Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant 10 februari 2026 tot wijziging van de regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant in verband met een aanpassing van de paragrafen 4, 6 en 7 (tiende wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat het wenselijk is de regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant te wijzigen in verband met enkele wijzigingen in de paragrafen 4, 6 en 7;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel I Wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant

De regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

In artikel 1.1 worden in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

agrarisch collectief: vereniging met volledige rechtsbevoegdheid bestaande uit landbouwers en andere grondgebruikers van landbouwgrond;

landbouworganisatie: organisatie in de agrarische sector die aantoonbaar zowel de economische als de sociale belangen van de ondernemers in de agrarische sector behartigt;

 

B.

 

In artikel 2.4.6, tweede lid, onder b, wordt ‘kosten voor bodemverbeteraars en het toepassen daarvan’ vervangen door ‘kosten voor de aanschaf, het transport of het toedienen van bodemverbeteraars’.

 

C.

 

Artikel 2.4.14 wordt als volgt gewijzigd:

  • 1.

    Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

  • 2.

    In het eerste lid (nieuw) wordt na ‘Gedeputeerde Staten verstrekken’ ingevoegd ‘voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.2, eerste lid, onder a,’.

  • 3.

    Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

    • 2.

      Gedeputeerde Staten verstrekken geen voorschot voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.4.2, eerste lid, onder b.

D.

 

Artikel 2.6.4, eerste lid, komt te luiden:

  • 1.

    Een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.6.3, tweede lid, bestaat tenminste uit twee actoren waarvan tenminste één:

    • a.

      landbouwer;

    • b.

      agrarisch collectief;

    • c.

      landbouworganisatie; of

    • d.

      gebiedsspecifieke stichting die landbouwers vertegenwoordigt.

E.

 

Aan artikel 2.6.5, tweede lid, onder a, wordt toegevoegd ‘, waarbij de aanvrager aan de hand van perceelcodes en een kaart aangeeft waar de activiteiten plaatsvinden.

 

F.

 

In artikel 2.6.6, onder b, wordt ‘€ 25.000’ vervangen door ‘€ 30.000’.

 

G.

 

Artikel 2.6.9 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Aan het eerste lid wordt toegevoegd ‘tot een maximum van € 80.000’.

  • 2.

    Onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot derde tot en met vijfde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

    • 2.

      De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, bedraagt:

      • a.

        minimaal € 500.000 en maximaal € 2.000.000 voor aanvragen onder het subsidieplafond bedoeld in artikel 2.6.11, tweede lid, onder a;

      • b.

        minimaal € 500.000 en maximaal € 1.000.000 voor aanvragen onder het subsidieplafond bedoeld in artikel 2.6.11, tweede lid, onder b of c.

  • 3.

    In het derde lid (nieuw), aanhef, wordt ‘De subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, bedraagt minimaal € 500.000 en maximaal € 1.800.000 waarbij de volgende subsidiepercentages gelden’ vervangen door ‘Bij de subsidie bedoeld in het tweede lid gelden de volgende subsidiepercentages’.

H.

 

Artikel 2.6.10 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    In het eerste lid wordt ‘18 november 2024, 9:00 uur, tot en met 27 januari 2025, 17:00 uur’ vervangen door ‘24 februari 2026, 9:00 uur, tot en met 12 mei 2026, 17:00 uur’.

  • 2.

    In het tweede lid wordt ‘13 januari 2025, 9:00 uur, tot en met 28 april 2025, 17:00 uur’ vervangen door ‘24 februari 2026, 9:00 uur, tot en met 26 mei 2026, 17:00 uur’.

I.

 

Artikel 2.6.11 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    In het eerste lid wordt ‘€ 500.000’ vervangen door ‘€ 400.000’.

  • 2.

    Het tweede lid, komt te luiden:

    • 2.

      Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, voor de periode, genoemd in artikel 2.6.10, tweede lid, vast op:

      • a.

        € 4.223.500,- voor projecten waarbij een waterschap deelneemt aan het samenwerkingsverband;

      • b.

        € 4.223.500 voor projecten waarbij geen waterschap deelneemt aan het samenwerkingsverband en die geheel of gedeeltelijk plaatsvinden binnen GGA-gebieden;

      • c.

        € 2.356.719 voor projecten waarbij geen waterschap deelneemt aan het samenwerkingsverband en die geheel plaatsvinden buiten GGA-gebieden.

  • 3.

    Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:

    • 3.

