Ontwerp Omgevingsverordening provincie Groningen - wijziging 4

Gedeputeerde Staten van Groningen besluiten

Artikel I

Het ontwerp van de wijziging van de Omgevingsverordening provincie Groningen vast te stellen, waarbij de tekst van de Omgevingsverordening provincie Groningen volledig wordt vervangen door de tekst

zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

Voor de voorgenomen wijziging van de Omgevingsverordening provincie Groningen is een plan-mer-beoordeling uitgevoerd en zijn de milieueffecten inzichtelijk gemaakt. Op basis van deze plan-mer-beoordeling hebben wij beoordeeld dat er geen aanzienlijke milieueffecten optreden, waardoor het opstellen van een plan-MER niet nodig is.

Voor deze beslissing raadplegen wij als bevoegd gezag ook andere bestuursorganen en wettelijke adviseurs. De wettelijke adviseurs (ministers I&W, LVVN en OCW of een door hen aangewezen bestuursorgaan) zijn om advies gevraagd over de plan-mer-beoordeling (artikel 6.36, lid 5 Omgevingswet). De hiervoor gestelde termijn voor advies is vier weken en eindigt op 6 oktober 2026.

De plan-mer-beoordeling is als Toelichting toegevoegd bij dit besluit.

Artikel III

Het ontwerp van de wijziging van de Omgevingsverordening provincie Groningen voor een periode van zes weken ter inzage te leggen binnen welke termijn door eenieder zienswijzen naar voren gebracht kunnen worden.

Groningen, 29 september

Gedeputeerde Staten van Groningen:

René Paas, voorzitter

Hans Schrikkema, secretaris

Bijlage A Bijlage bij Artikel I

Ontwerp Omgevingsverordening provincie Groningen - wijziging 4

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  • 1.

    De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, zijn opgenomen in Bijlage 1 Begripsbepalingen.

  • 2.

    De begripsbepalingen uit de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit, de Omgevingsregeling, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en de Wet milieubeheer zijn van overeenkomstige toepassing, tenzij in Bijlage 1 Begripsbepalingen daarvan is afgeweken.

Artikel 1.2 Toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op het gehele grondgebied van de provincie Groningen.

Artikel 1.3 Werkingsgebieden

Werkingsgebieden zijn aangewezen en geometrisch begrensd zoals vastgelegd in Bijlage 2 Overzicht informatieobjecten.

Artikel 1.4 Doelen van de omgevingsverordening

Deze verordening is, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de wet, gericht op:

  • a.

    het waarborgen van veiligheid;

  • b.

    het beschermen van gezondheid;

  • c.

    het beschermen van het milieu;

  • d.

    het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening;

  • e.

    het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;

  • f.

    het behoud van cultureel erfgoed;

  • g.

    het tegengaan van klimaatverandering;

  • h.

    de natuurbescherming;

  • i.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;

  • j.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

  • k.

    het beheer van infrastructuur;

  • l.

    het beheer van watersystemen;

  • m.

    het beheer van natuurgebieden; en

  • n.

    het gebruik van bouwwerken.

Artikel 1.5 Ontheffing
  • 1.

    Gedeputeerde staten kunnen op verzoek van een bestuursorgaan van een gemeente of een waterschap ontheffing verlenen van de instructieregels over het omgevingsplan, als de taak of bevoegdheid waarvoor ontheffing wordt gevraagd onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot het belang dat wordt gediend met de regel waarvan ontheffing is gevraagd.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen aan de ontheffing voorschriften verbinden als dit noodzakelijk is voor de betrokken provinciale belangen.

  • 3.

    In de ontheffing kan worden bepaald dat deze geldt voor een bepaalde tijd.

Hoofdstuk 2 Omgevingswaarden

Afdeling 2.1 Omgevingswaarden gecumuleerd geluid

Artikel 2.1 Gecumuleerd geluid

Binnen de invloedssfeer plangebied Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl geldt een omgevingswaarde voor het gecumuleerde geluid, uitgedrukt in dB LCUM.

Artikel 2.2 Omgevingswaarde gecumuleerd geluid

De omgevingswaarde ter plaatse van de gevels van geluidgevoelige gebouwen binnen de invloedssfeer plangebied Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is maximaal 65 dB LCUM.

Artikel 2.3 Aard omgevingswaarde gecumuleerd geluid

De omgevingswaarde, bedoeld in Artikel 2.2, is een resultaatsverplichting.

Artikel 2.4 Monitoring omgevingswaarde gecumuleerd geluid

Gedeputeerde staten zijn belast met de uitvoering van de monitoring van de omgevingswaarde, bedoeld in Artikel 2.2.

Artikel 2.5 Verslaglegging omgevingswaarde gecumuleerd geluid

Gedeputeerde staten stelt elke drie jaar een verslag op over de monitoring van de omgevingswaarde, bedoeld in Artikel 2.2. De monitoringsresultaten worden weergegeven in de milieumonitor van www.destaatvangroningen.nl.

Artikel 2.6 Doorwerking omgevingswaarde gecumuleerd geluid

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten binnen de invloedssfeer plangebied structuurvisie Eemsmond-Delfzijl nemen de omgevingswaarde, bedoeld in Artikel 2.2 in acht.

Afdeling 2.2 Afdeling Omgevingswaarden watersystemen

Artikel 2.7 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen
  • 1.

    Voor de veiligheid van de gebieden die door regionale waterkeringen worden beschermd geldt als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstanden, bedoeld in Artikel 5.3, waarop de regionale waterkering moet zijn berekend.

  • 2.

    Voor beschermd gebied A dat wordt beschermd door regionale waterkeringen geldt een omgevingswaarde van 1:1000.

  • 3.

    Voor beschermd gebied B dat wordt beschermd door regionale waterkeringen geldt een omgevingswaarde van 1:300.

  • 4.

    Voor beschermd gebied C dat wordt beschermd door regionale waterkeringen geldt een omgevingswaarde van 1:100.

  • 5.

    Voor beschermd gebied D dat wordt beschermd door regionale waterkeringen geldt een omgevingswaarde van 1:100.

Artikel 2.8 Aard omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen zijn resultaatsverplichtingen.

Artikel 2.9 Uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap kunnen gedeputeerde staten instemmen met het op een later moment voldoen aan de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.7, op voorwaarde dat het verzoek voldoende gemotiveerd is en verband houdt met de doorlooptijden van maatregelen die noodzakelijk zijn om te kunnen voldoen aan de omgevingswaarden.

Artikel 2.10 Doorwerking omgevingswaarden regionale waterkeringen

Bij de zorg voor een regionale waterkering neemt het waterschapsbestuur de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.7, in acht.

Artikel 2.11 Monitoring omgevingswaarden regionale waterkeringen
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.7.

  • 2.

    De monitoring van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.7, vindt plaats volgens een door gedeputeerde staten vastgestelde methode.

Artikel 2.12 Verslaglegging omgevingswaarden regionale waterkeringen
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt elke zes jaar een verslag op over de algemene waterstaatkundige toestand van de regionale waterkeringen die in het beheer zijn bij het waterschap.

  • 2.

    Het verslag wordt in januari van het betreffende jaar toegezonden aan gedeputeerde staten. De eerste verslaglegging vindt plaats in 2023.

  • 3.

    Het verslag bevat in ieder geval de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.7, en een beoordeling hiervan.

Artikel 2.13 Omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren
Artikel 2.14 Aard omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren

De omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren zijn inspanningsverplichtingen.

Artikel 2.15 Doorwerking omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren

Bij de zorg voor regionale wateren houdt het waterschapsbestuur rekening met de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.13.

Artikel 2.16 Monitoring omgevingswaarden bergings- en afvoeracapciteit regionale wateren
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap is belast met de uitvoering van de monitoring van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.13.

  • 2.

    De monitoring van de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.13, vindt plaats volgens een door gedeputeerde staten vastgestelde methode.

Artikel 2.17 Verslaglegging omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren
  • 1.

    Het dagelijks bestuur van het waterschap stelt elke zes jaar een verslag op over de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht.

  • 2.

    Het verslag wordt in januari van het betreffende jaar toegezonden aan gedeputeerde staten. De eerste verslaglegging vindt plaats in 2027.

  • 3.

    Het verslag bevat in ieder geval de resultaten van de monitoring voor de omgevingswaarden, bedoeld in Artikel 2.13, en een beoordeling hiervan.

Hoofdstuk 3 Activiteiten

Afdeling 3.1 Algemeen

Artikel 3.1 Normadressaat
  • 1.

    Aan de regels in dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor uitvoerings- of instandhoudingswerkzaamheden die door of namens de provincie overeenkomstig een beheerplan voor een Natura 2000-gebied worden uitgevoerd.

Artikel 3.2 Algemene gegevens bij een melding

Een melding wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit, bedoeld in deze verordening;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 3.3 Gegevens bij wijzigen algemene gegevens
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, of de kadastrale aanduiding of coördinaten van de locatie, bedoeld in Artikel 3.2, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit, bedoeld in deze verordening, door een ander zal gaan worden verricht, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het bevoegd gezag.

Afdeling 3.2 Tijdelijke regels voor activiteiten

Paragraaf 3.2.1 Algemeen
Artikel 3.4 Toepassingsbereik

Een artikel in deze afdeling is van toepassing tot het moment waarop het omgevingsplan in overeenstemming is gebracht met de instructieregel waarnaar het artikel verwijst.

Artikel 3.5 Oogmerken

Een artikel in deze afdeling heeft het oogmerk van de instructieregel waarnaar het artikel verwijst.

Paragraaf 3.2.2 Milieu
Artikel 3.6 Verbod opslag en berging van radioactief afval en ander gevaarlijk afval

Gelet op Artikel 4.103 is het verboden:

  • a.

    in de bodem, met inbegrip van de ondergrond en de diepe ondergrond, radioactief afval of ander gevaarlijk afval op te slaan of te bergen; of

  • b.

    bovengronds middel- of hoogradioactief afval op te slaan.

Artikel 3.7 Vergunningplicht grondwatersanering

Gelet op Artikel 4.100 is het verboden om zonder omgevingsvergunning een grondwatersanering te verrichten als in het grondwater een signaleringsparameter voor grondwaterkwaliteit als bedoeld in Bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt overschreden.

Artikel 3.8 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondwatersanering

Gelet op Artikel 4.101 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.7 de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard en de omvang van de verontreiniging;

  • b.

    de risicobeoordeling op basis van de Risicotoolbox Bodem;

  • c.

    de beoogde saneringsmaatregelen, inclusief de terugsaneerwaarde grond en grondwater, om de aanwezige bodemverontreiniging kosteneffectief te verwijderen dan wel verdere verspreiding tegen te gaan;

  • d.

    de startdatum en duur van de sanering; en

  • e.

    de beveiligingsmaatregelen die zijn of worden genomen.

Artikel 3.9 Evaluatieverslag grondwatersanering
  • 1.

    Gelet op Artikel 4.101 dient binnen een termijn van 8 weken na afronding van de saneringswerkzaamheden een evaluatieverslag ter goedkeuring worden overgelegd aan gedeputeerde staten, met daarin de noodzakelijke nazorgmaatregelen ten aanzien van het grondwater.

  • 2.

    Het evaluatieverslag bevat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van de uitgevoerde saneringsmaatregelen;

    • b.

      de aard en de omvang van de aanwezige restverontreiniging; en

    • c.

      de noodzakelijke nazorgmaatregelen om de risico's van de restverontreiniging weg te nemen.

Artikel 3.10 Nazorgplan grondwatersanering

Gelet op Artikel 4.101 wordt wanneer gedeputeerde staten dit nodig achten aanvullend een nazorgplan ingediend, waarin de nazorgmaatregelen nader worden uitgewerkt.

Artikel 3.11 Nazorgmaatregelen grondwatersanering

Gelet op Artikel 4.101 moeten de nazorgmaatregelen ten aanzien van het grondwater, die voortvloeien uit het evaluatieverslag of het saneringsplan, worden uitgevoerd en in stand worden gehouden.

Artikel 3.12 Beoordelingsregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit grondwatersanering (bronverwijdering)

Gelet op Artikel 4.102 moet bij de uitvoering van de milieubelastende activiteiten graven en saneren als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving als een signaleringsparameter voor grondwaterkwaliteit als bedoeld in Bijlage Vd bij artikel 4.12a van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt overschreden, kosteneffectief de verontreiniging boven de interventiewaarde in de vaste bodem worden verwijderd dan wel de verdere verspreiding van de grondwaterverontreiniging worden beheerst.

Artikel 3.13 Aanvraagvereiste omgevingsvergunning milieubelastende activiteit in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Gelet op Artikel 4.81 wordt in een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit met een - potentieel - significante lichtemissie in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis een lichtplan opgenomen.

Artikel 3.14 Vergunningplicht milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid

Gelet op Artikel 4.91 is het verboden om binnen het gebied industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten als bedoeld in Artikel 4.88.

Artikel 3.15 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - plaatsgebonden risico
Artikel 3.16 Beoordelingsregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - plaatsgebonden risico

Gelet op Artikel 4.93 Beoordelingsregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - plaatsgebonden risico wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 4.88 Toepassingsbereik geweigerd indien niet is aangetoond dat risicobeperkende maatregelen en voorzieningen zijn getroffen waardoor de toename van het plaatsgebonden risico beperkt blijft tot maximaal 10%.

Paragraaf 3.2.3 Energie
Artikel 3.17 Verbod bouw kerncentrales en kolencentrales

Gelet op Artikel 4.103 Radioactief afval, gevaarlijk afval, kerncentrales en kolencentrales is het verboden een kerncentrale of kolencentrale te bouwen.

Artikel 3.18 Vergunningplicht plaatsen van zonneparken op bedrijventerreinen
  • 1.

    Gelet op Artikel 4.113 is het verboden om zonder omgevingsvergunning een zonnepark op een bedrijventerrein te plaatsen, anders dan als ondergeschikt onderdeel van de bedrijfsvoering van het op hetzelfde bouwperceel gevestigde bedrijf.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, verlenen als geborgd is dat een zonnepark voor een periode van ten hoogste 30 jaar op het bedrijventerrein geplaatst zal blijven.

Paragraaf 3.2.4 Diepe plassen, meren en karakteristieke sloten
Artikel 3.19 Verbod dempen, verondiepen en wijzigen gebruik van beschermde diepe plassen en meren
  • 1.

    Gelet op Artikel 4.50 is het verboden:

  • 2.

    Het eerste lid, onder a is niet van toepassing op:

    • a.

      werkzaamheden die de stabiliteit van de oevers bevorderen of het afkalven ervan voorkomen; of

    • b.

      werkzaamheden ten behoeve van het afwerken op grond van een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit.

Artikel 3.20 Verbod dempen of verleggen sloten in karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl

Gelet op Artikel 4.56 is het verboden sloten te verleggen of te dempen binnen het karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl.

Paragraaf 3.2.5 Agrarische bedrijven
Artikel 3.21 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over het starten en het uitbreiden van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij.

  • 2.

    Deze afdeling gaat over het oprichten van voorzieningen voor mestopslag en opslag van veevoer buiten het agrarisch bouwperceel .

  • 3.

    Deze afdeling gaat niet over het oprichten van voorzieningen voor mestopslag en opslag van veevoer binnen een afstand van 25 meter buiten een agrarisch bouwperceel, die vanwege ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk zijn en waarvoor op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een verleende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit van kracht is.

Artikel 3.22 Verbod starten of uitbreiden van intensieve veehouderij
Artikel 3.23 Verbod op het oprichten van voorzieningen voor mestopslag en veevoer buiten het agrarisch bouwperceel

Afdeling 3.3 Activiteiten in stiltegebieden

Artikel 3.24 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling heeft betrekking op stiltegebieden en gaat over het: 

    • a.

      voortbrengen van geluid; en 

    • b.

      gebruik maken van een toestel voor het voortbrengen van geluid of van een toestel dat bij gebruik geluidhinder kan veroorzaken, voor zover dit is aangewezen in Artikel 3.27, Artikel 3.28 of Artikel 3.29.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over het gebruik van ontplofbare stoffen en voorwerpen op een militaire schietbaan of een militair springterrein. 

  • 3.

    Deze afdeling gaat niet over het gebruiken van toestellen of objecten voor reguliere werkzaamheden die worden verricht uit agrarisch, visserij-technisch, bosbouwkundig of beheerstechnisch oogpunt. 

Artikel 3.25 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het beschermen van de gezondheid, het milieu en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, voor zover het gaat om de heersende natuurlijke rust in stiltegebieden.

Artikel 3.26 Verboden activiteiten in stiltegebieden

Het is verboden om in stiltegebieden zonder noodzaak geluid voort te brengen, te doen of te laten voortbrengen, in die mate dat de heersende natuurlijke rust in dat gebied wordt verstoord.  

Artikel 3.27 Verboden activiteiten in stiltegebieden - het gebruik van voertuigen en bewegende objecten

Het is verboden om in stiltegebieden gebruik te maken van de volgende toestellen:   

  • a.

    brommers, scooters en overige motorrijtuigen met draaiende verbrandingsmotor, tenzij deze worden gebruikt op de openbare weg of voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden of het betreden van een eigen erf;  

  • b.

    modelvliegtuigen, modelauto’s, modelboten of onbemande luchtvaartuigsystemen, tenzij het gaat om het gebruik van onbemande luchtvaartuigsystemen voor de openbare veiligheid, volksgezondheid of de afwending van dreigend gevaar; of 

  • c.

    waterscooters en jetski’s.  

Artikel 3.28 Verboden activiteiten in stiltegebieden - wapens, vuurwerk en seinmiddelen

Het is verboden om in stiltegebieden gebruik te maken van de volgende objecten: 

  • a.

    lucht-, gas-, of veerdrukwapens; of 

  • b.

    vuurwapens, tenzij:   

    i. het noodseinmiddelen betreft in een geval van nood; of  

    ii. deze worden gebruikt met inachtneming van het bepaalde in de wet.  

  • c.

    vuurwerk, tenzij:  

    i. het gebruik noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar; of  

    ii. het gebruik noodzakelijk is ter voorkoming van schade aan landbouwgewassen.   

Artikel 3.29 Verboden activiteiten in stiltegebieden - muziekinstrumenten en geluidsinstallaties

Het is verboden om in stiltegebieden gebruik te maken van de volgende objecten: 

  • a.

    muziekinstrumenten en geluidapparatuur, tenzij het geluid op een afstand van 50 meter van de bron niet meer hoorbaar is; of 

  • b.

    omroepinstallaties, sirenes, hoorns en soortgelijke apparatuur, bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid, tenzij:

    i. het gebruik noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar; of

    ii. het gebruik noodzakelijk is uit een oogpunt van algemene veiligheid.

Afdeling 3.4 Activiteiten in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Artikel 3.30 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over het voortbrengen van geluid of lichtemissie in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis.

Artikel 3.31 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het beschermen van de gezondheid, het milieu en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, voor zover het gaat om het beperken van verstoring van de stilte of duisternis in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis.

Artikel 3.32 Vergunningvoorschriften milieubelastende activiteiten in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning, waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, betrekking heeft op een milieubelastende activiteit in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis, wordt in de omgevingsvergunning zo nodig een lichtplan voorgeschreven.

Artikel 3.33 Nieuwe activiteiten in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Er dient, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te worden voorkomen dat in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis, zonder noodzaak, nieuwe activiteiten worden verricht die geluid of lichtemissie voortbrengen of met zich meebrengen, in die mate dat de heersende stilte of duisternis in dit gebied wordt verstoord.

Artikel 3.34 Specifieke zorgplicht

Degene die een geluid of lichtemissie voortbrengt in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.31, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Afdeling 3.5 Activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen

Artikel 3.35 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over de volgende activiteiten: alle activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen, bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over het treffen van nazorgmaatregelen als bedoeld in artikel 8.49, eerste lid, van de Wet milieubeheer.

Artikel 3.36 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beschermen van de gezondheid en het milieu.

Artikel 3.37 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 3.35 verricht in, op, onder of over stortplaatsen, en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.36, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, de activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    De verplichting, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig beheer van afvalstoffen in de gesloten stortplaatsen wordt verzekerd; en

    • b.

      alle passende maatregelen worden genomen om ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan te voorkomen, bedoeld in artikel 19.1 van de wet.

Artikel 3.38 Omgevingsvergunning activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen

Het is op stortplaatsen verboden om zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in Artikel 3.35, eerste lid, te verrichten.

Artikel 3.39 Beoordelingsregel omgevingsvergunning activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen

Een omgevingsvergunning voor een activiteit op stortplaatsen, als bedoeld in Artikel 3.35, wordt alleen verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:

  • a.

    de activiteit is verenigbaar met het belang van de werking en instandhouding van de aanwezige nazorgvoorzieningen en beschadigt deze niet;

  • b.

    de activiteit is verenigbaar met de uitvoering van de wettelijke nazorgtaak of van een nazorgmaatregel waaronder, maar niet uitsluitend, de mogelijkheid van controle op of van de nazorgvoorzieningen en de eventuele reparatie of vervanging van die nazorgvoorzieningen;

  • c.

    de activiteit brengt geen overschrijding van het berekende doelvermogen en de daarbij behorende belastingaanslag met zich mee;

  • d.

    de activiteit past binnen de locatiespecifieke omstandigheden van de gesloten stortplaats; en

  • e.

    de activiteit heeft geen negatieve invloed op de bereikbaarheid van de gesloten stortplaats.

Artikel 3.40 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.38 worden alle gegevens verstrekt die nodig zijn voor de beoordeling of de aangevraagde activiteit de gesloten stortplaats kan aantasten, de nazorg kan belemmeren of (ver)hinderen dan wel de nazorgvoorzieningen kan beschadigen.

  • 2.

    Bij de aanvraag worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    I. Rapport of tekeningen

    • a.

      Een rapport met verduidelijkende tekeningen, opgesteld door een ter zake deskundig bureau.

    • b.

      Bij het opstellen van het onder a bedoelde rapport dient het geldende nazorgplan voor de gesloten stortplaats en de daarin neergelegde maatregelen aantoonbaar te worden betrokken en als uitgangspunt te worden genomen.

    II. Inhoud rapport en/of tekeningen; feitelijke situatie en informatie

    Het rapport en/of de tekeningen als hierboven bedoeld dienen in elk geval de navolgende zaken te bevatten:

    • a.

      Een overzicht van de locatie, de situering van de voorgenomen activiteiten op de locatie, de toegankelijkheid van de locatie, dwarsdoorsneden, details van de beoogde te treffen voorzieningen en een overzicht van de aanwezige nazorgvoorzieningen op de stortplaats;

    • b.

      Een beschrijving van de voorgenomen activiteiten op de gesloten stortplaats;

    • c.

      Een beschrijving van contacten over de voorgenomen activiteiten met andere (bestuurlijke) instanties, belangengroeperingen, derden, waaronder het waterschap;

    • d.

      Een gemotiveerde toelichting waarom de voorgenomen activiteiten passen in het omgevingsplan;

    • e.

      Een gemotiveerde toelichting waarom voor de voorgenomen activiteiten wel of geen sprake is van een mer-(beoordelings-)plicht; en

    • f.

      Een beschrijving van eventuele andere omgevingsvergunningen of meldingen die nodig zijn voor de uitvoering van de voorgenomen activiteit.

    III. Inhoud rapport en/of tekeningen; verhouding voorgenomen activiteiten en wettelijke nazorgtaak

    • a.

      Het rapport en/of de tekeningen dienen inzicht te geven in de wijze waarop de (bouw, exploitatie en beëindiging van de) voorgenomen activiteiten zich verhouden met de gebruiksbeperkingen die vanwege het nazorgregime op de gesloten stortplaats van toepassing zijn.

    • b.

      In het rapport en/of de tekeningen dienen in het licht van het onder lid a bepaalde in elk geval in te worden gegaan op (de invloed van de voorgenomen activiteiten) op:

    1) de op de gesloten stortplaats aanwezige nazorgvoorzieningen;

    2) de bereikbaarheid van de gesloten stortplaats en van de daar aanwezige nazorgvoorzieningen, mede in het licht van de periodieke controle, het herstel en/of de vervanging van die (milieubeschermende) nazorgvoorzieningen;

    3) de instandhouding van de voorzieningen ter voorkoming van emissies naar het milieu en de omgeving;

    4) het vigerende beheer- en onderhoudsprogramma (nazorgplan) voor de gesloten stortplaats;

    5) de opbouw van de aanwezige bovenafdichting;

    6) het functioneren van de bovenafdichting (draagvermogen, stabiliteit, waterafvoer) en de levensduur van de bovenafdichting;

    7) het functioneren van de onderafdichting;

    8) het functioneren van de percolaatafvoer en de percolaatwaterzuivering;

    9) het functioneren van de stortgasontrekkingsputten, de stortgasafvoer en de stortgasinstallatie;

    10) het functioneren van het monitoringsysteem (peilbuizen, drainagestelsels);

    11) de plaatselijke geohydrologische situatie;

    12) de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater en eventueel optredende verspreiding van eventuele verontreinigingen;

    13) de geotechnische aspecten van de ondergrond en het stortlichaam (met name het effect op de zakking van de bovenafdichting (hierbij kunnen belasting- en zettingsberekeningen nodig zijn));

    14) de vervorming (toegestane rek of stuik van de diverse constructieonderdelen van de bovenafdichting) en de waterafvoer van de afdichting. Hierbij dient extra aandacht te worden gegeven aan het effect op de functionaliteit van voor de afwatering in de bovenafdichting aanwezige hemelwaterdrains en/of drainagematten en leidingen;

    15) de stabiliteit van de gesloten stortplaats, waar nodig onderbouwd met berekeningen op kritische plaatsen en bij extra belasting op taluds van de gesloten stortplaats. Belangrijk aandachtspunt hierbij is het beschouwen van de effecten op de gesloten stortplaats van windbelasting op windgevoelige elementen van de voorgenomen activiteit;

    16) de toe te passen funderingen en hoe deze zich verhouden met de nazorgvoorzieningen;

    17) vanwege de voorgenomen activiteiten optredende emissies en/of effecten op milieu, lucht, bodem, water, natuur, landschap en omgeving, met aandacht voor cumulatie daarvan met de effecten vanwege de gesloten stortplaats zelf; en

    18) de maatregelen die getroffen worden om de eventuele invloed van de voorgenomen activiteit op de nazorgvoorzieningen en de effecten op het beheer en onderhoud van die nazorgvoorzieningen te mitigeren en de wijze van monitoring daarvan.

    IV. Risico's van de voorgenomen activiteit voor wettelijke nazorgtaak

    • a.

      Het rapport en/of de tekeningen dienen een beschrijving te geven van de risico's die als gevolg van de voorgenomen activiteiten (kunnen) ontstaan voor:

    1) de op de gesloten stortplaats aanwezige nazorgvoorzieningen (de dimensies van de voorgenomen activiteiten afgezet tegen de oppervlakte van de gesloten stortplaats (oppervlak, diepte, hoogte)); en

    2) de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen op de gesloten stortplaats.

    b. In het rapport en/of de tekeningen dient ook te worden aangegeven hoe deze risico's ondervangen worden.

    V. Overig

    Het rapport en/of de tekeningen dienen ook een beschrijving te bevatten van:

    • a.

      de te treffen maatregelen die erosie tegengaan;

    • b.

      de aan te brengen beplanting;

    • c.

      de veiligheidsaspecten bij het op de gesloten stortplaats in werking zijn van stortgasonttrekking (actief of passief), stortgasleidingen en stortgasverwerking;

    • d.

      de wijze waarop het beheer en onderhoud van de voorgenomen activiteiten en de te treffen maatregelen worden 'ingepast' in het vigerende beheer- en onderhoudsprogramma (nazorgplan), waarbij aandacht wordt besteed aan:

    1) de technische aspecten (onder meer monitoring, controle, inspectie, beheer en uitvoering);

    2) een nulmeting, zodat milieuhygiënische effecten en de gevolgen van beheer en onderhoud ten opzichte van de start van de herbestemmingsactiviteiten inzichtelijk zijn te maken;

    3) de organisatorische aspecten en de invulling daarvan (onder meer: bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen, (de wijze van) afstemming tussen de exploitant van de activiteiten en de provinciale nazorgorganisatie, communicatie naar derden);

    4) de financiering van de activiteiten en of, en zo ja hoe, er sprake is van effecten op de nazorgkosten; en

    5) de wijze waarop invulling wordt gegeven aan het zonder belemmeringen en/of hinder doorgang laten vinden van de uitvoering van de wettelijke nazorgtaak van de provincie op de stortlocatie.

Artikel 3.41 Vergunningvoorschriften activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 3.38 worden in ieder geval voorschriften verbonden die tot doel hebben:

  • a.

    de bereikbaarheid van de nazorgvoorzieningen te garanderen;

  • b.

    aantasting van de nazorgvoorzieningen te voorkomen; en

  • c.

    te voorkomen dat de uitvoering van de nazorg anderszins wordt belemmerd of gehinderd.

Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot windturbines

Artikel 3.42 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de leefomgeving en het milieu.

Artikel 3.43 Verplichte toepassing naderingsdetectiesysteem windturbines ten behoeve van het beperken van lichthinder

Met ingang van 1 juni 2029 moet de obstakelverlichtingvan windturbines zijn voorzien van een naderingsdetectiesysteem.

Artikel 3.44 Vaststelling geluidnormen windparken

Bij het stellen van geluidnormen in een omgevingsvergunning of projectbesluit dat betrekking heeft op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving binnen de onderstaande werkingsgebieden, worden de effecten voor geluid van alle bestaande en aangevraagde windturbines tezamen binnen de volgende werkingsgebieden betrokken:

Artikel 3.45 Monitoring geluidnormen windparken

De geluidbelasting veroorzaakt door elk van de windparken, bedoeld in Artikel 3.44, worden door gedeputeerde staten gemonitord en de monitoringsresultaten worden weergegeven in de milieumonitor van www.destaatvangroningen.nl.

Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot complexe bedrijven

Artikel 3.46 Beoordelingsregel toepassing beste beschikbare technieken
  • 1.

    Een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, wordt - voor zover deze betrekking heeft op luchtkwaliteit, geur, geluid, grof stof of zeer zorgwekkende stoffen - alleen verleend wanneer de voor deze activiteit in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast die de grootst mogelijke bescherming van het milieu bieden. Dit betekent dat de strengst mogelijke emissiegrenswaarden moeten worden toegepast, die overeenstemmen met de laagste emissies die door toepassing van BBT in de installatie kunnen worden bereikt.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan afwijken van het eerste lid als dat om technische of economische redenen niet haalbaar of integraal bezien niet doelmatig is.

Artikel 3.47 Aanvraagvereiste omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - beste beschikbare technieken

In de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in afdeling 3.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, wordt - voor zover deze betrekking heeft op luchtkwaliteit, geur, geluid, grof stof of zeer zorgwekkende stoffen - gemotiveerd aangegeven dat, en op welke wijze, de strengst mogelijke emissiegrenswaarden worden toegepast, die overeenstemmen met de laagste emissies die door toepassing van beste beschikbare technieken (BBT) in de installatie kunnen worden bereikt.

Afdeling 3.8 Activiteiten met gevolgen voor omgevingsveiligheid

Artikel 3.48 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over de volgende milieubelastende activiteiten, verricht in het gebied industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl:

  • a.

    activiteiten als bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover het windturbines met een ashoogte groter dan 15 meter betreft;

  • b.

    activiteiten als bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

  • c.

    activiteiten als bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 3.49 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

Artikel 3.50 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor de oprichting of wijziging van een milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 3.48 in het gebied industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, wordt het plaatsgebonden risico bepaald en vergeleken met de situatie zonder windturbine.

  • 2.

    Wanneer volgens de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, sprake is van een risicotoename van 10% of meer, dienen in de aanvraag ook risicobeperkende maatregelen en voorzieningen te worden beschouwd waardoor de risicotoename beperkt blijft tot maximaal 10%.

  • 3.

    Het plaatsgebonden risico en de werpafstand van de windturbine wordt bepaald met de landelijk toegepaste versie van het rekenprogramma Save-W. Het plaatsgebonden risico van de milieubelastende activiteit van de Seveso-inrichting wordt bepaald met de versie van het rekenprogramma Safeti-NL zoals opgenomen in bijlage II van de Omgevingsregeling.

Artikel 3.51 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid

Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 3.48 in het gebied industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl waarvoor gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn, wordt geweigerd als niet is aangetoond dat risicobeperkende maatregelen en voorzieningen worden getroffen waardoor de toename van het plaatsgebonden risico beperkt blijft tot maximaal 10%.

Afdeling 3.9 Milieubelastende activiteiten in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

Artikel 3.52 Gebieden gevoelig voor de effecten van ammoniak

De voor verzuring gevoelige gebieden zijn de in artikel 8.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde gebieden die gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak.

Artikel 3.53 Beoordelingsregel starten veehouderij in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.201 of 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt geweigerd voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in een invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden indien:

  • a.

    de aanvraag betrekking heeft op het starten van een veehouderij; of

  • b.

    het in werking hebben van de veehouderij voor het ontstaan van de vergunningplicht voor deze milieubelastende activiteiten onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel.

Artikel 3.54 Beoordelingsregel veranderen veehouderij in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

Een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.201 of 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt geweigerd voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf dat geheel of gedeeltelijk is gelegen in een invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden en de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën.

Artikel 3.55 Beoordelingsregel starten veehouderij in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden, uitzondering

In afwijking van Artikel 3.53 kan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in dat artikel worden verleend als het betreft het in werking hebben van een veehouderij die voor het ontstaan van de vergunningplicht voor deze milieubelastende activiteiten onder de werking van een algemene maatregel van bestuur krachtens artikel 8.40 van de Wet milieubeheer viel, en:invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

  • a.

    het aantal dieren per diercategorie niet hoger is dan volgens de algemene maatregel van bestuur onmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht aanwezig mocht zijn;

  • b.

    het aantal dieren van een of meer diercategorieën hoger is dan het aantal bedoeld onder a, maar de ammoniakemissie niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie uit de tot de veehouderij behorende dierenverblijven die de veehouderijonmiddellijk voorafgaand aan het ontstaan van de vergunningplicht zou mogen veroorzaken, indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

  • c.

    de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij een melkrundveehouderij was van uitsluitend melkrundvee, het aantal dieren hoger is dan het aantal bedoeld onder a, en de ammoniakemissie na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee in geval van oprichting zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

  • d.

    het gaat om schapen of paarden;

  • e.

    het gaat om dieren die worden gehouden volgens biologische productiemethoden als bedoeld in artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet; of

  • f.

    het gaat om dieren die worden gehouden alleen of in hoofdzaak voor natuurbeheer.

Artikel 3.56 Beoordelingsregel voor verandering veehouderij in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden, uitzondering

In afwijking van Artikel 3.54 kan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in dat artikel worden verleend als het de verandering van een veehouderij betreft en:

  • a.

    de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:

    i. zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of

    ii. op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemmissie, bedoeld onder i;

  • b.

    in de veehouderij onmiddellijk voorafgaand aan het vervallen van de Interimwet ammoniak en veehouderij melkrundvee werd gehouden, de uitbreiding uitsluitend melkrundvee betreft en de ammoniakemissie na uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die een melkrundveehouderij met 200 stuks melkvee en 140 stuks vrouwelijk jongvee zou veroorzaken, indien de ammoniakemissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde;

  • c.

    de uitbreiding schapen of paarden betreft;

  • d.

    de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die krachtens artikel 2 van de Landbouwkwaliteitswet zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden; of

  • e.

    de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer.

Artikel 3.57 Beoordelingsregel bepalen ammoniakemissie voor al vergunde dieren in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

Bij de toepassing van Artikel 3.55 en Artikel 3.56 wordt voor het bepalen van de ammoniakemissie uit de dierenverblijven die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding zou mogen veroorzaken, de ammoniakemissie van de dieren waarvoor eerder omgevingsvergunning is verleend met toepassing van het eerste lid, onder b tot en met e, dan wel artikel 5, eerste lid, onder c tot en met f, van de Wet ammoniak en veehouderij zoals deze gold tot 1 januari 2024, niet meegerekend.

Afdeling 3.10 Graven en saneren

Artikel 3.58 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over de volgende milieubelastende activiteiten:

  • a.

    graven in de bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in paragraaf 3.2.22 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

  • b.

    saneren van de bodem, bedoeld in paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.59 Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld ter bescherming van het milieu, het duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening en het beheer van watersystemen en het beheer van natuurgebieden.

Artikel 3.60 Verplichting nader bodemonderzoek
  • 1.

    Een nader bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7d van het Besluit activiteiten leefomgeving dient ook te worden verricht als uit een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van dit besluit blijkt dat een signaleringsparameter zoals opgenomen in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt overschreden.

  • 2.

    Degene die het nader bodemonderzoek uitvoert maakt bij de beoordeling of er nadelige gevolgen (risico’s) zijn voor mens, plant of dier en welke mitigerende of sanerende maatregelen daarbij horen, gebruik van de Risicotoolbox Bodem.

Afdeling 3.11 Activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden

Paragraaf 3.11.1 Algemeen
Artikel 3.61 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden en de daarin zich bevindende ondergrond.

  • 2.

    Deze afdeling gaat niet over de uitvoering van taken als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet in waterwingebieden door of in opdracht van drinkwaterbedrijven.

  • 3.

    In deze afdeling worden in ieder geval de volgende stoffen beschouwd als schadelijke stoffen:

    • a.

      bodembedreigende stoffen en mengsels niet zijnde mest;

    • b.

      stoffen vermeld in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • c.

      zeer zorgwekkende stoffen;

    • d.

      gewasbeschermingsmiddelen, biociden, cosmetische producten, geneesmiddelen en diergeneesmiddelen met een stof of mengsel als bedoeld onder a, b of c;

    • e.

      andere producten, voorwerpen en materialen waarvan bekend is of redelijkerwijs bekend zou moeten zijn, dat deze een in onder a, b of c aangewezen stof of mengsel bevat.

Artikel 3.62 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.

Artikel 3.63 Grondwaterbeschermingsgebieden

Grondwaterbeschermingsgebieden bestaan uit:

Artikel 3.64 Specifieke zorgplicht grondwaterbeschermingsgebieden

Degene die een activiteit in grondwaterbeschermingsgebieden verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 3.61, is verplicht:

  • a.

    alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegenen kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

  • b.

    voor zover deze niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

  • c.

    als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

Paragraaf 3.11.2 Activiteiten in waterwingebieden
Artikel 3.65 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - schadelijke stoffen
  • 1.

    Als risicovolle activiteiten binnen waterwingebieden worden aangewezen: het brengen van schadelijke vaste of vloeibare stoffen op of in de bodem en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben.

  • 2.

    De volgende activiteiten worden in ieder geval aangemerkt als activiteiten die zijn aangewezen in het eerste lid:

    • a.

      het houden, gebruiken of vervoeren van schadelijke stoffen;

    • b.

      het aanleggen of houden van een werk dat gebruikt kan worden voor het vervoeren, het bergen, het opslaan, het overslaan, het storten of het verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem;

    • c.

      het niet-biologisch grondgebonden telen van bloembollen; en

    • d.

      het gebruiken van dierlijke meststoffen, zuiveringsslib of compost.

  • 3.

    De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor:

    • a.

      het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van kleine hoeveelheden schadelijke stoffen in, naar en bij een woning of een ander gebouw, op voorwaarde dat:

      i. er sprake is van een kleine hoeveelheid van die schadelijke stoffen;

      ii. de schadelijke stoffen nodig zijn voor het normale gebruik van de woning of het andere gebouw; en

      iii. de schadelijke stoffen worden bewaard in een deugdelijke verpakking, zodanig dat weersomstandigheden geen invloed hebben op de schadelijke stoffen en er geen risico bestaat op verspreiding of verstuiving;

    • b.

      het gebruik van schadelijke stoffen die aanwezig of nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    • c.

      het vervoer van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking en deugdelijk geladen; of

    • d.

      het vervoer en het gebruik van middelen ter bestrijding van gladde wegen.

Artikel 3.66 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - toepassen van grond en baggerspecie

Als risicovolle activiteiten binnen waterwingebieden worden aangewezen: het op of in de bodem toepassen van grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, overschrijdt.

Artikel 3.67 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - verstrooien van as en begraven

Als risicovolle activiteiten binnen waterwingebieden worden aangewezen:

  • a.

    het op of in de bodem brengen of hebben van kadavers; en

  • b.

    het aanleggen, houden of gebruiken van een begraafplaats, dierenbegraafplaats of een terrein voor het verstrooien van as in de zin van de Wet op de lijkbezorging.

Artikel 3.68 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - lozingen
  • 1.

    Als risicovolle activiteiten binnen waterwingebieden worden aangewezen:

    • a.

      het uitvoeren van een lozing op of in de bodem, waaronder (diep)infiltratie van regen- of oppervlaktewater; en

    • b.

      het aanleggen van een riooloverstort en een individuele behandeling van afvalwater (IBA).

  • 2.

    De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het uitvoeren van een lozing die is begonnen voordat het gebied waarin de lozing wordt verricht is aangewezen als waterwingebied.

Artikel 3.69 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - verblijfsrecreatie en infrastructuur

Als risicovolle activiteiten binnen waterwingebieden worden aangewezen:  

  • a.

    het aanleggen, houden, in exploitatie nemen of exploiteren van een kampeergelegenheid, recreatiecentrum of kampement; en 

  • b.

    het aanleggen of reconstrueren van wegen, parkeergelegenheden, al dan niet tijdelijk, en terreinen voor gemotoriseerd verkeer, waterwegen of spoorwegen. 

Artikel 3.70 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - bodemenergiesystemen

Als risicovolle activiteiten binnen waterwingebieden worden aangewezen: het aanbrengen, in exploitatie brengen of houden van een bodemenergiesysteem voor zover er warmte wordt onttrokken of toegevoegd aan het grondwater.

Artikel 3.71 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - aantasten slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen
  • 1.

    Als risicovolle activiteiten binnen waterwingebieden worden aangewezen: het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben.

  • 2.

    De volgende activiteiten worden in ieder geval aangemerkt als activiteiten die zijn aangewezen in het eerste lid:

    • a.

      het dieper dan 3 meter onder het maaiveld roeren van de grond of anderszins werken op of in de bodem uitvoeren of laten uitvoeren, waardoor de beschermende functie van een bodemlaag voor onderliggende lagen vermindert; en

    • b.

      het aanleggen of in exploitatie nemen van een boorput, ook als deze activiteiten hun oorsprong vinden buiten het waterwingebied voor zover deze activiteiten zich uitstrekken in de ondergrond van dit gebied.

Artikel 3.72 Verboden activiteiten in waterwingebieden

Het is verboden een risicovolle activiteit als bedoeld in Artikel 3.65 tot en met Artikel 3.71 te verrichten in waterwingebieden.

Paragraaf 3.11.3 Activiteiten in grondwaterbeschermingszones
Artikel 3.73 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - schadelijke stoffen
  • 1.

    Als risicovolle activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones worden aangewezen: het brengen van schadelijke vaste of vloeibare stoffen in of op de bodem en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben.

  • 2.

    De volgende activiteiten worden in ieder geval aangemerkt als activiteiten die zijn aangewezen in het eerste lid:

    • a.

      het houden, gebruiken of vervoeren van schadelijke stoffen;

    • b.

      het aanleggen of houden van een werk dat gebruikt kan worden voor het vervoeren, het bergen, het opslaan, het overslaan, het storten of het verzinken van schadelijke stoffen door, op of in de bodem;

    • c.

      het niet-biologisch grondgebonden telen van bloembollen; en

    • d.

      het op of in de bodem brengen van zuiveringsslib.

  • 3.

    De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor:

    • a.

      het voorhanden hebben, gebruiken en vervoeren van kleine hoeveelheden schadelijke stoffen in, naar en bij een woning of een ander gebouw, op voorwaarde dat:

      i. er sprake is van een kleine hoeveelheid van die schadelijke stoffen;

      ii. de schadelijke stoffen nodig zijn voor het normale gebruik van de woning of het andere gebouw; en

      iii. de schadelijke stoffen worden bewaard in een deugdelijke verpakking, zodanig dat weersomstandigheden geen invloed hebben op de schadelijke stoffen en er geen risico bestaat op verspreiding of verstuiving;

    • b.

      het gebruik van schadelijke stoffen die aanwezig of nodig zijn voor het functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    • c.

      het vervoer van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deugdelijke gesloten verpakking en deugdelijk geladen;

    • d.

      het vervoer en het gebruik van middelen ter bestrijding van gladde wegen; of

    • e.

      het gebruik van kunstmest voor normaal landbouwkundig gebruik.



Artikel 3.74 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - toepassen van grond en baggerspecie
  • 1.

    Als risicovolle activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones worden aangewezen: het op of in de bodem toepassen van grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar, bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit, overschrijdt.

  • 2.

    De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor de verspreiding van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen op niet verdachte locaties binnen de grondwaterbeschermingszone.

Artikel 3.75 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - verstrooien van as en begraven

Als risicovolle activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones worden aangewezen:  

  • a.

    het op of in de bodem brengen of hebben van kadavers; en 

  • b.

    het aanleggen, houden of gebruiken van een begraafplaats, dierenbegraafplaats of een terrein voor het verstrooien van as in de zin van de Wet op de lijkbezorging. 

Artikel 3.76 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - lozingen

Als risicovolle activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones worden aangewezen:

  • a.

    het uitvoeren van een lozing op of in de bodem, waaronder (diep)infiltratie van regen- of oppervlaktewater; en

  • b.

    het aanleggen van een riooloverstort en een individuele behandeling van afvalwater (IBA).

Artikel 3.77 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - verblijfsrecreatie en infrastructuur

Als risicovolle activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones worden aangewezen: 

  • a.

    het aanleggen, houden, in exploitatie nemen of exploiteren van een kampeergelegenheid, recreatiecentrum of kampement; en

  • b.

    het aanleggen of reconstrueren van wegen, parkeergelegenheden, al dan niet tijdelijk, en terreinen voor gemotoriseerd verkeer, waterwegen of spoorwegen. 

Artikel 3.78 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - bodemenergiesystemen

Als risicovolle activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones worden aangewezen: het aanbrengen, in exploitatie brengen of houden van een bodemenergiesysteem voor zover er warmte wordt onttrokken of toegevoegd aan het grondwater.

Artikel 3.79 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - aantasten slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen
  • 1.

    Als risicovolle activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones worden aangewezen: het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben. 

  • 2.

    De volgende activiteiten worden in ieder geval aangemerkt als activiteiten die zijn aangewezen in het eerste lid: 

    • a.

      het dieper dan 3 meter onder het maaiveld roeren van de grond of anderszins werken op of in de bodem uitvoeren of laten uitvoeren, waardoor de beschermende functie van een bodemlaag voor onderliggende lagen vermindert; en 

    • b.

      het aanleggen of in exploitatie nemen van een boorput, ook als deze activiteiten hun oorsprong vinden buiten de grondwaterbeschermingszone voor zover deze activiteiten zich uitstrekken in de ondergrond van dit gebied. 

  • 3.

    De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor: 

    • a.

      het in de bodem brengen van grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

    • b.

      het in de bodem brengen van niet plaatselijk verbrede hulpbuizen die grondverdringend worden ingebracht en niet worden getrokken; of

    • c.

      het plaatsen van aardpennen ten behoeve van een verdeelstation.  

Artikel 3.80 Vergunningplichtige activiteiten in grondwaterbeschermingszones

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een risicovolle activiteit als bedoeld in Artikel 3.73 tot en met Artikel 3.79 te verrichten in grondwaterbeschermingszones.

Artikel 3.81 Beoordelingsregels omgevingsvergunning in grondwaterbeschermingszone
  • 1.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor een risicovolle activiteit binnen grondwaterbeschermingszones is artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Bij het verlenen van een omgevingsvergunning door gedeputeerde staten voor een risicovolle activiteit binnen grondwaterbeschermingszones worden er aan de omgevingsvergunning in ieder geval voorschriften verbonden gericht op het wegnemen of minimaliseren van het bodemrisico.

Paragraaf 3.11.4 Activiteiten in boringsvrije zones
Artikel 3.82 Aanwijzing risicovolle activiteiten boringsvrije zones - aantasten slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen
  • 1.

    Als risicovolle activiteiten binnen boringsvrije zones worden aangewezen: het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben.

  • 2.

    De volgende activiteiten worden in ieder geval aangemerkt als activiteiten die zijn aangewezen in het eerste lid:

    • a.

      Het dieper dan 3 meter onder het maaiveld roeren van de grond of anderszins werken op of in de bodem uitvoeren of laten uitvoeren, waardoor de beschermende functie van een bodemlaag voor onderliggende lagen vermindert; en

    • b.

      het aanleggen of in exploitatie nemen van een boorput, ook als deze activiteiten hun oorsprong vinden buiten de boringsvrije zone voor zover deze activiteiten zich uitstrekken in de ondergrond van dit gebied.

  • 3.

    De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, geldt niet voor het plaatsen van aardpennen ten behoeve van een verdeelstation.

Artikel 3.83 Aanwijzing risicovolle activiteiten boringsvrije zones - bodemenergiesystemen

Als risicovolle activiteiten binnen boringsvrije zones worden aangewezen: het aanbrengen, in exploitatie brengen of houden van een bodemenergiesysteem voor zover er warmte wordt onttrokken of toegevoegd aan het grondwater. 

Artikel 3.84 Vergunningplichtige activiteiten in boringsvrije zones

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een risicovolle activiteit als bedoeld in Artikel 3.82 en Artikel 3.83 te verrichten in boringsvrije zones.

Artikel 3.85 Beoordelingsregels omgevingsvergunning in boringsvrije zones
  • 1.

    Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor een risicovolle activiteit binnen boringsvrije zones is artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Bij het verlenen van een omgevingsvergunning door gedeputeerde staten voor een risicovolle activiteit binnen boringsvrije zones worden er aan de omgevingsvergunning in ieder geval voorschriften verbonden gericht op het wegnemen of minimaliseren van het bodemrisico.

Afdeling 3.12 Flora- en fauna-activiteiten

Artikel 3.86 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn: bescherming weidevogels

De verboden, bedoeld in artikel 11.37, lid 1, onder b, c en d van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, eieren van vogels te rapen en onder zich te hebben of opzettelijk vogels te storen, gelden niet ten aanzien van weidevogels als bedoeld in Bijlage 7 Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn: bescherming weidevogels voor zover het activiteiten betreft die bestemd en geschikt zijn voor de bescherming tegen landbouwwerkzaamheden en vee van die weidevogels, hun eieren en hun niet-vliegvlugge jongen.

Artikel 3.87 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: ontwikkeling, beheer en onderhoud

Gevallen als bedoeld in artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving waarin het verbod om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten niet geldt, zijn activiteiten met betrekking tot de soorten genoemd in Bijlage 8 Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: ontwikkeling, beheer en onderhoud, in de periode en met de middelen genoemd in die bijlage, voor zover het gaat over handelingen in het kader van:

  • a.

    de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

  • b.

    het bestendig beheren of onderhouden van vaarwegen, oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen, andere waterstaatswerken, oevers, luchthavens, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; of

  • c.

    een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw.

Artikel 3.88 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: bestrijding overlast
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning opzettelijk vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen te beschadigen of vernielen, geldt niet ten aanzien van de soorten genoemd in Bijlage 9 Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: bestrijding overlast, in de periode en met de middelen genoemd in die bijlage, voor zover de activiteiten worden verricht:

    • a.

      ter bestrijding van overlast;

    • b.

      door of namens gemeenten; en

    • c.

      binnen de bebouwde kom.

  • 2.

    Gemeenten registreren in een logboek over de activiteiten, bedoeld in het eerste lid:

    • a.

      hoe vaak deze activiteiten zijn verricht;

    • b.

      waar deze activiteiten zijn verricht; en

    • c.

      wie deze activiteiten heeft uitgevoerd.

  • 3.

    In het logboek worden de resultaten geregistreerd van camera-onderzoek als bedoeld in Bijlage 9 Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: bestrijding overlast.

  • 4.

    Het logboek moet beschikbaar zijn voor de toezichthouder.

Artikel 3.89 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn: asbestsanering

Het verbod, bedoeld in artikel 11.37 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning opzettelijk nesten en rustplaatsen van huismus, kerkuil en steenuil te vernielen, beschadigen of wegnemen, geldt niet als:

Artikel 3.90 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: asbestsanering

Het verbod, bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning opzettelijk de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van steenmarter en boommarter te vernielen, beschadigen of wegnemen, geldt niet als:

Artikel 3.91 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: onderzoek en onderwijs
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 11.54, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het rapen van eieren van de meerkikker, middelste groene kikker de bruine kikker en de gewone pad.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 11.61, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het uitzetten van eieren en van daaruit voortgekomen exemplaren van de in het eerste lid genoemde soorten.

  • 3.

    De verboden, bedoeld in 11.39, eerste lid, en artikel 11.47, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt niet voor het onder zich hebben of vervoeren van keutels, braakballen, losse veren en sterrenschot.

  • 4.

    Het eerste, tweede en derde lid gelden alleen voor handelingen in het kader van onderzoek en onderwijs.

  • 5.

    Het uitzetten van eieren en dieren, bedoeld in het tweede lid, dient plaats te vinden op de locatie waar de eieren zijn gevangen.

Artikel 3.92 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn en habitatrichtlijn: wegbeheerder en terreinbeheerder

De verboden, bedoeld in artikel 11.39, eerste lid en 11.47, eerste lid, onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving, om zonder omgevingsvergunning dode dieren onder zich te hebben of te vervoeren gelden niet als deze activiteiten worden verricht door:

  • a.

    een wegbeheerder, voor zover het gaat om het verwijderen van dode dieren op en langs de weg; of

  • b.

    een terreinbeheerder, voor zover het gaat om het verwijderen van vogelgriepslachtoffers.

Artikel 3.93 Bestrijden verwilderde duiven, zwarte rat en bruine rat
  • 1.

    Bestrijden van verwilderde duiven, de zwarte rat en de bruine ratBij het bestrijden van verwilderde duiven, de zwarte rat en de bruine rat, mag:

    • a.

      in afwijking van artikel 11.76, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, een persluchtgeweer gebruikt worden buiten een jachtveld;

    • b.

      in afwijking van en in aanvulling op artikel 11.79, tweede lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, een persluchtgeweer gebruikt worden met een kaliber van tenminste .22 inch of 5,5 mm en ten hoogste .25 inch of 6,35 mm, met een mondingsenergie van minimaal 25 joule en maximaal 80 joule;

    • c.

      in afwijking van en in aanvulling op artikel 11.79, vijfde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, een persluchtgeweer voorzien zijn van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter en een elektronische beeldversterker of een ander instrument om in de nacht te schieten;

    • d.

      in afwijking van artikel 11.79, zesde lid van het Besluit activiteiten leefomgeving, gebruik gemaakt worden van munitie welke geschikt is voor een persluchtgeweer met een kaliber van tenminste .22 inch of 5,5 mm en ten hoogste .25 inch of 6,35 mm en een mondingsenergie van minimaal 25 joule en maximaal 80 joule;

    • e.

      in afwijking van artikel 11.83, eerste lid, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving, een persluchtgeweer gebruikt worden voor zonsopgang en na zonsondergang;

    • f.

      in afwijking van artikel 11.83, eerste lid, onder b van het van het Besluit activiteiten leefomgeving, een persluchtgeweer gebruikt worden binnen de in een omgevingsplan aangewezen bebouwingscontour jacht, of op terreinen die onmiddellijk aan die bebouwingscontour grenzen.

  • 2.

    Het eerste lid geldt alleen als:

    • a.

      degene die de verwilderde duiven, de zwarte rat of de bruine rat bestrijdt, in het bezit is van een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit;

    • b.

      de grondgebruiker aan de uitvoerder schriftelijk toestemming heeft verleend om de bestrijding uit te voeren; en

    • c.

      de handelingen plaatsvinden conform het handboek IPM-Knaagdierbeheersing door een partij die daarvoor is gecertificeerd volgens het certificatieschema IPM-Knaagdierbeheersing en opgenomen in het bedrijvenregister.

Afdeling 3.13 Vellen van houtopstanden

Artikel 3.94 Gegevens en bescheiden bij een melding voor het vellen van houtopstanden
  • 1.

    Als gedeputeerde staten het bevoegd gezag zijn waaraan een melding voor het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt gedaan, worden uiterlijk gelijktijdig met de melding de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      naam, adres van de eigenaar van de gronden waar de velling plaatsvindt en een machtiging van de eigenaar van de gronden als de velling wordt verricht door een ander dan de eigenaar;

    • b.

      een situatietekening van de locatie waar de activiteit wordt verricht, op een topografische kaart met een schaal van 1:25.000;

    • c.

      een kaart met een kadastrale aanduiding van de locatie waar de activiteit wordt verricht;

    • d.

      de startdatum van de activiteit;

    • e.

      een toelichting waarom het vellen van de houtopstand nodig is;

    • f.

      de oppervlakte van de te kappen houtopstand in vierkante meters;

    • g.

      een specificatie van:

      i. het aantal te kappen bomen;

      ii. de soortaanduiding van de bomen; en

      iii. de leeftijd van de bomen;

    • h.

      als sprake is van rijbeplanting: de onderlinge plantafstand in de rij in meters;

    • i.

      een plan hoe aan de plicht tot herbeplanting als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt voldaan met ten minste de volgende gegevens:

      i. de oppervlakte van de herbeplante houtopstand in m2;

      ii. een specificatie van:

      a. het aantal herbeplante bomen;

      b. de soortaanduiding van de herbeplante bomen; en

      c. de kwaliteit van de herbeplante bomen; en

      iii. een toelichting over geplande uitvoering van de herbeplanting.

  • 2.

    Ten minste vier weken voor de gegevens en bescheiden, bedoeld in het eerste lid, wijzigen, worden de gewijzigde gegevens en bescheiden verstrekt aan het bevoegd gezag.

Artikel 3.95 Eisen aan herbeplantingen

Van een herbeplanting op bosbouwkundig verantwoorde wijze als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving is sprake als:

  • a.

    de oppervlakte van de herbeplanting ten minste even groot is als de gevelde oppervlakte;

  • b.

    de nieuwe houtopstand gelet op de bodemkwaliteit en de waterhuishouding ter plaatse kan uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand;

  • c.

    de nieuwe houtopstand binnen een periode van 5 tot 10 jaar een gesloten kronendak kan vormen;

  • d.

    de nieuwe beplanting zowel kwalitatief als kwantitatief ten minste gelijk aan de gevelde of tenietgegane houtopstand;

  • e.

    er geen sierheesters, tuinsoorten of invasieve exoten worden herbeplant;

  • f.

    ingeval herbeplanting binnen Natura 2000-gebieden plaatsvindt, deze geschiedt op een wijze en met soorten die geen schade toebrengen aan de natuurlijke kenmerken en de instandhoudingsdoelstellingen, bedoeld in artikel 3.58 van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

  • g.

    de herbeplante houtopstand op termijn ten minste vergelijkbare ecologische en landschappelijke waarden kan vertegenwoordigen.

Artikel 3.96 Eisen aan herbeplantingen op andere gronden

Bij maatwerkvoorschrift kunnen gedeputeerde staten herbeplanting op andere gronden als bedoeld in artikel 11.130, aanhef en onder a, van het Besluit activiteiten leefomgeving toestaan als:

  • a.

    voldaan wordt aan de eisen aan herbeplantingen, bedoeld in Artikel 3.95;

  • b.

    de grond die de rechthebbende wil beplanten gelegen is in de provincies Groningen, Drenthe of Friesland;

  • c.

    de gevelde houtopstand geen deel uitmaakte van een aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 5 hectare;

  • d.

    andere belangen, die verband houden met de bodemproductie of de bosbodem zoals die aanwezig is ter plaatse van de herbeplanting, niet worden geschaad;

  • e.

    de grond die de rechthebbende wil beplanten vrij is van compensatieverplichtingen die zijn ontstaan uit hoofde van andere wet- en regelgeving;

  • f.

    de grond die de rechthebbende wil beplanten vrij is van herbeplantingplicht als bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

  • g.

    de herbeplanting op andere grond geen afbreuk doet aan beschermde natuurwaarden of bijzondere landschappelijke waarden.

Afdeling 3.14 In werking hebben van kleine windturbines

Artikel 3.97 Stilstandvoorziening kleine windturbines
  • 1.

    Windturbines met een ashoogte van ten hoogste 15 meter waarvoor geen omgevingsvergunning voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit is verleend, moeten, ter voorkoming van vogel- en vleermuisslachtoffers, stilstaan tussen 1 uur vóór zonsondergang en 1 uur na zonsopkomst van 1 augustus tot en met 31 augustus.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting tot stilstand niet als uit een quickscan of een ecologisch onderzoek blijkt dat er naar verwachting geen of hooguit incidenteel vogel- of vleermuisslachtoffers zullen vallen als gevolg van het in bedrijf zijn van de windturbine.

Afdeling 3.15 Ontgrondingsactiviteiten

Artikel 3.98 Vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten

In aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet voor:

  • a.

    het aanleggen of veranderen van klimaatbuffers of WADI’s door of in opdracht van een gemeente of waterschap als:

    i. het ontgravingsvolume hoogstens 3.000 m3 per buffer of WADI is;

    ii. de buffer of WADI bedoeld is voor het opvangen, vasthouden of bezinken van water ter voorkoming van wateroverlast of watertekorten, en

    iii. de buffer of WADI in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, een geldend projectbesluit of geldende omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • b.

    het saneren van de bodem als sprake is van het verwijderen van de verontreiniging als saneringsaanpak, bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.99 Uitzondering vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten

In afwijking van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving en Artikel 3.98 geldt het verbod om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten wel:

  • a.

    als er meer ontgrond wordt dan noodzakelijk is voor de uitvoering van de in deze artikelen bedoelde activiteiten;

  • b.

    voor het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens het waterschap en er 5000m3 of meer wordt ontgraven;

  • c.

    voor het onderhouden van een waterstaatswerk door of namens het waterschap als er 5000m3 of meer wordt ontgraven; of

  • d.

    voor activiteiten in beschermde dijken.

Artikel 3.100 Meldingplicht ontgrondingsactiviteit

Het is verboden een ontgrondingsactiviteit waarvoor op grond van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geen vergunningplicht geldt, te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin daarvan te melden aan gedeputeerde staten voor zover het gaat om het ontgronden voor:

  • a.

    een waterput, reservoir, bassin, vijver, poel of een daarmee vergelijkbare voorziening als meer dan 500 m3 wordt ontgraven;

  • b.

    het aanleggen of uitbreiden van een natuurvriendelijke oever als meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven;

  • c.

    een natuurbouwproject als meer dan 1.000 m3 wordt ontgraven;

  • d.

    het treffen van een maatregel uit een omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, voor zover het gaat om het aanleggen, veranderen of verwijderen van een waterstaatswerk door of namens het waterschap en er meer dan 2000m3, maar minder dan 5.000m3 wordt ontgraven;

  • e.

    het onderhouden van een waterstaatswerk door of namens het waterschap als er meer dan 2000m3, maar minder dan 5.000m3 wordt ontgraven; of

  • f.

    het aanleggen, onderhouden of veranderen van een watergang door een ander dan of namens de waterbeheerder als er meer dan 2.000 m3 wordt ontgraven.

Artikel 3.101 Gegevens en bescheiden bij een melding voor ontgrondingsactiviteit

Een melding voor een ontgrondingsactiviteit bevat in ieder geval:

  • a.

    de dagtekening;

  • b.

    de startdatum en de verwachte duur van de ontgrondingsactiviteit;

  • c.

    de naam en het adres van degene die de ontgrondingsactiviteit verricht;

  • d.

    de naam en het adres van de eigenaar van de te ontgronden locatie;

  • e.

    een beschrijving van de ontgrondingsactiviteit;

  • f.

    het adres en de kadastrale gegevens van de locatie waar de ontgrondingsactiviteit wordt verricht, evenals een weergave van de locatie op een kaart,

  • g.

    de hoeveelheid vrijkomend materiaal;

  • h.

    de milieuhygiënische kwaliteit van het vrijkomend materiaal; en

  • i.

    de bestemming van het vrijkomend materiaal.

Afdeling 3.16 Activiteiten met betrekking tot provinciale wegen en vaarwegen

Paragraaf 3.16.1 Algemeen
Artikel 3.102 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling gaat over beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot provinciale wegen en provinciale vaarwegen.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op activiteiten uitgevoerd door of in opdracht van de provincie.

Artikel 3.103 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beheer van de provinciale wegen en vaarwegen en het behoeden van de staat en werking van provinciale wegen en vaarwegen voor nadelige gevolgen van activiteiten.

Artikel 3.104 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen en provinciale vaarwegen

Een aanvraag om een omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen of provinciale vaarwegen bevat in ieder geval:

  • a.

    één of meer tekeningen, op schaal getekend, waarop de positionering van de activiteit ten opzichte van de omgeving duidelijk zichtbaar is. De tekeningen moeten voldoen aan de volgende eisen:

    1. de tekeningen worden aangeleverd in PDF-formaat;

    2. de tekeningen zijn voorzien van een tekeninghoofd met een unieke referentie, inclusief versiebeheer, met datum en bladnummer plus totaal aantal bladen;

    3. de tekeningen zijn voorzien van een noordpijl;

    4. de tekeningen zijn voorzien van een legenda;

    5. de tekeningen zijn getekend op een schaal van 1:500, of groter (schaalgetal wordt kleiner) wanneer de situatie dit vereist;

    6. de lijndikte waarmee de activiteit wordt weergegeven is in verhouding met de ondergrond;

    7. de tekeningen hebben de BGT (Basisregistratie Grootschalige Topografie) als ondergrond;

    8. de tekeningen bevatten voldoende herkenningspunten, zoals vaarwegnamen, wegnummers, straatnamen, huisnummers, plaatsnamen en kilometreringen;

    9. kilometreringen worden vermeld overeenkomstig het Nationaal Wegenbestand (NWB) en het NWB-Vaarwegen;

    10. de locaties van in- en uittredepunten van boringen en persingen, en de hoekpunten van te plaatsen objecten (bijvoorbeeld trafostations, gasstations, verdeelkasten, kunstobjecten, monumenten), worden aangegeven in Rijksdriehoekcoördinaten (RD-coördinaten);

    11. een boortracé parallel aan een civiel kunstwerk is ter hoogte van de buitenste zijden van het kunstwerk voorzien van RD-coördinaten;

    12. bij een activiteit met kabels, mantelbuizen en leidingen worden aantallen, materiaalsoorten, lengtes en (bundel)diameters vermeld; en

    13. objecten in de openbare ruimte die van invloed kunnen zijn op de activiteit (zoals bomen, hagen, openbare verlichting, bruggen, duikers, etc.) worden op de tekeningen aangegeven.

