Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2026, 12852 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2026, 12852 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 14 juli 2026, houdende vaststelling van het Ontwerp Actualisatie 2026 van de Zeeuwse Omgevingsvisie.
Gedeputeerde Staten van Zeeland,
Gelezen de GS beslisnota van 14 juli 2026;
Besluiten:
Het besluit ‘Ontwerp Actualisatie 2026 van de Zeeuwse Omgevingsvisie’ zoals opgenomen in 'Bijlage A', inclusief onderliggende bijlagen, is als ontwerp voor inspraak vrijgegeven van 4 augustus 2026 tot en met 14 september 2026.
Dit ontwerp-besluit betreft de wijzigingen in 'bijlage A'.
Het ontwerp van de actualisatie 2026 van de Zeeuwse Omgevingsvisie in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 14 juli 2026 vastgesteld, zaaknummer 828795.
Dit is een ontwerp en behoeft geen ondertekening.
A
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Er waait een nieuwe wind door bestuurlijk Zeeland. Een frisse bries, die het hoofd helder maakt en samenwerken op één zet. Met het coalitieakkoord ‘Samen verschil maken’, hebben we een nieuwe koers bepaald. Wind in de zeilen geeft Zeeland een steun in de rug vanuit het Rijk op het gebied van economie, onderwijs, bereikbaarheid en een toekomstbestendige industrie. Met de Zeeuwse Omgevingsvisie gaan we volle kracht vooruit, de toekomst tegemoet! Met ‘Wind in de zeilen' is een stevig pakket aan maatregelen voorhanden die gaan helpen de ambities uit deze Omgevingsvisie te realiseren.
Zeeland aantrekkelijk houden gaat niet vanzelf. Ten eerste omdat de wensen van de inwoners, bezoekers en bedrijven veranderen. Die wensen zullen in 2050 anders zijn dan nu. Ten tweede omdat er ontwikkelingen op ons afkomen die grote gevolgen zullen hebben voor onze leefomgeving. Dat we in een tijd van grote veranderingen leven was al duidelijk voordat het coronavirus begin 2020 zijn intrede deed. We zien grote veranderingen in ons klimaat, een afname van de biodiversiteit, andere wensen op het gebied van wonen en werken. Hoe gaat de toekomst er dan uitzien? Hoe ziet Zeeland er in 2050 uit en wat gaan we tot 2030 doen om dit te sturen? Kunnen we met deze visie onze kernkwaliteiten behouden of versterken?
Samen verschil maken, maar wel voor iedereen vanuit zijn eigen mogelijkheden. Dat betekent voor de één meeschrijven, voor de ander meedenken of deelnemen aan één van de gebiedstafelbijeenkomsten. We waarderen het enorm dat zoveel mensen zich hebben ingezet voor deze visie. Het is bijzonder dat het ons samen is gelukt deze Zeeuwse Omgevingsvisie te schrijven. Hartelijk dank daarvoor!
Deze Zeeuwse Omgevingsvisie is breed. Hij gaat van monumenten tot aan grote projecten, van havens tot leefbaarheid, van mobiliteit tot voorzieningen en van aanpassing aan klimaatverandering tot aan het beleid rond woningen. Zo kunt u vanaf 2022 in één document al het Zeeuwse beleid terugvinden.
[Vervallen]
B
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen die op ons afkomen, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
Inzoomen, de Zeeuwse Omgevingsvisie in context
De Zeeuwse Omgevingsvisie staat niet op zichzelf, net zoals Zeeland niet los te zien is van zijn omgeving. Wereldwijd hebben de landen van de Verenigde Naties de Duurzame Ontwikkelingsdoelen vastgesteld. De doelen helpen om nu en in de toekomst voor iedereen brede welvaart te bieden, dus vooruitgang op sociaal-maatschappelijk, economisch én ecologisch gebied. Het gaat dan bijvoorbeeld om de thema’s gezondheid, voorzieningen, woonomgeving, bereikbaarheid, onderwijs en arbeidsmarkt. Op nationaal niveau is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Daarin geeft het kabinet richting aan de grote opgaven waar Nederland voor staat. De NOVI stelt vier prioriteiten en geeft afwegingskaders mee voor keuzes over concrete activiteiten. Uitvoering van de NOVI vindt gebiedsgericht plaats via samenwerking in Omgevingsagenda’s. Voor Zeeland is dat de Omgevingsagenda Zuidwest.
Uitdagingen en ambities
Het gaat goed met Zeeland. De Zeeuwse woonomgeving wordt gewaardeerd, net als de natuur en waardevolle landschappen. Het midden- en kleinbedrijf (MKB), de havens, de landbouw en recreatie en toerisme zijn belangrijke pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid.
