Subsidieregeling Landschapswerkplaats

[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: Bijlage 3 – Landschapswerkplaats beplantingslijst (boeren)erven.]

 

GEDEPUTEERDE STATEN VAN DE PROVINCIE GRONINGEN

 

Overwegende dat:

  • op 11 maart 2019 het bestuursakkoord van Nationaal Programma Groningen is ondertekend en in de afspraken die op deze datum zijn gemaakt in 'Een programma dat groeit' al gesproken wordt over het 'Toekomstbeeld 2040' (later Toukomst), een programma gericht op bewonersparticipatie;

  • in het programmakader Nationaal Programma Groningen 100 miljoen euro gereserveerd is voor het programma Toukomst (vastgesteld door bestuur Nationaal Programma Groningen op 19 september 2019 en op 13 november 2019 door Provinciale Staten);

  • op 30 juni 2021 Provinciale Staten het programmaplan Toukomst vastgesteld heeft;

  • op 15 juni 2022 het dagelijks bestuur van Nationaal Programma Groningen het project ‘de Landschapswerkplaats’ goedgekeurd heeft;

  • op 18 oktober 2024 het dagelijks bestuur van Nationaal Programma Groningen ‘de Werkplaatsagenda’ van de Landschapswerkplaats goedgekeurd heeft;

  • de Landschapswerkplaats als doel heeft het Groninger landschap mooier, groener en toegankelijker te maken voor bewoners, ondernemers en toeristen. Daarvoor werkt de Landschapswerkplaats tien gebundelde initiatieven van en voor Groningers uit. Dit wordt in samenhang gedaan, zodat de initiatieven elkaar versterken;

  • de tien gebundelde initiatieven de basis vormen voor deze subsidieregeling;

  • deze subsidieregeling het mogelijk maakt om initiatieven van Groningers onder lokale regie uit te laten voeren.

Gelet op:

  • titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • artikel 3 van de Kaderverordening subsidies provincie Groningen 2017;

  • de Procedureregeling subsidies provincie Groningen 2018;

Besluiten vast te stellen de Subsidieregeling Landschapswerkplaats luidende als volgt:

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • -

    agroforestry: vorm van agrarische economische activiteit ten behoeve van voedselproductie waarbij meerjarige bomen en struiken bewust worden gemengd met akkerbouw, groenteteelt of grasland op hetzelfde perceel, waardoor meerwaarde kan ontstaan voor ecologie (zoals voor insecten), landschap en recreatie ten opzichte van reguliere vormen van voedselproductie. Ook kan er vee worden gebruikt in het systeem;

  • -

    autochtoon plantmateriaal: autochtoon, oorspronkelijk inheems of ‘wild’. Onder autochtoon wordt verstaan, een soort (populatie) van nature, dus spontaan en zonder menselijke invloed in een gebied voorkomt en zich na de laatste ijstijd spontaan gevestigd heeft;

  • -

    Awb: Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    beheerevaluatie: een kwaliteitsbeoordeling van het gevoerde beheer aan de hand van natuurmonitoring en ecologische interpretatie;

  • -

    beleefbaar: toegankelijk en zichtbaar maken van het Groninger landschap en haar verhalen zodat mensen het landschap en haar historie kunnen ervaren. Dit kan ook door middel van een fysieke kunstuiting;

  • -

    berm: een strook grond gelegen naast of tussen de openbare weg, wandelpad, kanaalkant, watergang of dijk;

  • -

    biodiversiteit: de variabiliteit in organismen uit de gehele wereld, waaronder terrestrische, mariene en andere aquatische ecosystemen en de ecologische verbanden waar ze deel van uitmaken; de diversiteit betreft de variatie binnen soorten (genen), tussen soorten en tussen ecosystemen;

  • -

    BRTN: Basisrecreatietoervaartnet. Het landelijk basisnetwerk van recreatieve vaarwegen in Nederland gebaseerd op zowel het verbindende karakter van vaarwegen als de maximale diepgangen en hoogte van de recreatievaartuigen.

  • -

    de-minimisverordening: Verordening (EU) 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun;

  • -

    diepen en maren: stelsel van waterlopen;

  • -

    ecologisch bermbeheer: het beheren van bermen met als doel het in stand houden of verbeteren van de natuurkwaliteit en -kwantiteit van inheemse flora en fauna. Onder ecologisch bermbeheer valt in etappes maaien, afvoeren van maaisel, niet klepelen en flexibel aanpassen van moment van uitvoering;

  • -

    erf: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

  • -

    groene linten: groene linten zijn die delen van de wegdorpen die geflankeerd worden door een fraaie combinatie van karakteristieke bebouwing, zware en volgroeide wegbeplanting en slingertuinen;

  • -

    houtige beplanting of gewassen: overblijvende planten met een houtachtige stengel of stam, bomen of struiken;

  • -

    industrieel- en watererfgoed: cultuurhistorische samenhangen en ensembles die bijdragen aan de erfgoedwaarde van diepen en maren. Denk hierbij aan kunstwerken als bruggen en sluizen, bijzondere fenomenen langs oevers zoals havens en aanlegplaatsen, schipperswoningen, watergebonden industrie en waterbuurtjes waar handel plaatsvond;

  • -

    kleine vaarwegen: vaarwegcategorie E, F of G van de BRTN;

  • -

    kleinschalige vaarrecreatie: kanovaren, roeien, kleine zeil- en (elektrische) motorboten, SUP en windsurfen op vaarwegen behorend tot de vaarwegcategorie E, F of G. Op E vaarwegen mag een boot maximaal 9m lang zijn en 1m diepgang hebben. Op F vaarwegen mag een boot maximaal 7,5m lang zijn en maximaal 0,80m diepgang hebben;

  • -

    Kaderverordening: Kaderverordening subsidies provincie Groningen 2017;

  • -

    kunstuiting: een fysiek object of werk dat door een kunstenaar is gemaakt met als doel om esthetische waarde toe te voegen aan de omgeving;

  • -

    landelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom;

  • -

    lijnvormige houtige beplanting: landschapselementen als (knot)bomenrijen, bos- en houtsingels en houtwallen, lanen, struweelranden, heggen en hagen en wegbeplantingen die in een rechte of gebogen lijn in het landschap voorkomen met overwegend houtige gewassen;

  • -

    nulmeting: eenmalige inventarisatie van soorten die de huidige situatie of toestand van een gebied in kaart brengt teneinde doelen en maatregelen op te stellen;

  • -

    opengesteld: gebied of plek is toegankelijk voor publiek voor een deel van de dag;

  • -

    plantmateriaal: bomen of struiken die worden gebruikt bij nieuwe aanplant;

  • -

    Procedureregeling: Procedureregeling subsidies provincie Groningen 2018;

  • -

    provincie: provincie Groningen;

  • -

    routes: bewegwijzering;

  • -

    pad: infrastructuur waarover men kan wandelen, fietsen of zich per paard kan voortbewegen;

  • -

    ruiter- of menpad; onverhard pad dat is aangelegd voor paardrijden of mennen en aangeduid is met bebording;

  • -

    streekeigen plantmateriaal: wilde soorten bomen en/of struiken die in betreffende streek, grondsoort en waterhuishouding voorkomen. Referentielijst is bijlage 2 Probos overzicht beplantingstypen;

  • -

    voedselbossen: type bos dat voornamelijk voedselproductie tot doel heeft en kan worden aangemerkt als economische activiteit. Bij een voedselbos wordt het ecologische systeem van een bos van boom- tot kruidlaag nagebouwd waardoor meerwaarde kan ontstaan voor ecologie (waaronder insecten), landschap, recreatie en educatie ten opzichte van reguliere vormen van fruitteelt of voedselproductie. In een voedselbos wordt een grote variatie aan eetbare, veelal niet- inheemse houtige gewassen toegepast zoals fruitbomen en besdragende struiken;

  • -

    voorziening pauzemogelijkheid: voorziening in de vorm van een zitgelegenheid in de openlucht die het voor de recreant mogelijk maakt om een tussenstop in te lassen. Voor voorzieningen bij ruiterpaden kan het ook gaan om voorzieningen voor paarden, zoals een opstapplaats of drinkvoorziening;

  • -

    vrij toegankelijk: toegang zonder restricties;

  • -

    zaaigoed: bloemenmengsels.

Artikel 1.2 Doel

Het realiseren van een netwerk van blauw-groene dooradering, recreatieve infrastructuur en het beleefbaar maken van het Groninger landschap en haar geschiedenis.

Artikel 1.3 Subsidievorm

Subsidies worden verstrekt in de vorm van een geldbedrag.

Artikel 1.4 Openstelling en subsidieplafond

  • 1.

    Gedeputeerde staten stellen in een openstellingsbesluit de periode vast waarbinnen een aanvraag kan worden ingediend.

  • 2.

    In het openstellingsbesluit kunnen gedeputeerde staten nadere regels stellen met betrekking tot:

    • a.

      de doelgroep;

    • b.

      het geografische gebied;

    • c.

      subsidiabele kosten;

    • d.

      subsidieplafond per geografisch gebied en/of categorieën en maatregelen;

    • e.

      categorieën van maatregelen.

  • 3.

    Gedeputeerde staten stellen in het openstellingsbesluit één of meerdere subsidieplafonds vast.

Artikel 1.5 Doelgroep

Subsidie kan worden aangevraagd door rechtspersonen die gevestigd zijn in de provincie Groningen.

Artikel 1.6 Algemene weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 4:25 en 4:35 Awb en artikel 2.5 en 2.6 van de Procedureregeling wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien:

    • a.

      de aangevraagde activiteiten in strijd zijn met de Omgevingsvisie provincie Groningen en de Omgevingsverordening provincie Groningen;

    • b.

      de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan € 10.000,-;

    • c.

      de aanplant van plantmateriaal voortvloeit uit een compensatieopgave;

    • d.

      niet is voldaan aan de bepalingen, verplichtingen en vereisten zoals die zijn gesteld in deze regeling.

  • 2.

    De weigeringsgrond van artikel 2.5, eerste lid onder e, van de Procedureregeling is niet van toepassing.

Artikel 1.7 Subsidievereisten algemeen

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de aangevraagde activiteit beschikt over lokaal draagvlak;

    • b.

      het beheer en onderhoud van de te subsidiëren activiteit is voor ten minste vijf jaar na realisatie aantoonbaar geregeld;

    • c.

      de activiteiten die gerealiseerd worden zijn vrij toegankelijk of opengesteld, tenzij beperkingen nodig zijn met betrekking tot het vogelbroedseizoen;

    • d.

      het plantmateriaal bestaat uit houtige gewassen die voor minimaal 95 procent streekeigen zijn;

    • e.

      de activiteiten worden gerealiseerd in de provincie Groningen;

    • f.

      subsidie wordt slechts verleend voor zover het project obstakelvrij is. Dit houdt in dat er geen formele, juridische en financiële aspecten zijn die de uitvoering van het project in de weg staan zodat de uitvoerbaarheid gegarandeerd is;

    • g.

      de activiteiten bijdragen aan het realiseren van de in de Werkplaatsagenda en in deze Uitvoeringsregeling geformuleerde doelen en prestaties.

  • 2.

    Van lokaal draagvlak is sprake als aangetoond kan worden dat er betrokkenheid is van lokale bewoners en/of organisaties. Dit blijkt bijvoorbeeld uit financieringsbronnen, deelnemende partners, enquêtes en de steun van vrijwilligers

Artikel 1.8 Subsidiabele kosten

  • 1.

    Voor zover zij direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteit komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:

    • a.

      investerings- en realisatiekosten;

    • b.

      vrijwilligersuren;

    • c.

      proceskosten:

      • i.

        advies-, onderzoeks-, communicatie- en planvormingskosten;

      • ii.

        boekhouding voor zover deze niet meer dan 2% bedragen van de totale subsidiabele kosten;

      • iii.

        accountantskosten.