      Onder GGA-gebieden als bedoeld in het tweede lid worden verstaan: gebieden waarin de Groenblauwe gebiedsgerichte aanpak plaatsvindt, te weten de Brabantse Wal, De Bult, Grenscorridor, Kampina en Oisterwijkse Vennen, Kempenland-West, Loonse en Drunense Duinen, Regte heide & Riels Laag, Strabrechtse Heide, Ulvenhoutse Bos, Vitale Peel, Vlijms Ven, Moerputten en Bossche Broek, en Westelijke Langstraat.

J.

 

Artikel 2.6.12 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    In het derde lid, onder a, wordt ‘2’ vervangen door ‘3’.

  • 2.

    In het derde lid, onder d, wordt ‘1’ vervangen door ‘2’.

  • 3.

    In het vijfde lid, onder c, wordt ‘2’ vervangen door ‘1’.

K.

 

In artikel 2.6.13, tweede lid, wordt ‘8 maanden’ vervangen door ’12 maanden’.

 

L.

 

Artikel 2.7.7, onder b, komt te luiden:

  • b.

    als bedoeld in artikel 2.7.2, aanhef en onder b, voor de periode, genoemd in artikel 2.7.6, tweede lid, vast op € 1.812.333;

M.

 

In artikel 2.7.10, eerste lid, onder b, wordt ‘uiterlijk twee jaar’ vervangen door ‘uiterlijk drie jaar’.

 

N.

 

Bijlagen 6 en 7, behorende bij de regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant, worden vervangen door bijlagen I en II behorende bij deze regeling.

Artikel II Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

  • 2.

    Deze regeling werkt ten aanzien van artikel I, onderdeel C, terug tot en met 1 februari 2024.

’s-Hertogenbosch, 10 februari 2026,

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Bijlage I bij de tiende wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant

 

Bijlage 6 behorende bij artikel 2.6.12, eerste lid, van de regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant

 

Voor het bepalen van de rangschikking van projecten zijn vier selectiecriteria benoemd. Per selectiecriterium zijn diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld.

 

1. Mate waarin aanvrager in staat is een gebiedsplan op te stellen in relatie tot de opgave van het gebied

 

Bij dit selectiecriterium wordt gekeken naar in hoeverre de aanvrager in staat is om uitdagingen van een eigen afgebakend gebied met voor dit gebied, deze omgeving, logische partijen in kaart te brengen en daarvoor oplossingen aan te dragen. De aanvrager moet kunnen laten zien hoe het op te stellen gebiedsplan mede kan bijdragen aan de doelen klimaat, milieu en biodiversiteit. Een duidelijke en feitelijk onderbouwde beschrijving van het beoogde gebied en de daarbij behorende uitdagingen zijn onontbeerlijk. Een gebied kan een lokaal geografisch afgebakende omgeving zijn. Een initiatiefnemer bepaalt zelf de afbakening hiervan en daarmee de omvang. De gedachte van deze regeling is dat samenwerkingsverbanden en gebiedsplannen worden ontwikkeld om lokaal gevoelde problemen op te lossen door gezamenlijke investeringen en inspanningen van lokaal gevestigde en betrokken gebiedspartijen.

 

2. Mate waarin de aanvrager in staat is het samenwerkingsverband te organiseren

 

Een aanvraag wordt ook beoordeeld op in hoeverre de aanvrager laat zien dat hij in staat is een potentieel samenwerkingsverband te bouwen en daarbij de juiste partners kan vinden ten behoeve van de uitvoering van het beoogde gebiedsplan en de daarin geadresseerde uitdagingen. Hierbij wordt gelet op hoe de aanvrager inzicht geeft in hoe voldoende draagvlak gevonden kan worden voor een succesvolle uitvoering van het gebiedsplan. Dit kan bijvoorbeeld blijken uit een beschrijving van kennis en ervaring met belangenvertegenwoordiging en gebiedsprocessen.

 

3. De voorgenomen organisatie en samenstelling van het samenwerkingsverband

 

Bij de voorgenomen organisatie en samenstelling van het samenwerkingsverband wordt de aanvraag beoordeeld op hoe het beoogde samenwerkingsverband wordt samengesteld, welke beoogde partners hierbij, naast landbouwers, in beeld zijn en hoe de samenwerking wordt georganiseerd ofwel hoe de samenwerking in de praktijk gaat werken. Wat zijn van de beoogde partners ieders beoogde taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden?

