Ontwerpbesluit Vaststelling Projectbesluit Westveen

Gedeputeerde staten van Zuid-Holland;

Gelet op artikel 5.44, eerste en derde lid, en artikel 5.52, eerste lid, van de Omgevingswet;

Overwegende dat Polder Westveen is aangemerkt als een cruciaal en niet-herlokaliseerbaar onderdeel van het Natuurnetwerk (NNN) en van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck;

Overwegende dat voor het realiseren van de gestelde natuurdoelen in de polder diverse inrichtings- en beheermaatregelen nodig zijn die (gedeeltelijk) in strijd zijn met de regels van het vigerende omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop;

Overwegende dat gedeputeerde staten op grond van artikel 5.44, eerste en derde lid, van de Omgevingswet bevoegd zijn om voor de uitvoering en het instandhouden van dit project, een projectbesluit vast te stellen;

Besluiten:

Artikel I

Het ontwerp projectbesluit Westveen wordt vastgesteld zoals is aangegeven in bijlage A.

Artikel II

Het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop wordt aangevuld met de volgende regels uit bijlage B.

Artikel III

[Gereserveerd voor de inwerkingtredingsbepaling van het definitieve besluit: Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken na uitgifte van het Provinciaal blad waarin dit besluit is bekendgemaakt.]

Artikel IV

Dit besluit wordt aangehaald als: Ontwerpbesluit Vaststelling Projectbesluit Westveen.



Den Haag, 23 juni 2026

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland,



drs. M.J.A. van Bijnen MBA, secretaris

mr. A.W. Kolff, voorzitter

Bijlage A Projectbesluit Westveen

Projectbesluit Westveen

Hoofdstuk 1 Projectbeschrijving

Dit projectbesluit gaat over de realisatie en instandhouding van Polder Westveen te Nieuwkoop. Bijlage Informatieobjecten bevat de geometrische begrenzing van het Projectbesluitgebied Polder Westveen waarop dit projectbesluit betrekking heeft.

§ 1.1 Aanleiding en doel

Polder Westveen ligt in de gemeente Nieuwkoop, tussen de Nieuwkoopse Plassen, de Noordse Buurt, de Kromme Mijdrecht en de kern Woerdense Verlaat. Het gebied heeft een omvang van circa 87 hectare en maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Het gebied is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De provincie Zuid-Holland is verantwoordelijk voor de realisatie van Natura 2000-doelen en de realisatie van het NNN. 

Daarom wil de Provincie Zuid-Holland de polder Westveen geschikt maken voor de ontwikkeling van natuurvriendelijke oevers en nieuwe natuur. Het gaat daarbij onder andere om de natuurtypen kruiden- en faunarijk grasland en nat schraalland. Hiervoor is een definitief ontwerp (DO) opgesteld en zijn diverse onderzoeken verricht. Het Projectbesluitgebied Polder Westveen is in Figuur 1‑1 weergegeven. 

Afbeelding 1-1 Projectdeel Polder Westveen
afbeelding binnen de regeling
Figuur 1-1: Projectgebied Polder Westveen

Op grond van artikel 5.44, eerste en derde lid Omgevingswet zijn Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland (hierna GS) bevoegd om voor de uitvoering en het in stand houden van dit project een projectbesluit vast te stellen. Een projectbesluit is een instrument dat zich leent om (vaak) complexe projecten met een publiek belang mogelijk te maken. In een aantal gevallen is een projectbesluit verplicht. Een natuurontwikkeling zoals in polder Westveen is geen verplicht aangewezen geval vanuit de Omgevingswet. Een projectbesluit voor de beoogde natuurontwikkeling in Westveen is dus niet verplicht. Het huidige bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Nieuwkoop’ (thans van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan Nieuwkoop) biedt echter geen passend juridisch-planologisch kader voor de realisatie van deze natuurontwikkeling. Daarom is dit projectbesluit opgesteld, waarmee het publieke belang van de versterking van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck en Natuurnetwerk Nederland in de polder Westveen kan worden geborgd.

§ 1.2 Participatieproces en projectprocedure

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland zijn initiatiefnemer en bevoegd gezag voor dit projectbesluit. Provincie Zuid-Holland werkt in dit project samen met meerdere gebiedspartners. 

Voor het ontwerpproces zijn de stuurgroep Veenweiden Gouwe Wiericke, projectgroep Westveen en adviesgroep Westveen opgesteld:

  • 1.

    De stuurgroep Veenweiden Gouwe Wiericke bestaat uit bestuurders van de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk en Nieuwkoop en van de hoogheemraadschappen van Rijnland en de Stichtse Rijnlanden.

  • 2.

    De projectgroep Westveen bestaat uit het programmabureau (medewerkers van de provincie Zuid-Holland), de gemeente Nieuwkoop, uitvoeringsorganisatie Waternet en Vereniging Natuurmonumenten.

  • 3.

    De adviesgroep Westveen bestaat uit een vertegenwoordiging van grondeigenaren uit het gebied.

In de afgelopen jaren (vanaf 2018) hebben al diverse overleggen en keukentafelgesprekken met grondeigenaren en direct aanwonenden plaatsgevonden. Mede op basis van deze bijeenkomsten heeft de stuurgroep van het programmabureau Veenweiden Gouwe Wiericke na het uitvoeren van diverse onderzoeken en het verkennen van verschillende inrichtingsvarianten toegewerkt naar een definitief ontwerp (DO 1.0) voor de polder Westveen. Om de maatregelen ook daadwerkelijk te kunnen uitvoeren en aldus de gestelde natuurdoelen te bereiken, zijn deze gesprekken vanaf 2024 voortgezet onder regie van de provincie Zuid-Holland. Hiermee krijgen ook de plannen voor zelfrealisatie door de bewoners en andere grondeigenaren in het gebied steeds meer gestalte.

Omdat het huidige omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop de herinrichting van polder Westveen conform het DO 1.0 niet volledig toestaat, hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland op 14 december 2022 onder meer besloten om voor de herinrichting van de polder (en anticiperend op de Omgevingswet) een projectbesluit te gaan opstellen. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 kan dit projectbesluit door GS als bevoegd gezag worden vastgesteld. Op basis van dit projectbesluit kan de herinrichting van de polder worden gerealiseerd en kunnen de toegestane gebruiksmogelijkheden van de gronden worden afgestemd op de plannen en doelen voor dit gebied.

Projectprocedure

De Omgevingswet kent een aparte procedure voor het vaststellen van een projectbesluit: de projectprocedure.

Deze procedure staat beschreven in Afdeling 5.2 Omgevingswet en bevat onder meer de volgende stappen:

  • 1.

    Kennisgevingen inzake voornemen en participatie;

  • 2.

    Verkenning.

Het participatie- en ontwerpproces voor de herinrichting van Polder Westveen is al ruim voor de inwerkingtreding van het de omgevingswet op 1 januari 2024 onder leiding van de stuurgroep gestart. 

Omdat de provincie het erg belangrijk vindt dat iedereen de mogelijkheid krijgt om alsnog ideeën in te brengen en mee te denken bij het project is er op 15 augustus 2024 een (formele) kennisgeving voornemen en participatie geplaatst. In deze kennisgeving was aangegeven dat er tot en met 25 september 2024 reacties kunnen worden gegeven op het bestaande DO 1.0 voor polder Westveen en op het opgestelde participatieplan, waarin het reeds doorlopen participatiesproces uitgebreider staat beschreven.

In de afgelopen jaren zijn met de bewoners/grondeigenaren meerdere keukentafelgesprekken gevoerd over de inrichting van het gebied en de gebruiksmogelijkheden van hun percelen. Kort gezegd hebben de deelnemers in dit participatieproces op verschillende manieren hun belangen kenbaar gemaakt. De informatie uit de aanvullende verkenning en uit de lopende keukentafelgesprekken, zijn verwerkt tot een aangepast definitief ontwerp (DO), dat als basis dient voor het (ontwerp)projectbesluit. Daarmee is alsnog voldaan aan deze stappen in de projectprocedure.

Op de projectwebsite zijn alle relevante documenten gepubliceerd: Polder Westveen - Provincie Zuid-Holland.

§ 1.3 Project Polder Westveen

Voor de polder Westveen is in opdracht van het programmabureau Veenweiden Gouwe Wiericke in de periode juni 2022 tot december 2023 een DO opgesteld, waarin de natuurdoelen voor dit gebied zijn vastgesteld en waarin de maatregelen technisch en ruimtelijk zijn uitgewerkt. Dit DO is in december 2023 uitgebreid met de resultaten van enkele aanvullende onderzoeken. Dit vormde het DO1.0.  

Uitgangspunt van het project is dat de polder wordt heringericht met behoud van het bestaande cultuurhistorische landschapspatroon van graslanden, watergangen en bosjes en dat alle grondeigenaren meewerken aan de uitvoering van het plan (hetzij door vrijwillige grondverkoop of door particulier natuurbeheer).  

Voor polder Westveen zijn doelen vastgesteld om de natuur in het Natura-2000 gebied te versterken en het NNN te realiseren. Voor het behalen van deze doelstellingen zijn in het gebied diverse inrichtings- en beheermaatregelen nodig, zoals het plaggen van grasland, de aanleg van rietmoeras en natuurvriendelijke oevers. Ook moet het watersysteem worden verbeterd door het baggeren van bestaande watergangen, het definitief dempen van verlande watergangen en het graven van nieuwe watergangen, het verwijderen van dammen, het aanbrengen van duikers in bestaande dammen en het verwijderen van stuwtjes en het verlagen van het waterpeil.  

Voor een uitgebreidere omschrijving wordt verwezen naar hoofdstuk 3.

Hoofdstuk 2 Randvoorwaarden project

§ 2.1 Vanuit Natura 2000 Nieuwkoopse Plassen & De Haeck + NNN

Het project dient in ieder geval te voldoen aan de vastgestelde doelen om de natuur in het Natura 2000-gebied en het NNN te realiseren:

  • 1.

    Het leveren van een bijdrage aan de realisatie van drie instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck, te weten het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied van de purperreiger, grote zilverreiger respectievelijk smient door versterking van hun leefgebied.

  • 2.

    Het uitvoeren van ontsnipperingsmaatregelen voor het leefgebied van de otter: het aanleggen van (veen)moeras en natuurvriendelijke oevers (NNN).

  • 3.

    Het ontwikkelen van de natuurtypen kruiden- en faunarijk grasland (inclusief natuurvriendelijke oevers) en behoud van hoog- en laagveenbos (als Natura 2000-doelstelling).

  • 4.

    De ontwikkeling van nat schraalland.

  • 5.

    Het geven van een kwaliteitsimpuls aan de natuur door verbetering van de waterkwaliteit.

  • 6.

    Ontwikkeling leefgebied gestreepte waterroofkever (water- en oevervegetatie, helder water) en noordse woelmuis (moeras, nat structuurrijk schraalland).

  • 7.

    Versterking leefgebied (foerageergebied) zwarte stern (helder water, vis, grote insecten).

  • 8.

    De maatregelen mogen geen belemmering vormen voor het toekomstig beheer en onderhoud.

§ 2.2 Aanvullende randvoorwaarden

De uitvoering van het project is voorts gebonden aan de volgende aanvullende randvoorwaarden:

  • 1.

    Om de ernstige bodemverontreiniging in de grond te verhelpen, worden sanerende maatregelen getroffen. Omdat deze niet spoedeisend is, kunnen deze maatregelen getroffen worden bij de herinrichting van Westveen door de sterk verontreinigde laag te plaggen en af te voeren naar een erkende verwerker.

  • 2.

    Om effecten op beschermde plant- en diersoorten te voorkomen wordt onder andere één richting op gewerkt, buiten de voorplantsingsperiode van de aanwezige beschermde soorten gewerkt, de baggerwerkzaamheden vanaf het water uitgevoerd en buiten het broedseizoen gewerkt.

  • 3.

    Maatregelen om bij de uitvoering van de werkzaamheden tijdelijke negatieve effecten zoveel mogelijk te beperken door rekening te houden met de (mogelijke) aanwezigheid van de kleine modderkruiper, (watergangen), meervleermuis (en overige vleermuissoorten) (foeragerend), Noorse woelmuis (goed ontwikkelde oevers en ruigten), otter (goed ontwikkelde oevers en ruigten), waterspitsmuis (goed ontwikkelde oevers en ruigten) en broedvogels.

Voor een uitgebreidere beschrijving van de maatregelen om nadelige gevolgen van het project te voorkomen en te beperken, wordt verwezen naar hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 3 Polder Westveen - Permanente maatregelen

§ 3.1 Definitief ontwerp

In de periode tot aan december 2023 is toegewerkt naar een definitief ontwerp (DO 1.0), waarbij de omgeving is betrokken. Op basis van de natuurdoelstellingen voor Westveen en diverse onderzoeken is een DO gemaakt. Daarbij zijn ook verschillende inrichtingsvarianten van het watersysteem afgewogen.  

Met de aanvullende verkenning, als onderdeel van de procedure van het projectbesluit, heeft dit DO 1.0 ter inzage gelegen en zijn vanuit de omgeving reacties ingediend. Na afweging van deze reacties is het DO 2.0 totstand gekomen welke de gekozen oplossingsrichting vormt. In Figuur 3‑1 is het gewenste eindbeeld weergegeven. De te nemen maatregelen zijn hierna verder omschreven. 

Afbeelding 3-1 DO Westveen eindsituatie
afbeelding binnen de regeling
Figuur 3-1 DO Westveen eindsituatie

§ 3.2 Maatregelen realisatie natuur(beheer)typen

De te realiseren Natura-2000 en NNN-doelstellingen worden behaald door de realisatie van vijf natuur(beheer)typen in het Projectbesluitgebied Polder Westveen. Bij drie typen (kruiden- en faunarijk grasland, nat schraalland en veenmoeras) is sprake van een uitbreiding. 

In totaal voorziet het plan in de volgende oppervlaktes:

  • (N12.02) Kruiden- en faunarijk grasland (ca. 26 ha)

  • (N10.01) Nat schraalland (ca. 11 ha)

  • (N05.03) Veenmoeras (ca. 0,7 ha)

  • (N04.02) Zoete plas (bestaand, ca. 23 ha)

  • (N14.02) Laagveenbos (bestaand, ca. 7 ha)

Daarnaast worden er natuurvriendelijke oevers gerealiseerd met een lengte van ruim 4 km oever als kruidenrijke ruigte en circa 5 km die als plasoever wordt ingericht en beheerd. Waar deze natuurbeheertypen en oevers worden gerealiseerd staat weergegeven in Figuur 3‑1.

Kruiden- en faunarijk grasland

  • Voor de ontwikkeling van kruiden- en faunarijk grasland zijn geen inrichtingsmaatregelen nodig, maar omdat de bodem van deze percelen nog rijk aan voedingsstoffen is, zijn wel beheermaatregelen nodig om de bodem te verschralen.

  • Het volstaat om hier de bemesting te stoppen en een beheer te voeren van maaien en afvoeren en/of (na)beweiding. Dit is ook nodig om de waterkwaliteit in geheel Westveen te verbeteren. Hoe vaak gemaaid en afgevoerd moet worden, is afhankelijk van de uitgangssituatie van een perceel.

Nat schraalland

  • Voor de ontwikkeling van nat schraalland is plaggen noodzakelijk. Om het perceel beheerbaar te houden, wordt een perceel niet in zijn geheel geplagd maar resteert er een beheerstrook (die niet wordt geplagd, maar ook niet wordt opgehoogd). De beheerstrook is 5 m breed en bevindt zich steeds aan de noordzijde van het perceel.

Afbeelding 3-2 Principe maaiveldverlaging tbv schraalland
afbeelding binnen de regeling
Figuur 3-2 Principe maaiveldverlaging ten behoeve van nat schraalland
  • Omdat het belangrijk is dat neerslag kan afstromen wordt het perceel iets schuin geplagd (op één oor gelegd). De plagdieptes verschillen per perceel. De benodigde plagdieptes ten opzichte van maaiveld zijn in onderstaande Figuur 3‑3 aangegeven. Omdat het plagsel zo voedselrijk is, wordt het afgevoerd en niet gebruikt voor ophoging van het terrein in Westveen.

Afbeelding 3-3 Locaties Nat schraalland met gemiddelde plagdiepte
afbeelding binnen de regeling
Figuur 3-3 Locaties Nat schaalland met gemiddelde plagdieptes (in cm)
  • Nadat een perceel is geplagd wordt hier maaisel van een referentievegetatie opgebracht. Dit is nodig omdat bronvegetaties in het gebied ontbreken en niet verwacht mag worden dat er een geschikte zaadbank aanwezig is. Opbrengen van referentiemaaisel gebeurt op basis van een met de grondeigenaar afgestemd DO vanuit nat schraallanden uit de directe omgeving.

  • Nat schraalland en vochtig hooiland in het algemeen en blauwgrasland in het bijzonder, wordt niet bemest. Vanwege de kwetsbaarheid van de bodem bestaat het beheer uit een hooilandbeheer, laat in de zomer. Voor nabeweiding is de bodem te slap en te nat.

  • Nat schraalland is verzuringsgevoelig; de buffercapaciteit van de bodem dient dus op peil te blijven. Het beheer wordt uitgevoerd met licht materieel ter voorkoming van verdichting van de bodem en insporing.

Veenmoeras

Veenmoerassen (N05.03) zijn gelegen in historisch laag- en eventueel hoogveengebieden. In Westveen komt Veenmoeras voor en dient te worden behouden. Er zijn geen inrichtingsmaatregelen nodig voor dit natuurbeheertype. 

Laagveenbos

  • Laagveenbossen zijn reeds aanwezig in de polder. Er is geen wens om dit type verder uit te breiden. De kwaliteit van de laagveenbossen zal zich in principe verbeteren zonder verdere inrichtingsmaatregelen of beheer, doordat de bomen ouder worden.

  • Plaatselijk kan het echter nodig zijn om bomen periodiek af te zetten, om te voorkomen dat deze omvallen en daardoor oevers beschadigen.

Natuurvriendelijke oevers

In het Projectbesluitgebied Polder Westveen worden twee typen natuurvriendelijke oevers gerealiseerd: kruidenrijke oevers en plasoevers.

  • Voor de plasoever geldt dat sprake kan zijn van ontgraving in de oever. Ruim voorafgaand aan de inrichting van de plasoever wordt de bestaande oever nagelopen op de aanwezigheid van de kenmerkende soorten. Waar deze (in combinatie) in een ruimer vlak dan 2 m oeverlengte worden aangetroffen, worden deze gespaard en wordt hier geen nieuwe natuurvriendelijke oever ontgraven.

  • Wanneer een ontgraving wordt uitgevoerd, dan dient nadrukkelijk te worden voorkomen dat als gevolg van de ontgraving de oever erosiegevoeliger wordt en dit verweking van de oever en daarmee versnelde baggeraanwas tot gevolg heeft. Er wordt dan ook langs de slootkant voorzien in een oeverbescherming van kokos bevestigd aan perkoenpalen die na ontwikkeling van de vegetatie de functie verliest (kokos zal afbreken en perkoenpalen kunnen worden verwijderd). In Figuur 3‑4 zijn twee varianten opgenomen om de oeverbescherming te realiseren (kokosrol en kokosmat).

  • Waar de oevers aansluiten op kruiden- en faunarijk grasland dient deze zone gevrijwaard te worden van betreding door vee (als gevolg van (na)beweiding).

Afbeelding 3-4 Principe ontgraving plasoever en oeverbescherming
afbeelding binnen de regeling
Figuur 3-4 Principe ontgraving plasoever en oeverbescherming
  • Omdat de ontgraven grond zo voedselrijk is, wordt deze afgevoerd en niet gebruikt voor ophoging van het terrein in Westveen (bij voorkeur gebruik in Noordse Buurt).

  • Het beheer is erop gericht dat de oevers kruidenrijk en biodivers blijven en wordt uitgevoerd met licht materieel ter voorkoming van beschadiging van de oevers, verdichting van de bodem en insporing. Het in te zetten materieel is specifiek geschikt voor het type beheer c.q. voor het natuurtype.

§ 3.3 Maatregelen watersysteem

Het verbeteren van de waterkwaliteit is benodigd om de gewenste natuurtypen te kunnen realiseren. Daarom zijn maatregelen zoals baggeren en aanpassingen aan het watersysteem voorzien.  

Zoete plas  

Het oppervlaktewater binnen het projectgebied is te beschouwen als natuurtype ‘zoete plas’ met een totale omvang van ruim 23 ha.

Baggeren

  • Watergangen van 8 meter en meer: baggeren tot een waterkolom van 1 meter diepte.

  • Watergangen die smaller zijn dan 8 meter (met namen noordelijk deel): baggeren tot een waterkolom van 0,7 m diepte in combinatie met uitzetting van krabbenscheer.

  • Watergangen die smaller zijn dan 8 meter (rest): baggeren tot de vaste bodem (= naar verwachting een waterkolom van gemiddeld 1 meter diepte).

In onderstaande Figuur 3‑5 en Figuur 3‑6 zijn de voorziene baggerwerkzaamheden in Westveen 1 en 2 te zien. Zie ook hoofdstuk 5 voor een nadere toelichting op Westveen 1 en Westveen 2.