Er zijn wel uitdagingen. De klimaatverandering, stijging van de zeespiegel, afname van biodiversiteit, andere bevolkingssamenstelling door vergrijzing. Deels is het de uitdaging te behouden wat er is, deels is het de uitdaging in te spelen op de ontwikkelingen die komen gaan.
Om deze uitdagingen het hoofd te bieden en tegelijkertijd te werken aan brede welvaart, beschrijft de Zeeuwse Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050.
1. Uitstekend wonen en leven in Zeeland
Ambitie voor 2050:
In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. Je leeftwordt er ook aangezet tot gezond: gedrag, zoals wandelen, fietsen, gezond eten, ontmoeten en ontspannen. De woonomgeving draagt bij aan biodiversiteit en is ingericht zowel op langere droogte enals op overtollig regenwater. Voorzieningen zijn klimaatneutraal voor iedereen bereikbaar, ook wanneer je geen auto hebt. Zeeland ontwikkelt hoogwaardige openbaarvervoercorridors, versterkt spoorverbindingen inclusief de vierde trein Vlissingen–Bergen op Zoom en werkt aan bereikbaarheid op peil voor alle Zeeuwen. Mobiliteit is snel, slim, veilig, schoon en betaalbaar voor zowel reiziger als overheid. Zeeland beschikt over een robuust en toekomstbestendig mobiliteitssysteem met hoogwaardige spoor-, HOV-, weg- en goederenverbindingen richting de randstad, Noord-Brabant, Vlaanderen en het Europese achterland. De digitale bereikbaarheid is snel en goed. Het onderwijs in de provincie is goed bereikbaar, betaalbaar en van hoogstaande kwaliteit. Zeeland beschikt verspreid door de provincie over een aantal onderscheidende kleinschalige top- en kwaliteitsvoorzieningen. De Zeeuwse culturele infrastructuur is robuust en veerkrachtig en biedt de regio een vernieuwend, toegankelijk en compleet cultuuraanbod met dragende voorzieningen, podia, festivals, makersinitiatieven en erfgoedlocaties.
Onderwerpen binnen deze ambitie zijn: cultuur, gezondheid, mobiliteit, onderwijs, voorzieningen en evenementen, woningvoorraad, woonomgeving.
2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied
Ambitie voor 2050:
In 2050 zijn bodem, grondwater en alles wat daarin te vinden is van robuuste, hoogwaardige kwaliteit. Weersextremen schaden de bodem niet. Door aanwezigheid van meer organische stoffen draagt de bodem bij aan CO2CO2-opslag en een betere bodemstructuur. Planten, mensen en dieren worden nauwelijks meer bedreigd door risicovolle milieufactoren, doordat het landbouwsysteem functioneert in evenwicht met de natuurlijke omgeving, op basis van marktvraag en kringlopen op een zo laag mogelijk niveau. De visserij opereert duurzaam en houdt in zijn bedrijfsvoering rekening met natuurwaarden. De wijze waarop natuurorganisaties en visserijbedrijfsleven in Zeeland samenwerken vormt een voorbeeld voor de rest van het land.
Het gebruik en de draagkracht van landelijke gebieden en de grote wateren zijn duurzaam in balans gekomen. Door het stabiele beheer kunnen ze tegen een stootje, met een robuuste beschikbaarheid van zoetwater voor landbouw, natuur, industrie en drinkwater.
In 2050 is de biodiversiteit in de grote wateren, in het landelijk gebied en in de steden hersteld. De stikstofproblematiek is iets van vroeger. Het natuurnetwerk is voltooid en de milieukwaliteit is er in de hele provincie op vooruit gegaan. Het is heerlijk recreëren en werken in het mooie, gezonde en waardevolle Zeeuwse landschap.
Onderwerpen binnen deze ambitie zijn: archeologie, bodem, deltawateren, erfgoed, landbouw, landschap, milieu, natuur, watersysteem.
3. Een duurzame en innovatieve economie
Ambitie voor 2050:
In 2050 heeft Zeeland een circulaire economie. De meeste sectoren maken gebruik van reststoffen die door anderen onbenut zijn gelaten, dan wel zijn uitgestoten als afval of producten die aan het eind van de levensduur zijn en worden hergebruikt. Hierdoor staan de sectoren niet langer op zichzelf maar houden ze contact met andere branches. Nieuwe productieprocessen maken dit rendabel. Grondstoffen hebben in de biobased economie zoveel mogelijk een groene herkomst. Ze worden als dat kan, in Zeeland geteeld en worden geleverd aan regionale afnemers.
Het Zeeuwse onderwijs sluit aan op de arbeidsmarkt. Het bedrijfsleven biedt werk op maat.