    • d.

      legeskosten;

    • e.

      beheer- en onderhoudskosten voor een periode van 5 jaar voor zover deze niet meer dan 15% bedragen van de totale subsidiabele kosten;

    • f.

      de kosten voor opname in het bewegwijzerde netwerk van Routebureau Groningen.

  • 2.

    Werkelijke loonkosten en kosten van inhuur van derden komen voor subsidie in aanmerking voor maximaal € 150,- per uur excl. BTW.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.5, eerste lid, onder a van de Procedureregeling zijn proceskosten die gemaakt zijn voorafgaand wel subsidiabel. Indien proceskosten zijn gemaakt voorafgaand aan het indienen van de aanvraag dan mogen deze niet meer bedragen dan 10% van de totale subsidiabele kosten en niet eerder dan 12 maanden voor de aanvraag zijn verricht. De proceskosten bedragen tezamen niet meer dan 30% van de totale subsidiabele kosten.

  • 4.

    Vrijwilligersuren mogen in de projectfinanciering worden meegenomen tegen een uurtarief van € 25,-. Vrijwilligersuren bedragen maximaal 25% van de subsidiabele kosten van de subsidie.

Artikel 1.9 Niet-subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.5 van de Procedureregeling komen de volgende kosten niet voor subsidie in aanmerking:

  • a.

    verwerving van onroerende zaken;

  • b.

    exploitatiekosten;

  • c.

    ontwikkelen van nieuwe digitale middelen;

  • d.

    achterstallig onderhoud;

  • e.

    waardedaling van gronden;

  • f.

    beheer- en onderhoudskosten voor verharde paden.

Artikel 1.10 Indieningsvereisten

  • 1.

    Een aanvraag wordt ingediend door middel van een aanvraagformulier.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 2.1 van de Procedureregeling bevat een subsidieaanvraag:

    • a.

      een projectbeschrijving waarin is opgenomen:

      • i.

        voor welke categorie(en) subsidie wordt aangevraagd;

      • ii.

        hoe aan de subsidievereisten wordt voldaan met een beschrijving van de locatie en wijze van uitvoering van het project;

      • iii.

        de verwachte resultaten van het project;

      • iv.

        de realisatietermijn.

    • b.

      een begroting inclusief een opgave van subsidies of vergoedingen die voor dezelfde activiteit zijn aangevraagd bij andere overheden, organisaties of personen en de stand van zaken daarvan;

    • c.

      indien het project wordt uitgevoerd op gronden die niet in eigendom zijn bij de aanvrager dient een verklaring van de grondeigenaar te worden overgelegd dat deze de intentie heeft aan de uitvoering van het project medewerking te verlenen;

    • d.

      een toelichting dat het project obstakelvrij is of zal worden;

    • e.

      een de-minimisverklaring voor zover subsidie wordt aangevraagd voor activiteiten genoemd in artikel 2.2 onder c.

  • 3.

    Indien de aanleg van wandelpaden, fietspaden, ruiterpaden of vaarroutes onderdeel is van de subsidieaanvraag, dan moet uit de aanvraag duidelijk worden of de te realiseren paden volgens het Routebureau Groningen opgenomen moeten worden in het bewegwijzerde routenetwerk.

  • 4

    Voor hoofdstuk 9 categorie Groene longen: groene (boeren)erven geldt dat het tweede lid sub a voor zover het de locatie betreft en het tweede lid sub c van dit artikel niet van toepassing zijn in afwijking van artikel 2.1 van de Procedureregeling. Wel moet worden aangegeven in welk gebied het project plaatsvindt en naar welke spreiding gestreefd wordt. Daarnaast dient de intentieverklaring van eigenaren achteraf te worden ingediend.

Artikel 1.11 Verdeelcriteria

  • 1.

    Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.

  • 2.

    Indien een subsidieaanvraag niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de subsidieaanvraag volledig is als datum van binnenkomst.

  • 3.

    Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting.

Artikel 1.12 Verplichtingen algemeen

In aanvulling op artikel 2.10 van de Procedureregeling gelden de volgende verplichtingen:

  • a.

    alvorens met de activiteit wordt gestart dienen alle wettelijk benodigde toestemmingen te zijn verleend;

  • b.

    de activiteit waarvoor subsidie is verleend dient binnen 2 jaar na verlening van de subsidie te zijn uitgevoerd. Deze termijn kan tweemaal met een jaar worden verlengd;

  • c.

    indien uit artikel 1.10 derde lid gebleken is dat te realiseren paden opgenomen dienen te worden in het bewegwijzerde routenetwerk van Routebureau Groningen dan is dit een verplichting bij realisatie;

  • d.

    de te subsidiëren activiteit wordt voor ten minste vijf jaar in stand gehouden;

  • e.

    de aanplant van plantmateriaal vindt plaats tussen 1 oktober en 15 maart van het opvolgende kalenderjaar.

Artikel 1.13 Vaststelling subsidies

  • 1.

    Subsidies tot € 25.000,- worden door gedeputeerde staten:

    • a.

      direct, zonder voorafgaande subsidieverleningsbeschikking, vastgesteld, of;

    • b.

      ambtshalve vastgesteld binnen 13 weken na de vervulling van de opschortende voorwaarde indien sprake is van subsidieverlening onder opschortende voorwaarde.

  • 2.

    Voor subsidies als bedoeld in het eerste lid geldt dat er desgevraagd een foto van de activiteit dient te worden overgelegd.

  • 3.

    Bij een subsidie van € 25.000,- tot € 125.000,- of voor een subsidie vanaf € 125.000,- worden de standaardbepalingen van de Procedureregeling gehanteerd.

Artikel 1.14 Hardheidsclausule

Gedeputeerde staten kunnen de bepalingen gesteld bij of krachtens deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken indien toepassing hiervan, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking, naar hun oordeel leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Hoofdstuk 2 Categorie vaarrecreatie

Artikel 2.1 Doel

Het ontwikkelen van kleinschalige vaarrecreatie.

Artikel 2.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het ontwikkelen, beleefbaar maken en verbeteren van kleine vaarwegen om deze geschikt en toegankelijk te maken voor de kleinschalige recreatievaart;

  • b.

    het ontwikkelen en verbeteren van routes;

  • c.

    elektrische sloepen en laadpalen voor elektrische sloepen ten behoeve van verhuur;

  • d.

    het beleefbaar maken van kleine vaarwegen voor de kleinschalige recreatievaart door middel van een kunstuiting.

Artikel 2.3 Subsidievereisten

  • 1.

    Voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.2 onder c dient aanvullend te worden voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      een aanvraag wordt gedaan voor minimaal 2 elektrische sloepen;

    • b.

      bij een aanvraag voor elektrische sloepen wordt in de aanvraag opgenomen voor welke vaarroutes de verhuur van de vaartuigen in ieder geval ingezet gaat worden;

    • c.

      aan aanvrager is niet eerder subsidie verleend voor elektrische sloepen op grond van deze regeling;

    • d.

      elektrische sloepen dienen uitsluitend voor commerciële verhuur beschikbaar te zijn in ieder geval gedurende het vaarrecreatie seizoen van 1 mei tot 1 oktober;

    • e.

      een laadpaal komt alleen in aanmerking voor subsidie in combinatie met een elektrische sloep.

  • 2.

    In afwijking van de algemene bepalingen is artikel 1.7 onder c niet van toepassing voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.2 onder c.

  • 3.

    Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 onder d kan alleen in combinatie met een activiteit uit artikel 2.2 onder a of 2.2 onder b worden aangevraagd.

Artikel 2.4 Subsidiepercentage en hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie voor een aanvraag voor vaarrecreatie in artikel 2.2 onder a tot en met c bedraagt maximaal € 50.000,-.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie voor een aanvraag voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 onder d bedraagt maximaal € 25.000,-.

Artikel 2.5 Subsidieverplichtingen

Indien subsidie aangevraagd wordt voor elektrische sloepen, infrastructuur, aanlegsteigers of laadpalen voor vaarrecreatie dienen deze voorzieningen te worden aangemeld bij het Open Data Platform van Marketing Groningen.

Artikel 2.6 Weigeringsgrond

Indien de aangevraagde subsidie voor de activiteiten in artikel 2.2 aanhef onder c niet kan worden verstrekt met toepassing van de de-minimisverordening wordt de aanvraag geweigerd.

Hoofdstuk 3. Categorie diepen en maren

Artikel 3.1 Doel

Het ontsluiten, herstellen en versterken van het netwerk van bestaande en verdwenen diepen en maren ter bevordering van de biodiversiteit, de leefbaarheid, klimaatadaptatie en waterbeheer.

Artikel 3.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het landschappelijk zichtbaar(der) maken van bestaande en verdwenen diepen en maren;

  • b.

    het herstellen van verdwenen diepen en maren;

  • c.

    het beleefbaar maken van bestaande en verdwenen diepen en maren door:

    • i.

      het vergroten van de toegankelijkheid van deze diepen en maren door aanleg van nieuwe fiets- en wandelpaden;

    • ii.

      informatie te verstrekken over de diepen en maren;

    • iii.

      aansluiting te realiseren op wandel- en fietspaden en vaarroutes;

    • iv.

      maatregelen te nemen voor recreatie in of vanaf het water;

    • v.

      kennisdeling en het beleefbaar maken van het industrieel- en watererfgoed langs diepen en maren.

  • d.

    de inzet van diepen en maren voor het verhogen van de biodiversiteit;

  • e.

    het beleefbaar maken van bestaande en verdwenen diepen en maren door een kunstuiting.

Artikel 3.3 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen dient onderbouwing geleverd te worden dat het project betrekking heeft op een Groningse diep of maar of verdwenen Groningse diep of maar. Uitgesloten van subsidie zijn de Hunze, de Fivel en het Reitdiep. Bij verdwenen diepen en maren moet aan de hand van historisch materiaal aannemelijk gemaakt worden dat het gaat om een verdwenen diep of maar.

  • 2.

    Subsidie voor activiteit als bedoeld in artikel 3.2 onder e kan alleen in combinatie met een andere activiteit uit artikel 3.2 worden aangevraagd.

Artikel 3.4 Subsidiepercentage en hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten

  • 2.

    De hoogte van de subsidie voor een aanvraag voor activiteiten op grond van artikel 3.2. onder a tot en met d bedraagt maximaal € 200.000,-.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie voor een aanvraag voor een activiteit op grond van artikel 3.2 onder e bedraagt maximaal € 25.000,-.

Artikel 3.5 Weigeringsgrond

Er wordt geen subsidie verstrekt voor het herstel van industrieel- en watererfgoed.

Hoofdstuk 4. Categorie kiek'n en doun

Artikel 4.1 Doel

De verhalen van Groningen voortkomend uit de Veldatlas zichtbaar en beleefbaar maken in het landschap.

Artikel 4.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    realisatie van voorzieningen en paden voor fietsen, wandelen en varen waardoor beleefplekken onderling worden verbonden;

  • b.

    maatregelen voor het delen van informatie en het beleefbaar maken van de verhalen, waaronder bebording;

  • c.

    het beleefbaar maken van de verhalen door middel van een kunstuiting.

Artikel 4.3 Subsidievereisten

  • 1.

    Subsidie voor een activiteit als bedoeld in artikel 4.2 onder c kan alleen in combinatie met een andere activiteit uit artikel 4.2 worden aangevraagd.

  • 2.

    Het verhaal dat verteld en beleefbaar gemaakt wordt is opgenomen in de Veldatlas van het Nationaal Programma Groningen.

Artikel 4.4 Subsidiepercentage en hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie bedraagt voor een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 onder a en b maximaal € 50.000,-.

  • 3.