  • b.

    wanneer gebruik wordt gemaakt van een horizontaal gestuurde boring onder een provinciale vaarweg of onder verharding van een provinciale weg: een boorplan, sterkteberekening en boortekening (boorprofiel) volgens de meest recente normen NEN 3650‑serie en NEN 3651. Hiervoor gelden de volgende eisen:

    1. het boorplan, de sterkteberekening en de boortekening zijn voorzien van een unieke referentie en versiebeheer met datum; en

    2. documenten die bij elkaar horen verwijzen duidelijk naar elkaar.

  • c.

    wanneer gebruik wordt gemaakt van een persing: een persplan met persdrukprognose volgens de meest recente normen NEN 3650‑serie en NEN 3651. Voor persingen uitgevoerd met de pneumatische boortechniek, met een maximale buisdiameter van 150 mm en een maximale lengte van 15 meter, is een persplan niet vereist.

  • d.

    wanneer het een constructief object betreft, zoals een laad- of loskade, damwand, keerwand, oeverconstructie, fundering of ander werk met een constructieve functie: een constructieberekening of stabiliteitsberekening. Hiervoor gelden de volgende eisen:

    1. de berekeningen worden opgesteld volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving, waaronder de NEN‑EN‑Eurocodes, inclusief de bijbehorende Nationale Bijlagen, aangevuld met overige relevante NEN‑normen en richtlijnen die van toepassing zijn op het betreffende type constructie;

    2. de berekeningen zijn voorzien van een unieke referentie, inclusief versiebeheer en datum;

    3. de berekeningen gaan vergezeld van een toelichting waarin uitgangspunten, veiligheidsklasse, ontwerplevensduur, belastingen, materiaalgegevens en rekenmodellen zijn beschreven; en

    4. indien van toepassing worden ook tekeningen van de constructieve onderdelen aangeleverd.

Paragraaf 3.16.2 Activiteiten met betrekking tot provinciale wegen
Artikel 3.105 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale weg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de weg verontreinigt, verandert of beschadigt of andere nadelige gevolgen kan hebben voor staat en werking van de weg en daarin gelegen werken, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      passende maatregelen worden genomen waardoor nadelige gevolgen voor staat en werking van de weg en daarin gelegen werken worden voorkomen;

    • b.

      de activiteit geen hinder of gevaar veroorzaakt voor het verkeer; en

    • c.

      voorwerpen, werken en beplanting zodanig worden geplaatst, afgeschermd en onderhouden dat deze geen hinder voor het verkeer of schade aan het wegdek kunnen veroorzaken.

Artikel 3.106 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen - aanleggen, wijzigen en verwijderen van wegen en kunstwerken

Als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen worden binnen een beperkingengebied provinciale wegen de volgende activiteiten aangewezen:

  • a.

    het aanleggen, wijzigen en verwijderen van wegen, aansluitend op provinciale wegen;

  • b.

    het aanleggen, wijzigen en verwijderen van bruggen, viaducten, onderdoorgangen, tunnels of andere civiele kunstwerken;

  • c.

    het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een verbinding tussen provinciale wegen en andere niet bij de provincie in beheer zijnde wegen;

  • d.

    het aanleggen, wijzigen, verwijderen of van functie veranderen van uitwegen op provinciale wegen; en

  • e.

    het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van (tijdelijke) aanpassingen aan wegen of de inrichting van wegen.

Artikel 3.107 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen - aanleggen, wijzigen, verwijderen of van functie veranderen van riolen, duikers, leidingen, buizen, mantelbuizen of kabels

Als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen wordt binnen een beperkingengebied provinciale wegen de volgende activiteit aangewezen: het aanleggen, wijzigen, verwijderen of van functie veranderen van riolen, duikers, leidingen, buizen, mantelbuizen of kabels op, in, naast, over of onder provinciale wegen.

Artikel 3.108 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen - innemen van standplaatsen of rustplaatsen

Als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen worden binnen een beperkingengebied provinciale wegen de volgende activiteiten aangewezen:

  • a.

    het innemen van standplaatsen voor het leveren van goederen en diensten; en

  • b.

    het innemen van rustplaatsen op locaties die daarvoor niet zijn bestemd of ingericht.

Artikel 3.109 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen - overige activiteiten

Als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen worden binnen een beperkingengebied provinciale wegen de volgende activiteiten aangewezen:

  • a.

    het plaatsen van voertuigen of constructies voorzien van een aanduiding van handelsreclame;

  • b.

    het op enige wijze veranderen van de afvoercapaciteit van bermsloten;

  • c.

    het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van beplanting, inclusief wortelgestel, naast, onder of boven wegen;

  • d.

    het graven of spitten in wegen;

  • e.

    het aanbrengen, opslaan, in stand houden, veranderen of verwijderen van objecten, vaste of niet-vaste stoffen of voorwerpen, op, over, onder, in of langs wegen een werk, voor zover deze niet in voorgaande onderdelen zijn genoemd; en

  • f.

    het gebruiken van provinciale wegen voor een doel anders dan verkeer, voor zover dit niet als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen is aangewezen.

Artikel 3.110 Vergunningplicht beperkingengebiedactiveiten provinciale wegen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen te verrichten.

Artikel 3.111 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen

Een omgevingsvergunning met betrekking tot een beperkingengebiedactiviteit provinciale wordt alleen verleend als door de activiteit de weg niet verontreinigt, verandert of beschadigt of andere nadelige gevolgen kan hebben voor staat en werking van de weg en daarin gelegen werken.

Artikel 3.112 Meldingsplicht beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen

In afwijking van Artikel 3.110 is het verboden een beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen te verrichten zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden aan gedeputeerde staten, voor zover het betreft:

  • a.

    het graven van proefsleuven;

  • b.

    het uitvoeren van sonderingen en grondboringen ten behoeve van grondonderzoek;

  • c.

    het maken van lasgaten en huisaansluitingen voor water-, energie- of telecommunicatievoorzieningen,

    als dit gebeurt zonder dat de wegverharding wordt opgebroken of dat een sleufloze techniek vereist is.

Paragraaf 3.16.3 Activiteiten met betrekking tot provinciale vaarwegen
Artikel 3.113 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een provinciale vaarweg verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit de vaarweg verontreinigt, verandert, beschadigt of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de staat en werking van de vaarweg, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      als die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten als dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      het veilig en doelmatig gebruik en de instandhouding van een provinciale vaarweg wordt verzekerd;

    • b.

      het gebruik van een provinciale vaarweg in overeenstemming is met de functie van openbare vaarweg;

    • c.

      het gebruik van een meer in overeenstemming is met de functie van openbaar water;

    • d.

      het vrije zicht van de vaarweggebruiker behouden blijft en dat het bestaande zicht niet verslechtert voor zover dat door omstandigheden al beperkt is;

    • e.

      werkzaamheden of het plaatsen van vaste stoffen of voorwerpen op een zodanige wijze worden uitgevoerd dat hieruit geen schade aan de vaarweg, het meer of voor de vaarweggebruikers kan ontstaan;

    • f.

      hinder voor vaarweggebruikers, veroorzaakt door het deponeren van al dan niet vaste stoffen of voorwerpen in, op, of boven of naast de vaarweg, wordt voorkomen;

    • g.

      verontreiniging met hinderlijke stoffen of beplantingsresten van een vaarweg of meer wordt voorkomen; en

    • h.

      aantasting van de provinciale oeverbescherming en provinciale vaarwegen door wortels van beplanting op de oever wordt voorkomen.

Artikel 3.114 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten vaarwegen beroepsvaart - aanleggen, wijzigen en verwijderen van wegen en kunstwerken

Aanleggen, wijzigen en verwijderen van wegen en kunstwerken in een beperkingengebied vaarwegen beroepsvaartAls beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart worden binnen een beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart de volgende activiteiten aangewezen:

  • a.

    het aanleggen van nieuwe vaarwegen, aansluitend op provinciale vaarwegen;

  • b.

    het maken van verbindingen tussen een provinciale vaarwegen en een andere niet bij de provincie in beheer zijnde vaarwegen of open water;

  • c.

    het realiseren, verwijderen, wijzigen van in- of uitlaatwerken, damwanden, bruggen, sluizen, aquaducten, of andere soortgelijke civiele kunstwerken naast, in, over of onder provinciale vaarwegen;

  • d.

    het veranderen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van provinciale vaarwegen;

Artikel 3.115 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten vaarwegen beroepsvaart - aanleggen, wijzigen, verwijderen of van functie veranderen van riolen, duikers, leidingen, buizen, mantelbuizen of kabels

Als beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart wordt binnen een beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart de volgende activiteit aangewezen: het aanleggen, verwijderen, aanpassen, aanwezig hebben, buiten gebruik stellen of van functie veranderen van kabels, leidingen, buizen en grondduikers op, naast, in, over of onder een provinciale vaarwegen.

Artikel 3.116 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten vaarwegen beroepsvaart - overige activiteiten

Als beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart worden binnen een beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart de volgende activiteiten aangewezen:

  • a.

    het aanleggen, verwijderen, aanpassen, aanwezig hebben of van functie veranderen van aanmeervoorzieningen, steigers, los- of laadkades of soortgelijke civiele kunstwerken naast of in provinciale vaarwegen;

  • b.

    het overslaan van goederen, waaronder vaste, vloeibare en gasvormige producten, op locaties die daarvoor niet bestemd, ingericht of constructief geschikt zijn;

  • c.

    het belemmeren van een doelmatig en veilig gebruik van provinciale vaarwegen;

  • d.

    het verwijderen, maken, aanwezig hebben of aanpassen van werken naast, op, boven of onder provinciale vaarwegen, voor zover dit niet als beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart zijn aangewezen; en

  • e.

    het gebruik van provinciale vaarwegen voor andere doelen dan scheepvaartverkeer, voor zover dit niet als beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart zijn aangewezen.

Artikel 3.117 Vergunningplicht beperkingengebiedactiviteiten vaarwegen beroepsvaart

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart te verrichten.

Artikel 3.118 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart

Een omgevingsvergunning met betrekking tot een beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart wordt alleen verleend als de activiteit de vaarweg niet verontreinigt of beschadigt of andere nadelige gevolgen kan hebben voor de instandhouding, doelmatig en veilig gebruik en bescherming van de provinciale vaarwegen.

Artikel 3.119 Verboden activiteiten in beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart

Het is verboden binnen een beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart:

  • a.

    het vrije zicht van de vaarweggebruiker in een bocht van een provinciale vaarweg, bij een aansluiting of bij een kruising te belemmeren door het oprichten van een werk of het opslaan van stoffen of voorwerpen;

  • b.

    een windturbine op te richten;

  • c.

    dat rotorbladen van een windturbine zich bevinden binnen een beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart; en

  • d.

    beplanting, met uitzondering van monumentale bomen, aanwezig te hebben die het vrije uitzicht van de vaarweggebruiker belemmert of anderszins hinder of gevaar oplevert voor de vaarweggebruiker.

Hoofdstuk 4 Instructieregels gemeenten

Afdeling 4.1 Instructieregels gemeenten

Paragraaf 4.1.1 Algemeen
Artikel 4.1 Toepassingsbereik
  • 1.

    De regels van dit hoofdstuk zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    De regels van dit hoofdstuk zijn niet van toepassing op een omgevingsplan dat functies aan locaties toewijst waarbij wordt afgeweken van deze verordening ten behoeve van het vastleggen van bestaande bebouwing en bestaand gebruik .

Artikel 4.2 Aanpassingstermijn omgevingsplan
  • 1.

    Het omgevingsplan wordt in ieder geval binnen 18 maanden na inwerkingtreding van deze verordening in overeenstemming gebracht met de instructieregels van deze verordening.

  • 2.

    Binnen 18 maanden na inwerkingtreding van een wijziging van de instructieregels van deze verordening wordt het omgevingsplan in overeenstemming gebracht met de gewijzigde instructieregels, tenzij bij deze regels een andere termijn wordt gesteld waarbinnen uitvoering moet zijn gegeven aan deze regels.

  • 3.

    Een wijziging van het omgevingsplan dient in overeenstemming te zijn met de instructieregels van deze verordening

Paragraaf 4.1.2 Omgevingskwaliteit
Artikel 4.3 Beeldbepalende en karakteristieke gebouwen
  • 1.

    Een omgevingsplan stelt regels ter bescherming van de hoofdvorm van de karakteristieke en beeldbepalende gebouwen.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op karakteristieke gebouwen stelt met het oog op de bescherming van de karakteristieke hoofdvorm van deze gebouwen in ieder geval regels die het slopen van een karakteristiek gebouw zonder omgevingsvergunning verbieden.

  • 3.

    De regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten in ieder geval de beoordelingsregel dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als is onderzocht of zinvol hergebruik van het gebouw overeenkomstig de toegekende functie of een andere passende functie objectief gezien mogelijk is al dan niet na het treffen van bouwkundige of bouwtechnische maatregelen aan het gebouw, waarbij de gebruiksfunctie wordt verbeterd of de gebreken in de constructieve veiligheid worden opgeheven.

  • 4.

    Het tweede en derde lid geldt niet voor slopen:

    • a.

      ten behoeve van gewoon onderhoud en herstel;

    • b.

      van inpandige delen van een gebouw;

    • c.

      ten behoeve van het uitvoeren van destructief onderzoek;

    • d.

      die noodzakelijk is ter voorkoming van instortingsgevaar en daarbij sprake is van een acute bedreiging van de veiligheid van personen of beschadiging van omliggende bebouwing en andere maatregelen het instortingsgevaar niet kunnen voorkomen; of

    • e.

      van gebouwen die op grond van de Erfgoedwet als rijksmonument of als gemeentelijk monument in het omgevingsplan zijn aangewezen en op basis daarvan worden beschermd.

Artikel 4.4 Inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied en voorziet in wijziging van de functies of van de regels voor het gebruik van de grond biedt afhankelijk van en evenredig aan de aard, omvang en gevolgen voor de fysieke leefomgeving inzicht in de ruimtelijke kwaliteit van het gebied aan de hand van de volgende aspecten:

  • a.

    de ontwikkelingsgeschiedenis en historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;

  • b.

    de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten en waarden;

  • c.

    de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en in de wijdere omgeving;

  • d.

    de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren; en

  • e.

    de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden.

Artikel 4.5 (Erf-)inrichtingsplan
  • 1.

    De omvang, situering, inrichting en de landschappelijke inpassing van bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, in de omgeving worden vastgelegd in een (erf-)inrichtingsplan, als dat in dit hoofdstuk is voorgeschreven.

  • 2.

    Een (erf-)inrichtingsplan komt tot stand met toepassing van de maatwerkmethode.

  • 3.

    Een omgevingsplan stelt regels die bewerkstelligen dat:

    • a.

      de bebouwing en voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, slechts overeenkomstig het (erf-)inrichtingsplan worden gebouwd of aangelegd; en

    • b.

      de aanleg en instandhouding van de in het (erf-)inrichtingsplan opgenomen (erf)beplanting publiekrechtelijk wordt geborgd.

  • 4.

    In het omgevingsplan kan aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid worden toegekend om het (erf-)inrichtingsplan te wijzigen voor zover het gaat om de (erf-)beplanting, als dit nodig is vanwege bijzondere omstandigheden en de aanplant- en instandhoudingsverplichtingen niet worden gewijzigd.

Artikel 4.6 Maatwerkmethode
  • 1.

    Indien in dit hoofdstuk toepassing van de maatwerkmethode wordt voorgeschreven, wordt deze toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur, tenzij wordt voorgeschreven dat de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

  • 2.

    Bij het toepassen van de maatwerkmethode wordt rekening gehouden met ruimtelijke kwaliteit aan de hand van de volgende aspecten op gebieds- en perceelsniveau:

    • a.

      de ontwikkelingsgeschiedenis en historisch gegroeide landschaps- of bebouwingsstructuur;

    • b.

      de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kwaliteiten;

    • c.

      de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en in de wijdere omgeving;

    • d.

      de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren;

    • e.

      de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden;

    • f.

      de ruimtelijk relevante kenmerken van bestaande gebouwen;

    • g.

      een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering van de gebouwen;

    • h.

      het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en

    • i.

      het belang van beperking van nachtelijke lichtuitstraling.

Paragraaf 4.1.3 Verstedelijking van het buitengebied
Artikel 4.7 Stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan niet voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling .

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maken op locaties die aansluiten op stedelijk gebied als de motivering bij het omgevingsplan een onderbouwing bevat waarom hiervoor geen locatie beschikbaar is in het stedelijk gebied of na intensivering, revitalisering en herstructurering kan worden verkregen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      het clustergewijs plaatsen van antennes of sensoren tot een hoogte van maximaal 3 meter voor wetenschappelijk onderzoek;

    • b.

      het winnen en opslaan van water, grondwater of delfstoffen;

    • c.

      voorzieningen voor sport al dan niet in combinatie met bijbehorende voorzieningen op het gebied van cultuur, educatie, kinderopvang, verenigingsleven voor zover gesitueerd op, of aangrenzend aan een reeds bestaand sportcomplex;

    • d.

      voorzieningen voor openbaar nut;

    • e.

      gebouwen en bouwwerken voor terreinonderhoud en ondergeschikte ondersteunende functies op of aangrenzend aan een openbaar toegankelijk park of begraafplaats;

    • f.

      het gebruik van gronden voor de opvang van asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen;

    • g.

      kamperen in de vorm van recreatief medegebruik op gronden met een andere hoofdfunctie voor maximaal 25 kampeermiddelen; of

    • h.

      paardenbakken voor hobbymatig gebruik.

Artikel 4.8 Proefprojecten bijzondere woonvormen in het buitengebied
Artikel 4.9 Gebruik vrijgekomen gebouwen in het buitengebied

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan voor het hergebruik van vrijgekomen gebouwen een stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, als:

  • a.

    de functie wonen slechts wordt toegekend aan het hoofdgebouw of aan bij het hoofdgebouw behorend Gebouwd erfgoed;

  • b.

    geen afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van het betrokken erf;

  • c.

    bedrijfsactiviteiten worden beperkt tot wat naar aard en omvang ruimtelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is;

  • d.

    regels worden opgenomen voor de opslag van materialen en goederen op het erf; en

  • e.

    regels worden opgenomen over de uitoefening van detailhandel.

Artikel 4.10 Bouwactiviteiten vrijgekomen gebouwen in het buitengebied
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan voor het hergebruik van vrijgekomen gebouwen een stedelijke ontwikkeling mogelijk maken, voor zover het gaat over:

    • a.

      het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van vrijgekomen gebouwen met niet meer dan 20%;

    • b.

      het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van vrijgekomen gebouwen met meer dan 20%;

    • c.

      het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van nieuwe gebouwen anders dan vervangende nieuwbouw met niet meer dan 20%; of

    • d.

      het vergroten van de gezamenlijke oppervlakte van nieuwe gebouwen anders dan vervangende nieuwbouw met meer dan 20%.

  • 2.

    Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid alleen kan worden verleend als de ruimtelijk relevante kenmerken van de gebouwen passen in het aanwezige bebouwingsbeeld.

  • 3.

    Buitengebied

    Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in:

    • a.

      het eerste lid, aanhef en onder b, alleen kan worden verleend met toepassing van de maatwerkmethode; en

    • b.

      het eerste lid, aanhef en onder d, alleen kan worden verleend met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 4.11 Ruimte-voor-ruimte-regeling vervanging van een niet voor hergebruik geschikt te maken woning in het buitengebied
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maken voor zover het gaat over het bouwen van een woning met bijbehorende bouwwerken op een perceel waar al een woning aanwezig is.

  • 2.

    Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid alleen kan worden verleend als:

    • a.

      een woning de aanwezige woning vervangt omdat de bouwkundige staat, oppervlakte of inwendige vorm niet geschikt kan worden gemaakt voor een wijze van gebruik die voldoet aan de geldende bouwkundige voorschriften of aan hedendaagse eisen op het gebied van wooncomfort;

    • b.

      de aanwezige woning wordt gesloopt en de bijbehorende bouwwerken voor zover deze in visueel landschappelijk opzicht niet bij de nieuw te bouwen woning passen;

    • c.

      de ruimtelijke relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing, zoals onder meer bepaald wordt door de schaal en maat, en de erfinrichting passen in het voor het betrokken gebied kenmerkende landschaps- en bebouwingsbeeld; en

    • d.

      over de ruimtelijke inpassing van de bebouwing advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 4.12 Ruimte-voor-ruimte-regeling bouw woning ter compensatie van afbraak van voor hergebruik niet geschikt te maken bebouwing in het buitengebied
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maken voor zover het gaat over het bouwen van ten hoogste 20 woningen met bijbehorende bouwwerken ter compensatie van de afbraak van niet voor hergebruik geschikte of geschikt te maken bebouwing, niet zijnde Gebouwd erfgoed, als de motivering bij het omgevingsplan een onderbouwing bevat waaruit blijkt:

    • a.

      dat de ontwikkeling leidt tot een aantoonbare en duurzame verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;

    • b.

      dat de bouw van één of meerdere woningen uitsluitend wordt ingezet om deze kwaliteitsverbetering mogelijk te maken, waarbij hergebruik of functieverandering van bestaande bebouwing redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 2.

    Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond van waarvan een omgevingsvergunning voor een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid alleen kan worden verleend als:

    • a.

      een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, tenzij gemotiveerd wordt dat het bouwen van een woning op deze locatie uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet aanvaardbaar is in welk geval op een andere locatie een woning mag worden gebouwd;

    • b.

      Niet voor hergebruik geschikte of geschikt te maken bebouwing wordt gesloopt, waarbij de omvang van de nieuwe woonbebouwing wordt bepaald in verhouding tot de omvang van de gesloopte bebouwing, en waarbij geldt dat:

      i) bij sloop van ten minste 750 m² bebouwing maximaal 450 m² aan nieuwe woonbebouwing kan worden gerealiseerd;

      ii) bij sloop van ten minste 2.000 m² bebouwing maximaal 750 m² aan nieuwe woonbebouwing kan worden gerealiseerd;

      iii) bij sloop van ten minste 3.750 m² bebouwing maximaal 1.050 m² aan nieuwe woonbebouwing kan worden gerealiseerd;

    • c.

      de ruimtelijke relevante kenmerken van de nieuwe bebouwing, zoals onder meer bepaald wordt door de schaal en maat, en de erfinrichting passen in het voor het betrokken gebied kenmerkende landschaps- en bebouwingsbeeld.





  • 3.

    Het omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het eerste lid alleen kan worden verleend als:

    • a.

      een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast;

    • b.

      een nieuw te bouwen woning wordt gebouwd op een andere locatie dan op het perceel waar de bebouwing wordt gesloopt, de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en

    • c.

      de nieuw te bouwen woning, bedoeld onder b, niet wordt gebouwd binnen:

      i. Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden;

      ii. Natuurnetwerk Nederland – natuur beheergebieden;

      iii. Zoekgebied robuuste verbindingszones;

      iv. Bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 4.13 Reclamemasten in het buitengebied

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan een reclamemast mogelijk maken met een hoogte van zes meter of minder.

Artikel 4.14 Uitbreiding niet-agrarische bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en aantal woonwagenstandplaatsen in het buitengebied tot 20%
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maken voor zover het gaat over:

    • a.

      uitbreiding van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen tot een percentage dat niet meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige bebouwing;

    • b.

      uitbreiding van het bouwperceelvan niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen tot een percentage dat niet meer mag bedragen dan 20% van de oppervlakte van het bouwperceel; of

    • c.

      uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen bij een bestaand woonwagenpark in het buitengebied en bijbehorende voorzieningen met niet meer dan 20% van het bestaande aantal woonwagenstandplaatsen.

  • 2.

    In de motivering bij het omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid, onder b en c wordt inzicht geboden op welke wijze rekening is gehouden met ruimtelijke kwaliteit aan de hand van de volgende aspecten:

    • a.

      de ontwikkelingsgeschiedenis en historisch gegroeide landschaps- of bebouwingsstructuur;

    • b.

      de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kwaliteiten;

    • c.

      de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en wijdere omgeving;

    • d.

      de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren;

    • e.

      de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden.

    • f.

      de ruimtelijk relevante kenmerken van bestaande gebouwen;

    • g.

      een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering van de gebouwen;

    • h.

      het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en

    • i.

      het belang van beperking van nachtelijke lichtuitstraling.

Artikel 4.15 Uitbreiding niet-agrarische bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en aantal woonwagenstandplaatsen in het buitengebied met meer dan 20%
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maken voor zover het gaat over:

    • a.

      uitbreiding van bebouwing van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen tot een percentage dat meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van de op het bouwperceel aanwezige bebouwing;

    • b.

      uitbreiding van het bouwperceel van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen tot een percentage dat meer mag bedragen dan 20% van de totale oppervlakte van het bouwperceel voor zover:

      i. redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar het bedrijf of de maatschappelijke voorziening is gevestigd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien; en

      ii. aan het plan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt; of

    • c.

      uitbreiding van het aantal woonwagenstandplaatsen bij een bestaand woonwagenpark in het buitengebied en bijbehorende voorzieningen met meer dan 20% van het bestaande aantal woonwagenstandplaatsen voor zover:

      i. redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar de bestaande woonwagenstandplaatsen zijn gesitueerd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien; en

      ii. aan het plan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt.

  • 2.

    In de motivering bij het omgevingsplan wordt inzicht geboden op welke wijze rekening is gehouden met ruimtelijke kwaliteit aan de hand van de volgende aspecten:

    • a.

      de ontwikkelingsgeschiedenis en historisch gegroeide landschaps- of bebouwingsstructuur;

    • b.

      de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kwaliteiten;

    • c.

      de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en wijdere omgeving;

    • d.

      de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren;

    • e.

      de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden.

    • f.

      de ruimtelijk relevante kenmerken van bestaande gebouwen;

    • g.

      een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering van de gebouwen;

    • h.

      het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en

    • i.

      het belang van beperking van nachtelijke lichtuitstraling.

  • 3.

    Buitengebied

    Een erfinrichtingsplan als bedoeld in het eerste lid, onder b, sub ii en onder c, sub ii, is met toepassing van de maatwerkmethode opgesteld, met dien verstande dat als de omvang van het bouwperceel groter wordt dan 0,5 hectare, deze plaatsvindt onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 4.16 Hervestiging agrarische hulpbedrijven
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan op goed ontsloten locaties voorzien in een bouwperceel tot een omvang van maximaal 4 hectare voor de nieuwvestiging van een agrarisch hulpbedrijf dat verplaatst wordt:

    • a.

      omdat de bestaande bedrijfsvoering aantoonbaar niet kan voldoen aan actuele wettelijke milieuhygiënische normen of omdat de bedrijfsvoering op de oorspronkelijke vestigingslocatie aantoonbaar ernstige overlast veroorzaakt, die niet op een andere manier kan worden tegengegaan; of

    • b.

      omdat een actuele stedelijke ontwikkeling , of aanleg van infrastructuur binnen de provincie Groningen, dan wel de externe veiligheidseisen in het Besluit kwaliteit leefomgeving voor buisleidingen aan continuering van de bedrijfsvoering in de weg staat.

  • 2.

    Buitengebied

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen geschikte locatie beschikbaar is op of aansluitend aan een bestaande agro-locatie, een bedrijventerrein, een glastuinbouwlocatie, een terrein voor openbare nutsvoorzieningen of op een voormalig agrarisch bouwperceelin de regio.

  • 3.

    Buitengebied

    Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwvestiging als bedoeld in het eerste lid als:

    • a.

      de ruimtelijke kwaliteit van het gebied wordt versterkt of, als dat niet mogelijk is, wordt gecompenseerd; en

    • b.

      aan de omvang, situering en vormgeving van het bouwperceel een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassibuitengebiedng op vergistingsinstallaties als bedoeld in Artikel 4.118

Artikel 4.17 Nieuwbouw van woningen binnen bebouwingslinten en bebouwingsclusters in het buitengebied
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maken voor zover het gaat over de bouw van maximaal 3 woningen met bijbehorende bouwwerken:

  • 2.

    In de motivering bij het omgevingsplan wordt inzicht geboden op welke wijze rekening is gehouden met ruimtelijke kwaliteit aan de hand van de volgende aspecten:

    • a.

      de ontwikkelingsgeschiedenis en historisch gegroeide landschaps- of bebouwingsstructuur;

    • b.

      de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kwaliteiten;

    • c.

      de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en wijdere omgeving;

    • d.

      de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren;

    • e.

      de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden.

    • f.

      de ruimtelijk relevante kenmerken van bestaande gebouwen;

    • g.

      een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering van de gebouwen;

    • h.

      het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en

    • i.

      het belang van beperking van nachtelijke lichtuitstraling.

Paragraaf 4.1.4 Wonen
Artikel 4.18 Aanwijzing woningbouwregio

Als woningbouwregio als bedoeld in artikel 7.8b van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden alle binnen de provinciegrens gelegen gemeenten in de provincie Groningen als één regio aangewezen.

Artikel 4.19 Woningbouw

Onverminderd het bepaalde in Paragraaf 4.1.3 laat een omgevingsplan de toevoeging van een nieuwe woning alleen toe als de motivering bij het omgevingsplan een onderbouwing bevat waaruit blijkt dat de toevoeging van een nieuwe woning past binnen:

  • a.

    de regionale woningbouwafspraken en een onder de wet tot stand gekomen Omgevingsvisie en programma die binnen de woningbouwregio en met de provincie afgestemd is; of

  • b.

    een onder de Woningwet tot stand gekomen woonvisie die met de woningbouwregio en de provincie afgestemd is.

Paragraaf 4.1.5 Bedrijventerreinen
Artikel 4.20 Bedrijventerrein
  • 1.

    Onverminderd artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving laat een omgevingsplan de aanleg van een nieuw bedrijventerrein of een uitbreiding van een bedrijventerrein alleen toe binnen het gebied met potentiële bedrijventerreinen.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan een nieuw bedrijventerrein of een uitbreiding van een bedrijventerrein toelaten als de motivering bij het omgevingsplan een onderbouwing bevat waaruit blijkt dat de nieuwe bedrijfsvestigingsmogelijkheden passen binnen het in regionaal verband afgestemde gemeentelijke beleid voor bedrijventerreinen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid is niet van toepassing als het gaat om een uitbreiding van een bedrijventerrein voor een op dat bedrijventerrein gevestigd bestaand bedrijf, waarvoor op het bedrijventerrein geen direct aan het bedrijf aansluitende locatie beschikbaar is en deze niet door herstructurering, revitalisering of intensivering kan worden verkregen.

Artikel 4.21 Watergebonden bedrijfskavels
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen watergebonden bedrijfskavels laat alleen bedrijvigheid toe die gebruik maakt van vervoer over water ter plaatse of anderszins afhankelijk is van de toegang tot oppervlaktewater.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan bedrijvigheid toelaten die geen gebruik maakt van vervoer over water ter plaatse voor zover het gaat over bedrijven die daar al op het tijdstip van vaststelling van het omgevingsplan rechtmatig gevestigd zijn.

  • 3.

    Het omgevingsplan stelt regels die erin voorzien dat bij beëindiging van de in het tweede lid genoemde activiteiten op de locatie alleen watergebonden bedrijvigheid is toegelaten.

Paragraaf 4.1.6 Retailbedrijven
Artikel 4.22 Factory outlet center

Een omgevingsplan kan de nieuwvestiging van een factory outlet center mogelijk maken voor zover deze gelegen is in het stedelijk gebied van de stad Groningen of daarop aansluit.

Artikel 4.23 Horecavoorzieningen
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan de nieuwvestigingvan een horecavoorziening Gebouwd erfgoed mogelijk maken, als:

    • a.

      de motivering bij het omgevingsplan een onderbouwing bevat waarom de horecavoorziening een aantoonbare bijdrage levert aan de vrijetijdseconomie van en het recreatieve aanbod in de gemeente;

    • b.

      in geval van nieuwbouw redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande of vrijkomende bebouwing, waaronder Gebouwd erfgoed; en

    • c.

      de horecavoorziening is gesitueerd in de nabijheid van bestaande recreatieve knooppunten, verblijfsrecreatieve voorzieningen of routestructuren, zoals wandel-, fiets- en vaarroutes.

  • 2.

    Van het bepaalde in het eerste lid onder c kan in het omgevingsplan worden afgeweken als in de motivering bij het omgevingsplan wordt onderbouwd waarom uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de horecavoorziening op een andere locatie dient te worden gesitueerd.

  • 3.

    In de motivering bij het omgevingsplan wordt inzicht geboden op welke wijze rekening is gehouden met ruimtelijke kwaliteit aan de hand van de volgende aspecten:

    • a.

      de ontwikkelingsgeschiedenis en historisch gegroeide landschaps- of bebouwingsstructuur;

    • b.

      de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kwaliteiten;

    • c.

      de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en wijdere omgeving;

    • d.

      de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren;

    • e.

      de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden.

    • f.

      de ruimtelijk relevante kenmerken van bestaande gebouwen;

    • g.

      een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering van de gebouwen;

    • h.

      het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en

    • i.

      het belang van beperking van nachtelijke lichtuitstraling.

Paragraaf 4.1.7 Recreatie
Artikel 4.24 Permanente bewoning van recreatieverblijven
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied voorziet niet in de mogelijkheid van permanente bewoning van recreatiewoningen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als de woning oorspronkelijk als woning is gebouwd of sprake is van persoonsgebonden overgangsrecht.

Artikel 4.25 Nieuwe recreatiebungalowparken en uitbreiding bestaande recreatiebungalowparken
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan uitbreiding van een bestaand recreatiebungalowpark mogelijk maken met een percentage van maximaal 20% van de bestaande totale oppervlakte van het recreatiebungalowpark.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan de nieuwvestiging van een recreatiebungalowpark mogelijk maken of uitbreiding van een bestaand recreatiebungalowpark mogelijk maken met een percentage groter dan 20% van de bestaande totale oppervlakte van het recreatiebungalowpark, als aan de omvang, situering en inrichting van het park een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt waarvoor de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 4.26 Bedrijfsmatige exploitatie recreatiebungalowparken
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op een binnen het buitengebied gelegen bestaand recreatiebungalowpark of voorziet in uitbreiding of nieuwvestiging van een recreatiebungalowpark stelt regels om de bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen te waarborgen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op bestaande recreatiewoningen waarop niet reeds een verplichting tot bedrijfsmatige exploitatie van toepassing is.

Artikel 4.27 Nieuwe kampeerterreinen en uitbreiding bestaande kampeerterreinen
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan de uitbreiding van een kampeerterrein mogelijk maken met een percentage van maximaal 20% van de bestaande totale oppervlakte van het kampeerterrein.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan de nieuwvestiging van een kampeerterrein mogelijk maken of uitbreiding van een bestaand kampeerterrein mogelijk maken met een percentage groter dan 20% van de bestaande totale oppervlakte van het kampeerterrein, als aan de omvang, situering en inrichting van het kampeerterrein een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt waarvoor de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 4.28 Dagrecreatieve voorzieningen
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied kan de nieuwvestiging van een dagrecreatieve voorziening mogelijk maken als:

    • a.

      de motivering bij het omgevingsplan een onderbouwing bevat waarom de dagrecreatieve voorziening een aantoonbare bijdrage levert aan de vrijetijdseconomie van en het recreatieve aanbod in de gemeente;

    • b.

      in geval van nieuwbouw redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van bestaande of vrijkomende bebouwing, waaronder Gebouwd erfgoed; en

    • c.

      de dagrecreatieve voorziening is gesitueerd in de nabijheid van bestaande recreatieve knooppunten, verblijfsgebieden of routestructuren, zoals wandel-, fiets- en vaarroutes, en ondersteunend is aan het recreatieve netwerk.

  • 2.

    Van het bepaalde in het eerste lid onder c kan in het omgevingsplan worden afgeweken als in de motivering bij het omgevingsplan wordt onderbouwd waarom uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op een andere locatie dient te worden gesitueerd.

  • 3.

    In de motivering bij het omgevingsplan wordt inzicht geboden op welke wijze rekening is gehouden met ruimtelijke kwaliteit aan de hand van de volgende aspecten:

    • a.

      de ontwikkelingsgeschiedenis en historisch gegroeide landschaps- of bebouwingsstructuur;

    • b.

      de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke waarden en kwaliteiten;

    • c.

      de inpassing van de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling in de directe en wijdere omgeving;

    • d.

      de maatregelen die nodig worden geacht om eventuele aantasting van kwaliteiten en waarden als gevolg van de ontwikkeling te salderen of compenseren;

    • e.

      de bijdrage die de met het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling kan leveren aan de bestaande of nieuwe kwaliteiten en waarden;

    • f.

      de ruimtelijk relevante kenmerken van bestaande gebouwen;

    • g.

      een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering van de gebouwen;

    • h.

      het woon- en leefklimaat van direct omwonenden; en

    • i.

      het belang van beperking van nachtelijke lichtuitstraling.

Paragraaf 4.1.8 Landschap
Artikel 4.29 Oogmerken

De regels van deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van landschappelijke, natuurlijke of stedenbouwkundige waarden;

  • b.

    het behoud van cultureel erfgoed;

  • c.

    ruimtelijke kwaliteit; en

  • d.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 4.30 Karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 1 (niet aanpasbaar)

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 1 (niet aanpasbaar) bevat met het oog op het behoud van de karakteristieke regelmatige verkaveling, onregelmatige blokverkaveling en radiale verkaveling rondom kernen in ieder geval regels die het verleggen en dempen van de sloten en het wijzigen van het profiel daarvan verbieden.

Artikel 4.31 Karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 2 (wel aanpasbaar)
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 2 (wel aanpasbaar) bevat met het oog op het behoud van de karakteristieke regelmatige verkaveling, onregelmatige blokverkaveling en radiale verkaveling rondom kernen in ieder geval regels die het verleggen en dempen van de sloten en het wijzigen van het profiel daarvan zonder omgevingsvergunning verbieden.

  • 2.

    Het omgevingsplan bevat de beoordelingsregel dat een omgevingsvergunning alleen wordt verleend als:

    • a.

      het verleggen of dempen van een (deel van een) sloot redelijkerwijs noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering;

    • b.

      bij het verleggen van een (deel van een) sloot een gelijkwaardige sloot wordt aangelegd;

    • c.

      het verleggen van een (deel van een) sloot de kleinschaligheid van het landschap en de onregelmatige blokverkaveling accentueert;

    • d.

      het dempen van een (deel van een) sloot gepaard gaat met het realiseren van een compenserende sloot, die de kleinschaligheid van het landschap en de onregelmatige blokverkaveling accentueert;

    • e.

      het verleggen of dempen van een (deel van een) sloot alleen plaatsvindt nadat de nieuwe sloot is gerealiseerd, dan wel het realiseren van de nieuwe sloot is geborgd in een uitvoeringsovereenkomst; en

    • f.

      bij het Bestuurlijk Overlegorgaan Middag-Humsterland en het waterschap advies is ingewonnen.

  • 3.

    Het omgevingsplan bevat in ieder geval regels die het verleggen of dempen van de verlegde, compenserende en nieuw aangelegde of aan te leggen sloten, bedoeld in het tweede lid, binnen karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 2 (wel aanpasbaar) verbieden.

Artikel 4.32 Karakteristieke wegen Nationaal Landschap Middag-Humsterland

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen karakteristieke wegen Nationaal landschap Middag-Humsterland bevat met het oog op het behoud van de karakteristieke regelmatige verkaveling, onregelmatige blokverkaveling en radiale verkaveling rondom kernen in ieder geval regels die het wijzigen van het beloop van een weg verbieden.

Artikel 4.33 Nationaal Park Drentsche Aa

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Nationaal Park Drentsche Aa bevat in ieder geval regels gericht op bescherming van de inrichting van de landgoederen.

Artikel 4.34 Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa langs de snelweg A28 bevat in ieder geval regels gericht op de bescherming van het vrije uitzicht vanaf deze weg op het Nationaal Park Drentsche Aa.

Artikel 4.35 Grootschalig open landschap
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen grootschalig open landschap bevat regels:

    • a.

      gericht op bescherming van de landschappelijke openheid; en

    • b.

      die nieuwe houtteelt en de aanleg van nieuw bos en boomgaarden verbieden.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing binnen een bouwperceel.

Artikel 4.36 Essen
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen essen bevat in ieder geval regels:

    • a.

      gericht op bescherming van het reliëf van essen;

    • b.

      gericht op de bescherming van de landschappelijke openheid van essen; en

    • c.

      die nieuwe houtteelt en de aanleg van bos en boomgaarden verbieden.

  • 2.

    Een omgevingsplan kan voorzien in de mogelijkheid dat de essen worden aangevuld als deze aanvulling de landschappelijke en cultuurhistorische waarde ervan versterken.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een archeologisch monument dat op grond van de Erfgoedwet is aangewezen als rijksmonument en op basis van de wet wordt beschermd.

Artikel 4.37 Esgehuchten

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen esgehuchten bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op de bescherming van de landschappelijke openheid van esgehuchten; en

  • b.

    die nieuwe houtteelt en de aanleg van bos en boomgaarden verbieden.

Artikel 4.38 Wierden
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen wierden bevat in ieder geval regels gericht op bescherming van het reliëf van de wierden.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een archeologisch monument dat op grond van de Erfgoedwet is aangewezen als rijksmonument en op basis van de wet wordt beschermd.

Artikel 4.39 Zones rond wierden

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen zones rond wierden bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op de bescherming van de landschappelijke openheid binnen de zones rond wierden; en

  • b.

    die nieuwe houtteelt en de aanleg van bos en boomgaarden binnen de zones rond wierden verbieden.

Artikel 4.40 Kanalen en wijken

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen kanalen en wijken bevat in ieder geval regels gericht op bescherming van de herkenbaarheid van de kanalen- en wijkenstructuur.

Artikel 4.41 Houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het locaties binnen het houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op de bescherming van de herkenbare verkaveling en de houtwallen en houtsingels; en

  • b.

    die het kappen of rooien van houtwallen en houtsingels anders dan ten behoeve van normaal onderhoud verbieden.

Artikel 4.42 Pingoruïnes

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen pingoruïnes bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op bescherming van de pingoruïnes; en

  • b.

    die het dempen, egaliseren en afschuiven van pingoruïnes verbieden.

Artikel 4.43 Besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op bescherming van de houtwallen, houtsingels en meidoornhagen; en

  • b.

    die het kappen of rooien van de houtwallen, houtsingels en meidoornhagen anders dan ten behoeve van normaal onderhoud verbieden.

Artikel 4.44 Glaciale ruggen

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen glaciale ruggen bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid van de glaciale ruggen;

  • b.

    over houtteelt en aanleg van bos en boomgaarden;

  • c.

    die diepploegen verbieden;

  • d.

    die het afgraven, egaliseren en afschuiven van de glaciale ruggen zonder omgevingsvergunning verbieden; en

  • e.

    die een beoordelingsregel voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder d inhouden met de strekking dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de uitvoering van de werkzaamheden niet leidt tot aantasting van de herkenbaarheid van de glaciale rug.

Artikel 4.45 Gebieden met reliëfinversie

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Gebieden met reliëfinversie bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op bescherming van het reliëf en de herkenbaarheid daarvan;

  • b.

    die het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van de inversieruggen verbieden; en

  • c.

    over houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.

Artikel 4.46 Dekzandruggen

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen dekzandruggen bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op bescherming van het reliëf, al dan niet in combinatie met stuifzandreliëf, en de herkenbaarheid daarvan;

  • b.

    die het diepploegen, egaliseren en afschuiven van de dekzandruggen verbieden; en

  • c.

    over houtteelt, aanleg van bos en boomgaarden.

Artikel 4.47 Beschermde dijken
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen beschermde dijken bevat in ieder geval regels:

    • a.

      die wijziging van het profiel van de beschermde dijken of delen of restanten daarvan verbieden;

    • b.

      die het diepploegen, egaliseren en afschuiven van de dijkgronden verbieden;

    • c.

      die het gebruik van de beschermde dijken anders dan als grasland verbieden;

    • d.

      die voorkomen dat het gebruik van de beschermde dijken als waterkering wordt belemmerd; en

    • e.

      gericht op behoud van de landschapselementen en -structuren die met de beschermde dijken samenhangen, waaronder coupures, schotbalkloodsjes en kolken.

  • 2.

    Een omgevingsplan kan de mogelijkheid bieden het profiel van de beschermde dijken of delen of restanten daarvan te wijzigen als dit dient om de landschappelijke en cultuurhistorische waarden daarvan te versterken.

Artikel 4.48 Karakteristieke waterlopen

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen karakteristieke waterlopen bevat in ieder geval regels gericht op de bescherming van het beloop en het profiel van de karakteristieke waterlopen.

Artikel 4.49 Karakteristieke laagten

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen karakteristieke laagten bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op de bescherming van de karakteristieke laagten die vanuit de natuurlijke oorsprong met een waterloop samenhangen of hebben samengehangen en gericht op de herkenbaarheid daarvan; en

  • b.

    die het diepploegen, ophogen, egaliseren en afschuiven van de karakteristieke laagten verbieden.

Artikel 4.50 Beschermde diepe plassen en meren
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen beschermde diepe plassen en meren bevat in ieder geval regels:

    • a.

      die het dempen en het geheel of gedeeltelijk verondiepen van de beschermde diepe plassen en meren verbieden; en

    • b.

      die voorkomen dat door wijziging van het gebruik van beschermde diepe plassen en meren de ecologische waarden daarvan per saldo significant worden aangetast.

  • 2.

    Het eerste lid, onder a is niet van toepassing op:

    • a.

      werkzaamheden die de stabiliteit van de oevers bevorderen of het afkalven ervan voorkomen;

    • b.

      werkzaamheden ten behoeve van het afwerken op grond van een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit.

Artikel 4.51 Groene linten

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen groene linten bevat regels:

  • a.

    gericht op bescherming van de bestaande wegbeplanting en de inrichting van de daarmee samenhangende slingertuinen waarbij rekening wordt gehouden met de samenhang tussen deze wegbeplanting en de slingertuinen; en

  • b.

    die onnodige kap voorkomen en verplichten tot herplanting.

Artikel 4.52 Waddenzee

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Waddenzee bevat in ieder geval regels die exploratie- of exploitatieboringen naar aardgas verbieden.

Artikel 4.53 Aanleg van bos en productiebos
  • 1.

    Een omgevingsplan kan de aanleg van bos en productiebos mogelijk maken als:

    • a.

      per saldo geen afbreuk wordt gedaan aan de bestaande natuur- en landschapswaarden;

    • b.

      de aanleg van bos of productiebos past in een – op basis van landschap, bodem en water als leidend principe – vastgestelde gemeentelijke omgevingsvisie; en

    • c.

      de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van landschapsarchitectuur.

  • 2.

    Een omgevingsplan kan niet voorzien in de aanleg van bos of productiebos binnen grootschalig open landschap, essen, esgehuchten of zones rond wierden.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op de aanleg van bos of productiebos binnen een bouwperceel binnen grootschalig open landschap.

Artikel 4.54 Landschap met herkenbare opstrekkende verkaveling

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het landschap met herkenbare en opstrekkende verkaveling bevat in ieder geval regels gericht op bescherming van de herkenbare opstrekkende verkaveling.

Artikel 4.55 Landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling bevat in ieder geval regels gericht op bescherming van de herkenbare onregelmatige blokverkaveling.

Artikel 4.56 Karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl bevat in ieder geval regels:

  • a.

    gericht op de bescherming van het beloop en het profiel van de karakteristieke sloten; en

  • b.

    die het verleggen en dempen van de karakteristieke sloten verbieden.

Paragraaf 4.1.9 Landbouw
Artikel 4.57 Concentratie van bebouwing binnen bouwperceel
  • 1.

    Een omgevingsplan kan agrarische bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor mestopslag en opslag van veevoer alleen mogelijk maken binnen een agrarisch bouwperceel.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      bestaande solitair gesitueerde bedrijfsbebouwing en bestaande solitair gesitueerde voorzieningen voor de opslag van mest en veevoer; en

    • b.

      erf- en terreinafscheidingen of schuilstallen voor het niet-bedrijfsmatig houden van vee tot een oppervlakte van maximaal 25m2.

Artikel 4.58 Nieuwe agrarische bouwpercelen
  • 1.

    Een omgevingsplan kan een nieuw agrarisch boouwperceel mogelijk maken voor zover het gaat om een volwaardig agrarisch bedrijf dat verplaatst wordt binnen de provincie Groningen:

    • a.

      uit het Natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      omdat de bestaande bedrijfsvoering aantoonbaar niet kan voldoen aan actuele wettelijke milieuhygiënische normen of omdat de bedrijfsvoering op de oorspronkelijke vestigingslocatie aantoonbaar ernstige overlast veroorzaakt, die niet op een andere manier kan worden tegengegaan;

    • c.

      omdat een actuele stedelijke ontwikkeling, of aanleg van infrastructuur, dan wel de externe veiligheidseisen in het Besluit kwaliteit leefomgeving voor buisleidingen aan continuering van de bedrijfsvoering in de weg staat; of

    • d.

      op basis van een door gedeputeerde staten vastgestelde specifieke taakstelling tot inplaatsing van agrarische bedrijven.

  • 2.

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand agrarisch bouwperceelgelegen in de nabijheid van de bij het te verplaatsen agrarisch bedrijf in gebruik zijnde gronden.

  • 3.

    Aan de omvang, situering, en vormgeving van het nieuwe agrarische bouwperceel, bedoeld in het eerste lid, ligt een erfinrichtingsplan ten grondslag dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

Artikel 4.59 Maximale omvang nieuw agrarisch bouwperceel 2 hectare

Een nieuw agrarisch bouwperceel als bedoeld in Artikel 4.58 kan niet groter zijn dan 2 hectare.

Artikel 4.60 Maximale omvang nieuw agrarisch bouwperceel 4 hectare

In afwijking van Artikel 4.59 kan een nieuw agrarisch boouwperceel een omvang hebben van maximaal 4 hectare, als gedeputeerde staten hiervoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben verleend met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit voor het verplaatsen van een volwaardig agrarisch bedrijf die een agrarisch bouwperceelmet een omvang groter dan 2 hectare vergt.

Artikel 4.61 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 2 hectare
  • 1.

    Een omgevingsplan voorziet niet in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een omvang groter dan 2 hectare.

  • 2.

    Een omgevingsplan voorziet alleen in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een oppervlakte tussen de 1 en 2 hectare, als daaraan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode.

Artikel 4.62 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen door koppeling van een agrarisch bouwperceel
  • 1.

    In afwijking van Artikel 4.57, eerste lid en Artikel 4.61, eerste lid, kan een omgevingsplan voorzien in de uitbreiding van een agrarisch bedrijf door koppeling van een agrarisch bouwperceel op een locatie waar dat nog niet aanwezig is en die niet aaneengesloten is met een bestaand agrarisch bouwperceel, waarbinnen uitsluitend zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van één agrarisch bedrijf is toegestaan.

  • 2.

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat:

    • a.

      een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel direct aangrenzend aan het bestaand agrarisch bouwperceelniet mogelijk is of een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel noodzakelijk is in verband met het biologisch houden van dieren overeenkomstig de geldende biologische regelgeving; en

    • b.

      geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand agrarisch bouwperceel in de nabijheid van de bij het bedrijf in gebruik zijnde gronden.

  • 3.

    Een omgevingsplan voorziet alleen in uitbreiding als bedoeld in het eerste lid als daaraan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode.

  • 4.

    De som van de oppervlakte van de agrarische bouwpercelen ten behoeve van één zelfstandig agrarisch bedrijf mag in totaal niet groter zijn dan 2 hectare of, voor zover de bestaande oppervlakte groter is dan 2 hectare, in totaal niet groter zijn dan de bestaande oppervlakte.

Artikel 4.63 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 4 hectare
  • 1.

    In afwijking van Artikel 4.61, eerste lid, kan een omgevingsplan voorzien in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel met een omvang tussen de 2 en de 4 hectare, voor zover:

    • a.

      gedeputeerde staten hiervoor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben verleend met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit voor uitbreiding van een agrarisch bedrijf voor de uitoefening van melkrundveehouderij die een agrarisch bouwperceel met een omvang groter dan 2 hectare vergt; of

    • b.

      aangetoond wordt dat vóór 20 maart 2013 als gevolg van toepassing van de maatwerkmethodemet de provincie overeenstemming is bereikt over het erfinrichtingsplan, voor zover een periode van minder dan twee jaar is verstreken tussen de datum waarop met de provincie overeenstemming over de bedrijfsontwikkeling is bereikt en de datum van de aanvraag om planwijziging of een omgevingsvergunning.

  • 2.

    Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid voorziet alleen in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een oppervlakte tussen de 2 en 4 hectare, als daaraan een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt dat is opgesteld met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschaps-architectuur.

Artikel 4.64 Afwijkende regeling gemeente Westerwolde
  • 1.

    Artikel 4.58 en Artikel 4.61 zijn niet van toepassing op een omgevingsplan van de gemeente Westerwolde dat voorziet in een nieuw agrarisch boouwperceel of uitbreiding van een bestaand agrarisch bouwperceel ten behoeve van respectievelijk de vestiging en uitbreiding van een melkrundveehouderijbedrijf, waarvoor vóór 20 maart 2013 een omgevingsvergunning is aangevraagd en de maatwerkmethodeis toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

  • 2.

    Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid bevat regels op grond waarvan:

    • a.

      de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen gebouwen zijnde, slechts overeenkomstig het bij de in het eerste lid bedoelde aanvraag om een omgevingsvergunning gevoegde erfinrichtingsplan worden gebouwd;

    • b.

      de realisering en instandhouding van de in het erfinrichtingsplan opgenomen erfbeplanting wordt geborgd; en

    • c.

      ter compensatie van een nieuw agrarisch bouwperceel, de agrarische functie van de percelen aan de J. Buiskoolweg 13, 17 en 19 in het omgevingsplan komt te vervallen en het gebruik en in de inrichting van deze percelen overeenkomstig het bij de betrokken aanvraag om omgevingsvergunning gevoegde document ‘Uitwerking erven’ wordt geborgd.

  • 3.

    Het omgevingsplan borgt de uitvoering van het in het tweede lid bedoelde erfinrichtingsplan overeenkomstig Artikel 4.5, derde lid en Artikel 4.5, vierde lid.

Artikel 4.65 Gebruiken van op 50 meter afstand of minder van elkaar gelegen agrarische bouwpercelen voor het oprichten of vergroten van agrarische bedrijfsbebouwing
  • 1.

    Een omgevingsplan stelt regels die het verbieden om gronden die binnen een agrarisch bouwperceeldat op 50 meter of minder is gelegen van een ander agrarisch bouwperceelte gebruiken voor het oprichten of vergroten van agrarische bedrijfsbebouwing, niet zijnde bestaande agrarische bedrijfsbebouwing, indien de bouwpercelen gelet op hun organisatorische, functionele of technische verbondenheid, tot hetzelfde bedrijf behoren en de gezamenlijke oppervlakte van de bouwpercelen meer bedraagt dan 1 hectare.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing voor zover bedoelde gronden aantoonbaar vóór 20 november 2016 in eigendom waren bij één eigenaar en binnen één bedrijfsvoering mochten worden gebruikt, en vóór 20 november 2019 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het oprichten of vergroten van agrarische bedrijfsbebouwing is ingediend.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan mogelijk maken dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de gezamenlijke oppervlakte van beide bouwpercelen niet meer bedraagt dan 2 hectare, en:

    • a.

      er sprake is van de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijfof een intensief veehouderijbedrijf, mits de uitbreiding van bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij :

      i. noodzakelijk is om tegemoet te komen aan wettelijke eisen op het gebied van milieu of brandveiligheid; of

      ii. bijdraagt aan verbetering van het welzijn van de te houden dieren doordat zij netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben en het aantal te houden dieren zoals is vergund ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning niet toeneemt;

    • b.

      de maatwerkmethodewordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;

    • c.

      aan de omvang, situering en vormgeving van de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met ruimtelijke kwaliteit en:

      i. de afstand tot andere ruimtelijke elementen; en

      ii. het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen, op de bouwpercelen worden gesloopt;

    • d.

      in de vorm van een voorwaarde bij de omgevingsvergunning wordt geborgd dat:

      i. de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en aangelegd; en

      ii. erfbeplanting overeenkomstig het erfinrichtingsplan wordt aangelegd en in stand gehouden;

    • e.

      geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de toereikendheid van de infrastructurele ontsluiting en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en derde lid kan een omgevingsplan voorzien in een gezamenlijke oppervlakte van beide agrarische bouwpercelen die meer bedraagt dan 2 hectare tot een maximale omvang van ten hoogste 4 hectare, als:

    • a.

      gedeputeerde staten een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit hebben verleend met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit voor uitbreiding van een agrarisch bedrijf die een gezamenlijke oppervlakte van beide agrarische bouwpercelen met een omvang groter dan 2 hectare vergt;

    • b.

      er sprake is van de uitoefening van een melkrundveehouderijbedrijf;

    • c.

      de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur;

    • d.

      aan de omvang, situering en vormgeving van de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, een erfinrichtingsplan ten grondslag ligt, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met ruimtelijke kwaliteit en:

      i. de afstand tot andere ruimtelijke elementen;

      ii. het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen, op de bouwpercelen worden gesloopt;

    • e.

      in de vorm van een voorwaarde bij de omgevingsvergunning wordt geborgd dat:

      i. de agrarische bedrijfsbebouwing en opslagvoorzieningen, geen bouwwerken zijnde, overeenkomstig het erfinrichtingsplan worden gebouwd en aangelegd;

      ii. erfbeplanting overeenkomstig het erfinrichtingsplan wordt aangelegd en in stand gehouden;

    • f.

      geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de toereikendheid van de infrastructurele ontsluiting en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 4.66 Opslag van veevoer en mest buiten het agrarisch bouwperceel

In afwijking van Artikel 4.57, eerste lid, kan een omgevingsplan het mogelijk maken dat een omgevingsvergunning wordt verleend voor het oprichten respectievelijk aanleggen van sleufsilo’s, kuilvloerplaten, mestsilo’s, foliemestbassins en mestzakken aansluitend op het agrarisch bouwperceel voor zover in het omgevingsplan regels worden gesteld die erin voorzien dat:

  • a.

    wordt aangetoond dat de opslag van veevoer en mest buiten het agrarisch bouwperceel op grond van ruimtelijke of milieuhygiënische belemmeringen noodzakelijk is;

  • b.

    een afstand van 25 meter van de grens van het agrarisch bouwperceel of de bestaande bedrijfsbebouwing niet wordt overschreden;

  • c.

    andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad;

  • d.

    over de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke aanvaardbaarheid en de wijze van inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en

  • e.

    de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van de voorzieningen voor mestopslag en voor opslag van veevoer aansluitend op het agrarisch bouwperceel wordt geborgd.

Artikel 4.67 Foliemestbassins en mestzakken op de veldkavel

In afwijking van Artikel 4.57, eerste lid, kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gebied met potentiële veldkavels voor foliemestbassins en mestzakken en mestsilo's het mogelijk maken dat een omgevingsvergunning wordt verleend voor het aanleggen van foliemestbassins en mestzakken op de veldkavel voor zover in het omgevingsplan regels worden gesteld die erin voorzien dat:

  • a.

    wordt aangetoond dat de mestopslag op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het agrarisch bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of

  • b.

    de voorzieningen alleen mogelijk zijn voor zover:

    i. deze noodzakelijk zijn om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen of te beperken als reële alternatieve ontsluitingsroutes ontbreken;

    ii. andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad;

    iii. over de ruimtelijke kwaliteiten de landschappelijke aanvaardbaarheid van de locatie en de wijze van inpassing van de mestopslag advies wordt ingewonnen bij een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur; en

    iv. de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de landschappelijke inpassing van mestopslag op de veldkavel wordt geborgd.

Artikel 4.68 Mestsilo's op de veldkavel
  • 1.

    In afwijking van Artikel 4.57, eerste lid kan een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gebied met potentiële veldkavels voor foliemestbassins en mestzakken en mestsilo's het mogelijk maken dat een omgevingsvergunning wordt verleend voor het oprichten van mestsilo's op de veldkavel voor zover in het omgevingsplan regels worden gesteld die erin voorzien dat:

    • a.

      wordt aangetoond dat de mestopslag op grond van milieuhygiënische belemmeringen binnen het agrarisch bouwperceel of daarop aansluitend niet mogelijk is; of

    • b.

      de mestsilo's noodzakelijk zijn om aantoonbare structurele verkeersoverlast door transportbewegingen in kernen te voorkomen of te beperken als reële ontsluitingsroutes ontbreken.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden verleend als:

    • a.

      de bouwhoogte van mestsilo's niet meer zal bedragen dan 2,5 meter;

    • b.

      andere ruimtelijk relevante belangen niet onevenredig worden geschaad;

    • c.

      de maatwerkmethode wordt toegepast; en

    • d.

      de nakoming van eventueel te stellen voorwaarden aan de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke inpassing van mestopslag op de veldkavel wordt geborgd.

Artikel 4.69 Nieuwe glastuinbouwbedrijven niet toegestaan

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied stelt regels die nieuwvestiging van glastuinbouwbedrijven verbieden.

Artikel 4.70 Uitbreiding bestaande glastuinbedrijven
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied stelt regels die erin voorzien dat de uitbreiding van bestaande glastuinbouwbedrijven maximaal 20% bedraagt van de bestaande totale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing die aanwezig was op 17 juni 2009.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan binnen het buitengebied regels bevatten die een uitbreiding toelaten met een percentage van maximaal 50% van de bestaande totale oppervlakte van de bedrijfsbebouwing die aanwezig was op 17 juni 2009, als hiervoor de maatwerkmethode wordt toegepast.

Artikel 4.71 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven
  • 1.

    Een omgevingsplan dat aan de hoofdactiviteit ondergeschikte activiteiten die niet rechtstreeks de uitoefening van de agrarische bedrijfsvoering betreffen toelaat, stelt regels:

    • a.

      die deze ondergeschikte activiteiten, anders dan het plaatsen van een kampeermiddel, buiten het agrarisch bouwperceel verbieden;

    • b.

      die voorzien in behoud van de agrarische hoofdfunctie;

    • c.

      die voorzien in de ondergeschiktheid van de gebouwen en bouwwerken voor de nieuwe ondergeschikte activiteit ten opzichte van de gebouwen en bouwwerken voor de hoofdactiviteit uitgedrukt in een maximale vloeroppervlakte;

    • d.

      ter bescherming van de bestaande ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden; en

    • e.

      die de uitoefening van detailhandel beperken in de vorm van een maximale vloeroppervlakte.

  • 2.

    Van het bepaalde in het eerste lid onder c kan in het omgevingsplan worden afgeweken als:

    • a.

      de activiteiten gedeeltelijk dan wel geheel tot doel hebben om Gebouwd erfgoed te behouden en te exploiteren;

    • b.

      de hoofdfunctie agrarisch blijft; en

    • c.

      de nieuwe activiteiten passen binnen de maat, schaal en karakter van het agrarisch bedrijf en het Gebouwd erfgoed.

Artikel 4.72 Verbod nieuwvestiging en uitbreiding hoofd- of neventak intensieve veehouderij

Een omgevingsplan stelt regels die de nieuwvestiging van een hoofd- of neventak intensieve veehouderij of uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij verbieden.

Artikel 4.73 Uitbreiding ten behoeve van aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu, brandveiligheid of ten behoeve van dierenwelzijn

In afwijking van Artikel 4.72 kan een omgevingsplan mogelijk maken dat een omgevingsvergunning wordt verleend voor uitbreiding van de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij als in het omgevingsplan regels worden opgenomen die erin voorzien dat de omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als het aantal te houden dieren zoals is vergund ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning niet toeneemt en de omgevingsvergunning:

  • a.

    noodzakelijk is om tegemoet te komen aan wettelijke eisen op het gebied van milieu of brandveiligheid; of

  • b.

    bijdraagt aan verbetering van het welzijn van de te houden dieren doordat zij netto meer leefruimte tot hun beschikking hebben.

Artikel 4.74 Gestapeld houden van vee

Een omgevingsplan stelt regels die erin voorzien dat binnen gebouwen voor een agrarisch bedrijf maximaal één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren.

Artikel 4.75 Tweede agrarische bedrijfswoningen

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied stelt regels die erin voorzien dat een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf alleen is toegelaten als dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering.

Paragraaf 4.1.10 Stilte en duisternis
Artikel 4.76 Oogmerken

De regels van deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden, het beschermen van de gezondheid, het milieu en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Artikel 4.77 Stilte buitengebied

In een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied wordt het belang van stilte in het buitengebied betrokken.

Artikel 4.78 Duisternis buitengebied

In een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied wordt het belang van duisternis in het buitengebied betrokken.

Artikel 4.79 Lichtuitstraling open stalsystemen
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied laat geen nieuwe open stalsystemen toe wanneer sprake is van:

    • a.

      het gebruik van verlichting in een open stalsysteem met een gemiddelde verticale verlichtingssterkte op alle binnenwanden, op de dichte buitenwanden en op de zijopening(en) van meer dan 60 lux, zonder voorzieningen om de openingen af te dekken;

    • b.

      het gebruik van verlichting in een open stalsysteem met een vaste borstwering in de zijgevels en zwarte of groene (wind)schermen in zowel geopende als gesloten toestand van meer dan 60 lux;

    • c.

      het gebruik van verlichting in een open stalsysteem met een vaste borstwering in de zijgevels en witte (wind)schermen in (deels) gesloten toestand van meer dan 12 lux;

    • d.

      het zodanig geplaatst hebben van verlichting(sarmaturen) dat de daarin aanwezige lampen van buitenaf zichtbaar zijn; of

    • e.

      het uitstralen van licht uit armaturen boven 90 graad met de verticaal of het uitstralen van een armatuur lager dan de goothoogte van de stal boven de 80 graad met de verticaal.

