Provinciaal blad van Flevoland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Flevoland | Provinciaal blad 2026, 18823 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Flevoland | Provinciaal blad 2026, 18823 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Provinciale Staten van Flevoland,
Overwegende dat:
de Omgevingsverordening provincie Flevoland, zoals laatstelijk gewijzigd per 1 januari 2025, van kracht is;
Het voorbereidingsbesluit van 14 mei 2025, beleidswijzigingen en andere verplichtingen nopen tot een herziening van deze Omgevingsverordening ten aanzien van behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen bij het MITC, grootschalige batterijopslag, netbewuste woningbouw en kernkwaliteiten werelderfgoed Schokland;
de omvang van de herziening is uitgebreid met een aantal onderwerpen te weten onder andere zwemwater, grondwateronttrekkingen, invasieve exoten en houtopstanden;
het daarnaast nodig is juridisch-technische, tekstuele en geometrische onvolkomenheden te herstellen;
van de Ontwerp Tweede herziening Omgevingsverordening provincie Flevoland kennis is gegeven in Provinciaal Blad 2026 nr. 3133 van 24 februari 2026;
de ontwerpverordening ter inzage heeft gelegen van 25 februari tot en met 7 april 2026 op de www.flevoland.nl/terinzage en beschikbaar is gesteld in Provinciaal Blad 2026 nr. 2995 en in het Omgevingsloket (/akn/nl/act/pv24/2022/omgevingsverordening/nld@106);
dat eenieder in die periode de gelegenheid had een zienswijze naar voren te brengen en dat naar aanleiding van de ingebrachte zienswijzen een Antwoordnota is opgesteld, waaruit blijkt op welke onderdelen de herziening is aangevuld ten opzichte van het ontwerp;
Gelezen het voorstel van 6 oktober 2026, nummer 3528359;
Gelet op het bepaalde in de Omgevingswet en de daarbij behorende uitvoeringsregelgeving, de Algemene wet bestuursrecht en de Provinciewet;
Besluiten:
De Tweede herziening Omgevingsverordening provincie Flevoland vast te stellen,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
Toegevoegd zijn regels over het verwijderen van heipalen (paragraaf 6.4.1.3), kernkwaliteiten UNESCO werelderfgoed Schokland (hoofdstuk 8), de energietoets bij grootschalige energieopslagsystemen (titel 14.3), netbewuste woningbouw (titel 14.4 en afdeling 12.2.7) en het behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen (hoofdstuk 18).
Gewijzigd zijn regels over grondwateronttrekkingen (hoofdstuk 5), de adviesplicht bij vergunningvrije ontgrondingen (hoofdstuk 7), indieningsvereisten vergunningverlening wegen en vaarwegen (hoofdstuk 9 en 11), zwemwater (hoofdstuk 13), biodiversiteit bij zonneparken (titel 14.2), invasieve exoten en houtopstanden (hoofdstuk 16), Kwaliteitscriteria VTH (bijlage XII bij hoofdstuk 20), provinciale wegen met geluidproductieplafonds (bijlage XIV bij hoofdstuk 9) en de toelichting bij wind op bedrijventerreinen (titel 14.1) en geitenhouderijen (hoofdstuk 17). Daarnaast zijn juridisch-technische, tekstuele en geometrische onvolkomenheden hersteld in de hoofdstukken 3 t/m 9, 11, 12, 14 t/m 17, 19 en 22, bijlage I en de toelichting.
Toegevoegd zijn de volgende werkingsgebieden: ‘gebied exclusief grondwaterbeschermingsgebieden’, ‘interferentiegebied Almere Centrum en Randstad’, ‘interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek’, ‘luchtruim voor testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen’ en UNESCO werelderfgoed Schokland en omgeving’. Ook zijn de geometrieën van de volgende werkingsgebieden gewijzigd: ’gebied binnen de bebouwde kom’, ‘gebied buiten de bebouwde kom’, ‘gebied vergunningvrije bodemenergiesystemen’, ‘gebieden zonder omgevingswaarden wateroverlast’, 'grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren', 'landelijk gebied van Flevoland', ‘Natuurnetwerk Nederland’, ‘openbare vaarwegen binnen Flevoland’, ‘provinciale vaarwegen’, ‘provinciale wegen’.
De Tweede herziening Omgevingsverordening provincie Flevoland treedt in werking per 1 december 2026.
Aldus besloten in de openbare vergadering van Provinciale Staten van 28 oktober 2026.
de griffier, de voorzitter,
A
Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die in een stiltegebied handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten .
Indien het achterwege laten van de handelingen of activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd, is diegene verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en
voor zover de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Ieder die kennis draagt van een voorval binnen een stiltegebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als stiltegebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht gedeputeerde staten hierover onmiddellijk te informeren.
B
Artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grondwaterbeschermingsgebieden bestaan uit de zones waterwingebied, beschermingsgebied voor grondwater en boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland.
De zone beschermingsgebied voor grondwater bestaat uit de locaties Beschermingsgebied voor grondwater Bremerberg 2 meter, Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 8 meter, Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 11 meter, Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 14 meter, Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 17 meter en Beschermingsgebied voor grondwater Harderbroek 20 meter, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
De zone waterwingebied bestaat uit de locaties Waterwingebied Bremerberg 2 meter, Waterwingebied Harderbroek 11 meter,
Waterwingebied
waterwingebied Harderbroek 14 meter,
Waterwingebied
waterwingebied Fledite 26 meter,
Waterwingebied
waterwingebied Fledite 29 meter,
Waterwingebied
waterwingebied Fledite 32 meter en Waterwingebied Spiekzand 35 meter, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
De zone Boringsvrije
boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland bestaat uit de locaties Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 8 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 11 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 14 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 17 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 20 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 23 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 26 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 29 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 32 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 35 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 38 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 41 meter, Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 44 meter en Boringsvrije zone Zuidelijk Flevoland 47 meter, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II.
Het begin en het eind van de beschermingsgebieden voor grondwater 'Bremerberg' en 'Harderbroek' en het waterwingebied 'Fledite' worden aangeduid door middel van borden, waarvan een model in Bijlage IV is opgenomen. De borden worden geplaatst langs alle openbare wegen en vaarwegen aan de buitengrens van de gebieden die worden doorkruist. De borden worden voorzien van een onderbord waarop is aangegeven waar bedreigingen ten aanzien van de grondwaterkwaliteit dienen te worden gemeld.
C
Artikel 4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die in een grondwaterbeschermingsgebied handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten.
Indien het achterwege laten van de handelingen of de activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs niet van diegene kan worden gevraagd, is diegene verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en
voor zover de gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
leder
Ieder die kennis draagt van een voorval binnen een grondwaterbeschermingsgebied, waarbij aannemelijk is dat het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen, wordt of kan worden geschaad, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten.
D
Artikel 4.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in:
artikel 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het exploiteren van een vergunningplichtige stookinstallatie;
artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;
artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke stoffen;
artikel 3.36 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen;
artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen;
afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;
artikel 3.103 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de metaalproductenindustrie;
artikel 3.118 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische producten industrie;
artikel 3.122 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de leerindustrie;
artikel 3.170 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de milieustraat;
artikel 3.184 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
artikel 3.232 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische wasserij; en
artikel 3.329 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op militaire kazernes.
Het is verboden bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 2 meter ten opzichte van maaiveld.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het beschermingsgebied zelf de bodem ter plaatse van het beschermingsgebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor werken en handelingen:
werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werken die voorzien in:
het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik;
het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen.
wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze -al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarvoor de regels gelden zoals gesteld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk;
de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen of te verstoren met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden.
Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.
E
Artikel 4.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in:
artikel 3.5 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het exploiteren van een vergunningplichtige stookinstallatie;
artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;
artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke stoffen;
artikel 3.36 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen;
artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen;
afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;
artikel 3.103 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de metaalproductenindustrie;
artikel 3.118 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische producten industrie
artikel 3.122 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de leerindustrie;
artikel 3.170 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de milieustraat;
artikel 3.184 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen;
artikel 3.232 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op de chemische wasserij; en
artikel 3.329 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op militaire kazernes.
Het is verboden bestrijdingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen of biociden te gebruiken.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 2 meter beneden maaiveld.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen het waterwingebied zelf de bodem ter plaatse van het waterwingebied te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden om zonder omgevingsvergunning:
werken, daaronder begrepen leidingen en installaties, te maken of te houden met het kennelijke doel het vervoeren, bergen, opslaan, overslaan, storten of verzinken van schadelijke stoffen door of in de bodem mogelijk te maken met uitzondering van werken die voorzien in:
het vervoer van schadelijke stoffen ten behoeve van niet bedrijfsmatig gebruik;
het doelmatig verwijderen van binnen het gebied vrijkomende schadelijke stoffen.
wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor zover deze - al dan niet tijdelijk - voor gemotoriseerd verkeer openstaan, waterwegen of spoorwegen aan te leggen, te hebben of te reconstrueren;
kampeergelegenheden, recreatiecentra of kampementen aan te leggen, te hebben, in exploitatie te nemen of te exploiteren;
een lozing op of in de bodem uit te voeren met uitzondering van lozingen waarvoor de regels gelden zoals gesteld in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving over lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam en lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk;
de bodem onder oppervlaktewater te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen met uitzondering van onderhoudsbaggerwerkzaamheden.
Waar sprake is van oprichten, maken of aanleggen, wordt daaronder mede verstaan wijzigen of uitbreiden.
F
Artikel 4.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 8 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 11 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 14 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 17 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 20 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 23 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 26 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijze
boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 29 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijze
boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 32 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijze
boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 35 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijze
boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 38 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijze
boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 41 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijze
boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 44 meter ten opzichte van NAP.
Het is verboden vanaf buiten of binnen de boringsvrije zone zelf de bodem ter plaatse van de boringsvrijze
boringsvrije zone te roeren, te doorboren of anderszins te doordringen en te verstoren door werken te maken of te behouden of handelingen te verrichten dieper dan 47 meter ten opzichte van NAP.
G
Artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Het gebied vergunningvrije bodemenergiesystemen is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Het gebied interferentiegebied Almere Centrum en Randstad is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Het gebied interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
H
Afdeling 5.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf
afdeling gaat over:
het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit
activiteiten leefomgeving; en
het onttrekken van grondwater in verband met de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18
3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Degene die grondwater onttrekt als bedoeld in artikel 5.3
Artikel 5.3
, onder a meet de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water met een nauwkeurigheid van ten minste 95%.
Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kan Gedeputeerde Staten in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, doet kwalitatieve metingen van dat water.
Degene die water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, meet de kwaliteit van dat water door het nemen van representatieve monsters en het analyseren van de in Bijlage V opgenomen parameters met de in die tabel aangegeven frequentie.
De metingen bedoeld in het vorige lid vinden plaats door het nemen van representatieve monsters van het water, die geanalyseerd worden volgens de parameters en frequentie opgenomen in Bijlage V, overeenkomstig de analysemethoden uit Bijlage 4 van de Drinkwaterregeling.
Voor kortdurende of seizoensgebonden onttrekkingen of infiltraties kunnen gedeputeerde staten in de voorschriften van de omgevingsvergunning voor de wateronttrekkingsactiviteit bij maatwerkvoorschrift bepalen dat de hoeveelheid over een kortere tijdsspanne wordt gemeten.
Uiterlijk op 31 januari van elk jaar of, als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, worden aan Gedeputeerde Staten
gedeputeerde staten de volgende gegevens verstrekt:
I
Afdeling 5.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf
afdeling gaat over de aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18
3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer is geen omgevingsvergunning vereist voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.18
3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om het aanleggen of gebruiken van een open bodemenergiesysteem tot een maximale diepte van 150 meter beneden NAP als de hoeveelheid grondwater die wordt onttrokken niet meer is dan 10 m3 per uur.
Het eerste lid is niet van toepassing in een bij
omgevingsplan of deze verordening aangewezen interferentiegebied als bedoeld in
Artikel 5.12
Afdeling 5.2.3
.
In aanvulling op de gegevens en bescheiden zoals opgenomen in artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden bij een melding voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 5.6 eerste lid en in artikel 4.1149 van het Besluit activiteit
activiteiten leefomgeving de gegevens en bescheiden verstrekt zoals opgenomen in artikel 7.35 van de Omgevingsregeling.
In aanvulling op de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 7.35 van de Omgevingsregeling wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving de toestemming verstrekt van de grondeigenaar van de grond waar de aanvraag betrekking op heeft.
In aanvulling op de registratieplicht zoals opgenomen
als bedoeld in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt een registratie bijgehouden van het gemiddelde chloridegehalte per jaar van het grondwater dat door het systeem in de bodem wordt teruggeleid.
Jaarlijks
In afwijking van artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving worden jaarlijks voor 1 maart worden de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste
vorige lid als ook
alsook de gegevens en bescheiden bedoeld in artikel 4.1150 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan het bevoegd gezag verstrekt.
De registratieplicht voor de gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1150, onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratieplicht ten aanzien van de hoeveelheid warmte en koude die aan de bodem zijn toegevoegd,
jaarlijkse verstrekking daarvan als ook de
bedoeld in artikel 4.1150
4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde jaarlijkse verstrekking van deze gegevens en bescheiden, is
zijn niet van toepassing bij een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.6, eerste lid waarbij het onttrokken water in een aaneengesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket als waaraan het is onttrokken.
Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie behaalt een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18
3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving met een installatiedatum van vóór 1 januari 2024 jaarlijks minimaal een energierendement van SPF 3,5 en een systeem met een installatiedatum na 1 januari 2024 jaarlijks een energierendement van minimaal SPF 5.
.
Maatregelen als bedoeld in het tweede lid dienen ertoe te strekken dat het energierendement verhoogd wordt, waarbij minimaal het energierendement zoals vastgelegd in het eerste lid behaald wordt.
Het is verplicht, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zich zo veel als mogelijk in te zetten voor het behalen van een zo hoog mogelijk energierendement.
Indien uit de jaarlijkse verstrekte gegevens en bescheiden als bedoeld in artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving blijkt dat het energierendement beneden het in het eerste lid genoemde energierendement komt, of het energierendement lager is dan 80% ten opzichte van het jaar ervoor worden passende maatregelen getroffen.
Met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit wordt vermenging van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld
zoals aangeduid in onderstaande tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A) zoveel als wat redelijkerwijs kan voorkomen.
:
J
Afdeling 5.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 5.12 verplaatst van afdeling 5.2.3 naar paragraaf 5.2.3.1. ]
Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18
3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek als bedoeld in de Verordening
interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk
interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek
2019.
[Red: Artikel 5.13 verplaatst van afdeling 5.2.3 naar paragraaf 5.2.3.1. ]
Een open bodemenergiesysteem als bedoeld in
wordt
Artikel 5.12 moet uitgevoerd worden als een doubletsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket tussen 60 en 225 meter minus
onder maaiveld.
Het is verboden om een open bodemenergiesysteem als bedoeld in Artikel 5.12
uit te voeren als recirculatiesysteem.
In afwijking van het eerste lid kan worden afgeweken van een doubletsysteem indien aangetoond kan worden dat dit past binnen het bodemenergieplan
Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0].
[Red: Artikel 5.14 verplaatst van afdeling 5.2.3 naar paragraaf 5.2.3.1. ]
De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in Artikel 5.12, moeten worden gepositioneerd binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart van het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0] aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden.
De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem moeten worden gepositioneerd in respectievelijk de warme en koude zoekgebieden als bedoeld in bijlage 1 van het Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk.
Binnen een zoekgebied kunnen open bodemenergiesystemen, als bedoeld in
Artikel 5.12, met een totale capaciteit van 500m³/uur en 750.000 m³/seizoen gerealiseerd worden.
De minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem, als bedoeld in
Artikel 5.12, bedraagt 40 meter.
Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied Almere Centrum en Randstad.
De warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem moeten worden gepositioneerd in respectievelijk de warme en koude zoekgebieden als bedoeld in figuur 2.1 van het Bodemenergieplan Almere Centrum en Randstad.
Een open bodemenergiesysteem in de bufferzone sluit aan op de hierin gemarkeerde zoekgebieden als bedoeld in figuur 2.1 van het Bodemenergieplan Almere Centrum en Randstad.
De minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem bedraagt 40 meter.
K
Afdeling 5.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde staten houden een register bij waarin wateronttrekkingsactiviteiten, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden opgenomen.
In het grondwaterregister wordt de wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving ingeschreven met vermelding van de gegevens en bescheiden die in het kader van deze wateronttrekkingsactiviteit aan gedeputeerde staten verstrekt worden.
Gedeputeerde staten nemen de gegevens en bescheiden die worden verstrekt in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op in het register bedoeld in het vorige lid.
Een niet in het grondwaterregister opgenomen wateronttrekkingsactiviteit, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteit leefomgeving, wordt ambtshalve door gedeputeerde staten in het grondwaterregister opgenomen. De datum van de ambtshalve inschrijving is de aanvangsdatum van de wateronttrekkingsactiviteit.
Gedeputeerde staten nemen een niet geregistreerde wateronttrekkingsactiviteit ambtshalve op in het register bedoeld in het eerste lid, waarbij de aanvangsdatum van de wateronttrekkingsactiviteit geldt als de datum van de ambtshalve inschrijving.
Op het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19
is de meest actuele versie van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing.
In aanvulling op het eerste lid is voor het beoordelen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolse Hoek, zoals
een bij deze verordening aangewezen in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019]
interferentiegebied het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk 68122/SV20190226, versie 3.0]
daarvoor geldende bodemenergieplan van toepassing.
Een omgevingsvergunning wordt enkel verleend indien er geen vermenging optreedt van zoet met zout of brak grondwater als bedoeld in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d
Artikel 5.11
. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A).
In afwijking van het derde lid kan de omgevingsvergunning verleend worden indien aangetoond wordt dat de vermenging van zoet met zout of brak water niet leidt tot aanzienlijke verzilting van het grondwater.
Op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor de aanleg en het gebruik van open bodemenergiesystemen die op grond van artikel 3.19
is de meest actuele versie van het Besluit activiteiten leefomgeving is vereist, is de Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1) van overeenkomstige toepassing.
L
Artikel 5.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het dagelijks bestuur van het waterschap neemt de volgende gegevens op in het grondwaterregister als bedoeld in Artikel 5.15
5.19, eerste lid:
een overzicht van de op grond van de waterschapsverordening vereiste vergunningen en gegevens en bescheiden op basis waarvan de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, plaatsvindt.
de gegevens die op grond van de waterschapsverordening vereist zijn in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, inhoudende het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening of het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening, door de houder van de omgevingsvergunning of door degene op wie een informatieplicht rust aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt.
De in het eerste lid opgenomen registratieplicht geldt niet voor wateronttrekkingsactiviteiten waar minder
een hoeveelheid kleiner dan of gelijk aan 10.000 m3
m3
grondwater onttrokken wordt.
De op grond van het eerste en tweede lid vermelde gegevens worden daarnaast aan gedeputeerde staten verstrekt in verband met de grondwateronttrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet.
M
Titel 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld uit oogpunt van de bescherming van de grondwaterkwaliteit
grondwater- en bodemkwaliteit en het beperken van risico’s voor verontreiniging van het grondwater en verdere verspreiding van verontreiniging in het grondwater.
Dit hoofdstuk is van toepassing op activiteiten die redelijkerwijs kunnen leiden tot verontreiniging van het grondwater of
, beïnvloeding van een historische verontreiniging in het grondwater of beschadiging van de bodem.
Een bekende historische grondwaterverontreiniging is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten .
Het margegebied historische grondwaterverontreiniging is de bekende historische grondwaterverontreiniging inclusief een zone van 500 meter buiten de bekende historische grondwaterverontreiniging waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten .
Buiten het margegebied historische grondwaterverontreiniging is de zone waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten .
Een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten .
Het gebied exclusief grondwaterbeschermingsgebieden is de locatie waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
N
Artikel 6.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voorafgaand aan het verrichten van een activiteit in een margegebied historische grondwaterverontreiniging wordt een risicobeoordeling grondwater uitgevoerd als blijkt dat die activiteit in staat is:
De risicobeoordeling grondwater is gericht op het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s van de bekende historische grondwaterverontreiniging als gevolg van de activiteit.
Margegebied historische grondwaterverontreiniging
Bij het uitvoeren van de risicobeoordeling grondwater wordt voldaan aan de regels over het voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor het bepalen of sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s wordt gebruik gemaakt van de Risicotoolbox Grondwater of een gelijkwaardige methode.
O
Artikel 6.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering uit te voeren waarbij sprake is van onaanvaardbare verspreidingsrisico’s, bedoeld in Artikel 6.4.
Bij de aanvraag om omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 6.10, eerste lid, worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de resultaten van de risicobeoordeling grondwater, bedoeld in Artikel 6.4;
de resultaten van voorafgaand bodemonderzoek, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
een beschrijving van de effecten die met de saneringsaanpak wordt
worden beoogd, waaronder mede begrepen een nadere beschrijving van de kwaliteit van het grondwater die met de grondwatersanering zal worden bereikt, waarbij minimaal de onaanvaardbare verspreidingsrisico’s worden weggenomen;
de keuze voor de saneringsaanpak, waarbij aangetoond wordt dat de gekozen saneringsaanpak leidt tot het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater;
een omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater;
een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen van de grondwatersanering te voorkomen of te beperken;
als afvalwater wordt geloosd: de lozingsroutes; en
de naam van de milieukundig begeleider.
P
Na paragraaf 6.4.1.2 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
Een omgevingsplan bepaalt dat heipalen, waaronder mede verstaan een prefab betonnen heipaal, die zich dieper dan 2 meter ten opzichte van maaiveld bevinden, indien zij hun funderende functie verliezen, tot op een diepte van twee meter of meer beneden de omliggende maaiveldhoogte worden verwijderd op een dusdanige manier dat het eventueel onderliggende en in de bodem achterblijvende gedeelte van de heipalen niet beschadigt, niet trilt of anderszins beweegt bij het verwijderen van het bovenste gedeelte.
Q
Artikel 6.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsvergunning voor een grondwatersanering als bedoeld in Artikel 6.10 wordt alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het belang van:
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de waterbeheerprogramma’s, de regionale waterprogramma’s, de stroomgebiedsbeheerplannen, de overstromingsrisicobeheerplannen en het nationale waterprogramma, die betrekking hebben of dat betrekking heeft op het betreffende krw-oppervlaktewaterlichaam of grondwaterlichaam.
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval niet toe leiden dat:
niet wordt voldaan aan de omgevingswaarden, bedoeld in de artikelen 2.10, eerste lid, 2.11, eerste lid, 2.13, eerste lid, 2.14, eerste lid, en 2.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving;
een goed ecologisch potentieel als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt, in voorkomend geval in samenhang met de termijn, bedoeld in artikel 2.18, tweede lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; en
een minder strenge doelstelling als bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, aanhef en onder d, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en
de doelstelling van ombuiging van significante en aanhoudend stijgende trends, bedoeld in artikel 4.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt; en
de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang en streven naar verbetering van de kwaliteit van water bestemd voor menselijke consumptie, bedoeld in artikel 4.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
Artikel 6.21
6.22, derde lid is niet van toepassing:
voor zover het gaat om de omgevingswaarde, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, als het niet voldoen aan die omgevingswaarde wordt veroorzaakt door een buiten Nederland gelegen verontreinigingsbron en toepassing is gegeven aan artikel 2.17, derde lid, Besluit kwaliteit leefomgeving; of
als het niet voldoen aan een omgevingswaarde of het niet bereiken van een goed ecologisch potentieel of een minder strenge doelstelling het gevolg is van:
Het verlenen van de omgevingsvergunning mag er in ieder geval ook niet toe leiden dat de doelstelling van het voorkomen van achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van krw-oppervlaktewaterlichamen en van de chemische toestand en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen, bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, Besluit kwaliteit leefomgeving, niet wordt bereikt.
R
Het opschrift van artikel 6.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
S
Afdeling 7.2.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt het verbod van artikel 5.1, van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet voor ontgrondingsactiviteiten, voor zover het gaat om het ontgronden:
waarbij niet meer dan 500 m2 wordt ontgrond en bovendien een diepte van 3 meter beneden maaiveld niet wordt overschreden; of
voor een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, als:
Ten behoeve van het bouwen, in stand houden of het slopen van een bouwwerk, waarvoor een omgevingsvergunning wordt verleend, indien bij het verlenen van deze omgevingsvergunning de ecologische belangen, archeologische belangen en de (geo)hydrologische belangen voldoende zijn afgewogen.
Het is verboden een ontgrondingsactiviteit, bedoeld in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, te verrichten zonder dit ten minste vier werken
weken voor het begin ervan te melden.
Het is verboden af te wijken van de gegevens en bescheiden die bij een melding zijn verstrekt, zonder dit ten minste vier weken voor die afwijking te melden.
In aanvulling op Artikel 21.1 bevat een melding gegevens en bescheiden over:
de kadastrale ligging van de ontgrondingslocatie;
de periode waarbinnen de ontgrondingsactiviteit wordt uitgevoerd;
een beschrijving van het doel van de ontgrondingsactiviteit;
de toestand en de functie van het terrein na het afronden van de ontgrondingsactiviteit;
de oppervlakte van het te ontgronden terreingedeelte in m2;
de beoogde maximale diepte in meter beneden maaiveld;
de huidige maaiveldhoogte in meters ten opzichte van NAP;
de opbouw van het bodemprofiel tot de grootste diepte van de voorgenomen ontgrondingsactiviteit; en
de hoeveelheid te ontgraven en af te voeren oppervlaktedelfstof in m3.
Artikel 7.5, derde lid is van overeenkomstige toepassing als eerder verstrekte gegevens of bescheiden wijzigen.
Artikel 7.5 is niet van toepassing op een ontgrondingsactiviteit waarbij minder dan 1500 m3 wordt ontgraven.
T
Artikel 7.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 7.4, gelden niet voor ontgrondingsactiviteiten met een diepte van meer dan 0,3 meter beneden het maaiveld in de beschermingszone van de provinciale Archeologische en Aardkundige Kerngebieden Kuinderschans en - burchten, Unesco
UNESCO-monument Schokland en Rivierduingebied Swifterbant.
U
Het opschrift van hoofdstuk 8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
V
Titel 8.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het belang van de bescherming van het landschapsschoon en zijn gericht op het behoud en de ontwikkeling van een specifiek en karakteristiek landschapspatroon.
De regels over de omgevingskwaliteit van het landschap zijn gesteld met het oog op ontwikkelingen en activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de instandhouding en bescherming en de versterking van de landschappelijke waarden als aangegeven in het provinciale beleid voor landschap.
De regels in afdeling 8.2.2 UNESCO Werelderfgoed zijn gesteld met het oog op de instandhouding en versterking van de uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed Schokland en omgeving die op grond van artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in samenhang met artikel 2.42 van de Omgevingsregeling zijn aangewezen.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op activiteiten in het landelijk gebied van Flevoland buiten de bebouwde kom en binnen het beperkingengebied provinciale wegen, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten .
In afwijking van het eerste lid zijn de regels in Afdeling 8.2.2, Artikel 8.10 en Artikel 8.11 van toepassing binnen het gebied UNESCO werelderfgoed Schokland en omgeving, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
W
Titel 8.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 8.3 ongewijzigd verplaatst van titel 8.2 naar afdeling 8.2.1. ]
Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten om één of meer borden te plaatsen, te doen plaatsen, geplaatst te houden, aan te brengen, te doen aanbrengen of aangebracht te houden op of aan een onroerende zaak.
Het is de zakelijk gerechtigde of gebruiker van enige onroerende zaak verboden deze onroerende zaak te gebruiken of te laten gebruiken voor het plaatsen, doen plaatsen, geplaatst te houden, aanbrengen, doen aanbrengen of aangebracht te houden van één of meer borden zonder omgevingsvergunning.
[Red: Artikel 8.4 verplaatst van titel 8.2 naar afdeling 8.2.1. ]
Het in Artikel 8.3 neergelegde verbod geldt niet voor het plaatsen, houden en/of verwijderen van borden;
die niet zichtbaar zijn vanaf een openbare weg, een openbaar water, een spoorweg of een andere voor het publiek toegankelijke plaats;
die betrekking hebben op enig beroep, enig bedrijf of enige dienst, en die borden zijn geplaatst of aangebracht op de bouwkavel waar dat beroep, bedrijf of die dienst wordt uitgeoefend of op of in de directe nabijheid van de inrit daarnaar toe
daarnaartoe;
die zijn geplaatst of aangebracht op, in of aan een wachtruimte bij een halteplaats voor het openbaar vervoer;
die op of aan een onroerende zaak zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkoop, verhuur of verpachting van deze zaak, mits niet langer aanwezig dan voor de verkoop, verhuur of verpachting noodzakelijk is;
die ofwel zijn geplaatst of aangebracht op een terrein waar een grootschalige publieke gebeurtenis, zoals een openbare wedstrijd, manifestatie, tentoonstelling of evenement, plaatsvindt, ofwel zijn geplaatst of aangebracht ter bekendmaking van of de bewegwijzering naar die gebeurtenis en mits;
die gebeurtenis niet behoort tot de gebruikelijke commerciële uitoefening van een beroep, bedrijf of dienst;
op borden, die zijn geplaatst buiten het terrein waar de gebeurtenis plaatsvindt, eventuele handelsreclame duidelijk ondergeschikt is aan de bekendmaking c.q. bewegwijzering en;
het bord niet langer aanwezig is dan gedurende één maand voor die gebeurtenis tot één week erna, die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg;
die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde sportterrein, mits het bord dient ter bekendmaking van sponsorering van het sportterrein en niet zichtbaar is vanaf de openbare weg;
die zijn geplaatst of aangebracht op een overeenkomstig een omgevingsplan in gebruik zijnde bedrijventerrein;
die betrekking hebben op een werk in uitvoering, waarvoor van overheidswege opdracht is gegeven, voor zover zij in de directe nabijheid van het werk zijn geplaatst of aangebracht en niet langer aanwezig zijn dan de uitvoering van het werk duurt;
die zijn geplaatst of aangebracht in een wegberm en kunnen worden beschouwd als een herdenkingsteken zoals bedoeld in Artikel 9.25 en Artikel 11.32;
die vanwege of met toestemming van het bevoegd gezag zijn geplaatst of aangebracht ten behoeve van de verkeersveiligheid of de verkeersinformatie;
die zijn geplaatst of aangebracht op of aan zuilen, muren en andere constructies, die daarvoor door de overheid zijn aangewezen of ten aanzien waarvan gedeputeerde staten in een ander kader met het gebruik daarvoor hebben ingestemd;
die zijn geplaatst of aangebracht ter voldoening aan een wettelijke verplichting;
die dienen tot het openbaren van gedachten of gevoelens in de zin van artikel 7 van de Grondwet, mits niet meer dan één bord per onroerende zaak wordt aangebracht en mits dat bord niet langer dan drie maanden ter plaatse aanwezig is;
die dienen tot het aankondigen van verkiezingen voor een gemeenteraad, provinciale staten, de Tweede Kamer, het algemeen bestuur van het waterschap of het Europees parlement en tot het presenteren van daaraan deelnemende politieke partijen, mits niet langer aanwezig dan gedurende één maand voor de verkiezing tot één week na die verkiezing;
die dienen ter aanduiding van gewassen, proefvelden, productinformatie of demonstratievelden, ter plaatse waar het product geteeld wordt, mits het bord geen merknaam bevat, niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;
die dienen ter bewegwijzering naar een verkooppunt van agrarische producten, naar een mini camping
minicamping of naar een andere, aan het agrarisch bedrijf gerelateerde nevenactiviteit, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;
die dienen ter bewegwijzering naar een natuurgebied, mits het bord niet verlicht of reflecterend is en het oppervlak niet groter is dan 3 m2;
langs openbare wegen, niet zijnde openbare wegen in beheer van de provincie Flevoland, die een georganiseerd buurtinitiatief voor sociale veiligheid laten zien, mits;
het geen commercieel initiatief is;
er maximaal twee van deze borden aan dezelfde weg staan;
de borden door of vanwege de gemeente, in beginsel geclusterd met andere borden en aan de rechterzijde van de weg, worden geplaatst;
het bord maximaal 0,6 bij 0,3 meter groot is en maximaal de laagste reflectieklasse heeft.
[Red: Artikel 8.5 ongewijzigd verplaatst van titel 8.2 naar afdeling 8.2.1. ]
De borden als bedoeld in artikel 8.4 zijn deugdelijk geconstrueerd en verkeren in goede staat van onderhoud.
[Red: Artikel 8.6 ongewijzigd verplaatst van titel 8.2 naar afdeling 8.2.1. ]
Bij de aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 8.3 worden in aanvulling op artikel 7.2 en 7.3 Omgevingsregeling tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt;
een tekening van de voorgenomen constructie;
een opsomming van de te gebruiken materialen;
de verwachte begin- en einddatum van de activiteit; en
een beschrijving van de vorm, afmetingen, het doel en het opschrift van het bord.
De kernkwaliteiten van UNESCO Werelderfgoed Schokland en omgeving, als bedoeld in artikel 7.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, betreffen:
de unieke archeologische overblijfselen die getuigen van zich aanpassende prehistorische en vroeg historische bewoning in een natter wordende omgeving;
het cultuurlandschap dat herinnert aan de eeuwige strijd tegen het water, met de inpoldering van de voormalige Zuiderzee als een van de grootste en meest visionaire prestaties van de mensheid in de twintigste eeuw, tot uiting komend in:
de contour en zichtbaarheid van het voormalige eiland in de polder;
de dorpsterpen en de begraafplaatsen op het voormalige eiland;
de vooroorlogse gebouwen en andere bouwwerken op het voormalige eiland;
overblijfselen en sporen van Middeleeuwse dijken en terpen in het landschap rond het voormalige eiland;
het verkavelingspatroon van het oude en het nieuw gecreëerde land;
de openheid van het agrarische landschap rond en op delen van het voormalige eiland;
de kenmerkende groenaanleg langs wegen, om erven en om het voormalige eiland; en
de erven en boerderijen met bijbehorende schuren en eventuele arbeiderswoningen behorend tot de initiële agrarische inrichting van het nieuwe land en een deel van het voormalige eiland.
X
Het opschrift van artikel 8.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Y
Het opschrift van artikel 8.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Z
Na artikel 8.8 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen UNESCO Werelderfgoed Schokland en omgeving:
Als uitzonderlijke universele waarde Schokland en omgeving gelden de kernkwaliteiten, bedoeld in Artikel 8.7.
De motivering van een omgevingsplan bevat:
Ontheffing van Artikel 8.10, eerste lid, kan alleen worden verleend indien wordt voldaan aan onderstaande voorwaarden:
er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang,
reële alternatieven die Schokland en omgeving niet of minder aantasten ontbreken,
de aantasting zoveel mogelijk wordt beperkt en
er op of nabij de locatie waarvoor ontheffing wordt gevraagd voldoende compenserende maatregelen worden genomen, in de vorm van versterking van de resterende uitzonderlijke universele waarde van Schokland en omgeving.
AA
Artikel 9.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk gaat over:
Voor activiteiten die niet plaats vinden
plaatsvinden binnen het beperkingengebied met betrekking tot wegen in beheer bij de provincie Flevoland, geldt dat dit hoofdstuk ook van toepassing is op activiteiten nabij de provinciale wegen, die van invloed kunnen zijn op de belangen zoals genoemd in Artikel 9.1 onder a. en b.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:
activiteiten door de provincie Flevoland, ten behoeve van de aanleg, de wijziging, het beheer en/of onderhoud van de weg, de toezicht en handhaving van de weg of de regeling van het wegverkeer over die weg;
activiteiten ten behoeve van het beheer en onderhoud van een weg in opdracht van de provincie Flevoland.
BB
Artikel 9.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft tot
op een activiteit in dit hoofdstuk wordt die alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met het oogmerk genoemd in Artikel 9.1.
Een omgevingsvergunning wordt niet geweigerd als door het stellen van voorschriften het te beschermen belang gelijkwaardig kan worden gediend.
CC
Artikel 9.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een verruiming of wijziging van een weg waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, worden bouwwerken, werken die geen bouwwerk zijn, kabels en leidingen of andere objecten verplaatst of verlegd in het geval ze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de werkzaamheden door of namens de wegbeheerder.
Indien met de rechthebbende geen schriftelijke overeenstemming wordt bereikt over de termijn waarop het bouwwerk, werk , kabel, leiding of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
DD
Artikel 9.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
EE
Artikel 9.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
FF
Artikel 9.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het beperkingengebied Provinciale Wegen is het verboden om zonder omgevingsvergunning borden te plaatsen.
Het eerste lid is niet van toepassing op het plaatsen van toeristische en objectbewegwijzering overeenkomstig een door gedeputeerde staten vastgestelde beleidsregel.
De borden zoals bedoeld in het eerste lid:
worden geplaatst;
buiten de bebouwde kom;
op een deugdelijke wijze, hetgeen betekent dat borden op stalen palen worden bevestigd en met grondankers worden geplaatst;
in de onverharde buitenberm op een afstand van ten minste 1.80 meter uit de kant van de verharding;
zelfstandig en niet aan bestaande bebording en/of OV-masten bevestigd;
op minimaal 2 meter afstand van OV-masten;
zonder spiegeling, fluorisering, verlichting en bewegende delen;
minimaal 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld;
op minimaal 200 meter afstand van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in-en uitwegen en bochten; en
meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden.
verkeren in goede staat van onderhoud en worden onderhouden;
zijn niet groter dan 1.00 meter bij 1.00 meter;
worden met niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie aangebracht;
worden verwijderd door degene die de borden plaatst, indien de voorzieningen waarop de borden betrekking hebben niet langer aanwezig zijn en/of noodzakelijk zijn.
Voordat een bord wordt geplaatst dient een KLIC
-melding gedaan te worden.
Na verwijdering van de borden wordt de berm in oorspronkelijke staat terug gebracht
teruggebracht.
GG
Artikel 9.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een
de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit op basis van dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag en worden die ondertekend en voorzien van:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.
;
indien van toepassing: tijdelijke verkeersmaatregelen conform de actuele versie van Werk in Uitvoering 96b van het kennisplatform CROW; en
de adressering voor de legesheffing indien dit afwijkt van het adres van de aanvrager.
HH
Afdeling 9.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tenminste vier weken voor het begin
Bij de aanvraag van een activiteit
omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.11 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.12 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Bij de aanvraag om
van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.14 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
Bij de aanvraag om
van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.22 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
de totale afmetingen van de ruimte die de aanvrager wil gaan gebruiken;
een beschrijving van de verkoopinrichting waaronder begrepen de afmeting van de (mobiele) wagen of kar inclusief de daaraan vast gemaakte
vastgemaakte uitbreidingen zoals luifels en zijschotten;
omschrijving van de waren die de aanvrager op de standplaats wenst te verkopen;
de periode van verkoop van waren;
een plaatsaanduiding op de weg waar de aanvrager de standplaats wil betrekken, onder vermelding van het wegnummer van de weg en de hectometrering; en
een plattegrondtekening met een schaal die niet kleiner mag zijn dan 1:1.000. Op de plattegrond is aangegeven:
Bij de aanvraag om
van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.23 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit;
een tekening van de voorgenomen constructie inclusief maatvoering;
een opsomming van de te gebruiken materialen; en
de voorgenomen duur van de aanwezigheid van het bord.