Afbeelding 3-5 Baggerkaart Westveen 1
afbeelding binnen de regeling
Figuur 3-5 Baggerkaart Westveen 1
Afbeelding 3-6 Baggerkaart Westveen 2
afbeelding binnen de regeling
Figuur 3-6 Baggerkaart Westveen 2

De hoeveelheden bagger per kwaliteit en per deelgebied (behoudens het maatwerk) zijn opgenomen in navolgende tabel:

Tabel 1: Baggerhoeveelheden Westveen

Totaal (m3)

Omschrijving

Westveen 1

Westveen 2

54.441

Verspreidbaar (aangrenzende en vrij)

34.606

19.835

29.944

Niet verspreidbaar

23.240

6.704

4.426

Niet toepasbaar

2.023

2.403

88.811

Totaal te baggeren (m3)

59.869

28.942

De verspreidbare en niet-verspreidbare bagger worden hydraulisch afgevoerd naar weilanddepots in de Noordse Buurt en hebben na rijping een definitieve functie in deze natuurontwikkeling. In Westveen is sprake van een beperkte hoeveelheid sterk verontreinigde bagger. Deze wordt direct afgevoerd naar een erkende verwerkingsinrichting.

Aanpassingen watersysteem

Voorts zijn in zowel Westveen 1 als in Westveen 2 aanpassingen in het watersysteem voorzien. 

Het betreft het:

  • graven van nieuwe watergangen;

  • verwijderen van een verlande watergang en van dammen;

  • aanbrengen van duikers (minimale diameter 600 mm, materiaal PE) in bestaande dammen;

  • verwijderen van stuwtjes.

Nieuwe watergangen

  • Voor de verbinding van het leefgebied van de otter worden in het bosperceel twee watergangen gegraven met een bovenbreedte van minimaal 4 m en een diepte tot minimaal NAP-2,90 m. De inpassing vindt plaats tussen bestaande begroeiing.

Afbeelding 3-7 Ligging twee watergangen (tpv kruisjes)
afbeelding binnen de regeling
Figuur 3-7 Ligging twee watergangen (ter plaatse van de kruisjes)

Peilbesluit

  • Het systeem wordt zodanig ingericht dat na inrichting in natte periode het hoge peil toegepast kan worden. Het peil zal niet hoger worden, maar enkel het zomer- en winterpeil zullen worden omgedraaid: in natte perioden (meestal de winter en vroeg voorjaar) wordt het hoge peil toegepast en in drogere perioden (meestal zomer) het lage peil. De voorwaarde hiervoor is dat de gebiedsnorm door de provincie wordt goedgekeurd.

Waterscheidingen, dammen en duikers

  • In het watersysteem worden waterscheidingen gerealiseerd om kortsluiting met het inlaatwater te voorkomen, vooral ter plaatse van nat schraalland, en vermenging met nutriëntenrijk water vanuit het zuidelijk deel van Westveen in de tussenfase te voorkomen. De bovenzijde van de waterscheiding ligt op een zodanige hoogte dat deze bij grote buien niet beperkend is voor de afvoer van neerslagoverschot (en zorgt daarmee niet voor een verslechtering van de huidige waterhuishoudkundige situatie).

  • In beginsel zijn de waterscheidingen voorzien als houten damwanden (dikte planken 6-8 cm). In een aantal gevallen zijn de waterscheidingen als vaste gronddam (bovenbreedte ca. 5 meter) voorzien omdat deze ook een functie als perceelontsluiting voor de eigenaren en gebruikers in het gebied hebben. Dammen (bovenbreedte eveneens ca. 5 meter) met duikers zijn daarnaast in het watersysteem opgenomen wanneer deze nodig zijn als onderdeel van de beheerrouting en daarnaast doorstroombaar moeten zijn.

  • Om te voldoen aan de randvoorwaarde dat de waterhuishoudkundige situatie in Westveen niet mag verslechteren, is de dimensionering van het watersysteem (duikers en watergangen) doorgerekend zodat inlaatwater uit de Kromme Mijdrecht zo veel mogelijk direct naar het zuiden van het gebied stroomt. Om de waterverdeling het gebied in of richting Uitwegsloot naar het westen goed te kunnen regelen/instellen worden diverse duikers gerealiseerd.

Westveense molen

De huidige reservebemalingsfunctie van de Westveense molen kan ongewijzigd blijven, omdat in het DO geen definitieve waterscheidingen in de zijwatergangen langs de Uitweg zijn aangebracht. Ook bij een toekomstig neerslagoverschot kan de molen bijspringen om de polder leeg te malen. Permanente inrichtingsmaatregelen zijn niet noodzakelijk. 

§ 3.4 Maatregelen infrastructuur en toegankelijkheid

Het oostelijke deel van het Pietersenpad, dat dwars door de graslandpercelen loopt, wordt zuidwaarts verplaatst langs het daar aanwezige bos en de verlande watergang, zie Figuur 3‑8. Het pad loopt vervolgens door langs de zuidkant van het daar aanwezige verruigde perceel, over het beheerpad van een nat schraallandperceel en sluit aan op het wandelpad langs de Kromme Mijdrecht. Door deze verplaatsing wordt de verstoring van het open graslandgebied beperkt. Het trekpontje blijft op de huidige locatie gehandhaafd, maar zal wel worden vernieuwd. Voorts worden op een aantal plaatsen langs de Kromme Mijdrecht bankjes geplaatst.

Afbeelding 3-8 Verplaatsing Pietersenpad
Figuur 3-8 Verplaatsing Pietersenpad

Hoofdstuk 4 Flexibliteit in het besluit

§ 4.1 Flexibiliteit in de uitwerking van het DO

Het bij dit projectbesluit behorend DO (paragraaf 3.1) kan geheel of gedeeltelijk worden uitgewerkt tot een geactualiseerd definitief ontwerp alsmede een uitvoeringsontwerp. Bij die verdere uitwerking en de realisatie van de natuurontwikkeling mag worden afgeweken van het DO. 

Ten opzichte van het DO bestaat er in ieder geval flexibiliteit op het punt van de volgende maatregelen en voorzieningen:

  • 1.

    De ligging van watergangen, bruggen, dammen, natuurvriendelijke oevers en paden.

§ 4.2 Flexibiliteit in de uitvoering van het DO

Ten aanzien van de wijze van uitvoering van het project bestaat er flexibiliteit met betrekking tot de:

  • 1.

    Uitvoeringsmethode, de aanvoer van bouwmateriaal mede daaronder begrepen; en

  • 2.

    De locaties van tijdelijke maatregelen, zoals inrichting en gebruik tijdelijke werkgebieden, depot en bouwkeet.

§ 4.3 Flexibiliteit maatwerkpercelen

In en rondom polder Westveen zijn diverse woningen gelegen. Delen van de percelen waar nieuwe natuur is voorzien, overeenkomstig het DO uit paragraaf 3.1, maken tevens onderdeel uit van de woon- en leefomgeving van deze woningen. Vanuit deze bewoners is de wens naar voren gekomen om activiteiten die zij altijd al verrichten op deze percelen, zoals het aanleggen van een moestuin, voedselbos of hobbymatig houden van landbouwhuisdieren, en paarden en pony’s, voort te mogen zetten. Uit een ecologische beoordeling is gebleken dat deze activiteiten kunnen worden toegestaan op de zogenaamde daarvoor aangewezen maatwerkpercelen. Dit is, onder voorwaarden, mogelijk gemaakt in het RegelingTijdelijkdeel. Hetgeen in hoofdstuk 6 staat, geldt onverminderd.

§ 4.4 Randvoorwaarden voor flexibiliteit

De flexibiliteit zoals bedoeld in paragraaf 4.14.2 en 4.3 is slechts toelaatbaar indien die in overeenstemming is met de navolgende randvoorwaarden:

De flexibiliteit zoals bedoeld in paragraaf 4.14.2 en 4.3 is slechts toelaatbaar indien die in overeenstemming is met de navolgende randvoorwaarden:

  • 1.

    Er wordt voldaan aan de gestelde randvoorwaarden uit 2.1.

  • 2.

    Er wordt geen onevenredig afbreuk gedaan aan de regels die gelden ten aanzien van de cultuurhistorische waarde van de Westveense Molen.

  • 3.

    De kwaliteit en omvang van het natuurtype Hoog- en laagveenbos niet worden aangetast. Kap van houtopstanden mag hier niet plaatsvinden en exoten mogen niet worden aangeplant.

  • 4.

    De beheertypen Kruiden- en faunarijk grasland en Zoete plas binnen de maatwerkpercelen mogen niet worden onderbroken, zodat de verbindende functie voor fauna en tussen de beheertypen voldoende gewaarborgd blijft.

  • 5.

    De functie van de Kruidenrijke ruigten blijft voldoende gewaarborgd indien deze niet worden gerealiseerd binnen de maatwerkpercelen.

  • 6.

    De plasoevers zijn samen van voldoende omvang en hebben een voldoende ruimtelijke spreiding, zodat de verbindende functie voor fauna van en tussen beheertypen voldoende is gewaarborgd

  • 7.

    Er wordt geen onevenredige afbreuk gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

  • 8.

    Er is geen sprake van onevenredige hinder als gevolg van uitvoeringswerkzaamheden.

Hoofdstuk 5 Polder Westveen - Gefaseerde uitvoering en tijdelijke maatregelen

In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van de tijdelijke maatregelen. De herinrichting van Westveen is in twee projecten opgedeeld: Westveen 1 onder verantwoordelijkheid van de stuurgroep en Westveen 2 onder verantwoordelijkheid van Provincie Zuid-Holland. Door het verschil van doorlooptijd in Westveen 1 en Westveen 2 wordt er op verschillende momenten baggerwerkzaamheden uitgevoerd. Een scheiding in het watersysteem is nodig om verspreiding van mest en bestrijdingsmiddelen als gevolg van huidige gebruiksactiviteiten in het gebied tijdens de werkzaamheden te voorkomen.

§ 5.1 Tijdelijke activiteiten Westveen 1

Fase 1 betreft met name de uitvoering van werkzaamheden in het noordelijk deel van Westveen, ten noorden van de Dwarse Uitweg en een beperkt deel ten zuiden van deze weg (gerelateerd aan percelen van Natuurmonumenten). 

De voorziene tijdelijke maatregelen van fase 1 zijn de volgende:

  • inrichting weilanddepots in Noordse Buurt, dit betreft met name grondverzet waarbij de bovenlaag ter plaatse wordt verwijderd (toepassing vrijkomende grond in kades rondom weillanddepots en daarnaast elders in Noordse Buurt ten behoeve van inrichtingsmaatregelen in dat project);

  • conditionerende werkzaamheden voorafgaande aan baggerwerkzaamheden, waaronder: 

    • snoeien bomen ten behoeve bereikbaarheid baggeren; 

    • bepalen ‘blijf-af gebieden’ baggeren: ter plaatse van te beschermen objecten zoals beschoeiingen, vlonders maar ook waardevolle oevervegetatie;

  • realiseren van een scheiding in het watersysteem.

§ 5.2 Tijdelijke activiteiten Westveen 2

Fase 2 betreft met name de uitvoering van werkzaamheden in het zuidelijk deel van Westveen, ten zuiden van de Dwarse Uitweg. Het moment van uitvoering van deze werkzaamheden is gericht op een gerealiseerde natuuropgave uiterlijk in 2027. 

De voorziene tijdelijke maatregelen van fase 2 zijn de volgende:

  • 1.

    Conditionerende werkzaamheden voorafgaande aan baggerwerkzaamheden, waaronder: 

    • snoeien bomen ten behoeve bereikbaarheid baggeren; 

    • bepalen ‘blijf-af gebieden’ baggeren: ter plaatse van te beschermen objecten zoals beschoeiingen, vlonders maar ook waardevolle oevervegetatie.

Na afronding van de werkzaamheden voor fase 2 worden de aangebrachte waterscheidingen, zoals opgenomen op de inrichtingskaart van fase 2, verwijderd.

Hoofdstuk 6 Maatregelen om nadelige gevolgen van het project te voorkomen en te beperken

Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van de volgende soort(groep)en om tijdelijke negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of te mitigeren: 

Kleine modderkruiper (watergangen); Meervleermuis (en overige vleermuissoorten) (foeragerend); Noorse woelmuis (goed ontwikkelde oevers en ruigten); Otter (goed ontwikkelde oevers en ruigten); Waterspitsmuis (goed ontwikkelde oevers en ruigten); en Broedvogels.  

Concreet betekent dit het volgende voor de werkzaamheden.

Plagwerkzaamheden

  • 1.

    Eén richting op werken, zodat de kleine (zoog)dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben om te vluchten.

Aanleg plas-dras oevers en sloot

  • 1.

    Ter plaatse van de potentieel geschikte leefgebieden van de noordse woelmuis moet buiten de voortplantingsperiode, in de maanden oktober-maart, gewerkt worden. In deze periode is de noordse woelmuis dag actief, waardoor de soort van werkzaamheden weg kan vluchten.

  • 2.

    Als in de kraamperiode van de otter (veelal april t/m augustus) wordt gewerkt aan oevers, dan dienen deze door een otterdeskundige gecontroleerd te worden op eventueel aanwezige otters met jongen. Bij het aantreffen van otters met jongen moeten de werkzaamheden nabij de betreffende locatie tot nadere orde worden uitgesteld. In overleg met de otterdeskundige kan buiten de verstoringsafstand van de soort gewerkt worden. 

Baggerwerkzaamheden

  • 1.

    Baggerwerkzaamheden worden (behoudens toepassing van transportleidingen) vanaf het water uitgevoerd;

  • 2.

    Goed ontwikkelde oevers worden bij de werkzaamheden ontzien;

  • 3.

    Er wordt één richting opgewerkt zodat de kleine modderkruiper en andere vissen van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten (werk dus niet richting het kopse eind van een sloot) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben;

  • 4.

    De luchttemperatuur moet boven het vriespunt liggen en er mag geen ijs aanwezig zijn in de watergang. De watertemperatuur moet beneden de 25 graden Celsius liggen (soortenstandaard 2014).

Op basis van de recent uitgevoerde QuickScan flora en fauna wordt voor het plangebied het uitvoeren van een nader onderzoek niet noodzakelijk geacht. Onderstaande aanbevelingen kunnen bijdragen om het project binnen de kaders van de Omgevingswet goed te laten verlopen:

Vogels

  • 1.

    Door buiten het vogelbroedseizoen te werken worden verstoring of schadende effecten op broedende vogels zoveel mogelijk beperkt. Om deze reden wordt geadviseerd om de werkzaamheden niet in de periode van half maart t/m half juli uit te voeren.

  • 2.

    Daarnaast moet(en) bij andere perioden, 

    • 1.

      Voorafgaand aan de werkzaamheden de omgeving nogmaals kort worden gecontroleerd op de aanwezigheid van vogelnesten en; de werkzaamheden buiten de verstoringsafstand van broedvogels plaatsvinden. 

    • 2.

      Verder bestaat de mogelijkheid om voor het begin van het broedseizoen het plangebied ongeschikt te maken en te houden voor broedvogels. Indien tijdens de werkzaamheden een constante verstoringsfactor gewaarborgd wordt, worden nestplaatsen enkel buiten de voor de soort specifieke verstoringsafstand gekozen (het is echter zeer moeilijk een constante intensiteit van de werkzaamheden vast te houden).

Zorgplicht zoogdieren

  • 1.

    Het wordt aangeraden de werkzaamheden overdag uit te voeren.

  • 2.

    Verder dient in elk geval één richting opgewerkt te worden, zodat vluchtroutes voor eender welk dier altijd mogelijk zijn. Hierbij dient niet richting dode hoeken gewerkt te worden, maar richting geschikt alternatief habitat, en geef verstoorde of vluchtende dieren hiertoe de ruimte.

  • 3.

    Mochten tijdens de werkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, dan dienen de werkzaamheden stilgelegd te worden en een ecoloog ingeschakeld te worden.

  • 4.

    De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten voorkomen.

  • 5.

    De rijsnelheid van machines wordt zo afgesteld dat dieren zo veel mogelijk kunnen wegvluchten. Bij voorkeur wordt stapvoets gereden. Er wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande infrastructuur van wegen, paden en sporen.

Hoofdstuk 7 Termijn niet vaststellen belemerende regels in het omgevingsplan of omgevingsverordening

Vanaf het moment waarop het projectbesluit is vastgesteld tot 3 jaar na vaststelling van het projectbesluit dan wel eerder, als het project waarvoor het projectbesluit is vastgesteld eerder is gerealiseerd, worden in het omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop en in de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland geen regels gesteld die het uitvoeren van het project belemmeren. Dit volgt uit artikel 4.19a, derde lid en artikel 5.53a, derde lid van de Omgevingswet. Mocht het nodig zijn kan de termijn eenmalig worden verlengd.

Bijlage Informatieobjecten

Bijlage B Regels voor de gemeente Nieuwkoop

Regels vanwege projectbesluit Westveen

Voorrangsbepaling

De regels gaan voor op de artikelen 4, 10 en 17 van het bestemmingsplan Landelijk Gebied Nieuwkoop, 1e herziening dat onderdeel is van het tijdelijke deel van het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Toepassingsgebruik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Polder Westveen, waarvan de geometrische begrenzing is vastgelegd in de bijlage Informatieobjecten.

Artikel 1.2 Toepassing begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in artikel 1.3 daarvan is afgeweken.

Artikel 1.3 Aanvullende begripsbepalingen

In aanvulling op artikel 1.2 gelden de volgende begripsbepalingen:

Achterstallig onderhoud:

het niet, te weinig of op onjuiste wijze uitvoeren van noodzakelijk onderhoud aan een zaak, waardoor schade of kwaliteitsverlies is ontstaan dat redelijkerwijs voorkomen had kunnen worden en dat niet zonder ingrijpende of kostbare herstelwerkzaamheden kan worden hersteld.

Bestrijdingsmiddelen:

gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Extensief agrarisch beheer:

het houden van graasdieren met een beweidingsdichtheid van maximaal 1,5 GVE per hectare.

GVE

grootvee-eenheid: rekenkundige maat om de begrazingsdruk en/of ruimtelijke behoefte van diverse soorten grote grazers en landbouwhuisdieren mee te bepalen en te vergelijken, waarbij 1 GVE staat voor één rund van 500 – 600 kg.

Artikel 1.4 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel.

  • 2.

    Bij de toepassing van de regels wordt, anders dan in artikel 22.24 van het omgevingsplan, als volgt gemeten:

    • a.

      afstanden: de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst is.

    • b.

      de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

    • c.

      peil: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld.

Artikel 1.5 Anti-dubbeltelregel

Een locatie die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 1.6 Normadressaat

Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in de regels van dit plan anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 2 Gebieden

Afdeling 2.1 Werkingsgebied Polder Westveen

Artikel 2.1 Aanwijzing

Er is een werkingsgebied Polder Westveen.

Artikel 2.2 Geometrische begrenzing

De regels in deze afdeling gelden ter plaatse van het werkingsgebied Polder Westveen.

Artikel 2.3 Oogmerken

De regels voor Polder Westveen zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het komen tot een omgeving die klimaatadaptief en natuurinclusief is ingericht conform de wezenlijke waarden en kenmerken van Natuurnetwerk Nederland;

  • b.

    het behoud, herstel en/of ontwikkeling van de (aanwezige en potentiële) landschappelijke en natuurwaarden;

  • c.

    het beschermen van de leefbaarheid;

  • d.

    het bewerkstelligen van een goed woon- en leefklimaat;

  • e.

    het bereiken en in stand houden van een landschappelijke inpassing die past bij de omliggende groenstructuur;

  • f.

    het beschermen van ecologische waarden;

  • g.

    het leveren van een bijdrage aan de realisatie van drie instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck, te weten het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied van de purperreiger, grote zilverreiger respectievelijk smient door versterking van hun leefgebied;

  • h.

    het uitvoeren van ontsnipperingsmaatregelen voor het leefgebied van de otter: het aanleggen van (veen)moeras en natuurvriendelijke oevers;

  • i.

    het ontwikkelen van de natuurtypen kruiden- en faunarijk grasland (inclusief natuurvriendelijke oevers) en nat schraalland, en behoud van hoog- en laagveenbos;

  • j.

    het geven van een kwaliteitsimpuls aan de natuur door verbetering van de waterkwaliteit;

  • k.

    ontwikkeling van het leefgebied van de gestreepte waterroofkever (water- en oevervegetatie, helder water) en de noordse woelmuis (moeras, nat structuurrijk schraalland).

Afdeling 2.2 Functiegebied Natuur Westveen

Artikel 2.5 Aanwijzing

Er is een functiegebied Natuur Westveen.

Artikel 2.6 Geometrische begrenzing

De regels in deze afdeling gelden ter plaatse van het functiegebied Natuur Westveen.

Artikel 2.7 Oogmerken

De regels voor dit functiegebied zijn gesteld met het oog op de oogmerken overeenkomstig artikel 2.3.

Artikel 2.8 Activiteiten

Bij het verrichten van activiteiten in het functiegebied Natuur Westveen wordt voldaan aan de  regels in:

Afdeling 2.3 Functiegebied Natuur Westveen maatwerkpercelen

Artikel 2.9 Aanwijzing

Er is een functiegebied Natuur Westveen maatwerkpercelen.

Artikel 2.10 Geometrische begrenzing

De regels in deze afdeling gelden ter plaatse van het functiegebied Natuur Westveen maatwerkpercelen.

Artikel 2.11 Oogmerken

De regels voor dit functiegebied zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    de oogmerken overeenkomstig artikel 2.3;

  • b.

    het bewerkstelligen van een goed woon- en leefklimaat.

Artikel 2.12 Activiteiten

Bij het verrichten van activiteiten in het functiegebied Natuur Westveen maatwerkpercelen wordt voldaan aan de bijbehorende regels in:

Hoofdstuk 3 Gebruiksactiviteiten

Afdeling 3.1 Activiteiten Natuur Westveen

Artikel 3.1 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing op de gebruiksactiviteiten binnen het functiegebied Natuur Westveen.

