Provinciaal blad van Gelderland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Gelderland | Provinciaal blad 2026, 17759 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Zoals belastingen, uitkeringen en subsidies.
Officiële publicaties van de overheid.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Gelderland | Provinciaal blad 2026, 17759 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De artikelsgewijze toelichting bij de Omgevingsverordening Gelderland wordt gewijzigd zoals is aangegeven in bijlage A.
Gedeputeerde Staten van Gelderland
Daniël Wigboldus
Commissaris van de Koning
Johan Osinga
Secretaris
A
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemene toelichting: "Voor de beoogde werking van de Omgevingswet is het van belang dat bestuursorganen in hun regelgeving doordachte keuzen maken over het gewenste regeltype en afwijkings- en uitwerkingsmogelijkheden en dat zij de gemaakte keuze in de bij die regelgeving behorende toelichting motiveren", aldus de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel Omgevingswet (Kamerstuk 33 962, nr. 3, p. 272). De afwegingsruimte en afwijkingsmogelijkheden in afdeling 1.3 bieden het provinciebestuur (Gedeputeerde Staten) of het gemeentebestuur (de omgevingsplanwetgever) de mogelijkheid zulke doordachte keuzen te maken.
Op de eerste plaats zijn de regels in deze verordening zo opgesteld dat ze het gewenste beschermingsniveau borgen en tegelijkertijd ruimte bieden aan maatschappelijk gewenste activiteiten, zonder dat afwijken nodig is. Het provincie- of gemeentebestuur maakt dan ook geen gebruik van de in deze afdeling geboden afwijkingsmogelijkheden als ze hetzelfde resultaat kan bereiken met een andere bevoegdheid uit de Omgevingswet of uit deze verordening. Toch zullen zich in de uitvoering knelpunten en dilemma's voordoen, die alleen optimaal opgelost kunnen worden als de omgevingsverordening enige afwijkingsmogelijkheden kent. Het beoordelingskader omvat daarom naast de (doelen of) oogmerken van de verordening ook een aantal artikelen met afwijkingsmogelijkheden. Zo kan het provinciebestuur in situaties waarin de regels uit de omgevingsverordening knellen van die regels afwijken. Deze afwijkingsmogelijkheden zijn beschreven in drie paragrafen:
Paragraaf 1.3.1 Afwijkingsmogelijkheden bij algemene regels voor activiteiten in de hoofdstukken hoofdstuk 4 en 4a;
Paragraaf 1.3.2 Afwijkingsmogelijkheden bij instructieregels in de hoofdstukken 5 en 6;
Paragraaf 1.3.3 Overige afwijkingsmogelijkheden;
De afwijkingsmogelijkheden in deze paragrafen zijn bedoeld voor gevallen waarbij de ambities uit de omgevingsvisie en/of de doelen uit de wet beter zijn gediend met het afwijken van de regels dan met het strikt toepassen ervan. Met de afwijkingsmogelijkheden kan het provincie- of gemeentebestuur binnen de oogmerken van afdeling 1.2 bij dilemma's voorzien in een maatschappelijk optimale oplossing.
Het toepassingsbereik van deze paragrafen wordt aan het begin van de hoofdstukken 4 (algemene regels over activiteiten in de leefomgeving) , 4a (Stikstofreductiegebied) en 5 (instructieregels voor het omgevingsplan) expliciet aangegeven. Voor hoofdstuk 6 (overige instructieregels) geldt geen beperking. Uitgangspunt voor het aangegeven toepassingsbereik is dat:
de afwijkingsmogelijkheden van deze paragrafen in de hoofdstukken 4, 4a, 5 en 6 zo min mogelijk worden beperkt; en
de hoofdstukken 4, 4a, 5 en 6 alleen voorzien in meer specifieke afwijkingsmogelijkheden als de in deze paragrafen geformuleerde artikelen niet goed bruikbaar zijn voor toepassing van specifieke afdelingen, paragrafen of artikelen in die hoofdstukken.
In genoemde hoofdstukken kan dus bij uitzondering worden voorzien in specifieke afweegruimte en afwijkingsmogelijkheden, die voorrang hebben op de algemene afweegruimte en afwijkingsmogelijkheden in afdeling 1.3. In de toelichting bij de schakelbepalingen (artikelen 4.1 en 5.2) is aangegeven waarom afdeling 1.3 is 'uitgeschakeld'. Dat kan zijn omdat de regeltoepassing geen afwijking (maatwerk) mogelijk maakt of omdat de regeltoepassing vraagt om een meer specifieke afwijkingsmogelijkheid (maatwerk). Soms zal er in het belang van de rechtszekerheid behoefte zijn aan een concretere begrenzing van de afweegruimte of afwijkingsmogelijkheid. Daarbij gaat het erom het provinciebestuur zoveel mogelijk houvast te bieden bij de belangenafweging en de bestuurlijke afwegingsruimte niet groter te maken dan strikt noodzakelijk is.
B
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het maatwerkvoorschrift uit artikel 4.5 van de Omgevingswet biedt Gedeputeerde Staten de eerste mogelijkheid om af te wijken van de algemene regels in de hoofdstukken hoofdstuk 4 en 4a. Hierbij gelden twee criteria, die ervoor moeten zorgen dat deze afwijkingsmogelijkheid alleen wordt geboden voor gevallen die er écht toe doen.
Het eerste criterium (onderdeel a) benoemt de situatie waarin een belang in de knel komt bij een strikte regeltoepassing. Dit kan een belang van zowel een persoon, bedrijf als organisatie zijn. Gedeputeerde Staten hebben hier de mogelijkheid om een algemene regel in een bepaalde situatie buiten toepassing te laten of via een maatwerkvoorschrift creatief toe te passen, omdat strikte toepassing in die situatie 'tot een onbillijkheid van overwegende aard' zou leiden (hardheidsclausule).
Het tweede criterium (onderdeel b) beoogt te voorkomen dat door een strikte regeltoepassing een suboptimale oplossing moet worden gekozen als zich een dilemma voordoet bij de belangenafweging. Elke algemene regel in de hoofdstukken hoofdstuk 4 en 4a is gesteld met een bepaald oogmerk. Als een optimale oplossing van de wrijving tussen regel en belang niet kan worden bereikt, kunnen Gedeputeerde Staten het knelpunt met een maatwerkvoorschrift oplossen.
Gedeputeerde Staten maken geen gebruik van deze bijzondere afwijkingsbevoegdheid als zij hetzelfde resultaat kunnen bereiken met een andere, 'gewone' bevoegdheid. Bijvoorbeeld door een voorschrift in een omgevingsvergunning te wijzigen, als de activiteit vergunningplichtig is (artikel 4.5, derde lid, van de Omgevingswet).
Een maatwerkvoorschrift wordt bij beschikking gesteld. Op die beschikking zijn de gebruikelijke procedurele waarborgen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing: een goede belangenafweging, een deugdelijke motivering en de mogelijkheid om bezwaar en beroep in te stellen.
C
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1: Artikel 4.61 bevat een rechtstreeks voor de veehouderij geldende verbodsbepaling. Dit verbod ziet op (nieuw) vestiging en (verschillende vormen van) uitbreiding van bestaande geitenhouderijen. Onderdeel b verbiedt de omschakeling van een veehouderijbedrijf of -tak met andere landbouwhuisdieren in een geitenhouderij, omdat ook daardoor het aantal geiten toeneemt. Beoogd is een (tijdelijke) bevriezing van de bestaande legale situatie per 30 augustus 2017. Het op dat moment legale aantal gegunde geiten mag niet toenemen.Het oprichtingsverbod voor een geitenverblijf (onderdeel d) geldt niet als het gaat over het vergroten e/o renoveren van de bestaande huisvesting als dit is ingegeven door dierenwelzijn, milieu en veiligheidtoenemen. Onder renovatie wordt verstaan: het herstellen of (geheel of gedeeltelijk) vernieuwen van een bestaande stal, waardoor deze weer bruikbaar wordt naar de geldende maatstaven en normen. Voorbeelden hiervan zijn omschakeling naar biologisch werken met meer leefruimte voor de geiten binnen de stal of verbeterde huisvesting in een te krappe, verouderde stal. Ook verbouw van een verblijf is mogelijk als de stal bouwkundig slecht is of als een asbesthoudend dak vervangen moet worden. Ook kunnen stallen verbeterd worden om de emissie te verkleinen en zo het milieu in de omgeving van de stallen te verbeteren.
Lid 2: Het verbod in het eerste lid op het vergroten van het aantal geiten of van de ruimte om geiten te huisvesten, geldt niet voor het tijdelijk huisvesten van op het eigen bedrijf geboren geitenlammeren (opfokgeitjes en bokjes) tot een leeftijd van 61 dagen. Deze uitzondering betreft uitdrukkelijk alleen geitenlammeren die op het eigen bedrijf geboren zijn. Deze uitzondering wordt ingegeven door het oogmerk van dierenwelzijn: het voorkomen dat te jonge dieren vervoerd moeten worden. Deze vrijstelling geldt alleen als het legale aantal op het bedrijf aanwezige aantal geiten van 61 dagen en ouder niet toeneemt. Onder 'het legale aantal' wordt verstaan het aantal geiten van 61 dagen en ouder dat op 30 augustus 2017 - de datum waarop het verbod (via een voorbereidingsbesluit) is gaan gelden - was vergund en/of gemeld of waarvoor uiterlijk op die datum een aanvraag of melding was ingediend. De vrijstelling kan dus niet worden benut om het in een geldende vergunning opgenomen aantal geiten te verhogen.
Lid 3: Het verbod om een bestaand geitenverblijf te vervangen door een nieuw geitenverblijf (onderdeel d) geldt niet als die vervanging of vergroting van de bestaande stal is ingegeven door overwegingen omtrent dierenwelzijn. Bij dierenwelzijn gaat het om meer bewegings- en leefruimte in het kader van het convenant 'Stappen naar een dierwaardige veehouderij in 2040’. Voorbeelden hiervan zijn omschakeling naar biologisch werken met meer leefruimte voor de geiten binnen de stal of verbeterde huisvesting in een te krappe, verouderde stal. Ook is nieuwbouw van een verblijf mogelijk ten behoeve van milieumaatregelen. Bijvoorbeeld als een asbesthoudend dak vervangen moet worden of een aanpassing van de stal om de emissie te verkleinen en zo het milieu in de omgeving van de stallen te verbeteren.
Tenslotte is vervanging van de stal mogelijk uit oogpunt van veiligheid, dus als de bestaande stal in een te slechte staat verkeerd, zodat nieuwbouw de voorkeur krijgt boven renovatie. Onder renovatie wordt verstaan: het herstellen en geheel of gedeeltelijk vernieuwen van een bestaande stal, waardoor deze weer bruikbaar wordt naar de geldende milieu- en bouwnormen. Als vanwege en tijdens die verbouwing (de) geiten tijdelijk in een andere stal of op een ander perceel grond moeten worden ondergebracht, dan is dat ook toegestaan: het verbod in lid 1, onderdeel e, is op die situatie niet van toepassing.
Lid 4: Die laatste uitzondering is ook van toepassing als wel wordt gekozen voor een renovatie van de bestaande stal (in plaats van nieuwbouw) en de gehuisveste landbouwhuisdieren tijdens de renovatiewerkzaamheden elders moeten worden ondergebracht.
D
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 2: Dit lid heeft als doel te voorkomen dat een activiteit wordt opgeknipt of dat activiteiten die in elkaars nabijheid plaatsvinden los van elkaar worden beoordeeld. Het heeft ook betrekking op ontgrondingsactiviteiten die op een verschillend moment beginnen en die op zichzelf vergunningvrij zijn, maar als ze tezamen worden aangemeld wel vergunningplichtig zijn. Zo is het maken van een kleinschalige natuurplas vrijgesteld van de vergunningplicht. Als er meerdere natuurplassen in onderlinge samenhang in een gebied worden gerealiseerd en er daardoor geen sprake meer is van kleinschaligheid, dan is deze realisatie in zijn totaliteit vergunningplichtig. Hierbij is de feitelijke samenhang van de activiteiten van doorslaggevende betekenis en één binding voldoende om een samenhang tot stand te brengen.
Lid 4: Artikel 5.1 van de Omgevingswet bepaalt dat voor het verrichten van ontgrondingsactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn hiervoor in artikel 16.7 vergunningvrije gevallen aangewezen. Artikel 16.9 van het Bal geeft provincies de mogelijkheid af te wijken van de aanwijzing van vergunningvrije gevallen en hier ook zelf vrijstellingen aan toe te voegen. Van deze mogelijkheid wordt gebruikgemaakt om het bestaande provinciale regiem van vrijstellingen en meldingsplicht te continueren.
E
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1: Het eerste lid bevat een algemene vrijstelling voor ontgrondingsactiviteiten die vanwege hun geringe omvang niet hoeven te voldoen aan de vergunningplicht. Als er 1.000 m3 of meer wordt ontgraven, geldt wel een meldingsplicht op grond van artikel 4.65 (melding ontgrondingsactiviteit).
Lid 2: De volume- en oppervlakte-eis uit het eerste lid geldt niet voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van de in het tweede lid genoemde terreinen. De eis dat niet dieper dan drie meter mag worden ontgraven, blijft wel staan. Dit lid is in afwijking van de vrijstelling in artikel 16.7, onder g en onder 2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).
Deze aanvullende vrijstelling geldt niet voor een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening, ook niet als onderdeel van de in het tweede lid genoemde terreinen; de specifiek daarvoor geldende vrijstellingen blijven in stand.
Lid 3: Het derde lid voegt het aanleggen, veranderen of verwijderen van een noodzakelijke voorlandverbetering voor een dijk door of namens de waterbeheerder toe aan de vrijstellingen genoemd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Artikel 16.7, onder g en onder 1o van het Bal bevat een vrijstelling voor ontgrondingsactiviteiten door of namens de waterbeheerder, als deze nodig zijn voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk en deze maatregel getroffen wordt op basis van een omgevingsplan, projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsactiviteit. De vrijstelling geldt alleen voor voorlandverbeteringen bij dijken met een waterkerende functie.
Lid 4: De vrijstelling in het vierde lid is bedoeld voor die gevallen waar dieper dan drie meter onder het maaiveld wordt ontgraven, tot vier en een halve meter diep, om een afdichtende kleilaag aan te brengen met een dikte van maximaal anderhalve meter. Het uiteindelijke opleveringspeil moet op maximaal drie meter onder het oorspronkelijke maaiveld liggen. Vanuit technische overweging kan het nodig zijn om een extra kleilaag aan te brengen, bijvoorbeeld in geval van kwelvorming. Deze vrijstelling zorgt ervoor dat daarvoor dan niet een vergunning nodig is.
Lid 5: In de Wet bodembescherming (die onder het overgangsrecht van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet nog op een sanering van toepassing kan zijn) en in paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt al een volledige belangenafweging gemaakt waarbij het belang van het milieu tot sanering van de bodem een belangrijke rol speelt. Een vergunningenprocedure voor een ontgrondingsactiviteit voegt hier niet veel meer aan toe en kan vanwege het milieubelang geen ander gewicht aan zaken toekennen. Voor het afgraven van verontreinigde grond, dat niet plaatsvindt binnen de kaders van de bodemverontreiniging, kan in voorkomende gevallen wel een ontgrondingsvergunning nodig zijn. Deze vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7, en zo nodig een afwijking van onderdeel h, van het Besluit activiteiten leefomgeving.
F
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1: Het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg omvat dat deel van de weg waar de provincie verantwoordelijk is voor het beheer. De weg kan omvatten: de rijbanen, bromfiets-, fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool- en halteplaatsen, vluchtstroken en andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen, bermsloten en alle zich op, aan, in, onder of boven een weg bevindende voorzieningen en werken. Het beperkingengebied kan daarmee per weg verschillen. Binnen het beperkingengebied zijn de activiteiten genoemd in artikel 4.68 niet toegestaan. Gedeputeerde Staten kunnen hiervoor in bepaalde gevallen een omgevingsvergunning verlenen. Daarnaast is er een beperkingengebied zorgplicht provinciale weg. Dit omvat dat deel van de weg waar de provincie verantwoordelijk is voor het beheer met een zone van 10 meter daarbuiten. Binnen dit beperkingengebied geldt de zorgplicht genoemd in artikel 4.67.
Lid 2: Uitgezonderd worden de activiteiten die door of namens de wegbeheerder worden uitgevoerd. Activiteiten van de wegbeheerder zijn immers gericht op het behouden of verbeteren van de staat en werking van de weg, en zullen daardoor dus in het algemeen geen of beperkte nadelige gevolgen hebben. Bij activiteiten van de wegbeheerder kan onder andere worden gedacht aan onderhoud en herstel van de weg of aanleg en wijziging van de weg.
Lid 3: De regels beschermen de weg tegen fysieke inbreuken en dragen bij aan het verzekeren van een veilig en doelmatig gebruik van de weg. Hierbij hoort ook het belang van onderhoud en/of wijziging van de weg. Op grond van artikel 2.18 van de Omgevingswet heeft het provinciebestuur de taak om de staat en werking van wegen in beheer van de provincie te beschermen tegen nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen. Naast de mobiliteitsbelangen kan er op grond van dit lid ook rekening worden gehouden met belangen van ecologie en natuur. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden ter bescherming van deze belangen.
Lid 4: Er geldt een verbod voor het plaatsen of hebben van lichtgevende of bewegende buitenreclame als die buitenreclame gericht is op of de aandacht kan afleiden van een weggebruiker van de provinciale weg. Het is aannemelijk dat reclame afleidt van de rijtaak. Verlichte reclame of bewegende beelden versterken die afleiding en zijn daarom extra gevaarlijk voor het verkeer op de provinciale weg. Daarom geldt er een algeheel verbod voor dit soort reclame als die buitenreclame gericht is op of de aandacht kan afleiden van de weggebruiker van de provinciale weg, ongeacht of die reclame is geplaatst binnen of buiten het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg of beperkingengebied zorgplicht provinciale weg.
G
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1: De zorgplicht vertaalt het oogmerk genoemd in artikel 4.66 naar een algemene gedragsnorm voor de gebruikers van een weg. Een dergelijke zorgplicht geldt als algemeen kader voor het gebruik van de weg en dient als vangnet voor die gevallen waarbij geen expliciete vergunningplicht geldt, maar waarbij de handeling niet verenigbaar is met het oogmerk. Het is tevens een vangnetbepaling voor bestuursrechtelijke toezicht- en handhavingsbevoegdheden.
Lid 2, algemeen: In het tweede lid is de specifieke zorgplicht concreter gemaakt voor een aantal activiteiten die onwenselijk zijn in het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg. Bij evidente overtreding kan een zorgplichtbepaling direct gehandhaafd worden. Bijvoorbeeld bij olie, modder of zand op de weg, als dit zorgt voor gevaarlijke situaties. Ook overhangend groen vanuit aanliggende percelen kan een probleem opleveren voor de verkeersveiligheid. De zorgplichtbepaling maakt het mogelijk dat Gedeputeerde Staten als wegbeheerder snel kunnen optreden wanneer direct gevaar voor de verkeersveiligheid op de provinciale weg ontstaat of dreigt te ontstaan.
Lid 2, onderdeel e: Lichtgevende en bewegende reclame kunnen de weggebruiker afleiden van de rijtaak en zijn om die reden niet toegestaan langs of nabij een provinciale weg. In artikel 7.14 zijn de uitzonderingen benoemd op deze hoofdregel.