  • 2.

    Buitengebied

    Deze bepaling is niet van toepassing op bestaande stallen.

Artikel 4.80 Stiltegebieden

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op stiltegebieden houdt rekening met de in het betreffende gebied heersende stilte.

Artikel 4.81 Lichtplan milieubelastende activiteiten in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen aandachtsgebieden voor stilte en duisternis voorziet in een regel die verplicht tot het opnemen van een lichtplan bij een aanvraag voor milieubelastende activiteiten met een - potentieel - significante lichtemissie.

Paragraaf 4.1.11 Transportroutes externe veiligheid
Artikel 4.82 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

Artikel 4.83 Aanwijzing transportroutes externe veiligheid

Transportroutes externe veiligheid zijn aangewezen geometrisch begrensd in Bijlage 2 Overzicht informatieobjecten.

Artikel 4.84 Transportroutes binnen veiligheidszone 1
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op transportroutes binnen veiligheidszone 1 neemt het plaatsgebonden risico in acht.

  • 2.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen veiligheidszone 1 staat de oprichting en het gebruik van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties of beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties niet toe.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsplan beperkt kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare locaties toelaten binnen de in dat lid bedoelde zone. In dat geval bevat het omgevingsplan een motivering waarom niet aan de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico wordt voldaan.

Artikel 4.85 Transportroutes binnen veiligheidszone 2
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op transportroutes binnen veiligheidszone 2 houdt rekening met:

    • a.

      het veiligheidsniveau in de zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en de beperkt kwetsbare gebouwen; en

    • b.

      het veiligheidsrisico van branden, rampen en crises, bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2.

    Aan het eerste lid wordt voldaan door in een omgevingsplan dat betrekking heeft op transportroutes binnen veiligheidszone 2 rekening te houden met de volgende aspecten:

    • a.

      de inventarisatie van de, bestaande en de planologisch mogelijke, zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare gebouwen;

    • b.

      de kans op overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit;

    • c.

      de optimalisering van de vluchtmogelijkheden, waarbij het zowel de vluchtmogelijkheden in het bouwwerk als de vluchtmogelijkheden buiten het bouwwerk - van de risicobron af -betreft; en

    • d.

      de overwegingen met betrekking tot het wel of niet opnemen van bouwkundige planvoorschriften in het plan, of delen van het plan, om de effecten van een plasbrand of een gasexplosie tegen te gaan.

  • 3.

    Wanneer als gevolg van het omgevingsplan het aantal personen in veiligheidszone 2 toeneemt met 50 personen of meer, wordt ook rekening gehouden met de volgende aspecten:

    • a.

      het advies van de veiligheidsregio, bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bij het vaststellen van het omgevingsplan;

    • b.

      de afweging waarom de activiteit binnen, en niet buiten de veiligheidszone plaatsvindt;

    • c.

      de afweging van de mogelijkheden voor het beperken van de toename van het aantal personen;

    • d.

      de afweging van de mogelijkheden, zowel aan de kant van de risicobron als aan de kant van de risico-ontvanger, om het veiligheidsniveau te verhogen;

    • e.

      de afweging van aanvullende repressieve mogelijkheden om het veiligheidsniveau te verhogen; en

    • f.

      wanneer op een aspect als bedoeld in a tot en met e, of in b tot en d in het tweede lid, wordt ingegaan op rekenresultaten van een groepsrisicoberekening, dan dient de berekening te zijn uitgevoerd met de referentiewaarden uit de tabellen 1 en 2 in Bijlage 5 Transportroutes externe veiligheid, referentiewaarden.

Artikel 4.86 Transportroutes binnen veiligheidszone 3

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op transportroutesbinnen veiligheidszone 3 voorziet niet in de oprichting en het gebruik van zeer kwetsbare gebouwen en aanleunwoningen bij zorginstellingen en sociale werkplaatsen, of in het gebruik van bestaande gebouwen als een zeer kwetsbaar gebouw of aanleunwoning bij zorginstellingen en sociale werkplaatsen.

Artikel 4.87 Transportroutes binnen veiligheidszone 4
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op transportroutes binnen veiligheidszone 4 houdt rekening met:

    • a.

      het veiligheidsniveau op de kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties; en

    • b.

      het veiligheidsrisico van branden, rampen en crises, bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • 2.

    Aan het eerste lid wordt voldaan door rekening te houden met de volgende aspecten:

    • a.

      de inventarisatie van de bestaande en de planologisch mogelijke, kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties;

    • b.

      de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit; en

    • c.

      de optimalisering van de vluchtmogelijkheden, waarbij het zowel de vluchtmogelijkheden van de locatie als de vluchtmogelijkheden van de risicobron af betreft.

  • 3.

    Voor zover het omgevingsplan betrekking heeft op een kwetsbare locatie in veiligheidszone 4, wordt ook rekening gehouden met de volgende aspecten:

    • a.

      het advies van de veiligheidsregio, bedoeld in artikel 5.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, bij het vaststellen van het omgevingsplan;

    • b.

      de afweging voor de locatie binnen, en niet buiten, de veiligheidszone;

    • c.

      de afweging van de mogelijkheden voor het beperken van de toename van het aantal personen;

    • d.

      de afweging van de mogelijkheden, zowel aan de kant van de risicobron als aan de kant van de risico-ontvanger, om het veiligheidsniveau te verhogen;

    • e.

      de afweging van aanvullende repressieve mogelijkheden om het veiligheidsniveau te verhogen; en

    • f.

      wanneer op een aspect als bedoeld in a tot en met e, of als bedoeld in b en c van het tweede lid, wordt ingegaan op rekenresultaten van een groepsrisicoberekening, dan dient de berekening te zijn uitgevoerd met de referentiewaarden uit de tabellen 1 en 2 in Bijlage 5 Transportroutes externe veiligheid, referentiewaarden.

Paragraaf 4.1.12 Plaatsgebonden risico
Artikel 4.88 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over de volgende milieubelastende activiteiten, verricht in het gebied industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl:

  • a.

    activiteiten als bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover het windturbines met een ashoogte groter dan 15 meter betreft;

  • b.

    activiteiten als bedoeld in artikel 3.50 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

  • c.

    activiteiten als bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.89 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid.

Artikel 4.90 Plaatsgebonden risico in het gebied industrie- en bedrijventerreinen structuurvisie Eemsmond-Delfzijl
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gebied industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl houdt bij het toelaten of wijzigen van een activiteit als bedoeld in Artikel 4.88 rekening met een maximale toename van het plaatsgebonden risico van 10% ten gevolge van de aanwezigheid van windturbines, en houdt bij overschrijding van

  • 2.

    Het plaatsgebonden risico en de werpafstand van de windturbine worden bepaald met de landelijk toegepaste versie van het rekenprogramma Save-W. Het plaatsgebonden risico van de milieubelastende activiteit van de Seveso-inrichting wordt bepaald met de versie van het rekenprogramma Safeti-NL zoals opgenomen in bijlage II van de Omgevingsregeling.

Artikel 4.91 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gebied Industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl voorziet in een verbod om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit als bedoeld in Artikel 4.88 toe te staan, tenzij deze activiteit al is verboden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 4.92 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gebied industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl voorziet erin dat bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, als bedoeld in Artikel 4.88, het plaatsgebonden risico wordt bepaald en vergeleken met de situatie zonder windturbine.

  • 2.

    Wanneer volgens de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, sprake is van een risicotoename van 10% of meer, dienen ook risicobeperkende maatregelen en voorzieningen te worden beschouwd waardoor de risicotoename beperkt blijft tot maximaal 10%.

  • 3.

    Het plaatsgebonden risico en de werpafstand van de windturbine worden bepaald met de landelijk toegepaste versie van het rekenprogramma Save-W. Het plaatsgebonden risico van de milieubelastende activiteit van de Seveso-inrichting wordt bepaald met de versie van het rekenprogramma Safeti-NL zoals opgenomen in bijlage II van de Omgevingsregeling.

Artikel 4.93 Beoordelingsregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - plaatsgebonden risico

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gebied industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl voorziet erin dat een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, als bedoeld in Artikel 4.88, wordt geweigerd indien niet is aangetoond dat risicobeperkende maatregelen en voorzieningen worden getroffen, waardoor de toename van het plaatsgebonden risico beperkt blijft tot maximaal 10%.

Paragraaf 4.1.13 Gecumuleerd geluid
Artikel 4.94 Gecumuleerd geluid invloedssfeer plangebied structuurvisie Eemsmond-Delfzijl
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen invloedssfeer plangebied Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl voorziet in een beoordelingsregel voor de bepaling van het gecumuleerd geluid, bedoeld in Artikel 2.1, en betrekt daarbij, in aanvulling op artikel 3.25 van de Omgevingsregeling, het gecorrigeerde geluid afkomstig van de scheepvaart (LSL) berekend volgens de formule L*SL= 0,975· L SL- 0,7

  • 2.

    Bij de bepaling van het gecumuleerde geluid, bedoeld in Artikel 2.1, voor geluidgevoelige gebouwen die volgens het omgevingsplan aan de exploitatie van een windpark zijn verbonden, wordt geluid van windturbines niet betrokken.

Paragraaf 4.1.14 Geur
Artikel 4.95 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op industriële milieubelastende activiteiten die (potentieel) geurrelevant zijn, niet zijnde de milieubelastende activiteiten, bedoeld in paragrafen 3.6.1, 3.6.2, 3.6.3, 3.6.4, 3.6.5 en 3.6.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en communale rioolwaterzuiveringsinstallaties.

Artikel 4.96 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu voor wat betreft het oplossen van ernstige industriële geurhinder en het voorkomen van nieuwe industriële geurhinder op geurgevoelige gebouwen.

Artikel 4.97 Immissiewaarde geur plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl
  • 1.

    In het plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl mag de geurbelasting van een bedrijf als gevolg van een (wijziging van een) milieubelastende activiteit die een toename van de geuremissie met zich meebrengt en die is gestart na 19 april 2017, niet meer zijn dan 0,25 ouE/m3 als 98 percentiel op geurgevoelige gebouwen.

  • 2.

    In het plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl wordt een (wijziging van een) milieubelastende activiteit die een toename van de geuremissie met zich meebrengt en die is gestart na 19 april 2017, niet toegestaan als voor dit bedrijf al een geurimmissie bij geurgevoelige gebouwen van 0,25 ouE/m3 als 98 percentiel of meer is toegestaan.

  • 3.

    De algemeen gehanteerde onzekerheidsfactor 2 is verdisconteerd in de norm, bedoeld in het eerste en tweede lid.

  • 4.

    Als met toepassing van de beste beschikbare technieken een lagere geurbelasting haalbaar is, worden deze technieken vastgelegd in de omgevingsvergunning.

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing op geurgevoelige gebouwen op bedrijventerreinen en eigen bedrijfswoningen.

Artikel 4.98 Omgevingsvergunning geurrelevante milieubelastende activiteiten
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl voorziet in een verbod om zonder omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten te verrichten die geurrelevant kunnen zijn voor geurgevoelige gebouwen in het geval dat er een omgevingswaarde industriële geur is vastgesteld in het omgevingsplan.

  • 2.

    De vergunningplicht is niet van toepassing als met organisatorische of technische maatregelen met een ander oogmerk dan geur wordt voorkomen dat geur buiten de inrichting waarneembaar is.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op geurgevoelige gebouwen op bedrijventerreinen en eigen bedrijfswoningen.

Artikel 4.99 Methodiek bepaling geurrelevante milieubelastende activiteiten

Voor de bepaling van activiteiten die geurrelevant kunnen zijn wordt gebruik gemaakt van de methodiek, bedoeld in Bijlage 3 Methode ten behoeve van het bepalen van de geurrelevantie.

Paragraaf 4.1.15 Grondwaterverontreiniging
Artikel 4.100 Omgevingsvergunning sanering grondwater

Een omgevingsplan stelt regels die voorzien in een verbod om zonder omgevingsvergunning een sanering van grondwater te verrichten wanneer een signaleringsparameter als bedoeld in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het grondwater wordt overschreden.

Artikel 4.101 Gegevens en bescheiden bij een aanvraag omgevingsvergunning sanering grondwater

Een omgevingsplan stelt regels die voorzien in:

  • a.

    aanvraagvereisten voor de omgevingsvergunning voor de sanering grondwater;

  • b.

    een termijn en de vereisten voor het indienen van het evaluatieverslag met daarin de eventuele noodzakelijke nazorgmaatregelen ten aanzien van het grondwater (nazorgplan); en

  • c.

    een verplichting dat de nazorgmaatregelen ten aanzien van het grondwater uitgevoerd en in stand gehouden worden.

Artikel 4.102 Beoordelingsregel milieubelastende activiteit - sanering grondwater (bronverwijdering)

Een omgevingsplan stelt regels die voorzien in een bepaling dat als bij de uitvoering van de milieubelastende activiteiten "graven en saneren", bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, een signaleringsparameter als bedoeld in Bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving in het grondwater wordt overschreden, de vaste bodem boven de interventiewaarde kosteneffectief moet worden verwijderd of de verdere verspreiding van de grondwaterverontreiniging moet worden beheerst.

Paragraaf 4.1.16 Energie
Subparagraaf 4.1.16.1 Radioactief afval, gevaarlijk afval, kerncentrales en kolencentrales

Artikel 4.103 Radioactief afval, gevaarlijk afval, kerncentrales en kolencentrales

Een omgevingsplan verbiedt:

  • a.

    het gebruik van de bodem met inbegrip van de ondergrond of de diepe ondergrond ten behoeve van het opslaan of bergen van radioactief afval of het storten van gevaarlijk afval;

  • b.

    de mogelijkheid middel- en hoogradioactief afval bovengronds op te slaan;

  • c.

    de bouw van een kerncentrale; en

  • d.

    de bouw van een nieuwe kolencentrale.

Subparagraaf 4.1.16.2 Windenergie

Artikel 4.104 Geluidbelasting door windturbines

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de navolgende windparken, bevat normen voor geluidbelasting die gelden voor alle gezamenlijke windturbines binnen elk van deze locaties:

  • a.

    windpark Eemshaven en Emmapolder;

  • b.

    windpark Oostpolder;

  • c.

    windpark Eemshaven West;

  • d.

    windpark Eemshaven Zuidoost;

  • e.

    windpark Dijkverbetering;

  • f.

    windpark Oosterhorn;

  • g.

    windpark Geefsweer;

  • h.

    windpark Delfzijl Noord;

  • i.

    windpark Delfzijl Zuid;

  • j.

    windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding.

Artikel 4.105 Oprichting van nieuwe windturbines

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het stedelijk gebied of binnen het buitengebied gelegen bouwpercelen kan het oprichten van een windturbine mogelijk maken voor zover het gaat over nieuwe windturbines met een ashoogte van ten hoogste 15 meter.

Artikel 4.106 Kleine windturbines buiten het stedelijk gebied en buiten bouwpercelen in het buitengebied

  • 1.

    Een omgevingsplan kan het oprichten van een windturbine mogelijk maken voor zover het gaat over het oprichten en gedurende een periode van ten hoogste 30 jaar in standhouden van:

    • a.

      maximaal 3 windturbines met een ashoogte van ten hoogste 15 meter binnen een zone van 25 meter rond een agrarisch bouwperceel; of

    • b.

      maximaal één park- of lijnopstelling van windturbines met een ashoogte van ten hoogste 15 meter en met wieken die niet langer zijn dan twee derde van de ashoogte ten behoeve van een lokaal initiatief gericht op duurzaamheid en zelfvoorziening.

  • 2.

    Het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, stelt beoordelingsregels voor het verlenen van een omgevingsvergunning die inhouden dat een omgevingsvergunning alleen kan worden verleend als de windturbine wordt opgericht:

  • 3.

    In het omgevingsplan, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt - in aanvulling op het tweede lid - als beoordelingsregel voor het verlenen van een omgevingsvergunning opgenomen dat aangetoond dient te worden dat het op grond van bijzondere omstandigheden niet mogelijk is om de windturbines binnen het agrarisch bouwperceel te plaatsen.

  • 4.

    Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt niet verleend binnen:

    • a.

      Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden;

    • b.

      Natuurnetwerk Nederland – beheergebieden;

    • c.

      Zoekgebied robuuste verbindingszone;

    • d.

      Bos- en natuurgebieden buiten Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 4.107 Grootschalige windenergie

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen concentratiegebieden grootschalige windenergie kan het oprichten van een windturbine mogelijk maken voor zover het gaat over het oprichten en in stand houden van één of meer windturbines met bijbehorende voorzieningen.

  • 2.

    Het omgevingsplan stelt regels die bewerkstelligen dat de windturbines, bedoeld in het eerste lid, alleen kunnen worden opgericht in een park- of lijnopstelling en dat de wieken van een windturbine als bedoeld in het eerste lid niet langer zijn dan twee derde van de ashoogte.

Artikel 4.108 Windenergie Roodehaan

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het zoekgebied windenergie Roodehaan kan het oprichten van een windturbine mogelijk maken voor zover het gaat over het oprichten van één of meer windturbines met een ashoogte van meer dan 15 meter met bijbehorende voorzieningen.

  • 2.

    Het omgevingsplan stelt regels die erin voorzien dat de windturbines, bedoeld in het eerste lid, alleen kunnen worden opgericht in een park- of lijnopstelling en dat de wieken van een windturbine als bedoeld in het eerste lid niet langer zijn dan twee derde van de ashoogte.

Artikel 4.109 Tijdelijkheid windenergie

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gebied tijdelijkheid windenergie kan het oprichten van een windturbine mogelijk maken voor zover het gaat over het oprichten en in stand houden van een windturbine voor een termijn niet langer dan 30 jaar.

Artikel 4.110 Vervanging van windturbines met een ashoogte hoger dan 15 meter die geen deel uitmaken van een park- of lijnopstelling

Een omgevingsplan kan het vervangen van een windturbine mogelijk maken voor zover het gaat over het vervangen van bestaande windturbines met een ashoogte hoger dan 15 meter als deze niet in een park- of lijnopstelling zijn geplaatst en betrekking heeft op een locatie buiten de concentratiegebieden grootschalige windenergie, als:

  • a.

    de nieuwe windturbine wordt opgericht daar waar de te vervangen windturbine stond;

  • b.

    de ashoogte van een windturbine niet hoger wordt dan de ashoogte van de te vervangen windturbine; en

  • c.

    de wieklengte niet langer is dan twee derde van de ashoogte.

Artikel 4.111 Vervanging van windturbines in een park- of lijnopstelling

Een omgevingsplan kan het vervangen van een windturbine mogelijk maken voor zover het gaat over het vervangen van bestaande windturbines die deel uitmaken van een park- of lijnopstelling, als:

Subparagraaf 4.1.16.3 Zonne-energie

Artikel 4.112 Zonneladder

  • 1.

    De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in het plaatsen en in werking hebben van een zonnepark als bedoeld in Artikel 4.113 biedt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik inzicht op welke wijze rekening gehouden met de mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik en wordt de volgende prioritering bij het vinden van locaties voor de plaatsing van zonnepanelen aangehouden:

    • a.

      op daken en gevels;

    • b.

      op gronden binnen het stedelijk gebied;

    • c.

      op gronden met een andere primaire functie dan landbouwgrond, zoals voormalige slibdepots, gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.47 Wet milieubeheer en in werking zijnde zandwinningsplassen;

    • d.

      op landbouwgronden.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing bij zonneparken binnen of aansluitend aan een bouwperceel als bedoeld in Artikel 4.113, derde lid onder e.

Artikel 4.113 Zonneparken - toegelaten gebieden

  • 1.

    Een omgevingsplan kan, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik, voorzien in het plaatsen en in werking hebben van een zonnepark op een locatie voor een periode van ten hoogste 30 jaar:

    • a.

      binnen het stedelijk gebied;

    • b.

      aansluitend aan het stedelijk gebied, als de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving bevat van:

      i. op welke wijze rekening is gehouden met de historisch gegroeide landschaps- en bebouwingsstructuur;

      ii. de ruimtelijke aanleiding om de locatie geschikt te achten voor een zonnepark;

      iii. mogelijke koppelkansen en knelpunten die met een zonnepark worden opgelost;

      iv. de gemeentelijke ambitie voor zonneparken, uitgedrukt in hectares en eventueel aantal op gemeentelijk schaalniveau en de vertaling hiervan per dorp

      v. de ontwerpprincipes op kavel- en objectniveau.

  • 2.

    Aan de omvang, situering en inrichting van het zonnepark, bedoeld in het eerste lid, dient een (erf-)inrichtingsplan ten grondslag te liggen dat tot stand is gekomen met toepassing van de maatwerkmethode.

  • 3.

    Een omgevingsplan kan voorzien in het plaatsen en in werking hebben van een zonnepark voor een periode van ten hoogste 30 jaar:

    • a.

      binnen het gebied zonneparken;

    • b.

      op een als zodanig in het landschap herkenbaar voormalig slibdepot;

    • c.

      op een als zodanig in het landschap herkenbare gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.47 Wet milieubeheer;

    • d.

      op in werking zijnde zandwinningsplassen; of

    • e.

      binnen een bouwperceel in het buitengebied of aansluitend aan een bouwperceel, als:

      i. het op te stellen vermogen is afgestemd op het eigen energieverbruik op het perceel; en

      ii. het aansluitende zonnepark zich ruimtelijk manifesteert als een hecht geheel met het bouwperceel en daar qua maatvoering ondergeschikt aan is.

  • 4.

    Aan de omvang, situering en inrichting van het zonnepark, bedoeld in het derde lid, dient een (erf-)inrichtingsplan ten grondslag te liggen dat tot stand is gekomen met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur en als wordt voorzien in een elektriciteit opslag installatie, ook onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van omgevingsveiligheid.

  • 5.

    In het (erf-)inrichtingsplan, bedoeld in het tweede lid en in het vierde lid, wordt in ieder geval rekening gehouden met:

    • a.

      het zodanig vormgeven van het zonnepark dat de historisch gegroeide landschapsstructuur en andere kenmerkende ruimtelijke en landschappelijke kwaliteiten herkenbaar en beleefbaar blijven en waar mogelijk worden versterkt of hersteld;

    • b.

      het realiseren van een bij de omgeving passende, eenduidige groene overgangszone langs de randen van het zonnepark die ervoor zorgt dat het zich zo natuurlijk mogelijk voegt naar het aanwezige landschap, waarbij visuele rafelranden worden voorkomen en een bijdrage wordt geleverd aan de beleving van het park;

    • c.

      een ordelijke, in samenhang met de landschappelijke context gekozen situering, oriëntatie, hoogte en vormgeving van de paneelopstelling en ondersteunende gebouwde voorzieningen, waaronder transformatorstations, electriciteit opslagsystemen, verdeelstations, hekken, camera’s en overige beheer- en veiligheidsvoorzieningen.

Artikel 4.114 Zonneparken - voorwaarden

Een omgevingsplan voorziet niet in het plaatsen en inwerking hebben van een zonnepark binnen:

  • a.

    op grond van de wet beschermde dorpsgezichten;

  • b.

    Wierden;

  • c.

    Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden;

  • d.

    Natuurnetwerk Nederland – beheergebieden;

  • e.

    Zoekgebied robuuste verbindingszone;

  • f.

    Bos- en natuurgebieden buiten Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 4.115 Elektriciteit opslaginstallatie bij zonneparken

  • 1.

    Een omgevingsplan kan, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik, voorzien in het plaatsen en werking hebben van een elektriciteit opslagsysteem ten behoeve van een zonnepark voor een periode die de vergunningstermijn van het zonnepark niet overschrijdt als:

    • a.

      het elektriciteit opslagsysteem binnen het plangebied van het zonnepark ligt;

    • b.

      de oppervlakte van het elektriciteit opslagsysteem ten hoogste 1% van het totale oppervlak van de technische installatie voor zonne-energie is; en

    • c.

      de oppervlakte van het elektriciteit opslagsysteem ten hoogste 20.000 m2 is.

  • 2.

    Aan de omvang, situering en inrichting van het elektriciteitopslagsysteem dient een erfinrichtingsplan ten grondslag te liggen dat tot stand is gekomen met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van bij de provincie werkzame deskundigen op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur én omgevingsveiligheid.

Artikel 4.116 Losstaande elektriciteit opslagsystemen

  • 1.

    Een omgevingsplan kan voorzien in het plaatsen en in werking hebben van een losstaand elektriciteit opslagsysteem :

  • 2.

    De motivering bij het omgevingsplan bevat een onderbouwing van de wijze waarop er rekening is gehouden met de PGS 37-1 richtlijn en biedt in ieder geval inzicht in:

    • a.

      op welke wijze met de geldende norm- en standaardwaarde ten aanzien van het plaatsgebonden risico rekening is gehouden;

    • b.

      op welke wijze rekening is gehouden met de aanwezigheid van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperkt kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties in de directe omgeving;

    • c.

      welke maatregelen ter beperking van het risiconiveau, zoals ruimtelijke inpassing, bouwkundige eisen en risicocommunicatie genomen zijn; en

    • d.

      op welke wijze de Veiligheidsregio in de gelegenheid is gesteld om advies uit te brengen en op welke wijze rekening is gehouden met dit advies.

Artikel 4.117 Energietoets

De motivering bij een omgevingsplan dat ten opzichte van het geldende omgevingsplan voorziet in de toevoeging van 20 nieuwe woningen of meer op een locatie die tot een aanvullende (piek)belasting op het elektriciteitsnetwerk kunnen leiden bevat een onderbouwing:

  • a.

    op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen voor en de aansluitbaarheid van de ontwikkeling op het elektriciteitsnetwerk; en

  • b.

    dat aansluiting op het elektriciteitsnetwerk binnen een redelijke termijn aannemelijk is.

Subparagraaf 4.1.16.4 Vergistingsinstallaties

Artikel 4.118 Biomassavergistingsinstallaties, waaronder co-vergistingsinstallaties en monomestvergistingsinstallaties

  • 1.

    Een omgevingsplan kan op een bedrijventerrein voorzien in de oprichting van een installatie voor mestvergisting of een installatie voor het bedrijfsmatig produceren van duurzame energie door het bewerken van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw, inclusief plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken en de afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan binnen een agrarisch bouwperceel als een aan de hoofdactiviteit ondergeschikte activiteit voorzien in de oprichting van een installatie voor het omzetten van mest in biogas en digestaat, inclusief installaties voor opslag en bewerking van het biogas en voor-, tussen- en naopslag van mest met een maximale capaciteit van 25.000 m3 mest per jaar al dan niet in individueel verband of in een lokaal kleinschalig samenwerkings-verband voor monomestvergisting.

  • 3.

    Als een omgevingsplan een activiteit als bedoeld in het tweede lid toelaat, bepaalt het omgevingsplan dat de eigen mest en het digestaat afkomstig van de individuele of samenwerkende agrarische bedrijven binnen een afstand van maximaal 20 kilometer, gerekend vanaf de grens van het agrarisch bouwperceel waarop de monomestvergisting plaatsvindt, wordt aan- en afgevoerd van en naar agrarische bouwpercelen.

  • 4.

    De motivering bij een omgevingsplan dat voorziet in de oprichting van een installatie als bedoeld in het tweede lid bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat omwonenden van deze installatie geen overlast door geur, geluid of verkeersbewegingen zullen ondervinden.

Paragraaf 4.1.17 Water
Artikel 4.119 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op het waarborgen van de veiligheid, het beheer van watersystemen en het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.

Artikel 4.120 Grondwaterbeschermingsgebieden

Een omgevingsplan staat een activiteit waarbij een boring plaats vindt niet toe voor zover de boring zich uitstrekt dieper dan 3 meter onder het maaiveld in de ondergrond van een grondwaterbeschermingsgebied.

Artikel 4.121 Profiel van vrije ruimte van primaire waterkeringen
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het profiel van vrije ruimte van primaire waterkeringen staat niet toe dat bouwactiviteiten, die niet ten dienste staan van de waterkering of de daardoor te bieden bescherming tegen overstroming, worden verricht zonder omgevingsvergunning.

  • 2.

    Een omgevingsplan stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid alleen kan worden verleend als:

    • a.

      er sprake is van een maatschappelijk belang;

    • b.

      de betreffende ingreep niet elders plaats kan vinden;

    • c.

      er geen afbreuk wordt gedaan aan het belang van de bescherming tegen overstroming volgens de voor de waterkering geldende omgevingswaarde van de bestaande of toekomstige primaire waterkering;

    • d.

      versterking van de primaire waterkering niet onomkeerbaar wordt belemmerd; en

    • e.

      hierover advies wordt ingewonnen bij de beheerder van de primaire waterkering.

Artikel 4.122 Bergingsgebieden

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen bergingsgebieden mag geen afbreuk doen aan de geschiktheid van het bergingsgebied voor het bergen van water en voorziet niet in bebouwing en aanleg van infrastructuur die niet-hoogwaterbestendig zijn.

Artikel 4.123 Overstromingsgevoelige en laaggelegen gebieden
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen overstromingsgevoelige en laaggelegen gebieden voorziet alleen in een stedelijke ontwikkeling als de motivering bij het omgevingsplan een onderbouwing bevat van de wijze waarop er rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:

    • a.

      wateroverlast door overvloedige neerslag;

    • b.

      overstromingen; en

    • c.

      droogte.

  • 2.

    Bij een duiding van de risico's worden de opvattingen van het waterschapsbestuur betrokken.

  • 3.

    Voor zover risico's aan de orde zijn wordt rekening gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken, via maatregelen of voorzieningen.

Paragraaf 4.1.18 Natuur
Artikel 4.125 Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden bevat, in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden regels, die verzekeren dat er geen activiteiten worden verricht die:

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan regels bevatten die toestaan dat er een activiteit wordt verricht, indien:

    • a.

      de activiteit een groot openbaar belang dient en:

      i. er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; en

      ii. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd; of

    • b.

      het een uitbreiding of wijziging van een al in het Natuurnetwerk Nederland bestaande activiteit betreft en:

      i. de uitbreiding of wijziging ondergeschikt is aan de bestaande activiteit en noodzakelijk voor de instandhouding daarvan;

      ii. schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen;

      iii. resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en

      iv. er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

  • 3.

    In de motivering van een omgevingsplan dat regels bevat als bedoeld in het tweede lid moeten de volgende aspecten worden betrokken:

    • a.

      de aard en omvang van de effectbeperkende en compenserende maatregelen;

    • b.

      de begrenzing van het compensatiegebied; en

    • c.

      de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      locaties die deel uitmaken van een agrarisch bouwperceel;

    • b.

      activiteiten die deel uitmaken van een normale agrarische bedrijfsvoering, als landbouw de hoofdfunctie is; en

    • c.

      bestaand gebruik.

Artikel 4.126 Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden bevat, in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden regels, die verzekeren dat er geen activiteiten worden verricht die:

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan regels bevatten die toestaan dat er een activiteit wordt verricht, indien:

    • a.

      de activiteit een groot openbaar belang dient en:

      i. er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; en

      ii. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd; of

    • b.

      het een uitbreiding of wijziging van een al in het Natuurnetwerk Nederland bestaande activiteit betreft en:

      i. de uitbreiding of wijziging ondergeschikt is aan de bestaande activiteit en noodzakelijk voor de instandhouding daarvan;

      ii. schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen;

      iii. resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en

      iv. er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

  • 3.

    In de motivering van een omgevingsplan dat regels bevat als bedoeld in het tweede lid moeten de volgende aspecten worden betrokken:

    • a.

      de aard en omvang van de effectbeperkende en compenserende maatregelen;

    • b.

      de begrenzing van het compensatiegebied; en

    • c.

      de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      locaties die deel uitmaken van een agrarisch bouwperceel;

    • b.

      activiteiten die deel uitmaken van een normale agrarische bedrijfsvoering, als landbouw de hoofdfunctie is; en

    • c.

      bestaand gebruik.

Artikel 4.127 Bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland bevat, in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden regels, die verzekeren dat er geen activiteiten worden verricht die:

    • a.

      nadelig zijn voor de actuele natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van deze locaties; of

    • b.

      tot gevolg hebben dat de oppervlakte van bos- en natuurgebieden buiten bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland, achteruitgaat.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan een omgevingsplan regels bevatten die toestaan dat er een activiteit wordt verricht, indien:

    • a.

      de activiteit een groot openbaar belang dient en:

      i. er geen andere mogelijkheden zijn om in het betreffende openbaar belang te voorzien; en

      ii. de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt, terwijl de overblijvende effecten gelijkwaardig in termen van areaal, kwaliteit en samenhang worden gecompenseerd; of

    • b.

      het een uitbreiding of wijziging van een al bestaande activiteit in bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland betreft en:

      i. de uitbreiding of wijziging ondergeschikt is aan de bestaande activiteit en noodzakelijk voor de instandhouding daarvan;

      ii. schade als gevolg van de ingreep zoveel mogelijk wordt voorkomen;

      iii. resterende schade volledig wordt gecompenseerd; en

      iv. er netto winst optreedt voor de belangrijke kenmerken en waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang.

  • 3.

    In de motivering van een omgevingsplan dat regels bevat als bedoeld in het tweede lid moeten de volgende aspecten worden betrokken:

    • a.

      de aard en omvang van de effectbeperkende en compenserende maatregelen;

    • b.

      de begrenzing van het compensatiegebied; en

    • c.

      de manier waarop de compensatie duurzaam is verzekerd.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op bestaand gebruik.

Artikel 4.128 Zoekgebied robuuste verbindingszone

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op gronden gelegen binnen het zoekgebied robuuste verbindingszones voorziet niet in wijziging van de functie of van de regels voor het gebruik van de grond, als die wijziging een significante beperking met zich meebrengt van de mogelijkheid om een hoogwaardige natuurlijk ingerichte ecologische zone van voldoende omvang tussen grotere natuurkernen te creëren en in stand te houden welke tot doel heeft dat soorten zich kunnen verplaatsen van het ene naar het andere natuurgebied.

Artikel 4.129 Leefgebieden weidevogels
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen leefgebieden weidevogels stelt regels waarmee wordt voorkomen dat de actuele waarde van het gebied voor weidevogels ernstig wordt geschaad door:

    • a.

      aantasting van de landschappelijke openheid;

    • b.

      aantasting van de gebiedswaarden die het gebied geschikt maken als leefgebied voor weidevogels; of

    • c.

      aantasting van het areaal.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op normaal agrarisch gebruik .

  • 3.

    Als schade als bedoeld in het eerste lid niet voorkomen kan worden, stelt het omgevingsplan regels die bewerkstelligen dat de schade op een andere locatie wordt gecompenseerd.

Artikel 4.130 Leefgebieden akkervogels
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen leefgebieden akkervogels stelt regels waarmee wordt voorkomen dat de actuele waarde van het gebied voor akkervogels ernstig wordt geschaad door:

    • a.

      aantasting van de landschappelijke openheid;

    • b.

      aantasting van de gebiedswaarden die het gebied geschikt maken als leefgebied voor akkervogels; of

    • c.

      aantasting van het areaal.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op normaal agrarisch gebruik.

  • 3.

    Als schade als bedoeld in het eerste lid niet voorkomen kan worden, stelt het omgevingsplan regels die bewerkstelligen dat de schade op een andere locatie wordt gecompenseerd.

Artikel 4.131 Natuurbegraven
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het buitengebied voorziet niet in de mogelijkheid om zonder omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor natuurbegraven.

  • 2.

    Een omgevingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt beoordelingsregels op grond waarvan een omgevingsvergunning voor natuurbegraven alleen kan worden verleend als:

    • a.

      het natuurbegraven niet plaatsvindt op gronden binnen gebieden met bosgronden van vóór 1850;

    • b.

      aan de natuurbegraafplaats de functie natuur wordt toegekend, met natuurbegraven als ondergeschikte nevenfunctie;

    • c.

      de vestiging of uitbreiding van de natuurbegraafplaats aantoonbaar gepaard gaat met een netto winst voor de natuurlijke- en landschappelijke waarden in termen van areaal, kwaliteit en samenhang;

    • d.

      aan het plan een inrichtings- en beheerplan ten grondslag ligt dat tot stand is gekomen onder begeleiding van een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van ecologie en landschapsarchitectuur;

    • e.

      de uitvoering van het inrichtings- en beheerplan publiekrechtelijk wordt geborgd;

    • f.

      er geen onevenredig nadelige gevolgen zijn voor de recreatieve waarde van het betreffende gebied;

    • g.

      toekomstige ontwikkelingen niet onevenredig belemmerd worden als gevolg van de voorziene duur van de grafrust; en

    • h.

      bij de motivering van het omgevingsplan de parkeerbehoefte van bezoekers betrokken wordt.

Artikel 4.132 Asverstrooiing

Een omgevingsplan voorziet niet in de mogelijkheid tot het gebruik van gronden ten behoeve van het verstrooien van crematie-as binnen:

  • a.

    Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden;

  • b.

    Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden;

  • c.

    bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland; of

  • d.

    grondwaterbeschermingsgebieden.

Paragraaf 4.1.19 Provinciale wegen en vaarwegen
Subparagraaf 4.1.19.1 Algemeen

Artikel 4.133 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn niet van toepassing op activiteiten verricht namens gedeputeerde staten in het kader van het beheer, de bediening of de verbetering van de infrastructuur.

Artikel 4.134 Oogmerken

De regels van deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid;

  • c.

    het beheer van infrastructuur;

  • d.

    het evenwichtig toedelen van functies aan locaties;

  • e.

    het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten; en

  • f.

    het beschermen van het milieu.

Subparagraaf 4.1.19.2 Provinciale wegen

Artikel 4.135 Oprichten werken en plaatsen voorwerpen

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen beperkingengebied provinciale wegen voorziet niet in:

  • a.

    het oprichten van werken die de staat of werking van provinciale wegen negatief beïnvloeden; en

  • b.

    het plaatsen van voorwerpen die de staat of werking van provinciale wegen negatief beïnvloeden.

Artikel 4.136 Aanleggen openbare wegen en kunstwerken

Een omgevingsplan voorziet niet in het aanleggen van nieuwe openbare wegen of nieuwe kunstwerken, wanneer deze de staat of werking van provinciale wegen negatief beïnvloeden.

Subparagraaf 4.1.19.3 Provinciale vaarwegen

Artikel 4.137 Oprichten werken en plaatsen voorwerpen

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart voorziet niet in:

  • a.

    het oprichten van werken die de staat of werking van provinciale vaarwegen negatief beïnvloeden; en

  • b.

    het plaatsen van voorwerpen die de staat of werking van provinciale vaarwegen negatief beïnvloeden.

Artikel 4.138 Toervaartnet

  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het toervaartnet waarborgt met het oog op het belang van de vrije doorvaart van de recreatievaart dat de vaarweg geschikt is voor vaartuigen met de maatgevende afmetingen voor schepen (lengte, breedte, diepgang en mastopbouwhoogte) behorende bij de classificatie voor de vaarweg zoals vastgelegd in de tabel in Bijlage 12 Klasse-indelingen Vaarwegen.

  • 2.

    De klasse-indeling van vaarwegen is vastgelegd in Bijlage 13 Aanwijzing vaarwegbeheerders.

Paragraaf 4.1.20 Gereserveerd tracé spoorverbinding
Artikel 4.139 Gereserveerd tracé spoorverbinding

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gereserveerd tracé spoorverbinding voorziet niet in de mogelijkheid tot het oprichten van bouwwerken, of het gebruik van gronden als deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om spoorwegen aan te leggen.

Artikel 4.140 Zoekgebied spoorverbinding

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het zoekgebied spoorverbinding voorziet niet in de mogelijkheid tot het oprichten van bouwwerken, of gebruik van gronden als deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om spoorwegen aan te leggen.

Paragraaf 4.1.21 Gereserveerd tracé wegverbinding
Artikel 4.141 Gereserveerd tracé wegverbinding

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het gereserveerd tracé wegverbinding voorziet niet in de mogelijkheid tot het oprichten van bouwwerken, of het gebruik van gronden als deze mogelijkheden afbreuk kunnen doen aan de mogelijkheid om wegen aan te leggen.

Paragraaf 4.1.22 Afvalbedrijven
Artikel 4.142 Vestiging en uitbreiding van afvalbedrijven
  • 1.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de nieuwvestiging of uitbreiding van bedrijven voor het verwijderen of nuttig toepassen van afvalstoffen en de op- en overslag van afvalstoffen, voor zover het gaat om de nieuwvestiging of uitbreiding van een bedrijf waar van derden afkomstige afvalstoffen worden verwijderd, nuttig toegepast of op- of overgeslagen, stelt uit het oogpunt van brandveiligheid en het gevaar van brandoverslag, regels over de opslag van afvalstoffen buiten gebouwen.

  • 2.

    Voor zover de regels de opslag van afvalstoffen buiten gebouwen niet uitsluiten, bevat het omgevingsplan in ieder geval regels over:

    • a.

      de locatie waar de afvalstoffen kunnen worden opgeslagen;

    • b.

      de maximale toegestane hoogte van de opslag van afvalstoffen; en

    • c.

      de in acht te nemen afstand tussen de opslag van afvalstoffen en naastgelegen percelen of objecten.

Afdeling 4.2 Instructieregels waterschappen

Paragraaf 4.2.1 Waterbeheerprogramma
Artikel 4.143 Inhoud waterbeheerprogramma

Een waterbeheerprogramma als bedoeld in artikel 3.7 van de wet bevat in aanvulling op artikel 4.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, ten minste:

  • a.

    een beschrijving van de bestaande toestand van watersystemen waarover het beheer van het waterschap zich uitstrekt;

  • b.

    het beleid voor het beheer van de watersystemen, gericht op de aan de watersystemen toegekende functies en doelstellingen;

  • c.

    een beschrijving van de maatregelen met prioriteitstelling en fasering, die nodig zijn om de gestelde doelen te realiseren of de geconstateerde knelpunten op te lossen;

  • d.

    een raming van de kosten en een indicatie van het verloop van de op te leggen heffingen in de programmaperiode;

  • e.

    en een overzicht van de strategische doelstellingen in het regionaal waterprogramma, die worden gerealiseerd door het nemen van de in het eerste lid, onder c, genoemde maatregelen.

Paragraaf 4.2.2 Legger en peilbesluit
Artikel 4.144 Inhoud legger
  • 1.

    De legger, bedoeld in artikel 2.39 van de wet, bevat naast het bepaalde in het eerste lid van dat artikel, in ieder geval:

    • a.

      de dwarsprofielen van de primaire en regionale waterkeringen;

    • b.

      de gemiddelde dwarsprofielen van de oppervlaktewaterlichamen in beheer bij het waterschap;

    • c.

      de exacte begrenzing van de regionale waterkeringen;

    • d.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken die deel uitmaken van de primaire en regionale waterkeringen in beheer bij het waterschap;

    • e.

      een omschrijving van de ondersteunende kunstwerken die deel uitmaken van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden in beheer bij het waterschap; en

    • f.

      het bergend vermogen van de bergingsgebieden in beheer bij het waterschap.

  • 2.

    De legger wordt na vaststelling ten minste iedere tien jaar herzien.

Artikel 4.145 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

Het waterschapsbestuur stelt een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de wet vast voor de volgende oppervlaktewaterlichamen in haar beheergebied:

  • a.

    de boezem;

  • b.

    waterstaatkundige eenheden die gelegen zijn binnen of grenzen aan het natuurnetwerk Nederland of bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland; en

  • c.

    andere door gedeputeerde staten aan te wijzen waterstaatkundige eenheden.

Artikel 4.146 Inhoud peilbesluit

Een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de wet bevat naast het bepaalde in het derde lid van dat artikel, in ieder geval:

  • a.

    een kaart met de oppervlaktewaterlichamen waarop het peilbesluit van toepassing is; en

  • b.

    een toelichting waarin in ieder geval het volgende in is opgenomen:

    i. de afwegingen en uitkomsten van de onderzoeken waarop het peilbesluit is gebaseerd; en

    ii. een aanduiding van de veranderingen van de waterstanden ten opzichte van de bestaande situatie.

Hoofdstuk 5 Toedeling en uitvoering waterschappen

Afdeling 5.1 Geluidproductie wegen

Artikel 5.1 Aanwijzing provinciale wegen waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld.

Voor de vaststelling van geluidproductieplafonds als bedoeld in artikel 2.13a van de wet, zijn de in Bijlage 4 Aanwijzing provinciale wegen waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld opgenomen wegen aangewezen.

Afdeling 5.2 Zwemlocaties

Artikel 5.2 Taken locatiebeheerder zwemlocaties

De locatiebeheerder van een zwemlocatie draagt zorg voor:

  • a.

    het beheer en onderhoud van de zwemlocatie gericht op de veiligheid, gezondheid en hygiëne van zwemmers en bezoekers;

  • b.

    een afbakening van de zwemzone van de zwemlocatie, waar dit nodig is voor de veiligheid van zwemmers en bezoekers;

  • c.

    het onverwijld informeren van gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam, indien sprake is van een onverwachte situatie als bedoeld in artikel 3.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving die negatieve gevolgen heeft of redelijkerwijs kan hebben voor de kwaliteit van de zwemlocatie, de waterkwaliteit of de gezondheid of veiligheid van zwemmers en bezoekers;

  • d.

    het verstrekken van gegevens aan gedeputeerde staten ten behoeve van het jaarlijks onderzoek naar de veiligheid van de zwemlocatie, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • e.

    het, in afstemming of in samenwerking met gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam, treffen van de maatregelen, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, om de veiligheid of hygiëne van de zwemlocatie te waarborgen of te verbeteren;

  • f.

    het, in afstemming of in samenwerking met gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam, treffen van maatregelen, bedoeld in artikel 3.6, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, voor het behoud of het verbeteren van de kwaliteit van de zwemlocatie; en

  • g.

    het, in afstemming of in samenwerking met gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam, treffen van passende zwemwaterbeheersmaatregelen in gevallen als bedoeld in artikel 3.7 tot en met 3.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Afdeling 5.3 Watersystemen

Paragraaf 5.3.1 Taken gedeputeerde staten
Artikel 5.3 Maatgevende hoogwaterstanden

Gedeputeerde staten stellen iedere zes jaar de maatgevende hoogwaterstanden, bedoeld in Artikel 2.7, vast.

Artikel 5.4 Aanduiding waterwingebied en grondwaterbeschermingszone

Gedeputeerde staten dragen er zorg voor dat waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones voor het publiek zichtbaar worden aangeduid door middel van borden.

Artikel 5.5 Gegevens grondwaterregister
  • 1.

    Gedeputeerde staten houden een register bij waarin de volgende wateronttrekkingsactiviteiten worden ingeschreven:

    • a.

      het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening; en

    • b.

      het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bestemde voorziening.

  • 2.

    In het register worden de gegevens, bedoeld in artikel 7.206 Omgevingsregeling, vermeld die in het kader van de wateronttrekkingsactiviteit, bedoeld in het eerste lid, aan gedeputeerde staten of aan het waterschapsbestuur worden verstrekt.

Artikel 5.6 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister
  • 1.

    Een wateronttrekkingsactiviteit als bedoeld in Artikel 5.5 die niet in het grondwaterregister is opgegeven wordt ambtshalve in het register opgenomen door gedeputeerde staten.

  • 2.

    Bij toepassing van het eerste lid wordt de datum waarop de onttrekking is begonnen als datum van inschrijving aangehouden.

Paragraaf 5.3.2 Taken waterschapsbestuur
Artikel 5.7 Verslaglegging
  • 1.

    Het waterschapsbestuur brengt jaarlijks verslag uit aan gedeputeerde staten over de stand en de voortgang van zijn taken.

  • 2.

    Gedeputeerde staten kunnen nadere eisen stellen aan de verslaglegging.

Artikel 5.8 Gegevens wateronttrekkingsactiviteiten

Het waterschapsbestuur verstrekt aan gedeputeerde staten:

  • a.

    de gegevens die op grond van de waterschapsverordening worden verkregen over het onttrekken van grondwater en het infiltreren van water;

  • b.

    de gegevens die in het kader van een wateronttrekkingsactiviteit door de houder van een omgevingsvergunning, de meldingsplichtige of degene op wie een informatieplicht rust aan het waterschapsbestuur worden verstrekt; en

  • c.

    een overzicht van de meldingen en vergunningen op basis waarvan het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt.

Artikel 5.9 Onttrekking van grondwater voor menselijke consumptie
  • 1.

    Het waterschapsbestuur regelt, met het oog op de verplichtingen op grond van artikel 7 van de Kaderrichtlijn water, in ieder geval dat:

    • a.

      de locaties en debieten van onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie geregistreerd worden;

    • b.

      eenieder die grondwater voor menselijke consumptie onttrekt, voor zover dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken of water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen, het ruwwater monitort volgens de methoden en parameters uit tabel II en tabel IIIC van het Drinkwaterbesluit voor de eerste keer bij aanvang van de onttrekking en vervolgens ten minste elke zes jaar een meting en analyse van een beperkter parameterpakket, afhankelijk van de uitkomsten van de eerste en daaropvolgende metingen en de verwachte risico's;

    • c.

      eenieder die grondwater voor menselijke consumptie onttrekt voor aanvang van de winning een risicoanalyse van de omgeving van de onttrekking uitvoert; en

    • d.

      het dagelijks bestuur van het waterschap de gegevens, bedoeld onder a tot en met c, uiterlijk binnen 3 maanden nadat ze zijn verkregen aan gedeputeerde staten verstrekt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op onttrekkingen als bedoeld in artikel 16.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 5.10 Rangorde bij waterschaarste regionale wateren
  • 1.

    In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het IJsselmeer bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 3.14, vierde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      het gebruik van industrieel proceswater;

    • b.

      de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen.

  • 2.

    In het geval van een onmiddellijk of dreigend watertekort wordt met het oog op de verdeling van het beschikbare water vanuit het IJsselmeer bij het beheer van de regionale wateren door waterschappen wat betreft de in artikel 3.14, vijfde lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving bedoelde behoeften, achtereenvolgens prioriteit toegekend aan:

    • a.

      peilhandhaving;

    • b.

      doorspoelen en onttrekken voor beregening van akkerbouw;

    • c.

      beregening van gras/maïs;

    • d.

      doorspoelen;

    • e.

      overige belangen.

Afdeling 5.4 Faunabeheer

Paragraaf 5.4.1 Faunabeheereenheid
Artikel 5.11 Faunabeheereenheid

In een faunabeheereenheid werken jachthouders en maatschappelijke organisaties samen ten behoeve van het opstellen en uitvoeren van het faunabeheerplan of van faunabeheerplannen.

Artikel 5.12 Werkgebied en erkenningsvoorwaarden faunabeheereenheid
  • 1.

    Er is één faunabeheereenheid waarvan het werkgebied zich uitstrekt over de gehele provincie Groningen.

  • 2.

    Het werkgebied van een faunabeheereenheid strekt zich niet uit over het grondgebied van andere provincies.

  • 3.

    In de statuten van de faunabeheereenheid worden de rechten en plichten opgenomen die de bij de faunabeheereenheid aangesloten jachthouders hebben met betrekking tot de uitoefening van de aan de faunabeheereenheid toekomende bevoegdheden, onderscheidenlijk de aan de faunabeheereenheid toegestane handelingen.

Artikel 5.13 Vertegenwoordigde partijen
  • 1.

    In het bestuur van de faunabeheereenheid is één bestuurszetel beschikbaar voor in ieder geval vertegenwoordigers van:

    • a.

      terreinbeherende organisaties;

    • b.

      jachthouders met een jachtakte uit het werkgebied van de faunabeheereenheid;

    • c.

      de agrarische sector; en

    • d.

      private grondeigenaren.

  • 2.

    Naast de zetels, bedoeld in het eerste lid, zijn in het bestuur van de faunabeheereenheid minimaal twee zetels beschikbaar voor maatschappelijke organisaties die het doel behartigen van een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren in de regio waartoe het werkgebied van de faunabeheereenheid behoort.

Artikel 5.14 Voorzitter faunabeheereenheid

De voorzitter van de faunabeheereenheid is geen lid van en heeft geen dienstverband of bestuursfunctie bij één van de partijen die vertegenwoordigd zijn in het bestuur van de faunabeheereenheid.

Paragraaf 5.4.2 Faunabeheerplan
Artikel 5.15 Doelstellingen faunabeheerplan

Een faunabeheerplan heeft betrekking op het duurzaam beheer van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht.

Artikel 5.16 Reikwijdte faunabeheerplan

Een faunabeheerplan heeft betrekking op ten minste 5.000 hectare van het werkgebied van de faunabeheereenheid.

Artikel 5.17 Geldigheidsduur faunabeheerplan
  • 1.

    Een faunabeheerplan heeft een geldigheidsduur van ten hoogste 8 jaren.

  • 2.

    De faunabeheereenheid kan een faunabeheerplan wijzigen gedurende tijdvak waarvoor het is vastgesteld. Deze wijziging behoeft goedkeuring van gedeputeerde staten.

Artikel 5.18 Inhoud faunabeheerplan: algemeen

Onverminderd artikel 6.2 van het Omgevingsbesluit bevat een faunabeheerplan ten minste de volgende algemene gegevens:

  • a.

    een kaart waarop de begrenzing van het werkingsgebied van het faunabeheerplan is weergegeven;

  • b.

    een beschrijving van de samenhang tussen populatiebeheer, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op diersoorten die zowel op grond van de jacht, schadebestrijding of populatiebeheer bestreden worden;

  • c.

    kwantitatieve gegevens over de in het wild levende dieren waarop het faunabeheerplan van toepassing is, over een periode van minimaal 5 jaar gedurende de looptijd van het voorgaande faunabeheerplan en een beschrijving van de provinciale en landelijke trend van deze soorten gedurende deze periode; en

  • d.

    een beschrijving van de wijze waarop het onnodig lijden van in het wild levende dieren wordt voorkomen als het faunabeheerplan ziet op het vangen of doden van deze dieren.

Artikel 5.19 Inhoud faunabeheerplan: schadebestrijding op basis van een omgevingsvergunning

Onverminderd artikel 6.2 van het Omgevingsbesluit en Artikel 5.18 bevat een faunabeheerplan dat betrekking heeft op schadebestrijding ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van de maatregelen ter voorkoming van schade; en

  • b.

    per diersoort:

    i. een beschrijving van de schade in minimaal 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden;

    ii. een onderbouwing van de noodzaak tot schadebestrijding aan de hand van de belangen, bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    iii. een beschrijving van de activiteiten die in, minimaal, de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft zijn uitgevoerd om schade te voorkomen of beperken, waaronder indien van toepassing het per wildbeheereenheid onderheiden aantal gedode dieren;

    iv. een beschrijving van de effectiviteit van de onder iii bedoelde activiteiten voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn;

    v. een beschrijving van de aard en de omvang van activiteiten om schade te voorkomen of te beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden;

    vi. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen;

    vii. een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen activiteiten en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten zal worden bepaald; en

    viii. een beschrijving van de staat van instandhouding en van de wijze waarop de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt.

Artikel 5.20 Inhoud faunabeheerplan: populatiebeheer

Onverminderd artikel 6.2 van het Omgevingsbesluit en Artikel 5.18 bevat een faunabeheerplan dat betrekking heeft op populatiebeheer ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    een beschrijving van de planmatige en gecoördineerde uitvoering van het duurzaam beheer van populaties; en

  • b.

    per diersoort:

    i.een beschrijving van de schade in minimaal 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, onderverdeeld naar de verschillende wildbeheereenheden;

    ii. een onderbouwing van de noodzaak tot populatiebeheer aan de hand van de belangen, bedoeld in artikel 8.74j, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 4° voor vogels, artikel 8.74k, eerste lid, onderdeel b, onder 1° tot en met 3° voor habitatrichtlijnsoorten, en artikel 8.74l, eerste lid, onderdeel b, onder 7° tot en met 13° voor andere soorten, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    iii. een beschrijving van de activiteiten die in, minimaal, de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft, zijn uitgevoerd om schade te voorkomen of beperken, waaronder het per wildbeheereenheid aantal gedode dieren;

    iv. een beschrijving van de effectiviteit van de onder iii bedoelde activiteiten voor zover daarover kwantitatieve gegevens beschikbaar zijn;

    v. een beschrijving van de aard en de omvang van activiteiten om schade te voorkomen of te beperken en een beschrijving van de plaatsen in het werkgebied van de faunabeheereenheid waar, en de perioden in het jaar waarin, deze activiteiten plaatsvinden;

    vi. een gestructureerd plan waarin de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen wordt beschreven waarmee schade wordt voorkomen;

    vii. een onderbouwde inschatting van de effectiviteit van de voorgenomen activiteiten en een beschrijving van de wijze waarop de effectiviteit van deze activiteiten zal worden bepaald;

    viii. een beschrijving van de huidige en de gewenste stand; en

    ix. een beschrijving van de staat van instandhouding en van de wijze waarop de gunstige staat van instandhouding gewaarborgd wordt.

  • c.

    Voor zover het faunabeheerplan betrekking heeft op het populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen, een beschrijving van het voedselaanbod, de relatie tussen dit voedselaanbod en de grootte van de populatie en de mogelijkheden van uitwisseling met aangrenzende terreinen.

Artikel 5.21 Inhoud faunabeheerplan: jacht

Onverminderd artikel 6.2 van het Omgevingsbesluit en Artikel 5.18 bevat een faunabeheerplan dat betrekking heeft op jacht ten minste de volgende gegevens:

  • a.

    een omschrijving van de redelijke wildstand, bedoeld in artikel 11.65 van het Besluit activiteiten leefomgeving, en een onderbouwing van de wijze waarop de jacht hieraan zal bijdragen; en

  • b.

    een overzicht van de gerealiseerde afschotgegevens, onderverdeeld naar diersoort, per wildbeheereenheid, in de 6 jaren voorafgaand aan de periode waarop het plan betrekking heeft.

Paragraaf 5.4.3 Wildbeheereenheden
Artikel 5.22 Werkingsgebied wildbeheereenheden
  • 1.

    De zorg van een wildbeheereenheid strekt zich uit over een aaneengesloten gebied binnen de provincie Groningen meteen oppervlakte van ten minste 5.000 hectare.

  • 2.

    Een wildbeheereenheid die niet kan voldoen aan de eis, bedoeld in het eerste lid, gaat een samenwerkingsovereenkomst aan met een naburige wildbeheereenheid, zodanig dat gezamenlijk aan deze eis voldaan wordt.

  • 3.

    De begrenzing van het werkgebied van een wildbeheereenheid wordt door de betreffende wildbeheereenheid vastgesteld en aangegeven op een kaart.

  • 4.

    Het werkgebied van een wildbeheereenheid overlapt niet met het werkingsgebied van een andere wildbeheereenheid.

  • 5.

    De kaart, bedoeld in het derde lid, wordt door gedeputeerde staten bekendgemaakt in het provinciaal blad.

  • 6.

    De kaart, bedoeld in het derde lid, wordt gepubliceerd op de website van de faunabeheereenheid door de faunabeheereenheid.

Artikel 5.23 Organisatie wildbeheereenheid
  • 1.

    De statuten van de wildbeheereenheid bevatten een regeling waarmee het lidmaatschap van een lid van de wildbeheereenheid kan worden opgezegd wanneer dit lid naar het oordeel van de wildbeheereenheid en gehoord het bestuur van de faunabeheereenheid, bij handelingen ten behoeve van de uitvoering van een faunabeheerplan niet handelt overeenkomstig dit faunabeheerplan.

  • 2.

    De wildbeheereenheden stellen een door de faunabeheereenheid goedgekeurde gezamenlijke geschillenregeling in, waarmee geschillen worden behandeld die voortkomen uit bestuursbesluiten van de wildbeheereenheid over het opzeggen van het lidmaatschap van een lid van de wildbeheereenheid.

Artikel 5.24 Lidmaatschap wildbeheereenheid

Jachthouders met een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit sluiten zich aan bij de wildbeheereenheid in het werkgebied waarbinnen zij een jachtveld hebben. Aansluiting vindt plaats door middel van lidmaatschap van de vereniging.

Paragraaf 5.4.4 Tegemoetkoming schade door dieren
Artikel 5.25 Aanvraag om tegemoetkoming schade dieren
  • 1.

    Een aanvraag om tegemoetkoming voor schade aangericht door van nature in het wild levende dieren als bedoeld in artikel 15.53, eerste lid, van de wet wordt bij BIJ12 digitaal ingediend via MijnFaunazaken, uiterlijk binnen zeven werkdagen nadat de aanvrager de schade heeft geconstateerd.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid wordt een aanvraag bij vermoedelijke wolvenschade zo snel mogelijk ingediend, uiterlijk binnen 24 uur na constatering van de schade, telefonisch bij BIJ12 of via het formulier op de website van BIJ12.

  • 3.

    Een verzoek om tegemoetkoming van schade zal niet worden toegekend als het verzoek niet is ingediend binnen de termijn en op de wijze, bedoeld in dit artikel.

Artikel 5.26 Taxatie van de schade
  • 1.

    Het gewas, de teelt of de producten, waarop de aanvraag om tegemoetkoming, bedoeld in Artikel 5.25 betrekking heeft, wordt niet eerder geoogst of anderszins van het bedrijf afgevoerd, dan nadat de schade definitief is getaxeerd door de taxateur die werkzaam is voor een door BIJ12 aangewezen taxatiebureau of een consulent faunazaken van BIJ12.

  • 2.

    Een reactie op de taxatie wordt door de aanvrager binnen acht werkdagen per e-mail of post gezonden aan BIJ12.

Paragraaf 5.4.5 Uitoefening van de jacht
Artikel 5.27 Sluiten van de jacht

Gedeputeerde staten zijn bevoegd om de jacht op wildsoorten te sluiten, in de hele provincie of een deel daarvan, als bijzondere weersomstandigheden dat noodzakelijk maken.

Afdeling 5.5 Vaarwegen

Artikel 5.28 Aanwijzing innemen ligplaats
  • 1.

    Schepen, samenstellen van schepen en drijvende voorwerpen moeten op aanwijzing van gedeputeerde staten een andere ligplaats innemen, wanneer een vaarweg onderhouden moet worden of de veilige of vlotte afwikkeling van de scheepvaart in het geding is.

  • 2.

    Spoedeisende gevallen uitgezonderd, stellen gedeputeerde staten de rechthebbende of de gebruiker van het schip, samenstel van schepen of drijvende voorwerpen, tijdig in kennis van de voorgenomen werkzaamheden.

Artikel 5.29 Toedeling vaarwegbeheer

Het vaarwegbeheer is in Bijlage 13 Aanwijzing vaarwegbeheerders toebedeeld aan de provincie, waterschappen en aan andere openbare lichamen.

Artikel 5.30 Aanwijzing bevoegde autoriteit

Gedeputeerde staten wijzen de bevoegde autoriteit, bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement, voor de vaarwegen in beheer bij de provincie aan.

Artikel 5.31 Bedieningstijden van bruggen en sluizen

Gedeputeerde staten stellen bedieningstijden van de beweegbare bruggen en sluizen vast, voor zover deze in beheer zijn bij de provincie.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 6.1 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening provincie Groningen.

Bijlage 1 Begripsbepalingen

BIJ12

uitvoeringsorganisatie van de gezamenlijke provincies en onderdeel van de Vereniging Interprovinciaal Overleg

Gebouwd erfgoed

gebouwde rijksmonumenten, gebouwde gemeentelijke monumenten, karakteristieke gebouwen en beeldbepalende gebouwen.