    Indien de aanleg van een fietspad onderdeel is van de aanvraag bedraagt de subsidie voor een fietspad maximaal € 200.000,-.

  • 4.

    De hoogte van de subsidie bedraagt voor een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2 onder c maximaal € 25.000,-.

Hoofdstuk 5. Categorie ecologisch berm- en oeverbeheer

Artikel 5.1 Doel

Het stimuleren van ecologisch berm- en oeverbeheer door overheden.

Artikel 5.2 Doelgroep

In afwijking van artikel 1.5 omvat de doelgroep voor deze categorie alleen gemeenten en waterschappen.

Artikel 5.3 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het ontwikkelen van een ecologisch berm- of oeverbeheerplan;

  • b.

    een nulmeting van soorten die de huidige staat in de bermen en oevers in kaart brengt;

  • c.

    het uitvoeren van een beheerevaluatie bij het ecologisch beheren van bermen en oevers ten behoeve van verdere verbetering.

Artikel 5.4 Subsidievereisten

  • 1.

    De algemene subsidievereisten van artikel 1.7 zijn niet van toepassing, met uitzondering van artikel 1.7 onder e.

  • 2.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

    • a.

      de aanvraag heeft voor minimaal 80 procent betrekking op bermen en/of oevers buiten de bebouwde kom;

    • b.

      de intentie om over te gaan op ecologisch berm- en oeverbeheer is aantoonbaar geregeld.

  • 3.

    Voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3 onder c dient aanvullend te worden voldaan aan het vereiste dat de aanvrager reeds een ecologisch berm- of oeverbeheerplan heeft vastgesteld op het moment van het indienen van de aanvraag.

Artikel 5.5 Subsidiabele kosten

Artikel 1.8, eerste lid, a, d tot en met f en het derde lid zijn niet van toepassing.

Artikel 5.6 Subsidiepercentage en hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 25.000,-.

Artikel 5.7 Subsidieverplichtingen

  • 1.

    Voor een subsidie als bedoeld in artikel 5.3. onder a dient een ecologisch berm- of oeverbeheerplan bij oplevering minimaal de volgende informatie te bevatten:

    • a.

      de natuurkwaliteit van de bermen, bermsloten en bermgreppels, oevers en een beschrijving van de huidige berm- en oevertypen op voldoende gedetailleerd niveau;

    • b.

      de verspreiding en voorkomen van beschermde en andere prioritaire soorten zoals de rode lijst soorten en de provinciale aandachtssoorten;

    • c.

      lokaal geldende beheerdoelstellingen en de gewenste natuurkwaliteit op voldoende gedetailleerd niveau beschreven;

    • d.

      monitoring, eventueel met inzet van vrijwilligers;

    • e.

      kostencalculatie oud beheer versus nieuw beheer.

  • 2.

    Voor subsidie als bedoeld in artikel 5.3 onder b en c dient aanvullend te worden voldaan aan de verplichting om de resultaten van de monitoring in te voeren in de Nationale Databank Flora en Fauna.

Hoofdstuk 6. Categorie Groningen beleven

Artikel 6.1 Doel

Verbeteren van het aanbod van een padennetwerk voor wandelaars, ruiters en menners ten behoeve van veiligheid en landschapsbeleving en verbeteren van het aanbod van pauzemogelijkheden voor recreanten.

Artikel 6.2 Subsidiabele activiteiten

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    het realiseren van nieuwe fysieke onverharde wandelpaden;

  • b.

    het realiseren van nieuwe fysieke ruiterpaden;

  • c.

    het verbeteren van het aanbod aan voorzieningen voor pauzemogelijkheden voor wandelaars, fietsers of ruiters.

Artikel 6.3 Subsidievereisten

  • 1.

    Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan het vereiste dat het project voor 80% in het landelijk gebied ligt.

  • 2.

    Voor een subsidie als bedoeld in artikel 6.2 onder a en b dient aanvullend te worden voldaan aan het vereiste dat de aan te leggen paden voor één doelgroep (wandelaars of ruiters) zijn aangelegd.

  • 3.

    Voor een subsidie als bedoeld in artikel 6.2 onder b dient aanvullend te worden voldaan aan het vereiste dat het aan te leggen nieuwe ruiterpad bereikbaar moet zijn vanaf een parkeervoorziening voor auto met paardentrailer.

  • 4.

    Voor een subsidie als bedoeld in artikel 6.2 onder b dient aanvullend te worden voldaan aan het vereiste dat nieuwe ruiterpaden een minimale afstand hebben van 8 kilometer.

Artikel 6.4 Subsidiepercentage en hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie voor aanleg van wandelpaden bedraagt per aanvraag maximaal € 15.000,-.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie voor aanleg van ruiterpaden bedraagt per aanvraag maximaal € 50.000,-.

  • 4.

    De hoogte van de subsidie voor aanleg van ruiterpaden bedraagt maximaal € 2.500,- per km.

  • 5.

    De hoogte van de subsidie voor aanleg van voorzieningen voor pauzemogelijkheden bedraagt maximaal € 2.000,- per voorziening. Met een maximum van acht voorzieningen per aanvraag.

Hoofdstuk 7 Categorie groene longen: bossen en lijnvormige houtige beplanting

Artikel 7.1 Doel

Het verbeteren van biodiversiteit, ruimtelijke kwaliteit en klimaat door de aanplant van streekeigen bomen en struiken passend in het landschap van Groningen.

Artikel 7.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor:

  • a.

    de aanleg of uitbreiding van bossen, waaronder ook boomgroepen, en aanleg en herstel van hakhoutbosjes en struwelen passend in het landschap van Groningen;

  • b.

    het aanleggen en herstellen van lijnvormige houtige beplantingen passend in het landschap van Groningen.

Artikel 7.3 Subsidievereisten

Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project ligt in het landelijk gebied of in de overgang naar de bebouwde kom aan de randen van een dorp of stad;

  • b.

    indien herstel onderdeel is van de aanvraag, dan mag dit alleen gaan om herstel veroorzaakt door uitval van bomen door leeftijd, door vraat of aantasting van boomwortels door grondbewerking;

  • c.

    nieuw bos als bedoeld in artikel 7.2 onder a omvat minimaal 0,5 ha aaneengesloten bos;

  • d.

    uitbreiding van bestaand bos als bedoeld in artikel 7.2 onder a omvat minimaal 0,25 ha aaneengesloten bos;

  • e.

    lijnvormige houtige beplantingen als bedoeld in artikel 7.2 onder b dienen minimaal 25 meter lang te zijn;

  • f.

    nieuwe lijnvormige houtige beplanting als bedoeld in artikel 7.2 onder b in de bebouwde kom zorgen voor een verbinding met houtige beplanting in het landelijk gebied;

  • g.

    in afwijking van art 1.7 onder c is het ook voldoende dat het project een zichtlocatie vanaf de openbare weg betreft. In dat geval dient de grondeigenaar minimaal 5 procent bij te dragen in de subsidiabele kosten van het project.

Artikel 7.4 Weigeringsgronden

Geen subsidie wordt verstrekt indien:

  • a.

    de aangevraagde activiteit voortkomt uit herplantplicht;

  • b.

    de aangevraagde activiteit dient voor houtteelt of biomassateelt;

  • c.

    de aangevraagde activiteit is aan te merken als voedselbos of agroforestry.

Artikel 7.5 Subsidiepercentage en hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie voor aanleg van bos bedraagt maximaal € 20.000,- per hectare.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie voor aanleg van lijnvormige houtige beplantingen bedraagt maximaal € 125.000,- per aanvraag.

Hoofdstuk 8 Categorie groene longen: groene dorpen en wijken

Artikel 8.1 Doel

Het verbeteren van biodiversiteit, ruimtelijke kwaliteit en klimaat door de aanplant van streekeigen bomen en struiken in straten, dorpen en wijken.

Artikel 8.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor de aanleg van of uitbreiding van bossen, waaronder ook parken, dorps- en stadsbossen en groene linten.

Artikel 8.3 Subsidievereisten

Om voor subsidie in aanmerking te komen wordt voldaan aan de volgende vereisten:

  • a.

    het project betreft de bebouwde kom, eventueel doorlopend in het landelijk gebied;

  • b.

    aan het project ligt een dorps- of wijkvisie of een vergelijkbaar document ten grondslag waarin de kaders voor ruimtelijke kwaliteit zijn opgenomen en waarbinnen het project past.

Artikel 8.4 Weigeringsgrond

De subsidie wordt geweigerd indien de subsidie wordt aangevraagd voor groenvoorziening bij scholen.

Artikel 8.5 Subsidiepercentage en hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal € 30.000,-.

Hoofdstuk 9 Categorie groene longen: groene (boeren)erven

Artikel 9.1 Doel

Het vergroten van biodiversiteit, ruimtelijke kwaliteit en klimaat door aanleg van houtige beplantingen en groene omzoming op (boeren)erven en vergroten van kennis over de waarde van een groen erf bij eigenaren.

Artikel 9.2 Subsidiabele activiteit

Subsidie kan worden verstrekt voor vergroten van kennis over en de aanleg van houtige beplantingen op (boeren)erven.

Artikel 9.3 Subsidievereisten

  • 1.

    De bepalingen van artikel 1.7 onder a en b zijn niet van toepassing.

  • 2.

    In afwijking van 1.7 onder c is het voldoende wanneer het deelnemende erf zichtbaar is vanaf de openbare weg, openbaar fietspad, vanuit het vrij toegankelijke landschap of wanneer het deelnemend erf voor minimaal een dagdeel per jaar opengesteld wordt voor publiek en over deze mogelijkheid actief gecommuniceerd wordt.

  • 3.

    In afwijking van artikel 1.7 onder d is bijlage 3 de Landschapswerkplaats beplantingslijst voor (boeren)erven leidend.

Artikel 9.4 Subsidiepercentage en hoogte subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt maximaal 75% van de subsidiabele kosten.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie bedraagt minimaal € 25.000,- en maximaal € 300.000,-.

Artikel 9.5 Subsidiabele kosten

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.8 eerste lid onder c mogen proceskosten ook kosten voor kennisdeling bevatten.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1.8 derde lid is het percentage proceskosten maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten.

Artikel 9.6 Verplichtingen

  • 1.

    In afwijking van artikel 1.12 onder b is de uitvoeringstermijn maximaal vier jaar. Daarnaast is het mogelijk deze termijn met één jaar te verlengen.

  • 2.

    Van het project ligt minimaal 80% van de erven in landelijk gebied.

  • 3.

    Subsidieverlening vindt slechts plaats indien de deelnemende erfeigenaren voor minimaal 5% bijdragen in de subsidiabele kosten van het project.

  • 4.

    Het project bevat minimaal 25 erven.

  • 5.

    Elk erf kan maximaal eenmaal voor subsidie in aanmerking komen.

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 10.1 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na bekendmaking in het Provinciaal blad.

Artikel 10.2 Citeertitel

De regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling Landschapswerkplaats.

Groningen, 10 februari 2026

Gedeputeerde Staten van Groningen:

Bijlage 1 - Toelichting behorende bij subsidieregeling Landschapswerkplaats

 

Algemeen

Onder de vlag van Nationaal Programma Groningen, een samenwerkingsverband tussen provincie Groningen, gemeenten en Rijk om te investeren in de brede welvaart in de provincie Groningen, is in 2020 het programma Toukomst gelanceerd. Omdat Groningers zelf als beste kunnen vertellen wat zij belangrijk vinden om gelukkig te leven, wonen en werken, is hen gevraagd om met vernieuwende en creatieve voorstellen te komen. Van de negenhonderd ingezonden Toukomstideeën had bijna de helft te maken met natuur en landschap en met manieren om meer en beter van het landschap in de provincie te kunnen genieten. De rode draad in de inzendingen is dat men de rust en ruimte wil behouden en tegelijkertijd kansen ziet om het landschap aantrekkelijker, meer beleefbaar, biodivers en toekomstbestendig te maken. Het Toukomstpanel heeft tien gebundelde initiatieven geselecteerd. In de tien initiatieven zijn de volgende twee sporen de leidraad: de versterking van ‘een netwerk van groen en blauwe dooradering’ en de ‘recreatieve infrastructuur’.

