Wijziging Beleidsregels soortenbescherming Gelderland

Gedeputeerde Staten van Gelderland

Gelet op artikel 158 van de Provinciewet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht

 

Overwegende dat in verband met de ontwikkeling van het Soortenmanagementplan en de vaststelling van de handreiking ‘Soortenmanagementplan Gelderland’ de beleidsregel voor het verlenen van een gebiedsgerichte omgevingsvergunning moet worden geactualiseerd.

 

BESLUIT:

I De Beleidsregels Soortenbescherming Gelderland als volgt te wijzigen:

A

Artikel 2 lid 1 komt als volgt te luiden: Gedeputeerde Staten kunnen aan een gemeente een gebiedsgerichte omgevingsvergunning verlenen voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.38, 11.46, 11.47 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving

 

B

Er wordt een nieuw artikel 3 ingevoegd onder vernummering van de overige artikelen. Het nieuwe artikel 3 komt als volgt te luiden:

 

Artikel 3 (tijdelijke gebiedsgerichte omgevingsvergunning op basis van de pre-SMP methodiek);

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen aan een gemeente een tijdelijke gebiedsgerichte omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.38, 11.46, 11.47 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor een maximale duur van 24 maanden verlenen.

  • 2.

    Een omgevingsvergunning in het eerste lid wordt slechts verleend indien:

    • a.

      de gemeente in een pre-soortenmanagementplan beschrijft hoe het verlies aan (kraam)verblijfplaatsen wordt gecompenseerd;

    • b.

      is verzekerd dat gedurende de looptijd van de tijdelijke omgevingsvergunning als bedoeld in het eerste lid een aanvraag voor een gebiedsgerichte omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2 wordt voorbereid op basis van een soortenmanagementplan;

    • c.

      deze uitsluitend is bedoeld voor verduurzaming van een maximaal aantal particuliere grondgebonden woningen in particulier eigendom; en

    • d.

      de verduurzaming wordt uitgevoerd volgens de pre-SMP methodiek zoals opgenomen in de rapportage ‘Natuurvriendelijk isoleren van particuliere woningen onder het pre-Soortenmanagementplan’ inclusief bijbehorende handreiking ‘Natuurvriendelijk isoleren’ uit de bijlage van de rapportage.

C

Bijlage I wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

 

Bijlage 1: soortenmanagementplan

Om de aanvraag om een gebiedsgerichte omgevingsvergunning te kunnen beoordelen, verstrekt de aanvrager een soortenmanagementplan (hierna: SMP). Het SMP bevat in elk geval de volgende informatie:

  • 1.

    De aanleiding voor de aanvraag voor de gebiedsgerichte omgevingsvergunning.

  • 2.

    De reikwijdte, ambitie, verantwoordelijkheden en afbakening van de aanvraag (over welke beschermde soorten gaat het, hoe om te gaan met de overige soorten, motivatie achter keuze soorten).

  • 3.

    Een beschrijving van:

    • a.

      het plangebied;

    • b.

      de betekenis van het plangebied voor de soorten; en

    • c.

      de voorgenomen activiteiten of ruimtelijke ontwikkelingen;

  • 4.

    Uitwerking van in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving per soort van de nulsituatie van de beschermde soorten (in tekst en verspreidingskaarten) die deel uitmaken van het SMP;

    • b.

      een beschrijving van de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het onderzoek naar de nulsituatie van de beschermde soorten die deel uitmaken van het SMP heeft plaatsgevonden (inclusief kaartmateriaal waarop alle onderzoeks(deel)gebieden staan);

    • c.

      een beschrijving van de staat van instandhouding per soort. In de beschrijving wordt in ieder geval inzichtelijk gemaakt wat de betekenis is van het plangebied en de lokale populatie voor het natuurlijke verspreidingsgebied en de staat van instandhouding van de gehele populatie.

    • d.

      een overzicht van de bedreigingen per soort (algemeen en specifiek ten gevolge van de voorgenomen ingrepen in het plangebied);

    • e.

      een concrete uitwerking van maatregelen die tot versterking van het functioneel leefgebied en duurzaam behoud van de huidige staat van instandhouding van de lokale populatie van de soorten moeten leiden, zo mogelijk onderverdeeld naar generieke maatregelen en meer specifieke maatregelen;

    • f.

      een beschrijving van het ambitieniveau per soort en het streefbeeld voor een gunstige staat van instandhouding van de soort en de maatregelen die hiervoor genomen zullen worden;

    • g.

      een beschrijving van de wijze van uitvoering van maatregelen;

    • h.

      een beschrijving van de wijze waarop de maatregelen duurzaam in stand gehouden worden en wie daarvoor verantwoordelijk is; en

    • i.

      een beschrijving van de wijze hoe belanghebbenden in het plangebied, zoals inwoners en lokale natuurorganisaties worden betrokken in (de voorbereiding van) het SMP.

  • 5.

    Een omschrijving van de voorgenomen monitoring en evaluatie voor een periode van 10 jaar (monitoringplan). Gezien de relatieve onbekendheid met de effectiviteit van sommige maatregelen dient het SMP te voorzien in een tussentijdse evaluatie na 5 jaar. Voor zover hieruit zou blijken dat maatregelen tekortschieten, worden aanvullende maatregelen uitgewerkt, zodat het doel alsnog gehaald wordt.