Artikel 3.2 Verbod

Het is verboden om binnen het functiegebied Natuur Westveen de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a.

    het gebruik van locaties en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;

  • b.

    het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;

  • c.

    het gebruik van meststoffen, anders dan door de beweiding van vee zoals bedoeld in artikel 3.3 onder e;

  • d.

    het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Artikel 3.3 Algemene regels

Uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten mogen worden verricht ten behoeve van de functie Natuur Westveen:

  • a.

    de instandhouding en ontwikkeling van natuur met ter plaatse voorkomende dan wel daaraan eigen natuurwaarden;

  • b.

    het behoud, het herstel en de onwtikkeling van het natuurlijk petgaten- en legakkerlandschap met de volgende kernwaliteiten:

    • 1.

      verveningsplassen met petgaten en legakkers, half besloten landschap

    • 2.

      lintbebouwing van Nieuwkoop en Noorden;

    • 3.

      beplanting op legakkers en enkele percelen.   

  • c.

    wegen en paden;

  • d.

    water- en waterhuishoudkundige voorzieningen, zoals sloten, greppels, watergangen, oppervlaktewaterberging, bruggen en duikers;'

met daaraan ondergeschikt:

  • e.

    extensief agrarisch beheer;

  • f.

    extensief recreatief medegebruik;

  • g.

    extensief medegebruik voor natuureducatie;

  • h.

    met de daarbij behorende openbare voorzieningen voor het algemeen nut.

Afdeling 3.2 Activiteiten Natuur Westveen maatwerkpercelen

Artikel 3.4 Toepassingsgebruik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing op de gebruiksactiviteiten binnen het functiegebied Natuur Westveen maatwerkpercelen.

Artikel 3.5 Verbod

Het is verboden om binnen dit functiegebied de volgende gebruiksactiviteiten te verrichten:

  • a.

    het gebruik van locaties en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;

  • b.

    het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;

  • c.

    het gebruik van meststoffen, anders dan eigen stalmest opgeslagen binnen dit functiegebied en/of door de beweiding van hobbymatig gehouden landbouwhuisdieren en paarden en pony’s;

  • d.

    het gebruik van bestrijdingsmiddelen.

Artikel 3.6 Algemene regels

Uitsluitend de volgende gebruiksactiviteiten mogen worden verricht ten behoeve van deze functie:

  • a.

    in aanvulling het bepaalde in artikel 3.3 mogen de volgende gebruiksactiviteiten worden verricht:

    • 1.

      het aanleggen en in stand houden van een moestuin of voedselbos;

    • 2.

      het hobbymatig houden van landbouwhuisdieren en van paarden en pony's;   

  • b.

    het bepaalde onder a is toegestaan mits dit niet in strijd is met de oogmerken als bedoeld in artikel 2.3.

Artikel 3.7 Aanwijzing vergunningplichtige activiteit maatwerkpercelen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning andere activiteiten te verrichten dan omschreven in artikel 3.6.

Artikel 3.8 Beoordelingsregels vergunningplichtige maatwerkpercelen

Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a.

    instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck;

  • b.

    de wezenlijke waarden en kenmerken van Natuurnetwerk Nederland;

  • c.

    het natuurlijk petgaten- en legakkerlandschap;

  • d.

    de doelstellingen van het project zoals bedoeld in dit Projectbesluit.

Artikel 3.9 Aanvraagvereisten vergunningplichtige activiteit maatwerkpercelen

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de uit te voeren activiteit;

  • b.

    informatie over het type natuur(beheer)type;

  • c.

    een ecologische beoordeling van de invloed van de activiteit op het natuur(beheer)type en het daarvoor betreffende beheer;

  • d.

    andere informatie die noodzakelijk is voor de toetsing van de aanvraag.

Hoofdstuk 4 Bouwactiviteiten

Afdeling 4.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten

Artikel 4.1 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing op bouwactiviteiten binnen de Polder Westveen.

Artikel 4.2 Aanwijzing activiteiten

Deze afdeling gaat over het bouwen en in stand houden van bouwwerken.

Artikel 4.3 Algemene regels

Uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen zijn toegestaan, mits de bouwhoogte maximaal 3 meter bedraagt en de oppervlakte maximaal 15 m².

Artikel 4.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • 1.

    De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 5 meter;

  • 2.

    de lengte van een openbare aanlegsteiger mag niet meer bedragen dan 10 meter, de breedte niet meer dan 2 meter en de bouwhoogte niet meer dan 0,50 meter, gemeten vanaf NAP-1,90 m.

Artikel 4.5 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteit

Het bevoegd gezag kan in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit afwijken van het bepaalde in:

  • a.

    artikel 4.3, en toestaan dat niet voor bewoning bedoelde gebouwen voor het natuur- en landschapsbeheer en/of het extensieve recreatieve en educatieve medegebruik worden gebouwd, mits:

    • 1.

      niet meer dan 1 gebouw per aaneengesloten natuurgebied met een minimale omvang van 10 hectare, wordt gebouwd;

    • 2.

      de oppervlakte van een gebouw niet meer dan 100 m² bedraagt;

    • 3.

      de hoogte van een gebouw niet meer dan 4 meter bedraagt;

  • b.

     artikel 4.3, en toestaan dat vogelobservatieposten en/of uitkijktorens worden gebouwd, mits:

    • 1.

      de bouwhoogte niet meer dan 10 meter bedraagt;

    • 2.

      de oppervlakte maximaal 10 m2 bedraagt.

Hoofdstuk 5 Aanlegactiviteiten

Afdeling 5.1 Algemene bepalingen over aanlegactiviteiten

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden binnen het werkingsgebied Polder Westveen.

Artikel 5.2 Aanwijzing vergunningplichtige aanlegactiviteit gewijzigde natuurinrichting natuurbeheertypen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de locatie en inrichting van natuur(beheer)typen, zoals opgenomen in het inrichtingsplan in het Projectbesluit Westveen, te wijzigen.

Artikel 5.3 Beoordelingsregels vergunningplichtige aanlegactiviteit gewijzigde natuurinrichting natuurbeheertypen

Een omgevingsvergunning wordt alleen verleend als er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • a.

    instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck;

  • b.

    de wezenlijke waarden en kenmerken van Natuurnetwerk Nederland;

  • c.

    het natuurlijk petgaten- en legakkerlandschap;

  • d.

    de doelstellingen van het project zoals bedoeld in dit Projectbesluit.

Artikel 5.4 Aanvraagvereisten vergunningplichtige aanlegactiviteit gewijzigde natuurinrichting

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een gemaatvoerde situatietekening van de gewenste natuur(beheertypen), inclusief de aansluiting op aangrenzende percelen;

  • b.

    informatie over het type natuur(beheer)type;

  • c.

    informatie over de wijze van beheren van het onder b bedoelde natuur(beheer)type;

  • d.

    andere informatie die noodzakelijk is voor de toetsing van de aanvraag.

Artikel 5.5 Aanwijzing vergunningplichtige aanlegactiviteit gewijzigde natuurinrichting werken en/of werkzaamheden

Het is verboden om de volgende werken en/of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren, zonder omgevingsvergunning:

  • a.

    het vellen of aanplanten van een houtopstand, alsmede de verwijdering van bodem- en oevervegetaties;

  • b.

    het ontgronden, afgraven, egaliseren, diepploegen, en/of ophogen van gronden;

  • c.

    het dempen, (ver)graven, verdiepen, waaronder baggeren, en/of verbreden van sloten en/of andere watergangen;

  • d.

    het omzetten van gras- en/of schraalland;

  • e.

    het aanleggen, verharden en/of verbreden van paden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

  • f.

    het aanbrengen van oeverbeschoeiing, aanlegsteigers en/of golfbrekers, voor zover deze geen bouwwerken zijn;

  • g.

    het aanbrengen van dagrecreatieve voorzieningen;

  • h.

    het aanleggen van ondergrondse en bovengrondse transport-, energie- en/of telecommunicatieleidingen.

Artikel 5.6 Vergunningvrije gevallen aanlegactiviteit gewijzigde natuurinrichting werken en/of werkzaamheden

De in artikel 5.5 genoemde omgevingsvergunningplicht geldt niet voor werken en/of werkzaamheden:

  • a.

    die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van het project als bedoeld in het Projectbesluit Westveen;

  • b.

    die tot het normale onderhoud en beheer worden gerekend, niet met inbegrip van achterstallig onderhoud;

  • c.

    die op het tijdstip van de inwerkingtreding van het Omgevingsplan Nieuwkoop in uitvoering waren of waarvoor op dat tijdstip reeds een vergunning was verleend.

Artikel 5.7 Beoordelingsregels vergunningplichtige activiteit gewijzigde natuurinrichting werken en/of werkzaamheden

De in artikel 5.5 genoemde omgevingsvergunning kan alleen worden verleend indien de in artikel 3.3 onder a en b genoemde natuur- en landschapswaarden of de ecologische verbindingsfunctie niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 5.8 Aanvraagvereisten vergunningplichtige activiteit gewijzigde natuurinrichting werken en/of werkzaamheden

Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een omschrijving van de te verrichten activiteit(en);

  • b.

    advies van het waterschap of hoogheemraadschap in geval van een aanvraag voor het dempen, (ver)graven, verdiepen, waaronder baggeren, en/of verbreden van sloten en/of andere watergangen;

  • c.

    andere informatie die noodzakelijk is voor de toetsing van de aanvraag.

Hoofdstuk 6 Overgangsrecht

Artikel 6.1 Toepassingsbereik

De regels in deze afdeling zijn van toepassing binnen de Polder Westveen

Artikel 6.2 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

  • 1.

    Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het vaststellingsbesluit van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd, dan wel na het tenietgaan als gevolg van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan en op voorwaarde dat het bouwwerk op dezelfde locatie wordt vernieuwd of veranderd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk, maar die zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd zijn met het voorheen geldende bestemmingsplan, met inbegrip van de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 6.3 Overgangsrecht bestaande gebruiksactiviteiten

  • 1.

    De gebruiksactiviteiten die worden verricht op het moment voorafgaand aan inwerkingtreding van dit hoofdstuk en die in strijd zijn met het omgevingsplan mogen worden voortgezet, tenzij deze na inwerkingtreding van dit hoofdstuk, langer dan een jaar zijn onderbroken.

  • 2.

    Gebruiksactiviteiten die met het omgevingsplan in strijd zijn, worden niet veranderd in andere strijdige gebruiksactiviteiten, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

  • 3.

    In afwijking van het overgangsrecht op grond van het Omgevingsplan Nieuwkoop is de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf niet toegestaan, met uitzondering van de activiteiten die op grond van artikel 3.3, onder e zijn toegelaten.

Bijlage Informatieobjecten

Toelichting

Algemene toelichting

Aanleiding natuurontwikkeling Westveen

De Provincie Zuid-Holland wil de polder Westveen geschikt maken voor de ontwikkeling van nieuwe natuur. Het gaat daarbij om natuurtypen kruiden- en faunarijk grasland, veenmoeras en nat schraalland. Daarnaast komen er ook natuurvriendelijke oevers. Het doel van de aanleg van deze natuur is de versterking van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Provincie Zuid-Holland heeft voor de verwezenlijking van deze doelen het projectbesluit Westveen opgesteld. Dit projectbesluit wijzigt de regels van het Omgevingsplan van de gemeente Nieuwkoop. Dit tijdelijk regelingdeel is de wijziging van het omgevingsplan.

Wettelijke procedure

Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland stellen op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet (Ow), het Projectbesluit Westveen vast. Voor het vaststellen van een projectbesluit is gekozen, omdat op grond van de Omgevingswet daarmee op doelmatige en doeltreffende wijze uitvoering kan geven aan de doelen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn.

Het projectbesluit wijzigt het gemeentelijke omgevingsplan met regels die nodig zijn voor de uitvoering en instandhouding van het project. Het projectbesluit vormt tevens een mogelijke onteigeningsgrondslag voor het geval niet met alle belanghebbenden tot minnelijke overeenstemming wordt gekomen over het gebruik van hun perceel. 

Relatie met het omgevingsplan 

Een projectbesluit dient het omgevingsplan te wijzigen met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project (artikel 5.52 lid 1 Ow)​. Gedurende de overgangsfase waar nog sprake is van een tijdelijk en een nieuw deel van het omgevingsplan, geldt voor zover een projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, het als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 22.16, lid 1, Ow). Een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kent een aantal beperkingen. Het kan geen toegedeelde functies schrappen. De bestaande bestemmingen/functies uit het omgevingsplan blijven gelden (artikel 5.53 Ow). Ook kan het geen regels stellen over activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor het project. Denk bijvoorbeeld aan het verbod van schadelijke stoffen. En er kunnen bijvoorbeeld ook geen beperkingen worden gesteld aan de milieugebruiksruimte voor nabijgelegen bedrijven. Dit kan alleen worden geregeld met een wijziging van het omgevingsplan. Aangezien dat in het geval van het projectbesluit Westveen noodzakelijk is voor het behalen van de natuurdoelstellingen, bevat het projectbesluit ook een artikel die ziet op wijziging van het omgevingsplan. De provincie Zuid-Holland heeft met het projectbesluit Westveen er daarom voor gekozen om het omgevingsplan direct te wijzigen door tijdelijk regelingdeel aan het omgevingsplan toe te voegen. 

Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan van de gemeente met regels die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project. De gewijzigde regels van het omgevingsplan zijn opgenomen in dit tijdelijk regelingdeel van het projectbesluit. Ze komen beschikbaar met het bekendmaken van het projectbesluit. 

Door het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet en het Invoeringsbesluit Omgevingswet is een (ander) tijdelijk deel van het omgevingsplan ontstaan. Dit tijdelijk deel bestaat uit de op dat moment geldende bestemmingsplannen en daarmee vergelijkbare instrumenten (waaronder inpassingsplannen) en uit de bruidsschat (voormalige landelijke regels van het Rijk). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan om te zetten naar een nieuw deel van het omgevingsplan. 

De gemeente Nieuwkoop heeft op het moment van vaststelling van dit projectbesluit geen omgevingsplan dat volledig voldoet aan de publicatiestandaarden die voortvloeien uit het stelsel van de Omgevingswet (ook wel genoemd ‘omgevingsplan van rechtswege’). Om die reden is de noodzakelijke planologische wijziging voor het uitvoeren en in stand houden van het project Polder Westveen, bewerkstelligd door dit zogenoemd tijdelijk regelingdeel toe te voegen aan het omgevingsplan. 

Dit tijdelijk regelingendeel wijzigt het Omgevingsplan gemeente Nieuwkoop op de volgende onderdelen:

  • 1.

    De gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de huidige bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’ en ‘Natuur’ uit het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Nieuwkoop, 1e herziening’ binnen het projectgebied krijgen de functie ‘Natuur – Westveen’.

  • 2.

    Binnen de functie ‘Natuur – Westveen maatwerkpercelen’ zijn overige activiteiten toegestaan die het behalen van de natuurdoelstellingen niet belemmeren.

  • 3.

    Binnen het gehele projectgebied worden activiteiten die het behalen van de natuurdoelstellingen belemmeren, zoals het gebruik van mest en pesticiden, verboden.

  • 4.

    Binnen het gehele projectgebied worden activiteiten die op basis van het omgevingsplan van rechtswege zijn toegestaan (voortgezet gebruik) en het behalen van de natuurdoelstellingen belemmeren, verboden.

Artikelgewijze toelichting

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Artikel 1.2 Toepassing begripsbepalingen

De definities die gelden op basis va de op de Omgevingswet gebaseerde AMvB’s worden van toepassing verklaard. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid is ervoor gekozen om de begripsbepalingen die relevant zijn hieronder weer te geven:

  • 1.

    Biocide: biocide als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onder a, in samenhang gelezen met c, van Veror- dening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en gebruiken van biociden (Verordening 528/2012).

  • 2.

    Gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van Ver- ordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309).

  • 3.

    Landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren.

  • 4.

    Meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de Meststoffenwet.

In artikel 1.3 zijn aanvullende begripsbepalingen opgenomen.

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

§ 1.1 Aanleiding natuurontwikkeling Westveen

De Provincie Zuid-Holland wil de polder Westveen geschikt maken voor de ontwikkeling van nieuwe natuur. Het gaat daarbij om natuurtypen kruiden- en faunarijk grasland, veenmoeras en nat schraalland. Daarnaast komen er ook natuurvriendelijke oevers. Het doel van de aanleg van deze natuur is de versterking van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. 

Een projectbesluit is een instrument dat zich leent om (vaak) complexe projecten met een publiek belang mogelijk te maken. In een aantal gevallen is een projectbesluit verplicht. Een natuurontwikkeling zoals in polder Westveen is geen verplicht aangewezen geval vanuit de Omgevingswet. Een projectbesluit voor de beoogde natuurontwikkeling in Westveen is dus niet verplicht. Het huidige bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Nieuwkoop’ (thans van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan Nieuwkoop) biedt echter geen passend juridisch-planologisch kader voor de realisatie van deze natuurontwikkeling. Daarom is dit projectbesluit opgesteld, waarmee het publieke belang van de versterking van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck in de polder Westveen kan worden geborgd. 

§ 1.2 Inhoud en doel projectbesluit

Het projectbesluit bestaat uit twee delen: het besluit en de regeling. Een motivering van de overwegingen maakt als bijlage onderdeel uit van het besluit. Dit document omvat deze motivering. Hierin is een inhoudelijke beschrijving van het project, de motivering van de nut en noodzaak, beschrijving van doorlopen participatieproces en een toelichting van de mogelijke gevolgen voor het milieu gebaseerd op de uitgevoerde onderzoeken opgenomen. De regeling omvat het juridisch plangedeelte inclusief een geografisch vastgelegd projectgebied.

Afbeelding 0-1 Overzicht inhoud en doel projectbesluit
Figuur 0-1 Inhoud en doel Projectbesluit

Dit document bevat de motivering voor het Projectbesluit Westveen en heeft betrekking op het versterken van de natuur als onderdeel van de doelstellingen voor het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Het projectgebied omvat het gebied waar het projectbesluit betrekking op heeft, dat wil zeggen het gebied waar voor het realiseren van de natuurdoelstellingen in Westveen tijdelijke en permanente maatregelen zullen worden genomen en waar de werkzaamheden gaan plaatsvinden. Hier vallen bijvoorbeeld ook de mitigerende en compenserende maatregelen onder (maar evt. ook andere kleinschalige ontwikkelingen in het gebied). Figuur 1‑1 geeft globaal het gebied weer waar dit projectbesluit betrekking op heeft. De exacte grenzen van het projectgebied zijn vastgesteld in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO).

Afbeelding 1-1 Globale ligging plangebied Polder Westveen
Figuur 1 1 Globale ligging plangebied Polder Westveen

§ 1.3 Leeswijzer

Dit document bevat de motivering voor het Projectbesluit Westveen met de bijbehorende bijlagen (waaronder een begrippenlijst). 

Het document biedt een compleet overzicht van het besluitvormingsproces en het project. Hoofdstuk 2 beschrijft het project. Hoofdstuk 3 beschrijft de wettelijk procedure van het projectbesluit. In hoofdstuk 4 wordt de verkenning, participatieproces, zienswijzen en de belangenafweging behandelt. Hoofdstuk 5 behandelt het projectbesluit, de gekozen oplossingsrichting en daarbij behorende ecologische motivering. Hoofdstuk 6 beschrijft de toetsing aan geldende wetgeving en beleid. Hoofdstuk 7 gaat in op effecten op de leefomgeving. Hoofdstuk 8 gaat in op de uitvoerbaarheid van het projectbesluit. Hoofdstuk 9 richt zich op de regelingen voor schadevergoeding en nadeelcompensatie. 

Hoofdstuk 2 Polder Westveen

Polder Westveen ligt in de gemeente Nieuwkoop, tussen de Nieuwkoopse Plassen, de Noordse Buurt, de Kromme Mijdrecht en de kern Woerdense Verlaat. Het gebied heeft een oppervlakte van ongeveer 87 hectare. In Figuur 2‑1 is een luchtfoto van het gebied weergegeven.

Afbeelding 2-1_Luchtfoto_van_polder_Westveen
Figuur 2 1 Luchtfoto van polder Westveen

§ 2.1 Huidige functies en waarden

Een aanzienlijk deel van het gebied is in eigendom van Vereniging Natuurmonumenten. De overige percelen zijn in eigendom van particulieren en een agrarisch bedrijf. Het landgebruik is voornamelijk agrarisch en natuur. Buiten de woonkavels bestaan de meeste particuliere percelen uit grasland, waarop op extensieve wijze hobbymatig graasdieren worden gehouden. Op enkele particuliere percelen bevindt zich (tevens) hoog- en laagveenbos. In het noorden van de polder, buiten het plangebied, bevinden zich twee recreatieparken, Madeira en De Visotter.

Aan de noordzijde ingeklemd tussen recreatiepark ‘De Visotter’ en de eigendommen van Natuurmonumenten is als natuur ingericht particulier eigendom van 18 hectare aanwezig. Aan de zuidzijde van de polder is de kern Woerdense Verlaat en aan de westzijde bevindt zich lintbebouwing langs de Uitweg. Ruim een kwart van het gebied bestaat uit open water.

Landschap en cultuurhistorie

Polder Westveen is een veenweidepolder en maakt onderdeel uit van de veenweidegebieden in het Hollands Plassengebied/Groene Hart. Internationaal staan deze veenweidepolders bekend als unieke en karakteristieke Nederlandse landschappen. Het veenweidelandschap van Westveen is in de laatste eeuwen nauwelijks veranderd en daardoor een echt historisch landschap.

