dan 2 MWh opslagcapaciteit
Handvatten ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in het provinciale beleid voor landschap. Het verbindt de verschillende waarden van omgevingskwaliteit aan economische, ecologische en sociaal-culturele belangen.
gelegenheid om een schip af te meren
een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, zonder dat er een minimale oppervlakte of aantal bomen is vereist
voorziening ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49 eerste en tweede lid Wet milieubeheer.
in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater
de (ontstane) waarde en kernkwaliteiten van een gebied. Bij omgevingskwaliteit ligt de nadruk op de relatie tussen een initiatief en de omgeving; het grotere geheel. Het gaat niet alleen om de maximale kwaliteit voor één gebruiker, maar om goede kwaliteit voor de gemeenschap. Inclusief de integrale belangen die spelen in de omgeving; ook van omwonenden. Het streven is naar een goed doordacht ontwerp met zichtbaar meer aandacht voor culturele en esthetische waarden boven en economische winst. Het resultaat van het beste evenwicht tussen herkomstwaarde, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de leefomgeving. De genoemde waarden staan hierbij voor: - herkomstwaarde: hierin komen de kenmerken van het landschap, identiteit en de unieke kernkwaliteiten samen. Het is de basis van wat Flevoland tot Flevoland maakt. - gebruikswaarde: hierin komen doelmatigheid en functionele integrale samenhang van het Flevolandse landschap bij elkaar. - belevingswaarde: de eigenschappen en schoonheid van het landschap, publieke beleefbaarheid van de identiteit van het landschap horen bij de belevingswaarde. Als het landschap aantrekkelijker wordt, wordt de belevingswaarde over het algemeen hoger. Dat is ook zo, als er meer verschillende dier- en plantsoorten leven. - toekomstwaarde: hoe duurzaam en beheersbaar het landschap en de landschapselementen zijn/ ontwikkelen in de toekomst, bepaalt de toekomstwaarde. En daarnaast door hoe het landschap zich aan nieuwe omstandigheden kan aanpassen.
Bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van dieren van soorten, genoemd in artikel 8.3, vierde lid, en het doen van pogingen daartoe, in een jachtveld, in overeenstemming met de regels over de uitoefening van de jacht, gesteld op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder k.
omgevingsplan, projectbesluit, gemeentelijke project van publiek belang, omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit
Degene die op grond van artikel 8.3 gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een jachtveld.
wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen en bermsloten, met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen
de vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoerings- en handhavingstaak zijn belast
vervangen van een bestaande windmolen door een windmolen met een groter vermogen en/of grotere afmetingen
karakteristieke onderdelen van het landschap, zoals houtwallen, singels, poelen, knotbomen, hoogstamboomgaarden, hagen, bomenrijen en kleine bosjes. Deze elementen zijn belangrijk voor biodiversiteit, cultuurhistorie en het karakter van het landschap
aanpak gericht op het opwekken van meer windenergie met significant minder windmolens binnen Flevoland
gelegenheid om een schip af te meren
geprefabriceerde betonpaal met constante dwarsafmeting die middels heien is geïnstalleerd, met uitzondering van palen met verbrede voet en palen geschikt voor de uitwisseling van energie
luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet luchtvaart
stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten.
door initiatiefnemer opgesteld plan dat uitsluitsel geeft over de wijze en de gronden (gebied) waarop een initiatiefnemer een project voor opschalen en saneren van wil realiseren
voorziening ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49 eerste en tweede lid Wet milieubeheer.
De totale maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet van alle woningen en gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij weersomstandigheden van -10 graden Celsius in het gehele project waar een belang dat de provincie gelet op artikel 2.3 Omgevingswet kan behartigenomgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor wordt aangevraagd
het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit –al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden
de (ontstane) waarde en kernkwaliteiten van een gebied. Bij omgevingskwaliteit ligt de nadruk op de relatie tussen een initiatief en de omgeving; het grotere geheel. Het gaat niet alleen om de maximale kwaliteit voor één gebruiker, maar om goede kwaliteit voor de gemeenschap. Inclusief de integrale belangen die spelen in de omgeving; ook van omwonenden. Het streven is naar een goed doordacht ontwerp met zichtbaar meer aandacht voor culturele en esthetische waarden boven en economische winst. Het resultaat van het beste evenwicht tussen herkomstwaarde, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de leefomgeving. De genoemde waarden staan hierbij voor: - herkomstwaarde: hierin komen de kenmerken van het landschap, identiteit en de unieke kernkwaliteiten samen. Het is de basis van wat Flevoland tot Flevoland maakt. - gebruikswaarde: hierin komen doelmatigheid en functionele integrale samenhang van het Flevolandse landschap bij elkaar. - belevingswaarde: de eigenschappen en schoonheid van het landschap, publieke beleefbaarheid van de identiteit van het landschap horen bij de belevingswaarde. Als het landschap aantrekkelijker wordt, wordt de belevingswaarde over het algemeen hoger. Dat is ook zo, als er meer verschillende dier- en plantsoorten leven. - toekomstwaarde: hoe duurzaam en beheersbaar het landschap en de landschapselementen zijn/ ontwikkelen in de toekomst, bepaalt de toekomstwaarde. En daarnaast door hoe het landschap zich aan nieuwe omstandigheden kan aanpassen.
een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in Bijlage E, onderdeel A. van de Omgevingswet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening.
omgevingsplan, projectbesluit, gemeentelijke project van publiek belang, omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit
risicobeoordeling grondwater als bedoeld in artikel 6.4 die, bij activiteiten die in staat zijn een bekende historische grondwaterverontreiniging te beïnvloeden, bepaalt of de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar verspreidingsrisico van de bekende historische grondwaterverontreiniging
Elk luchtvaartuig waarmee vluchten worden uitgevoerd of dat is ontworpen om vluchten autonoom of op afstand bestuurd uit te voeren zonder piloot aan boord
het slopen en afvoeren van een bestaande windmolen tot minimaal een meter onder het maaiveld, waarbij de omgevingsplanregeling zodanig is (gewijzigd) dat herbouw van de windmolen met hetzelfde of een lager vermogen op of nabij de locatie van de gesaneerde windmolen blijvend onmogelijk is gemaakt
wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen en bermsloten, met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen
stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen
vervangen van een bestaande windmolen door een windmolen met een groter vermogen en/of grotere afmetingen
chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen.
aanpak gericht op het opwekken van meer windenergie met significant minder windmolens binnen Flevoland
een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;
geprefabriceerde betonpaal met constante dwarsafmeting die middels heien is geïnstalleerd, met uitzondering van palen met verbrede voet en palen geschikt voor de uitwisseling van energie
toestel : een toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. een airgun of soortgelijk apparaat en knalapparaat;
b. een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen of een ander vergelijkbaar geluidsapparaat al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker, waaronder een muziekinstrument, een omroepinstallatie, een sirene en een hoorn;
c. een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar de ontginning van bodemstoffen en de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;
d. een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
e. een vuurwapen.
door initiatiefnemer opgesteld plan dat uitsluitsel geeft over de wijze en de gronden (gebied) waarop een initiatiefnemer een project voor opschalen en saneren van wil realiseren
elke rechtstreekse, niet openbare ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare wegbelang dat de provincie gelet op artikel 2.3 Omgevingswet kan behartigen
de gebieden Rivierduingebied Swifterbant, UNESCO-monument Schokland, Urk en omgeving en Om-geving Kuinderschans en Kuinderburcht die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden
een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk waaronder mede verstaan een boorput.
het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit –al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden
aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden die bestemd zijn voor natuur of zijn aangewezen voor natuurdoeleinden, tevens de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste milieu condities.
een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in Bijlage E, onderdeel A. van de Omgevingswet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening.
een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van:
a. maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie te Lelystad als integraal onderdeel van het kennis- en ontwikkelcentrum voor duurzame energie;
b. windmolen op of nabij bedrijventerreinen, indien de windmolen is gedimensioneerd op energiebehoefte ter plaatse;
c. kleine windmolen, waaronder wordt verstaan:
i. windmolen in het stedelijk gebied met (tip)hoogte van maximaal 5 meter ten opzichte van de grond of het dak waarop hij is geplaatst;
ii. windmolen met een tiphoogte van maximaal 15 meter ten opzichte van het maaiveld, voor zover hij in het landelijk gebied op een (voormalig agrarisch) bouwperceel staat
risicobeoordeling grondwater als bedoeld in artikel 6.4 die, bij activiteiten die in staat zijn een bekende historische grondwaterverontreiniging te beïnvloeden, bepaalt of de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar verspreidingsrisico van de bekende historische grondwaterverontreiniging
een geïsoleerd rastervierkant of een aaneengesloten gebied van rastervierkanten van 500 x 500 meter waarvan ieder vierkant 25 woonadressen of meer bevat alsmede de (plan)gebiedenwaar de Intergemeentelijke structuurvisie Oosterwold en het bestemmingsplan Wellerwaard -partiële herziening betrekking op hebben
het slopen en afvoeren van een bestaande windmolen tot minimaal een meter onder het maaiveld, waarbij de omgevingsplanregeling zodanig is (gewijzigd) dat herbouw van de windmolen met hetzelfde of een lager vermogen op of nabij de locatie van de gesaneerde windmolen blijvend onmogelijk is gemaakt
stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen
chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen.
een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;
toestel : een toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. een airgun of soortgelijk apparaat en knalapparaat;
b. een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen of een ander vergelijkbaar geluidsapparaat al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker, waaronder een muziekinstrument, een omroepinstallatie, een sirene en een hoorn;
c. een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar de ontginning van bodemstoffen en de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;
d. een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
e. een vuurwapen.
de gebieden die een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie vertegenwoordigen en die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Top-10 Archeologische locatie.
elke rechtstreekse, niet openbare ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare weg
een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk waaronder mede verstaan een boorput.
aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden die bestemd zijn voor natuur of zijn aangewezen voor natuurdoeleinden, tevens de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste milieu condities.
een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van:
a. maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie te Lelystad als integraal onderdeel van het kennis- en ontwikkelcentrum voor duurzame energie;
b. windmolen op of nabij bedrijventerreinen, indien de windmolen is gedimensioneerd op energiebehoefte ter plaatse;
c. kleine windmolen, waaronder wordt verstaan:
i. windmolen in het stedelijk gebied met (tip)hoogte van maximaal 5 meter ten opzichte van de grond of het dak waarop hij is geplaatst;
ii. windmolen met een tiphoogte van maximaal 15 meter ten opzichte van het maaiveld, voor zover hij in het landelijk gebied op een (voormalig agrarisch) bouwperceel staat
een geïsoleerd rastervierkant of een aaneengesloten gebied van rastervierkanten van 500 x 500 meter waarvan ieder vierkant 25 woonadressen of meer bevat alsmede de (plan)gebiedenwaar de Intergemeentelijke structuurvisie Oosterwold en het bestemmingsplan Wellerwaard -partiële herziening betrekking op hebben
XXX
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/pv24/2024/37pdf5e43b0a7-fd85-4ea9-b5b7-0b8eb20c3a24/nld@2024‑12‑19;87
/join/id/regdata/pv24/2026/pdf_5e43b0a7-fd85-4ea9-b5b7-0b8eb20c3a24/nld@2026‑02‑20;106
/join/id/regdata/pv24/2024/37pdf8f8885b8-bdb8-4a1e-989a-dab4954a4bc8/nld@2024‑12‑19;87
/join/id/regdata/pv24/2026/pdf_8f8885b8-bdb8-4a1e-989a-dab4954a4bc8/nld@2026‑02‑20;106
/join/id/regdata/pv24/2024/37pdfbcbbeb84-05ee-41f8-91f8-b4e18fcb40a5/nld@2024‑12‑19;87
/join/id/regdata/pv24/2026/pdf_bcbbeb84-05ee-41f8-91f8-b4e18fcb40a5/nld@2026‑02‑20;106
/join/id/regdata/pv24/2024/gio2f2d20d9-94ba-42ce-b899-d98120313ae6/nld@2024‑12‑19;386-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio9a968904-ed3f-4740-aa4f-ac7904f520a2/nld@2024‑12‑19;338-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioc176105e-3348-476f-a3cb-0e0e546f21dd/nld@2024‑12‑19;392-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio72ce26f7-242f-447d-9cf7-6ab3660e17ec/nld@2024‑12‑19;394-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio421bb8f0-2e49-4f26-a43c-e14476471f1f/nld@2024‑12‑19;396-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio8bd08b93-1203-4106-8b2f-a9062b0b0ee9/nld@2024‑12‑19;341-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioe84c994d-fb8f-401b-879a-d8eeca4f332a/nld@2024‑12‑19;339-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio42c4058a-9f51-4b85-9789-89b280f7d0e4/nld@2024‑12‑19;283-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio4b0b5f08-9b31-453e-8b82-c68e3e873c91/nld@2024‑12‑19;489
/join/id/regdata/pv24/2026/gio4b0b5f08-9b31-453e-8b82-c68e3e873c91/nld@2026‑02‑20;508-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giob8c93f1e-cad0-4a46-aa29-896d7aee35c5/nld@2024‑12‑19;279-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio04fbdaf5-300e-486f-bfe4-e28b68255071/nld@2024‑12‑19;380-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giob8d32648-9ea1-4f79-a34a-8a86dffd432a/nld@2024‑12‑19;353-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giob6eeb94e-117f-4b1c-8982-b0478c366931/nld@2024‑12‑19;355-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio241e0886-a508-4fbb-acc3-a2735da8a615/nld@2024‑12‑19;352-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giod199752d-baa9-451c-923a-1cf37e6ebee4/nld@2024‑12‑19;412-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio61241973-84a3-413c-b7b9-2b10c4bbb597/nld@2024‑12‑19;414-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio1070cdd5-7bf4-484d-8858-88cdd55e833c/nld@2024‑12‑19;345-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio8d1963ff-1e31-4f93-b685-89ad5fddc3f3/nld@2024‑12‑19;349-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio223afa08-e1dd-492b-b40e-b032d4f938a0/nld@2024‑12‑19;347-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio09775a72-da52-4a89-ad1d-57fc4be153f2/nld@2024‑12‑19;354-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioa6849fb0-49db-4f27-88a0-423e14ed6343/nld@2024‑12‑19;348-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio7120bcc4-65fb-45ba-bdb3-419453fcdade/nld@2024‑12‑19;426-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio8571c669-8b70-4f1f-8d9a-ad8b5e82f527/nld@2024‑12‑19;357-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio2350d039-b81a-44c2-8fa4-db3d5df140a0/nld@2024‑12‑19;428-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioe6d77dfa-ee66-43c1-972d-722dcee62a7a/nld@2024‑12‑19;404-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio30fcec63-b7a0-45d7-99e1-a1363edd63c4/nld@2024‑12‑19;304-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giob8093e3e-b9e6-4eb8-be7b-98b305529e18/nld@2024‑12‑19;303-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giob3d39cee-1831-4738-884f-1de2fc8046b1/nld@2024‑12‑19;305-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio5ca65d4c-92f8-490c-bebb-55d900aa03e0/nld@2024‑12‑19;436-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio531914a3-a8e1-4e09-94f5-9d148232db2f/nld@2026‑02‑20;512-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio2de48a41-d544-49c9-a126-07a3732bf870/nld@2026‑02‑20;514-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioa969955a-93a3-4e9d-9697-0ba13b7bc8da/nld@2024‑12‑19;490
/join/id/regdata/pv24/2026/giodfe4c301-41c7-4e74-9c5e-beda3f35ba37/nld@2026‑02‑20;517-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioa969955a-93a3-4e9d-9697-0ba13b7bc8da/nld@2026‑02‑20;516-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioc9028c79-1aa2-4111-823d-5c703646abfb/nld@2026‑02‑20;510-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giof60e507e-a8ac-4e87-a956-cee70f4a3930/nld@2024‑12‑19;370-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio051de449-11a0-451f-8c9c-92eaa59697c2/nld@2024‑12‑19;258-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio8bc314f7-88ca-45cb-9a04-f3824c2bb995/nld@2026‑02‑20;506-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioc5b43f50-b779-468a-8eb3-67d629ff971e/nld@2024‑12‑19;314-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio7b52b0cd-02f2-46c3-9886-36124da5753f/nld@2026‑02‑20;499-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio80331f0d-e6f4-4846-bed8-19b633d51d2f/nld@2026‑02‑20;501-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioe7264551-89fc-4f43-885d-eb2c8efb00a3/nld@2024‑12‑19;313-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio7c8875dd-c1a5-4e32-81a1-da760324d113/nld@2024‑12‑19;312-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giodebc5352-b05f-41ea-ada2-6abfb7e099a4/nld@2024‑12‑19;452-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giob6e49afd-4ccd-4a76-8c99-5c40b1164970/nld@2024‑12‑19;496
/join/id/regdata/pv24/2024/gio7105c8c9-58df-41da-bcb3-a4c9da2736ae/nld@2024‑12‑19;369-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gioa9c9ec2d-8f1f-4810-8c77-2ae1d24a4a9e/nld@2026‑02‑20;497-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio3f178573-8909-4665-a21a-54fceebe918e/nld@2024‑12‑19;456-0
/join/id/regdata/pv24/2026/giob6e49afd-4ccd-4a76-8c99-5c40b1164970/nld@2026‑02‑20;503-0
/join/id/regdata/pv24/2026/giod847acf1-567a-42d9-a718-98b44aa385e0/nld@2026‑02‑20;519-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio7344bf73-f1f2-42b8-b0ee-879c0e225ffe/nld@2024‑12‑19;494
/join/id/regdata/pv24/2024/gio2e14488e-425d-4c4f-82b8-42ed91badfd5/nld@2024‑12‑19;378-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giob9cef150-419c-4847-a230-9d123417fc2b/nld@2024‑12‑19;320-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio351aec71-038f-4c59-a999-a20f6840c8be/nld@2026‑02‑20;523-0
/join/id/regdata/pv24/2026/gio7344bf73-f1f2-42b8-b0ee-879c0e225ffe/nld@2026‑02‑20;521-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio772b89c8-dda6-418d-8ba6-8ddb3ec60d46/nld@2024‑12‑19;321-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio3cde8637-cbb4-4f06-924e-267bd6c8b881/nld@2024‑12‑19;318-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio783834ce-4fdb-4f66-aafd-e25e9f0ffb5c/nld@2024‑12‑19;373-0
/join/id/regdata/pv24/2024/giof7965247-b8f1-4a84-a83a-bce872c42211/nld@2024‑12‑19;372-0
/join/id/regdata/pv24/2026/giob3efe3df-ae6e-4829-9ec4-9ac8f5e633f8/nld@2026‑02‑20;498-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioc5349436-60ed-42a8-8c23-0e7945357493/nld@2024‑12‑19;364-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioc5ddf03b-92d4-4231-afd5-a1339ed6fe25/nld@2024‑12‑19;470-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio40d58163-bdb8-4750-9f01-558c0871ca89/nld@2024‑12‑19;472-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio7f5b8b37-1dea-49f9-987e-11c4ed5ac205/nld@2024‑12‑19;363-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio2ae16f7d-c499-4bb4-ac51-1a7de88998ef/nld@2024‑12‑19;362-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio4c19defb-f53a-4481-a1d7-3825cdf17b38/nld@2024‑12‑19;361-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio539e3827-c26f-400c-a6e8-f625c1d9a1ed/nld@2024‑12‑19;358-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioc783e986-1dab-4849-a89e-b564701e0165/nld@2024‑12‑19;492
/join/id/regdata/pv24/2024/giod94885f8-168c-43fa-bcb2-53d1aa9c3589/nld@2024‑12‑19;375-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio12caaf3c-e30e-478d-808a-9ad25e0d692f/nld@2024‑12‑19;482-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio29fc02a1-c3f1-4488-996d-db8312b3711f/nld@2024‑12‑19;366-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gio90bc3423-1534-4523-9ae8-bfee924de1b1/nld@2024‑12‑19;365-0
/join/id/regdata/pv24/2024/gioc783e986-1dab-4849-a89e-b564701e0165/nld@2024‑12‑19;492-0
YYY
Bijlage V wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage bij Artikel 5.4, derde lid
|
Parameter
|
Afkorting
|
Frequentie |
|
bacteriën van de coligroep |
|
4 wekelijks |
|
kleur |
|
4 wekelijks |
|
zwevende stof |
SS |
4 wekelijks |
|
geleidingsvermogen voor elektriciteit |
|
4 wekelijks |
|
temperatuur |
T |
4 wekelijks |
|
zuurgraad |
pH |
4 wekelijks |
|
opgelost zuurstof |
O2 |
4 wekelijks |
|
totaal organisch koolstof |
TOC |
4 wekelijks |
|
bicarbonaat |
HCO3 |
4 wekelijks |
|
nitriet |
NO2 |
4 wekelijks |
|
nitraat |
NO3 |
4 wekelijks |
|
ammonium |
NH4 |
4 wekelijks |
|
totaal fosfaat |
Totaal P |
4 wekelijks |
|
fluoride |
F |
3 maandelijks |
|
chloride |
Cl |
4 wekelijks |
|
sulfaat |
SO4 |
3 maandelijks |
|
natrium |
Na |
3 maandelijks |
|
ijzer |
Fe |
3 maandelijks |
|
mangaan |
Mn |
3 maandelijks |
|
chroom |
Cr |
3 maandelijks |
|
lood |
Pb |
3 maandelijks |
|
koper |
Cu |
3 maandelijks |
|
zink |
Zn |
3 maandelijks |
|
cadmium |
|
3 maandelijks |
|
arseen |
As |
3 maandelijks |
|
cyanide |
CN |
3 maandelijks |
|
minerale olie |
|
4 wekelijks |
|
adsorbeerbaar organisch halogeen |
AOX |
4 wekelijks |
|
vluchtig organisch gebonden chloor |
VOC |
4 wekelijks |
|
vluchtige aromaten |
|
4 wekelijks |
|
polycyclische aromaten |
PAK |
3 maandelijks |
|
fenolen |
|
3 maandelijks |
ZZZ
Na bijlage VI wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
Bijlage bij Artikel 14.34
Het netbudget
Het netbudget uit Artikel 14.34 voor een woningbouwproject wordt berekend door het aantal m2 gebruiksoppervlakte (GBO) van het totaal aantal woningen te vermenigvuldigen met de prestatienorm per m2 uit onderstaande tabel.