In 2023 is de Landschapswerkplaats in het leven geroepen om deze tien initiatieven te ondersteunen. In 2024 heeft de Landschapswerkplaats hiertoe een Werkplaatsagenda opgesteld: Werkplaatsagenda-2025-2028-Landschapswerkplaats-1.pdf. In deze agenda is opgenomen waar de Landschapswerkplaats t/m 2028 mee aan de slag gaat. Het vormt de basis en leidraad voor wat de Landschapswerkplaats is en doet.

Voor het realiseren van een netwerk van groen en blauwe dooradering en de recreatieve infrastructuur is op basis van de tien initiatieven en de Werkplaatsagenda een subsidieregeling opgesteld. Hiervoor is gekozen om het mogelijk te maken dat bewoners en lokale partijen in Groningen de leiding hebben bij de uitvoering van de projecten. De Omgevingsvisie provincie Groningen en Omgevingsverordening provincie Groningen zijn het kader voor de uitvoering van projecten, om te borgen dat de landschappelijke kwaliteit en karakteristieken behouden blijven en versterkt worden. Ook is het belangrijk om rekening te houden met beleid van gemeenten en waterschappen. In de voorbereiding van een aanvraag is het daarom van belang vroegtijdig met de gemeente en/of waterschap contact over het voorstel op te nemen.

Hoe het netwerk van groen en blauwe dooradering en de recreatieve infrastructuur eruitzien verschilt per landschap. Groningen kent een variatie aan landschappen. De provincie is ingedeeld in zeven gebieden: Zuidelijk Westerkwartier, Veenkoloniën, Oldambt, Westerwolde, Gorecht, Centrale Woldgebied & Duurswold, Wadden - kust & Wierdenland. Overal verschilt de bodem, de ontstaansgeschiedenis, de cultuurhistorie en het landgebruik. Bij fysieke maatregelen in het landschap moet aangesloten worden bij de karakteristieken van het betreffende landschap. De kwaliteitsgids provincie Groningen (Kwaliteitsgids provincie Groningen) biedt hier inspiratie voor.

De Landschapswerkplaats zet graag de schouders eronder bij initiatieven die passen binnen de kaders van deze regeling. De Landschapswerkplaats ondersteunt en adviseert aanvragers. De Landschapswerkplaats kent de weg binnen overheids- en subsidieland en weet welke koppelkansen er mogelijk zijn met andere projecten. Deze expertise zet de Landschapswerkplaats in om aanvragers te helpen om te komen tot kansrijke aanvragen.

 

Juridische grondslag

De juridische grondslag van deze regeling is artikel 3, derde lid, van de Kaderverordening subsidies provincie Groningen 2017 (hierna: de Kaderverordening). In die bepaling hebben Provinciale Staten aan Gedeputeerde Staten de bevoegdheid tot het stellen van nadere regels over subsidieverstrekking en de daarmee gepaard gaande procedure gedelegeerd.

Verder zijn in het bijzonder de bepalingen van titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht en de Procedureregeling subsidies provincie Groningen 2018 (hierna: de Procedureregeling) van belang.

 

Staatssteun

Subsidieverstrekking aan entiteiten welke economische handelingen verrichten kan een vorm van staatssteun zijn. De regeling is ontworpen om overeenkomstig de staatssteunregels subsidies te kunnen verstrekken. In deze subsidieregeling wordt gebruik gemaakt van de-minimissteun. Daarnaast vindt voor aanvragen voor subsidie op grond van hoofdstuk 9 een staatssteuntoets plaats bij de beschikking.

 

Opbouw regeling

In hoofdstuk 1 staan de algemene bepalingen, deze gelden voor elke aanvraag tenzij ervan wordt afgeweken in het specifieke hoofdstuk. De maatregelen uit de verschillende categorieën uit de subsidieregeling zijn stapelbaar. Dat betekent dat in één subsidieaanvraag voor meerdere activiteiten uit verschillende categorieën aangevraagd mag worden. Dit om de uitvoering van integrale projecten mogelijk te maken.

 

Vanuit deze regeling zijn er geen beperkingen om ook via andere regelingen subsidies aan te vragen.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1.4

De beschikbare middelen vanuit de Landschapswerkplaats zijn verdeeld over zeven deelgebieden, zoals vastgesteld in de Werkplaatsagenda van de Landschapswerkplaats en de Provinciale Omgevingsvisie. In de openstellingsbesluiten wordt aangegeven hoeveel financiering per deelgebied beschikbaar is. Wanneer een project/aanvraag in meerdere gebieden gerealiseerd wordt, wordt de aanvrager gevraagd een inschatting te maken van welke middelen in welk gebied landen.

 

Artikel 1.5

Privaat- en publiekrechtelijke partijen kunnen aanvragen, zoals stichtingen, verenigingen, overheden en andere rechtspersonen. De aanvrager is gevestigd in de provincie Groningen, dit mag ook een nevenvestiging zijn.

 

Artikel 1.8 eerste lid onder a

De focus van de subsidieregeling is het realiseren van fysieke maatregelen in het Groninger landschap. Onder investeringskosten worden verstaan de menskracht en uitvoeringsmateriaal om deze maatregelen uit te voeren. Kunst dat geplaatst wordt in het landschap valt onder investeringskosten.

 

Artikel 1.8 eerste lid onder e

Voor het indienen van een aanvraag moet duidelijk zijn wie er verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van het project. In de subsidieregeling is er een mogelijkheid om subsidie aan te vragen voor het beheer en onderhoud, dit mag maximaal 15 procent van de subsidiabele kosten zijn en geldt niet voor onderhoud voor verharde paden (art. 1.9). Dit kan ook in de vorm van een afkoopsom voor de komende 5 jaar gelijk aan de instandhoudingsverplichting van het project.

 

Artikel 1.8 derde lid

Dit zijn proceskosten die gemaakt worden voordat de aanvraag wordt ingediend. Bijvoorbeeld inzet om te komen tot een goede aanvraag. Deze kosten worden voor eigen risico gemaakt. Alleen indien de subsidieaanvraag gehonoreerd wordt, kunnen deze kosten gesubsidieerd worden. Voor aanvragen waarbij er sprake is van staatssteun, kunnen geen voorbereidingskosten gesubsidieerd worden. Daarom kunnen er geen voorbereidingskosten in de aanvraag worden opgenomen voor een aanvraag voor elektrische sloepen en laadpalen voor elektrische sloepen.

 

Artikel 1.9 onder c

Er wordt geen subsidie verstrekt voor de ontwikkeling van apps of nieuwe websites. Er kan wel subsidie aangevraagd worden voor communicatie, bijvoorbeeld via bestaande websites, lokale media en flyers, indien dit direct gerelateerd is aan de realisatie van de subsidiabele activiteit.

 

Artikel 1.10 tweede lid onder b

In de door de subsidieontvanger overgelegde begroting moet duidelijk worden gemaakt of de kostenposten in- of exclusief BTW zijn en of deze kosten verrekenbaar of compensabel zijn. Indien de kosten verrekenbaar of compensabel zijn, dan kan hiervoor geen subsidie ontvangen worden.

 

Artikel 2.5

Aanmelding bij Open Data Platform van Marketing Groningen kan via Ondernemers instructie | Toegankelijk Groningen. Door aanmelding op dit platform wordt voor iedereen inzichtelijk waar aanlegsteigers, laadpalen en andere infrastructuur voor vaarrecreatie aanwezig is. Ook verhuur van middelen wordt zo zichtbaar.

 

Artikel 3.2 onder a

Bij het landschappelijk zichtbaar maken kan het bijvoorbeeld gaan om het aanbrengen van (verschillende vormen van) beplanting passend bij de kenmerken van het landschap.

 

Artikel 3.2 onder d

Het vergroten van de biodiversiteit bij diepen en maren kan bijvoorbeeld door de aanleg van natuurvriendelijke oevers of door werkzaamheden die nodig zijn om te komen tot aangepast beheer van oevers en/of maaipaden.

 

Artikel 4.1

De Veldatlas is een project ondergebracht bij Sterke Musea (www.sterktemusea/veldatlas). Hierin worden diverse verhalen van Groningen verteld.

 

Artikel 5.4 tweede lid 2 onder b

Dit kan worden aangetoond door bijvoorbeeld een vastgesteld beleidsplan waarin is vastgelegd dat biodiversiteit in bermen en/of oevers verbeterd gaat worden of een besluit van de gemeenteraad, het college van Burgemeester en Wethouders of waterschapsbestuur waaruit blijkt dat bermen en oevers waar mogelijk ecologisch beheerd gaan worden.

 

Artikel 5.4 derde lid

Om het beheer te kunnen evalueren door middel van ecologische monitoring zal eerst ecologisch berm- en/of oeverbeheer moeten hebben plaatsgevonden. Dit kan aangetoond worden met een vastgesteld ecologisch berm- en/of oeverbeheerplan of vergelijkbare documenten.

 

Artikel 7.3 onder b

Herstel van groene landschapselementen en bos door middel van aanplant van bomen en struiken wordt onder beperkende voorwaarden subsidiabel gesteld omdat met deze regeling wordt beoogd meer bos te realiseren t.o.v. van wat er al is. Bij herstel moet er eerst bos verloren zijn gegaan. De oorzaak van dit verlies bepaalt of herstel subsidiabel wordt gesteld.

 

Artikel 7.3 onder g

De eigen bijdrage van de grondeigena(a)r(en) is aantoonbaar te maken door deze als inkomsten mee te nemen in het dekkingsoverzicht voor het project.

 

Artikel 8.3 onder b

Met kaders voor ruimtelijke kwaliteit wordt bedoeld de Kwaliteitsgids Groningen en Omgevingsvisie provincie Groningen en Omgevingsverordening provincie Groningen.

 

Artikel 9.3 eerste lid

Omdat het in deze categorie gaat om samengestelde aanvragen voor 25 erven of meer wordt in dit artikel afgeweken van de vereiste dat draagvlak en beheer- en onderhoud voor de aangevraagde activiteit ten tijde van de aanvraag al geregeld moet zijn.

 

Artikel 9.3 tweede lid

Hierbij wordt als uitgangpunt gehanteerd dat het voor alle Groningers mogelijk moet kunnen zijn om te genieten van de gerealiseerde activiteit. Omdat de activiteit onder deze categorie voornamelijk plaats zal vinden op private grondeigendommen (erven) is deze vereiste gesteld.

 

Artikel 9.3 derde lid

Voor deze categorie is een lijst met streekeigen soorten samengesteld. In deze lijst zijn ook enkele cultivars en fruitbomen genoemd die niet onder de definitie streekeigen plantmateriaal kunnen worden geschaard maar vanuit cultuurhistorisch oogpunt wel kunnen passen op een (boeren)erf in Groningen. Deze cultivars en fruitbomen kunnen maximaal 5% van het plantmateriaal voor de activiteit beslaan volgens artikel 1.7 onder d.

 

Artikel 9.5 eerste lid

Om een invulling te geven aan de doelstelling van deze categorie, specifiek het vergroten van de waarde van een groen erf, wordt kennisdeling, bijvoorbeeld in de vorm van workshops en lezingen wel als proceskosten subsidiabel gesteld.

 

Artikel 9.6 eerste lid

Omdat het in deze categorie gaat om samengestelde aanvragen voor 25 erven of meer is de uitvoeringtermijn verlengd van 2 naar maximaal 4 jaar.