Westveen heeft een slagenlandschap, dat dooraderd is met sloten, die hier en daar plasjes vormen, en met bospercelen, die werken als coulissen. Daardoor heeft het gebied grotendeels een kleinschalig en tamelijk besloten karakter. De ontginningsstructuur van polder Westveen is nog goed te herkennen. Duidelijk zichtbaar vanaf de kade langs de Kromme Mijdrecht is de knik in de verkaveling. De rivier de Kromme Mijdrecht, de polderkade, de strokenverkaveling en de Westveense Molen zijn kenmerkende elementen van dit veenweidelandschap.

Molenbiotoop

Binnen het projectgebied komt een molenbiotoop voor. Het betreft de Westveense Molen; een poldermolen uit 1676. De molen is destijds gebouwd ten behoeve van de bemaling van de polder Westveen. Nu heeft de molen waterstaatkundig nog maar een zeer beperkte functie; in overleg met het waterschap wordt bij een neerslagoverschot in de polder de molen ingezet om een bijdrage te leveren aan het wegpompen van het overschot aan water naar de Kromme Mijdrecht.

De molen vormt een eenheid met de polder en is vanwege het open karakter van het zuidelijk deel van de polder vanuit de kern Woerdense Verlaat goed waarneembaar. De vrijwaringszones binnen 100 meter en 400 meter afstand van de Westveense Molen, zoals ook vastgelegd in het huidige bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Nieuwkoop’ (van rechtswege onderdeel van het omgevingsplan gemeente Nieuwkoop), beslaan een groot deel van de polder. 

Hiervoor zijn de volgende bepalingen van kracht:

  • binnen een straal van 100 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wiek;

  • binnen een straal van 100 tot 400 meter, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, mag geen nieuwe bebouwing worden opgericht of beplanting aanwezig zijn, hoger dan 1/100 van de afstand tussen het bouwwerk of de beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend vanaf de onderste punt van de verticaal staande wiek.

Er is een hoogteverschil van ongeveer 2 m tussen het laagste punt van de molenwieken en het maaiveld op het naastliggende perceel. Binnen 100 meter afstand van de molen mag een eventuele opgaande vegetatie (zoals een ruigte-oever) dus maximaal 2 m hoog zijn.

Natura 2000

Polder Westveen maakt deel uit van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck

(zie ook https://www.natura2000.nl/gebieden/zuid-holland/nieuwkoopse-plassen-de-haeck). Voor dit Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor een aantal habitattypen die karakteristiek zijn voor het laagveengebied zoals Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden (H3150), Blauwgraslanden (H6410), Ruigten en zomen (H6430) en Hoogveenbossen (H91D0), en daarnaast voor het leefgebied van een aantal diersoorten, waaronder de smient, purperreiger, grote zilverreiger, zwarte stern, noordse woelmuis en gestreepte waterroofkever.

Natuurnetwerk Nederland

Polder Westveen maakt ook deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het NNN is verankerd in de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland hebben in overeenstemming met artikel 1.3 van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer Zuid-Holland 2016 op 21 mei 2024 het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2025 vastgesteld. In het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2025 is voor de hele provincie aangeven waar nieuwe natuur moet komen, waar welk (agrarisch) natuurbeheer mogelijk is en welk type landschap waar gewenst is. Het plan wordt jaarlijks herijkt. De subsidieverlening voor natuurbeheer in de provincie Zuid-Holland vindt plaats op basis van de Subsidieregeling Natuur- en Landschapsbeheer (SNL). In het Natuurbeheerplan staan de doelen en ambities beschreven die als basis dienen voor deze subsidieregeling. 

Binnen polder Westveen komen, conform de ambitiekaart 2025 van provincie Zuid-Holland, de natuurbeheertypen zoete plas (N04.02), veenmoeras (N05.03), nat schraalland (N10.01), vochtig hooiland (N10.02), kruiden- en faunarijk grasland (N12.02) en hoog- en laagveenbos (N14.02) voor. In het zuidelijk deel van polder Westveen zijn momenteel geen natuurbeheertypen opgenomen, maar op de ambitiekaart is hier wel de ontwikkeling van verschillende natuurbeheertypen voorzien. 

§ 2.2 Opgave realisatie Natura 2000-doelstellingen

Sinds 2016 zijn voor Polder Westveen doelen in beeld ten aanzien van de realisatie van Natura 2000-doelen en voltooiing van het NNN. 

Deze doelen zijn:

  • 1.

    Het leveren van een bijdrage aan de realisatie van drie instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck, waarvan Westveen deel uitmaakt, te weten het behoud van de omvang en de kwaliteit van het leefgebied van de purperreiger, grote zilverreiger respectievelijk smient door versterking van hun leefgebied;

  • 2.

    Het uitvoeren van ontsnipperingsmaatregelen voor het leefgebied van de otter (geen instandhoudingsdoelstelling van dit Natura 2000-gebied).

Met betrekking tot het eerste doel geldt dat voor het gehele Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen en De Haeck het Rijk in totaal 27 instandhoudingsdoelstellingen heeft bepaald, die alle neerkomen op het behoud of de uitbreiding van de populatie en/of (de kwaliteit van) het leefgebied van zeldzame soorten planten of dieren. De realisatie van deze instandhoudingsdoelstellingen heeft de provincie Zuid-Holland samen met regiogemeenten en maatschappelijke groeperingen uitgewerkt in een beheerplan voor het Natura 2000-gebied. Waar in dat gebied bepaalde instandhoudingsdoelstellingen het beste kunnen worden gerealiseerd, hangt af van het feit of genoemde soorten op bepaalde plaatsen al voorkomen en/of ontwikkelingskansen hebben. Hierdoor is een selectie van drie instandhoudingsdoelstellingen ontstaan. Wat het tweede doel betreft: er zijn onder de drukke N463 (Uitweg) drie faunapassages voor otters aangelegd. Middels inrichting van Westveen wordt aangesloten op verbindingen die het otters mogelijk maken door Westveen via de Kromme Mijdrecht naar de Wilnisse Bovenlanden te trekken.

Specifieke doelen

Op basis van het Voorontwerp uitwerking Ambitiekaart Natuurbeheerplan 2016 voor Westveen en het Voorontwerp watersysteemmaatregelen ter verbetering van de waterkwaliteit in Polder Westveen, zijn destijds de volgende doelen binnen Westveen bepaald:

  • Het ontwikkelen van de natuurtypen kruiden- en faunarijk grasland (inclusief natuurvriendelijke oevers) en behoud van hoog- en laagveenbos (als Natura 2000-doelstelling), op de ca. 17 hectare nog niet als natuur ingerichte gronden van particuliere eigenaren;

  • Voor de otterverbindingen: het aanleggen van (veen)moeras en natuurvriendelijke oevers (NNN);

  • Het geven van een kwaliteitsimpuls aan de natuur door verbetering van de waterkwaliteit.

Aanleiding aanvullende doelen en onderzoeken

Tevens is in dat jaar besloten tot het uitvoeren van nader onderzoek naar maatregelen tot waterkwaliteitsverbetering en een onderzoek naar de potenties van Westveen voor nat schraalland.

In 2018 is ambtelijk het besef ontstaan dat er in Westveen meer natuurontwikkeling mogelijk en nodig is dan alleen de inrichting van de bovengenoemde 17 hectare en die van otterverbindingen. 

Besloten is het volgende nader te laten onderzoeken:

  • Het belang, de mogelijkheden en het draagvlak van natuurontwikkeling in het gehele zuidelijke deel (ca. 19 hectare grasland) van Westveen, afgemeten aan de potenties voor nat schraalland (of anders vochtig hooiland) en het belang van het zuidelijke deel voor de natuurontwikkeling respectievelijk de verbetering van de waterkwaliteit in de rest van Westveen;

  • Het nut van het verbeteren van de inrichting van de percelen die in eigendom zijn bij Natuurmonumenten (ca. 29 hectare) en die reeds als natuur (kruiden- en faunarijk grasland) worden beheerd. Natuurmonumenten heeft aangegeven een kwaliteitsverbetering op deze percelen zeer wenselijk te vinden;

  • De mogelijkheden om in Westveen ook de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen voor de zwarte stern respectievelijk gestreepte waterroofkever te helpen realiseren, afgemeten aan de verbetering van de waterkwaliteit die in Westveen kan worden bereikt;

  • De mogelijkheden om in Westveen ook de Natura 2000-instandhoudingsdoelstelling voor de noordse woelmuis te helpen realiseren.

Aanvullende doelen

Uit de onderzoeken zoals voorgaand benoemd, zijn de volgende aanvullende doelen voor het project Westveen voortgekomen, als onderdeel van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen:

  • Ontwikkeling leefgebied gestreepte waterroofkever (water- en oevervegetatie, helder water) en noordse woelmuis (moeras, nat structuurrijk schraalland);

  • Versterking leefgebied (foerageergebied) zwarte stern (helder water, vis, grote insecten);

  • De ontwikkeling van nat schraalland.

§ 2.3 Inrichting en beheer

Het is de wettelijke taak van Provincie Zuid-Holland om de bescherming van natuurgebieden, zoals Natura 2000-gebieden, te waarborgen en het beheer en onderhoud uit te voeren. Een deel van de in te richten percelen in het projectgebied Polder Westveen is in eigendom van Natuurmonumenten, welke al met het oogmerk ‘natuur’ worden beheerd en/of hier nader voor zullen worden ingericht. Daarnaast liggen er in het projectgebied Polder Westveen ook eigendommen van particulieren. Deze particulieren hebben de mogelijkheid om middels zelfrealisatie de natuurdoelen te ontwikkelen die voor hun eigendom zijn geformuleerd. Om de noodzakelijke inrichtingsmaatregelen te financieren, staat voor hen de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL) ter beschikking (die wordt uitgevoerd door de provincie). Als particulier natuurbeheerder kunnen zij een beroep doen op het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL), waarmee het beheer kan worden gefinancierd.

§ 2.4 Andere ontwikkelingen in het gebied

In en rondom de omgeving van het projectgebied zijn geen relevante ontwikkelingen aanwezig waar koppelkansen mee gecreëerd kunnen worden.

Hoofdstuk 3 Procedure projectbesluit

§ 3.1 Wettelijke procedure

De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zuid-Holland stellen op grond van artikel 5.44, eerste lid van de Omgevingswet (Ow), het Projectbesluit Westveen vast. Voor het vaststellen van een projectbesluit is gekozen omdat op grond van de Omgevingswet daarmee op doelmatige en doeltreffende wijze uitvoering kan geven aan de doelen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn.  

Het projectbesluit wijzigt het gemeentelijke omgevingsplan met regels die nodig zijn voor de uitvoering en instandhouding van het project. Het projectbesluit vormt tevens een mogelijke onteigeningsgrondslag voor het geval niet met alle belanghebbenden tot minnelijke overeenstemming wordt gekomen over het gebruik van hun perceel. Het projectbesluit kan ook gaan gelden als een omgevingsvergunning. De noodzaak daartoe moet nog worden bepaald.  

Procedure 

Volgens de Omgevingswet start de procedure om te komen tot het vaststellen van een projectbesluit met het bekendmaken van een kennisgeving voornemen en een kennisgeving participatie. Dit houdt in dat in het kader van de voorbereiding van het projectbesluit een verkenning moet hebben plaatsgevonden waarbij inzichten en kennis zijn vergaard over de aard van (in dit geval) de natuurontwikkeling in het kader van de Natura 2000-opgave, de voor de fysieke leefomgeving relevante ontwikkelingen en de mogelijke oplossingen voor deze opgave. 

De Provincie heeft op 15 augustus 2024 in het Provinciaal Blad een kennisgeving geplaatst om te laten weten dat Gedeputeerde Staten voornemens zijn om een (aanvullende) verkenning uit te voeren naar de opgave in de polder Westveen en dat voorafgaand aan het vaststellen van het projectbesluit geen voorkeursbeslissing wordt genomen. De kennisgeving bevatte een beknopte beschrijving van de opgave en een link naar het definitief ontwerp (DO 1.0 d.d. 22 april 2024) waarin de opgave uitgebreider is toegelicht (artikel 5.2 Omgevingsbesluit). Gelijktijdig met de kennisgeving van het voornemen is het doorlopen participatieproces gepubliceerd (artikel 5.3 Omgevingsbesluit). In het participatieplan is aangegeven hoe, waarover en wanneer inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de aanvullende verkenning worden betrokken en wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer (beiden Gedeputeerde Staten).  

Het projectteam van de Provincie heeft voor Gedeputeerde Staten kennis en inzichten vergaard over de aard van de opgave, de voor de fysieke leefomgeving relevante ontwikkelingen en mogelijk oplossingen voor de opgave. Tevens is een (aanvullende) mer-beoordelingsnotitie opgesteld, waarmee de provincie Zuid-Holland (als initiatiefnemer) haar voornemen schriftelijk heeft gemeld bij Gedeputeerde Staten als bevoegd gezag en tegelijkertijd de informatie verschafte die het college nodig had om te bepalen of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Vervolgens hebben Gedeputeerde Staten een besluit genomen of de voorgedragen oplossingen uit de aanvullende verkenning in beschouwing moesten worden genomen en of de opgestelde mer-beoordeling aanleiding geeft om bij de voorbereiding van het projectbesluit (alsnog) een milieueffectrapport (MER) te maken. 

Een ontwerp-projectbesluit is opgesteld, waarin de (toekomstige) regels staan die nodig zijn voor het uitvoeren en in stand houden van het project polder Westveen. Zo nodig worden hiermee de regels van het gemeentelijke omgevingsplan gewijzigd. De mer-beoordeling en het besluit erover zijn verwerkt in het ontwerp-projectbesluit.  

Tijdens de verplichte terinzagelegging van het ontwerp-projectbesluit (gedurende zes weken) konden zienswijzen op het ontwerp-projectbesluit worden ingediend. Deze ingediende zienswijzen zijn bij de besluitvorming over het definitieve projectbesluit betrokken. 

Het definitieve projectbesluit bevat dezelfde inhoudelijke onderwerpen als het ontwerp-projectbesluit. Daarnaast bevat het projectbesluit een beschrijving van het doorlopen participatieproces en hoe eventuele zienswijzen zijn verwerkt. Na de vaststelling volgt bekendmaking (via een kennisgeving en terinzagelegging van het vastgestelde projectbesluit). Daarna volgt de mogelijkheid voor belanghebbenden tot het indienen van beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.  

Inhoud 

Het projectbesluit bestaat uit een inhoudelijke beschrijving van het project, relevante permanente en tijdelijke maatregelen en voorzieningen, de resultaten van de uitgevoerde (aanvullende) verkenning inclusief voorgedragen oplossingen en uitgebrachte adviezen, de motivering van de nut en noodzaak van de natuurdoelen, beschrijving van het tot dan toe doorlopen participatieproces, een juridisch plangedeelte en een toelichting van de mogelijke gevolgen voor het milieu gebaseerd op de uitgevoerde onderzoeken en de mer-beoordelingsnotitie (artikel 5.51 Ow jo. 5.6 Omgevingsbesluit). Ook het ruimtelijk kwaliteitskader maakt onderdeel uit van het projectbesluit. Het projectbesluit wijzigt onder meer het gemeentelijke omgevingsplan met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project, maar kan ook zelf gelden als een omgevingsvergunning voor activiteiten ter uitvoering van het projectbesluit.  

Bij de detaillering van het projectbesluit zal zo nodig onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende beoogde en bestaande gebiedstypen/natuurbeheertypen binnen het projectgebied. Deze natuurbeheertypen zijn ook opgenomen in het ruimtelijk kwaliteitskader. Voor de percelen van particuliere grondeigenaren zal maatwerk worden toegepast en onderscheid wordt gemaakt naar functies voor zover noodzakelijk voor de vastlegging van de toegestane activiteiten op de maatwerkpercelen. 

Passende beoordeling 

De herinrichting van polder Westveen houdt direct verband met het beheer en het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura-2000 gebied de Nieuwkoopse Plassen & Haeck. Het project ondersteunt het behalen van de in het beheerplan opgenomen instandhoudingsdoelstellingen. Met het oog hierop heeft de Omgevingsdienst Haaglanden op 12 juni 2023 een bestuurlijk rechtsoordeel afgegeven dat voor de beoogde activiteiten in het project Westveen geen vergunning inzake artikel 2.7 lid 2 Wet natuurbescherming (nu opgenomen in de Ow) benodigd is, omdat het project direct verband houdt met het beheer en het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Daarmee is het geen plan of project in de zin van artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Gelet op dit oordeel, geldt er eveneens geen noodzaak om voor het onderhavige projectbesluit een passende beoordeling als bedoeld in artikel 16.53c Ow op te stellen, en in samenhang daarmee, een milieueffectrapport als bedoeld in artikel 16.36 lid 2 Ow. 

Relatie met het omgevingsplan 

Een projectbesluit dient het omgevingsplan te wijzigen met regels die nodig zijn voor het uitvoeren en in werking hebben of in stand houden van het project (artikel 5.52 lid 1 Ow)​. Gedurende de overgangsfase waar nog sprake is van een tijdelijk en een nieuw deel van het omgevingsplan, geldt voor zover een projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, het als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 5.52 lid 2 Ow). Een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kent een aantal beperkingen. Het kan geen toegedeelde functies schrappen. De bestaande bestemmingen/functies uit het omgevingsplan blijven gelden (artikel 5.53 Ow). Ook kan het geen regels stellen over activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor het project. Dit kan alleen worden geregeld met een wijziging van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag voor het projectbesluit Westveen heeft er daarom voor gekozen om het omgevingsplan direct te wijzigen met het projectbesluit door een tijdelijk regelingdeel aan het omgevingsplan toe te voegen.  

Met het element tijdelijk regelingdeel kan het bevoegd gezag met het projectbesluit de wijzigingen van het omgevingsplan invoegen in een apart deel van het nieuwe deel van het omgevingsplan. In het tijdelijk regelingdeel geeft het bevoegd gezag duidelijk aan wat de verhouding is met de overige regels van het omgevingsplan. De regels in het tijdelijk regelingdeel wijken inhoudelijk immers af van de overige regels van het omgevingsplan. Een voorrangsbepaling voorkomt regelconflicten. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 5.5. 

Instructieregels 

Voor de Minister van Infrastructuur en Waterstaat geldt bij het vaststellen van het projectbesluit een aantal instructieregels vanuit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit zijn regels die gaan over de inhoud of motivering van het vast te stellen besluit. Deze instructieregels staan in de volgende paragrafen en artikelen van het Bkl: de paragrafen 5.1.1 en 5.1.2, artikel 5.37, paragraaf 5.1.4, de artikelen 5.129d, eerste lid, onder a en g, en 5.129e, eerste en tweede lid, de paragrafen 5.1.5.5, 5.1.7a en 5.1.8 en artikel 5.165. Deze regels schrijven voor dat het projectbesluit moet worden getoetst aan diverse aspecten van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld de aspecten natuur, water en bodem.

§ 3.2 Projectbesluit en coördinatie hoofdvergunningen

Voor de realisatie van het project zijn tevens diverse vergunningen nodig. Voor vergunningen die zien op bepaalde wateractiviteiten is het, conform artikel 16.7, eerste lid, onder a en b, Ow in sommige gevallen verplicht om daarvoor de coördinatieregeling uit afdeling 3.5 Awb toe te passen. Voor de overige benodigde vergunningen kunnen Gedeputeerde Staten – als bevoegd gezag voor het projectbesluit – bepalen dat artikel 16.7 Ow en afdeling 3.5 Awb van toepassing is op de coördinatie van de besluiten ter uitvoering van het projectbesluit.  

Gedeputeerde Staten hebben op 9 juni 2025 besloten over de toepassing van de coördinatieregeling. Aangezien de vrijwillige toepassing van de coördinatieregeling bij een projectbesluit voortvloeit uit een wettelijk voorschrift waarin het coördinerend bestuursorgaan al door de wetgever is aangewezen (art. 5.45, lid 3 Ow) is er geen instemming vereist van de andere bestuursorganen (college van B&W van de gemeente Nieuwkoop en het Dagelijks bestuur van het Waterschap Amstel Gooi en Vecht). Gelet op de beoogde samenwerking is het uiteraard wel wenselijk om vooraf met deze bestuursorganen te overleggen over de procedurele en organisatorische gevolgen van de toepassing van de CR. 

§ 3.3 Afwijkingsvergunning Westveen 1

Het project Westveen is verdeeld in twee fases: Westveen 1 en 2. Voor de werkzaamheden in Westveen 1 is vooruitlopend op dit projectbesluit een aparte omgevingsvergunning voor het handelen in strijd met de regels ruimtelijke ordening verleend. Deze vergunning geldt onder de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Bestaande vergunningen gaan van rechtswege over naar een omgevingsvergunning onder de Omgevingswet en voor Wabo‑vergunningen die op 1 januari 2024 nog in procedure waren, geldt dat deze (na het onherroepelijk worden) automatisch een omgevingsvergunning onder de Omgevingswet worden. Eventuele vergunningvoorschriften daaruit blijven van kracht. Dit is bepaald in artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet. In beginsel moet de gemeente deze BOPA binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden verwerken in het Omgevingsplan, maar in verband met de termijn tot het vaststellen van het definitieve omgevingsplan niet voor 2032.

Hoofdstuk 4 Verkenning en participatie

In de afgelopen jaren hebben voor de start van de procedure van dit projectbesluit diverse overleggen en keukentafelgesprekken met grondeigenaren en direct aanwonenden plaatsgevonden. Mede op basis van deze bijeenkomsten is het definitief ontwerp (DO 1.0) tot stand gekomen. 