Lid 2, onderdeel g: Het komt geregeld voor dat voertuigen, met inbegrip van (wees)fietsen, langdurig of permanent worden achtergelaten op of langs de provinciale weg. Op basis van deze zorgplichtbepaling kan hiertegen worden opgetreden. Onder een onbeheerd voertuig wordt hier verstaan: een voertuig als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, dat bestemd is tot vervoer van personen, dieren of goederen, alsmede een fiets, al dan niet in slechte staat van onderhoud, dat of die achtergelaten is op of langs de weg en waarvan de eigenaar c.q. rechthebbende niet of zeer moeilijk te achterhalen is of geen adequate reactie geeft op de aanmaning om het voertuig te verwijderen.
Lid 2, onderdeel h: Het komt ook geregeld voor dat voertuigen op parkeer- of carpoolplaatsen niet worden opgehaald door de eigenaar of dat er voertuigen parkeren die te groot zijn voor de plek (zoals vrachtwagens). Om te voorkomen dat deze parkeerplaatsen worden misbruikt, is excessief parkeren niet toegestaan op grond van deze zorgplichtbepaling. Onder excessief parkeren wordt verstaan:
het parkeren op de weg dat met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte buitensporig is tegenover andere weggebruikers die ook parkeergelegenheid nodig hebben;
wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zichzelf niet ongeoorloofd is, maar de aard van het voertuig of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de parkeerruimte van anderen;
wanneer het parkeren betreft dat om andere redenen onaanvaardbaar is. Bijvoorbeeld wanneer de verkeersveiligheid in het geding is of wanneer de verkeersregels niet worden nageleefd.
H
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1, onderdeel a: Onder een uitweg wordt verstaan: een verbinding tussen percelen en de weg, die een ontsluitingsmogelijkheid biedt voor één of meerdere aanliggende percelen. Uitwegen op de weg zijn vanwege de uitwisseling van verkeer potentiële conflictpunten. Door de grote snelheidsverschillen zijn ze al snel verkeersonveilig. Zijn er veel uitwegen op een weg, dan komt dit de overzichtelijkheid en dus de verkeersveiligheid niet ten goede. Ook de doorstroming komt bij veel uitwegen onder druk te staan. Nieuwe uitwegen worden daarom tot een minimum beperkt. Het veranderen en intensiveren van het gebruik van uitwegen is vergunningplichtig, omdat dit een verslechtering kan betekenen van de verkeersveiligheid en de doorstroming. Ook moet de inrichting van de uitweg aangepast worden aan het gebruik. Bij bedrijfsmatig gebruik is een ruimer opgezette uitweg nodig, om zo veilig mogelijk gebruik te kunnen maken van de uitweg.
Lid 1, onderdeel b: Hieronder vallen bijvoorbeeld werkzaamheden aan tankstations en werken van openbaar belang, zoals fietspaden, trottoirs, tunnels, viaducten, bruggen, parkeervoorzieningen etc., waarbij de grond wordt geroerd.
Lid 1, onderdeel c: Het gaat in dit artikel om alle roerende zaken, voorwerpen en stoffen die niet functioneel zijn voor de weg of het gebruik ervan, maar wel van invloed zijn op de bruikbaarheid en veiligheid van de weg. Denk aan bouwmaterialen en bouw- en afvalcontainers gedurende een verbouwing als deze niet op eigen terrein kunnen worden opgeslagen. Voorwerpen en stoffen die niet (verkeers)functioneel zijn voor de weg of het gebruik daarvan, vallen ook onder deze verbodsbepaling. Denk aan buitenreclame, fietsenrekken, terrassen, luifels, kermisattracties, tribunes, podia, dranghekken, kramen/verkoopwagens ter inname van een standplaats en inboedels. Buitenreclame is de verzamelnaam voor alle vormen van naamaanduidingen, bestemmings- of routeborden (niet-zijnde formele bewegwijzering), aankondigingen of aanprijzingen, zowel cultureel, ideëel als commercieel, die zichtbaar zijn in de openbare ruimte met als doel een boodschap, merk, bedrijf, product, dienst, ideologie of huisstijl te communiceren.
Lid 1, onderdeel d: Onder houtgewas wordt verstaan: bomen, heesters, struik-, veld- en tuingewassen en andere houtgewassen, de wortels inbegrepen.
Lid 1, onderdeel e: Denk hierbij aan activiteiten met een maatschappelijk belang die op de wegen plaatsvinden, zoals evenementen, kermissen, optochten, braderieën, rommelmarkten, muziek- en toneeluitvoeringen etc. Voor wegwedstrijden gelden de bepalingen uit de Wegenverkeerswet.
Lid 2: Deze uitzondering waarborgt de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht geldt niet voor buitenreclame.
Lid 3: In plaats van een vergunningplicht zijn voor deze activiteiten maatwerkregels gesteld in de paragrafen 4.6.3, 4.6.4 en 4.6.5 (zie verder de toelichting bij lid 5).
Lid 3 onderdeel a: Hieronder vallen ook de voorbereidende werkzaamheden die nodig zijn voor kabels en leidingen, zoals het maken van proefsleuven en sonderingen. Dit zijn voorbereidende werkzaamheden zijn nodig voor de tracébepaling van de toekomstige kabel of leiding.
Lid 4: Er geldt een verbod voor het plaatsen of hebben van lichtgevende of bewegende buitenreclame als die buitenreclame gericht is op of de aandacht kan afleiden van een weggebruiker van de provinciale weg. Het is aannemelijk dat reclame afleidt van de rijtaak. Verlichte reclame of bewegende beelden versterken die afleiding en zijn daarom extra gevaarlijk voor het verkeer op de provinciale weg. Daarom geldt er een algeheel verbod voor dit soort reclame als die buitenreclame gericht is op of de aandacht kan afleiden van de weggebruiker van de provinciale weg, ongeacht of die reclame is geplaatst binnen of buiten het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg of beperkingengebied zorgplicht provinciale weg.
Lid 45: Gedeputeerde Staten hebben maatwerkregels gesteld voor het leggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen, voor het plaatsen van een gedenkteken en voor tijdelijke verkeersmaatregelen en omleidingsborden door een andere wegbeheerder.
Hiervoor geldt dus geen vergunningplicht. Wel moet worden voldaan aan:
de maatwerkregels kabels en leidingen, waaronder een meldplicht (paragraaf 4.6.3); of
de maatwerkregels plaatsen gedenkteken, waaronder een meldplicht (paragraaf 4.6.4); of
de maatwerkregels tijdelijke verkeersmaatregelen en omleidingsborden, waaronder een meldplicht (paragraaf 4.6.5).
Gedeputeerde Staten kunnen van deze maatwerkregels afwijken met een maatwerkvoorschrift, zoals als bedoeld in artikel 7.19.
I
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Binnen de grenzen van het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg liggen duizenden kilometers aan kabels en leidingen. De ruimte langs provinciale wegen is schaars, daarom mogen er alléén kabels en leidingen worden gelegd met een openbare functie. Dit kunnen water- en gasleidingen, elektriciteitskabels, telecommunicatienetten, riolering en persleidingen, olie- en aardgastransportleidingen en weggebonden kabels zijn. De aanleg van kabels en leidingen zonder openbare functie is niet toegestaan en valt niet onder deze algemene regels. Met uitzondering van de meeste weggebonden kabels (openbare verlichting, detectielussen enzovoorts) zijn al deze kabel- en leidingnetwerken in eigendom en beheer van derden. Het leggen, plaatsen, in stand houden, slopen of verwijderen van kabels en leidingen is uitgezonderd van de vergunningplicht, maar er geldt een meldplicht. De meldplicht geldt niet voor telecomkabels die vallen onder de Telecommunicatiewet en voor werkzaamheden door of namens de wegbeheerder. Werkzaamheden aan kabels of leidingen als gevolg van een calamiteit worden direct gemeld. Onder een calamiteit wordt hier verstaan: schade aan- of een defecte kabel of leiding die onverwijld en met spoed moet worden gerepareerd. Voor zover de betreffende kabels en leidingen buiten het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg, maar binnen de provinciale eigendomsgrenzen vallen, wordt de melding geacht betrekking te hebben op het gehele tracé.
Lid 4: onder een calamiteit wordt verstaan: schade aan- of een defecte kabel of leiding die onverwijld en met spoed moet worden gerepareerd.
J
Na sectie 4 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Ingevolge artikel 4.15 van de Omgevingswet vervallen de in hoofdstuk 4a opgenomen voorbeschermingsregels na een jaar en zes maanden, of, als binnen die termijn het besluit tot wijziging van de omgevingsverordening is bekendgemaakt, op het tijdstip waarop dat besluit in werking treedt. Deze vervaldatum is 23 oktober 2026. Dat is de datum waarop het nieuwe hoofdstuk 4a in werking treedt (al geldt voor een aantal artikel(onderdel)en een uitgestelde inwerkingtreding). Deze datum valt samen met de dag 1½ jaar na 23 april 2025, dat is de datum waarop het Voorbereidingsbesluit beperkingengebied stikstofemissie in werking trad (Provinciaal blad 2025 nr. 6530).
Aangezien de Omgevingswet zelf al regelt dat het voorbereidingsbesluit (de voorbeschermingsregels) vervalt, is in het ontwerp-PS-besluit niet voorzien in een intrekkingsbepaling.
Lid 1: Dit hoofdstuk is opgenomen met het oog op het beperken van emissies in de lucht van stikstofverbindingen binnen het stikstofreductiegebied. Die emissies worden veroorzaakt door verschillende (bedrijfsmatige) activiteiten die verslechterende of significant verstorende gevolgen voor de binnen het stikstofreductiegebied gelegen Natura 2000-gebieden kunnen hebben. De regels beogen concreet de stikstofemissie door stookinstallaties, veehouderijen en mobiele werktuigen te reduceren. De regels gelden als passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn.
Lid 2: Het stikstofreductiegebied heeft een grens. Milieubelastende activiteiten die helemaal binnen deze grens vallen, zullen moeten voldoen aan de regels uit dit hoofdstuk die op die activiteiten van toepassing zijn. Als de geografische grens door een (bedrijfs)gebouw loopt, waarbinnen een stikstofemitterende (en dus milieubelastende) activiteit plaatsvindt, dan is bepalend hoeveel stikstof door die milieubelastende activiteit binnen en buiten de geografische grens wordt uitgestoten.
Als 50% of meer van de totale stikstofemissie uit emissiepunten komt die liggen binnen de geografische grens, dan vallen alle emissiepunten van deze activiteit onder het regiem van dit hoofdstuk, dus ook die emissiepunten die geografisch net buiten de grens van het werkingsgebied liggen. De activiteit valt dan dus in zijn geheel onder dit regiem.
Lid 3: Voor de grondgebonden (melk)veehouderij en de akkerbouw ligt dit complexer, want bij dit type bedrijven is de bemesting van de grond een substantiële bron van stikstofemissie. De grond die hoort bij zo’n bedrijf is zelden een aaneengesloten kavel. Voor landbouwgrond wordt daarom een aparte systematiek gehanteerd, waarbij er wordt gestuurd op perceelniveau. Als een kadastraal perceel landbouwgrond voor tenminste 50% binnen het werkingsgebied ligt, geldt het regiem van dit hoofdstuk voor het hele kadastrale perceel, dus ook voor het deel dat geografisch net buiten de grens van het werkingsgebied ligt.
Voor stallen geldt (conform lid 2) dat als minstens 50% van de emissie uit emissiepunten binnen het werkingsgebied afkomstig is, de regels van toepassing zijn op de gehele stal. Voor gesloten stallen staan de emissiepunten geregistreerd in de omgevingsvergunning. Voor stallen zonder specifieke emissiepunten, uitlaten van mechanische ventilatie in gesloten stalsystemen, wordt als emissiepunt het meetkundige midden van het bouwoppervlak genomen.
Eventuele andere kadastrale percelen landbouwgrond of dierenverblijven van hetzelfde agrarische bedrijf buiten het stikstofreductiegebied hoeven niet aan de regels in dit hoofdstuk te voldoen.
Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat behalve de grens van het stikstofreductiegebied voor de gelding van dit hoofdstuk uiteraard ook de provinciegrens bepalend is. De toepassing van lid 2 e/o lid 3 kan er niet toe leiden dat de regels ook gelden voor activiteiten e/o gronden buiten de provincie Gelderland. De rechtsmacht van het provinciebestuur beperkt zich immers tot het gebied binnen zijn territoriale grenzen (ECLI:NL:RVS: 2010:BL0748).
Lid 1: In dit artikel wordt onder ‘stookinstallatie’ verstaan: technische eenheid waarin brandstoffen worden geoxideerd om de warmte die zo wordt opgewekt te gebruiken (conform de begripsbepaling uit het Besluit activiteiten leefomgeving; hierna kortweg Bal). Als ondergrens geldt een geïnstalleerd vermogen van 400 kW of meer. Dit is een (bewuste) afwijking van de systematiek van het Bal, waarin gewerkt wordt met een indeling in grote (≥ 50 MW), middelgrote (1-50 MW) en kleine stookinstallaties (≤ 1 MW) en met een ondergrens van ≥ 100 kW voor de milieubelastende activiteit ‘het exploiteren van een stookinstallatie’ (artikel 3.4 van het Bal). Met de keuze voor het criterium ‘totaal geïnstalleerd vermogen’ vallen ook bedrijven die niet één, maar meerdere stookinstallaties hebben onder de in deze paragraaf gestelde regels. Als een bedrijf niet één grote, maar meerdere kleine stookinstallaties heeft, worden de vermogens van alle in dat bedrijf opgestelde stookinstallaties bij elkaar opgeteld. Deze paragraaf kan dus ook van toepassing zijn op recreatiebedrijven als het gezamenlijke vermogen van de verwarmingsketels in de geëxploiteerde recreatiewoningen samen optellen tot meer dan 400 kW. Deze ruimere reikwijdte brengt met zich mee dat de provincie de toezichthoudende taak op de naleving van deze reductieverplichting voor dergelijke kleinere stookinstallaties niet overlaat aan de gemeente, maar die bevoegdheid zelf uitoefent. Daarvoor is gekozen om dit toezicht op een doelmatige en doeltreffende wijze (en voor rekening van de provincie) te kunnen (laten) uitoefenen door één van de Gelderse omgevingsdiensten (conform het subsidiariteitsvereiste in artikel 2.3, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet).
Lid 2: Onder een extra stookinstallatie wordt niet verstaan een stookinstallatie die een bestaande (afgeschreven) stookinstallatie vervangt. Het gaat om een stookinstallatie die nieuw is ten opzichte van de vóór 23 oktober 2026 binnen het stikstofreductiegebied opgestelde aantal stookinstallaties. Voor een vervangende stookinstallatie geldt dat deze met ingang van 1 januari 2035 moet (kunnen) gaan voldoen aan de reductie-eisen in lid 2. Het ligt in de rede om bij de vervangingsinvestering hier vast rekening mee te houden. Vervanging van een afgeschreven stookinstallatie door een nieuwe – stikstof emitterende – stookinstallatie blijft dus mogelijk. Deze regel beoogt een reductie van stikstofemissie door stookinstallaties, geen uitsterfbeleid.
Het verbod ziet ook niet op de tijdelijke inzet van een noodaggregaat bij uitval van elektriciteit. Deze uitzondering ziet dus niet op de inzet van een noodaggregaat als alternatieve of aanvullende energievoorziening ten tijde van netcongestie.
Lid 3: Uit zowel metingen aan stookinstallaties, opgaves van fabrikanten van branders en nageschakelde technieken als uit registraties in het SCIOS blijkt dat in de praktijk lagere emissies mogelijk zijn dan de emissienormen die worden voorgeschreven in de paragrafen 4.126 en 4.127 van het Besluit activiteiten. Voornamelijk bij nieuwe installaties worden in een aantal beleidsregels al lagere emissies voorgeschreven. De in dit artikellid gekozen normen en reductiepercentage zijn voor de desbetreffende ketels dus praktisch haalbaar. Deze afwijking van de emissiegrenswaarden is nodig (en mogelijk) met het oog op natuurbescherming als passende maatregel voor beschermde stikstofgevoelige natuurwaarden in Natura2000-gebied (artikel 2.18, eerste lid, aanhef en onder g, sub 2°, onder i, van de Omgevingswet en artikel 3.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Lid 3, sub b: Deze eis geldt al voor gasmotoren boven 2,5 MWth (artikel 4.1348 van het Besluit activiteiten leefomgeving). Binnen het stikstofreductiegebied geldt deze emissiegrenswaarde met ingang van 2035 voor alle gasmotoren.
Lid 3, sub d: Dit onderdeel ziet op andere type stookinstallaties of stookinstallaties met andere brandstoffen uit de paragrafen 4.3, 4.126, 4.127 en 5.4.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die niet vallen onder de in de voorafgaande onderdelen (a tot en met c) bedoelde stookinstallaties. Dit onderdeel ziet ook op stookinstallaties beneden de ondergrens van 400 kW uit, die gestookt worden met deze ‘andere brandstoffen’. Voor een aantal ‘andere brandstoffen’ (vloeibare brandstof, vergistingsgas en propaan- of butaangas) gelden de emissiegrenswaarden uit paragraaf 4.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving alleen voor stookinstallaties van meer dan 400 kW. Voor stookinstallaties onder de 400 kW, die gestookt worden met deze ‘andere brandstoffen’ geldt een reductieverplichting, die is afgeleid uit de emissiegrenswaarden in tabel 4.1303 uit die paragraaf. Die stookinstallaties vallen wel onder de reikwijdte van dit artikel.
Lid 4: Met deze bepaling wordt aangesloten bij de herziene Richtlijn industriële emissies (richtlijn (EU) 2024/1785; hierna: RIE). De RIE is in augustus 2024 inwerking getreden.
Uitgangspunt bij de implementatie van de herziene RIE is dat door het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor IPPC-installaties aan de onderkant van de BBT-range van een BBT-conclusiedocument wordt verleend, tenzij het betreffende bedrijf gemotiveerd aantoont dat die emissiegrenswaarde technisch of economisch niet haalbaar is. In zo’n geval kan van dit vierde lid worden afgeweken met toepassing van afdeling 1.3 (afwegingsruimte), meer specifiek artikel 1.4 (maatwerkvoorschrift in afwijking van regels voor activiteiten). Voor grote stookinstallaties (als bedoeld in paragraaf 4.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, dus inclusief de IPPC-installaties voor het stoken, bedoeld in categorie 1.1 van bijlage I bij de richtlijn industriële emissies) geldt altijd de strengste eis. Bijvoorbeeld geldt voor grote aardgasgestookte ketels op basis van de BREF-LCP dat voldaan moet worden aan een emissiegrenswaarde van 30 mg/Nm3. De in het derde lid, onder a, gestelde norm van 40 mg/Nm3 geldt dus alleen voor kleine en middelgrote aardgasgestookte ketels.
Als in een voorkomend geval niet aan de gestelde emissie(reductie)eis kan worden voldaan, kan met toepassing van artikel 1.4 van deze verordening worden voorzien in maatwerk.
Aanvullend op artikel 4a.2 worden bedrijven en maatschappelijke instellingen binnen het stikstofreductiegebied verplicht om in het kalenderjaar 2035 het energieverbruik met 35% te verminderen ten opzichte van 2017. Met deze regel wordt geborgd dat de emissie van stikstof, ondanks de toepassing van meer duurzame, minder stikstof emitterende, stookinstallaties of brandstoffen de emissie van stikstof alsnog toeneemt door een hoger brandstofverbruik.