Bij de aanvraag om
van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 9.24 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
aard van het evenement;
te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het verkeer
een verkeersplan; en
omleidingsroutes indien de aanvrager wenst dat het verkeer wordt gestremd.
indien borden dienen te worden geplaatst en verwijderd, dienen tevens de gegevens en bescheiden uit artikel 9.31 te worden verstrekt.
II
Artikel 11.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een verruiming of wijziging van een vaarweg waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, worden bouwwerken, werken die geen bouwwerk zijn, kabels en leidingen of andere objecten, verplaatst of verlegd in het geval ze een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de werkzaamheden door of namens de vaarwegbeheerder.
Indien met de rechthebbende geen schriftelijke overeenstemming wordt bereikt over de termijn waarop het bouwwerk, werk , kabel, leiding of object wordt verplaatst of verlegd, stelt het bevoegd gezag die termijn bij maatwerkvoorschrift vast.
JJ
Artikel 11.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Kabels en leidingen moeten voldoen aan de technische eisen zoals vastgelegd in de volgende normen:
voor stalen transportleidingsystemen: de NEN 3650;
voor stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken, aanvullende op de NEN 3650: de NEN 3651;
voor stalen leidingen voor transport van gas, drinkwater en afvalwater, stuiklassen voor buizen en hulpstukken van PE met een dichtheid van tenminste 930 kg/m3, aanvullend op de NEN 3650: de NEN 3652;
voor niet-stalen leidingen in kruisingen met belangrijke waterstaatswerken: de NEN 7200.
Kabels en leidingen zijn, met inachtneming van de te verwachte gronddruk, berekend op een verkeersbelasting volgens belastingmodel 3 (Load Model 3) conform NEN-EN 1991-2.
Kabels en leidingen ten behoeve van de riolering hebben een dekking van ten minste 1.00 meter.
Roosters en deksels voor putten en kolken voor verkeersgebieden moeten voldoen aan de eisen, typebeproevingen, markering en kwaliteitsbeheersing in de NEN-EN 124.
De normadressaat dient voorafgaand aan het leggen van een kabel of leiding een KLIC
-melding te doen en overleg te plegen met de betrokken netbeheerder.
KK
Artikel 11.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Grondwerkzaamheden met betrekking tot kabels en leidingen moeten voldoen aan de volgende eisen:
ontgravingen dienen gescheiden plaats te vinden en aangevuld te worden;
ontgravingen dienen na afloop van iedere dag te worden dichtgemaakt of, indien dit niet mogelijk is, veilig te worden afgezet;
bij het dichten van ontgravingen dient de oorspronkelijke opbouw van de grond te worden hersteld;
opengebroken weggedeelten, bestratingen en ander
andere in verband met de werkzaamheden aanwezige obstakels dienen duidelijk te worden gemarkeerd;
kabels en leidingen dienen in den droge te worden gelegd of verlegd, zo nodig met behulp van bronbemaling van voldoende capaciteit nabij de verharding tot 0.25 meter beneden de onderkant van de boorbuizen of mantelbuizen; en
de bovenste laag van de aanvulling mag geen puin bevatten.
LL
Artikel 11.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het beperkingengebied Provinciale Vaarwegen is het verboden om zonder omgevingsvergunning borden te plaatsen.
Het eerste lid is niet van toepassing op het plaatsen van toeristische en objectbewegwijzering overeenkomstig een door gedeputeerde staten vastgestelde beleidsregel.
De borden zoals bedoeld in het eerste lid worden geplaatst:
worden geplaatst:
buiten de bebouwde kom;
op een deugdelijke wijze, dit betekent dat borden op stalen palen bevestigden
bevestigd en met grondankers geplaatst moeten worden;
in de onverharde buitenberm op een afstand van ten minste 1.80 meter uit de kant van de verharding;
zelfstandig en niet aan bestaande bebording en/of OV-masten bevestigd;
minimaal 2 meter van OV-masten;
zonder spiegeling, fluorisering, verlichting en bewegende delen;
minimaal 0.5 meter en maximaal 2 meter boven het maaiveld;
minimaal 200 meter van bestaande kruisingen, wegaansluitingen, oversteekplaatsen, in- en uitwegen en bochten; en meer dan 50 meter voor of 50 meter voorbij bestaande bewegwijzering of verkeersborden.
verkeren in goede staat van onderhoud en worden onderhouden;
zijn niet groter dan 1.00 meter bij 1.00 meter;
worden met niet meer dan twee borden bij elkaar op een locatie aangebracht;
worden verwijderd door degene die de borden plaatst indien de voorzieningen waarop de borden betrekking hebben niet langer aanwezig zijn en/of noodzakelijk zijn.
Voordat een bord wordt geplaatst, dient een KLIC-melding gedaan te worden.
Na verwijdering van de borden wordt de berm in oorspronkelijke staat terug gebracht
teruggebracht.
MM
Artikel 11.33 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een
de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een beperkingengebiedactiviteit op basis van dit hoofdstuk worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling de volgende gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag en worden die ondertekend en voorzien van:
een aanduiding van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en
de verwachte datum van het begin van de activiteit en de verwachte duur ervan.
;
indien van toepassing: tijdelijke verkeersmaatregelen conform de actuele versie van Werk in Uitvoering 96vw van het kennisplatform CROW; en
de adressering voor de legesheffing indien dit afwijkt van het adres van de aanvrager.
NN
Artikel 11.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij een
de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.18 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
als het gaat om het bouwen van een werk;
een tekening of plattegrond van de betrokken locatie van de activiteit;
een tekening van de voorgenomen constructie;
een opsomming van de te gebruiken materialen;
de te nemen maatregelen ten behoeve van de doorstroming van het vaarwegverkeer; en
de verwachte begin- en einddatum van de activiteit.
als het gaat om het verwijderen van een werk;
OO
Artikel 11.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 11.30 worden in aanvulling op artikel 7.3 en 7.4 Omgevingsregeling en in aanvulling op Artikel 11.33 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt over:
aard van het evenement; en
bebordingsplan
een verkeersplan.
PP
Artikel 12.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Hoofdstuk 13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
[Red: Artikel 13.1 verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op de veiligheid, gezondheid en hygiëne van bezoekers van daartoe door gedeputeerde staten aangewezen
zwemlocaties in oppervlaktewater.
De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op door gedeputeerde staten op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen zwemlocaties in oppervlaktewater.
De houder van de zwemlocatie neemt tijdig passende beheersmaatregelen indien sprake is van een situatie die een negatief effect heeft of redelijkerwijs kan hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de gezondheid en veiligheid van zwemmers.
De houder van de zwemlocatie informeert onverwijld gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam indien sprake is van een situatie, bedoeld in het eerste lid.
[Red: Artikel 13.2 verplaatst van hoofdstuk 13 naar afdeling 13.1. ]
De regels in dit hoofdstuk gelden voor de zwemlocaties , waarvan de geometrische begrenzing indicatief is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten .
Degene die op een zwemlocatie handelingen of activiteiten verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die handelingen of activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als zwemlocatie is aangewezen, is verplicht dergelijk handelen of activiteiten achterwege te laten.
Indien het achterwege laten van de handelingen of de activiteiten bedoeld in het eerste lid redelijkerwijs niet van diegene kan worden gevraagd, is diegene verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om de nadelige gevolgen bedoeld in het eerste lid te voorkomen; en
voor zover de gevolgen bedoeld in het eerste lid niet kunnen worden voorkomen: die nadelige gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.
Ieder die kennis draagt van een voorval op een zwemlocatie, waarbij aannemelijk is dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor het bijzondere belang met het oog waarop het gebied als zwemlocatie is aangewezen, is verplicht dat terstond te melden aan gedeputeerde staten.
De houder van de zwemlocatie draagt zorg voor het beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid, gezondheid en hygiëne voor de bezoekers.
De houder van de zwemlocatie neemt tijdig passende beheersmaatregelen indien sprake is van een situatie die een negatief effect heeft of kan hebben op de kwaliteit van de zwemlocatie en op de veiligheid, gezondheid en hygiëne van bezoekers van zwemlocaties.
Passende beheersmaatregelen omvatten in ieder geval:
het treffen van maatregelen om situaties als bedoeld in het vorige lid op de zwemlocaties te voorkomen;
het plaatsen van een duidelijke en fysieke markering van de voor bezoekers van zwemlocaties gevaarlijke plaatsen op de zwemlocatie.
De houder van de zwemlocatie informeert onverwijld gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam indien sprake is van een situatie, zoals beschreven in Artikel 13.6, eerste lid.
Gedeputeerde staten wijzen bij de aanwijzing van zwemlocaties als bedoeld in artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de houder van een zwemlocatie aan.
Als houder van een zwemlocatie wordt aangewezen de exploitant van de zwemlocatie.
Indien er geen duidelijke exploitant aanwezig is, wordt aangewezen als houder het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de zwemlocatie zich bevindt.
RR
Artikel 14.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde staten kunnen in de omgevingsverordening projectgebieden in een windgebied aanwijzen en wijzigen. Het aanwijzen en wijzigen van de begrenzing van een projectgebied kan ambtshalve en op aanvraag plaatsvinden.
Een aanwijzing of wijziging van de begrenzing van een projectgebied wordt gebaseerd op een (voorstel tot aanpassing van een goedgekeurd) projectplan voor opschalen en saneren of opschalen van windmolens. Het (aangepaste) projectplan toont de noodzaak van de aanwijzing of wijziging van de begrenzing aan.
SS
Artikel 14.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gerekend vanaf 15 november 2018 mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot maximaal 500 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland’, waarvan de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied.
Vanaf het moment dat gelet op de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, eerste lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt, laat een nieuw(e wijziging van het) een omgevingsplan buiten de aangewezen uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden geen grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden toe.
Gerekend vanaf 8 december 2022 laat een (nieuwe wijziging van een) omgevingsplan buiten de aangewezen uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden geen grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden toe.
In afwijking van Artikel 14.28, tweede lid mag een nieuw(e
nieuwe wijziging van een) omgevingsplan een grondgebonden opstelling voor zonne-energie toelaten op gietwaterbassins in het gebied Uitzondering glastuinbouw i.r.t. zonne-energie in landelijk gebied.
Vanaf het moment dat gelet op de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld In Artikel 14.25, eerste lid is volgelopen en de tweede 500 hectare netto ontwikkelruimte als bedoeld in Artikel 14.25, tweede lid een aanvang neemt mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot in totaal maximaal 1000 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland, gerekend vanaf 15 november 2018, mits de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied.
Gerekend vanaf 8 december 2022 mag een omgevingsplan voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot in totaal maximaal 1000 hectare netto van het landelijk gebied van de provincie Flevoland, mits:
de locatie en de omvang zijn aangegeven in de monitor met betrekking tot zonne-energie in het landelijk gebied;
de inrichting en het beheer van de grondgebonden opstelling voor zonne-energie ter behoud van bodemkwaliteit en versterking van biodiversiteit plaatsvindt conform een aanleg- en beheerplan.
Een omgevingsplan mag op een locatie niet meer voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken.
In afwijking van het Artikel 14.28, vijfde lid mag een omgevingsplan, nadat de gebruiksperiode van de omgevingsvergunning voor de betreffende opstelling op die locatie is verstreken, blijven voorzien in grondgebonden opstellingen voor zonne-energie, indien voor die locatie opnieuw een omgevingsvergunning wordt verleend voor het realiseren van een nieuwe grondgebonden opstelling voor zonne-energie.
TT
Na titel 14.2 worden twee titels ingevoegd, luidende:
De regels in deze titel zijn gesteld om ruimte te bieden aan nieuwe grootschalige energieopslagsystemen in landelijk en stedelijk gebied van de provincie Flevoland, waarbij de ruimtelijke kwaliteit van het landelijke gebied niet onevenredig wordt aangetast en rekening wordt gehouden met de invloed op de capaciteit van de elektriciteitsinfrastructuur.
De regels voor grootschalige energieopslagsystemen gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren, genoemd in bijlage II onder 1 onder A bij het Omgevingsbesluit, en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Een omgevingsplan voorziet alleen in een nieuw grootschalig energieopslagsysteem als deze een doelmatige en doeltreffende bijdrage levert aan het versterken of blijven voorzien van een de goede werking van de elektriciteitsinfrastructuur conform een provinciaal programma grootschalige batterijopslag.
De motivering van een omgevingsplan bevat een beschrijving van de wijze waarop rekening is gehouden met de lokale net situatie en indien van toepassing de netcongestie situatie, waarbij in ieder geval een onderbouwing wordt gegeven van het effect van het grootschalig energieopslagsysteem op het versterken of het blijven voorzien in een goede werking van de elektriciteitsinfrastructuur.
Regels in deze titel zijn gesteld met het oog op:
Deze titel is van toepassing op een nieuwe woningbouwactiviteit die tot belasting van de elektriciteitsinfrastructuur leidt.
Deze titel ziet niet op:
het aan regels binden van het produceren, transporteren, opslaan of leveren van elektriciteit in het belang van de energievoorziening als bedoeld in artikel 6.12, eerste lid, van de Energiewet; en
energiezuinigheid als bedoeld in de paragrafen 3.4.1 en 4.4.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Artikel 14.34 en Bijlage VII Netbewuste woningbouw treden:
De regels voor netbewuste woningbouw gelden voor het grondgebied van de provincie Flevoland, genoemd in bijlage II onder 1 onder A bij het Omgevingsbesluit, en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe woningbouwactiviteit, wordt
het netcapaciteitsplafond voor netbewuste woningbouw, bedoeld in Bijlage VII Netbewuste woningbouw, in acht genomen
voor die woningbouwactiviteit bepaald of een bodemenergiesysteem kan worden toegepast.
Bij het beoordelen of een woningbouwactiviteit aan het netcapaciteitsplafond voldoet, worden de rekenregels uit de Handreiking netbewuste woningbouw, bedoeld in Artikel 14.35, in acht genomen.
Het omgevingsplan kan het netcapaciteitsplafond en de rekenregels niet aanvullen of versoepelen.
Gedeputeerde Staten stellen in afstemming met Gedeputeerde Staten van de provincies Gelderland en Utrecht de Handreiking netbewuste woningbouw, bedoeld in Artikel 14.34, tweede lid, vast.
Gedeputeerde Staten actualiseren de Handreiking netbewuste woningbouw en Bijlage VII Netbewuste woningbouw in afstemming met Gedeputeerde Staten van de provincies Gelderland en Utrecht wanneer de ontwikkelingen met betrekking tot netcongestie en netbewust bouwen daartoe aanleiding toe geven.
UU
Afdeling 15.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk geeft
bevat regels als bedoeld in artikel 2.31a en 2.44 vierde lid van de Omgevingswet.
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op:
het begrenzen, aanwijzen en beschermen van op het land gelegen Natuurnetwerk Nederland;
het aanwijzen en veiligstellen van de wezenlijke kenmerken en waarden van de begrensde gebieden;
het geven van een afwegingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland en voorwaarden voor herbegrenzing;
het instellen van een registratie voor planologische besluiten bij het wijzigen van het Natuurnetwerk Nederland.
De regels in dit hoofdstuk gelden voor het Werkingsgebied
natuurnetwerk
Natuurnetwerk Nederland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II
.
Het Natuurnetwerk Nederland is de locatie, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.
Compensatie NNN binnen het zoekgebied Oosterwold is de locatie die is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.
Het kiekendieffoerageergebied is de locatie, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II en op https://nnn.flevoland.nl/.
De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn vastgelegd op https://nnn.flevoland.nl/.
VV
Artikel 15.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Burgemeesten
Burgemeester en wethouders kunnen verzoeken de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland en de wezenlijke kenmerken en waarden te wijzigen ten behoeve van een combinatie van projecten of handelingen als genoemd in Artikel 15.3, tweede lid, onderdeel a of een enkelvoudige ontwikkeling als genoemd in Artikel 15.3, derde lid onderdeel b.
Het verzoek om wijziging van de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland gaat vergezeld van een toelichting of onderbouwing waarin wordt aangetoond dat:
de uitvoering en langdurige instandhouding van de versterking of vergroting van het Natuurnetwerk Nederland is gewaarborgd,
de uitvoering van de versterking en vergroting uiterlijk aansluitend aan het realiseren van de enkelvoudige ontwikkeling plaats vindt
plaatsvindt.
Wanneer de beoogde ontwikkeling of activiteit ten behoeve waarvan het Natuurnetwerk Nederland is gewijzigd niet of niet geheel plaats vindt
plaatsvindt verzoeken burgemeester en wethouders tot het geheel of gedeeltelijk intrekken van de wijziging.
WW
Artikel 16.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1 tweede lid. aanhef en onder g van de wet in samenhang met artikel 11.54 eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning in het wild levende zoogdieren van de soorten, genoemd in bijlage IX onder A van het Besluit activiteiten leefomgeving, opzettelijk te doden of te vangen geldt niet als deze flora- en fauna-activiteiten door grondgebruikers worden verricht ter voorkoming of bestrijding van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren met betrekking tot de soorten en onder de voorschriften genoemd in Bijlage XI onder A..
In aanvulling op het eerste lid geldt de vrijstelling uitsluitend:
voor handelingen ter voorkoming van in het lopende of daarop volgende
daaropvolgende jaar dreigende schade;
voor de grondgebruiker respectievelijk een door hem op grond van de artikelen 11.44, vijfde lid, 11.52, vijfde lid en 11.58, zesde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen persoon;
op de door de grondgebruiker gebruikte gronden, in of aan door de grondgebruiker gebruikte opstallen, of in het omringende gebied.
XX
Na artikel 16.8 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
De verboden, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid van de Omgevingswet, met uitzondering van het verbod tot opzettelijk doden, gelden niet voor soorten genoemd in Bijlage XI onder B ten aanzien van de belangen genoemd in artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
YY
Artikel 16.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
ZZ
Na artikel 16.9a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Aanvullend op paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is het verboden een houtopstand van de volgende categorieën geheel of gedeeltelijk te vellen zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan te melden, indien er sprake is van:
rijbeplantingen van populier of wilg langs wegen, watergangen of op landbouwgronden;
houtopstanden die een kleinere oppervlakte beslaan dan 10 are, uitgezonderd erfbeplanting, of bestaan uit een rijplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;
bijzondere bomen.
Artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing.
Aanvullend op paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de plicht tot herbeplanting voor de volgende categorieën houtopstanden:
rijbeplantingen van populier of wilg langs wegen, watergangen of op landbouwgronden;
houtopstanden die een kleinere oppervlakte beslaan dan 10 are, uitgezonderd erfbeplanting, of bestaan uit een rijplanting die 20 of minder bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen;
bijzondere bomen.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing indien er sprake is van het verwijderen van spontane verjonging van maximaal tien jaar oud binnen het profiel van wegen, watergangen en waterstaatkundige werken, tenzij er sprake is van een bijzondere boom.
AAA
Artikel 16.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 11.126, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is het in het eerste lid van artikel 11.126 geregelde verbod niet van toepassing op:
Beheerders die meer dan 75 ha bos en natuur in de provincie Flevoland beheren en beschikken over een certificaat natuurbeheer afgegeven door de Stichting Certificering SNL, indien de grond, waarop de te vellen houtopstand zich bevindt, binnen drie jaar na velling of teniet gaan op bosbouwkundig verantwoorde wijze wordt herbeplant;
De vrijstelling als bedoeld onder a is niet van toepassing indien:
Een beheerder die gebruik maakt van de vrijstelling als bedoeld onder a verstrekt gedeputeerde staten voor 1 oktober een overzicht over het voorafgaande jaar met:
Voorts is het in artikel 11.126, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving bepaalde niet van toepassing bij:
Het maximaal 1 keer per 4 jaar kappen van verjongingsgaten indien deze groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10 procent van het bosperceel.
Het vrijstellen van oevers van bestaande poelen en plassen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarslijn.
Het door natuurlijke ontwikkelingen te niet gaan van houtopstanden in de volgende gevallen:
In aanvulling op artikel 11.131, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving is het in artikel 11.126, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 16.9b, eerste lid geregelde verbod niet van toepassing op:
Beheerders die meer dan 75 hectare bos en natuur in de provincie Flevoland beheren en beschikken over een certificaat natuurbeheer afgegeven door de Stichting Certificering SNL;
het maximaal één keer per vier jaar kappen van verjongingsgaten indien deze niet groter zijn dan tweemaal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer oppervlakte beslaan dan 10 procent van het bosperceel;
het vrijstellen van oevers van bestaande poelen en plassen over een breedte van 30 meter gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarslijn;
het door natuurlijke ontwikkelingen tenietgaan van houtopstanden in de volgende gevallen:
Het eerste lid is niet van toepassing indien:
De beheerder die gebruikmaakt van de vrijstelling als bedoeld onder het eerste lid, onder a verstrekt gedeputeerde staten jaarlijks voor 1 oktober een overzicht over het voorafgaande jaar met:
BBB
Artikel 16.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 11.129
11.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt de plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 16.9b, tweede lid
niet wanneer het gaat om:
Het
het door natuurlijke ontwikkelingen teniet gaan van houtopstanden indien dit het gevolg is van vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;
Teniet gaan
tenietgaan door vraat van bevers (Castor fiber), mits de stobben niet verwijderd worden.
houtopstanden als onderdeel van een agroforestrysysteem.
Landschapselementen van minder dan 0,1 hectare op agrarische grond, aangeplant na 1 januari 2027, waarbij de grond na aanplant of verwijdering van landschapselementen geschikt blijft voor de agrarische functie.
CCC
Artikel 16.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving en
Artikel 16.9b en met inachtneming van artikel 11.30
11.130 aanhef en onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen gedeputeerde staten bij maatwerkvoorschrift toestemming verlenen voor herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, eerste lid, indien
mits:
De
de toestemming er niet toe leidt dat de oppervlakte van het oorspronkelijke bos kleiner wordt dan 15 hectare;
De
de andere grond is gelegen in de provincie Flevoland;
Beplanting
beplanting van andere grond niet ten koste gaat van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden;
de andere grond onbeplant is en vrij van een herbeplantingsplicht als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving is
en Artikel 16.9b
;
de andere grond vrij is van (natuur)compensatieverplichtingen;
en
de andere grond geen wettelijke doelstelling kent die aan de herbeplanting in de weg staat.
;
de andere grond geen landschapselement binnen het Natuurnetwerk Nederland betreft;
er geen soorten met een instandhoudingsdoelstelling zijn aangetroffen.
Herbeplanting als bedoeld in het eerste lid voldoet aan:
vergelijkbare of betere ecologische en landschappelijke waarde;
geschikte bodem en waterhuishouding;
gesloten kronendak binnen 5–10 jaar, met een bedekkingsgraad van tenminste 60% van de perceelsoppervlakte;
geen sierheesters, tuinsoorten of invasieve soorten zoals opgenomen in de Unielijst NVWA;
geen schade aan instandhoudingsdoelstellingen voor zover sprake is van Natura 2000-gebieden;
in het geval van houtopstanden jonger dan 10 jaar, mits ecologische waarde beperkt is, een compensatiefactor van 1,0 ten opzichte van de oppervlakte van de oorspronkelijke houtopstand;
in het geval van houtopstanden ouder dan 10 jaar en jonger dan 30 jaar, mits ecologische waarde beperkt is, een compensatiefactor van 1,1 ten opzichte van de oppervlakte van de oorspronkelijke houtopstand;
in het geval van een gevelde houtopstand ouder dan 30 jaar, een compensatiefactor van 1,3 ten opzichte van de oppervlakte van de oorspronkelijke houtopstand;
in het geval van een gevelde houtopstand ouder dan 50 jaar, een verhoogde compensatiefactor van 1,5 ten opzichte van de oppervlakte van de oorspronkelijke houtopstand.
In afwijking van het tweede lid, onder f tot en met i is de compensatiefactor niet van toepassing bij het door natuurlijke ontwikkeling tenietgaan van houtopstanden, indien sprake is van:
Bij maatwerkvoorschrift kan van het eerste lid worden afgeweken als dit in overeenstemming is met het belang van een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming, en naar het oordeel van gedeputeerde staten niet tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.
DDD
Artikel 16.12a wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de aanvraag om een maatwerkvoorschrift voor de herbeplanting op andere grond dan bedoeld in artikel
Artikel 16.12
16.3 worden in aanvulling op artikel 11.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:
het kadastrale perceelsnummer en, indien niet het gehele perceel ingeplant wordt, een kaartje waarop het te beplanten perceelsgedeelte is aangegeven;
een beplantingsplan voor de herbeplanting;
, met in ieder geval een beschrijving van de:
een nazorgplan, met in ieder geval:
de schriftelijke instemming van de grondeigenaar, als deze niet de aanvrager is.
;
passende begroting waarin ook grondaankoop, beplanting en nazorg zijn meegenomen.
EEE
Na artikel 16.12a wordt een artikel ingevoegd, luidende:
In aanvulling op artikel 11.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving bevat een melding van voorgenomen velling ten minste de volgende gegevens en bescheiden:
inleiding met reden van velling;
contactgegevens van de grondeigenaar (indien sprake is van een andere uitvoerder);
topografische kaart op een schaal van ten minste 1:25000 en een kadastrale kaart, of een digitale kaart in GIS-formaat, waarop de locatie en begrenzing van de voorgenomen velling nauwkeurig zijn aangegeven;
oppervlakte van de velling in vierkante meters of, in het geval van rijbeplanting of bomen buiten bos, het aantal bomen;
boomsoort en leeftijd;
QuickScan flora-en-fauna;
locatie van herplant.
FFF
Artikel 16.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het faunabeheerplan bevat ten minste de volgende algemene gegevens:
In aanvulling op het in artikel 6.2, eerste en tweede lid van het Omgevingsbesluit daaromtrent bepaalde bevat het faunabeheerplan voor wat betreft populatiebeheer en schadebestrijding ten minste de volgende nadere gegevens:
kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten ten aanzien waarvan een duurzaam beheer en schadebestrijding noodzakelijk wordt geacht, met inbegrip van gegevens over de aanwezigheid van de populaties in het betrokken gebied gedurende het jaar;
per diersoort een onderbouwing van de aard en de noodzaak van activiteiten om schade te voorkomen of beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden;
een beschrijving van de mate waarin de in onderdeel b bedoelde belangen in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan zijn geschaad, inclusief de getroffen beheermaatregelen waaronder het naar soort onderscheiden aantal gedode dieren;
de huidige en gewenste stand van de in onderdeel a bedoelde diersoorten of een onderbouwing voor Adaptive Impact Management;
per diersoort een beschrijving van de aard, omvang en noodzaak van de handelingen die zullen worden verricht om de gewenste stand, bedoeld in onderdeel d, te bereiken en schade te voorkomen;
per diersoort en gewas een beschrijving van de handelingen die in de periode, bedoeld in onderdeel c, zijn verricht om het schaden van de in onderdeel b bedoelde belangen te voorkomen, mits er geen sprake is van Adaptive Impact Management;
voor zover het plan betrekking heeft op het beheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie van de betrokken dieren alsmede de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen;
een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar en de perioden in het jaar waarin de in onderdeel e bedoelde handelingen zullen plaats vinden
plaatsvinden;
voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn, een onderbouwde inschatting van de verwachte effectiviteit van de in onderdeel e bedoelde handelingen;
een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van de voorgenomen handelingen zal worden bepaald.
Het faunabeheerplan bevat voor wat betreft de uitoefening van de jacht de volgende gegevens:
kwantitatieve gegevens over de populatieontwikkeling van de diersoorten waarop wordt gejaagd;
een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens per diersoort in de 6 jaren voorafgaand aan het ter goedkeuring indienen van het faunabeheerplan.
GGG
Artikel 16.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De verplichting in Artikel 16.19 is niet van toepassing op medewerkers van Staatsbosbeheer, de Vereniging Natuurmonumenten of Stichting Flevolandschap, wanneer het jachtveld in eigendom is van deze organisatie, opvoorwaarde
op voorwaarde dat deze organisatie zich heeft aangesloten bij een faunabeheereenheid en op grond daarvan deelneemtaan
deelneemt aan de gegevensverzameling als bedoeld in Artikel 16.21 en de uitvoering van het faunabeheerplan ten aanzien vanwildsoorten
van wildsoorten.
HHH
Artikel 16.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde Staten verstrekken een tegemoetkoming in schade als bedoeld in artikel 15.53 van de Omgevingswet alleen op aanvraag.
Een aanvraag om tegemoetkoming in schade als bedoeld in het eerste lid wordt door de aanvrager bij BIJ12 ingediend binnen zeven werkdagen nadat hij de schade heeft geconstateerd, met gebruikmaking van een daartoe vastgesteld formulier met bijlagen of via een vastgesteld electronische
vastgestelde elektronische wijze.
Schade welke niet binnen 7 werkdagen na constatering door de aanvrager op het in het tweede lid vermelde formulier met bijlagen bij BIJ12 is ingediend, komt niet voor een tegemoetkoming in aanmerking.
III
Artikel 17.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk gelden voor het grondgebied van de
grondgebied van de provincie Flevoland met uitzondering van de rijkswateren, genoemd in bijlage II onder 1 onder A bij het Omgevingsbesluit en waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II.
JJJ
Hoofdstuk 18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gesteld met het oog op het behouden van test- en oefenruimte voor bemande luchtvaartuigen en onbemande luchtvaartuigen rondom het Mobiliteit en Infrastructuur Testcentrum (MITC).
De regels in dit hoofdstuk gelden voor het werkingsgebied Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in Bijlage II Overzicht informatieobjecten.
In een omgevingsplan worden geen functies aan locaties toebedeeld, die het testen en oefenen met bemande luchtvaartuigen en onbemande luchtvaartuigen kunnen beperken.
Een omgevingsplan bepaalt dat het verboden is zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten die het testen en oefenen met bemande luchtvaartuigen en onbemande luchtvaartuigenkunnen beperken, waaronder in ieder geval vallen:
Het omgevingsplan bepaalt dat het verbod, bedoeld in het eerste en tweede lid, niet van toepassing is op bestaande activiteiten en bouwwerken voor zover die op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning op 28 maart 2025 al rechtmatig worden verricht of zijn toegestaan. Daarbij wordt het volgende opgenomen:
indien het gaat om tijdelijk toegestane activiteiten en bouwwerken geldt deze uitzondering voor de duur van de daarvoor verleende toestemming;
het is alleen toegestaan om de toegestane bestaande functies en activiteiten te (laten) veranderen, mits daarmee de beperking van het belang dat deze paragraaf beoogt te beschermen naar aard en omvang wordt verkleind.
Een beroep op deze regeling vervalt indien de bestaande activiteiten langer dan één jaar worden onderbroken.
Ten aanzien van de omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid bepaalt het omgevingsplan het volgende:
KKK
Artikel 19.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In een omgevingsplan dat ziet op het toelaten van het opsporen of winnen van schaliegas en schalieolie wordt in de toelichting op het omgevingsplan op basis van onderzoek gemotiveerd dat provinciale belangen niet worden geschaad.
LLL
Artikel 22.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De artikelen 4.1149 tot en met 4.1156 van het Besluit activiteiten leefomgeving als ook de regels zoals opgenomen in paragraaf
Afdeling 5.2.2
5.2.2 van deze omgevingsverordening zijn niet van toepassing op een open bodemenergiesysteem waarvoor een vergunning is verleend en waarbij de aanvraag van die vergunning is gedaan voor 1 juli 2013.
De regels zoals opgenomen in Afdeling 5.2.3 zijn niet van toepassing op open bodemenergiesystemen in het in
interferentiegebieden
Artikel 5.12 bedoelde interferentiegebied die geïnstalleerd zijn vóór de datum waarin het interferentiegebied als bedoeld in
Artikel 5.12
Afdeling 5.2.3
is aangewezen in de gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 2.2b, eerste lid van het Besluit omgevingsrecht dan wel in het omgevingsplan.
MMM
Na afdeling 22.2.6 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
Artikel 14.34 is niet van toepassing op een nieuwe woningbouwactiviteit:
als op de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van de planologische medewerking afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en voor 1 juli 2027 een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd;
als op de voorbereiding van een besluit tot het verlenen van de planologische medewerking afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is en voor 1 juli 2027 een ontvankelijke aanvraag ter inzage is gelegd;
in afwijking van de onderdelen a en b: als voor 28 oktober 2026 voor die activiteit een stedenbouwkundig plan is vastgesteld en een anterieure of daarmee vergelijkbare overeenkomst is getekend;
in afwijking van de onderdelen a, b en c: als na 1 juli 2027 een aanvraag, ontwerpbesluit of besluit voor verlening van de planologische medewerking ter inzage wordt gelegd, mits die activiteit geen significante wijzigingen heeft ondergaan ten opzichte van een eerder ter inzage gelegde aanvraag, ontwerpbesluit of besluit.
NNN
Het opschrift van artikel 22.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOO
Het opschrift van artikel 22.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PPP
Het opschrift van artikel 22.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies, zijnde onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg;
Handvatten ruimtelijke kwaliteit, als bedoeld in het provinciale beleid voor landschap. Het verbindt de verschillende waarden van omgevingskwaliteit aan economische, ecologische en sociaal-culturele belangen.
stelsel van natuurgebieden van internationaal of nationaal belang dat strekt tot de veiligstelling van ecosystemen met de daarbij behorende soorten.
de gebieden Rivierduingebied Swifterbant, UNESCO-monument Schokland, Urk en omgeving en Om-geving Kuinderschans en Kuinderburcht die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Provinciaal Archeologische en Aardkundige Kerngebieden
de gebieden die een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie vertegenwoordigen en die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Top-10 Archeologische locatie.
bomen en boomvormende struiken die ter plaatse op natuurlijke wijze zijn ontstaan uit zaden, vruchten of worteluitlopers, zonder dat deze zijn geplant, gezaaid of op andere wijze doelbewust zijn aangebracht.
gronden die worden ingezet voor de agrarische bedrijfsvoering ten
behoeve het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen
en/of het houden van dieren met uitzondering van:
- de (voormalige) agrarische bouwpercelen waar zelfstandige, bij elkaar horende
bebouwing is toegelaten en
- bij de afwezigheid van een expliciet bouwperceel de voor bewoning en daarbij
behorende voorzieningen zoals voor stalling en opslag bedoelde gebouwen bij het
agrarisch (glastuinbouw) bedrijf;
de gebieden die een dwarsdoorsnede van de Flevolandse archeologie vertegenwoordigen en die in het Omgevingsprogramma Flevoland zijn aangemerkt als Top-10 Archeologische locatie.
de afstand vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot het middelpunt van de as, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein de afstand wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994
gronden die worden ingezet voor de agrarische bedrijfsvoering ten
behoeve het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen
en/of het houden van dieren met uitzondering van:
- de (voormalige) agrarische bouwpercelen waar zelfstandige, bij elkaar horende
bebouwing is toegelaten en
- bij de afwezigheid van een expliciet bouwperceel de voor bewoning en daarbij
behorende voorzieningen zoals voor stalling en opslag bedoelde gebouwen bij het
agrarisch (glastuinbouw) bedrijf;
bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
combinatie van bomen en struiken met akkerbouw, veeteelt of groenteteelt op hetzelfde perceel, en die zowel economische als ecologische voordelen biedt, zoals een gezondere bodem, hogere opbrengsten, meer biodiversiteit en efficiënter gebruik van natuurlijke hulpbronnen. De term is een verzamelnaam voor diverse systemen, van rijenteelt tot voedselbossen, waarbij houtige gewassen en landbouw worden geïntegreerd in ruimte of tijd
activiteiten met het oog op het behoud van de functie en het prestatieniveau van een vaarweg en de daartoe behorende objecten, met dien verstande dat de activiteiten niet mogen leiden tot een capaciteitsvergroting of functieverandering van de (vaar)weg of daartoe behorende objecten.
de afstand vanaf het aansluitende afgewerkte terrein tot het middelpunt van de as, met dien verstande dat in geaccidenteerd terrein de afstand wordt gemeten vanaf het niveau van het afgewerkte terrein dat direct aansluit op de dichtstbijzijnde weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994
activiteiten met het oog op het behoud van de functie en het prestatieniveau van een weg en de daartoe behorende objecten, met dien verstande dat de activiteiten niet mogen leiden tot een capaciteitsvergroting of functieverandering van de (vaar)weg of daartoe behorende objecten.
bebouwde kom, vastgesteld krachtens artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994.
het normale onderhoud en beheer, met dien verstande dat dit niet mag leiden tot een uiteindelijke (vrijwel) gehele vernieuwing of vervanging van de windturbine
activiteiten met het oog op het behoud van de functie en het prestatieniveau van een vaarweg en de daartoe behorende objecten, met dien verstande dat de activiteiten niet mogen leiden tot een capaciteitsvergroting of functieverandering van de (vaar)weg of daartoe behorende objecten.
een geitenhouderij die op 2 februari 2019 in gebruik is in overeenstemming met het op dat moment geldende bestemmingsplan èn beschikt over de benodigde omgevingsvergunning(en) op grond van de op dat moment geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel dat daar een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor is ingediend, of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend.
activiteiten met het oog op het behoud van de functie en het prestatieniveau van een weg en de daartoe behorende objecten, met dien verstande dat de activiteiten niet mogen leiden tot een capaciteitsvergroting of functieverandering van de (vaar)weg of daartoe behorende objecten.
een windmolen die 12 maart 2015 feitelijk bestaat dan wel mag worden opgericht en gebruikt conform een reeds verleende omgevingsvergunning
het normale onderhoud en beheer, met dien verstande dat dit niet mag leiden tot een uiteindelijke (vrijwel) gehele vernieuwing of vervanging van de windturbine
Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
een geitenhouderij die op 2 februari 2019 in gebruik is in overeenstemming met het op dat moment geldende bestemmingsplan èn beschikt over de benodigde omgevingsvergunning(en) op grond van de op dat moment geldende Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan wel dat daar een ontvankelijke en vergunbare aanvraag voor is ingediend, of een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer is ingediend.
een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte
een windmolen die 12 maart 2015 feitelijk bestaat dan wel mag worden opgericht en gebruikt conform een reeds verleende omgevingsvergunning
opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook
Uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.
het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem in verband met het voorkomen of beperken van een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater.
een boom met een bijzondere status vanwege leeftijd, omvang, soort cultuurhistorische, ecologische, dendrologische, monumentale, of landschappelijke waarde buiten de bebouwingscontour die voldoet aan volgende kenmerken: • een stamomtrek van ten minste 100 cm of meer gemeten op 1,30 meter hoogte, • een naar inschatting minimale leeftijd van 50 jaar, • behorend tot een inheemse of cultuurhistorisch waardevolle soort, • in redelijke gezondheid en zonder direct gevaar voor de omgeving, én • gelegen op een locatie waar de boom vanaf de openbare weg zichtbaar is, óf solitair staat met minimaal 20 meter afstand tot de dichtstbijzijnde andere boom van vergelijkbare omvang
een voor publiek toegankelijke activiteit van vermaak op, aan of nabij de provinciale weg, zoals feesten, markten, optochten en avondvierdaagsen. Onder een evenement valt tevens een voor publiek toegankelijke activiteit van vermaak op, aan of nabij de provinciale vaarweg, zoals tochten op het water en watersportfestivals.
een door boring of verdringing gevormde kokervormige al dan niet opgevulde diepte
Faunabeheerplan als bedoeld in afdeling 16.3.2
opschriften, aankondigingen, ver- of afbeeldingen, borden, vlaggen, spandoeken, bijbehorende constructies en kennelijk voor deze doeleinden gebezigde transportmiddelen en constructies, in welke vorm dan ook
Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
het beperken of ongedaan maken van verontreiniging van de bodem in verband met het voorkomen of beperken van een inbreng van verontreinigende stoffen naar het grondwater.
het houden van 10 geiten of meer
bomen en boomvormende struiken op niet openbaar toegankelijke grond die direct bij een woning of ander hoofdgebouw is gelegen en feitelijk is ingericht en wordt gebruikt voor private doeleinden die samenhangen met dat gebouw.
toestel of activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een omgevingsplan begrepen gronden;
een voor publiek toegankelijke activiteit van vermaak op, aan of nabij de provinciale weg, zoals feesten, markten, optochten en avondvierdaagsen. Onder een evenement valt tevens een voor publiek toegankelijke activiteit van vermaak op, aan of nabij de provinciale vaarweg, zoals tochten op het water en watersportfestivals.
geluidniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Omgevingswet.