Natuurnetwerk Nederland

Natuurnetwerk Nederland, als bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de wet

agrarisch bedrijf

bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt of het houden van dieren

agrarisch bouwperceel

in een omgevingsplan aangeduid stuk grond waarop volgens de regels van het omgevingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan

agrarisch hulpbedrijf

bedrijf dat in overwegende mate is gericht op het leveren van goederen, diensten aan agrarische bedrijven, of het bewerken, vervoeren of verhandelen van agrarische producten

bebouwingscluster

een ruimtelijk samenhangende concentratie van meer dan 10 hoofdgebouwen met overwegend een woonfunctie gesitueerd op verschillende aangrenzende bouwpercelen in het buitengebied

bebouwingslint

een lijnvormige verzameling van gebouwen, gesitueerd op meerdere bouwpercelen, langs een weg of vaart in het buitengebied met kleine afstanden tussen de bouwkavels

bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met een totale oppervlakte van tenminste 1 hectare in hoofdzaak ten behoeve van bedrijven en dienstverlening en daarbij behorende voorzieningen

beeldbepalende gebouwen

gebouwen die op grond van hun ruimtelijk relevante kenmerken bijdragen aan de visuele belevingswaarde van het landschap

bestaand gebruik

gebruik van grond en van bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met dat geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan, niet zijnde persoonsgebonden overgangsrecht

bestaande agrarische bedrijfsbebouwing

agrarische bedrijfsbebouwing die opgericht of vergroot kan worden krachtens een voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening verleende omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen

bestaande bebouwing

bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende omgevingsplan met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan

bestaande stalvloeroppervlakte

gezamenlijke vloeroppervlakte van de stalruimtes waarin dieren worden gehouden, en de hiermee onlosmakelijk verbonden ruimtes waaronder gang- en looppaden, zoals op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is of gerealiseerd kan worden op grond van een bouw- of omgevingsvergunning, met uitzondering van stalvloeroppervlakte die gerealiseerd is zonder bouw- of omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende omgevingsplan met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan

biologische regelgeving

regelgeving zoals opgenomen in de Landbouwkwaliteitswet, het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007, de Landbouwkwaliteitsregeling 2007 en in het bijzonder verordening (EG) 834/2007 en de bijbehorende bepalingen in verordening (EG) 889/2008 en verordening (EG) 1235/2008. Specifiek voor dierlijke productie is tevens de Wet dieren, het Besluit Diervoeders, de Regeling Diervoeders 2012, het Besluit Dierlijke producten en de Regeling Dierlijke producten 2012 van toepassing

bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een omgevingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan

dagrecreatieve voorziening

een publiek toegankelijke, bedrijfsmatige voorziening gericht op kortdurende recreatie of beleving zonder overnachting, zoals natuur- en landschapsbeleving, cultuur- en educatieve activiteiten, sportieve buitenactiviteiten en kleinschalige attractieve voorzieningen

detailhandel

bedrijfsmatig te koop aanbieden en uitstallen van goederen met het oog op de verkoop voor gebruik, verbruik of aanwending, anders dan als een niet zelfstandig onderdeel van ondergeschikte aard van de hoofdfunctie

factory outlet center

een concentratie van fabriekswinkels, al dan niet in combinatie met bijvoorbeeld ondersteunende horeca, waar verkoop plaatsvindt in de sectoren mode, schoenen/lederwaren en sportkleding, welke artikelen hetzij buiten het reguliere seizoen worden aangeboden, hetzij onvolmaakt zijn afgewerkt, hetzij overschotten en/of experimentele collecties betreffen. Voor alle gevallen geldt dat de artikelen geen deel uitmaken van de lopende collectie - met uitzondering van uitverkoop - van de reguliere collectie. De artikelen worden aangeboden tegen gereduceerde prijzen die gewoonlijk door de reguliere detailhandel worden gehanteerd

gebruiker

degene die krachtens welke titel dan ook gerechtigd is tot het gebruik

geurrelevant

een activiteit die zonder geurbeperkende maatregelen buiten het terrein waar deze verricht wordt waarneembaar is

gevaarlijk afval

afval dat als zodanig staat vermeld in de Europese Afvalstoffenlijst

gewoon onderhoud en herstel

activiteiten die gericht zijn op het behoud van een bouwwerk waarbij vormgeving, detaillering en profilering niet wijzigen

horecavoorziening

een publiek toegankelijke voorziening waar bedrijfsmatig eten of drinken wordt bereid en verstrekt voor consumptie ter plaatse, eventueel aangevuld met kleinschalige recreatieve activiteiten die ondersteunend zijn aan de hoofdfunctie

intensieve veehouderij

agrarische bedrijfsvoering, zelfstandig of als neventak, gericht op het geheel of nagenoeg geheel in gebouwen houden van varkens, pluimvee, vleeskalveren en vleesstieren alsmede pelsdieren, met uitzondering van het biologisch houden van dieren overeenkomstig de geldende biologische regelgeving

kampeerterrein

terrein of plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht en blijkens die inrichting bestemd om daarop gelegenheid te geven tot het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen voor recreatief nachtverblijf

karakteristieke gebouwen

gebouwen die van cultuurhistorische waarde zijn op grond van karakteristieke hoofdvorm, architectuur, landschappelijke of stedenbouwkundige situering, bijdrage aan de herkenbaarheid van de omgeving, gaafheid of zeldzaamheid

karakteristieke hoofdvorm

ruimtelijke verschijningsvorm van een gebouw zoals die wordt bepaald door bouwmassa naar hoofdafmetingen en onderlinge verhoudingen, dakvorm, nokrichting, dakoverstekken, goothoogte, daklijsten en schoorstenen, erkers en balkons

landbouwgronden

grond(en) met een agrarische functie waarop een landbouwactiviteit wordt uitgevoerd, voor zover deze geen onderdeel uitmaken van een agrarisch bouwperceel

losstaand elektriciteit opslagsysteem

een fysiek gescheiden, zelfstandige voorziening dat elektrische energie opslaat en teruglevert aan het elektriciteitsnet, zonder directe koppeling aan een specifieke productie-installatie (zoals een zonnepark) of verbruiker (zoals een fabriek)

maatwerkmethode

methode van overleg via keukentafelgesprekken met als doel overeenstemming te bereiken over de omvang, situering en inrichting van een project in de fysieke leefomgeving

naderingsdetectiesysteem

voorziening, zoals een transpondersysteem of radardetectie, die de obstakelverlichting automatisch inschakelt indien een vliegtuig of ander luchtvaartuig nadert

natuurbegraven

het ter aarde bestellen van menselijke stoffelijke overschotten anders dan op een reguliere begraafplaats

nieuw agrarisch boouwperceel

het toekennen van de mogelijkheid een agrarisch bedrijf te starten op gronden waarop geen agrarisch bouwperceel gelegen is

nieuw agrarisch bouwperceel

het toekennen van de mogelijkheid een agrarisch bedrijf te starten op gronden waarop geen agrarisch bouwperceel gelegen is

nieuw bedrijventerrein

bedrijventerrein waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet

nieuwe stedelijke ontwikkeling

een ten opzichte van het voorheen geldende omgevingsplan dan wel - bij het ontbreken daarvan - het voorheen geldende planologische regiem nieuw beslag op de ruimte, door middel van uitbreiding van bouwmogelijkheden of wijziging van gebruiksmogelijkheden van substantiële aard en omvang ten behoeve van:   a. niet-agrarische bedrijven, woningen, kantoren;  b. voorzieningen voor de uitoefening van detailhandel, zaalsport en vrijetijdsbesteding, dienstverlening of horeca;  c. instellingen voor onderwijs, zorg, cultuur, of bestuur; of d. andere stedelijke voorzieningen

nieuwvestiging

vestiging waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet

normaal agrarisch gebruik

gebruik dat gelet op de bestemming noodzakelijk is voor een goede agrarische bedrijfsvoering en agrarisch gebruik van de gronden

obstakelverlichting

verlichting op hoge bouwwerken, bedoeld om luchtvaartuigen te waarschuwen

park- of lijnopstelling

een geordende eenheid van minimaal 3 windturbines die een gelijke verschijningsvorm hebben

regionale woningbouwafspraken

bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten over de regionale kwantitatieve en kwalitatieve afstemming van gemeentelijke woningbouwplannen, gebaseerd op de regionale indicatieve woningbehoefte volgens de door de provincie vastgestelde bevolking- en huishoudensprognose

ruimtelijke kwaliteit

het geheel van herkomstwaarde, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde

stedelijke ontwikkeling

het ontwikkelen van een stedelijke ontwikkeling voorziening voor:  a. niet-agrarische bedrijven, woningen, kantoren;  b. voorzieningen voor de uitoefening van detailhandel, zaalsport en vrijetijdsbesteding, dienstverlening, horeca;  c. instellingen voor onderwijs, zorg, cultuur, of bestuur; of d. andere stedelijke voorzieningen.

toevoeging van een nieuwe woning

het realiseren van een woning in een bestaand gebouw of het bouwen van een woning anders dan het vervangen van een bestaande woning

transportroutes

de wegen, spoorwegen en wateren in beheer bij gemeente, waterschap en provincie, die niet behoren tot het basisnet zoals aangewezen in artikel 13 van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen

vervangende nieuwbouw

het vervangen van een op hetzelfde perceel aanwezig bestaand gebouw voor een gebouw van gelijke aard, omvang en karakter

vrijgekomen gebouwen

gebouwen die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn of worden onttrokken aan de functie en het gebruik waarvoor ze oorspronkelijk zijn opgericht of zijn bestemd

weg

weg als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994 met inbegrip van de bijbehorende bermsloten

wet

Omgevingswet

windturbine

door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit

woning

gebouw of gedeelte daarvan met een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving

zonnepark

een ruimtelijk samenhangende, grondgebonden of drijvende installatie voor het opwekken van zonne-energie, groter dan 200 m², inclusief een elektriciteit opslagsysteem die in verhouding staat tot het zonnepark. Dit houdt in dat de oppervlakte van het elektriciteit opslagsysteem maximaal 1% van het totaaloppervlak van de technische installatie voor het opwekken van zonne-energie bedraagt met een maximum oppervlakte van 20.000m2.

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_b3c3e4bc-47a4-469d-aa36-b06fe531a2de/nld@2026‑09‑03;2-0

Aanwijzing vaarwegbeheerders

/join/id/regdata/pv20/2026/io_b0d987bc-0310-4f6d-a2d3-a5f4c9a0dfcc/nld@2026‑10‑01;1-0

beperkingengebied provinciale wegen

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_27ebec40-7abd-4b1b-a7e2-39850dd763ab/nld@2026‑09‑03;1-0

beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_6e91cd27-99cf-4ddf-bb35-f5f42688898a/nld@2026‑09‑03;1-0

bergingsgebieden

/join/id/regdata/pv20/2024/gio4c258bca-6154-4e34-b4b8-511d265f88ea/nld@2026‑09‑03;4-0

Beschermd gebied A

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_94dbe429-7ec6-4795-bb4f-f0e3d124ae9e/nld@2026‑09‑03;2-0

Beschermd gebied B

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_03c334e7-bdd0-4475-a257-1dbe43f90be4/nld@2026‑09‑03;2-0

Beschermd gebied C

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_66696f86-6e5c-43b1-8f8f-1ca57c4221c4/nld@2026‑09‑03;2-0

Beschermd gebied D

/join/id/regdata/pv20/2022/gio55c7e525-e868-47dc-955a-febfbbe23318/nld@2022‑09‑07;105-1

beschermde diepe plassen en meren

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_31ad980c-9bb0-4246-a48c-d5f1ba538d80/nld@2026‑09‑03;1-0

beschermde dijken

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_2491c96f-683a-406c-92f5-b11bb453f613/nld@2026‑09‑03;1-0

besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde

/join/id/regdata/pv20/2022/gio9f98440f-ff12-4684-8028-92211b581a60/nld@2022‑09‑07;102-1

boringsvrije zones

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_1947d5f3-f981-4a84-aec0-5580cbedac5d/nld@2026‑09‑03;1-0

Bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland

/join/id/regdata/pv20/2022/gio86784bde-ba15-4b71-ba03-5a5ae5d71dee/nld@2022‑09‑07;114-1

buitengebied

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_f4fbfba8-efce-4d50-a120-3a6d808838ff/nld@2026‑09‑03;2-0

concentratiegebieden grootschalige windenergie

/join/id/regdata/pv20/2022/gioa5875540-60d3-4719-b134-13e0c664e213/nld@2022‑09‑07;100-1

dekzandruggen

/join/id/regdata/pv20/2022/gio82a0cf34-a145-416e-be95-5a160c16b657/nld@2022‑09‑07;112-1

esgehuchten

/join/id/regdata/pv20/2022/giocd062659-c233-4bb5-83f9-1d21a0b37aa6/nld@2022‑09‑07;99-1

essen

/join/id/regdata/pv20/2022/gio231b340c-0eea-47a0-a7f8-f0595c50d2d4/nld@2022‑09‑07;109-1

gebied grootschalige elektriciteit opslagsystemen

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_525187eb-772f-48c7-973e-eb906bd1da48/nld@2026‑09‑03;1-0

Gebied Industrie- en bedrijventerreinen Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl

/join/id/regdata/pv20/2022/giod02be833-a198-4d68-8d08-f94cc3dacd80/nld@2022‑09‑07;125-1

gebied met gemiddelde kans op overstroming van 1 op 10

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_be7aecca-fc10-44cd-ab2c-055d7bcf9b53/nld@2026‑09‑14;1-0

gebied met gemiddelde kans op overstroming van 1 op 25

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_9ef2832c-9fd8-4aeb-a45f-d53e6f4e4c3c/nld@2026‑09‑03;1-0

gebied met gemiddelde kans op overstroming van 1 op 50

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_11477a4c-be14-4f0a-8f9a-1b48951da8aa/nld@2026‑09‑03;1-0

gebied met gemiddelde kans op overstroming van 1 op 100

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_9169c585-b637-44ef-9c35-7b1aef34cbd7/nld@2026‑09‑03;1-0

gebied met potentiële bedrijventerreinen

/join/id/regdata/pv20/2022/gio90688f15-3693-414e-92fd-b7c3614c63f2/nld@2022‑09‑07;133-1

gebied met potentiële veldkavels voor foliemestbassins en mestzakken en mestsilo's

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_0ec6efb6-27d7-49aa-9156-3ca425a71ef7/nld@2026‑09‑16;2-0

gebied tijdelijkheid windenergie

/join/id/regdata/pv20/2022/gio44923d27-0469-4c9b-a10c-794e7799360f/nld@2022‑10‑06;261-1

gebied zonneparken

/join/id/regdata/pv20/2026/giofc581eb4-2773-4d6f-ac2d-e08edb61d7a4/nld@2026‑08‑21;290-4

gebieden met bosgronden van vóór 1850

/join/id/regdata/pv20/2022/gio9ff1cf7f-b3b8-4454-8ed7-d27d266309b9/nld@2022‑09‑07;128-1

Gebieden met reliëfinversie

/join/id/regdata/pv20/2022/gio83226039-969b-4a8b-ace6-4d4f3a5303e1/nld@2022‑09‑07;117-1

gebieden proefprojecten kleine windturbines

/join/id/regdata/pv20/2022/gio24fe3cdd-0fec-4795-9726-17d168f6f222/nld@2022‑09‑07;121-1

gereserveerd tracé spoorverbinding

/join/id/regdata/pv20/2022/gio93cedf97-4fc9-4a73-9ff4-b5ac1854ccdb/nld@2022‑09‑07;134-1

gereserveerd tracé wegverbinding

/join/id/regdata/pv20/2022/giodefd51b1-3eb9-4531-a353-af6619ba1985/nld@2022‑09‑07;123-1

glaciale ruggen

/join/id/regdata/pv20/2022/gio83aa4178-8ff3-471b-9a7b-1d90ba7579de/nld@2022‑09‑07;127-1

groene linten

/join/id/regdata/pv20/2022/gioae11490b-c5bb-44d8-b05f-cf92fd999456/nld@2022‑09‑07;129-1

Grondwaterbeschermingsgebieden

/join/id/regdata/pv20/2022/gio20e67c25-46d3-44a0-ba41-394f1954ba0d/nld@2022‑09‑07;118-1

Grondwaterbeschermingszones

/join/id/regdata/pv20/2022/gioad1a842a-560c-4168-86c0-f4546b021cee/nld@2022‑09‑07;132-1

grootschalig open landschap

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_1cdc5696-5343-498d-978e-dd9f887536e6/nld@2026‑09‑03;2-0

houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier

/join/id/regdata/pv20/2022/gioe23056f3-ff18-48ec-83be-94c3bec52078/nld@2022‑09‑07;167-1

invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_594fb919-b5bc-4f07-a5fc-57bc454d9555/nld@2026‑09‑14;1-0

invloedssfeer plangebied Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl

/join/id/regdata/pv20/2022/gio7e9b1b33-c2fc-4e3c-ae8b-7b94eec32095/nld@2022‑09‑07;169-1

kanalen en wijken

/join/id/regdata/pv20/2022/gio7e7b71ab-b39b-453a-a71b-046bc63047ab/nld@2022‑09‑07;157-1

karakteristieke laagten

/join/id/regdata/pv20/2022/gio0c9b5a63-bcd7-414b-90ee-e44bf4578373/nld@2022‑09‑07;173-1

karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 1 (niet aanpasbaar)

/join/id/regdata/pv20/2022/gio50ef540a-2255-430e-a401-5a53c664562a/nld@2022‑09‑07;151-1

karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 2 (wel aanpasbaar)

/join/id/regdata/pv20/2022/gio29d87f0e-14c3-4d16-83bb-af82b34928df/nld@2022‑09‑07;143-1

karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl

/join/id/regdata/pv20/2022/gio223cd4bf-288b-4d0d-b26b-94ca9df46b8a/nld@2022‑09‑07;175-1

karakteristieke waterlopen

/join/id/regdata/pv20/2022/gio13c96c35-0687-4202-9e62-32ff62bb424b/nld@2022‑09‑07;153-1

karakteristieke wegen Nationaal landschap Middag-Humsterland

/join/id/regdata/pv20/2022/giof9a3512b-e5b9-4a79-8ac2-f16b2a4434f8/nld@2022‑09‑07;149-1

landschap met herkenbare en opstrekkende verkaveling

/join/id/regdata/pv20/2022/gio9f6e5571-ded2-48a7-a9e7-a54592d0d8b9/nld@2022‑09‑07;161-1

landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling

/join/id/regdata/pv20/2022/gio6b8fad23-0c6d-41d8-9712-0ed39530d96c/nld@2022‑09‑07;139-1

Leefgebieden akkervogels

/join/id/regdata/pv20/2022/giof2fa7717-30ba-4c89-ba9f-570ad40db7e5/nld@2022‑09‑07;145-1

Leefgebieden weidevogels

/join/id/regdata/pv20/2022/gio5f8bb441-a855-4b90-9b17-05198c7a5418/nld@2022‑09‑07;147-1

Nationaal Park Drentsche Aa

/join/id/regdata/pv20/2022/gioc03928ca-0888-4908-b875-bded06b8a5cb/nld@2022‑09‑07;159-1

Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa

/join/id/regdata/pv20/2022/gioc6632a48-4936-4a61-9c32-4c6078b43773/nld@2022‑09‑07;155-1

Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_ee8d5570-7b04-44c2-a9fc-9db0b3772642/nld@2026‑09‑03;2-0

Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden

/join/id/regdata/pv20/2025/gio568fe6b2-1240-4a93-a880-f1417b63d84c/nld@2026‑09‑03;4-0

overstromingsgevoelige en laaggelegen gebieden

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_fa859d56-6901-487f-8bec-c3d3000fb65b/nld@2026‑09‑03;1-0

pingoruïnes

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_1a75e47d-3c15-4ec9-b201-6d9371d97cd7/nld@2026‑09‑03;1-0

Plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl

/join/id/regdata/pv20/2022/gio5cfd1f71-55f6-40ae-b74d-ffa2cdba1fc4/nld@2022‑09‑07;201-1

profiel van vrije ruimte van primaire waterkeringen

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_bbc269d7-3520-4ecc-8966-23431662d850/nld@2026‑09‑03;2-0

regionale waterkeringen

/join/id/regdata/pv20/2023/13gio193/nld@2026‑09‑03;4-0

stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_cc383cc3-baae-4374-8822-d4dc53437dc4/nld@2026‑09‑03;2-0

stiltegebieden

/join/id/regdata/pv20/2022/gio47045d6f-3bf9-4da4-8e72-f544f404b25d/nld@2022‑09‑07;185-1

stortplaatsen

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_4dbe9d0f-1c60-4fca-b89c-4021a4fb3308/nld@2026‑09‑03;2-0

toervaartnet

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_169e4de1-2bbe-4494-98b7-f1d111c0902c/nld@2026‑09‑03;1-0

Transportroutes externe veiligheid

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_b98a1bcd-229b-4565-8463-82a85695f405/nld@2026‑09‑03;2-0

Veiligheidszone 1

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_053897e6-19ac-4558-9f69-bd67d874b922/nld@2026‑09‑03;2-0

Veiligheidszone 2

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_fbdcd8c2-3962-4226-8d29-895d743af042/nld@2026‑09‑03;2-0

Veiligheidszone 3

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_52fc3860-87ad-41bc-b782-6d874054d70a/nld@2026‑09‑03;2-0

Veiligheidszone 4

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_43aeec74-245d-4e46-9508-b69635dbe78c/nld@2026‑09‑03;2-0

Voor verzuring gevoelige gebieden

/join/id/regdata/pv20/2026/gio8e16cd91-f275-48fe-a6a2-df897dc0a0a1/nld@2026‑08‑21;276-1

Waddenzee

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_5bd1a666-cf38-4fd0-90e5-840dcb66734c/nld@2026‑09‑03;2-0

watergebonden bedrijfskavels

/join/id/regdata/pv20/2026/gio_da07ee61-b4e1-4e36-bfcb-07b21df413ef/nld@2026‑09‑03;1-0

waterwingebieden

/join/id/regdata/pv20/2022/gio453348d5-7a52-447f-92c0-d227a592bb88/nld@2022‑09‑07;249-1

Wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland

/join/id/regdata/pv20/2026/io_4079ed89-5b56-4a01-a437-ebeadde24942/nld@2026‑10‑01;1-0

wierden

/join/id/regdata/pv20/2022/gioa623794c-5a39-4837-b5ce-01b6641d79cd/nld@2022‑09‑07;237-1

Windpark Delfzijl Noord

/join/id/regdata/pv20/2022/giob0191995-1be5-447f-b73a-fa79b368ecf6/nld@2022‑09‑07;243-1

Windpark Delfzijl Zuid

/join/id/regdata/pv20/2022/gioab758bac-56c1-40ea-a681-a8602b764664/nld@2022‑09‑07;227-1

Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding

/join/id/regdata/pv20/2022/gioa9fe0a99-6379-43c5-a961-e43c5014f9b9/nld@2022‑09‑07;251-1

Windpark Dijkverbetering

/join/id/regdata/pv20/2022/gio20daa275-ec09-49ef-a444-f5cd1f56dd87/nld@2022‑09‑07;239-1

Windpark Eemshaven en Emmapolder

/join/id/regdata/pv20/2022/gioc6eaca18-de48-4a44-9972-54f3aaa10cfa/nld@2022‑09‑07;241-1

Windpark Eemshaven West

/join/id/regdata/pv20/2022/gioba5fa68d-7ce6-4361-9c6e-c1de45bae2d8/nld@2022‑09‑07;219-1

Windpark Eemshaven Zuidoost

/join/id/regdata/pv20/2022/gio6203d19b-6839-4cfd-a57a-d382604ae5f0/nld@2022‑09‑07;233-1

Windpark Geefsweer

/join/id/regdata/pv20/2022/gio4c426aea-9431-48a1-b288-1eb0ff031e6b/nld@2022‑09‑07;247-1

Windpark Oosterhorn

/join/id/regdata/pv20/2022/gio8de56e5c-f0ff-4d0e-8b2a-b57757b56285/nld@2022‑09‑07;231-1

Windpark Oostpolder

/join/id/regdata/pv20/2022/giob4b0f774-e1b2-4b4a-9ee1-39776c37c73a/nld@2022‑09‑07;225-1

zoekgebied robuuste verbindingszones

/join/id/regdata/pv20/2022/gio9376cba3-cc00-44be-bfd8-1a300f087064/nld@2022‑09‑07;223-1

zoekgebied spoorverbinding

/join/id/regdata/pv20/2022/gio6fba10dd-8c9f-4374-a9ad-c7fb8feb5262/nld@2022‑09‑07;221-1

zoekgebied windenergie Roodehaan

/join/id/regdata/pv20/2022/giof401570b-5f1a-487c-9046-a19bdf4ca32f/nld@2022‑09‑07;229-1

zones rond wierden

/join/id/regdata/pv20/2022/gio5bf5840c-578b-4a45-b7d0-a21ec4ece414/nld@2022‑12‑15;265-1

Bijlage 3 Methode ten behoeve van het bepalen van de geurrelevantie

Methode ten behoeve van het bepalen van de geurrelevantie

Om de geurrelevantie te bepalen worden 3 groepen onderscheiden:

Groep 0:

Activiteiten zijn niet geurrelevant als buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten zonder maatregelen geen geur waarneembaar is.

Groep 1:

a.

Activiteiten zijn geurrelevant als zonder maatregelen buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten geen geur waarneembaar is, maar met organisatorische of technische maatregelen met een ander oogmerk dan geur wordt voorkomen dat geur buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten waarneembaar is.

b.

Activiteiten zijn geurrelevant als zonder maatregelen buiten de locatie van de milieubelastende activiteiten geen geur waarneembaar is, maar met organisatorische of technische maatregelen met het oogmerk om geurhinder te voorkomen wordt voorkomen dat geurhinder bij geurgevoelige gebouwen optreedt.

Groep 2:

Activiteiten zijn geurrelevant als ondanks organisatorische of technische maatregelen geurhinder bij geurgevoelige gebouwen niet kan worden voorkomen.

Bijlage 4 Aanwijzing provinciale wegen waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld

Aanwijzing provinciale wegen waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld

Aanwijzing als bedoeld in artikel 7.10a Besluit kwaliteit leefomgeving van provinciale wegen waarvoor op grond van artikel 2.13a Omgevingswet geluidproductieplafonds worden vastgesteld.

N967 Oostereinde (N966) - Ekamp - Finsterwolde

N996 Winsum (N361) - Onderdendam - Garrelsweer (N360)

N387 Hoogezand - Siddeburen (N33)

N983 Aduard (N355) - Wehe den Hoorn (N361)

N987 Siddeburen (N387) - Wagenborgen

N992 Weiwerd (N362) - Woldendorp

N361 Groningen (N28/N370) - Winsum - Lauwersoog (Fr)

N979 Leek - Zevenhuizen - Een West (Dr)

N363 Winsum (N361) - Uithuizen - Spijk (N33)

N997 Delfzijl (N360) - Holwierde (N33)

N366 Veendam - Stadskanaal - Ter Apel - Duitse grens

N963 N385 - Veendam

N975 Onstwedde (N365) - Musselkanaal

N993 Bedum - Ten Boer

N378 Gasselternijveenschemond (Dr) - Stadskanaal - N366

N385 Hoogezand - Bareveld (N33)

N865 Ten Post (N360) - Schildwolde (N387)

N980 Zuidhorn (N355) - Kornhorn - Marum (A7)

N388 A7-Boerakker-Grijpskerk-Zoutkamp-Menneweer(N361)

N860 Haren - Waterhuizen - Foxham (N386)

N372 Hoogkerk (A7) - Peizermade (Dr)  Nietap (Dr) - Leek - A7 (N978)

N46 Groningen-Eemshaven

N995 Bedum - Onderdendam (N996)

N966 Winschoten (A7/N367) - Beerta

N998 Middelstum (N996) - Usquert

N969 Blijham (N368) - Bellingwolde - Duitse grens

N999 Garsthuizen (N46) - Uithuizen

N962 N385 - Kielwindeweer - De Groeve (Dr)

N991 Delfzijl - Weiwerd (N362)

N386 A7 - Foxham - De Groeve (Dr)

N990 Rondweg zeesluis Farmsum

N988 Wagenborgen - N362

N994 Zuidwolde (N46) - Bedum 

N362 Appingedam (N33) - Weiwerd - Scheemda

N976 Vlagtwedde (N365/N368) - Sellingen - Ter Apel (N366)

N367 Winschoten (A7) - Blijham - Nieuwe Pekela (N366)

N370 Ring Groningen(A7-N46)

N360 Groningen (N28) - Appingedam  - Delfzijl

N374 N366 - Stadskanaal - Nw. Buinen (Dr)

N982 Ronde Zwijnshok (N983) - Oldehove

N368 Blijham (N367) - Vlagtwedde (N365)

N365 Alteveer (N366) - Vlagtwedde - Duitse grens

N964 Winschoten - Scheemdermeer - A7

Bijlage 5 Transportroutes externe veiligheid, referentiewaarden

Transportroutes externe veiligheid, referentiewaarden

Tabel 1 referentiewaarden getelde provinciale wegen

Weg

Code telpunt

Wegdeel

Referentiewaarden

 
 
 
 
 
 
 

LF1

LF2

LT1

LT2

GF3

N46

Gr13

Aansluiting A7 - N360

10.000

10.000

25

150

1.050

 

Gr14

N360 - aansluiting ring noord

10.000

10.000

25

0

1.050

 

Gr33

Aansluiting ring noord -N996

10.000

20.000

0

0

2.100

 

Gr11

N996 - Eemshaven

10.000

20.000

0

0

2.100

N362

Gr23

N33 - Oosterhorn

1.100

6.000

325

1.875

125

 

Gr28

Oosterhorn - A7

1.150

12.750

225

1150

75

N366

Gr25

Veendam - Duitse grens

2.150

3.200

0

50

580

N370

Gr20

Ring west

10.000

10.000

0

100

1.050

Tabel 2 referentiewaarden niet getelde provinciale wegen

LF1

LF2

LT1

LT2

GF3

1.000

2.000

0

0

75

Legenda bij tabel 1 en tabel 2

Categorie

Naam

Voorbeeldstof

LF1

Brandbare vloeistof

Heptaan (diesel)

LF2

Brandbare vloeistof

Hexaan (benzine)

LT1

Toxische vloeistof

Acrylnitril

LT2

Toxische vloeistof

Propylamine

GF3

Brandbaar gas

Propaan

Bijlage 6 Overgangsrecht uitbreiding bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij

Overgangsrecht uitbreiding bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij

a.

Tot 1 januari 2019 is het verboden om een hoofd- of neventak intensieve veehouderij te starten. Ook is het verboden om de bestaande stalvloeroppervlakte voor intensieve veehouderij uit te breiden, als dit leidt tot een grotere stalvloeroppervlakte dan:

1. de bestaande stalvloeroppervlakte indien het bedrijf is gelegen binnen het op de kaart aangegeven gebied 'geenuitbreiding stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij';

2. 5000 m², of de bestaande stalvloeroppervlakte indien reeds groter dan 5.000 m², indien het bedrijf is gelegen binnen het op de kaart aangegeven gebied 'uitbreiding stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij tot 5.000 m²; of

3. 7.500 m², of de bestaande stalvloeroppervlakte indien reeds groter dan 7.500 m², indien het bedrijf is gelegen binnen het op de kaart aangegeven gebied 'uitbreiding stalvloeroppervlakte intensieve veehouderij tot 7.500 m².

b.

Het onder a gestelde is niet van toepassing op het verlenen en gebruik maken van een omgevingsvergunning voor het oprichten van nieuwe agrarische bedrijfsgebouwen of het aanwenden van bestaande agrarische bedrijfsgebouwen of het uitbreiden van bestaande gebouwen die leidt tot een grotere stalvloeroppervlakte dan ingevolge het onder a gestelde is toegestaan, indien deze omgevingsvergunning noodzakelijk is om tegemoet te komen aan aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van het milieu of ertoe strekt om het welzijn van de te houden dieren te vergroten door de netto voor het dier beschikbare leefruimte te vergroten mits het aantal te houden dieren zoals is vergund niet toeneemt.

Bijlage 7 Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn: bescherming weidevogels

Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn: bescherming weidevogels

Soort

 

Geelgors

Emberiza citrinella

Gele kwikstaart

Motacilla flava

Graspieper

Anthus pratensis

Grutto

Limosa limosa

Kievit

Vanellus vanellus

Kwartelkoning

Crex crex

Patrijs

Perdix perdix

Scholekster

Haematopus ostralegus

Slobeend

Spatula clypeata

Tureluur

Tringa totanus

Veldleeuwerik

Alauda arvensis

Wulp

Numenius arquata

Watersnip

Gallinago gallinago

Zomertaling

Spatula querquedula

Bijlage 8 Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: ontwikkeling, beheer en onderhoud

Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: ontwikkeling, beheer en onderhoud

Soort

 

Periode

middel

Zoogdieren

 
 
 

Aardmuis

Microtus agrestis

Hele jaar

Vangkooi

Bosmuis

Apodemus sylvaticus

Hele jaar

Vangkooi

Dwergmuis

Micromys minutus

Hele jaar

Vangkooi

Dwergspitsmuis

Sorex minutus

Hele jaar

Vangkooi

Egel

Erinaceus europaeus

Hele jaar

Vangkooi

Gewone bosspitsmuis

Sorex araneus



Hele jaar

Vangkooi

Huisspitsmuis

Crocidura russala

Hele jaar

Vangkooi

Ree

Capreolus capreolus

Hele jaar

Vangkooi

Rosse woelmuis

Myodes glareolus

Hele jaar

Vangkooi

Tweekleurige bosspitsmuis

Sorex coronatus

Hele jaar

Vangkooi

Veldmuis

Microtus arvalis

Hele jaar

Vangkooi

Vos

Vulpes vulpes

Hele jaar

Vangkooi

Woelrat

Arvicola amhibius

Hele jaar

Vangkooi

 
 
 
 

Amfibieën

 
 
 

Bruine kikker

Rana temporaria

Hele jaar



Schepnet

Gewone pad

Bufo bufo

Hele jaar

Schepnet

Kleine watersalamander

Lissotriton vulgaris

Hele jaar

Schepnet

Meerkikker

Pelophylax ridibundus

Hele jaar

Schepnet

Bastaardkikker

Pelophylax esculentus

Hele jaar

Schepnet

Bijlage 9 Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: bestrijding overlast

Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: bestrijding overlast

Soort

 

Periode

Steenmarter

Martes foina

Het hele jaar, uitgezonderd de periode dat de steenmarters jongen hebben die afhankelijk zijn van ouderdieren (tussen 1 maart tot en met 31 juli). Deze uitzondering geldt niet als er minimaal vijf dagen camera-onderzoek heeft plaatsgevonden en er geen activiteit is waargenomen.

Bijlage 10 Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: Asbestsanering

Vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: Asbestsanering

Voorwaarden betreffende de voorbereiding van de werkzaamheden:



a. initiatiefnemer laat door een deskundige een inventarisatie van de aanwezige soorten uitvoeren;

b. deze inventarisatie wordt aan het bevoegd gezag ter beschikking gesteld;



de activiteit wordt binnen één jaar na de inventarisatie uitgevoerd in verband met de vereiste actualiteit van de inventarisatiegegevens.

Voorwaarden betreffende vervangende nestgelegenheid, voortplantings- of rustplaats:



a. per aanwezig nest van de kerkuil of steenuil dat door de werkzaamheden wordt vernield, beschadigd of weggenomen, stelt de initiatiefnemer in ieder geval 3 maanden voor de start van de uitvoering minimaal 2 vervangende nestgelegenheden beschikbaar in de vorm van nestkasten;

b. per aanwezig nest van de huismus dat door de werkzaamheden wordt vernield, beschadigd of weggenomen, stelt de initiatiefnemer in ieder geval 3 maanden voor de start van de uitvoering minimaal 2 vervangende nestgelegenheden beschikbaar in de vorm van een nestkast en nestmateriaal;per aanwezige vaste voortplantingsplaats of rustplaats van de steenmarter of boommarter die door de werkzaamheden wordt vernield of beschadigd stelt de initiatiefnemer na afloop van de werkzaamheden in de directe omgeving van het andere bouwwerk waarvan de asbesthoudende dakplaten worden vervangen, vergelijkbaar nestmateriaal beschikbaar.

Voorwaarden betreffende de werkzaamheden voor het vervangen van de asbesthoudende dakplaten:

a. de werkzaamheden voor het vervangen van de asbesthoudende dakplaten vinden plaats in de periode van 31 augustus tot 15 maart,

b. de werkzaamheden vinden plaats als de temperatuur boven het vriespunt is en er geen jongen of eieren in het nest aanwezig zijn;

c. de werkzaamheden laten de constructie van het bouwwerk inclusief betimmering en boeiboorden ongemoeid;

d. de werkzaamheden worden per dak binnen 5 aaneengesloten dagen uitgevoerd;

e. als uit de inventarisatie of in de periode daarna blijkt dat er een nest van de kerkuil of steenuil aanwezig is, worden de werkzaamheden begeleid door een deskundig ecoloog of de plaatselijke uilenwerkgroep;

f. na afloop van de werkzaamheden is de locatie waarop het nest of de vaste verblijfplaats van de huismus, kerkuil, steenuil, steenmarter of boommarter was gemaakt, weer op dezelfde wijze geschikt en toegankelijk als vóór het uitvoeren van de werkzaamheden.

Bijlage 11 Wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland

Wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland

Wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland.pdf

Bijlage 12 Klasse-indelingen Vaarwegen

Klasse-indelingen Vaarwegen

afbeelding binnen de regeling

Opmerkingen bij tabel:

* Volstaan kan worden met 15m, als op korte afstand een route beschikbaar is > 30m.

** Uitgangspunt grootste Canadese kano, waarbij gebruikers bukken. Diepgang is nodig voor peddels.

BB = Beweegbare brug

Bijlage 13 Aanwijzing vaarwegbeheerders

Aanwijzing vaarwegbeheerders

Aanwijzing vaarwegbeheerders.pdf

Toelichting

Algemene toelichting

Inleiding

Met het inwerkingtreden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is ook de provinciale omgevingsverordening in werking getreden (Provinciaal blad 2023, 14638).

Bij het vaststellen van de verordening is aangekondigd dat, na herziening van de Omgevingsvisie, ook de inhoud van de provinciale omgevingsverordening zou worden herzien.

Op 26 mei 2026 is de nieuwe omgevingsvisie 2025‑2050 “Dit wordt Groningen” vastgesteld. Op basis van de omgevingsvisie is de omgevingsverordening gewijzigd.

Provinciale ambities en provinciaal instrumentarium

De Omgevingsvisie geeft richting aan de inrichting en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving in de komende decennia. In de visie zijn vijf provinciale ambities geformuleerd die richtinggevend zijn voor alle provinciale beleidsinstrumenten:

- Een gezonde, veilige en aantrekkelijke leefomgeving;

- Vitale en duurzaam bereikbare steden en dorpen;

- Een sterke structuur voor innovatie, kennis en werkgelegenheid;

- Een toekomstbestendig landelijk gebied;

- Naar betaalbare en duurzame energie voor Groningen.

De omgevingsverordening vertaalt deze ambities indien nodig naar regels waar inwoners, bedrijven en medeoverheden mee te maken krijgen. De omgevingsverordening vormt daarmee een essentieel onderdeel van het provinciale instrumentarium, naast de Omgevingsvisie, programma’s en het Projectbesluit.

De omgevingsverordening is een instrument met een kaderstellende rol: de regels borgen provinciale belangen en zorgen ervoor dat gemeenten en waterschappen beleid en ambities uit de Omgevingsvisie op een consistente manier verwerken in hun eigen plannen en besluiten.

We zetten de omgevingsverordening in voor onderwerpen waarvoor de provincie het belangrijk vindt dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord en in programma’s wordt uitgewerkt.

Wettelijke grondslag:

De Omgevingswet is de basis voor de omgevingsverordening.

Het Rijk heeft met de vaststelling van de Omgevingswet en de bijbehorende uitvoeringsbesluiten en uitvoeringsregeling een fundamentele herziening van het omgevingsrecht gerealiseerd. Doel van de Omgevingswet is dat het omgevingsrecht inzichtelijker en voorspelbaarder wordt en het gebruiksgemak van iedereen groter wordt. Ook moet er onder de Omgevingswet meer ruimte komen voor initiatieven van onderop. De Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking is getreden, integreert zo'n 26 wetten op het gebied van de fysieke leefomgeving. Hieronder vallen onderwerpen als: bouwen, milieu, waterbeheer, ruimtelijke ordening, monumentenzorg en natuur.

Omgevingswet: scheiding beleid en normstelling

De Omgevingswet biedt het wettelijke kader en de wettelijke instrumenten voor het (uit)voeren van omgevingsbeleid. De wet heeft een instrumenteel karakter en doet geen beleidsinhoudelijke uitspraken over wat in het belang van de fysieke leefomgeving is.

De Omgevingswet gaat uit van een scheiding van beleid en normstelling. De provincie is verplicht om een Omgevingsvisie vast te stellen voor het hele provinciale grondgebied. De Omgevingsvisie bevat een beschrijving in hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied en de hoofdzaken van het integrale beleid dat voor de fysieke leefomgeving wordt gevoerd (artikel 3.2 Omgevingswet)

Voor omgevingsvisies geldt dat zij alleen bindend zijn voor de betreffende overheidslaag. Om de doorwerking van het provinciale beleid veilig te stellen door middel van regulering, zal de provincie het juridische instrumentarium moeten inzetten dat in de Omgevingswet hiervoor beschikbaar wordt gesteld. Dat is voorliggende omgevingsverordening.

Gewijzigde indeling van de verordening

Eerdere versies van de omgevingsverordening bestonden uit een sectorale indeling, waarbij regels waren onderverdeeld in onderwerpen zoals natuur, water en milieu.

Deze omgevingsverordening is functioneel ingedeeld, waarbij de regels zijn gegroepeerd rond de activiteiten die iemand wil uitvoeren. Deze opzet sluit beter aan op de Omgevingswet en het Omgevingsloket. Hierdoor zijn de regels begrijpelijker en beter vindbaar voor inwoners, bedrijven en overheden.

De Omgevingsverordening heeft een vaste en overzichtelijke structuur. In hoofdstuk 1 staan algemene bepalingen die voor alle regels gelden, zoals definities, regels over gebiedsaanwijzingen, meet- en rekenregels en de maatschappelijke doelen van de provincie.

Hoofdstuk 2 bevat de omgevingswaarden: meetbare doelen waaraan de provincie wil voldoen. Het gaat hierbij zowel om verplichte omgevingswaarden, zoals veiligheid van regionale waterkeringen en waterberging, als om niet‑verplichte waarden zoals gecumuleerd geluid.

In Hoofdstuk 3 zijn de regels over activiteiten opgenomen. Dit hoofdstuk begint met algemene bepalingen en bevat vervolgens per activiteit een aparte afdeling. Voor elke activiteit is aangegeven of deze is toegestaan, of er sprake is van een meldingsplicht, een vergunningplicht of dat de activiteit verboden is en welke indieningsvereisten of beoordelingsregels daarbij horen.

Hoofdstuk 4 bevat de instructieregels. Een instructieregel is een algemene regel waarmee de provincie aangeeft hoe een ander bestuursorgaan zijn taak of bevoegdheid moet uitvoeren. Het gaat hierbij om gemeenten, waterschappen en in enkele gevallen gedeputeerde staten. Instructieregels gaan niet over wat inwoners of bedrijven moeten doen, maar over hoe overheden hun eigen instrumenten moeten maken of gebruiken, zoals een omgevingsplan of een waterschapsverordening. Instructieregels kunnen betrekking hebben op de manier waarop een taak moet worden uitgevoerd, of op de inhoud of motivering van een plan of besluit.

In Hoofdstuk 5 gaat over de toedeling en uitvoering van taken. Hoofdstuk 6 bevat een slotbepaling.

De bijlagen bevatten onder meer de begrippenlijst en de geometrische gegevens van de gebieden waarop regels van toepassing zijn.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

De begrippen die in de verordening worden gebruikt zijn opgenomen in de bijlage bij de verordening. Daarnaast is in dit artikel bepaald dat de begripsbepalingen uit de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit, de Omgevingsregeling, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving en de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing is, tenzij in de bijlage daarvan is afgeweken.

Artikel 1.3 Werkingsgebieden

Dit artikel wijst de werkingsgebieden in deze omgevingsverordening aan en begrenst deze. De werkingsgebieden waar in artikelen naar wordt verwezen, worden aangewezen door dit artikel.

Artikel 1.4 Doelen van de omgevingsverordening

In dit artikel worden de doelen van deze omgevingsverordening weergegeven.

Artikel 1.5 Ontheffing

Eerste lid

Artikel 2.32 van de Omgevingswet biedt een grondslag voor Provinciale Staten bij een instructieregel een ontheffingsbevoegdheid voor Gedeputeerde Staten op te nemen. Deze ontheffingsbevoegdheid heeft betrekking op bijzondere gevallen waarmee Provinciale Staten bij het vaststellen van de instructieregels voor omgevingsplannen geen rekening hebben gehouden. De toepassing van de ontheffingsbevoegdheid vraagt een afweging tussen aan de ene kant de provinciale belangen die bij het vaststellen van de algemene regels zijn beoogd en aan de andere kant de belangen die gediend kunnen worden als de ontwikkeling kan worden gerealiseerd waarvoor de gemeente ontheffing vraagt. Als het provinciale belang niet opweegt tegen de (gemeentelijke) belangen die worden belemmerd als strikt wordt vastgehouden aan de algemene regel, dan kan dat reden zijn om de ontheffingsbevoegdheid toe te passen. Eventueel kunnen voorschriften worden verbonden aan de ontheffing die ervoor moeten zorgen dat de provinciale belangen waarvoor de algemene regel in het leven is geroepen ook bij het verlenen van de ontheffing zo goed mogelijk worden gediend.

Deze ontheffing is alleen bedoeld voor incidentele gevallen. De ontheffingsbevoegdheid is niet bedoeld als algemene oplossing voor situaties waarin het in de verordening vertaalde beleid niet meer actueel is of voor reguliere gevallen waarin de algemene regels van de omgevingsverordening belemmeringen opleveren. Als mocht blijken dat het gewenst is om voor een serie van gevallen de ontheffingsbevoegdheid toe te passen, heeft het veelal de voorkeur om de omgevingsverordening aan te passen.

Als een bestuursorgaan een verzoek tot ontheffing wil doen, is het van belang om vroegtijdig over te gaan tot overleg en afstemming met de provincie. In het voortraject kan overleg plaatsvinden over de onderbouwing van de aanvraag, met name met betrekking tot het bijzondere en incidentele karakter van de situatie waarvoor de ontheffing wordt gevraagd.

Tweede lid

Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. De voorschriften moeten strekken ter bescherming van het belang dat wordt gediend met de instructieregel waarvan wordt afgeweken ter inkadering van de mate van afwijking.

Derde lid

Ter bescherming van het belang dat wordt gediend met de instructieregel waarvan wordt afgeweken kan een ontheffing voor een bepaalde tijd worden verleend, bijvoorbeeld voor een BOPA voor een tijdelijke afwijking van het omgevingsplan.

Artikel 2.1 Gecumuleerd geluid

In de structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is bovenwettelijk een grens gesteld voor gecumuleerd geluid afkomstig van het plangebied van de structuurvisie. Doel hiervan is omwonenden te beschermen tegen een ongewenst hoge stapeling van diverse vormen van geluid. Deze grens geldt nu als omgevingswaarde binnen de invloedssfeer van het plangebied van de structuurvisie. De invloedssfeer bepaalt het gebied waar de omgevingswaarde wordt beoordeeld. Buiten dit gebied is vanwege de grote afstand tot het plangebied geen relevante invloed van gecumuleerd geluid te verwachten, waardoor dit daar niet wordt beoordeeld. Op grond van art. 2.12 Omgevingswet stelt de provincie deze omgevingswaarde.

Artikel 2.2 Omgevingswaarde gecumuleerd geluid

Het plangebied van de structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is met de in 1993 vastgestelde geluidzone en de in 2014 vastgestelde Structuurvisie Wind op Land (van het rijk) bestemd voor de grootschalige ontwikkeling van industrie en windparken. De hoogte van de omgevingswaarde voor gecumuleerd geluid is gesteld in de structuurvisie Eemsmond-Delfzijl, op basis van het MER voor die structuurvisie. De norm garandeert geen stille omgeving maar zo laag gesteld als met de beoogde ontwikkelingen redelijkerwijs mogelijk is en biedt bovenop de sectorale geluidnormen een begrenzing van geluid. Of aan de waarde wordt voldaan dient bij het toelaten van elke nieuwe ontwikkeling op elke (burger)woning in de invloedssfeer te worden beoordeeld, aan de hand van de vergunningen c.q. kenmerken van die ontwikkeling.

Artikel 2.3 Aard omgevingswaarde gecumuleerd geluid

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de wet moet bij het vaststellen van een omgevingswaarde worden bepaald wat voor soort verplichting de omgevingswaarde met zich meebrengt. In dit artikel is bepaald dat de omgevingswaarde voor de gecumuleerd geluid resultaatsverplichtingen zijn.

Artikel 2.4 Monitoring omgevingswaarde gecumuleerd geluid

De totaalresultaten worden op basis van jaargemiddelden bijgehouden en getoond in de milieumonitor. Dit onderdeel van de milieumonitor is niet bedoeld voor toezicht en handhaving, dat vindt (zonodig) plaats voor de afzonderlijke geluidbronnen en grenswaarden daarvoor. Op grond van artikel 20.1, eerste lid van de wet blijkt dat elke vastgestelde omgevingswaarde door monitoring bewaakt moet worden. Uit artikel 20.2, eerste lid van de wet volgt dat bij omgevingsverordening de methode van monitoring en het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de monitoring moet worden aangewezen.

Artikel 2.5 Verslaglegging omgevingswaarde gecumuleerd geluid

Uit artikel 20.14, eerste lid van de wet volgt dat het bestuursorgaan dat op grond van artikel 20.2, eerste lid, van de wet belast is met de uitvoering van de monitoring moet zorgen voor de verslaglegging van de resultaten van de monitoring voor omgevingswaarden, de beoordeling van die resultaten en de toetsing of aan die omgevingswaarden wordt voldaan. In dit artikel wordt de methode en de frequentie van de verslaglegging bepaald.

Artikel 2.6 Doorwerking omgevingswaarde gecumuleerd geluid

Met deze instructieregel worden de colleges van burgemeester en wethouders opgedragen om de omgevingswaarde gecumuleerd geluid in acht te nemen bij de uitoefening van haar ruimtelijke bevoegdheden binnen het werkingsgebied.

Afdeling 2.2 Afdeling Omgevingswaarden watersystemen

Op grond van artikel 2.13, eerste lid, onder a van de wet is de provincie verplicht om bij omgevingsverordening met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast in ieder geval omgevingswaarden vaststellen voor de veiligheid van de bij verordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen, voor zover die niet bij het Rijk in beheer zijn. Het betreft hier de regionale waterkeringen. De regionale waterkeringen in de provincie Groningen zijn aangewezen en geometrisch begrensd zoals vastgelegd in bijlage 2.

Voor de veiligheid van de gebieden die door regionale waterkeringen worden beschermd geldt als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstanden. De maatgevende hoogwaterstanden worden vastgesteld door gedeputeerde staten en geven aan bij welke waterstand een regionale waterkering nog veilig moet kunnen keren. De overschrijdingskans geeft de kans aan dat een maatgevende hoogwaterstand wordt overschreden

Artikel 2.7 Omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

Op grond van artikel 2.13, eerste lid, onder a van de wet is de provincie verplicht om bij omgevingsverordening met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast in ieder geval omgevingswaarden vaststellen voor de veiligheid van de bij verordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen, voor zover die niet bij het Rijk in beheer zijn. Het betreft hier de regionale waterkeringen. De regionale waterkeringen in de provincie Groningen zijn aangewezen en geometrisch begrensd zoals vastgelegd in Bijlage 2 Overzicht informatieobjecten.

Voor de veiligheid van de gebieden die door regionale waterkeringen worden beschermd geldt als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstanden. De maatgevende hoogwaterstanden worden vastgesteld door gedeputeerde staten en geven aan bij welke waterstand een regionale waterkering nog veilig moet kunnen keren. De overschrijdingskans geeft de kans aan dat een maatgevende hoogwaterstand wordt overschreden

Artikel 2.8 Aard omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de wet moet bij het vaststellen van een omgevingswaarde worden bepaald wat voor soort verplichting de omgevingswaarde met zich meebrengt. In dit artikel is bepaald dat de omgevingswaarden voor de veiligheid van de regionale waterkeringen resultaatsverplichtingen zijn.

Artikel 2.9 Uitzonderingsmogelijkheid omgevingswaarden veiligheid regionale waterkeringen

De omgevingswaarden voor de veiligheid van regionale waterkeringen brengen verplichtingen met zich om die omgevingswaarden te verwezenlijken. Aangezien er geen termijn opgenomen is waarbinnen aan deze omgevingswaarden voldaan moet worden, betekent dit dat de termijn reeds in het verleden ligt. Op verzoek van het dagelijks bestuur van het waterschap kan deze termijn op grond van dit artikel worden verlengd onder de voorwaarden die opgenomen zijn in dit artikel.

Artikel 2.10 Doorwerking omgevingswaarden regionale waterkeringen

Met deze instructieregel wordt het waterschap opgedragen om bij de zorg voor de regionale waterkeringen de omgevingswaarden in acht te nemen.

Artikel 2.11 Monitoring omgevingswaarden regionale waterkeringen

Op grond van artikel 20.1, eerste lid van de wet blijkt dat elke vastgestelde omgevingswaarde door monitoring bewaakt moet worden. Uit artikel 20.2, eerste lid van de wet volgt dat bij omgevingsverordening de methode van monitoring en het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de monitoring moet worden aangewezen. Middels dit artikel wordt de verplichting hiertoe neergelegd bij het dagelijks bestuur van het waterschap.

Artikel 2.12 Verslaglegging omgevingswaarden regionale waterkeringen

Uit artikel 20.14, eerste lid van de wet volgt dat het bestuursorgaan dat op grond van artikel 20.2,

eerste lid van de wet belast is met de uitvoering van de monitoring moet zorgen voor de verslaglegging van de resultaten van de monitoring voor omgevingswaarden, de beoordeling van die resultaten en de toetsing of aan die omgevingswaarden wordt voldaan. In dit artikel wordt de methode en de frequentie van de verslaglegging bepaald.

Artikel 2.13 Omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren

Op grond van artikel 2.13, eerste lid, onder b van de wet is de provincie verplicht om bij omgevingsverordening met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het voorkomen of beperken van wateroverlast in ieder geval omgevingswaarden vaststellen voor de gemiddelde kans op overstroming per jaar van de bij verordening aangewezen gebieden met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht.

De norm wordt uitgedrukt met de gemiddelde overstromingskans van gebieden en geeft daarmee de hoogst toelaatbare geachte kans op overstroming weer.

Artikel 2.14 Aard omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de wet moet bij het vaststellen van een omgevingswaarde worden bepaald wat voor soort verplichting de omgevingswaarde met zich meebrengt. In dit artikel is bepaald dat de omgevingswaarden voor de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren inspanningsverplichtingen zijn.

Artikel 2.15 Doorwerking omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren

Met deze instructieregel wordt het waterschap opgedragen om bij de zorg voor regionale wateren rekening te houden met de omgevingswaarden.

Artikel 2.16 Monitoring omgevingswaarden bergings- en afvoeracapciteit regionale wateren

Op grond van artikel 20.1, eerste lid van de wet blijkt dat elke vastgestelde omgevingswaarde door monitoring bewaakt moet worden. Uit artikel 20.2, eerste lid van de wet volgt dat bij omgevingsverordening de methode van monitoring en het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de monitoring moet worden aangewezen. Middels dit artikel wordt de verplichting hiertoe neergelegd bij het dagelijks bestuur van het waterschap.

Artikel 2.17 Verslaglegging omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit regionale wateren

Uit artikel 20.14, eerste lid van de wet volgt dat het bestuursorgaan dat op grond van artikel 20.2, eerste lid van de wet belast is met de uitvoering van de monitoring moet zorgen voor de verslaglegging van de resultaten van de monitoring voor omgevingswaarden, de beoordeling van die resultaten en de toetsing of aan die omgevingswaarden wordt voldaan. In dit artikel wordt de methode en de frequentie van de verslaglegging bepaald.

Afdeling 3.1 Algemeen

In dit artikel is bepaald tot wie de regels van dit hoofdstuk zijn gericht. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor meldingplichtige activiteiten en de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit hoofdstuk, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden.

Artikel 3.1 Normadressaat

In dit artikel is bepaald tot wie de regels van dit hoofdstuk zijn gericht. Binnen het stelsel van de wet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Voor vergunningplichtige activiteiten is dat expliciet verwoord in artikel 5.37, eerste lid, van de wet. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Deze moet de vergunningvoorschriften zelf naleven en zorgen dat deze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd. Dit artikel bevat een soortgelijke bepaling voor meldingplichtige activiteiten en de activiteiten die worden geregeld met algemene regels: degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van dit hoofdstuk, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden.

Artikel 3.2 Algemene gegevens bij een melding

Dit artikel regelt welke algemene gegevens in ieder geval moeten worden ingediend bij het doen van een verplichte melding op grond van deze verordening.

Artikel 3.3 Gegevens bij wijzigen algemene gegevens

Dit artikel voorziet in het eerste lid in de verplichting een naams- of adreswijziging door te geven aan het bevoegd gezag voordat die wijziging een feit is. In het tweede lid is voorzien in de verplichting om bij de overdracht van een activiteit aan iemand anders (bijvoorbeeld door wisseling van de eigenaar van een bedrijf), de daardoor gewijzigde gegevens ten minste vier weken voorafgaand aan de overgang aan het bevoegd gezag te verstrekken.

Artikel 3.4 Toepassingsbereik

Tijdelijke regels in deze afdeling zorgen ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in Hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop door gemeenten het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

Artikel 3.5 Oogmerken

Tijdelijke regels in deze afdeling zijn gesteld met dezelfde doelen waarvoor in Hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld.

Artikel 3.6 Verbod opslag en berging van radioactief afval en ander gevaarlijk afval

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hHoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

Artikel 3.7 Vergunningplicht grondwatersanering

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

Artikelen 3.7 tot en met 3.12 van deze afdeling gaan over grondwaterverontreiniging. Het provinciebestuur heeft volgens artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de wet de verantwoordelijkheid voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn en heeft hierin een belangrijke kaderstellende taak. Vanuit deze verantwoordelijkheid zijn aanvullende regels gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grond- en drinkwater. Met het vervallen van de Wet bodembescherming verdwijnt de wettelijke dekking voor het doel van de Grondwaterrichtlijn "voorkomen en beperken van inbreng van verontreinigende stoffen, Prevent en Limit". Met de aanvullende regels wordt bereikt dat er eenzelfde beschermingsniveau voor grondwater wordt bereikt als onder de Wet bodembescherming.

Artikel 3.8 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning grondwatersanering

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

In deze tijdelijke regel is bepaald welke gegevens moeten worden verstrekt bij de aanvraag. De beoordeling van de gegevens is aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.9 Evaluatieverslag grondwatersanering

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

In deze tijdelijke regel is niet-limitatief bepaald welke gegevens moeten worden verstrekt bij het indienen van een evaluatieverslag. De beoordeling van de gegevens is aan gedeputeerde staten. Gedeputeerde staten kunnen bepalen dat er nog andere of aanvullende gegevens nodig zijn.

Artikel 3.10 Nazorgplan grondwatersanering

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

Deze tijdelijke regel voorziet in een nazorgplan. In specifieke omstandigheden kan een nazorgplan nodig zijn. Hierin wordt aangegeven hoe een eventuele restverontreiniging wordt beheerst. Het nazorgplan wordt ingediend door of namens de saneerder. De beoordeling van het nazorgplan is aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.11 Nazorgmaatregelen grondwatersanering

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

In dit artikel is bepaald dat maatregelen in het kader van de nazorg ten aanzien van grondwatersaneringen uitgevoerd worden en, indien noodzakelijk, in stand worden gehouden.

Artikel 3.12 Beoordelingsregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit grondwatersanering (bronverwijdering)

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

De beoordeling of wordt voldaan aan de in dit artikel opgenomen criteria is aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.13 Aanvraagvereiste omgevingsvergunning milieubelastende activiteit in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

Dit artikel bepaalt dat in een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit met potentieel significante lichtemissie in een aandachtsgebied voor stilte en duisternis een lichtplan wordt opgenomen. Op die wijze wordt duisternis in onze provincie beschermd en wordt onnodige lichtemissie zoveel als redelijkerwijs mogelijk voorkomen.

Artikel 3.14 Vergunningplicht milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

Deze tijdelijke regel is van toepassing op de industrieterreinen uit de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl. Industrieterreinen zijn oorspronkelijk bestemd voor de bedrijfscategorieën 1 tot en met 5. Hierdoor kunnen er hoeveelheden stoffen aanwezig zijn boven de grenswaarden van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor dergelijke activiteiten zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving risiconormen van toepassing vastgelegd. Deze risiconormen worden bepaald met de rekenmethode Safeti.nl. De faalkansen zijn daarmee in eerste aanleg branche-eigen faalkansen. In de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is vastgelegd dat op de industrieterreinen Eemshaven en Oosterhorn zowel bedrijven met bulkhoeveelheden gevaarlijke stoffen en windturbines kunnen worden gevestigd opgericht. Uit de faalstatistieken blijkt dat een windturbine kan omvallen, dat de turbinekop eraf kan vallen en dat een turbineblad kan losraken. Dit zijn branchevreemde oorzaken voor zware ongevallen in bedrijven met gevaarlijke stoffen. Incidenten buiten de reguliere bedrijfsvoering van risicovolle bedrijven, zoals die door windturbines, zijn branchevreemde oorzaken van zware ongevallen. De regels in deze afdeling beogen dat de faalscenario's van windturbines worden betrokken bij de risicobepaling. De branchevreemde oorzaken verhogen het risico. Wanneer ze het bedrijfseigen risico (zonder de verdiscontering van het risico van de aanwezigheid van de windturbines) met meer dan 10% verhoogt, dient het plan of de aanvraag voor de oprichting of de wijziging van de activiteit te voldoen aan de risiconorm van het Besluit activiteiten leefomgeving en dient het de maatregelen te overwegen om het risico te verminderen. Deze toelichting is ook van toepassing op de volgende artikelen over aanvraagvereisten en de beoordelingsregel voor plaatsgebonden risico.

Artikel 3.15 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - plaatsgebonden risico

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

Dit artikel geeft aanvraagvereisten voor de tijdelijke regel.

Artikel 3.16 Beoordelingsregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - plaatsgebonden risico

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

Deze tijdelijke regel is een beoordelingsregel.

Artikel 3.17 Verbod bouw kerncentrales en kolencentrales

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels voor de bouw van kerncentrales en kolencentrales in overeenstemming is gebracht.

Artikel 3.18 Vergunningplicht plaatsen van zonneparken op bedrijventerreinen

Deze tijdelijke regels richten zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgen ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in Hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels voor zonneparken in overeenstemming is gebracht.

Artikel 3.19 Verbod dempen, verondiepen en wijzigen gebruik van beschermde diepe plassen en meren

Deze tijdelijke regels richten zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in Hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels in overeenstemming is gebracht.

In het eerste lid wordt onder meer bepaald dat het geheel of gedeeltelijk verondiepen van diepe plassen en meren niet is toegestaan. Diepe plassen kennen vaak een specifieke stratificatie (temperatuur- en lagenopbouw). Verondieping kan dit evenwicht verstoren, met gevolgen voor het temperatuurregime, de zuurstofverdeling en de vegetatiestructuur. Daarnaast kan verondieping leiden tot negatieve effecten op het bodemleven (benthos), doordat dit direct wordt bedekt of vernietigd. Dit kan resulteren in verlies van biodiversiteit en minder geschikte leefgebieden voor vissen en macrofauna.

In het tweede lid is bepaald dat het verbod om de verondiepen voor bepaalde werkzaamheden niet geldt. Onder a worden werkzaamheden benoemd die de stabiliteit van oevers bevorderen of afkalving voorkomen. Dit kunnen natuurlijke en technische werkzaamheden zijn. Onder de natuurlijke werkzaamheden wordt onder meer verstaan:

  • het aanbrengen van beplanting (riet, gras, wilgen en andere oeverplanten);

  • het toepassen van beschoeiing met levende materialen (zoals wilgentenen en rijshoutconstructies);

  • het creëren van flauwe hellingen in plaats van steile oevers;

  • het aanbrengen van oevermatten (bijv. kokosmatten) en het ontwikkelen van oeverzones met moerasvegetatie.

Onder technische (civieltechnische) maatregelen die de stabiliteit van oevers bevorderen of afkalving voorkomen wordt onder meer verstaan:

  • het aanbrengen van beschoeiingen (houten, stalen, betonnen of kunststof damwanden);

  • het toepassen van steenbestorting (stortsteen of breuksteen);

  • het gebruik van geotextielen en geogrids;

  • het realiseren van gabionconstructies;

  • het verstevigen van taluds.

Daarnaast worden onder b werkzaamheden uitgezonderd van het verbod, die worden uitgevoerd bij het afwerken van een ontgrondingsactiviteit (zoals zand- of kleiwinning) die zijn gericht op een veilige, stabiele en landschappelijk verantwoorde afronding van het terrein, conform de eisen uit de omgevingsvergunning voor de ontgrondingsactiviteit. Deze werkzaamheden hebben vaak als doel het stabiliseren en versterken van oevers en taluds.

Artikel 3.20 Verbod dempen of verleggen sloten in karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl

Deze tijdelijke regel richt zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgt ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels voor het dempen of verleggen van sloten binnen het karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl in overeenstemming is gebracht.

Artikel 3.21 Toepassingsbereik

In dit artikel wordt het toepassingsbereik van deze afdeling bepaald.

Artikel 3.22 Verbod starten of uitbreiden van intensieve veehouderij

Deze tijdelijke regels richten zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgen ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels voor het starten of uitbreiden van intensieve veehouderij in overeenstemming is gebracht.

Artikel 3.23 Verbod op het oprichten van voorzieningen voor mestopslag en veevoer buiten het agrarisch bouwperceel

Deze tijdelijke regels richten zich rechtstreeks op degene die de activiteit uitvoert en zorgen ervoor dat geen activiteiten worden verricht die strijdig zijn met de doelen waarvoor in hoofdstuk 4 instructieregels zijn gesteld. Dit artikel geldt tot het moment waarop het omgevingsplan met de instructieregels voor het oprichten van voorzieningen voor mestopslag en veevoer buiten het agrarisch bouwperceel in overeenstemming is gebracht.

Artikel 3.24 Toepassingsbereik

Het provinciebestuur heeft volgens artikel 2.18 van de Omgevingswet, eerste lid, onder b, van de wet de taak om geluid in stiltegebieden te voorkomen of beperken. Ter uitvoering van die taak moet het provinciebestuur in de verordening stiltegebieden aanwijzen en regels stellen over het voorkomen of beperken van geluidbelasting (artikel 2.27, onder c, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 7.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

Artikel 3.26 Verboden activiteiten in stiltegebieden

Dit artikel wijst activiteiten aan waarvan de geluidbelasting in stiltegebieden rechtstreeks door deze verordening wordt gereguleerd.

Artikel 3.27 Verboden activiteiten in stiltegebieden - het gebruik van voertuigen en bewegende objecten

Dit artikel wijst activiteiten aan waarvan de geluidbelasting in stiltegebieden rechtstreeks door deze verordening wordt gereguleerd.

Artikel 3.28 Verboden activiteiten in stiltegebieden - wapens, vuurwerk en seinmiddelen

Dit artikel wijst activiteiten aan waarvan de geluidbelasting in stiltegebieden rechtstreeks door deze verordening wordt gereguleerd.

Artikel 3.29 Verboden activiteiten in stiltegebieden - muziekinstrumenten en geluidsinstallaties

Dit artikel wijst activiteiten aan waarvan de geluidbelasting in stiltegebieden rechtstreeks door deze verordening wordt gereguleerd.

Artikel 3.32 Vergunningvoorschriften milieubelastende activiteiten in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Dit artikel bepaalt dat in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, indien dit nodig wordt geacht, een verplichting tot het maken van een lichtplan wordt opgenomen. Op die wijze wordt duisternis in onze provincie beschermd en wordt onnodige lichtemissie zoveel als redelijkerwijs mogelijk voorkomen.

Artikel 3.33 Nieuwe activiteiten in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Dit artikel zorgt ervoor dat door nieuwe activiteiten zo min mogelijk de heersende stilte en duisternis, in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis, worden verstoord. Daarmee worden de aandachtsgebieden zo goed als redelijkerwijs mogelijk beschermd.

Artikel 3.34 Specifieke zorgplicht

In dit artikel is een specifieke zorgplicht opgenomen als vangnetbepaling; om onvoorziene situaties te reguleren en zo in alle gevallen de bescherming van de aandachtsgebieden voor stilte en duisternis te garanderen. Een specifieke zorgplicht is een algemene regel en geldt rechtstreeks voor burgers en bedrijven.