Vanaf 2018 zijn er verkennende gesprekken gevoerd met de omgeving onder leiding van het programmabureau, waarin de provincie Zuid-Holland, de gemeente Nieuwkoop, uitvoeringsorganisatie Waternet en Vereniging Natuurmonumenten vertegenwoordigd zijn. Op 14 december 2022 besloten Provinciale Staten een projectbesluit op te stellen voor het project Westveen. Om de maatregelen uit te kunnen voeren voor het bereiken van de gewenste natuurdoelen in Westveen werden derhalve de gesprekken met de omgeving door de provincie voortgezet. Vanaf juli 2024 voert de provincie keukentafelgesprekken met de grondeigenaren. Hiermee krijgt het proces van zelfrealisatie en maatwerk vorm.

§ 4.1 Verkenning

Ondanks dat het project zich in gevorderd stadium bevond, is een (aanvullende) verkenning opgestart om te inventariseren welke maatregelen mogelijk zijn om de beoogde natuurdoelstellingen in Westveen te behalen. Gedeputeerde Staten (GS) vergaren hiermee kennis en inzichten over de aard van de opgave, de voor de fysieke leefomgeving relevante ontwikkelingen en mogelijk oplossingen voor de opgave. Voor het project polder Westveen is besloten om het DO 1.0 ter inzage te leggen en mensen uit te nodigen om daarop te reageren en/of aanvullende oplossingen aan te dragen

§ 4.2 Kennisgeving voornemen en participatie

De provincie Zuid-Holland plaatste een kennisgeving om te laten weten dat GS voornemens is om een (aanvullende) verkenning uit te voeren naar de opgave in de polder Westveen en dat voorafgaand aan het vaststellen van het projectbesluit geen voorkeursbeslissing wordt genomen. In sommige gevallen is dat verplicht, maar voor de herinrichting van de polder Westveen is dit niet het geval. De kennisgeving bevat een beknopte beschrijving van de opgave. In het definitief ontwerp (DO 1.0) wordt de opgave uitgebreider toegelicht. 

Gelijktijdig met de kennisgeving van het voornemen is het voorstel voor de participatie gepubliceerd. Hierin staat hoe, waarover en wanneer inwoners, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de aanvullende verkenning worden betrokken en wat de rol is van het bevoegd gezag en de initiatiefnemer (in dit geval beiden GS). In de kennisgeving staat dat iedereen in de gelegenheid wordt gesteld om te participeren en om mogelijke oplossingen aan te dragen voor de voorgenomen opgave.  

De kennisgeving is gepubliceerd op 15 augustus 2024 en de oorspronkelijke terinzagetermijn liep tot 25 september 2024. Deze termijn is eenmalig met twee weken verlengd tot 10 oktober 2024, omdat een link op de website van de provincie niet goed werkte.  

De kennisgeving is gepubliceerd in het provinciaal blad. De grondeigenaren in de omgeving van het projectgebied zijn per mail op de hoogte gesteld van de terinzagelegging en de eenmalige verlenging van deze termijn

§ 4.3 Participatieproces

Tijdens het opstellen van het definitief ontwerp (DO 1.0) heeft een intensief omgevingsproces plaatsgevonden. In 2022 en 2023 vond op meerdere momenten participatie over de natuurinrichting plaats. Op het DO 1.0 en het participatieplan dat bij de kennisgeving voornemen en participatie ter inzage lag, zijn twee reacties uit de omgeving en één ambtelijke reactie ontvangen. Na afweging van deze reacties is het DO 2.0 tot stand gekomen welke de gekozen oplossingsrichting vormt en is vastgelegd in dit projectbesluit. Op 9 en 12 februari 2026 vonden met de grondeigenaren gesprekken plaats over de inhoud van dit projectbesluit. Daarnaast was er op 26 februari 2026 een openbare inloopbijeenkomst op de Buitenplaats Kameryck. In onderstaande tabel vindt u een totaaloverzicht van de uitgevoerde participatie.

Tabel 4-1 Participatieoverzicht

Participatiestap

Van

Tot en met

Gesprekken met grondeigenaren

Verkennende gesprekken door de stuurgroep

2018

Februari 2024

Informatiebijeenkomst zelfrealisatie

 

Maart 2024

Keukentafelgesprekken zelfrealisatie en basisnatuurplannen

April 2024

Heden

Toelichting concept ontwerp projectbesluit in 1-op-1 gesprekken met eigenaren

 

Februari 2026

Informatiebijeenkomst voor bewoners over de plannen in Westveen (Westveen 1 en 2, projectbesluit en baggeren)

 

Februari 2026

Afstemming

8 adviesgroepbijeenkomsten

September 2022

Maart 2023

Adviesgroep bijeenkomst

 

Juli 2025

Inzet onafhankelijke gebiedsadviseur 

Oktober 2025

Heden

Afstemming met de gemeente Nieuwkoop

Januari 2024

Heden

Afstemming met het waterschap Amstel Gooi en Vechtstreek

Januari 2024

Heden

Publicaties ten behoeve van het projectbesluit

PS besluit Startnotitie Projectbesluit of provinciaal inpassingsplan Westveen

22 december 2022

 

Kennisgeving voornemen projectbesluit en participatie Westveen

15 augustus 2024

 

Kennisgeving provinciale coördinatieregeling project Westveen

25 september 2025

 

Samenwerking met gebiedspartners

Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland zijn initiatiefnemer en bevoegd gezag voor dit projectbesluit. Provincie Zuid-Holland werkt in dit project samen met meerdere gebiedspartners.  

Voor het ontwerpproces zijn de stuurgroep Veenweiden Gouwe Wiericke, projectgroep Westveen en adviesgroep Westveen opgesteld:

  • 1.

    De stuurgroep Veenweiden Gouwe Wiericke bestaat uit bestuurders van de gemeenten Bodegraven-Reeuwijk en Nieuwkoop en van de hoogheemraadschappen van Rijnland en de Stichtse Rijnlanden.

  • 2.

    De projectgroep Westveen bestaat uit het programmabureau (medewerkers van de provincie Zuid-Holland), de gemeente Nieuwkoop, uitvoeringsorganisatie Waternet en Vereniging Natuurmonumenten.

  • 3.

    De adviesgroep Westveen bestaat uit een vertegenwoordiging van grondeigenaren uit het gebied.

De stuurgroep Veenweiden Gouwe Wiericke nam de bestuurlijke besluiten rondom het definitief ontwerp (DO 1.0) voor de polder. De bestuurlijke stuurgroep wordt ondersteund door een ambtelijk programmabureau. Het programmabureau is verantwoordelijk voor het inhoudelijk (laten) opstellen van alle benodigde documenten. De adviesgroep Westveen is in het ontwerpproces betrokken geweest. 

Gesprekken met omwonenden

In Polder Westveen zijn de aanwezige percelen in eigendom van verschillende terreineigenaren, waaronder particulieren. Hiermee zijn meerdere keukentafelgesprekken gevoerd. Vanuit een deel van de particulieren is medewerking aan de herinrichting waar het (delen van) hun eigen percelen betreft niet vanzelfsprekend, omdat dit zou betekenen dat men over zou moeten gaan tot particulier natuurbeheer. Men vreest dat dit de gebruiksmogelijkheden van betreffende percelen te veel inperkt. Om het draagvlak voor de natuurinrichting te vergroten wil de provincie maatwerk mogelijk maken. Daarin wil de provincie tegemoetkomen aan de wensen die grondeigenaren hebben over het gebruik van hun percelen, zoals het houden van hobbydieren. Om dit mogelijk te maken is een aanvullende ecologische beoordeling uitgevoerd en vertaald naar de regeling van dit projectbesluit (zie paragraaf 5.3). 

§ 4.4 Zienswijzen

Van <datum> tot en met <datum> kunt u een zienswijze indienen op het ontwerpprojectbesluit. 

Gedeputeerde Staten betrekken de zienswijzen bij de verdere besluitvorming. Tegen het uiteindelijk vast te stellen projectbesluit kan een belanghebbende beroep instellen. Daarvoor is het niet verplicht dat een zienswijze op het ontwerp-projectbesluit is gegeven, maar dat is wel aan te raden, omdat dit het bevoegd gezag de mogelijkheid geeft om rekening te houden met uw zienswijze op het voorgestelde project. Voor nietbelanghebbenden geldt dat zij enkel beroep mogen instellen als zij wel een zienswijze hebben ingediend, dan wel als hen redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienswijze hebben ingediend tegen het ontwerp-Projectbesluit.

Hoofdstuk 5 Het projectbesluit

§ 5.1 Het projectgebied

Het projectgebied is het gebied waar het projectbesluit geografisch betrekking op heeft. Het projectgebied bestaat uit het gebied waarbinnen de permanente maatregelen en/of het toekomstig beheer en onderhoud plaatsvinden ten aanzien van de realisatie van Natura 2000-doelen en voltooiing van het NNN. De gronden die niet benodigd zijn voor het behalen van de natuurdoelstellingen, en die in het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied Nieuwkoop, 1e herziening’ zijn bestemd als onder andere ‘Wonen’, ‘Tuin - Onbebouwd’, ‘Bedrijf’ en ‘Recreatie – Verblijfsrecreatie’ vallen buiten de projectgrens van het projectbesluit. Bij de totstandkoming is rekening gehouden met zogenaamde maatwerkpercelen: de percelen van grondeigenaren waar de wens is om ook natuur te realiseren, maar waar ruimte is om af te wijken van de beoogde natuurinrichting zoals vastgelegd in het DO 2.0 zonder dat de natuurdoelen in het geding komen. Het gebied waarbinnen het project wordt uitgevoerd (projectgebied) is globaal weergegeven in Figuur 5‑1. 

De geografische informatieobjecten zijn opgenomen in bijlage I bij Bijlage A artikel I van de regeling. 

Afbeelding 5-1 Projectgebied Westveen
Figuur 5 1 Projectgebied Westveen

§ 5.2 Gekozen oplossingsrichting

In de periode tot aan december 2023 is toegewerkt naar een definitief ontwerp (DO 1.0), waarbij de omgeving is betrokken. Op basis van de natuurdoelstellingen voor Westveen en diverse onderzoeken is een inrichtingsplan gemaakt. Daarbij zijn ook verschillende inrichtingsvarianten van het watersysteem afgewogen. Het DO is opgenomen in Bijlage 1.  

Met de aanvullende verkenning, als onderdeel van de procedure van het projectbesluit, heeft dit DO 1.0 ter inzage gelegen en zijn vanuit de omgeving reacties ingediend (zie paragraaf 4.3). Na afweging van deze reacties is het DO 2.0 totstand gekomen welke de gekozen oplossingsrichting vormt. In Figuur 5‑2 is het gewenste eindbeeld weergegeven. De te nemen maatregelen zijn hierna verder omschreven. 

Afbeelding 5-2_Inrichtingsplan_Westveen
afbeelding binnen de regeling
Figuur 5 2 Inrichtingsplan Westveen
§ 5.2.1 Permanente maatregelen

Om de beschreven projectdoelstellingen te behalen zijn naast diverse beheermaatregelen, ook diverse werkzaamheden aan het watersysteem nodig. Deze omvatten onder andere het baggeren, het graven van nieuwe watergangen, het verwijderen van een watergang, het verwijderen van dammen, het aanbrengen van duikers in bestaande dammen en verwijderen van stuwtjes.  

Baggeren 

In totaal wordt ruim 88.000 m3 in het gebied gebaggerd. 

De baggerwerkzaamheden omvatten specifiek:

  • watergangen die breder zijn dan 8 meter te baggeren tot een waterkolom van 1 meter diepte;

  • een derde van de watergangen die smaller zijn dan 8 meter worden gebaggerd tot een waterkolom van 0,7 m diepte (in definitief schetsontwerp tot 0,6 m). Deze watergangen liggen in het noordelijk deel. Hier zal krabbenscheer worden uitgezet, die bagger nodig heeft om in de wintermaanden in te kunnen afzinken;

  • tweederde deel van de watergangen die smaller zijn dan 8 meter wordt gebaggerd tot de vaste bodem. Dit resulteert hier in een waterkolom van gemiddeld 1 meter diepte.

Inrichting watersysteem

Middels het graven van nieuwe watergangen, het verwijderen van een verlande watergang, verwijderen van dammen, aanbrengen van duikers (minimale diameter 600 mm, materiaal PE) in bestaande dammen en verwijderen van stuwtjes, wordt een doorgaande water aan- en afvoer gerealiseerd. Dit wordt gerealiseerd door waterscheidingen aan te brengen. In beginsel zijn de waterscheidingen voorzien als houten damwanden (dikte planken 6-8 cm). In een aantal gevallen zijn de waterscheidingen als vaste gronddam (bovenbreedte ca. 5 meter) voorzien omdat deze ook een functie als perceelontsluiting voor de eigenaren/beheerders/pachters in het gebied hebben. Dammen (bovenbreedte eveneens ca. 5 meter) met duikers zijn daarnaast in het watersysteem opgenomen wanneer deze nodig zijn als onderdeel van de beheerrouting en daarnaast doorstroombaar moeten zijn.

Westveense molen

De huidige reservebemalingsfunctie van de Westveense molen kan ongewijzigd blijven, omdat in het inrichtingsplan geen definitieve waterscheidingen in de zijwatergangen langs de Uitweg zijn aangebracht. Ook bij een toekomstig neerslagoverschot kan de molen bijspringen om de polder leeg te malen. Permanente inrichtingsmaatregelen zijn niet noodzakelijk.

Inrichting ten behoeve van natuurbeheertypen

Voor de ontwikkeling van nat schraalland in Westveen is plaggen noodzakelijk. Om het perceel beheerbaar te houden, wordt een perceel niet in zijn geheel geplagd maar resteert er een beheerstrook (die niet wordt geplagd, maar ook niet wordt opgehoogd). De beheerstrook is 5 m breed en bevindt zich steeds aan de noordzijde van het perceel. Omdat het belangrijk is dat neerslag kan afstromen wordt het perceel iets schuin geplagd (op één oor gelegd). Omdat het plagsel zo voedselrijk is, wordt het afgevoerd en niet gebruikt voor ophoging van het terrein in Westveen.

Overige maatregelen

Om een ongestoorde zone met “otter-eilanden” te realiseren worden twee watergangen gegraven door het bos op eigendom van Natuurmonumenten. Deze hebben een bovenbreedte van minimaal 4 m en een diepte tot minimaal NAP-2,90 m.

Recreatie

Het Pietersenpad wordt gedeeltelijk verplaatst. Het huidige oostelijke deel van het pad, dat dwars door graslandpercelen loopt, wordt zuidwaarts verplaatst langs het daar aanwezige bos en de verlande watergang. Het pad loopt vervolgens door langs de zuidkant van het daar aanwezige verruigde perceel, over het beheerpad van een nat schraallandperceel en sluit aan op het wandelpad langs de Kromme Mijdrecht. Door de verplaatsing wordt de verstoring van het open graslandgebied beperkt (waar nu het Pietersenpad gesitueerd is). Het trekpontje blijft op de huidige locatie gehandhaafd, maar zal wel worden vernieuwd. Op een aantal plaatsen langs de Kromme Mijdrecht worden bankjes geplaatst.

§ 5.2.2 Tijdelijke maatregelen en fasering

De inrichting van Westveen zal in twee fases uitgevoerd worden. Door het verschil van doorlooptijd in fase 1 en fase 2 wordt er op verschillende momenten baggerwerkzaamheden uitgevoerd. Een scheiding in het watersysteem is nodig om verspreiding van mest en pesticiden als gevolg van huidige gebruiksactiviteiten in het gebied tijdens de werkzaamheden te voorkomen. 

Fase 1 

Fase 1 betreft met name de uitvoering van werkzaamheden in het noordelijk deel van Westveen, ten noorden van de Dwarse Uitweg en een beperkt deel ten zuiden van deze weg (gerelateerd aan percelen van Natuurmonumenten). 

De voorziene werkzaamheden van fase 1 zijn de volgende:

  • inrichting weilanddepots in Noordse Buurt, dit betreft met name grondverzet waarbij de bovenlaag ter plaatse wordt verwijderd (toepassing vrijkomende grond in kades rondom weillanddepots en daarnaast elders in Noordse Buurt ten behoeve van inrichtingsmaatregelen in dat project);

  • conditionerende werkzaamheden voorafgaande aan baggerwerkzaamheden, waaronder: 

    • snoeien bomen ten behoeve bereikbaarheid baggeren; 

    • bepalen ‘blijf-af gebieden’ baggeren: ter plaatse van te beschermen objecten zoals beschoeiingen, vlonders maar ook waardevolle oevervegetatie;

  • baggeren watergangen: grotendeels hydraulisch met afzet naar Noordse Buurt (kwaliteit verspreidbaar en niet verspreidbaar); 

  • plaggen percelen nat schraalland en aanleg plasoevers. Indien mogelijk en bij voorkeur, behoudens sterk verontreinigde grond, afzet van de vrijkomende grond naar Noordse Buurt; 

  • realisatie overige inrichtingsmaatregelen zoals opgenomen op de inrichtingskaart van fase 1 (inclusief waterscheidingen tussenfase).

Fase 2

Fase 2 betreft met name de uitvoering van werkzaamheden in het zuidelijk deel van Westveen, ten zuiden van de Dwarse Uitweg. Het moment van uitvoering van deze werkzaamheden is gericht op een gerealiseerde natuuropgave uiterlijk in 2027. 

De voorziene werkzaamheden van fase 2 zijn de volgende:

  • conditionerende werkzaamheden voorafgaande aan baggerwerkzaamheden, waaronder:

  • snoeien bomen ten behoeve bereikbaarheid baggeren;

  • bepalen ‘blijf-af gebieden’ baggeren: ter plaatse van te beschermen objecten zoals beschoeiingen, vlonders maar ook waardevolle oevervegetatie;

  • baggeren zuidelijk deel Westveen, nadat bemesting defintief is beëindigd: grotendeels hydraulisch met afzet van de verspreidbare bagger naar Noordse Buurt (in nog aanwezige weilanddepot of direct verspreid op droge percelen in de moeraszone). De niet verspreidbare baggerspecie wordt afgezet naar een erkende verwerkingsinrichting.

  • aanleg plasoevers;

    realisatie overige inrichtingsmaatregelen zoals opgenomen op de inrichtingskaart van fase 2.

Na afronding van de werkzaamheden voor fase 2 worden de aangebrachte waterscheidingen, zoals opgenomen op de inrichtingskaart van fase 2, verwijderd.

§ 5.3 Ecologische onderbouwing

In Polder Westveen zijn de aanwezige percelen in eigendom van verschillende terreineigenaren, waaronder particulieren. Vanuit een deel van de particulieren is medewerking aan de herinrichting waar het (delen van) hun eigen percelen betreft niet vanzelfsprekend, omdat dit zou betekenen dat men over zou moeten gaan tot particulier natuurbeheer. Men vreest dat dit de gebruiksmogelijkheden van betreffende percelen te veel inperkt. Om het draagvlak voor de natuurinrichting te vergroten wil de provincie maatwerk mogelijk maken. Hierdoor is het de verwachting dat de realisatie op relatief korte termijn vorm kan krijgen.

Het maatwerk betreft de percelen van een deel van de particuliere eigenaren die hebben aangegeven hiervoor in aanmerking te willen komen, (deels) te bestempelen als maatwerkpercelen. Het idee van de maatwerkpercelen is om op deze percelen meer activiteiten toe te staan dan alleen het gebruik en het beheer van natuur zonder dat dit vanuit integraal perspectief de te behalen natuurdoelen schaadt. Primair dient de inrichting van deze percelen wel gericht te zijn op het halen van de doelen die in het DO 1.0 aan de betreffende percelen zijn meegegeven.

In een separate memo (Bijlage 2) is getoetst of het noodzakelijk is om de maatwerkpercelen in te richten en te beheren conform het DO 1.0 of dat op deze percelen een maatwerkoplossing vanuit ecologisch perspectief mogelijk is zonder dat het de natuurdoelen schaadt die aan Polder Westveen zijn meegegeven. 

Hieruit blijken de volgende conclusies:

  • 1.

    Er liggen drie beheertypen binnen de grenzen van de maatwerkpercelen. Dit zijn N12.02: Kruiden- en faunarijkgrasland, N14.02: Hoog- en laagveenbos en N04.02: Zoete plas.

  • 2.

    De ligging van de maatwerkpercelen vormt geen probleem voor het oppervlak van deze beheertypen. Er wordt in het gebied genoeg oppervlak en kwaliteit van de beheertypen gerealiseerd om bij te dragen de eigenstandige opgave ten aanzien van deze beheertypen en aan de voedselbeschikbaarheid en veiligheid van fauna die hier afhankelijk van is. Wel geldt voor de maatwerkpercelen met het beheertype Hoog- en laagveenbos dat hier geen kap mag plaatsvinden en geen exoten mogen worden aangeplant.

  • 3.

    De activiteiten op de maatwerkpercelen mogen de kwaliteit die hoort bij de beheertypen niet negatief beïnvloeden. Dit betekent dat binnen het projectgebied en ook op de maatwerkpercelen geen activiteiten mogen plaatsvinden zoals bemesting anders dan door beweiding, gebruik van bestrijdingsmiddelen en andere activiteiten die de waterkwaliteit (negatief) kunnen beïnvloeden. Primair dient de inrichting van deze percelen gericht te zijn op het halen van de doelen die in het DO 1.0 aan de betreffende percelen zijn meegegeven.

  • 4.

    De beheertypen Kruiden- en faunarijk grasland en Zoete plas binnen de maatwerkpercelen mogen niet worden onderbroken, zodat de verbindende functie voor fauna en tussen de beheertypen voldoende gewaarborgd blijft.

  • 5.