De infrastructuur is modern en betrouwbaar en biedt ruimte aan CO2-CO2-neutraal vervoer via verschillende modaliteiten. Hierbij is een belangrijke plaats ingeruimd voor buisleidingen van en naar industrieën en bedrijven; tussen de verschillende haventerreinen, ook over en weer van de provincie- en landsgrens. Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt zoveel mogelijk plaats op ruime afstand van woongebieden.
De haven- en industriegebieden bieden plaats aan clusters van bedrijven. Ook elders heeft een concentratie van bedrijventerreinen plaatsgevonden. Dit geeft bedrijven de ruimte om te ondernemen en hinder wordt zoveel mogelijk beperkt.
Er is een eerlijk speelveld voor bonafide ondernemers en burgers.
In Zeeland wordt werk gemaakt van innovatie. Er zijn financieringsvouchers beschikbaar en ondernemers nemen deel aan kennistrajecten, waarbij samen met onderwijsinstellingen en studenten wordt gewerkt aan concrete oplossingen voor uitdagingen. Zeeuwse experimenten en proeftuinen in alle sectoren dragen substantieel bij aan de Nederlandse economie.
Zeeuwse bedrijven spelen actief in op actuele ontwikkelingen. Bedrijfsvormen die grotendeels afhankelijk zijn van natuurlijke omstandigheden opereren duurzaam en houden in hun bedrijfsvoering rekening met de natuurwaarden.
Onderwerpen binnen deze ambitie zijn: arbeidsmarkt, circulaire economie, havens en bedrijven, recreatie en toerisme, transport en infrastructuur, visserij.
4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland
4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland
Ambitie voor 2050:
In 2050 is Zeeland klimaatbestendig en waterrobuust, overeenkomstig het in 2019 door alle Zeeuwse overheden ondertekende convenant Klimaatadaptatie Zeeland. De verschillende overheden zorgen hiermee samen voor een zo groot mogelijke beperking van schade door hittestress, wateroverlast, droogte en overstromingen. Bij de aanleg van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen, het opknappen van bestaande bebouwing, vervanging van rioleringen en onderhoud van wegen wordt dit een belangrijk aandachtspunt.
Zeeland stoot vrijwel geen CO2CO2 en andere broeikasgassen uit. Industrie, mobiliteit, verwarming en elektriciteitsproductie zijn nagenoeg fossielvrij en/of CO2CO2 vrij.
Onderwerpen binnen deze ambitie zijn: duurzame energie, energietransitie, klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoet water.
Uitvoering
De ambities die in deel A beschreven worden, zijn strategische ambities met 2050 als horizon. Ze geven richting aan de beleidsdoelstellingen en acties voor de kortere termijn (2030).
Iedere organisatie, bedrijf of persoon beschikt over instrumenten die kunnen bijdragen aan het realiseren van de doelen in deze visie. Overheidspartijen werken over het algemeen meer met indirecte sturing en beschikken als enige partij over een breed publiekrechtelijk instrumentarium. Bedrijven en burgers sturen vooral via uitvoering van activiteiten. Alle partijen bepalen binnen de wettelijke kaders zelf hoe, wanneer en in welke mate de eigen instrumenten worden ingezet. De gezamenlijke inzet van alle partijen bepaalt of en hoe de doelen in de Zeeuwse Omgevingsvisie kunnen worden bereikt.
Deel B van de Omgevingsvisie beschrijft uitgebreid de beleidsdoelstellingen voor 2030, de acties die daaraan bijdragen en welke partijen daar een rol bij spelen. Een groot deel van de acties in deel B is opgenomen in bestaande (uitvoerings)programma’s van verschillende samenwerkingsverbanden. De brede blik uit de Zeeuwse Omgevingsvisie kan helpen dwarsverbanden met andere programma’s te signaleren en om nieuwe partijen te vinden die mee kunnen helpen bij de uitvoering. Acties die niet of niet volledig in bestaande programma’s zijn opgenomen, kunnen aan een bestaand programma worden toegevoegd of vragen om de opzet van een nieuw programma.
Een belangrijk juridisch instrument van de provincie is de omgevingsverordening. Daar staan alle bindende provinciale regels over water, bodem, milieu, natuur, landschap, (vaar)wegen en ruimtelijke ontwikkeling in. De provincie zet de verordening in als dat nodig is vanuit het provinciaal belang (realisatie van kerntaken), als dat belang niet doeltreffend en doelmatig kan worden behartigd door gemeente of waterschap, of als dat bij wet is voorgeschreven. De omgevingsverordening wordt selectief ingezet en biedt waar mogelijk ruimte voor regionaal en lokaal maatwerk.