|
Prestatienorm netbewuste woningbouw |
Woningentype
|
Bodemenergiesysteem |
|
12 We/m² GBO |
Grondgebonden |
Wel toepasbaar |
|
13 We/m² GBO |
Gestapeld |
Wel toepasbaar |
|
13 We/m² GBO |
Grondgebonden |
Niet toepasbaar |
|
14 We/m² GBO |
Gestapeld |
Niet toepasbaar |
Het netbudget is het maximale piekvermogen van alle woningen en de bijbehorende warmte installaties samen, bij een temperatuur van -10 graden Celsius, die vallen onder een vergunningaanvraag.
Bij het bepalen van het netbudget worden volgende begrippen gehanteerd:
elektriciteitsvraag voor warmte (Ew) = Wth/m2 / COP;
elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik (Eh) = 6.7 We/m2 voor grondgebonden; 8.3 We/m2 voor gestapeld;
elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik (Eh) = 8.3 We/m2 voor gestapeld;
gelijktijdigheidsfactor (Gf) voor elektriciteitsaanvraag voor warmte = 0.6;
prestatienorm = (Ew * Gf) + Eh;Wth/m2 = Warmtevraag per vierkante meter;
COP = Coëfficiënt of Performance; hoe efficiënt elektriciteit wordt omgezet in warmte voor een warmtesysteem bij -10 graden Celsius;
gestapelde woning: een woning die geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woning is gelegen;
grondgebonden woning: een woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld en die niet geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woning is gelegen.
Berekening netbudget
De prestatienorm wordt vastgesteld in Watt aan elektrisch piekvermogen per vierkante meter gebruiksoppervlakte (We/m2 GBO). De prestatienorm wordt berekend door de elektriciteitsvraag voor warmte te vermenigvuldigen met de gelijktijdigheidsfactor en hier huishoudelijk gebruik bij op te tellen. De elektriciteitsvraag voor warmte is gebaseerd op een weersituatie van -10 graden Celsius. De elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik wordt vastgesteld op 6.7 Watt per vierkante meter voor grondgebonden woningen en 8,3 Watt per vierkante meter voor gestapelde woningen, op basis van ervaringsgetallen van de netbeheerders. De gelijktijdigheidsfactor zorgt ervoor dat er rekening mee wordt gehouden dat de inwoners van een woonwijk niet allemaal tegelijk elektrische apparaten aanzetten. Deze gelijktijdigheidsfactor is vastgesteld op 0.6 en is ook gebaseerd op ervaringsgetallen van de netbeheerders.
Het voldoen aan het netbudget is nodig voor het kunnen verkrijgen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor woningbouw of, nadat de gemeente het omgevingsplan heeft geactualiseerd, een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Als de vergunningaanvraag niet voldoet aan het gestelde netbudget wordt er geen omgevingsvergunning afgegeven.
De vergunningaanvrager moet onderbouwen dat het woningbouwplan aan het netbudget voldoet via concrete maatregelen op het vlak van gebouwontwerp en bouw- en installatietechniek. De aanvrager mag zelf kiezen welke maatregelen toegepast worden, om aan het netbudget te voldoen. Het voldoen aan het netbudget heeft geen gevolg voor de eigenstandige beslissingsbevoegdheid van de netbeheerder bij verzoeken tot aansluiting op het netwerk.
De gemeente stelt vast waar woningbouwprojecten wel of niet bodemenergiesystemen kunnen toepassen. Hierbij houdt de gemeente in ieder geval rekening met bodembescherming gebieden en grondsoort. De gemeente kan er bijvoorbeeld voor kiezen om in het bodemenergieplan te bepalen op welke locaties bodemenergiesystemen wel of niet kunnen worden toegepast. Het kunnen toepassen van een bodemenergiesysteem verplicht de vergunningaanvrager niet om zo’n systeem daadwerkelijk toe te passen maar heeft wel effect op de hoogte van de prestatienorm. Vergunningaanvragen met minder dan 15 woningen worden altijd beschouwd als niet toepasbaar voor een bodemenergiesysteem, vanwege kostenefficiëntie.
Voorbeeldberekening
Voor een vergunningsaanvraag voor een woningbouwproject met 200 grondgebonden woningen (gemiddeld 120 m² GBO per woning) en 200 gestapelde woningen (gemiddeld 85 m² GBO per woning), waarbij een bodem energiesysteem wel kan worden toegepast, geldt het volgende:
Grondgebonden woningen: 200 woningen x 120 m2 GBO x 12 We/m2 = 288 kW gelijktijdige netbelasting;
Gestapelde woningen: 200 woningen x 85 m2 GBO x 13 We/m2 = 221 kW gelijktijdige netbelasting
Het netbudget voor het woningbouwproject bedraagt dan: 288 kW + 221 kW = 509 kW.
AAAA
Bijlage XIV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage bij Artikel 9.2a
|
Wegnummer |
Naam |
|
N331 |
Vollenhoverweg |
|
|
Marknesserweg |
|
|
Kuinderweg |
|
N333 |
Steenwijkerweg |
|
N351 |
Kuinderweg |
|
|
Muntweg |
|
|
Espelerweg |
|
|
Hannie Schaftweg |
|
|
Urkerweg |
|
N352 |
Repelweg |
|
|
Kraggenburgerweg |
|
|
Zuiderringweg |
|
|
De Baan |
|
|
Kamperweg |
|
|
Schokkerringweg |
|
|
Domineesweg |
|
N712 |
Gemaalweg |
|
|
Venelaan |
|
|
Wrakkenweg |
|
|
Noorderringweg |
|
|
Galamalaan |
|
|
Westerringweg |
|
|
Espelerringweg |
|
|
Staartweg |
|
N713 |
Zuidwesterringweg |
|
N714 |
Espelerweg |
|
N715 |
Noorderringweg |
|
|
Oosterringweg |
|
N716 |
Ploegstraat |
|
|
Nagelerweg |
|
N717 |
Hannie Schaftweg |
|
N718 |
Banterweg |
|
N719 |
Leemringweg |
|
N765 |
Kamperweg |
|
|
Dam in Kraggenburg |
|
N301 |
Nijkerkerweg |
|
N302 |
Larserweg |
|
|
Ganzenweg |
|
N305 |
Biddingringweg |
|
|
Gooiseweg |
|
|
Waterlandseweg |
|
N306 |
Drontermeerdijk |
|
|
Spijkweg |
|
|
Harderbosweg |
|
|
Harderdijk |
|
N307 |
Markerwaarddijk |
|
|
Houtribweg |
|
|
Overijsselseweg |
|
|
"Passage Dronten" |
|
|
Hanzeweg |
|
N309 |
Dronterweg |
|
|
Elburgerweg |
|
N701 |
Oostvaardersdijk |
|
N702 |
Hogering |
|
|
Buitenring |
|
N703 |
Tussenring |
|
N704 |
Gooimeerdijk Oost |
|
|
Eemmeerdijk |
|
|
Slingerweg |
|
N705 |
Spiekweg |
|
|
Roerdompweg |
|
N706 |
Vogelweg |
|
N707 |
Knardijk |
|
|
Zeewolderdijk |
|
N708 |
Bremerbergweg |
|
N709 |
Oldebroekerweg |
|
N710 |
Biddingweg |
|
|
Swifterweg |
|
N710a |
Lisdoddeweg |
|
N711 |
Dronterringweg |
|
N727 |
Anthony Fokkerweg |
|
|
Laan van Nieuwland |
BBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk gelden alleen voor grondwateronttrekkingen in het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Voor de regels inzake open bodemenergiesystemen in interferentiegebieden zijn de door de afzonderlijke gemeenten aangewezen interferentiegebieden overgenomen in deze Omgevingsverordening.
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op de grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is.
Dit zijn allereerst de in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde grondwateronttrekkingen waar op grond van artikel 4.3. van het Omgevingsbesluit Gedeputeerde Staten beslistbeslissen op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een dergelijke grondwateronttrekking. Dit zijn de grondwateronttrekkingen voor industriële toepassingen van meer dan 150.000m3/jaar water of de grondwateronttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening. De grondwateronttrekkingen omvatten zowel het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening omvat het ook het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.
Daarnaast is deze afdeling van toepassing op het onttrekken van grondwater in verband met de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.183.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van artikel 2.5. van het Besluit activiteiten leefomgeving iszijn Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag waaraan de melding gedaan wordt. Ook iszijn Gedeputeerde Staten degenedegenen die op grond van artikel 4.6. beslist van het Besluit activiteiten leefomgeving beslissen op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem.
DDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel zijn de meetverplichtingen van het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit en het voormalige artikel 6.5 van de Waterregeling voortgezet voor wat betreft de grondwateronttrekkingen zoals bedoeld in Artikel 5.3. De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen. Op grond van het eerste lid moet de hoeveelheid onttrokken grondwater en de hoeveelheid water die wordt geïnfiltreerd worden gemeten. Op grond van het derde lid moet daarnaast ook de kwaliteit van het water dat wordt geïnfiltreerd worden gemeten. In deze omgevingsverordening kan een bepaling staan waarin gevallen worden aangewezen waarvoor de meetverplichtingen niet gelden.
In dit artikel zijn de meetverplichtingen van het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit en het voormalige artikel 6.5 van de Waterregeling voortgezet voor wat betreft de grondwateronttrekkingen zoals bedoeld in Artikel 5.3. De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen. Op grond van het eerste lid moet de hoeveelheid onttrokken grondwater en de hoeveelheid water die wordt geïnfiltreerd per kwartaal worden gemeten. Op grond van het tweede lid moet daarnaast ook de kwaliteit van het water dat wordt geïnfiltreerd worden gemeten. Deze metingen vinden plaats conform de in deze omgevingsverordening opgenomen parameters en frequentie. Voor de analysemethoden wordt aansluiting gezocht bij de Drinkwaterregeling. Gedeputeerde Staten kunnen op grond van het vierde lid bij bepaalde onttrekkingen en infiltraties afwijken van de termijn bepaald in het eerste lid. De gegevens, zowel met betrekking tot de kwantiteit als de kwaliteit, worden op grond van het vijfde lid uiterlijk op 31 januari van elk jaar, of als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand aan Gedeputeerde Staten verstrekt.
EEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op de in artikel 3.183.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen milieubelastende activiteit “aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem”. Op grond van artikel 2.12, eerste en derde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen er in de omgevingsverordening maatwerkregels opgenomen voor de in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen milieubelastende activiteiten.
Gedeputeerde Staten iszijn op grond van artikel 2.5. van het Besluit activiteiten leefomgeving het bevoegd gezag waaraan de melding gedaan wordt. Ook iszijn Gedeputeerde Staten degenedegenen die op grond van 4.6. beslist van het Besluit activiteiten leefomgeving beslissen op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem.
FFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van artikel 2.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan bij provinciale verordeningomgevingsverordening worden bepaald dat er geen omgevingsvergunning vereist is voor de op grond van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig aangemerkte milieubelastende activiteit aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem. Het aanwijzen van vergunningvrije open bodemenergiesystemen kan met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie en kan enkel gelden voor onttrekkingen waarbij de onttrokken hoeveelheid ten hoogste 10m³ per uur bedraagt. Voor dergelijke vergunningvrije open bodemenergiesystemen is op grond van artikel 4.1194.1149 van het Besluit activiteiten leefomgeving een melding verplicht. Deze melding wordt op grond van artikel 2.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan Gedeputeerde Staten gedaan. De algemene regels zoals opgenomen in paragraaf 4.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn van toepassing op open bodemenergiesystemen en gelden dus ook voor de meldingsplichtige open bodemenergiesystemen, tenzij in deze omgevingsverordening anders bepaald is.
Artikel 5.6, eerste lid artikel voorziet, omwille van het streven naar een (landelijk) vergelijkbaar speelveld in deze vrijstelling voor bodemenergiesystemen met een maximale diepte van 150 meter beneden NAP en een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10m³ per uur.
In Artikel 5.6, tweede lid is bepaald dat in interferentiegebieden de vrijstelling van de vergunningplicht niet geldt ter voorkoming van negatieve interferentie. In deze gebieden kan beleid worden gevoerd om de vraag naar een beschikbare ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. In die gevallen dat gemeenten of de provincie besluiten interferentiegebieden aan te wijzen zullen gezamenlijk masterplannen voor de ondergrond en daarvan afgeleide regels in het omgevingsplan of omgevingsverordening worden opgenomen. Voor reeds geïnstalleerde systemen die zijn gemeld voordat een interferentiegebied is aangewezen, waarvoor een vergunning is aangevraagd of is verleend voor 1 juli 2013, is overgangsrecht opgenomen in artikel 4.1157a van het Besluit activiteiten leefomgeving. Daar blijft het oude recht op van toepassing.
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aangezien de meldplicht op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving verplicht is, zijn de in artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen algemene gegevens bij een melding van toepassing. In aanvulling op deze algemene gegevens wordt met dit artikel geregeld dat dezelfde gegevens en bescheiden bij een melding worden verstrekt aan bevoegd gezag als de gegevens en bescheiden die op grond van artikel 7.35 van de Omgevingsregeling verstrekt moeten worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit is een voortzetting van de in artikel 6.29 van de Waterregeling opgenomen gegevens en bescheiden die verstrekt moesten worden bij de aanvraag van een vergunning die betrekking heeft op het onttrekken van grondwater of het brengen van water in de bodem ten behoeve van een bodemenergiesysteem en die op grond van artikel 6.4, tweede lid van de Waterregeling ook verstrekt moesten worden bij een melding.
In aanvulling op de in het Besluit activiteiten leefomgeving genoemde gegevens en bescheiden wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning verplicht gesteld om toestemming van de grondeigenaar of projectontwikkelaar te verstrekken. Het was namelijk mogelijk dat een vergunning werd aangevraagd, terwijl nog onduidelijk is of de aanvrager/melder de activiteit ooit kan/mag gaan realiseren. In het geval dat de uitvoering niet van de grond komt, beperkt een al op voorhand verleende vergunning ongewenst de gebruiksmogelijkheden van de ondergrondse ruimte. Daarnaast wordt op deze manier ongewenst beslag gelegd op de menskracht van de vergunningverleners. Daartoe is nodig dat bij een vergunningaanvraag informatie wordt gevoegd waaruit blijkt dat er overeenstemming is met de projectontwikkelaar/grondeigenaar van een bouwproject waar de aangevraagde activiteit betrekking op heeft. Zo kan worden voorkomen dat er vergunningen worden afgegeven waarvan geen gebruik gemaakt gaat worden, maar die wel (op papier) ‘beslag’ leggen op de beschikbare hoeveelheid grondwater.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een vrijstelling van de in artikel 4.1150, onderdeel a van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratie als ook het jaarlijks verstrekken ervan zoals bedoeld in artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving van deze gegevens. De vrijstelling geldt enkel voor de in Artikel 5.6, eerste lid bedoelde vergunningvrije bodemenergiesystemen waarbij het onttrokken water via een gesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket. Dit om onnodige bestuurlijke lasten en de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven te voorkomen en omdat voor de onttrekking geen grondwaterheffing betaald hoeft te worden op grond van artikel 13.4b van de Omgevingswet. Er geldt geen vrijstelling voor de verplichting tot melden als bedoeld in artikel 4.1149 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het gaat enkel om de in artikel 4.1150, onderdeel a van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratie ten aanzien van de hoeveelheid warmte en koude van een wateronttrekkingsactiviteit die aan de bodem zijn toegevoegd. De overige gegevens dienen alsnog te worden aangeleverd in verband met de handhaafbaarheid op doelmatigheid van het bodemenergiesysteem.
IIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van artikel 4.1154, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving dient een open bodemenergiesysteem een energierendement te leveren dat past bij een doelmatig gebruik. De aanvrager van het bodemenergiesysteem verstrekt op grond van artikel 7.35 Omgevingsregeling voor vergunningplichtige bodemenergiesystemen of Artikel 5.7 van deze omgevingsverordening voor vergunningvrije bodemenergiesystemen een verklaring van degene die het bodemenergiesysteem ontwerpt over het energierendement dat het systeem zal behalen. Voorts dient de aanvrager jaarlijks op grond van artikel 4.1150 en 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving het jaarlijkse energierendement te registreren en verstrekken aan bevoegd gezag.
Dit artikel geeft invulling aan het energierendement dat minimaal past bij doelmatig gebruik van bodemenergie en zorgt ervoor dat er maatregelen genomen worden indien in de tijd het energierendement afneemt.
Het eerste lid stuurt op een minimaal te behalen energierendement van SPF 5 voor systemen van na 1 januari 2024 omdat een lager energierendement als niet doelmatig gebruik van bodemenergie gezien wordt. Het eerste lid verlangd een energierendement van minimaal SPF 5 hetgeen met de huidige stand der techniek goed haalbaar is. Voor oudere systemen wordt een grens van SPF 3,5 aangehouden. De berekening van de SPF wordt gedaan conform de formule uit artikel 4.1155 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het tweede lid geeft een algemene inspanningsverplichting om, afgezien van de minimumvereisten uit het eerste lid en de specifieke verplichting tot het nemen van maatregelen uit het derde lid, een zo hoog mogelijk rendement te behalen. Dit past bij de doelstelling om zo duurzaam mogelijk gebruik te maken van energie, water en de ondergrond.
Het tweedederde lid zorgt ervoor dat als uit de jaarlijkse verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat het energierendement minder dan het minimale te behalen energierendement van SPF 5 (of SPF 3,5 voor systemen van voor 1 januari 2024) is of als het minder is dan 80% ten opzichte van het jaar ervoor er maatregelen getroffen worden om het energierendement te verhogen.
De maatregelen dienen op grond van het derde lid er minimaal toe te leiden dat het minimale te behalen energierendement behaald wordt. Hier is bewust geen termijn aangekoppeld, omdat dit verschilt per situatie. In het kader van het toezicht zal hierin een afweging gemaakt moeten worden.
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een omzetting van het deel in paragraaf 2.2.1 algemeen van de beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving die zich richt tot hetpoogt zo goed mogelijk te voorkomen dat zoet met zout of brak water vermengd wordt. Of er sprake is van zoet, zout of brak water volgt uit de in Artikel 5.8 opgenomen registratie van het jaarlijkse chloride-gehalte. De indeling in zoet, zout of brak water volgt uit tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A). Deze tabel is opgenomen in dit artikel.
In tegenstelling tot de huidige beleidsregels, is deze
Deze regel van toepassing op zowel de vergunningplichtige als vergunningvrije bodemenergiesystemen. De kleinere, meldingsplichtige open bodemenergiesystemen worden vaak uitgevoerd met een mono-bron waarbij er een verhoogde kans op verzilting. Dergelijke mono-bronnen worden vaker ondieper geplaatst waarbij de kans groter is dat zoet water vermengd raakt met brak of zout water. Met deze regel beoogd de provincie meer handvatten te hebben om te sturen op het voorkomen van verzilting, mede met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit waaronder grondwater dat bestemd is voor menselijke consumptie.
KKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.183.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek als bedoel in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019. De regels betreffen een omzetting van de regels in paragraaf 2.2.2. Interferentiegebieden van de beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving en zijn in lijn met de ordeningsregels en positioneringsvoorwaarden van de verschillende bodemenergiesystemen zoals opgenomen in het Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk.
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid is bepaald dat een open bodemenergiesysteem uitgevoerd moet worden als een doubletsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket tussen 60 en 225 meter minusonder maaiveld. Het tweede lid bepaald dat er afgeweken kan worden van het doubletsysteem, bijvoorbeeld met een monobron, indien aangetoond wordt dat deze past binnen het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0].
Het eerste watervoerende pakket is niet geschikt voor een (groot) open bodemenergiesysteem. Ten einde de hydrologische effecten op ondiepe omgevingsbelangen te beperken, moeten de bronfilters van de open bodemenergiesystemen op grotere diepte gerealiseerd worden en niet direct bovenin het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket. Daarom is een diepte van minimaal 60 meter minus maaiveld aangehouden voor het plaatsen van de bronfilters.
Het derdetweede lid zorgt ervoor dat het gebruik van recirculatiesystemen niet toegestaan is, omdat het rendement van deze systemen lager is dan bij een opslagsysteem en daarmee het beschikbare bodempotentieel niet optimaal gebruikt wordt.
Het derde lid bepaalt dat er afgeweken kan worden van het doubletsysteem, bijvoorbeeld met een monobron, indien aangetoond wordt dat deze past binnen het vastgestelde Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk.
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid is bepaald dat de warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem gepositioneerd moeten worden binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart uit bijlage 1 van het bodemenergieplanBodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden. Er zijn zones gedefinieerd om ervoor te zorgen dat binnen Zwolsehoek optimaal gebruik gemaakt kan worden van open bodemenergiesystemen en zodat voldoende bodemenergie voor alle bedrijven binnen het plangebied beschikbaar is.
In het tweede lid is bepaald dat binnen een zoekgebied open bodemenergiesystemen gerealiseerd kunnen worden met een totale capaciteit van 500 m³/uur en 750.000 m³/seizoen. Met een seizoen wordt verwezen naar de wisselende gebruiksperiode (winter/zomer), waarin de bronnen afwisselend warmte of koude leveren en opnemen. Omdat de bronfilters van de open bodemenergiesystemen relatief ondiep gerealiseerd kunnen worden en om de hydrologische effecten te beperken, is een limiet gesteld aan de totale broncapaciteit binnen een zoekgebied. De afstand tussen de zoekgebieden is bepaald op basis van de maximale waterverplaatsing per seizoen. De limiet voor de waterverplaatsing binnen een zoekgebied is afgestemd op basis van de verwachte maximaal benodigde waterplaatsing om de bedrijven te voorzien van de benodigde (proces)koeling en/of verwarming. Binnen een zoekgebied kunnen meerdere bronnen gerealiseerd worden, zolang de totale maximale broncapaciteit en waterverplaatsing binnen het betreffende zoekgebied maar niet wordt overschreden.
In het derde lid is bepaald dat de minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem 40 meter moet bedragen. Naast de waterverplaatsing is ook de filterlengte bepalend voor de afstand tussen de zoekgebieden. Voor het bepalen van de afstand tussen de zoekgebieden is uitgegaan van een filterlengte van40van 40 meter. Dit is de minimale filterlengte die nodig is voor een bron met een capaciteit van 250m³/uur. Dit betekent dat onafhankelijk van de broncapaciteit een filterlengte van minimaal 40meter40 meter aangehouden moet worden.
NNNN
Na sectie 5.14 worden vier secties ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied Almere Centrum en Randstad, zoals aangewezen in de Verordening interferentiegebieden bodemenergie Almere 2023.
In het eerste lid is bepaald dat een open bodemenergiesysteem uitgevoerd moet worden als een doubletsysteem in het derde watervoerende pakket. Het tweede lid bepaalt dat er afgeweken kan worden van het doubletsysteem, indien aangetoond wordt dat deze past binnen het Bodemenergieplan Almere Centrum en Randstad. Binnen het in het Bodemenergieplan aangewezen projectgebied zijn monobron- of recirculatiesystemen echter niet toegestaan.
Het eerste en tweede watervoerende pakket zijn niet geschikt voor een (groot) open bodemenergiesysteem. Teneinde de hydrologische effecten op ondiepe omgevingsbelangen te beperken, moeten de bronfilters van de open bodemenergiesystemen op grotere diepte gerealiseerd worden.
Dit artikel beschrijft de productiviteit van een open bodemenergiesysteem. Per seizoen bedraagt de productiviteit gemiddeld ten minste 0,00465 MWh/m3 teruggeleid grondwater. Met een seizoen wordt verwezen naar de wisselende gebruiksperiode (winter/zomer), waarin de bronnen afwisselend warmte of koude leveren en opnemen. Dat brengt met zich mee dat het temperatuurverschil tussen het onttrokken en geïnfiltreerde water ten minste 4 graden Celsius moet bedragen.
In het eerste lid is bepaald dat de warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem gepositioneerd moeten worden binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart uit figuur 2.1 van het Bodemenergieplan Almere Centrum en Randstad, aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden. Er zijn zones gedefinieerd om ervoor te zorgen dat binnen het gebied optimaal gebruik gemaakt kan worden van open bodemenergiesystemen en zodat voldoende bodemenergie binnen het plangebied beschikbaar is.
In het tweede lid is bepaald dat binnen een de bufferzone uit figuur 2.1 open bodemenergiesystemen gerealiseerd kunnen worden onder de voorwaarde dat deze aansluiten op de hierin gemarkeerde zoekgebieden.
In het derde lid is bepaald dat de minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem 40 meter moet bedragen. Naast de waterverplaatsing is ook de filterlengte bepalend voor de afstand tussen de zoekgebieden. Voor het bepalen van de afstand tussen de zoekgebieden is uitgegaan van een filterlengte van 40 meter. Dit is de minimale filterlengte die nodig is voor een bron met een capaciteit van 250m³/uur. Dit betekent dat onafhankelijk van de broncapaciteit een filterlengte van minimaal 40 meter aangehouden moet worden.
OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een betrouwbaar grondwaterregister is essentieel, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningverlening). Een betrouwbaar grondwaterregister heeft met name waarde indien zowel de wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd zijn als de wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor het Dagelijks Bestuur van het waterschap bevoegd is onder de registratieplicht vallen. Op die manier ontstaat een dekkend beeld van de belangrijkste wateronttrekkingsactiviteiten waar sprake is van het onttrekken van grondwater als ook de gegevens en bescheiden die daarbij aan gedeputeerde statenGedeputeerde Staten dan wel dagelijks bestuurDagelijks Bestuur van het waterschap verstrekt worden.
De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de Omgevingswet, maar er wordt naar verwezen in artikel 13.4b van de Omgevingswet die over de provinciale grondwateronttrekkingsheffing gaat. De grondwateronttrekkingsheffing kan geheven worden over de wateronttrekkingsactiviteiten waar op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens de omgevingsverordening in te voorzien. De provincie heeft een afzonderlijke Verordening grondwateronttrekkingsheffing Flevoland.
In overleg tussen IPO en Unie van Waterschappen is in 2009 een landelijk register opgezet: het Landelijk grondwater Register (LGR). Het LGR is ondergebracht bij TNO/DINO (https://www-new.lgronline.nl/). Ook bij een landelijk register is het noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het grondwaterregister bij een daar toe aangewezen bestuursorgaan neer te leggen. Gelet op de koppeling met de grondwateronttrekkingsheffing is in het eerste lid het beheer van het grondwaterregister neergelegd bij Gedeputeerde Staten.
In het tweede lid is bepaald dat gedeputeerde statenGedeputeerde Staten de wateronttrekkingsactiviteiten waar zij bevoegd voor is als de daarbij behorende gegevens inschrijft in het grondwaterregister. Het gaat hierbij om wateronttrekkingsactiviteiten waarbij sprake is van het onttrekken van grondwater als het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, de zogeheten infiltraties. De provincie is op grond van het Omgevingsbesluit bevoegd gezag voor de onttrekkingen of infiltraties voor industriële toepassingen indien het om meer dan 150.000 m3/jaar gaat en onttrekkingen of infiltraties in verband met de openbare drinkwatervoorziening. Het waterschap is bevoegd voor de overige grondwateronttrekkingen voor zover het niet plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer van het Rijk is. Artikel 5.185.22 bevat de registratieplicht voor het waterschap voor de wateronttrekkingsactiviteiten waar het waterschap bevoegd voor is.
Het derde lid bepaalt dat de provincie wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid ambtshalve kan inschrijven indien, waarbij de datum van inschrijving terugwerkt tot de datum waarop de onttrekking is aangevangen. Dit is noodzakelijk in verband met de grondwateronttrekkingsheffing.
PPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een omzetting en voortzetting van paragraaf 2.2.1 algemeen van de (oude) beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2011.
Dit artikel bevat beoordelingsregels voor Gedeputeerde Staten voor de omgevingsvergunningverlening voor open bodemenergiesystemen.
In het eerste lid is bepaald dat de actuele versie van de ‘Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1)’ van toepassing is op het beoordelen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het tweede lid bepaald dat in aanvulling op het eerste lid, voor open bodemenergiesystemen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolse Hoek, het bodemenergieplan bedrijventerrein Zwolse Hoek in Urk van toepassing is op het beoordelen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het tweede lid bepaalt dat in aanvulling op het eerste lid, voor open bodemenergiesystemen in bij deze verordening aangewezen interferentiegebieden, het eventueel van toepassing zijnde bodemenergieplan op de beoordeling van de aanvraag van toepassing is.
Het derde lid bepaald dat de omgevingsvergunning enkel verleend mag worden indien er geen vermenging plaatsvindt tussen zoet en zout of brak water. Voorkomen moet worden dat zoet met zout en brak grondwater mengt waardoor kostbare zoetwaterreserves in Flevoland verzilten. Hierbij is de klasseindeling zoals opgenomen in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A) bepalend voor de indeling in zoet, zout of brak water.
Het vierde lid geeft aan dat, indien vermenging van zoet met zout of brak water niet voorkomen kan worden, de vergunning alsnog verleend kan worden indien aangetoond wordt dat de vermenging niet leidt tot aanzienlijke verzilting. Dit is bijvoorbeeld aan de orde indien zoet water vermengd wordt met licht of matig brak water. Daarbij blijft de algemene inspanningsplicht uit artikel 5.11 onverkort van kracht.
QQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een omzetting en voortzetting van paragraaf 2.2.1 algemeen van de (oude) beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2011. In dit artikel is bepaald dat de actuele versie van de ‘Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1)’ van toepassing is op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
RRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het grondwaterregister als bedoeld in Artikel 5.155.19 omvat alle wateronttrekkingsactiviteiten waarbij sprake is van het onttrekken van grondwater als het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater. Het gaat hierbij om een overzicht van de vergunningplichtige en vergunningvrije grondwateronttrekkingen en infiltraties als de aan gedeputeerde statenGedeputeerde Staten of dagelijks bestuurDagelijks Bestuur van het waterschap bijbehorende verstrekte gegevens en bescheiden. Het eerste lid bevat een registratieplicht voor het dagelijks bestuur van het waterschap van de wateronttrekkingsactiviteiten waar het waterschap bevoegd voor is.
Het tweede lid regelt dat in ieder geval alle onttrekkingen groter 10.000 m3, die onder het bevoegd gezag vallen van het waterschap, onder de registratieplicht moeten vallen. Deze instructiebepalinginstructieregel hangt samen met de provinciale grondwaterontrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet is nodig voor een actuele registratie van potentieel heffingsplichtige onttrekkingsinrichtingen. Op grond van de grondwaterheffingsverordening zijn onttrekkingen van groter dan 20.000 m3 per jaar heffingsplichtig. De onttrekkingen die onder de heffingsplicht vallen fluctueren in de tijd. Het is om die reden dat de registratieplicht niet bij 20.000 m3 is gelegd maar bij 10.000 m3.
Het derde lid bepaald dat de gegevens waarvoor een registratieplicht geldt, ook aan gedeputeerde statenGedeputeerde Staten verstrekt worden. Dit is nodig in verband met het vaststellen van de provinciale grondwaterontrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet. Volstaan kan worden met een eenmalige verstrekking tenzij als gevolg van tussentijdse wijzigingen de gegevens zijn gewijzigd. Het vierde lid bevat de mogelijkheid voor gedeputeerde staten om aanvullende regels te stellen over de wijze van aanleveren van deze gegevens.
SSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met de komst van de Omgevingswet vervalt, behoudens voor de overgangsrechtgevallen, de Wet bodembescherming. Het bodembeleid wordt beleidsrijk herzien en gaat gepaard met een verschuiving van bevoegdheden. De gemeente is onder de Omgevingswet primair verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving met inbegrip van de bodem. De provincie blijft onder de Omgevingswet primair verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit. Hiermee verschuift de provinciale beleidsinzet naar verontreinigingen die de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Grondwaterrichtlijn (GWR) bedreigen. Het Rijk kent onder de Omgevingswet niet langer een saneringsplicht. Het is aan de provincie om te bepalen wanneer een historische bodem- of grondwaterverontreiniging een bedreiging vormt voor de grondwaterkwaliteit en wanneer dit aanleiding geeft tot maatregelen.
In dit hoofdstuk zijn daarom regels opgenomen in verband met het beheren, beperken of ongedaan maken van historische verontreiniging van het grondwater. Deze regels vertalen zich in een viertal sporen en omvatten curatieve maatregelen gericht op het verbeteren van de grondwaterkwaliteit. Daarnaast zijn er in paragraaf 6.4.1.2 en 6.4.1.3 regels opgenomen die verband houden met het voorkomen van verontreiniging van het grondwater. De regels in paragraaf 6.4.1.2 en 6.4.1.3 omvatten het preventieve spoor.
De curatieve sporen zijn hieronder uiteengezet en daarnaast in onderstaand figuur geïllustreerd:
Spoor 1. Regels die een grondwatersanering verlangen bij een activiteit die een bekende historische grondwaterverontreiniging dusdanig beïnvloedt dat dit leidt tot een onaanvaardbaar verspreidingsrisico.
Spoor 2. Regels die een bron(zone) aanpak verlangen indien er gebouwd wordt op een bekende bron van bekende historische grondwaterverontreiniging dan wel indien de gemeente op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging een bodemsanering op grond van het omgevingsplan verlangd. De bron(zone)aanpak kan uitgevoerd worden met de in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen rijksregels voor het saneren van de bodem.
Spoor 3. Regels voor het ontsluiten van informatie bij het ontdekken van een nog onbekend verontreiniging van het grondwater; en
Spoor 4. Regels voor het uitvoeren van een vrijwillige grondwatersanering.
TTTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie heeft onder de Omgevingswet een regierol in het kader van de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Dat houdt in dat zij de strategische beleidslijnen uitzet en de kaders vaststelt. In deze rol geeft de provincie onder andere invulling aan de doelstellingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GWR).
Onder de Omgevingswet is de gemeente primair verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving en daarmee ook voor bodem. Zodoende is de gemeente bevoegd voor de in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen rijksregels voor het saneren van de bodem. Deze rijksregels omvatten niet het saneren van het grondwater. Gezien de taak die de provincie heeft ten aanzien van de bescherming van het grondwater, ligt het voor de hand dat de provincie regels stelt ten aanzien van historische verontreinigingen in het grondwater en ook regels stelt voor het uitvoeren van een grondwatersanering.