 

4. De haalbaarheid van de activiteiten

 

Bij haalbaarheid wordt gekeken naar in hoeverre het opstellen van een gebiedsplan, het feitelijke planproces, als een haalbare kaart wordt gezien. De aanvrager moet voor het te doorlopen planproces laten zien dat dit tot een geslaagde uitvoering zal leiden. De juridische uitvoerbaarheid van voorgenomen activiteiten die onderdeel worden van het op te stellen gebiedsplan, moet bijvoorbeeld geborgd zijn. Ook moet de aanvrager blijk geven van welke eventuele risico’s en uitdagingen in de voorbereiding gezien worden, dat kan technisch van aard zijn, maar ook organisatorisch of financieel. Risico’s in het planproces moeten benoemd zijn en beheersbaar gemaakt zijn. Daarbij moet ook aandacht uitgaan naar welke mogelijke tegenstrijdige effecten van het beoogde integrale gebiedsplan zouden kunnen optreden, en welke beheermaatregelen worden genomen om deze effecten te voorkomen. Zie ook artikel 2.6.5, eerste lid, onder c.

 

Toekenning van punten

Het toekennen van punten vindt per selectiecriterium op basis van de daarbij genoemde beoordelingsaspecten als volgt plaats:

  • -

    0 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer gering is;

  • -

    1 punt wordt toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, gering is;

  • -

    2 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, matig is;

  • -

    3 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, voldoende is;

  • -

    4 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, goed is;

  • -

    5 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer goed is.

tabel selectiecriteria

 

 

Selectiecriterium

Weging

Te behalen punten

Maximum per criterium

a

Mate waarin de aanvrager in staat is een gebiedsplan op te stellen in relatie tot de opgave van het gebied

3

0-5

15

b

Mate waarin de aanvrager in staat is het samenwerkingsverband te organiseren

2

0-5

10

c

De voorgenomen organisatie en samenstelling van het samenwerkingsverband

1

0-5

5

d

De haalbaarheid van de activiteiten

2

0-5

10

Maximumaantal te behalen punten

40

Bijlage II bij de tiende wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant

 

Bijlage 7 behorende bij artikel 2.6.12, vierde lid, van de regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant

 

Voor het bepalen van de rangschikking van projecten zijn zeven selectiecriteria benoemd. Per selectiecriterium zijn diverse aspecten benoemd op basis waarvan een project wordt beoordeeld.

 

Ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen

 

De ambitie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    Blijkt uit de ambitie van het gebiedsplan een gebiedsgerichte, integrale aanpak? Hoe is de gebiedsopgave beschreven: in hoeverre zijn gezamenlijk gevoelde problemen en uitdagingen in een afgebakend gebied omschreven waarbij de ambitie is geformuleerd om gezamenlijk tot oplossingen te komen voor deze uitdagingen? In hoeverre spelen landbouwers en de landbouw hierin een rol?

  • 2.

    Is het gebiedsplan passend binnen de doelen, omgevingsvisies, plannen en (beleids)programma’s van provincie, waterschappen en gemeenten (valt de gebiedsaanpak bijvoorbeeld binnen de prioritaire Groenblauwe gebiedsgerichte aanpak (GGA) of het Regionaal Water- en Bodemprogramma (RWP) van de provincie Noord-Brabant)?; Wat is de ambitie van het gebiedsplan om aan deze doelen bij te dragen? Denk aan de doelen voor klimaat, milieu en biodiversiteit en bredere doelen als gezondheid, dierenwelzijn, sociaaleconomische versterking en het versterken van de landbouwstructuur.

  • 3.

    Wat zijn de ambities van de betrokken landbouwers? Het gebiedsplan moet in elk geval de continuïteit en duurzaamheid van de landbouw borgen.

Diversiteit van de partijen en aantal samenwerkende partijen

 

De diversiteit van het samenwerkingsverband: welke partijen investeren samen in oplossingen voor de gebiedsopgave die is opgenomen in het gebiedsplan. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:

  • 1.

    Nemen, naast landbouwers, voor de beschreven gebiedsopgave relevante gebiedspartijen deel zoals overheden, collega-ondernemers, terrein beherende organisaties, natuur- en landschapsorganisaties, kennispartijen, grondeigenaren? Of anderzijds betrokken partijen, zoals boerenorganisaties, landgoedeigenaren, ketenpartners, adviseurs of burgers?

  • 2.

    Hoe divers is de samenstelling van de samenwerking? Wat is de toegevoegde waarde van iedere afzonderlijke partner en hoe vullen zij elkaar aan in de samenwerking? Waarom zijn dit de juiste partners voor de gezamenlijke uitvoering van het gebiedsplan?

