Beleidsregel van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 4 november 2025 tot wijziging van de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant in verband met het invoegen van een nieuwe paragraaf 2.3 Beperken latente ruimte bij veehouderijen (Vierde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

Overwegende dat Gedeputeerde Staten het wenselijk achten de Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant te wijzigen in verband met het invoegen van een nieuwe paragraaf 2.3, waarin regels zijn opgenomen voor het beperken van latente ruimte bij veehouderijen met het oog op de bescherming van de Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel I Wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant

In hoofdstuk 2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

 

Paragraaf 2.3 Beperken latente ruimte bij veehouderijen

 

Artikel 2.3.1 Begripsbepalingen

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

landbouwhuisdieren: landbouwhuisdieren als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit activiteiten leefomgeving;

latente ruimte: dat deel van de toegestane N-emissie in de onherroepelijke natuurtoestemming dat niet benut is of is geweest;

natuurtoestemming:

  • onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de Omgevingswet;

  • onherroepelijke omgevingsvergunning of geldende melding voor een milieubelastende activiteit;

  • activiteit waarvoor voor 1 januari 2024 geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming;

  • activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid, van de Wet natuurbescherming; of

  • activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd;

N-emissie: stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht uitgedrukt in N kg/jaar.

 

Artikel 2.3.2 Toepassingsbereik

Gedeputeerde Staten passen deze paragraaf toe bij het beperken van latente ruimte bij veehouderijen ten aanzien van:

  • a.

    een locatie waar gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar of langer bedrijfsmatig geen landbouwhuisdieren zijn gehouden;

  • b.

    een dierenverblijf dat niet is opgericht en waarvan de daarvoor verleende natuurtoestemming drie jaar of langer geleden onherroepelijk is geworden.

Artikel 2.3.3 Prioritering

  • 1.

    Gedeputeerde Staten geven bij het beperken van latente ruimte prioriteit aan veehouderijen die bij ingebruikname van de latente ruimte de hoogste N-emissie zouden veroorzaken.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten beoordelen periodiek of bij een veehouderij latente ruimte aanwezig is die kan worden beperkt.

Artikel 2.3.4 Beoordeling

  • 1.

    Gedeputeerde Staten beperken de latente ruimte met inachtneming van deze beleidsregel door het geheel of gedeeltelijk intrekken van de natuurtoestemming.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten toetsen bij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit ambtshalve of de N-emissie van een veehouderij de afgelopen 3 jaar niet benut is of is geweest.

Artikel 2.3.5 Restemissie bij passende hergebruiksfunctie

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.3.2, onder a, op verzoek een restemissie toestaan voor een passende hergebruiksfunctie.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten beoordelen een verzoek op basis van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit die binnen drie maanden na verzending van de schriftelijke mededeling, bedoeld in artikel 2.3.6, eerste lid, is ingediend.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten kennen geen restemissie toe indien de aanvraag betrekking heeft op het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren.

  • 4.

    De toegestane restemissie bedraagt maximaal 15% van de toegestane N-emissie in de natuurtoestemming.

Artikel 2.3.6 Procedure

  • 1.

    Gedeputeerde Staten starten de procedure omtrent het beperken van latente ruimte door middel van een schriftelijke mededeling aan de veehouderij.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten leggen binnen zes maanden na verzending van de mededeling, bedoeld in het eerste lid, een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 3.11 van de Algemene wet bestuursrecht ter inzage waarmee de latente ruimte wordt beperkt.

  • 3.

    Indien een veehouderij een aanvraag om omgevingsvergunning voor een nieuwe Natura 2000-activiteit indient, nemen Gedeputeerde Staten het besluit op die aanvraag gelijktijdig met het besluit tot intrekking van de resterende latente ruimte.

Artikel II Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van 1 juli 2026.

’s-Hertogenbosch, 4 november 2025

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Toelichting Toelichting behorende bij de Vierde wijziging Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant

I. Algemeen

Noord-Brabant kent een groot aantal overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Dit blijkt uit de Natuurdoelanalyses (NDA’s) die in 2023 zijn uitgevoerd en de conclusies van de Ecologische Autoriteit hierover. De provincie moet dus (extra) passende maatregelen nemen om verdere verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen. Het beperken van ongebruikte stikstofruimte is één van die maatregelen. In het Bestuursakkoord Noord-Brabant 2023-2027 is dit voornemen al aangekondigd.