Artikel 3.35 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over alle activiteiten op gesloten stortplaatsen. Gedeputeerde Staten hebben de zorg voor gesloten stortplaatsen, en volgens artikel 2.15, tweede lid, onder c, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan een aanvullend verbod worden gesteld om een activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten, vanwege het uitoefenen van taken op het gebied van de zorg voor een gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8.49 van de Wet milieubeheer.

In Bijlage 2 Overzicht informatieobjecten is het werkingsgebied 'stortplaatsen' aangewezen. Dit werkingsgebied bevat zowel gesloten als nog niet gesloten stortplaatsen. De werking van de artikelen die binnen het gebied 'stortplaatsen' vallen, wordt echter beperkt doordat de betreffende afdeling alleen gaat over activiteiten op gesloten stortplaatsen. Dit betekent dat de specifieke zorgplicht en de vergunningplicht niet gelden voor een nog niet gesloten stortplaats die is gelegen in het werkingsgebied 'stortplaatsen'. Zodra een stortplaats wel gesloten wordt, gelden de specifieke zorgplicht en de vergunningplicht wel.

Artikel 3.36 Oogmerken

De regels hebben de strekking de veiligheid, de gezondheid en de bescherming van het milieu te waarborgen. De afbakening van de regels tot dit oogmerk, overeenkomstig artikel 2.1, derde lid, van de wet, is passender dan mogelijk was onder de Wet milieubeheer. Deze belangen kunnen worden aangetast als gevolg van milieubelastende activiteiten in, op, onder of over een gesloten stortplaats.

Artikel 3.37 Specifieke zorgplicht

Zie toelichting bij het artikel over toepassingsbereik.

Artikel 3.38 Omgevingsvergunning activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen

Zie toelichting bij het artikel over toepassingsbereik.

Artikel 3.39 Beoordelingsregel omgevingsvergunning activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen

In dit artikel zijn de beoordelingsregels opgenomen voor het verlenen van een omgevingsvergunning. Een omgevingsvergunning voor een activiteit op een gesloten stortplaats kan alleen worden verleend als wordt voldaan aan de in dit artikel opgenomen criteria. De beoordeling of wordt voldaan aan de in dit artikel opgenomen criteria is aan gedeputeerde staten. 

Met ‘wettelijke nazorgtaak’ in sub b wordt bedoeld de taak van gedeputeerde staten die volgt uit artikel 8.49 lid 1 jo artikel 8.50 Wet milieubeheer om ervoor te zorgen dat gewaarborgd wordt dat een gesloten stortplaats geen nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt, dan wel, voor zover dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de grootst mogelijke bescherming wordt geboden tegen die nadelige effecten.

Daartoe worden maatregelen getroffen. Deze maatregelen worden vastgelegd in een nazorgplan, dat de instemming van Gedeputeerde Staten behoeft. Gedeputeerde Staten zijn als bevoegd gezag belast met deze maatregelen.

De ‘nazorgregeling’ en de regels omtrent de financiering van de nazorg(maatregelen) zijn te vinden in paragraaf 8.2 en titel 15.11 van de Wet milieubeheer.

Artikel 3.40 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen

In dit artikel is bepaald welke gegevens bij de aanvraag om een omgevingsvergunning moeten worden verstrekt. De beoordeling van de volledigheid van deze gegevens is aan gedeputeerde staten.

Artikel 3.41 Vergunningvoorschriften activiteiten in, op, onder of over gesloten stortplaatsen

In dit artikel is bepaald welke voorschriften tenminste aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Er kunnen daarnaast nog andere voorschriften aan de omgevingsvergunning worden verbonden.

Artikel 3.43 Verplichte toepassing naderingsdetectiesysteem windturbines ten behoeve van het beperken van lichthinder

De obstakelverlichting van windturbines kan voor overlast zorgen bij omwonenden en verstoort de duisternis in de provincie Groningen.

Vanwege nationale en internationale luchtvaartveiligheidsnormen, is het voor exploitanten van windturbines hoger dan 150 meter verplicht om obstakelverlichting aan te brengen. Sinds 2023 voorziet de Inspectie Leefomgeving en Transport in de mogelijkheid om windturbines te voorzien van een naderingsdetectiesysteem. Een dergelijk systeem zorgt ervoor dat de obstakelverlichting alleen wordt ingeschakeld wanneer een luchtvaartuig nabij is. Daardoor is voor een groot gedeelte van de tijd de obstakelverlichting uitgeschakeld.

Met dit artikel wordt beoogd duisternis in de provincie Groningen te beschermen en lichthinder bij omwonenden te beperken. De plicht om een systeem van naderingsdetectie aan te brengen is van toepassing op alle windturbines in de provincie Groningen die voorzien zijn van obstakelverlichting. Er worden geen eisen gesteld aan specifieke eigenschappen van een eventueel toe te passen naderingsdetectiesysteem. Omdat provinciale staten geen bevoegdheid heeft op het vlak van luchtvaartveiligheid, is ervoor gekozen geen inhoudelijke veiligheidseisen aan de eigenschappen van het naderingsdetectiesysteem op te nemen, maar deze bevoegdheid te laten bij de Inspectie Leefomgeving en Transport als onderdeel van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Bij de toepassing van naderingsdetectiesystemen, blijven nationale en internationale regels omtrent luchtvaartveiligheid onverminderd van toepassing.

Voor het aanbrengen van een naderingsdetectiesysteem, moet goedkeuring worden gezocht bij de Inspectie Leefomgeving en Transport. Deze gebruikt onder meer het “Informatieblad aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland” (Staatscourant 2023 nr. 31172 17 november 2023) om de beoogde naderingsdetectiesystemen te toetsen.

Indien op windturbines geen obstakelverlichting aanwezig is, bijvoorbeeld omdat dit windturbines zijn van een klein formaat, waardoor het niet nodig is om luchtvaartuigen te waarschuwen om botsing te voorkomen, is vanzelfsprekend geen naderingsdetectiesysteem verplicht.

Artikel 3.44 Vaststelling geluidnormen windparken

Doel van dit artikel is dat binnen elk van de aangeduide windparken altijd alle gezamenlijke turbines worden getoetst aan de geluidnorm die geldt voor het hele park. Hierdoor kan geen ongewenste stapeling van geluid door meerdere vergunningen c.q. meldingen binnen het park optreden, oftewel: opsplitsing binnen de parken is niet toegestaan.

Artikel 3.45 Monitoring geluidnormen windparken

Dit artikel bevat een bepaling over de monitoring van de geluidsbelasting van windparken.

Artikel 3.46 Beoordelingsregel toepassing beste beschikbare technieken

In dit artikel is een beoordelingsregel op grond van artikel 5.19 van de wet opgenomen, voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, voor zover de activiteit betrekking heeft op luchtkwaliteit, geur, geluid, grof stof en/of zeer zorgwekkende stoffen (ZZS). De motivering van deze beoordelingsregel volgt uit Kamerstukken II 2003/04, 29711, nr. 3, p.11, waarin is aangegeven dat het bevoegd gezag als het gaat om de toepassing van de beste beschikbare technieken verplicht is steeds die keuzes te maken die - integraal beoordeeld - de grootst mogelijke bescherming van het milieu bieden.

Het tweede lid bevat evenwel een mogelijkheid om daarvan af te wijken, voor zover de aanvrager kan aantonen dat die grootst mogelijke bescherming van het milieu om technische of economische redenen niet haalbaar of integraal bezien niet doelmatig is. Of de aanvrager een dergelijke uitzondering kan aantonen is steeds afhankelijk van de omstandigheden van het geval en kan daarmee voor een verscheidenheid aan situaties aan de orde zijn. Bij de toetsing van de aanvraag beoordeelt het college of daarvan sprake is. Navolging van het eerste lid blijft het uitgangspunt en is als zodanig vastgelegd in het stelsel van de Omgevingswet.

Artikel 3.47 Aanvraagvereiste omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - beste beschikbare technieken

In dit artikel wordt een aanvraagvereiste gegeven. Hiermee wordt geborgd dat voor de beoordeling van een aanvraag voldoende gegevens zijn zodat gedeputeerde staten een beoordeling kunnen maken in het licht van de best beschikbare technieken.

Artikel 3.48 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op de industrieterreinen uit de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl. De industrieterreinen waarop deze afdeling van toepassing is, zijn de industrieterreinen waarop de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl betrekking heeft. Deze industrieterreinen zijn oorspronkelijk bestemd voor de bedrijfscategorieën 1 tot en met 5. Hierdoor kunnen er hoeveelheden stoffen aanwezig zijn boven de grenswaarden van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor dergelijke activiteiten zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving risiconormen van toepassing vastgelegd. Deze risiconormen worden bepaald met de rekenmethode Safeti.nl. De faalkansen zijn daarmee in eerste aanleg branche-eigen faalkansen. In de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is vastgelegd dat op de industrieterreinen Eemshaven en Oosterhorn zowel bedrijven met bulkhoeveelheden gevaarlijke stoffen en windturbines kunnen worden gevestigd opgericht. Uit de faalstatistieken blijkt dat een windturbine kan omvallen, dat de turbinekop eraf kan vallen en dat een turbineblad kan losraken. Dit zijn branchevreemde oorzaken voor zware ongevallen in bedrijven met gevaarlijke stoffen. Incidenten buiten de reguliere bedrijfsvoering van risicovolle bedrijven, zoals die door windturbines, zijn branchevreemde oorzaken van zware ongevallen. De regels in deze afdeling beogen dat de faalscenario's van windturbines worden betrokken bij de risicobepaling. De branchevreemde oorzaken verhogen het risico. Wanneer ze het bedrijfseigen risico (zonder de verdiscontering van het risico van de aanwezigheid van de windturbines) met meer dan 10% verhoogt, dient het plan of de aanvraag voor de oprichting of de wijziging van de activiteit te voldoen aan de risiconorm van het Besluit activiteiten leefomgeving en dient het de maatregelen te overwegen om het risico te verminderen.

Artikel 3.50 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid

Zie toelichting bij art. 3.48 toepassingsbereik.

Artikel 3.51 Beoordelingsregel aanvraag omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid

Zie toelichting bij art. 3.48 toepassingsbereik.

Artikel 3.53 Beoordelingsregel starten veehouderij in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

Binnen de 'voor verzuring gevoelige gebieden' en de 'invloedsgebieden voor verzuring gevoelige gebieden' mogen in beginselgeen omgevingsvergunningen worden verleend voor de oprichting of verandering van een veehouderij, indien deze oprichting of verandering leidt tot een verhoging van de ammoniakemissie.

Tot het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden werden de door Provinciale Staten aangewezen verzuringsgevoelige gebieden beschermd tegen de depositie van ammoniak afkomstig uit stallen van veehouderijen. Hierover waren regels gesteld in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De Omgevingswet regelt niet uit zichzelf de bescherming van deze verzuringsgevoelige gebieden. Wanneer een provincie deze gebieden nog steeds wil beschermen, dan moeten hiervoor beoordelingsregels worden opgenomen in de omgevingsverordening. Dit blijkt uit artikel 8.21 van het Besluit kwaliteitleef omgeving.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf, wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met de gevolgen van de emissie van ammoniak door dat dierenverblijf op voor verzuring gevoelige gebieden, die gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak als daarover regels als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, van de Omgevingswet zijn gesteld in de omgevingsverordening.

Omdat de bescherming van verzuringsgevoelige gebieden nog steeds van belang is, zijn hiervoor in de omgevingsverordening regels opgenomen. Doel is om dezelfde regels te laten gelden als die ook onder de werking van de Wav golden en er is niet beoogd om wijziging aan te brengen in deze regels.

Artikel 3.54 Beoordelingsregel veranderen veehouderij in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

Binnen de 'voor verzuring gevoelige gebieden' en de 'invloedsgebieden voor verzuring gevoelige gebieden' mogen in beginselgeen omgevingsvergunningen worden verleend voor de oprichting of verandering van een veehouderij, indien deze oprichting of verandering leidt tot een verhoging van de ammoniakemissie.

Tot het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden werden de door Provinciale Staten aangewezen verzuringsgevoelige gebieden beschermd tegen de depositie van ammoniak afkomstig uit stallen van veehouderijen. Hierover waren regels gesteld in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De Omgevingswet regelt niet uit zichzelf de bescherming van deze verzuringsgevoelige gebieden. Wanneer een provincie deze gebieden nog steeds wil beschermen, dan moeten hiervoor beoordelingsregels worden opgenomen in de omgevingsverordening. Dit blijkt uit artikel 8.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf, wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met de gevolgen van de emissie van ammoniak door dat dierenverblijf op voor verzuring gevoelige gebieden, die gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak als daarover regels als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, van de Omgevingswet zijn gesteld in de omgevingsverordening.

Omdat de bescherming van verzuringsgevoelige gebieden nog steeds van belang is, zijn hiervoor in de omgevingsverordening regels opgenomen. Doel is om dezelfde regels te laten gelden als die ook onder de werking van de Wav golden en er is niet beoogd om wijziging aan te brengen in deze regels.

Artikel 3.55 Beoordelingsregel starten veehouderij in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden, uitzondering

Binnen de 'voor verzuring gevoelige gebieden' en de 'invloedsgebieden voor verzuring gevoelige gebieden' mogen in beginselgeen omgevingsvergunningen worden verleend voor de oprichting of verandering van een veehouderij, indien deze oprichting of verandering leidt tot een verhoging van de ammoniakemissie.

Tot het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden werden de door Provinciale Staten aangewezen verzuringsgevoelige gebieden beschermd tegen de depositie van ammoniak afkomstig uit stallen van veehouderijen. Hierover waren regels gesteld in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De Omgevingswet regelt niet uit zichzelf de bescherming van deze verzuringsgevoelige gebieden. Wanneer een provincie deze gebieden nog steeds wil beschermen, dan moeten hiervoor beoordelingsregels worden opgenomen in de omgevingsverordening. Dit blijkt uit artikel 8.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf, wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met de gevolgen van de emissie van ammoniak door dat dierenverblijf op voor verzuring gevoelige gebieden, die gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak als daarover regels als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, van de Omgevingswet zijn gesteld in de omgevingsverordening.

Omdat de bescherming van verzuringsgevoelige gebieden nog steeds van belang is, zijn hiervoor in de omgevingsverordening regels opgenomen. Doel is om dezelfde regels te laten gelden als die ook onder de werking van de Wav golden en er is niet beoogd om wijziging aan te brengen in deze regels.

Artikel 3.56 Beoordelingsregel voor verandering veehouderij in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden, uitzondering

Binnen de 'voor verzuring gevoelige gebieden' en de 'invloedsgebieden voor verzuring gevoelige gebieden' mogen in beginselgeen omgevingsvergunningen worden verleend voor de oprichting of verandering van een veehouderij, indien deze oprichting of verandering leidt tot een verhoging van de ammoniakemissie.

Tot het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden werden de door Provinciale Staten aangewezen verzuringsgevoelige gebieden beschermd tegen de depositie van ammoniak afkomstig uit stallen van veehouderijen. Hierover waren regels gesteld in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De Omgevingswet regelt niet uit zichzelf de bescherming van deze verzuringsgevoelige gebieden. Wanneer een provincie deze gebieden nog steeds wil beschermen, dan moeten hiervoor beoordelingsregels worden opgenomen in de omgevingsverordening. Dit blijkt uit artikel 8.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf, wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met de gevolgen van de emissie van ammoniak door dat dierenverblijf op voor verzuring gevoelige gebieden, die gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak als daarover regels als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, van de Omgevingswet zijn gesteld in de omgevingsverordening.

Omdat de bescherming van verzuringsgevoelige gebieden nog steeds van belang is, zijn hiervoor in de omgevingsverordening regels opgenomen. Doel is om dezelfde regels te laten gelden als die ook onder de werking van de Wav golden en er is niet beoogd om wijziging aan te brengen in deze regels.

Artikel 3.57 Beoordelingsregel bepalen ammoniakemissie voor al vergunde dieren in invloedsgebied voor verzuring gevoelige gebieden

Binnen de 'voor verzuring gevoelige gebieden' en de 'invloedsgebieden voor verzuring gevoelige gebieden' mogen in beginselgeen omgevingsvergunningen worden verleend voor de oprichting of verandering van een veehouderij, indien deze oprichting of verandering leidt tot een verhoging van de ammoniakemissie.

Tot het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden werden de door Provinciale Staten aangewezen verzuringsgevoelige gebieden beschermd tegen de depositie van ammoniak afkomstig uit stallen van veehouderijen. Hierover waren regels gesteld in de Wet ammoniak en veehouderij (Wav). De Omgevingswet regelt niet uit zichzelf de bescherming van deze verzuringsgevoelige gebieden. Wanneer een provincie deze gebieden nog steeds wil beschermen, dan moeten hiervoor beoordelingsregels worden opgenomen in de omgevingsverordening. Dit blijkt uit artikel 8.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens, bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving, of het exploiteren van een andere milieubelastende installatie, bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover die activiteit wordt verricht in een dierenverblijf, wordt bij de beoordeling van de aanvraag rekening gehouden met de gevolgen van de emissie van ammoniak door dat dierenverblijf op voor verzuring gevoelige gebieden, die gevoelig zijn voor de effecten van ammoniak als daarover regels als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, van de Omgevingswet zijn gesteld in de omgevingsverordening.

Omdat de bescherming van verzuringsgevoelige gebieden nog steeds van belang is, zijn hiervoor in de omgevingsverordening regels opgenomen. Doel is om dezelfde regels te laten gelden als die ook onder de werking van de Wav golden en er is niet beoogd om wijziging aan te brengen in deze regels.

Artikel 3.58 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over grondwaterverontreiniging. Het provinciebestuur heeft volgens artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de wet de verantwoordelijkheid voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn en heeft hierin een belangrijke kaderstellende taak. Vanuit deze verantwoordelijkheid zijn aanvullende regels gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grond- en drinkwater. Met het vervallen van de Wet bodembescherming verdwijnt de wettelijke dekking voor het doel van de Grondwaterrichtlijn "voorkomen en beperken van inbreng van verontreinigende stoffen, Prevent en Limit". Met de aanvullende regels wordt bereikt dat er eenzelfde beschermingsniveau voor grondwater wordt bereikt als onder de Wet bodembescherming.

Artikel 3.60 Verplichting nader bodemonderzoek

Onder de Omgevingswet zijn signaleringsparameters voor het grondwater opgenomen. Deze signaleringsparameters zijn gelijk aan de huidige normstelling (interventiewaarden) voor grondwater. Indien uit het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de signaleringsparameter wordt overschreden voor één of meerdere parameters is een nader bodemonderzoek noodzakelijk. Dit nader bodemonderzoek richt zich op het in beeld brengen van de locatie specifieke verontreinigingssituatie nodig voor locatie specifieke beoordeling. Voor de locatie specifieke beoordeling wordt gebruik gemaakt van de Risicotoolbox Grondwater (RIVM). Bij de beoordeling wordt het bodemgebruik in relatie tot het grondwatergebruik beoordeeld. Hierbij wordt aandacht besteed aan het (dreigende) optreden van:

a. onaanvaardbare gezondheidsrisico’s (acuut of chronisch);

b. onaanvaardbare risico’s ter plaatse van kwetsbare objecten. Een niet limitatieve lijst van kwetsbare objecten is: grondwaterbeschermingsgebieden, grondwaterafhankelijke natuur, particuliere of bedrijfsmatige structurele grondwaterwinningen bestemd voor menselijke of dierlijke consumptie;

c. een onbeheersbare situatie door:

1. de aanwezigheid van een drijflaag of zaklaag;

2. een grondwaterpluim die niet stabiel is als gevolg van nalevering van de bodemverontreiniging in de vaste bodem.

Uit de beoordeling met de Risicotoolbox Grondwater/Sanscritt blijkt of risicowaarden voor huidig of beoogde gebruik van het grondwater worden overschreden. Als de risicowaarden worden overschreden dan is een aanpak van bron en pluim noodzakelijk. Deze aanpak is gericht op het wegnemen van de risico’s, net als onder de Wet bodembescherming. Wanneer de risicowaarden niet worden overschreden dan valt de locatie onder de uitzonderingsregel van artikel 6 van de Grondwaterrichtlijn.

Artikel 3.61 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt dat activiteiten die plaats vinden in grondwaterbeschermingsgebieden en de daarin zich bevindende ondergrond onder het bereik van deze afdeling vallen.

In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor activiteiten die plaats vinden in waterwingebieden door of in opdracht van drinkwaterbedrijven voor zover deze activiteiten plaatsvinden ter uitvoering van taken als bedoeld in artikel 7 van de Drinkwaterwet.

In het derde lid wordt aangegeven welke stoffen in deze afdeling in ieder geval als schadelijke stoffen worden beschouwd. Onder bodembedreigende stoffen en mengsels (onder a) worden stoffen bedoeld die in de bodem kunnen dringen of kunnen uitspoelen naar het grondwater. De stoffen die vermeld zijn in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving (onder b) worden in deze afdeling ook beschouwd als schadelijke stoffen. Daarnaast worden ook zeer zorgwekkende stoffen (onder c) in deze afdeling beschouwd als schadelijke stoffen. Uit artikel 5.22a van het Besluit activiteiten leefomgeving blijkt dat een zeer zorgwekkende stof een stof is die voldoet aan een of meer criteria of voorwaarden, bedoeld in artikel 57 van de reach-verordening. Het RIVM heeft als hulpmiddel alle zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) uit het zoeksysteem bij elkaar gezet in ZZS-lijsten. Deze zijn te vinden via https://rvszoeksysteem.rivm.nl/ZZSlijst. De ZZS-lijsten zijn enkel een hulpmiddel, de criteria zijn leidend: een stof die wel aan de criteria voldoet, maar niet op de lijst staan, is wel een ZZS.

Artikel 3.63 Grondwaterbeschermingsgebieden

Op grond van artikel 7.11, eerste lid, onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet de omgevingsverordening regels bevatten ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater vanwege de waterwinning in bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 2.18, eerste lid, onder c van de wet waarin is bepaald dat bij het provinciebestuur de taak berust om de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water.

Uit dit artikel volgt dat de grondwaterbeschermingsgebieden bestaan uit waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones en boringsvrije zones.

Artikel 3.64 Specifieke zorgplicht grondwaterbeschermingsgebieden

De specifieke zorgplicht geldt voor degene die een activiteit in een grondwaterbeschermingsgebied verricht. Indien deze initiatiefnemer weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de activiteit nadelige gevolgen heeft voor kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, dient diegene op grond van deze specifieke zorgplicht maatregelen te treffen. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en ook hoe hij die gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Onder handelen wordt ook nalaten verstaan.

Artikel 3.65 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - schadelijke stoffen

Dit artikel wijst het brengen van schadelijke vaste of vloeibare stoffen op of in de bodem en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben aan als risicovolle activiteiten binnen een waterwingebied. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een verbod wordt geïntroduceerd.

In het tweede lid wordt met een niet-limitatieve opsomming aangegeven welke activiteiten er in ieder geval vallen onder het brengen van schadelijke vaste of vloeibare stoffen op of in de bodem en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben. In het derde lid wordt aangegeven welke activiteiten er niet onder de aanwijzing in het eerste lid vallen.

Artikel 3.66 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - toepassen van grond en baggerspecie

Dit artikel wijst het op of in de bodem toepassen van grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, overschrijdt aan als risicovolle activiteiten binnen een waterwingebied. Grond en baggerspecie dat niet voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar, kan schadelijk zijn voor de kwaliteit van het grondwater. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een verbod wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.67 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - verstrooien van as en begraven

Dit artikel wijst het op of in de bodem brengen of hebben van kadavers en het aanleggen, houden of gebruiken van een begraafplaats, dierenbegraafplaats of een terrein voor het verstrooien van as aan als risicovolle activiteit binnen een waterwingebied. Bij deze activiteiten kunnen stoffen vrijkomen die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van het grondwater. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een verbod wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.68 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - lozingen

Dit artikel wijst het uitvoeren van een lozing op of in de bodem en het aanleggen van een riooloverstort en een individuele behandeling van afvalwater (IBA) aan als een risicovolle activiteit in een waterwingebied. Bij deze activiteiten kan ongezuiverd afvalwater in de bodem of het oppervlaktewater terecht komen, waardoor dit kan uitspoelen naar het grondwater. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een verbod wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.69 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - verblijfsrecreatie en infrastructuur

Dit artikel wijst het aanleggen, houden, in exploitatie nemen of exploiteren van een kampeergelegenheid, recreatiecentrum of kampement en het aanleggen of reconstrueren van wegen, parkeergelegenheden en terreinen voor gemotoriseerd verkeer, waterwegen of spoorwegen aan als risicovolle activiteit in een waterwingebied. Bij deze activiteiten is er een grote kans op het vrijkomen van schadelijke stoffen op of in de bodem. Bij kampeergelegenheden, recreatiecentra en kampementen gaat het bijvoorbeeld om de aanwezigheid van afvalwater, lekkages uit riolering of septic tanks, het gebruik van schoonmaakmiddelen, cosmetica en chemicaliën, de aanwezigheid van afval en het gebruik van plaagdierbestrijding. Bij de aanleg en reconstructie van infrastructuur gaat het om de schadelijke stoffen die vrij kunnen komen uit de bouwmaterialen en bouwwerktuigen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een verbod wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.70 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - bodemenergiesystemen

Dit artikel wijst het aanbrengen, in exploitatie brengen of houden van een bodemenergiesysteem, voor zover er warmte wordt onttrokken of toegevoegd aan het grondwater, aan als risicovolle activiteit in een waterwingebied. Het aanleggen, gebruiken en onderhouden van een bodemenergiesysteem kan de natuurlijke beschermende kleilagen doorbreken. Bij lekkage of foutief gebruik kunnen schadelijke stoffen in het grondwater terecht komen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een verbod wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.71 Aanwijzing risicovolle activiteiten waterwingebieden - aantasten slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen

Dit artikel wijst het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben aan als risicovolle activiteit in een waterwingebied. Slecht-doorlatende bodemlagen vormen een natuurlijke bescherming voor het grondwater dat zich dieper onder de slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen bevindt. Wanneer zo’n bodemlaag doorboort of doorbroken wordt ontstaat er een snelle route naar het diepe grondwater, waardoor schadelijke stoffen naar het grondwater kunnen stromen.

In het tweede lid wordt met een niet-limitatieve opsomming aangegeven welke activiteiten er in ieder geval vallen onder het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben.

Artikel 3.72 Verboden activiteiten in waterwingebieden

Waterwingebieden zijn de gebieden direct rondom de winputten. Als het waterwingebied verontreinigd raakt, heeft dat direct gevolgen voor de kwaliteit van het grondwater. Daarom geldt er een verbod voor deze activiteiten in waterwingebieden.

Artikel 3.73 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - schadelijke stoffen

Dit artikel wijst het brengen van schadelijke vaste of vloeibare stoffen op of in de bodem en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben aan als risicovolle activiteiten binnen een grondwaterbeschermingszone. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

In het tweede lid wordt met een niet-limitatieve opsomming aangegeven welke activiteiten er in ieder geval vallen onder het brengen van schadelijke vaste of vloeibare stoffen op of in de bodem en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben. In het derde lid wordt aangegeven welke activiteiten er niet onder de aanwijzing in het eerste lid vallen.

Artikel 3.74 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - toepassen van grond en baggerspecie

Dit artikel wijst het op of in de bodem toepassen van grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar, bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit, overschrijdt aan als risicovolle activiteiten binnen een grondwaterbeschermingszone. Grond en baggerspecie dat niet voldoet aan de kwaliteitsklasse landbouw/natuur of algemeen toepasbaar, kan schadelijk zijn voor de kwaliteit van het grondwater. In het tweede lid is een uitzondering gemaakt voor de verspreiding van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen op niet verdachte locaties binnen de grondwaterbeschermingszone. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.75 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - verstrooien van as en begraven

Dit artikel wijst het op of in de bodem brengen of hebben van kadavers en het aanleggen, houden of gebruiken van een begraafplaats, dierenbegraafplaats of een terrein voor het verstrooien van as aan als risicovolle activiteit binnen een grondwaterbeschermingszone. Bij deze activiteiten kunnen stoffen vrijkomen die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van het grondwater. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.76 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - lozingen

Dit artikel wijst het uitvoeren van een lozing op of in de bodem en het aanleggen van een riooloverstort en een individuele behandeling van afvalwater (IBA) aan als een risicovolle activiteit in een grondwaterbeschermingszone. Bij deze activiteiten kan ongezuiverd afvalwater in de bodem of het oppervlaktewater terecht komen, waardoor dit kan uitspoelen naar het grondwater. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.77 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - verblijfsrecreatie en infrastructuur

Dit artikel wijst het aanleggen, houden, in exploitatie nemen of exploiteren van een kampeergelegenheid, recreatiecentrum of kampement en het aanleggen of reconstrueren van wegen, parkeergelegenheden, terreinen voor gemotoriseerd verkeer, waterwegen of spoorwegen aan als risicovolle activiteit in een grondwaterbeschermingszone. Bij deze activiteiten is er een grote kans op het vrijkomen van schadelijke stoffen op of in de bodem. Bij kampeergelegenheden, recreatiecentra en kampementen gaat het bijvoorbeeld om de aanwezigheid van afvalwater, lekkages uit riolering of septic tanks, het gebruik van schoonmaakmiddelen, cosmetica en chemicaliën, de aanwezigheid van afval en het gebruik van plaagdierbestrijding. Bij de aanleg en reconstructie van infrastructuur gaat het om de schadelijke stoffen die vrij kunnen komen uit de bouwmaterialen en bouwwerktuigen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.78 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - bodemenergiesystemen

Dit artikel wijst het aanbrengen, in exploitatie brengen of houden van een bodemenergiesysteem, voor zover er warmte wordt onttrokken of toegevoegd aan het grondwater, aan als risicovolle activiteit in een grondwaterbeschermingszone. Het aanleggen, gebruiken en onderhouden van een bodemenergiesysteem kan de natuurlijke beschermende kleilagen doorbreken. Bij lekkage of foutief gebruik kunnen schadelijke stoffen in het grondwater terecht komen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.79 Aanwijzing risicovolle activiteiten grondwaterbeschermingszones - aantasten slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen

Dit artikel wijst het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben aan als risicovolle activiteit in een grondwaterbeschermingszone. Slecht-doorlatende bodemlagen vormen een natuurlijke bescherming voor het grondwater dat zich dieper onder de slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen bevindt. Wanneer zo’n bodemlaag doorboort of doorbroken wordt ontstaat er een snelle route naar het diepe grondwater, waardoor schadelijke stoffen naar het grondwater kunnen stromen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

In het tweede lid wordt met een niet-limitatieve opsomming aangegeven welke activiteiten er in ieder geval vallen onder het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben. In het derde lid wordt aangegeven welke activiteiten er niet onder de aanwijzing in het eerste lid vallen.

Artikel 3.80 Vergunningplichtige activiteiten in grondwaterbeschermingszones

Gelet op de mogelijke gevolgen die deze activiteiten hebben voor de kwaliteit van het grondwater, is het nodig dat er een beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteiten plaatsvindt. Daarom geldt er een vergunningplicht.

Artikel 3.81 Beoordelingsregels omgevingsvergunning in grondwaterbeschermingszone

Dit artikel bevat een specifieke beoordelingsregel voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een risicovolle activiteit in een grondwaterbeschermingszone. De beoordelingsregels zijn ontleend aan artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden het bevoegd gezag de vergunning kan verlenen of weigeren. Daarnaast wordt in het tweede lid aangegeven dat aan een vergunning in ieder geval voorschriften worden verbonden gericht op het wegnemen of minimaliseren van het bodemrisico.

Artikel 3.82 Aanwijzing risicovolle activiteiten boringsvrije zones - aantasten slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen

Dit artikel wijst het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en het verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben aan als risicovolle activiteit in een boringsvrije zone. Slecht-doorlatende bodemlagen vormen een natuurlijke bescherming voor het grondwater dat zich dieper onder de slecht-doorlatende eigenschappen bodemlagen bevindt. Wanneer zo’n bodemlaag doorboort of doorbroken wordt ontstaat er een snelle route naar het diepe grondwater, waardoor schadelijke stoffen naar het grondwater kunnen stromen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

In het tweede lid wordt met een niet-limitatieve opsomming aangegeven welke activiteiten er in ieder geval vallen onder het aantasten van de slecht-doorlatende eigenschappen van bodemlagen en verrichten van andere activiteiten die dit tot gevolg kunnen hebben. In het derde lid wordt aangegeven welke activiteiten er niet onder de aanwijzing in het eerste lid vallen.

Artikel 3.83 Aanwijzing risicovolle activiteiten boringsvrije zones - bodemenergiesystemen

Dit artikel wijst het aanbrengen, in exploitatie brengen of houden van een bodemenergiesysteem, voor zover er warmte wordt onttrokken of toegevoegd aan het grondwater, aan als risicovolle activiteit in een boringsvrije zone. Het aanleggen, gebruiken en onderhouden van een bodemenergiesysteem kan de natuurlijke beschermende kleilagen doorbreken. Bij lekkage of foutief gebruik kunnen schadelijke stoffen in het grondwater terecht komen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Artikel 3.84 Vergunningplichtige activiteiten in boringsvrije zones

Gelet op de mogelijke gevolgen die deze activiteiten hebben voor de kwaliteit van het grondwater, is het nodig dat er een beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteiten plaatsvindt. Daarom geldt er een vergunningplicht.

Artikel 3.85 Beoordelingsregels omgevingsvergunning in boringsvrije zones

Dit artikel bevat een specifieke beoordelingsregel voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een risicovolle activiteit in een boringsvrije zone. De beoordelingsregels zijn ontleend aan artikel 8.22 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze beoordelingsregels geven aan onder welke voorwaarden het bevoegd gezag de vergunning kan verlenen of weigeren. Daarnaast wordt in het tweede lid aangegeven dat aan een vergunning in ieder geval voorschriften worden verbonden gericht op het wegnemen of minimaliseren van het bodemrisico.

Artikel 3.86 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn: bescherming weidevogels

Onderdeel van de bescherming van weidevogels is de bescherming van nesten en niet-vliegvlugge kuikens tegen landbouwwerkzaamheden. Dit staat ook bekend als 'legselbeheer' en wordt ook gesubsidieerd als beheerpakket in het agrarisch natuurbeheer binnen het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Deze activiteiten zijn nadrukkelijk bedoeld om de betreffende soorten te beschermen en vinden dus plaats in het belang van bescherming van fauna. Echter, de werkzaamheden hebben ook een (tijdelijk) verstorend karakter. Aangezien het gaat om strikt beschermde vogelsoorten, kunnen de werkzaamheden onbedoeld leiden tot een overtreding van de verboden om opzettelijk nesten of eieren van deze soorten te beschadigen of opzettelijk deze soorten te verstoren (artikel 11.37 lid 1, onder b, c en d van het Besluit activiteiten leefomgeving). Zo is het bijvoorbeeld bekend dat legselbeheer de kans op predatie van nesten kan vergroten. Echter, zonder legselbeheer zouden deze nesten gegarandeerd verloren gaan bij landbouwwerkzaamheden. Het uitvoeren van legselbeheer is dus voordeliger dan het alternatief. Legselbeheer wordt niet uitgevoerd op percelen waar geen werkzaamheden zijn voorgenomen, bijvoorbeeld percelen met uitgesteld maaibeheer.

Omdat legselbeheer onverminderd noodzakelijk is ter bescherming van weidevogels, worden in dit artikel deze activiteiten aangewezen als gevallen waarin het verbod van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteiten te verrichten, niet geldt. Artikel 11.42 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft de grondslag voor deze aanwijzing. In bijlage 7 is opgenomen welke vogelsoorten het betreft.

Artikel 3.87 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: ontwikkeling, beheer en onderhoud

De provincie Groningen heeft enkele Rijkstaken in het kader van de natuurwetgeving in 2017 beleidsarm overgenomen. Eén van deze onderdelen was het vrijstellen (minder strikt beschermen) van een aantal algemeen voorkomende diersoorten. Dit betreft de lijst van bijlage 8. Activiteiten die van invloed zijn op deze soorten zijn vrijgesteld van vergunningplicht. Met de soorten in deze bijlage hoeft minder rekening te worden gehouden bij bijvoorbeeld ruimtelijke ingrepen. Dat deze soorten vrijgesteld zijn bij het verrichten van bepaalde handelingen is gelegitimeerd omdat het goed gaat met de soorten. In bijlage 8 zijn middelen aangewezen waarmee de betreffende soorten gevangen en verplaatst kunnen worden naar een geschikt leefgebied in de directe omgeving. Op deze manier kunnen nadelige effecten voor de soorten tot een minimum beperkt worden. Het vangen en verplaatsen hoort bij de verantwoordelijkheid die voortvloeit vanuit de zorgplicht om bij activiteiten rekening te houden met mogelijk aanwezige beschermde diersoorten. Deze vrijstelling is al lang van toepassing en er zijn geen aanwijzingen dat soorten hier significant nadelige effecten van ondervinden.



Artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving biedt de grondslag om in de omgevingsverordening gevallen aan te wijzen waarin het verbod van artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van dat besluit (andere soorten) te verrichten. Het handhaven van de wettelijke bescherming voor deze soorten zou onnodig belastend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen en bij beheer en onderhoud. De provincie Groningen blijft monitoren hoe deze soorten zich ontwikkelen.

Artikel 3.88 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: bestrijding overlast

Dit artikel maakt het mogelijk om binnen de bebouwde kom overlast door steenmarters tegen te gaan, specifiek door de verblijfplaatsen van deze soort ongeschikt te maken. Steenmarters kunnen hun verblijfsplaats in gebouwen en woningen maken, waarbij ze geluids- en/of stankoverlast kunnen veroorzaken. Ook kunnen steenmarters schade aanrichten door knagen aan kabels en predatie van (hobby)pluimvee. De bestrijding kan door of namens gemeenten plaatsvinden. De voorheen opgenomen rapportageplicht voor gemeenten is omgezet naar een registratieplicht. Hiermee is toezicht op het gebruik en de uitvoering van de vrijstelling mogelijk. In de bijlage is een aantal voorwaarden opgenomen voor de uitvoering, waaronder een uitzondering voor de kwetsbare voortplantingsperiode. De kwetsbare periode is aan de hand van de laatste inzichten gesteld vanaf 1 maart tot en met 31 juli. Voorheen was het in het geheel niet mogelijk gebruik van de vrijstelling van de vergunningplicht te maken in deze periode. Nu is het wel mogelijk gemaakt om verblijfplaatsen weg te nemen waar minimaal vijf dagen middels camera-onderzoek is aangetoond dat er geen activiteit van steenmarters is. Steenmarters kunnen soms wel tientallen verblijfplaatsen hebben. Verblijfplaatsen die eerder overlast hebben veroorzaakt, kunnen goed ongeschikt gemaakt worden als het dier (tijdelijk) niet aanwezig is. Het dier ondervindt daar geen significante effecten door omdat het een soort betreft die dus meerdere verblijfplaatsen heeft. De staat van instandhouding van steenmarter in de provincie is gunstig, waardoor het instellen van een vrijstelling geen probleem is, des te meer omdat er geen significante effecten van de vrijstelling op de staat van instandhouding van steenmarter wordt verwacht.



De grondslag voor het aanwijzen van een vergunningvrij geval voor andere soorten ligt in artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De mogelijkheid tot het aanwijzen van vergunningvrije gevallen voor overlastbestrijding door gemeenten is beperkt in artikel 11.58 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.89 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn: asbestsanering

Dit artikel maakt het mogelijk om onder voorwaarden asbesthoudende dakplaten te vervangen door asbestvrije dakbedekking, ook als daar gebouwbewonende soorten aanwezig kunnen zijn. De gevolgen van asbest voor de gezondheid zijn tegenwoordig algemeen bekend. Het is daarom noodzakelijk asbest (gefaseerd) te verwijderen. Soms kunnen daarbij ook gebouwbewonende soorten getroffen worden, zoals huismus, kerkuil, steenuil, steenmarter en boommarter. Dit zijn strikt beschermde soorten waarvan nesten en verblijfplaatsen normaliter alleen met een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verwijderd mogen worden. Dit belemmert het verwijderen van asbesthoudende daken. Het aanwijzen van een vergunningvrij geval onder voorwaarden verlaagt de regeldruk. Met de voorwaarden wordt geregeld dat er vervangende nestgelegenheden of verblijfplaatsen voor de betreffende soorten worden gerealiseerd. Hiermee kan de staat van instandhouding van de soorten gewaarborgd blijven.



De grondslag voor het aanwijzen van vergunningvrije gevallen ligt voor vogels in artikel 11.42 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.90 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: asbestsanering

Dit artikel maakt het mogelijk om onder voorwaarden asbesthoudende dakplaten te vervangen door asbestvrije dakbedekking, ook als daar gebouwbewonende soorten aanwezig kunnen zijn. De gevolgen van asbest voor de gezondheid zijn tegenwoordig algemeen bekend. Het is daarom noodzakelijk asbest (gefaseerd) te verwijderen. Soms kunnen daarbij ook gebouwbewonende soorten getroffen worden, zoals huismus, kerkuil, steenuil, steenmarter en boommarter. Dit zijn strikt beschermde soorten waarvan nesten en verblijfplaatsen normaliter alleen met een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verwijderd mogen worden. Dit belemmert het verwijderen van asbesthoudende daken. Het aanwijzen van een vergunningvrij geval onder voorwaarden verlaagt de regeldruk. Met de voorwaarden wordt geregeld dat er vervangende nestgelegenheden of verblijfplaatsen voor de betreffende soorten worden gerealiseerd. Hiermee kan de staat van instandhouding van de soorten gewaarborgd blijven.



De grondslag voor het aanwijzen van vergunningvrije gevallen ligt voor “overige soorten” in artikel 11.56 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.91 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten overige soorten: onderzoek en onderwijs

Voor zowel het verzamelen van eieren van algemene amfibieënsoorten, als voor het bezit van gemakkelijk herkenbare delen van vogels of uit vogels verkregen producten geldt een vergunningplicht op grond van de in het artikel genoemde artikelen van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Dit artikel maakt het mogelijk om zonder omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit eieren van algemene amfibieën-soorten te verzamelen, net als vogelkeutels, braakballen, losse veren en sterrenschot (braaksel van reigers, ooievaars of marterachtigen dat bestaat uit de resten van amfibieëneieren), in het belang van onderzoek en onderwijs. Het verzamelen van kikkerdril in een bak kan educatieve doelen dienen om kinderen te leren over de transformatie van amfibieën. Ook het verzamelen van vogelproducten kan educatieve doeleinden dienen. Daarnaast kunnen deze activiteiten bijdragen aan de natuurbeleving, zonder dat de betreffende soorten daar nadelige effecten aan ondervinden. Als er eieren van amfibieën worden verzameld, is het wel van belang dat deze weer in geschikt habitat worden teruggeplaatst. Hier voorziet de regeling in door het terug uitzetten van de verzamelde eieren en daaruit voorgekomen exemplaren aan te wijzen als vergunningvrij geval.

Artikel 3.92 Aanwijzing vergunningvrije flora- en fauna-activiteiten soorten vogelrichtlijn en habitatrichtlijn: wegbeheerder en terreinbeheerder

Dode dieren mogen niet zonder meer verzameld of vervoerd worden. Ook voor het bezit van dode dieren kan op grond van artikel 11.39 en artikel 11.47 van het Besluit activiteiten leefomgeving vergunningplichtig zijn. In sommige gevallen worden dode dieren echter uit hoofde van een (maatschappelijke) functie verzameld. Dit geldt onder meer voor wegbeheerders die dode dieren op of langs de weg verzamelen. Ook medewerkers van terreinbeheerders kunnen hiermee te maken krijgen als zij dode vogels verwijderen die door vogelgriep zijn gestorven. De verboden zijn bedoeld om illegale handel tegen te gaan en te voorkomen dat dieren met dat doel uit de natuur worden onttrokken. Zowel bij het verwijderen van dode dieren langs de weg, als bij het verwijderen van vogelgriepslachtoffers is daar duidelijk geen sprake van. Deze dode dieren worden doorgaans ter destructie aangeboden. De werkzaamheden worden uitgevoerd door medewerkers die een dienstverband bij een overheidsorganisatie of een terreinbeherende organisatie hebben. De werkzaamheden vinden in het geval van de wegbeheerder plaats in het belang van de openbare veiligheid en in het geval van terreinbeheerders in het belang van de bescherming van fauna. Deze werkzaamheden zijn daarom uitgezonderd van de vergunningplicht.

Artikel 3.93 Bestrijden verwilderde duiven, zwarte rat en bruine rat

Dit artikel maakt het mogelijk om ratten en verwilderde duiven te bestrijden met het persluchtgeweer, mits dat met toestemming van de grondgebruiker gebeurt. Hiermee wordt afgeweken van de algemene regels van het Besluit activiteiten leefomgeving met betrekking tot het gebruik van het geweer.

Sinds het verder inperken van het gebruik van gif bij de bestrijding van ratten en duiven, is er vraag ontstaan om deze dieren met het persluchtgeweer te bestrijden. Dit is een vorm van zeer gerichte bestrijding die noodzakelijk is om overlast en schade tegen te gaan. Die schade en overlast kan met name ontstaan bij agrarische bedrijven van ratten en duiven bijvoorbeeld veevoer vervuilen en daarmee een risico vormen voor de gezondheid van vee. Ook kan het knagen van ratten aan kabels een risico op stalbranden veroorzaken. Ook bij voedingsmiddelenbedrijven kunnen deze dieren schade en overlast veroorzaken. Gelet op de actieve periode van deze dieren vindt de bestrijding veelal 's avonds en/of 's nachts plaats. De regeling maakt het daarom mogelijk om apparatuur te gebruiken om ook 's avonds en 's nachts veilig te kunnen werken. Met gerichte bestrijding kan veel schade en overlast effectief bestreden worden. Uiteraard is het van belang dat bestrijding alleen plaatsvindt op locaties waar de eigenaar daarvoor toestemming heeft gegeven. Door deze maatwerkregels wordt de regeldruk verminderd en hoeven houders van een omgevingsvergunning jachtgeweeractiviteit geen aparte toestemming voor maatwerk aan te vragen.

Integrated Pest Management (IPM) Knaagdierbeheersing is een landelijke standaard voor de aanpak van wering en bestrijding van knaagdieren. Bij IPM ligt de nadruk op het zoveel mogelijk voorkomen van overlast, waarbij bestrijding pas wordt toegepast als preventieve maatregelen niet of onvoldoende werken. IPM is een continu proces om te blijven zorgen voor goede wering en (bedrijfs)hygiëne. Door IPM als voorwaarde op te nemen wordt ervoor gezorgd dat bestrijding altijd onderdeel van een integrale aanpak is waarbij preventieve maatregelen een essentieel onderdeel vormen en dieren niet onnodig worden gedood. Er is een landelijke standaard waarvoor bedrijven gecertificeerd kunnen worden. Door het behalen van de certificatie is gewaarborgd dat de medewerkers op de hoogte zijn van IPM en ook zodanig handelen. Stichting Keurmerk Plaagdier Management Bedrijven (KPMB) beheert een bedrijvenregister met alle gecertificeerde partijen.

Artikel 3.94 Gegevens en bescheiden bij een melding voor het vellen van houtopstanden

In dit artikel is bepaald welke gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt bij een melding van activiteiten, zoals bedoeld in artikel 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Deze maatwerkregel is gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Daar waar het gaat over 'bomen' in relatie tot de houtopstand, heeft dit eveneens betrekking op 'boomvormers, struiken, hakhout of griend', afhankelijk van de samenstelling van de houtopstand.



Het Besluit activiteiten leefomgeving verbiedt in artikel 11.126 het geheel of gedeeltelijk vellen van een houtopstand zonder dit ten minste vier weken maar niet eerder dan een jaar voor het begin daarvan te melden. In artikel 11.113 van dit besluit worden gedeputeerde staten van de provincie waarbinnen de activiteit geheel of in hoofdzaak wordt verricht, aangewezen als het bevoegd gezag waaraan een melding wordt gedaan. Het bevoegd gezag kan op grond van artikel 11.117 maatwerkregels stellen over welke gegevens en bescheiden uiterlijk gelijktijdig met de melding moeten worden verstrekt, dit artikel geeft daar invulling aan. De vereiste gegevens en bescheiden bij een melding bieden Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om adequaat toezicht te houden op de – tijdige – voldoening aan de herbeplantingsplicht mogelijk en bieden een goed aangrijpingspunt om in voorkomend geval bij maatwerkvoorschrift een kapverbod op te leggen als dat nodig is ter bescherming van bijzondere natuur- of landschapswaarden, zoals bedoeld in artikel 11.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.



Gedeputeerde staten dienen zich aan de hand van de gegevens die de initiatiefnemer verstrekt, een goed beeld te kunnen vormen van enerzijds de aard en omvang van de houtopstand en de reden van de velling. Anderzijds betreft het gegevens over hoe aan de plicht tot herbeplanting wordt voldaan, nadat de velling heeft plaatsgevonden. Het is belangrijk dat de twee handelingen in evenwicht zijn; zowel de kwaliteit als de kwantiteit van de houtopstand moet tenminste gelijk blijven. Uit de gegevens en bescheiden moet dit naar voren komen. De eisen die aan de melding worden gesteld liggen vast, maar het artikel biedt binnen deze kaders de indiener de vrijheid, en daarmee de verantwoordelijkheid, om naar eigen inzicht hier invulling aan te geven. Deze vrijheid wordt geboden om een hoger of lager detailniveau toe te staan, afhankelijk van waar de situatie om vraagt. Zo kan bij een velling van een beperkt aantal bomen een exact aantal van elke soort relevant bevonden worden, en kan op grotere schaal worden geacht dat een afgerond aantal met een relatieve verdeling van soorten volstaat.

Artikel 3.95 Eisen aan herbeplantingen

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt wanneer er een verplichting tot herbeplanting bestaat. Met dit artikel wordt gebruik gemaakt van de in artikel 11.117 van het Besluit activiteiten leefomgeving geboden mogelijkheid tot het stellen van maatwerkregels.



Het doel van deze eisen is om de hoofddoelstelling, namelijk de instandhouding van het bosareaal en de borging van het natuur- en landschapsbelang, vorm te geven. Daarbij wordt gelet op de functie die de betreffende houtopstand kent. Gelet op deze punten, verdient het begrip “bosbouwkundig verantwoord”, om breed uitgelegd te worden. Het gaat niet alleen om de houtteeltkundige kwaliteit van de houtopstand, maar ook om de natuur- en landschappelijke waarde.



In de Nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving staat: “De herbeplanting dient op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaats te vinden, dat wil zeggen gericht op een duurzame instandhouding en ontwikkeling van houtopstanden alsook op een adequate vervulling van de functies van die houtopstanden, en mede gericht op de bodem, het water en de lucht in de omgeving van die houtopstand. Het is uiteraard in eerste instantie aan de rechthebbende zelf om op basis van zijn eigen deskundigheid of deskundigheid van andere die hij heeft ingeschakeld te bepalen wat hiervoor nodig is”.

De herbeplanting dient daarnaast op enige manier ook een relatie te hebben met de gevelde houtopstand. Daarom wordt nu gesteld dat de houtopstand tenminste gelijke ecologische en landschappelijke waarden moet kunnen vertegenwoordigen. Hiermee wordt niet per definitie bedoeld dat er precies dezelfde soorten geplant moeten worden als er voor de velling aanwezig waren; wel is het de bedoeling dat een houtopstand die een ecologische waarde vertegenwoordigde ook na herbeplanting weer ecologische waarden kan herbergen. Hierbij is het toegestaan deze ecologische waarden uit te wisselen, mits onderbouwd. Zo kan de ene inheemse loofboomsoort vervangen worden door de andere inheemse loofboom soort. Het is echter niet te de bedoeling om een soortenrijk loofbos te vervangen door soortenarme populierenplantage.



Het vellen van een houtopstand kan grote impact op de omgeving hebben. Het is daarom van belang deze op zo kort mogelijke termijn te herstellen, zodat de functie die de houtopstand vervult ook snel hersteld wordt. Derhalve worden er eisen gesteld aan de oppervlakte, de te kiezen soorten (het kunnen vormen van een volwaardige duurzame houtopstand) en het spoedig in sluiting kunnen komen van het kronendak. Dit laatste behelst dat er voldoende en kwalitatief goed plantmateriaal gebruikt dient te worden of dat er voldoende zaailingen aanwezig zijn. Snelgroeiende soorten behoeven minder plantmateriaal per ha. Het kunnen vormen van een duurzame en volwaardige houtopstand behelst dat soorten die gebruikt worden volledig tot wasdom kunnen komen op de bodem waarin ze geplant worden. Het planten van meer-eisend naaldhout (fijnspar, douglas) op droge arme zandgronden zal bijvoorbeeld niet leiden tot een duurzame houtopstand, omdat bomen voortijdig zullen afsterven en/of niet tot volle wasdom kunnen komen. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor het gebruik van beuk op bodems met hoge stagnerende grondwaterstanden. Wel kunnen Gedeputeerde Staten nadere regels stellen om, bijvoorbeeld, aan gecertificeerde bosbeheerders toe te staan om in het kader van een geïntegreerde bosbouwaanpak in beperkte mate soorten te gebruiken die worden uitgesloten in de verordening.



Met het oog op een evenwichtige functievervulling worden sierheesters, tuinsoorten en soorten die een gevaar vormen voor de biodiversiteit uitgesloten van herbeplanting. Bij het laatste wordt gedacht aan (invasieve) exoten soorten zoals bijvoorbeeld de Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina), die gezien het woekerende karakter inheems vegetaties volledig kan verdringen. Gezien de vele soorten die er zijn, in combinatie met meestal zeer specifieke gebiedsomstandigheden, komt Gedeputeerde Staten hier een hoge mate van beoordelingsvrijheid toe.

Artikel 3.96 Eisen aan herbeplantingen op andere gronden

Artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving beperkt de mogelijkheid van het door gedeputeerde staten bij maatwerkvoorschrift toestaan van herbeplantingen op andere gronden. Dit kan alleen als voldaan wordt aan bij verordening gestelde eisen. In dit artikel worden deze eisen gesteld. De eisen zijn gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 11.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving.



Indien er al sprake is van een herbeplantingsplicht op een bepaalde locatie kan hier niet nogmaals gecompenseerd worden, omdat daarmee de totale bosoppervlakte zou verkleinen. Zo is het ook niet toegestaan om te herbeplanten op gronden waar reeds compensatieverplichtingen voor andere gevallen liggen, die ontstaan zijn uit andere regelgeving.

Artikel 3.97 Stilstandvoorziening kleine windturbines

Uit meerjarig onderzoek naar de effecten van windturbines met een ashoogte van 15 meter, is gebleken dat het niet uitgesloten is dat er vogel- of vleermuisslachtoffers vallen als gevolg van het in werking hebben van de windturbines. Om deze mogelijke, negatieve effecten te voorkomen of te mitigeren is bepaald dat in de periode waarin de meeste slachtoffers kunnen vallen, de turbines stil moeten staan in de nachtelijke uren. Hierop is een uitzondering gemaakt voor windturbines waarbij op grond van een quickscan of een ecologisch onderzoek bekend is dat er geen of hooguit incidenteel slachtoffers zullen vallen.

Artikel 3.98 Vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten

Artikel 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft ons de bevoegdheid om in de omgevingsverordening af te wijken van de aanwijzing van de vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten.

Onder sub a. wordt het aanleggen en veranderen van klimaatbuffers en WADI’s (Water Afvoer Drainage en Infiltratie) onder voorwaarden uitgezonderd van de vergunningplicht die geldt voor ontgrondingsactiviteiten. Klimaatbuffers en WADI’s worden aangelegd als natuurlijke oplossingen om de gevolgen van klimaatverandering op te vangen, met name om wateroverlast te verminderen en de waterhuishouding te verbeteren. Ze spelen een cruciale rol in klimaatbestendige steden en landschappen door regenwater tijdelijk op te slaan en in de bodem te laten zakken.

Gelet op enerzijds het belang van de onder sub a en b aangewezen activiteiten en anderzijds op de beperkte risico’s voor en impact op de leefomgeving, is het wenselijk dat deze ontgrondingsactiviteiten kunnen worden uitgevoerd zonder omgevingsvergunning.

Onder sub b. wordt het saneren van de bodem onder voorwaarden uitgezonderd van de vergunningplicht die geldt voor ontgrondingsactiviteiten. Sanering van de bodem is aangewezen als een milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving (paragraaf 3.2.23). Het verwijderen van verontreiniging als saneringsaanpak is geregeld in artikel 4.1242 Besluit activiteiten leefomgeving, dat bepaalt dat saneren door ontgraven moet plaatsvinden tot bepaalde kwaliteitswaarden zijn bereikt. Om te voorkomen dat er een dubbele toets plaatsvindt en om maatschappelijke kosten en administratieve druk bij bodemsaneringen te beperken, stellen wij het verwijderen van verontreiniging (als saneringsaanpak) vrij van vergunningplicht.

Artikel 3.99 Uitzondering vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten

Artikel 16.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving geeft ons de bevoegdheid om in de omgevingsverordening een aanvullend verbod (vergunningplichte ontgrondingsactiviteit) op te nemen. In dit artikel worden ontgrondingsactiviteiten aangewezen die in afwijking van de elders aangewezen vergunningvrije gevallen, wel vergunningplichtig zijn.

Sub a. heeft betrekking op ontgrondingsactiviteiten die op basis van artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn uitgezonderd van de vergunningplicht. Er wordt bepaald dat, in afwijking van dat artikel, er wel een vergunningplicht geldt als meer wordt gegraven dan functioneel nodig.

Sub b. en c. hebben betrekking op bepaalde werkzaamheden met betrekking tot waterstaatswerken, die worden uitgevoerd door of namens het waterschap. In het verleden is gebleken dat werkzaamheden die in opdracht van het waterschap worden uitgevoerd primair een waterstaatkundig doel dienen, waardoor aspecten zoals landschap, ruimtelijke kwaliteit en natuurwaarden soms minder nadrukkelijk worden meegewogen. Door omvangrijke werkzaamheden aan waterstaatswerken of grootschalig onderhoud onder een vergunningplicht te laten vallen, kan de provincie borgen dat bij dergelijke ingrepen tijdig en integraal wordt gekeken naar aspecten als landschappelijke inpassing, ruimtelijke kwaliteit, ecologische effecten, en naar eventuele mitigerende maatregelen.

Sub d. heeft betrekking op dijken (slaperdijken) die tegenwoordig geen zee‑kerende of waterkerende functie meer hebben. Veel van deze dijken zijn in eigendom van agrarische bedrijven en kunnen de bedrijfsvoering beperken. Hierdoor kan de wens ontstaan om (een deel van) de dijk af te graven of te verlagen. Vanwege de grote cultuurhistorische en landschappelijke waarde van deze dijken en de daarin aanwezige dijkcoupures en de schotbalkhuisjes is het niet toegestaan om deze ontgrondingsactiviteiten te verrichten zonder vergunning. De beschermde dijken vormen karakteristieke visuele lijnen in het landschap en maken de ontstaansgeschiedenis van het Groninger landschap tastbaar en zichtbaar. Daarom worden deze waardevolle dijken en de bijbehorende elementen zo veel mogelijk behouden.

Artikel 3.100 Meldingplicht ontgrondingsactiviteit

Voor enkele ontgrondingsactiviteiten die niet vergunningplichtig zijn bestaat er een meldingplicht, omdat de provincie ook bij lichtere ingrepen zicht wil houden op mogelijke risico’s voor natuur, landschap, archeologie, omgeving en veiligheid. Ook niet vergunningplichtige ontgrondingen kunnen invloed hebben op bodem, natuur of archeologische lagen. De provincie gebruikt deze meldingen om inzicht te krijgen of er risico’s zijn voor deze waarden. Zonder meldingplicht zouden meerdere kleine ontgrondingen in dezelfde omgeving onopgemerkt kunnen blijven, terwijl ze samen wél grote impact kunnen hebben. Ook biedt de melding de mogelijkheid om tijdig te kunnen vaststellen of er mogelijk toch sprake is van een vergunningplicht. Daarmee is het ook in het kader van toezicht een belangrijk instrument.

Artikel 3.101 Gegevens en bescheiden bij een melding voor ontgrondingsactiviteit

Om te kunnen beoordelen of voor de ontgrondingsactiviteit een melding volstaat of toch sprake is van een vergunningplichtige ontgrondingsactiviteit zijn tenminste deze gegevens noodzakelijk.

Artikel 3.102 Toepassingsbereik

In dit artikel wordt het toepassingsbereik gegeven van de regels in deze afdeling.

Artikel 3.104 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen en provinciale vaarwegen

Dit artikel bepaalt welke gegevens een aanvraag om omgevingsvergunning voor beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen en provinciale vaarwegen in ieder geval moet bevatten. Het doel hiervan is te waarborgen dat de provincie beschikt over voldoende, eenduidige en technisch betrouwbare informatie om een aanvraag zorgvuldig te kunnen beoordelen.

Artikel 3.105 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bepaalt dat iedereen die werkzaamheden uitvoert bij een provinciale weg zelf moet zorgen dat de weg en het verkeer geen schade of gevaar ondervinden. Schade en overlast moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Als dat niet volledig lukt, moeten de gevolgen zo klein mogelijk blijven of worden hersteld. Lukt ook dat niet, dan moet de activiteit worden gestopt als dat redelijk is. Hiermee wordt de veiligheid en kwaliteit van de provinciale weg beschermd.

Artikel 3.106 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen - aanleggen, wijzigen en verwijderen van wegen en kunstwerken

Dit artikel wijst enkele activiteiten aan als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Sub a heeft betrekking op het aanleggen, wijzigen en verwijderen van wegen die aansluiten op provinciale wegen. Deze activiteiten kunnen invloed hebben op het functioneren, de verkeersveiligheid en de doorstroming van het verkeer op provinciale wegen. Het doel is te waarborgen dat aansluitende wegen verkeerskundig en technisch verantwoord worden gerealiseerd. Onder wegen worden ook tijdelijke en constructief aangelegde rijbanen verstaan.

Sub b heeft betrekking op het aanleggen, wijzigen en verwijderen van civiele kunstwerken. Deze kunstwerken kunnen directe gevolgen hebben voor de constructieve veiligheid en instandhouding van de weg. Het doel is te voorkomen dat de veiligheid en beschikbaarheid van de provinciale infrastructuur worden aangetast. Zowel permanente als tijdelijke constructies vallen hieronder.

Sub c heeft betrekking op het aanleggen, wijzigen of verwijderen van verbindingen tussen provinciale wegen en wegen die niet bij de provincie in beheer zijn. Deze verbindingen beïnvloeden de verkeersveiligheid en de doorstroming op provinciale wegen. Het doel is regie te houden op het aantal, de ligging en de inrichting van deze aansluitingen.

Sub d heeft betrekking op het aanleggen, wijzigen, verwijderen of van functie veranderen van uitwegen. Uitwegen vormen potentiële conflictpunten tussen verkeer op de provinciale weg en lokaal verkeer. Het doel is het bevorderen van de verkeersveiligheid en het beschermen van de functie van de provinciale weg. Onder uitwegen worden ook inritten en toegangen verstaan.

Sub e heeft betrekking op het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van (tijdelijke) aanpassingen aan wegen of de weginrichting. Deze aanpassingen kunnen gevolgen hebben voor de verkeersveiligheid en de bereikbaarheid. Het doel is te waarborgen dat dergelijke aanpassingen gecontroleerd en afgestemd plaatsvinden.

Artikel 3.107 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen - aanleggen, wijzigen, verwijderen of van functie veranderen van riolen, duikers, leidingen, buizen, mantelbuizen of kabels

Dit artikel wijst enkele activiteiten aan als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Specifiek heeft het betrekking op het aanleggen, wijzigen, verwijderen of wijzigen van de functie van onder‑ en bovengrondse infrastructuur in en nabij provinciale wegen. Deze voorzieningen kunnen invloed hebben op de wegconstructie, de waterafvoer en het onderhoud. Het doel is het borgen van een veilige en doelmatige instandhouding van de provinciale weg.

Artikel 3.108 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen - innemen van standplaatsen of rustplaatsen

Dit artikel wijst enkele activiteiten aan als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Sub a heeft betrekking op het innemen van standplaatsen langs provinciale wegen. Dergelijke activiteiten kunnen leiden tot verkeersonveilige situaties en tot belemmering van de verkeersafwikkeling. Het doel is ongewenst gebruik van provinciale wegen en bermen te voorkomen.

Sub b heeft betrekking op het gebruik van locaties langs provinciale wegen als rustplaats, voor zover deze niet daarvoor zijn bestemd of ingericht. Dit gebruik kan leiden tot schade aan de weg en tot verkeersonveilige situaties. Het doel is het beschermen van de weg en het waarborgen van veilig gebruik.

Artikel 3.109 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen - overige activiteiten

Dit artikel wijst enkele activiteiten aan als beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Sub a heeft betrekking op het plaatsen van voertuigen of constructies met handelsreclame langs provinciale wegen. Deze kunnen afleiding veroorzaken en het zicht van weggebruikers belemmeren. Het doel is het bevorderen van de verkeersveiligheid en een overzichtelijk wegbeeld.

Sub b heeft betrekking op activiteiten die de afvoercapaciteit van bermsloten beïnvloeden. Bermsloten maken onderdeel uit van de waterhuishouding en de wegconstructie. Het doel is het voorkomen van wateroverlast en schade aan de provinciale weg.

Sub c heeft betrekking op het aanbrengen, wijzigen of verwijderen van beplanting. Beplanting kan het zicht beperken en schade veroorzaken aan verhardingen of constructies. Het doel is het borgen van verkeersveiligheid en het kunnen uitvoeren van wegonderhoud. Ook het wortelgestel valt hieronder.

Sub d heeft betrekking op graaf- en spitwerkzaamheden in provinciale wegen. Deze werkzaamheden kunnen de constructieve veiligheid en de duurzaamheid van de weg aantasten. Het doel is bescherming van de wegconstructie.

Sub e heeft betrekking op overige activiteiten die niet expliciet zijn genoemd, maar wel invloed kunnen hebben op provinciale wegen. Het doel is te voorkomen dat dergelijke activiteiten buiten het toepassingsbereik van de regels vallen. Dit onderdeel fungeert als vangnetbepaling.