Keuzes in uitvoering
Met de vertaling van doelstellingen naar acties en de uitvoering van acties wordt uiteindelijk bepaald wat er terecht komt van de gezamenlijke ambities uit de visie. In de uitvoering doen zich kansen en knelpunten voor die vragen om een keuze. Gezien de grootte en de complexiteit van de uitdagingen, zijn de ambities alleen te halen als iedereen de keuze maakt die zoveel mogelijk bijdraagt aan deze ambities. Hiervoor zijn afwegingsfactoren beschreven en wordt een ‘beste keuze hulp’ gemaakt.
Afwegingsfactoren
Het Rijk geeft in de NOVI drie afwegingsprincipes mee. Deze zijn vertaald naar vier afwegingsfactoren voor Zeeland:
1. Doe meer met minder grond
2. Werk samen en deel kosten en baten
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
De 'beste keuze hulp'
De afwegingsfactoren maken duidelijk dat het erg belangrijk is om bij ieder initiatief vooraf goed na te denken. Niet alleen over het doel van dat initiatief, maar met een brede blik. Om het nadenken hierover en het maken van de keuze eenvoudiger te maken, wordt voor de uitvoering van deze visie een ‘beste keuze hulp’ gemaakt. De partijen die aan de visie hebben meegewerkt, gaan hier samen mee aan de slag. Het doel van dit hulpmiddel is door slimme uitvoering aan zoveel mogelijk doelen bij te dragen.
Kernkwaliteiten
De afwegingsfactoren verwijzen naar de Zeeuwse kernkwaliteiten. Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken zoals bebouwing, openbare ruimte, landschap, natuur en cultuurhistorie. Ze zijn zichtbaar in de omgeving. Ze gaan samen met de immateriële waarden zoals rust, gezondheid, leefbaarheid, levendigheid, aantrekkingskracht en andere culturele en sociale aspecten. Kernkwaliteiten zijn niet objectief; ze drukken een bepaalde mate van waardering uit.
De kernkwaliteiten zijn uitgezet en besproken met deelnemers aan het proces van opstellen van de Zeeuwse Omgevingsvisie en via een onderzoek getoetst bij de Zeeuwse bevolking. Op die manier hebben zijn we gekomen tot drie Zeeuwse kernkwaliteiten en een kernkwaliteit die we willen ontwikkelen:
1. Genieten en opladen
2. Waarderen en beschermen van het mooie Zeeuwse landschap
3. We voelen ons verbonden met de historie
4. Kernkwaliteitswens: passende werkgelegenheid en ontwikkelmogelijkheden voor iedereen in Zeeland.
Actualisatie en monitoring
De Omgevingsvisie kent geen einddatum en moet actueel gehouden worden. Om te kunnen beoordelen hoe het gaat met de uitvoering, worden de vorderingen continu bijgehouden. Door jaarlijks een overzicht te maken van de voortgang, kan ook een inschatting worden gemaakt of de doelstellingen en ambities haalbaar blijven en/of een andere aanpak nodig is. Het wordt een brede, integrale rapportage die ingaat op alle ambities, doelen en acties en dus niet alleen de provinciale inzet. De rapportage wordt gedeeld met alle betrokken partijen en is een belangrijke basis voor evaluatie en actualisatie van de visie en uitvoering.
Het samenwerkingsverband dat voor de Omgevingsvisie is opgebouwd, blijft een belangrijke rol vervullen bij het actueel houden en uitvoeren van de Omgevingsvisie. Grote (inter)nationale ontwikkelingen, ervaringen met regionale (omgevings)visies en de inzichten uit de jaarlijkse monitoringsrapportage kunnen aanleiding zijn om de Omgevingsvisie of de uitvoering aan te passen of aan te vullen. Actualisatie gebeurt in zorgvuldige afstemming met alle betrokken partijen.
Participatie bij het opstellen van de Zeeuwse Omgevingsvisie en na de vaststelling
Het doel van het proces was een breed gedragen Zeeuwse Omgevingsvisie die door participatie vorm zou krijgen. Dit is gedaan in een aantal stappen. Eerst hebben we aan onze omgeving gevraagd of en hoe ze de visie samen met ons zouden willen opstellen. Daarna is gezamenlijk de agenda geformuleerd; welke onderwerpen in de Zeeuwse Omgevingsvisie een plaats moesten krijgen. De onderwerpen die daaruit kwamen zijn de bouwstenen voor de Omgevingsvisie geworden en worden beschreven in deel B. Het formuleren van het beleid op deze bouwstenen is door middel van co-creatie gebeurd, waarbij Provinciale Staten vooraf de kaders hebben meegegeven waarbinnen het beleid ontwikkeld kon worden. De regiovisies van Zeeuws-Vlaanderen en van de Bevelanden met medewerking van Tholen en verschillende thematische en gebiedsvisies, zoals de Regionale Energiestrategie, de grensvisie voor de Scheldemond regio en de gebiedsvisie Veerse Meer zijn gebruikt als input. In de integratiegroep, met daarin vertegenwoordigers van de verschillende sectoren, is nagedacht over de integratie van de verschillende thema’s en zijn de vier ambities vastgesteld. Als extra stap is het voorontwerp van de Omgevingsvisie voorgelegd aan de achterbannen van alle betrokken partijen en aan de Zeeuwse bevolking. De laatste stap was een formele stap, de terinzagelegging waarbij er gelegenheid was om zienswijzen in te dienen.