Het geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning voor een Natura 2000-activiteit is verplicht als dat nodig is ter uitvoering van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn (verslechteringsverbod). Deze verplichting is vastgelegd in artikel 8.103, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Het beperken van latente ruimte bij veehouderijen vindt plaats door middel van een tijdelijk handelingsverbod in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. De wijze waarop de intrekking van latente ruimte gestalte krijgt, is vastgelegd in een nieuwe paragraaf 2.3 Beperken latente ruimte bij veehouderijen, die in de vierde wijziging van deze beleidsregel is opgenomen.

Deze nieuwe paragraaf heeft betrekking op het beperken van latente ruimte bij veehouderijen met een slapende vergunning en veehouderijen met niet gerealiseerde stallen. Een slapende vergunning betreft veehouderijen die niet (meer) actief zijn of andere activiteiten ontplooien.

 

II. Artikelsgewijs

 

Artikel 2.3.2 Toepassingsbereik

Voor veehouderijen worden twee situaties onderscheiden, te weten de niet meer in werking zijnde veehouderijen (onder a) en dierenverblijven die niet zijn opgericht en waarvan de daarvoor verleende natuurtoestemming drie jaar of langer geleden onherroepelijk is geworden (onder b). Op grond van artikel 3.103 van de Omgevingsverordening Noord-Brabant geldt vanaf 1 juli 2026 een tijdelijk verbod om alsnog gebruik te maken van deze toestemming. Daaropvolgend hebben Gedeputeerde Staten de bevoegdheid om de latente ruimte in de natuurtoestemming in te trekken. Het gaat hierbij altijd om latente ruimte die gedurende een periode van drie jaar niet gebruikt is. Deze termijn sluit aan bij de systematiek zoals opgenomen in artikel 15.6 van de Omgevingswet en daarvoor geldende wetgeving dat een niet gebruikte omgevingsvergunning milieu na drie jaar kan worden ingetrokken. 

De bepaling geldt vanaf 1 juli 2026 voor locaties waar landbouwhuisdieren zijn gehouden.

 

Artikel 2.3.3 Prioritering

Hiermee wordt beoogd de grootste potentiële bijdrage aan stikstofdepositie als eerste weg te nemen. Deze benadering sluit aan bij het doel van deze paragraaf om verdere verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen en draagt bij aan een doelmatige en evenredige uitvoering van de intrekkingsbevoegdheid. 

Periodieke beoordeling geschiedt op basis van beschikbare toezicht- en vergunninggegevens. De term “kan worden beperkt” duidt erop dat Gedeputeerde Staten beleidsruimte behouden om te bepalen in welke gevallen daadwerkelijk tot intrekking wordt overgegaan. De beoordeling vindt plaats binnen het kader van artikel 8.103 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat uitvoering geeft aan het verslechteringsverbod uit artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Gedeputeerde Staten blijven ambtshalve toezien op het aanwezig zijn van latente ruimte.

 

Artikel 2.3.5 Restemissie bij passende hergebruiksfunctie

Op grond van toezichtgegevens is het aannemelijk dat een groot deel van de bedrijven niet alleen al vele jaren niet meer als veehouderij in gebruik is, maar dat daar ook al andere activiteiten plaatsvinden of dat men naar de toekomst toe een andere activiteit wil ontplooien. Daarom is in dit artikel opgenomen dat Gedeputeerde Staten de N-emissie die nodig is voor de beoogde hergebruiksactiviteit kunnen vergunnen. Conform het vierde lid is dit ten hoogste 15% N-emissie ruimte die gerelateerd was aan de exploitatie van de veehouderij.

Deze mogelijkheid is uitsluitend bedoeld voor hergebruik van een beperkte hoeveelheid stikstofruimte voor andere, niet-veehouderij activiteiten. Zo wordt enerzijds ongebruikte stikstofruimte structureel verwijderd, maar blijft anderzijds beperkte ontwikkelruimte beschikbaar, mits dit geen herstart van veehouderijactiviteiten inhoudt. 

 

Artikel 2.3.6 Procedure

Met de schriftelijke mededeling wordt de betrokken ondernemer tijdig in kennis gesteld van het voornemen en krijgt hij de gelegenheid om een zienswijze in te dienen of actuele informatie aan te leveren over het gebruik van het dierenverblijf de stal of de vergunning. 

Alvorens een ontwerpbesluit te nemen gaan Gedeputeerde Staten in overleg met de betrokken gemeente. Dit overleg is van belang om de voorgenomen intrekking af te stemmen op eventuele ruimtelijke ontwikkelingen of gemeentelijke beleidsdoelen op de betreffende locatie. 

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

 

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Naar boven