Sub f heeft betrekking op het gebruik van provinciale wegen voor andere doeleinden dan verkeer. Dergelijk gebruik kan de verkeersfunctie en de verkeersveiligheid belemmeren. Het doel is het beschermen van het primaire gebruik van provinciale wegen voor verkeer.

Artikel 3.110 Vergunningplicht beperkingengebiedactiveiten provinciale wegen

Gelet op de mogelijke gevolgen die deze activiteiten hebben voor de fysieke leefomgeving, is het nodig dat er een beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteiten plaatsvindt. Daarom geldt er een vergunningplicht.

Artikel 3.111 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit provinciale wegen

Dit artikel regelt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit bij een provinciale weg alleen wordt verleend als deze geen schade of nadelige gevolgen heeft voor de staat, werking en veiligheid van de weg en de daarin gelegen werken. Het artikel beschermt daarmee de kwaliteit en het functioneren van de provinciale infrastructuur.

Artikel 3.112 Meldingsplicht beperkingengebiedactiviteiten provinciale wegen

Dit artikel heeft betrekking op het graven van proefsleuven, het uitvoeren van sonderingen en grondboringen ten behoeve van grondonderzoek en het maken van lasgaten en huisaansluitingen voor water, energie en telecommunicatievoorzieningen, voor zover deze werkzaamheden plaatsvinden zonder het openbreken van de wegverharding of het toepassen van een sleufloze techniek. Deze activiteiten moeten minimaal vier weken voor aanvang gemeld worden.

Deze activiteiten kunnen, ook zonder het openbreken van de verharding, invloed hebben op de stabiliteit, draagkracht en instandhouding van de provinciale weg, bijvoorbeeld door verstoring van de ondergrond of zettingen. Regulering in de vorm van een melding is daarom noodzakelijk.

Het is van belang dat werkzaamheden waarop dit artikel betrekking heeft, zorgvuldig en gecontroleerd worden uitgevoerd, zodat schade aan de wegconstructie en risico’s voor de verkeersveiligheid worden voorkomen. Door de meldingsplicht is controle op deze werkzaamheden mogelijk.

Artikel 3.113 Specifieke zorgplicht

Dit artikel bepaalt dat iedereen die werkzaamheden uitvoert bij een provinciale vaarweg zelf moet zorgen dat de vaarweg en het scheepvaartverkeer geen schade of gevaar ondervinden. Schade en overlast moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Als dat niet lukt, moeten de gevolgen zo klein mogelijk blijven of worden hersteld. Lukt ook dat niet, dan moet de activiteit worden gestopt als dat redelijk is. Hiermee wordt de veiligheid en kwaliteit van de provinciale vaarweg beschermd.

Artikel 3.114 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten vaarwegen beroepsvaart - aanleggen, wijzigen en verwijderen van wegen en kunstwerken

Dit artikel wijst enkele activiteiten aan als beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Sub a heeft betrekking op het aanleggen van nieuwe vaarwegen die aansluiten op provinciale vaarwegen. Dergelijke aansluitingen kunnen invloed hebben op de veiligheid en het functioneren van de provinciale vaarweg. Het doel is regie te houden op de ligging en inrichting van aansluitende vaarwegen.

Sub b heeft betrekking op het maken van verbindingen tussen provinciale vaarwegen en vaarwegen of open water die niet bij de provincie in beheer zijn. Deze verbindingen kunnen gevolgen hebben voor de bevaarbaarheid en verkeersafwikkeling op provinciale vaarwegen. Het doel is het waarborgen van een veilig en doelmatig gebruik van de vaarweg.

Sub c heeft betrekking op het realiseren, aanpassen, verwijderen of aanwezig hebben van civiele kunstwerken, zoals in‑ en uitlaatwerken, damwanden, bruggen, sluizen en aquaducten. Deze kunstwerken raken direct aan de constructieve veiligheid en beschikbaarheid van de vaarweg. Het doel is het beschermen van de vaarwegfunctie en het voorkomen van risico’s voor de scheepvaart.

Sub d heeft betrekking op het veranderen van de vorm, de loop, de constructie of het profiel van provinciale vaarwegen. Dergelijke wijzigingen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de bevaarbaarheid en waterhuishouding. Het doel is te waarborgen dat aanpassingen aan de vaarweg zorgvuldig en beheerst plaatsvinden.

Artikel 3.115 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten vaarwegen beroepsvaart - aanleggen, wijzigen, verwijderen of van functie veranderen van riolen, duikers, leidingen, buizen, mantelbuizen of kabels

Dit artikel wijst een activiteit aan als beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteit een vergunningplicht wordt geïntroduceerd. De activiteit betreft het aanleggen, aanpassen, aanwezig hebben, buiten gebruik stellen of wijzigen van de functie van kabels, leidingen, buizen en grondduikers in en nabij provinciale vaarwegen. Deze voorzieningen kunnen de constructie, stabiliteit en onderhoudbaarheid van de vaarweg beïnvloeden. Het doel is schade aan de vaarweg en belemmeringen voor het scheepvaartverkeer te voorkomen.

Artikel 3.116 Aanwijzing beperkingengebiedactiviteiten vaarwegen beroepsvaart - overige activiteiten

Dit artikel wijst enkele activiteiten aan als beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart. Deze aanwijzing maakt het mogelijk dat in een volgend artikel voor deze activiteiten een vergunningplicht wordt geïntroduceerd.

Sub a heeft betrekking op het aanleggen, aanpassen, verwijderen, aanwezig hebben of wijzigen van de functie van aanmeervoorzieningen, steigers en laad‑ of loskades. Deze voorzieningen hebben invloed op de veiligheid, doorstroming en het gebruik van de vaarweg. Het doel is een ordelijk en veilig gebruik van provinciale vaarwegen te waarborgen.

Sub b heeft betrekking op het overslaan van vaste, vloeibare en gasvormige goederen op locaties die daarvoor niet zijn bestemd, ingericht of constructief geschikt. Dergelijke activiteiten kunnen risico’s opleveren voor de veiligheid, de vaarweg en het milieu. Het doel is het voorkomen van onveilige situaties en schade aan de vaarweg.

Sub c heeft betrekking op het doelmatig en veilig gebruik van provinciale vaarwegen belemmeren. Het betreft een algemene bepaling die ziet op situaties waarin het functioneren van de vaarweg wordt aangetast. Het doel is het borgen van de veilige en ongehinderde beroepsvaart.

Sub d heeft betrekking op het maken, aanpassen, verwijderen of aanwezig hebben van werken in, op, boven of onder provinciale vaarwegen die niet onder de voorgaande onderdelen vallen. Het doel is te voorkomen dat relevante activiteiten buiten het toepassingsbereik van de regels vallen. Dit onderdeel fungeert als vangnetbepaling.

Sub e heeft betrekking op het gebruik van provinciale vaarwegen voor andere doelen dan scheepvaartverkeer. Dergelijk gebruik kan het primaire gebruik door de beroepsvaart belemmeren. Het doel is bescherming van de vaarwegfunctie en de veiligheid van het scheepvaartverkeer.

Artikel 3.117 Vergunningplicht beperkingengebiedactiviteiten vaarwegen beroepsvaart

Gelet op de mogelijke gevolgen die deze activiteiten hebben voor de fysieke leefomgeving, is het nodig dat er een beoordeling van de toelaatbaarheid van de activiteiten plaatsvindt. Daarom geldt er een vergunningplicht.

Artikel 3.118 Beoordelingsregel omgevingsvergunning beperkingengebiedactiviteit vaarwegen beroepsvaart

Dit artikel bepaalt dat een omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een beperkingengebiedactiviteit vaarwegen alleen wordt verleend als deze geen schade of nadelige gevolgen heeft voor de staat, werking en veiligheid van de vaarweg en de daarin gelegen werken. Het artikel beschermt daarmee de kwaliteit en het functioneren van de provinciale infrastructuur.

Artikel 3.119 Verboden activiteiten in beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart

Dit artikel bepaalt dat binnen het beperkingengebied vaarwegen beroepsvaart, objecten, beplanting en windturbines verboden zijn als deze het zicht belemmeren of gevaar opleveren voor de scheepvaart. Het artikel beschermt daarmee de veiligheid en goede doorvaart op provinciale vaarwegen.

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

Het eerste lid van dit artikel regelt dat de instructieregels naast het omgevingsplan ook gelden voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van een gemeente.

Het tweede lid van dit artikel regelt dat de instructieregels niet gelden voor zover het alleen gaat om het vastleggen van bestaande bebouwing en bestaand gebruik in het omgevingsplan. Onder bestaand gebruik en bestaande bebouwing wordt het volgende verstaan:

Bestaand gebruik: gebruik van grond en van bebouwing dat op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestond, met uitzondering van gebruik dat op dat tijdstip in strijd was met het geldende omgevingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan, niet zijnde persoonsgebonden overgangsrecht.

Bestaande bebouwing: bebouwing die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening aanwezig of in uitvoering is of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, met uitzondering van bebouwing die gebouwd is zonder omgevingsvergunning en in strijd is met het op dat tijdstip geldende omgevingsplan met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat omgevingsplan.

Artikel 4.2 Aanpassingstermijn omgevingsplan

Artikel 2.23 van de Omgevingswet biedt een grondslag om een termijn te stellen aan bestuursorganen waarbinnen uitvoering moet zijn gegeven aan de instructieregels. Daarom is bepaald dat binnen 18 maanden na inwerkingtreding van deze verordening de gemeenteraden of B&W - als sprake is van een door de gemeenteraad gedelegeerde bevoegdheid - de inhoud van het omgevingsplan in overeenstemming dienen te brengen met de instructieregels in de verordening. Deze uitvoeringstermijn geldt ook in het geval van een wijziging van de verordening, tenzij bij de gewijzigde regels een andere termijn wordt gesteld.

Artikel 4.3 Beeldbepalende en karakteristieke gebouwen

Gebouwd erfgoed is medebepalend voor het landschap, de beleving van ruimtelijke kwaliteit en de identiteit van onze provincie. Naast de Rijks- en gemeentelijke monumenten zijn hierbij ook beeldbepalende en karakteristieke panden van essentieel belang. Daarom vragen wij gemeenten om de beeldbepalende en karakteristieke bebouwing binnen de gemeente te inventariseren en te beschermen in het omgevingsplan.  

Artikel 4.4 Inpassing van nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied

In haar Omgevingsvisie stelt de provincie ruimtelijke kwaliteit als basis uitgangspunt. Ruimtelijke kwaliteit ziet de provincie als het geheel van herkomstwaarde, gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde.

• Herkomstwaarde: het gaat om de historisch gegroeide landschappelijke structuur, ruimtelijke erfgoedwaarden en archeologische waarden. Deze waarden zijn ontstaan vanuit een natuurlijke basis, onder invloed van mensen die hier zijn gaan wonen, werken en leven. Dit is de oorsprong van onze leefomgeving.

• Gebruikswaarde: het draait om een efficiënte inrichting van het gebied voor uitoefening van de daaraan toegekende of toe te kennen functies. We willen onze leefomgeving optimaal gebruiken voor de beoogde doelen.

• Belevingswaarde: centraal staan imago, uitstraling en aantrekkingskracht van het landschap, de steden, dorpen en bouwwerken, waaronder het gebouwd cultuurhistorisch erfgoed. De herkenbaarheid van de historisch gegroeide stedenbouwkundige en landschappelijke structuur is daarbij van groot belang. Het gaat over alles wat we als mens kunnen beleven: zien, horen, voelen en ruiken.

• Toekomstwaarde: het gaat om de toekomstbestendigheid van de maatregelen die ten behoeve van de gebruiks- en de belevingswaarde worden genomen. Alles wat we doen en ontwikkelen, doen we robuust, klimaatbestendig en duurzaam, zodat het niet alleen voor onszelf, maar ook voor toekomstige generaties beschikbaar is.

Versterking van ruimtelijke kwaliteit en bescherming van landschappelijke waarden zijn beide provinciale belangen. Dit artikel stelt regels over de motivering van het omgevingsplan dat betrekking heeft op nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied. In dit artikel staat geduid aan de hand van welke aspecten de gewenste motivering op het gebied van ruimtelijke kwaliteit opgesteld dient te worden.

Artikel 4.5 (Erf-)inrichtingsplan

Dit artikel stelt met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels over de borging van de aanleg en instandhouding van het (erf-)inrichtingsplan in het omgevingsplan. Ten behoeve van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van een meer dan ondergeschikte uitbreiding van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen respectievelijk het meer dan ondergeschikt vergroten of uitbreiden van vrijgekomen gebouwen door middel van het oprichten van nieuwe bijbehorende gebouwen (anders dan vervangende nieuwbouw) vindt de provincie het volgens haar Omgevingsvisie noodzakelijk dat de uitvoering en instandhouding van het (erf-)inrichtingsplan in het omgevingsplan wordt geborgd.

Artikel 4.6 Maatwerkmethode

In haar Omgevingsvisie stelt de provincie ruimtelijke kwaliteit als basis uitgangspunt. Versterking van ruimtelijke kwaliteit en bescherming van landschappelijke waarden zijn beide provinciale belangen. Om ervoor te zorgen dat dit in de maatwerkmethode op de juiste manier wordt toegepast, stelt dit artikel regels over die toepassing. In het eerste lid door de maatwerkmethode altijd te laten begeleiden door een deskundige op het gebied van stedenbouw en landschap. In het tweede lid door te duiden welke ruimtelijke kwaliteitsaspecten meegenomen dienen te worden bij de toepassing van de maatwerkmethode. Dit is altijd ter beoordeling van de deskundige en gaat in elk geval over de landschappelijke waarden zoals beschermd in Paragraaf 4.1.8 van deze verordening

Artikel 4.7 Stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied

Eerste lid

Uit de Omgevingsvisie volgt dat de kwaliteit van de leefomgeving een belangrijk provinciaal uitgangspunt. Het uitgangspunt is dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen in principe plaats dienen te vinden binnen het stedelijk gebied. In de Omgevingsverordening is daarom onderscheid gemaakt in het stedelijk gebied en het buitengebied (de één is de contramal van de ander). Hiermee wordt toepassing gegeven aan het uitgangspunt van zorgvuldig meervoudig ruimtegebruik. In de Omgevingsverordening zijn wel een aantal uitzonderingen op dit uitgangspunt geformuleerd.

Het eerste lid van artikel 4.7 regelt dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op het buitengebied niet kan voorzien in nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de begripsbepalingen is opgenomen wanneer sprake is van een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. Uit de begripsbepaling volgt dat het kan gaan om uiteenlopende functies. Uit de begripsbepaling volgt dat bij de vraag of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of een omgevingsplan, in vergelijking met het voorgaande planologische regime, een nieuw beslag op de ruimte legt en in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande planologische regime, voorziet in een functiewijziging. Dit nieuwe beslag op de ruimte kan ontstaan door het uitbreiden van de bouwmogelijkheden. Een omgevingsplan dat bij recht een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, maar ten opzichte van het voorgaande planologische regime geen nieuw planologisch ruimtebeslag mogelijk maakt, maar alleen een planologische functiewijziging, voorziet in beginsel niet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken indien die planologische functiewijziging een zodanige aard en omvang heeft dat desalniettemin sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Hierbij komt betekenis toe aan de ruimtelijke uitstraling van de in het nieuwe plan voorziene functie en die van hetgeen onder het vorige plan mogelijk was.

Bij de aard gaat het om de vraag of er sprake is van een fundamentele wijziging die het karakter van een locatie wezenlijk verandert. Bij de omvang gaat het om de vraag of de grootte, de kwantiteit en de impact van de nieuwe stedelijke ontwikkeling aanzienlijk is. Het is aan het bevoegd gezag om te onderbouwen of er wel of geen sprake is van een uitbreiding of wijziging van substantiële aard en omvang. Als de wijziging van de gebruiksmogelijkheden niet van substantiële aard en omvang is, dan is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Tweede lid

De beschikbare ruimte is schaars. Dit maakt dat er situaties zijn dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling niet plaats kan vinden binnen het stedelijk gebied. Om deze ontwikkelingen mogelijk te maken is in het tweede lid een uitzondering geformuleerd op het verbod voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het buitengebied. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

de locatie voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling dient aan te sluiten op het stedelijk gebied;

er dient te worden gemotiveerd dat er binnen het stedelijk gebied geen locatie beschikbaar is voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling;

er dient te worden gemotiveerd dat er ook na intensivering, herstructurering of revitalisering geen locatie beschikbaar is voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen het stedelijk gebied.

Deze drie voorwaarden zijn opgenomen om te borgen dat er enkel een nieuw beslag op de ruimte wordt gelegd als, in het licht van meervoudig zorgvuldig ruimtegebruik, is onderzocht of er binnen het stedelijk gebied geen mogelijkheden zijn voor deze stedelijke ontwikkeling. Deze voorwaarden worden hieronder toegelicht.

Aansluiten op stedelijk gebied

Om te voorkomen dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen los in het buitengebied komen te liggen is ervoor gekozen om nieuwe stedelijke ontwikkelingen enkel mogelijk te maken als deze aansluiten bij het stedelijk gebied. Bij de onderbouwing of de nieuwe stedelijke ontwikkeling aansluit bij het stedelijk gebied kan het hele plangebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling worden betrokken. Dit plangebied hoeft niet direct tegen het stedelijk gebied aan te liggen. Het is wel van belang dat er een vorm van verbinding is tussen het stedelijk gebied en de nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Het kan voor de inpassing van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bijvoorbeeld wenselijk zijn dat er tussen het bestaand stedelijk gebied en de nieuwe stedelijke ontwikkeling een groenstrook of waterpartij wordt aangelegd. Wanneer deze groenstrook of waterpartij onderdeel uitmaakt van het plangebied voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling dan wordt dit ook gezien als aansluitend aan het stedelijk gebied.

Daarnaast zijn er situaties denkbaar waarbij de grens van het stedelijk gebied aan de ene zijde van een waterloop of weg ligt en het voornemen is om de nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk te maken aan de andere zijde van de waterloop of weg in het buitengebied. Ook in dergelijke situaties kan er sprake zijn van een ontwikkeling aansluitend aan het stedelijk gebied. Het is aan het bevoegd gezag om in de motivering te onderbouwen dat er sprake is van een ontwikkeling die aansluit op het stedelijk gebied.

Geen locatie beschikbaar binnen bestaand stedelijk gebied

Er dient te worden onderbouwd dat er voor de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling geen locatie beschikbaar is binnen het stedelijk gebied. Uit de definitie van het begrip nieuwe stedelijke ontwikkeling volgt dat het kan gaan om uiteenlopende functies. Ook de aard en omvang van de nieuwe stedelijke ontwikkeling kan variëren.

De aard en omvang van de nieuwe stedelijke ontwikkeling bepalen wat het ruimtelijke verzorgingsgebied is. Dit ruimtelijke verzorgingsgebied bepaalt vervolgens naar welk deel van het stedelijk gebied moet worden gekeken voor een eventuele beschikbare locatie. Er zijn situaties waarbij een nieuwe stedelijke functie slechts een beperkt lokaal ruimtelijk verzorgingsgebied heeft. In dergelijke situaties dient er dus enkel te worden gekeken naar beschikbare locaties binnen het stedelijk gebied in dit ruimtelijke verzorgingsgebied. Bij nieuwe stedelijke functies die een groter (regionaal) verzorgingsgebied hebben, dient er dus ook binnen een groter deel van het stedelijk gebied te worden gekeken naar beschikbare locaties. Het is aan het bevoegd gezag om in de motivering te onderbouwen wat het ruimtelijke verzorgingsgebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling is en of in dit gebied locaties beschikbaar zijn voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Geen locatie beschikbaar binnen bestaand stedelijk gebied na intensivering, revitalisering en herstructurering

Tenslotte moet worden onderbouwd dat er ook na intensivering, revitalisering en herstructurering geen locatie beschikbaar is voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen het stedelijk gebied. Ook hier geldt dat de omvang van het stedelijk gebied waar gekeken moet worden naar beschikbare locaties afhankelijk is van het ruimtelijke verzorgingsgebied van de nieuwe stedelijke ontwikkeling. Zoals hiervoor is aangegeven verschilt dit gebied naar aard en omvang van de nieuwe stedelijke ontwikkeling.

De wijze waarop de locaties binnen het stedelijk gebied worden gebruikt is aan verandering onderhevig. Daarom is het van belang dat er ook wordt gekeken of er binnen het stedelijk gebied mogelijkheden zijn voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling op locaties waarvan het gebruik kan worden aangepast, hierbij zijn de volgende drie onderdelen aan de orde:

intensivering: locaties binnen het bestaand stedelijk gebied kunnen eventueel intensiever worden gebruikt. Er dient te worden gekeken of de nieuwe stedelijke ontwikkeling ook kan worden gerealiseerd op een locatie binnen het stedelijk gebied door het gebruik op deze locatie te intensiveren.

herstructurering: de wijze waarop een locatie wordt gebruikt kan veranderen. Er dient te worden onderzocht of de nieuwe stedelijke ontwikkeling ook kan worden gerealiseerd binnen het stedelijk gebied op een locatie die wordt geherstructureerd.

revitalisering: de levensduur van gebouwen en de gebruiksduur van locaties is beperkt. Door gebouwen en gebieden te revitaliseren kan er langer gebruik van worden gemaakt. Er dient te worden onderzocht of de nieuwe stedelijke ontwikkeling ook binnen het stedelijk gebied mogelijk kan worden gemaakt op een locatie die wordt gerevitaliseerd.

Aanvullend is nog relevant dat er binnen het bestaand stedelijk gebied ook nadrukkelijk behoefte is aan functies als sport – en groenvoorzieningen en water. In het onderzoek naar eventuele beschikbare locaties binnen het bestaand stedelijk gebied hoeven dergelijke locaties dus niet te worden betrokken.

Daarnaast kunnen ook kwalitatieve aspecten een rol spelen in de onderbouwing waarom een nieuwe stedelijke ontwikkeling niet plaats kan vinden binnen het stedelijk gebied. Indien voor een bepaalde functie de toegang tot vaarwater bijvoorbeeld een belangrijke voorwaarde is, en deze voorwaarde niet te vervullen is op locaties binnen het stedelijk gebied, dan kan dit deel van de onderbouwing vormen om de functie aansluitend aan het stedelijk gebied te realiseren.

Ook financiële aspecten kunnen een rol spelen in de onderbouwing. Als op een beschikbare locatie binnen stedelijk gebied bijvoorbeeld eerst forse investeringen zijn vereist om de locatie geschikt te maken, dan kan dit een onderdeel zijn van de onderbouwing om de nieuwe stedelijke ontwikkeling aansluitend aan het stedelijk gebied te realiseren.

Uit het voorgaande volgt dat het voor het toevoegen van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij een kern van belang is dat er een visie is op de toekomst van deze kern: welke locaties komen er in de toekomst vrij en komen in aanmerking voor nieuwe functies? Welke delen van de kern dienen groen te blijven? Welke opgaven spelen er in de toekomst en op welke wijze worden die ingevuld? Een dergelijke visie kan een belangrijk hulpmiddel zijn voor de onderbouwing die op basis van het tweede lid is vereist.

Derde lid

Er zijn een aantal activiteiten die onder de definitie van het begrip stedelijke ontwikkeling vallen, maar die wel wenselijk of noodzakelijk zijn in het buitengebied. Om deze activiteiten mogelijk te maken is in het derde lid een uitzondering opgenomen voor het verbod op nieuwe stedelijke ontwikkelingen uit het eerste lid. De activiteiten die zijn toegestaan betreffen de activiteiten zoals opgesomd onder a tot en met h. Een kampeermiddel is een mobiel onderkomen of voertuig dat is bedoeld om in te overnachten tijdens het kamperen. Met een kampeermiddel wordt in ieder geval bedoeld; tenten, vouwwagens, campers, toercaravans en huifkarren.

Artikel 4.8 Proefprojecten bijzondere woonvormen in het buitengebied

De regeling voor proefprojecten in het buitengebied maakt het mogelijk om binnen door gedeputeerde staten aangewezen locaties kleinschalige woningbouwontwikkelingen toe te staan, mits de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een provinciale deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. Daarnaast zijn de in het artikel genoemde gebieden uitgesloten van toepassing.

De regeling heeft het karakter van een experiment en is gericht op het opdoen van ervaring met wooninitiatieven die bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied. Daarbij staat niet de woonvorm zelf centraal, maar de bijdrage die een initiatief kan leveren aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Gedeputeerde Staten wijzen dus geen locaties voor proefprojecten aan als een initiatief al op basis van andere regels in deze verordening kan worden gerealiseerd.

De maatwerkmethode vormt het centrale instrument om deze kwaliteit te beoordelen. In de praktijk wordt deze ingevuld door een (kwaliteits)dialoog waarin beoordeeld wordt op welke wijze een initiatief bijdraagt aan relevante kwaliteitsaspecten, zoals het landschap, cultuurhistorie, sociale samenhang, duurzaamheid en natuur, waaronder bodem- en watersystemen. De mate waarin een ontwikkeling aansluit bij de gebiedskenmerken en hieraan een positieve bijdrage levert, speelt daarbij een belangrijke rol.

Binnen deze benadering kunnen verschillende typen wooninitiatieven worden ontwikkeld. Te denken valt aan woonvormen die bijdragen aan sociale cohesie, initiatieven die gericht zijn op duurzame of natuurinclusieve ontwikkeling, of projecten die landschappelijke structuren versterken. De specifieke uitwerking is locatieafhankelijk en maakt onderdeel uit van de maatwerkmethode.

Omdat sprake is van een experimentele regeling, zijn verslaglegging en evaluatie van belang om opgedane ervaringen te benutten voor toekomstige beleidsontwikkeling.

Artikel 4.9 Gebruik vrijgekomen gebouwen in het buitengebied

Dit artikel stelt met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels over de mogelijkheden voor hergebruik van vrijgekomen gebouwen in het buitengebied die bij de vaststelling van het omgevingsplan in acht dienen te worden genomen. Door verschillende oorzaken verliezen (agrarische) bedrijfsgebouwen in het buitengebied hun oorspronkelijke functie. 

De provincie geeft in haar Omgevingsvisie aan dat nieuwe functies (bijvoorbeeld wonen of kleinschalige bedrijvigheid) in deze gebouwen kunnen bijdragen aan de leefbaarheid en de economie van het platteland, aan het behoud van het cultureel erfgoed en aan de ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke karakteristieken. Ook kan daarmee kapitaalvernietiging worden voorkomen. Dergelijke gebouwen en bijbehorende erven hebben in het algemeen specifieke ruimtelijke kenmerken die de identiteit van het landschap mede bepalen. Het erf met bebouwing (hoofdgebouw en bijgebouwen), de erfinrichting en de erfbeplanting vormen daarbij het erfensemble. Onder een erfensemble wordt verstaan het geheel van bebouwing en erf binnen één bouwperceel, waarbij de onderlinge samenhang tussen gebouwen, erf en beplanting én de relatie met het omliggende landschap centraal staan. Het erfensemble draagt daarmee bij aan een herkenbaar en samenhangend ruimtelijk beeld dat past binnen de Groningse context.

Nieuwe woonfuncties zijn alleen toegestaan in het hoofdgebouw of in bij het hoofdgebouw behorend gebouwd erfgoed zodat deze ten behoeve van een woonfunctie behouden kunnen blijven. Het toelaten van meerdere woningen in het vrijgekomen gebouw is mogelijk indien de toename van het aantal woningen past binnen de regels over woningbouw in Artikel 4.19. Dit betekent dat wanneer sprake is van gebouwd erfgoed het maximale aantal van 3 woningen uit Artikel 4.17 over nieuwbouw van woningen binnen bebouwingslinten niet van toepassing is, als deze woningen inpandig worden gerealiseerd. 

Op grond van het eerste lid, onder e dienen bij hergebruik van vrijgekomen gebouwen regels te worden opgenomen over de mogelijkheden tot uitoefening van detailhandel in het omgevingsplan. Detailhandel kan afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit punt in het omgevingsplan bijvoorbeeld geheel worden uitgesloten of onder voorwaarden worden toegestaan, bijvoorbeeld door regels in het omgevingsplan te stellen over de aard van de ter verkoop aangeboden goederen en over de maximale vloeroppervlakte dat voor de uitoefening van detailhandel kan worden gebruikt. 

Artikel 4.10 Bouwactiviteiten vrijgekomen gebouwen in het buitengebied

Dit artikel stelt met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels over de bouw en verbouwmogelijkheden van vrijgekomen gebouwen in het buitengebied die bij de vaststelling van het omgevingsplan in acht dienen te worden opgenomen. 

De provincie geeft in haar Omgevingsvisie aan dat de ruimtelijke relevante kenmerken van voormalige al dan niet agrarische bedrijfsbebouwing in het buitengebied zoveel mogelijk behouden moeten blijven. Dergelijke gebouwen en bijbehorende erven hebben in het algemeen specifieke ruimtelijke kenmerken die de identiteit van het landschap mede bepalen. Het erf met bebouwing (hoofdgebouw en bijgebouwen), de erfinrichting en de erfbeplanting vormen daarbij het erfensemble. Onder een erfensemble wordt verstaan het geheel van bebouwing en erf binnen één bouwperceel, waarbij de onderlinge samenhang tussen gebouwen, erf en beplanting én de relatie met het omliggende landschap centraal staan. Het erfensemble draagt daarmee bij aan een herkenbaar en samenhangend ruimtelijk beeld dat past binnen de Groningse context.

Gemeenten kunnen onder voorwaarden in het omgevingsplan ruimte bieden voor het vergroten van deze gebouwen of het oprichten van nieuwe gebouwen (anders dan vervangende nieuwbouw).  

Voor een vergroting van de gezamenlijke oppervlakte van vrijgekomen gebouwen met meer dan 20% (toename van de oppervlakte van gebouwen met meer dan 20% ten opzichte van de aanwezige gebouwen) dient de gemeente de maatwerkmethode onder begeleiding van een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur toe te passen. Indien de toename van de oppervlakte van de nieuwe gebouwen meer dan 20% is ten opzichte van de aanwezige gebouwen dient de maatwerkmethode begeleidt te worden door een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 

Artikel 4.11 Ruimte-voor-ruimte-regeling vervanging van een niet voor hergebruik geschikt te maken woning in het buitengebied

De ruimte-voor-ruimte regeling is bedoeld om de kwaliteit van het buitengebied te verbeteren door verouderde of niet meer bruikbare bebouwing te slopen en – als compensatie – een beperkte woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. Deze regeling kan worden toegepast voor zover het gaat om het bouwen van een vervangende woning - passend in het voor het betrokken gebied kenmerkende landschaps- en bebouwingsbeeld - op een perceel waar al een woning aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een woning ter vervanging van een voormalige agrarische bedrijfswoning op een agrarisch bouwperceel. Omdat een nieuwe woning geen doel op zich is, maar een middel om de kwaliteit van het buitengebied te verbeteren, dient eerst beoordeeld te worden of de bouwkundige staat, oppervlakte of inwendige vorm van de woning niet geschikt kan worden gemaakt voor een wijze van gebruik die voldoet aan de geldende bouwkundige voorschriften of aan hedendaagse eisen op het gebied van wooncomfort.

Artikel 4.12 Ruimte-voor-ruimte-regeling bouw woning ter compensatie van afbraak van voor hergebruik niet geschikt te maken bebouwing in het buitengebied

De ruimte-voor-ruimte regeling is bedoeld om de kwaliteit van het buitengebied te verbeteren door verouderde of niet meer bruikbare bebouwing te slopen en – als compensatie – een beperkte woningbouwontwikkeling mogelijk te maken. De regeling kan alleen worden toegepast als dit leidt tot een aantoonbare en duurzame verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Nieuwe woningen zijn geen doel op zich, maar een middel om de sloop en kwaliteitsverbetering financieel en ruimtelijk mogelijk te maken. Daarom wordt eerst beoordeeld of hergebruik of functieverandering van bestaande bebouwing redelijkerwijs mogelijk is. Alleen als dat niet het geval is, kan sloop met vervangende woningbouw worden toegestaan.

De omvang van nieuwe woonbebouwing is gekoppeld aan de hoeveelheid te slopen bebouwing via vaste verhoudingen. Hierdoor ontstaat alleen recht op nieuwbouw bij voldoende sloop en is per saldo sprake van een afname van bebouwing en een vermindering van verrommeling in het buitengebied. Tegelijkertijd wordt geborgd dat de nieuwe bebouwing qua schaal, maat en erfinrichting aansluit bij het bestaande landschap en bebouwingsbeeld. In de uitwerking ligt de nadruk op een invulling die past binnen het landelijke buitengebied van de provincie Groningen die bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en de landschappelijke kernkwaliteiten in het buitengebied.

Het erf met bebouwing, de erfinrichting en de erfbeplanting vormen daarbij gezamenlijk een evenwichtige ordening van een nieuw erfensemble. Onder een erfensemble wordt verstaan het geheel van bebouwing en erf binnen één bouwperceel, waarbij de onderlinge samenhang tussen gebouwen, erf en beplanting én de relatie met het omliggende landschap centraal staan. Het erfensemble draagt daarmee bij aan een herkenbaar en samenhangend ruimtelijk beeld dat past binnen de Groningse context.

Ter borging van deze landschappelijke inpassing wordt de maatwerkmethode toegepast. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwbouw plaatsvindt op de slooplocatie. Indien dit ruimtelijk niet aanvaardbaar is, kan gemotiveerd worden uitgeweken naar een andere locatie. In dat geval gelden aanvullende voorwaarden, waaronder toepassing van de maatwerkmethode onder provinciale regie.

Artikel 4.13 Reclamemasten in het buitengebied

Hoge reclamemasten doen volgens de provincie afbreuk aan de belevingswaarde en de ruimtelijke kwaliteit van het landschap. Dit artikel bepaalt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dat in het omgevingsplan de bouw van reclamemasten hoger dan zes meter in het buitengebied wordt uitgesloten. Het bepalen van de hoogte van reclamemasten in het stedelijk gebied betreft een verantwoordelijkheid van de gemeente.

Artikel 4.14 Uitbreiding niet-agrarische bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en aantal woonwagenstandplaatsen in het buitengebied tot 20%

Niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen zijn voorbeelden van functies die niet noodzakelijkerwijs in het buitengebied behoeven te worden uitgeoefend. In beginsel dienen zij dan ook op bijvoorbeeld een bedrijventerrein te worden gevestigd. Dat neemt niet weg dat er feitelijk wel niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied voorkomen. Een aantal van deze bestaande situaties is gevestigd in gebouwen die hun oorspronkelijke functie (de functie waarvoor de bebouwing ooit is opgericht) hebben verloren. Deze gebouwen worden als 'vrijgekomen gebouwen' aangemerkt. 

Voor niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen die in laatstgenoemde gebouwen zijn gevestigd, gelden de regels die zijn opgenomen in de artikelen 4.9 en 4.10, die gaan over vrijgekomen gebouwen. Voor niet-agrarische bedrijven die echter gehuisvest zijn in gebouwen die ten behoeve van het betreffende bedrijfstype zijn gebouwd en voor maatschappelijke voorzieningen gelden de daarvoor gegeven regels in artikelen 4.14 en 4.15. 

Dit artikel stelt regels voor de uitbreiding van deze bedrijven en maatschappelijke voorzieningen waarbij bebouwing wordt toegevoegd of uitbreiding van een bouwperceel met een oppervlakte van niet meer dan 20%.

Volgens de Nationale Ombudsman moet het mensenrecht van woonwagenbewoners om te leven volgens hun culturele identiteit worden gefaciliteerd door o.a. in voldoende standplaatsen te voorzien. Ruimte voor deze stedelijke ontwikkeling zal in of aansluitend aan het stedelijk gebied worden geaccommodeerd. De Omgevingsverordening stelt regels om een eventuele uitbreiding van een reeds bestaand woonwagenpark voor nieuwe standplaatsen in het buitengebied mogelijk te maken als redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar de bestaande woonwagenstandplaatsen zijn gesitueerd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien. Hiervoor gelden voor de ruimtelijke inpassing dezelfde regels als voor uitbreiding van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied. 

Artikel 4.15 Uitbreiding niet-agrarische bedrijven, maatschappelijke voorzieningen en aantal woonwagenstandplaatsen in het buitengebied met meer dan 20%

Niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen zijn voorbeelden van functies die niet noodzakelijkerwijs in het buitengebied behoeven te worden uitgeoefend. In beginsel dienen zij dan ook op bijvoorbeeld een bedrijventerrein te worden gevestigd. Dat neemt niet weg dat er feitelijk wel niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied voorkomen. Een aantal van deze bestaande situaties is gevestigd in gebouwen die hun oorspronkelijke functie (de functie waarvoor de bebouwing ooit is opgericht) hebben verloren. Deze gebouwen worden als 'vrijgekomen gebouwen' aangemerkt. 

Voor niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen die in laatstgenoemde gebouwen zijn gevestigd, gelden de regels die zijn opgenomen in Artikel 4.9 en Artikel 4.10. Voor niet-agrarische bedrijven die echter gehuisvest zijn in gebouwen die ten behoeve van het betreffende bedrijfstype zijn gebouwd en voor maatschappelijke voorzieningen gelden de regels beschreven Artikel 4.14 en Artikel 4.15. 

Bij uitbreiding van het bouwperceel van deze bedrijven met een oppervlakte van meer dan 20% dient de maatwerkmethode te worden gevolgd en een erfinrichtingsplan te worden opgesteld. Dit dient in het omgevingsplan te worden verankerd.

Volgens de Nationale Ombudsman moet het mensenrecht van woonwagenbewoners om te leven volgens hun culturele identiteit worden gefaciliteerd door o.a. in voldoende standplaatsen te voorzien. Ruimte voor deze stedelijke ontwikkeling zal in of aansluitend aan het stedelijk gebied worden geaccommodeerd. De Omgevingsverordening stelt regels om een eventuele uitbreiding van een reeds bestaand woonwagenpark voor nieuwe standplaatsen in het buitengebied mogelijk te maken als redelijkerwijs niet op een andere locatie dan waar de bestaande woonwagenstandplaatsen zijn gesitueerd in de ruimtebehoefte kan worden voorzien. Hiervoor gelden voor de ruimtelijke inpassing dezelfde regels als voor uitbreiding van niet-agrarische bedrijven en maatschappelijke voorzieningen in het buitengebied. 

Artikel 4.16 Hervestiging agrarische hulpbedrijven

Agrarische hulpbedrijven zijn functies die niet noodzakelijkerwijs in het buitengebied behoeven te worden uitgeoefend. In beginsel kunnen zij dan ook op bijvoorbeeld een bedrijventerrein worden gevestigd in of rond kernen. Niet alle agrarische hulpbedrijven functioneren echter altijd optimaal op onze bedrijventerreinen vanwege bijvoorbeeld hun verzorgingsgebied of omdat het type bedrijventerrein zich minder goed voor dit type leent. Daardoor kan het voorkomen dat een bestaand bedrijf ernstige overlast veroorzaakt op zijn huidige vestigingsplaats vanwege de gevolgen van bestaande bedrijfsvoering op de fysieke leefomgeving en verplaatsing noodzakelijk is. Te denken valt bijvoorbeeld aan het niet kunnen voldoen aan wettelijke geluidnormen of het veroorzaken van onaanvaardbare verkeershinder of verkeersonveiligheid binnen een kern. Dit artikel stelt – met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties – regels over de mogelijkheid om in het omgevingsplan de verplaatsing van een agrarisch hulpbedrijf toe te staan. In het omgevingsplan kan een nieuw bouwperceel tot een omvang van maximaal 4 hectare worden toegestaan en alleen in een beperkt aantal gevallen van algemeen (provinciaal) belang. Verplaatsing is alleen mogelijk indien uit onderzoek blijkt dat geen geschikte locatie beschikbaar is op of aansluitend aan een bestaande agro-locatie, een bedrijventerrein, een glastuinbouwlocatie, een terrein voor openbare nutsvoorzieningen of op een voormalig agrarisch bouwperceel in de regio. 

Artikel 4.17 Nieuwbouw van woningen binnen bebouwingslinten en bebouwingsclusters in het buitengebied

Onder voorwaarden wordt ruimte geboden voor de nieuwbouw van één, twee of maximaal drie woningen op een open plek in of ter afronding van een bestaand bebouwingslint of bebouwingscluster. De situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen dat het bebouwingsritme van lintbebouwing in het buitengebied wordt onderbroken door een onbebouwde ruimte die juist ruimte biedt voor een nieuwe woning en de daarbij behorende bijgebouwen. Als deze woning en de bijgebouwen gerealiseerd worden kan het bebouwingsritme worden hersteld. In een dergelijke situatie kan een uitzondering worden gemaakt op het uitgangspunt dat nieuwe woningbouwmogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied moeten worden geconcentreerd of, als dit ook elders in de regio niet mogelijk is, zoveel mogelijk aansluitend op het bestaand stedelijk gebied. 

Ter vermijding van misverstand zij erop gewezen dat het genoemde aantal van maximaal drie nieuwe woningen niet is gekoppeld aan het bebouwingslint, maar aan de situatie ter plekke. Dat brengt met zich mee dat op meerdere plekken in een bebouwingslint woningen kunnen worden toegevoegd zolang dat maar past in het bestaande bebouwingsritme. Open ruimten in het bebouwingslint waarbij meer dan drie woningen nodig zijn om het bebouwingsritme voort te zetten dienen echter onbebouwd te blijven. 

Artikel 4.18 Aanwijzing woningbouwregio

De provincie wijst woningbouwregio’s aan om de regionale samenhang in de woningbouwopgave te versterken. Woningmarkten functioneren over gemeentegrenzen heen, waardoor afstemming nodig is over het aantal woningen dat gebouwd moet worden, waar deze worden gerealiseerd en voor welke doelgroepen. De Wet Versterking Regie Volkshuisvesting verplicht dat deze afspraken regionaal worden gemaakt en gezamenlijk optellen tot de wettelijke normen voor minimaal 30% sociale huur en twee derde betaalbare woningbouw. 

Door het aanwijzen van de provincie Groningen als één woningbouwregio zorgt de provincie voor een evenwichtige verdeling van de woningbouwopgave binnen de provincie, waarbij alle gemeenten een passende bijdrage leveren aan de regionale behoefte. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de landelijke doelstelling om voldoende, betaalbare woningen te realiseren en wordt provinciale regie mogelijk gemaakt op aantallen, locaties en doelgroepen. 

Artikel 4.19 Woningbouw

In dit artikel zijn regels opgenomen voor de motivering van een omgevingsplan dat voorziet in de toevoeging van nieuwe woningen binnen de provincie. De geplande woningbouwaantallen en de kwalitatieve programmering – waaronder locatie, betaalbaarheid, het aandeel sociale huurwoningen en het aanbod voor ouderen – dienen aan te sluiten bij de volkshuisvestelijke opgaven uit zowel de gemeentelijke omgevingsvisie als het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma. Deze opgaven passen op hun beurt binnen de provinciale volkshuisvestelijke opgave, zoals vastgesteld in het Programma Volkshuisvesting. 

Binnen de woningbouwregio zijn hierover afspraken gemaakt tussen de provincie en de gemeenten. Deze afspraken zijn gericht op een evenwichtige woningmarkt en sluiten aan bij de volkshuisvestelijke opgaven die volgen uit het gezamenlijke woningbehoefteonderzoek. 

Wanneer een gemeente nog niet beschikt over een omgevingsvisie en een volkshuisvestings-programma, kan het omgevingsplan worden onderbouwd met een op basis van de Woningwet vastgestelde woonvisie waarin de actuele woningbouwopgave is opgenomen. 

Na de inwerkingtreding van de gewijzigde Omgevingswet, als gevolg van de Wet versterking regie volkshuisvesting, vindt afstemming plaats onder regie van de provincie. Gemeenten binnen de woningbouwregio en de provincie stemmen hierin de volkshuisvestelijke opgaven met elkaar af. Uiteindelijk stellen alle gemeenten een volkshuisvestingsprogramma op, waarbij de gemeentelijke opgaven gezamenlijk optellen tot de provinciale opgave. 

Sub a 

De provincie en de gemeenten maken binnen de woningbouwregio gezamenlijk afspraken over het aantal te bouwen nieuwbouwwoningen voor een periode van 10 jaar en de verdeling van het aantal sociale huurwoningen, het aandeel betaalbare woningen en het aantal woningen voor ouderen. Dit zijn de regionale woningbouwafspraken. 

Deze afspraken zijn gebaseerd op het gezamenlijke woningbehoefteonderzoek en blijven van

kracht tot er nieuwe afspraken zijn gemaakt. De gemeenten leggen deze aantallen vast in hun volkshuisvestingprogramma’s. De provincie legt deze aantallen vast in het Programma Volkshuisvesting. 

Als in de overgangsfase na de inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting nog geen actuele woningbouwafspraken zijn gemaakt wordt gekeken naar het aantal te realiseren woningen in de Regionale Woondeals (13 februari 2023). 

Met de inwerkingtreding de gewijzigde Omgevingswet, als gevolg van de Wet regie versterking volkshuisvesting, vervalt de verplichting om een gemeentelijke woonvisie op te stellen. Gemeenten worden verplicht om in de gemeentelijke omgevingsvisie de volkshuisvestelijke ambities en beleidsdoelen op te nemen. In het gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma worden deze beleidsdoelen geconcretiseerd voor een periode van 10 jaar. Onderdeel daarvan is het opnemen van de woningbouwprogrammering voor de periode van 10 jaar. De aantallen uit de volkshuisvestingprogramma’s van de gezamenlijke gemeenten moeten optellen tot de totalen in het provinciale programma volkshuisvesting. 

Sub b

Na de inwerkingtreding van de Wet versterking regie volkshuisvesting geldt een overgangsperiode. In deze periode heeft niet iedere gemeente al een volkshuisvestelijk programma. Tot het einde van deze overgangsperiode mag de gemeentelijke woonvisie op basis van de Woningwet worden gebruikt als uitgangspunt voor de woningbouwprogrammering. Dit kan alleen als er bij de inwerkingtreding van deze woonvisie overeenstemming bestaat tussen de gemeenten binnen het op dat moment geldende regionale samenwerkingsverband. 

Artikel 4.20 Bedrijventerrein

De aanleg en uitbreiding van bedrijventerreinen heeft een directe impact op het buitengebied, de ruimtelijke kwaliteit en de milieugebruiksruimte in onze provincie. Nieuwe terreinen leggen een structureel beslag op schaarse ruimte en infrastructuur en vragen om investeringen in energie, water, mobiliteit en beheer. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik en verantwoord voorraadbeheer achten wij het daarom noodzakelijk dat gemeenten de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen regionaal onderbouwen en afstemmen.  

De provincie stuurt op toekomstbestendige bedrijventerreinen. Dat betekent dat economische ontwikkeling niet los kan worden gezien van energievoorziening, klimaatbestendigheid, circulair ruimtegebruik en veiligheid. Wij vinden het belangrijk dat het regionaal afgestemde gemeentelijke beleid voor bedrijventerreinen daarom een integrale uitwerking van de provinciale aanpak Toekomstbestendige Bedrijventerreinen (TBBT) bevat. Hierin stellen wij voor dat op lokaal niveau geconcretiseerd hoe aandacht wordt gegeven aan de volgende thema’s:  

  • Voorkomen van netcongestie  

  • Klimaatadaptatie en natuurinclusieve inrichting  

  • Circulaire economie  

  • Bereikbaarheid en mobiliteit  

  • Beperking van het gebruik van drinkwater  

  • Voorkomen en tegengaan van ondermijning  

  • Ruimtelijke kwaliteit  

Dit beleid voor bedrijventerreinen borgt dat gemeenten niet concurreren op overaanbod, maar sturen op kwaliteit, herstructurering, intensivering en zorgvuldig voorraadbeheer. Met deze aanpak bevorderen wij dat economische ontwikkeling plaatsvindt binnen duidelijke publieke randvoorwaarden, met aandacht voor efficiënt ruimtegebruik, kwaliteit en lange termijn waardecreatie.  

Artikel 4.21 Watergebonden bedrijfskavels

De provincie ziet met name in onze buiten- en binnenhavens kansen voor de transitie naar een circulaire economie en modal shift en als plek voor de maritieme maakindustrie. De toenemende vraag naar havengebruik en op- en overslag via water vraagt om gerichte sturing op de huisvesting van watergebonden bedrijvigheid en een efficiënt gebruik van kadefaciliteiten in binnenhavens.  

Om het vervoer over water te stimuleren is het van belang dat watergebonden bedrijfskavels daadwerkelijk worden benut door bedrijvigheid die gebruikmaakt van het beroepsvaarwater ter plaatse. Het beroepsvaarwegennet beslaat de gehele provincie en als vaarwegbeheerder draagt de provincie verantwoordelijkheid voor het functioneren en de benutting van dit netwerk.  

De provincie gaat daarom zuinig om met de voorraad watergebonden kavels door deze te behouden voor bedrijven die daadwerkelijk gebruikmaken van de kadefaciliteiten of anderszins afhankelijk zijn van directe toegang tot oppervlaktewater. Alleen zo kan de provincie structureel bijdragen aan de verschuiving van transport van weg naar water (modal shift) en aan het ontlasten van het provinciale wegennet.  

Daarnaast draagt het beschermen van watergebonden bedrijventerreinen bij aan de provinciale duurzaamheidsdoelen. Meer vervoer over water betekent minder CO₂-uitstoot, minder stikstofdepositie en minder druk op infrastructuur op land.  

Het is noodzakelijk dat in de hele provincie dezelfde vestigingsvoorwaarden gelden voor watergebonden bedrijventerreinen. Uniformiteit voorkomt verdringing en ongewenste concurrentie tussen gemeenten en zorgt voor een consistent en effectief ruimtelijk-economisch beleid.  

Kadefaciliteiten  

Locaties met geschikte kadefaciliteiten voor industriële activiteiten zijn schaars. Het ontwikkelen van nieuwe watergebonden bedrijventerreinen is complex en kapitaalintensief. Daarom is het essentieel om de bestaande ruimte in binnenhavens en kavels aan het water te behouden, te reserveren en optimaal te benutten voor watergebonden bedrijvigheid. In de gemiddelde binnenhaven wordt momenteel een aanzienlijk deel van de kavels aan het water gebruikt door bedrijven die geen watergebonden activiteiten uitvoeren. Deze kavels zijn vaak, gezien ligging, vorm, omvang, milieucategorie en bereikbaarheid, juist uitstekend geschikt voor bedrijven die afhankelijk zijn van vervoer over water. Het ongericht toelaten van niet-watergebonden bedrijvigheid leidt tot inefficiënt ruimtegebruik en belemmert het realiseren van provinciale mobiliteits- en duurzaamheidsdoelen.  

Reserveren watergebonden bedrijfskavels voor watergebonden bedrijfsactiviteiten  

Met de regel in dit artikel reserveert de provincie locaties aan vaarwater die als zodanig zijn aangewezen voor bedrijvigheid die daadwerkelijk gebruikmaakt van de ligging aan het water.   Deze regel geldt niet alleen voor kavels die nog moeten worden uitgegeven, maar ook voor kavels die op dit moment in gebruik zijn bij bedrijven zonder watergebonden activiteiten. Voor deze bedrijven geldt dat gemeenten in het omgevingsplan kunnen regelen dat de bestaande activiteiten mogen worden voortgezet.   

Het omgevingsplan dient regels te stellen die borgen dat, zodra de niet-watergebonden bedrijvigheid op die locatie eindigt, het volgende bedrijf dat zich daar vestigt een watergebonden bedrijf moet zijn.  

Hiermee wordt geborgd dat de schaarse watergebonden ruimte op termijn volledig beschikbaar komt voor activiteiten die bijdragen aan optimaal gebruik van het beroepsvaarwegennet, versterking van de binnenhavens en het realiseren van de provinciale beleidsdoelen op het gebied van mobiliteit, duurzaamheid en ruimtelijke economie.  

Artikel 4.22 Factory outlet center

Een factory outlet center heeft een bovenregionaal verzorgingsgebied en genereert veel mobiliteit en daarmee samenhangende parkeerbehoefte. Tegelijkertijd leidt het tot een onevenredige trek naar de rand van steden, een ontwikkeling die wij niet willen faciliteren. Met het oog hierop kan een factory outlet center alleen worden gevestigd in- of aansluitend aan het bestaande stedelijk gebied van de stad Groningen. 

Artikel 4.23 Horecavoorzieningen

Dit artikel stelt regels voor nieuwvestiging van horecavoorzieningen in het buitengebied.

De vrijetijdseconomie is in de Omgevingsvisie aangewezen als een belangrijke drager van brede welvaart en leefbaarheid. Het Groninger landschap, erfgoed en de recreatieve netwerken vormen daarbij het fundament van het toeristisch-recreatief aanbod en het voorzieningenniveau. Nieuwe horecavoorzieningen in het buitengebied moeten daarom bijdragen aan de versterking van dit recreatieve ecosysteem en diens voorzieningen zonder de draagkracht van het landschap wezenlijk te overschrijden.  Provinciale sturing is noodzakelijk omdat vrijetijdseconomie gemeentegrenzen overstijgt en direct samenhangt met provinciale belangen zoals ruimtelijke kwaliteit, landschap, waterstructuur en recreatieve infrastructuur

Door nieuwe horecavoorzieningen te koppelen aan bestaande recreatieve knooppunten, routestructuren en verblijfsgebieden wordt clustering bevorderd, wordt versnippering voorkomen en wordt de kwaliteit van het netwerk versterkt. Dit vergroot de economische meerwaarde per ontwikkeling en beschermt tegelijkertijd de karakteristieke Groningse landschappen.  

Daarnaast wordt ingezet op zorgvuldig ruimtegebruik door eerst bestaand of vrijkomend vastgoed te benutten, waaronder gebouwd erfgoed. Hiermee wordt onnodige verstening van het buitengebied voorkomen en wordt bijgedragen aan behoud van ruimtelijke kwaliteit.  

Met deze regels wordt geborgd dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen duidelijke ruimtelijke randvoorwaarden en bijdraagt aan een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.  

Artikel 4.24 Permanente bewoning van recreatieverblijven

Permanente bewoning van recreatieverblijven, waaronder recreatiewoningen, recreatiechalets en stacaravans in het buitengebied kan leiden tot het ontstaan van woongebieden die qua locatiekeuze en in stedenbouwkundig opzicht niet op deze functie zijn berekend en/of anderszins voor de kwaliteit van fysieke leefomgeving onwenselijk zijn. Permanente bewoning van recreatieverblijven leidt ook tot privatisering van het buitengebied en door de recreatieverblijven te onttrekken aan hun recreatieve bestemming, ontstaat er vroeg of laat behoefte aan nieuwe recreatieverblijven. Dit artikel neemt uiteraard niet weg dat permanente bewoning van een recreatieverblijf mogelijk kan zijn op basis van een persoonsgebonden omgevingsvergunning.

Artikel 4.25 Nieuwe recreatiebungalowparken en uitbreiding bestaande recreatiebungalowparken

Dit artikel stelt regels voor nieuwvestiging en uitbreiding van een recreatiebungalowpark in het buitengebied. Indien  sprake is van nieuwvestiging of een uitbreiding met meer dan 20% van de bestaande totale oppervlakte van het recreatiebungalowpark, moet de maatwerkmethode worden toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 

Artikel 4.26 Bedrijfsmatige exploitatie recreatiebungalowparken

Nieuwe recreatiewoningen moeten daadwerkelijk beschikbaar zijn en blijven voor de toeristische verhuur en mogen niet als tweede woning gebruikt worden. Dit geldt ook voor bestaande recreatiewoningen op parken waarbij de bedrijfsmatige exploitatie in het omgevingsplan is voorgeschreven.

Artikel 4.27 Nieuwe kampeerterreinen en uitbreiding bestaande kampeerterreinen

Dit artikel stelt regels voor nieuwvestiging en uitbreiding van kampeerterreinen in het buitengebied. Indien sprake is van nieuwvestiging of uitbreiding met meer dan 20% van de totale oppervlakte van het totale kampeerterrein, dient de maatwerkmethode te worden toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.    

Dit artikel is niet van toepassing op het gebruik van gronden als kampeerterrein die als niet-agrarische neventak bij een agrarisch bedrijf worden gebruikt (kamperen bij de boer) en op kamperen in de vorm van recreatief medegebruik op gronden met een andere hoofdfunctie voor maximaal 25 kampeermiddelen.

Artikel 4.28 Dagrecreatieve voorzieningen

Dit artikel stelt regels voor nieuwvestiging van dagrecreatieve voorzieningen in het buitengebied. Het gaat om voorzieningen die primair zijn gericht op recreatief gebruik overdag en die ondersteunend zijn aan het recreatief aanbod, zoals bezoekersvoorzieningen, kleinschalige attractieve voorzieningen en faciliteiten voor natuur- en landschapsbeleving.

Dagrecreatieve voorzieningen leveren een belangrijke bijdrage aan de vrijetijdseconomie en versterken de recreatieve aantrekkelijkheid van het buitengebied. Tegelijkertijd vragen deze functies om een zorgvuldige ruimtelijke inpassing, zodat zij passen bij de schaal, het karakter en de draagkracht van het landschap. Door hiervoor duidelijke kaders te stellen, wordt ruimte geboden aan ontwikkeling zonder dat dit leidt tot ongewenste verstedelijking of aantasting van omgevingskwaliteiten.

Het artikel heeft tot doel ruimte te bieden aan kwalitatieve en toekomstbestendige dagrecreatie in het buitengebied, initiatieven te stimuleren die bijdragen aan spreiding van recreatie, landschapsbeleving en regionale economie en tegelijkertijd de ruimtelijke kwaliteit, leefbaarheid en landschappelijke waarden te beschermen. Hiermee ondersteunt het artikel een evenwichtige ontwikkeling van de vrijetijdseconomie, passend binnen provinciale doelen voor het landelijk gebied.

Artikel 4.30 Karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 1 (niet aanpasbaar)

Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en daarmee samenhangende bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het rijksbeleid Nationale Landschappen is in 2012 stopgezet. De aanduiding Nationale Landschappen blijft wel bestaan vanwege de unieke en zeldzame kwaliteiten die deze gebieden bevatten. De provincie geeft hier zelf invulling aan. De provincie heeft de begrenzing van deze gebieden vastgelegd en beschermt de kernkwaliteiten in deze gebieden. 

Het Nationaal Landschap Middag-Humsterland is een gebied met internationaal zeldzame en unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en daarmee samenhangende bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Middag-Humsterland is een oud open wierdenlandschap met hoge landschappelijke en archeologische waarde. Veel cultuurhistorische waarden zijn in dit gebied behouden gebleven: 

  • Het contrast tussen de oude kweldervlaktes en de historisch gegroeide dorpsstructuur van wierden; 

  • De kenmerkende doorzichten op het landschap vanuit de dorpen en andersom (vanuit het landschap op de karakteristieke dorpssilhouetten); 

  • De tussenliggende open ruimtes die gevuld zijn met agrarische bebouwing als in de ruimte verspreid liggende groene eilanden in de onregelmatige verkaveling van het wierdenlandschap; 

  • De karakteristieke sloten die de oorspronkelijke verkaveling in het landschap accentueren en de karakteristieke sloten die de (onregelmatige) blokverkaveling en/of kleinschaligheid van het landschap accentueren; 

  • Een verbindend systeem van maren, dat aansluit op wierdendorpen en een stelsel van trekvaarten en wegen dat nog duidelijk is af te lezen in het landschap en; 

  • In dit landschappelijk raamwerk behoudt het erfgoed van monumentale boerderijen, borgen, kerken en kloosterterreinen zijn identiteit. 

  • De landschappelijke openheid, de onregelmatige blokverkaveling, karakteristieke natuurlijke laagtes van (voormalige) waterlopen, het reliëf van wierden, dijken en het beloop en het profiel van de wegen zijn met het oog op de landschappelijke waarde en het behoud van het cultureel erfgoed van provinciaal belang. 

Dit artikel stelt ter bescherming van de karakteristieke sloten die de oorspronkelijke verkaveling in het landschap accentueren en de karakteristieke sloten die de (onregelmatige) blokverkaveling of kleinschaligheid van het landschap accentueren regels die het verleggen en dempen van de sloten en het wijzigen van het profiel daarvan verbieden.

Artikel 4.31 Karakteristieke sloten Nationaal Landschap Middag-Humsterland 2 (wel aanpasbaar)

Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en daarmee samenhangende bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het rijksbeleid Nationale Landschappen is in 2012 stopgezet. De aanduiding Nationale Landschappen blijft wel bestaan vanwege de unieke en zeldzame kwaliteiten die deze gebieden bevatten. De provincie geeft hier zelf invulling aan. De provincie heeft de begrenzing van deze gebieden vastgelegd en beschermt de kernkwaliteiten in deze gebieden. 

Het Nationaal Landschap Middag-Humsterland is een gebied met internationaal zeldzame en unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en daarmee samenhangende bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Middag-Humsterland is een oud open wierdenlandschap met hoge landschappelijke en archeologische waarde. Veel cultuurhistorische waarden zijn in dit gebied behouden gebleven: 

  • Het contrast tussen de oude kweldervlaktes en de historisch gegroeide dorpsstructuur van wierden; 

  • De kenmerkende doorzichten op het landschap vanuit de dorpen en andersom (vanuit het landschap op de karakteristieke dorpssilhouetten); 

  • De tussenliggende open ruimtes die gevuld zijn met agrarische bebouwing als in de ruimte verspreid liggende groene eilanden in de onregelmatige verkaveling van het wierdenlandschap; 

  • De karakteristieke sloten die de oorspronkelijke verkaveling in het landschap accentueren en de karakteristieke sloten die de (onregelmatige) blokverkaveling en/of kleinschaligheid van het landschap accentueren; 

  • Een verbindend systeem van maren, dat aansluit op wierdendorpen en een stelsel van trekvaarten en wegen dat nog duidelijk is af te lezen in het landschap en; 

  • In dit landschappelijk raamwerk behoudt het erfgoed van monumentale boerderijen, borgen, kerken en kloosterterreinen zijn identiteit. 

  • De landschappelijke openheid, de onregelmatige blokverkaveling, karakteristieke natuurlijke laagtes van (voormalige) waterlopen, het reliëf van wierden, dijken en het beloop en het profiel van de wegen zijn met het oog op de landschappelijke waarde en het behoud van het cultureel erfgoed van provinciaal belang. 

Dit artikel stelt ter bescherming van de karakteristieke sloten die de oorspronkelijke verkaveling in het landschap accentueren en de karakteristieke sloten die de (onregelmatige) blokverkaveling of kleinschaligheid van het landschap accentueren regels die het verleggen en dempen van de sloten en het wijzigen van het profiel daarvan zonder omgevingsvergunning verbieden.

Artikel 4.32 Karakteristieke wegen Nationaal Landschap Middag-Humsterland

Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en daarmee samenhangende bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het rijksbeleid Nationale Landschappen is in 2012 stopgezet. De aanduiding Nationale Landschappen blijft wel bestaan vanwege de unieke en zeldzame kwaliteiten die deze gebieden bevatten. De provincie geeft hier zelf invulling aan. De provincie heeft de begrenzing van deze gebieden vastgelegd en beschermt de kernkwaliteiten in deze gebieden. 

Het Nationaal Landschap Middag-Humsterland is een gebied met internationaal zeldzame en unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en daarmee samenhangende bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Middag-Humsterland is een oud open wierdenlandschap met hoge landschappelijke en archeologische waarde. Veel cultuurhistorische waarden zijn in dit gebied behouden gebleven: 

  • Het contrast tussen de oude kweldervlaktes en de historisch gegroeide dorpsstructuur van wierden; 

  • De kenmerkende doorzichten op het landschap vanuit de dorpen en andersom (vanuit het landschap op de karakteristieke dorpssilhouetten); 

  • De tussenliggende open ruimtes die gevuld zijn met agrarische bebouwing als in de ruimte verspreid liggende groene eilanden in de onregelmatige verkaveling van het wierdenlandschap; 

  • De karakteristieke sloten die de oorspronkelijke verkaveling in het landschap accentueren en de karakteristieke sloten die de (onregelmatige) blokverkaveling en/of kleinschaligheid van het landschap accentueren; 

  • Een verbindend systeem van maren, dat aansluit op wierdendorpen en een stelsel van trekvaarten en wegen dat nog duidelijk is af te lezen in het landschap en; 

  • In dit landschappelijk raamwerk behoudt het erfgoed van monumentale boerderijen, borgen, kerken en kloosterterreinen zijn identiteit. 

  • De landschappelijke openheid, de onregelmatige blokverkaveling, karakteristieke natuurlijke laagtes van (voormalige) waterlopen, het reliëf van wierden, dijken en het beloop en het profiel van de wegen zijn met het oog op de landschappelijke waarde en het behoud van het cultureel erfgoed van provinciaal belang. 

Dit artikel stelt met het oog op het behoud van de karakteristieke regelmatige verkaveling, onregelmatige blokverkaveling en radiale verkaveling rondom kernen regels die het wijzigen van het beloop van een weg verbieden.

Artikel 4.33 Nationaal Park Drentsche Aa

Nationale landschappen zijn gebieden met internationaal zeldzame of unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en daarmee samenhangende bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het rijksbeleid Nationale Landschappen is in 2012 stopgezet. De aanduiding Nationale Landschappen blijft wel bestaan vanwege de unieke en zeldzame kwaliteiten die deze gebieden bevatten. De provincie geeft hier zelf invulling aan. De provincie heeft de begrenzing van deze gebieden vastgelegd en beschermt de kernkwaliteiten in deze gebieden

Het Nationaal Park Drentsche Aa is een gebied met internationaal zeldzame en unieke en nationaal kenmerkende landschapskwaliteiten en daarmee samenhangende bijzondere natuurlijke en recreatieve kwaliteiten. Het Drentsche Aa gebied is een oud esdorpen- en wegdorpenlandschap met hoge landschappelijke en archeologische waarde. Veel cultuurhistorische waarden zijn in dit gebied behouden gebleven: 

  • Het contrast tussen de besloten, hoger gelegen Hondsrug en aan weerszijden de laaggelegen zeer open beekdalen van de Drentsche Aa en Hunze; 

  • De parkachtige esdorpenstructuur op de Hondsrug met afwisselend essen, bossen, graslanden en landgoederen; 

  • Het reliëf van de glaciale ruggen en essen; 

  • De natte landschapselementen in de vorm van pingoruïnes en petgaten. 