De uitvoering van de Zeeuwse Omgevingsvisie zal ook in gezamenlijkheid moeten worden georganiseerd. De belangrijkste overlegstructuur van de Omgevingsvisie, de integratiegroep, blijft hiervoor voorlopig in stand.
MER en Passende Beoordeling bij het opstellen van de Zeeuwse Omgevingsvisie
De Omgevingsvisie is het strategisch kader voor toekomstige (ruimtelijke) ontwikkelingen en dus ook voor eventuele m.e.r.-plichtige activiteiten. Vanwege het kaderstellende karakter van de visie is het noodzakelijk om voor de Omgevingsvisie een milieueffectrapportage op te stellen. De uitvoering van het beleid uit de Omgevingsvisie kan effecten hebben op de natuur binnen Natura2000-gebieden. Daarom is het verplicht een Passende Beoordeling op te stellen voor de Omgevingsvisie.
Er is voor gekozen de milieueffectrapportage in een vroeg stadium en op verschillende momenten binnen het proces van opstellen van de Omgevingsvisie in te zetten. Dit heeft geholpen om de juiste keuzes te maken en de visie integraal, uitvoerbaar en duidelijk te maken.
Het doel van een Passende Beoordeling is de effecten van een plan op Natura2000-gebieden in beeld te brengen en inzicht te verschaffen of het plan uitvoerbaar is. De Passende Beoordeling voor de Omgevingsvisie is breder van opzet. De beoordeling maakt niet alleen inzichtelijk wat de effecten van het voorgenomen beleid zijn op de natuur binnen de Natura2000-gebieden, maar ook op de natuur binnen het Natuurnetwerk Zeeland en op de biodiversiteit buiten de natuurgebieden.
De belangrijkste conclusies uit de Passende Beoordeling en het milieueffectrapport zijn:
De ambities van de Omgevingsvisie zijn in essentie de juiste en bieden kansen voor het daadwerkelijk oplossen van de knelpunten voor de Zeeuwse natuur, mits bij de uitwerking voldoende rekening wordt gehouden met alle relevante ambities, de randvoorwaarden, zoals de mitigerende maatregelen, en aandachtspunten die zijn opgenomen in deze Passende Beoordeling;
Er is een goede wisselwerking geweest tussen milieueffectrapportage en het opstellen van de Omgevingsvisie, waardoor de visie aan integraliteit gewonnen heeft en de beoordeling positief uitpakt.
De aanbevelingen voor de uitvoering in de toekomst worden meegenomen binnen de opzet van de “beste keuze hulp” voor projecten en uitvoeringsprogramma’s en binnen het monitoringsplan.
C
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het gaat goed met Zeeland. Zeeuwen zijn in het algemeen positief over de eigen provincie.
De Zeeuwse woonomgeving bevat veel ingrediënten van een goede gezonde leefomgeving, zoals veel (stedelijk) groen en gevarieerde openbare ruimte, een over het algemeen goede milieukwaliteit en voldoende aanbod van voorzieningen. Doordat veel Zeeuwen een auto hebben, kunnen de meeste mensen zich zelfstandig over grotere afstanden verplaatsen met een betrouwbare reistijd. De Zeeuwse natuur en waardevolle landschappen worden door inwoners en toeristen hoog gewaardeerd. Wat betreft werkgelegenheid zijn het midden- en kleinbedrijf (MKB) en de havens de motor van de Zeeuwse economie. Voor wat betreft toegevoegde waarde zijn dat de havens en industrie. North Sea Port is de derde zeehaven van Europa op basis van toegevoegde waarde. De bereikbaarheid en doorstroming van het wegverkeer zijn aanzienlijk verbeterd door bijvoorbeeld de aanleg van de Westerscheldetunnel en de verdubbeling van de Sloeweg en Tractaatweg. De landbouwsector is van economisch belang en beschikt in Zeeland over een relatief vruchtbare bodem, geschikt klimaat en goede verbindingen over weg en water. Recreatie en toerisme zijn belangrijke pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid. Zeeland beschikt over de schoonste en veiligste stranden van Europa.