 

Artikel 9.6 derde lid

De eigen bijdrage van de grondeigena(a)r(en) is aantoonbaar te maken door deze als inkomsten mee te nemen in het dekkingsoverzicht voor het project.

Bijlage 2 – Probos overzicht beplantingstypen

 

Meer bos en bomen in Groningen voor klimaat, natuur en mensen

 

Overzicht beplantingstypen

 

1 Inleiding

Er is steeds meer aandacht voor de bijdrage die bos en bomen leveren aan klimaat, biodiversiteit en een mooie leefomgeving voor zowel gezondheid als recreatie. In Groningen wordt met het Programma Bos en Hout invulling gegeven aan de ambitie om meer bos en houtopstanden aan te leggen. In de in september 2020 uitgebrachte brochure ‘Meer bos en bomen in Groningen voor klimaat, natuur en mensen’1 wordt een overzicht gegeven van de doelen en de eerste uitwerking van dit programma. Waar liggen kansen voor uitbreiding van groen? Welke bijdrage leveren bos, groene lijnen in het landschap, erfbeplantingen en groen op bedrijventerreinen aan de CO2-reductie, het versterken van de biodiversiteit en het verbeteren van de leefomgeving? Wat zijn hiervan de kosten?

De brochure is bedoeld om alle belanghebbenden (zoals provincie, gemeenten, waterschappen, groene gebiedspartners en agrarisch collectieven) te informeren, maar vooral te inspireren, om samen invulling te geven aan een groener en duurzamer Groningen.

 

Deze rapportage is bedoeld als bijlage bij de brochure. In hoofdstuk 2 van dit rapport wordt een overzicht gegeven van de verschillende beplantingstypen die binnen het Programma Bos en Hout kunnen worden toegepast. Hierin worden de beplantingstypen kort toegelicht en gekarakteriseerd. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de biodiversiteitswaarde van de verschillende boomsoorten die binnen het Programma Bos en Hout kunnen worden toegepast.

 

2 Beplantingstypen Programma Bos en Hout

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de mogelijke beplantingstypen per programmalijn uit de brochure. De programmalijn Bos wordt hierbij net zoals in de brochure onderverdeeld in de categorieën Dorps- en stadsbossen, Bos in landelijk gebied en Agroforestry en voedselbossen.

 

2.1 Bos in landelijk gebied

 

Tabel 2.1

Beplantingstypen programmalijn Bos in landelijk gebied

Beplantings-type

Beschrijving

Karakteristieke boomsoorten

CO2- vastlegging (ton /ha/jaar)

Biodiversiteit-score*

Bos bij borgen en landgoederen

Deze vorm van bosuitbreiding betreft het herstellen en uitbreiden van landgoederen en (voormalige) borgen. Deze hebben de potentie om een groot areaal bos en andere houtige beplantingen te realiseren. Vooral indien de landgoederen en borgen gekoppeld worden aan historische routes. Deze categorie vertegenwoordigt een groot deel van het 'groene erfgoed' in de provincie Groningen. Bossen bij borgen en landgoederen zijn van origine gericht op houtproductie en jacht.

 

8,2

8

Bos met productiefunctie op zandgrond

Bossen waar gericht beheer wordt uitgevoerd met het doel om kwaliteitshout te leveren. Hierbij wordt wel rekening gehouden met andere functies die het bos te beiden heeft, maar er wordt actief gestuurd op houtproductie. Deze kunnen zowel uit loof- als naadhoutsoorten bestaan. Hierbij kan gedacht worden aan eik, populier, esdoorn, grove den, lariks en douglas. Vanuit het oogpunt van klimaatslim bosbeheer zullen deze veelal in gemengde vorm voorkomen. Deze bossen, gericht op het produceren van hout, dragen ook bij aanzienlijk bij aan het vastleggen van CO2. De soorten gericht op productie van kwaliteitshout kennen een relatief hoge bijgroei en leggen hierdoor jaarlijks veel CO2 vast. Naast de CO2 opgeslagen in het bos zelf, wordt de CO2 in het geoogst hout langdurig vastgelegd in de keten. Aangezien er gestuurd wordt op hout van hoge kwaliteit kan het geoogst hout ook hoogwaardig ingezet worden. Bijvoorbeeld in de bouw of voor de productie van meubels. Hierdoor blijft de CO2 in dit hout tot wel 100 jaar, of zelfs langer, vastgelegd in de keten. Middels cascadering kan dit zelfs nog verlengd worden.

Zomereik, grove den, esdoorn, douglas, lariks

8,6

6

Bos met productiefunctie op zavel- en kleigrond

Bossen waar gericht beheer wordt uitgevoerd met het doel om kwaliteitshout te leveren. Hierbij wordt wel rekening gehouden met andere functies die het bos te beiden heeft, maar er wordt actief gestuurd op houtproductie. Deze kunnen zowel uit loof- als naadhoutsoorten bestaan. Hierbij kan gedacht worden aan eik, populier, esdoorn, grove den, lariks en douglas. Vanuit het oogpunt van klimaatslim bosbeheer zullen deze veelal in gemengde vorm voorkomen. Deze bossen, gericht op het produceren van hout, dragen ook bij aanzienlijk bij aan het vastleggen van CO2. De soorten gericht op productie van kwaliteitshout kennen een relatief hoge bijgroei en leggen hierdoor jaarlijks veel CO2 vast. Naast de CO2 opgeslagen in het bos zelf, wordt de CO2 in het geoogst hout langdurig vastgelegd in de keten. Aangezien er gestuurd wordt op hout van hoge kwaliteit kan het geoogst hout ook hoogwaardig ingezet worden. Bijvoorbeeld in de bouw of voor de productie van meubels. Hierdoor blijft de CO2 in dit hout tot wel 100 jaar, of zelfs langer, vastgelegd in de keten. Middels cascadering kan dit zelfs nog verlengd worden.

Eik, beuk, esdoorn, populier, grove den, douglas, lariks

10,1

6

Hakhout- of geriefhoutbosjes

Hakhoutbosjes of geriefhoutbosjes zijn vrij liggende elementen in het landschap. Een hakhoutbosje werd vroeger aangeplant voor brandhout, als hout voor bezems en hekken en deed dienst als windkering.

Hakhout bestaat uit boomvormers van de soorten es, els, eik en wilg. Als struikvormers kunnen meidoorn, hazelaar, sleedoorn, wilg, Gelderse roos en veldesdoorn worden gebruikt.

Els, eik, berk, wilg, hazelaar, veldesdoorn

1,2

6

Kleine bosjes

Deze kleine bosjes, vaak niet groter dan 500 m2, zijn vaak zeer divers. Ze bestaan uit bomen en struiken die veelal vruchtdragend zijn. Hierdoor hebben ze een grote aantrekkingskracht voor bijvoorbeeld vogels en andere fauna.

Lijsterbes, kers, eik, linde, els, meidoorn, sleedoorn, hazelaar, hondsroos

8,2

9

Korte-omloop-bossen

Korte omloopbossen bestaan uit teelt in bosverband van bomensoorten met snelle groei in relatief korte omlopen. Veelal wordt de oogst ingezet als houtige biomassa voor de opwekking van energie.

Wilg, populier, els

2,3

6

Moerasbos op veengrond

Gevarieerde bossen, onder invloed van de hoge waterstand, bestaande uit els, berk en wilg met een rijke ondergroei van bijvoorbeeld zwarte bes, grote zegges en moerasvaren. Dit bostype komt voor in beekdalen, laagveen en hoogveen.

Els, berk, wilg

5,7

10

Multifunctioneel bos op veengrond

Bos waar ingezet wordt op de verschillende (maatschappelijke) functies; ecologie/natuur, recreatie en houtoogst. Alle functies zijn min of meer evenredig vertegenwoordigd. Bijbehorende bosgemeenschappen: berkenbroekbos, vochtig berken-zomereikenbos, elzen-eikenbos.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, (beuk, es, grove den)

6,6

7

Multifunctioneel bos op zandgrond

Bos waar ingezet wordt op de verschillende (maatschappelijke) functies; ecologie/natuur, recreatie en houtoogst. Alle functies zijn min of meer evenredig vertegenwoordigd. Bijbehorende bosgemeenschappen: droog berken-zomereikenbos, vochtig berken-zomereikenbos, vochtig wintereiken-beukenbos, elzen-eikenbos.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, beuk, es, grove den, haagbeuk, esdoorn

8,2

7

Multifunctioneel bos op zavel- en kleigrond

Bos waar ingezet wordt op de verschillende (maatschappelijke) functies; ecologie/natuur, recreatie en houtoogst. Alle functies zijn min of meer evenredig vertegenwoordigd. Bijbehorende bosgemeenschappen: gewoon eiken-haagbeukenbos, droog essen-iepenbos, elzenrijk essen-iepenbos.

Eik, haagbeuk, beuk, kers, linde, esdoorn, els, hazelaar, lijsterbes, es, wilg, populier, vogelkers

11,2

7

Natuurbos op veengrond

Bos waar de nadruk vooral op natuur ligt. Beheer en houtoogst zijn minimaal. De natuur krijgt vrij spel waardoor bos een volledige ontwikkeling volledig kan doorlopen, van juveniele- tot aftakelingsfase. Hierdoor ontstaat een hoge ecologische waarde. Bijbehorende bosgemeenschappen: berkenbroekbos, vochtig berken-zomereikenbos, elzen-eikenbos.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, (beuk, es, grove den)

5,4

10

Natuurbos op zandgrond

Bos waar de nadruk vooral op natuur ligt. Beheer en houtoogst zijn minimaal. De natuur krijgt vrij spel waardoor bos een volledige ontwikkeling volledig kan doorlopen, van juveniele- tot aftakelingsfase. Hierdoor ontstaat een hoge ecologische waarde. Bijbehorende bosgemeenschappen: droog berken-zomereikenbos, vochtig berken-zomereikenbos, vochtig wintereiken-beukenbos, elzen-eikenbos.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, beuk, es, grove den, haagbeuk, esdoorn

6,9

10

Natuurbos op zavel- en kleigrond

Bos waar de nadruk vooral op natuur ligt. Beheer en houtoogst zijn minimaal. De natuur krijgt vrij spel waardoor bos een volledige ontwikkeling volledig kan doorlopen, van juveniele- tot aftakelingsfase. Hierdoor ontstaat een hoge ecologische waarde. Bijbehorende bosgemeenschappen: gewoon eiken-haagbeukenbos, droog essen-iepenbos, elzenrijk essen-iepenbos.

Eik, haagbeuk, beuk, kers, linde, esdoorn, els, hazelaar, lijsterbes, es, wilg, populier, vogelkers

9,4

10

Struweel/ struweelhaag

Vegetatie die hoofdzakelijk bestaat uit struiken, met een maximale lengte tot circa 5 meter. Kan als mantel aangeplant worden aan de rand van het bos om een natuurlijke transitie in het landschap te creëren.

Hiernaast is het vanuit de landschappelijke inpassing op sommige plekken wenselijk om voor struweel te kiezen in plaats van opgaand bos omwille van openheid, zichtlijnen, (cultuur)historie of klimaatomstandigheden. Het struweel kan zowel uit lijnbeplantingen bestaan als vlaksgewijs. In tegenstelling tot bos komt dit beplantingstype vaak tot bloei of vruchtzetting.

Meidoorn, sleedoorn, wilg, wilde liguster, vuilboom, hazelaar, hondsroos, lijsterbes.