Wanneer een milieubelastende activiteit is gestart na 2017, is een vergelijking van energieverbruik ten opzichte van 2017 uiteraard niet mogelijk. Om te borgen dat bedrijven die later zijn opgericht ook emissies van stikstof reduceren door hun energieverbruik terug te brengen, maar deze niet te belasten met een onrealistisch reductiepercentage, hoeven zij een minder groot percentage te reduceren, maar over een kortere periode. Het jaar ten opzichte waarvan zij moeten reduceren is het eerste volledige jaar na oprichting, omdat dit het eerste jaar is waarin een volledig energieverbruik inzichtelijk is. Wanneer een bedrijf bijvoorbeeld in 2018 is opgericht, betreft het eerst volledige jaar na oprichting 2019 en daarmee dient er met ingang van 2035 een reductie in energieverbruik van 35%-4% (2 x 2%) = 31% gerealiseerd te worden ten opzichte van 2019.
Deze formule resulteert in de reductietabel opgenomen in de bijlage. De reductie die toegepast moet worden als er bij een wijziging van een activiteit of project saldering toegepast wordt (conform de Beleidsregels salderen Gelderland) betreft niet een reductie van het energieverbruik conform deze tabel, maar een reductie in depositie en kent een referentiejaar (jaar van natuurtoestemming) dat kan afwijken van het referentiejaar in deze tabel. Het gaat om verschillende regiems, die naast elkaar gelden. Ter verduidelijking twee voorbeelden:
Voorbeeld 1: Een bedrijf dat in 2020 opgericht is en na de opstart geen aanvraag tot uitbreiding of wijziging doet in de periode tot 2035, krijg dus niet te maken met de beleidsregels salderen, maar zal wel moeten voldoen aan het in de tabel aangegeven reductiepercentage voor het energieverbruik.
Voorbeeld 2: Een bedrijf dat in 2010 opgericht is en een aanvraag doet waarin zij intern saldeert, zal conform beleidsregels salderen 35% moeten reduceren in depositie. Het bedrijf kan dit doen door verschillende bronnen van stikstof (zoals werktuigen, procesinstallaties, etc.) te verduurzamen, zodat deze bronnen gezamenlijk 35% op depositieniveau gereduceerd worden. Die reductie om te voldoen aan de beleidsregel kan dus deels overlappen met een reductie op het energieverbruik bij stookinstallaties, maar dat hoeft niet.
Dit verbod ziet op de nieuwvestiging van veehouderijen. Nieuwvestiging wil zeggen: (feitelijke, fysieke) vestiging op een locatie binnen het stikstofreductiegebied waar op 23 april 2025 (datum inwerkingtreding voorbereidingsbesluit, Provinciaal blad 2025 nr. 6530) nog geen veehouderij gevestigd was.
Het verbod betreft zowel grondgebonden als niet-grondgebonden veehouderijen.
In dit artikel wordt de term ‘veehouderijtak’ gebruikt aanvullend op de meer gangbare term ‘veehouderijbedrijf’, omdat in de provincie Gelderland veel gemengde bedrijven voorkomen. Een veehouderijtak is een onderdeel van een agrarisch bedrijf. Het verbod geldt dus ook voor omschakeling van een agrarisch bedrijf naar een gemengd bedrijf met als nieuwe activiteit het houden van landbouwhuisdieren.
Hervestiging van een veehouderijbedrijf of een gemengd bedrijf met een veehouderijtak binnen het stikstofreductiegebied is wel toegestaan. Het verschil met nieuwvestiging is, dat een hervestiging een verplaatsing van een veehouderijbedrijf of agrarisch bedrijf met een veehouderijtak betreft naar een bestaande locatie, d.w.z. een andere, reeds door een veehouderijbedrijf benutte locatie.
Lid 1: Het verbod op uitbreiding geldt voor alle niet-grondgebonden veehouderijtakken, gemengd of ongemengd. Onder ‘uitbreiding’ wordt verstaan: vergroting van de agrarische bebouwing ten opzichte van de feitelijke, of als de feitelijke situatie daarvan afwijkt, legale omvang van de veehouderijtak op 23 april 2025. Bij ‘uitbreiding’ gaat het om uitbreiding zoals in de begripsbepaling is aangegeven, dus om een uitbreiding in ruimtelijke zin, niet qua aantal gehuisveste dieren.
‘Niet-grondgebonden’ veehouderijen zijn veehouderijen waar de in een veehouderijbedrijf of veehouderijtak gehouden landbouwhuisdieren voor minder dan de helft worden voorzien van voer dat is geteeld op gronden die in de nabijheid van het dierenverblijf zijn gelegen en waarop de veehouder rechten heeft; binnen het stikstofreductiegebied betreft dit vooral kalverhouderijen, pluimveehouderijen en varkenshouderijen. Voor het nabijheidscriterium kan aansluiting gezocht worden bij de in de Kamerbrief van 26 juni 2026 aangegeven grondgebondenheidsnorm: een straal van maximaal 25 kilometer rondom het dierenverblijf (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 87). Bij het criterium 'geteeld op gronden waarop de veehouder rechten heeft' gaat het om gronden waarover het veehouderijbedrijf langdurig kan beschikken. Dit kan worden aangetoond via pacht-, huur- en buurtcontracten. De agrarische grond dient te behoren tot de bedrijfsvoering van het bedrijf. De tekst van eventuele gebruiksovereenkomsten of intentieverklaringen moeten daarover voldoende zekerheid bieden. Bedoeld is dat het bedrijf feitelijke beschikkingsmacht heeft over die grond. Zie de uitspraken ECLI:NL:RVS:2018:3124 en ECLI:NL:RVS:2023:2792. De genoemde Kamerbrief noemt aanvullend nog samenwerkingscontracten met akkerbouwers. Beide criteria - 'nabijheid' en 'beschikkingsrecht' - maken deel uit van de grond-gebondenheidstoets e/o het in de Handreiking Plussenbeleid bedoelde grond-gebruiksplan.
Bij uitbreiding wordt alleen de term ‘veehouderijtak’ gebruikt en niet ‘veehouderijbedrijf’ (vergelijk artikel 5.82). De term uitbreiding veronderstelt immers dat er al een veehouderijbedrijf aanwezig is. Het verbod op uitbreidingen van dat bedrijf beperkt zich tot het houden van landbouwhuisdieren en geldt dus niet voor andere bedrijfsonderdelen, zoals het erf en omliggende – tot het bedrijf behorende – landerijen.
Onder dit verbod valt noch een verruiming van een bestaande stal met het oog op dierenwelzijn in het kader van het convenant 'Stappen naar een dierwaardige veehouderij in 2040’, noch een aanpassing ten behoeve van installaties voor emissiereductie. Bij zo'n uitbreiding mag het aantal gehouden landbouwhuisdieren niet toenemen. Voorbeelden hiervan zijn omschakeling naar biologisch werken met meer leefruimte voor de landbouwhuisdieren binnen de stal of verbeterde huisvesting in een voor het aantal gehouden landbouwhuisdieren te krappe, verouderde stal.
Het verbod staat niet in de weg van een noodzakelijke renovatie van een stal zonder uitbreiding. Onder renovatie wordt verstaan: het herstellen of geheel of gedeeltelijk vernieuwen van een bestaande stal. Zo is verbouw van een verblijf mogelijk als de stal bouwkundig slecht is of als een asbesthoudend dak vervangen moet worden. Bij vervangende nieuwbouw geldt als voorwaarde dat de nieuwe stal bij voorkeur op dezelfde locatie, maar in ieder geval binnen hetzelfde bouwvlak wordt geplaatst. Nieuwbouw van een stal op een andere locatie buiten het bestaande bouwvlak wordt beschouwd als nieuwvestiging.
Lid 2: Aanvullend op de uitzonderingen, genoemd in artikel 4a.7, geldt het verbod evenmin voor niet-grondgebonden veehouderijen die het aantal gehuisveste landbouwhuisdieren kunnen uitbreiden zonder dat hun emissie toeneemt ten opzichte van de emissie in de situatie met het oorspronkelijke aantal gehuisveste landbouwhuisdieren op 23 april 2025. Deze uitzondering zorgt ervoor, dat veehouderijen nog enigszins kunnen groeien om daarmee de reductiemaatregelen te kunnen bekostigen, terwijl het aantal dieren in het stikstofreductiegebied niet toeneemt. Deze uitzondering laat onverlet de eventueel voor zo’n uitbreiding benodigde omgevingsvergunningen (bouwactiviteit e/o Natura2000-activiteit) en de verplichting om te (gaan) voldoen aan de plafondwaarde (artikel 4a.6).
Als de aangegeven referentiedatum van 23 april 2025 - de datum waarop het voorbereidingsbesluit voor hoofdstuk 4a in werking trad – niet representatief is, kan de veehouder dit gemotiveerd aangeven. Afwijking van de peildatum is in zo'n geval mogelijk als de veehouder aannemelijk maakt dat sprake was van onderbezetting, bijvoorbeeld omdat een of meer dierenverblijven leeg stonden vanwege schoonmaak- en onderhoudswerkzaamheden. De veehouder kan voor zo'n uitzondering een beroep doen op de hardheidsclausule in artikel 1.4 van de omgevingsverordening.
Lid 3: Wel geldt voor deze laatstbedoelde uitzondering de voorwaarde, dat de dierrechten controleerbaar afkomstig zijn van andere veehouderijen die in het stikstofreductiegebied gevestigd zijn en op die dierrechten hetzelfde stelsel (fosfaat-, pluimvee-, of varkensrechten) van toepassing is. De veehouderij kan dus met toepassing van deze uitzondering geen andere soort landbouwhuisdieren gaan houden (uitbreiding met een veehouderijtak).
Lid 1: Voor de duiding of een veehouderij is gelegen binnen het stikstofreductiegebied wordt verwezen naar artikel 4a.1, tweede lid, en de voor de veehouderij relevante aanvullende bepaling in artikel 4a.1, derde lid.
Elk veehouderijbedrijf binnen het stikstofreductiegebied is verplicht om de totale stikstofemissie van de dierenverblijven in het stikstofreductiegebied te reduceren. De veehouder krijgt ruim de tijd om aan deze reductieverplichting te voldoen: tot 1 januari 2035. Er moet worden gereduceerd tot de zogenoemde plafondwaarde. De plafondwaarde is de maximale emissie vanuit de dierenverblijven in het stikstofreductiegebied die per 1 januari 2035 wordt toegestaan. Deze wordt uitgedrukt in kg ammoniak per jaar.
Door uit te gaan van het feitelijk (uiteraard legaal) gehouden aantal dieren per 23 april 2025 - dat is de datum waarop de Voorbeschermingsregels beperkingengebied stikstofemissie ingingen - wordt voorkomen dat eventueel niet structureel benutte ruimte uit de natuurvergunning wordt ingezet.
Het kan zijn, dat een veehouder een dierenverblijf net leeg had staan op 23 april 2025, of door omstandigheden een lager aantal dieren had dan gebruikelijk. Dit bijvoorbeeld wanneer op een nieuwe ronde vleeskalveren of vleeskuikens wordt gewacht. Daarom mag een veehouder, indien hij aannemelijk kan maken dat het aantal gehouden dieren op 23 april 2025 niet representatief is, uitgaan van het maximum aantal dieren dat hij op enig moment hield in het kalenderjaar voorafgaand aan 23 april 2025. Hij dient de aannemelijkheid hiervan met bewijsstukken aan te tonen aan de provincie.
Lid 2: Voor een toelichting op deze rekenregel wordt verwezen naar de Staatscourant 2019 nr. 56288 van 22 november 2019, pag. 427-428.
Lid 3: De plafondwaarde wordt berekend zoals beschreven in de bijlage ‘Bepaling plafondwaarde veehouderij’. Per dierenverblijf wordt eerst een referentiewaarde bepaald. Dat is de emissie op basis van het per 23 april 2025 gehouden aantal dieren, waarbij de emissiefactor van een ‘traditionele stal’ als uitgangspunt wordt genomen. Vervolgens wordt die waarde gereduceerd met de reductiefactor die per diercategorie is opgenomen in de tabel in de bijlage. De daaruit ontstane waarde is de plafondwaarde. Bij meerdere dierenverblijven worden de plafondwaarden bij elkaar opgeteld.
Lid 4: geeft aan op welke wijze(n) de plafondwaarde kan worden bereikt. Dit kan door een stalaanpassing (sub a), door toepassing van aanvullende technieken (sub b), door het aantal dieren in het dierenverblijf te verkleinen (sub c), of door een andere, landelijk erkende en juridisch geborgde wijze toe te passen (sub d).
Voor een stalaanpassing (sub a) kan worden gekozen uit de huisvestingssystemen uit bijlage V bij de Omgevingsregeling. Voor een aanvullende techniek (sub b) kan worden gekozen uit de aanvullende technieken in bijlage VI bij de Omgevingsregeling. Deze bijlagen worden regelmatig herzien: er komen nieuwe systemen en technieken bij, er vallen ook systemen en technieken af en op basis van wetenschappelijk onderzoek wijzigen de emissiefactoren.
In plaats van stalmodernisering of aanvullende technieken kan een veehouder er ook voor kiezen het aantal dieren te reduceren (sub c). Dit kan een optie zijn voor een veehouder die in een afbouwfase van het bedrijf zit, of bijvoorbeeld in staat is met neveninkomsten de met de krimp gepaard gaande inkomensderving op te vangen.
Tenslotte (sub d) wordt voorgesorteerd op de mogelijkheid dat er tussen nu en 2035 nieuwe manieren komen om emissie te reduceren, zoals bijvoorbeeld voer- of management-maatregelen of een stelsel met doelvoorschriften. De ministers van LVVN en van IenW hebben immers een stelselwijziging en de introductie van doelsturing aangekondigd in de regelgeving voor stikstofemissie en -reductie. Als deze nieuwe manieren landelijk erkend en juridisch geborgd worden in wet- en regelgeving, kan van die nieuwe manieren worden uitgegaan.
Als een veehouder een bepaalde emissiearme techniek heeft gerealiseerd om aan de reductieverplichting te voldoen en die techniek ook is geborgd in de omgevingsvergunning, maar die techniek blijkt volgens een latere wijziging van bijlage V of VI niet meer te volstaan, dan hoeft de veehouder niet opnieuw te investeren in weer een andere techniek om per 1 januari 2035 aan deze verplichte stikstofemissiereductie te voldoen. Als de met die techniek behaalde reductie aantoonbaar de plafondwaarde niet haalt, zal na 1 januari 2035 worden bezien of die waarde alsnog op een andere wijze kan en moet worden bereikt. Daarbij zal in het kader van maatwerk en ‘hardheid’ (evenredigheid) rekening worden gehouden met de gangbare afschrijvingstermijn van de te goeder trouw (immers uitgaande van de op dat moment geldende regelgeving) gedane investeringen.
Lid 5: Heeft een veehouder meerdere dierenverblijven in het stikstofreductiegebied, met wellicht ook meerdere diersoorten, dan mag hij onderling verrekenen. Hij berekent per dierenverblijf de referentiewaarde en de plafondwaarde, en telt de plafondwaarden bij elkaar op. Vervolgens mag hij op verschillende manieren (zie artikel 4a.6, lid 3) per dierenverblijf reductiemaatregelen nemen, zolang de optelsom van de daaruit resulterende emissies de totale plafondwaarde maar niet overschrijdt. Het ene dierenverblijf zou hij wellicht ‘traditioneel’ kunnen houden, mits hij bij een ander dierenverblijf extra reduceert.
Lid 6: Voor een toelichting op dit onderdeel wordt verwezen naar (de toelichting bij) artikel 4a.7 (criteria vrijstelling).
Lid 1: Voor (melk)veehouderijen geldt een aantal uitzonderingen op zowel het uitbreidingsverbod (artikel 4a.5) als de verplichte plafondwaarde (artikel 4a.6). Voor zover een vrijstelling uitbreiding mogelijk maakt, laat dit onverlet dat er voor die uitbreiding een omgevingsplicht kan gelden voor een Natura2000-activiteit.
De (onderbouwing voor deze) vrijstellingen worden hieronder toegelicht.
Sub a: Deze vrijstelling geldt voor grondgebonden biologische veehouderijen die ook extensief zijn (max. 1,6 GVE/ha). Uit het WUR-rapport nr. 2025.159 ‘Overzicht en prioritering van landbouwmaatregelen voor lucht-, water- en bodemkwaliteit en agrobiodiversiteit’ blijkt dat biologische bedrijven een 40 tot 50% lagere ammoniakemissie hebben ten opzichte van gangbare bedrijven. Biologische grondgebonden bedrijven zijn extensief; ze hebben een veebezetting van max. 1,6 GVE/ha. Of een bedrijf biologisch is, blijkt uit de SKAL-certificering, die de veehouder kan tonen. Deze certificering staat onder jaarlijks toezicht van een SKAL-inspecteur. Als een bedrijf wil omschakelen naar grondgebonden biologische landbouw, moet hij de uitkomst van het SKAL-toelatingsonderzoek aan kunnen tonen bij het bevoegde gezag
Sub b: Bij deze vrijstelling gaat het om het aantal stuks vee op het bedrijf, uitgedrukt in grootvee-eenheden (zie de rekentabel op Grootvee eenheden (GVE) nieuwe Controleverordening | Publicatie | NVWA), gedeeld door de bij het bedrijf in gebruik zijnde gronden. De GVE-norm geldt op bedrijfsniveau, d.w.z. alle gronden waarover het bedrijf langdurig kan beschikken. Dit kan worden aangetoond via pacht-, huur- en buurtcontracten.
Het mag ook gaan om gronden die in gebruik zijn en die buiten het stikstofemissiegebied liggen. De gemiddelde veebezetting voor melkveehouderijen is in Gelderland 3,2 GVE/hectare. Met een norm van 1,5 GVE/ha is dus sprake van een halvering. Een lage veebezetting leidt automatisch tot een lagere ammoniakemissie. De veehouder kan de veebezetting aantonen via de Gecombineerde Opgave, die elke veehouder jaarlijks moet doen aan de RVO.
Sub c: Deze vrijstelling geldt als de veehouder gedurende minimaal 3020 uur per melkkoe per jaar weidegang toepast. Dit is ruim 500 uur meer dan de 2500 uur die verplicht is voor de eco-premie. Ook deze uitzondering wordt onderbouwd in het WUR-rapport nr. 2025.159 ‘Overzicht en prioritering van landbouwmaatregelen voor lucht-, water- en bodemkwaliteit en agrobiodiversiteit’. Daarin staat, dat 500 uur meer weidegang maar liefst tot 50% emissiereductie kan opleveren.
Sub d: Bij de vrijstelling voor tijdelijke leegstand gaat het erom dat per kalenderjaar sprake is van tijdelijke leegstand van de huisvesting. Deze uitzondering is er voor veehouders die niet van één van bovenstaande vrijstellingen (a tot en met d) kunnen profiteren. Met de tijdelijke leegstand in de huisvesting is bedoeld dat er tijdelijk geen vee aanwezig is op het bedrijf. De verplichte periode is gedurende 18 weken. Dat is 35% van het jaar. Deze vrijstelling leidt dan ook naar verwachting tot een emissiereductie van ca. 35%. Het kan zijn, dat het vee in die periode elders gehuisvest moeten worden. De bewijslast ligt bij de veehouder. Degenen die onder de uitzondering willen vallen, dienen hierover jaarlijks aan de provincie bewijzen te verstrekken.