  • 3.

    In hoeverre dragen alle partners de kosten en investeringen voor het plan, welke financiële bijdragen leveren alle partners zelf?

Draagvlak voor het gebiedsplan

 

Het draagvlak voor de uitvoering van het gebiedsplan wordt beoordeeld door te kijken naar of de uitvoering van het gebiedsplan obstakelvrij is. In samenhang met de volgende aspecten wordt het draagvlak voor het gebiedsplan als volgt beoordeeld:

  • 1.

    Op welke steun, bijvoorbeeld van lokale overheden of lokale gevestigde andere ondernemers en partijen, kan de uitvoering van het gebiedsplan van de partners in het samenwerkingsverband rekenen en hoe is dit onderbouwd? Hoe divers is de opsomming van betrokken belanghebbende gebiedspartijen die draagvlak hebben getoond voor de uitvoering van het gebiedsplan?

  • 2.

    Hoe heeft afstemming plaats gevonden met deze in het gebied aanwezige andere belanghebbende partijen die niet mee participeren in de uitvoering van het gebiedsplan, maar wel een belang hebben bij de uitvoering van het gebiedsplan?

  • 3.

    Heeft er mogelijk reeds een eerder gebiedsproces in het gebied plaatsgevonden waarop kan worden voortgebouwd?

Effectiviteit van de activiteit

 

De mate van effectiviteit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:

  • 1.

    In hoeverre draagt het gebiedsplan bij aan de doelen van de openstelling: klimaat, milieu (bodem, water en lucht) en biodiversiteit. Een gebiedsplan dat bijdraagt aan zowel klimaat, milieu als biodiversiteit, zal hoger scoren dan een gebiedsplan dat enkel bijdraagt aan één van deze doelen. Is er ook een nulmeting of aanvullende feitelijke onderbouwing over deze doelen opgenomen om te kunnen sturen op streefbeelden en beoogde resultaten?

  • 2.

    Zijn de doelen van het gebiedsplan op een logische wijze uitgewerkt naar activiteiten zoals investeringen, kennisoverdracht en bewustwording en samenwerking voor innovatie?

  • 3.

    In hoeverre worden nieuwe kennis, concepten en innovaties in het project meegenomen om een grotere effectiviteit te realiseren in bijvoorbeeld de landbouw?

Efficiëntie van uitvoering van de activiteit

 

Bij efficiëntie wordt gekeken naar de hoogte van de kosten die gemaakt moeten worden om de beoogde doelen en resultaten die opgenomen zijn in het gebiedsplan te bereiken. De mate van efficiëntie wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:

  • 1.

    Welke input, bijvoorbeeld geld, kennis en kunde, wordt ingezet en benut om de beoogde resultaten te kunnen realiseren?

  • 2.

    Hoe efficiënt is de samenwerking georganiseerd, in hoeverre wordt de uitvoering van het gebiedsplan bijvoorbeeld projectmatig aangepakt? Zijn duidelijke werkafspraken tussen de partners in het samenwerkingsverband vastgelegd en is sprake van kennisdeling om van elkaar te leren?

Haalbaarheid van de activiteit

 

Bij haalbaarheid wordt gelet op de kans van slagen van de uitvoering van het gebiedsplan, gedurende de uitvoering maar ook in de tijd na ‘oplevering’ van het gebiedsplan. Belangrijk element hierin is in hoeverre de toekomst van de landbouw geborgd is. De mate van haalbaarheid wordt beoordeeld door in samenhang te kijken naar:

  • 1.

    Staan de voorgenomen investeringen in verhouding tot de toekomst voor de voortzetting van de bedrijven? Zijn de investeringen logisch haalbare gekozen investeringen? In hoeverre zullen de investeringen leiden tot het genereren van een bestendig inkomen voor de boerenbedrijven? Bevat het gebiedsplan een beschrijving van de structurele inbedding van de resultaten na afloop (waaronder beheer- en exploitatiekosten)?

  • 2.

    Is voorzien in de nodige flexibiliteit voor aanpassingen in de plannen, wat, waar, wie, hoeveel, wanneer? In hoeverre zijn mogelijke risico’s geïdentificeerd en hoe is risicomanagement beschreven in het gebiedsplan?

  • 3.

    In hoeverre is vergunbaarheid van de activiteiten aangetoond? Past het gebiedsplan binnen de vigerende richtlijnen voor ruimtelijke ordening van het gebied?