In Flevoland bevindt het grondwater zich dicht onder maaiveld en niet alle verontreinigingen onder het grondwaterpeil vormen een bedreiging voor het grondwater. Er is sprake van verontreiniging van het grondwater indien er sprake is van een verontreinigende stof in het grondwater die voorkomt in een concentratie boven de natuurlijke achtergrondconcentratie en die vanwege mobiele eigenschappen in staat is zich met het grondwater te verspreiden. Dat gegeven brengt ook met zich mee dat er voorzichtig omgegaan moet worden met activiteiten die contactstroming tussen verschillende grondwaterlagen veroorzaken of vergroten, of beschadiging van de bodem tot gevolg kunnen hebben, zoals het verwijderen van heipalen.
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gericht op het op duurzame en doelmatige wijze beheren van historische verontreinigingen en het beheersen van activiteiten met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit en de daarmee samenhangende bodemkwaliteit. Historische verontreinigingen zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming op 1 januari 1987. De regels richten zich tot degene die een activiteit uitvoert op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging of tot degene die een activiteit uitvoert die in staat is een bekende historische grondwaterverontreiniging te beïnvloeden. Ook zijn er regels opgenomen die zich richten tot een tot nu toe onbekende historische grondwaterverontreiniging. Tot slot zijn er regels voor het lozen van grondwater op of in de bodem dat verontreinigd kan zijn indien het grondwater onttrokken is ter plaatse van een historische grondwaterverontreiniging.
De regels in dit hoofdstuk zien niet op nieuwe verontreinigingen die ontstaan zijn na 1 januari 1987 maar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet omdat hierop, vanwege het overgangsrecht, de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming onverkort van kracht blijft. Ook zien deze regels niet op nieuwe verontreinigingen ontstaan na inwerkingtreding van de Omgevingswet omdat het zorgplichtbeginsel van de Omgevingswet, dat opgenomen is in zowel de Omgevingswet zelf als onderliggende (decentrale) uitvoeringsregelgeving, verontreiniging van de fysieke leefomgeving voorkomt met inbegrip van het grondwater.
Nieuwe activiteiten kunnen echter eveneens negatieve gevolgen hebben voor de grondwater- en bodemkwaliteit. Zo kan het onzorgvuldig trekken van heipalen contactstroming tussen verschillende grondwaterlagen veroorzaken of vergroten, of beschadiging van de bodem tot gevolg hebben. Daarom worden er naast instructieregels voor het omgevingsplan over lozingen op of in de bodem, ook regels gesteld over het verwijderen van heipalen.
VVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in afdeling 6.2.1 van de verordening hebben als doel te voorkomen dat activiteiten leiden tot onaanvaardbare verspreiding van bekende historische grondwaterverontreinigingen. De geometrische begrenzing van deze verontreinigingen zijn weergegeven in bijlage 2 bij de verordening. Het gaat hier enkel om historische grondwaterverontreinigingen waarbij de verontreinigingscontour van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving groter of gelijk is als 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume. Een kleiner volume of lagere concentratie wordt door de provincie gezien als een verontreiniging die als gevolg van een activiteit niet kan leiden tot een onaanvaardbare verspreiding. De regels in de verordening gelden voor alle activiteiten die plaatsvinden binnen de contour van de bekende grondwaterverontreiniging, of een marge van 500 m hierom heen. De marge van 500 m is gekozen omdat ook activiteiten nabij een grondwaterverontreiniging van invloed kunnen zijn op de verspreiding hiervan. Zowel binnen als buiten de marge van 500 m blijven daarnaast onverkort de beoordelingsregels gelden voor wateronttrekkingsactiviteiten waarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of de waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is.
De regels in paragraaf 6.4.1.1 van de verordening hebben tot doel om het natuurlijk moment te benutten zodat in samenhang met een activiteit op een locatie waar de bron van bekende historische grondwaterverontreiniging gelegen is zo veel als wat redelijkerwijs mogelijk is van de bron(zone) van de bodemverontreiniging wordt aangepakt. Dit uiteraard alleen als de bodemverontreiniging nog aanwezig is. Het werkingsgebied bron van historische bekende grondwaterverontreiniging ziet toe op het kadastrale perceel waar de bodemverontreiniging ontstaan is die de bron van de bekende historische grondwaterverontreiniging is. In bijlage II zijn de geometrische begrenzingen van de bronnen van bekende historische grondwaterverontreiniging weergegeven die horen bij de bekende historische grondwaterverontreinigingen.
Tot slot gelden er in
In afdeling 6.2.2 zijn regels opgenomen voor het geval er sprake is van een nog onbekende grondwaterverontreinigingen met concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze regels zijn gekoppeld aan het Flevolands grondgebied dat buiten de marge van 500 m valt en daarmee niet tot de bekende grondwaterverontreinigingen te rekenen is. Dit geometrische begrenzing van dit gebied, is eveneens weergegeven in bijlage II.
Tot slot is in paragraaf 6.4.1.3 een instructieregel opgenomen voor het gemeentelijk omgevingsplan met betrekking tot heipalen. Deze regels zijn gekoppeld aan het Flevolands grondgebied met uitzondering van de grondwaterbeschermingsgebieden. In deze gebieden gelden immers rechtstreeks werkende regels, opgenomen in hoofdstuk 4. De geometrische begrenzing van dit gebied is weergegeven in bijlage II.
WWWW
Na sectie 6.20 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Bij het verwijderen van ((vormgegeven) betonnen) heipalen die bij het plaatsen ervan afsluitende lagen, ondiep of dieper, hebben doorkruist, kan contactstroming tussen verschillende grondwaterlagen veroorzaakt of vergroot worden. Deze contactstroming betekent veelal een kwaliteitsverslechtering in de verschillende watervoerende pakketten, waarbij bijvoorbeeld gedacht moet worden aan verzilting, maar ook ‘verspilling’, omdat diep zoet grondwater door de contactstroming weglekt naar zoutere watervoerende pakketten. De verwijdering van de heipalen kan daarom in strijd zijn met de doelstellingen op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Grondwaterrichtlijn (GWR).
Op verschillende plaatsen in de Flevopolder, waar door uitvoering van werkzaamheden de waterafsluitende lagen zijn verwijderd of verstoord, heeft in de praktijk al vermenging plaatsgevonden.
In de Omgevingsverordening provincie Flevoland zijn reeds in hoofdstuk 4 regels opgenomen met betrekking tot het verwijderen van heipalen in grondwaterbeschermingsgebieden. Deze regels hebben eveneens als doel het voorkomen van ongewenste verontreiniging van het grondwater, maar dan met het oog op het beschermen van de grondwatervoorraad ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. Dit is een provinciale taak op grond van artikel 2.18 lid 1 sub c Omgevingswet.
De gemeente is onder de Omgevingswet primair het bevoegd gezag voor activiteiten met betrekking tot de bodem. De provincie acht het echter noodzakelijk om als gebiedsgerichte coördinator van de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen (op grond van artikel 2.18 lid 1 sub a) en als (mede-)verantwoordelijke voor de doelstellingen van de KRW en GWR een gelijk speelveld te creëren met gelijke bescherming voor de grondwaterlagen in Flevoland. Door de diepe ligging van Flevoland komt er veel kwel de polders binnen. Het volledig en/of onzorgvuldig verwijderen van heipalen zorgt voor een versterkende werking op binnendringend kwel.
In dit artikel zijn daarom instructieregels opgenomen voor het gemeentelijk omgevingsplan die bepalen dat (prefab betonnen) heipalen enkel verwijderd mogen worden op dusdanige wijze dat de bodem zo min mogelijk verstoord wordt. Dat betekent dat er niet geduwd, getrokken of gewrikt wordt, maar gebruik gemaakt wordt van de methode ‘afzagen’ (of als dat niet mogelijk is ‘afknabbelen’). Dit gebeurt op minimaal 2 meter minus de omliggende maaiveldhoogte. Met de omliggende maaiveldhoogte wordt de oorspronkelijke maaiveldhoogte in de directe omgeving bedoeld. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de toezichthouder van de OFGV op het moment dat hier onduidelijkheid over bestaat, maar zeker in het geval dat er afgeweken wordt van de methode ‘afzagen’.
XXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een grondwatersanering heeft gevolgen voor grondwaterlichamen en is daarmee een activiteit met gevolgen voor waterlichaam als bedoeld in artikel 7.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Om die reden worden ingevolge artikel 7.12 van het Bkl beoordelingsregels als bedoeld in het tweede lid en derde lid van dat artikel gesteld. Hiermee wordt eenzelfde toetsingskader verwezenlijkt als voor de wateractiviteiten die op rijksniveau een omgevingsvergunning vereisen en waarvoor het generieke toetsingskader van artikel 8.84 van het Bkl geldt. Het bevoegd gezag is op grond van dit artikel verplicht de doelstellingen voor het beheer van watersystemen bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken en daarbij rekening te houden met de waterprogramma’s die van toepassing zijn op het betreffende watersysteem. Ook wordt een omgevingsvergunning niet verleend in geval de verlening daarvan niet verenigbaar is met de omgevingswaarden voor de krw-oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen of het vereiste van “het voorkomen van achteruitgang” van de toestand van die waterlichamen. Met Artikel 6.216.22 is uitvoering gegeven aan deze instructieregel van het Rijk.
De beoordelingsregels beogen dat de omgevingsvergunning alleen verleend kan worden indien deze verenigbaar is met alle voor grondwater relevante doelen die de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het gaat hier om de in artikel 4, eerste lid, onder b van de Kaderrichtlijn water opgenomen milieudoelstellingen voor grondwater als ook de in artikel 7 van de Kaderrichtlijn water opgenomen doelstellingen voor de bescherming van water dat bestemd is voor menselijke consumptie. De beoordelingsregels opgenomen in Artikel 6.216.22, derde lid onder d en e zijn in aanvulling op de op grond van artikel 7.12 Bkl verplichte beoordelingsregels en zorgen gezamenlijk dat er oog is voor alle voor grondwater relevante KRW-doelen.
YYYY
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZZZ
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
AAAAA
Na sectie 8.6 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde opgenomen, waaronder Schokland en omgeving, die zijn aangewezen als werelderfgoed. De bescherming van de universele waarde van dit werelderfgoed gebeurt bij provinciale verordening. De regels die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening verplicht de gemeente om de kernkwaliteiten te borgen via hun Omgevingsplan. Deze paragraaf bevat de regels die gemeenten bij hun planvorming in acht moeten nemen.
In artikel 7.4 en bijlage XVII van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn voor elk Unesco Werelderfgoed de kernkwaliteiten beschreven. De kernkwaliteiten van Werelderfgoed Schokland en omgeving zijn opgenomen in artikel 8.7 van de Omgevingsverordening. De kernkwaliteiten worden ingevolge deze verordening verder uitgewerkt in samenspraak met de gemeente Noordoostpolder.
BBBBB
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
CCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Inleiding
Dit artikel bevat een instructieregel met het oog op het behoud van de kernkwaliteiten van het Flevolandse landschap. De aanleiding voor de instructieregel is de wens om omgevingskwaliteit juridisch te borgen. Voorwaarde voor een aantrekkelijk en waardevol landschap is het nastreven van een hoge omgevingskwaliteit. Een landschap dat voor een diversiteit aan functies bruikbaar is en tegelijk ook een aantrekkelijke beleving biedt. Een landschap dat een eigen identiteit heeft en tegelijk ook toekomstbestendig is. Daarin komen verleden, heden en toekomst samen. Het is van belang om omgevingskwaliteit mee te wegen in de integrale afweging binnen projecten en ontwikkelingen. De provincie wil eenduidigheid creëren voor het grondgebied waar de provincie verantwoordelijk voor is. Daarbij komt dat landschap en landschapsstructuren gemeentegrensoverschrijdend zijn.
Doel instructieregels omgevingskwaliteit
Het doel van de instructieregel is duidelijkheid te scheppen over hetgeen de provincie verwacht van initiatiefnemers ten aanzien van omgevingskwaliteit in het licht van de ontwikkelingen en activiteiten in het landschap. Helderheid en eenduidigheid zal de beoordeling van de initiatieven vergemakkelijk en dus bespoedigen. Niet bedoeld is de inhoudelijke beoordeling van ontwikkelingen en activiteiten te wijzigen. Dit vindt plaats aan de hand van het provinciale beleid voor landschap bestaande uit het Programma Landschap van de Toekomst en het bijbehorende Handboek kernkwaliteiten Flevoland.
Bij omgevingskwaliteit ligt de nadruk op de relatie tussen een initiatief en de omgeving; het grotere geheel. Het gaat niet alleen om maximale kwaliteit voor één gebruiker, maar om goede kwaliteit voor de gehele gemeenschap. Inclusief de integrale belangen die spelen in de omgeving; ook van omwonenden. Het streven is naar een goed doordacht ontwerp met zichtbaar meer aandacht voor culturele en esthetische waarden boven puur economische winst. Culturele waarden worden o.a. bepaald door tradities/ kenmerken in het menselijk handelen van de regio. Cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap en de identiteit van een gebied; belevingswaarde, gebruikerswaarden, toekomstwaarden zijn begrippen die omgevingskwaliteit invulling geven.
Met betrekking tot cultureel erfgoed heeft het rijk heeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving in een instructieregel (artikel 5.130) voorgeschreven dat in omgevingsplannen rekening moet worden gehouden met het belang van cultureel erfgoed (cultuurlandschap maakt hier onderdeel van uit). De provinciale instructieregel over omgevingskwaliteit landschap geldt aanvullend. Daarvoor is ruimte gelet op het verschil in oogmerk van de nationale en provinciale instructieregel.
Het provinciale Programma Landschap van de Toekomst, dat in 2021 is vastgesteld, geeft richting aan ruimtelijke ontwikkeling in Flevoland. De provincie vindt het belangrijk dat elke stap die in het landschap wordt gezet, bijdraagt aan de kwaliteit van de provincie. In het Programma staan de provinciale visie en ambities, overwegingen en uitvoeringsprogramma voor hoge ruimtelijke kwaliteit. In het Handboek zijn de kernkwaliteiten uitgewerkt in 24 bouwstenen voor hoge ruimtelijke kwaliteit.
Het Programma Landschap van de Toekomst geeft vier handreikingen voor het bewaren, versterken en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit in het landschap. De handreikingen zijn gemeente-overstijgend en bepalen in hun samenhang het karakter en de essentie van het Flevolandse landschap. Ze geven in samenhang richting bij het behouden van de landschappelijke kernkwaliteiten en ruimte voor vernieuwing en ontwikkeling. Samen met de handreikingen voor ruimtelijke kwaliteit die gelden op een locatie kun je een initiatief in het landschap een passende plek en inrichting geven.
De Handvatten voor Ruimtelijke Kwaliteit (HARK) is een handzame matrix. De matrix koppelt de herkomstwaarde, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap aan economische, ecologische en sociaal-culturele belangen. HARK is hiermee een instrument om opgaven en stakeholders met elkaar te verbinden. Zo nemen we ruimtelijke kwaliteit als één van de belangen mee in de integrale afweging binnen projecten en ontwikkelingen.
Inhoud
instructieregels omgevingsplan: motiveringsplicht omgevingskwaliteit
Gekozen is voor een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid Omgevingswet. Artikel 8.88.9 bevat de inhoudelijke instructieregel aan de gemeenten om in het omgevingsplan een regeling over ruimtelijke kwaliteit / omgevingskwaliteit bij nieuwe initiatieven op te nemen.
Gelet op artikel 2.23, derde lid, Omgevingswet kan bij instructieregels een termijn worden gesteld waarbinnen aan de instructie uitvoering moet zijn gegeven. Er is voor gekozen dit niet te doen ervan uitgaande dat de gemeenten dit meenemen bij het opstellen van een omgevingsplan binnen de termijn voor de overgangsfase van het omgevingsplan tot 1 januari 2032 (artikel 22.6 derde lid Omgevingswet; Staatsblad 2023, 267).
In dit artikel vraagt de provincie een (uitgebreide) motivering, onderbouwing van de wijze waarop in lijn met het Programma Landschap van de Toekomst bij een nieuwe ontwikkeling in het landelijk gebied de omgevingskwaliteiten zoals gesteld in de Handvatten Ruimtelijke Kwaliteit (HARK) zijn meegewogen. Uiteraard moet de motivering en onderbouwing in verhouding staan met de impact van de ontwikkeling. Kortom het is maatwerk. Middels beeldmateriaal kan inzichtelijk worden gemaakt hoe het initiatief eruit komt er zien. Dit materiaal kan bestaan uit onder andere: ruimtelijke analyses, ruimtelijke concepttekeningen, kaartmateriaal, doorsnedes en realistische impressies, modellen en/of visualisaties.
Gelet op de definitie in de omgevingsverordening van het begrip ‘omgevingsplan’ geldt de instructieregel niet alleen voor het opstellen en wijzigen van het omgevingsplan zelf. Het geldt ook voor o.a. een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit. Dit blijkt ook uit de beoordelingsregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 8.1.1.2). Aanvragen om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dienen, naast de toets aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, getoetst te worden aan de instructieregels voor het omgevingsplan van het rijk en de provincie.
Voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is dit anders. Hiervoor schrijft het Besluit kwaliteit leefomgeving niet voor dat een aanvraag getoetst moet worden aan de provinciale instructieregels. Hiervoor staan de aanvraagvereisten en de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Uitgangspunt daarbij is dat de provinciale instructieregels zijn verwerkt in het omgevingsplan. Het is dan overbodig dat de provinciale instructieregels ook zien op de binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is anders in de situatie dat de instructieregels (nog) niet zijn verwerkt in het omgevingsplan. Daarom valt ook de binnenplanse omgevingsplanactiviteit onder de omschrijving van het begrip ‘omgevingsplan’.
Bevoegd gezag voor het beslissen op een dergelijke aanvraag zijn over het algemeen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het initiatief plaatsvindt. Gedeputeerde staten hebben daarbij gelet op artikel 4.25 Omgevingsbesluit de bevoegdheid van advies met instemming doordat landschap en daarmee ruimtelijke kwaliteit / omgevingskwaliteit is aangewezen als geval van provinciaal belang (zie paragraaf 2.4 van de Lijst van gevallen van provinciaal belang Flevoland). De inhoudelijke beoordeling vindt plaats aan de hand van het provinciale beleid voor landschap bestaande uit het Programma Landschap van de Toekomst en het bijbehorende Handboek kernkwaliteiten Flevoland.
Werkingsgebied ‘Landelijk gebied van Flevoland’
De instructieregel voor ruimtelijke kwaliteit is opgenomen in het hoofdstuk ‘Bescherming landschap’. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing in het landelijke gebied van de provincie Flevoland. De geometrische begrenzing van dit werkingsgebied is vastgelegd in bijlage II. Daarmee geldt dit artikel alleen in het buitengebied van Flevoland.
DDDDD
Na sectie 8.8 worden twee secties ingevoegd, luidende:
De instructieregel houdt in dat het omgevingsplan geen functies of activiteiten mag toelaten die de uitzonderlijke, universele waarde van Werelderfgoed Schokland en omgeving aantasten. De instructieregel is zo duidelijk mogelijk gesteld en bevat geen specifieke uitzonderingen. Ook worden geen specifieke verboden activiteiten vermeld: de kern van de norm is: "niet aantasten" van het werelderfgoed met het oog op de instandhoudingsdoelstelling en versterking daarvan.