Lid 2: Een (melk)veehouder kan van de vrijstelling gebruik maken door jaarlijks aan het bevoegd gezag aan te tonen dat aan het van toepassing zijnde criterium wordt voldaan.
Dit artikel beoogt het voorkomen van stikstofuitstoot nabij kwetsbare gebieden door het gebruik van stikstofhoudende kunstmest te verbieden. Onder stikstofkunstmest worden in dit artikel alle minerale anorganische meststoffen verstaan die een stikstofcomponent bevatten. Meststoffen die voortkomen uit circulaire mestverwerking en een stikstofcomponent bevatten worden als minerale anorganische meststoffen beschouwd. Particulier gebruik op niet-bedrijfsmatig geëxploiteerde gronden, zoals tuinen bij woonhuizen of een hobbymatig gebruikt perceel weiland, is uitgezonderd. De reden hiervan is dat de bijdrage aan stikstofdepositie verwaarloosbaar is en handhaving op dit niveau niet mogelijk is. Het verbod geldt wel voor bijvoorbeeld voetbalvelden, golfbanen en paardenweiden.
Deze regel beoogt dat huidige grasland behouden blijft. Grasland zorgt voor een hoge koolstofopbouw in de bodem. Ook neemt gras veel meststoffen op. Het risico van scheuren van grasland is dat de opgebouwde koolstof in de bodem verloren gaat. De uitzonderingen op het omzet- en scheurverbod zijn – in afwijking van artikel 4.1215 van het Besluit activiteiten leefomgeving – beperkt tot graslandvernieuwing, onkruidbestrijding en wisselteelt gedurende één jaar, dus wanneer er na het scheuren weer opnieuw gras wordt gezaaid.
Lid 1: De term weidegronden wordt in (bijlage 1 bij artikel 1.1 van) het Besluit activiteiten leefomgeving omschreven als ‘landbouwgronden, natuurgronden en overige gronden die voor ten minste 50% zijn beteeld met gras voor het beweiden van dieren of voor het gebruik als voer voor dieren’. De genoemde typen grasland worden gebruikt in RVO-gewascodes en zijn ontleend aan (artikel 4, derde lid, sub c, van) de EU-verordening 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 (strategische plannen gemeenschappelijk landbouwbeleid):
blijvend grasland: grasland dat 5 jaar of langer niet in vruchtwisseling is genomen; na 5 jaar kan het perceel telkens gedurende maximaal één jaar worden benut voor wisselteelt;
natuurlijk grasland, landbouw: natuurlijk grasland met landbouwactiviteiten (bijvoorbeeld bemesten, maaien en daardoor een hogere opbrengst); en
natuurlijk grasland, natuur: natuurlijk grasland met focus op natuurdoelen, minder of geen landbouw.
Het omzet- en scheurverbod geldt alleen voor bedrijven en terreinbeherende natuurorganisaties en niet voor particuliere weidegronden in gebruik voor het houden van hobbydieren.
Lid 2: De uitzondering (of vrijstelling) in onderdeel a sluit aan bij enkele uitzonderingen, die zijn opgenomen in artikel 4.1215, tweede lid, onderdeel 2, sub b, onder 2° en 3°, van het Besluit activiteiten leefomgeving (uitzonderingen op het verbod vernietigen zode gras op weidegronden).
Lid 1: In deze bepaling is aanvullend op artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) een verplichting opgenomen tot het beperken van de emissie van stikstofoxiden of -verbindingen in of naar de lucht die worden veroorzaakt door het gebruik van mobiele werktuigen. Artikel 7.19a Bbl schrijft voor dat bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden adequate maatregelen getroffen moeten worden om die emissie te beperken. In de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen (SEB) zijn voor (en in overleg met) de bouwsector (minimum)eisen opgenomen die door het bevoegd gezag gebruikt kunnen worden als invulling van die ‘adequate maatregelen’. De Routekaart voor Schoon en Emissieloos Bouwen (zie https://www.opwegnaarseb.nl/wat-is-seb/routekaart-seb of https://open.overheid.nl) is een gezamenlijk initiatief van overheden, marktpartijen en kennisinstellingen. Voor deze bepaling die ziet op andere (bedrijfsmatige) activiteiten dan bouw- en sloopwerkzaamheden waarbij gebruik gemaakt wordt van mobiele werktuigen is expliciet aangehaakt bij de eisen uit deze routekaart.
Onder ‘mobiele werktuigen’ worden in dit artikel verstaan: gemotoriseerde machines met een eigen aandrijving die draagbaar, verrijdbaar of anderzijds op verschillende plaatsen inzetbaar zijn, inclusief drijvend materieel, die niet hoofdzakelijk bedoeld zijn voor transport van mensen of goederen. Bij mobiele werktuigen moet onder andere gedacht worden aan bouwkranen, shovels, graafmachines, aggregaten, hoogwerkers, heftrucks of maaimachines en ook aan kleiner materieel zoals bladblazers.
'Bedrijfsmatig gebruik' is alle gebruik uitgezonderd gebruik door particulieren en hobbymatig gebruik, bijvoorbeeld in verenigingsverband. Gebruik van mobiele werktuigen door niet-gouvernementele organisaties, zoals Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, of door woningcorporaties geldt als bedrijfsmatig gebruik.
In afwijking van de routekaart is een ruime termijn gegund aan de sectoren die het betreft om aan deze reductieplicht te gaan voldoen (met ingang van 2035).
Voor werkzaamheden in opdracht van de diverse overheden of overheidsinstellingen gaan deze eisen al eerder gelden. Vanuit een voorbeeldfunctie geldt voor een publieke opdrachtgever (met inbegrip van een opdracht in het kader van publiek-private samenwerking) een hoger ambitieniveau. Bovendien zijn deze publieke opdrachtgevers – waterschappen, gemeenten, provincies en de rijksoverheid inclusief rijksdiensten – al partij bij het SEB-convenant. De verplichte emissiereductie voor publieke opdrachtgevers is opgenomen in de bijlage en ontleend aan de routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen:
de normen vanaf 1 januari 2028: het basisniveau voor periode 3, bedoeld in paragraaf 3.6, en tabel 9;
de normen vanaf 1 januari 2030: het ambitieuze niveau voor periode 4, bedoeld in paragraaf 3.6, en de tabellen 10 en 12.
De normen in de bijlage gelden ook als de publieke opdrachtgevers activiteiten in eigen beheer (dus met eigen mobiele werktuigen) uitvoeren. Niet-gouvernementele organisaties, zoals bijvoorbeeld Staatsbosbeheer en woningcorporaties, gelden niet als publieke opdrachtgevers.
Lid 2: Bij het verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden geldt al een generieke verplichting om adequate maatregelen te treffen om de emissie van stikstofverbindingen naar de lucht te beperken (artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving). Om die reden worden die werkzaamheden uitgezonderd. Die uitzondering betreft dus het bouwen of slopen van bouwwerken zoals bijvoorbeeld woningen, utiliteitsgebouwen, bruggen en tunnels. Die uitzondering geldt niet voor bijvoorbeeld het gebruik van mobiele werktuigen bij de aanleg van (spoor)wegen, bij het beheer van groen en bij beheer en onderhoud van bouwwerken. Deze bepaling in de omgevingsverordening werkt aanvullend op de rijksregels en is dus alleen van toepassing voor zover de werkzaamheden niet onder de reikwijdte van artikel 7.19a van het Besluit bouwwerken leefomgeving vallen.
Er is (nog) geen expliciete uitzondering opgenomen voor het agrarisch gebruik van mobiele werktuigen. Zo’n uitzondering, bijvoorbeeld ten aanzien van tractoren, vergt nog nader onderzoek. De uitzondering zal in samenspraak met de sector worden uitgewerkt, waarbij rekening wordt gehouden met de positie van loonbedrijven en ook het gebruik van landbouwwerktuigen buiten de landbouwsector. Daarnaast speelt ook de specifieke aard van deze sector een rol. Veel agrarische machines gaan lang mee voordat ze afgeschreven zijn. Sommige agrarische werktuigen zijn zo specialistisch, dat ook op de langere termijn een betaalbare elektrische variant moeilijk of niet te verkrijgen is. Ook kan het extra gewicht van elektrische machines problematisch zijn voor de ondergrond.
Hetzelfde geldt voor het gebruik van mobiele werktuigen in de bosbouw.
K
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1:
Afdeling 1.3 bevat instrumenten om af te wijken van instructieregels. In artikel 5.2, eerste lid, is aangegeven in welke gevallen geen gebruik kan worden gemaakt van deze mogelijkheid. Dat is bijvoorbeeld het geval bij specifieke natuurbeheertypen, weidevogelgebieden en werelderfgoedweidevogelgebieden. Daarnaast is afdeling 1.3 niet van toepassing op de instructieregels over de inhoud van een omgevingsplan met betrekking tot de bescherming van het grondwater vanwege de drinkwaterwinning. Voor een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening zijn in waterwingebieden alleen functies toegestaan die geen negatieve effecten kunnen hebben op de kwaliteit van het grondwater. Hier kan niet van worden afgeweken. In waterwingebieden is bescherming van de winning en grondwater bestemd voor de drinkwaterwinning van het hoogste belang. Voor grondwaterbeschermingsgebieden geldt eigenlijk hetzelfde, maar daarbij is op basis van de instructieregel zelf (artikel 5.57) al sprake van een specifieke afwijkingsmogelijkheid in de vorm van een compensatiemogelijkheid, wanneer negatieve effecten niet kunnen worden voorkomen.
Lid 2: In artikel 5.2, tweede lid, is een specifieke ontheffingsmogelijkheid opgenomen voor activiteiten binnen het werelderfgoed. Deze afzonderlijke bepaling hangt samen met de ‘getrapte’ instructieregel van het Rijk in artikel 7.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Gedeputeerde Staten kunnen alleen ontheffing verlenen, voor zover die ontheffing past binnen de daarvoor door het Rijk gestelde criteria in het vijfde lid van artikel 7.4 Bkl.
L
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het Werelderfgoedverdrag (UNESCO) heeft als doel om erfgoed dat van unieke en universele waarde is voor de mensheid, beter te kunnen bewaren voor toekomstige generaties. De Neder-Germaanse Limes staat sinds juli 20222021 op de Lijst van Werelderfgoed.
M
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ter uitvoering van artikel 7.2, tweede lid, onder b Besluit kwaliteit leefomgeving worden in bijlage Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes bij deze omgevingsverordening de kernkwaliteiten uitgewerkt.
De kernkwaliteiten zijn de in bijlage XVII van het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdlijnen beschreven essentiële kenmerken van het aanwezige landschap en cultureel erfgoed. Een concrete uitwerking - op detailniveau - vindt plaats in handboeken. Zie bijlage Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes voor meer uitleg en toelichting.
N
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1: Ter uitvoering van artikel 7.4, derde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden regels gesteld over de toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, met het oog op het behoud van de (uitgewerkte) kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes. Deze instructieregel is bewust algemeen geformuleerd, zodat de gemeente enige ruimte voor invulling heeft. Die ruimte wordt begrensd in het tweede lid.
Lid 2: De afweeg- of invulruimte voor de gemeente bij het toedelen van functies aan locaties in of nabij het werelderfgoed wordt op drie punten begrensd. Onderdeel a is ontleend aan artikel 4.29, tweede lid, van de Omgevingswet. Ter uitvoering van artikel 7.4, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt in onderdeel b bepaald dat de kernkwaliteiten niet mogen worden aangetast. Gelet op de achterliggende internationale verplichtingen die Nederland bij aanmelding van dit werelderfgoed is aangegaan, kan niet van deze instructieregel worden afgeweken. Zie ook artikel 5.2 van deze verordening.
In onderdeel c is een vrijstelling opgenomen voor activiteiten met een beperkte omvang.
Lid 3: In het kader van maatwerk en subsidiariteit wordt de gemeente de mogelijkheid geboden om de in het tweede lid, onder c, gegeven vrijstellingsmogelijkheid aan te passen aan de lokale situatie.
O
Na sectie 5.62 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Ter uitvoering van artikel 7.8b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) worden woningbouwregio’s aangewezen. Artikel 7.8b Bkl geeft expliciet aan dat een woningbouwregio de verzameling van gemeenten bevat die voor de woningbouwopgave uit een oogpunt van een evenwichtige samenstelling van de woningvoorraad als een eenheid moet worden aangemerkt. En daarbij wordt nog aangetekend dat in een provincie een of meer woningbouwregio’s worden aangewezen en dat de in de provincie gelegen gemeenten in ten hoogste één woningbouwregio worden ingedeeld. Toepassing van deze uitgangspunten heeft geleid tot de in dit artikel aangegeven indeling. De buiten de provincie Gelderland gelegen gemeenten die wel deel uitmaken van een ‘Gelderse’ regio, worden door de betrokken provincies bij die regio’s ingedeeld.
P
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1: In een regionaal programma werklocaties worden afspraken gemaakt over toekomstbestendigheid en programmering van bedrijventerreinen. Gedeputeerde Staten geven per regio aan of er ook afspraken gemaakt moeten worden over perifere detailhandel of kantoren. De verantwoordelijkheid om een regionaal programma te maken en actueel te houden, ligt bij de gemeenten in de afzonderlijke regio's. De provincie is in elke regio als partner actief betrokken bij het opstellen en uitwerken van de afspraken.
Lid 2: Een regionaal programma werklocaties is geen statisch document. Jaarlijks wordt met elke regio in een bestuurlijk overleg de stand van zaken rond de afspraken in het regionaal programma werklocaties besproken. Daarbij speelt monitoring van de feitelijke ontwikkelingen (feitelijke uitgifte, het beschikbare aanbod en de actuele vraag) een belangrijke rol. Afhankelijk van feitelijke ontwikkelingen worden de regionale afspraken bijgesteld of aangescherpt. Als uitgangspunt geldt dat een regionaal programma in elk geval vierjaarlijks wordt geactualiseerd. Als de resultaten van de jaarlijkse monitoring daartoe aanleiding geven of als zich nieuwe ontwikkelingen voordoen, worden de afspraken tussentijds geactualiseerd.
Lid 3: Als de vierjaarlijkse actualiseringstermijn door omstandigheden niet gehaald wordt, rijst de vraag of het regionaal programma werklocaties ook na afloop van die termijn nog geldt of van rechtswege is komen te vervallen. In dit lid wordt met het oog hierop expliciet bepaald dat zo’n programma blijft gelden, tot het geactualiseerde programma in werking treedt.
Q
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In artikel 5.69 wordt aangegeven welke onderdelen in een regionaalwerkprogramma in ieder geval aan de orde moeten komen. Het doel van deze regionale afstemming is om op basis van een goede analyse (eerste lid) entot een heldere visie (tweede lid) tot heldereen afspraken (derdetweede lid) te komen over de gewenste toekomstbestendige, ruimtelijk-economische ontwikkeling van werklocaties passend bij het economisch profiel, de ambities en omgevingskwaliteiten van de regio.
Lid 1: Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de evenwichtige toedeling van functies op lokaal niveau. De bedrijventerreinenmarkt heeft echter nadrukkelijk ook een regionale component. De ontwikkeling van een bedrijventerrein of keuze van locatie voor een nieuwvestiging die vanuit één gemeente bezien aantrekkelijk en logisch lijkt, hoeft dit vanuit het bredere, regionale perspectief niet te zijn. In een regionaal programma werklocaties wordt vanuit dat bredere perspectief gekeken naar de gezamenlijke opgave.
Lid 1: Om een goede afweging te kunnen maken over de doorontwikkeling van terreinen en toevoegingen aan de bestaande voorraad is het allereerst noodzakelijk om inzicht te hebben in hoe de bestaande bedrijventerreinen ervoorstaan en hoe de vraag zich ontwikkelt in de regio. Bij het inschatten van de vraag is het van belang om zowel rekening te houden met bestaande knelpunten bij bedrijven als met trends die invloed kunnen hebben, zoals een circulaire economie.
Lid 2: Vervolgens is het belangrijk om duidelijk te krijgen hoe de regio daarmee om wil gaan op basis van een visie op toekomstbestendigheid, het gewenste economisch profiel en een evenwichtige afweging van het gebruik van de fysieke leefomgeving ter vervulling van de vraag naar werklocaties en het in stand houden of verbeteren van de omgevingskwaliteiten. Welk profiel streeft de regio na en welke bedrijven hebben toegevoegde waarde voor de regio? Hoe kan de gewenste economische ontwikkeling regionaal het beste worden vormgegeven, rekening houdend met de omgevingskwaliteiten in de regio? Op basis van deze visie maakt de provincie waar nodig afspraken om op een goede wijze invulling te geven aan de ambities.
Lid 3 onderdeel a: De provincie stimuleert regio's om goed na te denken over het toekomstbestendig maken van de werklocaties en hier waar nodig gezamenlijk in op te trekken. Via de Aanpak toekomstbestendige bedrijventerreinen ondersteunt de provincie de regio's hierbij.
Lid 3 onderdelen b en c: Bij het bepalen van de gewenste toevoegingen aan de bestaande voorraad werklocaties geldt het uitgangspunt dat vraag en aanbod zowel kwantitatief als kwalitatief in evenwicht moeten zijn. Mocht er sprake zijn van over aanbod, dan verwacht de provincie afspraken over de aanpak hiervan. Om aan elk type bedrijf een goede plek te kunnen bieden, is per regio een divers en samenhangend aanbod aan typen werklocaties nodig. Bedrijven stellen immers verschillende eisen aan een locatie wat betreft bereikbaarheid, uitstraling, fysieke ruimte en milieugebruiksruimte. Dit betekent onder andere dat er voldoende kavels moeten zijn voor grootschalige logistiek, watergebondenbedrijven, kleinschalige lokale bedrijvigheid en bedrijven in de hogere milieucategorie.
Lid 3 onderdeel d: Bij het formuleren van randvoorwaarden voor nieuwe initiatieven worden in ieder geval de volgende elementen opgenomen:
Lid 2 onderdeel a: Welk economisch profiel streeft de regio na? Wat voor bedrijven en werk hoort daarbij, ook in relatie tot de regionale arbeidsmarkt en de balans tussen wonen en werken? We willen dat de ruimte alleen wordt uitgegeven aan bedrijven die van regionale meerwaarde zijn. Deze bedrijven hebben een mate van regionale gebondenheid, dragen bij aan regionale economie, hebben maatschappelijke meerwaarde en gebruiken de ruimte zorgvuldig. Onderdeel van de afspraken is een regionale uitwerking van regionale meerwaarde en de wijze waarop gemeenten via gronduitgifte hierop sturen.
Lid 2 onderdeel b: We beschermen de huidige oppervlakte en kwaliteit van werklocaties. Als de fysieke ruimte of milieuruimte voor werklocaties op een bepaalde locatie niet beschermd kan worden en dus vermindert of verdwijnt, dan moet deze ruimte op een andere locatie in de regio gecompenseerd worden.
Lid 2 onderdeel c: Vanuit bedrijfsmatig en maatschappelijk oogpunt is het belangrijk dat het juiste bedrijf op de juiste plek landt. Dit vraagt om ruimtelijke sturing op zowel bestaande als nieuwe werklocaties. De provincie hanteert daarbij de volgende uitgangspunten:
De ladder voor duurzame verstedelijking: we ontwikkelen alleen nieuwe terreinen, als de bestaande terreinen optimaal zijn benut en ze van toegevoegde waarde zijn voor de bestaande voorraad. Dit vereist duidelijkheid over het profiel en het type bedrijvigheid waarvoor het terrein is bedoeld.