Samen met de provincie Drenthe beschermt de provincie Groningen de kleinschaligheid van het landschap. De vrij meanderende beek de Drentsche Aa en de samenhang van essen, bossen, heides en moderne ontginningen zijn met het oog op de landschappelijke waarde en het behoud van het cultureel erfgoed van provinciaal belang.  

Dit artikel bepaalt dat in het omgevingsplan regels worden opgenomen die voorzien in bescherming van de inrichting van de landgoederen in dit gebied. 

Artikel 4.34 Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa

Het Nationaal Snelwegpanorama Drentsche Aa langs de A28 biedt zicht op de vrij meanderende beek de Drentsche Aa, waarin vrijwel geen bebouwing voorkomt, en de hoger gelegen Hondsrug. Het maakt onderdeel uit van een prehistorisch landschap dat met het oog op ruimtelijke kwaliteit, de landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang is. Dit artikel bepaalt dat in het omgevingsplan regels worden opgenomen die het vrije uitzicht vanaf de weg op het Nationaal Park Drentsche Aa waarborgen. 

Artikel 4.35 Grootschalig open landschap

Grootschalige openheid van het landschap is kenmerkend voor delen van de provincie Groningen. Met name de afwisseling en het contrast tussen de open en besloten gebieden draagt bij aan de diversiteit van het landschap. Met het oog op ruimtelijke kwaliteit, de landschappelijke en cultuurhistorische waarde is de bescherming van de openheid van provinciaal belang. De handhaving en versterking van de openheid in combinatie met de stilte en duisternis dragen bij aan de verbetering van de kwaliteiten en waarden van het Groninger landschap.

Gebieden met een grootschalig open karakter: 

  • het Hoogeland; 

  • het Waddengebied; 

  • het Oldambt; 

  • de Veenkoloniën. 

Opgaande beplanting tast deze openheid aan. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de landschappelijke openheid in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Omdat de openheid niet elders te compenseren is, moet het omgevingsplan in ieder geval regels bevatten die nieuwe houtteelt en de aanleg van bos en boomgaarden verbieden. 

Er geldt een uitzondering op het verbod op houtteelt, bos en boomgaarden binnen een bouwperceel. De uitzondering is passend bij de karakteristiek van het landschap en draagt bij aan de bevordering van ontwikkelingen op erven die de gebiedskarakteristiek versterken. De erven in grootschalig open gebieden manifesteren zich namelijk als groene eilanden in de ruimte en dragen zo bij aan de leesbaarheid van het landschap. Daarnaast kan de aanplant van bomen op erven een bijdrage leveren aan het streven van de provincie om de leefomgeving mooier, biodiverser en klimaatbestendiger te maken.

Artikel 4.36 Essen

De bescherming van het reliëf en het open karakter van essen en esgehuchten is met het oog op de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Opgaande beplanting tast deze openheid aan. De zichtbaarheid van essen vanuit het omringende landschap draagt bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van Westerwolde en het Gorecht. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. 

In Westerwolde en het Gorecht liggen veel karakteristieke nederzettingen waarvan de ruimtelijke structuur nauw verbonden is met het omliggende landschap. Met het oog op de landschappelijke en cultuurhistorische waarde is de bescherming van de stedenbouwkundige structuur en het karakter van de esdorpen en esgehuchten van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de essen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. 

Artikel 4.37 Esgehuchten

De bescherming van het reliëf en het open karakter van essen en esgehuchten is met het oog op de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Opgaande beplanting tast deze openheid aan. De zichtbaarheid van essen vanuit het omringende landschap draagt bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van Westerwolde en het Gorecht. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. 

In Westerwolde en het Gorecht liggen veel karakteristieke nederzettingen waarvan de ruimtelijke structuur nauw verbonden is met het omliggende landschap. Met het oog op de landschappelijke en cultuurhistorische waarde is de bescherming van de stedenbouwkundige structuur en het karakter van de esdorpen en esgehuchten van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de esgehuchten in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. 

Artikel 4.38 Wierden

De bescherming van het reliëf van wierden is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van deze wierden in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. 

Artikel 4.39 Zones rond wierden

De bescherming van het open karakter van wierden is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. De zichtbaarheid van wierden vanuit het omringende landschap draagt bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van de noordelijke kleischil. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Opgaande beplanting tast deze openheid aan. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van deze wierden in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen.

Artikel 4.40 Kanalen en wijken

De rationele verkavelingsstructuur van kanalen en wijken is kenmerkend voor het veenkoloniale landschap. De bescherming van deze verkavelingsstructuur is met het oog op de ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het behoud van kanalen en wijken draagt bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van het veenkoloniale landschap. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van deze waarden in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Deze regels zijn niet gericht op een verbod omdat een gemotiveerde aanpassing en compensatie van de verkavelingsstructuur (kanalen en wijken) in de Veenkoloniën mogelijk is ten behoeve van een bedrijfsmatig, landbouwkundig, water of recreatief belang. 

Artikel 4.41 Houtsingelgebied Zuidelijk Westerkwartier

Kenmerkend voor het Zuidelijk Westerkwartier zijn de zandruggen met langgerekte wegdorpen waarop haaks de houtsingels fungeren als kavelgrenzen. Een groot gedeelte van de laagveenweidegebieden in Het Zuidelijk Westerkwartier hebben een karakteristiek landschap bestaande uit smalle verkavelingspercelen geflankeerd met houtsingels, houtwallen, greppels en sloten.

Houtsingels en houtwallen zijn lijnvormige beplantingen met inheemse en streekeigen bomen en/of struiken. Een houtwal maakt onderdeel uit van een kunstmatige aarden wal. Hierbij staat de beplanting op een speciaal aangelegde verhoging (een aarden wal). In een houtsingel staat de beplanting op dezelfde hoogte als het omringende land. Houtsingels en houtwallen zijn gelegen op kavelgrenzen en langs sloten op de hoger gelegen zandruggen. Houtsingels en houtwallen hebben verschillende beplantingsvormen: elzen, maar ook eiken, essen en kersen met ondergroei komen voor. De elzensingels zijn vooral op de vochtige bodemtypen te vinden en de eikensingels op de drogere bodemtypen. 

Houtsingels zijn ook het leefgebied voor onder andere (roof)vogels, kikkers, egels, reeën en fazanten. Deze soorten profiteren van houtsingels omdat ze verbindingszones vormen tussen natuurgebieden. Daarnaast is de veelzijdigheid aan flora en fauna van belang voor de productie van zuurstof, de bestuiving van planten, waterzuivering en het beheersen van plagen.

De bescherming van de houtsingelstructuur van het Zuidelijk Westerkwartier is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het behoud van houtsingels draagt bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van het Zuidelijk Westerkwartier. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van deze waarden in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen.

Artikel 4.42 Pingoruïnes

Pingoruïnes zijn aardkundig waardevolle gebieden die zijn ontstaan door een natuurlijk proces tijdens de laatste ijstijd. De bescherming van het reliëf en het archeologisch archief van pingoruïnes is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het behoud van deze dikwijls diepe, ronde gaten gevuld met water met in sommige gevallen nog een ringwal draagt bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van het Zuidelijk Westerkwar-tier en Gorecht. Het dempen, egaliseren en afschuiven zorgt ervoor dat de kenmerken van een pingoruïne verdwijnen. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van deze pingoruïnes in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. 

Artikel 4.43 Besloten en kleinschalig open gebied Gorecht en Westerwolde

Kenmerkend voor het Gorecht en Westerwolde zijn de besloten en kleinschalig open gebieden. Het Gorecht en Westerwolde hebben een karakteristiek landschap bestaande uit smalle verkavelingspercelen geflankeerd met houtsingels, houtwallen, greppels en sloten.

Houtsingels en houtwallen zijn lijnvormige beplantingen met inheemse en streekeigen bomen en/of struiken. Een houtwal maakt onderdeel uit van een kunstmatige aarden wal. Hierbij staat de beplanting op een speciaal aangelegde verhoging (een aarden wal). In een houtsingel staat de beplanting op dezelfde hoogte als het omringende land. Houtsingels en houtwallen zijn gelegen op kavelgrenzen en langs sloten op de hoger gelegen zandruggen. Houtsingels en wallen hebben verschillende beplantingsvormen: elzen, maar ook eiken, essen en kersen met ondergroei komen voor. De elzensingels zijn vooral op de vochtige bodemtypen te vinden en de eikensingels op de drogere bodemtypen. 

Houtsingels zijn ook het leefgebied voor onder andere (roof)vogels, kikkers, egels, reeën en fazanten. Deze soorten profiteren van houtsingels omdat ze verbindingszones vormen tussen natuurgebieden. Daarnaast is de veelzijdigheid aan flora en fauna van belang voor de productie van zuurstof, de bestuiving van planten, waterzuivering en het beheersen van plagen.

De bescherming van houtwallen, houtsingels en meidoornhagen accentueert deze structuur en is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het behoud van houtwallen, houtsingels en meidoornhagen draagt bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van het Gorecht en Westerwolde. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van deze waarden in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. 

Artikel 4.44 Glaciale ruggen

Op verschillende plaatsen in Groningen zijn duidelijke hoogteverschillen in het landschap aanwezig die te maken hebben met de aardkundige geschiedenis, waaronder glaciale ruggen. Het zicht op dit reliëf is vooral karakteristiek voor de Hondsrug, Westerwolde en de glaciale ruggen bij Blauwestad en Zuidhorn. Glaciale ruggen zijn aardkundig waardevolle gebieden die zijn ontstaan door een natuurlijk proces tijdens de ijstijd. De bescherming van het reliëf is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het zicht op glaciale ruggen draagt in combinatie met de daarop voorkomende bebouwing bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken en ontstaansgeschiedenis van Groningen. Beplanting op het hoogste punt kan de glaciale rug accentueren. Opgaande beplanting op de flanken van glaciale ruggen tast het zicht op het reliëf aan. Het reliëf wordt ook aangetast door het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van glaciale ruggen. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de glaciale ruggen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Om te kunnen beoordelen of een aangevraagde vergunning verleend kan worden (en of er dus geen ontoelaatbare schade ontstaat) staat in lid e dat hiervoor een beoordelingsregel moet worden opgenomen in het omgevingsplan.

Artikel 4.45 Gebieden met reliëfinversie

Op verschillende plaatsen in Groningen zijn duidelijke hoogteverschillen in het landschap aanwezig die te maken hebben met de aardkundige geschiedenis, waaronder reliëfinversie. De bescherming van het aardkundig reliëf en het zicht daarop is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het zicht op reliëfinversie draagt bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken en ontstaansgeschiedenis van Groningen. Opgaande beplanting kan het zicht daarop aantasten, maar kan ook het reliëf in het landschap markeren. Het reliëf wordt ook aangetast door het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van gronden. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de gebieden met reliëfinversie in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. 

Artikel 4.46 Dekzandruggen

Op verschillende plaatsen in Groningen zijn duidelijke hoogteverschillen in het landschap aanwezig die te maken hebben met de aardkundige geschiedenis, waaronder dekzandruggen. De bescherming van het aardkundig reliëf en het zicht daarop is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het zicht op dekzandruggen draagt in combinatie met de daarop voorkomende bebouwing bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken en ontstaansgeschiedenis van Groningen. Opgaande beplanting kan het zicht daarop aantasten, maar kan ook het reliëf in het landschap markeren. Het reliëf wordt ook aangetast door het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van gronden. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de dekzandruggen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. 

Artikel 4.47 Beschermde dijken

Het reliëf en het profiel van beschermde dijken is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. De zichtbaarheid van dijken vanuit het omringende landschap draagt in combinatie met de grootschalige openheid met boerderijreeksen langs slaperdijken bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van de noordelijke kleischil en het Oldambt. Het wijzigen van het profiel en het gebruik anders dan grasland tast de waarde van dijken aan. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van deze dijken of delen of restanten daarvan in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Het gaat hierbij onder andere om: (slaper)dijken en daarmee samenhangende elementen zoals kolken, drinkdobben, coupures en schot balkhuisjes, herkenbare dijktracés en leidijken. 

Artikel 4.48 Karakteristieke waterlopen

De bescherming van het beloop en profiel van karakteristieke waterlopen is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. De zichtbaarheid van karakteristieke waterlopen draagt in combinatie met de aantakking op dorpen en de afwatering naar de Waddenzee en Dollard bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken van de noordelijke kleischil, het Oldambt en Westerwolde. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de karakteristieke waterlopen in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Omdat waterlopen voor natuurontwikkeling (hermeandering, natuurvriendelijke oevers) aangepast moeten kunnen worden, hoeft in het omgevingsplan geen verbod opgenomen te worden. 

Artikel 4.49 Karakteristieke laagten

De bescherming van karakteristieke laagten die met een (voormalige) waterloop samenhangen is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Het zicht op karakteristieke laagten en de samenhang met de (voormalige) waterloop dragen bij aan de kernkwaliteiten en karakteristieken en ontstaansgeschiedenis van Groningen. Het reliëf van karakteristieke laagten heeft een aardkundige geschiedenis en wordt aangetast door het afgraven, diepploegen, egaliseren en afschuiven van gronden. Het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de karakteristieke laagten in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Omdat deze aardkundige waarde door de eeuwen op deze locaties is ontstaan kan ze niet elders gecompenseerd worden en daarom moet in het omgevingsplan een verbod opgenomen worden. 

Artikel 4.50 Beschermde diepe plassen en meren

In het eerste lid wordt onder meer bepaald dat het geheel of gedeeltelijk verondiepen van diepe plassen en meren niet is toegestaan. Diepe plassen kennen vaak een specifieke stratificatie (temperatuur- en lagenopbouw). Verondieping kan dit evenwicht verstoren, met gevolgen voor het temperatuurregime, de zuurstofverdeling en de vegetatiestructuur. Daarnaast kan verondieping leiden tot negatieve effecten op het bodemleven (benthos), doordat dit direct wordt bedekt of vernietigd. Dit kan resulteren in verlies van biodiversiteit en minder geschikte leefgebieden voor vissen en macrofauna.

In het tweede lid is bepaald dat het verbod om te verondiepen voor bepaalde werkzaamheden niet geldt. Onder a worden werkzaamheden benoemd die de stabiliteit van oevers bevorderen of afkalving voorkomen. Dit kunnen natuurlijke en technische werkzaamheden zijn. Onder de natuurlijke werkzaamheden wordt onder meer verstaan:

  • het aanbrengen van beplanting (riet, gras, wilgen en andere oeverplanten);

  • het toepassen van beschoeiing met levende materialen (zoals wilgentenen en rijshoutconstructies);

  • het creëren van flauwe hellingen in plaats van steile oevers;

  • het aanbrengen van oevermatten (bijv. kokosmatten) en het ontwikkelen van oeverzones met moerasvegetatie.

Onder technische (civieltechnische) maatregelen die de stabiliteit van oevers bevorderen of afkalving voorkomen wordt onder meer verstaan:

  • het aanbrengen van beschoeiingen (houten, stalen, betonnen of kunststof damwanden);

  • het toepassen van steenbestorting (stortsteen of breuksteen);

  • het gebruik van geotextielen en geogrids;

  • het realiseren van gabionconstructies;

  • het verstevigen van taluds.

Daarnaast worden onder b werkzaamheden uitgezonderd van het verbod, die worden uitgevoerd bij het afwerken van een ontgrondingsactiviteit (zoals zand- of kleiwinning) die zijn gericht op een veilige, stabiele en landschappelijk verantwoorde afronding van het terrein, conform de eisen uit de omgevingsvergunning voor de ontgrondingsactiviteit. Deze werkzaamheden hebben vaak als doel het stabiliseren en versterken van oevers en taluds.

Artikel 4.51 Groene linten

In Oost-Groningen, Midden-Groningen en Noordoost-Groningen komen groene linten voor.

Ze bestaan uit een combinatie van wegbeplanting, slingertuinen en monumentale boerenerven die het wegdorp een groen karakter geven. De bescherming van groene linten is in combinatie met bebouwing op de hogere dekzandruggen vanuit het behoud van het cultureel erfgoed van provinciaal belang. De ruimtelijke structuur van groene linten is nauw verbonden met het omliggende open en lagergelegen landschap. Met het oog op de landschappelijke en cultuurhistorische waarde is de bescherming van de stedenbouwkundige structuur en het karakter van groene linten van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van de groene linten in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Het gaat daarbij om regels gericht op bescherming van de bestaande wegbeplanting en de inrichting van de daarmee samenhangende slingertuinen en regels gericht op voorkoming van onnodige kap en het verplichten van herplant. 

Artikel 4.52 Waddenzee

Het Waddengebied heeft grote en internationaal erkende ecologische en landschappelijke waarde. Sinds 2009 is de Waddenzee UNESCO Wereldnatuurerfgoed. Tot het Groningse deel van het Waddengebied behoren de Waddenzee (inclusief de eilanden), het Eems-estuarium en het Lauwersmeer. Boringen naar aardgas of leidingen buiten de aangegeven leidingstroken zijn niet verenigbaar met deze waarden. Het gaat hierbij uitdrukkelijk om winning en proefboringen in de Waddenzee. De winning van aardgas uit de Waddenzee vanaf het vasteland is wel toegestaan. Dit artikel bepaalt dat ter bescherming van dit gebied regels in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen die exploratie- of exploitatieboringen naar aardgas verbieden.

Artikel 4.53 Aanleg van bos en productiebos

De grootschalige openheid van het landschap is kenmerkend voor Groningen. De aanleg van bos en nieuwe houtteelt kan afbreuk doen aan deze openheid. Tegelijkertijd wil de provincie de vrijwillige aanleg van bos en houtteelt stimuleren in gebieden waar dat past, en dit zodanig reguleren dat per saldo geen afbreuk wordt gedaan aan huidige natuur- en landschapswaarden. Dit artikel stelt regels over de mogelijkheden van aanleg van bos en nieuwe houtteelt die bij de vaststelling van het omgevingsplan in acht dienen te worden genomen. De aanleg van bos en houtteelt kan in sommige gevallen de landschappelijke waarden aantasten en hier blijft aanleg daarvan uitgesloten. Het gaat om grootschalig open landschap, essen, esgehuchten en zones rondom wierden als bedoeld in Artikel 4.35, Artikel 4.36, Artikel 4.37 en Artikel 4.39. In tegenstelling tot boomgaarden zijn voedselbossen aan te merken als een vorm van bosaanleg of overige houtige opstanden. 

Artikel 4.54 Landschap met herkenbare opstrekkende verkaveling

De bescherming van de herkenbare opstrekkende verkaveling is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Verkavelingspatronen bepalen de identiteit van het cultuurlandschap. Ze weerspiegelen de bodem (klei, veen, zand) en de ontstaansgeschiedenis van het landschap. De waardevolle opstrekkende verkaveling aan de Waddenkust bestaat uit een regelmatig patroon van (zeer) langgerekte kavels gescheiden door sloten en landbouwontsluitingswegen die het historisch recht van opstrek zichtbaar maken. De inpolderingsgeschiedenis van de Waddenkust vormt een belangrijk onderdeel van de cultuurhistorie van Groningen en het behoud van de diversiteit van landschappen in de verschillende deelgebieden is van provinciaal belang. Dit artikel bepaalt dat regels ter bescherming van de herkenbare opstrekkende verkaveling in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Deze regels zijn niet gericht op een verbod omdat een gemotiveerde aanpassing en compensatie van de verkavelingsstructuur mogelijk is ten behoeve van een bedrijfsmatig, landbouwkundig, water of recreatief belang. 

Artikel 4.55 Landschap met herkenbare onregelmatige blokverkaveling

De bescherming van de herkenbare onregelmatige blokverkaveling is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Verkavelingspatronen bepalen de identiteit van het cultuurlandschap. Ze weerspiegelen de bodem (klei, veen, zand) en de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Het behoud van de herkenbare onregelmatige blokverkaveling is met het oog op de identiteit en samenhang in het landschap van provinciaal belang. Dit artikel bepaalt dat regels ter bescherming van de herkenbaarheid van de onregelmatige blokverkaveling in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen. Deze regels zijn niet gericht op een verbod omdat een gemotiveerde aanpassing en compensatie van de verkavelingsstructuur mogelijk is ten behoeve van een bedrijfsmatig, landbouwkundig, water of recreatief belang. 

Artikel 4.56 Karakteristieke slotenpatroon Appingedam-Delfzijl

De bescherming van het karakteristieke slotenpatroon ten noorden van Appingedam-Delfzijl is met het oog op ruimtelijke kwaliteit, landschappelijke en cultuurhistorische waarde van provinciaal belang. Verkavelingspatronen bepalen de identiteit van het cultuurlandschap. Ze weerspiegelen de bodem (klei, veen, zand) en de ontstaansgeschiedenis van het landschap. In het wierdenlandschap ten noorden van Appingedam en Delfzijl zijn de patronen van het oude kwelderlandschap nog zichtbaar. Dit patroon wordt gekenmerkt door kreken, prielen, maren en wierdendorpen. Het behoud van het karakteristieke slotenpatroon ten noorden van Appingedam-Delfzijl is met het oog op de identiteit en samenhang in het landschap van provinciaal belang. Dit artikel stelt regels die ter bescherming van dit karakteristieke slotenpatroon in het omgevingsplan dienen te worden opgenomen.

Artikel 4.57 Concentratie van bebouwing binnen bouwperceel

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie – ter bescherming van het landschap tegen onnodige versnippering – dat agrarische bedrijfsbebouwing wordt geconcentreerd binnen agrarische bouwpercelen. Op grond van dit artikel dienen met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan regels te worden opgenomen die erin voorzien dat agrarische bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor mestopslag en veevoer worden geconcentreerd binnen een agrarisch bouwperceel. Dit betreft een in een het omgevingsplan aangeduid aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een omgevingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan. Bij de voorbereiding van het omgevingsplan dienen bij het bepalen van de vorm en begrenzing van de agrarisch bouwpercelen van agrarische bedrijven mede de landschappelijke, cultuurhistorische, archeologische en stedenbouwkundige waarden die bij agrarische bedrijfsuitbreiding in het geding kunnen zijn zorgvuldig mee te wegen.  

Artikel 4.58 Nieuwe agrarische bouwpercelen

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie schaalvergroting van agrarische bedrijven landschappelijk zorgvuldig inpassen en dit hand in hand laten gaan met een verduurzaming van de sector. Dit artikel stelt – met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties – regels over de mogelijkheid om in het omgevingsplan nieuwe agrarische bouwpercelen toe te staan. In het omgevingsplan kan een nieuw agrarisch bouwperceel alleen worden toegestaan in een beperkt aantal gevallen van algemeen (provinciaal) belang. Uitplaatsing is alleen mogelijk indien uit onderzoek blijkt dat redelijkerwijs geen gebruik kan worden gemaakt van een nabijgelegen bestaand agrarisch bouwperceel. Het nieuwe agrarisch bouwperceel moet daarnaast ten dienste staan van een uit onze provincie afkomstig agrarisch bedrijf, waarvan de verwachting bestaat dat de bedrijfsvoering op termijn in stand kan worden gehouden. 

Ten behoeve van een zorgvuldige landschappelijke inpassing moet voor elk nieuw agrarisch bouwperceel de maatwerkmethode worden toegepast. Daarbij geldt in beginsel een bovengrens van maximaal 2 hectare. Een grotere oppervlakte isalleen mogelijk als Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang hebben verleend met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit en tevens het Groninger Verdienmodel is toegepast. Dit model is ontwikkeld om te bepalen of een melkrundveehouderijbedrijf en de bedrijfsvoering daadwerkelijk bijdragen aan verduurzaming van de sector. Met de toepassing van het Groningen Verdienmodel is een groot provinciaal belang gediend. De oppervlakte van het agrarisch bouwperceel mag echter nooit groter worden dan 4 hectare.

Artikel 4.59 Maximale omvang nieuw agrarisch bouwperceel 2 hectare

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie schaalvergroting van agrarische bedrijven landschappelijk zorgvuldig inpassen en dit hand in hand laten gaan met een verduurzaming van de sector. Dit artikel stelt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de regel dat de omvang van een nieuw agrarisch bouwperceel in het omgevingsplan ten hoogste 2 hectare bedraagt. 

Artikel 4.60 Maximale omvang nieuw agrarisch bouwperceel 4 hectare

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie schaalvergroting van agrarische bedrijven landschappelijk zorgvuldig inpassen en dit hand in hand laten gaan met een verduurzaming van de sector. Een nieuw agrarisch bouwperceel groter dan 2 hectare isalleen toegestaan indien voor dat bouwperceel de maatwerkmethode is gevolgd en het bouwperceel bovendien ten dienste staat aan een melkrundveehouderijbedrijf dat voldoet aan het Groninger Verdienmodel. Dit model is ontwikkeld om te bepalen of een melkrundveehouderijbedrijf en de bedrijfsvoering daadwerkelijk bijdragen aan verduurzaming van de sector. Met de toepassing van het Groningen Verdienmodel is een groot provinciaal belang gediend. 

Dit artikel stelt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels over de mogelijkheid om nieuwe agrarische bouwpercelen tussen 2 en 4 hectare toe te staan. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in een nieuw agrarisch bouwperceel tussen 2 en 4 hectare als Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning hebben verleend voor een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit en tevens het Groninger Verdienmodel is toegepast. Tevens dient een erfinrichtingsplan behorend bij het omgevingsplan te worden opgesteld. 

Artikel 4.61 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 2 hectare

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie schaalvergroting van agrarische bedrijven landschappelijk zorgvuldig inpassen en dit hand in hand laten gaan met een verduurzaming van de sector. Dit artikel stelt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels over de mogelijkheid om agrarische bouwpercelen uit te breiden tussen 1 en 2 hectare. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in uitbreiding indien ten behoeve van een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de uitbreiding van het agrarisch bouwperceel door de gemeente de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur en een erfinrichtingsplan is opgesteld. Bij het wijzigen van alleen de vorm van het bouwperceel bij gelijkblijvende omvang is geen sprake van uitbreiding.

Artikel 4.62 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen door koppeling van een agrarisch bouwperceel

Dit artikel biedt de mogelijkheid om in afwijking van het bepaalde in artikel 4.57, eerste lid en artikel 4.61, eerste lid, in het omgevingsplan te voorzien in een uitbreiding van een agrarisch bedrijf door middel van een gekoppeld bouwperceel. 

In uitzonderlijke omstandigheden kan het voorkomen dat een agrarisch bedrijf niet kan uitbreiden direct aangrenzend aan het bestaande bouwperceel of dat – in verband met het biologisch houden van dieren – een uitbreiding van het agrarisch bouwperceel op afstand van het bestaande bouwperceel nodig is in verband met de geldende biologische regelgeving. Indien bovendien geen gebruik kan worden gemaakt van een bestaand bouwperceel in de nabijheid van de bij het bedrijf in gebruik zijnde gronden, kan de uitbreiding van het bouwperceel op enige afstand van het bestaande bouwperceel plaatsvinden. 

Beide delen van het bouwperceel dienen in dat geval in het omgevingsplan gekoppeld te worden zodat duidelijk is dat de beide delen van het bouwperceel uitsluitend ten behoeve van hetzelfde bedrijf kunnen worden gebruikt. Ook in deze situatie geldt dat de maximale omvang van beide delen niet meer mag bedragen dan 2 ha en dat met het oog op een zorgvuldige landschappelijke inpassing van de uitbreiding door middel van een gekoppeld bouwperceel de maatwerkmethode wordt toegepast onder begeleiding van een bij de provincie werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur en erfinrichtingsplan wordt opgesteld. 

Artikel 4.63 Uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot 4 hectare

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie schaalvergroting van agrarische bedrijven landschappelijk zorgvuldig inpassen en dit hand in hand laten gaan met een verduurzaming van de sector. Een nieuw agrarisch bouwperceel of vergroting van een agrarisch bouwperceel tot een omvang groter dan 2 hectare is alleen toegestaan indien voor dat bouwperceel de maatwerkmethode is gevolgd en het bouwperceel bovendien ten dienste staat aan een melkrundveehouderijbedrijf dat voldoet aan het Groninger Verdienmodel. Dit model is ontwikkeld om te bepalen of een melkrundveehouderijbedrijf en de bedrijfsvoering daadwerkelijk bijdragen aan verduurzaming van de sector. Met de toepassing van het Groningen Verdienmodel is een groot provinciaal belang gediend. 

Dit artikel stelt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels over de mogelijkheid om agrarische bouwpercelen uit te breiden tussen 2 en 4 hectare. Een omgevingsplan kan alleen voorzien in uitbreiding als Gedeputeerde Staten een omgevingsvergunning hebben verleend voor een omgevingsplanactiviteit van provinciaal belang met toepassing van artikel 4.6, eerste lid, onder a, van het Omgevingsbesluit en tevens het Groninger Verdienmodel is toegepast. Tevens dient een erfinrichtingsplan en inpassingsplan behorend bij het omgevingsplan te worden opgesteld. 

Artikel 4.64 Afwijkende regeling gemeente Westerwolde

Dit artikel biedt in afwijking van artikel 4.58 en 4.61 de gemeente Westerwolde de mogelijkheid om in het omgevingsplan de vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf op een perceel aan de J. Buiskoolweg te Vlagtwedde op te nemen met een omvang groter dan 2 hectare. Op artikel 16 maart 2016 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009 gewijzigd om de gemeente Vlagtwedde, thans Westerwolde, in staat te stellen planologische medewerking te verlenen aan de desbetreffende vestiging van een grootschalig melkrundveehouderijbedrijf aan de J. Buiskoolweg te Vlagtwedde en de uitbreiding van een melkrundveehouderijbedrijf aan de Munnekemoer te Ter Apel, teneinde daarmee recht te doen aan het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel.

Artikel 4.65 Gebruiken van op 50 meter afstand of minder van elkaar gelegen agrarische bouwpercelen voor het oprichten of vergroten van agrarische bedrijfsbebouwing

Dit artikel is een vertaling van het op 31 januari 2018 vastgestelde provinciaal inpassingsplan (PIP) "Agrarische Bouwpercelen". Ter borging van het provinciale belang als bedoeld in de Omgevingswet is deze regel gesteld. 

Artikel 4.66 Opslag van veevoer en mest buiten het agrarisch bouwperceel

Dit artikel biedt in afwijking van artikel 4.57 gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels te stellen die erin voorzien om onder gestelde voorwaarden voorzieningen voor mestopslag en veevoer aansluitend aan het agrarisch bouwperceel op te richten of aan te leggen. Daarbij geldt onder andere de voorwaarde dat er geen mogelijkheid is om de aanwezige mest binnen het bestaande agrarisch bouwperceel op te slaan. 

De nieuwe mestopslag moet zorgvuldig worden ingepast in het landschap. Gemeenten moeten zich hierin laten adviseren door een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 

Artikel 4.67 Foliemestbassins en mestzakken op de veldkavel

Dit artikel biedt in afwijking van Artikel 4.57 gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels te stellen die erin voorzien om onder gestelde voorwaarden foliemestbassins en mestzakken op de veldkavel op te richten of aan te leggen op een locatie die is gelegen binnen de daarvoor in de verordening aangewezen gebieden. 

Daarbij geldt onder andere de voorwaarde dat er geen mogelijkheid is om de aanwezige mest binnen het bestaande agrarisch bouwperceel op te slaan. 

De nieuwe mestopslag moet zorgvuldig worden ingepast in het landschap. Gemeenten moeten zich hierin laten adviseren door een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 

Artikel 4.68 Mestsilo's op de veldkavel

Dit artikel biedt in afwijking van Artikel 4.57 gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan regels te stellen die erin voorzien om onder gestelde voorwaarden mestsilo’s op de veldkavel op te richten op een locatie die is gelegen binnen de daarvoor in de verordening aangewezen gebieden. Daarbij geldt onder andere de voorwaarde dat er geen mogelijkheid is om de aanwezige mest binnen het bestaande agrarisch bouwperceel op te slaan. 

De nieuwe mestopslag moet zorgvuldig worden ingepast in het landschap. De gemeente dient de maatwerkmethode onder begeleiding van een onafhankelijke- of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur toe te passen. 

Artikel 4.69 Nieuwe glastuinbouwbedrijven niet toegestaan

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie geen ruimte bieden aan nieuwe vestigingsmogelijk-heden voor glastuinbouwbedrijven omdat daaraan geen behoefte bestaat. Gemeenten kunnen voor bestaande glastuinbouwbedrijven uitbreidingsmogelijkheden in een omgevingsplan opnemen op basis van het resultaat van de toepassing van de maatwerkmethode. De toepassing van de maatwerkmethode kan achterwege blijven indien de uitbreiding van ondergeschikte aard is. Dit artikel bepaalt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dat in het omgevingsplan regels worden opgenomen die de vestiging van nieuwe glastuinbouwbedrijven in het buitengebied uitsluiten. 

Artikel 4.70 Uitbreiding bestaande glastuinbedrijven

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie geen ruimte bieden aan nieuwe vestigingsmogelijkheden voor glastuinbouwbedrijven omdat daaraan geen behoefte bestaat. Gemeenten kunnen voor bestaande glastuinbouwbedrijven uitbreidingsmogelijkheden in een omgevingsplan opnemen met toepassing van de maatwerkmethode. De toepassing van de maatwerkmethode kan achterwege blijven indien de uitbreiding van ondergeschikte aard is. Dit artikel stelt met het oog het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties regels aan het omgevingsplan die er voorzien dat de bedrijfsbebouwing van bestaande glastuinbouwbedrijven in het buitengebied in ondergeschikte mate uit kunnen breiden met een oppervlakte van maximaal 20% van de totale bestaande oppervlakte bedrijfsbebouwing zoals aanwezig op 17 juni 2009. Een uitbreiding met een percentage van maximaal 50% is mogelijk met toepassing van de maatwerkmethode onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur. 

Artikel 4.71 Nevenactiviteiten bij agrarische bedrijven

De provincie vindt volgens haar Omgevingsvisie dat het voor de vitaliteit van het landelijk gebied van belang is dat agrarische bedrijven hun bedrijfsvoering kunnen verbreden en ontwikkelen door het uitoefenen van nevenactiviteiten (multifunctionele landbouw). Bijvoorbeeld voor natuur- en landschapsbeheer, dag- en verblijfsrecreatie, educatie, opvang in de zorg, verkoop van eigen of streekproducten en kinderopvang. Nevenactiviteiten mogen geen afbreuk doen aan bestaande landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Dit artikel bepaalt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dat in het omgevingsplan regels worden opgenomen die erin voorzien dat nevenactiviteiten, waaronder detailhandelsactiviteiten, ondergeschikt blijven aan de agrarische hoofdfunctie en geen afbreuk doen aan bestaande landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. 

Artikel 4.72 Verbod nieuwvestiging en uitbreiding hoofd- of neventak intensieve veehouderij

De provincie vindt volgens haar Omgevingsvisie dat uitoefening van intensieve veehouderij, het gebruik van stallen en de bouw van stalruimte voor intensieve veehouderij grote afbreuk doen aan de belevingswaarde van de leefomgeving. Dat geldt niet alleen voor de nabije omgeving van steden en dorpen, toeristische routes of natuurgebieden maar voor de hele provincie.  

Daarom is het verboden een nieuwe intensieve veehouderij op te starten of een bestaande intensieve veehouderij uit te breiden. Daarvoor moeten regels worden opgenomen in het omgevingsplan. Het aantal dieren in de intensieve veehouderij mag niet toenemen. 

Wel mag de stalvloeroppervlakte worden uitgebreid als dat moet om te kunnen voldoen aan wettelijk eisen op het gebied van milieu of brandveiligheid of als de uitbreiding nodig is om ter verbetering van het dierenwelzijn de dieren te voorzien van netto meer beschikbare leefruimte. In beide gevallen mag het aantal dieren zoals is vergund ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning niet toenemen.  

Het begrip intensieve veehouderij is gedefinieerd in de begripsbepalingen.  

Artikel 4.73 Uitbreiding ten behoeve van aangescherpte wettelijke eisen op het gebied van milieu, brandveiligheid of ten behoeve van dierenwelzijn

De provincie vindt volgens haar Omgevingsvisie dat uitoefening van intensieve veehouderij, het gebruik van stallen en de bouw van stalruimte voor intensieve veehouderij grote afbreuk doen aan de belevingswaarde van de leefomgeving. Dat geldt niet alleen voor de nabije omgeving van steden en dorpen, toeristische routes of natuurgebieden maar voor de hele provincie.  

Daarom is het verboden een nieuwe intensieve veehouderij op te starten of een bestaande intensieve veehouderij uit te breiden. Daarvoor moeten regels worden opgenomen in het omgevingsplan. Het aantal dieren in de intensieve veehouderij mag niet toenemen. 

Wel mag de stalvloeroppervlakte worden uitgebreid als dat moet om te kunnen voldoen aan wettelijke eisen op het gebied van milieu of brandveiligheid of als de uitbreiding nodig is om ter verbetering van het dierenwelzijn de dieren te voorzien van netto meer beschikbare leefruimte. In beide gevallen mag het aantal dieren zoals is vergund ten tijde van de aanvraag om een omgevingsvergunning niet toenemen.  

Het begrip intensieve veehouderij is gedefinieerd in de begripsbepalingen.  

Artikel 4.74 Gestapeld houden van vee

De provincie wil volgens haar Omgevingsvisie schaalvergroting van agrarische bedrijven landschappelijk zorgvuldig inpassen en dit hand in hand laten gaan met een verduurzaming van de sector. De provincie vindt het daarom onwenselijk dat binnen gebouwen voor een agrarisch bedrijf meerdere bouwlagen worden gebruikt voor het houden van dieren. Dit is ook niet nodig omdat uitbreiding van het agrarische bedrijf ten behoeve van het houden van dieren in gebouwen met één bouwlaag binnen het agrarische bouwperceel kan plaatsvinden. Als dat niet mogelijk is kan een eventuele uitbreiding van het agrarisch bouwperceel al dan niet met toepassing van de maatwerkmethode plaatsvinden met inachtneming van onder meer de regels in deze verordening over agrarische bedrijven, waaronder intensieve veehouderij. Dit artikel bepaalt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dat in het omgevingsplan regels worden opgenomen die erin voorzien dat binnen gebouwen voor een agrarisch bedrijf ten hoogste één bouwlaag gebruikt mag worden voor het houden van dieren. 

Artikel 4.75 Tweede agrarische bedrijfswoningen

De provincie vindt het volgens haar Omgevingsvisie onwenselijk dat tweede agrarische bedrijfswoningen als gewone burgerwoning bij een agrarisch bedrijf worden opgericht of gebruikt. Een burgerwoning kan met name vanuit milieuoogpunt ongewenst zijn, doordat de aanwezigheid hiervan de bedrijfsvoering van het ter plaatse aanwezige bedrijf of een eventueel in de buurt gelegen (agrarisch) bedrijf zou kunnen beperken. Tevens dient onnodige verstening en versnippering van het buitengebied door burgerwoningen te worden voorkomen. Dit artikel bepaalt met het oog op het beschermen van het landschap en stedenbouwkundige waarden en een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dat in het omgevingsplan de regel wordt opgenomen die erin voorziet dat tweede agrarische bedrijfswoningen bij agrarische bedrijven in het buitengebied alleen zijn toegestaan indien dit noodzakelijk is voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering. 

Artikel 4.77 Stilte buitengebied

Stilte is een kernkarakteristiek van onze provincie. Dit artikel bepaalt dat gemeenten het belang van stilte in het buitengebied moeten betrekken bij de bepalingen in het omgevingsplan. Op die wijze beogen we deze kernkarakterisitiek te beschermen.

Artikel 4.78 Duisternis buitengebied

Duisternis is een kernkarakteristiek van onze provincie. Dit artikel bepaalt dat gemeenten het belang van duisternis in het buitengebied moeten betrekken bij de bepalingen in het omgevingsplan. Op die wijze beogen we deze kernkarakteristiek te beschermen

Artikel 4.79 Lichtuitstraling open stalsystemen

Duisternis is een kernkarakteristiek van onze provincie. Dit artikel bepaalt dat gemeenten in hun omgevingsplan vastleggen dat geen nieuwe open stalsystemen worden toegestaan waarin de normen worden overschreden zoals vastgelegd in het artikel. Deze normen zijn afkomstig uit het 'Technisch document bij Convenant lichthinder melkveehouderij LTO Noord / FMF / NMF'. Op deze wijze beogen we deze kernkarakteristiek te beschermen.

Artikel 4.80 Stiltegebieden

Stilte is een kernkarakteristiek van onze provincie. Dit artikel bepaalt dat in een omgevingsplan dat van toepassing is op stiltegebieden hiermee rekening wordt gehouden. Op deze wijze beogen we deze kernkarakteristiek te beschermen.

Artikel 4.81 Lichtplan milieubelastende activiteiten in aandachtsgebieden voor stilte en duisternis

Duisternis is een kernkarakteristiek van onze provincie. Dit artikel bepaalt dat in een omgevingsplan dat van toepassing is op aandachtsgebieden voor stilte en duisternis gebieden een verplichting wordt opgenomen tot het opstellen van een lichtplan bij milieubelastende activiteiten met een potentieel significante lichtemissie. Op die wijze beogen we deze kernkarakteristiek te beschermen.

Artikel 4.82 Oogmerken

In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is een basisnet aangewezen waarop vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. In artikel 23, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is opgenomen dat Provinciale Staten, ten behoeve van het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen, een netwerk aanvullend op het landelijk basisnet aanwijzen van wegen in beheer bij de provincie of een waterschap, dat niet behoort tot het basisnet. Voor wegen in eigen beheer, die niet al bij wet zijn aangewezen als basisnet, dienen Provinciale Staten dus zelf het netwerk aan te wijzen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. In dit artikel worden deze wegen aangewezen. Er is voor gekozen de wegen aan te wijzen die van belang zijn voor het doorgaande vervoer en een netwerk vormen met het landelijke basisnet. Dat zijn alle provinciale wegen. Deze behoren in het geheel tot het provinciaal basisnet. Deze regels zijn gebaseerd op de "uitwerkingsnota van Veilig op weg, veiligheid rondom de weg" van april 2010. Daarbij is aangesloten bij landelijke inzichten over autonome groei en zijn keuzes gemaakt om de in de provincie Groningen relatief veilige situatie rondom transportassen te behouden, zonder dat het vestigingsklimaat voor bedrijven hieronder lijdt. Er wordt dan met name gedacht aan de bedrijven in de Eemshaven en het chemiepark Delfzijl.

Artikel 4.83 Aanwijzing transportroutes externe veiligheid

In de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is een basisnet aangewezen waarop vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. In artikel 23, eerste lid van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen is opgenomen dat Provinciale Staten, ten behoeve van het doorgaande vervoer van gevaarlijke stoffen, een netwerk aanvullend op het landelijk basisnet aanwijzen van wegen in beheer bij de provincie of een waterschap, dat niet behoort tot het basisnet. Voor wegen in eigen beheer, die niet al bij wet zijn aangewezen als basisnet, dienen Provinciale Staten dus zelf het netwerk aan te wijzen waarover vervoer van gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden. In dit artikel worden deze wegen aangewezen. Er is voor gekozen de wegen aan te wijzen die van belang zijn voor het doorgaande vervoer en een netwerk vormen met het landelijke basisnet. Dat zijn alle provinciale wegen. Deze behoren in het geheel tot het provinciaal basisnet. Deze regels zijn gebaseerd op de "uitwerkingsnota van Veilig op weg, veiligheid rondom de weg" van april 2010. Daarbij is aangesloten bij landelijke inzichten over autonome groei en zijn keuzes gemaakt om de in de provincie Groningen relatief veilige situatie rondom transportassen te behouden, zonder dat het vestigingsklimaat voor bedrijven hieronder lijdt. Er wordt dan met name gedacht aan de bedrijven in de Eemshaven en het chemiepark Delfzijl.

Artikel 4.84 Transportroutes binnen veiligheidszone 1

In deze zones moet rekening worden gehouden met het zogenaamde plaatsgebonden risico. Het plaatsgebonden risico is, volgens artikel 5.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit. Dit is door Gedeputeerde Staten berekend en vastgelegd in bijlage 2. Het is aan de gemeente om een functie toe te delen aan zones langs provinciale wegen. De provincie geeft instructies aan de gemeente waarmee een minimaal niveau van veiligheid wordt gewaarborgd. Dit is een aanvulling op de reeds geldende regels die zijn gesteld voor het basisnet in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bij het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten betreffende provinciale wegen, hoeft er voor het plaatsgebonden risico (PR) geen berekening meer te worden gemaakt. Wanneer de in dit artikel aangewezen zones in acht worden genomen, is de berekening van het plaatsgebonden risico al meegenomen. De zones zijn geometrisch begrensd in bijlage 2. Ze kunnen hierin door gemeenten worden geraadpleegd. De zone van de N33 is opgenomen in de Regeling Basisnet en bedraagt 20 meter. De meeste wegvakken van het provinciale basisnet hebben geen zone. De zone van de N46 bedraagt 20 meter en die van N362 10 meter.

Het is aan de gemeente om een functie toe te delen aan zones langs provinciale wegen. De provincie geeft instructies aan de gemeente waarmee een minimaal niveau van veiligheid wordt gewaarborgd. Dit is een aanvulling op de reeds geldende regels die zijn gesteld voor het basisnet in het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.85 Transportroutes binnen veiligheidszone 2

Regels met betrekking tot explosieaandachtsgebieden zijn, voor het landelijke basisnet, al gegeven in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het provinciale basisnet moeten Gedeputeerde Staten hier zelf regels voor stellen. In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een explosieaandachtsgebied als volgt omschreven: de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; of b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. In de "uitwerkingsnota van Veilig op weg, veiligheid rondom de weg" van april 2010 is de BLEVE als bepalend scenario aangewezen. Bij dit scenario hoort een aandachtsgebied van 200 meter. Deze zone ziet toe op mensen in gebouwen. Naar aanleiding daarvan hebben wij de veiligheidszone gesteld op 200 meter. Gedeputeerde Staten achten het van belang dat gemeenten bij de opstelling van het omgevingsplan rekening houden met deze veiligheidszone. Wij bepleiten terughoudendheid bij het toestaan van zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen of locaties en beperkt kwetsbare gebouwen of locaties. In de oude verordening waren deze begrippen, conform het Besluit externe veiligheid transportroutes, omschreven als kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare objecten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden deze nu omschreven als kwetsbare gebouwen en locaties en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. Het begrip zeer kwetsbare gebouwen is hierbij gekomen. In explosieaandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het zogenaamde groepsrisico. Het groepsrisico is in artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving omschreven als de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Deze moet door de gemeente berekend worden met de referentiewaarden die door Gedeputeerde Staten zijn vastgelegd in tabel 1 en 2, die zijn gevoegd als Bijlage 5 Transportroutes externe veiligheid, referentiewaarden.

Artikel 4.86 Transportroutes binnen veiligheidszone 3

Het is aan de gemeente om een functie toe te delen aan zones langs transportroutes externe veiligheid en het landelijk basisnet. De provincie geeft instructies aan de gemeente waarmee een minimaal niveau van veiligheid wordt gewaarborgd. Dit is een aanvulling op de reeds geldende regels die zijn gesteld voor het basisnet in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Omdat het Besluit kwaliteit leefomgeving alleen betrekking heeft op het landelijke basisnet, stellen Gedeputeerde Staten zelf regels vast met betrekking tot brandaandachtsgebieden binnen het provinciale basisnet.

In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een brandaandachtsgebied omschreven als de locatie begrensd door de afstand waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m² is. Voor het provinciale basisnet is deze veiligheidszone vastgesteld op 30 meter aan weerszijden van de infrastructuur. Deze instructieregel bepaalt dat binnen deze zone geen zeer kwetsbare gebouwen mogen worden toegestaan bij het vaststellen van een omgevingsplandoor gemeenten.

Artikel 4.87 Transportroutes binnen veiligheidszone 4

Regels met betrekking tot explosieaandachtsgebieden zijn, voor het landelijke basisnet, al gegeven in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het provinciale basisnet moeten Gedeputeerde Staten hier zelf regels voor stellen. In artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt een explosieaandachtsgebied als volgt omschreven: de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot: a. een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion, BLEVE), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is; of b. een explosie, anders dan onder a, de overdruk ten hoogste 10 kPa is. In de "uitwerkingsnota van Veilig op weg, veiligheid rondom de weg" van april 2010 is de BLEVE als bepalend scenario aangewezen. Bij dit scenario hoort een aandachtsgebied van 355 meter. Naar aanleiding daarvan hebben wij deze veiligheidszone het Explosieaandachtsgebied gesteld op 355 meter. Deze zone ziet toe op locaties (mensen buiten). Gedeputeerde Staten achten het van belang dat gemeenten bij de opstelling van het omgevingsplan rekening houden met deze veiligheidszone explosieaandachtsgebieden. Wij bepleiten terughoudendheid bij het toestaan van kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. In explosieaandachtsgebieden moet rekening worden gehouden met het zogenaamde groepsrisico. Het groepsrisico is in artikel 5.15 van het Besluit kwaliteit leefomgeving omschreven als de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door een activiteit. Deze moet door de gemeente berekend worden met de referentiewaarden die door Gedeputeerde Staten zijn vastgelegd in tabel 1 en 2, die zijn gevoegd in de bijlage bij deze verordening met betrekking tot referentiewaarden voor externe veilighe

Artikel 4.88 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op de industrieterreinen uit de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl. De industrieterreinen waarop deze afdeling van toepassing is, zijn de industrieterreinen waarop de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl betrekking heeft. Deze industrieterreinen zijn oorspronkelijk bestemd voor de bedrijfscategorieën 1 tot en met 5. Hierdoor kunnen er hoeveelheden stoffen aanwezig zijn boven de grenswaarden van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor dergelijke activiteiten zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving risiconormen van toepassing vastgelegd. Deze risiconormen worden bepaald met de rekenmethode Safeti.nl. De faalkansen zijn daarmee in eerste aanleg branche-eigen faalkansen. In de Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl is vastgelegd dat op de industrieterreinen Eemshaven en Oosterhorn zowel bedrijven met bulkhoeveelheden gevaarlijke stoffen en windturbines kunnen worden gevestigd opgericht. Uit de faalstatistieken blijkt dat een windturbine kan omvallen, dat de turbinekop eraf kan vallen en dat een turbineblad kan losraken. Dit zijn branchevreemde oorzaken voor zware ongevallen in bedrijven met gevaarlijke stoffen. Incidenten buiten de reguliere bedrijfsvoering van risicovolle bedrijven, zoals die door windturbines, zijn branchevreemde oorzaken van zware ongevallen. De regels in deze afdeling beogen dat de faalscenario's van windturbines worden betrokken bij de risicobepaling. De branchevreemde oorzaken verhogen het risico. Wanneer ze het bedrijfseigen risico (zonder de verdiscontering van het risico van de aanwezigheid van de windturbines) met meer dan 10% verhoogt, dient het plan of de aanvraag voor de oprichting of de wijziging van de activiteit te voldoen aan de risiconorm van het Besluit activiteiten leefomgeving en dient het de maatregelen te overwegen om het risico te verminderen. 

Artikel 4.90 Plaatsgebonden risico in het gebied industrie- en bedrijventerreinen structuurvisie Eemsmond-Delfzijl

Zie toelichting op art. 4.88 ‘toepassingsbereik’

Artikel 4.91 Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid

Zie toelichting op art. 4.88 ‘toepassingsbereik’

Artikel 4.92 Aanvraagvereisten omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - omgevingsveiligheid

Zie toelichting op art. 4.88 ‘toepassingsbereik’

Artikel 4.93 Beoordelingsregel omgevingsvergunning milieubelastende activiteit - plaatsgebonden risico

Zie toelichting op art. 4.88 ‘toepassingsbereik’

Artikel 4.94 Gecumuleerd geluid invloedssfeer plangebied structuurvisie Eemsmond-Delfzijl

Of het gecumuleerde geluid door het toelaten van een nieuwe ontwikkeling op alle (burger)woningen in de invloedssfeer van het plangebied van de structuurvisie Eemsmond-Delfzijl nog voldoet aan de in artikel 2.1 gestelde grenswaarde, wordt getoetst bij het toelaten van die ontwikkeling. Dit is daarmee een beoordelingsregel (dit dient niet als gebruiksregel in de omgevingsplannen te worden opgenomen, omdat voldoen aan de regel niet afhangt van één specifieke ontwikkeling). De omzettingsregel voor geluid van scheepvaart is gegeven omdat die geen onderdeel uitmaakt van artikel 3.25 van de Omgevingsregeling.

Artikel 4.95 Toepassingsbereik

Dit artikel regelt dat de regels van toepassing op alle milieubelastende activiteiten, met uitzondering van agrarische activiteiten en communale rioolwaterzuiveringsinstallaties omdat hiervoor Rijksregels gelden. De regels gelden wel voor de milieubelastende activiteit “bedrijf voor mestbehandeling” omdat wij dit beschouwen als een industriële activiteit.

Artikel 4.97 Immissiewaarde geur plangebied structuurvisie Eemsmond - Delfzijl

Deze bepaling vloeit rechtstreeks voort uit de Structuurvisie Eemsmond - Delfzijl die op 19 april 2017 is vastgesteld en zorgt ervoor dat nieuw te vergunnen of te wijzigen milieubelastende activiteiten geen (toename van) geurhinder veroorzaken. Hiermee wordt nieuwe industriële geurhinder bij geurgevoelige gebouwen voorkomen en kan de in Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl gestelde omgevingswaarde behaald worden. Het artikel maakt onderscheid in bedrijven waarvan de reeds vergunde activiteiten gedurende meer of minder dan 2 procent van de uren van een jaar mag worden waargenomen. Als de geurbelasting op geurgevoelige gebouwen al groter is dan 2 procent van de uren van een jaar mag de geurbelasting (uitgedrukt in percentielwaarden) niet toenemen. Als dit niet het geval is, geldt dat de nieuw te vergunnen of te wijzigen milieubelastende activiteit maximaal 2 procent van de uren van een jaar mag worden waargenomen bij geurgevoelige gebouwen.

Artikel 4.98 Omgevingsvergunning geurrelevante milieubelastende activiteiten

Dit artikel regelt dat er een verplichting geldt voor milieubelastende activiteiten op locaties binnen plangebied structuurvisie Eemsmond-Delfzijl om een omgevingsvergunning aan te vragen als zij (mogelijk) geurrelevant zijn. Dit is onder de voorwaarde dat er een omgevingswaarde industriële geur is vastgesteld in het omgevingsplan. Een uitzondering geldt voor milieubelastende activiteiten die volgens de onderverdeling in geurrelevantie volgens bijlage 3 vallen onder categorie 1A.

Het artikel zorgt ervoor dat óók bij bedrijvigheid waarvoor geen omgevingsvergunning vereist is nieuwe industriële geurhinder op geurgevoelige gebouwen voorkomen wordt en de in Structuurvisie Eemsmond-Delfzijl gestelde omgevingswaarde behaald kan worden.

Artikel 4.99 Methodiek bepaling geurrelevante milieubelastende activiteiten

Dit artikel verwijst naar een methodiek afkomstig uit de Handreiking Geur en Industrie uit 2012 die concretiseert bij welke bedrijven we wel en bij welke bedrijven we geen geuronderzoek nodig vinden. De methodiek bepaalt de 'geurrelevantie' van een bedrijf op basis van de mogelijke gevolgen van geuremissie voor de omgeving.

Artikel 4.100 Omgevingsvergunning sanering grondwater

Deze afdeling geeft instructieregels over het saneren van een grondwaterverontreiniging wat betreft het omgevingsplan. Het provinciebestuur heeft volgens artikel 2.18, eerste lid, onder c, van de wet de verantwoordelijkheid voor het beschermen van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water en de Grondwaterrichtlijn en heeft hierin een belangrijke kaderstellende taak. Vanuit deze verantwoordelijkheid zijn aanvullende regels gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grond- en drinkwater. Met het vervallen van de Wet bodembescherming verdwijnt de wettelijke dekking voor het doel van de Grondwaterrichtlijn "voorkomen en beperken van inbreng van verontreinigende stoffen, Prevent en Limit". Met de aanvullende regels wordt bereikt dat er eenzelfde beschermingsniveau voor grondwater wordt bereikt als onder de Wet bodembescherming.

Artikel 4.101 Gegevens en bescheiden bij een aanvraag omgevingsvergunning sanering grondwater

In dit artikel is bepaald welke gegevens moeten worden verstrekt bij de aanvraag. De beoordeling van de gegevens is aan gedeputeerde staten.

Artikel 4.102 Beoordelingsregel milieubelastende activiteit - sanering grondwater (bronverwijdering)

Dit artikel is een instructieregel, dat borgt dat gemeenten een beoordelingsregel in hun omgevingsplan opnemen.

Artikel 4.103 Radioactief afval, gevaarlijk afval, kerncentrales en kolencentrales

Een omgevingsplan biedt geen mogelijkheid tot het opslaan of bergen van radioactief afval of het storten van gevaarlijk afval. Met 'opslaan' wordt bedoeld opslaan met de intentie van terugneembaarheid (in EU-termen' storage'), met 'bergen' het opbergen van afval zonder de intentie van terugneembaarheid (in EU-termen 'disposal'). Met storten wordt bedoeld het op- of in de bodem brengen van afvalstoffen om deze daar te laten.

De reden dat radioactief en gevaarlijk afval ook in de diepe ondergrond moet worden uitgesloten is dat er onvoldoende zekerheid is of de opslag of berging milieuhygiënisch verantwoord en veilig is. Laag radioactiefafval, zoals dat bijvoorbeeld voor kan komen bij ziekenhuizen, bedrijven met rookmelders en boorinstallaties, kan eventueel tijdelijk bovengronds worden opgeslagen op de plek waar de radioactieve stoffen worden gebruikt.

Een omgevingsplan sluit de vestiging van kerncentrales of nieuwe kolencentrales uit. Kolencentrales passen niet in een duurzaam energiesysteem. Kerncentrales leggen langdurig beslag op schaarse ruimte, milieuruimte en energie-infrastructuur en leiden tot verdringing van andere energie- en economische functies. Daarnaast kunnen deze activiteiten aanzienlijke nadelige effecten hebben op natuur, de watervoorziening, veiligheid en leefomgeving. Daarbij bestaat onvoldoende zekerheid dat de milieuhygiënische effecten binnen aanvaardbare grenzen blijven.

Artikel 4.104 Geluidbelasting door windturbines

Doel van dit artikel is dat binnen elk van de aangeduide windparken altijd alle gezamenlijke turbines worden getoetst aan de geluidnorm die geldt voor het hele park. Hierdoor kan geen ongewenste stapeling van geluid door meerdere vergunningen c.q. meldingen binnen het park optreden.

Artikel 4.105 Oprichting van nieuwe windturbines

Gemeenten kunnen er voor kiezen windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter toe te staan binnen het stedelijk gebied of binnen het buitengebied gelegen bouwpercelen, bijvoorbeeld als bijbehorend bouwwerk op een bouwperceel behorend bij een woning of een bedrijf. Deze windturbines kunnen een bijdrage leveren aan de opwekking van duurzame energie.

Artikel 4.106 Kleine windturbines buiten het stedelijk gebied en buiten bouwpercelen in het buitengebied

Gemeenten kunnen er voor kiezen windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter toe te staan als bijbehorend bouwwerk op een bouwperceel behorend bij een woning of een bedrijf. Deze windturbines kunnen een bijdrage leveren aan de opwekking van duurzame energie, maar opstellingen anders dan op een bouwperceel kunnen ook invloed hebben op de belevingswaarde van het landschap. Dit artikel is bedoeld voor een proefproject over de gevolgen van plaatsing van windturbines met een ashoogte van maximaal 15 meter buiten het stedelijk gebied en buiten bouwpercelen in het buitengebied op verschillende landschapstypen (dijkenlandschap, wierden-landschap, esdorpenlandschap, parkachtig esdorpenlandschap, veenkoloniaal landschap, heideontginningslandschap en wegdorpenlandschap. Per landschapstype kunnen door Gedeputeerde Staten drie proefprojecten worden aangewezen. Aan de hand van een evaluatie zal door Provinciale Staten worden beoordeeld of het provinciaal beleid wijziging behoeft.

Artikel 4.107 Grootschalige windenergie

Voor windturbines binnen het voor grootschalige windenergie aangewezen gebied geldt slechts dat deze deel uit moeten maken van een parkopstelling of van een lijnopstelling, en dat de lengte van de wieken niet langer zijn dan twee derde van de ashoogte. Het is aan de betreffende gemeente om te bepalen wat de maximaal toegestane hoogte van de windturbines is.

Artikel 4.108 Windenergie Roodehaan

De gemeente Groningen is de enige gemeente die aan de slag is gegaan met onze aanpak van de 'maatschappelijke tender wind'. In 2019 heeft zij daarvoor het Windplatform Groningen - een samenwerkingsverband tussen de gemeente Groningen, de Natuur en Milieufederatie Groningen en de energiecoöperatie Grunneger Power - opgericht. Samen met de omgeving heeft het Windplatform Groningen verkend of en onder welke voorwaarden windenergie binnen de gebieden Westpoort en Roodehaan/Stainkoel’n haalbaar is. Op basis van de uitkomsten van deze windverkenning, heeft de gemeente Groningen op 28 april 2021 besloten om alleen verder te gaan met de ontwikkeling van windenergie bij Roodehaan/Stainkoel'n. Om dit mogelijk te maken, heeft de gemeente de provincie verzocht om het gebied Roodehaan/Stainkoel'n aan te wijzen als nieuw (zoek-)gebied voor windenergie in de provinciale omgevingsverordening.

De provincie heeft geconstateerd dat de gemeente Groningen een uitgebreid en zorgvuldig proces heeft doorlopen, waarin alle relevante aspecten en gevolgen onderzocht zijn en een intensief participatief traject met omwonenden en belanghebbenden doorlopen is en dat zij hiermee voldaan heeft aan het proces en de kaders, zoals wij die in de aanpak 'maatschappelijke tender wind' uiteengezet hebben. Dit artikel voorziet derhalve in het mogelijk maken van de oprichting van een windpark conform het initiatief van de gemeente Groningen.

Artikel 4.109 Tijdelijkheid windenergie

Het artikel regelt de tijdelijkheid van windturbines binnen het gebied tijdelijkheid windenergie. Het bepaalt dat windturbines in deze gebieden in beginsel voor maximaal 30 jaar mogen worden opgericht en in stand gehouden. Na afloop van deze termijn dienen de turbines definitief te zijn verwijderd. Hiermee wordt geborgd dat windenergie in deze gebieden geen permanent karakter heeft. Na afloop van de termijn van 30 jaar na de oorspronkelijke oprichting kan een windturbine niet automatisch vervangen worden door een nieuwe windturbine of de instandhoudingstermijn van een bestaande windturbine wordt niet automatisch verlengd.

Artikel 4.110 Vervanging van windturbines met een ashoogte hoger dan 15 meter die geen deel uitmaken van een park- of lijnopstelling

Dit artikel stelt regels over vervanging van solitaire windturbines die dus geen deel uitmaken van een lijn- of parkopstelling van meerdere windturbines. De vervangende windturbine behoeft niet per se op dezelfde fundering te worden geplaatst als de te vervangen windturbine; een verplaatsing van enkele meters is toegestaan mits dat niet ten koste gaat van de omgevingskwaliteit.

Artikel 4.111 Vervanging van windturbines in een park- of lijnopstelling

Dit artikel stelt regels over vervanging van windturbines die deel uitmaken van een park- of lijnopstelling van meerdere windturbines. Het artikel maakt het mogelijk om bestaande windturbines in een park- of lijnopstelling te vervangen, zolang de nieuwe turbine op dezelfde plek komt en binnen scherpe maatvoorschriften blijft. Zoals bepaald in Artikel 4.109, zijn windturbines binnen het gebied tijdelijkheid windenergie toegestaan voor een periode van ten hoogste 30 jaar. Wanneer deze periode verstrijkt dient de windturbine definitief te zijn verwijderd. Een bestaande windturbines mag dus na afloop van de termijn van 30 jaar na de eerste oprichting niet vervangen worden door een nieuwe windturbine of dat de instandhoudingstermijn van de windturbine wordt verlengd.

Artikel 4.112 Zonneladder

Dit artikel vloeit voort uit de tussen Rijk, IPO en VNG gemaakte afspraken over het expliciet juridisch borgen in hun verordening door de provincie van de aangescherpte voorkeursvolgorde voor zon zoals toegezegd in de zonnebrief van de minister van BZK van 6 juli 2023 (Kamerstuk 32 813, nr. 1218).

Het toelaten van zonneparken op landbouwgronden is alleen mogelijk als toepassing is gegeven aan de zonneladder waarbij gestreefd wordt naar meervoudig ruimtegebruik en waarbij in volgordelijkheid in de volgende vier treden wordt gekeken naar de mogelijkheid van de plaatsing van zonnepanelen:

a. op daken en gevels;

b. op gronden binnen het stedelijk gebied;

c. op gronden met een andere primaire functie dan landbouwgrond zoals voormalige slibdepots, gesloten stortplaatsen als bedoeld in artikel 8.47 Wet milieubeheer en in werking zijnde zandwinningsplassen;

d. op landbouwgronden.

De zonneladder is niet van toepassing op opstellingen voor zonne-energie op bestaande bouwpercelen die worden gebruikt om tegemoet te komen aan de eigen energiebehoefte.

Dit is geregeld in artikel 4.113, derde lid, onder e.

De provincie gaat ervan uit dat gemeenten door het toepassen van de zonneladder meer dan voorheen zullen kiezen voor een andere oplossing dan het toestaan van een opstelling voor zonne-energie op landbouwgronden.

Artikel 4.113 Zonneparken - toegelaten gebieden

Er moet rekening mee worden gehouden dat in de nabije toekomst de technologie voor de opwekking van zonne-energie een zodanige ontwikkeling zal doormaken dat de ruimtebehoefte voor zonnepanelen zal veranderen. Om te bewerkstelligen dat zonne-energieparken te zijner tijd weer worden opgeruimd en om te voorkomen dat locaties die bij uitstek geschikt zijn als woongebied, als bedrijventerrein of bijvoorbeeld voor de landbouw definitief door zonneparken worden verdrongen, mag de oprichting van een zonnepark alleen vergund worden als publiekrechtelijk is geborgd dat het zonnepark niet langer dan maximaal 30 jaar in stand wordt gehouden. 