Een eventuele uitzondering op de regel is mogelijk op basis van een ontheffing van Gedeputeerde Staten. Dit houdt in dat Gedeputeerde Staten een ontheffing kan verlenen voor een activiteit die de kernkwaliteiten van het werelderfgoed kan aantasten, als wordt voldaan aan strikte voorwaarden:
- de activiteit moet noodzakelijk zijn om dwingende redenen van maatschappelijk belang,
- er zijn geen redelijke alternatieven voor de activiteit,
- bij de toedeling van de functie of activiteit wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de uitzonderlijke universele waarde van het erfgoed, en
- de aantasting die hierdoor ontstaat afdoende wordt gecompenseerd.
Deze voorwaarden vormen het beoordelingskader voor een eventuele ontheffing. In de praktijk wordt dit de ADC-toets genoemd: geen Alternatieven, wel Dwingende redenen van maatschappelijk belang, met Compensatie van nadelige effecten.
Voor de beoordeling van een feitelijke situatie wordt verwezen naar de beschrijving van de kernkwaliteiten van werelderfgoed Schokland en omgeving in het artikel 8.10 en de voorziene nadere uitwerking. Hierin worden ook criteria en voorbeelden opgenomen van ontwikkelprincipes die richting geven aan de evenwichtige toedeling van functies op de locatie.
De ontheffingsmogelijkheid is neutraal geformuleerd, zodat de ontheffing op iedere situatie van toepassing kan zijn. Hierdoor is het onnodig om specifieke gevallen te benoemen. De ontheffingsbevoegdheid borgt dat álle activiteiten zolang die nodig zijn vanuit dwingende redenen van openbaar belang, kunnen worden afgewogen.
Om het effect van de voorgenomen ingrepen op de erfgoedvoorwaarden te bepalen kan het noodzakelijk zijn een Heritage Impact Assessment (HIA) op te stellen.
Onder compensatie wordt verstaan dat de activiteit zodanig wordt uitgevoerd dat kwaliteit aan het erfgoed wordt toegevoegd, zodanig dat dit het nadelig effect van de aantasting van een kernkwaliteit ter plekke of in de nabijheid van de aantasting opheft. Ondanks de aantasting is hierdoor sprake van een versterkend effect op de Outstanding Universal Value, als gevolg van de activiteit, zodat dan ook de gewenste activiteit kan worden toegelaten.
EEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij verruiming of wijziging van een provinciale weg kunnen in het beperkingengebied gelegen werken, objecten en/of voorwerpen zodanige nadelige gevolgen hebben voor de verruiming of wijziging, dat deze moeten worden verwijderd. Onder werken niet zijnde een bouwwerkkabels en leidingen wordt tevens verstaan een net bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie.
Bij activiteiten met een meldingsplicht is de algemene regel van toepassing die tot verwijderen of verleggen dwingt, als deze activiteiten een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van een weg door of namens de wegbeheerder. De wegbeheerder stelt eerst de rechthebbende in de gelegenheid tot verwijderen of verlegging. De rechthebbende zal op eerste verzoek overgaan tot verwijdering of verlegging. Als de rechthebbende niet overgaat tot verwijderen of verleggen, dan kan dit door het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift worden opgelegd.
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvullende gegevens en bescheiden worden gevraagd bij deze activiteiten omdat het bevoegd gezag van oordeel is dat er een potentieel nadelig gevolg kan zijn voor de fysieke leefomgeving. Met de genoemde gegevens kan de wegbeheerderde aanvraag beoordelen, toezicht houden en in sommige gevallen zelfs maatregelen nemen in verband met de verkeersveiligheid.
Ook een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een extra uitweg dient te worden gemotiveerd.
GGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvullende gegevens en bescheiden worden gevraagd bij deze activiteiten omdat het bevoegd gezag van oordeel is dat er een potentieel nadelig gevolg kan zijn voor de fysieke leefomgeving. Met de genoemde gegevens kan de wegbeheerder de aanvraag beoordelen, toezicht houden en in sommige gevallen zelfs maatregelen nemen in verband met de verkeersveiligheid.
In het verkeersplan dienen in ieder geval de volgende zaken te worden opgenomen: de te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het verkeer, omleidingsroutes indien de aanvrager wenst dat het verkeer wordt gestremd en een verkeerstekening.
HHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij verruiming of wijziging van een provinciale weg kunnen in het beperkingengebied gelegen werken, objecten en/of voorwerpen zodanige nadelige gevolgen hebben voor de verruiming of wijziging, dat deze moeten worden verwijderd. Onder kabels en leidingen wordt verstaan een net bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie.
Bij activiteiten met een meldingsplicht is de algemene regel van toepassing die tot verwijderen of verleggen dwingt, als deze activiteiten een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van een vaarweg door of namens de vaarwegbeheerder. De vaarwegbeheerder stelt eerst de rechthebbende in de gelegenheid tot verwijderen of verlegging. De rechthebbende zal op eerste verzoek overgaan tot verwijdering of verlegging. Als de rechthebbende niet overgaat tot verwijderen of verleggen, dan kan dit door het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift worden opgelegd.
IIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvullende gegevens en bescheiden worden gevraagd bij deze activiteiten omdat het bevoegd gezag van oordeel is dat er een potentieel nadelig gevolg kan zijn voor de fysieke leefomgeving. Met de genoemde gegevens kan de wegbeheerder toezicht houden en in sommige gevallen zelfs maatregelen nemen in verband met de verkeersveiligheid.
In het verkeersplan dienen in ieder geval de volgende zaken te worden opgenomen: de te treffen veligheidsmaatregelen ten behoeve van het (vaarweg)verkeer, omleidingsroutes indien de aanvrager wenst dat het verkeer wordt gestremd en een verkeerstekening.
JJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel schrijft voor dat de houder van de zwemlocatie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud gericht op de veiligheid en hygiËne voor de bezoekers. De houder van de zwemlocatie is degene die gelegenheid biedt tot baden en zwemmen op een zwemlocatie en de feitelijke zeggenschap heeft over die locatie. In de praktijk zal dit de exploitant van de zwemlocatie zijn of indien geen sprak is van exploitatie bijvoorbeeld de grondeigenaar, een gemeente, een natuur beherende organisatie, of een recreatieschap. Dat zij "zorg dragen voor" houdt in dat zij de verantwoordelijkheid hebben, maar dat zij het daadwerkelijke beheer en onderhoud ook door derden kunnen laten uitvoeren (waarbij zij indien nodig eindaanspreekpunt blijven).
Onder beheer en onderhoud wordt verstaan het (dagelijks) treffen van maatregelen gericht op de veiligheid en hygiËne voor de bezoekers, zoals het op orde brengen van onderwatertaluds, het verwijderen van gevaarlijke voorwerpen (bijvoorbeeld glas) uit de zwemzones, het verwijderen van feces van vogels en huisdieren, het legen van prullenbakken, en het schoonhouden van douches en toiletten.
[Vervallen]
KKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt in het eerste lid dat de houder van de zwemlocatie (de feitelijk beheerder) tijdig passende beheersmaatregelen neemt als zich situaties voordoen waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat ze een negatief gevolg hebben of kunnen hebben voor de kwaliteit van de zwemlocatie om de gezondheid en de veiligheid van zwemmers te beschermen. Hierbij kan worden gedacht aan:
ontwikkelen van blauwalgen;
botulisme (dode watervogels) en ziekte van Weil (bruine ratten);
scherpe en gevaarlijke voorwerpen in de zwemzone en/of op het strand (strandfeest);
verontreiniging in het water (olie, wier e.d.);
zwemmersjeuk veroorzaakt door poelslakken;
de aanwezigheid van eikenprocessierups.
Het tweede lid bepaalt dat de houder van de zwemlocatie direct gedeputeerde staten Én de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam (Waterschap Zuiderzeeland of Rijkswaterstaat) in kennis stellen van de onverwachte situatie die zich heeft voorgedaan en welke passende beheersmaatregelen zijn getroffen.
[Vervallen]
LLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel worden projecten aangewezen die zodanig belangrijk zijn voor het goed functioneren van het watersysteem dat deze moeten worden gerealiseerd door gebruikmaking van de projectprocedure van afdeling 5.2 van de Omgevingswet. Dit betekent dat het waterschap hiervoor een projectbesluit dient te nemen. De formulering van dit artikel is overgenomen van artikel 5.46 tweede lid van de Omgevingswet met betrekking tot de verplichte projectbesluiten voor primaire waterkeringen.
Voor alle in Artikel 12.3 aangewezen regionale waterkeringen geldt dat deze regionale keringen van bovenlokale betekenis zijn. Deze waterkeringen beschermen een hoog economisch belang, gezien het oppervlak beschermd gebied. Derhalve ligt het ook in de rede dat bij aanleg, verlegging of versterking van deze regionale keringen meerdere uitvoeringsbesluiten nodig zullen zijn, die op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht. Deze regionale keringen worden derhalve middels het eerste lid van dit artikel onder de projectprocedure van afdeling 5.2 van de Omgevingswet gebracht. Werkzaamheden die enkel als doel hebben het weer terugbrengen van de regionale kering naar de staat zoals (exact) vastgelegd in de legger, vallen niet onder ‘aanleg, verlegging of versterking’. Er is dan sprake van ‘regulier beheer en onderhoud’, waarvoor geen projectprocedure doorlopen hoeft te worden.
De bevoegdheid tot een mogelijke inzet van de projectprocedure voor de aanleg of wijziging van waterbergingsgebieden of oppervlaktewaterlichamen wordt bij gedeputeerde staten neergelegd. Het is niet mogelijk om hiertoe duidelijke criteria in de omgevingsverordening zelf op te nemen, omdat naast de omvang ook de ligging en de functie zeer bepalend zijn voor de mate waarin de aanleg van bovenlokale betekenis is en met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht.
Gedeputeerde Staten kunnen alleen de projecten onder de projectprocedure brengen die in Artikel 12.25, tweede lid zijn genoemd. De projectprocedure brengt belangrijke gevolgen met zich mee. Projectbesluiten worden onder de goedkeuring van gedeputeerde staten gebracht en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen gedeputeerde staten, indien nodig, in de plaats treden van mede overhedenmedeoverheden.
Om te voorkomen dat ook projecten van een zeer beperkte omvang onder de werking van de projectprocedure vallen kan deze alleen worden ingezet als het project van bovenlokale betekenis is en met spoed en op gecoÖrdineerdegecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht (het derde lid). Bij besluiten over de inzet van de projectprocedure zal dan ook worden gekeken naar het aantal uitvoeringsbesluiten en de spoedeisendheid die samenhangen met de uitvoering van het projectbesluit.
MMMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde staten wijzen jaarlijks op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de zwemlocaties in Flevoland aan. Voor de veiligheid van zwemmers is het van belang dat het (dagelijks) beheer en het onderhoud op deze zwemlocaties in oppervlaktewater gewaarborgd is.
Op grond van de Omgevingswet (artikel 2.18 lid 1, onder d) zijn Gedeputeerde Staten belast met het zwemwaterbeheer. Deze taak, mede ingekaderd door de Europese Zwemwaterrichtlijn (2006/7/EC), heeft als doel het beheren van zwemlocaties, met betrekking tot de zwemwaterkwaliteit en de veiligheid, hygiëne en gezondheid van bezoekers van zwemlocaties. De regels in dit hoofdstuk geven invulling aan deze taak.
NNNNN
Na sectie 13.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
OOOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk hebben alleen betrekking op de (jaarlijks) door gedeputeerde staten aangewezen officiële zwemlocaties in oppervlaktewater in Flevoland.
In dit artikel worden de zwemlocaties aangewezen, waarop de regels in dit hoofdstuk van toepassing zijn. De geometrische begrenzing van de zwemlocaties is te vinden in Bijlage II. Gedeputeerde Staten wijzen jaarlijks de zwemlocaties aan op basis van de regels uit afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De actualisatie van deze Omgevingsverordening provincie Flevoland vindt niet noodzakelijkerwijs gelijktijdig plaats met de aanwijzing van de zwemlocaties. Hoewel het niet vaak voorkomt, kan het zo zijn dat een zwemlocatie die nog wel tot het werkingsgebied in deze verordening behoort, niet meer aangewezen is als zwemlocatie of andersom. In dat geval wordt het werkingsgebied in de verordening zo snel als mogelijk daarop aangepast. De aangewezen zwemlocaties in heel Nederland zijn altijd te vinden op www.zwemwater.nl.
PPPPP
Na sectie 13.2 worden vijf secties ingevoegd, luidende:
In dit artikel is een specifieke zorgplicht opgenomen. Met de formulering van dit artikel is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de formulering van de specifieke zorgplichtbepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving. De specifieke zorgplicht is een algemene regel die zich richt tot eenieder die handelingen of activiteiten verricht op een aangewezen zwemlocatie. Naast de zorgplicht is in het derde lid ook een actieve informatieplicht opgenomen. De zorgplicht en de informatieplicht stellen Gedeputeerde Staten (al dan niet in samenwerking met de waterbeheerder en houder van een zwemlocatie) in staat indien nodig (beheers)maatregelen te treffen om de veiligheid, gezondheid en hygiëne van zwemmers te waarborgen.
Dit artikel schrijft voor dat de houder van de zwemlocatie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud gericht op de veiligheid, gezondheid en hygiëne van de bezoekers van zwemlocaties. De houder van de zwemlocatie is degene die gelegenheid biedt tot baden en zwemmen op een zwemlocatie en de feitelijke zeggenschap heeft over die locatie. In de praktijk zal dit de exploitant van de zwemlocatie zijn of, indien geen sprake is van exploitatie bijvoorbeeld de grondeigenaar, een gemeente, een (terrein)beherende organisatie, of een recreatieschap. Het dragen van de verantwoordelijk door de houder staat hem niet in de weg om het beheer en onderhoud door derden te kunnen laten uitvoeren.
Onder beheer en onderhoud wordt alles verstaan wat redelijkerwijs tot de verantwoordelijkheid van de houder kan worden geregeld. Daarbij moet gedacht worden aan: het op orde brengen van onderwatertaluds, het verwijderen van obstakels, gevaarlijke voorwerpen (bijvoorbeeld glas) en afval uit de zwemzones, het verwijderen van feces van vogels en huisdieren, het legen van prullenbakken, en het plaatsen en onderhouden van voldoende sanitaire voorzieningen.
Dit artikel schrijft voor dat de houder tijdig passende beheersmaatregelen neemt bij situaties die (mogelijk) een negatief effect kunnen hebben op de zwemwaterkwaliteit of de veiligheid, gezondheid of hygiëne van bezoekers van zwemlocaties. Denk hierbij aan het optreden van blauwalgen, botulisme (dode watervogels), ziekte van Weil (bruine ratten), verontreiniging van het water (zoals olie of wier), zwemmersjeuk door poelslakken, en de aanwezigheid van de eikenprocessierups. Ook scherpe of gevaarlijke voorwerpen in de zwemzone of op het strand, bijvoorbeeld na evenementen, vallen hieronder. Het ‘tijdig’ nemen van maatregelen strekt nadrukkelijk ook tot het nemen van preventieve maatregelen.
Ook verplicht het artikel de houder tot het aanbrengen van duidelijke en fysieke markeringen bij potentieel gevaarlijke zones binnen de zwemlocatie, zodat bezoekers op een veilige manier gebruik kunnen maken van het zwemwater en de zone daaromheen. Het aanbrengen van fysieke markeringen is noodzakelijk om bezoekers te beschermen tegen andere vormen van waterrecreatie, zoals een confrontatie met surfers, kanoërs, roeiers en dergelijke en om gevaarlijke zones binnen de zwemlocatie aan te duiden, zoals een snel verloop in waterdiepte.
Dit artikel schrijft voor dat de houder van de zwemlocatie zo snel mogelijk de toezichthouder (Gedeputeerde Staten en de Omgevingsdienst Gooi en Vechtstreek (OFGV)) en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam (Waterschap Zuiderzeeland of Rijkswaterstaat) in kennis stellen van een situatie die een negatief effect heeft (of zou kunnen hebben) op de zwemwaterkwaliteit of de veiligheid, gezondheid of hygiëne van bezoekers. Daarbij geeft de houder, indien van toepassing ook aan welke passende beheersmaatregelen zijn getroffen. Voorbeelden van situaties waarin de informatieplicht geldt zijn beschreven in de toelichting bij het vorige artikel.
Gedeputeerde Staten van Flevoland wijzen ieder jaar, op basis van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in samenspraak met de waterbeheerder (het Waterschap Zuiderzeeland (of Rijkswaterstaat (indien sprake is van rijkswateren)) de zwemlocaties aan. Daarbij wordt per locatie aangegeven wat het begin en einde van het badseizoen is. Dit artikel verplicht Gedeputeerde Staten om bij de jaarlijkse aanwijzing van de zwemlocaties de houders hiervan aan te wijzen.
Het is voor de veiligheid en gezondheid van zwemmers van belang dat het beheer en het onderhoud op de zwemlocaties gewaarborgd is. Daarvoor is het noodzakelijk om voor elke zwemlocatie een houder aan te wijzen die hiervoor het meest geschikt is. Deze partij draagt zorg voor het beheer en onderhoud van de zwemlocatie, zoals beschreven onder Artikel 13.4. Als houder wordt aangewezen degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden in een zwemlocatie, zijnde de exploitant van de zwemlocatie of het college van burgemeester en wethouders van de gemeente als er geen sprake is van exploitatie van de zwemlocatie.
QQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Concreet is het de bedoeling dat gemeenten de instructieregels uitwerken in het omgevingsplan. In de Omgevingsverordening is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een termijn te stellen voor het uitwerken van de instructieregels in de omgevingsplannen (artikel 2.23 vierde lid Omgevingswet.
Eerste lid
Uitgangspunt is de maximale ontwikkelruimte van in eerste instantie 500 hectare netto, die in de verordening is opgenomen. De door de gemeenten vast te stellen omgevingsplannen voor het landelijk gebied mogen uitsluitend voorzien in ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot een maximale oppervlakte van 500 hectare netto. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend (bestemmings- en omgevings)plannen in aanmerking, die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon per 15 november 2018.
Tweede lid
In Artikel 14.28, tweede lid is het verbod opgenomen om grondgebonden zonne-energie te realiseren en in stand te houden op agrarische gronden in het landelijk gebied met uitzondering van de aangewezen uitzonderingsgebieden (zie de toelichting bij Artikel 14.23). Om te bewerkstelligen dat gemeenten aan dit verbod voldoen is dit vorm gegeven als instructieregel. Dit artikellid bevat de inhoudelijke instructieregel aan de gemeenten om geen grondgebonden zonne-energie op agrarische gronden toe te staan. Het omgevingsplan dient het realiseren of hebben van een grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden buiten de in het werkingsgebied Uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden aangewezen agrarische gronden uit te sluiten.