Vanuit bedrijfsmatig en maatschappelijk oogpunt is het belangrijk dat het juiste bedrijf op de juiste plek komt. De provincie hanteert daarbij de volgende uitgangspunten:
Grootschalige bedrijven of bedrijven die milieuhinder of veel verkeersbewegingen veroorzaken, moeten een plek krijgen waar zij ruimte hebben om te ondernemen zonder hinder te ondervinden van andere functies. Andere functies, zoals wonen, moeten geen hinder ondervinden van de bedrijven. Veelal betekent dit functiescheiding. Voor grootschalige logistiek geldt aanvullend beleid waarmee wordt ingezet op clustering.
grootschalige bedrijven of bedrijven die milieuhinder of veel verkeersbewegingen veroorzaken, moeten een plek krijgen waar zij ruimte hebben om te ondernemen zonder hinder te ondervinden van andere functies. Andere functies, zoals wonen, moeten geen hinder ondervinden van de bedrijven. Veelal betekent dit functiescheiding. Voor grootschalige logistiek geldt aanvullend beleid waarmee wordt ingezet op clustering;
bedrijven die gemengd kunnen worden met andere functies, kunnen een plek krijgen in stedelijke gebieden met gemengde milieus buiten bedrijventerreinen of op bedrijventerreinen waar dit passend is (denk aan binnensteden, gemengde werklocaties);
een bedrijf moet qua aard en schaal passen bij de omgevingskwaliteiten van de locatie;
op bedrijventerreinen die ook ontsloten zijn door water, worden kavels bij voorkeur benut door watergebonden en waterverbonden bedrijven. Bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten, moeten in beginsel beschikbaar blijven voor watergebonden bedrijvigheid;
een integrale afweging bij de locatiekeuze, door waar nodig op regionaal niveau integraal te zoeken naar de beste locaties. Integraal wil zeggen: niet alleen rekening houden met het bedrijfsperspectief, maar ook met de omgevingskwaliteiten en andere ruimteclaims, zoals woningbouw, energietransitie, klimaatadaptatie. Zeker bij de locatiekeuze en vormgeving van grotere terreinen en clusters is dit van belang.
Bij de toekomstbestendige inrichting van terreinen ligt de provinciale focus op een goede digitale ontsluiting, duurzaamheid en organisatiegraad.
Bedrijven die gemengd kunnen worden met andere functies, dienen in principe een plek te krijgen in stedelijke gebieden met gemengde milieus buiten bedrijventerreinen of, als dit niet mogelijk is, op bedrijventerreinen waar dit passend is (denk aan binnensteden, gemengde werklocaties). Hierdoor kunnen bedrijventerreinen worden benut voor activiteiten die deze (milieugebruiks)ruimte ook echt nodig hebben. Om dit te realiseren is wel schuifruimte nodig. Dit vraagt om het creëren van een economisch programma in stedelijk gebied en een duidelijk profiel van werklocaties.
De provincie ziet duurzaamheid breed: energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en circulariteit. De huidige landelijke normen voor de bouw van bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen zijn onvoldoende om de provinciale duurzaamheidsdoelstellingen te halen. Daarom wil de provincie aanvullende afspraken maken met gemeenten over het realiseren van een hoger duurzaamheidsniveau: zo duurzaam mogelijk, afhankelijk van wat er voor de locatie en bedrijfstak realistisch en haalbaar is.
Een bedrijf moet qua aard en schaal passen bij de omgevingskwaliteiten van de locatie.
Een goede samenwerking tussen bedrijven is essentieel voor een langdurig goed functionerend bedrijventerrein. Daarom wil de provincie bij de aanleg van nieuwe terreinen met gemeenten afspraken maken over het borgen van de organisatiegraad, bij voorkeur via parkmanagement.
Op bedrijventerreinen die ook ontsloten zijn door water, worden kavels bij voorkeur benut door watergebonden en waterverbonden bedrijven. Bedrijfskavels die door een kade zijn ontsloten, moeten in beginsel beschikbaar blijven voor watergebonden bedrijvigheid.
Lid 2 onderdeel d: het is belangrijk dat de visie en uitgangspunten voor het economisch profiel van de regio en het juiste bedrijf op de juiste plek worden doorvertaald naar het profiel van de werklocaties. Voor welke bedrijven zijn de terreinen bedoeld? Dit is randvoorwaardelijk voor sturing op het beter benutten van werklocaties en het bepalen van welke type werklocaties aanvullend nodig zijn.
Lid 2 onderdeel e: Ruimtelijk beter benutten betekent het intensiveren van het ruimtegebruik op bestaande bedrijventerreinen door bijvoorbeeld onderbenutte delen te bebouwen, gezamenlijke (parkeer)faciliteiten te creëren, leegstaande panden te herstructureren en opslaglocaties efficiënter in te richten. Functioneel beter benutten houdt in dat het juiste bedrijf op de juiste plek kan landen en de economische functies worden geoptimaliseerd.
Wij zetten daarbij in ieder geval in op:
het weren van mengbare bedrijven op werklocaties en hiervoor economisch programma te realiseren in het stedelijk gebied;
uit te sluiten dat bedrijven met een lage milieucategorie zich kunnen vestigen op kavels die specifiek bedoeld zijn voor bedrijven met een hoge milieucategorie; en
benutting van watergebonden kavels door watergebonden bedrijvigheid.
Lid 2 onderdeel g: We streven ernaar dat het aanbod, van fysieke ruimte en milieugebruiksruimte in evenwicht is met de vraag vanuit het bedrijfsleven, die we willen accommoderen, zowel kwantitatief als kwalitatief. Om aan elk type bedrijf een goede plek te kunnen bieden, is per regio een divers en samenhangend aanbod aan typen werklocaties nodig. Bedrijven stellen immers verschillende eisen aan een locatie wat betreft bereikbaarheid, uitstraling, fysieke ruimte en milieugebruiksruimte. Dit betekent onder andere dat er voldoende kavels moeten zijn voor grootschalige logistiek, watergebonden bedrijven, kleinschalige lokale bedrijvigheid en bedrijven met een hoge milieugebruiksruimte.
Lid 2 onderdeel h: Bij het formuleren van randvoorwaarden voor nieuwe initiatieven worden in ieder geval de volgende elementen opgenomen:
De ladder voor duurzame verstedelijking: we ontwikkelen alleen nieuwe terreinen, als de bestaande terreinen optimaal zijn benut en ze van toegevoegde waarde zijn voor de bestaande voorraad. Dit vereist duidelijkheid over het profiel en het type bedrijvigheid waarvoor het terrein is bedoeld.
De visie en afspraken over het juiste bedrijf op de juiste plek en profiel van werklocaties uit lid 2 onderdeel c en d worden doorvertaald naar nieuwe werklocaties. Voor elke werklocatie is duidelijk voor welke bedrijven het terrein bedoeld is. Dit wordt doorvertaald in het omgevingsplan, bijvoorbeeld door de minimale milieugebruiksruimte vast te leggen.
Een integrale afweging bij de locatiekeuze, door waar nodig op regionaal niveau integraal te zoeken naar de beste locaties. Integraal wil zeggen: niet alleen rekening houden met het bedrijfsperspectief, maar ook met de omgevingskwaliteiten en andere ruimteclaims, zoals woningbouw, energietransitie, klimaatadaptatie. Zeker bij de locatiekeuze en vormgeving van grotere terreinen en clusters is dit van belang.
Lid 2 onderdeel i: Om ervoor te zorgen dat er ook op lange termijn ruimte kan worden gecreëerd voor nieuwe regionale bedrijventerreinen, zijn in de provinciale omgevingsvisie zoekgebieden aangewezen. Dit zijn voor de provincie de meest logische gebieden om in de toekomst ruimte te vinden voor nieuwe regionale bedrijventerreinen. Per regio willen we samen met gemeenten keuzes maken waar we daadwerkelijk ruimte willen aanwijzen voor toekomstige regionale bedrijventerreinen. Dit vraagt om een integrale (regionale) afweging waarin verschillende ruimteclaims en omgevingskwaliteiten ten opzichte van elkaar worden afgewogen. In de regionale programma’s willen we deze zoektocht monitoren en vastleggen. Hiermee geven we tevens invulling aan de afspraak uit het landelijke traject Grip op grootschalige bedrijvigheid om zoekgebieden voor dit segment bedrijven vast te leggen.
Lid 32 onderdeel ej: Om duidelijkheid te creëren over de te volgen procedure en onderlinge rolverdeling moeten hierover afspraken worden gemaakt. De toekomst laat zich moeilijk voorspellen. Het is daarom van belang dat de procedures in het regionaal programma werklocaties voldoende flexibiliteit kennen om te kunnen inspelen op veranderende omstandigheden.
Lid 32 onderdeel fk: Het is van belang de ontwikkelingen goed te monitoren, om te kunnen beoordelen of de gemaakte afspraken nog passend zijn of dat een actualisatie nodig is. Dit gebeurt in ieder geval 2 jaar na vaststelling van het regionaal programma werklocaties.
In de huidige werkwijze wordt er vanuit één sectoraal belang naar afstemming met andere belangen gezocht. Een in onze ogen gewenst ontwikkelperspectief is het maken van een integrale verstedelijkingsvisie met afspraken, waarvan werklocaties onderdeel uitmaken. Als een regio daarmee aan de slag wil, werken wij hier graag aan mee.
Lid 3: We bereiken de grenzen van het fysieke systeem: klimaatverandering, biodiversiteitsverlies, stikstofuitstoot, netcongestie, vervuiling en schaarste aan water, bodem en grondstoffen. Bedrijventerreinen zijn dé plekken waar grote transities samenkomen - energie, circulariteit, grondstoffen, ruimte, mobiliteit en vergroening - en waar door het grote gebruik van energie, water en materialen veel impact kan worden gemaakt. Het toekomstbestendig verdienvermogen van bedrijven(terreinen) kan alleen zeker gesteld worden als bedrijventerreinen deze transities doormaken en rekening houden met de grenzen van het fysieke systeem. Dit vereist dat hier bij de (her)inrichting van bedrijventerreinen zoveel mogelijk rekening mee wordt gehouden. In lid 3 zijn de thema’s benoemd die in ieder geval belangrijk zijn om te komen tot toekomstbestendige bedrijventerreinen. We duiden de thema’s en geven soms al randvoorwaarden mee, die we samen met gemeenten en andere partijen verder willen concretiseren in het regionaal programma werklocaties.
Lid 3 onderdeel a: Een goede samenwerking tussen bedrijven is essentieel voor een langdurig goed functionerend bedrijventerrein. Daarom wil de provincie bij de aanleg van nieuwe terreinen met gemeenten afspraken maken over het borgen van de organisatiegraad, bij voorkeur via parkmanagement.
Lid 3 onderdeel c: De ruimte op het elektriciteitsnet is beperkt. Niet alles kan overal. Nieuwe ontwikkelingen moeten daarom netbewust zijn, zodat ontwikkelingen minder ruimte innemen en er meer ontwikkelingen binnen schaarse netcapaciteit passen. Dit vergt afspraken die borgen dat locatiekeuzes worden afgestemd op de huidige netcapaciteit én de investeringsplannen van relevante onderstations, zodat aansluiting op redelijke termijn mogelijk is. Dit vraagt om vroegtijdige afstemming met de gemeente bij planvorming. Daarnaast is het belangrijk om werklocaties zo te ontwerpen dat het energieverbruik flexibel kan worden afgestemd op momenten van opwek en piekbelastingen op het net. Dit kan door inzet van decentrale oplossingen zoals opslag, piekmanagement en door bedrijven met een complementair energieprofiel (bijvoorbeeld dag- en nachtgebruik) te clusteren. Vraagsturing en slimme systemen helpen om pieken te vermijden en het net efficiënt te benutten.
Tot slot moet ook de mobiliteitsvraag en laadinfrastructuur worden meegenomen in het energieplan van de werklocatie. Laadvoorzieningen veroorzaken extra piekbelasting; daarom is het van belang om smart charging toe te passen en deze infrastructuur te koppelen aan lokale opwek en opslag.
Lid 3 onderdeel d: We willen dat er bij het ontwikkelen van een bedrijventerrein in ieder geval goed wordt nagedacht over circulair bouwen, uitwisseling van reststromen en slimme clustering van bedrijven.
Lid 3 onderdeel e: Biodiversiteit gaat over de verscheidenheid aan al het leven op aarde. Bedrijventerreinen liggen vaak aan de rand van de stad en vormen de schakel tussen stad en landelijk gebied. Ze zijn vaak erg versteend: in 2025 is slechts 1% van de oppervlakte van bedrijventerreinen groen of blauw. Klimaatadaptatie richt zich op het zó aanpassen van bedrijventerreinen dat zij beter bestand zijn tegen weersextremen als hevige neerslag, hittestress, droogte en overstromingen. Bij sommige terreinen zal ook bodemdaling een risico kunnen zijn. Het thema klimaatadaptatie is cruciaal om de leefbaarheid, bedrijfscontinuïteit en veiligheid op bedrijventerreinen te waarborgen en tegelijk gezondheidsrisico’s en economische schade te beperken.
Lid 3 onderdeel f: Een toekomstbestendig bedrijventerrein streeft ernaar dat regenwater, grondwater en proceswater optimaal worden benut, hergebruikt en teruggegeven aan het systeem, terwijl kwaliteit en beschikbaarheid geborgd blijven.
Lid 3 onderdeel g: Bereikbaarheid van een nieuw bedrijventerrein is randvoorwaardelijk voor de komst van bedrijventerreinen. Het verschilt per bedrijventerrein welke bereikbaarheid passend is. Dit kan zijn met de fiets, auto, water e/o het openbaar vervoer. Voldoende ruimte voor truck parkeren en laadpleinen (Clean energy hubs), verkeersveiligheid en aandacht voor mobiliteitsmanagement zijn belangrijke thema’s die we graag samen met gemeenten verder vormgeven en invullen (zie ook onderdeel c).
Lid 3 onderdeel h: Gemeenten en regionale partners zetten in op weerbare werklocaties die minder kwetsbaar zijn voor ondermijnende criminaliteit.
Lid 4: Als over de locatiekeuzes voor detailhandelsvoorzieningen in een regionaalprogramma werklocaties afspraken worden gemaakt, wordt het in artikel 5.75 voor omgevingsplan regels gestelde kader bij die afspraken betrokken. Met de keuze voor «betrekken bij» (in plaats van «in acht nemen» of «rekening houden met»), wordt er in een regionaal programma werklocaties veel ruimte geboden voor een eigen afweging. Uiteraard zullen bij het maken van die afspraken ook de Ladder voor duurzame verstedelijking en de Dienstenrichtlijn betrokken moeten worden.
R
Na sectie 5.71 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Lid 1: De fysieke ruimte (capaciteit en oppervlakte) voor bedrijventerreinen (sub a) en de milieugebruiksruimte van die terreinen (sub b) en van de op die terreinen gevestigde bedrijven (sub c) kan op verschillende manieren onder druk komen te staan. Bijvoorbeeld door plannen voor transformaties, omvorming tot woon-werkgebieden of door nabij gelegen (nieuwe) geluidgevoelige activiteiten, zoals woningbouw. Gezien het belang van bedrijven voor de economische structuur van de provincie Gelderland is het behoud van de oppervlakte voor bedrijventerreinen en van de grootst mogelijke milieugebruiksruimte voor tenminste bedrijven met milieucategorie 4.1 (of vergelijkbaar volgens een andere systematiek, zie lid 3) van provinciaal belang als vestigingsvoorwaarde.
Deze regeling heeft ook gevolgen voor nieuwe activiteiten in de omgeving van een bedrijventerrein. Bij het toelaten van nieuwe ontwikkelingen borgt het omgevingsplan dat deze nieuwe activiteiten, zoals een woningbouwontwikkeling, de milieugebruiksruimte voor bedrijven met milieucategorie 4.1 of hoger op het bedrijventerrein niet beperkt.
Lid 1 bevat uitgangspunten ten aanzien van het beschermen en compenseren van de fysieke en milieugebruiksruimte van en op bedrijventerreinen. Basisprincipe is dat fysieke of milieugebruiksruimte die verloren dreigt te gaan, binnen de regio wordt gecompenseerd (artikel 5.69, tweede lid, onder b). In het regionaal programma werklocaties kan een strategische visie worden gemaakt voor het beschermen en compenseren van de fysieke ruimte (lid 1, sub a) en het beschermen en compenseren van de milieugebruiksruimte (lid 1, sub b en c). Onderdeel van die visie kan een regionale compensatieaanpak zijn. Die visie en aanpak kunnen de basis bieden voor concrete compensatieafspraken in een individuele casus.
Alleen als het verminderen of beperken van fysieke ruimte of milieugebruiksruimte past binnen deze gemaakte afspraken kan de ontwikkeling mogelijk worden gemaakt.
Lid 1, b en c: In dit artikel wordt onder ‘milieugebruiksruimte’ verstaan: de voor activiteiten beschikbare ruimte voor het veroorzaken van effecten op de fysieke leefomgeving. Deze ruimte wordt voor bedrijven, die volgens de VNG Handreiking Bedrijven en Milieuzonering uit 2009 zijn gereguleerd, bepaald door de richtafstand tot het van toepassing zijnde omgevingstype. Voor bedrijven die zijn gereguleerd volgens Milieuzonering nieuwe stijl de handreiking uit mei 2019 of de Handreiking Activiteiten en Milieuzonering 2024 is de milieugebruiksruimte vastgelegd met geluid- en geurnormen per bedrijf. Artikel 5.71a heeft tevens betrekking op het beschermen van milieugebruiksruimte op geluidgezoneerde bedrijventerreinen (op grond van de Wet geluidhinder) en bedrijventerreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden. In deze gevallen wordt de milieugebruiksruimte (geluidruimte) van het gehele bedrijventerrein bepaald door de geluidzone (Wet geluidhinder) of de geluidproductieplafonds als omgevingswaarden op de geluidreferentiepunten. De milieugebruiksruimte (geluidruimte) kan voor een individueel bedrijf met een geluidverkaveling zijn toegedeeld. Deze bescherming van milieugebruiksruimte heeft ook gevolgen voor nieuwe activiteiten in de omgeving van een bedrijventerrein. Bij het toelaten van nieuwe ontwikkelingen borgt het omgevingsplan dat deze nieuwe activiteiten, zoals een woningbouwontwikkeling, de milieugebruiksruimte voor bedrijven met milieucategorie 4.1 of hoger op het bedrijventerrein niet beperkt. Als in een regio ruimte voor milieucategorieën lager dan 4.1 ook schaars is, heeft het de voorkeur om in het regionaal programma werklocaties ook afspraken te maken over de bescherming van de milieugebruiksruimte van die bedrijven.
Lid 2: Als een initiatief tot verminderen van fysieke of milieugebruiksruimte niet past binnen de afspraken van het regionaal programma werklocaties kan deze toch mogelijk worden gemaakt als de regio en Gedeputeerde Staten willen meewerken aan het initiatief en zij de compensatie afdoende vinden. De eerste stap is dat de gemeente in overleg treedt met de regio en provincie. Als het initiatief kansrijk lijkt stelt de gemeente een compensatieplan op waarin het initiatief wordt beschreven en de manier waarop de verloren fysieke en milieugebruiksruimte wordt gecompenseerd. Het compensatieplan gaat in ieder geval in op de volgende onderdelen:
Integrale afweging vanuit het brede welvaartsperspectief
Motivering van het compensatieplan: hoe zijn de economische, sociale en ruimtelijke effecten vanuit brede welvaart afgewogen? Brede welvaart gaat over de kwaliteit van leven en van de leefomgeving van de mensen die op dit moment in Gelderland wonen. Het gaat in essentie over het welzijn van mensen. Het concept ‘Brede welvaart hier en nu’ kan worden beschreven aan de hand van acht thema’s: subjectief welzijn, materiële welvaart, gezondheid, arbeid en vrije tijd, wonen, samenleving, veiligheid en milieu. Zie voor een nadere uitleg van het concept en de monitoring van deze acht thema’s de website van het Centraal Bureau voor de Statistiek (www.cbs.nl).