    De functie van de Kruidenrijke ruigten blijft voldoende gewaarborgd indien deze niet worden gerealiseerd binnen de maatwerkpercelen.

  • 6.

    Het niet realiseren van de voorziene plasoevers binnen de maatwerkpercelen aan de westzijde van de polder betekent een ecologisch relevante vermindering van de verbindende functie die deze hebben. De plasoevers buiten de maatwerkpercelen aan de westzijde zijn samen van onvoldoende omvang en hebben een onvoldoende ruimtelijke spreiding. Dit betekent dat plasoevers ook binnen de maatwerkpercelen gerealiseerd moeten worden.

Waar noodzakelijk zijn de conclusies uit deze onderbouwing vertaald naar de randvoorwaarden in bijlage A (RegelingVrijtekst) en bijlage B (TijdelijkRegelingdeel) van dit Projectbesluit.

§ 5.4 Ruimtelijk kwaliteitskader

In het DO zijn inrichtings- en beheermaatregelen opgenomen die effect hebben op het watersysteem, de natuur(beheer)typen, natuurvriendelijke oevers en recreatie. Om het karakter en de ruimtelijke kwaliteiten van Westveen ook na de inrichtingsmaatregelen te waarborgen, is een ruimtelijk kwaliteitskader opgesteld (Bijlage 3). Dit ruimtelijk kwaliteitskader (RKK) is een document waarin per natuurbeheertype de beoogde beeldkwaliteit van polder Westveen is beschreven. Hierbij is het DO uitgangspunt en daarmee maatgevend. Er is nadrukkelijk gekozen voor ‘ruimtelijk kwaliteitskader’, omdat kwaliteit een breed begrip is dat naast de beeldkwaliteit bijvoorbeeld ook de ecologische, recreatieve en gebruikskwaliteit van het gebied omvat. Het RKK vormt hiermee zowel een naslagwerk als de maatstaf voor de inrichting en het beheer van het projectgebied. Hierbij is er speciale aandacht voor de maatwerkpercelen nabij woningen die onderdeel zijn van het gebied. 

Huidig karakter

Polder Westveen is een veenweidepolder en maakt onderdeel uit van de veenweidegebieden in het Hollands Plassengebied/Groene Hart. Internationaal staan deze veenweidepolders bekend als unieke en karakteristieke Nederlandse landschappen. Het veenweidelandschap van Westveen is in de laatste eeuwen nauwelijks veranderd. Een echt historisch landschap. Westveen heeft een slagenlandschap, dat dooraderd is met sloten, die hier en daar plasjes vormen, en met bospercelen, die werken als coulissen. daardoor heeft het gebied grotendeels een kleinschalig en tamelijk besloten karakter. De ontginningsstructuur van polder Westveen is nog goed te herkennen. Duidelijk zichtbaar vanaf de kade langs de Kromme Mijdrecht is de knik in de verkaveling. Het riviertje De Kromme Mijdrecht, de polderkade, de strokenverkaveling en de Westveense molen zijn kenmerkende elementen van dit veenweidelandschap. 

Visie op ruimtelijke kwaliteit 

Om richting te geven aan de ruimtelijke kwaliteit, worden vijf leidende principes gebruikt:

  • 1.

    Behoud historisch patroon en beeld

  • 2.

    Watersysteem handhaven

  • 3.

    Hoog ambitieniveau natuur, inclusief monitoring

  • 4.

    Extensieve recreatie mogelijk, natuur ontzien

  • 5.

    Naburig gebruik passend binnen natuurambitie

Uitwerking per natuurbeheertype

De vijf bovengenoemde principes zijn per natuurbeheertype vertaald naar richtlijnen en eisen. Deze hebben betrekking op de inrichting, het beheer en het gebruik van elk type natuur. Daarnaast zijn er nog enkele eisen die niet rechtstreeks aan een van de natuurbeheertypen kunnen worden gekoppeld. Toch bepalen ze wel voor een belangrijk deel het ruimtelijk beeld van de polder en zijn ze belangrijk voor de wijze waarop grondeigenaren hun beheer kunnen uitvoeren. Deze eisen gaan namelijk over de vormgeving en materialisering van beheerpaden en -dammen. 

§ 5.5 Wijziging omgevingsplan

Het projectbesluit wijzigt het omgevingsplan van de gemeente met regels die nodig zijn voor het uitvoeren, in werking hebben of in stand houden van het project. De gewijzigde regels van het omgevingsplan zijn opgenomen in bijlage B (TijdelijkRegelingdeel) van dit projectbesluit. Ze komen beschikbaar met het bekendmaken van het projectbesluit.  

Door het overgangsrecht is een tijdelijk deel van het omgevingsplan ontstaan. Dit tijdelijk deel bestaat uit de op dat moment geldende bestemmingsplannen en daarmee vergelijkbare instrumenten (waaronder inpassingsplannen) en uit de bruidsschat (voormalige landelijke regels van het Rijk). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om het tijdelijk deel van het omgevingsplan om te zetten naar een nieuw deel van het omgevingsplan.  

In deze overgangsfase geldt dat het bevoegd gezag voor het projectbesluit het omgevingsplan nog niet hoeft te wijzigen, maar dat voor zover het projectbesluit in strijd is met het omgevingsplan, het projectbesluit dan geldt als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (artikel 22.16, lid 1, Omgevingswet). 

Een projectbesluit dat geldt als een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit kent een aantal beperkingen. Het kan geen toegedeelde functies schrappen. De bestaande bestemmingen/functies uit het omgevingsplan blijven gelden. Ook kan het geen regels stellen over activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor het project. Denk bijvoorbeeld aan het verbod van schadelijke stoffen. En er kunnen bijvoorbeeld ook geen beperkingen worden gesteld aan de milieugebruiksruimte voor nabijgelegen bedrijven. Dit kan alleen worden geregeld met een wijziging van het omgevingsplan. Aangezien dat in casu noodzakelijk is voor het behalen van de natuurdoelstellingen, bevat onderhavig projectbesluit ook een artikel die ziet op wijziging van het omgevingsplan. 

De gemeente Nieuwkoop heeft op het moment van vaststelling van dit projectbesluit geen omgevingsplan dat volledig voldoet aan de publicatiestandaarden die voortvloeien uit het stelsel van de Omgevingswet (ook wel genoemd ‘omgevingsplan van rechtswege’). Om die reden is de noodzakelijke planologische wijziging voor het uitvoeren en in stand houden van het project Polder Westveen, bewerkstelligd door een zogenoemd ‘TijdelijkRegelingdeel’ (bijlage B) toe te voegen aan het omgevingsplan. 

Dit tijdelijke regelingendeel wijzigt het Omgevingsplan gemeente Nieuwkoop op de volgende onderdelen:

  • 1.

    De gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de huidige bestemmingen ‘Agrarisch met waarden’ en ‘Natuur’ uit het bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Nieuwkoop, 1e herziening’ binnen het projectgebied krijgen de functie ‘Natuur – Westveen’.

  • 2.

    Binnen de functie ‘Natuur – Westveen maatwerkpercelen’ zijn overige activiteiten toegestaan die het behalen van de natuurdoelstellingen niet belemmeren.

  • 3.

    Binnen het gehele projectgebied worden activiteiten die het behalen van de natuurdoelstellingen belemmeren, zoals het gebruik van mest en pesticiden, verboden.

  • 4.

    Binnen het gehele projectgebied worden activiteiten die op basis van het omgevingsplan van rechtswege zijn toegestaan (voortgezet gebruik) en het behalen van de natuurdoelstellingen belemmeren, verboden.

§ 5.6 Flexibiliteit in het projectbesluit

Het bij dit projectbesluit behorende DO Polder Westveen kan geheel of gedeeltelijk worden uitgewerkt tot een geactualiseerd definitief ontwerp alsmede een uitvoeringsontwerp. Bij die verdere uitwerking en de realisatie mag met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het DO. Dit ter voorkoming dat een wijziging in het ontwerp leidt tot strijdigheid met dit projectbesluit. 

Er bestaat in ieder geval flexibiliteit op het punt van de volgende maatregelen:

  • 1.

    De ligging van watergangen, bruggen, dammen, natuurvriendelijke oevers en paden;

  • 2.

    Uitvoeringsmethode, de aanvoer van bouwmateriaal mede daaronder begrepen; en

  • 3.

    De locaties van tijdelijke maatregelen, zoals inrichting en gebruik tijdelijke werkgebieden, depot, en bouwkeet.

Dit is opgenomen in hoofdstuk 4 van de Vrijetekstdeel, bijlage A bij dit projectbesluit. Het toepassen van deze flexibiliteit is toegestaan onder bepaalde randvoorwaarden. Voor het wijzigen van de locaties en inrichting van de natuur(beheer)typen is een omgevingsvergunning benodigd. Deze activiteiten hebben een grotere impact op de uitstraling en samenhang in het gebied. Deze vergunningplicht en de voorwaarden waaronder deze verleend mag worden zijn opgenomen in bijlage B (TijdelijkRegelingdeel) van dit Projectbesluit.

Hoofdstuk 6 Verantwoording project aan wet- en regelgeving en beleid

Het project waarvoor dit projectbesluit wordt vastgesteld moet voldoen aan (inter)nationale en regionale of lokale wet- en regelgeving. Ook moet worden bezien of het project past binnen door Rijk, provincie, gemeenten of waterschappen vastgesteld beleid over (onderdelen van) de fysieke leefomgeving. In dit hoofdstuk volgt de toetsing aan relevante wet- en regelgeving.  

In algemene zin kan worden gezegd dat het project bijdraagt aan het beschermen en verbeteren van een aantal van de volgende (algemene) doelen van de Omgevingswet, die zijn gericht op het in onderlinge samenhang:

  • bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarden van de natuur, en;

  • doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om maatschappelijke behoeften te vervullen.

Daarnaast voldoet het project aan het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit besluit bevat instructieregels over de fysieke leefomgeving die bij het vaststellen van het projectbesluit van toepassing zijn en beogen bepaalde belangen te borgen en te beschermen. Zoals het beschermen van de gezondheid en het milieu. Dit wordt in dit hoofdstuk voor zover nodig nader toegelicht.

§ 6.1 Europees beleid

§ 6.1.1 EU Vogel- en Habitatrichtlijn

De Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR) richt zich op het behouden van de Europese biodiversiteit. Dit doel wordt enerzijds nagestreefd door het beschermen van soorten en anderzijds door de bescherming van gebieden die een samenhangend netwerk (Natura 2000) vormen.  

De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke leefgebieden en habitat van soorten (Habitatrichtlijn). De Omgevingswet regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. 

Toetsing 

De VR/HR leidt niet tot rechtstreekse toetsingsverplichtingen voor het project Westveen, maar de richtlijn moet worden geïmplementeerd in nationale regels en wetgeving. De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor het in stand houden van bepaalde planten- en diersoorten en natuurlijke habitats van internationale betekenis via de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR) en Natura 2000, voor de instandhouding van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water) en voor een schoon milieu (Nitraatrichtlijn). De Europese Commissie (EC) ziet er op toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen.  

Het Rijksbeleid heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld langs twee lijnen: de eerste lijn betreft het versterken en verbeteren van het bestaande natuurbeleid. Dit richt zich op natuurgebieden en de directe omgeving daarvan. Denk hierbij aan de uitvoering van het Natuurpact (2013) door de provincies. Daarnaast heeft het Rijk verantwoordelijkheid voor het beheren en verbeteren van natuur in de grote wateren, duurzame bescherming van de Noordzee en het verder ontwikkelen van de Nationale Parken. Met het Programma Natuur is in het kader van de stikstofaanpak extra geld beschikbaar gesteld voor natuurherstel en -ontwikkeling met een focus op stikstofgevoelige natuurgebieden. De tweede lijn gaat over het verbreden van het natuurbeleid naar andere sectoren en domeinen. Hierin past de transitie naar een natuurinclusieve samenleving, waaronder de transitie in de landbouw richting kringlooplandbouw.

§ 6.1.2 Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) (2000/60/EG) is erop gericht de kwaliteit van watersystemen te verbeteren, zoals grondwater en oppervlaktewater. Het moet de vervuiling van waterlichamen verminderen en voorkomen, duurzaam watergebruik bevorderen en de effecten van overstromingen en droogte beperken. De KRW stelt concrete doelen voor elk oppervlakte- en grondwaterlichaam en voor specifiek beschermde gebieden zoals Natura 2000-gebieden. Voor oppervlaktewater stelt de KRW eisen aan de chemische en ecologische kwaliteit. Uiterlijk in 2027 moeten de door de KRW aangewezen wateren voldoen aan de vastgestelde doelen. Met de te realiseren KRW-maatregelen ontstaat een grotere diversiteit aan leefgebieden en neemt het areaal aan geschikt habitat toe.  

Toetsing 

Ook voor de KRW geldt dat dit niet leidt tot rechtstreekse toetsingsverplichtingen voor het project Westveen, maar de richtlijn moet worden geïmplementeerd in nationale regels en wetgeving. De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor het in stand houden van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water). De Europese Commissie (EC) ziet er op toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen. 

§ 6.1.3 Verordening invasieve uitheemse soorten

Op Europees niveau geldt Verordening (EU) nr. 1143/2014 inzake de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten. Deze verordening is rechtstreeks van toepassing in Nederland en beoogt de negatieve effecten van invasieve uitheemse soorten op biodiversiteit en ecosysteemdiensten te voorkomen, te beperken of te beheersen. 

Onderdeel van deze verordening is de Unielijst. Dit is een lijst van invasieve uitheemse soorten die als zorgwekkend voor de Europese Unie worden aangemerkt. Vergelijkbare soorten worden uitsluitend op deze lijst geplaatst indien zij, op basis van wetenschappelijk bewijs, een aantoonbaar risico vormen voor biodiversiteit en waarvoor gecoördineerd optreden op Europees niveau noodzakelijk is. De Unielijst wordt periodiek geactualiseerd en de laatste keer vond plaats op 07‑08‑2022. In onderstaande tabel zijn de invasieve exoten opgenomen die sinds 2016 of later zijn opgenomen op de Unielijst van de Europese Verordening nr.1143/2014. 

Tabel 6-2 Unielijst invasieve exoten

Zoetwater invertebraten 

2016

02‑08‑2022

07‑08‑2022

Calicotrivierkreeft (Faxonius immunis)

 
 

X

Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus)

X

 
 

Geknobbelde Amerikaanse rivierkreeft (Faxonius virilis, synoniem Orconectes virilis)

X

 
 

Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Faxonius limosus, synoniem Orconectes limosus)

X

 
 

Marmerkreeft (Procambarus virginalis, synoniem Procambarus fallax f. virginalis)

X

 
 

Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus clarkii)

X

 
 

Roestbruine Amerikaanse rivierkreeft (Faxonius rusticus, synoniem Orconectes rusticus)

 

X

 

Toetsing

De bestrijding van uitheemse rivierkreeften binnen het projectgebied polder Westveen zijn van belang voor het behalen van de beoogde natuurdoelstellingen. In Nederland is de aanpak van invasieve uitheemse soorten in principe gedecentraliseerd naar de provincies, maar voor uitheemse rivierkreeften geldt echter een uitzondering. Deze soorten zijn niet overgedragen aan de provincies en vallen onder de verantwoordelijkheid van het Rijk, in het bijzonder het ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN). Voor deze soorten blijft het Rijk verantwoordelijk voor beleid, landelijke coördinatie en de aansturing van beheersmaatregelen. 

Voor soorten die zijn opgenomen op de Unielijst gelden vergaande verplichtingen en verboden, waaronder een verbod op het opzettelijk houden, vervoeren, kweken, verhandelen en uitzetten in het milieu. Daarnaast verplicht de verordening lidstaten om maatregelen te treffen gericht op vroegtijdige detectie, uitroeiing of, indien uitroeiing niet mogelijk is, beheersing en indamming van deze soorten.  

§ 6.2 Nationaal beleid

§ 6.2.1 Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vormt het nationaal, ruimtelijk kader voor toekomstige ontwikkelingen en afwegingen die op dat vlak te maken zijn. In de visie worden de voornaamste ruimtelijke opgaven benoemd en de beleidskeuzes die daar op nationaal niveau voor gemaakt zijn. 

De NOVI hanteert als horizon dat we over 30 jaar nog steeds prettig, veilig en gezond willen wonen, werken en recreëren in Nederland, rekening houdend met de vraagstukken en opgaven die daarmee gemoeid zijn. Daarvoor is het belangrijk nu al na te denken over de keuzes die nodig zijn. Aangezien de NOVI betrekking heeft op heel Nederland, kent deze een zeker abstractieniveau en zijn er over het algemeen geen concrete uitspraken voor een specifiek plangebied te doen, zoals in dit geval voor Westveen.  

De hoofdzaken uit de NOVI volgen uit de daarin opgenomen opgaven en afwegingsprincipes die volgen uit de visie. Deze zijn weergegeven in Figuur 6‑1. 

Afbeelding 6-1 Afwegen met de NOVI
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6 1 Afwegen met de NOVI (bron: Nationale Omgevingsvisie)

De prioriteiten die uit de visie volgen zijn:

  • 1.

    Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;

  • 2.

    Duurzaam economisch groeipotentieel;

  • 3.

    Sterke en gezonde steden en regio’s;

  • 4.

    Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Bij de keuzes die op deze terreinen te maken zijn, hanteert de visie de volgende afwegingsprincipes:

  • Combineren boven enkelvoudig;

  • Kenmerken en identiteit;

  • Afwentelen voorkomen.

De NOVI benoemt daarnaast 21 nationale belangen. 

Enkele van deze nationale belangen zijn in lijn met het planvoornemen zoals:

  • Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving.

  • Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit.

  • Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving.

  • Beperken van klimaatverandering.

  • Waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit).

  • Ontwikkelen van een duurzame voedsel- en agroproductie.

  • Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.

  • Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.

Toetsing

Het planvoornemen betreft de ontwikkeling van nieuwe natuur. Het gaat daarbij om de beoogde natuurbeheertypen zoals opgenomen in het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2025. Het doel van de aanleg van deze natuur is de versterking van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck door meer planten- en diersoorten. Daardoor wordt bijgedragen aan het verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit. In het gebied komt tevens de molenbiotoop van de Westveense molen voor. De huidige reservebemalingsfunctie van de Westveense molen kan ongewijzigd blijven. Daarnaast wordt rekening gehouden met de bepalingen over het aanzicht van de molen. Ook is in het ontwerp rekening gehouden met het landschapstype petgaten en legakker. Cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten in het gebied blijven daarmee behouden. Het planvoornemen is hierdoor in lijn met prioriteit 4 ‘Toekomstbestendige ontwikkeling van landelijk gebied’. 

§ 6.2.2 Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving (Bki)

In deze paragraaf komen de (relevante) bepalingen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) aan de orde en wordt de voorgenomen herinrichting van Westveen daaraan getoetst. De paragraaf is tot stand gekomen na een analyse van het Bkl waarin is bepaald welke bepalingen een inhoudelijke doorwerking hebben op Westveen. Deze paragraaf is om die reden geen integrale toets aan alle, afzonderlijke bepalingen uit het Bkl. 

Tabel 6‑3 Toetsing instructieregels Bkl

Paragraaf Bkl

Instructieregel

Relevant?

§5.1.2

Waarborgen van de veiligheid

Nee, want er zijn geen bestaande activiteiten en er worden geen activiteiten toegelaten waar veiligheidsrisico’s spelen. 

§5.1.3

Beschermen van de waterbelangen

Ja, paragraaf 5.1.3.1 Algemene bepalingen

§5.1.4

Beschermen van de gezondheid en van het milieu

Ja, paragraaf 5.1.4.5 Bodemkwaliteit

§5.1.5

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

Ja, paragraaf 5.1.5.5 Cultureel erfgoed en werelderfgoed

§5.1.6

Behoud van ruimte voor toekomstige functies

Nee, dit projectbesluit heeft geen betrekking op of op andere wijze een relatie met zones die in dit verband door het Rijk zijn aangewezen. 

§5.1.7

Behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten

Nee, dit projectbesluit heeft geen betrekking op of op andere wijze een relatie met militaire terreinen en objecten, de elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen, installaties ten behoeve van de luchtvaart of landelijke fiets- en wandelroutes.

§5.1.7a

Gebruik van bouwwerken

Nee, dit projectbesluit laat geen bouwactiviteiten toe waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de wet kosten moeten worden verhaald.

§5.1.8

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen

Ja, dit projectbesluit ziet toe op nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte.

Beschermen van de waterbelangen – paragraaf 5.1.3

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.3 instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid.

Voor de behandeling van dit onderwerp, daarnaar uitgevoerd onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor dit onderwerp tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar paragraaf 7.1.1. 

Beschermen van de gezondheid en van het milieu – paragraaf 5.1.4

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4 instructieregels voor het beschermen van de gezondheid en van het milieu. Gezondheid en milieu zijn beide begrippen waaronder veel thema’s samenkomen. Het gaat hierbij om thema’s die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals buitenlucht, trillingen, geluid, bodem en geur. 

De bepalingen uit deze instructieregels zijn niet van toepassing, omdat het project niet voorziet in dergelijke mileubelastende activiteiten of het toestaan van nieuwe objecten (zoals woningen) die gevoelige zijn voor deze activiteiten. 

Deze instructieregels kunnen dan ook verder buiten beschouwing worden gelaten.

Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed – paragraaf 5.1.5

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Dit is deels gerelateerd aan kenmerkende gebieden zoals de Noordzee, de kust en de Waddenzee, waar specifieke bepalingen gelden ten aanzien van landschappelijke bescherming. In dit hoofdstuk komt eveneens de bescherming van cultureel erfgoed en werelderfgoed aan de orde, net als het algemene uitgangspunt van zorgvuldig ruimtegebruik dat is geborgd met de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Voor de onderbouwing van de onderwerpen landschappelijk erfgoed en cultureel erfgoed, waaronder ook archeologisch erfgoed valt, wordt verwezen naar paragraaf 5.4 en 7.1.1. Uit onderzoek blijkt dat de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden niet worden aangetast. 