In het werkingsgebied Uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden in het landelijk gebied zijn de agrarische gronden opgenomen waarop enerzijds in de eerste tranche een grondgebonden opstelling voor zonne-energie is of wordt toegestaan en anderzijds de agrarische gronden die in de tweede tranche op verzoek daaraan door provinciale staten zijn toegevoegd (zie ook de toelichting bij Artikel 14.24). Hiermee worden de Flevolandse agrarische gronden als volgt onderverdeeld:
agrarische gronden buiten de uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden (waar grondgebonden zonne-energie niet is toegestaan) en
agrarische gronden zoals door provinciale staten aangewezen als uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden (waar grondgebonden zonne-energie wel wordt toegestaan).
Feitelijk betekent dit dat het in de tweede tranche mogelijk is om zonne-energie op agrarische gronden te realiseren, mits de betreffende agrarische gronden zijn aangewezen in het werkingsgebied Uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden. Zie de regeling in Artikel 14.24.
Derde lid
Zonnepanelen op gietwaterbassins behorend tot glastuinbouwbedrijven binnen het werkingsgebied zijn uitgezonderd van het verbod op zonnepanelen op agrarische gronden. In de instructieregels van Artikel 14.28 is bepaald dat het omgevingsplan het realiseren of hebben van een grondgebonden opstelling voor zonne-energie toelaat op gietwaterbassins in het werkingsgebied Uitzondering glastuinbouw i.r.t. zonne-energie in landelijk gebied. Hiermee wordt geregeld dat de uitzondering alleen geldt voor zonnepanelen op gietwaterbassins voor zover deze zich in het werkingsgebied bevinden. Dit werkingsgebied omvat de glastuinbouwgebieden in het landelijk gebied van de provincie. Het gaat concreet om glastuinbouwgebieden rondom Luttelgeest/Marknesse en Ens. Het glastuinbouwgebied in Almere ligt in stedelijk gebied en is om die reden geen onderdeel van dit werkingsgebied.
Vierde lid
Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie wordt mogelijk aanvullende ontwikkelruimte beschikbaar gesteld. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend omgevingsplannen in aanmerking die zijn vastgesteld navanaf 8 december 2022, zijnde de datum van inwerkingtreding van het besluitOpenstellingsbesluit Tweede tranche ontwikkelruimte grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied van Flevoland van Gedeputeerde Staten perd.d. 9 decembernovember 2022 (Artikel 14.25, tweede lid).
De maximale ontwikkelruimte van het eerste en vierde lid geldt provinciebreed en het is aan de gemeenten om hieraan onderling nader invulling te geven. De provincie monitort de maximale ontwikkelruimte.
Sub b
De toepassing van grondgebonden zonneparken heeft impact op de bodem. In het kader van het duurzaam beheer van grond is het behoud van bodemkwaliteit en bodemfuncties van belang. Toetreding van licht en water zijn belangrijke voorwaarden voor het behoud van bodemvitaliteit, bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit. De inzet op behoud van bodemkwaliteit en versterking van biodiversiteit hangen nauw samen met de specifieke omstandigheden op de locatie. Maatwerk is dus vereist. Door het opstellen van een aanleg- en beheerplan voor bodemkwaliteit en biodiversiteit bij de inrichting van een zonnepark wordt dit maatwerk onderbouwd. Het aanleg- en beheerplan gaat in op de criteria m.b.t. bodem en biodiversiteit zoals genoemd in paragraaf 6.1.2.2 (zonne-energie) van het Omgevingsprogramma Flevoland. Bij een goed ontwerp groeit er onder de panelen vegetatie en is geen sprake van verdroging of verdichting van de bodem of verlies aan bodemleven. De biodiversiteit kan toenemen, onder andere door vegetatiebeheer, door natuurelementen aan het gebied toe te voegen en door faunaverbindingen met de omgeving mogelijk te maken. De provincie streeft daarnaast, conform de Gedragscode Zon op Land (meest recentelijk van januari 2024) van branchevereniging Holland Solar, naar een ruimtelijke verhouding van ten minste 25% groen (en water) en 75% zonnepanelen.
Vijfde en zesde lid
Er mogen uitsluitend omgevingsvergunningen met een maximale gebruiksduur van 25 jaar worden verleend voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied (Artikel 14.26). Na ommekomst van de maximale geldingsduur van de omgevingsvergunning mag een bestemmingsplan niet langer voorzien in (bouw- en) gebruiksmogelijkheden voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Hierop is één uitzondering geformuleerd. Deze uitzondering betreft de situatie dat na het verwijderen van de 'oude' opstelling een 'nieuwe' opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek wordt gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.
RRRRR
Na sectie 14.28 worden vijf secties ingevoegd, luidende:
Gedeputeerde Staten van Flevoland hebben op 18 november 2025 in ontwerp het beleid voor grootschalige energieopslagsystemen vastgesteld (Partiële herziening Omgevingsprogramma Flevoland t.b.v. grootschalige batterijopslag). De provincie wil met dit beleid een toekomstbestendig provinciaal energiesysteem bevorderen en daarbij de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van Flevoland bewaren. Voor het bewaken van omgevingskwaliteit geldt de instructieregel van Artikel 8.9. Ook is bij energieopslagsystemen externe veiligheid een belangrijk aspect, dit speelt alleen geen rol in het kader van de opgenomen energietoets.
De provincie wil ruimte geven aan decentrale oplossingen die netcongestie tegengaan. Zolang er sprake is van netcongestie in Flevoland kunnen energieopslagsystemen bijdragen aan een betere balancering van het energienet en het vergroten van de energiecapaciteit. Om de doorwerking van dit beleid te borgen is Titel 14.3 opgenomen in de omgevingsverordening. Deze titel is van toepassing op het landelijk en stedelijk gebied van de provincie Flevoland.
De Omgevingswet geeft lokale overheden ruimte om een brede belangenafweging te maken in het kader van de fysieke leefomgeving. Dat biedt op zichzelf ruimte om te sturen op netinpassing zolang dit vanuit het belang -het motief- van de ruimtelijke ordening en fysieke leefomgeving nodig is. De provincie beschikt met de Omgevingswet over instrumenten waarmee zij invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en realisatie van elektriciteitsinfrastructuur. Met betrekking tot het reguleren van grootschalige energieopslagsystemen is de inzet om omgevingsrechtelijk te sturen zonder inbreuk te doen op het systematiek van het energierecht. Er is op grond van de Omgevingswet voldoende instrumentarium voor handen om het energiebelang te borgen in planologische procedures. Het realiseren van installaties voor elektriciteitsopslag vindt plaats in de fysieke leefomgeving. Dit met uitzondering van de aansluiting van installaties en bouwwerken op het elektriciteitsnet, want hoe opslagsystemen van de kabel gebruikmaken is geen onderdeel van de fysieke leefomgeving. Met de regulering in de omgevingsverordening anticipeert de provincie binnen de contouren van de Omgevingswet alvast op de ontwikkeling van het Energiebesluit in het kader van artikel 6.12, tweede lid van de Energiewet.
Doorwerking instructieregels bij aanvraag omgevingsvergunning voor grootschalige energieopslagsystemen
De provinciale instructieregels gelden niet alleen voor het opstellen en wijzigen van het omgevingsplan zelf. Ze gelden ook voor o.a. een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit blijkt ook uit de beoordelingsregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 8.1.1.2). Aanvragen om omgevingsvergunning voor een BOPA dienen, naast de toets aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), getoetst te worden aan de instructieregels van het rijk en de provincie voor het omgevingsplan. Dit betekent dat zolang de instructieregels niet zijn verwerkt in het omgevingsplan de instructieregels werken als beoordelingsregels voor de BOPA. Het bevoegd gezag moet de omgevingsvergunning voor de BOPA weigeren als de omgevingsplanactiviteit strijdig is met een instructieregel voor het omgevingsplan. Dit volgt uit het tweede lid, onder a, van de artikelen 8.0b en 8.0c Bkl.
Bevoegd gezag voor het beslissen over een BOPA zijn over het algemeen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het initiatief plaatsvindt. Gedeputeerde staten hebben daarbij gelet op artikel 4.25 Omgevingsbesluit de bevoegdheid van advies met instemming doordat batterijopslag is aangewezen als geval van provinciaal belang (zie de Lijst van gevallen van provinciaal belang Flevoland).
Voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA) is dit anders. Hiervoor schrijft het Besluit kwaliteit leefomgeving niet voor dat een aanvraag getoetst moet worden aan de provinciale instructieregels. Hiervoor staan de aanvraagvereisten en de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Uitgangspunt daarbij is dat de provinciale instructieregels zijn verwerkt in het omgevingsplan.
Op grond van artikel 2.22 en 2.23 van de Omgevingswet kunnen bij omgevingsverordening regels worden gesteld over de wijze van uitoefening van taken en bevoegdheden door de bestuursorganen over onder meer het omgevingsplan. De aanleiding voor een instructieregel is het juridisch borgen van de energietoets voor energieopslagsystemen, zoals aangekondigd in het beleid voor batterijopslag.
De noodzaak voor een energietoets vloeit voort uit de problematiek rondom netcongestie. De maatschappelijke en ruimtelijke gevolgen van netcongestie zijn enorm. Een energietoets kan bijdragen aan het voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen congestie verergeren en biedt handvatten om vraag en aanbod van energie beter op elkaar af te stemmen. In het kader van het beleid voor grootschalige batterijopslag is de energietoets een instrument om samen met de netbeheerder ongewenste effecten hiervan op de elektriciteitsinfrastructuur tegen te gaan. Het mogelijk maken van grootschalige energieopslagsystemen is ongewenst als een systeem, mede vanwege ongewenste effecten op de elektriciteitsinfrastructuur, andere van belang zijnde ruimtelijke ontwikkeling van het gebied verhindert. De provincie voorziet daarom in het opnemen van een energietoets in de Omgevingsverordening.
Met de instructieregel inhoudende de energietoets verplicht de provincie de gemeenten om in het omgevingsplan energieopslagsystemen alleen planologisch toe te staan indien deze een doelmatige en doeltreffende bijdrage leveren aan het versterken of blijven voorzien van een de goede werking van de elektriciteitsinfrastructuur. Het gaat dan om de wijze waarop en mate waarin de batterijopslag bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van het beleid met een daarvoor acceptabele inzet van (financiële) middelen.
De energietoets is een essentieel instrument bij het afstemmen van nieuwe initiatieven voor grootschalige energieopslagsystemen op de elektriciteitsinfrastructuur. Dit is van belang om tijdig inzicht te verkrijgen in de inpasbaarheid binnen het elektriciteitsnet, en om netcongestie te voorkomen. De energietoets beoogt een onderzoek door de netbeheerder naar de impact op en de beperkingen van de elektriciteitsinfrastructuur voor het betreffende energieopslagsysteem en inzicht in het beoogde systeem van energiebeheer waardoor overbelasting van de elektriciteitsinfrastructuur zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt voorkomen. Dit is relevant voor het energiebelang als aspect dat in het kader van een “evenwichtige toedeling van functies aan locaties” (ETFAL), als genoemd in o.a. artikel 4.2 en 5.21 van de Omgevingswet, aan de voorkant meegewogen dient te worden bij het beoordelen van initiatieven voor het realiseren van grootschalige energieopslagsystemen. Deze integrale belangenafweging die nodig is bij een (wijziging van een) omgevingsplan of een omgevingsplanactiviteit, ligt in principe bij de gemeente als bevoegd gezag.
Tweede lid
In het tweede lid is opgenomen dat het resultaat van de energietoets opgenomen dient te worden in de motivering van het omgevingsplan. Er is sprake van een procesvereiste in de vorm van een advies van de netbeheerder ook al is de netbeheerder niet expliciet aangewezen als wettelijk adviseur. Dit is erop gericht om het energiebelang inhoudelijk te borgen in de belangenafweging van de gemeente. Gemeenten moeten met het energiebelang als onderdeel van ETFAL rekening houden bij de locatieafweging en besluitvorming voor een omgevingsplan(activiteit).
Het ligt voor de hand dat in het advies van de netbeheerder en de motivering van het omgevingsplan onder andere wordt ingegaan op de capaciteit van de elektriciteitsinfrastructuur ter plaatse, een afweging of het energieopslagsysteem er vanuit de capaciteit van de elektriciteitsinfrastructuur gerealiseerd kan worden en het voorziene systeem van energiebeheer. Daarbij kan gedacht worden aan:
de redelijkerwijs te verwachten elektriciteitsafname of -teruglevering per jaar;
de voorgenomen maatregelen om de te verwachten elektriciteitsafname of –teruglevering te minimaliseren;
de redelijkerwijs te verwachten piek- en dalmomenten van de afname of teruglevering, bezien op jaar en dag;
voorgenomen maatregelen die piek- en dalmomenten van de afname of teruglevering verlagen; en
ruimte die het omgevingsplan biedt voor de realisatie van nieuwe elektriciteitsinfrastructuur wanneer blijkt dat de bestaande elektriciteitsinfrastructuur niet toereikend is voor de nieuwe functie.
Het doel van deze titel is om zo veel mogelijk ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw, mogelijk te maken door onnodige extra belasting van de elektriciteitsinfrastructuur tegen te gaan. De vraag naar stroom loopt steeds meer tegen de grenzen van de elektriciteitsinfrastructuur aan. Om overbelasting en uitval te voorkomen zullen netbeheerders in toenemende mate nieuwe aansluitingen op dat netwerk op een wachtrij moeten plaatsen. Het gevolg daarvan is dat de bouw van nieuwe woningen en andere maatschappelijke en economische ontwikkelingen vertraging kunnen ondervinden of zelfs niet door kunnen gaan. Door grenzen te stellen aan behoefte aan transportcapaciteit tijdens piekmomenten van nieuwe woonwijken blijft er na realisatie meer capaciteit op het netwerk over voor andere ontwikkelingen. Zo kunnen binnen de beperkte ruimte op de elektriciteitsinfrastructuur meer van de maatschappelijk gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgaan, dan zonder deze regels. Door harde prestatienormen te stellen via een netbudget voor nieuwe woningbouw wordt tevens een gelijk speelveld en duidelijkheid gecreëerd voor alle woningbouwontwikkelaars.
De instructieregel gaat alleen over woningen en warmte installaties voor woningbouw en heeft geen gevolgen voor bijvoorbeeld bedrijven of laadpalen voor auto’s. Het netbudget is de maximale hoeveelheid elektriciteit op gebiedniveau of woningniveau die nieuwbouwwoningen mogen verbruiken (in We/m2). Bouwen volgens het netbudget helpt om de druk op de elektriciteitsinfrastructuur te verminderen. Door toepassing van een netbudget wordt ervoor gezorgd dat er meer capaciteit beschikbaar blijft voor toekomstige ontwikkelingen. Bijlage VII Netbewuste woningbouw bevat een toelichting op de wijze waarop netbewuste nieuwbouw kan worden gerealiseerd.
SSSSS
Na sectie 16.2.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De provincie heeft een uitvoeringsprogramma opgesteld voor de bestrijding van invasieve exoten binnen haar grondgebied. Bij het bestrijden van invasieve exoten worden soms ook leefgebieden van beschermde soorten tijdelijk of voor langere duur aangetast. Om de noodzakelijke bestrijding mogelijk te maken geldt een vrijstelling van de vergunningplicht voor een aantal ‘overige soorten’ zoals genoemd in bijlage XI onder B. Men dient wel rekening te houden met de zorgplicht, welke geldt voor alle soorten
TTTTT
Na sectie 16.9a worden vijf secties ingevoegd, luidende:
Eerste lid
Met dit artikel wordt beoogd te voorkomen dat houtopstanden door verkleining of opdeling buiten de herplantplicht zouden vallen. Door ook voor houtopstanden kleiner dan 10 are (1.000 m²) en rijbeplantingen van twintig bomen of minder de herplantplicht van toepassing te verklaren, blijft het karakteristieke groene en landschappelijke beeld behouden. Het artikel borgt daarmee dat ook kleinschalige beplantingsstructuren — die vaak een belangrijke ecologische, landschappelijke of cultuurhistorische functie vervullen — duurzaam worden behouden of hersteld na kap.
Tweede lid
Hiermee wordt verduidelijkt in welke aanvullende gevallen niet kan worden afgeweken van de herplantplicht, en onder welke voorwaarden herplant op andere gronden kan plaatsvinden in het kader van een ruimtelijk besluit. Hiermee wordt beoogd dat voor bepaalde categorieën houtopstanden en beplantingsstructuren de landschappelijke en ecologische waarden duurzaam worden geborgd en niet verloren gaan door velling zonder herstel.
Voor erfbeplanting geldt dat deze een structurele bijdrage levert aan de landschappelijke inpassing van erven en aan de omgevingskwaliteit. Daarom is bepaald dat zowel meldingsplicht als herplantplicht van toepassing blijft bij velling. Dit voorkomt dat karakteristieke erfstructuren ongemerkt verdwijnen.
Voor rijbeplantingen van populier en wilg langs wegen, watergangen en landbouwgronden geldt dat deze elementen een belangrijke rol spelen in het open polderlandschap van Flevoland, onder meer voor windvang, beeldkwaliteit en ecologische verbindingen. Door herplantplicht en herplant op dezelfde locatie als uitgangspunt vast te leggen, wordt continuïteit van deze lineaire structuren gewaarborgd. Alleen wanneer Gedeputeerde Staten gemotiveerd anders besluiten, kan hiervan worden afgeweken.
Voor bijzondere bomen buiten de bebouwingscontour is de meldings- en herplantplicht van overeenkomstige toepassing verklaard. Deze bomen vertegenwoordigen vaak hoge landschappelijke-, cultuurhistorische- of natuurwaarden. Door herplant op dezelfde locatie in beginsel verplicht te stellen en herplant binnen drie jaar bosbouwkundig verantwoord te laten plaatsvinden, wordt het blijvende karakter van deze elementen versterkt.
Onderdeel c en d
Hier wordt voorzien in een gerichte uitzondering op de herplantplicht voor situaties waarin herbeplanting niet doelmatig of niet passend wordt geacht. Voor houtopstanden die onderdeel uitmaken van een agroforestry-systeem geldt dat kap en herinrichting veelal plaatsvinden binnen een dynamisch teeltsysteem. Door hiervoor geen herplantplicht te laten gelden, wordt de flexibiliteit binnen deze bedrijfsvorm behouden en wordt innovatie in duurzame landbouwpraktijken niet onnodig belemmerd.
Daarnaast wordt voor landschapselementen met een oppervlakte kleiner dan 1 are (100 m²) een uitzondering op de herplantplicht opgenomen. Omdat deze elementen vaak functioneel van aard zijn, zou een herplantplicht hier disproportioneel kunnen uitwerken. De meldplicht blijft echter in stand, zodat het provinciaal overzicht van aanwezige landschapselementen behouden blijft. Tevens wordt beoogd agrariërs te stimuleren om kleinschalige landschapselementen op agrarische gronden aan te leggen, zonder dat dit leidt tot onevenredige lasten of beperkingen. Voor landschapselementen aangeplant na 1 januari 2026 en kleiner dan 0,01 hectare geldt daarom geen herplantplicht, terwijl de meldplicht in stand blijft om inzicht te behouden in het areaal landschapselementen.