1.4.1 Uitdagingen
Toch komen er uitdagingen op ons af. Zoals de wereldwijde klimaatverandering, die rechtstreeks van invloed is op het laaggelegen Zeeland. Naast extreme regenval en lange(re) droge en hete perioden, stijgt ook de zeespiegel. Stormen die tot voor kort nog gemiddeld eens per 4000 jaar voorkwamen, zullen ons veel vaker teisteren. Een risico om serieus rekening mee te houden. Hoe houden we onze provincie leefbaar?
Om de opwarming van de aarde te beperken, zullen we de CO2CO2-emissie sterk moeten reduceren. Zeeland ontwikkelt zich daarbij tot nationaal nucleair energie- en kenniscluster. Hoe passen we onze economie, mobiliteit en woonomgeving daar op aan?
Biodiversiteit neemt wereldwijd af. Ook in Zeeland zien we dat terug. Hoe beschermen en herstellen we de biodiversiteit in natuurgebieden? En hoe doen we dat in onze directe leefomgeving, waar natuurwaarden ook belangrijk zijn voor onze voedselvoorziening, gezondheid en economie?
Ook de samenstelling van de Zeeuwse bevolking zal de komende decennia veranderen. Hoewel de bevolking nog licht blijft groeien, neemt de vergrijzing toe. Niet alle beschikbare banen worden vanzelfsprekend vervuld. Hoe zorgen we ervoor dat Zeeland voor haar inwoners aantrekkelijk blijft en houden we onze economie gezond?
Deze trends zijn in het verleden begonnen en zetten in de toekomst door. De uitdagingen zijn groot en er is veel nodig om ze het hoofd te bieden. Door nu te bepalen waar we in 2030 en 2050 willen staan, kunnen we vandaag de eerste stappen zetten om daar te komen. Niet alleen door het faciliteren van wensen en grote ontwikkelingen maar ook door de mogelijkheden en kansen ervan te benutten, zonder dat de karakteristieke eigenheid van onze provincie wordt aangetast en met behoud van al het goede dat er nu is.
Daarom hebben we in deze Omgevingsvisie vier Zeeuwse Ambities voor 2050 benoemd.
1.4.2 Zeeuwse Ambities
Om meer inzicht te krijgen in wat prioriteit verdient, hebben we in 2018 breed gepeild welke onderwerpen in de Zeeuwse Omgevingsvisie een plaats zouden moeten krijgen. Die onderwerpen zijn door alle partijen die wilden meeschrijven of meedenken samen uitgewerkt in 27 bouwstenen, die in Deel B van de visie terugkomen. In deze bouwstenen zijn vier hoofdlijnen te zien, die samenhangen met grote veranderingen die op Zeeland afkomen en vragen om actie. Dit zijn de vier grote ambities die centraal staan in deze Omgevingsvisie. Deze ambities sluiten goed aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven er een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse Ambities geven richting aan al het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Wij houden koers door onze inspanningen steeds te richten op de Zeeuwse ambities.
Hieronder geven we de hoofdpunten per ambitie aan. In de hoofdstukken 2 tot en met 5 beschrijven we de ambities uitvoerig.
1. Uitstekend wonen en leven in Zeeland
Verandering van de bevolkingssamenstelling en de noodzaak voor toegankelijke voorzieningen;
Vernieuwing van de Zeeuwse woningmarkt;
Uitbreiding van de woningvoorraad in diverse woonmilieus om de groei en demografische ontwikkeling te accommoderen;
Noodzaak om barrières weg te nemen zodat alle Zeeuwen gemakkelijk deel kunnen nemen aan de samenleving
Zorgen voor een schone, gezonde en veilige woonomgeving
2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied
Verbeteren van de balans tussen het gebruik en de draagkracht van land en water;
Herstel van biodiversiteit;
Ruimte voor nieuwe duurzame ontwikkeling, met structurele versterking van natuurkwaliteit, waterkwaliteit en landschappelijke kwaliteit.
3. Een duurzame en innovatieve economie
Hoogwaardig (her)gebruik van producten, grondstoffen en energie, gecombineerd met inzet op nucleaire energie, waterstof en CO2-vrije energie-infrastructuur.
Sluiten van kringlopen
4. Klimaatbestendig en CO2CO2-neutraal Zeeland
Bij de beschrijving van de Zeeuwse Ambities gebruiken we de backcasting methode uit het Raamwerk voor strategische duurzame ontwikkeling van The Natural Step, een internationale non-profit organisatie voor duurzame ontwikkeling. Welke weg je hebt af te leggen om het doel te bereiken hangt niet alleen af van waar je naar toe wilt, maar ook waar je nu staat en welke mogelijkheden je hebt om bij het doel te komen.