1,4

6

Voetnoot: De biodiversiteitsscore per beplantingstype is bepaald aan de hand van een gemiddelde score voor boomsoortgebonden biodiversiteit voor de drie meest karakteristieke boomsoorten voor het beplantingstype (zie ook tabel 3.1), een score voor de structuur van het beplantingstype (1 = nauwelijks diversiteit in structuur, 2= gemiddelde structuurdiversiteit, 3= veel structuurdiversiteit) en een score voor de zeldzaamheid van het habitattype in de Groningen/Nederland (1 = niet zeldzaam, 3 = zeer zeldzaam).

Bron: Probos

 

2.2 Dorps- en stadsbossen

 

Tabel 2.2

Beplantingstypen programmalijn Dorps- en stadsbossen

Beplantings-type

Beschrijving

Karakteristieke boomsoorten

CO2- vastlegging (ton /ha/jaar)

Biodiversiteit-score *

Boomweide op veengrond

Een boomweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van grassen. Het kronendak is in principe niet gesloten. Een boomweide bestaat traditioneel meestal slechts uit één soort van eenzelfde leeftijd. Vanuit een klimaatslim oogpunt is het echter wenselijk soorten of klonen te combineren. De horizontale en verticale structuur van de beplanting is erg eenvormig. Boomhoogte, vorm, stam-en kroondiameter zijn voor elk exemplaar nagenoeg gelijk. In de ondergroei staan grassen als gestreepte witbol, engels raaigras en ruw beemdgras. Rond de stammen kunnen kruiden die in de halfschaduw groeien staan zoals dagkoekoeksbloem en fluitenkruid.De bomen van een boomweide worden beheerd als solitaire bomen (jaarlijks inspecteren en eens in de vijf jaar snoeien).

Door rond de bomen niet te vaak te maaien, ontstaat hier een hogere vegetatie, waar rupsen en andere kleine ongewervelde kunnen overleven.

Populier, eik, els

3,1

4

Boomweide op zandgrond

Een boomweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van grassen. Het kronendak is in principe niet gesloten. Een boomweide bestaat traditioneel meestal slechts uit één soort van eenzelfde leeftijd. Vanuit een klimaatslim oogpunt is het echter wenselijk soorten of klonen te combineren. De horizontale en verticale structuur van de beplanting is erg eenvormig. Boomhoogte, vorm, stam-en kroondiameter zijn voor elk exemplaar nagenoeg gelijk. In de ondergroei staan grassen als gestreepte witbol, engels raaigras en ruw beemdgras. Rond de stammen kunnen kruiden die in de halfschaduw groeien staan zoals dagkoekoeksbloem en fluitenkruid. De bomen van een boomweide worden beheerd als solitaire bomen (jaarlijks inspecteren en eens in de vijf jaar snoeien). Door rond de bomen niet te vaak te maaien, ontstaat hier een hogere vegetatie, waar rupsen en andere kleine ongewervelde kunnen overleven.

Populier, wilg, eik, els, es, iep, linde, beuk

4,1

4

Boomweide op zavel- en kleigrond

Een boomweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van grassen. Het kronendak is in principe niet gesloten. Een boomweide bestaat traditioneel meestal slechts uit één soort van eenzelfde leeftijd. Vanuit een klimaatslim oogpunt is het echter wenselijk soorten of klonen te combineren. De horizontale en verticale structuur van de beplanting is erg eenvormig. Boomhoogte, vorm, stam-en kroondiameter zijn voor elk exemplaar nagenoeg gelijk. In de ondergroei staan grassen als gestreepte witbol, engels raaigras en ruw beemdgras. Rond de stammen kunnen kruiden die in de halfschaduw groeien staan zoals dagkoekoeksbloem en fluitenkruid. De bomen van een boomweide worden beheerd als solitaire bomen (jaarlijks inspecteren en eens in de vijf jaar snoeien). Door rond de bomen niet te vaak te maaien, ontstaat hier een hogere vegetatie, waar rupsen en andere kleine ongewervelde kunnen overleven.

Beuk, es, iep, linde, populier, eik, wilg, els

5,2

4

Dorps- en stadbossen met accent natuur op veengrond

Bossen nabij dorpen en steden waar minimaal beheer plaatsvindt. De natuur kan hier grotendeels haar gang gaan. Afhankelijk van het bodemtype worden bosgemeenschappen aangeplant die hier van nature voorkomen. Er wordt dus (vrijwel) uitsluitend met inheemse soorten gewerkt. Hiernaast vertegenwoordigen zowel de individuele soorten als het bos in het algemeen een hoge ecologische waarde. Op termijn zijn alle stadia van bosontwikkeling aanwezig en is er veel aandacht voor dood hout. Houtproductie speelt een minimale rol en recreatieve voorzieningen zijn in beperkte mate aanwezig. De focus ligt op biodiversiteit. Bijbehorende bosgemeenschappen: berkenbroekbos, vochtig berken-zomereikenbos, elzen-eikenbos

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, (beuk, es, grove den)

5,4

9

Dorps- en stadbossen met accent natuur op zandgrond

Bossen nabij dorpen en steden waar minimaal beheer plaatsvindt. De natuur kan hier grotendeels haar gang gaan. Afhankelijk van het bodemtype worden bosgemeenschappen aangeplant die hier van nature voorkomen. Er wordt dus (vrijwel) uitsluitend met inheemse soorten gewerkt. Hiernaast vertegenwoordigen zowel de individuele soorten als het bos in het algemeen een hoge ecologische waarde. Op termijn zijn alle stadia van bosontwikkeling aanwezig en is er veel aandacht voor dood hout. Houtproductie speelt een minimale rol en recreatieve voorzieningen zijn in beperkte mate aanwezig. De focus ligt op biodiversiteit. Bijbehorende bosgemeenschappen: droog berken-zomereikenbos, vochtig berken-zomereikenbos, vochtig wintereiken-beukenbos, elzen-eikenbos.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, beuk, es, grove den, haagbeuk, esdoorn

6,9

9

Dorps- en stadbossen met accent natuur op zavel- en kleigrond

Bossen nabij dorpen en steden waar minimaal beheer plaatsvindt. De natuur kan hier grotendeels haar gang gaan. Afhankelijk van het bodemtype worden bosgemeenschappen aangeplant die hier van nature voorkomen. Er wordt dus (vrijwel) uitsluitend met inheemse soorten gewerkt. Hiernaast vertegenwoordigen zowel de individuele soorten als het bos in het algemeen een hoge ecologische waarde. Op termijn zijn alle stadia van bosontwikkeling aanwezig en is er veel aandacht voor dood hout. Houtproductie speelt een minimale rol en recreatieve voorzieningen zijn in beperkte mate aanwezig. De focus ligt op biodiversiteit. Bijbehorende bosgemeenschappen: gewoon eiken-haagbeukenbos, droog essen-iepenbos, elzenrijk essen-iepenbos.

Eik, haagbeuk, beuk, kers, linde, esdoorn, els, hazelaar, lijsterbes, es, wilg, populier, vogelkers

9,4

9

Dorps- en stadbossen met accent recreatie op veengrond

Bossen nabij dorpen en steden, voornamelijk gericht op recreatie. De aanwezige natuurfuncties zorgen voor een maximale natuurbeleving. Recreatieve aspecten als wandel- en fietspaden voeren de boventoon. Hiernaast is er aandacht voor cultureel erfgoed. Ook natuureducatie is een van de peilers waarop ingezet wordt. Afhankelijk van het bodemtype worden bepaalde bostypen aangeplant. Bijbehorende bosgemeenschappen: berkenbroekbos, vochtig berken-zomereikenbos, elzen-eikenbos.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, (beuk, es, grove den)

6,6

7

Dorps- en stadbossen met accent recreatie op zandgrond

Bossen nabij dorpen en steden, voornamelijk gericht op recreatie. De aanwezige natuurfuncties zorgen voor een maximale natuurbeleving. Recreatieve aspecten als wandel- en fietspaden voeren de boventoon. Hiernaast is er aandacht voor cultureel erfgoed. Ook natuureducatie is een van de pijlers waarop ingezet wordt. Afhankelijk van het bodemtype worden bepaalde bostypen aangeplant. Bijbehorende bosgemeenschappen: droog berken-zomereikenbos, vochtig berken-zomereikenbos, vochtig wintereiken-beukenbos, elzen-eikenbos.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, beuk, es, grove den, haagbeuk, esdoorn

8,2

7

Dorps- en stadbossen met accent recreatie op zavel- en kleigrond

Bossen nabij dorpen en steden, voornamelijk gericht op recreatie. De aanwezige natuurfuncties zorgen voor een maximale natuurbeleving. Recreatieve aspecten als wandel- en fietspaden voeren de boventoon. Hiernaast is er aandacht voor cultureel erfgoed. Ook natuureducatie is een van de pijlers waarop ingezet wordt. Afhankelijk van het bodemtype worden bepaalde bostypen aangeplant. Bijbehorende bosgemeenschappen: gewoon eiken-haagbeukenbos, droog essen-iepenbos, elzenrijk essen-iepenbos.

Eik, haagbeuk, beuk, kers, linde, esdoorn, els, hazelaar, lijsterbes, es, wilg, populier, vogelkers

11,2

7

Hakhout- of geriefhoutbosjes

Hakhoutbosjes of geriefhoutbosjes zijn vrij liggende elementen in het landschap. Een hakhoutbosje werd vroeger aangeplant voor brandhout, als hout voor bezems en hekken en deed dienst als windkering.

Hakhout bestaat uit boomvormers van de soorten es, els, eik en wilg. Als struikvormers kunnen meidoorn, hazelaar, sleedoorn, wilg, Gelderse roos en veldesdoorn worden gebruikt.

Els, eik, berk, wilg, hazelaar, veldesdoorn

1,2

6

Kleine bosjes

Deze kleine bosjes, vaak niet groter dan 500 m2, zijn vaak zeer divers. Ze bestaan uit bomen en struiken die veelal vruchtdragend zijn. Hierdoor hebben ze een grote aantrekkingskracht voor bijvoorbeeld vogels en andere fauna.

Lijsterbes, kers, eik, linde, els, meidoorn, sleedoorn, hazelaar, hondsroos

8,2

9

Korte omloop bossen

Korte omloopbossen bestaan uit teelt in bosverband van bomensoorten met snelle groei in relatief korte omlopen. Veelal wordt de oogst ingezet als houtige biomassa voor de opwekking van energie.

Wilg, populier, els

2,3

6

Multifunctionele dorps- en stadsbossen op veengrond

Bossen nabij dorpen en steden waarbij zowel ecologische en recreatieve functie van het bos als de functie van houtproductie (evenredig) vertegenwoordigd worden. Middels (intensief) geïntegreerd bosbeheer worden de verschillende functies van het bos benut.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, (beuk, es, grove den)

6,6

7

Multifunctionele dorps- en stadsbossen op zandgrond

Bossen nabij dorpen en steden waarbij zowel ecologische en recreatieve functie van het bos als de functie van houtproductie (evenredig) vertegenwoordigd worden.

Berk, vuilboom, wilg, lijsterbes, zomereik, els, beuk, es, grove den, haagbeuk, esdoorn

8,2

7

Multifunctionele dorps- en stadsbossen op zavel- en kleigrond

Bossen nabij dorpen en steden waarbij zowel ecologische en recreatieve functie van het bos als de functie van houtproductie (evenredig) vertegenwoordigd worden. Middels (intensief) geïntegreerd bosbeheer worden de verschillende functies van het bos benut.

Eik, haagbeuk, beuk, kers, linde, esdoorn, els, es, wilg, populier,

11,2

7

Voetnoot: De biodiversiteitsscore per beplantingstype is bepaald aan de hand van een gemiddelde score voor boomsoortgebonden biodiversiteit voor de drie meest karakteristieke boomsoorten voor het beplantingstype (zie ook tabel 3.1), een score voor de structuur van het beplantingstype (1 = nauwelijks diversiteit in structuur, 2= gemiddelde structuurdiversiteit, 3= veel structuurdiversiteit) en een score voor de zeldzaamheid van het habitattype in de Groningen/Nederland (1 = niet zeldzaam, 3 = zeer zeldzaam).