Op de beschreven wijze geeft de provincie invulling aan de betreffende instructieregel.

Bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen – paragraaf 5.1.8 

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.8 instructieregels voor het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. 

De instructieregel is van toepassing op een omgevingsplan dat voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte. Daar is in het geval van Westveen sprake van. In dat geval schrijft paragraaf 5.1.8 van het Bkl voor dat er rekening moet worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Binnen het projectgebied komen wandelpaden voor. Met de herinrichting van het gebied wordt hiermee rekening gehouden. Waar wandelpaden aanwezig zijn op percelen waar herinrichting met nieuwe natuur is voorzien, worden wandelpaden deels verplaatst. Op deze wijze blijven de wandelpaden toegankelijk. Binnen de regeling van het projectbesluit is het ook mogelijk om bankjes langs deze wandelpaden te realiseren. 

Op de beschreven wijze geeft de provincie invulling aan de betreffende instructieregel.

§ 6.2.3 Nationaal water programma

Zowel landelijk als regionaal waterbeleid wordt vastgelegd in waterprogramma’s. Het Rijk doet dit voor de rijkswateren in het Nationaal Waterprogramma (voorheen Nationaal Waterplan). Hierin staat welke maatregelen genomen moeten worden om Nederland veilig en leefbaar te houden en om de kansen die water biedt, te benutten. Dit is nodig om voor te bereiden op klimaatverandering, om meer samenhang binnen het beleid aan te brengen, om water meer ruimte te geven en om natuurlijke processen te herstellen. Als wettelijke bijlagen zijn de stroomgebiedbeheerplannen (sgbp’en), het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee 2022-2027 opgenomen. In het Nationaal Waterprogramma ligt de focus op omgaan met de uitdagingen van klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk. Ook wil het Rijk water een leidend principe maken in de ruimtelijke inrichting van Nederland. De KRW schrijft voor dat sgbp’en moeten worden opgesteld met de beschrijving van de watersystemen, doelen en KRW-maatregelen. Met het Nationaal Waterprogramma voldoet Nederland aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water, de Richtlijn Overstromingsrisico’s en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Ook vormt het Nationaal Waterprogramma het kader voor de regionale waterplannen. 

Toetsing 

Westveen maakt geen onderdeel uit van de stroomgebieden uit het nationaal waterprogramma. Specifieke toetsing is daardoor niet aan de orde. Voor de effecten op het watersysteem wordt verwezen naar paragraaf 7.1.1.

§ 6.3 Regionaal beleid

§ 6.3.1 Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV)

Vastgesteld door Provinciale Staten op 12 oktober 2022, geconsolideerde versie 1 juli 2025 

In Afdeling 7.6 zijn de geldende artikelen ten behoeve van projectbesluiten opgenomen. Volgens artikel 7.109 (instructieregels voor natuurnetwerk Nederland) geldt dat geen projectbesluit door gedeputeerde staten worden vastgesteld voor het uitvoeren van een project binnen het natuurnetwerk Nederland dat nadelige gevolgen kan hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk, bedoeld in artikel 7.60, tenzij verzekerd is dat deze gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven. Voor dit projectbesluit geldt dat de activiteiten die worden mogelijk gemaakt juist bijdragen aan de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk. Nadelige gevolgen zijn niet aan de orde.  

Artikel 7.10 regelt dat geen projectbesluit door gedeputeerde staten vastgesteld wordt voor het uitvoeren van een project dat de kernkwaliteiten van de werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst werelderfgoed, bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving en artikel 7.65, aantast. Ter plaatse van het projectbesluit Westveen is geen werelderfgoed aanwezig, waardoor aantasting niet aan de orde is. 

Instructieregels Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV)

In Afdeling 7.3 zijn de instructieregels voor Omgevingsplannen opgenomen. Deze zijn in beginsel niet van toepassing op een provinciaal projectbesluit. Het projectbesluit zal de regels van het Omgevingsplan van gemeente Nieuwkoop wijzigen. De provincie hecht er belang aan dat het projectbesluit aan de kaders van het provinciaal omgevingsbeleid voldoet, om die reden ook doorwerking hebben in Westveen. In deze paragraaf komen de (relevante) bepalingen uit de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV) aan de orde en wordt de voorgenomen herinrichting van Westveen daaraan getoetst. De paragraaf is tot stand gekomen na een analyse van de ZHOV waarin is bepaald welke bepalingen een inhoudelijke doorwerking hebben op Westveen. Deze paragraaf is om die reden geen integrale toets aan alle, afzonderlijke bepalingen uit het ZHOV.

Tabel 6‑4 Toetsing instructieregels Zuid-Holland

Paragraaf ZHOV

Instructieregel

Relevant?

§7.3.2

Omgevingsveiligheid

Nee, want er zijn geen bestaande activiteiten en er worden geen activiteiten toegelaten waar veiligheidsrisico’s spelen. 

§7.3.4

Waterkeringen

Ja, langs de Kromme Mijdrecht is een regionale waterkering gelegen. 

§7.3.5

Grondwaterkwaliteit

Nee, dit projectbesluit maakt geen grondwatergevoelige gebouwen mogelijk. 

§7.3.7

Ruimtelijke kwaliteit

Ja, Westveen is aangewezen als NNN en buitengebied.

§7.3.8

Stedelijke ontwikkelingen

Nee, dit projectbesluit maakt geen nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk.

§7.3.9

Detailhandel

Nee, dit projectbesluit maakt geen detailhandel mogelijk.

§7.3.10

Kantoren

Nee, dit projectbesluit maakt geen kantoren mogelijk.

§7.3.11

Bedrijven

Nee, dit projectbesluit maakt geen bedrijven mogelijk en Westveen is niet als bedrijventerrein aangewezen. 

§7.3.12

Glastuinbouwgebied

Nee, Westveen is niet als glastuinbouwgebied aangewezen.

§7.3.13

Boom- en sierteeltgebied

Nee, Westveen is niet als boom- en sierteeltgebied aangewezen.

§ 7.3.14 

Bollenteeltgebied

Nee, Westveen is niet als bollenteeltgebied aangewezen.

§ 7.3.15

Agrarische bedrijven

Nee, dit projectbesluit maakt geen nieuwe agrarische bedrijven mogelijk. 

§ 7.3.16

Natuurnetwerk Nederland

Ja, Westveen is aangewezen als NNN-gebied.

§ 7.3.17

Werelderfgoed

Nee, binnen Westveen komt geen Werelderfgoed voor. 

§ 7.3.18

Archeologie

Nee, binnen Westveen komen geen hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde voor. 

§ 7.3.19

Traditionele windmolens

Ja, binnen Westveen is de Westveense Molen gelegen. 

§ 7.3.20

Landgoederen en kastelen

Nee, binnen Westveen komen geen landgoederen en kastelen voor. 

§ 7.3.21

Energie

Nee, Westveen is niet als locatie voor windenergie aangewezen.

§ 7.3.22

Provinciale vaarwegen

Nee, Westveen is niet als locatie voor provinciale vaarwegen aangewezen.

§ 7.3.23 

Recreatietoervaartnet

Nee, Westveen is niet als locatie voor recreatieve vaarwegen aangewezen.

§7.3.23a 

Hoofdfietsnetwerk en lange afstandswandelpaden

Nee, binnen projectgebied is het hoofdfietsnetwerk of zijn lange afstandswandelpaden niet gelegen.

§ 7.3.24 

Beschermingszones drinkwatervoorziening (infrastructuur)

Nee, binnen Westveen komen geen voorzieningen voor drinkwater voor.

Waterkeringen – paragraaf 7.3.4

In paragraaf 7.3.4 van de ZHOV zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot waterkeringen. Voor de behandeling van dit onderwerp, het daarnaar uitgevoerde onderzoek en hoe de planologische mogelijkheden uit dit plan zich voor dit onderwerp tot de instructieregels verhouden, wordt verwezen naar paragraaf 7.1.1.

Ruimtelijke kwaliteit – paragraaf 7.3.7 

In paragraaf 7.3.7 van de ZHOV zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit. Het voornaamste uitgangspunt is de bepaling dat een omgevingsplan een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling alleen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo gelijk blijft. 

De verdere regeling uit de ZHOV om dat te borgen, is gebaseerd op beschermingscategorieën (1 t/m 3) en op gradaties van ruimtelijke ontwikkelingen (inpassen, aanpassen, transformeren). De beschermingscategorieën zijn van toepassing op gebieden die meer bescherming genieten en waarvoor om die reden aanvullende bepalingen gelden. Dat zijn bijvoorbeeld de buitengebieden, natuurgebieden, weidevogelgebieden en kasteel- en landgoedbiotopen. Binnen het projectgebied Westveen komen zowel categorie 1 als 3 voor. Het gebied is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland en als buitengebied. Aanvullende regels behorend bij deze beschermingscategorieën, zijn daarom aan de orde. Voor het buitengebied geldt conform artikel 7.43h lid 3, dat de aanvullende eisen niet gelden voor de ontwikkeling van een natuur- en groengebied, zoals Westveen. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt conform artikel 7.43l dat kan worden voorzien in een ruimtelijke ontwikkeling, mits deze niet in strijd is met de regels in paragraaf 7.3.16 van de ZHOV. Hiervoor wordt verwezen naar de volgende paragraaf.

Voor het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden drie gradaties: inpassen, aanpassen en transformeren. Deze hebben betrekking op de vraag in hoeverre de beoogde ontwikkeling aansluit bij de bestaande gebiedsidentiteit.

Deze drie gradaties worden als volgt gedefinieerd in de ZHOV:

  • a.

    inpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, voorziet geen wijziging op structuurniveau, past bij de aard en schaal van het gebied;

  • b.

    aanpassen: de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de bestaande gebiedsidentiteit, maar veroorzaakt wijziging op structuurniveau;

  • c.

    transformeren: de ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen de bestaande gebiedsidentiteit.

In een aparte notitie is een onderbouwing opgenomen over de impact op de ruimtelijke kwaliteit als gevolg van de herinrichting van Westveen (Bijlage 4). 

Daaruit volgt dat de herinrichting van Westveen een gebiedseigen ontwikkeling betreft, die past bij de schaal en de maat van de bestaande kenmerken van een gebied en aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • De ontwikkeling sluit aan bij de gebiedsidentiteit;

  • De ontwikkeling sluit aan bij de structuren in het gebied;

  • De functie/het gebruik sluit aan bij de huidige situatie;

  • De ontwikkeling voldoet aan de relevante richtpunten van de kwaliteitskaart.

De herinrichting van Westveen sluit aan bij de huidige gebiedsidentiteit van de polder, zijnde een kleinschalig en dynamisch half besloten petgaten- en legakkerlandschap in natuurbeheer en agrarisch medegebruik in de vorm van nabeweiding. De bestaande structuren worden in standgehouden en op enkele plekken versterkt. De verkavelingsstructuur met smalle (leg)akkers, sloten en petgaten blijft behouden. 

Concluderend betreft de beoogde ruimtelijke ontwikkeling van polder Westveen een gebiedseigen ontwikkeling, passend bij de schaal en maat van het gebied. Hiermee voldoet het aan de voorwaarden die gesteld zijn binnen de categorie ‘inpassing’ en wordt voldaan aan deze instructieregel. 

Natuurnetwerk Nederland – paragraaf 7.3.16

In paragraaf 7.3.7 van de ZHOV zijn instructieregels opgenomen met betrekking tot Natuurnetwerk Nederland. Activiteiten mogen alleen worden toegestaan indien deze de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant niet beperken, of niet leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. 

De natuurinrichting Westveen is gericht op het behalen van de gestelde instandhoudingsdoelsteling en bijbehorende ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dit NNN-gebied. Daarmee wordt voldaan aan paragraaf 7.3.16 van de ZHOV. 

Traditionele windmolens – paragraaf 7.3.19

Paragraaf 7.3.19 schrijft regels voor ter bescherming van de vrije windvang en het zicht op traditionele windmolens. De locaties rondom deze windmolens worden molenbiotopen genoemd. Binnen het projectgebied is de molenbiotoop van de Westveense Molen gelegen. 

Om de bescherming van deze molenbiotopen te waarborgen geldt:

  • 1.

    binnen een straal van 100 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, wordt geen bebouwing of beplanting toegelaten, hoger dan de onderste punt van de verticaal staande wieken;

  • 2.

    binnen een straal van 100 tot 400 m, gerekend vanuit het middelpunt van de molen, gelden de volgende hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting:

    • 1.

      voor zover dit gebied is gelegen buiten bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte niet meer dan 1/100ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken; 

    • 2.

      voor zover dit gebied is gelegen binnen bestaand stads- en dorpsgebied bedraagt de maximale hoogte van bebouwing en beplanting niet meer dan 1/30ste van de afstand tussen bouwwerk en beplanting en het middelpunt van de molen, gerekend met de hoogtemaat van de onderste punt van de verticaal staande wieken.

Westveen valt buiten bestaand stads- en dorpsgezicht, waardoor het hiervoor genoemde lid a van toepassing is. In het ruimtelijk kwaliteitskader dat is opgesteld voor de natuurinrichting Westveen is een onderbouwing ten aanzien van deze eis opgenomen. Voor deze onderbouwing wordt verwezen naar paragraaf 5.4.

§ 6.3.2 Omgevingsvisie Zuid-Holland

Oorspronkelijk vastgesteld door Provinciale Staten in 2019, geconsolideerde versie 18 februari 2025 

De Zuid-Hollandse Omgevingsvisie vormt het provinciaal, ruimtelijk kader voor toekomstige ontwikkelingen en afwegingen die op dat vlak te maken zijn. In de visie worden de voornaamste ruimtelijke opgaven benoemd en de beleidskeuzes die daar op provinciaal niveau voor gemaakt zijn.  

Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit.  

De provincie heeft hiervoor zeven ambities geformuleerd, te weten:

  • 1.

    Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten;

  • 2.

    Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor;

  • 3.

    Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen;

  • 4.

    Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland;

  • 5.

    Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving;

  • 6.

    Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit;

  • 7.

    Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving.

Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen, die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes.

Ruimtelijke hoofdstructuur

De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie, is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Figuur 6‑2 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.

Afbeelding 6-2 Ruimtelijke hoofdstructuur Zuid-Holland
afbeelding binnen de regeling
Figuur 6 2 Ruimtelijke hoofdstructuur Zuid-Holland

Toetsing

De realisatie van de nieuwe natuur in polder Westveen draagt bij aan deze ambities, wat hieronder beknopt en puntsgewijs wordt toegelicht. Voor polder Westveen zijn punt 1 en 5 relevant.

1. 

Het ontwerp voor polder Westveen is via een participatieproces, samenwerking en overleg voorbereid.  Belanghebbende organisaties, bedrijven en bewoners uit de omgeving zijn betrokken bij het planproces om – vanuit hun belang – op de hoogte te blijven van en te reageren op de ontwikkeling van het natuurgebied. Daarnaast zijn betrokkenen bij de diverse fasen van de planvoorbereiding in staat gesteld om inbreng aan te dragen voor of te reageren op de verschillende planproducten en ontwerptekeningen. Zie tevens hoofdstuk 4.

5. 

De natuurinrichting Westveen is gericht op het behalen van de gestelde instandhoudingsdoelsteling en bijbehorende ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van dit NNN-gebied. Hiermee wordt bijgedragen aan het versterken van natuur in de provincie Zuid-Holland.

Ruimtelijke hoofdstructuur

Polder Westveen maakt uit onderdeel uit van ‘natuurgebied’ binnen de ruimtelijke hoofdstructuur van de provincie. De provincie zet in op een betere, gebiedsgerichte verweving van de verschillende ‘klassieke’ functies in de groene ruimte (landbouw, natuur, recreatie, water, cultuurhistorie) en een betere relatie tussen stad en land. Een gezamenlijke opgave is om de groene kwaliteiten zowel binnen als buiten de stad te versterken en de samenhang tussen stedelijke parken, recreatiegebieden, natuurgebieden en agrarisch landschap te vergroten. 

De provincie heeft daartoe de ambitie ‘Naar vitale balans water, natuur en landbouw’ opgesteld. De uitdaging is om economische ontwikkeling, maatschappelijke opgaven en de zorg voor het landschap hand in hand te laten gaan. Dat betekent dat de provincie investeert in de beschikbaarheid van voldoende en schoon water en in de biodiversiteit, zowel in stedelijke als landelijke gebieden. Want een gezonde natuur zorgt bijvoorbeeld voor vruchtbare bodems, schone lucht en ruimte om te recreëren. Hierbij houdt de provincie rekening met de gevolgen van klimaatverandering door het bieden van ruimte om weersextremen zoals droogte, hitte, storm of piekbuien goed te kunnen opvangen. Met de natuurinrichting van polder Westveen wordt hier invulling aan gegeven. 

§ 6.3.3 Waterschapsverordening Amstel, Gooi en Vecht

De waterschapsverordening van Amstel, Gooi en Vecht geldt sinds 15 april 2024. Deze verordening vormt het juridische hoofdkader voor waterbeheer in het beheergebied van AGV, met duidelijke uitgangspunten, vergunningstructuur, onderhoud, waterkeringsbeheer, en kwaliteitsborging. 

De regels in deze verordening zijn gesteld met het oog op:

  • 1.

    het voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste;

  • 2.

    het beschermen en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen; en

  • 3.

    het vervullen van de maatschappelijke functies door watersystemen.

De verordening bevat regels voor vergunningplichtige activiteiten in en rond het watersysteem in beheer van het waterschap. Specifieke voorschriften gelden voor grondwateronttrekking, lozingen, bouwwerken, waterkeringen en beschermende gronden.

Toetsing

De effecten op het watersysteem zijn middels onderzoek in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat het watersysteem niet negatief wordt beïnvloed. Wel zijn aanpassingen aan het watersysteem benodigd, zoals het verleggen of realiseren van watergangen of het aanbrengen van stuwen en duikers. Hiervoor gelden vanuit de verordening ook regels. Voor de volledige beoordeling wordt verwezen naar paragraaf 7.1.1.

§ 6.4 Gemeentelijk beleid

§ 6.4.1 Omgevingsvisie Nieuwkoop

Oorspronkelijk vastgesteld op 8 juli 2021, actualisatie verwacht in 2026 

De Omgevingsvisie van Nieuwkoop richt zich op een toekomst waarin de gemeente streeft naar ‘gelukkige mensen’‘sterke dorpen’ en ‘groene toekomst’. Gesprekken met inwoners, bedrijven en organisaties over de Nieuwkoopse geschiedenis, karakter en identiteit hebben inzicht gegeven in de belangrijke waarden en kwaliteiten voor het leven in de gemeente Nieuwkoop. Daaruit zijn ‘zeven Nieuwkoopse drijfveren’ beschreven, die in de toekomst dienen te worden behouden en versterkt dienen te worden. 

Bij nieuwe ontwikkelingen in onze dorpen en in het landschap houden we rekening met deze drijfveren:

  • 1.

    Rust en ruimte

  • 2.

    Weids landschap

  • 3.

    Bijzondere natuur

  • 4.

    Centrale ligging

  • 5.

    Dorps karakter

  • 6.

    Levendige dorpen

  • 7.

    Saamhorigheid

Deze elementen vormen de kern basis van de plannen om de leefomgeving te verbeteren en duurzaam te ontwikkelen. Vervolgens wordt het toekomstbeeld van de gemeente beschreven uitgesplitst in de categorieën kernambities ‘gelukkige mensen’, ‘sterke dorpen’ en ‘groene toekomst’. 

Toetsing

Voor polder Westveen is het onderdeel ‘groene toekomst’ het meest relevant. Daarnaast geldt ‘gelukkige mensen’ eveneens als een belangrijke randvoorwaarde. Daarbij is onder andere aandacht voor het behoud van het cultuurhistorisch landschap, mogelijkheden voor landbouw, recreatie in het Groene Hart en het beschermen en ontwikkelen van natuur. In het zuidelijke deel van de gemeente ligt natuurgebied De Nieuwkoopse Plassen en De Haeck. Dit is beschermd (Natura 2000, Europees natuurnetwerk). De Natura 2000-doelstellingen blijven leidend bij wat we in het Nieuwkoopse plassengebied toelaten en voor het beheer. Voor het versterken van de natuur hebben (agrarische) natuurverenigingen én individuele agrariërs een belangrijke rol. In de uitwerking van de visie is benoemd dat in Polder Westveen de komende jaren nieuwe natuur wordt aangelegd en de kwaliteit van de natuur verbeterd. Het boezemsysteem van het polderwater nadert de maximale capaciteit. De polders moeten daarom ook meer water kunnen bergen. 

Voor de inrichting van polder Westveen is een analyse uitgevoerd naar de impact op het cultuurhistorisch landschap, zie paragraaf 7.1.1. De herinrichting van Westveen sluit aan bij de huidige gebiedsidentiteit van de polder. De aanwezige grondeigenaren in het gebied zijn betrokken om te komen tot een plan voor de inrichting en versterking van natuur in polder Westveen ten einde aan de Natura 2000-doelstellingen te voldoen. Het plan is daarmee in lijn met de omgevingsvisie van Nieuwkoop.

Hoofdstuk 7 Het project en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk worden de effecten voor de fysieke leefomgeving als gevolg van het project beschreven aan de hand van de drie criteria uit bijlage III van de mer-richtlijn. Het hoofdstuk sluit af met maatregelen ter beperking of voorkoming van deze effecten.