In de eerste paragraaf van elk hoofdstuk beschrijven we de ambitie voor Zeeland in 2050. Dit is stap 1 van het backcasting proces, het definiëren van succes: waar willen we staan in 2050, los van beperkingen in het nu.
Stap 2 is een beschrijving van de huidige situatie en de trends en ontwikkelingen en een beeld van wat dit zou opleveren wanneer de Provincie de komende decennia geen extra actie zou ondernemen. Deze staat in paragraaf 2.
Stap 3 staat in paragraaf 3: welke stappen er nodig zijn om vanuit het nu, de ambities uit paragraaf 1 waar te maken.
Stap 4 uit de methode is het prioriteren en kiezen in de aanpak. Deze staat eveneens in paragraaf 3. Om te kunnen prioriteren, gebruiken we afwegingsfactoren. Deze worden hierna beschreven, in paragraaf 1.5.
Door nu te bepalen waar we in 2030 en 2050 willen staan, kunnen we vandaag de eerste stappen zetten om daar te komen. Niet alleen door het faciliteren van wensen en grote ontwikkelingen maar ook door de mogelijkheden en kansen ervan te benutten, zonder dat de karakteristieke eigenheid van onze provincie wordt aangetast. In Deel B van de Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijven we voor de onderliggende bouwstenen van elke ambitie de tussendoelen voor 2030 en de eerste acties om die doelen te bereiken.
D
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Nationale Omgevingsvisie kan niet met kopiëren en plakken omgezet worden naar de situatie in de twaalf Nederlandse provincies. Elke provincie heeft haar eigen specifieke schoonheid en problematiek. Anders gezegd: Wat is typisch Zeeuws? Wat in Zeeland is zo mooi en zo belangrijk, dat we het voor geen goud zouden willen missen?
Eind oktober 2019 zijn deze vragen uitgezet en besproken met enkele honderden deelnemers aan de verschillende Zeeuwse Gebiedstafels. In juni 2020 zijn deze kernkwaliteiten getoetst bij de bevolking via een onderzoek door HZ Kenniscentrum Zeeuwse samenleving. Op die manier is het gelukt de voornaamste Zeeuwse kernkwaliteiten onder woorden te brengen.
Kernkwaliteiten zijn herkenbare, fysieke kenmerken zoals bebouwing, openbare ruimte, landschap, natuur en cultuurhistorie. Ze zijn zichtbaar in de omgeving. Ze gaan samen met de immateriële waarden zoals rust, gezondheid, leefbaarheid, levendigheid, aantrekkingskracht en andere culturele en sociale aspecten. Kernkwaliteiten zijn meestal niet in een getal te vatten, en al helemaal niet objectief; ze drukken een bepaalde mate van waardering uit.
Naast kernkwaliteiten die Zeeland nu heeft en die we willen behouden, zijn er ook wensen voor de toekomst, kernkwaliteiten die we willen ontwikkelen. Wat voor provincie willen we zijn in 2050? Hoe willen we dan bekend staan? Ook dat is meegenomen in het onderzoek van HZ Kenniscentrum Zeeuwse samenleving.
De breedst gewaardeerde kernkwaliteit voor Zeeland is:
1. Genieten en opladen
Je kunt in onze provincie genieten en jezelf weer helemaal opladen. Of je nu geniet door inspanning, een fietstocht, culturele activiteiten, kitesurfen of door bezoek aan een rommelmarkt of zomeravondconcert, Zeeland heeft veel te bieden om van te genieten en jezelf weer op te laden.
Het landschap in Zeeland is gedurende de lange bewoningsgeschiedenis door menselijk toedoen veranderd. Er zijn nog veel sporen aanwezig van grote overstromingen en oorlogen. Alles bij elkaar heeft dit geresulteerd in unieke landschapskwaliteiten. De prachtige horizon op het platteland, met hofsteden tussen boomgroepen. Nachten waarin je de Melkweg kunt zien, zonder hinder van lichtvervuiling, stilte. Hier kun je op adem komen.
Elementen van deze kernkwaliteit: Weidsheid, ruimte, rust (stilte en duisternis), gezonde zeelucht, gastronomie, streekproducten, recreatie, watersport, strand en zee, cultuur en evenementen.