Door vast te leggen dat de gronden hun agrarische bestemming en gebruikswaarde behouden — zowel na aanleg als na verwijdering van deze elementen — wordt voorkomen dat de aanleg van kleinschalige beplanting leidt tot planologische of functionele belemmeringen voor het agrarisch bedrijf. Hiermee wordt ruimte geboden voor vrijwillige vergroening, terwijl het landschappelijk en ecologisch belang van deze elementen wel kan worden gevolgd via de meldplicht.
Voor erfbeplanting geldt deze uitzondering niet, omdat deze elementen sinds de aanleg van de polder een structurele bijdrage leveren aan de landschappelijke kwaliteit en het erfbeeld.
Dit artikel geeft nadere afbakening voor de toepassing van maatwerkvoorschriften waarbij (gedeeltelijke) afwijking van de herplantplicht kan worden overwogen. Daarbij is van belang dat de ruimtelijke, ecologische en beleidsmatige belangen zorgvuldig worden meegewogen. Daarom is bepaald dat maatwerk alleen mogelijk is wanneer het betreffende landschapselement niet binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt en de ingreep niet leidt tot het verkleinen van een boskern tot onder de grens van 15 hectare.
Daarnaast geldt dat in het gebied geen soorten met een instandhoudingsdoelstelling mogen voorkomen, zodat de natuur- en biodiversiteitswaarden niet worden aangetast. Tot slot is compensatie geborgd doordat andere gronden beschikbaar zijn of beschikbaar worden gesteld voor nieuwe natuur of herbeplanting. Op deze wijze wordt ruimte geboden voor maatwerk, terwijl het provinciale natuur- en bosbelang structureel wordt beschermd.
Tweede lid
Dit biedt de mogelijkheid om herplant op andere gronden toe te staan wanneer velling noodzakelijk is in het kader van een provinciaal ruimtelijk besluit, zoals een projectbesluit, omgevingsplan of buitenplanse vergunning. Hiermee wordt voorzien in een zorgvuldige belangenafweging tussen ontwikkeling en natuur- en landschapswaarden, waarbij compensatie via herplant elders is geborgd en het provinciale kwaliteitsniveau in stand blijft.
Dit artikel geeft nadere invulling aan de eisen voor aanvragen waarbij herbeplanting niet op de oorspronkelijke locatie, maar op andere gronden plaatsvindt. Het doel hiervan is te waarborgen dat compensatie zorgvuldig, doelmatig en met voldoende kwaliteitsborging wordt vormgegeven.
Door het verplicht stellen van een beplantingsplan, inclusief bodem- en waterhuishoudkundige onderbouwing, soortensamenstelling, plantverband en nazorgplan, kan vooraf worden beoordeeld of de herbeplanting duurzaam en toekomstbestendig is. De aanvraag wordt daarnaast ondersteund met een passende begroting, waarin zowel grondaankoop als aanleg- en beheerkosten zijn meegenomen. Hiermee wordt geborgd dat de uitvoering financieel haalbaar is en dat nazorg daadwerkelijk kan worden gerealiseerd.
De inhoudelijke eisen aan herbeplanting zijn gericht op het realiseren van vergelijkbare of betere ecologische en landschappelijke waarden dan op de oorspronkelijke locatie. Daarbij wordt onder meer aandacht besteed aan geschiktheid van bodem en waterhuishouding, tijdige kroonvorming en het uitsluiten van sier- en invasieve soorten. Voor Natura 2000-gebieden geldt aanvullend dat geen afbreuk mag worden gedaan aan instandhoudingsdoelen.
De toepassing van differentiële compensatiefactoren houdt rekening met de ontwikkelingsfase en de ecologische betekenis van de gevelde houtopstand: jongere beplantingen vragen een lagere compensatie, terwijl voor oudere en meer waardevolle houtopstanden een hogere compensatie geldt. Voor situaties waarin houtopstanden door natuurlijke processen of natuurherstelmaatregelen tenietgaan, kan gemotiveerd van de compensatiefactor worden afgeweken. Op deze wijze wordt een evenwicht gevonden tussen ruimtelijke ontwikkeling, natuurherstel en duurzaam behoud van bos- en landschapswaarden.
Onderdeel b; nazorgplan
Het nazorgplan vormt een essentieel onderdeel van de beoordeling van herbeplanting en heeft tot doel te borgen dat nieuwe aanplant duurzaam kan uitgroeien tot een volwaardige houtopstand met voldoende ecologische en landschappelijke kwaliteit. Nazorg en beheer zijn daarbij onlosmakelijk verbonden met het begrip bosbouwkundig verantwoord, waarbij aandacht wordt besteed aan levensvatbaarheid, soortenkeuze, groeiomstandigheden en structurele ontwikkeling van het beplantingsvak.
In het nazorgplan wordt vastgelegd welke beheermaatregelen worden uitgevoerd om de jonge aanplant te laten slagen, zoals periodiek onderhoud, bescherming tegen vraat en verwijdering van ongewenste opslag. Door middel van monitoring en jaarlijkse evaluatie wordt de groei en vitaliteit gevolgd en gerapporteerd. Wanneer meer dan 10% van de aanplant binnen drie jaar uitvalt, worden herstelmaatregelen getroffen, waaronder herplant met gelijkwaardige soorten.
Daarnaast bevat het nazorgplan afspraken over bescherming tegen schade, de duur van de nazorgperiode en de verantwoordelijke beheerder. Ook wordt de financiële borging van beheer- en vervangingskosten inzichtelijk gemaakt. Hiermee wordt gewaarborgd dat niet alleen de aanleg, maar ook het vervolgbeheer zorgvuldig is geborgd en dat de beoogde ecologische en landschappelijke waarden daadwerkelijk worden gerealiseerd en behouden.
Hier is vastgelegd welke aanvullende gegevens bij de melding van voorgenomen velling moeten worden aangeleverd. Het doel hiervan is om Gedeputeerde Staten in staat te stellen een zorgvuldige en inhoudelijk goed onderbouwde beoordeling te maken van de effecten van de voorgenomen velling op natuur-, landschaps- en omgevingswaarden.
Door het opnemen van gegevens over de aard en omvang van de velling, de boomsoorten en leeftijd, alsmede een QuickScan Flora en Fauna, wordt inzicht verkregen in de ecologische betekenis van de houtopstand. De gevraagde topografische en kadastrale informatie maakt het mogelijk om de velling ruimtelijk nauwkeurig te duiden.
Daarnaast wordt met het opnemen van de voorgenomen herplantlocatie geborgd dat reeds bij de melding aandacht wordt besteed aan herstel of compensatie van het groenelement. Hiermee wordt het belang van zorgvuldige planvorming en het waarborgen van de kwaliteit van het landschap en de natuurwaarden nadrukkelijk verankerd in het meldingsproces.
UUUUU
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van de Omgevingswet geldt dat jachthouders met een jachtakte zich met anderen verplicht organiseren in een wildbeheereenheid, ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. In de voormalige Wet natuurbescherming hebben de wildbeheereenheden een prominente rol gekregen. Het zijn over het algemeen de wildbeheereenheden die uitvoering zullen geven aan het faunabeheerplan. Zij zullen in de praktijk het beheer uitvoeren op grond van de omgevingsvergunning voor beheer en zij bevorderen dat de aangesloten jachthouders de jacht en de schadebestrijding uitvoeren overeenkomstig het faunabeheerplan en ten dienste van de grondgebruikers. Daarnaast adviseren de wildbeheereenheden de faunabeheereenheid over de inhoud van de faunabeheerplannen en leveren zij –op basis van tellingen en een afschotregistratie– de gegevens aan ten behoeve van het faunabeheerplan.
De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn. Om de wildbeheereenheden deze taken effectief te kunnen laten uitvoeren, is in de Omgevingswet voorzien dat alle van het geweer gebruikmakende jachthouders –jachthouders met een jachtakte– binnen het werkgebied van een wildbeheereenheid zich bij deze eenheid moeten aansluiten. Dit versterkt het streekgebonden karakter van schadebestrijding, beheer en jacht met het geweer nog verder. De wildbeheereenheden zijn gehouden uitvoering te geven aan het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan.
In de voormalige Omgevingsverordening Flevoland was in artikel 8.18 vastgelegd dat er in Flevoland maximaal vier wildbeheereenheden zijn. Ondanks deze bepaling was in Flevoland slechts één wildbeheereenheid werkzaam. Gebleken is dat dit niet goed is voor de regionale herkenbaarheid van de jachthouders, het duiden van faunaschade in de provincie en het verkrijgen van regio specifieke adviezen over faunabeheerplannen.
Om dit te verbeteren heeft de provincie ervoor gekozen in de omgevingsverordening nadrukkelijk vast te leggen welke wildbeheereenheden er zijn en welk werkgebied zij hebben. Hier liggen de adviezen van de bestuurlijk verkenner Van Hemmen (2018), BIJ12 faunazaken (2020), Faunabeheereenheid (2020) en de Oprichtingscommissie drie of vier wildbeheereenheden (2021) aan ten grondslag.
Gekozen is voor de drie herkenbare regio’s in Flevoland: Noordelijk Flevoland bevat het grondgebied van de gemeenten Noordoostpolder en Urk. De Knardijk is de grens tussen Oostelijk Flevoland en Zuidelijk Flevoland. De dijk Enkhuizen-Lelystad valt onder het werkgebied van Zuidelijk Flevoland. Bij besluit van 25 mei 2022 (zie provinciaal blad 2022, 7665) is vastgelegd in Artikel 16.1816.19 van deze verordening welke wildbeheereenheden er zijn en welk werkgebied zij hebben.
WWWWW
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XXXXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie Flevoland constateerde in 2019 een toenemende maatschappelijke onrust over de toename van het aantal geiten. Die onrust houdt onder meer verband met de negatieve gevolgen van geitenhouderijen voor de volksgezondheid. Aanleiding is een aantal onderzoeken en adviezen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en GGD's, waaronder het in augustus 2016 verschenen RIVM-rapport Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO-1)) en het in juni 2017 verschenen RIVM-rapport Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies): Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen (VOG-2). Die onderzoeken tonen aan dat er een mogelijke samenhang is tussen geitenhouderijen en longontsteking bij omwonenden binnen een straal van 2twee kilometer rondom een geitenhouderij. Zodra de precieze oorzaken van de gezondheidseffecten duidelijk zijn, wordt ook duidelijk of, en zo ja welke, (bedrijfs-)maatregelen genomen kunnen worden. Zolang er onduidelijkheid bestaat over de precieze oorzaken, is het vanuit het voorzorgprincipe nodig dat er een stop komt op de ontwikkelingsmogelijkheden voor geitenhouderijen. Zie het Omgevingsprogramma Flevoland (paragraaf 1.2.1.6 en plan-ID NL.IMRO.9924.GeconsOPFlevoland-GV01) voor meer achtergrondinformatie.
Aanvullend wordt opgemerkt dat op 27 oktober 2020 GGD-richtlijn Veehouderij en gezondheid is gepubliceerd. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. DeHet eerste uitgangspunt is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2twee kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriËnbacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.
Omdat nog onbekend is waardoor mensen die wonen in de buurt van geitenhouderijen vaker een longontsteking hebben, zijn in opdracht van het Rijk in 2019 verschillende vervolgonderzoeken gestart door de RIVM, Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL), Wageningen University & Research (WUR) en het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit van Utrecht (IRAS). Onderzoek naar oorzaken van longontstekingen rond geitenhouderijen (VGO III) bestaat uit verschillende onderdelen. Hierin wordt onderzocht welke ziekteverwekkers longontstekingen veroorzaken, aan welke ziekteverwekkers geitenhouders blootstaan (of hebben gestaan) en worden onder meer veegmonsters en luchtmonsters op geitenhouderijen genomen. Hiermee willen de onderzoekers achterhalen waarom mensen die wonen in de buurt van geitenhouderijen vaker een longontsteking hebben. De deelprojecten zijn als gevolg van de COVID-19 epidemie later gestart in september 2020 en de resultaten worden naar verwachting eind 2022. Het VGO-III rapport is in februari 2025 gepubliceerd. Mogelijk leidt dit vervolgonderzoek naarDit RIVM-rapport bevestigt dat in gebieden met veel veehouderijen longontstekingen vaker voorkomen. Vooral omwonenden van geitenhouderijen lopen extra risico op longontsteking. Dit risico is het verband tussen geitenhouderijen en een groter aantal longontstekingengrootst voor omwonenden tot nieuwe inzichtenmensen die het dichtstbij wonen. Indien uitHet kabinet heeft naar aanleiding van dit landelijk onderzoek oorzakenrapport de Gezondheidsraad om advies gevraagd. Pas na advies van de ziektelast door geitenhouderijen blijken en er zicht is op oplossingsgerichte maatregelen,Gezondheidsraad worden verdere stappen verwacht. Afhankelijk van die stappen kan besloten worden in hoeverre en op welke wijze dit hoofdstuk van de omgevingsverordening wordt aangepast.
In het kader van het provinciaal belang van het beschermen en realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving heeft de provincie er voor gekozen om provinciebreed met een doelmatige en doeltreffende regeling te komen. Uit voorzorg voor de gezondheid van omwonenden in samenhang met de provinciale zorg voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en de daarmee verbonden bevordering van de kwaliteit van de leefomgeving, waaronder de volksgezondheid, hebben Provinciale Staten van Flevoland d.d. 30 januari 2019, nr. 2368315 en plan-ID NL.IMRO.9924.VBGeitenstop-VA01, met een voorbereidingsbesluit de verdere ontwikkeling van geitenhouderijen tijdelijk verboden op het grondgebied van de provincie (geitenstop). Dit voorbereidingsbesluit is inwerking getreden op 2 februari 2019.
Dit hoofdstuk in de omgevingsverordening bouwt voort op dit voorbereidingsbesluit. Met de inwerkingtreding van het hoofdstuk Geitenhouderijen in de Omgevingsverordening Flevoland per 1 augustus 2019 is het voorbereidingsbesluit van rechtswege (artikel4.1, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening) vervallen.
De geitenstop bestaat uit het verbod op nieuwvestiging van geitenhouderijen (oprichten, vestigen e.d.) en op uitbreiding van bestaande geitenhouderijen voorzovervoor zover gelegen binnen een straal van twee kilometer van de rand van een woonkern (de vrijwaringszone geitenhouderijen).
YYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste en tweede lid.
Deze artikelleden bevatten rechtstreeks voor de geitenhouderij geldende verboden. De verboden betreffen (eerste lid) de nieuwvestiging van geitenhouderijen en (tweede lid) de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen gelegen binnen een straal van 2twee kilometer van de rand van een woonkern. Deze regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid Omgevingswet (voorheen artikel 4.1, derde lid Wet ruimtelijke ordening). Gekozen is voor een combinatie met instructieregels (Artikel 17.4) als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid Omgevingswet. Het in deze vorm stellen van de regels in voorkomt dat de Flevolandse gemeenten al direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in de omgevingsverordening gestelde instructieregels zouden moeten hebben vertaald in alle omgevingsplannen. Dat zou niet doelmatig en doeltreffend zijn en ook de overgangstermijn doorkruisen waarin gemeenten kunnen toewerken naar een volledig en samenhangend omgevingsplan.
Deze verboden continueren het al in het voorbereidingsbesluit opgenomen verbod, dat voor alle duidelijkheid wat meer is uitgewerkt dan de in het voorbereidingsbesluit gebruikte algemene formulering. Beoogd is een bevriezing van de op de dag van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit legaal bestaande situatie. De peildatum is daarmee 2 februari 2019.
Eerste lid
Verboden is de nieuwvestiging van geitenhouderijen. De term 'geitenhouderij' lijkt op zichzelf voldoende duidelijk en wordt in de verordening niet anders bedoeld dan in het gangbare spraakgebruik. Het toevoegen van een begripsbepaling voor 'geitenhouderij' is nodig om de toepassing van het verbod tot nieuwvestiging (Artikel 17.3, eerste lid) en uitbreiding (Artikel 17.3, tweede lid) toe te snijden op geitenhouderijen van een bepaalde omvang. Voor het bepalen van de ondergrens van deze omvang heeft Flevoland in 2019 aansluiting gezocht bij regelgeving en jurisprudentie. Voor het aantal geiten dat gehouden kan worden, biedenboden de artikelen 1.18 en 3.111 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) een duidelijke aanwijzing. In die artikelen wordt als ondergrens het houden van 10 geiten genoemd. De ondergrens van 10 geiten wordt bovendien door meerdere provincies gehanteerd bij de geitenstop. Bij deze ondergrens heeft de provincie aansluiting gezocht.
Het op kleine schaal houden van geiten, zoals kinderboerderijen met minder dan 10 geiten, valt niet onder deze begripsbepaling en daarmee dus ook niet onder het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding.
Onder de definitie van geitenhouderij vallen eveneens gemengde veehouderijbedrijven en agrarische bedrijven, waarbinnen het houden van geiten niet de hoofdzaak van de bedrijfsvoering inhoudt. De regeling geldt voor de geitenhouderij als geheel, ongeacht de verschijning in de vorm van grondgebonden, intensief en biologisch. Hieruit volgt dat het (geheel of gedeeltelijk) wijzigen van (gemengde) veehouderijbedrijven en/of agrarische bedrijven met de ontwikkeling van een nieuwe (neven-)tak voor het houden van 10 geiten of meer eveneens verboden is. Een dergelijke ontwikkeling is gelet op de definitie van geitenhouderij op te vatten als nieuwvestiging.
Voor alle duidelijk wordt nog opgemerkt dat met 'geiten' de soortnaam wordt bedoeld. Onder de term 'geitenhouderij' valt dus ook de 'bokkenhouderij'.
Tweede lid
Bestaande geitenhouderijen gelegen buiten de straal van twee kilometer van de rand van een woonkern mogen uitbreiden, uiteraard mits de uitbreiding voldoet aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (en daarmee juridisch planologisch inpasbaar) en voor de uitbreiding een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Om duidelijk te maken hoever de geitenstop reikt, is een definitie van bestaande geitenhouderij opgenomen. Deze definitie beschrijft de legaal geldende situatie per de peildatum 2 februari 2019. Hiermee wordt gedoeld op geitenhouderijen die op dat moment enerzijds in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan of met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan Ènèn anderzijds voor alle onderdelen beschikken over de benodigde omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (bouwen, milieu, beperkte milieutoets) dan wel in werking zijn conform een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze legale bestaande geitenhouderijen mogen uitbreiden, uiteraard mits de uitbreiding voldoet aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (en daarmee juridisch planologisch inpasbaar) en voor de uitbreiding een omgevingsvergunning kan worden verleend.
De legaal geldende situatie kan echter afwijken van de feitelijke situatie. De situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen dat er sprake is van een geitenhouderij waarvoor een omgevingsvergunning onderdeel milieu (artikel 2.1, eerste lid onder e en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is afgegeven, die niet voldoet aan de planologische situatie. Anderzijds is het mogelijk dat voor een situatie die past binnen het bestemmingsplan mogelijk geen omgevingsvergunning onderdeel milieu is verleend of een melding Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan. Tenslotte kan er ook sprake zijn van strijdigheid ten aanzien van het bestemmingsplan in combinatie met het ontbreken van de benodigde omgevingsvergunning(en). Het moge duidelijk zijn dat deze geitenhouderijen niet vallen onder de definitie van bestaande geitenhouderijen en als gevolg daarvan niet mogen uitbreiden.