Faunabeheerplan als bedoeld in afdeling 16.3.2
een samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op het maaiveld of op water. Voor de toepassing van deze titel wordt met een grondgebonden opstelling voor zonne-energie gelijk gesteld, elke opstelling voor zonne-energie in het landelijk gebied, al dan niet op een dak, waarbij de oppervlakte aan zonnepanelen groter is dan één hectare.
Bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
het houden van 10 geiten of meer
Het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater.
toestel of activiteit in het kader van de ontwikkeling of bestemming van de in een omgevingsplan begrepen gronden;
in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater
geluidniveau gemeten en berekend volgens voorschriften gegeven bij of krachtens de Omgevingswet.
Bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van dieren van soorten, genoemd in artikel 8.3, vierde lid, en het doen van pogingen daartoe, in een jachtveld, in overeenstemming met de regels over de uitoefening van de jacht, gesteld op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder k.
een samenstel van bouwwerken of een andere constructie voor het opwekken van elektriciteit of warmte door het opvangen van de straling van de zon, geplaatst op het maaiveld of op water. Voor de toepassing van deze titel wordt met een grondgebonden opstelling voor zonne-energie gelijk gesteld, elke opstelling voor zonne-energie in het landelijk gebied, al dan niet op een dak, waarbij de oppervlakte aan zonnepanelen groter is dan één hectare.
Degene die op grond van artikel 8.3 gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een jachtveld.
degene die gerechtigd is de grond te gebruiken krachtens een zakelijk of persoonlijk recht;
de vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoerings- en handhavingstaak zijn belast
Het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater.
gelegenheid om een schip af te meren
Stationaire energiedrager voor de opslag van elektriciteit met een vermogen van meer dan 1 MW
voorziening ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49 eerste en tweede lid Wet milieubeheer.
een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, zonder dat er een minimale oppervlakte of aantal bomen is vereist
de (ontstane) waarde en kernkwaliteiten van een gebied. Bij omgevingskwaliteit ligt de nadruk op de relatie tussen een initiatief en de omgeving; het grotere geheel. Het gaat niet alleen om de maximale kwaliteit voor één gebruiker, maar om goede kwaliteit voor de gemeenschap. Inclusief de integrale belangen die spelen in de omgeving; ook van omwonenden. Het streven is naar een goed doordacht ontwerp met zichtbaar meer aandacht voor culturele en esthetische waarden boven en economische winst. Het resultaat van het beste evenwicht tussen herkomstwaarde, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de leefomgeving. De genoemde waarden staan hierbij voor: - herkomstwaarde: hierin komen de kenmerken van het landschap, identiteit en de unieke kernkwaliteiten samen. Het is de basis van wat Flevoland tot Flevoland maakt. - gebruikswaarde: hierin komen doelmatigheid en functionele integrale samenhang van het Flevolandse landschap bij elkaar. - belevingswaarde: de eigenschappen en schoonheid van het landschap, publieke beleefbaarheid van de identiteit van het landschap horen bij de belevingswaarde. Als het landschap aantrekkelijker wordt, wordt de belevingswaarde over het algemeen hoger. Dat is ook zo, als er meer verschillende dier- en plantsoorten leven. - toekomstwaarde: hoe duurzaam en beheersbaar het landschap en de landschapselementen zijn/ ontwikkelen in de toekomst, bepaalt de toekomstwaarde. En daarnaast door hoe het landschap zich aan nieuwe omstandigheden kan aanpassen.
in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater
omgevingsplan, projectbesluit, gemeentelijke project van publiek belang, omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit
Bemachtigen, opzettelijk doden of met het oog daarop opsporen van dieren van soorten, genoemd in artikel 8.3, vierde lid, en het doen van pogingen daartoe, in een jachtveld, in overeenstemming met de regels over de uitoefening van de jacht, gesteld op grond van artikel 4.3, eerste lid, onder k.
wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen en bermsloten, met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen
Degene die op grond van artikel 8.3 gerechtigd is tot het uitoefenen van de jacht in een jachtveld.
vervangen van een bestaande windmolen door een windmolen met een groter vermogen en/of grotere afmetingen
de vastgestelde kwaliteitscriteria gegrond op de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de uitvoerings- en handhavingstaak zijn belast
aanpak gericht op het opwekken van meer windenergie met significant minder windmolens binnen Flevoland
karakteristieke onderdelen van het landschap, zoals houtwallen, singels, poelen, knotbomen, hoogstamboomgaarden, hagen, bomenrijen en kleine bosjes. Deze elementen zijn belangrijk voor biodiversiteit, cultuurhistorie en het karakter van het landschap
geprefabriceerde betonpaal met constante dwarsafmeting die middels heien is geïnstalleerd, met uitzondering van palen met verbrede voet en palen geschikt voor de uitwisseling van energie
gelegenheid om een schip af te meren
door initiatiefnemer opgesteld plan dat uitsluitsel geeft over de wijze en de gronden (gebied) waarop een initiatiefnemer een project voor opschalen en saneren van wil realiseren
luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet luchtvaart
een belang dat de provincie gelet op artikel 2.3 Omgevingswet kan behartigen
voorziening ter bescherming van het milieu, bedoeld in artikel 8.49 eerste en tweede lid Wet milieubeheer.
het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit –al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden
totale berekende maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet van alle woningen die met een wijzigingsbesluit van een gemeentelijk omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk worden gemaakt, inclusief de gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij weersomstandigheden van -10 graden Celsius
een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in Bijlage E, onderdeel A. van de Omgevingswet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening.
de (ontstane) waarde en kernkwaliteiten van een gebied. Bij omgevingskwaliteit ligt de nadruk op de relatie tussen een initiatief en de omgeving; het grotere geheel. Het gaat niet alleen om de maximale kwaliteit voor één gebruiker, maar om goede kwaliteit voor de gemeenschap. Inclusief de integrale belangen die spelen in de omgeving; ook van omwonenden. Het streven is naar een goed doordacht ontwerp met zichtbaar meer aandacht voor culturele en esthetische waarden boven en economische winst. Het resultaat van het beste evenwicht tussen herkomstwaarde, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de leefomgeving. De genoemde waarden staan hierbij voor: - herkomstwaarde: hierin komen de kenmerken van het landschap, identiteit en de unieke kernkwaliteiten samen. Het is de basis van wat Flevoland tot Flevoland maakt. - gebruikswaarde: hierin komen doelmatigheid en functionele integrale samenhang van het Flevolandse landschap bij elkaar. - belevingswaarde: de eigenschappen en schoonheid van het landschap, publieke beleefbaarheid van de identiteit van het landschap horen bij de belevingswaarde. Als het landschap aantrekkelijker wordt, wordt de belevingswaarde over het algemeen hoger. Dat is ook zo, als er meer verschillende dier- en plantsoorten leven. - toekomstwaarde: hoe duurzaam en beheersbaar het landschap en de landschapselementen zijn/ ontwikkelen in de toekomst, bepaalt de toekomstwaarde. En daarnaast door hoe het landschap zich aan nieuwe omstandigheden kan aanpassen.
risicobeoordeling grondwater als bedoeld in artikel 6.4 die, bij activiteiten die in staat zijn een bekende historische grondwaterverontreiniging te beïnvloeden, bepaalt of de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar verspreidingsrisico van de bekende historische grondwaterverontreiniging
omgevingsplan, projectbesluit, gemeentelijke project van publiek belang, omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit
het slopen en afvoeren van een bestaande windmolen tot minimaal een meter onder het maaiveld, waarbij de omgevingsplanregeling zodanig is (gewijzigd) dat herbouw van de windmolen met hetzelfde of een lager vermogen op of nabij de locatie van de gesaneerde windmolen blijvend onmogelijk is gemaakt
Elk luchtvaartuig waarmee vluchten worden uitgevoerd of dat is ontworpen om vluchten autonoom of op afstand bestuurd uit te voeren zonder piloot aan boord
stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen
wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen en bermsloten, met alle bijbehorende werken, voorzieningen en begroeiingen
chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen.
vervangen van een bestaande windmolen door een windmolen met een groter vermogen en/of grotere afmetingen
een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;
aanpak gericht op het opwekken van meer windenergie met significant minder windmolens binnen Flevoland
toestel : een toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. een airgun of soortgelijk apparaat en knalapparaat;
b. een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen of een ander vergelijkbaar geluidsapparaat al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker, waaronder een muziekinstrument, een omroepinstallatie, een sirene en een hoorn;
c. een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar de ontginning van bodemstoffen en de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;
d. een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
e. een vuurwapen.
geprefabriceerde betonpaal met constante dwarsafmeting die middels heien is geïnstalleerd, met uitzondering van palen met verbrede voet en palen geschikt voor de uitwisseling van energie
elke rechtstreekse, niet openbare ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare weg
door initiatiefnemer opgesteld plan dat uitsluitsel geeft over de wijze en de gronden (gebied) waarop een initiatiefnemer een project voor opschalen en saneren van wil realiseren
een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk waaronder mede verstaan een boorput.
belang dat de provincie gelet op artikel 2.3 Omgevingswet kan behartigen
aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden die bestemd zijn voor natuur of zijn aangewezen voor natuurdoeleinden, tevens de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste milieu condities.
het aanbrengen van wijzigingen op of aan een weg, parkeergelegenheid, terrein voor zover dit –al dan niet tijdelijk- voor gemotoriseerd verkeer openstaat, waterweg of spoorweg, die verandering brengt in de bestaande of te verwachten risico’s voor de grondwaterkwaliteit, met uitzondering van het uitvoeren van de gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden
een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van:
a. maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie te Lelystad als integraal onderdeel van het kennis- en ontwikkelcentrum voor duurzame energie;
b. windmolen op of nabij bedrijventerreinen, indien de windmolen is gedimensioneerd op energiebehoefte ter plaatse;
c. kleine windmolen, waaronder wordt verstaan:
i. windmolen in het stedelijk gebied met (tip)hoogte van maximaal 5 meter ten opzichte van de grond of het dak waarop hij is geplaatst;
ii. windmolen met een tiphoogte van maximaal 15 meter ten opzichte van het maaiveld, voor zover hij in het landelijk gebied op een (voormalig agrarisch) bouwperceel staat
een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in Bijlage E, onderdeel A. van de Omgevingswet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening.
een geïsoleerd rastervierkant of een aaneengesloten gebied van rastervierkanten van 500 x 500 meter waarvan ieder vierkant 25 woonadressen of meer bevat alsmede de (plan)gebiedenwaar de Intergemeentelijke structuurvisie Oosterwold en het bestemmingsplan Wellerwaard -partiële herziening betrekking op hebben
risicobeoordeling grondwater als bedoeld in artikel 6.4 die, bij activiteiten die in staat zijn een bekende historische grondwaterverontreiniging te beïnvloeden, bepaalt of de activiteit leidt tot een onaanvaardbaar verspreidingsrisico van de bekende historische grondwaterverontreiniging
het slopen en afvoeren van een bestaande windmolen tot minimaal een meter onder het maaiveld, waarbij de omgevingsplanregeling zodanig is (gewijzigd) dat herbouw van de windmolen met hetzelfde of een lager vermogen op of nabij de locatie van de gesaneerde windmolen blijvend onmogelijk is gemaakt
stoffen, combinaties van stoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval kan worden verwacht dat ze - op of in de bodem gebracht of gerakend - de bodem verontreinigen of kunnen verontreinigen
chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen.
een taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12;
toestel : een toestel dat bij gebruik anders dan door menselijke energie geluidhinder kan veroorzaken, een luchtvaartuig daaronder niet begrepen, waaronder in ieder geval wordt begrepen:
a. een airgun of soortgelijk apparaat en knalapparaat;
b. een toestel om geluid elektrisch versterkt voort te brengen of een ander vergelijkbaar geluidsapparaat al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker, waaronder een muziekinstrument, een omroepinstallatie, een sirene en een hoorn;
c. een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar de ontginning van bodemstoffen en de aanleg van kabels en buisleidingen in of op de bodem;
d. een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien deze wordt aangedreven door een verbrandingsmotor;
e. een vuurwapen.
elke rechtstreekse, niet openbare ontsluitingsmogelijkheid naar of vanaf een in deze verordening bedoelde openbare weg
een grondwerk, wegenbouwkundig werk, waterbouwkundig werk of bouwwerk waaronder mede verstaan een boorput.
aanwezige natuurwaarden en, voor gebieden die bestemd zijn voor natuur of zijn aangewezen voor natuurdoeleinden, tevens de potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste milieu condities.
een turbine voorzien van rotorbladen geplaatst op een hoge mast, waarmee de bewegingsenergie van de lucht (wind) wordt omgezet in rotatie-energie voor het opwekken van elektriciteit, inclusief de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen, met uitzondering van:
a. maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie te Lelystad als integraal onderdeel van het kennis- en ontwikkelcentrum voor duurzame energie;
b. windmolen op of nabij bedrijventerreinen, indien de windmolen is gedimensioneerd op energiebehoefte ter plaatse;
c. kleine windmolen, waaronder wordt verstaan:
i. windmolen in het stedelijk gebied met (tip)hoogte van maximaal 5 meter ten opzichte van de grond of het dak waarop hij is geplaatst;
ii. windmolen met een tiphoogte van maximaal 15 meter ten opzichte van het maaiveld, voor zover hij in het landelijk gebied op een (voormalig agrarisch) bouwperceel staat
woningbouwactiviteit die aan de bepalingen voor nieuwbouw van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voldoet
een geïsoleerd rastervierkant of een aaneengesloten gebied van rastervierkanten van 500 x 500 meter waarvan ieder vierkant 25 woonadressen of meer bevat alsmede de (plan)gebiedenwaar de Intergemeentelijke structuurvisie Oosterwold en het bestemmingsplan Wellerwaard -partiële herziening betrekking op hebben
RRR
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/pv24/2024/37pdf5e43b0a7-fd85-4ea9-b5b7-0b8eb20c3a24/nld@2024‑12‑19;87
/join/id/regdata/pv24/2024/37pdf8f8885b8-bdb8-4a1e-989a-dab4954a4bc8/nld@2024‑12‑19;87
/join/id/regdata/pv24/2026/io_5e43b0a7-fd85-4ea9-b5b7-0b8eb20c3a24/nld@2026‑11‑05;1
/join/id/regdata/pv24/2024/37pdfbcbbeb84-05ee-41f8-91f8-b4e18fcb40a5/nld@2024‑12‑19;87
/join/id/regdata/pv24/2024/gio4b0b5f08-9b31-453e-8b82-c68e3e873c91/nld@2024‑12‑19;489
/join/id/regdata/pv24/2024/gio4b0b5f08-9b31-453e-8b82-c68e3e873c91/nld@2026‑02‑20;508
/join/id/regdata/pv24/2026/giodfe4c301-41c7-4e74-9c5e-beda3f35ba37/nld@2026‑10‑17;2a
/join/id/regdata/pv24/2024/gioa969955a-93a3-4e9d-9697-0ba13b7bc8da/nld@2024‑12‑19;490
/join/id/regdata/pv24/2024/gioa969955a-93a3-4e9d-9697-0ba13b7bc8da/nld@2026‑02‑20;516
/join/id/regdata/pv24/2026/gio7b52b0cd-02f2-46c3-9886-36124da5753f/nld@2026‑02‑20;499
/join/id/regdata/pv24/2026/gio80331f0d-e6f4-4846-bed8-19b633d51d2f/nld@2026‑02‑20;501
/join/id/regdata/pv24/2026/io_8f8885b8-bdb8-4a1e-989a-dab4954a4bc8/nld@2026‑11‑05;1
/join/id/regdata/pv24/2026/io_4ea379d8-1273-463d-8b8a-0dd9349c03c0/nld@2026‑11‑05;1
/join/id/regdata/pv24/2026/gioa9c9ec2d-8f1f-4810-8c77-2ae1d24a4a9e/nld@2026‑02‑20;497
/join/id/regdata/pv24/2024/giob6e49afd-4ccd-4a76-8c99-5c40b1164970/nld@2024‑12‑19;496
/join/id/regdata/pv24/2024/giob6e49afd-4ccd-4a76-8c99-5c40b1164970/nld@2026‑10‑17;5a
/join/id/regdata/pv24/2024/gio7344bf73-f1f2-42b8-b0ee-879c0e225ffe/nld@2024‑12‑19;494
/join/id/regdata/pv24/2024/gio7344bf73-f1f2-42b8-b0ee-879c0e225ffe/nld@2026‑02‑20;521
/join/id/regdata/pv24/2026/giob3efe3df-ae6e-4829-9ec4-9ac8f5e633f8/nld@2026‑02‑20;498
/join/id/regdata/pv24/2024/gioc783e986-1dab-4849-a89e-b564701e0165/nld@2024‑12‑19;492
SSS
Bijlage V wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage bij Artikel 5.4, derde lid
Parameter
|
Afkorting
| Frequentie |
bacteriën van de coligroep | 4 wekelijks | |
kleur | 4 wekelijks | |
zwevende stof | SS | 4 wekelijks |
geleidingsvermogen voor elektriciteit | 4 wekelijks | |
temperatuur | T | 4 wekelijks |
zuurgraad | pH | 4 wekelijks |
opgelost zuurstof | O2
| 4 wekelijks |
totaal organisch koolstof | TOC | 4 wekelijks |
bicarbonaat | HCO3
| 4 wekelijks |
nitriet | NO2
| 4 wekelijks |
nitraat | NO3
| 4 wekelijks |
ammonium | NH4
| 4 wekelijks |
totaal fosfaat | Totaal P | 4 wekelijks |
fluoride | F | 3 maandelijks |
chloride | Cl | 4 wekelijks |
sulfaat | SO4
| 3 maandelijks |
natrium | Na | 3 maandelijks |
ijzer | Fe | 3 maandelijks |
mangaan | Mn | 3 maandelijks |
chroom | Cr | 3 maandelijks |
lood | Pb | 3 maandelijks |
koper | Cu | 3 maandelijks |
zink | Zn | 3 maandelijks |
cadmium |
| 3 maandelijks |
arseen | As | 3 maandelijks |
cyanide | CN | 3 maandelijks |
minerale olie | 4 wekelijks | |
adsorbeerbaar organisch halogeen | AOX | 4 wekelijks |
vluchtig organisch gebonden chloor | VOC | 4 wekelijks |
vluchtige aromaten | 4 wekelijks | |
polycyclische aromaten | PAK | 3 maandelijks |
fenolen | 3 maandelijks |
TTT
Na bijlage VI wordt een bijlage ingevoegd, luidende:
Bijlage bij Artikel 14.34
Toelichting enkele gebruikte begrippen
Gebruiksoppervlakte (GBO): gebruiksoppervlakte als bedoeld in NEN 2580;
Gestapelde woning: woning die geheel of gedeeltelijk boven of onder een andere woning is gelegen;
Grondgebonden woning: woning die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan een van de bouwlagen aansluit op het maaiveld en die niet geheel of gedeeltelijk boven of onder andere woningen is gelegen;
Maximum piekbelasting: geprognotiseerde, op gebiedsniveau gemiddelde, maximale stroomverbruik van een woningbouwactiviteit, volgens de rekenregels uit de Handreiking netbewuste woningbouw, uitgedrukt in Watt per uur per vierkante meter gebruiksoppervlakte;
Netcapaciteitsplafond: totale berekende maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet van alle woningen die met een wijzigingsbesluit van een gemeentelijk omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogelijk worden gemaakt, inclusief de gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij weersomstandigheden van -10 graden Celsius;
Woningbouwactiviteit: woningbouwactiviteit die aan de bepalingen voor nieuwbouw van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) voldoet.
Het netcapaciteitsplafond
Het netcapaciteitsplafond uit Artikel 14.34 voor een woningbouwactiviteit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), wordt berekend door het aantal m2 gebruiksoppervlakte (GBO) van het totaal aantal woningen te vermenigvuldigen met de prestatienorm per m2 uit onderstaande tabel. De prestatienorm is de maximum piekbelasting op het elektriciteitsnet per vierkante meter gebruiksoppervlakte van woningen en van gemeenschappelijke installaties die gebruikt worden voor het verwarmen van die woningen bij weersituatie van -10 graden Celsius.
Prestatienorm netbewuste woningbouw |
Woningentype
| Bodemenergiesysteem |
12 We/m² GBO | Grondgebonden | Wel toepasbaar |
13 We/m² GBO | Gestapeld | Wel toepasbaar |
13 We/m² GBO | Grondgebonden | Niet toepasbaar |
14 We/m² GBO | Gestapeld | Niet toepasbaar |
De prestatienorm is dus afhankelijk van twee factoren:
of de woning gestapeld is of grondgebonden; en
of er voor het warmtesysteem van de woning wel of niet gebruik gemaakt kan worden van een bodemenergiesysteem
Toepassen netcapaciteitsplafond
Gemeenten passen het netcapaciteitsplafond toe bij de wijziging van het gemeentelijke omgevingsplan waarmee zij een woningbouwactiviteit mogelijk maken en bij de vergunningverlening voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voor een woningbouwactiviteit.
In het besluit moet geborgd en gemotiveerd worden dat er aan het netcapaciteitsplafond wordt voldaan. Om te voldoen aan het netcapaciteitsplafond worden bij het ontwerp en de bouw van de woningbouwactiviteit maatregelen getroffen die in de rekenregels uit de Handreiking netbewuste woningbouw zijn opgenomen. Wanneer bij toepassing van die rekenregels de berekende maximum piekbelasting gebaseerd op de gekozen maatregelen niet hoger uitvalt dan het netcapaciteitsplafond, dan voldoet de woningbouwactiviteit aan de instructieregel. Dit onder de voorwaarde dat uitvoering van de gekozen maatregelen geborgd is. Het netcapaciteitsplafond is niet gericht op het daadwerkelijke stroomverbruik tijdens bewoning, maar alleen op de toegepaste maatregelen bij oplevering van de woningen en de daarop berekende elektriciteitsvraag.
Berekening prestatienorm
De prestatienorm wordt vastgesteld in Watt aan elektrisch piekvermogen per vierkante meter gebruiksoppervlakte bij een weersituatie van -10 graden Celsius. De prestatienorm wordt berekend door de elektriciteitsvraag voor warmte en huishoudelijk gebruik bij elkaar op te tellen en te vermenigvuldigen met de gelijktijdigheidsfactor.
De elektriciteitsvraag voor warmte is gebaseerd op een weersituatie van -10 graden Celsius. De keuzes voor maatregelen leiden tot de hoogte van de elektriciteitsvraag voor warmte.
De elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik wordt vastgesteld op 6.7 Watt per vierkante meter voor grondgebonden woningen en 8,3 Watt per vierkante meter voor gestapelde woningen, op basis van ervaringsgetallen van de netbeheerders.
De gelijktijdigheidsfactor zorgt ervoor dat er rekening mee wordt gehouden dat de woningen in de woonwijken die op hetzelfde verdeelstation zijn aangesloten niet allemaal tegelijk op piekniveau elektriciteit gebruiken. Deze gelijktijdigheidsfactor is vastgesteld op 0.6 en is ook gebaseerd op ervaring van de netbeheerders. Hier mag bij de vergunningverlening niet van afgeweken worden.
prestatienorm = (Ew * Gf) + Eh
elektriciteitsvraag voor warmte (Ew) = Wth/m2 / COP
elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik (Eh) = 6.7 We/m2 voor grondgebonden; 8.3 We/m2 voor gestapeld
gelijktijdigheidsfactor (Gf) = 0.6
Wth/m2 = Warmtevraag per vierkante meter.
COP = Coëfficiënt of Performance; hoe efficiënt elektriciteit wordt omgezet in warmte voor een warmtesysteem bij een buitentemperatuur van -10 °C.
Deze berekening ligt ten grondslag aan de hoogte van de vier prestatienormen waarop het netcapaciteitsplafond wordt berekend. Deze berekening is ook de basis voor de rekenregels in de Handreiking netbewuste woningbouw.
Bodemenergiesysteem
De gemeente stelt gemotiveerd vast waar woningbouwactiviteiten wel of niet bodemenergiesystemen kunnen toepassen. Hierbij houdt de gemeente in ieder geval rekening met grondwaterbeschermingsgebieden, bodemgesteldheid (zoals de grondsoort) en eventueel vastgestelde interferentiegebieden en bodemenergieplannen. Woningbouwactiviteiten met minder dan 15 woningen worden altijd beschouwd als niet toepasbaar voor een bodemenergiesysteem, vanwege kostenefficiëntie. Voor woningbouwactiviteiten van 15 woningen of meer is kostenefficiëntie nooit een overweging bij het bepalen of een bodemenergiesysteem toegepast kan worden. Het kunnen toepassen van een bodemenergiesysteem verplicht niet om zo’n systeem daadwerkelijk toe te passen maar heeft wel effect op de hoogte van de prestatienorm.
Voorbeeldberekening
Voor een woningbouwactiviteit met 200 grondgebonden woningen (gemiddeld 120 m² GBO per woning) en 200 gestapelde woningen (gemiddeld 85 m² GBO per woning), waarbij een bodem energiesysteem wel kan worden toegepast, geldt het volgende:
Grondgebonden woningen: 200 woningen x 120 m2 GBO x 12 We/m2 = 288 kW gelijktijdige netbelasting;
Gestapelde woningen: 200 woningen x 85 m2 GBO x 13 We/m2 = 221 kW gelijktijdige netbelasting
Het netcapaciteitsplafond voor de woningbouwactiviteit bedraagt dan: 288 kW + 221 kW = 509 kW.
UUU
Bijlage XII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
VVV
Bijlage XIV wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage bij Artikel 9.2a
Wegnummer | Naam |
N331 | Vollenhoverweg |
Marknesserweg | |
Kuinderweg | |
N333 | Steenwijkerweg |
N351 | Kuinderweg |
Muntweg | |
Espelerweg | |
Hannie Schaftweg | |
Urkerweg | |
N352 | Repelweg |
Kraggenburgerweg | |
Zuiderringweg | |
De Baan | |
Kamperweg | |
Schokkerringweg | |
Domineesweg | |
N712 | Gemaalweg |
Venelaan | |
Wrakkenweg | |
Noorderringweg | |
Galamalaan | |
Westerringweg | |
Espelerringweg | |
Staartweg | |
Lemsterpoort | |
N713 | Zuidwesterringweg |
N714 | Espelerweg |
N715 | Noorderringweg |
Oosterringweg | |
N716 | Ploegstraat |
Nagelerweg | |
Akkerstraat | |
N717 | Hannie Schaftweg |
N718 | Banterweg |
N719 | Leemringweg |
N765 | Kamperweg |
Dam in Kraggenburg | |
N301 | Nijkerkerweg |
N302 | Larserweg |
Ganzenweg | |
N305 | Biddingringweg |
Gooiseweg | |
Waterlandseweg | |
N306 | Drontermeerdijk |
Spijkweg | |
Harderbosweg | |
Harderdijk | |
N307 | Markerwaarddijk |
Houtribweg | |
Overijsselseweg | |
"Passage Dronten" | |
Hanzeweg | |
N309 | Dronterweg |
Elburgerweg | |
N701 | Oostvaardersdijk |
N702 | Hogering |
Buitenring | |
N703 | Tussenring |
N704 | Gooimeerdijk Oost |
Eemmeerdijk | |
Slingerweg | |
N705 | Spiekweg |
Roerdompweg | |
N706 | Vogelweg |
N707 | Knardijk |
Zeewolderdijk | |
N708 | Bremerbergweg |
N709 | Oldebroekerweg |
N710 | Biddingweg |
Swifterweg | |
N710a | Lisdoddeweg |
N711 | Dronterringweg |
N727 | Anthony Fokkerweg |
Laan van Nieuwland |
WWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk gelden alleen voor grondwateronttrekkingen in het grondgebied van de provincie Flevoland, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in bijlage II. Voor de regels inzake open bodemenergiesystemen in interferentiegebieden zijn de door de afzonderlijke gemeenten aangewezen interferentiegebieden overgenomen in deze Omgevingsverordening.
XXX
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op de grondwateronttrekkingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is.
Dit zijn allereerst de in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving bedoelde grondwateronttrekkingen waar op grond van artikel 4.3. van het Omgevingsbesluit Gedeputeerde Staten beslist
beslissen op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een dergelijke grondwateronttrekking. Dit zijn de grondwateronttrekkingen voor industriële toepassingen van meer dan 150.000m3/jaar water of de grondwateronttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening. De grondwateronttrekkingen omvatten zowel het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening omvat het ook het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.
Daarnaast is deze afdeling van toepassing op het onttrekken van grondwater in verband met de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18
3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Op grond van artikel 2.5. van het Besluit activiteiten leefomgeving is
zijn Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag waaraan de melding gedaan wordt. Ook is
zijn Gedeputeerde Staten degene
degenen die op grond van artikel 4.6. beslist
van het Besluit activiteiten leefomgeving beslissen op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem.
YYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel zijn de meetverplichtingen van het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit en het voormalige artikel 6.5 van de Waterregeling voortgezet voor wat betreft de grondwateronttrekkingen zoals bedoeld in Artikel 5.3. De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen. Op grond van het eerste lid moet de hoeveelheid onttrokken grondwater en de hoeveelheid water die wordt geïnfiltreerd worden gemeten. Op grond van het derde lid moet daarnaast ook de kwaliteit van het water dat wordt geïnfiltreerd worden gemeten. In deze omgevingsverordening kan een bepaling staan waarin gevallen worden aangewezen waarvoor de meetverplichtingen niet gelden.
In dit artikel zijn de meetverplichtingen van het voormalige artikel 6.11 van het Waterbesluit en het voormalige artikel 6.5 van de Waterregeling voortgezet voor wat betreft de grondwateronttrekkingen zoals bedoeld in Artikel 5.3. De meetverplichting geldt voor zowel vergunningplichtige als vergunningvrije gevallen. Op grond van het eerste lid moet de hoeveelheid onttrokken grondwater en de hoeveelheid water die wordt geïnfiltreerd per kwartaal worden gemeten. Op grond van het tweede lid moet daarnaast ook de kwaliteit van het water dat wordt geïnfiltreerd worden gemeten. Deze metingen vinden plaats conform de in deze omgevingsverordening opgenomen parameters en frequentie. Voor de analysemethoden wordt aansluiting gezocht bij de Drinkwaterregeling. Gedeputeerde Staten kunnen op grond van het vierde lid bij bepaalde onttrekkingen en infiltraties afwijken van de termijn bepaald in het eerste lid. De gegevens, zowel met betrekking tot de kwantiteit als de kwaliteit, worden op grond van het vijfde lid uiterlijk op 31 januari van elk jaar, of als de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand aan Gedeputeerde Staten verstrekt.
ZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze afdeling is van toepassing op de in artikel 3.18
3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen milieubelastende activiteit “aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem”. Op grond van artikel 2.12, eerste en derde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving kunnen er in de omgevingsverordening maatwerkregels opgenomen voor de in het Besluit activiteiten leefomgeving aangewezen milieubelastende activiteiten.
Gedeputeerde Staten is
zijn op grond van artikel 2.5. van het Besluit activiteiten leefomgeving het bevoegd gezag waaraan de melding gedaan wordt. Ook is
zijn Gedeputeerde Staten degene
degenen die op grond van 4.6. beslist
van het Besluit activiteiten leefomgeving beslissen op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem.
AAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van artikel 2.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving kan bij provinciale verordening
omgevingsverordening worden bepaald dat er geen omgevingsvergunning vereist is voor de op grond van artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig aangemerkte milieubelastende activiteit aanleg en gebruik van een open bodemenergiesysteem. Het aanwijzen van vergunningvrije open bodemenergiesystemen kan met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie en kan enkel gelden voor onttrekkingen waarbij de onttrokken hoeveelheid ten hoogste 10m³ per uur bedraagt. Voor dergelijke vergunningvrije open bodemenergiesystemen is op grond van artikel 4.119
4.1149 van het Besluit activiteiten leefomgeving een melding verplicht. Deze melding wordt op grond van artikel 2.5 van het Besluit activiteiten leefomgeving aan Gedeputeerde Staten gedaan. De algemene regels zoals opgenomen in paragraaf 4.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn van toepassing op open bodemenergiesystemen en gelden dus ook voor de meldingsplichtige open bodemenergiesystemen, tenzij in deze omgevingsverordening anders bepaald is.
Artikel 5.6, eerste lid artikel voorziet, omwille van het streven naar een (landelijk) vergelijkbaar speelveld in deze vrijstelling voor bodemenergiesystemen met een maximale diepte van 150 meter beneden NAP en een pompcapaciteit die niet meer bedraagt dan 10m³ per uur.
In Artikel 5.6, tweede lid is bepaald dat in interferentiegebieden de vrijstelling van de vergunningplicht niet geldt ter voorkoming van negatieve interferentie. In deze gebieden kan beleid worden gevoerd om de vraag naar een beschikbare ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. In die gevallen dat gemeenten of de provincie besluiten interferentiegebieden aan te wijzen zullen gezamenlijk masterplannen voor de ondergrond en daarvan afgeleide regels in het omgevingsplan of omgevingsverordening worden opgenomen. Voor reeds geïnstalleerde systemen die zijn gemeld voordat een interferentiegebied is aangewezen, waarvoor een vergunning is aangevraagd of is verleend voor 1 juli 2013, is overgangsrecht opgenomen in artikel 4.1157a van het Besluit activiteiten leefomgeving. Daar blijft het oude recht op van toepassing.
BBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aangezien de meldplicht op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving verplicht is, zijn de in artikel 2.17 van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen algemene gegevens bij een melding van toepassing. In aanvulling op deze algemene gegevens wordt met dit artikel geregeld dat dezelfde gegevens en bescheiden bij een melding worden verstrekt aan bevoegd gezag als de gegevens en bescheiden die op grond van artikel 7.35 van de Omgevingsregeling verstrekt moeten worden bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Dit is een voortzetting van de in artikel 6.29 van de Waterregeling opgenomen gegevens en bescheiden die verstrekt moesten worden bij de aanvraag van een vergunning die betrekking heeft op het onttrekken van grondwater of het brengen van water in de bodem ten behoeve van een bodemenergiesysteem en die op grond van artikel 6.4, tweede lid van de Waterregeling ook verstrekt moesten worden bij een melding.
In aanvulling op de in het Besluit activiteiten leefomgeving genoemde gegevens en bescheiden wordt bij de aanvraag van een omgevingsvergunning verplicht gesteld om toestemming van de grondeigenaar te verstrekken. Het was namelijk mogelijk dat een vergunning werd aangevraagd, terwijl nog onduidelijk is of de aanvrager/melder de activiteit ooit kan/mag gaan realiseren. In het geval dat de uitvoering niet van de grond komt, beperkt een al op voorhand verleende vergunning ongewenst de gebruiksmogelijkheden van de ondergrondse ruimte. Daarnaast wordt op deze manier ongewenst beslag gelegd op de menskracht van de vergunningverleners. Daartoe is nodig dat bij een vergunningaanvraag informatie wordt gevoegd waaruit blijkt dat er overeenstemming is met de grondeigenaar van de locatie waarop een bouwproject plaatsvindt waar de aangevraagde activiteit betrekking op heeft. Zo kan worden voorkomen dat er vergunningen worden afgegeven waarvan geen gebruik gemaakt gaat worden, maar die wel (op papier) ‘beslag’ leggen op de beschikbare hoeveelheid grondwater.
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel bevat een vrijstelling van de in artikel 4.1150, onderdeel a van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratie als ook het jaarlijks verstrekken ervan zoals bedoeld in artikel 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving van deze gegevens. De vrijstelling geldt enkel voor de in Artikel 5.6 , eerste lid bedoelde vergunningvrije bodemenergiesystemen waarbij het onttrokken water via een gesloten systeem weer volledig wordt teruggebracht in hetzelfde watervoerende pakket. Dit om onnodige bestuurlijke lasten en de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven te voorkomen en omdat voor de onttrekking geen grondwaterheffing betaald hoeft te worden op grond van artikel 13.4b van de Omgevingswet. Er geldt geen vrijstelling voor de verplichting tot melden als bedoeld in artikel 4.1149 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het gaat enkel om de in artikel 4.1150, onderdeel a van het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen registratie ten aanzien van de hoeveelheid warmte en koude van een wateronttrekkingsactiviteit die aan de bodem zijn toegevoegd. De overige gegevens dienen alsnog te worden aangeleverd in verband met de handhaafbaarheid op doelmatigheid van het bodemenergiesysteem.
DDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Op grond van artikel 4.1154, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving dient een open bodemenergiesysteem een energierendement te leveren dat past bij een doelmatig gebruik. De aanvrager van het bodemenergiesysteem verstrekt op grond van artikel 7.35 Omgevingsregeling voor vergunningplichtige bodemenergiesystemen of Artikel 5.7 van deze omgevingsverordening voor vergunningvrije bodemenergiesystemen een verklaring van degene die het bodemenergiesysteem ontwerpt over het energierendement dat het systeem zal behalen. Voorts dient de aanvrager jaarlijks op grond van artikel 4.1150 en 4.1150a van het Besluit activiteiten leefomgeving het jaarlijkse energierendement te registreren en verstrekken aan bevoegd gezag.
Dit artikel geeft invulling aan het energierendement dat minimaal past bij doelmatig gebruik van bodemenergie en zorgt ervoor dat er maatregelen genomen worden indien in de tijd het energierendement afneemt.
Het eerste lid stuurt op een minimaal te behalen energierendement van SPF 5 voor systemen van na 1 januari 2024 omdat een lager energierendement als niet doelmatig gebruik van bodemenergie gezien wordt. Het eerste lid verlangd een energierendement van minimaal SPF 5 hetgeen met de huidige stand der techniek goed haalbaar is. Voor oudere systemen wordt een grens van SPF 3,5 aangehouden. De berekening van de SPF wordt gedaan conform de formule uit artikel 4.1155 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het tweede lid geeft een algemene inspanningsverplichting om, afgezien van de minimumvereisten uit het eerste lid en de specifieke verplichting tot het nemen van maatregelen uit het derde lid, een zo hoog mogelijk rendement te behalen. Dit past bij de doelstelling om zo duurzaam mogelijk gebruik te maken van energie, water en de ondergrond.
Het tweede
derde lid zorgt ervoor dat als uit de jaarlijkse verstrekte gegevens en bescheiden blijkt dat het energierendement minder dan het minimale te behalen energierendement van SPF 5 (of SPF 3,5 voor systemen van voor 1 januari 2024) is of als het minder is dan 80% ten opzichte van het jaar ervoor er maatregelen getroffen worden om het energierendement te verhogen.