Er zullen in de Omgevingsverordening alleen nog gebieden voor zonneparken worden aangewezen, dit kan worden gedaan door Gedeputeerde Staten - op basis van delegatie - als een project invulling geeft aan het bod van 5,7 TWh zoals geformuleerd in de Regionale Energie Strategie (RES) 1.0 en niet het open landschap aantast. Deze zonneparken mogen bij uitzondering wel los in het buitengebied komen te liggen. Dit is in lijn met het op 20 december 2023 door Provinciale Staten aangenomen voorstel ''Geen zonneparken meer op landbouwgrond boven op RES 1.0''. 

Kleinschalige zonneparken aansluitend aan het stedelijk gebied blijven mogelijk, ook wanneer zij niet bijdragen aan het RES 1.0‑bod van 5,7 TWh. Aangrenzend aan stedelijk gebied kunnen zonneparken gerealiseerd worden met toepassing van de maatwerkmethode die enkel onder begeleiding van een bij de gemeente werkzame deskundige. Het is daarbij niet langer benodigd dat er een provinciale deskundige aansluit. Voorwaarde is dat in het omgevingsplan is onderbouwt waar en binnen welke voorwaarden zonneparken aangrenzend aan stedelijk gebied vergund kunnen worden. Aan de onderbouwing stellen wij in de omgevingsverordening eisen. Enkel wanneer aan deze onderbouwingseisen wordt voldaan kunnen nieuwe parken vergund worden. Daarnaast worden aangescherpte eisen gesteld aan het (erf-)inrichtingsplan voor alle zonneparken in de provincie. De provincie komt met een handreiking dat als hulpmiddel kan worden gebruikt op welke wijze de gestelde kaders in de praktijk toegepast kunnen worden.  

Voormalige slibdepots die als zodanig herkenbaar zijn in het landschap (met uitzondering van natuurgebieden), gesloten stortplaatsen (als bedoeld in artikel 8.47 Wet milieubeheer) die als zodanig herkenbaar zijn in het landschap en in werking zijnde zandwinningsplassen kunnen bij uitstek geschikt zijn voor medegebruik als zonnepark. Aansluitend aan een bouwperceel is een zonnepark enkel geschikt wanneer het vermogen van het park passend is bij het energieverbruik van het betreffende perceel en dit ruimtelijk passend is bij het bouwperceel. 

Artikel 4.114 Zonneparken - voorwaarden

In dit artikel is bepaald in welke gebieden de plaatsing van zonnepanelen is uitgesloten.

Artikel 4.115 Elektriciteit opslaginstallatie bij zonneparken

De productie van zonne-energie is sterk afhankelijk van het weer en valt vaak samen met momenten van lage elektriciteitsvraag. Dit leidt tot piekbelasting op het elektriciteitsnet. Het tijdelijk opslaan van zonnestroom binnen het zonnepark maakt het mogelijk om deze elektriciteit op een later moment aan het net te leveren, waardoor netcongestie wordt verminderd en de opgewekte stroom optimaal benut kan worden.

Om zorgvuldig ruimtegebruik en omgevingsveiligheid te waarborgen, gelden de volgende uitgangspunten:

- Beperkte omvang en situering: het elektriciteit opslagsysteem moet binnen het plangebied van het zonnepark liggen en mag maximaal 1% van het totale oppervlak van de technische installatie beslaan, met een bovengrens van 20.000 m² voor het zonnepark. Hiermee blijft de ruimtelijke impact beperkt.

- Vergunningstermijn: het elektriciteit opslagsysteem mag niet langer in gebruik zijn dan de vergunde looptijd van het zonnepark.

- Landschappelijke en veiligheidsbeoordeling: aan de situering en inrichting van het elektriciteit opslagsysteem ligt een (erf-)inrichtingsplan ten grondslag, opgesteld via de maatwerkmethode. Dit plan wordt beoordeeld door provinciale deskundigen op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur én omgevingsveiligheid. Hierbij wordt gekeken naar landschappelijke inpassing, visuele impact en veiligheidsaspecten conform PGS 37-1.

- Technische randvoorwaarden: de batterij dient achter-de-meter van het zonnepark te worden aangesloten en er moet een positieve transportindicatie zijn voor teruglevering aan het elektriciteitsnet.

Door deze voorwaarden wordt geborgd dat elektriciteit opslagsystemen binnen zonneparken bijdragen aan een robuust energiesysteem, zonder dat dit leidt tot ongewenste ruimtelijke of veiligheidsrisico’s.

Artikel 4.116 Losstaande elektriciteit opslagsystemen

Losstaande elektriciteit opslagsystemen (EOS) zijn een onmisbare schakel in het energiesysteem

van de toekomst. Door de groei van weersafhankelijke energiebronnen zoals zon en wind neemt de noodzaak toe om vraag en aanbod op het elektriciteitsnet te balanceren. EOS maken het mogelijk om lokaal opgewekte energie tijdelijk op te slaan en op een later moment te gebruiken, waardoor netcongestie wordt verminderd en duurzame energie optimaal benut kan worden.

Bij het aanwijzen van locaties voor EOS is zorgvuldig ruimtegebruik essentieel. Deze installaties hebben een aanzienlijke ruimtelijke en visuele impact en brengen veiligheidsrisico’s met zich mee. Daarom is gekozen voor een gedifferentieerde benadering:

- Binnen stedelijk gebied wordt ruimte geboden voor kleinschalige toepassingen, zoals buurtbatterijen en kleinere EOS op bedrijventerreinen. Hiervoor geldt een maximale oppervlakte van 1.000 m², zodat deze installaties passen binnen de stedelijke context en bijdragen aan lokale energiehubs.

- Binnen het gebied grootschalige elektriciteit opslagsystemen is ruimte voor grootschalige EOS. Deze terreinen bieden voldoende fysieke ruimte en liggen vaak nabij hoogspanningsstations van TenneT, waardoor aansluiting op het elektriciteitsnet efficiënt en veilig kan plaatsvinden. Hier kunnen grote systemen worden gerealiseerd die een substantiële bijdrage leveren aan netbalancering en regionale energievoorziening.

Het eerste lid van dit artikel zorgt ervoor dat EOS op locaties worden geplaatst waar zij ruimtelijk zorgvuldig kunnen worden ingepast en waar omgevingsveiligheid kan worden geborgd. Gemeenten krijgen hiermee de mogelijkheid om in hun omgevingsplan invulling te geven aan de energietransitie, met duidelijke kaders voor schaal en locatie.

Elektriciteitsopslag speelt een cruciale rol in de verduurzaming van onze energievoorziening. De toepassing van losstaande elektriciteit opslagsystemen ontwikkelt zich echter zeer snel en brengt specifieke veiligheidsrisico’s met zich mee, zoals brand, explosie en potentieel giftige rook in geval van brand. Om deze risico’s te beheersen is het van belang dat omgevingsveiligheid vanaf de planfase wordt geborgd.

Het omgevingsplan dient daarom volgens het tweede lid van dit artikel inzichtelijk te maken:

- Plaatsgebonden risico: hoe wordt voldaan aan de norm- en standaardwaarden voor plaatsgebonden risico, inclusief een onderbouwing op basis van risicoberekeningen en scenario’s.

- Kwetsbare objecten: op welke wijze rekening is gehouden met de aanwezigheid van (zeer) kwetsbare gebouwen en locaties in de directe omgeving, zoals scholen, zorginstellingen en woongebieden.

- Risicobeperkende maatregelen: welke maatregelen worden getroffen om het risiconiveau te beperken. Dit kan bestaan uit ruimtelijke inpassing (afstand tot bebouwing), bouwkundige eisen (brandcompartimentering, ventilatie, explosieluiken) en organisatorische maatregelen zoals risicocommunicatie en noodprocedures.

- Advies Veiligheidsregio: hoe en wanneer de Veiligheidsregio is betrokken bij de planvorming en op welke wijze het advies is verwerkt in het ontwerp en de onderbouwing.

Deze instructieregel sluit aan bij de uitgangspunten van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS 37-1), waarin eisen zijn opgenomen voor brandveiligheid, explosiebeheersing en rampenbestrijding bij energieopslagsystemen. Door deze aspecten expliciet te verankeren in het omgevingsplan wordt een robuuste basis gelegd voor veilige toepassing van elektriciteitsopslag in de provincie Groningen.

Artikel 4.117 Energietoets

Nieuwe woningbouwinitiatieven zorgen voor een toenemende vraag naar elektriciteit. Deze groei leidt in veel plekken tot knelpunten op het elektriciteitsnetwerk. Het gevolg is dat nieuwe woningen soms niet tijdig kunnen worden aangesloten en de oplevering dus vertraagt. Dit maakt het noodzakelijk om al in een vroeg stadium te onderzoeken met de netbeheerder hoeverre een woningbouwinitiatief het elektriciteitsnetwerk belast en welke maatregelen eventueel nodig zijn om die belasting te beperken. 

Bij grotere woningbouwinitiatieven kan de extra elektriciteitsvraag aanzienlijk zijn. De gekozen energievoorzieningen spelen hier een belangrijke rol. Volledig elektrische concepten, zoals warmtepompen, veroorzaken bijvoorbeeld meer gelijktijdige pieken in het elektriciteitsverbruik, terwijl batterijen of goede isolatie die pieken kunnen dempen. Door vroegtijdig na te denken over opwek, opslag, isolatie en slimme sturing ontstaat ruimte om het elektriciteitsnetwerk minder zwaar te belasten. 

Voor nieuwe omgevingsplannen voor woningbouw is een energietoets noodzakelijk. De energietoets kan uit een aparte energieparagraaf bestaan waarin wordt toegelicht hoe rekening is gehouden met het behoud en de ontwikkeling van een duurzaam elektriciteitsnetwerk. In deze paragraaf zou bijvoorbeeld kunnen worden beschreven welke vermogensvraag het woningbouwinitiatief heeft en welke maatregelen zijn genomen om netcongestie van het elektriciteitsnetwerk te voorkomen. Een energieparagraaf zou kunnen beschrijven welke bouwtechnieken worden toegepast om elektriciteitspieken te beperken en daarmee netcongestie te vermijden. Hierbij zou kunnen worden verwezen naar een verslag van het overleg tussen de netbeheerder, initiatiefnemer en gemeente over de energie-aspecten van het betreffende plan en waarin wordt weergegeven dat de ontwikkeling past binnen de energie-infrastructuur van de netbeheerder en andere relevante ontwikkelingen voor energiebeheer in de leefomgeving. De energieparagraaf helpt daarmee overheden om te beoordelen en te onderbouwen dat de ontwikkeling verantwoord aansluit op het regionale elektriciteitsnetwerk.   

Bij een combinatie van sloop en nieuwbouw van bestaande woningen is deze regel niet aan de orde.

Door het vroeg betrekken van energie-infrastructuur in het ontwerp en de planvorming kan woningbouw sneller, duurzamer en met minder risico op netcongestie worden gerealiseerd. De energietoets maakt die afweging transparant en stimuleert oplossingen die bijdragen aan een toekomstbestendig elektriciteitsinfrastructuur. 

Artikel 4.118 Biomassavergistingsinstallaties, waaronder co-vergistingsinstallaties en monomestvergistingsinstallaties

Dit artikel regelt dat gemeenten in hun omgevingsplan alleen op een bedrijventerrein ruimte kunnen bieden aan biomassavergistingsinstallaties en mestvergistingsinstallaties. Daarbuiten kunnen gemeenten in het omgevingsplan alleen monomestvergistinginstallaties met een maximale capaciteit van 25.000 m3 mest per jaar toelaten op een agrarisch bouwperceel als in het omgevingsplan wordt onderbouwd dat omwonenden van deze installatie geen overlast door geur, geluid of verkeersbewegingen zullen ondervinden. Monomestvergisting op een agrarisch bouwperceel kan ook plaatsvinden in een lokaal kleinschalig samenwerkingsverband met samenwerkende bedrijven binnen een afstand van 20 km. Deze 20 km houdt in: de afstand tussen agrarische bouwpercelen.

Artikel 4.120 Grondwaterbeschermingsgebieden

In deze omgevingsverordening zijn rechtstreeks werkende regels opgenomen over activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden. Om te voorkomen dat er buiten grondwaterbeschermingsgebieden boringen plaatsvinden die zich vervolgens uitstrekken in de ondergrond van een grondwaterbeschermingsgebied is deze instructieregel opgenomen. Dit artikel regelt dat het omgevingsplan geen activiteiten mag toe staan waarbij boringen plaatsvinden, voor zover deze boring zich uitstrekt dieper dan 3 meter onder het maaiveld van het grondwaterbeschermingsgebied.

Artikel 4.121 Profiel van vrije ruimte van primaire waterkeringen

Het profiel van vrije ruimte is een zone die is aangewezen en begrensd voor toekomstige versterkingen van de primaire waterkering. In het stedelijk gebied is deze zone 5 meter breed en in het buitengebied is deze zone 75 meter breed. Onder voorwaarden mogen bouwactiviteiten, die niet ten dienste staan van de waterkering of de daardoor te bieden bescherming tegen overstroming, worden toegelaten middels een omgevingsvergunning. Het gaat dan om activiteiten waar een maatschappelijk belang mee is gemoeid en die niet op een andere locatie plaats kunnen vinden. De activiteit mag daarbij geen afbreuk doen aan de functie van de bestaande en toekomstige waterkering en de versterking van de primaire waterkering mag door de ingreep niet onomkeerbaar worden belemmerd. Ten slotte moet hierover advies worden ingewonnen bij de beheerder van de primaire waterkering. Het dient te gaan om activiteiten waarvan gemotiveerd is aangetoond dat ze vanuit de evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar zijn. Hierbij kan gedacht worden aan het oprichten van voorzieningen op het gebied van duurzame energie en toeristisch-recreatieve voorzieningen binnen het profiel van vrije ruimte.

Artikel 4.122 Bergingsgebieden

Dit artikel regelt dat er binnen bergingsgebieden hoogwaterbestendig gebouwd moet worden, zodat er bij gebruik van het bergingsgebied mogelijke schade aan bebouwing en infrastructuur beperkt blijft. Bij hoogwaterbestendig bouwen valt te denken aan bouwen boven het waterpeil, waterkerende of drijvende constructies of schade beperkende maatregelen.

Artikel 4.123 Overstromingsgevoelige en laaggelegen gebieden

Dit artikel regelt dat binnen overstromingsgevoelige en laaggelegen gebieden gemeenten alleen kunnen voorzien in een stedelijke ontwikkeling als de motivering bij het omgevingsplan een onderbouwing bevat van de wijze waarop rekening is gehouden met de risico’s van klimaatverandering. Hieronder vallen in ieder geval de te verwachten gevolgen van wateroverlast door overvloedige neerslag, overstromingen en droogte. Uit het tweede lid blijkt dat gemeenten de opvattingen van het waterschap moeten betrekking bij de duiding van de risico’s. In het derde lid is opgenomen dat in het geval van risico’s in de onderbouwing moet worden opgenomen op welke wijze er rekening is gehouden met het zo veel mogelijk voorkomen en beperken van deze risico’s.

Artikel 4.124 Natuurnetwerk Nederland

Dit artikel specificeert welke bij omgevingsverordening aangewezen werkingsgebieden behoren tot het Natuurnetwerk Nederland, zoals bedoeld in paragraaf 7.3.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het Natuurnetwerk Nederland is wat voorheen de Ecologische Hoofdstructuur werd genoemd. Provinciale Staten maakt binnen het Groningse deel van het Natuurnetwerk Nederland onderscheid tussen de 'Natuurgebieden' en de 'Beheergebieden' bij het stellen van de instructieregels voor deze gronden.



Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, dat is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van instandhouding van soorten dieren en planten, van typen natuurlijke habitats en van leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen. Het gaat daarbij onder meer om soorten, habitattypen en leefgebieden die vallen onder de reikwijdte van de vogelrichtlijn of de habitatrichtlijn, om met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten die zijn geplaatst op de nationale rode lijsten, en soorten die zijn opgenomen in de Lijst Groninger Soorten.

Artikel 4.125 Natuurnetwerk Nederland - natuurgebieden

De grondslag van dit artikel is artikel 7.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat artikel bepaalt dat de omgevingsverordening regels stelt in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang van en tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. De Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden vormen de natuurkernen binnen het netwerk. Hier bestaat het doel uit het herstellen en versterken van de bestaande natuurgebieden en het inrichten van nieuwe natuurgebieden. Voor de Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden geldt dat de regels zowel de actuele als potentiële wezenlijke kenmerken en waarden dienen te beschermen.



De wezenlijke kenmerken of waarden zijn door Provinciale Staten in bijlage 11 beschreven en vastgesteld voor de geometrisch begrensde gebieden van het Natuurnetwerk Nederland. De wezenlijke kenmerken en waarden, waartoe ook potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities kunnen behoren, worden verder in bijlage 11 toegelicht.



De regels verplichten gemeenten om in het omgevingsplan aansluiting te zoeken bij de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland, door bestaande natuurgebieden te beschermen en het ontwikkelen van nieuw aan te leggen natuurgebieden mogelijk te maken. Het wordt van gemeenten verwacht dat in omgevingsplannen die betrekking hebben op deze gronden, bij het toedelen van functies en regels en in de toelichting hierop, aan te sluiten bij deze doelstelling. Dit betekent dat het basisuitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen van andere aard gelijk is aan het op het niveau van het Rijk bepaalde ‘nee, tenzij’-principe. Het verbod, de ‘nee’, wordt in het eerste lid van het artikel verordend. De uitzonderingen, het ‘tenzij’, en de bijbehorende voorwaarden en voorschriften komen terug in het tweede en derde lid. De volgorde van de leden van dit artikel is overeenkomstig met de volgorde waarin een ruimtelijke ontwikkeling dient te worden beoordeeld. De gevallen waarop het verbod in het algemeen niet van toepassing is worden in het vierde lid uiteengezet. Het gaat daarbij om activiteiten die betrekking hebben op de normale agrarische bedrijfsvoering, wanneer dit aansluit bij de agrarische hoofdfunctie van de gronden. Verder wordt ook het bestaand gebruik uitgezonderd van het verbod, zoals bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.126 Natuurnetwerk Nederland - beheergebieden

De grondslag van dit artikel is artikel 7.9 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dat artikel bepaalt dat de omgevingsverordening regels stelt in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland. De regels verzekeren in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland niet achteruitgaan, dat de samenhang van en tussen de gebieden van het natuurnetwerk wordt behouden en dat, als binnen het natuurnetwerk activiteiten worden toegelaten die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken of waarden van het natuurnetwerk, deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. De Natuurnetwerk Nederland – beheergebieden bestaat uit landbouwgronden met natuurwaarden en met een belangrijke functie voor de aangrenzende Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden. De doelstelling richt zich op het behoud, versterken en herstellen van de ecologische waarden van het landelijk gebied, en het voorkomen van negatieve effecten op de omliggende Natuurnetwerk Nederland – natuurgebieden. Voor de Natuurnetwerk Nederland – beheergebieden geldt dat de regels de actuele wezenlijke kenmerken en waarden dienen te beschermen.



De wezenlijke kenmerken of waarden zijn door Provinciale Staten in bijlage 11 beschreven en vastgesteld voor de geometrisch begrensde gebieden van het Natuurnetwerk Nederland. De wezenlijke kenmerken en waarden, waartoe ook potentiële natuurwaarden en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities kunnen behoren, worden verder in bijlage 11 toegelicht.



De regels verplichten gemeenten om in het omgevingsplan aansluiting te zoeken bij de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland, door bestaande natuurgebieden te beschermen en het ontwikkelen van nieuw aan te leggen natuurgebieden mogelijk te maken. Het wordt van gemeenten verwacht dat in omgevingsplannen die betrekking hebben op deze gronden, bij het toedelen van functies en regels en in de toelichting hierop, aan te sluiten bij deze doelstelling. Dit betekent dat het basisuitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen van andere aard gelijk is aan het op het niveau van het Rijk bepaalde ‘nee, tenzij’-principe. Het verbod, de ‘nee’, wordt in het eerste lid van het artikel verordend. De uitzonderingen, het ‘tenzij’, en de bijbehorende voorwaarden en voorschriften komen terug in het tweede en derde lid. De volgorde van de leden van dit artikel is overeenkomstig met de volgorde waarin een ruimtelijke ontwikkeling dient te worden beoordeeld. De gevallen waarop het verbod in het algemeen niet van toepassing is worden in het vierde lid uiteengezet. Het gaat daarbij om activiteiten die betrekking hebben op de normale agrarische bedrijfsvoering, wanneer dit aansluit bij de agrarische hoofdfunctie van de gronden. Verder wordt ook het bestaand gebruik uitgezonderd van het verbod, zoals bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4.127 Bos- en natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland

In dit artikel worden, overeenkomstig artikel 2.44, vijfde lid, van de wet, gebieden – anders dan Natura-2000-gebieden of gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland – aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het betreft Bos- en Natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland.



Deze instructieregel vloeit voort uit het bovenregionale belang van de bescherming van deze gebieden. Dit beschermingsregime heeft als doel om de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden op de aangewezen gronden te behouden. Ondanks dat de Bos- en Natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland geen onderdeel zijn van het Natuurnetwerk Nederland, worden in essentie dezelfde instructieregels gesteld als voor het Natuurnetwerk Nederland. Dit omdat de waarden en kenmerken van de Bos- en Natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland weliswaar ook landschappelijk of cultuurhistorisch van aard kunnen zijn, maar daarmee niet onderdoen voor het belang hiervan. Als bijkomend voordeel blijven hierdoor de instructies voor de verschillende beschermde gebieden gelijk, wat ten goede komt aan de regeldruk en uitlegbaarheid. Omdat de Bos- en Natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland een reeds bestaande situatie betreffen, geldt dat de regels de actuele kenmerken en waarden dienen te beschermen.



De regels verplichten gemeenten om in het omgevingsplan aansluiting te zoeken bij de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de Bos- en Natuurgebieden buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het wordt van gemeenten verwacht dat in omgevingsplannen die betrekking hebben op deze gronden, bij het toedelen van functies en regels en in de toelichting hierop, aan te sluiten bij deze doelstelling. Dit betekent dat het basisuitgangspunt voor ruimtelijke ontwikkelingen van andere aard gelijk is aan het voor het Natuurnetwerk Nederland geldende ‘nee, tenzij’-principe. Het verbod, de ‘nee’, wordt in het eerste lid van het artikel verordend. De uitzonderingen, het ‘tenzij’, en de bijbehorende voorwaarden en voorschriften komen terug in het tweede en derde lid. De volgorde van de leden van dit artikel is overeenkomstig met de volgorde waarin een ruimtelijke ontwikkeling dient te worden beoordeeld. De gevallen waarop het verbod in het algemeen niet van toepassing is worden in het vierde lid uiteengezet. Het gaat daarbij om bestaand gebruik.

Hierbij geldt dat met betrekking tot nieuw te ontwikkelen bos- en of natuurgebieden buiten NNN geen regels worden gesteld die, ten opzichte van de actuele situatie, tot beperking van de voorzetting van activiteiten of van ontwikkelmogelijkheden van omliggende (agrarische)bedrijven leiden en daarmee economische ontwikkeling schaden.

Artikel 4.128 Zoekgebied robuuste verbindingszone

In de omgevingsverordening moeten volgens artikel 2.44, vierde lid, van de wet gebieden worden aangewezen die behoren tot het Natuurnetwerk Nederland. Het gaat in deze bepaling om de aanwijzing en begrenzing van de Zoekgebieden robuuste verbindingszone in het kader van het Natuurnetwerk Nederland. Deze bepaling heeft als doel om enkel ruimtelijke ontwikkelingen op deze gronden toe te staan waarmee de realisatie van een nog vast te stellen robuuste ecologische verbindingszone niet onomkeerbaar onmogelijk wordt gemaakt.



Onderdeel van de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland is het onderling verbinden van grotere natuurkernen, ten behoeve van de ecologische uitwisseling. Hierbij liggen de te verbinden gebieden vast, maar is hiertussen een groter zoekgebied aangewezen dan voor de realisatie van een robuuste verbinding noodzakelijk is. In het kader hiervan is voor Zoekgebieden robuuste verbindingszone een beschermingsregime opgesteld, ter voorbereiding op de definitieve aanwijzing, geometrische begrenzing en inrichting van deze gebieden binnen het Natuurnetwerk Nederland. Het zoekgebied zal ten tijde van de vastlegging van de exacte ligging en omvang van deze verbindingszone worden opgenomen in het Natuurnetwerk Nederland.

Artikel 4.129 Leefgebieden weidevogels

Dit artikel stelt een instructieregel ten behoeve van de bescherming en instandhouding van het biotoop – leefgebied – van weidevogels die van nature in Nederland in het wild voorkomen, ter naleving van internationale verplichtingen.



Het provinciebestuur heeft overeenkomstig artikel 2.44, vijfde lid, van de wet gebieden – anders dan Natura-2000-gebieden of gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland – aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het gaat in deze bepaling om Leefgebieden weidevogels. Deze instructieregel geeft uitvoering aan de taak die de wetgever aan het provinciebestuur heeft gegeven, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel g, onder 1° , te weten: het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen.



De begrenzing van het Leefgebieden weidevogels vormt veelal een zone rondom zwaarder beschermde natuurgebieden, of omsluit (ruim) een gebied waarvan bekend is dat hier weidevogelpopulaties zitten. Anders dan bij andere beschermde natuurgebieden, worden dorpen, wegen, spoorlijnen, etc. hier niet uitgesneden.



De formulering van de instructieregel sluit aan op deze ruime begrenzing van het werkingsgebied, en vormt daarom voor bestaande situaties ook geen ‘beperking’. Het betreft het stellen van regels in het omgevingsplan om schade aan de “actuele waarde van het gebied voor weidevogels” te voorkomen. Op gronden waar deze actuele waarden niet aanwezig zijn, of reeds verstoord worden, wordt de instructie daarmee beperkt tot het stellen van regels ter voorkoming van ontwikkelingen die een aanvullend uitstralend effect hebben op omliggende aanwezige weidevogel-waarden. Bij nieuwe ontwikkelingen op andere gronden gaat het naast de uitstralende effecten om de directe aantasting van areaal en/of actuele waarden. Er dient zorgvuldig onderzocht en afgewogen te worden wat een ontwikkeling betekent voor de aantasting van weidevogels en hun leefgebied, en of de noodzaak en locatie van de ontwikkeling hier tegenop wegen. Bij uitbreiding van stedelijk gebied moet daarnaast voorkomen worden dat door relatief klein areaalverlies, het totale leefgebied steeds kleiner wordt (de kaasschaaf) en de verstorende werking tot steeds dieper in de kern van het leefgebied doordringt.

Artikel 4.130 Leefgebieden akkervogels

Dit artikel stelt een instructieregel ten behoeve van de bescherming en instandhouding van het biotoop – leefgebied – van akkervogels die van nature in Nederland in het wild voorkomen, ter naleving van internationale verplichtingen.



Het provinciebestuur heeft overeenkomstig artikel 2.44, vijfde lid, van de wet gebieden – anders dan Natura-2000-gebieden of gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland – aangewezen als bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het gaat in deze bepaling om Leefgebieden akkervogels. Deze instructieregel geeft uitvoering aan de taak die de wetgever aan het provinciebestuur heeft gegeven, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid, onderdeel g, onder 1°, te weten: het behoud of herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, van hun biotopen en habitats, en van in Nederland voorkomende typen natuurlijke habitats, in overeenstemming met de internationaalrechtelijke verplichtingen.



De begrenzing van het Leefgebieden akkervogels vormt veelal een zone rondom zwaarder beschermde natuurgebieden, of omsluit (ruim) een gebied waarvan bekend is dat hier akkervogelpopulaties zitten. Anders dan bij andere beschermde natuurgebieden, worden dorpen, wegen, spoorlijnen, etc. hier niet uitgesneden.



De formulering van de instructieregel sluit aan op deze ruime begrenzing van het werkingsgebied, en vormt daarom voor bestaande situaties ook geen ‘beperking’. Het betreft het stellen van regels in het omgevingsplan om schade aan de “actuele waarde van het gebied voor akkervogels” te voorkomen. Op gronden waar deze actuele waarden niet aanwezig zijn, of reeds verstoord worden, wordt de instructie daarmee beperkt tot het stellen van regels ter voorkoming van ontwikkelingen die een aanvullend uitstralend effect hebben op omliggende aanwezige akkervogel-waarden. Bij nieuwe ontwikkelingen op andere gronden gaat het naast de uitstralende effecten om de directe aantasting van areaal en/of actuele waarden. Er dient zorgvuldig onderzocht en afgewogen te worden wat een ontwikkeling betekent voor de aantasting van akkervogels en hun leefgebied, en of de noodzaak en locatie van de ontwikkeling hier tegenop wegen. Bij uitbreiding van stedelijk gebied moet daarnaast voorkomen worden dat door relatief klein areaalverlies, het totale leefgebied steeds kleiner wordt (de kaasschaaf) en de verstorende werking tot steeds dieper in de kern van het leefgebied doordringt.

Artikel 4.131 Natuurbegraven

Het ter aarde bestellen van menselijke stoffelijke overschotten is op zich geen aan het buitengebied gebonden functie en behoort in beginsel dan ook binnen het bestaand stedelijk gebied plaats te vinden. In beginsel, want voor natuurbegraven kan een uitzondering worden gemaakt, als het realiseren van een natuurbegraafplaats een wezenlijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van natuur- en/of landschapswaarden. Daarvoor is het in ieder geval nodig dat het natuurbegraven ondergeschikt is en blijft aan de toe te kennen natuurfunctie. Het gaat hierbij nadrukkelijk om gronden buiten de bestaande en/of ingerichte natuurgebieden, en gronden waar de natuur- en/of landschapswaarden beperkt zijn. Omdat een natuurbegraafplaats langdurige – en soms eeuwigdurende – gevolgen heeft voor de gebruiksmogelijkheden van de gronden, dienen gemeenten hier bij de locatiekeuze rekening mee te houden. Dat geldt ook voor de ligging van de gronden ten opzichte van het grondwater, waar de Wet- en het Besluit op de Lijkbezorging eisen aan stellen. Naarmate bossen en bosschages ouder zijn, herstelt de bodem zich minder goed van roering van de grond. De bodems van bossen en bosschages van vóór 1850 zijn dermate kwetsbaar, dat deze op voorhand worden uitgesloten van het realiseren van natuurgraven.



De aanleg en uitvoering van het inrichtings- en beheerplan dient publiekrechtelijk te worden geborgd. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan gebruiksregels waarin een voorwaardelijke verplichting is opgenomen.



Artikel 4.132 Asverstrooiing

Met asverstrooiing wordt enkel het uitstrooien van crematie-as bedoeld. Enkele andere vorm van het ter aarde bestellen van stoffelijke overschotten op gronden in het buitengebied moet worden bezien in het kader van Natuurbegraven.

Artikel 4.135 Oprichten werken en plaatsen voorwerpen

Met dit artikel wordt voorkomen dat binnen een beperkingengebied provinciale wegen werken worden opgericht of voorwerpen worden geplaatst die de staat of werking van de provinciale weg negatief beïnvloeden. De begrippen werken en voorwerpen zijn bewust ruim geformuleerd en omvatten zowel constructies en voorzieningen als andere fysieke objecten; daarmee is de bepaling ook toepasbaar op nieuwe of niet voorziene situaties. Van een negatieve beïnvloeding kan sprake zijn wanneer de verkeersveiligheid, de doorstroming van het verkeer, de staat van de weg of het beheer en onderhoud daarvan worden belemmerd.

Artikel 4.136 Aanleggen openbare wegen en kunstwerken

Een omgevingsplan mag geen nieuwe wegen of kunstwerken zowel binnen als buiten de bebouwde kom mogelijk maken als deze de werking of kwaliteit van provinciale wegen schaden. Hiermee beschermt de provincie de verkeersveiligheid, doorstroming en het beheer van haar wegennet.

Artikel 4.137 Oprichten werken en plaatsen voorwerpen

Met dit artikel wordt voorkomen dat binnen een beperkingengebied provinciale vaarwegen werken worden opgericht of voorwerpen worden geplaatst die de staat of werking van de provinciale vaarweg negatief beïnvloeden. De begrippen werken en voorwerpen zijn bewust ruim geformuleerd en omvatten zowel constructies en voorzieningen als andere fysieke objecten; daarmee is de bepaling ook toepasbaar op nieuwe of niet voorziene situaties. Van een negatieve beïnvloeding kan sprake zijn wanneer de veilige en vlotte doorvaart, de staat van de vaarweg of het beheer en onderhoud daarvan worden belemmerd.

Artikel 4.138 Toervaartnet

Dit artikel beschermt de bevaarbaarheid van het provinciale toervaartnet voor de recreatievaart. Het artikel bepaalt dat omgevingsplannen rekening moeten houden met de maatgevende afmetingen van vaartuigen die horen bij de voor een vaarweg vastgestelde classificatie. Daarbij gaat het om de lengte, breedte, diepgang en mastopbouwhoogte van schepen.

Het doel van dit artikel is om de vrije doorvaart op het provinciale toervaartnet te waarborgen en te voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen leiden tot beperkingen voor de recreatievaart. Hiermee blijft de samenhang en bruikbaarheid van het vaarwegennet voor recreatieve gebruikers behouden. Het toervaartnet is van belang voor de bereikbaarheid van recreatieve vaarbestemmingen en draagt bij aan de kwaliteit en economische betekenis van de waterrecreatie in Groningen.

De provincie Groningen sluit voor de classificatie van recreatieve vaarwegen aan bij de Basisvisie Recreatietoervaart Nederland (BRTN). De BRTN vormt het landelijk beleidskader voor een samenhangend en toekomstbestendig netwerk van recreatieve vaarwegen. De in bijlage 12 opgenomen maatgevende afmetingen zijn gebaseerd op de classificatiesystematiek van de BRTN. De klasse-indeling van de vaarwegen in Groningen is opgenomen in bijlage 13.

Een omgevingsplan moet gewaarborgen dat de vaarweg geschikt blijft voor de schepen die passen binnen de voor die vaarweg vastgestelde klasse. Onder vrije doorvaart wordt verstaan dat vaarwegen, bruggen, sluizen en andere kunstwerken geen belemmering vormen voor de maatgevende schepen die gebruikmaken van de betreffende vaarwegklasse.

Het artikel ziet daarmee zowel op de vaarweg zelf als op ruimtelijke ontwikkelingen die gevolgen kunnen hebben voor de toegankelijkheid, continuïteit en bruikbaarheid van het provinciale toervaartnet.

Artikel 4.139 Gereserveerd tracé spoorverbinding

Met dit artikel wordt de mogelijkheid om een spoorverbinding aan te leggen binnen het in bijlage 2 aangewezen gereserveerd tracé spoorverbinding beschermd tegen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van de gemeente.

Artikel 4.140 Zoekgebied spoorverbinding

Met dit artikel wordt de mogelijkheid om een spoorverbinding aan te leggen binnen het in bijlage 2 aangewezen zoekgebied spoorverbinding beschermd tegen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van de gemeente.

Artikel 4.141 Gereserveerd tracé wegverbinding

Met dit artikel wordt de mogelijkheid om een wegverbinding aan te leggen binnen het in bijlage 2 aangewezen gereserveerd tracé wegverbinding beschermd tegen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen van de gemeente.

Artikel 4.142 Vestiging en uitbreiding van afvalbedrijven

Met enige regelmaat doen zich bij afvalverwerkende bedrijven calamiteiten voor - zoals brand van in de buitenlucht opgeslagen afvalstoffen - met de nodige milieuschade tot gevolg. Om dit te voorkomen helpt het om vooraf regels te stellen over de opslag van afvalstoffen buiten gebouwen of de locatie waar afvalstoffen kunnen worden opgeslagen, de maximaal toegestane hoogte en afstanden tot naastgelegen percelen of objecten.

Artikel 4.143 Inhoud waterbeheerprogramma

Het algemeen bestuur van het waterschap heeft op grond van artikel 3.7 van de wet de taak om voor de watersystemen die bij het waterschap in beheer zijn een waterbeheerprogramma vast te stellen. Het waterbeheerprogramma houdt rekening met het regionale waterprogramma voor die watersystemen, voor zover het gaat om de onderdelen die uitvoering geven aan de grondwaterrichtlijn, de kaderrichtlijn water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de zwemwaterrichtlijn en andere Europese richtlijnen.

Om een goede afstemming en inbedding van het waterbeleid van het waterschap met de hoofdlijnen van het provinciale waterbeleid tot stand te brengen, zijn in dit artikel elementen opgenomen die in het waterbeheerprogramma beschreven moeten worden.

Artikel 4.144 Inhoud legger

In dit artikel is opgenomen wat in de legger, naast het bepaalde in het eerste lid van artikel 2.39 van de wet, opgenomen dient te worden.

Artikel 4.145 Aanwijzing verplichte peilbesluiten

In dit artikel is opgenomen voor welke oppervlaktewaterlichamen het waterschapsbestuur een verplicht peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de wet dient vast te stellen.

Artikel 4.146 Inhoud peilbesluit

In dit artikel is opgenomen wat een peilbesluit als bedoeld in artikel 2.41 van de wet, naast in het derde lid van dat artikel, moet bevatten.

Artikel 5.1 Aanwijzing provinciale wegen waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld.

Provinciale staten moeten ingevolge artikel 2.13a Omgevingswet de wegen waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld aanwijzen bij omgevingsverordening. De wegen waarvoor de geluidproductieplafonds worden vastgesteld zijn aangeduid in bijlage 4. Ingevolge artikel 7.10a Besluit kwaliteit leefomgeving moeten ten minste wegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal gemiddeld over een kalenderjaar worden aangewezen. Wij hebben ervoor gekozen alle wegen aan te wijzen. De geluidproductieplafonds worden na vaststelling openbaar gemaakt op www.geluidgegevens.nl.

Artikel 5.2 Taken locatiebeheerder zwemlocaties

In afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden verschillende taken met betrekking tot de kwaliteit en het beheer van zwemlocaties toebedeeld aan gedeputeerde staten en de beheerder van het oppervlaktewaterlichaam. In aanvulling hierop wordt in dit artikel geregeld dat de locatiebeheerders van zwemlocaties ook bepaalde taken en verantwoordelijkheden hebben ten aanzien van de kwaliteit en het beheer van zwemlocaties. De in dit artikel opgenomen taken en verantwoordelijkheden sluiten aan op de voor inwerkingtreding van het Besluit kwaliteit leefomgeving bestaande praktijk en de samenwerking tussen de provincie, waterschappen, gemeenten en/of andere betrokken partijen met betrekking tot de kwaliteit en het beheer van zwemlocaties.

Artikel 5.3 Maatgevende hoogwaterstanden

Op grond van dit artikel dient gedeputeerde staten iedere zes jaar de maatgevende hoogwaterstanden vast te stellen. Voor de veiligheid van de gebieden die door regionale waterkeringen worden beschermd geldt als omgevingswaarde de gemiddelde overschrijdingskans per jaar van de maatgevende hoogwaterstanden.

Artikel 5.4 Aanduiding waterwingebied en grondwaterbeschermingszone

In de omgevingsverordening zijn gebieden aangewezen waarvoor regels zijn gesteld ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden, in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water. Het is van belang dat deze gebieden worden aangeduid middels bebording. In dit artikel wordt de taak hiervoor neergelegd bij gedeputeerde staten. De verplichting tot het plaatsen van borden is beperkt tot de waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones.

Artikel 5.5 Gegevens grondwaterregister

De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de Omgevingswet, maar er wordt naar verwezen in artikel 13.4b, eerste lid, onder c, van de Omgevingswet. Hieruit blijkt dat de provincie een register moet bijhouden met gegevens over het onttrekken van grondwater en het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater. Middels dit artikel wordt deze taak neergelegd bij gedeputeerde staten.

Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwateronttrekkingsheffing. Deze grondwateronttrekkingsheffing kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden verkregen. Dit artikel geeft hier invulling aan door te bepalen dat de gegevens die door gedeputeerde staten en het waterschapsbestuur worden verkregen door gedeputeerde staten in het register moeten worden opgenomen.

Artikel 5.6 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregister

Het grondwaterregister is gekoppeld aan de grondwateronttrekkingsheffing. Deze grondwateronttrekkingsheffing kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Gelet hierop is het noodzakelijk om wateronttrekkingsactiviteiten die niet zijn opgegeven in het grondwaterregister, ambtshalve op te nemen in het register.

Artikel 5.7 Verslaglegging

In artikel 2.17 van de wet is opgenomen welke taken berusten bij het waterschapsbestuur. Daarnaast zijn in deze verordening ook verschillende taken toebedeeld aan het waterschapsbestuur. Het waterschapsbestuur moet op grond van dit artikel jaarlijks verslag uitbrengen aan gedeputeerde staten over de stand en de voortgang van zijn taken. Daarnaast is in het tweede lid opgenomen dat gedeputeerde staten nadere eisen kunnen stellen aan de verslaglegging.

Artikel 5.8 Gegevens wateronttrekkingsactiviteiten

De provincie houdt een grondwaterregister bij met gegevens over het onttrekken van grondwater en het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, ten behoeve van de grondwateronttrekkingsheffing.

Deze grondwateronttrekkingsheffing kan van toepassing zijn op onttrekkingen die onder het bevoegd gezag van provincie en waterschap vallen. Dit brengt met zich mee dat het grondwaterregister moet worden gevuld met gegevens die door de provincie en het waterschap afzonderlijk worden verkregen. Dit artikel geeft hier invulling aan door te bepalen dat de gegevens die door het waterschapsbestuur worden verkregen verstrekt moeten worden aan gedeputeerde staten.

Artikel 5.9 Onttrekking van grondwater voor menselijke consumptie

Uit artikel 7 van de Kaderrichtlijn water volgt dat er inzicht nodig is in de onttrekkingen van voor menselijke consumptie bestemd water waarbij dagelijks meer dan 10 m3 water wordt onttrokken of water wordt onttrokken ten behoeve van meer dan 50 personen. Op basis van dit inzicht kunnen maatregelen genomen voor de bescherming van het grondwater wanneer dit nodig blijkt. In dit artikel is opgenomen dat de waterschappen moeten regelen dat de locaties en debieten van onttrekkingen van grondwater voor menselijke consumptie geregistreerd worden. Daarnaast moeten zij ook regelen dat eenieder die grondwater voor menselijke consumptie onttrekt in bepaalde gevallen metingen en (risico)analyses moet uitvoeren. Het artikel regelt ook dat het dagelijks bestuur van het waterschap de gegevens, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, uiterlijk binnen 3 maanden nadat ze zijn verkregen aan gedeputeerde staten moet verstrekken.

Artikel 5.10 Rangorde bij waterschaarste regionale wateren

Op grond van artikel 7.13, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving kunnen bij omgevingsverordening nadere regels gesteld worden over de rangorde, bedoeld in artikel 3.14, vierde en vijfde lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In dit artikel is van deze mogelijkheid gebruik gemaakt met betrekking tot het beschikbare water vanuit het IJsselmeer. Dit kunnen rechtstreekse onttrekkingen uit het IJsselmeer zijn, maar ook onttrekkingen uit watersystemen die gevoed worden vanuit het IJsselmeer. Dit betreft het gehele gebied van de provincie. Deze verdringingsreeks is afgestemd met de partijen die betrokken zijn bij de Bestuursovereenkomst Waterverdeling regio IJsselmeergebied.

Eerste lid, onder a (gebruik van industrieel proceswater)

Proceswater is in de Aquo-standaard (Informatiehuis Water) door de waterbeheerders gedefinieerd als water dat gebruikt wordt bij iedere vorm van fabrieksproces en in direct contact komt met grondstoffen, hulpstoffen, halffabricaten en eindproducten. Het betreft hier proceswater voor kleinschalig hoogwaardig gebruik.

Eerste lid, onder b (tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen)

Het betreft hier gewassen waarbij een totale mislukking van de oogst dreigt als gevolg van het watertekort, terwijl met een relatief kleine hoeveelheid water een schade van een dergelijke omvang kan worden voorkomen. Plaatsing in deze categorie geldt ook wanneer met relatief kleine hoeveelheden water relatief grote sociaaleconomische gevolgen als faillissementen te voorkomen zijn. In de Bestuursovereenkomst Waterverdeling regio IJsselmeergebied is afgesproken dat voor de tijdelijke beregening van kapitaalintensieve gewassen een reservering is opgenomen om economische en maatschappelijke schade te kunnen verminderen. Elke waterbeheerder mag deze reservering inzetten onder de volgende voorwaarden:

De reservering mag 30% van de watervraag beslaan voor het doorspoelen en onttrekken voor beregening van akkerbouw, als bedoeld in het tweede lid, onder b.

De waterbeheerder moet handelen conform de toelichting zoals opgenomen in de toelichting op het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit is ook van belang om verantwoording naar ingelanden af te kunnen leggen.

Tweede lid, onder a (peilhandhaving)

Deze subcategorie is bedoeld voor peilhandhaving in klei- en zandsloten, voor zover deze niet al valt onder categorie 1. Ook de doorspoeling van niet kwetsbare natuurgebieden valt onder deze categorie. Dit zijn natuurgebieden die zijn aangemerkt als NNN (Natuurnetwerk Nederland) en niet onder de definitie vallen, als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Tweede lid, onder b (doorspoelen en onttrekken voor beregening van akkerbouw)

Grootschalig (al dan niet hoogwaardig) watergebruik in de landbouw is onderdeel van het doorspoelen en onttrekken voor beregening van akkerbouw. Indien de benodigde onttrekkingen niet om geringe hoeveelheden water gaan ten opzichte van de beschikbare waterhoeveelheid in het watersysteem of waterlichaam, valt deze watervraag in principe onder de categorie het tweede lid van dit artikel, omdat het dan grootschalig (al dan niet hoogwaardig) gebruik betreft. Ook structurele onttrekkingen voor beregening vallen in deze categorie. Onder deze subcategorie valt ook het doorspoelen om verzilting en verontreiniging tegen te gaan. In deze subcategorie kan een onderverdeling worden aangemaakt om een onderscheid te maken tussen akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens.

Tweede lid, onder c (beregening van gras en maïs)

Voor de beregening van gras en maïs is gekozen vanwege de lagere rentabiliteit van graslandberegening t.o.v. akkerbouw.

Tweede lid, onder d (doorspoelen)

Deze subcategorie is bedoeld voor doorspoeling voor diverse doeleinden. Het gaat hier met name om verziltingsbestrijding. Daarnaast betreft het doorspoelen ten behoeve van de waterkwaliteit (bestrijding algen en botulisme).

Tweede lid, onder e (overige belangen)

Naast de eerder genoemde belangen kunnen er ook overige belangen spelen die maatschappelijk economisch moeten worden afgewogen bij (dreigend) watertekort. Een ander voorbeeld is het behoud van cultureel erfgoed. Hierbij gaat het om (archeologische) monumenten, verdedigingswerken, werelderfgoed en bepaalde landgoederen, tuinen en parken. Onder deze subcategorie vallen ook nutsvoorzieningen, visintrek, industrie en scheepvaart, meer specifiek:

  • Afvoer van zoetwater op de Wadden- en Noordzee ten behoeve van visintrek.

  • Energiecentrale Noardburgum (de energiecentrale is niet gekoppeld aan de leveringszekerheid voor energie).

  • Scheepvaart: verminderen schutbewegingen van de beroepsvaart op buitenwater (Wadden- en Noordzee).

  • Scheepvaart: verminderen schutbewegingen van de recreatievaart op buitenwater (Wadden- en Noordzee).

Industrie: Binnen de regio IJsselmeergebied moet de positie van de industrie in de verdringingsreeks nog nader worden bepaald. De beschikbare waterprofielen van relatief grote waterverbruikers van oppervlaktewater bieden hiervoor belangrijke handvatten. Totdat hierover nadere afspraken zijn vastgelegd, bepalen de waterschappen en de provincie, in overleg met betrokken partners, de positie van individuele bedrijven in de verdringingsreeks zodra deze in werking treedt. De provincie neemt hierbij een coördinerende rol op zich.

Artikel 5.11 Faunabeheereenheid

In hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit zijn regels gesteld over faunabeheereenheden. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de wet worden er bij omgevingsverordening nadere regels gesteld over faunabeheereenheden.



Faunabeheereenheden vervullen in het huidige faunabeleid een essentiële rol, omdat zij zorgen voor een maatschappelijke en gebiedsgerichte inbedding van het faunabeheer.

Artikel 5.12 Werkgebied en erkenningsvoorwaarden faunabeheereenheid

In hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit zijn regels gesteld over faunabeheereenheden. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de wet worden er bij omgevingsverordening nadere regels gesteld over faunabeheereenheden.



Omdat het onwenselijk wordt geacht dat er meerdere faunabeheereenheden zijn, is bepaald dat er voor het gehele grondgebied van de provincie slechts één faunabeheereenheid is.

Artikel 5.13 Vertegenwoordigde partijen

In hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit zijn regels gesteld over faunabeheereenheden. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de wet worden er bij omgevingsverordening nadere regels gesteld over faunabeheereenheden. In het bestuur van de faunabeheereenheid zijn de maatschappelijke geledingen vertegenwoordigd die belang hebben bij de uitvoering van het faunabeleid, zoals jagers, de landbouwsector en de organisaties die natuurterreinen beheren.

Artikel 5.14 Voorzitter faunabeheereenheid

In hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit zijn regels gesteld over faunabeheereenheden. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de wet worden er bij omgevingsverordening nadere regels gesteld over faunabeheereenheden.

Het is wenselijk dat de voorzitter van de faunabeheereenheid onafhankelijk is en niet aangesloten is bij één van de vertegenwoordigende partijen om dubbele vertegenwoordiging te voorkomen.

Artikel 5.15 Doelstellingen faunabeheerplan

In hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit zijn regels gesteld over faunabeheerplannen. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de wet worden er bij omgevingsverordening nadere regels gesteld over faunabeheerplannen.

Het faunabeheerplan voorziet in een samenhangende aanpak van populatiebeheer door faunabeheereenheden, schadebestrijding door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht op de door de minister aangewezen wildsoorten.

Artikel 5.16 Reikwijdte faunabeheerplan

In hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit zijn regels gesteld over faunabeheerplannen. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de wet worden er bij omgevingsverordening nadere regels gesteld over faunabeheerplannen.

Een maximale geldigheidsduur van faunabeheerplannen zorgt voor balans tussen enerzijds de continuïteit in de uitvoering van faunabeheer en anderzijds het periodiek opnieuw beschouwen en beoordelen van nut, noodzaak en vorm van faunabeheer. Ongeacht de maximale geldigheidsduur, blijft het natuurlijk mogelijk om sneller het faunabeheerplan bij te stellen of te herzien als de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Dit kan zowel op eigen initiatief van het bestuur van de faunabeheereenheid, of op initiatief van gedeputeerde staten die daar in voorkomend geval over in overleg treden met het bestuur van de faunabeheereenheid.

Artikel 5.17 Geldigheidsduur faunabeheerplan

In hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit zijn regels gesteld over faunabeheerplannen. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de wet worden er bij omgevingsverordening nadere regels gesteld over faunabeheerplannen.

Een maximale geldigheidsduur van faunabeheerplannen zorgt voor balans tussen enerzijds de continuïteit in de uitvoering van faunabeheer en anderzijds het periodiek opnieuw beschouwen en beoordelen van nut, noodzaak en vorm van faunabeheer. Ongeacht de maximale geldigheidsduur, blijft het natuurlijk mogelijk om sneller het faunabeheerplan bij te stellen of te herzien als de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Dit kan zowel op eigen initiatief van het bestuur van de faunabeheereenheid, of op initiatief van gedeputeerde staten die daar in voorkomend geval over in overleg treden met het bestuur van de faunabeheereenheid.

Artikel 5.18 Inhoud faunabeheerplan: algemeen

In hoofdstuk 6 van het Omgevingsbesluit zijn regels gesteld over faunabeheerplannen. Op grond van artikel 8.1, derde lid, van de wet worden er bij omgevingsverordening nadere regels gesteld over faunabeheerplannen. Door het stellen van eisen aan het faunabeheerplan wordt op voorhand duidelijk aan welke criteria het plan moet voldoen om in aanmerking te komen voor goedkeuring door Gedeputeerde Staten als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, van de wet.

De algemene eisen aan het faunabeheerplan bevatten de basis-informatie die noodzakelijk wordt geacht voor elk faunabeheerplan.

Artikel 5.19 Inhoud faunabeheerplan: schadebestrijding op basis van een omgevingsvergunning

Aanvullend op de algemene eisen met betrekking tot de inhoud van het faunabeheerplan, worden voor schadebestrijding op basis van een omgevingsvergunning gegevens noodzakelijk geacht om te komen tot weloverwogen besluitvorming over dit onderdeel van faunabeheer. Deze gegevens zien allereerst op een onderbouwing van de noodzaak: welke belangen zijn in het geding en welke schade is opgetreden of dreigt op te treden. Tevens is een beschrijving nodig van de activiteiten die reeds zijn ondernomen om schade zoveel mogelijk te voorkomen en te beperken, alsmede de effectiviteit van deze handelingen. Voorts is een beschrijving nodig van alle voorgenomen handelingen om schade tegen te gaan, inclusief een plan voor de inzet van passende en doeltreffende preventieve maatregelen, alsmede een beschrijving van de verwachte effectiviteit van deze handelingen en hoe monitoring zal plaatsvinden. Tot slot is een beschrijving nodig van de staat van instandhouding van de betreffende diersoorten en de wijze waarop de gunstige staat van instandhouding ook bij uitvoering van schadebestrijding gewaarborgd blijft.

Artikel 5.20 Inhoud faunabeheerplan: populatiebeheer

Aanvullend op de algemene eisen met betrekking tot de inhoud van het faunabeheerplan, worden voor populatiebeheer gegevens noodzakelijk geacht om te komen tot weloverwogen besluitvorming over dit onderdeel van faunabeheer. Deze eisen zijn identiek aan de eisen voor schadebestrijding met een omgevingsvergunning, met als aanvulling daarop een beschrijving van de huidige en gewenste stand van de populatie van de betreffende diersoort. Voor zover het plan ziet op populatiebeheer van edelherten, damherten, reeën of wilde zwijnen is ook een beschrijving van het voedselaanbod nodig en de relatie daarvan met de populatiegrootte en de mogelijkheden van uitwisseling met terreinen die grenzen aan het werkingsgebied van het faunabeheerplan.

Artikel 5.21 Inhoud faunabeheerplan: jacht

Aanvullend op de algemene eisen met betrekking tot de inhoud van het faunabeheerplan, worden voor jacht enkel gegevens over het gerealiseerde afschot per diersoort en een omschrijving van de redelijke wildstand noodzakelijk geacht. De rol van gedeputeerde staten met betrekking tot de jacht op wildsoorten is beperkt omdat de Minister de toetsing uitvoert in hoeverre jacht wenselijk en toelaatbaar is bij het bepalen van de wildlijst en de jachtseizoenen per diersoort. Om een dubbele beoordeling te voorkomen is de rol van gedeputeerde staten bij de toetsing van het onderdeel jacht op wildsoorten daarom terughoudend. Een omschrijving van de redelijke wildstand en een overzicht van het gerealiseerd afschot in de voorbije jaren wordt wel wenselijk geacht om zicht te houden op de samenhang tussen jacht, populatiebeheer en schadebestrijding, mede omdat diersoorten soms onder meerdere regimes vallen.

Artikel 5.22 Werkingsgebied wildbeheereenheden

Op grond van artikel 8.2 van de wet geldt dat jachthouders aan wie een omgevingsvergunning voor een jachtgeweeractiviteit is verleend, zich met anderen verplicht organiseren in een wildbeheereenheid ter uitvoering van het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan en om te bevorderen dat een duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, bestrijding van schadeveroorzakende dieren en jacht worden uitgevoerd in samenwerking met en ten dienste van grondgebruikers of terreinbeheerders. Het zijn over het algemeen de wildbeheereenheden die uitvoering zullen geven aan het faunabeheerplan. Zij zullen in de praktijk de beheerdaden verrichten en zij bevorderen dat de aangesloten jachthouders de jacht en de schadebestrijding uitvoeren overeenkomstig het faunabeheerplan en ten dienste van de grondgebruikers.



Het is niet de bedoeling dat er meerdere wildbeheereenheden zorg dragen voor hetzelfde gebied. Op grond van deze verordening is het mogelijk dat wildbeheereenheden die te klein zijn om te voldoen aan de oppervlakte-eis een samenwerkingsovereenkomst aangaan met een naburige wildbeheereenheid. Deze overeenkomst richt zich op afstemming van beheer.



Daarnaast adviseren de wildbeheereenheden de faunabeheereenheid over de inhoud van de faunabeheerplannen en leveren zij gegevens aan ten behoeve van het faunabeheerplan.



De toekenning van deze taken en verantwoordelijkheden aan de wildbeheereenheden vindt haar rechtvaardiging in het feit dat deze samenwerkingsverbanden bij uitstek streekgebonden zijn. De wildbeheereenheden zijn gehouden uitvoering te geven aan het door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplan.



De werkgebieden van de wildbeheereenheden dienen van voldoende omvang te zijn voor een effectieve invulling van de werkzaamheden. Van belang is daarbij de grootte van de leefgebieden van de diersoorten die worden beheerd op grond van het faunabeheerplan. Wanneer de werkgebieden van de wildbeheereenheden te klein zijn, dan zal de uitvoering van het beheer onvoldoende samenhangend zijn en onvoldoende kunnen worden gecoördineerd. Het bestaan van een werkgebied dat provinciegrensoverschrijdend is, wordt onwenselijk geacht. De wildbeheereenheden hebben een aaneengesloten werkgebied. Dat wil zeggen dat er geen delen van het werkgebied zijn die niet zijn verbonden met de rest van het werkgebied.

Artikel 5.23 Organisatie wildbeheereenheid

Het niet handelen conform het faunabeheerplan kan aanleiding zijn om het lidmaatschap van een wildbeheereenheid te beëindigen. Dit heeft verstrekkende gevolgen voor de jachthouder die het betreft, aangezien deze in de regel dan geen jachtakte kan verkrijgen. Het is het bestuur van de wildbeheereenheid dat kan beslissen om het lidmaatschap te beëindigen voor een te bepalen periode. Ten aanzien van het voornemen voor een dergelijke beslissing wordt door het bestuur van de wildbeheereenheid een advies ingewonnen bij het bestuur van de faunabeheereenheid. Het is immers de faunabeheereenheid die, op grond van feiten, kan beoordelen of het handelen van een lid van de een wildbeheereenheid in strijd is met het door de faunabeheereenheid opgestelde faunabeheerplan.



De wildbeheereenheden hebben een gezamenlijke geschillenregeling om onder meer geschillen ten aanzien van beëindiging van het lidmaatschap te behandelen.

Artikel 5.24 Lidmaatschap wildbeheereenheid

Artikel 8.2, vijfde lid, van de wet bepaalt dat bij omgevingsverordening regels worden gesteld over wildbeheereenheden. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de gevallen waarin en voorwaarden waaronder jachthouders zijn uitgezonderd van de verplichting om zich met anderen te organiseren in een wildbeheereenheid.



Met dit artikel wordt beoogd dat het voor iedere jachthouder duidelijk is bij welke wildbeheereenheid hij zich dient aan te sluiten. Op grond van de wet heeft een wildbeheereenheid de rechtsvorm van een vereniging. Omdat een aantal wildbeheereenheden deelnemers kent die geen lid zijn van de vereniging, kan er onduidelijkheid ontstaan ten aanzien van de rechten van deze deelnemers. Daarom is bij deze verordening bepaald dat aansluiting plaatsvindt door middel van het lidmaatschap van de vereniging.

Artikel 5.25 Aanvraag om tegemoetkoming schade dieren

Artikel 15.53 van de wet, in samenhang met het Besluit activiteiten leefomgeving, bepaalt dat gedeputeerde staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade, als de schade is veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende dieren.



Het gaat om dieren van soorten die wettelijk zijn beschermd doordat activiteiten (zoals het doden of vangen van dieren van deze soorten) in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de wet zijn aangewezen als flora- en fauna-activiteit en daarmee op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving in principe verboden zijn, tenzij een omgevingsvergunning is verleend of een uitzondering op de vergunningplicht geldt. In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie heeft een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis de voorkeur. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. In een afzonderlijk besluit zijn de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.

In dit artikel wordt de elektronische wijze van indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in schade veroorzaakt door natuurlijk in het wilde levende beschermde diersoorten geregeld. Op grond van artikel 4:1 van de Algemene wet bestuursrecht moet de voorwaarde van elektronische indiening van een aanvraag bij wettelijk voorschrift worden geregeld. Dat wordt in het eerste lid van dit artikel gedaan. Vereist is dat de schade zo spoedig mogelijk (binnen 7 werkdagen) bij BIJ12 wordt gemeld. BIJ12 is dan in de gelegenheid een taxateur ter plaatse een onderzoek naar de schadeveroorzakende diersoorten en de omvang van de schade te laten instellen. Een consulent faunazaken van BIJ12 kan dan ook adviseren hoe verdergaande schade kan worden voorkomen of beperkt. Aanvragen die later dan 7 werkdagen na constatering van de schade zijn ingediend worden afgewezen, omdat de oorzaak van de schade na deze periode niet meer goed kan worden vastgesteld door de taxateur.

Voor vermoedelijke schade door wolven geldt een afwijkende aanvraagtermijn met het oog op DNA-afname. DNA-afname is alleen kort na een aanval goed uitvoerbaar.

Artikel 5.26 Taxatie van de schade

Artikel 15.53 van de wet, in samenhang met het Besluit activiteiten leefomgeving, bepaalt dat gedeputeerde staten in voorkomende gevallen tegemoetkomingen verlenen in geleden schade, als de schade is veroorzaakt door natuurlijk in het wild levende dieren.



Het gaat om dieren van soorten die wettelijk zijn beschermd doordat activiteiten zoals het doden of van gen van dieren van deze soorten in artikel 5.1, tweede lid, onder g, van de wet zijn aangewezen als flora- en fauna-activiteit en daarmee op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving in principe verboden zijn, tenzij een omgevingsvergunning is verleend of een uitzondering op de vergunningplicht geldt. Over de invulling van deze bevoegdheid om op verzoek van een belanghebbende tegemoetkoming in schade te verlenen hebben gedeputeerde staten beleidsregels vastgesteld. In IPO-verband hebben de gezamenlijke provincies ervoor gekozen het verlenen van tegemoetkomingen in faunaschade te mandateren aan de uitvoeringsorganisatie BIJ12. Uit oogpunt van efficiëntie heeft een landelijke uitvoering met één loket en gebundelde kennis de voorkeur. Daarnaast wordt uniformiteit in de uitvoering en rechtsgelijkheid over heel Nederland nagestreefd. In een afzonderlijk besluit zijn de bevoegdheden met betrekking tot het verlenen van tegemoetkomingen gemandateerd aan BIJ12.



Dit artikel regelt in samenhang met de beleidsregels de wijze waarop de schade wordt vastgesteld. BIJ12 heeft een raamovereenkomst met taxatiebureaus die schade veroorzaakt door in het wild levende beschermde dieren taxeren. De taxateur zal zijn bevindingen direct na de eindtaxatie bij de grondgebruiker achterlaten of deze zo spoedig mogelijk toesturen. Voorzien is in de mogelijkheid dat de aanvrager zijn opmerkingen over de taxatie kan vermelden, dat de taxateur die opmerkingen van commentaar voorziet en dat de aanvrager kennis kan nemen van het commentaar van de taxateur.

Artikel 5.27 Sluiten van de jacht

Door bijzondere weersomstandigheden, zoals de bedekking van wateroppervlakten met ijs of de onbereikbaarheid van voedsel als gevolg van sneeuw, kunnen jachtsoorten (wildlijst) en soorten in het kader van beheer en schadebestrijding extra kwetsbaar zijn. Het sluiten van de jacht i.v.m. bijzondere weersomstandigheden kan onder de wet en Besluit activiteiten leefomgeving alleen nog bij maatwerkregel geregeld worden. Op grond van dit artikel zijn gedeputeerde staten bevoegd om bij bijzondere weersomstandigheden de jacht te sluiten.

Artikel 5.28 Aanwijzing innemen ligplaats

Gedeputeerde staten kunnen schepen en drijvende voorwerpen verplichten tijdelijk een andere ligplaats in te nemen als dat nodig is voor onderhoud of voor een veilige en vlotte scheepvaart. Gebruikers worden hierover, behalve in spoedeisende gevallen, tijdig geïnformeerd.

Artikel 5.29 Toedeling vaarwegbeheer

Dit artikel geeft aan dat in de is vastgelegd welke partijen verantwoordelijk zijn voor het beheer van de vaarwegen in de provincie Groningen, namelijk provincie, waterschappen en enkele andere openbare lichamen. De vaarwegen hebben in het regionale waterprogramma de functie recreatieve of beroepsvaarweg gekregen. Met het artikel en de bijlage wordt duidelijkheid geboden over wie welke beheertaken uitvoert en wie aanspreekpunt is voor onderhoud, veiligheid en functioneren van de vaarwegen. De inhoudelijke afspraken over de wijze waarop het beheer plaats moet vinden is geregeld in contracten tussen de beheerder en de provincie Groningen. Het artikel waarborgt zo een eenduidige en goed georganiseerde taakverdeling binnen het vaarwegbeheer.

Artikel 5.30 Aanwijzing bevoegde autoriteit

Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten vaststellen wie de bevoegde autoriteit is voor de provinciale vaarwegen bedoeld in het Binnenvaartpolitiereglement. Daarmee wordt duidelijk wie verantwoordelijk is voor het toepassen en handhaven van de vaarwegregels op deze trajecten. Het artikel zorgt zo voor een eenduidige en goed georganiseerde bevoegdheidsverdeling binnen het provinciale vaarwegbeheer.

Artikel 5.31 Bedieningstijden van bruggen en sluizen

Dit artikel bepaalt dat gedeputeerde staten de bedieningstijden vaststellen van beweegbare bruggen en sluizen die onder provinciaal beheer vallen. Daarmee wordt geborgd dat bediening aansluit bij veiligheid, doorstroming en een doelmatig beheer van de vaarwegen. Het artikel zorgt zo voor een uniforme en goed afgestemde regeling van de bediening binnen het provinciale vaarwegennet.

toelichting

Naar boven