Bron: Probos

 

2.3 Agroforestry en voedselbossen

 

Tabel 2.3

Beplantingstypen programmalijn Agroforestry en voedselbossen

Beplantings-type

Beschrijving

Karakteristieke boomsoorten

CO2- vastlegging (ton /ha/jaar)

Biodiversiteit-score *

Voedselbossen

Bossen nabij dorpen en steden waar natuur gecombineerd wordt met duurzame voedselproductie. Er worden voornamelijk (inheemse) vruchtdragende boom-en stuiksoorten aangeplant. Hierdoor ontstaat een divers systeem waarbij zowel op een natuurlijke manier voedsel wordt geproduceerd, CO2 wordt vastgelegd én een hoge biodiversiteitswaarde kent. Aangezien het bos zich dichtbij dorpen of steden bevindt heeft het ook een bepaalde recreatieve waarde.

Walnoot, kastanje, linde, lijsterbes, appel, kers, eik, hazelaar, mispel, cornus

4,1

6

Boomweide op veengrond

Een boomweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van grassen. Het kronendak is in principe niet gesloten. Een boomweide bestaat traditioneel meestal slechts uit één soort van eenzelfde leeftijd. Vanuit een klimaatslim oogpunt is het echter wenselijk soorten of klonen te combineren. De horizontale en verticale structuur van de beplanting is erg eenvormig. Boomhoogte, vorm, stam-en kroondiameter zijn voor elk exemplaar nagenoeg gelijk. In de ondergroei staan grassen als gestreepte witbol, engels raaigras en ruw beemdgras. Rond de stammen kunnen kruiden die in de halfschaduw groeien staan zoals dagkoekoeksbloem en fluitenkruid. De bomen van een boomweide worden beheerd als solitaire bomen (jaarlijks inspecteren en eens in de vijf jaar snoeien). Door rond de bomen niet te vaak te maaien, ontstaat hier een hogere vegetatie, waar rupsen en andere kleine ongewervelde kunnen overleven.

Populier, eik, els

3,1

4

Boomweide op zandgrond

Een boomweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van grassen. Het kronendak is in principe niet gesloten. Een boomweide bestaat traditioneel meestal slechts uit één soort van eenzelfde leeftijd. Vanuit een klimaatslim oogpunt is het echter wenselijk soorten of klonen te combineren. De horizontale en verticale structuur van de beplanting is erg eenvormig. Boomhoogte, vorm, stam-en kroondiameter zijn voor elk exemplaar nagenoeg gelijk. In de ondergroei staan grassen als gestreepte witbol, engels raaigras en ruw beemdgras. Rond de stammen kunnen kruiden die in de halfschaduw groeien staan zoals dagkoekoeksbloem en fluitenkruid. De bomen van een boomweide worden beheerd als solitaire bomen (jaarlijks inspecteren en eens in de vijf jaar snoeien). Door rond de bomen niet te vaak te maaien, ontstaat hier een hogere vegetatie, waar rupsen en andere kleine ongewervelde kunnen overleven.

Populier, wilg, eik, els, es, iep, linde, beuk

4,1

4

Boomweide op zavel- en kleigrond

Een boomweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van grassen. Het kronendak is in principe niet gesloten. Een boomweide bestaat traditioneel meestal slechts uit één soort van eenzelfde leeftijd. Vanuit een klimaatslim oogpunt is het echter wenselijk soorten of klonen te combineren. De horizontale en verticale structuur van de beplanting is erg eenvormig. Boomhoogte, vorm, stam-en kroondiameter zijn voor elk exemplaar nagenoeg gelijk. In de ondergroei staan grassen als gestreepte witbol, engels raaigras en ruw beemdgras. Rond de stammen kunnen kruiden die in de halfschaduw groeien staan zoals dagkoekoeksbloem en fluitenkruid. De bomen van een boomweide worden beheerd als solitaire bomen (jaarlijks inspecteren en eens in de vijf jaar snoeien). Door rond de bomen niet te vaak te maaien, ontstaat hier een hogere vegetatie, waar rupsen en andere kleine ongewervelde kunnen overleven.

Beuk, es, iep, linde, populier, eik, wilg, els

5,2

4

Boomweide op zandgrond

Een boomweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van grassen. Het kronendak is in principe niet gesloten. Een boomweide bestaat traditioneel meestal slechts uit één soort van eenzelfde leeftijd. Vanuit een klimaatslim oogpunt is het echter wenselijk soorten of klonen te combineren. De horizontale en verticale structuur van de beplanting is erg eenvormig. Boomhoogte, vorm, stam-en kroondiameter zijn voor elk exemplaar nagenoeg gelijk. In de ondergroei staan grassen als gestreepte witbol, engels raaigras en ruw beemdgras. Rond de stammen kunnen kruiden die in de halfschaduw groeien staan zoals dagkoekoeksbloem en fluitenkruid. De bomen van een boomweide worden beheerd als solitaire bomen (jaarlijks inspecteren en eens in de vijf jaar snoeien). Door rond de bomen niet te vaak te maaien, ontstaat hier een hogere vegetatie, waar rupsen en andere kleine ongewervelde kunnen overleven.

Populier, wilg, eik, els, es, iep, linde, beuk

4,1

4

Boomweide op zavel- en kleigrond

Een boomweide bestaat uit op regelmatige afstand van elkaar geplante bomen met een ondergroei van grassen. Het kronendak is in principe niet gesloten. Een boomweide bestaat traditioneel meestal slechts uit één soort van eenzelfde leeftijd. Vanuit een klimaatslim oogpunt is het echter wenselijk soorten of klonen te combineren. De horizontale en verticale structuur van de beplanting is erg eenvormig. Boomhoogte, vorm, stam-en kroondiameter zijn voor elk exemplaar nagenoeg gelijk. In de ondergroei staan grassen als gestreepte witbol, engels raaigras en ruw beemdgras. Rond de stammen kunnen kruiden die in de halfschaduw groeien staan zoals dagkoekoeksbloem en fluitenkruid. De bomen van een boomweide worden beheerd als solitaire bomen (jaarlijks inspecteren en eens in de vijf jaar snoeien). Door rond de bomen niet te vaak te maaien, ontstaat hier een hogere vegetatie, waar rupsen en andere kleine ongewervelde kunnen overleven.

Beuk, es, iep, linde, populier, eik, wilg, els

5,2

4

Houtsingels en - wallen

Een brede landschappelijk waardevolle afscheiding, vaak ook tussen weilanden, die bestaat uit bomen en struiken. Een houtsingel is een lijnvormig landschapselement van 4 tot maximaal 20 meter breed. Houtsingels lijken veel op houtwallen. Bij een houtwal is er sprake van een opgeworpen wal, waar de beplanting op staat. Voor aanplant van houtsingels en -wallen wordt vaak 3-jarig bosplantsoen gebruikt met een maat van 60-80cm in hoogte. De te beplanten oppervlakte wordt vaak bewerkt middels frezen. Een plantafstand van 1,5x1,5m wordt geadviseerd, waarbij boomvormers in het midden aangeplant worden. Indien meerdere soorten worden aangeplant is het wenselijk om soorten in groepen van minstens 5-7 stuks aan te planten om te voorkomen dat langzaam groeiende soorten worden overgroeid door snel groeiende soorten. Bij aanplant wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van streekeigen plant-materiaal.

Els, eik, meidoorn, lijsterbes, wilg, hazelaar, krent

8,2

7

Bomenrij op veengrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Populier, wilg, eik, els

4,5

5

Bomenrij op zandgrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Populier, wilg, eik, els, es, iep, linde, beuk, walnoot, kastanje

6,0

5

Bomenrij op zavel- en kleigrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Beuk, es, iep, linde, populier, eik, wilg, els, walnoot, kastanje

7,5

5

Voetnoot: De biodiversiteitsscore per beplantingstype is bepaald aan de hand van een gemiddelde score voor boomsoortgebonden biodiversiteit voor de drie meest karakteristieke boomsoorten voor het beplantingstype (zie ook tabel 3.1), een score voor de structuur van het beplantingstype (1 = nauwelijks diversiteit in structuur, 2= gemiddelde structuurdiversiteit, 3= veel structuurdiversiteit) en een score voor de zeldzaamheid van het habitattype in de Groningen/Nederland (1 = niet zeldzaam, 3 = zeer zeldzaam).

Bron: Probos

 

2.4 Lijnvormige beplantingen

 

Tabel 2.4

Beplantingstypen programmalijn Lijnvormige beplantingen

Beplantings-type

Beschrijving

Karakteristieke boomsoorten

CO2- vastlegging (ton /ha/jaar)

Biodiversiteit-score *

Bomenrij of -laan op veengrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Populier, wilg, eik, els

4,5

5

Bomenrij of -laan op zandgrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Populier, wilg, eik, els, es, iep, linde, beuk, walnoot, kastanje

6,0

5

Bomenrij of -laan op zavel- en kleigrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Beuk, es, iep, linde, populier, eik, wilg, els, walnoot, kastanje

7,5

5

Houtsingels en - wallen

Een brede landschappelijk waardevolle afscheiding, vaak ook tussen weilanden, die bestaat uit bomen en struiken. Een houtsingel is een lijnvormig landschapselement van 4 tot maximaal 20 meter breed. Houtsingels lijken veel op houtwallen. Bij een houtwal is er sprake van een opgeworpen wal, waar de beplanting op staat. Voor aanplant van houtsingels en -wallen wordt vaak 3-jarig bosplantsoen gebruikt met een maat van 60-80cm in hoogte. De te beplanten oppervlakte wordt vaak bewerkt middels frezen. Een plantafstand van 1,5x1,5m wordt geadviseerd, waarbij boomvormers in het midden aangeplant worden. Indien meerdere soorten worden aangeplant is het wenselijk om soorten in groepen van minstens 5-7 stuks aan te planten om te voorkomen dat langzaam groeiende soorten worden overgroeid door snel groeiende soorten. Bij aanplant wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van streekeigen plantmateriaal.

Els, eik, meidoorn, lijsterbes, wilg, hazelaar, krent

8,2

7

Knip- en Scheerheg

Een knip- of scheerheg is een lijnvormig landschapselement, met aaneengesloten begroeiing van inheemse struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren. Bij aanplant wordt gekozen voor 3-jarig bosplantsoen (60-100cm), met 4 stuks op één strekkende meter. Afhankelijk van de soort, vorm, functie en eisen die aan de heg gesteld worden, wordt er 2 a 3 keer per jaar geknipt of geschoren.

Meidoorn, Veldesdoorn, Liguster, (haag)beuk

0,5

3

Struweel/struweelhaag

Een struweelhaag is een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken, die vrij uit mogen groeien. Zo ontstaat een weelderige haag in tegenstelling tot een geknipte haag. Een struweelhaag bestaat vaak uit soorten als meidoorn, sleedoorn en hondsroos. Voor aanplant wordt gebruik gemaakt van 3-jarig bosplantsoen (60-100cm). De te beplanten strook dient gefreesd te worden (alternatief is het graven van een plantsleuf). De haag wordt aangeplant in een enkele rij met 2 struiken per strekkende meter. Ook hier kan ervoor gekozen worden de haag vrijuit te laten groeien, of periodiek (tussen 6 a 15 jaar) af te zetten.

Meidoorn, sleedoorn, wilg, wilde liguster, vuilboom, hazelaar, hondsroos, lijsterbes.