De maatregelen dienen op grond van het derde lid er minimaal toe te leiden dat het minimale te behalen energierendement behaald wordt. Hier is bewust geen termijn aangekoppeld, omdat dit verschilt per situatie. In het kader van het toezicht zal hierin een afweging gemaakt moeten worden.
EEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een omzetting van het deel in paragraaf 2.2.1 algemeen van de beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving die zich richt tot het
poogt zo goed mogelijk te voorkomen dat zoet met zout of brak water vermengd wordt. Of er sprake is van zoet, zout of brak water volgt uit de in Artikel 5.8 opgenomen registratie van het jaarlijkse chloride-gehalte. De indeling in zoet, zout of brak water volgt uit tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A). Deze tabel is opgenomen in dit artikel.
In tegenstelling tot de huidige beleidsregels, is deze
Deze regel van toepassing op zowel de vergunningplichtige als vergunningvrije bodemenergiesystemen. De kleinere, meldingsplichtige open bodemenergiesystemen worden vaak uitgevoerd met een mono-bron waarbij er een verhoogde kans op verzilting. Dergelijke mono-bronnen worden vaker ondieper geplaatst waarbij de kans groter is dat zoet water vermengd raakt met brak of zout water. Met deze regel beoogd de provincie meer handvatten te hebben om te sturen op het voorkomen van verzilting, mede met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit waaronder grondwater dat bestemd is voor menselijke consumptie.
FFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.18
3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolsehoek als bedoel in de Verordening interferentiegebieden bodemenergiesystemen Gemeente Urk 2019. De regels betreffen een omzetting van de regels in paragraaf 2.2.2. Interferentiegebieden van de beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving en zijn in lijn met de ordeningsregels en positioneringsvoorwaarden van de verschillende bodemenergiesystemen zoals opgenomen in het Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk.
GGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid is bepaald dat een open bodemenergiesysteem uitgevoerd moet worden als een doubletsysteem in het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket tussen 60 en 225 meter minus
onder maaiveld. Het tweede lid bepaald dat er afgeweken kan worden van het doubletsysteem, bijvoorbeeld met een monobron, indien aangetoond wordt dat deze past binnen het bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk, [IF Technology Creating energy, d.d. 26 februari 2019, kenmerk68122/SV20190226, versie 3.0].
Het eerste watervoerende pakket is niet geschikt voor een (groot) open bodemenergiesysteem. Ten einde de hydrologische effecten op ondiepe omgevingsbelangen te beperken, moeten de bronfilters van de open bodemenergiesystemen op grotere diepte gerealiseerd worden en niet direct bovenin het gecombineerde tweede en derde watervoerende pakket. Daarom is een diepte van minimaal 60 meter minus maaiveld aangehouden voor het plaatsen van de bronfilters.
Het derde
tweede lid zorgt ervoor dat het gebruik van recirculatiesystemen niet toegestaan is, omdat het rendement van deze systemen lager is dan bij een opslagsysteem en daarmee het beschikbare bodempotentieel niet optimaal gebruikt wordt.
Het derde lid bepaalt dat er afgeweken kan worden van het doubletsysteem, bijvoorbeeld met een monobron, indien aangetoond wordt dat deze past binnen het vastgestelde Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In het eerste lid is bepaald dat de warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem gepositioneerd moeten worden binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart uit bijlage 1 van het bodemenergieplan
Bodemenergieplan Bedrijventerrein Zwolsehoek op Urk aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden. Er zijn zones gedefinieerd om ervoor te zorgen dat binnen Zwolsehoek optimaal gebruik gemaakt kan worden van open bodemenergiesystemen en zodat voldoende bodemenergie voor alle bedrijven binnen het plangebied beschikbaar is.
In het tweede lid is bepaald dat binnen een zoekgebied open bodemenergiesystemen gerealiseerd kunnen worden met een totale capaciteit van 500 m³/uur en 750.000 m³/seizoen. Met een seizoen wordt verwezen naar de wisselende gebruiksperiode (winter/zomer), waarin de bronnen afwisselend warmte of koude leveren en opnemen. Omdat de bronfilters van de open bodemenergiesystemen relatief ondiep gerealiseerd kunnen worden en om de hydrologische effecten te beperken, is een limiet gesteld aan de totale broncapaciteit binnen een zoekgebied. De afstand tussen de zoekgebieden is bepaald op basis van de maximale waterverplaatsing per seizoen. De limiet voor de waterverplaatsing binnen een zoekgebied is afgestemd op basis van de verwachte maximaal benodigde waterplaatsing om de bedrijven te voorzien van de benodigde (proces)koeling en/of verwarming. Binnen een zoekgebied kunnen meerdere bronnen gerealiseerd worden, zolang de totale maximale broncapaciteit en waterverplaatsing binnen het betreffende zoekgebied maar niet wordt overschreden.
In het derde lid is bepaald dat de minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem 40 meter moet bedragen. Naast de waterverplaatsing is ook de filterlengte bepalend voor de afstand tussen de zoekgebieden. Voor het bepalen van de afstand tussen de zoekgebieden is uitgegaan van een filterlengte van40
van 40 meter. Dit is de minimale filterlengte die nodig is voor een bron met een capaciteit van 250m³/uur. Dit betekent dat onafhankelijk van de broncapaciteit een filterlengte van minimaal 40meter
40 meter aangehouden moet worden.
IIII
Na sectie 5.14 worden vier secties ingevoegd, luidende:
Deze paragraaf is van toepassing op de aanleg of gebruik van een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving, gelegen in het interferentiegebied Almere Centrum en Randstad, zoals aangewezen in de Verordening interferentiegebieden bodemenergie Almere 2023.
In het eerste lid is bepaald dat een open bodemenergiesysteem uitgevoerd moet worden als een doubletsysteem in het derde watervoerende pakket. Het tweede lid bepaalt dat er afgeweken kan worden van het doubletsysteem, indien aangetoond wordt dat deze past binnen het Bodemenergieplan Almere Centrum en Randstad. Binnen het in het Bodemenergieplan aangewezen projectgebied zijn monobron- of recirculatiesystemen echter niet toegestaan.
Het eerste en tweede watervoerende pakket zijn niet geschikt voor een (groot) open bodemenergiesysteem. Teneinde de hydrologische effecten op ondiepe omgevingsbelangen te beperken, moeten de bronfilters van de open bodemenergiesystemen op grotere diepte gerealiseerd worden.
Dit artikel beschrijft de productiviteit van een open bodemenergiesysteem. Per seizoen bedraagt de productiviteit gemiddeld ten minste 0,00465 MWh/m3 teruggeleid grondwater. Met een seizoen wordt verwezen naar de wisselende gebruiksperiode (winter/zomer), waarin de bronnen afwisselend warmte of koude leveren en opnemen. Dat brengt met zich mee dat het temperatuurverschil tussen het onttrokken en geïnfiltreerde water ten minste 4 graden Celsius moet bedragen.
In het eerste lid is bepaald dat de warme en koude bronnen van een open bodemenergiesysteem gepositioneerd moeten worden binnen de daarvoor bestemde zones, op de kaart uit figuur 2.1 van het Bodemenergieplan Almere Centrum en Randstad, aangegeven als rode en blauwe zoekgebieden. Er zijn zones gedefinieerd om ervoor te zorgen dat binnen het gebied optimaal gebruik gemaakt kan worden van open bodemenergiesystemen en zodat voldoende bodemenergie binnen het plangebied beschikbaar is.
In het tweede lid is bepaald dat binnen een de bufferzone uit figuur 2.1 open bodemenergiesystemen gerealiseerd kunnen worden onder de voorwaarde dat deze aansluiten op de hierin gemarkeerde zoekgebieden.
In het derde lid is bepaald dat de minimale filterlengte van een open bodemenergiesysteem 40 meter moet bedragen. Naast de waterverplaatsing is ook de filterlengte bepalend voor de afstand tussen de zoekgebieden. Voor het bepalen van de afstand tussen de zoekgebieden is uitgegaan van een filterlengte van 40 meter. Dit is de minimale filterlengte die nodig is voor een bron met een capaciteit van 250m³/uur. Dit betekent dat onafhankelijk van de broncapaciteit een filterlengte van minimaal 40 meter aangehouden moet worden.
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een betrouwbaar grondwaterregister is essentieel, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningverlening). Een betrouwbaar grondwaterregister heeft met name waarde indien zowel de wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd zijn als de wateronttrekkingsactiviteiten waarvoor het Dagelijks Bestuur van het waterschap bevoegd is onder de registratieplicht vallen. Op die manier ontstaat een dekkend beeld van de belangrijkste wateronttrekkingsactiviteiten waar sprake is van het onttrekken van grondwater als ook de gegevens en bescheiden die daarbij aan gedeputeerde staten
Gedeputeerde Staten dan wel dagelijks bestuur
Dagelijks Bestuur van het waterschap verstrekt worden.
De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de Omgevingswet, maar er wordt naar verwezen in artikel 13.4b van de Omgevingswet die over de provinciale grondwateronttrekkingsheffing gaat. De grondwateronttrekkingsheffing kan geheven worden over de wateronttrekkingsactiviteiten waar op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, de omgevingsverordening of waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens de omgevingsverordening in te voorzien. De provincie heeft een afzonderlijke Verordening grondwateronttrekkingsheffing Flevoland.
In overleg tussen IPO en Unie van Waterschappen is in 2009 een landelijk register opgezet: het Landelijk grondwater Register (LGR). Het LGR is ondergebracht bij TNO/DINO (https://www-new.lgronline.nl/). Ook bij een landelijk register is het noodzakelijk de verantwoordelijkheid voor het grondwaterregister bij een daar toe aangewezen bestuursorgaan neer te leggen. Gelet op de koppeling met de grondwateronttrekkingsheffing is in het eerste lid het beheer van het grondwaterregister neergelegd bij Gedeputeerde Staten.
In het tweede lid is bepaald dat gedeputeerde staten
Gedeputeerde Staten de wateronttrekkingsactiviteiten waar zij bevoegd voor is als de daarbij behorende gegevens inschrijft in het grondwaterregister. Het gaat hierbij om wateronttrekkingsactiviteiten waarbij sprake is van het onttrekken van grondwater als het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater, de zogeheten infiltraties. De provincie is op grond van het Omgevingsbesluit bevoegd gezag voor de onttrekkingen of infiltraties voor industriële toepassingen indien het om meer dan 150.000 m3/jaar gaat en onttrekkingen of infiltraties in verband met de openbare drinkwatervoorziening. Het waterschap is bevoegd voor de overige grondwateronttrekkingen voor zover het niet plaatsvindt in een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer van het Rijk is. Artikel 5.18
5.22
bevat de registratieplicht voor het waterschap voor de wateronttrekkingsactiviteiten waar het waterschap bevoegd voor is.
Het derde lid bepaalt dat de provincie wateronttrekkingsactiviteiten als bedoeld in het tweede lid ambtshalve kan inschrijven indien, waarbij de datum van inschrijving terugwerkt tot de datum waarop de onttrekking is aangevangen. Dit is noodzakelijk in verband met de grondwateronttrekkingsheffing.
KKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een omzetting en voortzetting van paragraaf 2.2.1 algemeen van de (oude) beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2011.
Dit artikel bevat beoordelingsregels voor Gedeputeerde Staten voor de omgevingsvergunningverlening voor open bodemenergiesystemen.
In het eerste lid is bepaald dat de actuele versie van de ‘Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1)’ van toepassing is op het beoordelen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het tweede lid bepaald dat in aanvulling op het eerste lid, voor open bodemenergiesystemen in het interferentiegebied bedrijventerrein Zwolse Hoek, het bodemenergieplan bedrijventerrein Zwolse Hoek in Urk van toepassing is op het beoordelen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het tweede lid bepaalt dat in aanvulling op het eerste lid, voor open bodemenergiesystemen in bij deze verordening aangewezen interferentiegebieden, het eventueel van toepassing zijnde bodemenergieplan op de beoordeling van de aanvraag van toepassing is.
Het derde lid bepaald dat de omgevingsvergunning enkel verleend mag worden indien er geen vermenging plaatsvindt tussen zoet en zout of brak water. Voorkomen moet worden dat zoet met zout en brak grondwater mengt waardoor kostbare zoetwaterreserves in Flevoland verzilten. Hierbij is de klasseindeling zoals opgenomen in tabel 1 van de Zoet-zout studie van provincie Flevoland (Deltares rapport d.d. 14 mei 2008, kenmerk 2008-U-R0546/A) bepalend voor de indeling in zoet, zout of brak water.
Het vierde lid geeft aan dat, indien vermenging van zoet met zout of brak water niet voorkomen kan worden, de vergunning alsnog verleend kan worden indien aangetoond wordt dat de vermenging niet leidt tot aanzienlijke verzilting. Dit is bijvoorbeeld aan de orde indien zoet water vermengd wordt met licht of matig brak water. Daarbij blijft de algemene inspanningsplicht uit artikel 5.11 onverkort van kracht.
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel is een omzetting en voortzetting van paragraaf 2.2.1 algemeen van de (oude) beleidsregel vergunningverlening milieuwetgeving 2011. In dit artikel is bepaald dat de actuele versie van de ‘Handreiking provinciale besluiten bodemenergiesystemen (BUM BE deel 1)’ van toepassing is op het verbinden van voorschriften aan een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem als bedoeld in artikel 3.19 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het grondwaterregister als bedoeld in Artikel 5.15
5.19
omvat alle wateronttrekkingsactiviteiten waarbij sprake is van het onttrekken van grondwater als het in de bodem brengen van water ter aanvulling van het grondwater. Het gaat hierbij om een overzicht van de vergunningplichtige en vergunningvrije grondwateronttrekkingen en infiltraties als de aan gedeputeerde staten
Gedeputeerde Staten of dagelijks bestuur
Dagelijks Bestuur van het waterschap bijbehorende verstrekte gegevens en bescheiden. Het eerste lid bevat een registratieplicht voor het dagelijks bestuur van het waterschap van de wateronttrekkingsactiviteiten waar het waterschap bevoegd voor is.
Het tweede lid regelt dat in ieder geval alle onttrekkingen groter 10.000 m3, die onder het bevoegd gezag vallen van het waterschap, onder de registratieplicht moeten vallen. Deze instructiebepaling
instructieregel hangt samen met de provinciale grondwaterontrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet is nodig voor een actuele registratie van potentieel heffingsplichtige onttrekkingsinrichtingen. Op grond van de grondwaterheffingsverordening zijn onttrekkingen van groter dan 20.000 m3 per jaar heffingsplichtig. De onttrekkingen die onder de heffingsplicht vallen fluctueren in de tijd. Het is om die reden dat de registratieplicht niet bij 20.000 m3 is gelegd maar bij 10.000 m3.
Het derde lid bepaald dat de gegevens waarvoor een registratieplicht geldt, ook aan gedeputeerde staten
Gedeputeerde Staten verstrekt worden. Dit is nodig in verband met het vaststellen van de provinciale grondwaterontrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de Omgevingswet. Volstaan kan worden met een eenmalige verstrekking tenzij als gevolg van tussentijdse wijzigingen de gegevens zijn gewijzigd. Het vierde lid bevat de mogelijkheid voor gedeputeerde staten om aanvullende regels te stellen over de wijze van aanleveren van deze gegevens.
NNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met de komst van de Omgevingswet vervalt, behoudens voor de overgangsrechtgevallen, de Wet bodembescherming. Het bodembeleid wordt beleidsrijk herzien en gaat gepaard met een verschuiving van bevoegdheden. De gemeente is onder de Omgevingswet primair verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving met inbegrip van de bodem. De provincie blijft onder de Omgevingswet primair verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit. Hiermee verschuift de provinciale beleidsinzet naar verontreinigingen die de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Grondwaterrichtlijn (GWR) bedreigen. Het Rijk kent onder de Omgevingswet niet langer een saneringsplicht. Het is aan de provincie om te bepalen wanneer een historische bodem- of grondwaterverontreiniging een bedreiging vormt voor de grondwaterkwaliteit en wanneer dit aanleiding geeft tot maatregelen.
In dit hoofdstuk zijn daarom regels opgenomen in verband met het beheren, beperken of ongedaan maken van historische verontreiniging van het grondwater. Deze regels vertalen zich in een viertal sporen en omvatten curatieve maatregelen gericht op het verbeteren van de grondwaterkwaliteit. Daarnaast zijn er in paragraaf 6.4.1.2 en 6.4.1.3 regels opgenomen die verband houden met het voorkomen van verontreiniging van het grondwater. De regels in paragraaf 6.4.1.2 en 6.4.1.3 omvatten het preventieve spoor.
De curatieve sporen zijn hieronder uiteengezet en daarnaast in onderstaand figuur geïllustreerd:
Spoor 1. Regels die een grondwatersanering verlangen bij een activiteit die een bekende historische grondwaterverontreiniging dusdanig beïnvloedt dat dit leidt tot een onaanvaardbaar verspreidingsrisico.
Spoor 2. Regels die een bron(zone) aanpak verlangen indien er gebouwd wordt op een bekende bron van bekende historische grondwaterverontreiniging dan wel indien de gemeente op een bron van bekende historische grondwaterverontreiniging een bodemsanering op grond van het omgevingsplan verlangd. De bron(zone)aanpak kan uitgevoerd worden met de in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen rijksregels voor het saneren van de bodem.
Spoor 3. Regels voor het ontsluiten van informatie bij het ontdekken van een nog onbekend verontreiniging van het grondwater; en
Spoor 4. Regels voor het uitvoeren van een vrijwillige grondwatersanering.

OOOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie heeft onder de Omgevingswet een regierol in het kader van de bescherming van de grondwaterkwaliteit. Dat houdt in dat zij de strategische beleidslijnen uitzet en de kaders vaststelt. In deze rol geeft de provincie onder andere invulling aan de doelstellingen uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) en Grondwaterrichtlijn (GWR).
Onder de Omgevingswet is de gemeente primair verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving en daarmee ook voor bodem. Zodoende is de gemeente bevoegd voor de in het Besluit activiteiten leefomgeving opgenomen rijksregels voor het saneren van de bodem. Deze rijksregels omvatten niet het saneren van het grondwater. Gezien de taak die de provincie heeft ten aanzien van de bescherming van het grondwater, ligt het voor de hand dat de provincie regels stelt ten aanzien van historische verontreinigingen in het grondwater en ook regels stelt voor het uitvoeren van een grondwatersanering.
In Flevoland bevindt het grondwater zich dicht onder maaiveld en niet alle verontreinigingen onder het grondwaterpeil vormen een bedreiging voor het grondwater. Er is sprake van verontreiniging van het grondwater indien er sprake is van een verontreinigende stof in het grondwater die voorkomt in een concentratie boven de natuurlijke achtergrondconcentratie en die vanwege mobiele eigenschappen in staat is zich met het grondwater te verspreiden. Dat gegeven brengt ook met zich mee dat er voorzichtig omgegaan moet worden met activiteiten die contactstroming tussen verschillende grondwaterlagen veroorzaken of vergroten, of beschadiging van de bodem tot gevolg kunnen hebben, zoals het verwijderen van heipalen.
PPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk zijn gericht op het op duurzame en doelmatige wijze beheren van historische verontreinigingen en het beheersen van activiteiten met het oog op het beschermen van de grondwaterkwaliteit en de daarmee samenhangende bodemkwaliteit. Historische verontreinigingen zijn ontstaan voor de inwerkingtreding van de Wet bodembescherming op 1 januari 1987. De regels richten zich tot degene die een activiteit uitvoert op een bron van een bekende historische grondwaterverontreiniging of tot degene die een activiteit uitvoert die in staat is een bekende historische grondwaterverontreiniging te beïnvloeden. Ook zijn er regels opgenomen die zich richten tot een tot nu toe onbekende historische grondwaterverontreiniging. Tot slot zijn er regels voor het lozen van grondwater op of in de bodem dat verontreinigd kan zijn indien het grondwater onttrokken is ter plaatse van een historische grondwaterverontreiniging.
De regels in dit hoofdstuk zien niet op nieuwe verontreinigingen die ontstaan zijn na 1 januari 1987 maar voor inwerkingtreding van de Omgevingswet omdat hierop, vanwege het overgangsrecht, de zorgplicht van artikel 13 van de Wet bodembescherming onverkort van kracht blijft. Ook zien deze regels niet op nieuwe verontreinigingen ontstaan na inwerkingtreding van de Omgevingswet omdat het zorgplichtbeginsel van de Omgevingswet, dat opgenomen is in zowel de Omgevingswet zelf als onderliggende (decentrale) uitvoeringsregelgeving, verontreiniging van de fysieke leefomgeving voorkomt met inbegrip van het grondwater.
Nieuwe activiteiten kunnen echter eveneens negatieve gevolgen hebben voor de grondwater- en bodemkwaliteit. Zo kan het onzorgvuldig trekken van heipalen contactstroming tussen verschillende grondwaterlagen veroorzaken of vergroten, of beschadiging van de bodem tot gevolg hebben. Daarom worden er naast instructieregels voor het omgevingsplan over lozingen op of in de bodem, ook regels gesteld over het verwijderen van heipalen.
QQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in afdeling 6.2.1 van de verordening hebben als doel te voorkomen dat activiteiten leiden tot onaanvaardbare verspreiding van bekende historische grondwaterverontreinigingen. De geometrische begrenzing van deze verontreinigingen zijn weergegeven in bijlage 2 bij de verordening. Het gaat hier enkel om historische grondwaterverontreinigingen waarbij de verontreinigingscontour van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving groter of gelijk is als 100 m3 poriënverzadigd bodemvolume. Een kleiner volume of lagere concentratie wordt door de provincie gezien als een verontreiniging die als gevolg van een activiteit niet kan leiden tot een onaanvaardbare verspreiding. De regels in de verordening gelden voor alle activiteiten die plaatsvinden binnen de contour van de bekende grondwaterverontreiniging, of een marge van 500 m hierom heen. De marge van 500 m is gekozen omdat ook activiteiten nabij een grondwaterverontreiniging van invloed kunnen zijn op de verspreiding hiervan. Zowel binnen als buiten de marge van 500 m blijven daarnaast onverkort de beoordelingsregels gelden voor wateronttrekkingsactiviteiten waarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of de waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is.
De regels in paragraaf 6.4.1.1 van de verordening hebben tot doel om het natuurlijk moment te benutten zodat in samenhang met een activiteit op een locatie waar de bron van bekende historische grondwaterverontreiniging gelegen is zo veel als wat redelijkerwijs mogelijk is van de bron(zone) van de bodemverontreiniging wordt aangepakt. Dit uiteraard alleen als de bodemverontreiniging nog aanwezig is. Het werkingsgebied bron van historische bekende grondwaterverontreiniging ziet toe op het kadastrale perceel waar de bodemverontreiniging ontstaan is die de bron van de bekende historische grondwaterverontreiniging is. In bijlage II zijn de geometrische begrenzingen van de bronnen van bekende historische grondwaterverontreiniging weergegeven die horen bij de bekende historische grondwaterverontreinigingen.
Tot slot gelden er in
In afdeling 6.2.2 zijn regels opgenomen voor het geval er sprake is van een nog onbekende grondwaterverontreinigingen met concentraties hoger dan de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering als bedoeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze regels zijn gekoppeld aan het Flevolands grondgebied dat buiten de marge van 500 m valt en daarmee niet tot de bekende grondwaterverontreinigingen te rekenen is. Dit geometrische begrenzing van dit gebied, is eveneens weergegeven in bijlage II.
Tot slot is in paragraaf 6.4.1.3 een instructieregel opgenomen voor het gemeentelijk omgevingsplan met betrekking tot heipalen. Deze regels zijn gekoppeld aan het Flevolands grondgebied met uitzondering van de grondwaterbeschermingsgebieden. In deze gebieden gelden immers rechtstreeks werkende regels, opgenomen in hoofdstuk 4. De geometrische begrenzing van dit gebied is weergegeven in bijlage II.
RRRR
Na sectie 6.20 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Bij het verwijderen van ((vormgegeven) betonnen) heipalen die bij het plaatsen ervan afsluitende lagen, ondiep of dieper, hebben doorkruist, kan contactstroming tussen verschillende grondwaterlagen veroorzaakt of vergroot worden. Deze contactstroming betekent veelal een kwaliteitsverslechtering in de verschillende watervoerende pakketten, waarbij bijvoorbeeld gedacht moet worden aan verzilting, maar ook ‘verspilling’, omdat diep zoet grondwater door de contactstroming weglekt naar zoutere watervoerende pakketten. De verwijdering van de heipalen kan daarom in strijd zijn met de doelstellingen op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Grondwaterrichtlijn (GWR).
Op verschillende plaatsen in de Flevopolder, waar door uitvoering van werkzaamheden de waterafsluitende lagen zijn verwijderd of verstoord, heeft in de praktijk al vermenging plaatsgevonden.
In de Omgevingsverordening provincie Flevoland zijn reeds in hoofdstuk 4 regels opgenomen met betrekking tot het verwijderen van heipalen in grondwaterbeschermingsgebieden. Deze regels hebben eveneens als doel het voorkomen van ongewenste verontreiniging van het grondwater, maar dan met het oog op het beschermen van de grondwatervoorraad ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening. Dit is een provinciale taak op grond van artikel 2.18 lid 1 sub c Omgevingswet.
De gemeente is onder de Omgevingswet primair het bevoegd gezag voor activiteiten met betrekking tot de bodem. De provincie acht het echter noodzakelijk om als gebiedsgerichte coördinator van de uitoefening van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen (op grond van artikel 2.18 lid 1 sub a) en als (mede-)verantwoordelijke voor de doelstellingen van de KRW en GWR een gelijk speelveld te creëren met gelijke bescherming voor de grondwaterlagen in Flevoland. Door de diepe ligging van Flevoland komt er veel kwel de polders binnen. Het volledig en/of onzorgvuldig verwijderen van heipalen zorgt voor een versterkende werking op binnendringend kwel.
In dit artikel zijn daarom instructieregels opgenomen voor het gemeentelijk omgevingsplan (met uitzondering van de gebieden waarover het Waterschap Zuiderzeeland regels stelt met betrekking tot heipalen) die bepalen dat (prefab betonnen) heipalen enkel verwijderd mogen worden op dusdanige wijze dat de bodem zo min mogelijk verstoord wordt. Dat betekent dat er niet geduwd, getrokken of gewrikt wordt, maar gebruik gemaakt wordt van de methode ‘afzagen’ (of als dat niet mogelijk is ‘afknabbelen’). Dit gebeurt op minimaal 2 meter minus de omliggende maaiveldhoogte. Met de omliggende maaiveldhoogte wordt de oorspronkelijke maaiveldhoogte in de directe omgeving bedoeld. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de toezichthouder van de OFGV op het moment dat hier onduidelijkheid over bestaat, maar zeker in het geval dat er afgeweken wordt van de methode ‘afzagen’.
SSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een grondwatersanering heeft gevolgen voor grondwaterlichamen en is daarmee een activiteit met gevolgen voor waterlichaam als bedoeld in artikel 7.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Om die reden worden ingevolge artikel 7.12 van het Bkl beoordelingsregels als bedoeld in het tweede lid en derde lid van dat artikel gesteld. Hiermee wordt eenzelfde toetsingskader verwezenlijkt als voor de wateractiviteiten die op rijksniveau een omgevingsvergunning vereisen en waarvoor het generieke toetsingskader van artikel 8.84 van het Bkl geldt. Het bevoegd gezag is op grond van dit artikel verplicht de doelstellingen voor het beheer van watersystemen bij de beoordeling van de aanvraag te betrekken en daarbij rekening te houden met de waterprogramma’s die van toepassing zijn op het betreffende watersysteem. Ook wordt een omgevingsvergunning niet verleend in geval de verlening daarvan niet verenigbaar is met de omgevingswaarden voor de krw-oppervlaktewaterlichamen en grondwaterlichamen of het vereiste van “het voorkomen van achteruitgang” van de toestand van die waterlichamen. Met Artikel 6.21
6.22
is uitvoering gegeven aan deze instructieregel van het Rijk.
De beoordelingsregels beogen dat de omgevingsvergunning alleen verleend kan worden indien deze verenigbaar is met alle voor grondwater relevante doelen die de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het gaat hier om de in artikel 4, eerste lid, onder b van de Kaderrichtlijn water opgenomen milieudoelstellingen voor grondwater als ook de in artikel 7 van de Kaderrichtlijn water opgenomen doelstellingen voor de bescherming van water dat bestemd is voor menselijke consumptie. De beoordelingsregels opgenomen in Artikel 6.21
6.22, derde lid onder d en e zijn in aanvulling op de op grond van artikel 7.12 Bkl verplichte beoordelingsregels en zorgen gezamenlijk dat er oog is voor alle voor grondwater relevante KRW-doelen.
TTTT
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
UUUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met dit artikel wordt bewerkstelligd dat voor ontgrondingsactiviteiten die worden uitgevoerd in gebieden met unieke archeologische en waardevolle aardkundige waarden in principe altijd een vergunning nodig is. De in het Bal en de verordening opgenomen vrijstellingen van de vergunningplicht gelden hier niet. Slechts heel oppervlakkige ontgrondingen -minder dan 30 cm onder het maaiveld- zijn niet vergunningplichtig. Dit betekent overigens niet dat een ontgronding van meer dan 30 cm diep niet is toegestaan. Met de vergunningplicht wordt veeleer beoogd vooraf te bezien hoe schade aan archeologische waarden zoveel mogelijk kan worden voorkomen dan wel kan worden beperkt. Volledigheidshalve wordt nog opgemerkt dat deze vergunningplicht geen gevolgen heeft voor gedragingen in het kader van de normale uitoefening van de land- en tuinbouw. Deze gedragingen vallen namelijk niet onder de definitie ontgrondingen en blijven daarmee buiten het bereik van deze verordening.
PArK-gebied Urk e.o. is een woon- en werkgebied. Een vergunningplicht bij elke ontgronding dieper dan 30 cm, ongeacht de oppervlakte van de ontwikkeling, is onuitvoerbaar. Vanuit de archeologische inhoud is het niet nodig om deze vergunningplicht bij 30 cm voor het hele PArK-gebied aan te houden. In de afgelopen jaren is de archeologische kennis over het gebied gegroeid, wat tot een verder verfijning van de (nieuwe) archeologische beleidskaart van de gemeente heeft geleid (zones zijn scherper gedefinieerd en oppervlakte/diepte-vrijstellingsgrenzen). De historische kern van Urk blijft een Top10-gebied, waar de provinciale ontgrondingsvergunning-plicht blijft gelden. Bij een vergunningaanvraag wordt ook aan het gemeentelijke archeologiebeleid getoetst en houdt de provincie oog voor de aardkundige waarden.
Daarnaast is het mogelijk dat er in bepaalde situaties ook andere toestemmingen nodig zijn, zoals voor bijvoorbeeld de rijksmonumentenactiviteit (afdeling 13.1 Bal). De provinciale regels over de ontgrondingsactiviteit veranderen niets aan de verplichtingen met betrekking tot de rijksmonumentenactiviteit.
Dit betekent dat de vrijstellingsdiepte zoals beschreven in artikelen 7.7 en 7.8 alleen van toepassing is bij ontgrondingsactiviteiten, waarbij grond wordt afgegraven, vergraven of verlaagd. Deze vrijstellingsdiepte geldt niet bij rijksmonumentenactiviteit, waarbij een beschermd rijksmonument wordt gewijzigd, hersteld, gesloopt of verstoord.
VVVV
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
WWWW
Na sectie 8.6 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde opgenomen, waaronder Schokland en omgeving, die zijn aangewezen als werelderfgoed. De bescherming van de universele waarde van dit werelderfgoed gebeurt bij provinciale verordening. De regels die zijn opgenomen in de Omgevingsverordening verplicht de gemeente om de kernkwaliteiten te borgen via hun Omgevingsplan. Deze paragraaf bevat de regels die gemeenten bij hun planvorming in acht moeten nemen.
In artikel 7.4 en bijlage XVII van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn voor elk Unesco Werelderfgoed de kernkwaliteiten beschreven. De kernkwaliteiten van Werelderfgoed Schokland en omgeving zijn opgenomen in artikel 8.7 van de Omgevingsverordening. De kernkwaliteiten worden ingevolge deze verordening verder uitgewerkt in samenspraak met de gemeente Noordoostpolder.
XXXX
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
YYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Inleiding
Dit artikel bevat een instructieregel met het oog op het behoud van de kernkwaliteiten van het Flevolandse landschap. De aanleiding voor de instructieregel is de wens om omgevingskwaliteit juridisch te borgen. Voorwaarde voor een aantrekkelijk en waardevol landschap is het nastreven van een hoge omgevingskwaliteit. Een landschap dat voor een diversiteit aan functies bruikbaar is en tegelijk ook een aantrekkelijke beleving biedt. Een landschap dat een eigen identiteit heeft en tegelijk ook toekomstbestendig is. Daarin komen verleden, heden en toekomst samen. Het is van belang om omgevingskwaliteit mee te wegen in de integrale afweging binnen projecten en ontwikkelingen. De provincie wil eenduidigheid creëren voor het grondgebied waar de provincie verantwoordelijk voor is. Daarbij komt dat landschap en landschapsstructuren gemeentegrensoverschrijdend zijn.
Doel instructieregels omgevingskwaliteit
Het doel van de instructieregel is duidelijkheid te scheppen over hetgeen de provincie verwacht van initiatiefnemers ten aanzien van omgevingskwaliteit in het licht van de ontwikkelingen en activiteiten in het landschap. Helderheid en eenduidigheid zal de beoordeling van de initiatieven vergemakkelijk en dus bespoedigen. Niet bedoeld is de inhoudelijke beoordeling van ontwikkelingen en activiteiten te wijzigen. Dit vindt plaats aan de hand van het provinciale beleid voor landschap bestaande uit het Programma Landschap van de Toekomst en het bijbehorende Handboek kernkwaliteiten Flevoland.
Bij omgevingskwaliteit ligt de nadruk op de relatie tussen een initiatief en de omgeving; het grotere geheel. Het gaat niet alleen om maximale kwaliteit voor één gebruiker, maar om goede kwaliteit voor de gehele gemeenschap. Inclusief de integrale belangen die spelen in de omgeving; ook van omwonenden. Het streven is naar een goed doordacht ontwerp met zichtbaar meer aandacht voor culturele en esthetische waarden boven puur economische winst. Culturele waarden worden o.a. bepaald door tradities/ kenmerken in het menselijk handelen van de regio. Cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap en de identiteit van een gebied; belevingswaarde, gebruikerswaarden, toekomstwaarden zijn begrippen die omgevingskwaliteit invulling geven.
Met betrekking tot cultureel erfgoed heeft het rijk heeft in het Besluit kwaliteit leefomgeving in een instructieregel (artikel 5.130) voorgeschreven dat in omgevingsplannen rekening moet worden gehouden met het belang van cultureel erfgoed (cultuurlandschap maakt hier onderdeel van uit). De provinciale instructieregel over omgevingskwaliteit landschap geldt aanvullend. Daarvoor is ruimte gelet op het verschil in oogmerk van de nationale en provinciale instructieregel.
Het provinciale Programma Landschap van de Toekomst, dat in 2021 is vastgesteld, geeft richting aan ruimtelijke ontwikkeling in Flevoland. De provincie vindt het belangrijk dat elke stap die in het landschap wordt gezet, bijdraagt aan de kwaliteit van de provincie. In het Programma staan de provinciale visie en ambities, overwegingen en uitvoeringsprogramma voor hoge ruimtelijke kwaliteit. In het Handboek zijn de kernkwaliteiten uitgewerkt in 24 bouwstenen voor hoge ruimtelijke kwaliteit.
Het Programma Landschap van de Toekomst geeft vier handreikingen voor het bewaren, versterken en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit in het landschap. De handreikingen zijn gemeente-overstijgend en bepalen in hun samenhang het karakter en de essentie van het Flevolandse landschap. Ze geven in samenhang richting bij het behouden van de landschappelijke kernkwaliteiten en ruimte voor vernieuwing en ontwikkeling. Samen met de handreikingen voor ruimtelijke kwaliteit die gelden op een locatie kun je een initiatief in het landschap een passende plek en inrichting geven.
De Handvatten voor Ruimtelijke Kwaliteit (HARK) is een handzame matrix. De matrix koppelt de herkomstwaarde, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap aan economische, ecologische en sociaal-culturele belangen. HARK is hiermee een instrument om opgaven en stakeholders met elkaar te verbinden. Zo nemen we ruimtelijke kwaliteit als één van de belangen mee in de integrale afweging binnen projecten en ontwikkelingen.
Inhoud
instructieregels omgevingsplan: motiveringsplicht omgevingskwaliteit
Gekozen is voor een instructieregel als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid Omgevingswet. Artikel 8.8
8.9
bevat de inhoudelijke instructieregel aan de gemeenten om in het omgevingsplan een regeling over ruimtelijke kwaliteit / omgevingskwaliteit bij nieuwe initiatieven op te nemen.
Gelet op artikel 2.23, derde lid, Omgevingswet kan bij instructieregels een termijn worden gesteld waarbinnen aan de instructie uitvoering moet zijn gegeven. Er is voor gekozen dit niet te doen ervan uitgaande dat de gemeenten dit meenemen bij het opstellen van een omgevingsplan binnen de termijn voor de overgangsfase van het omgevingsplan tot 1 januari 2032 (artikel 22.6 derde lid Omgevingswet; Staatsblad 2023, 267).
In dit artikel vraagt de provincie een (uitgebreide) motivering, onderbouwing van de wijze waarop in lijn met het Programma Landschap van de Toekomst bij een nieuwe ontwikkeling in het landelijk gebied de omgevingskwaliteiten zoals gesteld in de Handvatten Ruimtelijke Kwaliteit (HARK) zijn meegewogen. Uiteraard moet de motivering en onderbouwing in verhouding staan met de impact van de ontwikkeling. Kortom het is maatwerk. Middels beeldmateriaal kan inzichtelijk worden gemaakt hoe het initiatief eruit komt er zien. Dit materiaal kan bestaan uit onder andere: ruimtelijke analyses, ruimtelijke concepttekeningen, kaartmateriaal, doorsnedes en realistische impressies, modellen en/of visualisaties.
Gelet op de definitie in de omgevingsverordening van het begrip ‘omgevingsplan’ geldt de instructieregel niet alleen voor het opstellen en wijzigen van het omgevingsplan zelf. Het geldt ook voor o.a. een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit. Dit blijkt ook uit de beoordelingsregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 8.1.1.2). Aanvragen om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dienen, naast de toets aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, getoetst te worden aan de instructieregels voor het omgevingsplan van het rijk en de provincie.
Voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit is dit anders. Hiervoor schrijft het Besluit kwaliteit leefomgeving niet voor dat een aanvraag getoetst moet worden aan de provinciale instructieregels. Hiervoor staan de aanvraagvereisten en de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Uitgangspunt daarbij is dat de provinciale instructieregels zijn verwerkt in het omgevingsplan. Het is dan overbodig dat de provinciale instructieregels ook zien op de binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Dat is anders in de situatie dat de instructieregels (nog) niet zijn verwerkt in het omgevingsplan. Daarom valt ook de binnenplanse omgevingsplanactiviteit onder de omschrijving van het begrip ‘omgevingsplan’.