Regionaal programma werklocaties en ruimtelijke-economische structuur
Het compensatieplan beschrijft waarom het initiatief niet past binnen de afspraken uit het regionaal programma werklocaties (rpw), hoe het initiatief aansluit op de visie binnen het rpw en wat de positie van het bedrijventerrein is in de ruimtelijke-economische structuur van de regio. Is het bijvoorbeeld in de provinciale omgevingsvisie aangeduid als werklocatie van provinciaal belang?
Overzicht huidige en toekomstige situatie
Het compensatieplan bevat een helder overzicht van het aantal vierkante meters terrein, bruto vloeroppervlakte, milieugebruiksruimte, type bedrijvigheid en arbeidsplaatsen in de huidige en toekomstige situatie (voor zover van toepassing).
Compensatiestrategie
Het compensatieplan beschrijft hoe het verlies aan aantal vierkante meters terrein, bruto vloeroppervlak, milieugebruiksruimte, type bedrijvigheid e/o arbeidsplaatsen wordt gecompenseerd. Het uitgangspunt is om dit minimaal gelijk te houden. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk of haalbaar is, beschrijft het compensatieplan welke alternatieve strategie wordt gevolgd om zoveel mogelijk aan compensatie te realiseren.
Deze compensatieplicht ziet op nieuwe plannen die nog niet zijn opgenomen in programmeringsafspraken of aanpassingen aan bestaande plannen. Sturing op het beter benutten van de overgebleven fysieke ruimte en milieugebruiksruimte kan ook onderdeel uitmaken van het compensatieplan, bijvoorbeeld door het invoeren van een minimale milieugebruiksruimte of het weren van mengbare functies.
Monitoring
Een gekozen compensatiestrategie heeft doorgaans een langetermijnkarakter. Daarom is het belangrijk om in het compensatieplan vast te leggen hoe de voortgang structureel wordt gevolgd, geëvalueerd en bijgestuurd.
De gemeentebesturen in de regio worden in de gelegenheid gesteld om een zienswijze over de ontwikkeling en het compensatieplan naar voren te brengen. Dit kan ook mondeling aan de regiotafel. Vervolgens beoordelen Gedeputeerde Staten het compensatieplan vanuit een breed welvaartsperpectief.
Vraag 1 is of zij willen meewerken aan het initiatief. Vraag 2 is of zij de compensatie afdoende vinden. Dit is elke keer maatwerk en afhankelijk van de lokale en regionale situatie. Gedeputeerde Staten kijken naar wat realistisch en haalbaar is qua compensatie en vragen daarbij niet het onmogelijke. Daarbij wordt getoetst op de volgende punten:
Omvang en aard van het verlies en de compensatie:
In hoeverre wordt het verlies aan aantal vierkante meters terrein, bruto vloeroppervlak, milieugebruiksruimte, type bedrijvigheid e/o arbeidsplaatsen gecompenseerd?
Realisme en haalbaarheid van de compensatie:
Is de compensatie uitvoerbaar binnen de voorgestelde termijn?
Integrale afweging vanuit het brede welvaartsperspectief:
Bij het brede welvaartsperspectief worden naast economische belangen ook andere relevante belangen worden meegewogen, zoals leefomgeving, ruimtelijke kwaliteit en samenhang met andere gebiedsopgaven. Dit is elke keer maatwerk en afhankelijk van de lokale en regionale situatie.
Compensatie wordt in eerste instantie binnen de eigen gemeente geregeld. Als dit niet mogelijk is, moeten er afspraken worden gemaakt met omliggende gemeenten, waarbij rekening moet worden gehouden met het voortzetten van bestaande bedrijfsactiviteiten (o.a. aansluiting heeft op het energienet). Als ook dit niet mogelijk en passend is, worden de afspraken op (boven)regionaal niveau gemaakt.
S
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1: Voor solitaire bedrijvigheid die volgens de huidige planologische inzichten op een bedrijventerrein thuishoort, is in beginsel geen plek in het buitengebied.
Lid 2: Het verbod op nieuwvestiging van solitaire bedrijvigheid in het buitengebied geldt niet als er sprake is van functieverandering bij een bestaand bedrijf of als de ontwikkeling past binnen de afspraken over solitaire bedrijvigheid in het regionaal programma werklocaties.
Onder «functieverandering» wordt verstaan een ontwikkeling die:
leidt tot hergebruik van bestaande bebouwing;
zorgt voor een kwaliteitsverbetering in het gebied; en
daar qua aard, schaal en functie past.
De regionale afspraken over functieverandering passen in elk geval binnen deze definitie.
Lid 3: Bestaande bedrijven in het buitengebied, die naar de huidige planologische inzichten thuishoren op een bedrijventerrein, zijn vaak kleinschalig begonnen en steeds verder doorgegroeid. In sommige gevallen leveren ze hinder op voor de omgeving. Gemeenten zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor de integrale ruimtelijke afweging hierbij. Pas als met een uitbreiding van meer dan 250 vierkante meter de oppervlakte van de bedrijfsbebouwing boven de 1000 vierkante meter komt, heeft de provincie randvoorwaarden opgenomen vanwege de relatie met het regionaal programma werklocaties. Vanaf deze grootte is uitbreiding niet mogelijk, tenzij de uitbreiding past binnen regionale afspraken hierover of, als er geen regionale afspraken over zijn gemaakt, de uitbreiding qua aard en schaal past bijvoldoet aan de omgeving, én de uitbreiding onder het overgangsrecht wordt gebrachtin onderdeel b gestelde voorwaarden. Onder dit bedrijfsgebonden overgangsrechtMet de derde voorwaarde (voorheen: maatbestemming) kanis beoogd dat na bedrijfsbeëindiging niet elkeeen andere vorm van bedrijvigheid, die eigenlijk op een bedrijventerrein thuis hoor, op die locatie in het buitengebied kan worden gestart.
T
Na sectie 5.83 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
De verboden in de artikelen 4a.4 en 4a.5 worden tijdelijk opgenomen in de omgevingsverordening als rechtstreeks-werkende regel, zodat het verbodsregiem dat geldt met ingang van 23 april 2025 (datum inwerkingtreding voorbereidingsbesluit, Provinciaal blad 2025 nr. 6530) wordt gecontinueerd. Met dit artikel wordt beoogd dat deze verbodsbepalingen alsnog worden opgenomen in het omgevingsplan. Normaal gesproken zou dit (kunnen) worden geregeld met een instructieregel in (aansluiting bij) paragraaf 5.7.5. Voor deze afwijkende constructie is gekozen om te voorkomen dat deze verboden tijdelijk niet zouden gelden, namelijk in de periode na afloop van de geldingsduur van het voorbereidingsbesluit (23 oktober 2026) tot aan de datum waarop die verboden in de betreffende omgevingsplannen zouden zijn overgezet en die aldus gewijzigde omgevingsplannen in werking treden. Voordeel van deze constructie is ook dat de gemeenten zelf de hiervoor benodigde wijziging van het omgevingsplan kunnen inplannen en hiervoor niet een afzonderlijke wijzigingsprocedure hoeven te doorlopen.
U
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Met betrekking tot waterveiligheid en wateroverlast zijn omgevingswaarden vastgesteld met resultaats- en inspanningsverplichtingen voor de waterschappen. Ruimtelijke ontwikkelingen en weersextremen zijn hierop van grote invloed. Het is daarom van belang dat hiermee bij nieuwe, ruimtelijke ontwikkelingen rekening wordt gehouden en dat het waterschap hierbij wordt betrokken. Daarnaast vormen de effecten en gevolgen van droogte en hitte een belangrijke problematiek om rekening mee te houden. ‘De Landelijke Maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving’ kan helpen bij het nadenken over en beschrijven van de maatregelen en voorzieningen die genomen worden.
Lid 3: De Handreiking toekomstbestendig bouwen (https://media.gelderland.nl/handreiking_toekomstbestendig_bouwen_560cb0f820_2_37b36a2177.pdf) is een goed hulpmiddel bij het nadenken over en beschrijven van de maatregelen en voorzieningen die genomen worden.
Lid 4: Door de klimaatverandering neemt ook de kans op onbeheersbare natuurbranden toe. Voor natuurbranden kunnen de volgende bronnen worden geraadpleegd: de Toolbox gebiedsgerichte aanpak natuurbrandbeheersing (https://media.gelderland.nl/20210630_Bw_NL_Toolbox_Gebiedsgerichte_aanpak_natuurbrandbeheersing_1_0833ee6a01.pdf), de Handreiking omgevingsveiligheid in het omgevingsplan van het NIPV (https://media.gelderland.nl/20240717_NIPV_Handreiking_Omgevingsveiligheid_in_het_omgevingsplan_1_8d83fca3dd.pdf). Deze maatregelen kunnen bijdragen aan een weerbaarder vegetatie, de compartimentering van (natuur)gebieden of het gebruik van minder brandbare elementen.
V
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Geen toelichting.
In het eerste lid wordt de ondergrens aangegeven voor toepassing van de instructieregels over zonne-energie en windenergie. Beneden die grens valt een zonnepark of een erfmolen (een kleine windturbine voor eigen gebruik) niet onder het provinciaal belang qua ruimtelijke ordening. De schaal is te klein om dergelijke installaties ruimtelijk als van ‘provinciaal belang’ aan te merken. Regels daaromtrent kunnen wel worden gesteld door het gemeentebestuur in het omgevingsplan (subsidiariteitsbeginsel, artikel 2.3 van de Omgevingswet). Het gaat om kleinschalige zonneveldjes in het buitengebied voor particulier gebruik. Deze ondergrens sluit aan op de ondergrens die gehanteerd wordt in de regionale energiestrategieën (RES).
Voor erfmolens hanteren we een maximale tiphoogte van 35 meter vanwege landschappelijke redenen.
Op deze kleinschalige ruimtelijke ontwikkelingen kunnen overigens wel andere provinciale regels van toepassing zijn, afhankelijk van de locatie daarvan (bescherming Natura 2000-gebieden, GNN, landschap en grondwater).
W
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Algemeen
Conform de besluitvorming in Provinciale Staten op 6 maart 2024 (PS 2023-1242) is de ‘aangescherpte voorkeursvolgorde zon’ uit de Kamerbrief van 26 oktober 2023 (Kamerstuk 32813, nr. 1310) expliciet overgenomen. Daarmee wordt uitvoering gegeven aan de in die Kamerbrief vermelde afspraak over de juridische verankering van die voorkeursvolgorde in de provinciale omgevingsverordening.
Lid 1 bevat de eigenlijke 'zonneladder' met de landelijk afgesproken voorkeursvolgorde voor de locatie- keuze van nieuwe installaties voor zonne-energie. Die zonneladder bevat een 'nee, tenzij'-benadering voor zonneparken op landbouw- en natuurgronden. De NOVI (pag.88) geeft onder andere aan: "Deze voorkeursvolgorde houdt geen volgtijdelijkheid in. Na het verkennen van mogelijkheden voor het toepassen van zon-PV kan worden begonnen met het gelijktijdig benutten van gekozen mogelijkheden.". Uit deze verkenning moet gemotiveerd blijken dat hogere tredes onvoldoende ruimte bieden om de doelstelling (RES-bod) te halen. Het bevoegde gezag, en niet een initiatiefnemer, motiveert dat hogere tredes onvoldoende ruimte bieden waardoor medewerking verleend kan worden voor een initiatief op een lagere trede zoals bijvoorbeeld op landbouwgrond.
Alle installaties met zonnepanelen (PV, Photo Voltaic) noemen we productie installaties.
Lid 2 heeft alleen betrekking op landbouwgronden en niet op natuurgronden. Voor natuurgronden (Natura- 2000, GNN en weidevogelgebieden) geldt een beschermingsregime, waarop geen uitzondering voor zonneparken mogelijk is. Natuurgronden kunnen zowel land als water betreffen.
Er zijn gronden die planologisch als landbouwgrond zijn bestemd, die in de praktijk niet meer als zodanig worden gebruikt. Indien deze gronden gedurende een ruime periode niet meer gebruikt worden als landbouwgrond, ondanks dat ze wel als zodanig zijn bestemd, dan vallen deze niet onder trede 4.
Lid 2 heeft alleen betrekking op landbouwgronden en niet op natuurgronden. Voor natuurgronden (Natura- 2000, GNN en weidevogelgebieden) geldt een beschermingsregime, waarop geen uitzondering voor zonneparken mogelijk is. Natuurgronden kunnen zowel land als water betreffen.
onderdeel a: Voor de combinatie van zonne-energie met landbouw wordt veelal de afkorting 'AgriPV' gebruikt. De onderbouwing voor wat substantieel is, ligt bij de initiatiefnemer. In ieder geval moet de hoofdfunctie van de betrokken locatie na realisatie van het zonnepark landbouw zijn en worden de betrokken percelen ook na aanleg van het zonnepark daadwerkelijk agrarisch gebruikt. Begrazing met schapen als groenbeheer valt hier bijvoorbeeld niet onder, maar teelt van gewassen onder of tussen de panelen wel.
onderdeel b: In de Kamerbrief van 26 oktober 2023 wordt als voorbeeld van ‘transitie’ genoemd: 'gronden die in de toekomst een andere bestemming krijgen zoals woon-werk-bestemming, recreatie of overgang naar natuur of gronden die minder geschikt worden voor een landbouwfunctie door verzilting, vernatting of bodemdaling. Zon-PV draagt financieel bij aan het mogelijk maken van de gebiedsgerichte opgaven voor een maximale periode (30 jaar), waarna de gebieden hun definitieve bestemming zullen krijgen.' Het gaat hier dus om gronden die daadwerkelijk een andere functie krijgen. Het zonnepark dient hier als tussenfase richting een definitief andere functie van de locatie. Locaties binnen de groene ontwikkelingszone vallen hier (zonder nadere afspraken) niet onder, omdat het niet bij voorbaat vaststaat dat deze op termijn de functie natuur krijgen.
onderdeel c: Een zonnepark zonder maatregelen of contractafspraken vermindert de netcongestie niet en draagt niet bij aan een efficiënt netwerkgebruik. Of voldaan kan worden aan deze uitzonderingsgrond moet initiatiefnemer met de netbeheerder afstemmen. Een gesprek met de netbeheerder is pas zinvol als minimaal aan één van de volgende drie uitgangspunten voldaan wordt:
Er is sprake van een directe koppeling tussen het zonnepark en een energievrager – bijvoorbeeld het zonnepark levert direct aan een fabriek of woonwijk, hierdoor wordt terugleveren aan het net voorkomen;
Elektriciteit van het zonnepark kan worden opgeslagen (batterij) of omgezet (warmte/waterstof), zodat de opgewekte energie op andere momenten teruggeleverd wordt aan het net of in een andere vorm gebruikt wordt;
Een zonnepark wordt gekoppeld met een bestaand windpark – hierbij is geen aanpassing van contractvermogen of nieuwe aansluiting nodig.
Daarnaast moet het zonnepark altijd op afstand stuurbaar zijn voor het moment en de mate van teruglevering, op basis van contractafspraken met de netbeheerder. Om te kunnen voldoen aan deze uitzonderingsgrond is afstemming met de netbeheerder vereist. De netsituatie is namelijk overal in Gelderland anders. Om na te gaan of een project voldoet aan deze uitzonderingsgrond is daarom een lokale beoordeling nodig. Dit wordt besproken en afgestemd tussen de initiatiefnemer en de netbeheerder. Initiatiefnemer moet aantonen dat deze afstemming heeft plaatsgevonden en dat er positieve terugkoppeling op de randvoorwaarden en uitgangspunten is gegeven.
X
Na sectie 5.92 worden twee secties ingevoegd, luidende:
Sinds 30 juni 2021 gelden er geen landelijke milieunormen meer voor nieuwe windturbines als gevolg van de Delfzijl-uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en het Nevele arrest. De landelijke overheid heeft nieuwe normen in voorbereiding en daarvoor ook concept-normen ter inzage gelegd. In de tussentijd mogen er project specifieke milieunormen worden vastgesteld als ze gebaseerd zijn op een “actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivatie”.
Omdat de besluitvorming over de landelijke milieunormen uitbleef, hebben Provinciale Staten op 2 juli 2025 besloten een provinciale afstandsnorm van 2x de tiphoogte voor te bereiden en op te nemen in de Omgevingsverordening. Tevens is besloten dat wanneer landelijke milieunormen in werking treden, de provinciale afstandsnorm wordt ingetrokken. Een afstandsnorm is met name belangrijk als bescherming van omwonenden en de regulering van visuele impact. Grotere afstanden dragen bij aan het verminderen van de visuele dominantie van windturbines in het landschap. Bovendien zijn afstandsnormen eenvoudig te communiceren, zeer transparant en kunnen omwonenden zelf nagaan of aan een afstandsnorm wordt voldaan.
In artikel 5.94 zijn de uitzonderingen voor de afstandsnorm benoemd. De afstandsnorm geldt niet op locaties op of rondom bedrijventerreinen of langs rijkswegen of als er sprake is van een erfmolen, molenaarswoning, vervanging van een bestaande windturbine, een tijdelijk geluidsgevoelig gebouw. Een laatste (overgangsrechtelijke) uitzondering staat in artikel 9.7: als een ontwerpbesluit voor de oprichting van een windturbine vóór 1 juli 2025 ter inzage is gelegd.
De uitzonderingssituaties in dit artikel zijn mede gebaseerd op het beter mogelijk maken van windturbines op plekken waar in het kader van o.a. local4local vraag en aanbod bij elkaar gebracht kunnen worden.
Sinds 30 juni 2021 gelden er geen landelijke milieunormen meer voor nieuwe windturbines als gevolg van de Delfzijl- uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State en het Nevele arrest. De landelijke overheid heeft nieuwe normen in voorbereiding en daarvoor ook concept-normen ter inzage gelegd. In de tussentijd mogen er project specifieke milieunormen worden vastgesteld als ze gebaseerd zijn op een “actuele, deugdelijke, op zichzelf staande en op de aan de orde zijnde situatie toegesneden motivatie”.
Omdat de besluitvorming over de landelijke milieunormen uitbleef, hebben Provinciale Staten op 2 juli 2025 besloten een provinciale afstandsnorm van 2x de tiphoogte voor te bereiden en op te nemen in de Omgevingsverordening. Een afstandsnorm is met name belangrijk als bescherming van omwonenden en de regulering van visuele impact. Grotere afstanden dragen bij aan het verminderen van de visuele dominantie van windturbines in het landschap. Bovendien zijn afstandsnormen eenvoudig te communiceren, zeer transparant en kunnen omwonenden zelf nagaan of aan een afstandsnorm wordt voldaan.