Mate van urgentie van de activiteit

Bij urgentie is het van belang om te zien in hoeverre de voorgenomen investeringen en maatregelen urgent zijn voor de beschreven gebiedsopgave in het gebiedsplan. Is in de regio, het gebied, sprake van een urgente opgave voor de doelen klimaat, milieu en biodiversiteit?

 

Toekenning van punten

Het toekennen van punten vindt per selectiecriterium op basis van de daarbij genoemde beoordelingsaspecten als volgt plaats:

  • -

    0 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer gering is;

  • -

    1 punt wordt toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, gering is;

  • -

    2 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, matig is;

  • -

    3 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, voldoende is;

  • -

    4 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, goed is;

  • -

    5 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer goed is.

tabel selectiecriteria

 

 

Selectiecriterium

Weging

Te behalen punten

Maximum per criterium

a

Ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen

3

0-5

15

b

Diversiteit van de partijen en aantal samenwerkende partijen

1

0-5

5

c

Draagvlak voor het gebiedsplan

1

0-5

5

d

Effectiviteit van de activiteit

2

0-5

10

e

Efficiëntie van uitvoering van de activiteit

2

0-5

10

f

Haalbaarheid van de activiteit

1

0-5

5

g

Mate van urgentie van de activiteit

1

0-5

5

Maximaal te behalen punten

55

 

Toelichting behorende bij de tiende wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant

I. Algemeen

 

In 2024 is paragraaf 6 voor het eerst opengesteld. Naar aanleiding van de ervaringen met deze openstelling is paragraaf 6 op enkele plekken gewijzigd. Daarnaast bevat deze wijzigingsregeling technische aanpassingen in paragrafen 4 en 7.

 

II. Artikelsgewijs

 

Artikel I (Wijziging regeling Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Noord-Brabant)

 

Onder A en D (artikelen 1.1 en 2.6.4, eerste lid)

 

De aanpassing van artikel 2.6.4 vergroot de toepasbaarheid van de paragraaf. Landbouwers gaven aan een hoge drempel te ervaren om deel te nemen aan een samenwerkingsverband. Een landbouworganisatie, agrarisch collectief of gebiedsspecifieke stichting kan een goede rol vervullen om landbouwers aan te laten sluiten bij een gebiedsproces.

Deelname van een landbouworganisatie, agrarisch collectief of gebiedsspecifieke stichting leidt daarnaast tot vermindering van administratieve last voor individuele landbouwers. Gelet op deze aanpassing zijn de termen ‘agrarisch collectief’ en ‘landbouworganisatie’ toegevoegd aan de begripsbepalingen.

 

Onder B (artikel 2.4.6, tweede lid)

 

De aanpassing van onderdeel b bevestigt welke kosten de grondslag vormen voor de subsidie voor bodemverbeteraars. Dit zijn de aanschaf, het transport en het toedienen van bodemverbeteraars. Een aanvrager die onder het tweede lid kosten opvoert voor het toedienen van bodemverbeteraars, en onder het eerste lid kosten voor de aanschaf van bodemverbeteraars, zal daarom een (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag ontvangen. Dit betreft dan de kosten voor de aanschaf van bodemverbeteraars.

 

Onder C en artikel II (artikel 2.4.14)

 

De bepaling over de bevoorschotting is om financieel-technische redenen aangepast. Deze wijziging is afgestemd met de waterschappen. De wijziging heeft terugwerkende kracht tot en met 1 december 2025, waardoor deze ook kan worden toegepast op aanvragen die zijn ingediend onder de afgelopen openstellingsperiode. De waterschappen, die de aanvragers zijn van deze subsidies, hebben met deze aanpassing ingestemd. Van een benadeling van aanvragers is daarmee geen sprake.

 

Onder E (artikel 2.6.5, tweede lid)

 

Artikel 2.6.11, tweede lid, bevat drie deelsubsidieplafonds. Gelet op deze deelplafonds is het van belang te weten waar de activiteiten plaatsvinden. Daarom is aan de aanvraagvereisten toegevoegd dat de aanvrager aangeeft waar de activiteiten plaatsvinden. Dit wordt uitgevraagd via het aanvraagformulier op de webportal van Stimulus, www.glb-webportal.nl/mijn/LoginPage.

 

Onder F (artikel 2.6.6)

 

De ervaring leert dat weinig aanvragers een bedrag op of rond het minimumbedrag aanvragen. Gelet op deze ervaring is het minimumbedrag verhoogd.