Artikel 17.4 staat geen afwijking van het omgevingsplan toe en dus kan ook geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden verleend (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet en artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Derde lid
Totdat een onherroepelijk omgevingsplan in overeenstemming is met de verboden van Artikel 17.4, eerste lid en Artikel 17.4, tweede lid, geldt Artikel 17.3, derde lid als rechtstreeks werkende regel met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid Omgevingswet (voorheen artikel 4.1, derde lid Wet ruimtelijke ordening). Hiermee wordt er voor gezorgd dat -als onverhoopt de onderzoeken (zie de toelichting bij Artikel 17.4) geen duidelijkheid bieden over de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking- de tijdelijke verbodsbepaling in de omgevingsverordening en de implementatie daarvan in de omgevingsplannen naadloos (in de tijd) op elkaar aansluiten.
ZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste en derde lid
Gekozen is voor een combinatie van rechtstreeks werkende regels (Artikel 17.3) met instructieregels als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid Omgevingswet. Artikel 17.4, eerste lid en Artikel 17.4, derde lid bevatten de inhoudelijke instructieregels aan de gemeenten om de geitenstop in het omgevingsplan op te nemen. Het omgevingsplan dient (eerste lid) de nieuwvestiging van geitenhouderijen en (derde lid) de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen gelegen in de vrijwaringszone geitenhouderijen uit te sluiten. De rechtstreeks werkende regels van Artikel 17.3 gelden zolang en voor zover gemeenten nog geen uitvoering hebben gegeven aan de instructieregels (Artikel 17.3, derde lid).
Tweede lid
In onderzoeken en adviezen van het RIVM en GGD’s zijn mogelijke gezondheidsrisico’s aangetoond voor omwonenden rondom geitenhouderijen. Deze risico’s zijn met name aanwezig in een straal van twee kilometer van de rand van een woonkern. Daarom is aanvullend op de inhoudelijke instructieregels van het eerste en derde lid een instructie opgenomen om in de omgevingsplannen een vrijwaringszone op te nemen bestaande uit een zone van 2 kilometer rondom de in Flevoland aanwezige woonkernen gemeten vanaf de rand van de woonkern.
Voor de definitie van het begrip woonkern is aangesloten bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Onder deze definitie kunnen in de Flevolandse situatie ook ontwikkelingen vallen woonmilieus zoals landgoederen en de objecten waar permanente bewoning is toegestaan. Aanvullend daarop zijn bekende toekomstige ontwikkelingen bij Almere en Zeewolde (Oosterwold) en in Noordoostpolder (Wellerwaard) beschermd door in de definitie te verwijzen naar de Intergemeentelijke structuurvisie Oosterwold (NL.IMRO.0034.SV5ADEHVZ01-vg01 / NL.IMRO.0050.ISVOosterwold-VS01) en het bestemmingsplan Wellerwaard – partiële herziening (NL.IMRO.0171.BP00560-VS01).
De geometrische begrenzing van de vrijwaringszone moet worden vastgelegd in een werkingsgebied. De in dit gebied geldende regels, in ieder geval het verbod op het uitbreiden van bestaande geitenhouderijen, zijn gekoppeld aan het werkingsgebied. Dit maakt het mogelijk dat in het DSO bij een klik op de kaart alleen de in de vrijwaringszone geitenhouderijen geldende regels zichtbaar worden.
Vierde lid
Gelet op artikel 2.23, derde lid, Omgevingswet kan bij instructieregels een termijn worden gesteld waarbinnen aan de instructie uitvoering moet zijn gegeven. Binnen de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening gold hiervoor een termijn van één jaar na inwerkingtreding van de verordening, dus oorspronkelijk tot 1 augustus 2020. Omdat de verwachting is dat het verbod slechts tijdelijk van aard is, wil de provincie onnodige administratieve lasten bij gemeenten voorkomen. Daarom is in 2019 in artikel 16.4 van de inmiddels vervallen Omgevingsverordening Flevoland de onder de Wet ruimtelijke ordening verplichte termijn van één jaar verlengd tot 1 januari 2024. Deze datum is destijds gekozen door twee jaar op te tellen bij de verwachte datum van publicatie van het rapport van het RIVM/IRAS per januari 2022. Dit in verband met de benodigde tijd voor het opstellen, vaststellen en onherroepelijk worden van een bestemmingsplan voor het landelijk gebied.
Vervolgens werd bekend dat de resultaten van de onderzoeken waarschijnlijk eind 2022 zouden worden gepubliceerd, een jaar later dan eerder werd aangenomen. In verband hiermee is in Artikel 17.4, vierde lid van deze Omgevingsverordening de termijn waarbinnen gemeenten uitvoering aan de instructie moet hebben gegeven aangepast in 1 januari 2025.Inmiddels communiceertVervolgens communiceerde het RIVM dat de eindrapportage van alle deelprojecten samen staat gepland voor eind 2024. Als gevolg hiervan is de termijn waarbinnen gemeenten uitvoering aan de instructie moeten hebben gegeven aangepast in 1 januari 2032. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de termijn voor de overgangsfase van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.6 derde lid Omgevingswet en het Besluit van 10 juli 2023 tot vaststelling van een aantal tijdstippen waarvan in de Omgevingswet en daarmee verband houdende wet- en regelgeving is aangegeven dat deze bij koninklijk besluit worden bepaald en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet (Staatsblad 2023, 267).
Inmiddels is het RIVM-rapport VGO III in februari 2025 gepubliceerd. Dit heeft geen gevolgen voor de termijn waarbinnen gemeenten aan de instructieregel van dit artikellid dienen te voldoen.
In de tussentijd geldt Artikel 17.3. Hiermee wordt er voor gezorgd dat –als onverhoopt de onderzoeken geen duidelijkheid bieden over de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking– de tijdelijke verbodsbepaling in de omgevingsverordening en de implementatie daarvan in de omgevingsplannen naadloos (in de tijd) op elkaar aansluiten.
AAAAAA
Na sectie 17.4 worden drie secties ingevoegd, luidende:
Het te beschermen belang
De gemeente Noordoostpolder, de provincie Flevoland, het Koninklijk Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) en de Duits-Nederlandse Windtunnel (DNW) hebben zich samen ingezet voor de ontwikkeling van het Mobiliteit Infrastructuur Test Centrum (MITC) te Marknesse. NLR en de DNW vormen op dit moment het hart van het MITC. Binnenkort voegen ook de RDW en Politie zich daarbij. Het MITC vormt daarmee een testcentrum dat provinciaal, nationaal en internationaal toonaangevend is en belangrijk is voor de regionale brede welvaart en de werkgelegenheid. Met de Regio Deal Noordelijk Flevoland (2e tranche, 2019) wordt deze ontwikkeling gestimuleerd. Bij de Regio Deal investeren zowel Rijk, provincie als gemeente in de ontwikkeling.
De provincie heeft het MITC daarom in haar beleid aangeduid als een bovenregionaal bedrijventerrein (zie: Provinciaal blad 2023, 9051 en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/documenten/NL.IMRO.9924.OPMITCMarknesse-VA01). Het NLR maakt een wezenlijk onderdeel uit van het MITC. Het testen en kunnen oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen is cruciaal voor de functie en taak van het NLR. Voor het behoud en de ontwikkeling van het MITC zijn ontwikkelingen en activiteiten die de exploitatiemogelijkheden van bedrijven die op het MITC zijn gevestigd kunnen beperken, op de lijst van gevallen van provinciaal belang (zie: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR739483) geplaatst. In die gevallen is voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor dergelijke activiteiten/ontwikkelingen advies met instemming van de provincie vereist.
De veranderende wereld van technologie en geopolitiek leidt tot een steeds groter wordende vraag naar drones voor maatschappelijk relevante civiele en militaire doeleinden. Zonder het kunnen benutten van testruimte is het ontwikkelen van een veilig en verantwoorde inpassing van drones in de leefomgeving, zowel in de lucht als op de grond niet mogelijk. De ruimte in de lucht om te kunnen testen en oefenen is schaars. De combinatie van faciliteiten voor toegepast onderzoek en de combinatie met het luchtruim rondom het MITC is uniek. Hier kan beyond visual line of sight gevlogen worden en kunnen operationeel relevante vraagstukken getoetst en getest worden.
Gelet op het belang van de test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen, ligt het in de rede dat dit belang, bij het maken van keuzen tussen verschillende belangen, vóór gaat op andere belangen.
Genomen besluiten – Instructiebesluit en Voorbereidingsbesluit
Ontwikkelingen staan in de omgeving van het MITC niet stil en dit kan ertoe leiden dat de test- en oefenruimte voor het MITC al dan niet geleidelijk steeds meer wordt beperkt. Een concrete ontwikkeling heeft de urgentie duidelijk gemaakt dat op dat moment onmiddellijk bescherming van de test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen nodig is om onomkeerbare ontwikkelingen tegen te gaan. Dit heeft ertoe geleid dat Gedeputeerde Staten op 28 maart 2025 het Instructiebesluit Behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen MITC/NLR (hierna: Instructiebesluit) hebben vastgesteld en bekendgemaakt aan de gemeente Noordoostpolder (zie: Provinciaal blad 2025, 5346 en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/documenten/_akn_nl_act_pv24_2025_9_41).
Bij het geven van de instructie redeneert de provincie vanuit het al in het Omgevingsprogramma Flevoland aangegeven provinciaal belang voor het MITC, waarvan NLR een essentieel onderdeel vormt. Aan de gemeente Noordoostpolder is de instructie gegeven om geen regels op te nemen in het omgevingsplan die het testen van of het oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen binnen het werkingsgebied Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen onevenredig belemmeren, tenzij uit een advies vanuit het Ministerie Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Defensie blijkt dat daartegen geen bezwaar bestaat.
Om te voorzien in een structurele bescherming van de test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen rondom het MITC hebben Provinciale Staten op 14 mei 2025 het Voorbereidingsbesluit Behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen bij het MITC (hierna: Voorbereidingsbesluit) vastgesteld (zie: Provinciaal blad 2025, 8056 en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/documenten/_akn_nl_act_gm0171_2020_omgevingsplan/regels#_akn_nl_act_pv24_2025_12_42_gm0171). Het Voorbereidingsbesluit bepaalt dat instructieregels in de omgevingsverordening worden voorbereid en dat aan het omgevingsplan van de gemeente Noordoostpolder voorbeschermingsregels worden toegevoegd. Met de voorbeschermingsregels wordt in het omgevingsplan een (binnenplanse) vergunningsplicht en toetsingskader gegeven waarmee ontwikkelingen zo nodig tegen gehouden kunnen worden.
De combinatie van het Instructiebesluit en het Voorbereidingsbesluit met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan -en de instructieregels in de omgevingsverordening- maken het toetsingskader voor het vaststellen van omgevingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen compleet.
Geldingsduur voorbeschermingsregels
De voorbeschermingsregels voor het omgevingsplan van Noordoostpolder zijn nodig in verband met het voorbereiden van instructieregels in de Omgevingsverordening provincie Flevoland. De grondslag is artikel 4.16 van de Omgevingswet.
De voorbeschermingsregels vangen aan met een voorrangsbepaling die ervoor zorgt dat, voor zover er elders in dit omgevingsplan regels staan die strijdig zijn met de voorbeschermingsregels, die voorbeschermingsregels gelden. Dit geldt alleen binnen het werkingsgebied ‘Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen’.
De voorbeschermingsregels zijn direct na bekendmaking in het Provinciaal Blad op 16 mei 2025 inwerking getreden en vervallen gelet op artikel 4.16, vijfde lid Omgevingswet na 1 jaar en 6 maanden. De instructieregels van dit hoofdstuk zijn binnen deze termijn bekendgemaakt, waardoor de voorbeschermingsregels pas vervallen op het moment dat:
het omgevingsplan aan de instructieregels is aangepast en in werking treedt, of
de rechter het besluit tot wijziging van het omgevingsplan vernietigt.
Doorwerking voorbeschermings- en instructieregels op aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
aanvraag binnenplanse omgevingsplanactiviteit
Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplan-activiteit als de activiteit niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan over het verlenen van de omgevingsvergunning (artikel 8.0a, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Deze beoordeling omvat ook een toets aan de voorbeschermingsregels in het omgevingsplan. In de voorbeschermingsregels is bepaald dat de omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien door de activiteiten de locatie minder geschikt wordt voor het behouden van test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen binnen het werkingsgebied ‘Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen’ rondom het MITC.
aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a tweede lid Bkl). Het bevoegd gezag toetst hierbij onder andere aan de voorbeschermingsregels in het omgevingsplan alsook aan de provinciale instructieregels. Het bevoegd gezag moet de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit weigeren als de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan of strijdig is met de instructieregels uit dit hoofdstuk. Dit volgt uit het tweede lid, onder a en b, van de artikelen 8.0b en 8.0c Bkl.
Het werkingsgebied is het Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen rondom het MITC. Dit werkingsgebied is opgenomen in bijlage II en is gelijk aan het werkingsgebied voor het eerdergenoemde Instructiebesluit en het Voorbereidingsbesluit. Het omvat de volgende gebieden:
* In de “Regeling beperking of verbod uitoefening burgerluchtverkeer in bepaalde gebieden 2018” zijn de gebieden EHR 66 en EHTSA 67 aangewezen als militaire oefengebieden.
** Het gebied TGB NLR testcentrum high is bij beschikking aangewezen door de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Eerste lid
Voor het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen is door het Rijk luchtruim aangewezen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Defensie zijn samen verantwoordelijk voor het luchtruim. Het aangewezen gebied kan echter niet voor testen en oefenen worden gebruikt, als daar gebruik van gronden en bouwwerken en/of activiteiten plaatsvindt, waardoor het niet veilig is om te testen en te oefenen. Voor het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen moet worden voldaan aan Europese en nationale wet- en regelgeving. Er moet voldaan worden aan de eis in paragraaf 2.4.3 van bijlage IX van de Algemene luchtvaartverordening (Basisverordening (EU) 2018/1139), waarin staat dat gedurende de hele periode van testen een passende separatie ten opzichte van derden op de grond moet worden gewaarborgd. Ook zal voldaan moeten worden aan de Wet luchtvaart waarin is bepaald dat deelname aan het luchtverkeer geen gevaar voor personen of zaken mag opleveren (artikel 5.3 Wet luchtvaart). In de Europese handreiking Specific Operations Risk Assessment (SORA) is uitgewerkt hoe om te gaan met veiligheid. Er kan alleen getest worden in gebieden waar niet te veel mensen aanwezig zijn op het moment van testen (sparcely populated). Gebieden waar veel mensen aanwezig kunnen zijn betreffen onder andere stedelijke en recreatieve gebieden. Op 29 september 2025 is SORA 2.0 vervangen door SORA 2.5 (https://www.easa.europa.eu/en/document-library/agency-decisions/ed-decision-2025018r). In deze nieuwere versie is in Europees verband bepaald waar kwantitatief de grens van ‘te veel mensen’ ligt, namelijk 500 personen per vierante kilometer. De SORA is bindend voor het NLR.
De aanwijzing van het luchtruim is soms onvoldoende bekend. Ook is er wettelijk (nog) geen wederzijdse koppeling gelegd tussen het luchtzijdig en landzijdig gebruik in een gebied. Activiteiten/ontwikkelingen op de grond kunnen ertoe leiden dat er feitelijk geen gebruik gemaakt kan worden van de aangewezen test- en oefenruimte. Het toelaten van ontwikkelingen/activiteiten op de grond kan er (al dan niet geleidelijk) voor zorgen dat het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen te veel wordt beperkt of gevaarlijke omstandigheden opleveren zoals bedoeld in de Wet luchtvaart. Om dit te voorkomen bepaalt deze instructieregel dat er in het omgevingsplan een verbod opgenomen geen functies worden toebedeeld die het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen op enig moment kunnen beperken.
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald dat in een omgevingsplan een verbod moet worden opgenomen om zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied het gebruik van gronden of bouwwerken te wijzigen of bouwwerken te bouwen die het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen op enig moment kunnen beperken.
Derde lid
Het derde lid voorziet in het respecteren van activiteiten/ontwikkelingen waarvoor bestaande rechten gelden. Onder de uitzonderingen wordt verstaan:
Bij bebouwing gaat het om bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van vaststelling van de voorbeschermingsregels uit het eerdergenoemde Voorbereidingsbesluit (14 mei 2025), dan wel mag worden gebouwd op grond van en voor de duur van een omgevingsvergunning die is verleend op of voor 28 maart 2025.
Bij gebruik gaat het om gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van de voorbeschermingsregels uit het Voorbereidingsbesluit (14 mei 2025) of op grond van en voor de duur van een omgevingsvergunning die is verleend op of voor 28 maart 2025.
Indien het gebruik feitelijk gedurende 1 jaar is gestaakt, mag dit gebruik niet worden hervat.
Als peildatum geldt hiervoor 28 maart 2025, omdat Gedeputeerde Staten op 28 maart 2025 het eerdergenoemde Instructiebesluit hebben genomen.
Vierde lid
In dit lid is voor de volledigheid bepaald dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning als bedoeld in alleen verleend, indien het belang waartoe de regeling is opgenomen zich daartegen niet verzet. Het bevoegd gezag voor deze omgevingsvergunning volgt uit paragraaf 5.1.2 Omgevingswet en afdeling 4.1 Omgevingsbesluit. Over het algemeen zal dit het college van burgemeester en wethouders zijn.
Daarnaast ziet het vierde lid op de rol van Gedeputeerde Staten bij het proces van vergunningverlening tot het wijzigen van het gebruik van gronden of bouwwerken of het bouwen van bouwwerken die het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen op enig moment kunnen beperken.
Bij een aanvraag van een dergelijke omgevingsvergunning treden Gedeputeerde Staten op als adviseur met instemmingsrecht. Dit wordt in het omgevingsplan bepaald op grond van artikel 16.15 van de Omgevingswet. Dat Gedeputeerde Staten ook instemmingsrecht hebben volgt uit de artikelen 16.16 Omgevingswet en 4.25 derde lid onder b Omgevingsbesluit én de aanwijzing van het MITC op de Lijst van gevallen van provinciaal belang provincie Flevoland.
Gedeputeerde Staten vragen alvorens het uitbrengen van advies en het geven van instemming advies aan het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Defensie. Deze twee ministeries kunnen als gezamenlijke beheerders van het luchtruim een passende inschatting maken van de (mogelijk negatieve) gevolgen van de verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning. Daarnaast zijn er ook verscheidene Europese richtlijnen/handvatten voor het vliegen met (ongecertificeerde) drones, waarvoor de genoemde ministeries de verantwoordelijkheid dragen om deze om te zetten in nationale wet- en regelgeving. Gedeputeerde Staten zullen in beginsel negatief adviseren en instemming onthouden indien het advies van de ministeries negatief luidt.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-2995.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.