In artikel 5.94 zijn de uitzonderingen voor de afstandsnorm benoemd. De afstandsnorm geldt niet op locaties op of rondom bedrijventerreinen of langs rijkswegen of als er sprake is van een erfmolen, molenaarswoning, vervanging van een bestaande windturbine, een tijdelijk geluidsgevoelig gebouw. Een laatste (overgangsrechtelijke) uitzondering staat in artikel 9.7: als een ontwerpbesluit voor de oprichting van een windturbine vóór 1 juli 2025 ter inzage is gelegd.
De uitzonderingssituaties in dit artikel zijn mede gebaseerd op het beter mogelijk maken van windturbines op plekken waar in het kader van o.a. Local4Local vraag en aanbod bij elkaar gebracht kunnen worden.
Onder vervanging verstaan we dat de nieuwe windturbine(s) qua afmetingen vergelijkbaar met de bestaande windturbine(s) zijn, met een maximale afwijking van 10%, én binnen het projectgebied van de bestaande windturbines vallen. Als echter het bestaande vermogen niet minimaal terug gerealiseerd kan worden met windturbines met een maximale afwijking van 10%, dan geldt er geen maximale afwijking, totdat het bestaande vermogen terug gerealiseerd is.
Windturbines die gerealiseerd worden bovenop de windturbine(s) die ervoor zorgt dat het bestaande vermogen wordt gerealiseerd, beschouwen we als nieuwe windturbines. Voorbeeld: voor de vervanging van 3 windturbines met 3 MW vermogen per stuk door nieuwe windturbines met 5 MW vermogen per stuk geldt dat 2 windturbines voldoende zijn om het bestaande vermogen terug te realiseren. Een eventueel derde windturbine wordt gezien als nieuwe windturbine, niet als vervangende windturbine.
Y
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Financiële participatie en het overigens creëren van draagvlak voor de aanleg van een wind- of zonnepark betreft geen resultaatsverplichting maar een inspanningsverplichting.
Bij amendement is in artikel 6.12, derde lid, van de Energiewet expliciet een bevoegdheidsgrondslag gecreëerd om in de omgevingsverordening “een motiveringsplicht te hanteren over het al dan niet voldoen aan het algemeen streven naar 50% lokaal eigendom bij installaties voor de opwek van hernieuwbare energie. (…) wie een installatie voor de opwek van hernieuwbare energie ontwikkelt, moet motiveren welke inspanningen zijn verricht om mede-eigenaarschap van de lokale omgeving te organiseren, tot hoeveel lokaal eigendom overeen is gekomen en, indien het overeengekomen percentage minder is dan 50%, waarom er niet minstens 50% lokaal eigendom is overeengekomen. De provincie (…) is niet bevoegd om planologische medewerking te weigeren op basis van het gemotiveerd afwijken van 50% lokaal eigendom.” (bron: Kamerstukken II, 2023/24, 36 378, nr. 23).
Z
Na sectie 5.95 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Lid 1 bevat als hoofdregel dat een omgevingsplan erfmolens alleen mogelijk maakt tot een hoogte van 35 meter en binnen een agrarisch bouwvlak of een bouwvlak van een ander type bedrijf. Deze instructieregel draagt met het uitgangspunt van concentratie van bebouwing binnen het bouwvlak bij aan zorgvuldig ruimtegebruik en het voorkomen van ongewenste verspreiding van bebouwing in het buitengebied. De beperking tot het bouwvlak en in hoogte voorkomt een te grote impact van erfmolens op het open landschap.
Lid 2 bevat een uitzondering op de hoofdregel. Aan een alternatieve locatie buiten het bouwvlak kan planologisch medewerking worden verleend als in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is gemotiveerd dat die locatie ruimtelijk noodzakelijk en landschappelijk aanvaardbaar is. Zo’n alternatieve locatie kan uit oogpunt van ‘ruimtelijke noodzaak’ bijvoorbeeld in beeld komen als een erfmolen binnen het bouwvlak niet goed inpasbaar is vanwege de veiligheid, de aanwezigheid van andere bebouwing op het bouwvlak, een doelmatige energieopwekking of soortenbescherming. Daarbij moet dan ook afgewogen worden of die alternatieve locatie ‘landschappelijk aanvaardbaar’ is. Dit kan door toepassing van de instructieregels ter bescherming van het landschap: toetsing aan de kernkwaliteiten conform afdeling 5.3. Als de dichtheid aan erfmolens in een bepaald gebied – bijvoorbeeld bij een cluster van boerderijen – toeneemt, zal de structuur van al die erfmolens samen een rol gaan spelen in de afweging van de ruimtelijke kwaliteit. Zo ligt het bij een boerderijlint voor de hand dat ook de erfmolens in gelid komen te staan.
AA
Na sectie 5.7.7 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In dit artikel wordt het oogmerk van de instructieregels in deze paragraaf aangegeven. Daarbij wordt (in lid 2) tevens expliciet duidelijk gemaakt dat de instructieregels niet beogen om regels te stellen over het produceren, transporteren, opslaan of leveren van elektriciteit, maar gesteld zijn uit oogpunt van de provinciale taak voor gebiedsgerichte coördinatie als bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Deze paragraaf eerbiedigt dus het verbod in artikel 6.12, eerste lid, van de Energiewet. Voor zover deze instructieregels raken aan bouwactiviteiten en het gebruik van bouwwerken, is evenmin beoogd om de regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) omtrent energiezuinigheid te doorkruisen.
In lid 3, onderdeel a, is bepaald dat de instructieregels over netbewuste woningbouw in werking treden per 1 juli 2027 om zo Gedeputeerde Staten van Gelderland samen met Gedeputeerde Staten van Utrecht en Flevoland voldoende gelegenheid te geven om de handreiking netbewuste woningbouw met de rekenregels vast te stellen en om gemeenten voldoende tijd te geven voor implementatie.
In lid 3, onderdeel b, is bepaald dat als (tijdig, dat wil zeggen uiterlijk op 1 januari 2028) een wijziging van het Besluit bouwwerken leefomgeving inwerking treedt, waarin regels worden gesteld omtrent netbewuste nieuwbouw, dat deze provinciale instructieregels niet inwerking treden. De instructieregels treden dus alleen in werking als vóór 1 juli 2027 duidelijk wordt dat niet op afzienbare termijn (uiterlijk met ingang van 1 januari 2028) in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) regels worden gesteld omtrent netbewuste nieuwbouw van woningen. Als ijkdatum is gekozen voor 1 juli 2027. Als vóór die datum geen wijziging van het Bbl is gepubliceerd met het oog op inwerkingtreding op 1 juli 2027 of een later moment, treden de provinciale instructieregels in werking. Als zo’n wijziging wel wordt gepubliceerd om in werking te treden, zijn de provinciale instructieregels overbodig en zullen deze na inwerkingtreding van de wijziging van het Bbl worden ingetrokken.
In lid 4 is bepaald dat de instructieregel over het gezamenlijke programma netbewust prioriteren eerst in werking treedt als hiervoor expliciet een toereikende wettelijke grondslag wordt geboden in de algemene maatregel van bestuur ex artikel 6.12, tweede lid, van de Energiewet. Bij de behandeling van het Wetsvoorstel Energiewet (Ew; Kamerstuk 36378) is bij amendement een grondslag opgenomen in artikel 6.12, tweede lid, Ew om de mogelijkheid te bieden aan provinciale staten e/o de gemeenteraad om regels te stellen in het belang van de energietransitie. Uit de toelichting van het amendement blijkt dat is beoogd om gemeenten en provincies meer ruimte te geven om vanuit het belang van het voorkomen en beperken van netcongestie en verduurzaming van de energievoorziening regels te stellen die raken aan het belang van de energievoorziening. De strekking is om expliciet de (mogelijk bestaande of vermeende) belemmering weg te nemen voor gemeenten en provincies om ruimtelijk te sturen op een goede netinpassing en aansluiting tussen vraag en aanbod van energie.
Overigens krijgt artikel 5.101 pas betekenis, zodra een programma als bedoeld in artikel 5.100 is vastgesteld.
Artikel 5.99 is van toepassing op alle woningbouwactiviteiten die aan de bepalingen voor nieuwbouw van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) moeten voldoen. Artikel 5.99 is daarmee niet van toepassing op activiteiten die vallen onder de regels voor bestaande bouw van het Bbl. Voor veel transformatieprojecten waarbij een groot deel van het gebouw behouden blijft, is netbewust bouwen niet goed realiseerbaar.
Het doel van dit artikel is om zo veel mogelijk woningbouwactiviteiten mogelijk te maken door de vraag van elektriciteit tijdens piekmomenten te beperken. De vraag naar stroom loopt steeds meer tegen de grenzen van het elektriciteitsnetwerk aan. Om overbelasting en uitval te voorkomen zullen netbeheerders in toenemende mate nieuwe aansluitingen op dat netwerk op een wachtrij moeten plaatsen. Het gevolg daarvan is dat de bouw van nieuwe woningen en andere maatschappelijke en economische ontwikkelingen vertraging kunnen ondervinden of zelfs niet door kunnen gaan. Door grenzen te stellen aan de vraag naar elektriciteit tijdens piekmomenten van nieuwe woonwijken blijft er na realisatie meer capaciteit op het netwerk over voor andere ontwikkelingen, zoals andere woningbouwactiviteiten. Zo kunnen binnen de beperkte ruimte op het elektriciteitsnetwerk meer van de maatschappelijk gewenste ruimtelijke ontwikkelingen doorgaan, dan zonder deze regels. Door harde prestatienormen te stellen via een netcapaciteitsplafond voor nieuwe woningbouw wordt tevens een gelijk speelveld en duidelijkheid gecreëerd voor alle woningbouwontwikkelaars.
De netbeheerders werken met een planning en prognose, waaruit blijkt hoeveel aansluitingen op het elektriciteitsnet (nog) gerealiseerd kunnen worden. Die planning is voor een groot deel gebaseerd op de vraag naar elektriciteit tijdens piekmomenten, los van het gecontracteerde vermogen. Door met de instructieregel te sturen op de vraag naar elektriciteit tijdens piekmomenten, wordt er meer ruimte in de planning van de netbeheerder gecreëerd. Omdat woningbouw prioriteit krijgt bij de aanvraag van transportcapaciteit komt een groot deel van die ruimte in de praktijk weer beschikbaar voor andere woningbouwactiviteiten.
Hoewel er ook netcongestie bestaat tijdens pieken van (terug)levering, zoals op zonnige zomerdagen, heeft de woningbouw daar minder last van. De beperkingen voor woningbouw worden vooral veroorzaakt door de netcongestie tijdens pieken van afname van stroom. Die piekmomenten in afname van stroom ontstaan tijdens koude winterdagen, vooral aan het eind van de middag en begin van de avond. Effectieve regels, gericht op het terugdringen van die winterse piek moeten dus vooral rekening houden met hoe installaties en gebouwen functioneren tijdens die piek: tijdens een zeer koude avond. We kiezen vervolgens specifiek voor -10 graden Celsius als berekeningsgrond omdat die temperatuur doorgaans wordt toegepast bij het ontwerpen van en installatieberekeningen aan warmtesystemen, waardoor de efficiëntie van die systemen bij -10 graden Celsius goed bekend is en dus praktisch te gebruiken is in de rekenregels.
Voor alle duidelijk zij opgemerkt dat het bij ‘een nieuwe woningbouwactiviteit’ doorgaans niet gaat om de aanpassing van bestaande woningbouw, zoals renovatie, transformatie, woningsplitsing, woningoptoppen, etc.
Gemeenten moeten bij alle omgevingsplanwijzigingen die ter inzage gelegd worden vanaf het moment van inwerkingtreding van de instructieregel borgen dat de woningbouwactiviteit die met die planwijziging mogelijk gemaakt wordt, voldoet aan het netcapaciteitsplafond. Vanaf het moment van inwerkingtreding van de instructieregel moeten gemeenten bij alle vergunningen voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA), waarmee een woningbouwactiviteit mogelijk gemaakt wordt, borgen dat deze voldoet aan het netcapaciteitsplafond. Daarbij hanteren ze de berekening voor het netcapaciteitsplafond en de rekenregels uit de handreiking netbewuste woningbouw. Gemeenten kunnen netbewuste woningbouw bijvoorbeeld borgen via een combinatie van algemene regels in het omgevingsplan, gebiedsgerichte regels, vergunningen en vergunningsvoorwaarden. Elk individueel omgevingsplanbesluit of BOPA, waarmee woningbouwactiviteiten mogelijk gemaakt worden, moet op zichzelf voldoen aan het netcapaciteitsplafond. Niet elke individuele woning moet aan de prestatienorm voldoen, maar alle woningen, die vallen onder hetzelfde besluit, moeten samen voldoen aan het netcapaciteitsplafond. De gemeente kan daarbij dus kiezen te verevenen tussen meerdere woongebouwen die met één besluit mogelijk gemaakt worden, maar niet tussen woningen uit verschillende besluiten.
Het is gemeenten niet toegestaan om andere regels te hanteren. Op die manier creëren we een gelijk speelveld en zo min mogelijk extra administratieve lasten voor de bouwende partijen. Door deze regels af te stemmen met andere provincies in FGU-verband (Flevoland, Gelderland, Utrecht) wordt het gelijke speelveld nog groter. Het is de projectontwikkelaar of initiatiefnemer natuurlijk toegestaan om tot een nog hoger niveau van netbewustheid te komen. Ook is het gemeenten niet verboden om via privaatrechtelijke weg tot aanvullende afspraken te komen.
De regel gaat alleen over de woningen en de warmte installaties voor woningbouw en heeft geen gevolgen voor bijvoorbeeld bedrijven of laadpalen voor auto’s.
Het voldoen aan het netcapaciteitsplafond heeft geen gevolg voor de eigenstandige beslissingsbevoegdheid van de netbeheerder bij verzoeken tot aansluiting op het netwerk.
Bij het opstellen van de instructieregels en om tot realistische prestatienormen te komen is gebruik gemaakt van ‘ontwerpprincipes om netbewust te bouwen’ (november 2024) en de ‘handreiking netbewuste energieconcepten voor nieuwbouwwoningen’ (september 2025).
Om aan het netcapaciteitsplafond te voldoen kan gekozen worden uit een waaier aan maatregelen die verschillende effecten hebben op de berekende maximum piekbelasting. Deze maatregelen staan limitatief in de handreiking netbewuste woningbouw. In de handreiking staan ook de rekenregels die berekenen wat het effect van de keuzes voor maatregelen is op de berekende maximale piekbelasting. Deze maatregelen hebben alleen betrekking op de elektriciteitsvraag voor warmte. Er zijn nog geen toepasbare maatregelen opgenomen in de handreiking die de elektriciteitsvraag voor huishoudelijk gebruik beïnvloeden.
De prestatienorm – (warmtegebruik x 0,6) + huishoudelijk gebruik – geeft de berekende maximale elektriciteitsvraag weer van een woning. Omdat er geen toepasbare maatregelen zijn voor het huishoudelijk elektriciteitsgebruik werken we in de berekening met vaste kengetallen. Dit zijn ervaringsgetallen, gebaseerd op metingen en berekeningen op het niveau van een onderstation. Het zijn dus geen prestaties of normen die met maatregelen gehaald moeten worden door de woning of de bewoners. Daarnaast passen we een gelijktijdigheidsfactor van 0,6 toe. Dit omdat de woningen die op hetzelfde verdeelstation zijn aangesloten niet allemaal tegelijk hun maximale elektriciteitsvraag hebben.
Gemeenten stellen vast waar op hun grondgebied het wel of niet mogelijk is om een bodemenergiesysteem voor woningbouw toe te passen. Die (on)mogelijkheid is namelijk van invloed op de hoogte van het netcapaciteitsplafond van woningbouwactiviteiten. Aangezien de gemeente het bodemenergieplan vaststelt is het logisch om deze beslissing op het lokale niveau te houden. Deze instructieregel betekent niet dat dit in een keer voor het gehele grondgebied van de gemeente moet gebeuren, dat kan ook per nieuw mogelijk te maken woningbouwactiviteit. De gemeente kan dat bijvoorbeeld doen in het omgevingsplan, gelijk met het besluit tot wijziging van het omgevingsplan waarin een woningbouwactiviteit mogelijk gemaakt wordt. Het aanwijzen van locaties waar een bodemenergiesysteem toepasbaar is kan ook in een bodemenergieplan gebeuren.
Gemeenten moeten in hun besluit wel goed motiveren waarom locaties wel of niet geschikt zijn. Naast grondwaterbescherming en bodemgesteldheid, ligt het voor de hand dat de gemeente ook bodemvervuiling, ander bodemgebruik en reeds aanwezige of geplande bodemenergiesystemen in of nabij een plangebied meeneemt in deze motivatie. Het toepassen van een bodemenergiesysteem wordt bij kleine projecten relatief duur. Daarom geldt een ondergrens van 15 woningen, de benadering van het aantal woningen waarvoor een grondboormachine in een volle werkweek het boorwerk kan uitvoeren.
Een gezamenlijk programma netbewust prioriteren is vooral nodig in tijden van (dreigende) netcongestie. Dit laat onverlet dat ook wanneer de netcongestie meevalt of door capaciteitsuitbreiding op het net is verholpen prioritering zinvol blijft, gelet op de stimulans die hiervan uitgaat op het ontwikkelen en realiseren van projecten met netbewuste aansluitingen. De inhoud van het programma netbewust prioriteren hoeft niet uit veel meer te bestaan dan een lijst met projecten en een daaraan op basis van relevante criteria – bijvoorbeeld: netbewuste bouw en gebruik – toegekende rangorde.
De afstemming met de netbeheerder houdt in ieder geval in dat de netbeheerder de voor prioritering van maatschappelijke opgaven benodigde actuele informatie geeft over de beschikbare en op termijn beschikbaar komende netcapaciteit per verdeel- of onderstationsgebieden.
Lid 1 Met ‘verdeelstation’ (of onderstation) wordt bedoeld een 150kV-station van netbeheerder Liander, waarop een regionaal elektriciteitsnet is aangesloten.
Lid 3 Tot ‘gewijzigde omstandigheden’ behoort in ieder geval een gerealiseerde uitbreiding van de netcapaciteit op het onderhavige verdeel- of onderstation.
BB
Na sectie 7.2.7 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Bodemenergiesystemen hebben thermische invloedsgebieden. Dit zijn relatief koude of warme zones in de bodem (inclusief grondwater), omdat het water in een buizenstelsel of het water dat in de grond wordt gebracht een andere temperatuur heeft dan de natuurlijke bodemtemperatuur. Bij bodemenergiesystemen in elkaars nabijheid bestaat het risico dat thermische invloedsgebieden elkaar overlappen (interferentie). Interferentie kan ongewenst zijn wanneer dit het energierendement van de betrokken bodemenergiesystemen vermindert (negatieve interferentie).
Het risico op interferentie neemt toe als een groot aantal bodemenergiesystemen in een beperkt gebied wordt gerealiseerd. In gebieden waar een dergelijke druk op de (energieopslag)capaciteit van de bodem wordt voorzien, is het wenselijk dat regie wordt gevoerd om vraag naar en beschikbaarheid van ruimte voor bodemenergie op elkaar af te stemmen. Dit kan door het aanwijzen van een interferentiegebied en het opstellen van een masterplan bodemenergie.
Lid 1: Een interferentiegebied is een krachtens gemeentelijke verordening of omgevingsplan aangewezen gebied ter voorkoming van interferentie tussen bodemenergiesystemen onderling of anderszins ter bevordering van een doelmatig gebruik van bodemenergie.