Bevoegd gezag voor het beslissen op een dergelijke aanvraag zijn over het algemeen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het initiatief plaatsvindt. Gedeputeerde staten hebben daarbij gelet op artikel 4.25 Omgevingsbesluit de bevoegdheid van advies met instemming doordat landschap en daarmee ruimtelijke kwaliteit / omgevingskwaliteit is aangewezen als geval van provinciaal belang (zie paragraaf 2.4 van de Lijst van gevallen van provinciaal belang Flevoland). De inhoudelijke beoordeling vindt plaats aan de hand van het provinciale beleid voor landschap bestaande uit het Programma Landschap van de Toekomst en het bijbehorende Handboek kernkwaliteiten Flevoland.
Werkingsgebied ‘Landelijk gebied van Flevoland’
De instructieregel voor ruimtelijke kwaliteit is opgenomen in het hoofdstuk ‘Bescherming landschap’. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing in het landelijke gebied van de provincie Flevoland. De geometrische begrenzing van dit werkingsgebied is vastgelegd in bijlage II. Daarmee geldt dit artikel alleen in het buitengebied van Flevoland.
ZZZZ
Na sectie 8.8 worden twee secties ingevoegd, luidende:
De instructieregel houdt in dat het omgevingsplan geen functies of activiteiten mag toelaten die de uitzonderlijke, universele waarde van Werelderfgoed Schokland en omgeving aantasten. De instructieregel is zo duidelijk mogelijk gesteld en bevat geen specifieke uitzonderingen. Ook worden geen specifieke verboden activiteiten vermeld: de kern van de norm is: "niet aantasten" van het werelderfgoed met het oog op de instandhoudingsdoelstelling en versterking daarvan.
Een eventuele uitzondering op de regel is mogelijk op basis van een ontheffing van Gedeputeerde Staten. Dit houdt in dat Gedeputeerde Staten een ontheffing kan verlenen voor een activiteit die de kernkwaliteiten van het werelderfgoed kan aantasten, als wordt voldaan aan strikte voorwaarden:
- de activiteit moet noodzakelijk zijn om dwingende redenen van maatschappelijk belang,
- er zijn geen redelijke alternatieven voor de activiteit,
- bij de toedeling van de functie of activiteit wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van het erfgoed, en
- de aantasting die hierdoor ontstaat afdoende wordt gecompenseerd.
Deze voorwaarden vormen het beoordelingskader voor een eventuele ontheffing. In de praktijk wordt dit de ADC-toets genoemd: geen Alternatieven, wel Dwingende redenen van maatschappelijk belang, met Compensatie van nadelige effecten.
Voor de beoordeling van een feitelijke situatie wordt verwezen naar de beschrijving van de kernkwaliteiten van werelderfgoed Schokland en omgeving in het artikel 8.10 en de voorziene nadere uitwerking. Hierin worden ook criteria en voorbeelden opgenomen van ontwikkelprincipes die richting geven aan de evenwichtige toedeling van functies op de locatie.
De ontheffingsmogelijkheid is neutraal geformuleerd, zodat de ontheffing op iedere situatie van toepassing kan zijn. Hierdoor is het onnodig om specifieke gevallen te benoemen. De ontheffingsbevoegdheid borgt dat álle activiteiten zolang die nodig zijn vanuit dwingende redenen van openbaar belang, kunnen worden afgewogen.
Om het effect van de voorgenomen ingrepen op de erfgoedvoorwaarden te bepalen kan het noodzakelijk zijn een Heritage Impact Assessment (HIA) op te stellen.
Onder compensatie wordt verstaan dat de activiteit zodanig wordt uitgevoerd dat kwaliteit aan het erfgoed wordt toegevoegd, zodanig dat dit het nadelig effect van de aantasting van een kernkwaliteit ter plekke of in de nabijheid van de aantasting opheft. Ondanks de aantasting is hierdoor sprake van een versterkend effect op de Outstanding Universal Value, als gevolg van de activiteit, zodat dan ook de gewenste activiteit kan worden toegelaten.
AAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De omgevingsverordening bevat regels over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor activiteiten, die in die omgevingsverordening als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten wanneer dat in de omgevingsverordening is bepaald. Als algemene beoordelingsregel is opgenomen dat de activiteit verenigbaar moet zijn met het oogmerk genoemd in Artikel 9.1. Dit oogmerk kan in specifieke paragrafen met beoordelingsregels per activiteit expliciet worden gemaakt. Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als deze in overeenstemming is met de beoordelingsregels opgenomen in de omgevingsverordening.
BBBBB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij verruiming of wijziging van een provinciale weg kunnen in het beperkingengebied gelegen werken, objecten en/of voorwerpen zodanige nadelige gevolgen hebben voor de verruiming of wijziging, dat deze moeten worden verwijderd. Onder werken niet zijnde een bouwwerk
kabels en leidingen wordt tevens verstaan een net bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie.
Bij activiteiten met een meldingsplicht is de algemene regel van toepassing die tot verwijderen of verleggen dwingt, als deze activiteiten een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van een weg door of namens de wegbeheerder. De wegbeheerder stelt eerst de rechthebbende in de gelegenheid tot verwijderen of verlegging. De rechthebbende zal op eerste verzoek overgaan tot verwijdering of verlegging. Als de rechthebbende niet overgaat tot verwijderen of verleggen, dan kan dit door het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift worden opgelegd.
CCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvullende gegevens en bescheiden worden gevraagd bij deze activiteiten omdat het bevoegd gezag van oordeel is dat er een potentieel nadelig gevolg kan zijn voor de fysieke leefomgeving. Met de genoemde gegevens kan de wegbeheerderde
wegbeheerder de aanvraag beoordelen, toezicht houden en in sommige gevallen zelfs maatregelen nemen in verband met de verkeersveiligheid.
Ook een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een extra uitweg dient te worden gemotiveerd.
DDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvullende gegevens en bescheiden worden gevraagd bij deze activiteiten omdat het bevoegd gezag van oordeel is dat er een potentieel nadelig gevolg kan zijn voor de fysieke leefomgeving. Met de genoemde gegevens kan de wegbeheerder de aanvraag beoordelen, toezicht houden en in sommige gevallen zelfs maatregelen nemen in verband met de verkeersveiligheid.
In het verkeersplan dienen in ieder geval de volgende zaken te worden opgenomen: de te treffen veiligheidsmaatregelen ten behoeve van het verkeer, omleidingsroutes indien de aanvrager wenst dat het verkeer wordt gestremd en een verkeerstekening.
EEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het komt regelmatig voor dat een vaartuig in de vaarweg wordt achtergelaten. Een vaartuig waarvan de eigenaar zich heeft ontdaan, wordt gekwalificeerd als afvalstof. Het neemt niet langer deel aan het scheepvaartverkeer en valt daarmee buiten de reikwijdte van de Scheepvaarverkeerswet. Een achtergelaten vaartuig is vaak een wrak, maar niet altijd als zodanig herkenbaar. De meeste onbeheerd achtergelaten vaartuigen zijn niet geregistreerd. De eigenaar blijft in veel gevallen onbekend.
Op openbare ligplaatsen geldt veelal een 3 x 24 uurs beperking. Een vaartuig mag er maximaal drie dagen liggen. Dit is vastgelegd in een verkeersbesluit krachtens de Scheepvaartverkeerswet. De handhaving van een verkeersbesluit gebeurt door de politie. Zolang de schipper het vaartuig niet definitief heeft achtergelaten, is de overtreding van de 3 x 24 uurs beperking geen verboden activiteit als bedoeld in de omgevingsverordening. Een handhaver / buitengewoon opsporingsambtenaar van de provincie kan proces verbaal opmaken van de overtreding van het verkeersbesluit, maar een bestuursrechtelijke grondslag om het vaartuig te laten verwijderen, ontbreekt. Dat is anders als het vaartuig onbeheerd is achtergelaten. Als een toezichthouder van de provincie constateert dat het vaartuig langer dan een week onbeheerd op de openbare ligplaats ligt, is dat een overtreding van dit artikel. Gedeputeerde staten kunnen dan bestuursdwang toepassen om het vaartuig te laten verwijderen. Als de eigenaar bekend is kan de provincie de kosten van het verwijderen van het vaartuig op hem verhalen.
FFFFF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij verruiming of wijziging van een provinciale weg kunnen in het beperkingengebied gelegen werken, objecten en/of voorwerpen zodanige nadelige gevolgen hebben voor de verruiming of wijziging, dat deze moeten worden verwijderd. Onder kabels en leidingen wordt verstaan een net bestaande uit een of meer kabels of leidingen, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie.
Bij activiteiten met een meldingsplicht is de algemene regel van toepassing die tot verwijderen of verleggen dwingt, als deze activiteiten een belemmering vormen voor de voorbereiding of uitvoering van de verruiming of wijziging van een vaarweg door of namens de vaarwegbeheerder. De vaarwegbeheerder stelt eerst de rechthebbende in de gelegenheid tot verwijderen of verlegging. De rechthebbende zal op eerste verzoek overgaan tot verwijdering of verlegging. Als de rechthebbende niet overgaat tot verwijderen of verleggen, dan kan dit door het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift worden opgelegd.
GGGGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Niet-openbare afmeervoorzieningen worden op een beperkt aantal locaties toegestaan. Omdat de provincie geen concurrent van jachthavens wil zijn, wordt het gebruik van de afmeervoorziening beperkt tot één schip per afmeervoorziening. Om er toezicht op te kunnen houden dat de afmeervoorziening alleen gebruikt wordt voor het meren van het schip van de vergunninghouder, wordt dit schip in de omgevingsvergunning beschreven.
De afmetingen van het schip zijn van belang voor de beoordeling of voor en achter het schip de vereiste meter tot aan de perceelgrens vrij blijft.
Om af te meren is een oever noodzakelijk. Om deze reden en om te voorkomen dat de eigenaar van een schip niet de rechthebbende is van het perceel waarbij wordt aangelegd, wordt de afmeerontheffing ten behoeve van een recreatief schip gecombineerd met de verhuur van de beheerstrook en de ligplaats.
HHHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De aanvullende gegevens en bescheiden worden gevraagd bij deze activiteiten omdat het bevoegd gezag van oordeel is dat er een potentieel nadelig gevolg kan zijn voor de fysieke leefomgeving. Met de genoemde gegevens kan de wegbeheerder toezicht houden en in sommige gevallen zelfs maatregelen nemen in verband met de verkeersveiligheid.
In het verkeersplan dienen in ieder geval de volgende zaken te worden opgenomen:
IIIII
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel schrijft voor dat de houder van de zwemlocatie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud gericht op de veiligheid en hygiËne voor de bezoekers. De houder van de zwemlocatie is degene die gelegenheid biedt tot baden en zwemmen op een zwemlocatie en de feitelijke zeggenschap heeft over die locatie. In de praktijk zal dit de exploitant van de zwemlocatie zijn of indien geen sprak is van exploitatie bijvoorbeeld de grondeigenaar, een gemeente, een natuur beherende organisatie, of een recreatieschap. Dat zij "zorg dragen voor" houdt in dat zij de verantwoordelijkheid hebben, maar dat zij het daadwerkelijke beheer en onderhoud ook door derden kunnen laten uitvoeren (waarbij zij indien nodig eindaanspreekpunt blijven).
Onder beheer en onderhoud wordt verstaan het (dagelijks) treffen van maatregelen gericht op de veiligheid en hygiËne voor de bezoekers, zoals het op orde brengen van onderwatertaluds, het verwijderen van gevaarlijke voorwerpen (bijvoorbeeld glas) uit de zwemzones, het verwijderen van feces van vogels en huisdieren, het legen van prullenbakken, en het schoonhouden van douches en toiletten.
[Vervallen]
JJJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel regelt in het eerste lid dat de houder van de zwemlocatie (de feitelijk beheerder) tijdig passende beheersmaatregelen neemt als zich situaties voordoen waarvan redelijkerwijs verwacht kan worden dat ze een negatief gevolg hebben of kunnen hebben voor de kwaliteit van de zwemlocatie om de gezondheid en de veiligheid van zwemmers te beschermen. Hierbij kan worden gedacht aan:
ontwikkelen van blauwalgen;
botulisme (dode watervogels) en ziekte van Weil (bruine ratten);
scherpe en gevaarlijke voorwerpen in de zwemzone en/of op het strand (strandfeest);
verontreiniging in het water (olie, wier e.d.);
zwemmersjeuk veroorzaakt door poelslakken;
de aanwezigheid van eikenprocessierups.
Het tweede lid bepaalt dat de houder van de zwemlocatie direct gedeputeerde staten Én de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam (Waterschap Zuiderzeeland of Rijkswaterstaat) in kennis stellen van de onverwachte situatie die zich heeft voorgedaan en welke passende beheersmaatregelen zijn getroffen.
[Vervallen]
KKKKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In dit artikel worden projecten aangewezen die zodanig belangrijk zijn voor het goed functioneren van het watersysteem dat deze moeten worden gerealiseerd door gebruikmaking van de projectprocedure van afdeling 5.2 van de Omgevingswet. Dit betekent dat het waterschap hiervoor een projectbesluit dient te nemen. De formulering van dit artikel is overgenomen van artikel 5.46 tweede lid van de Omgevingswet met betrekking tot de verplichte projectbesluiten voor primaire waterkeringen.
Voor alle in Artikel 12.3 aangewezen regionale waterkeringen geldt dat deze regionale keringen van bovenlokale betekenis zijn. Deze waterkeringen beschermen een hoog economisch belang, gezien het oppervlak beschermd gebied. Derhalve ligt het ook in de rede dat bij aanleg, verlegging of versterking van deze regionale keringen meerdere uitvoeringsbesluiten nodig zullen zijn, die op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht. Deze regionale keringen worden derhalve middels het eerste lid van dit artikel onder de projectprocedure van afdeling 5.2 van de Omgevingswet gebracht. Werkzaamheden die enkel als doel hebben het weer terugbrengen van de regionale kering naar de staat zoals (exact) vastgelegd in de legger, vallen niet onder ‘aanleg, verlegging of versterking’. Er is dan sprake van ‘gewoon of buitengewoon onderhoud’, waarvoor geen projectprocedure doorlopen hoeft te worden.
De bevoegdheid tot een mogelijke inzet van de projectprocedure voor de aanleg of wijziging van waterbergingsgebieden of oppervlaktewaterlichamen wordt bij gedeputeerde staten neergelegd. Het is niet mogelijk om hiertoe duidelijke criteria in de omgevingsverordening zelf op te nemen, omdat naast de omvang ook de ligging en de functie zeer bepalend zijn voor de mate waarin de aanleg van bovenlokale betekenis is en met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht.
Gedeputeerde Staten kunnen alleen de projecten onder de projectprocedure brengen die in Artikel 12.25, tweede lid zijn genoemd. De projectprocedure brengt belangrijke gevolgen met zich mee. Projectbesluiten worden onder de goedkeuring van gedeputeerde staten gebracht en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen gedeputeerde staten, indien nodig, in de plaats treden van mede overheden
medeoverheden.
Om te voorkomen dat ook projecten van een zeer beperkte omvang onder de werking van de projectprocedure vallen kan deze alleen worden ingezet als het project van bovenlokale betekenis is en met spoed en op gecoÖrdineerde
gecoördineerde wijze tot stand moet worden gebracht (het derde lid). Bij besluiten over de inzet van de projectprocedure zal dan ook worden gekeken naar het aantal uitvoeringsbesluiten en de spoedeisendheid die samenhangen met de uitvoering van het projectbesluit.
LLLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Gedeputeerde staten wijzen jaarlijks op grond van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de zwemlocaties in Flevoland aan. Voor de veiligheid van zwemmers is het van belang dat het (dagelijks) beheer en het onderhoud op deze zwemlocaties in oppervlaktewater gewaarborgd is.
Op grond van de Omgevingswet (artikel 2.18 lid 1, onder d) zijn Gedeputeerde Staten belast met het zwemwaterbeheer. Deze taak, mede ingekaderd door de Europese Zwemwaterrichtlijn (2006/7/EC), heeft als doel het beheren van zwemlocaties, met betrekking tot de zwemwaterkwaliteit en de veiligheid, hygiëne en gezondheid van bezoekers van zwemlocaties. De regels in dit hoofdstuk geven invulling aan deze taak.
MMMMM
Na sectie 13.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
NNNNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstuk hebben alleen betrekking op de (jaarlijks) door gedeputeerde staten aangewezen officiële zwemlocaties in oppervlaktewater in Flevoland.
In dit artikel worden de zwemlocaties aangewezen, waarop de regels in dit hoofdstuk van toepassing zijn. De geometrische begrenzing van de zwemlocaties is te vinden in Bijlage II. Gedeputeerde Staten wijzen jaarlijks de zwemlocaties aan op basis van de regels uit afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De actualisatie van deze Omgevingsverordening provincie Flevoland vindt niet noodzakelijkerwijs gelijktijdig plaats met de aanwijzing van de zwemlocaties. Hoewel het niet vaak voorkomt, kan het zo zijn dat een zwemlocatie die nog wel tot het werkingsgebied in deze verordening behoort, niet meer aangewezen is als zwemlocatie of andersom. In dat geval wordt het werkingsgebied in de verordening zo snel als mogelijk daarop aangepast. De aangewezen zwemlocaties in heel Nederland zijn altijd te vinden op www.zwemwater.nl.
OOOOO
Na sectie 13.2 worden vijf secties ingevoegd, luidende:
In dit artikel is een specifieke zorgplicht opgenomen. Met de formulering van dit artikel is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de formulering van de specifieke zorgplichtbepalingen in het Besluit activiteiten leefomgeving. De specifieke zorgplicht is een algemene regel die zich richt tot eenieder die handelingen of activiteiten verricht op een aangewezen zwemlocatie. Naast de zorgplicht is in het derde lid ook een actieve informatieplicht opgenomen. De zorgplicht en de informatieplicht stellen Gedeputeerde Staten (al dan niet in samenwerking met de waterbeheerder en houder van een zwemlocatie) in staat indien nodig (beheers)maatregelen te treffen om de veiligheid, gezondheid en hygiëne van zwemmers te waarborgen.
Dit artikel schrijft voor dat de houder van de zwemlocatie verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud gericht op de veiligheid, gezondheid en hygiëne van de bezoekers van zwemlocaties. De houder van de zwemlocatie is degene die gelegenheid biedt tot baden en zwemmen op een zwemlocatie en de feitelijke zeggenschap heeft over die locatie (de exploitant). In de praktijk zal de exploitant van de zwemlocatie een zwemlocatiebeheerder zijn of, indien geen sprake is van duidelijke exploitatie bijvoorbeeld de grondeigenaar, een gemeente, een (terrein)beherende organisatie, of een recreatieschap. Het dragen van de verantwoordelijk door de houder staat hem niet in de weg om het beheer en onderhoud door derden te kunnen laten uitvoeren.
Onder beheer en onderhoud wordt alles verstaan wat redelijkerwijs tot de verantwoordelijkheid van de houder kan worden geregeld. Daarbij moet gedacht worden aan: het op orde brengen van onderwatertaluds, het verwijderen van obstakels, gevaarlijke voorwerpen (bijvoorbeeld glas) en afval uit de zwemzones, het verwijderen van feces van vogels en huisdieren, het legen van prullenbakken, en het plaatsen en onderhouden van voldoende sanitaire voorzieningen.
Dit artikel schrijft voor dat de houder tijdig passende beheersmaatregelen neemt bij situaties die (mogelijk) een negatief effect kunnen hebben op de zwemwaterkwaliteit of de veiligheid, gezondheid of hygiëne van bezoekers van zwemlocaties. Denk hierbij aan het optreden van blauwalgen, botulisme (dode watervogels), ziekte van Weil (bruine ratten), verontreiniging van het water (zoals olie of wier), zwemmersjeuk door poelslakken, en de aanwezigheid van de eikenprocessierups. Ook scherpe of gevaarlijke voorwerpen in de zwemzone of op het strand, bijvoorbeeld na evenementen, vallen hieronder. Het ‘tijdig’ nemen van maatregelen strekt nadrukkelijk ook tot het nemen van preventieve maatregelen.
Ook verplicht het artikel de houder tot het aanbrengen van duidelijke en fysieke markeringen bij potentieel gevaarlijke zones binnen de zwemlocatie, zodat bezoekers op een veilige manier gebruik kunnen maken van het zwemwater en de zone daaromheen. Het aanbrengen van fysieke markeringen is noodzakelijk om bezoekers te beschermen tegen andere vormen van waterrecreatie, zoals een confrontatie met surfers, kanoërs, roeiers en dergelijke en om gevaarlijke zones binnen de zwemlocatie aan te duiden, zoals een snel verloop in waterdiepte.
Dit artikel schrijft voor dat de houder van de zwemlocatie zo snel mogelijk de toezichthouder (Gedeputeerde Staten en de Omgevingsdienst Gooi en Vechtstreek (OFGV)) en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam (Waterschap Zuiderzeeland of Rijkswaterstaat) in kennis stellen van een situatie die een negatief effect heeft (of zou kunnen hebben) op de zwemwaterkwaliteit of de veiligheid, gezondheid of hygiëne van bezoekers. Daarbij geeft de houder, indien van toepassing ook aan welke passende beheersmaatregelen zijn getroffen. Voorbeelden van situaties waarin de informatieplicht geldt zijn beschreven in de toelichting bij het vorige artikel.
Gedeputeerde Staten van Flevoland wijzen ieder jaar, op basis van artikel 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, in samenspraak met de waterbeheerder (het Waterschap Zuiderzeeland (of Rijkswaterstaat (indien sprake is van rijkswateren)) de zwemlocaties aan. Daarbij wordt per locatie aangegeven wat het begin en einde van het badseizoen is. Dit artikel verplicht Gedeputeerde Staten om bij de jaarlijkse aanwijzing van de zwemlocaties de houders hiervan aan te wijzen.
Het is voor de veiligheid en gezondheid van zwemmers van belang dat het beheer en het onderhoud op de zwemlocaties gewaarborgd is. Daarvoor is het noodzakelijk om voor elke zwemlocatie een houder aan te wijzen die hiervoor het meest geschikt is. Deze partij draagt zorg voor het beheer en onderhoud van de zwemlocatie, zoals beschreven onder Artikel 13.5. Als houder wordt aangewezen degene die gelegenheid biedt tot zwemmen of baden in een zwemlocatie, zijnde de exploitant van de zwemlocatie (degene die het feitelijk beheer voert en daarmee het feitelijke zeggenschap heeft op de locatie, zoals de grondeigenaar, terreinbeheer of recreatieschap). Als een dergelijke exploitant afwezig is, wordt aangewezen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente.
PPPPP
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regeling over windenergie is opgenomen in de omgevingsverordening met het oog op het cyclisch opschalen en saneren van windmolens zodat steeds meer windenergie met minder molens kan worden opgewekt. Daarbij wordt ingespeeld op technologische ontwikkelingen. De regels in deze titel hebben niet alleen betrekking op omgevingsplannen, maar ook op projectbesluiten, gemeentelijke projecten van publiek belang, omgevingsvergunningen voor (buitenplanse) omgevingsplanactiviteiten en het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 Omgevingswet (ook wel omgevingsplan van rechtswege genoemd).
Rijkscontext windbeleid
In de Rijksstructuurvisie Windenergie op land zijn de ambities vastgelegd die het rijk op het gebied van windenergie heeft. Het kabinet stelt dat de ontwikkeling van windenergie op land een cruciale bijdrage levert aan de kabinetsdoelstellingen voor duurzame energie. Het nut en de noodzaak van windenergie op land zijn daarmee evident. De ruimte binnen de in deze structuurvisie aangewezen gebieden en binnen de door provincies aan te wijzen gebieden zal tenminste nodig zijn om de opgave van 6000 MW windenergie op land te realiseren. Daarnaast is in het Klimaatakkoord afgesproken 35 TWh duurzame elektriciteit op land op te wekken. De Rijksambities sluiten goed aan bij de ambities van de provincie Flevoland. Deze zijn gericht op een wezenlijke herstructurering van de windenergie in Flevoland om een forse groei van de (wind)energieproductie mogelijk te maken. Flevoland wil dus meer energie opwekken met minder windmolens.
Provinciale context windbeleid
De provincie voert vanaf 2006 een beleid dat is gericht op 'opschalen en saneren' van windmolens. Het 'opschalen' betekent dat nieuwe windmolens groter zijn dan de oude en meer stroom opwekken. Het 'saneren' betekent dat windmolens van de vorige generatie worden weggehaald. Nieuwe plannen voor windparken moeten aan een aantal voorwaarden voldoen.
Doelstellingen van het provinciale beleid zijn: een mooier landschap, een duurzamere energiehuishouding en een sterkere economie. De landschappelijke verbetering ontstaat door de afname van het totale aantal windmolens en de clustering in (lijn)opstellingen die aansluiten op bestaande lijnen in het landschap - soms zijn aanvullende investeringen in het landschap noodzakelijk. De duurzamere energiehuishouding ontstaat doordat er veel meer windenergie aan het elektriciteitsnet wordt geleverd, en wind een oneindige en schone bron van energie is. De economische versterking ontstaat door de extra banen die aan de windenergie verbonden zijn, maar vooral doordat de opbrengsten zoveel mogelijk in de provincie zelf terecht komen. Nu ontlenen veel agrarische bedrijven een substantieel neveninkomen aan windenergie. De aanpak is erop gericht dat dit in de toekomst mogelijk blijft en dat ook andere bewoners en ondernemers in de ontwikkeling of de exploitatie kunnen participeren. Een evenredige verdeling van de maatschappelijke baten is een voorwaarde om het brede maatschappelijke draagvlak voor windenergie, dat nu in de provincie aanwezig is, op lange termijn te behouden.
Het (cyclisch) opschalen en saneren van windmolens raakt daarmee belangen die niet tot het grondgebied van één gemeente beperkt zijn. Om te komen tot haalbare projecten voor opschalen en saneren moet doorgaans over grenzen van gemeenten heen en langdurig samengewerkt worden. Het beleid voor opschalen en saneren van windmolens is van provinciaal belang en vraagt om regeling in een omgevingsverordening.
Het beleid bevat geen voor burgers bindende bepalingen. Een verordening bevat die wel.
Met de Omgevingswet is niet beoogd om de bestaande jurisprudentie te wijzigen. Dat houdt onder meer in dat in geval een rijksprojectbesluit wordt vastgesteld, daarbij in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt aangegeven en gemotiveerd hoe rekening is gehouden met de provinciale belangen, zoals deze in de omgevingsverordening zijn verankerd.
De systematiek
Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies). Het betreft de openheid en functie van de wateren en het kenmerkende landschap van de Noordoostpolder waarin de principes voor occupatie -in dit geval de kristallertheorie- afleesbaar zijn.
Een windgebied kan worden aangewezen door Provinciale Staten. De beoogde projectlocatie zal binnen een windgebied moeten liggen. Binnen een aangewezen windgebied is het onder voorwaarden mogelijk nieuwe windmolens te realiseren. Buiten een windgebied zijn nieuwe windmolens uitgesloten.
De aanvraag om een omgevingsvergunning staat niet op zichzelf maar gaat noodzakelijkerwijs gepaard met een projectplan voor opschalen en saneren. Immers, het saneren van alle bestaande/oude windmolens binnen een projectgebied is onlosmakelijk verbonden met de bouw van nieuwe windmolens binnen dat projectgebied. Hierop dient de businesscase voor het projectplan gebaseerd en haalbaar te zijn. Het projectgebied is daarmee ook de begrenzing van het te saneren gebied. De nieuwe windmolens komen niet terug op de plaats van de oude (gesaneerde) windmolens. Gedeputeerde staten zullen op basis van het projectplan projectgebieden en plaatsingszones aanwijzen dan wel aanpassen.
De omgevingsverordening beschrijft waaraan een projectplan nog meer moet voldoen. Onderdeel van een projectplan is een beschrijving van de mogelijkheden om financieel te participeren. Voorts wordt bijgedragen aan kwaliteitsbehoud/verbetering in de omgeving van de nieuwe windmolens met een gebiedsgebonden bijdrage.
Begrippen
In bijlage I van de omgevingsverordening zijn de begripsbepalingen opgenomen. Hierin zijn definities opgenomen voor beheer en onderhoud van een windmolen, bestaande windmolen, omgevingsplan, nieuwbouw van een windmolen, opschalen, opschalen en saneren, projectplan, saneren en windmolen.
Vanwege de omschrijving van 'omgevingsplan' zijn de bepalingen van de titel over windmolens niet alleen van toepassing op omgevingsplannen en de wijzigingen ervan, maar ook projectbesluiten, gemeentelijke projecten van publiek belang, omgevingsvergunningen voor (buitenplanse) omgevingsplanactiviteiten en het tijdelijk deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.1 Omgevingswet (ook wel omgevingsplan van rechtswege genoemd).
De definitie van 'windmolen' in de begripsbepalingen maakt helder dat de regels over wind niet van toepassing zijn op een aantal specifieke categorieën windmolens. Uitgezonderd zijn immers (sub a) de maximaal 12 prototypes van windmolens op de testlocatie in Lelystad (de testlocatie wordt begrensd door de Edelhertweg, Swifterringweg, Runderweg en de A6 en van dit gebied is het beoogde biosciencepark langs de A6 uitgesloten). Ook zijn (sub b) windmolens op of nabij bedrijventerreinen uitgezonderd. Windmolens op of nabij bedrijventerreinen dienen primair invulling te geven aan de energiebehoefte van het bedrijventerrein
Een toelichting bij deze categorie is hierna opgenomen. Tevens dient de energieproductie en de maatvoering van de windmolen in verhouding te staan tot de energiebehoefte van het bedrijventerrein en tot het omliggende landschap. Tenslotte zijn ook (sub c) de zogenaamde 'kleine windmolens' uitgezonderd omdat de impact op het landschap minimaal is.
In aanvulling daarop geldt dat in de begripsbepalingen een definitie is opgenomen van een 'bestaande windmolen'. Daaruit volgt dat de regels over wind in deze titel ook van toepassing zijn op windmolens die nog zijn opgericht met een toenmalige bouwvergunning. Bij de definitie van ashoogte van een windmolen en rotorbladlengte van een windmolen is aangegeven hoe deze worden gemeten.
Windmolens op of nabij bedrijventerreinen (sub b)
Van het begrip windmolen is, gelet op de definitie, uitgezonderd een ‘windmolen op of nabij bedrijventerreinen, indien de windmolen is gedimensioneerd op energiebehoefte ter plaatse’. Deze uitzondering is bedoeld om bedrijven op bedrijventerreinen in staat te stellen een substantieel deel van hun eigen energiebehoefte (duurzaam) op te wekken. Daarbij staat steeds voorop dat de omvang, situering en energieproductie van de windmolen in een redelijke verhouding staan tot de energiebehoefte van het bedrijventerrein en tot de kenmerken van het omliggende landschap.
Nabijheid van het bedrijventerrein
Onder "op of nabij bedrijventerreinen" wordt verstaan dat een functionele en ruimtelijke relatie bestaat tussen de windmolen en het bedrijventerrein waarvoor de energie wordt opgewekt.
Uitgangspunt is dat een windmolen geacht wordt nabij een bedrijventerrein te zijn gelegen wanneer deze zich bevindt binnen een afstand van maximaal tweemaal de tiphoogte van de windmolen, gemeten vanaf de grens van het bedrijventerrein zoals in het omgevingsplan vastgelegd. Deze afstand dient als indicatieve norm en niet als absoluut criterium. Er kunnen namelijk ook andere aspecten een rol spelen, waaronder:
de landschappelijke inpassing;
ecologische waarden en natuurbelangen;
de ligging ten opzichte van bestaande (net)infrastructuur;
de ruimtelijke samenhang tussen bedrijventerrein en windmolen;
andere relevante omgevingsbelangen;
inpassing in een nabijgelegen bestaande lijnopstelling.
Afhankelijk van deze omstandigheden kan een afwijkende afstand passend worden geacht, mits de functionele relatie met het bedrijventerrein voldoende aannemelijk blijft.
Primaire invulling van energiebehoefte bedrijventerrein
Het uitgangspunt is dat de windmolen primair voorziet in de energiebehoefte van de bedrijven op het bedrijventerrein. Het opwekken van energie is daarmee geen doel op zichzelf, maar een middel om de lokale netproblematiek te verlichten en/of de verduurzaming van de bedrijven op het betreffende bedrijventerrein te ondersteunen.
Om deze relatie tussen opwek en verbruik te borgen, is het nodig om bij de aanvraag inzichtelijk te maken:
wat de actuele en voorziene energiebehoefte van de bedrijven op het bedrijventerrein is;
hoe de opgewekte energie daadwerkelijk ten goede komt aan de bedrijven op het bedrijventerrein.
Uitgangspunt is dat ten minste 80% van de verwachte jaarlijkse elektriciteitsproductie van de windmolen direct of indirect kan worden aangewend voor de energievoorziening van het bedrijventerrein. Hiermee wordt geborgd dat het project primair voorziet in de lokale energievraag en niet hoofdzakelijk is gericht op grootschalige levering aan het openbare net.
Verhouding maatvoering windmolen tot energiebehoefte
Het vermogen van de windmolen dient logisch voort te vloeien uit de energiebehoefte van de bedrijven op het bedrijventerrein. Het uitgangspunt is dat de benodigde energieproductie leidend is voor de keuze van het type windmolen en de daarbij behorende afmetingen.
Bij de beoordeling is het van belang te kijken naar de relatie tussen de jaarlijkse (voorziene) energievraag van het bedrijventerrein en de verwachte jaarlijkse energieopbrengst van de windmolen.
Omdat de markt voor windmolens voortdurend verandert en niet ieder gewenst vermogen beschikbaar is in een commercieel gangbaar windmolentype, kan een bandbreedte worden gehanteerd. Een (beperkte) over- of onder dimensionering is toegestaan wanneer dit noodzakelijk is vanwege de beschikbaarheid van marktconforme windmolentypen of vanuit een oogpunt van technische, economische of ruimtelijke uitvoerbaarheid.
Het bevoegd gezag beoordeelt of de gekozen maatvoering in redelijke verhouding staat tot de (voorziene) energiebehoefte van de bedrijven op het bedrijventerrein.
Verhouding omvang en situering tot omliggende landschap
Naast de relatie met de energiebehoefte dient de maatvoering van de windmolen ook in verhouding te staan tot het omliggende landschap. Daarbij wordt gestreefd naar een zo zorgvuldig mogelijke landschappelijke inpassing en het voorkomen van verrommeling.
Aansluiting bij bestaande windmolens of windmolenlijnen heeft de voorkeur, omdat hierdoor sprake kan zijn van een zogenoemd ‘camouflerend effect’. De molen wordt dan beleefd als onderdeel van een bestaande ruimtelijke structuur, waardoor de visuele impact op het landschap kan afnemen. Evenwel zal dit camouflerend effect op enig moment wegvallen door sanering van de bestaande windmolenlijn aan het einde van de gebruiksperiode. Dit gegeven dient derhalve onderdeel te zijn van de landschappelijke inpassing.
Bij de beoordeling van de omvang en situering van de windmolen in verhouding tot het omliggende landschap spelen de volgende aspecten een rol:
de samenhang van onderlinge hoogte, kleur en type van de molen;
de hoogte, kleur en type van de molen in samenhang met de omgeving;
de zichtrelaties vanaf korte en lange afstand;
de samenhang met landschappelijke structuren;
het voorkomen van interferentie (dit is van toepassing bij verschillende lijnopstellingen in elkaars nabijheid (circa binnen 10 maal ashoogte afstand));
het door middel van een solitaire molen (1 of 2) markeren van een bijzondere landschappelijke hoofdstructuur binnen de provincie Flevoland (zoals een stad, een knooppunt van hoofdwegen of een hoofdentree tot (één van de polders binnen) de provincie). Een dergelijk opvallend object wordt gezien als 'Landmark'. Het aantal landmarks bij een landschappelijke hoofdstructuur is beperkt om als ‘Landmark’ te fungeren. Hierbij dient gemotiveerd te worden aangetoond dat de gekozen maatvoering en situering van de windmolen passen binnen de schaal, openheid en karakteristiek van het betreffende landschap en geen onevenredige aantasting van de landschappelijke kwaliteit veroorzaken.
Integrale beoordeling
De criteria ten aanzien van nabijheid, energiebehoefte en landschappelijke inpassing worden in onderlinge samenhang beoordeeld. Een initiatief voldoet uitsluitend aan de doelstelling van deze uitzondering wanneer zowel de functionele relatie met het bedrijventerrein als de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving voldoende zijn onderbouwd.
Het bevoegd gezag kan aanvullende informatie verlangen om de relatie tussen de energieproductie en -behoefte en de landschappelijke inpassing inzichtelijk te maken.
Gebruiksperiode
Ten aanzien van de gebruiksperiode is het uitgangspunt dat, in lijn met Artikel 14.16, tweede lid, de maximale gebruiksperiode 25 jaar bedraagt, waarna de windmolen moet worden verwijderd.
QQQQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het grondgebied van de provincie is verdeeld in windgebieden en niet-windgebieden. De reden voor deze indeling is het feit dat windmolens in de niet-windgebieden ongewenst zijn uit oogpunt van ruimtelijke kwaliteit (landschap, natuur, en andere functies). Het betreft de openheid van de wateren en het kenmerkende landschap van de Noordoostpolder waarin de principes voor occupatie -in dit geval de kristal
kristallertheorie-lertheorie- afleesbaar zijn.
Een windgebied kan worden aangewezen door provinciale staten. Binnen een aangewezen windgebied is het onder voorwaarden mogelijk nieuwe windmolens te realiseren.
Binnen een windgebied zijn nieuwe windmolens mogelijk, maar uitsluitend (1) in een plaatsingszone (2) binnen een projectgebied en (3) op basis van een door gedeputeerde staten goedgekeurd projectplan.
Een projectgebied is het gebied waarbinnen de bestaande molens worden gesaneerd. De nieuwe windmolens komen immers niet terug op de plaats van de oude (gesaneerde) windmolens maar op de door gedeputeerde staten aangewezen plaatsingszones. In het projectplan moet de afbakening van het projectgebied zodanig worden bepaald dat daarbinnen het project van opschalen en saneren in zijn geheel kan worden gerealiseerd met een haalbare business case. Het saneren van alle bestaande/oude windmolens binnen een projectgebied is onlosmakelijk verbonden met de bouw van nieuwe windmolens binnen dat projectgebied. Alle windmolens binnen het projectgebied worden gesaneerd. Het projectgebied is daarmee ook de begrenzing van het saneringsgebied. Gedeputeerde staten beslissen over de goedkeuring van het projectplan. Op basis van het projectplan kunnen gedeputeerde staten de begrenzing van een projectgebied en/of een plaatsingszone.
RRRRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie wil in het landelijk gebied ruimte bieden voor de ontwikkeling van grondgebonden opste-lingen
opstellingen voor zonne-energie. Tegelijkertijd moet voorkomen worden dat de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied onevenredig wordt aangetast. We willen bij voorkeur dat zo min mogelijk landelijk gebied aan zijn functie wordt onttrokken.