 

Onder G (artikel 2.6.9)

 

eerste lid

Het maximumbedrag van € 80.000 sluit aan bij de bandbreedtes die voor deze activiteit zijn opgenomen in het NSP.

 

tweede en derde lid

Het maximumbedrag van 1,8 miljoen per project is verhoogd. Het maximum is nu € 2 miljoen voor samenwerkingsverbanden met een waterschap als deelnemer, en € 1 miljoen voor samenwerkingsverbanden zonder waterschap als deelnemer. Deze maximumbedragen sluiten aan bij de beschikbare financiering voor aanvragen van samenwerkingsverbanden met een waterschap als deelnemer. Voor aanvragen van samenwerkingsverbanden zonder waterschap als deelnemer sluiten de bedragen daarnaast aan bij de ervaringen uit de eerdere openstelling.

 

Gelet op deze wijziging is het tweede lid gesplitst in een tweede en een derde lid.

 

Onder I (artikel 2.6.11, tweede en derde lid )

 

Gelet op de achterliggende financiering is het subsidieplafond voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan (2.6.11) opgesplitst in drie categorieën. Dit voorkomt dat de achterliggende financiering terecht komt bij aanvragen die niet bijdragen aan de met de financiering beoogde doelen. Een van de categorieën betreft projecten binnen de Groenblauwe gebiedsgerichte aanpak (GGA). In de GGA werken verschillende organisaties samen aan een sterk Brabants buitengebied, via combinaties van oplossingen om water, bodem en lucht op orde te brengen. De GGA omvat gebiedsprocessen in 12 prioritaire gebieden. De perceelcodes behorend bij deze gebieden staan op de website van Stimulus, www.stimulus.nl/glb-23-27/documenten/.

 

Bij deze drie categorieën gaat het om:

  • a.

    projecten met een waterschap als deelnemer;

  • b.

    projecten (geheel of gedeeltelijk) binnen GGA-gebieden, zonder waterschap als deelnemer;

  • c.

    projecten buiten GGA-gebieden, zonder waterschap als deelnemer.

Deze onderverdeling komt terug in de maximumbedragen in artikel 2.6.9, tweede lid. Hoewel een waterschap geen deel kan uitmaken van het samenwerkingsverband en dus geen projectkosten kan maken bij projecten bedoeld onder b en c, kan het wel een intentieverklaring indienen waaruit blijkt dat het waterschap een dergelijk project steunt.

 

Op grond van artikel 2.6.5, tweede lid, onder a, bevat het gebiedsplan (onder meer) een afbakening van het gebied. Deze afbakening, inclusief de gegevens die de aanvrager aanlevert aan de hand van een kaart, wordt gebruikt om te bepalen of een project onder het plafond valt voor projecten die geheel of gedeeltelijk binnen GGA-gebieden, of onder het plafond voor projecten buiten GGA-gebieden,

 

Onder J (artikel 2.6.12)

 

Het subsidieplafond wordt verdeeld op basis van selectiecriteria.

In bijlagen 6 en 7 is uitgewerkt hoe het bepalen van de scores op basis van de selectiecriteria plaatsvindt. Hierbij geldt op grond van artikel 1.12, vierde lid, dat een aanvraag niet wordt gehonoreerd als deze minder dan 60% van het totaal aantal te behalen punten behaalt.

 

Uit het tweede en derde lid volgt dat een aanvraag voor voorbereiding van integrale gebiedsontwikkeling maximaal 40 punten kan behalen. Voor deze activiteit is de drempel daarmee 24 punten (60% van 40). Een aanvraag die 23 punten of minder behaalt, wordt afgewezen.

Uit het vierde en vijfde lid volgt dat een aanvraag voor uitvoering van integrale gebiedsontwikkeling maximaal 55 punten kan behalen. Voor deze activiteit is de drempel daarmee 33 punten (60% van 55). Een aanvraag die 32 punten of minder behaalt, wordt afgewezen.

 

Onder K (artikel 2.6.13, tweede lid)

 

De verplichting het project binnen 8 maanden na de subsidieverlening af te ronden, blijkt voor bij projecten voor voorbereiding van integrale gebiedsontwikkeling vaak lastig te halen. Om het aantal verzoeken om verlenging van deze termijn te verminderen, wordt deze aangepast naar 12 maanden na de subsidieverlening.

 

Onder L en M (artikelen 2.7.7 en 2.7.10)

 

In deze artikelen zijn twee aanpassingen doorgevoerd die de uitvoering van de regeling voor zowel aanvragers als subsidieverstrekker eenvoudiger maakt.

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

 

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Naar boven