§ 7.1 Milieueffectrapportage

In een bestuurlijk rechtsoordeel van de Omgevingsdienst Haaglanden (Bijlage 5) is beoordeeld dat het project “Inrichting Westveen” direct verband houdt met het beheer en het behalen van instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Derhalve achten zij dat een vergunningplicht op grond van artikel 2.7, tweede lid van de (toenmalige) Wnb niet aan de orde is. Daarmee is het geen plan of project in de zin van artikel 6 lid 3 van de Habitatrichtlijn. Gelet op dit oordeel, geldt er eveneens geen noodzaak om voor het onderhavige projectbesluit een passende beoordeling als bedoeld in artikel 16.53c Ow op te stellen, en in samenhang daarmee, een milieueffectrapport als bedoeld in artikel 16.36 lid 2 Ow. 

Het doel van de mer-verplichting is om te verzekeren dat de milieubelangen een volwaardige plaats krijgen in de besluitvorming die nodig is voor de uitvoering van projecten. Besluiten over activiteiten met ingrijpende gevolgen voor het milieu kunnen alleen verantwoord worden genomen indien de verwachte milieugevolgen van tevoren goed bekend zijn. 

Er bestaan drie hoofdsporen die bepalen of een activiteit mer-(beoordelings)plichtig is:

  • 1.

    De activiteit of het project staat in kolom 1 van Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarbij wordt er voldaan aan de gevallen zoals aangegeven in kolom 2 of kolom 3 én wordt er een plan, programma, besluit of vergunning gemaakt dan wel gewijzigd, zoals opgenomen in kolom 4;

  • 2.

    Vanwege mogelijke nadelige effecten op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied, moet er een passende beoordeling gemaakt worden in combinatie met een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma. Afhankelijk van de grootte van het gebied en het bevoegd gezag geldt er een plan-mer-beoordelingsplicht (kleiner dan 5% van het totale gemeentelijke grondgebied en de gemeenteraad is het bevoegd gezag) danwel een directe plan-mer-plicht;

  • 3.

    Het project is niet direct mer-plichtig (het valt niet onder hoofdspoor 1 en/of 2), maar er worden toch aanzienlijke effecten verwacht.

Bijlage V van het Omgevingsbesluit bevat twee relevante activiteiten voor het voornemen van dit project. De voorgenomen activiteiten voor de herinrichting van Westveen vallen onder categorie B2 ‘Winning van mineralen door afbaggering van de zee-, meer- of rivierbodem’ en categorie J12 ‘Landinrichtings-projecten’. 

Er is hier sprake van activiteiten die:

  • voorkomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, en;

  • niet voldoen aan de drempelwaarden uit kolom 2, en;

  • voorkomen in de aangewezen gevallen in kolom 3, en;

  • mogelijk gemaakt wordt door een besluit in kolom 4.

Daarmee kan worden geconcludeerd dat er sprake is van een mer-beoordelingsplichtig project. Hiervoor is een mer-beoordelingsnotitie opgesteld welke is toegevoegd in Bijlage 6. Provincie Zuid-Holland heeft op 10 juni 2025 aan de hand van deze notitie besloten dat geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten en dat een mer-procedure niet hoeft worden doorlopen.

§ 7.1.1 Effecten

Na toetsing aan de drie criteria uit bijlage III van de mer-richtlijn (kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van de potentiële effecten) wordt geconcludeerd dat de herinrichting van Westveen niet leidt tot aanzienlijke milieugevolgen. In onderstaande tabel is een overzicht van de conclusies uit de mer-beoordeling opgenomen.

Tabel 7‑1 Conclusies mer-beoordeling

Aspect

Conclusie

Natuur – Natura 2000

Het projectgebied ligt in Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. In Polder Westveen komen in de huidige situatie geen habitattypen of leefgebieden voor op locaties waar werkzaamheden zullen plaatsvinden. Negatieve effecten door ruimtebeslag zijn hierdoor uitgesloten. Door voorafgaand aan de werkzaamheden de oevers te controleren op aanwezige waarden, wordt voorkomen dat de ontwikkeling van de oevers richting habitattypen zoals Ruigten en zomen (moerasspirea) worden aangetast. 

Natuur – NNN

Het plangebied maakt deel uit van Natuurnetwerk Nederland (NNN) en is in de omgevingsverordening van provincie Zuid-Holland getypeerd als bestaande en nieuwe natuur. Met de herinrichting van Westveen wordt verder bijgedragen aan de realisatie van de doelstellingen die voor dit gebied vanuit het Natuurnetwerk Nederland zijn gesteld. Het gaat daarbij met name om het treffen van ontsnipperingsmaatregelen van het leefgebied van de otter en de (verdere) ontwikkeling van de voorziene natuurbeheertypen.

Natuur – soorten

Niet kan uitgesloten worden dat soorten met een instandhoudingsdoelstelling en/of beschermde soorten in het projectgebied aanwezig zijn. Met inachtneming van de mitigerende maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden nadelige milieueffecten niet verwacht. Deze maatregelen omvatten onder andere het één richting op werken, buiten de voorplantsingsperiode van de aanwezige beschermde soorten werken, de baggerwerkzaamheden vanaf het water uit te voeren en buiten het broedseizoen te werken.

Archeologie

In het plangebied zijn geulafzettingen (waarschijnlijk een oude loop van de Kromme Mijdrecht) aanwezig met redelijke tot grote kans op archeologische sporen. De laag waarin deze sporen mogelijk aanwezig zijn ligt tenminste 3 meter diep onder maaiveld, dus het is niet te verwachten dat plagwerkzaamheden of oeververgravingen deze laag zullen raken.

Cultuurhistorie

Met de herinrichting van Westveen wordt de bestaande landschappelijke structuur niet gewijzigd, zie ook paragraaf 6.3.1. Daarnaast worden de opgenomen bepalingen voor de molenbiotoop niet geschonden. 

Bodem

Nadelige milieueffecten worden op basis van het uitgevoerde landbodemonderzoek niet verwacht door het treffen van de juiste (sanerings)maatregelen.

NGE

Uit het onderzoek is gebleken dat er binnen de projectlocatie geen aanwijzingen zijn voor het achterblijven van NGE. In de projectlocatie kunnen grondroerende werkzaamheden regulier doorgang vinden.

Water

Het planvoornemen leidt niet tot negatieve effecten op het watersysteem. Het project is gericht op het verbeteren van de waterkwaliteit door bestaande watergangen te baggeren. Middels het graven van nieuwe watergangen, het verwijderen van een verlande watergang, verwijderen van dammen, aanbrengen van duikers in bestaande dammen en verwijderen van stuwtjes, wordt een doorgaande water aan- en afvoer gerealiseerd. Het totaal aantal hectare aan oppervlaktewater binnen het plangebied wijzigt niet. 

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen

Tijdens de uitvoeringsfase wordt naar verwachting gebruik gemaakt van niet-hernieuwbare hulpbronnen door inzet van mobiele werktuigen (o.a. kraanmachines, graafmachines, shovels en aggregaten) en vindt er transport van en naar het projectgebied plaats (vrachtverkeer en vervoer van personeel). De herinrichting van polder Westveen legt verder geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

Risico van ongevallen

Er wordt geen toename van het risico op ongevallen verwacht. In het gebied wordt niet gewerkt met gevaarlijke stoffen. De activiteiten in het plangebied leveren in de aanlegfase en gebruiksfase geen extra risico op milieukundige ongevallen.

Natuurlijke hulpbronnen van het gebied

De locatie heeft bijzondere rijkdom aan natuurlijke hulpbronnen. Westveen kent een diversiteit aan plant- en diersoorten en is daarmee van belang voor ecologische diensten. Daarnaast staat de Westveense Molen in het plangebied dat cultuurhistorische waarde heeft. Ook culturele diensten maken daarom onderdeel uit van de relatieve rijkdom van het gebied. Als gevolg van het planvoornemen worden de ecologische diensten versterkt en de culturele diensten niet aangetast.

§ 7.1.2 Maatregelen ter beperking of voorkoming van effecten

Om de effecten van de herinrichting van Westveen op de fysieke leefomgeving te beperken, worden (tijdelijke) maatregelen getroffen om deze effecten te voorkomen, beperken of te mitigeren:

  • 1.

    Om de ernstige bodemverontreiniging in de grond te verhelpen, worden sanerende maatregelen getroffen. Omdat deze niet spoedeisend is, kunnen deze maatregelen getroffen worden bij de herinrichting van Westveen door de sterk verontreinigde laag te plaggen en af te voeren naar een erkende verwerker.

  • 2.

    Om effecten op beschermde plant- en diersoorten te voorkomen wordt onder andere één richting op gewerkt, buiten de voorplantsingsperiode van de aanwezige beschermde soorten gewerkt, de baggerwerkzaamheden vanaf het water uitgevoerd en buiten het broedseizoen gewerkt.

§ 7.2 Bodem

De uitgevoerde bodemonderzoeken op en rond de onderzoekslocatie, bestaan uit:

  • Verkennend (water)bodemonderzoek, oktober 2023 (Bijlage 7);

  • Aanvullend verkennend bodemonderzoek voor specifieke deelgebieden, november 2023 (Bijlage 8);

  • Nader bodemonderzoek naar eerder vastgestelde verhoogde gehalten aan lood en koper, november 2023 (Bijlage 9);

  • Actualiserend historisch onderzoek, april 2026 (Bijlage 10).

De eerste drie onderzoeken zijn in het kader van het actualiserend onderzoek opnieuw beoordeeld en herijkt aan de hand van de actuele situatie, aanvullend archiefonderzoek en recente registraties bij het Bodemloket en bevoegde instanties. Daarbij is beoordeeld of zich sinds het uitvoeren van de eerdere onderzoeken relevante wijzigingen hebben voorgedaan die van invloed kunnen zijn op de milieuhygiënische bodemkwaliteit.

Uit het actualiserend historisch bodemonderzoek blijkt dat de situatie op en rond de onderzoekslocatie sinds 2023 ongewijzigd is gebleven. Op basis van een actualisatie van historische bronnen, recente registraties bij het Bodemloket en informatie van de Omgevingsdienst zijn geen nieuwe bodembedreigende activiteiten vastgesteld die van invloed kunnen zijn op de milieuhygiënische bodemkwaliteit.

Daarnaast is vastgesteld dat er eerder in de aangetoonde verontreinigingen van de bodem, met name verhoogde gehalten aan lood en lokaal koper in de toplaag, aanwezig zijn. Deze verontreinigingen zijn reeds in eerdere onderzoeken voldoende in beeld gebracht en afgeperkt. Aangezien in het grondwater geen verhoogde concentraties van deze stoffen zijn aangetoond, worden de verontreinigingen als immobiel beschouwd.

Het actualiserend historisch onderzoek bevestigt daarmee dat de bestaande bodeminformatie nog steeds representatief en actueel is. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem voldoende bekend is en dat het uitvoeren van aanvullend bodemonderzoek niet noodzakelijk is. De resultaten van de eerdere bodemonderzoeken blijven daarmee onverkort bruikbaar voor de verdere besluitvorming binnen het Projectbesluit Westveen. 

§ 7.3 Ecologie

Voor het aspect ecologie is een geactualiseerde quickscan flora & fauna uitgevoerd, vanwege de veroudering van de eerdere quickscan en de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

De uitgevoerde bodemonderzoeken op en rond de onderzoekslocatie, bestaan uit:

  • 1.

    Natuurtoets Polder Westveen, 19 december 2023 (Bijlage 11);

  • 2.

    Ecologisch onderzoek, 30 april 2026 (Bijlage 12).

Uit het geactualiseerde ecologisch onderzoek volgt dat het plangebied in de huidige situatie beperkt geschikt is voor beschermde soorten en soorten met Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen. Met de voorgenomen natuurherstel en inrichtingsmaatregelen wordt het leefgebied echter verbeterd, onder andere door de ontwikkeling van plas-dras oevers, kruidenrijke graslanden en nattige ruigtes. Daarmee draagt het project bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. 

Voor een aantal beschermde soorten en soortgroepen (waaronder kleine modderkruiper, noordse woelmuis, meervleermuis, otter, waterspitsmuis en broedvogels) kan aanwezigheid in of nabij het plangebied niet op voorhand worden uitgesloten. De gunstige staat van instandhouding van deze soorten komt echter niet in het geding, aangezien de werkzaamheden onderdeel zijn van een beheerplanmaatregel en vergunningvrij kunnen worden uitgevoerd onder de Omgevingswet.

Bij de uitvoering van de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van de volgende soort(groep)en om tijdelijke negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen, beperken of te mitigeren. Deze maatregelen zijn opgenomen in Bijlage A Bijlage bij Artikel I Projectbesluit Westveen VrijeTekstdeel. 

§ 7.4 Weging van het waterbelang

De herinrichting van Polder Westveen is beoordeeld in het kader van de weging van het waterbelang. Daarbij is gekeken naar de effecten van de voorgenomen maatregelen op het watersysteem, de waterkwaliteit het bergend vermogen, de waterveiligheid en het grondwatersysteem. Zie Bijlage 13 voor de weging van het waterbelang.  

Uit de weging blijkt dat de maatregelen leiden tot een verbetering van het functioneren van het watersysteem. Door het herstellen en uitbreiden van watergangen, het verwijderen van een verlanding en het baggeren van watergangen verbetert de doorstroming en neemt het bergend vermogen toe. Dit werkt tevens positief door het op het beperken van wateroverlast.  

Het baggeren en het beëindigen van bemesting en het verbieden van het gebruik van bestrijdingsmiddelen dragen bij aan een structurele verbetering van de waterkwaliteit, wat in lijn staat met de doelen vanuit de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000. De bestaande waterkeringen blijven ongemoeid, waardoor de waterveiligheid behouden blijft. Ook worden geen negatieve effecten verwacht op de grondwaterstanden in de polder.  

Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het waterbelang voldoende en evenwichtig is meegewogen in het projectbesluit voor Polder Westveen en dat de voorgenomen maatregelen waterhuishoudkundig aanvaardbaar zijn. 

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid projectbesluit

§ 8.1 Financiële uitvoerbaarheid

Het project Westveen wordt gedekt binnen de voor het programma NNN in de meerjarenbegroting gereserveerde middelen. Voor een deel van de werkzaamheden wordt een beroep gedaan op de Specifiek uitkering van het Rijk voor het Programma Natuur. 

Het rijk heeft een tweetal subsidieregelingen beschikbaar gesteld ten behoeve van het herstel en de versterking van stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.

Het betreft de volgende subsidies:

  • 1.

    Subsidie Spuk 1

    Deze regeling is voor de eerste fase van het Programma Natuur en is in werking getreden op 23 april 2021. De uitvoeringstermijnen voor SPUK-1 projecten vervallen per 1 januari 2027.

  • 2.

    Subsidie Spuk 2

    De uitvoeringstermijn voor de tweede fase (SPUK-2) loopt van 2024 tot 2032.

§ 8.2 Grondverwerving

De maatregelen ten behoeve van het project Westveen wordt uitgevoerd binnen het projectgebied zoals omschreven in het projectbesluit. Een deel van de gronden binnen het projectgebied is in eigendom van Provincie Zuid-Holland. Voor de uitvoering van het project zijn ook gronden van derden nodig. Voor de percelen die in eigendom zijn van derden, geldt dat de realisatie van het project geschiedt op basis van zelfrealisatie. Dat wil zeggen dat deze percelen door de provincie Zuid-Holland in beginsel niet actief worden verworven, maar dat met de betreffende grondeigenaren in goed overleg en via een privaatrechtelijke overeenkomst afspraken worden gemaakt over de inrichting en onderhoud van hun perceel als onderdeel van het natuurgebied. Op deze zogenoemde maatwerkpercelen zijn vanuit het projectbesluit, iets meer activiteiten toegestaan dan alleen het gebruik en het beheer van natuur, zonder dat dit vanuit integraal perspectief de te behalen natuurdoelen schaadt.  

Gedoogplicht 

In het geval dat de provincie voor de realisatie van het project Westveen activiteiten zou moeten uitvoeren op gronden van derden, terwijl de eigenaar of rechthebbende daarvoor geen toestemming verleend, bevat de Omgevingswet de mogelijkheid om een gedoogplicht op te leggen. Uiteraard zal altijd eerst geprobeerd worden om in overleg tot afspraken te komen. Het kan echter zijn dat het instrument van de gedoogplicht niet toereikend is (bijv. omdat er omstandigheden zijn waardoor het noodzakelijk is de grond in eigendom te verwerven) of niet geschikt is (bijv. omdat de belangen van de rechthebbende onteigening vorderen). In die gevallen streeft de provincie ernaar de benodigde grond minnelijk aan te kopen. 

Minnelijke verwerving en onteigening 

Als het minnelijk aankopen van de grond niet lukt, kan de provincie het onteigeningsinstrumentarium inzetten. Het projectbesluit kan dienen als grondslag voor onteigening (op grond van artikel 11.6 Ow), maar het onteigeningsinstrumentarium geldt als uiterste middel. Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een onteigeningsbelang en ook van de noodzaak tot onteigening. Daarvoor moet het duidelijk zijn dat de realisatie van het natuurgebied op dat perceel door middel van zelfrealisatie om bepaalde redenen niet lukt waardoor de natuurdoelen niet worden behaald of zelfs geschaad. Ook zal altijd eerst getracht moeten worden om met de grondeigenaar via minnelijk overleg tot overeenstemming te komen over de aankoop van de benodigde gronden. Pas wanneer na redelijke onderhandelingen de benodigde gronden niet tijdig en binnen een redelijke termijn minnelijk kunnen worden verworven, is het mogelijk om de formele onteigeningsprocedure op te starten. Uitgangspunt bij onteigening is een volledige schadeloosstelling. Hieronder vallen onder andere vermogensschade, inkomensschade en bijkomende schade (zoals verhuiskosten).

§ 8.3 Handhaving

De gemeente en het waterschap zijn ieder voor wat betreft hun eigen bevoegdheden verantwoordelijk voor het handhaven van regels. Deze bevoegdheden kunnen gemandateerd zijn aan de Omgevingsdienst. 

De regels die in het projectbesluit nieuw zijn, gaan boven de regels in het vigerende omgevingsplan van de gemeente. In het projectbesluit is een termijn opgenomen van 3 jaar (met mogelijkheid om de termijn 1x te verlengen met 3 jaar). Ten aanzien van het projectbesluit is de provincie het bevoegd gezag. Na deze termijn komt de handhavingsbevoegdheid weer bij de gemeente te liggen. 

Hoofdstuk 9 Regelingen voor schadevergoeding en nadeelcompensatie

Indien eventueel financieel nadeel onverhoopt ontstaat als gevolg van de rechtmatige uitvoering van onderhavig projectbesluit kan een benadeelde een verzoek om schadevergoeding indienen zoals bedoeld in Titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en aangevuld door afdeling 15.1 van de Omgevingswet. Het verzoek voor nadeelcompensatie dient te worden ingediend bij het uitvoerend bestuursorgaan, voor dit projectbesluit is dat Gedeputeerde Staten van Provincie Zuid-Holland. 

Gedeputeerde Staten van de provincie Zuid-Holland beslissen in beginsel binnen 8 weken over het verzoek. In geval dat een adviescommissie adviseert over de aanvraag, wordt deze beslistermijn in beginsel 6 maanden zoals vastgelegd in artikel 4:130 van de Awb.

§ 9.1 Nadeelcompensatie

Het kan zijn dat er schade ontstaat vanwege het rechtmatig vastgestelde projectbesluit. De vergoeding van deze schade heet nadeelcompensatie (ofwel schadevergoeding vanwege rechtmatige overheidsdaad). Het kan bijvoorbeeld gaan om schade in de vorm van waardevermindering van een onroerende zaak in het projectgebied of door langdurige wegonderbrekingen waardoor er sprake is van verminderde bereikbaarheid.  

Nadeelcompensatie betreft een vergoeding van schade die uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico en een burger of bedrijf onevenredig zwaar treft in vergelijking tot andere burgers of bedrijven. Deze schade hoeft een burger of bedrijf niet geheel te dragen, maar wordt door Gedeputeerde Staten (gedeeltelijk) vergoed. Dit is geregeld in afdeling 15.1 van de Omgevingswet (Ow). Degene die schade lijdt (de benadeelde) kan een verzoek om schadevergoeding indienen bij Gedeputeerde Staten vanwege schade, mits veroorzaakt door het vastgestelde projectbesluit en deze schade uitstijgt boven het normaal maatschappelijk risico. De benadeelde kan na inwerkingtreding van het projectbesluit een verzoek om nadeelcompensatie indienen bij Gedeputeerde Staten. Gedeputeerde Staten behandelt aanvragen om nadeelcompensatie op basis van de procedure zoals beschreven in afdeling 9.1 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. Hierin staat op welke wijze een verzoek om nadeelcompensatie moet worden ingediend en de manier waarop deze verzoeken worden beoordeeld en afgehandeld.

§ 9.2 Uitvoeringsschade

Anders dan voorheen bij planschade het geval was, kan op grond van afdeling 15.1 Ow ook schade als gevolg van de feitelijke uitvoering van een activiteit vergoeding in aanmerking komen. Bij deze zogenoemde uitvoeringsschade kan gedacht worden aan tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden of een langdurige wegafsluiting. Ook gevolgschade kan voor vergoeding in aanmerking komen, als deze schade het gevolg is van het verrichten van de activiteit, maar zich pas later openbaart. Daarbij kan worden gedacht aan schade als gevolg van een grondwateronttrekking die zich een aantal jaren kan openbaren nadat de activiteit is verricht.

Naar boven