In een masterplan bodemenergie wordt voor een interferentiegebied een integrale gebiedsvisie gegeven op het gebruik van bodemenergie. Daarin wordt vooraf nagedacht over de ordening tussen de verschillende bodemenergiesystemen waarvoor burgemeester en wethouders of Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn.
Lid 2: Een masterplan bodemenergie wordt in beginsel opgesteld door de gemeente en is vormvrij. Omdat dit plan betrekking heeft op bodemenergiesystemen waarvoor burgemeester en wethouders of Gedeputeerde Staten bevoegd gezag voor vergunningverlening zijn, is een goede en vroegtijdige afstemming tussen gemeente en provincie belangrijk. In dit lid worden een aantal onderwerpen genoemd waarvan de provincie het belangrijk vindt dat daaraan in het masterplan bodemenergie voldoende aandacht is besteed. Bij de besluitvorming tot vaststelling van een masterplan bodemenergie zullen Gedeputeerde Staten deze onderwerpen betrekken. De uitwerking en het detailniveau van een masterplan hangen af van de fase van gebiedsontwikkeling waarin een bodemenergieplan wordt opgesteld. In een vroege fase is nog niet bekend welke energievragers zich binnen het plangebied gaan vestigen en is het dus nog niet mogelijk om het bodemenergieplan in detail uit te werken. De hydrologische en thermische effecten op de aanwezige belangen dienen wel zo concreet mogelijk te worden uitgewerkt. Het doel van een masterplan bodemenergie is om de bodem zo doelmatig mogelijk voor bodemenergie te gebruiken. Bij de keuze voor de ordening van bodemenergiesystemen wordt daarom de onderbouwing waarom met deze ordening de bodem het meest doelmatig wordt gebruikt van belang geacht. Bij vaststelling van het masterplan bodemenergie wordt beoordeeld of de voorgestelde ordening in het bodemenergieplan de capaciteit van de bodem maximaal benut en de bodem zo min mogelijk belast. Het is van belang om de ordening van bodemenergiesystemen zowel op kaart als in ordeningsregels vast te leggen. Waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen doubletsystemen, monobronnen, recirculatiesystemen, systemen waarvoor burgemeester en wethouders bevoegd gezag zijn en systemen waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn.
Lid 3 en 4: In interferentiegebieden geldt in beginsel op grond van het omgevingsplan (de bruidsschat, artikel 22.260) een vergunningplicht voor gesloten systemen. In de regel zijn burgemeester en wethouders het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen voor gesloten bodemenergiesystemen. In uitzonderingsgevallen kunnen Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn voor gesloten systemen, bijvoorbeeld wanneer die worden geïnstalleerd binnen complexe bedrijven waarvoor Gedeputeerde Staten zijn aangewezen als bevoegd gezag. Voor open bodemenergiesystemen is een omgevingsvergunning vereist waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn (artikel 5.1, tweede lid, onder b van de Omgevingswet juncto artikel 3.19, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving).
CC
Na sectie 7.3.2 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Als na het doen van een verplichte melding op grond van artikel 4.65 de werkzaamheden niet binnen twee jaar zijn uitgevoerd, moet een nieuwe melding worden ingediend. Er kan dan een nieuwe beoordeling plaatsvinden op grond van de omstandigheden van het geval op dat moment. De mogelijkheid om naar aanleiding van een betreffende melding een maatwerkvoorschrift te stellen, is ook op deze bepaling van toepassing. Dat betekent dat vooraf de mogelijkheid bestaat van een verlengde termijn.
DD
Na sectie 8.9 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Dit artikel bevat enerzijds een aanvulling op artikel 8.9, derde lid, door een specifiek op netbewuste nieuwbouw (zie artikel 5.99) toegespitste beoordelingsregel en anderzijds een uitzondering op het overgangsrecht voor netbewuste nieuwbouw (zie artikel 9.9). Deze aanvulling en uitzondering ziet op de situatie dat vóór vaststelling van de instructieregel voor netbewuste nieuwbouw planologisch medewerking is verleend aan een woningbouwactiviteit en uit de gemeentelijke monitoring van de voortgang bij de woningbouw (artikel 8.9) blijkt dat van die verleende medewerking nog geen gebruik is gemaakt. Bij de afweging door het college van burgemeester en wethouders om met toepassing van artikel 8.9, derde lid, de eerder verleende omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit in te trekken, kan als voorwaarde worden gesteld dat alleen van intrekking wordt afgezien als de projectontwikkelaar e/o aannemer de betrokken woningbouwactiviteit alsnog netbewust uitvoeren. Het gaat uitdrukkelijk om een zogenaamde ‘kan-bepaling’, dus om een bevoegdheid. Het college kan bijvoorbeeld van deze voorwaarde afzien als, gelet op de omstandigheden die tot uitstel van de bouwactiviteit hebben geleid, het in redelijkheid niet van de projectontwikkelaar e/o aannemer kan worden gevergd om alsnog daaraan te voldoen. Ook kan het college daarvan afzien als het stellen van deze voorwaarde tot een verdere, ernstige vertraging van die woningbouwactiviteit zal leiden.
EE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1 en 2
Lid 1 en 2: Het verbod voor buitenreclame (artikel 4.68, vierde lid) geldt niet als voor het plaatsen en gebruiken van die reclame vóór 1 maart 2025 een omgevingsvergunning is verleend. Deze buitenreclame wordt gedoogd tot het moment waarop die wordt vervangen of gewijzigd. Wijziging of vervanging van bewegende of lichtgevende buitenreclame is niet toegestaan.
Lid 3 tot 5
Lid 3 tot 5: Door wijziging van de exacte ligging van het beperkingengebied met betrekking tot een provinciale weg kunnen kabels, leidingen of andere werken die vóór 1 maart 2025 (geheel of gedeeltelijk) binnen respectievelijk buiten dit gebied lagen na 1 maart 2025 (geheel of gedeeltelijk) buiten respectievelijk binnen dit gebied komen te liggen.
Voor zover die werken liggen op of in gronden die bij de provincie in eigendom zijn, wordt voorzien in overgangsrecht. Met dit overgangsrecht wordt geregeld dat uit deze kaartwijziging geen administratieve lasten voortvloeien, omdat voor elke wijziging in het regiem (van binnen naar buiten het beperkingengebied en vice versa) van rechtswege wordt voorzien in de benodigde publiekrechtelijke of privaatrechtelijke toestemming.
FF
Na sectie 9.5 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Lid 1: In deze bepaling is overgangsrecht opgenomen voor meldingsplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 4a.5 van het Voorbereidingsbesluit beperkingengebied stikstofemissie (Provinciaal blad 2025 nr. 6530 van 23 april 2025). Geen overgangsrecht is opgenomen voor vergunningplichtige activiteiten, aangezien eventuele aanvragen die zijn of worden ingediend in de periode van 23 april 2025 tot 23 oktober 2026 primair worden getoetst aan de beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een Natura2000-activiteit (artikel 5.29 van Omgevingswet in verbinding met paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Lid 2: Bij deze bepaling lijkt sprake van een stapeling van overgangsrecht. Bij inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit is immers ook procedureel overgangsrecht met eerbiedigende werking opgenomen. Bij inwerkingtreding van het nieuwe hoofdstuk 4a wordt opnieuw procedureel overgangsrecht met eerbiedigende werking opgenomen. Het regiem onder het voorbereidingsbesluit – de artikelen 4a.3 (verbod met omgevingsvergunningplicht) en 4a.4 (beoordelingsregel omgevingsvergunning) wordt niet gecontinueerd onder het nieuwe hoofdstuk 4a dat op 23 oktober 2026 in werking treedt. Dit maakt de stapeling van overgangsrecht complex. Bovendien is de tijdspanne tussen de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit en hoofdstuk 4a, waarbij het voorbereidingsbesluit vervalt, conform de wettelijke termijn van 1½ jaar. Die termijn kan en zal in voorkomende situaties te kort zijn voor een definitieve, on herroepelijke beslissing op de vóór 23 april 2025 gestarte procedure (voorbereiding van een omgevingsvergunning of van planologische medewerking). Juist vanwege die relatief snelle opeenvolging van regiems is opnieuw gekozen voor overgangsrecht met eerbiedigende werking, waarmee stapeling wordt voorkomen: het eerder geldende overgangsrecht wordt gecontinueerd. M.a.w. beoogd is het volgende overgangsregiem bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning of van planologische medewerking:
als die procedure is gestart vóór de datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit (23 april 2025), geldt in het beperkingengebied het gewone regiem van de op 22 april 2025 vigerende omgevingsverordening, ook na inwerkingtreding van het nieuwe hoofdstuk 4a (dus op en na 23 oktober 2026), totdat die procedure heeft geleid tot een onherroepelijk besluit;
als die procedure is gestart op of na de datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit (23 april 2025), geldt in het beperkingengebied het regiem van de voorbeschermingsregels: de artikelen 4a.3 en 4a.4 uit Bijlage A bij het voorbereidingsbesluit (Provinciaal blad 2025 nr. 6530).;
als die procedure start op of na de datum van inwerkingtreding van het nieuwe hoofdstuk 4a (23 oktober 2026), geldt in het stikstofreductiegebied – waarvan de grenzen bijna identiek zijn aan die van het eerdere beperkingengebied – het nieuwe regiem van de op 23 september 2026 door Provinciale Staten gewijzigde Omgevingsverordening Gelderland.
Lid 3: Deze bepaling bestendigt voor een meldingsplichtige activiteit, die op basis van het regiem van artikel 4a.5 van de voorbeschermingsregels, tijdig is gemeld en gestart, het regiem (verbod met vrijstellingen) zoals dat tijdens de melding gold. Hiermee wordt geborgd dat voor een onder dat regiem gestarte activiteit de regels niet met ingang van 23 oktober 2026 wijzigen. Tevens wordt geborgd dat een ondernemer die in het kader van zo’n gemelde activiteit een stikstofreductie van tenminste 70% ten opzichte van het referentiejaar 2018 (heeft) bereikt, niet opnieuw aan een stikstofreductieverplichting hoeft te voldoen. De reeds verrichte reductie-inspanning wordt bij de toepassing van dit nieuwe hoofdstuk 4a gehonoreerd.
Lid 4: De praktijk leert dat overgangsrecht op papier in de uitvoering soms lastig uitpakt. Voor situaties waarin het overgangsrecht onbedoeld voor een ondernemer tot onevenredige gevolgen leidt, wordt met deze bepaling geregeld dat in die gevallen een beroep kan worden gedaan op de hardheidsclausule.
GG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In de bestuurlijke afspraken tussen het Rijk, Interprovinciaal Overleg (IPO), Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), Unie van Waterschappen (UvW) en Netbeheer Nederland (NBNL), zoals weergegeven in de Kamerbrief over aangescherpte voorkeursvolgorde zon van 26 oktober 2023, is afgesproken dat:
de aangescherpte voorkeursvolgorde zon juridisch in de provinciale omgevingsverordeningen wordt verankerd; en
dat daarbij rekening wordt gehouden met projecten of initiatieven, waarvan de participatietrajecten al in een vergevorderd stadium zijn om te voorkomen dat lopende lokale initiatieven stilvallen.
De eerste afspraak heeft geresulteerd in de artikelen 5.90 - 5.90b artikel 5.90, de tweede afspraak in dit overgangsrechtelijke artikel 9.7.
In de Kamerbrief en de bijbehorende afspraken is niet nader aangegeven wanneer sprake is van een vergevorderd stadium van participatie. In algemene zin is dit ook lastig aan te geven, omdat participatie een vormvrij proces is en dus geen vaste stappen of wettelijk voorgeschreven stadia kent. De Omgevingswet schrijft alleen voor dat participatie moet plaatsvinden, niet hoe. Het bevoegd gezag (gemeente) en de initiatiefnemer kunnen het participatieproces naar eigen voorkeur invullen. Deze keuzevrijheid leidt ertoe dat dezelfde verrichte participatie-inspanning, bijvoorbeeld het opstellen van een participatieplan, in de ene situatie wel een vergevorderd participatietraject vormt, maar in een andere situatie niet. Dit is bijvoorbeeld afhankelijk van de wijze waarop de inhoud van zo’n plan tot stand is gekomen: met of zonder voorafgaand intensief overleg met de gemeente e/o omwonendenomwonen- den, waarbij niet zozeer het aantal gesprekken of overlegmomenten bepalend is, maar vooral de concrete inhoud daarvan.
Of een participatietraject zich in een vergevorderd stadium bevindt, zal dus van geval tot geval kunnen verschillen. Het is niet mogelijk om daarvoor één vast ijkpunt te noemen. Welke vorm van participatie bij een initiatief of project voor de aanleg van een zonnepark wordt gekozen, is afhankelijk van de initiatiefnemer, de omvang en locatie van het initiatief en het gemeentelijke participatiebeleid. Bij een zonnepark op een afgelegen locatie in een dunbevolkt deel van het buitengebied kan wellicht qua participatie worden volstaan met het mondeling of schriftelijk informeren van de enkele ‘direct- omwonende’, terwijl in een dichter-bevolkt gebied de aankondiging van het initiatief met een flyer of een informatieavond hooguit de eerste stap is van een uitgebreider participatieproces met de omgeving.
De initiatiefnemer zal moeten aantonen welke participatiestappen uiterlijk op 19 december 2023 (de datum waarop Gedeputeerde Staten de Statenbrief met de Gelderse interpretatie van de bestuurlijke afspraken hebben vastgesteld) zijn gezet.
De beoordeling of die stappen kunnen worden aangemerkt als ‘een vergevorderd stadium’ is aan de gemeente als bevoegd gezag voor de aanleg van zonneparken. De provincie zal bij een buitenplans initiatief dit gemeentelijke oordeel terughoudend toetsen.
Van een vergevorderd stadium van participatie is overigens alleen sprake als het bevoegd gezag ook risico loopt op een schadeclaim wegens het stopzetten van een vergevorderd proces voor een zonnepark-project op landbouwgrond.
HH
Na sectie 9.7 worden twee secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel voorziet in overgangsrecht voor lopende voorbereidingsprocedures. De datum van 1 juli 2025 hangt samen met de vaststelling van het oorspronkelijke initiatiefvoorstel voor deze afstands- norm van tweemaal de tiphoogte (‘RES en 2x Tip’; Statenstuknummer PS2025-308).
Voorzien is in overgangsrecht voor bestaande rechten uit het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 van de Omgevingswet e/o omgevingsvergunningen voor woningbouwprojecten waaraan vóór 1 juli 2027 al planologische medewerking is verleend en voor woningbouwprojecten die al zo ver in voorbereiding of ontwikkeling zijn dat aanpassingen aan de norm voor nestbewust bouwen redelijkerwijs niet meer doorgevoerd door en van de projectontwikkelaar e/o de betrokken aannemer(s) gevergd kunnen worden (de zogenaamde ‘pijplijnprojecten’ of ‘lopende procedures’). De fase waarin de voorbereiding van een woningbouwproject op de datum waarop deze instructieregel in werking treedt (1 juli 2027) nog ergens in de pijplijn zit, is bepalend voor het antwoord op de vraag of dat project wel of niet aan de norm voor netbewust bouwen hoeft te voldoen. De aanduiding van die omslagmomenten tijdens in de ‘pijplijn’ of tijdens de lopende procedure wordt geconcretiseerd in de achtereenvolgende onderdelen.
Onderdelen a en b: Planologische medewerking aan een nieuwe woningbouwactiviteit kan via verschillende besluiten vorm krijgen: het wijzigen van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan, het verlenen van een omgevingsvergunning voor een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit (BOPA) en het nemen van een projectbesluit. Afhankelijk van het besluittype is de korte (titel 4.1 van de Awb) of de uitgebreide voorbereidingsprocedure (afdeling 3.4 van de Awb) van toepassing. Bij de formulering van deze overgangsrechtelijke bepaling is met beide mogelijkheden rekening gehouden. Bij toepassing van titel 4.1 is het moment van terinzagelegging van de aanvraag (artikel 16.57 Omgevingswet) beslissend of artikel 5.99 op het besluit op die aanvraag van toepassing is (sub b). Bij toepassing van afdeling 3.4 is het moment van terinzagelegging van het ontwerpbesluit – en dus niet het eerdere moment van terinzagelegging van de aanvraag – beslissend of artikel 5.99 op het besluit op die aanvraag van toepassing is (sub a).
Bij een wijziging van het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet in verbinding met artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet) en bij het nemen van een projectbesluit is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing (zie de artikelen 16.71 van de Omgevingswet, 5.5a en 10.3c van het Omgevingsbesluit) en geldt dus onderdeel a. Bij de BOPA geldt in beginsel de korte (of reguliere) voorbereidingsprocedure en dus onderdeel b, tenzij toepassing wordt gegeven aan de uitgebreide voorbereidingsprocedure op verzoek of met instemming van de aanvrager (artikel 16.65, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit) of op aangeven van het bevoegd gezag (artikel 16.65, vierde lid, van het Omgevingsbesluit).
Onderdeel c: Het gaat bij dit onderdeel om woningbouwplannen die, ondanks dat er al een anterieure overeenkomst en stedenbouwkundig plan is, door omstandigheden – die redelijkerwijs niet aan de projectontwikkelaar kunnen worden toegerekend – tot na 1 juli 2027 hebben moeten wachten voordat een BOPA aangevraagd kon worden of het omgevingsplan aangepast kon worden. In aanvulling op de hoofdregel in onderdeel a is de verplichting tot het maken van een netbewust bouwplan voor nieuwe woningen niet van toepassing op een woningbouwactiviteit dat al op 23 september 2026 (de datum waarop artikel 5.99 door Provinciale Staten is vastgesteld) in een vergevorderd stadium van voorbereiding verkeert, als door omstandigheden die niet aan de projectontwikkelaar kunnen worden toegerekend:
het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan of tot het verlenen van de BOPA voor dat bouwplan niet tijdig voor inwerkingtreding van artikel 5.99 (dus niet voor 1 juli 2027) ter inzage kon worden gelegd; of
een ontvankelijke aanvraag voor de BOPA niet tijdig voor inwerkingtreding van de instructieregel aangevraagd kon worden, als die BOPA wordt verleend via de reguliere procedure.
Onderdeel d: Deze overgangsbepaling ziet op verschillende situaties, die zich in de uitvoeringspraktijk (regelmatig kunnen) voordoen. Bijvoorbeeld de situatie waarin voor inwerkingtreding van de instructieregel (1 juli 2027) de betreffende woningbouwactiviteit al in een vastgesteld omgevingsplan is opgenomen en hiervoor later (dus na 1 juli 2027) een BOPA wordt verleend, waarbij het plan niet significant is gewijzigd. Zo’n wijziging is bijvoorbeeld een beperkte verhoging van het aantal woningen, een aanpassing aan de bouwhoogte of een verschuiving van een bouwwerk tot net buiten het bouwvlak. En de situatie dat voor inwerkingtreding van de instructieregel de betreffende woningbouwactiviteit al in een vastgesteld omgevingsplan is opgenomen of daarvoor een BOPA was verleend, en na een uitspraak van de bestuursrechter opnieuw in procedure gebracht moet worden, mits het oorspronkelijke bouwplan waartegen beroep was ingesteld niet significant is gewijzigd.
En ook de situatie dat een eerder verleende BOPA (of een nog onder het oude recht tot stand gekomen ‘postzegelplan’ of andere vorm van planologische medewerking) na de inwerkingtreding van artikel 5.99 wordt verwerkt in het omgevingsplan ter uitvoering van artikel 4.17 (in verbinding met artikel 22.5, tweede lid) van de Omgevingswet.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-17759.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.