De provinciale ambitie is om als regio in 2030 energieneutraal te zijn. Hiervoor is het nodig om, naast het verminderen van het energieverbruik, 41,5 Petajoules (PJ) duurzame energie op te wekken. In de in het Omgevingsprogramma Flevoland opgenomen Structuurvisie Zon is bepaald dat het grootste deel van de opwekking van zonne-energie is voorzien op daken èn in stedelijk gebied. Daarbij gaat het om opwekking van zonne-energie op daken in landelijk en stedelijk gebied èn grondgebonden locaties binnen het stedelijk gebied. Om aan de energieambitie te voldoen is het daarnaast vereist om ruimte te bieden voor grondgebonden zonneparken in landelijk gebied. In de structuurvisie zon is de ambitie opgenomen dat er in 2025 minimaal 3,5 PJ energie wordt opgewekt in het landelijk gebied door middel van grondgebonden zonne-energie. Voor deze vraag van 3,5 PJ is circa 1.000 ha aan grondgebonden zon in het landelijk gebied nodig (zie het rapport 'Zonneparken in het buitengebied van de provincie Flevoland, een economische en ruimtelijke verkenning' van Wing / E&E advies uit oktober 2017). Dit is de maximale hoeveelheid grond die de provincie op dit moment ziet als bijdrage aan de invulling van de Flevolandse energie-opgave. Bij de bepaling van 1.000 hectare netto is uitgegaan van de vuistregel van een opwekcapaciteit van 1 MWp per hectare. Bij de monitoring van de eerste tranche is, om zeker te stellen dat de minimaal beoogde opwekcapaciteit wordt behaald, ervoor gekozen om bij het oppervlak van het zonnepark, dat meetelt, uit te gaan van het netto-paneeloppervlak.
Ter bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied is in eerste instantie een ontwikkelruimte met een oppervlakte van 500 hectare netto in het landelijk gebied vrijgegeven voor het realiseren van nieuwe grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Zodra de ontwikkelruimte van 500 ha netto is gebruikt zal er een evaluatie plaatsvinden (zie Artikel 14.27). Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte -al dan niet met aanpassingen of nadere voorwaarden- beschikbaar komen. In deze omgevingsverordening is dit geborgd door de eerste 500 hectare netto ontwikkelruimte (eerste tranche) bij recht toe te staan. Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie kan aanvullende ontwikkelruimte met een maximale oppervlakte van 500 hectare netto worden vrijgegeven door middel van een besluit van gedeputeerde staten. Dit is vastgelegd in Artikel 14.25, tweede lid. De aanvullende ontwikkelruimte bevat een maximale oppervlakte van 500 hectare netto. Bij een positieve evaluatie zal in totaal maximaal 1000 hectare netto landelijk gebied (eerste en tweede tranche tezamen) beschikbaar komen voor de realisatie van grondgebonden opstellingen voor zonne-energie.
De provincie heeft de ontwikkeling van deze proefhectaren in 2021 gemonitord en geëvalueerd conform Artikel 14.27. Ten behoeve van de openstelling van de tweede tranche is in 2022 in Provinciale Staten van Flevoland uitgebreid gesproken over de aanbevelingen uit de beleidsevaluatie en het verwerken daarvan in het provinciale beleid en regelgeving over zonne-energie. Belangrijke onderwerpen daarbij waren de inzet van een provinciale zonneladder, het niet toestaan van zonnepanelen op agrarische gronden, het ruimtelijke effect van zon op dak op het landelijke gebied en het toestaan van zonnepanelen op gietwaterbassins. Dit heeft per 9 december 2022 geleid tot de openstelling van de tweede tranche (zie provinciaal blad 2022, 10940) aanpassing van het zonbeleid in het omgevingsprogramma (zie provinciaal blad 2022, 14411) en aanpassing van de provinciale regels in de omgevingsverordening (zie provinciaal blad 2022, 14410).
SSSSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Concreet is het de bedoeling dat gemeenten de instructieregels uitwerken in het omgevingsplan. In de Omgevingsverordening is geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een termijn te stellen voor het uitwerken van de instructieregels in de omgevingsplannen (artikel 2.23 vierde lid Omgevingswet.
Eerste lid
Uitgangspunt is de maximale ontwikkelruimte van in eerste instantie 500 hectare netto, die in de verordening is opgenomen. De door de gemeenten vast te stellen omgevingsplannen voor het landelijk gebied mogen uitsluitend voorzien in ontwikkelruimte voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie tot een maximale oppervlakte van 500 hectare netto. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend (bestemmings- en omgevings)plannen in aanmerking, die zijn vastgesteld na inwerkingtreding van de Structuurvisie Zon per 15 november 2018.
Tweede lid
In Artikel 14.28, tweede lid is het verbod opgenomen om grondgebonden zonne-energie te realiseren en in stand te houden op agrarische gronden in het landelijk gebied met uitzondering van de aangewezen uitzonderingsgebieden (zie de toelichting bij Artikel 14.23). Om te bewerkstelligen dat gemeenten aan dit verbod voldoen is dit vorm gegeven als instructieregel. Dit artikellid bevat de inhoudelijke instructieregel aan de gemeenten om geen grondgebonden zonne-energie op agrarische gronden toe te staan. Het omgevingsplan dient het realiseren of hebben van een grondgebonden opstelling voor zonne-energie op agrarische gronden buiten de in het werkingsgebied Uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden aangewezen agrarische gronden uit te sluiten.
In het werkingsgebied Uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden in het landelijk gebied zijn de agrarische gronden opgenomen waarop enerzijds in de eerste tranche een grondgebonden opstelling voor zonne-energie is of wordt toegestaan en anderzijds de agrarische gronden die in de tweede tranche op verzoek daaraan door provinciale staten zijn toegevoegd (zie ook de toelichting bij Artikel 14.24). Hiermee worden de Flevolandse agrarische gronden als volgt onderverdeeld:
agrarische gronden buiten de uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden (waar grondgebonden zonne-energie niet is toegestaan) en
agrarische gronden zoals door provinciale staten aangewezen als uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden (waar grondgebonden zonne-energie wel wordt toegestaan).
Feitelijk betekent dit dat het in de tweede tranche mogelijk is om zonne-energie op agrarische gronden te realiseren, mits de betreffende agrarische gronden zijn aangewezen in het werkingsgebied Uitzonderingsgebieden voor zonne-energie op agrarische gronden. Zie de regeling in Artikel 14.24.
Derde lid
Zonnepanelen op gietwaterbassins behorend tot glastuinbouwbedrijven binnen het werkingsgebied zijn uitgezonderd van het verbod op zonnepanelen op agrarische gronden. In de instructieregels van Artikel 14.28 is bepaald dat het omgevingsplan het realiseren of hebben van een grondgebonden opstelling voor zonne-energie toelaat op gietwaterbassins in het werkingsgebied Uitzondering glastuinbouw i.r.t. zonne-energie in landelijk gebied. Hiermee wordt geregeld dat de uitzondering alleen geldt voor zonnepanelen op gietwaterbassins voor zover deze zich in het werkingsgebied bevinden. Dit werkingsgebied omvat de glastuinbouwgebieden in het landelijk gebied van de provincie. Het gaat concreet om glastuinbouwgebieden rondom Luttelgeest/Marknesse en Ens. Het glastuinbouwgebied in Almere ligt in stedelijk gebied en is om die reden geen onderdeel van dit werkingsgebied.
Vierde lid
Afhankelijk van de resultaten van de evaluatie wordt mogelijk aanvullende ontwikkelruimte beschikbaar gesteld. Voor deze maximale ontwikkelruimte komen uitsluitend omgevingsplannen in aanmerking die zijn vastgesteld na
vanaf 8 december 2022, zijnde de datum van inwerkingtreding van het besluit
Openstellingsbesluit Tweede tranche ontwikkelruimte grondgebonden zonne-energie in het landelijk gebied van Flevoland van Gedeputeerde Staten per
d.d. 9 december
november 2022 (Artikel 14.25, tweede lid).
De maximale ontwikkelruimte van het eerste en vierde lid geldt provinciebreed en het is aan de gemeenten om hieraan onderling nader invulling te geven. De provincie monitort de maximale ontwikkelruimte.
Sub b
De toepassing van grondgebonden zonneparken heeft impact op de bodem. In het kader van het duurzaam beheer van grond is het behoud van bodemkwaliteit en bodemfuncties van belang. Toetreding van licht en water zijn belangrijke voorwaarden voor het behoud van bodemvitaliteit, bodemvruchtbaarheid en biodiversiteit. De inzet op behoud van bodemkwaliteit en versterking van biodiversiteit hangen nauw samen met de specifieke omstandigheden op de locatie. Maatwerk is dus vereist. Door het opstellen van een aanleg- en beheerplan voor bodemkwaliteit en biodiversiteit bij de inrichting van een zonnepark wordt dit maatwerk onderbouwd. Het aanleg- en beheerplan gaat in op de criteria m.b.t. bodem en biodiversiteit zoals genoemd in paragraaf 6.1.2.2 (zonne-energie) van het Omgevingsprogramma Flevoland. Bij een goed ontwerp groeit er onder de panelen vegetatie en is geen sprake van verdroging of verdichting van de bodem of verlies aan bodemleven. De biodiversiteit kan toenemen, onder andere door vegetatiebeheer, door natuurelementen aan het gebied toe te voegen en door faunaverbindingen met de omgeving mogelijk te maken. De provincie streeft daarnaast, conform de Gedragscode Zon op Land (meest recentelijk van januari 2024) van branchevereniging Holland Solar, naar een ruimtelijke verhouding van ten minste 25% groen (en water) en 75% zonnepanelen.
Vijfde en zesde lid
Er mogen uitsluitend omgevingsvergunningen met een maximale gebruiksduur van 25 jaar worden verleend voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie in het landelijk gebied (Artikel 14.26). Na ommekomst van de maximale geldingsduur van de omgevingsvergunning mag een bestemmingsplan niet langer voorzien in (bouw- en) gebruiksmogelijkheden voor grondgebonden opstellingen voor zonne-energie. Hierop is één uitzondering geformuleerd. Deze uitzondering betreft de situatie dat na het verwijderen van de 'oude' opstelling een 'nieuwe' opstelling op (nagenoeg) dezelfde plek wordt gerealiseerd. Immers, bij realisatie van een nieuwe opstelling met ook weer een tijdelijke omgevingsvergunning voor een nieuwe periode, wordt weer aan de omgevingsverordening voldaan. Dit maakt het mogelijk dat de alsdan bekende jongste techniek wordt toegepast.
TTTTT
Na sectie 14.28 worden zes secties ingevoegd, luidende:
Gedeputeerde Staten van Flevoland hebben op 14 april 2026 het beleid voor grootschalige energieopslagsystemen vastgesteld (Partiële herziening Omgevingsprogramma Flevoland t.b.v. grootschalige energieopslagsystemen (batterijen)). De provincie wil met dit beleid een toekomstbestendig provinciaal energiesysteem bevorderen en daarbij de ruimtelijke en landschappelijke kwaliteit van Flevoland bewaren. Voor het bewaken van omgevingskwaliteit geldt de instructieregel van Artikel 8.9. Ook is bij energieopslagsystemen externe veiligheid een belangrijk aspect, dit speelt alleen geen rol in het kader van de opgenomen energietoets.
De provincie wil ruimte geven aan decentrale oplossingen die netcongestie tegengaan. Zolang er sprake is van netcongestie in Flevoland kunnen energieopslagsystemen bijdragen aan een betere balancering van het energienet en het vergroten van de energiecapaciteit. Om de doorwerking van dit beleid te borgen is Titel 14.3 opgenomen in de omgevingsverordening. Deze titel is van toepassing op het landelijk en stedelijk gebied van de provincie Flevoland.
De Omgevingswet geeft lokale overheden ruimte om een brede belangenafweging te maken in het kader van de fysieke leefomgeving. Dat biedt op zichzelf ruimte om te sturen op netinpassing zolang dit vanuit het belang -het motief- van de ruimtelijke ordening en fysieke leefomgeving nodig is. De provincie beschikt met de Omgevingswet over instrumenten waarmee zij invloed kunnen uitoefenen op de ontwikkeling en realisatie van elektriciteitsinfrastructuur. Met betrekking tot het reguleren van grootschalige energieopslagsystemen is de inzet om omgevingsrechtelijk te sturen zonder inbreuk te doen op het systematiek van het energierecht. Er is op grond van de Omgevingswet voldoende instrumentarium voor handen om het energiebelang te borgen in planologische procedures. Het realiseren van installaties voor elektriciteitsopslag vindt plaats in de fysieke leefomgeving. Dit met uitzondering van de aansluiting van installaties en bouwwerken op het elektriciteitsnet, want hoe opslagsystemen van de kabel gebruikmaken is geen onderdeel van de fysieke leefomgeving. Met de regulering in de omgevingsverordening anticipeert de provincie binnen de contouren van de Omgevingswet alvast op de ontwikkeling van het Energiebesluit in het kader van artikel 6.12, tweede lid van de Energiewet.
Doorwerking instructieregels bij aanvraag omgevingsvergunning voor grootschalige energieopslagsystemen
De provinciale instructieregels gelden niet alleen voor het opstellen en wijzigen van het omgevingsplan zelf. Ze gelden ook voor o.a. een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit blijkt ook uit de beoordelingsregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving (paragraaf 8.1.1.2). Aanvragen om omgevingsvergunning voor een BOPA dienen, naast de toets aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), getoetst te worden aan de instructieregels van het rijk en de provincie voor het omgevingsplan. Dit betekent dat zolang de instructieregels niet zijn verwerkt in het omgevingsplan de instructieregels werken als beoordelingsregels voor de BOPA. Het bevoegd gezag moet de omgevingsvergunning voor de BOPA weigeren als de omgevingsplanactiviteit strijdig is met een instructieregel voor het omgevingsplan. Dit volgt uit het tweede lid, onder a, van de artikelen 8.0b en 8.0c Bkl.
Bevoegd gezag voor het beslissen over een BOPA zijn over het algemeen burgemeester en wethouders van de gemeente waar het initiatief plaatsvindt. Gedeputeerde staten hebben daarbij gelet op artikel 4.25 Omgevingsbesluit de bevoegdheid van advies met instemming doordat batterijopslag is aangewezen als geval van provinciaal belang (zie de Lijst van gevallen van provinciaal belang Flevoland).
Voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA) is dit anders. Hiervoor schrijft het Besluit kwaliteit leefomgeving niet voor dat een aanvraag getoetst moet worden aan de provinciale instructieregels. Hiervoor staan de aanvraagvereisten en de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Uitgangspunt daarbij is dat de provinciale instructieregels zijn verwerkt in het omgevingsplan.
Op grond van artikel 2.22 en 2.23 van de Omgevingswet kunnen bij omgevingsverordening regels worden gesteld over de wijze van uitoefening van taken en bevoegdheden door de bestuursorganen over onder meer het omgevingsplan. De aanleiding voor een instructieregel is het juridisch borgen van de energietoets voor energieopslagsystemen, zoals aangekondigd in het beleid voor batterijopslag.
De noodzaak voor een energietoets vloeit voort uit de problematiek rondom netcongestie. De maatschappelijke en ruimtelijke gevolgen van netcongestie zijn enorm. Een energietoets kan bijdragen aan het voorkomen dat nieuwe ontwikkelingen congestie verergeren en biedt handvatten om vraag en aanbod van energie beter op elkaar af te stemmen. In het kader van het beleid voor grootschalige batterijopslag is de energietoets een instrument om samen met de netbeheerder ongewenste effecten hiervan op de elektriciteitsinfrastructuur tegen te gaan. Het mogelijk maken van grootschalige energieopslagsystemen is ongewenst als een systeem, mede vanwege ongewenste effecten op de elektriciteitsinfrastructuur, andere van belang zijnde ruimtelijke ontwikkeling van het gebied verhindert. De provincie voorziet daarom in het opnemen van een energietoets in de Omgevingsverordening.
Met de instructieregel inhoudende de energietoets verplicht de provincie de gemeenten om in het omgevingsplan energieopslagsystemen alleen planologisch toe te staan indien deze een doelmatige en doeltreffende bijdrage leveren aan het versterken of blijven voorzien van een de goede werking van de elektriciteitsinfrastructuur. Het gaat dan om de wijze waarop en mate waarin de batterijopslag bijdraagt aan het realiseren van de doelstellingen van het beleid met een daarvoor acceptabele inzet van (financiële) middelen.
De energietoets is een essentieel instrument bij het afstemmen van nieuwe initiatieven voor grootschalige energieopslagsystemen op de elektriciteitsinfrastructuur. Dit is van belang om tijdig inzicht te verkrijgen in de inpasbaarheid binnen het elektriciteitsnet, en om netcongestie te voorkomen. De energietoets beoogt een onderzoek door de netbeheerder naar de impact op en de beperkingen van de elektriciteitsinfrastructuur voor het betreffende energieopslagsysteem en inzicht in het beoogde systeem van energiebeheer waardoor overbelasting van de elektriciteitsinfrastructuur zo veel als redelijkerwijs mogelijk is wordt voorkomen. Dit is relevant voor het energiebelang als aspect dat in het kader van een “evenwichtige toedeling van functies aan locaties” (ETFAL), als genoemd in o.a. artikel 4.2 en 5.21 van de Omgevingswet, aan de voorkant meegewogen dient te worden bij het beoordelen van initiatieven voor het realiseren van grootschalige energieopslagsystemen. Deze integrale belangenafweging die nodig is bij een (wijziging van een) omgevingsplan of een omgevingsplanactiviteit, ligt in principe bij de gemeente als bevoegd gezag.
Tweede lid
In het tweede lid is opgenomen dat het resultaat van de energietoets opgenomen dient te worden in de motivering van het omgevingsplan. Er is sprake van een procesvereiste in de vorm van een advies van de netbeheerder ook al is de netbeheerder niet expliciet aangewezen als wettelijk adviseur. Dit is erop gericht om het energiebelang inhoudelijk te borgen in de belangenafweging van de gemeente. Gemeenten moeten met het energiebelang als onderdeel van ETFAL rekening houden bij de locatieafweging en besluitvorming voor een omgevingsplan(activiteit).
Het ligt voor de hand dat in het advies van de netbeheerder en de motivering van het omgevingsplan onder andere wordt ingegaan op de capaciteit van de elektriciteitsinfrastructuur ter plaatse, een afweging of het energieopslagsysteem er vanuit de capaciteit van de elektriciteitsinfrastructuur gerealiseerd kan worden en het voorziene systeem van energiebeheer. Daarbij kan gedacht worden aan:
de redelijkerwijs te verwachten elektriciteitsafname of -teruglevering per jaar;
de voorgenomen maatregelen om de te verwachten elektriciteitsafname of –teruglevering te minimaliseren;
de redelijkerwijs te verwachten piek- en dalmomenten van de afname of teruglevering, bezien op jaar en dag;
voorgenomen maatregelen die piek- en dalmomenten van de afname of teruglevering verlagen; en
ruimte die het omgevingsplan biedt voor de realisatie van nieuwe elektriciteitsinfrastructuur wanneer blijkt dat de bestaande elektriciteitsinfrastructuur niet toereikend is voor de nieuwe functie.
Eerste en tweede lid
Deze titel is van toepassing op alle woningbouwactiviteiten die aan de bepalingen voor nieuwbouw van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) moeten voldoen. Artikel 14.34 is daarmee niet van toepassing op activiteiten die vallen onder de regels voor bestaande bouw van het Bbl. Voor veel transformatieprojecten waarbij een groot deel van het gebouw behouden blijft, is netbewust bouwen niet goed realiseerbaar. Het doel van deze titel is om zo veel mogelijk woningbouwactiviteiten mogelijk te maken door de vraag van elektriciteit tijdens piekmomenten te beperken. De vraag naar stroom loopt steeds meer tegen de grenzen van de elektriciteitsinfrastructuur aan. Om overbelasting en uitval te voorkomen zullen netbeheerders in toenemende mate nieuwe aansluitingen op dat netwerk op een wachtrij moeten plaatsen. Het gevolg daarvan is dat de bouw van nieuwe woningen en andere maatschappelijke en economische ontwikkelingen vertraging kunnen ondervinden of zelfs niet door kunnen gaan. Door grenzen te stellen aan de vraag naar elektriciteit tijdens piekmomenten van nieuwe woonwijken blijft er na realisatie meer capaciteit op het netwerk over voor andere ontwikkelingen, zoals andere woningbouwactiviteiten. Zo kunnen binnen de beperkte ruimte op de elektriciteitsinfrastructuur meer van de maatschappelijk gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgaan, dan zonder deze regels. Door harde prestatienormen te stellen via een netcapaciteitsplafond voor nieuwe woningbouw wordt tevens een gelijk speelveld en duidelijkheid gecreëerd voor alle woningbouwontwikkelaars. In Afdeling 22.2.7 zijn enkele overgangsbepalingen opgenomen.
De netbeheerders werken met een planning en prognose, waaruit blijkt hoeveel aansluitingen op het elektriciteitsnet (nog) gerealiseerd kunnen worden. Die planning is voor een groot deel gebaseerd op de vraag naar elektriciteit tijdens piekmomenten, los van het gecontracteerde vermogen. Door met de instructieregel te sturen op de vraag naar elektriciteit tijdens piekmomenten, wordt er meer ruimte in de planning van de netbeheerder gecreëerd. Omdat woningbouw prioriteit krijgt bij de aanvraag van transportcapaciteit komt een groot deel van die ruimte in de praktijk weer beschikbaar voor andere woningbouwactiviteiten. Hoewel er ook netcongestie bestaat tijdens pieken van (terug)levering, zoals op zonnige zomerdagen, heeft de woningbouw daar minder last van. De beperkingen voor woningbouw worden vooral veroorzaakt door de netcongestie tijdens pieken van afname van stroom. Die piekmomenten in afname van stroom ontstaan tijdens koude winterdagen, vooral aan het eind van de middag en begin van de avond. Effectieve regels, gericht op het terugdringen van die winterse piek moeten dus vooral rekening houden met hoe installaties en gebouwen functioneren tijdens die piek: tijdens een zeer koude avond. We kiezen vervolgens specifiek voor -10 graden Celsius als berekeningsgrond omdat die temperatuur doorgaans wordt toegepast bij het ontwerpen van en installatieberekeningen aan warmtesystemen, waardoor de efficiëntie van die systemen bij -10 graden Celsius goed bekend is en dus praktisch te gebruiken is in de rekenregels. Voor alle duidelijk zij opgemerkt dat het bij ‘een nieuwe woningbouwactiviteit’ doorgaans niet gaat om de aanpassing van bestaande woningbouw, zoals renovatie, transformatie, woningsplitsing, woningoptoppen, etc.
Derde lid
In lid 3 wordt expliciet duidelijk gemaakt dat de instructieregels niet beogen om regels te stellen over het produceren, transporteren, opslaan of leveren van elektriciteit, maar gesteld zijn uit oogpunt van de provinciale taak voor gebiedsgerichte coördinatie als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Deze paragraaf eerbiedigt dus het verbod in artikel 6.12, eerste lid, van de Energiewet. Voor zover deze instructieregels raken aan bouwactiviteiten en het gebruik van bouwwerken, is evenmin beoogd om de regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) omtrent energiezuinigheid te doorkruisen.
Vierde lid
In lid 4, onderdeel a, is bepaald dat de instructieregels over netbewuste woningbouw in werking treden per 1 juli 2027 om zo Gedeputeerde Staten van Flevoland samen met Gedeputeerde Staten van Gelderland en Utrecht voldoende gelegenheid te geven om de Handreiking netbewuste woningbouw met de rekenregels vast te stellen en om gemeenten voldoende tijd te geven voor implementatie. In lid 4, onderdeel b, is bepaald dat als (tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 1 januari 2028) een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving inwerking treedt, waarin regels worden gesteld omtrent netbewuste woningbouw, dat deze provinciale instructieregels niet in werking treden. De instructieregels treden dus alleen in werking als vóór 1 juli 2027 duidelijk wordt dat niet op afzienbare termijn (uiterlijk met ingang van 1 januari 2028) in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regels worden gesteld omtrent netbewuste nieuwbouw van woningen. Als ijkdatum is gekozen voor 1 juli 2027. Als vóór die datum geen wijziging van het Bbl is gepubliceerd met het oog op inwerkingtreding op 1 juli 2027 of een later moment, treden de provinciale instructieregels in werking. Als zo’n wijziging wel wordt gepubliceerd om in werking te treden, zijn de provinciale instructieregels overbodig en zullen deze na inwerkingtreding van de wijziging van het Bbl worden ingetrokken.
Gemeenten moeten bij alle omgevingsplanwijzigingen die ter inzage gelegd worden vanaf het moment van inwerkingtreding van de instructieregel borgen dat de woningbouwactiviteit die met die planwijziging mogelijk gemaakt wordt, voldoet aan het netcapaciteitsplafond. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de instructieregel moeten gemeenten bij alle vergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), waarmee een woningbouwactiviteit mogelijk gemaakt wordt, borgen dat deze voldoet aan het netcapaciteitsplafond. Daarbij hanteren ze de berekening voor het netcapaciteitsplafond en de rekenregels uit de Handreiking netbewuste woningbouw. Gemeenten kunnen netbewuste woningbouw bijvoorbeeld borgen via een combinatie van algemene regels in het omgevingsplan, gebiedsgerichte regels, vergunningen en vergunningsvoorwaarden. Elk individueel omgevingsplanbesluit of BOPA, waarmee woningbouwactiviteiten mogelijk gemaakt worden, moet op zichzelf voldoen aan het netcapaciteitsplafond. Niet elke individuele woning moet aan de prestatienorm voldoen, maar alle woningen, die vallen onder hetzelfde besluit, moeten samen voldoen aan het netcapaciteitsplafond. De gemeente kan daarbij dus kiezen te verevenen tussen meerdere woongebouwen die met één besluit mogelijk gemaakt worden, maar niet tussen woningen uit verschillende besluiten. Het is gemeenten niet toegestaan om andere regels te hanteren. Op die manier creëren we een gelijk speelveld en zo min mogelijk extra administratieve lasten voor de bouwende partijen. Door deze regels af te stemmen met andere provincies in FGU-verband (Flevoland, Gelderland, Utrecht) wordt het gelijke speelveld nog groter. Het is de projectontwikkelaar of initiatiefnemer natuurlijk toegestaan om tot een nog hoger niveau van netbewustheid te komen. Ook is het gemeenten niet verboden om via privaatrechtelijke weg tot aanvullende afspraken te komen.
De instructieregel gaat alleen over woningen en warmte installaties voor woningbouw en heeft geen gevolgen voor bijvoorbeeld bedrijven of laadpalen voor auto’s.
Het voldoen aan het netcapaciteitsplafond heeft geen gevolg voor de eigenstandige beslissingsbevoegdheid van de netbeheerder bij verzoeken tot aansluiting op het netwerk.
Bij het opstellen van de instructieregels en om tot realistische prestatienormen te komen is gebruik gemaakt van ‘ontwerpprincipes om netbewust te bouwen’ (november 2024) en de ‘handreiking netbewuste energieconcepten voor nieuwbouwwoningen’ (september 2025). Om aan het netcapaciteitsplafond te voldoen kan gekozen worden uit een waaier aan maatregelen die verschillende effecten hebben op de berekende maximum piekbelasting. Deze maatregelen staan limitatief in de Handreiking netbewuste woningbouw. In de Handreiking staan ook de rekenregels die berekenen wat het effect van de keuzes voor maatregelen is op de berekende maximale piekbelasting. Deze maatregelen hebben alleen betrekking op de elektriciteitsvraag voor warmte. Er zijn nog geen toepasbare maatregelen opgenomen in de handreiking die de elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik beïnvloeden. De prestatienorm – (warmtegebruik x 0,6) + huishoudelijk gebruik - geeft de berekende maximale elektriciteitsvraag weer van een woning. Omdat er geen toepasbare maatregelen zijn voor het huishoudelijk elektriciteitsgebruik werken we in de berekening met vaste kengetallen. Dit zijn ervaringsgetallen, gebaseerd op metingen en berekeningen op het niveau van een onderstation. Het zijn dus geen prestaties of normen die met maatregelen gehaald moeten worden door de woning of de bewoners. Daarnaast passen we een gelijktijdigheidsfactor van 0,6 toe. Dit omdat de woningen die op hetzelfde verdeelstation zijn aangesloten niet allemaal tegelijk hun maximale elektriciteitsvraag hebben.
Bodemenergiesystemen
Gemeenten stellen vast waar op hun grondgebied het wel of niet mogelijk is om een bodemenergiesysteem voor woningbouw toe te passen. Die (on)mogelijkheid is namelijk van invloed op de hoogte van het netcapaciteitsplafond van woningbouwactiviteiten. Aangezien de gemeente het bodem energieplan vaststelt is het logisch om deze beslissing op het lokale niveau te houden. Deze instructieregel betekent niet dat dit in een keer voor het gehele grondgebied van de gemeente moet gebeuren, dat kan ook per nieuw mogelijk te maken woningbouwactiviteit. De gemeente kan dat bijvoorbeeld doen in het omgevingsplan, gelijk met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan waarin een woningbouwactiviteit mogelijk gemaakt wordt. Het aanwijzen van locaties waar een bodemenergie systeem toepasbaar is kan ook in een bodemenergieplan gebeuren. Gemeenten moeten in hun besluit wel goed motiveren waarom locaties wel of niet geschikt zijn. Naast grondwaterbescherming en bodemgesteldheid, ligt het voor de hand dat de gemeente ook bodemvervuiling, ander bodemgebruik en reeds aanwezige of geplande bodemenergiesystemen in of nabij een plangebied meeneemt in deze motivatie. Het toepassen van een bodemenergiesysteem wordt bij kleine projecten relatief duur. Daarom geldt een ondergrens van 15 woningen, de benadering van het aantal woningen waarvoor een grondboormachine in een volle werkweek het boorwerk kan uitvoeren.
De instructieregels over netbewuste woningbouw (Artikel 14.34) treden in werking per 1 juli 2027, tenzij voor die datum duidelijk wordt dat uiterlijk met ingang van 1 januari 2028 in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regels worden gesteld omtrent netbewuste nieuwbouw van woningen.
De instructieregel van Artikel 14.35 geeft Gedeputeerde Staten van Flevoland de opdracht om voor 1 juli 2027 samen met Gedeputeerde Staten van de provincies Gelderland en Utrecht een Handreiking netbewuste woningbouw vast te stellen. In de Handreiking zal een waaier aan maatregelen worden opgenomen die verschillende effecten hebben op de berekende maximum piekbelasting. Ook komen hierin de rekenregels te staan die berekenen wat het effect van de keuzes voor maatregelen is op de berekende maximale piekbelasting.
UUUUU
Na sectie 16.2.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De provincie heeft een uitvoeringsprogramma opgesteld voor de bestrijding van invasieve exoten binnen haar grondgebied. Bij het bestrijden van invasieve exoten worden soms ook leefgebieden van beschermde soorten tijdelijk of voor langere duur aangetast. Om de noodzakelijke bestrijding mogelijk te maken geldt een vrijstelling van de vergunningplicht voor een aantal ‘overige soorten’ zoals genoemd in bijlage XI onder B. Men dient wel rekening te houden met de zorgplicht, welke geldt voor alle soorten
VVVVV
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels ter bescherming van houtopstanden zijn opgenomen in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Afdeling 11.3 van het Bal bevat de rijksregels voor het vellen van houtopstanden en de plicht tot herbeplanting. Deze afdeling van de omgevingsverordening bevat daarop aanvullende provinciale regels en maatwerkregels. Artikel 4.4, eerste lid, van de Omgevingswet voorziet in de mogelijkheid om in de
bij algemene maatregel van bestuur een meldingsplicht voor activiteiten op te nemen. Op grond van de artikelen 4.5 en 4.6 van de Omgevingswet is in
kan het Bal geregeld dat het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften of maatwerkregels kan stellen ter afwijking of aanvulling van de algemene regels. Voor de in het Bal geregelde bescherming van houtopstanden is Gedeputeerde Staten zijn het bevoegd gezag waaraan de melding moet worden
wordt gedaan.
Anders dan in de Wet natuurbescherming worden in het systeem van de Omgevingswet regels over de wijze waarop door het Rijk voorgeschreven meldingen worden gedaan, bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld (artikel 16.88, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet) en niet door provinciale staten. Dit met het oog op uniformiteit voor alle vanwege regelgeving van het Rijk te melden activiteiten, zoals ten aanzien van digitalisering en de termijnen.
Het stellen van maatwerkregels door provincies geschiedt bij omgevingsverordening (artikel 4.6 van de Omgevingswet).
In de omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van:
het instellen van een bebouwingscontour (16.10 afwijking art. 11.111 lid 2a)
de omvang van bos (16.10 en 16.13a)
de eisen waaraan herplant op een andere plaats dan het gekapte bos, moet voldoen (16.13)
Eisen aan de melding van een velling
Gedeputeerde Staten dienen zich aan de hand van de gegevens die de initiatiefnemer verstrekt, een goed beeld te kunnen vormen van de locatie, aard en omvang van de houtopstand en de reden van de velling. Gedeputeerde Staten zullen hiertoe een formulier vaststellen waarin de genoemde gegevens verwerkt kunnen worden.
Termijnen voor meldingen
De in artikel 11.126 van het Bal opgenomen termijn van minimaal vier weken biedt Gedeputeerde Staten de gelegenheid om zo nodig een kapverbod op te leggen. Wanneer de aanvrager een gerechtvaardigde reden heeft waarom hij het voornemen tot velling niet minimaal 4 weken tevoren heeft gemeld, dan kunnen Gedeputeerde Staten toestemming verlenen om voor het verstrijken van de termijn van 4 weken tot velling over te gaan.
Eisen aan herplantplicht
Het doel van deze eisen is om de hoofddoelstelling, namelijk het niet achteruit laten gaan van de oppervlakte houtopstanden in Nederland, vorm te geven. Daarnaast is ook de kwaliteit van de houtopstanden van belang. Daarbij wordt gelet op de doelstellingen die de betreffende houtopstand kent. Van belang is bijvoorbeeld dat de houtopstand de functies voor natuur, landschap, houtproductie en recreatie in zekere mate evenwichtig kan vervullen. Gelet op deze punten, verdient het begrip “bosbouwkundig verantwoord” om breed uitgelegd te worden. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundige kwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde.
Dat roept de vraag op of de herplant van de houtopstand op enige manier ook een relatie dient te hebben met de gevelde houtopstand. De Boswet stelde in de toelichting dat de herplant in verhouding diende te staan tot het gevelde. Deze koppeling wordt nu ook weer aangebracht. Derhalve is in artikel 8.27 sub f gesteld dat de houtopstand tenminste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden moet kunnen vertegenwoordigen. Hiermee wordt niet bedoeld dat er precies dezelfde soorten geplant moeten worden als er voor de velling aanwezig waren; wel is het de bedoeling dat een houtopstand die een ecologische waarde vertegenwoordigde ook na herplant weer ecologische waarden kan herbergen. Hierbij is het toegestaan deze ecologische waarden uit te wisselen. Als voorbeelden: Zo kan de inheemse loofboomsoort vervangen worden door de andere inheemse loofboomsoort. Het is echter niet te de bedoeling om een soortenrijk loofbos te vervangen door een soortenarme populieren plantage.
Het vellen van een houtopstand kan grote impact op de omgeving hebben. Het is daarom van belang deze op zo kort mogelijke termijn te herstellen, zodat de functie die de houtopstand vervulde ook snel weer hersteld wordt. Daarom worden er eisen gesteld aan de oppervlakte, de te kiezen soorten (het kunnen vormen van een volwaardige duurzame houtopstand) en het spoedig in sluiting kunnen komen van het kronendak. Dit laatste behelst dat er voldoende plantmateriaal gebruikt dient te worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn. Snel groeiende soorten behoeven minder plantmateriaal per ha.
Het kunnen vormen van een duurzame en volwaardige houtopstand houdt in dat soorten die gebruikt worden volledig tot wasdom kunnen komen op de bodem waarin ze geplant worden. Het planten van schietwilg op droge zandgronden zal bijvoorbeeld niet leiden tot een duurzame houtopstand, omdat bomen voortijdig zullen afsterven en/of niet tot volle wasdom kunnen komen. Het zelfde geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van beuk op bodems met hoge stagnerende grondwaterstanden.
Naar inzicht van Gedeputeerde Staten kan in bepaalde omstandigheden kleinschalige verjonging gezien worden als een verzorgingsmaatregel die de blijvende houtopstand kan bevorderen. Hiervan is sprake als de kwaliteit van de bestaande houtopstand gering is of pleksgewijs is aangetast door ziekte of plaagdieren, en met het oog op het verbeteren van de kwaliteit een verjonging van kleine delen van de houtopstand wordt ingezet. Provinciale Staten trekken daarbij in artikel 16.11 onder d de volgende grens. Het kappen van verjongingsgaten die niet groter zijn dan 1,5 maal de boomhoogte en gezamenlijk niet meer beslaan dan 10% van de oppervlakte van het bosperceel worden gezien als een dunning waarvoor geen meldingsplicht aan de orde is. Wel is hier sprake van een herplantplicht die binnen de gebruikelijke termijn dient te zijn ingevuld. Deze regeling is specifiek bedoeld voor het realiseren van een gevarieerd vitaal bos, door de inzet van verjonging. Het is niet toegestaan om andere doelen via deze regeling te realiseren.
Uitzondering op plicht tot herbeplanting
De verplichting bos in stand te houden weerhoudt veel grondeigenaren van de aanplant van bos of landschappelijke beplanting. Een groene dooradering van het landschap met landschapselementen kan daardoor moeilijk of alleen tegen hoge kosten worden bereikt, terwijl dat wel een belangrijk doel is. Met een voorwaardelijke vrijstelling wordt deze belemmering weggenomen. Na melding geldt geen instandhoudingsplicht voor nieuwe landschapselementen buiten het erf. De eisen voor erfbeplanting op een erf blijven gelden, waarbij een erfbeplanting wel aangepast kan worden aan een gewijzigde erfinrichting.
Boscompensatie
Het uitgangspunt is dat na kappen, of anderszins verloren gaan van bos, op dezelfde plek weer bos wordt aangeplant of spontaan kan ontstaan. Soms zal de grond echter een andere bestemming krijgen. In dat geval kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen van de verplichting tot herplant van dezelfde grond en toestaan dat op een andere plaats worden herplant. Voor deze herplant gelden dezelfde eisen ten aanzien van een bosbouwkundig verantwoorde uitvoering als bij herplant op het oorspronkelijke perceel. Om versnippering van bos te voorkomen geldt voor bos groter dan 15 ha, dat compensatie er niet toe mag leiden dat een bos kleiner dan 15 ha overblijft. In dat geval is alleen compensatie mogelijk aangrenzend aan het bos.
Anders dan onder de Wet natuurbescherming worden in het stelsel van de Omgevingswet regels over de wijze waarop meldingen op grond van rijksregels worden gedaan, bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld (artikel 16.88, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet). Provinciale staten stellen deze procedurele regels niet afzonderlijk vast. Dit bevordert een uniforme wijze van melden voor activiteiten die op grond van rijksregels meldingsplichtig zijn.
De provincie kan wel aanvullende meld- en herplantregels stellen voor houtopstanden die vanwege hun aard, omvang, ligging of waarde onvoldoende door de rijksregels worden beschermd. Ook kan de provincie maatwerkregels stellen voor de toepassing van uitzonderingen op de meld- en herplantplicht en aanvullende voorwaarden stellen aan herbeplanting.