1,4

6

Knotbomen

Een knotboom is een boom die regelmatig geknot wordt op een bepaalde hoogte. Meestal gebeurt dit op zo’n 2 meter stamhoogte. Door het regelmatig terugsnoeien ontstaat er na verloop van tijd op de stam een knoestige ‘knot’. Deze knotbomen worden vaak in een lijn aangeplant. Van ouder werden deze bomen gebruikt als grensafscheiding en houtleveranciers. De knotboom levert tenen (de uitlopers) die voor verschillende doeleinden gebruikt worden. Knotbomen zijn één van de meest karakteristieke landschapselementen in het Nederlandse landschap.

Els, wilg, populier, kastanje

2,8

5

Voetnoot: De biodiversiteitsscore per beplantingstype is bepaald aan de hand van een gemiddelde score voor boomsoortgebonden biodiversiteit voor de drie meest karakteristieke boomsoorten voor het beplantingstype (zie ook tabel 3.1), een score voor de structuur van het beplantingstype (1 = nauwelijks diversiteit in structuur, 2= gemiddelde structuurdiversiteit, 3= veel structuurdiversiteit) en een score voor de zeldzaamheid van het habitattype in de Groningen/Nederland (1 = niet zeldzaam, 3 = zeer zeldzaam).

Bron: Probos

 

2.5 Erven

 

Tabel 2.5

Beplantingstypen programmalijn Erven

Beplantings-type

Beschrijving

Karakteristieke boomsoorten

CO2- vastlegging (ton /ha/jaar)

Biodiversiteit-score *

Bomenrij of -laan op veengrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Populier, wilg, eik, els

4,5

5

Bomenrij of -laan op zandgrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Populier, wilg, eik, els, es, iep, linde, beuk, walnoot, kastanje

6,0

5

Bomenrij of -laan op zavel- en kleigrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Beuk, es, iep, linde, populier, eik, wilg, els, walnoot, kastanje

7,5

5

Knip- en Scheerheg

Een knip- of scheerheg is een lijnvormig landschapselement, met aaneengesloten begroeiing van inheemse struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren. Bij aanplant wordt gekozen voor 3-jarig bosplantsoen (60-100cm), met 4 stuks op één strekkende meter. Afhankelijk van de soort, vorm, functie en eisen die aan de heg gesteld worden, wordt er 2 a 3 keer per jaar geknipt of geschoren.

Meidoorn, Veldesdoorn, Liguster, (haag)beuk

0,5

3

Struweel/struweelhaag

Een struweelhaag is een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken, die vrij uit mogen groeien. Zo ontstaat een weelderige haag in tegenstelling tot een geknipte haag. Een struweelhaag bestaat vaak uit soorten als meidoorn, sleedoorn en hondsroos. Voor aanplant wordt gebruik gemaakt van 3-jarig bosplantsoen (60-100cm). De te beplanten strook dient gefreesd te worden (alternatief is het graven van een plantsleuf). De haag wordt aangeplant in een enkele rij met 2 struiken per strekkende meter. Ook hier kan ervoor gekozen worden de haag vrijuit te laten groeien, of periodiek (tussen 6 a 15 jaar) af te zetten.

Meidoorn, sleedoorn, wilg, wilde liguster, vuilboom, hazelaar, hondsroos, lijsterbes.

1,4

6

Knotbomen

Een knotboom is een boom die regelmatig geknot wordt op een bepaalde hoogte. Meestal gebeurt dit op zo’n 2 meter stamhoogte. Door het regelmatig terugsnoeien ontstaat er na verloop van tijd op de stam een knoestige ‘knot’. Deze knotbomen worden vaak in een lijn aangeplant. Van ouder werden deze bomen gebruikt als grensafscheiding en houtleveranciers. De knotboom levert tenen (de uitlopers) die voor verschillende doeleinden gebruikt worden. Knotbomen zijn één van de meest karakteristieke landschapselementen in het Nederlandse landschap.

Els, wilg, populier, kastanje

2,8

5

Kleine bosjes

Deze kleine bosjes, vaak niet groter dan 500 m2, zijn vaak zeer divers. Ze bestaan uit bomen en struiken die veelal vruchtdragend zijn. Hierdoor hebben ze een grote aantrekkingskracht voor bijvoorbeeld vogels en andere fauna.

Lijsterbes, kers, eik, linde, els, meidoorn, sleedoorn, hazelaar, hondsroos

8,2

9

Solitaire bomen

Solitaire bomen zijn, in tegenstelling tot bomen die in een bos staan, in staat zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm en zijn daarom kenmerkende elementen in het landschap.

Uiteenlopend afhankelijk van bodemtype

12,9

4

Voetnoot: De biodiversiteitsscore per beplantingstype is bepaald aan de hand van een gemiddelde score voor boomsoortgebonden biodiversiteit voor de drie meest karakteristieke boomsoorten voor het beplantingstype (zie ook tabel 3.1), een score voor de structuur van het beplantingstype (1 = nauwelijks diversiteit in structuur, 2= gemiddelde structuurdiversiteit, 3= veel structuurdiversiteit) en een score voor de zeldzaamheid van het habitattype in de Groningen/Nederland (1 = niet zeldzaam, 3 = zeer zeldzaam).

Bron: Probos

 

2.6 Bedrijventerreinen

 

Tabel 2.6

Beplantingstypen programmalijn Bedrijventerrein

Beplantings-type

Beschrijving

Karakteristieke boomsoorten

CO2- vastlegging (ton /ha/jaar)

Biodiversiteit-score *

Bomenrij of -laan op veengrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Populier, wilg, eik, els

4,5

5

Bomenrij of -laan op zandgrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Populier, wilg, eik, els, es, iep, linde, beuk, walnoot, kastanje

6,0

5

Bomenrij of -laan op zavel- en kleigrond

Een rij of laan bestaande uit een of meerdere rijen bomen aan één of beide zijden van de weg, kanaal, wijk of maar. Traditioneel bestaat de laan of rij slechts uit één soort van dezelfde leeftijd. Bij aanplant wordt vaak gekozen voor laanbomen met een minimale omtrek van 10-12cm. De bomen staan 5-8 meter uit elkaar waardoor de individuele bomen in staat zijn zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm. Indien de rij of laan dicht op de weg geplaats wordt aanbevolen de beplanting op te snoeien. Dit maakt het maaien tevens gemakkelijker.

Beuk, es, iep, linde, populier, eik, wilg, els, walnoot, kastanje

7,5

5

Knip- en Scheerheg

Een knip- of scheerheg is een lijnvormig landschapselement, met aaneengesloten begroeiing van inheemse struiken, dat regelmatig wordt geknipt of geschoren. Bij aanplant wordt gekozen voor 3-jarig bosplantsoen (60-100cm), met 4 stuks op één strekkende meter. Afhankelijk van de soort, vorm, functie en eisen die aan de heg gesteld worden, wordt er 2 a 3 keer per jaar geknipt of geschoren.

Meidoorn, Veldesdoorn, Liguster, (haag)beuk

0,5

3

Struweel/struweelhaag

Een struweelhaag is een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande begroeiing van inheemse, overwegend doornachtige, struiken, die vrij uit mogen groeien. Zo ontstaat een weelderige haag in tegenstelling tot een geknipte haag. Een struweelhaag bestaat vaak uit soorten als meidoorn, sleedoorn en hondsroos. Voor aanplant wordt gebruik gemaakt van 3-jarig bosplantsoen (60-100cm). De te beplanten strook dient gefreesd te worden (alternatief is het graven van een plantsleuf). De haag wordt aangeplant in een enkele rij met 2 struiken per strekkende meter. Ook hier kan ervoor gekozen worden de haag vrijuit te laten groeien, of periodiek (tussen 6 a 15 jaar) af te zetten.

Meidoorn, sleedoorn, wilg, wilde liguster, vuilboom, hazelaar, hondsroos, lijsterbes.

1,4

6

Knotbomen

Een knotboom is een boom die regelmatig geknot wordt op een bepaalde hoogte. Meestal gebeurt dit op zo’n 2 meter stamhoogte. Door het regelmatig terugsnoeien ontstaat er na verloop van tijd op de stam een knoestige ‘knot’. Deze knotbomen worden vaak in een lijn aangeplant. Van ouder werden deze bomen gebruikt als grensafscheiding en houtleveranciers. De knotboom levert tenen (de uitlopers) die voor verschillende doeleinden gebruikt worden. Knotbomen zijn één van de meest karakteristieke landschapselementen in het Nederlandse landschap.

Els, wilg, populier, kastanje

2,8

5

Solitaire bomen

Solitaire bomen zijn, in tegenstelling tot bomen die in een bos staan, in staat zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm en zijn daarom kenmerkende elementen in het landschap.

Uiteenlopend afhankelijk van bodemtype

12,9

4

Voetnoot: De biodiversiteitsscore per beplantingstype is bepaald aan de hand van een gemiddelde score voor boomsoortgebonden biodiversiteit voor de drie meest karakteristieke boomsoorten voor het beplantingstype (zie ook tabel 3.1), een score voor de structuur van het beplantingstype (1 = nauwelijks diversiteit in structuur, 2= gemiddelde structuurdiversiteit, 3= veel structuurdiversiteit) en een score voor de zeldzaamheid van het habitattype in de Groningen/Nederland (1 = niet zeldzaam, 3 = zeer zeldzaam).

Bron: Probos

 

3 Boomsoorten Programma Bos en Hout

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de boomsoorten die bij de beplantingstypen voor de programmalijnen zijn genoemd, met hun biodiversiteitsscore. De biodiversiteitswaarde van de boomsoorten is bepaald met behulp van de boomsoortgebonden biodiversiteitsoverzichten uit het Praktijkboek Bosbeheer2.

 

Tabel 3.1

Boomsoorten uit de programmalijnen, met hun biodiversiteitsscore. De score is bepaald met behulp van de biodiversiteitsindex uit de boomsoortgebonden biodiverisiteitsoverzichten uit het Praktijkboek Bosbeheer. Voor het verkrijgen van een score is de breedte aan biodiversiteitsindex-waarden in vieren gedeeld. Soorten met een biodiveristeitsindex van 0,37 of lager kregen een score

1. Soorten met een biodiversiteitsindex van 0,38 t/m 0,50 kregen een score 2. Index 0,51 t/m 0,62 is score 3 en index 0,63 t/m 0,75 is score 4. Voor soorten die niet in de overzichten in het Praktijkboek voorkwamen is de score van een vergelijkbare soort aangehouden.

Boomsoort

Biodiversiteitsindex

Biodiversiteitsscore

Appel

0,4

2

Berk

0,62

3

Beuk

0,65

4

Den

0,51

3

Douglas

als zilverspar

1

Eik

0,73

4

Els

0,57

3

Es

0,49

2

Esdoorn

0,5

2

Fijnspar

0,41

2

Haagbeuk

0,33

1

Hazelaar

0,33

1

Hondsroos

als meidoorn

2

Iep

0,4

2

Kornoelje

als meidoorn

2

Krentenboompje

als lijsterbes

3

Lariks

0,28

1

Lijsterbes

0,56

3

Linde

0,45

2

Meidoorn

0,44

2

Mispel

als appel

1

Populier

0,53

3

Sleedoorn

als kers

4

Tamme kastanje

als hazelaar

1

Veldesdoorn

als esdoorn

2

Vogelkers

als kers

4

Vuilboom

als lijsterbes

3

Walnoot

als appel

1

Wilde liguster

als lijsterbes

3

Wilg

0,74

4

Zilverspar

0,25

1

Zoete kers

0,65

4

Bron: Probos

Bijlage 3 – Landschapswerkplaats beplantingslijst (boeren)erven

 

(Zie losse bijlage)

 

Bijlage 3 – Landschapswerkplaats beplantingslijst (boeren)erven


2

Jansen, P., M. Boosten, M. Cassaert, J. Cornelis, E. Thomassen, M. Winnock. 2018. Praktijkboek Bosbeheer. Stichting Probos en Inverde.

Naar boven