De toelichting op de beleidsregels wordt als volgt gewijzigd:

 

D

De artikelsgewijze toelichting op artikel 2 komt als volgt te luiden:

 

Artikel 2 (gebiedsgerichte omgevingsvergunning)

 

Bij de inzet van een gebiedsgerichte omgevingsvergunning wordt beoogd een soort duurzaam te beschermen en tegelijk ruimte te verschaffen voor ontwikkelingen waarvan op voorhand nog niet precies duidelijk is hoe, waar en wanneer deze zullen worden uitgevoerd. De aanvrager weet vooraf nog niet precies wat hij tijdens het uitvoeren van activiteiten zal aantreffen. Het is daarbij belangrijk om de meest wezenlijke functionaliteiten van een gebied voor het voortbestaan van de soort in beeld te hebben. Als een soort, afhankelijk van de tijd van het jaar, verschillende gebieden gebruikt dan moeten de verschillende functies afzonderlijk in beeld zijn. Het gaat hierbij dus nadrukkelijk om het behoud van de soort en de gunstige staat van instandhouding. De inventarisatie die aan het soortenmanagementplan voorafgaat, hoeft daarom niet met grote zekerheid ieder individu in beeld te hebben gebracht.

 

In bijlage 1 zijn de eisen opgenomen waar een soortenmanagementplan aan moet voldoen. Aan deze eisen wordt in ieder geval voldaan, als het soortenmanagementplan wordt opgesteld conform de handreiking ‘Soortenmanagementplan Gelderland’, te vinden via https://www.gelderland.nl/vergunningen/soortenmanagementplanSoortenmanagementplan

 

E:

Onder de artikelsgewijze toelichting op artikel 2 wordt de volgende toelichting opgenomen op het nieuwe artikel 3, onder vernummering van de overige artikelsgewijze toelichtingen:

 

Artikel 3 (tijdelijke gebiedsgerichte omgevingsvergunning op basis van de pre-SMP methodiek)

 

Op grond van artikel 2 kan een gebiedsgerichte omgevingsvergunning worden verleend op basis van een Soortenmanagementplan. Een Soortenmanagementplan heeft echter een ontwikkeltijd van 1-2 jaar en is daarmee niet op korte termijn inzetbaar. Om populaties gebouwbewonende soorten duurzaam in stand te houden én de geambieerde verduurzaming van particuliere woningen mogelijk te maken, is gezocht naar een op korte termijn inzetbare werkwijze die praktisch uitvoerbaar is bij particuliere isolatie en tegelijkertijd de lange termijn oplossing van een Soortenmanagementplan stimuleert.

 

Uiteindelijk wordt de methodiek ‘pre-SMP’ toegepast om onder voorwaarden een tijdelijke (24 maanden) gebiedsgerichte omgevingsvergunning te kunnen verlenen waarmee gemeenten direct aan de slag kunnen met verduurzaming en tevens de populaties duurzaam in stand blijven.

 

In artikel 3 zijn verschillende voorwaarden opgenomen waaraan deze tijdelijke gebiedsgerichte omgevingsvergunning moet voldoen. De aanvraag wordt hierbij getoetst aan de rapportage ‘Natuurvriendelijke isoleren van particuliere woningen onder het pre-Soortenmanagementplan’ en bijbehorende bijlagen. Indien aan de eisen wordt voldaan kan de omgevingsvergunning worden verleend. De rapportage is te vinden via Soortenmanagementplan

 

Voorwaarde 1: Compensatie (kraam)verblijfplaatsen door gemeente

De gemeente beschrijft in een pre-SMP hoe het verlies aan kraamverblijfplaatsen door de gemeente wordt gecompenseerd. Het effect van de verduurzaming en de gemeentelijke compensatietaakstelling wordt door de provincie met de pre-SMP methodiek modelmatig berekend.

 

Voorwaarde 2: Verplichting tot opstellen Soortenmanagementplan

Omdat op lange termijn deze SMP-werkwijze de meest wenselijke oplossing is, wordt aan de kortetermijnoplossing in de vorm van een pre-SMP de verplichting gekoppeld dat de aanvrager aantoonbaar bezig is met het opstellen van een SMP.

 

Voorwaarde 3: Aantal en soort deelnemende woningen.

Per CBS-buurt mag maar een maximum aan individuele grondgebonden woningen in particulier eigendom worden geïsoleerd. Dus geen gestapelde woningen in de vorm van een appartementencomplex of flatgebouwen. Het maximale aantal deelnemende woningen over twee jaar tijd wordt onderverdeeld in maximaal twee fasen. Deze beperkingen zijn opgenomen om de gunstige staat van instandhouding niet aan te tasten. Het maximum van het aantal te isoleren woningen per fase volgt uit de handreiking ‘Natuurvriendelijk isoleren van particuliere woningen onder het pre-Soortenmanagementplan’.

 

Voorwaarde 4: De werkzaamheden worden conform de pre-SMP methodiek uitgevoerd.

In de rapportage en bijbehorende handreiking zijn eisen opgenomen over de activiteiten en de uitvoering daarvan. De verduurzamingmaatregelen moeten conform deze pre-SMP methodiek worden uitgevoerd, anders kan er geen vergunning worden verleend. De rapportage is te vinden via Soortenmanagementplan

 

F

In de vierde alinea van de artikelsgewijze toelichting op artikel 5 wordt de zinsnede ‘artikel 5’ vervangen door ‘artikel 6’

 

G

In de artikelsgewijze toelichting op artikel 6 wordt de zinsnede ‘artikel 6’ vervangen door ‘artikel 7’.

II Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2026

 

Gedeputeerde Staten van Gelderland

Daniël Wigboldus

Commissaris van de Koning

Johan Osinga

Secretaris

Naar boven