Met deze afdeling wordt invulling gegeven aan de provinciale verantwoordelijkheid voor de bescherming van de oppervlakte, kwaliteit en landschappelijke samenhang van houtopstanden in Flevoland. Daarbij wordt rekening gehouden met het specifieke karakter van het Flevolandse landschap, waarin bomenrijen, bosstructuren en landschapselementen een belangrijke bijdrage leveren aan de ruimtelijke herkenbaarheid, ecologische verbindingen, recreatieve kwaliteit en landschappelijke structuur.
Bebouwingscontour houtkap
Bij het vaststellen van een bebouwingscontour houtkap wordt voorkomen dat grote en landschappelijk samenhangende bosgebieden binnen de contour komen te liggen. Houtopstanden groter dan 15 hectare en breder dan 30 meter blijven daarom buiten de bebouwingscontour.
Deze afbakening draagt bij aan het behoud van grotere aaneengesloten bosgebieden en voorkomt dat door de ligging van de bebouwingscontour de bescherming van dergelijke houtopstanden op voorhand wordt beperkt.
Aanvullende meld- en herplantplicht
De rijksregels van het Bal zijn niet op alle houtopstanden van toepassing. In Flevoland zijn echter ook kleinere en anderszins niet onder de rijksregels vallende houtopstanden van belang voor het landschap en de ecologische structuur. Daarom geldt aanvullend een provinciale meld- en herplantplicht voor bepaalde categorieën.
Het gaat in het bijzonder om rijbeplantingen van populier en wilg langs wegen, watergangen en landbouwgronden. Deze beplantingen zijn kenmerkend voor het Flevolandse polderlandschap. Zij versterken de landschappelijke structuur en hebben daarnaast ecologische en recreatieve waarde. Zonder aanvullende bescherming bestaat het risico dat deze karakteristieke structuren door geleidelijke kap verdwijnen.
Ook houtopstanden kleiner dan 10 are en rijbeplantingen van twintig bomen of minder vallen onder de aanvullende bescherming. Hoewel deze houtopstanden afzonderlijk een beperkte omvang hebben, kunnen zij gezamenlijk een belangrijke landschappelijke, ecologische of cultuurhistorische functie vervullen. De meldplicht maakt het mogelijk om ontwikkelingen in deze kleinschalige groenelementen te volgen en te voorkomen dat zij ongemerkt door kap, verkleining of opdeling uit het landschap verdwijnen.
Erfbeplanting is in beginsel uitgezonderd van deze aanvullende bescherming vanwege het private karakter van het erf en het beperkte provinciale belang bij de inrichting daarvan. Deze uitzondering geldt niet voor rijbeplantingen van twintig bomen of minder. Dergelijke bomenrijen kunnen ook op of bij een erf beeldbepalend zijn en bijdragen aan de landschappelijke structuur van het buitengebied.
Daarnaast geldt een aanvullende meld- en herplantplicht voor bijzondere bomen. Deze bomen kunnen vanwege hun leeftijd, omvang, soort of cultuurhistorische, ecologische, dendrologische, monumentale of landschappelijke betekenis een bijzondere waarde vertegenwoordigen.
De provincie houdt geen afzonderlijke lijst van bijzondere bomen bij. Als uitgangspunt wordt een boom als bijzonder aangemerkt wanneer sprake is van een stamomtrek van ten minste 100 cm, gemeten op 1,30 meter hoogte, een naar inschatting minimale leeftijd van 50 jaar, een inheemse of cultuurhistorisch waardevolle soort, een redelijke gezondheid en geen direct gevaar voor de omgeving, en de boom vanaf de openbare weg zichtbaar is of solitair staat met minimaal 20 meter afstand tot de dichtstbijzijnde boom van vergelijkbare omvang. Degene die een boom wil vellen, is zelf verantwoordelijk voor de beoordeling of de boom onder deze categorie valt. Bij twijfel kan vooraf contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek of de provincie.
De meldtermijn bedraagt ten minste vier weken en ten hoogste één jaar vóór het begin van de velling. Hiermee wordt Gedeputeerde Staten voldoende gelegenheid geboden om de voorgenomen velling te beoordelen en zo nodig maatregelen te treffen. Artikel 11.126 van het Bal is van overeenkomstige toepassing.
Bij noodsituaties waarin vooraf melden redelijkerwijs niet mogelijk is, worden zo spoedig mogelijk achteraf afspraken gemaakt met de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek en/of de provincie.
Uitzonderingen op de meldplicht
Voor bepaalde vormen van bosbeheer en natuurlijke ontwikkelingen is het niet doelmatig om voor iedere ingreep afzonderlijk een melding te verlangen.
Voor beheerders die meer dan 75 hectare bos en natuur in Flevoland beheren en beschikken over een certificaat natuurbeheer afgegeven door de Stichting Certificering SNL geldt daarom een uitzondering op de meldplicht. Deze beheerders beschikken door hun gecertificeerde beheer over aantoonbare deskundigheid en werken op basis van beheerplannen en beheerdoelstellingen. De uitzondering geldt niet voor afzonderlijke vellingen groter dan 3 hectare of wanneer de houtopstand niet ter plaatse wordt herplant. Ter compensatie van de individuele meldplicht geldt een jaarlijkse rapportageplicht, waarmee Gedeputeerde Staten inzicht houden in de omvang en ligging van geveld bos en van gronden waarop een herplantplicht rust.
Ook kleinschalige verjonging kan onder voorwaarden zonder afzonderlijke melding worden uitgevoerd. Verjongingsgaten mogen maximaal tweemaal de boomhoogte bedragen en gezamenlijk niet meer dan 10% van het bosperceel beslaan. Deze maatregel mag maximaal eenmaal per vier jaar worden toegepast. De regeling is bedoeld om de vitaliteit, structuur en variatie van bestaande bossen te verbeteren en is niet bedoeld om via geleidelijke kap andere ontwikkelingen mogelijk te maken.
Daarnaast geldt een uitzondering voor het vrijstellen van oevers van bestaande poelen en plassen over een breedte van 30 meter, gerekend vanaf de bestaande gemiddelde voorjaarslijn.
Ten slotte worden bepaalde vormen van natuurlijk tenietgaan van houtopstanden uitgezonderd van de meldplicht. Het gaat om vernatting door natuurlijke processen of als onderdeel van antiverdrogingsmaatregelen, het op natuurlijke wijze tenietgaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen en het tenietgaan van houtopstanden door vraat van bevers. Bij deze situaties is geen sprake van een doelbewuste velling waarvoor een voorafgaande meldprocedure nodig is.
Uitzonderingen op de herplantplicht
De verplichting tot herbeplanting heeft als doel de oppervlakte en kwaliteit van houtopstanden op peil te houden. In bepaalde situaties is herbeplanting echter niet doelmatig of niet passend bij de functie van de grond.
Daarom geldt geen herplantplicht bij houtopstanden die door natuurlijke vernatting, waaronder vernatting als onderdeel van antiverdrogingsmaatregelen, tenietgaan. Ook bij het tenietgaan door vraat van bevers geldt onder voorwaarden een uitzondering, mits de stobben niet worden verwijderd. Hiermee wordt ruimte geboden aan natuurlijke processen en aan maatregelen die gericht zijn op herstel van natuurlijke waterhuishouding en natuurontwikkeling.
Voor houtopstanden die onderdeel uitmaken van een agroforestry-systeem geldt eveneens een uitzondering. Bij agroforestry vormen aanplant, oogst, beheer en herinrichting onderdeel van een dynamisch landbouwsysteem. Een permanente herplantplicht kan de noodzakelijke flexibiliteit van dit systeem beperken en daarmee de ontwikkeling van alternatieve vormen van landbouw belemmeren.
Ook voor kleine landschapselementen op agrarische grond wordt een uitzondering opgenomen. Het gaat om landschapselementen kleiner dan 0,1 hectare die na 1 januari 2026 zijn aangeplant, mits de grond na aanplant of verwijdering van het landschapselement geschikt blijft voor de agrarische functie. Met deze uitzondering wordt beoogd agrarische ondernemers te stimuleren vrijwillig kleinschalige landschapselementen aan te leggen zonder dat daardoor een blijvende herplantplicht ontstaat. De meldplicht blijft van toepassing, zodat de provincie zicht houdt op de aanleg en verwijdering van deze landschapselementen en de ontwikkeling van het areaal kan volgen.
Herbeplanting op andere grond en boscompensatie
Het uitgangspunt blijft dat na het vellen of anderszins verloren gaan van een houtopstand op dezelfde grond wordt herbeplant of dat daar opnieuw een houtopstand kan ontstaan.
In bepaalde gevallen kan de bestaande grond echter een andere bestemming krijgen of kan herbeplanting ter plaatse niet passend of doelmatig zijn. Gedeputeerde Staten kunnen dan bij maatwerkvoorschrift toestemming verlenen voor herbeplanting op andere grond.
De voorwaarden voor compensatie op andere grond zijn aangescherpt ten opzichte van de eerdere regeling. De compensatiegrond moet in Flevoland liggen en mag niet al onder een herplant- of natuurcompensatieverplichting vallen. Ook mag de herbeplanting niet ten koste gaan van beschermde natuurwaarden of bijzondere landschappelijke waarden. De compensatiegrond mag geen wettelijke doelstelling kennen die aan herbeplanting in de weg staat en mag geen landschapselement binnen het Natuurnetwerk Nederland betreffen. Daarnaast wordt voorkomen dat herbeplanting plaatsvindt op een locatie waar soorten met een instandhoudingsdoelstelling aanwezig zijn en daardoor schade aan beschermde natuurwaarden kan ontstaan.
Voor bossen groter dan 15 hectare blijft het uitgangspunt gelden dat compensatie niet mag leiden tot een resterend bosoppervlak van minder dan 15 hectare. Hiermee wordt versnippering van grotere bosgebieden voorkomen. Waar nodig moet compensatie daarom aansluiten op het bestaande bos.
Kwaliteit van de compensatie
Bij compensatie op andere grond gaat het niet uitsluitend om het vervangen van een aantal hectares. Ook de kwaliteit van de verloren gegane houtopstand is van belang. De nieuwe houtopstand moet een vergelijkbare of betere ecologische en landschappelijke waarde kunnen ontwikkelen.
De compensatiegrond moet daarom geschikt zijn voor de gekozen boom- en struiksoorten. Er moet rekening worden gehouden met de bodemsamenstelling en de waterhuishouding. De te gebruiken soorten moeten gezamenlijk een duurzame en volwaardige houtopstand kunnen vormen. Sierheesters, tuinsoorten en invasieve soorten die zijn opgenomen op de Unielijst worden uitgesloten.
Een belangrijk uitgangspunt is dat de nieuwe houtopstand zich binnen afzienbare tijd tot een volwaardige bosstructuur kan ontwikkelen. Daarom moet binnen 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak kunnen ontstaan, met een bedekkingsgraad van ten minste 60% van de perceelsoppervlakte. De keuze van soorten en het plantverband moeten hierop worden afgestemd.
Het vereiste van een vergelijkbare of betere ecologische en landschappelijke waarde betekent niet dat exact dezelfde boomsoorten moeten worden teruggeplant. Wel moet de nieuwe houtopstand de relevante functies en waarden van de gevelde houtopstand kunnen overnemen. Een ecologisch waardevolle loofhoutopstand kan bijvoorbeeld worden vervangen door een andere passende inheemse loofhoutopstand. Het is echter niet de bedoeling dat een soortenrijke of ecologisch waardevolle houtopstand wordt vervangen door een soortenarme aanplant die aanzienlijk minder ecologische of landschappelijke waarde kan ontwikkelen.
Bij compensatie binnen of nabij Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland wordt extra zorgvuldig beoordeeld of de herbeplanting bestaande natuurwaarden aantast. Binnen Natura 2000-gebieden mag de herbeplanting geen afbreuk doen aan de geldende instandhoudingsdoelstellingen.
Compensatiefactor naar leeftijd
De oppervlakte van de compensatie wordt mede bepaald door de leeftijd van de gevelde houtopstand. Oudere houtopstanden vertegenwoordigen doorgaans een verder ontwikkelde bosstructuur, bosbodem en ecologische en landschappelijke waarde. Deze waarden kunnen op een nieuwe locatie niet onmiddellijk worden gereproduceerd. Daarom wordt bij oudere houtopstanden een grotere oppervlakte gecompenseerd.
Voor houtopstanden jonger dan 10 jaar met een beperkte ecologische waarde geldt een factor van 1,0. Voor houtopstanden ouder dan 10 jaar en jonger dan 30 jaar met een beperkte ecologische waarde geldt een factor van 1,1. Voor houtopstanden ouder dan 30 jaar geldt een factor van 1,3. Voor houtopstanden ouder dan 50 jaar geldt een verhoogde factor van 1,5.
De factoren zijn bedoeld om rekening te houden met het tijdsverschil tussen het verlies van een bestaande houtopstand en het moment waarop de nieuwe houtopstand vergelijkbare waarden kan ontwikkelen. Naarmate de gevelde houtopstand ouder en verder ontwikkeld is, is dat verschil groter.
De compensatiefactoren gelden niet bij bepaalde vormen van natuurlijk tenietgaan. Het gaat om natuurlijke vernatting, vernatting als onderdeel van antiverdrogingsmaatregelen, het op natuurlijke wijze tenietgaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen en het tenietgaan door vraat van bevers. In die gevallen is geen sprake van een doelbewuste velling en kan toepassing van een verhoogde compensatiefactor onevenredig zijn.
Maatwerk en evenwichtige besluitvorming
De mogelijkheid van maatwerk biedt Gedeputeerde Staten ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Van de voorwaarden voor compensatie kan bij maatwerkvoorschrift worden afgeweken wanneer dit noodzakelijk is voor een doelgerichte of evenwichtige besluitvorming en het niet toepassen van de hoofdregel in het concrete geval tot onevenredig bezwarende gevolgen zou leiden.
De maatwerkbevoegdheid is bedoeld om ruimte te bieden voor situaties waarin toepassing van de algemene regels, gelet op de concrete omstandigheden, niet tot een evenwichtige uitkomst zou leiden. Daarbij blijft het uitgangspunt dat het verlies van houtopstanden zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat eventuele compensatie kwalitatief en kwantitatief voldoende wordt geborgd.
Gegevens en bescheiden bij een aanvraag voor compensatie
Om een aanvraag voor herbeplanting op andere grond zorgvuldig te kunnen beoordelen, zijn aanvullende gegevens en bescheiden vereist.
De aanvrager moet onder meer het kadastrale perceelnummer en de exacte locatie van de compensatiegrond aangeven. Het beplantingsplan moet inzicht geven in de bodemsamenstelling, waterhuishouding, soortensamenstelling en het plantverband. Daarmee kan worden beoordeeld of de locatie geschikt is voor de ontwikkeling van een duurzame houtopstand.
Het nazorgplan moet waarborgen dat de nieuwe houtopstand zich na aanleg daadwerkelijk kan ontwikkelen. Het plan beschrijft het periodieke onderhoud, de monitoring van vitaliteit en groei, bescherming tegen onder meer wildvraat, droogte en vandalisme en herstelmaatregelen bij uitval. Wanneer binnen drie jaar meer dan 10% van de aanplant uitvalt, moet vervangende aanplant plaatsvinden met gelijkwaardige soorten.
De nazorgperiode bedraagt minimaal vijf jaar. Daarbij wordt vastgelegd wie verantwoordelijk is voor de uitvoering en hoe het beheer bij een eventuele eigendomsoverdracht wordt voortgezet.
Wanneer de aanvrager niet tevens eigenaar van de compensatiegrond is, is schriftelijke instemming van de grondeigenaar vereist. Hiermee wordt verzekerd dat de grond daadwerkelijk en duurzaam beschikbaar is voor de compensatie.
Ten slotte moet een passende begroting worden verstrekt waarin ook de kosten van grondaankoop of beschikbaarstelling, aanleg, beheer, nazorg en eventuele vervangende aanplant zijn opgenomen. Hiermee wordt beoordeeld of de uitvoering en duurzame ontwikkeling van de compensatie voldoende financieel zijn geborgd.
Gegevens en bescheiden bij een melding van voorgenomen velling
De aanvullende gegevens bij de melding zijn bedoeld om Gedeputeerde Staten in staat te stellen de voorgenomen velling ruimtelijk, ecologisch en landschappelijk te beoordelen.
De melding bevat daarom onder meer de reden van de velling, de gegevens van de grondeigenaar, een topografische en kadastrale kaart of een digitale kaart in GIS-formaat, de oppervlakte of het aantal te vellen bomen, de boomsoorten en leeftijd en een QuickScan Flora en Fauna.
De informatie over soort en leeftijd is van belang omdat de ecologische en landschappelijke waarde van een houtopstand mede samenhangt met de ontwikkelingsfase ervan. Deze gegevens zijn bovendien van belang voor de beoordeling van een eventuele herplant- of compensatieopgave.
De melding bevat ook de voorgenomen locatie van de herplant. Hiermee wordt bevorderd dat al bij de voorbereiding van de velling aandacht wordt besteed aan herstel van de houtopstand en aan het behoud van landschappelijke en ecologische waarden.
De aanvullende meldingsgegevens dragen daarmee bij aan een transparante en inhoudelijk onderbouwde beoordeling van voorgenomen vellingsactiviteiten en aan een tijdige borging van herplant of compensatie.
WWWWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De bebouwingscontour is vooral bedoeld om stedelijke beplantingen als straatbomen en parken uit te zonderen van het wettelijke beschermingsregime van de Omgevingswet en het Bal. De verantwoordelijkheid voor deze lokale groenvoorziening ligt bij de gemeente. In Flevoland komen echter omvangrijke stadsbossen en bosparken voor tussen de stadsdelen en wijken of direct grenzend aan de stad. Het belang van deze forse groensstructuren voor de bewoners van de stad is groot en ze maken soms ook deel uit van het Natuur Netwerk Nederland. Dat rechtvaardigt dat de gemeente deze grotere houtopstanden buiten de bebouwingscontour laat en de provincie toeziet op het behoud van dit areaal. De grens is vastgelegd om een bosomvang van 15 hectare, omdat vanaf deze oppervlakte sprake is van een boskern. Buiten de bebouwingscontour gelden de meld- en herplantplicht zoals opgenomen in het Bal en de aanvullingen uit deze verordening.
XXXXX
Na sectie 16.9a worden vijf secties ingevoegd, luidende:
Eerste lid, onder a
Rijbeplantingen van populier en wilg langs wegen, watergangen en landbouwgronden zijn kenmerkend voor het Flevolandse polderlandschap. Zij versterken de landschappelijke structuur en hebben ecologische en recreatieve waarde. Omdat deze beplantingen buiten de meld- en herplantplicht van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, worden zij onder de aanvullende provinciale meld- en herplantplicht gebracht. Zo wordt voorkomen dat deze karakteristieke structuren na kap verdwijnen. In noodsituaties worden vooraf, of wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is zo spoedig mogelijk achteraf, afspraken gemaakt met de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek en/of de provincie.
Eerste lid, onder b
Met deze bepaling worden ook houtopstanden kleiner dan 10 are en rijbeplantingen van twintig bomen of minder onder de provinciale meldplicht gebracht. Deze kleinschalige beplantingen kunnen een belangrijke landschappelijke, ecologische of cultuurhistorische waarde hebben. De meldplicht voorkomt dat dergelijke elementen door kap, verkleining of opdeling ongemerkt uit het landschap verdwijnen en stelt de provincie in staat de ontwikkeling ervan te volgen.
Erfbeplanting is in beginsel uitgezonderd vanwege het private karakter van het erf en het beperkte provinciale belang bij de inrichting daarvan. Deze uitzondering geldt niet voor rijbeplantingen van minder dan twintig bomen. Dergelijke bomenrijen zijn door hun omvang vaak beeldbepalend en kunnen ook wanneer zij op een erf staan van betekenis zijn voor de landschappelijke structuur en herkenbaarheid van het Flevolandse buitengebied. Zij blijven daarom meldings- en herplantplichtig.
Eerste lid, onder c
Bijzondere bomen vertegenwoordigen vanwege hun leeftijd, omvang, soort of cultuurhistorische, ecologische, dendrologische, monumentale of landschappelijke betekenis een belangrijke waarde voor Flevoland. Daarom geldt voor het vellen van deze bomen een meldplicht.De provincie houdt geen afzonderlijke lijst van bijzondere bomen bij, maar hanteert de criteria dat er sprake van is bij: een stamomtrek van ten minste 100 cm of meer gemeten op 1,30 meter hoogte, een naar inschatting minimale leeftijd van 50 jaar, behorend tot een inheemse of cultuurhistorisch waardevolle soort, in redelijke gezondheid en zonder direct gevaar voor de omgeving, én gelegen op een locatie waar de boom vanaf de openbare weg zichtbaar is, óf solitair staat met minimaal 20 meter afstand tot de dichtstbijzijnde andere boom van vergelijkbare omvang.
Degene die een boom geheel of gedeeltelijk wil vellen, is zelf verantwoordelijk voor de beoordeling of de boom voldoet aan de definitie en kenmerken van een bijzondere boom in deze verordening. Bij twijfel kan vooraf contact worden opgenomen met de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek of de provincie.
Tweede lid
Omdat de houtopstanden zoals beschreven in het eerste lid buiten de meld- en herplantplicht van het Besluit activiteiten leefomgeving vallen, worden zij onder de aanvullende provinciale meld- en herplantplicht gebracht. Zo wordt voorkomen dat deze karakteristieke structuren na kap verdwijnen. In noodsituaties worden vooraf, of wanneer dit redelijkerwijs niet mogelijk is zo spoedig mogelijk achteraf, afspraken gemaakt met de Omgevingsdienst Flevoland & Gooi en Vechtstreek en/of de provincie.
Derde lid
Een uitzondering op de aanvullende meld- en herplantplicht uit het Bal wordt gemaakt voor spontane verjonging van maximaal tien jaar oud. Deze termijn sluit aan bij het reguliere beheer en onderhoud van wegen, watergangen en waterstaatkundige werken. Door de begroeiing tijdig te verwijderen, blijven deze werken bereikbaar en inspecteerbaar en worden verkeersveiligheid, een goede wateraan- en afvoer, de stabiliteit van waterkeringen, de waterkwaliteit en de waterveiligheid gewaarborgd. Op deze manier worden geen onnodige meld- en herplantplichten toegevoegd aan de verplichtingen die men bijvoorbeeld heeft om op grond van de Onderhoudsverordening en de legger van het Waterschap Zuiderzeeland watergangen periodiek vrij te maken van begroeiing.
Onderdeel c en d
Hier wordt voorzien in een gerichte uitzondering op de herplantplicht voor situaties waarin herbeplanting niet doelmatig of niet passend wordt geacht. Voor houtopstanden die onderdeel uitmaken van een agroforestry-systeem geldt dat kap en herinrichting veelal plaatsvinden binnen een dynamisch teeltsysteem. Door hiervoor geen herplantplicht te laten gelden, wordt de flexibiliteit binnen deze bedrijfsvorm behouden en wordt innovatie in duurzame landbouwpraktijken niet onnodig belemmerd.
Daarnaast wordt voor landschapselementen met een oppervlakte kleiner dan 0,1 hectare een uitzondering op de herplantplicht opgenomen. Omdat deze elementen vaak functioneel van aard zijn, zou een herplantplicht hier disproportioneel kunnen uitwerken. De meldplicht blijft echter in stand, zodat het provinciaal overzicht van aanwezige landschapselementen behouden blijft. Tevens wordt beoogd agrariërs te stimuleren om kleinschalige landschapselementen op agrarische gronden aan te leggen, zonder dat dit leidt tot onevenredige lasten of beperkingen. Voor landschapselementen aangeplant na 1 januari 2027 en kleiner dan 0,1 hectare geldt daarom geen herplantplicht, terwijl de meldplicht in stand blijft om inzicht te behouden in het areaal landschapselementen.
Door vast te leggen dat de gronden hun agrarische bestemming en gebruikswaarde behouden — zowel na aanleg als na verwijdering van deze elementen — wordt voorkomen dat de aanleg van kleinschalige beplanting leidt tot planologische of functionele belemmeringen voor het agrarisch bedrijf. Hiermee wordt ruimte geboden voor vrijwillige vergroening, terwijl het landschappelijk en ecologisch belang van deze elementen wel kan worden gevolgd via de meldplicht.
Ten opzichte van de vorige versie van de verordening worden aanvullende voorwaarden en kwalitatieve eisen gesteld aan de mogelijkheid voor het stellen van een maatwerkvoorschrift ten behoeve van herbeplanting op andere grond. Hiermee wordt geborgd dat herplant niet alleen leidt tot behoud van het bosareaal, maar ook tot een duurzame en kwalitatief gelijkwaardige vervanging van de gevelde houtopstand.
De herbeplanting moet een vergelijkbare of betere ecologische en landschappelijke waarde kunnen ontwikkelen en passen bij de bodem en waterhuishouding van de compensatielocatie. Binnen tien jaar moet een kroonbedekking van ten minste 60% van de perceeloppervlakte kunnen ontstaan. Sierheesters, tuinsoorten en invasieve uitheemse soorten zijn uitgesloten, omdat deze niet bijdragen aan de ontwikkeling van een duurzame houtopstand of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de aanwezige natuurwaarden.
Aan compensatielocaties binnen het Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000 worden aanvullende voorwaarden gesteld. Herbeplanting mag niet ten koste gaan van bestaande landschapselementen of beschermde natuurwaarden en geen afbreuk doen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor beschermde soorten en habitats. Bij de beoordeling wordt betrokken of de herbeplanting gevolgen kan hebben voor soorten en habitats waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden.
De omvang van de compensatie wordt mede bepaald aan de hand van de leeftijd en ontwikkelingsfase van de gevelde houtopstand. Oudere houtopstanden vertegenwoordigen doorgaans een verder ontwikkelde bosstructuur, bosbodem en ecologische en landschappelijke waarde. Omdat deze waarden op de nieuwe locatie niet direct kunnen worden vervangen, geldt voor oudere houtopstanden een hogere compensatiefactor. Voor jonge houtopstanden met een beperkte ecologische waarde kan met een lagere factor worden volstaan.
De compensatiefactoren zijn niet van toepassing wanneer een houtopstand door de in het artikel genoemde natuurlijke ontwikkelingen tenietgaat. In deze situaties is geen sprake van een doelbewuste velling en kan toepassing van een verhoogde compensatiefactor onevenredig zijn.
Met deze aanvullende eisen wordt gewaarborgd dat herbeplanting op andere grond zorgvuldig, standplaatsgeschikt en toekomstbestendig wordt uitgevoerd en dat verlies van natuur- en landschapswaarden zoveel mogelijk wordt voorkomen.
Dit artikel bepaalt welke aanvullende gegevens en bescheiden nodig zijn om een aanvraag voor herbeplanting op andere grond zorgvuldig te kunnen beoordelen. Het kadastrale perceelnummer en de bijbehorende kaart maken duidelijk waar en op welke oppervlakte de herbeplanting wordt uitgevoerd.
Met het beplantingsplan wordt beoordeeld of de nieuwe locatie, gelet op de bodemsamenstelling, waterhuishouding, soortensamenstelling en het plantverband, geschikt is voor de ontwikkeling van een duurzame houtopstand met voldoende ecologische en landschappelijke kwaliteit.
Het nazorgplan waarborgt dat de herbeplanting ook na aanleg zorgvuldig wordt beheerd en zich daadwerkelijk tot een volwaardige houtopstand kan ontwikkelen. Het plan beschrijft de noodzakelijke beheermaatregelen, de monitoring van de vitaliteit en groei, de bescherming tegen onder meer wildvraat, droogte en vandalisme en de te nemen herstelmaatregelen bij uitval. Wanneer binnen drie jaar meer dan 10% van de aanplant uitvalt, wordt met gelijkwaardige soorten herplant. De nazorgperiode bedraagt minimaal vijf jaar. Ook wordt vastgelegd welke partij verantwoordelijk is voor de uitvoering en hoe de voortzetting van het beheer bij eigendomsoverdracht wordt gewaarborgd.
Wanneer de aanvrager niet de eigenaar van de compensatiegrond is, is schriftelijke instemming van de grondeigenaar vereist. Hiermee wordt aangetoond dat de grond daadwerkelijk en duurzaam beschikbaar is voor de herbeplanting.
Met een sluitende begroting en een onderbouwing van de financiële borging wordt aannemelijk gemaakt dat voldoende middelen beschikbaar zijn voor de verwerving of beschikbaarstelling van de grond, de aanleg, de nazorg en eventuele vervangende aanplant. Hiermee wordt voorkomen dat toestemming wordt verleend voor een herbeplanting waarvan de uitvoering of duurzame instandhouding onvoldoende is verzekerd.
Hier is vastgelegd welke aanvullende gegevens bij de melding van voorgenomen velling moeten worden aangeleverd. Het doel hiervan is om Gedeputeerde Staten in staat te stellen een zorgvuldige en inhoudelijk goed onderbouwde beoordeling te maken van de effecten van de voorgenomen velling op natuur-, landschaps- en omgevingswaarden.
Door het opnemen van gegevens over de aard en omvang van de velling, de boomsoorten en leeftijd, alsmede een QuickScan Flora en Fauna, wordt inzicht verkregen in de ecologische betekenis van de houtopstand. De gevraagde topografische en kadastrale informatie maakt het mogelijk om de velling ruimtelijk nauwkeurig te duiden.
Daarnaast wordt met het opnemen van de voorgenomen herplantlocatie geborgd dat reeds bij de melding aandacht wordt besteed aan herstel of compensatie van het groenelement. Hiermee wordt het belang van zorgvuldige planvorming en het waarborgen van de kwaliteit van het landschap en de natuurwaarden nadrukkelijk verankerd in het meldingsproces.
YYYYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De provincie Flevoland constateerde in 2019 een toenemende maatschappelijke onrust over de toename van het aantal geiten. Die onrust houdt onder meer verband met de negatieve gevolgen van geitenhouderijen voor de volksgezondheid. Aanleiding is een aantal onderzoeken en adviezen van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en GGD's, waaronder het in augustus 2016 verschenen RIVM-rapport Veehouderij en gezondheid omwonenden (VGO-1)) en het in juni 2017 verschenen RIVM-rapport Veehouderij en gezondheid omwonenden (aanvullende studies): Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bio-aerosolen (VOG-2). Die onderzoeken tonen aan dat er een mogelijke samenhang is tussen geitenhouderijen en longontsteking bij omwonenden binnen een straal van 2
twee kilometer rondom een geitenhouderij. Zodra de precieze oorzaken van de gezondheidseffecten duidelijk zijn, wordt ook duidelijk of, en zo ja welke, (bedrijfs-)maatregelen genomen kunnen worden. Zolang er onduidelijkheid bestaat over de precieze oorzaken, is het vanuit het voorzorgprincipe nodig dat er een stop komt op de ontwikkelingsmogelijkheden voor geitenhouderijen. Zie het Omgevingsprogramma Flevoland (paragraaf 1.2.1.6 en plan-ID NL.IMRO.9924.GeconsOPFlevoland-GV01) voor meer achtergrondinformatie.
Aanvullend wordt opgemerkt dat op 27 oktober 2020 GGD-richtlijn Veehouderij en gezondheid is gepubliceerd. De GGD heeft twee uitgangspunten bij zijn adviezen. De
Het eerste uitgangspunt is voorzorg: wees terughoudend met het plaatsen van gevoelige bestemmingen en veehouderijen binnen 250 meter van elkaar (bij geitenhouderijen binnen 2
twee kilometer). Gevoelige bestemmingen zijn bijvoorbeeld woningen, scholen, en ziekenhuizen. Het tweede uitgangspunt is het streven om de uitstoot van geur, stof, endotoxinen (kleine stukjes bacteriËn
bacteriën) en ammoniak van veehouderijen te verminderen.
Omdat nog onbekend is waardoor mensen die wonen in de buurt van geitenhouderijen vaker een longontsteking hebben, zijn in opdracht van het Rijk in 2019 verschillende vervolgonderzoeken gestart door de RIVM, Nederlands Instituut voor onderzoek van de gezondheidszorg (NIVEL), Wageningen University & Research (WUR) en het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit van Utrecht (IRAS). Onderzoek naar oorzaken van longontstekingen rond geitenhouderijen (VGO III) bestaat uit verschillende onderdelen. Hierin wordt onderzocht welke ziekteverwekkers longontstekingen veroorzaken, aan welke ziekteverwekkers geitenhouders blootstaan (of hebben gestaan) en worden onder meer veegmonsters en luchtmonsters op geitenhouderijen genomen. Hiermee willen de onderzoekers achterhalen waarom mensen die wonen in de buurt van geitenhouderijen vaker een longontsteking hebben. De deelprojecten zijn als gevolg van de COVID-19 epidemie later gestart in september 2020 en de resultaten worden naar verwachting eind 2022
. Het VGO-III rapport is in februari 2025 gepubliceerd. Mogelijk leidt dit vervolgonderzoek naar
Dit RIVM-rapport bevestigt dat in gebieden met veel veehouderijen longontstekingen vaker voorkomen. Vooral omwonenden van geitenhouderijen lopen extra risico op longontsteking. Dit risico is het verband tussen geitenhouderijen en een groter aantal longontstekingen
grootst voor omwonenden tot nieuwe inzichten
mensen die het dichtstbij wonen. Indien uit
Het kabinet heeft naar aanleiding van dit landelijk onderzoek oorzaken
rapport de Gezondheidsraad om advies gevraagd. Pas na advies van de ziektelast door geitenhouderijen blijken en er zicht is op oplossingsgerichte maatregelen,
Gezondheidsraad worden verdere stappen verwacht. Afhankelijk van die stappen kan besloten worden in hoeverre en op welke wijze dit hoofdstuk van de omgevingsverordening wordt aangepast.
In het kader van het provinciaal belang van het beschermen en realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving heeft de provincie er voor gekozen om provinciebreed met een doelmatige en doeltreffende regeling te komen. Uit voorzorg voor de gezondheid van omwonenden in samenhang met de provinciale zorg voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en de daarmee verbonden bevordering van de kwaliteit van de leefomgeving, waaronder de volksgezondheid, hebben Provinciale Staten van Flevoland d.d. 30 januari 2019, nr. 2368315 en plan-ID NL.IMRO.9924.VBGeitenstop-VA01, met een voorbereidingsbesluit de verdere ontwikkeling van geitenhouderijen tijdelijk verboden op het grondgebied van de provincie (geitenstop). Dit voorbereidingsbesluit is inwerking getreden op 2 februari 2019.
Dit hoofdstuk in de omgevingsverordening bouwt voort op dit voorbereidingsbesluit. Met de inwerkingtreding van het hoofdstuk Geitenhouderijen in de Omgevingsverordening Flevoland per 1 augustus 2019 is het voorbereidingsbesluit van rechtswege (artikel4.1, vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening) vervallen.
De geitenstop bestaat uit het verbod op nieuwvestiging van geitenhouderijen (oprichten, vestigen e.d.) en op uitbreiding van bestaande geitenhouderijen voorzover
voor zover gelegen binnen een straal van twee kilometer van de rand van een woonkern (de vrijwaringszone geitenhouderijen).
ZZZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste en tweede lid.
Deze artikelleden bevatten rechtstreeks voor de geitenhouderij geldende verboden. De verboden betreffen (eerste lid) de nieuwvestiging van geitenhouderijen en (tweede lid) de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen gelegen binnen een straal van 2
twee kilometer van de rand van een woonkern. Deze regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid Omgevingswet (voorheen artikel 4.1, derde lid Wet ruimtelijke ordening). Gekozen is voor een combinatie met instructieregels (Artikel 17.4) als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid Omgevingswet. Het in deze vorm stellen van de regels in voorkomt dat de Flevolandse gemeenten al direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in de omgevingsverordening gestelde instructieregels zouden moeten hebben vertaald in alle omgevingsplannen. Dat zou niet doelmatig en doeltreffend zijn en ook de overgangstermijn doorkruisen waarin gemeenten kunnen toewerken naar een volledig en samenhangend omgevingsplan.
Deze verboden continueren het al in het voorbereidingsbesluit opgenomen verbod, dat voor alle duidelijkheid wat meer is uitgewerkt dan de in het voorbereidingsbesluit gebruikte algemene formulering. Beoogd is een bevriezing van de op de dag van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit legaal bestaande situatie. De peildatum is daarmee 2 februari 2019.
Eerste lid
Verboden is de nieuwvestiging van geitenhouderijen. De term 'geitenhouderij' lijkt op zichzelf voldoende duidelijk en wordt in de verordening niet anders bedoeld dan in het gangbare spraakgebruik. Het toevoegen van een begripsbepaling voor 'geitenhouderij' is nodig om de toepassing van het verbod tot nieuwvestiging (Artikel 17.3, eerste lid) en uitbreiding (Artikel 17.3, tweede lid) toe te snijden op geitenhouderijen van een bepaalde omvang. Voor het bepalen van de ondergrens van deze omvang heeft Flevoland in 2019 aansluiting gezocht bij regelgeving en jurisprudentie. Voor het aantal geiten dat gehouden kan worden, bieden
boden de artikelen 1.18 en 3.111 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (oud) een duidelijke aanwijzing. In die artikelen wordt als ondergrens het houden van 10 geiten genoemd. De ondergrens van 10 geiten wordt bovendien door meerdere provincies gehanteerd bij de geitenstop. Bij deze ondergrens heeft de provincie aansluiting gezocht.
Het op kleine schaal houden van geiten, zoals kinderboerderijen met minder dan 10 geiten, valt niet onder deze begripsbepaling en daarmee dus ook niet onder het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding.
Onder de definitie van geitenhouderij vallen eveneens gemengde veehouderijbedrijven en agrarische bedrijven, waarbinnen het houden van geiten niet de hoofdzaak van de bedrijfsvoering inhoudt. De regeling geldt voor de geitenhouderij als geheel, ongeacht de verschijning in de vorm van grondgebonden, intensief en biologisch. Hieruit volgt dat het (geheel of gedeeltelijk) wijzigen van (gemengde) veehouderijbedrijven en/of agrarische bedrijven met de ontwikkeling van een nieuwe (neven-)tak voor het houden van 10 geiten of meer eveneens verboden is. Een dergelijke ontwikkeling is gelet op de definitie van geitenhouderij op te vatten als nieuwvestiging.
Voor alle duidelijk wordt nog opgemerkt dat met 'geiten' de soortnaam wordt bedoeld. Onder de term 'geitenhouderij' valt dus ook de 'bokkenhouderij'.
Tweede lid
Bestaande geitenhouderijen gelegen buiten de straal van twee kilometer van de rand van een woonkern mogen uitbreiden, uiteraard mits de uitbreiding voldoet aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (en daarmee juridisch planologisch inpasbaar) en voor de uitbreiding een omgevingsvergunning kan worden verleend.
Om duidelijk te maken hoever de geitenstop reikt, is een definitie van bestaande geitenhouderij opgenomen. Deze definitie beschrijft de legaal geldende situatie per de peildatum 2 februari 2019. Hiermee wordt gedoeld op geitenhouderijen die op dat moment enerzijds in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan of met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan Èn
èn anderzijds voor alle onderdelen beschikken over de benodigde omgevingsvergunningen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (bouwen, milieu, beperkte milieutoets) dan wel in werking zijn conform een melding op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze legale bestaande geitenhouderijen mogen uitbreiden, uiteraard mits de uitbreiding voldoet aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (en daarmee juridisch planologisch inpasbaar) en voor de uitbreiding een omgevingsvergunning kan worden verleend.
De legaal geldende situatie kan echter afwijken van de feitelijke situatie. De situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen dat er sprake is van een geitenhouderij waarvoor een omgevingsvergunning onderdeel milieu (artikel 2.1, eerste lid onder e en i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) is afgegeven, die niet voldoet aan de planologische situatie. Anderzijds is het mogelijk dat voor een situatie die past binnen het bestemmingsplan mogelijk geen omgevingsvergunning onderdeel milieu is verleend of een melding Activiteitenbesluit milieubeheer is gedaan. Tenslotte kan er ook sprake zijn van strijdigheid ten aanzien van het bestemmingsplan in combinatie met het ontbreken van de benodigde omgevingsvergunning(en). Het moge duidelijk zijn dat deze geitenhouderijen niet vallen onder de definitie van bestaande geitenhouderijen en als gevolg daarvan niet mogen uitbreiden.
Artikel 17.4 staat geen afwijking van het omgevingsplan toe en dus kan ook geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden verleend (artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet en artikel 8.0b van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Derde lid
Totdat een onherroepelijk omgevingsplan in overeenstemming is met de verboden van Artikel 17.4, eerste lid en Artikel 17.4, tweede lid, geldt Artikel 17.3, derde lid als rechtstreeks werkende regel met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid Omgevingswet (voorheen artikel 4.1, derde lid Wet ruimtelijke ordening). Hiermee wordt er voor gezorgd dat -als onverhoopt de onderzoeken (zie de toelichting bij Artikel 17.4) geen duidelijkheid bieden over de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking- de tijdelijke verbodsbepaling in de omgevingsverordening en de implementatie daarvan in de omgevingsplannen naadloos (in de tijd) op elkaar aansluiten.
AAAAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste en derde lid
Gekozen is voor een combinatie van rechtstreeks werkende regels (Artikel 17.3) met instructieregels als bedoeld in artikel 2.22, eerste lid Omgevingswet. Artikel 17.4, eerste lid en Artikel 17.4, derde lid bevatten de inhoudelijke instructieregels aan de gemeenten om de geitenstop in het omgevingsplan op te nemen. Het omgevingsplan dient (eerste lid) de nieuwvestiging van geitenhouderijen en (derde lid) de uitbreiding van bestaande geitenhouderijen gelegen in de vrijwaringszone geitenhouderijen uit te sluiten. De rechtstreeks werkende regels van Artikel 17.3 gelden zolang en voor zover gemeenten nog geen uitvoering hebben gegeven aan de instructieregels (Artikel 17.3, derde lid).
Tweede lid
In onderzoeken en adviezen van het RIVM en GGD’s zijn mogelijke gezondheidsrisico’s aangetoond voor omwonenden rondom geitenhouderijen. Deze risico’s zijn met name aanwezig in een straal van twee kilometer van de rand van een woonkern. Daarom is aanvullend op de inhoudelijke instructieregels van het eerste en derde lid een instructie opgenomen om in de omgevingsplannen een vrijwaringszone op te nemen bestaande uit een zone van 2 kilometer rondom de in Flevoland aanwezige woonkernen gemeten vanaf de rand van de woonkern.
Voor de definitie van het begrip woonkern is aangesloten bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Onder deze definitie kunnen in de Flevolandse situatie ook ontwikkelingen vallen woonmilieus zoals landgoederen en de objecten waar permanente bewoning is toegestaan. Aanvullend daarop zijn bekende toekomstige ontwikkelingen bij Almere en Zeewolde (Oosterwold) en in Noordoostpolder (Wellerwaard) beschermd door in de definitie te verwijzen naar de Intergemeentelijke structuurvisie Oosterwold (NL.IMRO.0034.SV5ADEHVZ01-vg01 / NL.IMRO.0050.ISVOosterwold-VS01) en het bestemmingsplan Wellerwaard – partiële herziening (NL.IMRO.0171.BP00560-VS01).
De geometrische begrenzing van de vrijwaringszone moet worden vastgelegd in een werkingsgebied. De in dit gebied geldende regels, in ieder geval het verbod op het uitbreiden van bestaande geitenhouderijen, zijn gekoppeld aan het werkingsgebied. Dit maakt het mogelijk dat in het DSO bij een klik op de kaart alleen de in de vrijwaringszone geitenhouderijen geldende regels zichtbaar worden.
Vierde lid
Gelet op artikel 2.23, derde lid, Omgevingswet kan bij instructieregels een termijn worden gesteld waarbinnen aan de instructie uitvoering moet zijn gegeven. Binnen de systematiek van de Wet ruimtelijke ordening gold hiervoor een termijn van één jaar na inwerkingtreding van de verordening, dus oorspronkelijk tot 1 augustus 2020. Omdat de verwachting is dat het verbod slechts tijdelijk van aard is, wil de provincie onnodige administratieve lasten bij gemeenten voorkomen. Daarom is in 2019 in artikel 16.4 van de inmiddels vervallen Omgevingsverordening Flevoland de onder de Wet ruimtelijke ordening verplichte termijn van één jaar verlengd tot 1 januari 2024. Deze datum is destijds gekozen door twee jaar op te tellen bij de verwachte datum van publicatie van het rapport van het RIVM/IRAS per januari 2022. Dit in verband met de benodigde tijd voor het opstellen, vaststellen en onherroepelijk worden van een bestemmingsplan voor het landelijk gebied.
Vervolgens werd bekend dat de resultaten van de onderzoeken waarschijnlijk eind 2022 zouden worden gepubliceerd, een jaar later dan eerder werd aangenomen. In verband hiermee is in Artikel 17.4, vierde lid van deze Omgevingsverordening de termijn waarbinnen gemeenten uitvoering aan de instructie moet hebben gegeven aangepast in 1 januari 2025.
Inmiddels communiceert
Vervolgens communiceerde het RIVM dat de eindrapportage van alle deelprojecten samen staat gepland voor eind 2024. Als gevolg hiervan is de termijn waarbinnen gemeenten uitvoering aan de instructie moeten hebben gegeven aangepast in 1 januari 2032. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de termijn voor de overgangsfase van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.6 derde lid Omgevingswet en het Besluit van 10 juli 2023 tot vaststelling van een aantal tijdstippen waarvan in de Omgevingswet en daarmee verband houdende wet- en regelgeving is aangegeven dat deze bij koninklijk besluit worden bepaald en tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.8, onderdeel B, van de Invoeringswet Omgevingswet (Staatsblad 2023, 267).
Inmiddels is het RIVM-rapport VGO III in februari 2025 gepubliceerd. Dit heeft geen gevolgen voor de termijn waarbinnen gemeenten aan de instructieregel van dit artikellid dienen te voldoen.
In de tussentijd geldt Artikel 17.3. Hiermee wordt er voor gezorgd dat –als onverhoopt de onderzoeken geen duidelijkheid bieden over de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking– de tijdelijke verbodsbepaling in de omgevingsverordening en de implementatie daarvan in de omgevingsplannen naadloos (in de tijd) op elkaar aansluiten.
BBBBBB
Na sectie 17.4 worden drie secties ingevoegd, luidende:
Het te beschermen belang
De gemeente Noordoostpolder, de provincie Flevoland, het Koninklijk Nederlands Lucht- en Ruimtevaartcentrum (NLR) en de Duits-Nederlandse Windtunnel (DNW) hebben zich samen ingezet voor de ontwikkeling van het Mobiliteit Infrastructuur Test Centrum (MITC) te Marknesse. NLR en de DNW vormen op dit moment het hart van het MITC. Binnenkort voegen ook de RDW en Politie zich daarbij. Het MITC vormt daarmee een testcentrum dat provinciaal, nationaal en internationaal toonaangevend is en belangrijk is voor de regionale brede welvaart en de werkgelegenheid. Met de Regio Deal Noordelijk Flevoland (2e tranche, 2019) wordt deze ontwikkeling gestimuleerd. Bij de Regio Deal investeren zowel Rijk, provincie als gemeente in de ontwikkeling.
De provincie heeft het MITC daarom in haar beleid aangeduid als een bovenregionaal bedrijventerrein (zie: Provinciaal blad 2023, 9051 en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/documenten/NL.IMRO.9924.OPMITCMarknesse-VA01). Het NLR maakt een wezenlijk onderdeel uit van het MITC. Het testen en kunnen oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen is cruciaal voor de functie en taak van het NLR. Voor het behoud en de ontwikkeling van het MITC zijn ontwikkelingen en activiteiten die de exploitatiemogelijkheden van bedrijven die op het MITC zijn gevestigd kunnen beperken, op de lijst van gevallen van provinciaal belang (zie: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR739483) geplaatst. In die gevallen is voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor dergelijke activiteiten/ontwikkelingen advies met instemming van de provincie vereist.
De veranderende wereld van technologie en geopolitiek leidt tot een steeds groter wordende vraag naar drones voor maatschappelijk relevante civiele en militaire doeleinden. Zonder het kunnen benutten van testruimte is het ontwikkelen van een veilig en verantwoorde inpassing van drones in de leefomgeving, zowel in de lucht als op de grond niet mogelijk. De ruimte in de lucht om te kunnen testen en oefenen is schaars. De combinatie van faciliteiten voor toegepast onderzoek en de combinatie met het luchtruim rondom het MITC is uniek. Hier kan beyond visual line of sight gevlogen worden en kunnen operationeel relevante vraagstukken getoetst en getest worden.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 9 september 2026 in twee uitspraken (ECLI:NL:RVS:2026:5216 en ECLI:NL:RVS:2026:5241) bevestigd dat de bescherming van de test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen samenhangt met het functioneren van het MITC en het NLR Drone Centre en daarmee een provinciaal belang dient. Tevens heeft de Raad van State geoordeeld dat deze activiteiten bijdragen aan innovatie, economische ontwikkeling en defensie- en veiligheidsbelangen. Daarmee bieden de uitspraken aanvullende steun voor de provinciale onderbouwing van voorliggende instructieregels.
Gelet op het belang van de test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen, ligt het in de rede dat dit belang, bij het maken van keuzen tussen verschillende belangen, vóór gaat op andere belangen.
Genomen besluiten – Instructiebesluit en Voorbereidingsbesluit
Ontwikkelingen staan in de omgeving van het MITC niet stil en dit kan ertoe leiden dat de test- en oefenruimte voor het MITC al dan niet geleidelijk steeds meer wordt beperkt. Een concrete ontwikkeling heeft de urgentie duidelijk gemaakt dat op dat moment onmiddellijk bescherming van de test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen nodig is om onomkeerbare ontwikkelingen tegen te gaan. Dit heeft ertoe geleid dat Gedeputeerde Staten op 28 maart 2025 het Instructiebesluit Behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen MITC/NLR (hierna: Instructiebesluit) hebben vastgesteld en bekendgemaakt aan de gemeente Noordoostpolder (zie: Provinciaal blad 2025, 5346 en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/documenten/_akn_nl_act_pv24_2025_9_41).
Bij het geven van de instructie redeneert de provincie vanuit het al in het Omgevingsprogramma Flevoland aangegeven provinciaal belang voor het MITC, waarvan NLR een essentieel onderdeel vormt. Aan de gemeente Noordoostpolder is de instructie gegeven om geen regels op te nemen in het omgevingsplan die het testen van of het oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen binnen het werkingsgebied Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen onevenredig belemmeren, tenzij uit een advies vanuit het Ministerie Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie van Defensie blijkt dat daartegen geen bezwaar bestaat.
Op 9 september 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak gedaan over het provinciale instructiebesluit MITC/NLR (ECLI:NL:RVS:2026:5216) en het gemeentelijke bestemmingsplan voor Netl (ECLI:NL:RVS:2026:5241). De Afdeling heeft het instructiebesluit vernietigd vanwege juridische gebreken. Tegelijkertijd heeft de Afdeling bevestigd dat de bescherming van de test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen samenhangt met het functioneren van het MITC en het NLR Drone Centre en dat hiermee een provinciaal belang is gemoeid. De Afdeling heeft daarnaast geoordeeld dat de gemeente Noordoostpolder in het bestemmingsplan voor Netl onvoldoende rekening heeft gehouden met dit belang. De uitspraken vormen daarmee een bevestiging van het provinciale belang dat met de instructieregels in dit hoofdstuk wordt beschermd. De vernietiging van het instructiebesluit maakt dit niet anders.
Om te voorzien in een structurele bescherming van de test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen rondom het MITC hebben Provinciale Staten op 14 mei 2025 het Voorbereidingsbesluit Behoud test- en oefenruimte (on)bemande luchtvaartuigen bij het MITC (hierna: Voorbereidingsbesluit) vastgesteld (zie: Provinciaal blad 2025, 8056 en https://omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart/documenten/_akn_nl_act_gm0171_2020_omgevingsplan/regels#_akn_nl_act_pv24_2025_12_42_gm0171). Het Voorbereidingsbesluit bepaalt dat instructieregels in de omgevingsverordening worden voorbereid en dat aan het omgevingsplan van de gemeente Noordoostpolder voorbeschermingsregels worden toegevoegd. Met de voorbeschermingsregels wordt in het omgevingsplan een (binnenplanse) vergunningsplicht en toetsingskader gegeven waarmee ontwikkelingen zo nodig tegen gehouden kunnen worden.
De combinatie van het Voorbereidingsbesluit met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan en de instructieregels in de omgevingsverordening maken het toetsingskader voor het vaststellen van omgevingsplannen en het verlenen van omgevingsvergunningen compleet.
Geldingsduur voorbeschermingsregels
De voorbeschermingsregels voor het omgevingsplan van Noordoostpolder zijn nodig in verband met het voorbereiden van instructieregels in de Omgevingsverordening provincie Flevoland. De grondslag is artikel 4.16 van de Omgevingswet.
De voorbeschermingsregels vangen aan met een voorrangsbepaling die ervoor zorgt dat, voor zover er elders in dit omgevingsplan regels staan die strijdig zijn met de voorbeschermingsregels, die voorbeschermingsregels gelden. Dit geldt alleen binnen het werkingsgebied ‘Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen’.
De voorbeschermingsregels zijn direct na bekendmaking in het Provinciaal Blad op 16 mei 2025 inwerking getreden en vervallen gelet op artikel 4.16, vijfde lid Omgevingswet na 1 jaar en 6 maanden. De instructieregels van dit hoofdstuk zijn binnen deze termijn bekendgemaakt, waardoor de voorbeschermingsregels pas vervallen op het moment dat:
het omgevingsplan aan de instructieregels is aangepast en in werking treedt, of
de rechter het besluit tot wijziging van het omgevingsplan vernietigt.
Doorwerking voorbeschermings- en instructieregels op aanvraag omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit
aanvraag binnenplanse omgevingsplanactiviteit
Het bevoegd gezag verleent een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplan-activiteit als de activiteit niet in strijd is met de regels in het omgevingsplan over het verlenen van de omgevingsvergunning (artikel 8.0a, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Deze beoordeling omvat ook een toets aan de voorbeschermingsregels in het omgevingsplan. In de voorbeschermingsregels is bepaald dat de omgevingsvergunning wordt geweigerd, indien door de activiteiten de locatie minder geschikt wordt voor het behouden van test- en oefenruimte voor (on)bemande luchtvaartuigen binnen het werkingsgebied ‘Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen’ rondom het MITC.
aanvraag buitenplanse omgevingsplanactiviteit
Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen verlenen met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a tweede lid Bkl). Het bevoegd gezag toetst hierbij onder andere aan de voorbeschermingsregels in het omgevingsplan alsook aan de provinciale instructieregels. Het bevoegd gezag moet de omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit weigeren als de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan of strijdig is met de instructieregels uit dit hoofdstuk. Dit volgt uit het tweede lid, onder a en b, van de artikelen 8.0b en 8.0c Bkl.
Het werkingsgebied is het Luchtruim voor testen van of oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen rondom het MITC. Dit werkingsgebied is opgenomen in bijlage II en is gelijk aan het werkingsgebied voor het eerdergenoemde Instructiebesluit en het Voorbereidingsbesluit. Het omvat de volgende gebieden:
* In de “Regeling beperking of verbod uitoefening burgerluchtverkeer in bepaalde gebieden 2018” zijn de gebieden EHR 66 en EHTSA 67 aangewezen als militaire oefengebieden.
** Het gebied TGB NLR testcentrum high is bij beschikking aangewezen door de minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Eerste lid
Voor het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen is door het Rijk luchtruim aangewezen. Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Defensie zijn samen verantwoordelijk voor het luchtruim. Het aangewezen gebied kan echter niet voor testen en oefenen worden gebruikt, als daar gebruik van gronden en bouwwerken en/of activiteiten plaatsvindt, waardoor het niet veilig is om te testen en te oefenen. Voor het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen moet worden voldaan aan Europese en nationale wet- en regelgeving. Er moet voldaan worden aan de eis in paragraaf 2.4.3 van bijlage IX van de Algemene luchtvaartverordening (Basisverordening (EU) 2018/1139), waarin staat dat gedurende de hele periode van testen een passende separatie ten opzichte van derden op de grond moet worden gewaarborgd. Ook zal voldaan moeten worden aan de Wet luchtvaart waarin is bepaald dat deelname aan het luchtverkeer geen gevaar voor personen of zaken mag opleveren (artikel 5.3 Wet luchtvaart). In de Europese handreiking Specific Operations Risk Assessment (SORA) is uitgewerkt hoe om te gaan met veiligheid. Er kan alleen getest worden in gebieden waar niet te veel mensen aanwezig zijn op het moment van testen (sparcely populated). Gebieden waar veel mensen aanwezig kunnen zijn betreffen onder andere stedelijke en recreatieve gebieden. Op 29 september 2025 is SORA 2.0 vervangen door SORA 2.5 (https://www.easa.europa.eu/en/document-library/agency-decisions/ed-decision-2025018r). In deze nieuwere versie is in Europees verband bepaald waar kwantitatief de grens van ‘te veel mensen’ ligt, namelijk 500 personen per vierante kilometer. De SORA is bindend voor het NLR.
De aanwijzing van het luchtruim is soms onvoldoende bekend. Ook is er wettelijk (nog) geen wederzijdse koppeling gelegd tussen het luchtzijdig en landzijdig gebruik in een gebied. Activiteiten/ontwikkelingen op de grond kunnen ertoe leiden dat er feitelijk geen gebruik gemaakt kan worden van de aangewezen test- en oefenruimte. Het toelaten van ontwikkelingen/activiteiten op de grond kan er (al dan niet geleidelijk) voor zorgen dat het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen te veel wordt beperkt of gevaarlijke omstandigheden opleveren zoals bedoeld in de Wet luchtvaart. Om dit te voorkomen bepaalt deze instructieregel dat er in het omgevingsplan een verbod opgenomen geen functies worden toebedeeld die het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen op enig moment kunnen beperken.
Tweede lid
In het tweede lid is bepaald dat in een omgevingsplan een verbod moet worden opgenomen om zonder omgevingsvergunning binnen het werkingsgebied het gebruik van gronden of bouwwerken te wijzigen of bouwwerken te bouwen die het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen op enig moment kunnen beperken.
Derde lid
Het derde lid voorziet in het respecteren van activiteiten/ontwikkelingen waarvoor bestaande rechten gelden. Onder de uitzonderingen wordt verstaan:
Bij bebouwing gaat het om bebouwing zoals legaal aanwezig op het tijdstip van vaststelling van de voorbeschermingsregels uit het eerdergenoemde Voorbereidingsbesluit (14 mei 2025), dan wel mag worden gebouwd op grond van en voor de duur van een omgevingsvergunning die is verleend op of voor 28 maart 2025.
Bij gebruik gaat het om gebruik zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van de voorbeschermingsregels uit het Voorbereidingsbesluit (14 mei 2025) of op grond van en voor de duur van een omgevingsvergunning die is verleend op of voor 28 maart 2025.
Indien het gebruik feitelijk gedurende 1 jaar is gestaakt, mag dit gebruik niet worden hervat.
Als peildatum geldt hiervoor 28 maart 2025. Daarmee wordt aangesloten bij het moment waarop Gedeputeerde Staten de bescherming van de test- en oefenruimte voor het eerst juridisch hebben verankerd via het instructiebesluit. Hoewel het instructiebesluit op 9 september 2026 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is vernietigd wegens juridische gebreken, is ervoor gekozen deze peildatum te handhaven. Hiermee blijft aangesloten bij de bestaande beschermingssystematiek en wordt voorkomen dat er verschillen ontstaan tussen de peildatum in het voorbereidingsbesluit met voorbeschermingsregels (eveneens 28 maart 2025) en deze instructieregels.
Vierde lid
In dit lid is voor de volledigheid bepaald dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 18.3, tweede lid alleen verleend, indien het belang waartoe de regeling is opgenomen zich daartegen niet verzet. Het bevoegd gezag voor deze omgevingsvergunning volgt uit paragraaf 5.1.2 Omgevingswet en afdeling 4.1 Omgevingsbesluit. Over het algemeen zal dit het college van burgemeester en wethouders zijn.
Daarnaast ziet het vierde lid op de rol van Gedeputeerde Staten bij het proces van vergunningverlening tot het wijzigen van het gebruik van gronden of bouwwerken of het bouwen van bouwwerken die het testen en oefenen met (on)bemande luchtvaartuigen op enig moment kunnen beperken.
Bij een aanvraag van een dergelijke omgevingsvergunning treden Gedeputeerde Staten op als adviseur met instemmingsrecht. Dit wordt in het omgevingsplan bepaald op grond van artikel 16.15 van de Omgevingswet. Dat Gedeputeerde Staten ook instemmingsrecht hebben volgt uit de artikelen 16.16 Omgevingswet en 4.25 derde lid onder b Omgevingsbesluit én de aanwijzing van het MITC op de Lijst van gevallen van provinciaal belang provincie Flevoland.
Gedeputeerde Staten vragen alvorens het uitbrengen van advies en het geven van instemming advies aan het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het ministerie van Defensie. Deze twee ministeries kunnen als gezamenlijke beheerders van het luchtruim een passende inschatting maken van de (mogelijk negatieve) gevolgen van de verlening van de aangevraagde omgevingsvergunning. Daarnaast zijn er ook verscheidene Europese richtlijnen/handvatten voor het vliegen met (ongecertificeerde) drones, waarvoor de genoemde ministeries de verantwoordelijkheid dragen om deze om te zetten in nationale wet- en regelgeving. Gedeputeerde Staten zullen in beginsel negatief adviseren en instemming onthouden indien het advies van de ministeries negatief luidt.
CCCCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk regelt de kwaliteit van de door en in opdracht van gedeputeerde staten uitgevoerde vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) van het omgevingsrecht als bedoeld in artikel 18.20, tweede lid en artikel 18.23, eerste lid onder b van de Omgevingswet.
Achtergrond en aanleiding
Samen met het kabinet werken gemeenten en provincies aan het verbeteren van de uitvoering van het omgevingsrecht. De visie van het kabinet over de verbetering staat beschreven in het kabinetsstandpunt (november 2008) waarin het kabinet reageert op de analyses en voorstellen van de commissie Mans, Oosting, Lodders, d'Hondt en de invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De verbeterpunten zijn terug te brengen tot drie hoofdpunten:
De kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken;
Het verbeteren van de afstemming strafrecht-bestuursrecht;
De bevoegdheidsverdeling overheden, interbestuurlijk toezicht en bestuurlijke drukte.
Het IPO en de VNG hebben afspraken gemaakt met het kabinet over hoe zij gezamenlijk met de departementen werken aan het verbeteren van deze punten. Deze afspraken zijn deels vastgelegd in de Package Deal (29 september 2009). Hiertoe is een gezamenlijk programma (PumA, programma uitvoering met ambitie) opgezet, dat inmiddels is afgerond. Zo is er nu onder meer een landelijk stelsel van omgevingsdiensten, zijn de kwaliteitscriteria VTH 2.1 voor de uitvoering van de Wabo in brede samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkeld, bestuurlijk vastgesteld (in juni 2012) en beschikbaar gesteld en is er een landelijke handhavingsstrategie voor bestuurs- en strafrecht. Vervolgens hebben in 2018 en 2019 onder leiding van IPO en VNG gemeenten, provincies en omgevingsdiensten zich actualisatie gebogen over de actualisatie van de kwaliteitscriteria. Dit heeft geleid tot de kwaliteitscriteria VTH 2.2, die elk bevoegd gezag (gemeente en provincie) dient toe te passen. Daarna is in 2022 landelijk de set 2.3 vastgesteld en in de omgevingsverordening opgenomen per 1 januari 2024. Op 25 september 2024 heeft tenslotte het Bestuurlijk Overleg IBP VTH de Kwaliteitscriteria VTH 3.0 vastgesteld, die per 1 januari 2025 zal
is gaan gelden. Op 17 maart 2026 is landelijk een beperkte revisie vastgesteld en is versie 3.1 opgenomen.
Bij het verankeren van de afspraken in de wet zijn door de VNG en het IPO nieuwe afspraken gemaakt met het kabinet. De Wet Verbetering vergunningverlening, toezicht en handhaving (Wet VTH), die paragraaf 5.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht vervangt, is geschreven vanuit een stelsel dat gebaseerd is op vertrouwen en decentralisatie. Dit betekent dat een belangrijk deel van de besluitvorming over de kwaliteit van de uitvoering decentraal plaatsvindt door de desbetreffende bevoegde gezagen. Leidend hierin is de afspraak met het kabinet dat er een landelijk kwaliteitsniveau moet worden gerealiseerd en behouden. In de praktijk blijkt dat de kwaliteit van de uitvoering en handhaving afhankelijk is van de wijze waarop alle betrokken partijen bij de vergunningverlening, het toezicht en de handhaving zich daarvoor inzetten door samenwerking. Hier geldt dat de ketting zo sterk is als de zwakste schakel.
Dit gegeven laat onverlet dat verschillende snelheden bestaan in het bereiken van kwaliteit, bijvoorbeeld waar het de beschikbaarheid en deskundigheid van de betrokken organisaties betreft. Dit geldt overigens niet alleen voor de diensten van gemeenten en provincies, maar ook voor omgevingsdiensten. De eisen die dit hoofdstuk aan de organisatie van de provinciebesturen en in hun opdracht de omgevingsdiensten stelt, berusten daarom op het vertrekpunt van de Kwaliteitscriteria VTH 3.0 die door de betrokken organisaties toegepast dienen te worden volgens de regel "comply or explain" (zie daarover verder de artikelsgewijze toelichting bij Artikel 20.5).
In alle gevallen zullen gedeputeerde staten, als bevoegd gezag, op grond van artikel 13.5 Omgevingsbesluit beleid moeten voeren over uitvoering en handhaving van het basistakenpakket enerzijds en anderzijds de plus- en thuistaken. Dit hoofdstuk regelt dat de verrichtingen van de organisatie van de provincie en de omgevingsdiensten, waar het de VTH-taken betreft, in het licht van de in het beleid geformuleerde doelen worden beoordeeld. Tot slot regelt het dat provinciale staten, in het kader van horizontale verantwoording, inhoudelijk debat voeren over de hoofdlijnen van het meerjarige kwaliteitsbeleid dat door gedeputeerde staten wordt gevoerd.
Dit hoofdstuk beoogt zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande rapportage en informatiestromen op basis van het Omgevingsbesluit en de organieke wetgeving en introduceert geen nieuwe rapportageverplichtingen. Het vereist wel extra input over kwaliteit voor bestaande rapportages. Het is van groot belang dat een tijdige en transparante uitvoering van bestaande verplichtingen bijdragen aan de mogelijkheid voor de ambtelijke diensten, het bevoegde college en provinciale staten om ieders rol in de kwaliteitsketen te kunnen spelen. Dit hoofdstuk is vanuit deze bestaande competentieverdeling gericht op horizontale verantwoording.
Hoofdlijnen van de regeling
Dit hoofdstuk vormt het kader voor de kwaliteit van de VTH-taken bij de provincie en in opdracht daarvan handelende (omgevings)diensten. Met dit hoofdstuk binden provinciale staten het college van gedeputeerde staten, en de in opdracht daarvan handelende omgevingsdiensten, aan een uniforme ambitie voor kwaliteit. Vertrekpunt zijn de kwaliteitscriteria VTH (die zijn verankerd in Artikel 20.5, zie ook de artikelsgewijze toelichting) en andere standaarden en methoden die door het bevoegde gezag al veel worden gehanteerd. Deze zijn ontwikkeld en worden toegepast met als doel de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving te waarborgen en te bevorderen. Of dat het geval is, moet jaarlijks worden beoordeeld door gedeputeerde staten. Hiervoor is input nodig van de omgevingsdiensten en de interne provinciale organisatie. gedeputeerde staten zullen beoordelen 'of het goed gaat' op basis van de door henzelf geformuleerde beleidsdoelen.
Uiteindelijk leggen gedeputeerde staten hierover verantwoording af aan provinciale staten (horizontale verantwoording). Provinciale staten vormen immers een eigen oordeel "of het goed gaat" in het licht van de kwaliteit van de leefomgeving. De politiek-bestuurlijke overwegingen van provinciale staten zullen betrekking hebben op de meerjarige hoofdlijnen van het beleid, niet op de organisatorische kwesties van bezetting die tot de competentie van de directeuren van de diensten behoort. Daarbij zal ook het verband gelegd kunnen worden tussen de strategische plannen en visies over de hoofdlijnen van het omgevingsbeleid binnen de provincie, zoals de Omgevingsvisie FlevolandStraks en het Omgevingsprogramma Flevoland. Provinciale staten oefenen invloed uit op de formulering van doelen en indicatoren door gedeputeerde staten en op de bijstelling daarvan zoals bijvoorbeeld welke informatie zij willen terug zien in de verantwoordingsrapportages van gedeputeerde staten. In die zin worden de kaders voor de beoordeling van provinciale staten overgelaten aan het politieke debat over kwaliteit.
Zo ordent Hoofdstuk 20 de kwaliteit van vergunningverlening, toezicht en handhaving door de betrokken actoren met elkaar te verbinden vanuit ieders competentie:
De organisaties werken onder leiding van hun directie overeenkomstig de kwaliteitscriteria VTH met betrekking tot deskundigheid en beschikbaarheid, en leggen rekenschap af aan gedeputeerde staten die hiervoor verantwoording aflegt aan provinciale staten.
Gedeputeerde staten zijn, als bevoegde bestuursorgaan, belast met het stellen van beleidsdoelen voor de kwaliteit van de vergunningverlening, toezicht en handhaving, overeenkomstig de procesregels van het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling.
Provinciale staten oefenen horizontaal toezicht uit op "hun" college en gebruiken waar nodig de krachtens de organieke wetten de aan hun toekomende mogelijkheden met het oog op de hoofdlijnen en de continuÏteit het beleid over de kwaliteit van VTH, als belangrijk onderdeel van de zorg voor een veilige en gezonde leefomgeving.
DDDDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Als op grond van de omgevingsverordening gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens, net als de melding, begeleid door een aantal algemene gegevens.Ten
gegevens. Ten aanzien hiervan geldt artikel 7.3 Omgevingsregeling. Aanvullend daarop is in dit hoofdstuk met Artikel 21.2 geregeld welke inhoudelijke gegevens en bescheiden daarnaast moeten worden overlegd. Dit artikel is vergelijkbaar geformuleerd met artikel 2.18 Besluit activiteiten leefomgeving voor milieubelastende activiteiten.
In Artikel 21.2 is aansluiting gezocht bij de algemene gegevens die op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht bij een aanvraag voor een beschikking worden gevraagd. In plaats van de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd, gaat het bij het verstrekken van gegevens en bescheiden over een activiteit om een aanduiding van welke activiteit er zal worden verricht. Onder a is daarom opgenomen dat moet worden aangegeven welke activiteit waarover gegevens worden verstrekt, het betreft. Daarnaast is ter identificatie van belang de naam en het adres van degene die de activiteit verricht. Als het adres waarop de activiteit waarover gegevens worden verstrekt, een ander adres is dan het adres van degene die de activiteit verricht, bijvoorbeeld omdat er meerdere bedrijfslocaties zijn, wordt ook dat adres verstrekt.
Daarnaast worden in de diverse thematische hoofdstukken van deze verordening aanvullende inhoudelijke informatie gevraagd.
EEEEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het eerste lid bevat overgangsrecht voor open bodemenergiesystemen die geïnstalleerd zijn voor inwerkingtreding van de vergunningplicht in artikel 6.4 van de Waterwet op 1 juli 2013 en de daarbij horende regels voor open bodemenergiesystemen. Met dit overgangsrecht wordt duidelijk dat voor vergunningen die verleend zijn voor 1 juli 2013 het recht zoals toen gold van toepassing is. Dit is in lijn met het overgangsrecht zoals opgenomen in artikel 4.1157a van het Besluit activiteiten leefomgeving.
In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor aanwezige meldingsplichtige bodemenergiesystemen die met een aanwijzing van een interferentiegebied in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 2.2b van het Besluit omgevingsrecht automatisch vergunningplichtig zouden worden. Voor bestaande systemen is dat onwenselijk en dient het bestaande recht gehandhaafd te blijven. Artikel 22.8, tweede lid voorziet daarin. Artikel 8.2.11 van het Invoeringsbesluit regelt het overgangsrecht waardoor de gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 2.2b, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht van kracht blijft tot 2029. Daarna moeten de regels omgezet worden naar het omgevingsplan.
Het derde lid regelt het overgangsrecht tussen 1 september 2007 en 22 december 2009 voor de verandering van de toetsdiepte voor een grondwaterwetvergunningen. De toetsdiepte voor grondwaterwetvergunningen is per 1 september 2007 veranderd van een vaste grens van 30 meter in een meer gebiedsspecifieke toetsdiepte zoals opgenomen in de boringsvrije zone. Voor die onttrekkingen die voor die datum onder de meldingsplicht vielen maar door de introductie van de nieuwe toetsdiepten vanaf 1 september 2007 onder de vergunningplicht komen te vallen is overgangsrecht opgesteld. De meldingen worden in dat geval gelijkgesteld met een vergunning.
FFFFFF
Na sectie 22.11 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Voorzien is in overgangsrecht voor bestaande rechten uit het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet e/o omgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten waaraan vóór 1 juli 2027 al planologische medewerking is verleend en voor woningbouwprojecten die al zo ver in voorbereiding of ontwikkeling zijn dat aanpassingen aan de norm voor nestbewust bouwen redelijkerwijs niet meer doorgevoerd door en van de projectontwikkelaar e/o de betrokken aannemer(s) gevergd kunnen worden (de zogenaamde ‘pijplijnprojecten’ of ‘lopende procedures’). De fase waarin de voorbereiding van een woningbouwproject op de datum waarop deze instructieregel in werking treedt (1 juli 2027) nog ergens in de pijplijn zit, is bepalend voor het antwoord op de vraag of dat project wel of niet aan de norm voor netbewust bouwen hoeft te voldoen. De aanduiding van die omslagmomenten tijdens in de ‘pijplijn’ of tijdens de lopende procedure wordt geconcretiseerd in de achtereenvolgende onderdelen.
Onderdelen a en b:
Planologische medewerking aan een nieuwe woningbouwactiviteit kan via verschillende besluiten vorm krijgen: het wijzigen van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit (BOPA) en het nemen van een projectbesluit. Afhankelijk van het besluittype is de korte (titel 4.1 van de Awb) of de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb) van toepassing. Bij de formulering van deze overgangsrechtelijke bepaling is met beide mogelijkheden rekening gehouden. Bij toepassing van titel 4.1 is het moment van terinzagelegging van de aanvraag (artikel 16.57 Omgevingswet) beslissend of Artikel 14.34 op het besluit op die aanvraag van toepassing is (sub b). Bij toepassing van afdeling 3.4 is het moment van terinzagelegging van het ontwerpbesluit – en dus niet het eerdere moment van terinzagelegging van de aanvraag – beslissend of Artikel 14.34 op het besluit op die aanvraag van toepassing is (sub a). Bij een wijziging van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet in verbinding met artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet) en bij het nemen van een projectbesluit is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing (zie de artikelen 16.71 van de Omgevingswet, 5.5a en 10.3c van het Omgevingsbesluit) en geldt dus onderdeel a. Bij de BOPA geldt in beginsel de korte (of reguliere) voorbereidingsprocedure en dus onderdeel b, tenzij toepassing wordt gegeven aan de uitgebreide voorbereidingsprocedure op verzoek of met instemming van de aanvrager (artikel 16.65, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit) of op aangeven van het bevoegd gezag (artikel 16.65, vierde lid, van het Omgevingsbesluit).
Onderdeel c:
Het gaat bij dit onderdeel om woningbouwplannen die, ondanks dat er al een anterieure overeenkomst en stedenbouwkundig plan is, door omstandigheden – die redelijkerwijs niet aan de projectontwikkelaar kunnen worden toegerekend – tot na 1 juli 2027 hebben moeten wachten voordat een BOPA aangevraagd kon worden of het omgevingsplan aangepast kon worden. In aanvulling op de hoofdregel in onderdeel a is de verplichting tot het maken van een netbewust bouwplan voor nieuwe woningen niet van toepassing op een woningbouwactiviteit dat al op 28 oktober 2026 (de datum waarop Artikel 14.34 door Provinciale Staten is vastgesteld) in een vergevorderd stadium van voorbereiding verkeert, als door omstandigheden die niet aan de projectontwikkelaar kunnen worden toegerekend:
het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan of tot het verlenen van de BOPA voor dat bouwplan niet tijdig voor inwerkingtreding van Artikel 14.34 (dus niet voor 1 juli 2027) ter inzage kon worden gelegd; of
een ontvankelijke aanvraag voor de BOPA niet tijdig voor inwerkingtreding van de instructieregel aangevraagd kon worden, als die BOPA wordt verleend via de reguliere procedure.
Onderdeel d:
Deze overgangsbepaling ziet op verschillende situaties, die zich in de uitvoeringspraktijk (regelmatig kunnen) voordoen. Bijvoorbeeld de situatie waarin voor inwerkingtreding van de instructieregel (1 juli 2027) de betreffende woningbouwactiviteit al in een vastgesteld omgevingsplan is opgenomen en hiervoor later (dus na 1 juli 2027) een BOPA wordt verleend, waarbij het plan niet significant is gewijzigd. Zo’n wijziging is bijvoorbeeld een beperkte verhoging van het aantal woningen, een aanpassing aan de bouwhoogte of een verschuiving van een bouwwerk tot net buiten het bouwvlak. En de situatie dat voor inwerkingtreding van de instructieregel de betreffende woningbouwactiviteit al in een vastgesteld omgevingsplan is opgenomen of daarvoor een BOPA was verleend, en na een uitspraak van de bestuursrechter opnieuw in procedure gebracht moet worden, mits het oorspronkelijke bouwplan waartegen beroep was ingesteld niet significant is gewijzigd. En ook de situatie dat een eerder verleende BOPA (of een nog onder het oude recht tot stand gekomen ‘postzegelplan’ of andere vorm van planologische medewerking) na de inwerkingtreding van Artikel 14.34 wordt verwerkt in het omgevingsplan ter uitvoering van artikel 4.17 (in verbinding met artikel 22.5, tweede lid,) van de Omgevingswet.
GGGGGG
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
HHHHHH
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
IIIIII
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Antwoordnota Ontwerp Tweede Herziening Omgevingsverordening provincie Flevoland: /join/id/pubdata/pv24/2026/bo_115_0cab1622-6495-4faa-8f7a-ff7a07edf488/nld@2026‑11‑05
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-18823.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.