2. Waarderen en beschermen van het mooie Zeeuwse landschap
In het landelijk gebied is het allemaal nog terug te vinden: kleinschaligheid, voedselproductie, boomgaarden, oude dijken en een grote variatie aan deels internationaal erkende natuurgebieden. De duidelijke structuur van dorpen omgeven door een gordel van groen. Het landelijk gebied vraagt om een duurzaam beheer en zorgvuldigheid bij beslissingen voor toekomstig gebruik. De ruimtelijke impact van ontwikkelingen kan veel betekenen voor ons mooie Zeeuwse landschap. Zeeuwen houden van dit mooie landschap. Dat wordt al duidelijk als er een aantasting dreigt. Het maakt daarbij niet uit of die te maken heeft met een economisch belang of met de veiligheid. De anders zo gemoedelijke inwoners stellen zich onwrikbaar op in hun wens dit landschap te beschermen. Elementen van deze kernkwaliteit: Vruchtbaar land, dijken, dammen duinen, paalhoofden, zilte natuur, zeekleigronden, cultuurlandschap, kreekruggen, poelgronden, deltawerken, eilandgevoel, aquacultuur en dubbelgebruik van ruimte.
3. We voelen ons verbonden met de historie
Eeuwenlang was Zeeland een provincie van strijd, zo niet in oorlogen dan toch wel tegen de zee. De meest recente historische feiten op dit gebied zijn wel de inundaties op Schouwen-Duiveland en Walcheren gedurende de Tweede Wereldoorlog en de Watersnoodramp in Zuidwest-Nederland in 1953. De ramp van 1953 leidde tot een historische uitspraak van Koningin Juliana: “Dit nooit meer.” Als reactie op de verdrinkingsdood van 1836 mensen werden in Zeeland en Zuid-Holland de Deltawerken gebouwd. Wij Zeeuwen zijn trots op onze Deltawerken, die prachtige meren hebben opgeleverd en die ons beschermen tegen stormen. Elementen van deze kernkwaliteit: Industrieel, maritiem, militair en agrarisch erfgoed, havens en scheepvaart, strategische ligging, vestingen, vliedbergen, inundatiekreken, nood- en geschenkwoningen.
4. Kernkwaliteitswens: Passende werkgelegenheid en ontwikkelmogelijkheden voor iedereen in Zeeland.
De enquête van HZ Kenniscentrum Zeeuwse samenleving onthulde behalve waardering ook een gemis. Deze vierde kernkwaliteit is er eentje die nog kan worden verbeterd in Zeeland, namelijk werkgelegenheid- en carrièrekansen. Met name jongvolwassenen geven aan dat dit een belangrijk gemis in Zeeland is. Ook door de mensen die niet altijd in Zeeland hebben gewoond wordt dit als een belangrijk aandachtspunt genoemd. In totaal geeft meer dan 60% van de ondervraagden aan dat dit een belangrijk verbeterpunt is. Als wordt doorgevraagd wordt door de geïnterviewde inwoners van Zeeland aangegeven dat de mogelijkheid om door te kunnen stromen en de diversiteit in de werkgelegenheid een punt van zorg is. Mensen zitten te lang op dezelfde functie omdat ze geen doorstroomkansen hebben. Ook wordt aangegeven dat Zeeland voor jongeren niet aantrekkelijk is om te wonen en te werken. Met de werkgelegenheid en carrièrekansen is de kwaliteit van onderwijs onlosmakelijk verbonden. De kwaliteit van het onderwijs wordt door de geïnterviewden als matig positief beoordeeld. Wat zou het mooi zijn als de Zeeuwen van 2050 trots zouden zijn op de werkgelegenheid en carrièrekansen in Zeeland en een onderwijsaanbod dat daar op aansloot! Elementen van deze kernkwaliteit: Diversiteit in werkgelegenheid, doorstroomkansen, aansluiten van vraag en aanbod op de arbeidsmarkt, werkgelegenheid op alle niveaus, inspelen op nieuwe werkgelegenheid. Diversiteit in scholingsaanbod, onderwijsaanbod dat aansluit op de arbeidsmarkt, innovatief scholingsaanbod, kwalitatief goed onderwijs en hogereen groeiend aanbod van academisch onderwijs en onderzoek in Zeeland.
Als logistieke, aan de provincieindustrie, maritieme maakindustrie en defensie gerelateerde toegangspoort van Nederland en Noordwest-Europa is aanwezigheid van defensie in Zeeland kansrijk. Daarmee is een groeiende rol van defensie in Zeeland, via de Nationale Weerbaarheidstraining, de marinescheepsbouw en de Host Nation Support een nieuwe en verder te ontwikkelen kwaliteit.
E
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Samenhang
Om ergens uitstekend te kunnen wonen en leven, wil je een huis dat aan je behoeften voldoet. Groot genoeg, maar niet te groot en niet te duur. Zeeland zet daarom in op een ontwikkelstrategie om de juiste woningen toe te voegen, het versterken van de stedelijkheid, behouden van vitale wijken en dorpen, integrale ruimtelijke ontwikkeling gekoppeld aan bereikbaarheid, gezondheid, onderwijs en voorzieningen. Je wilt je veilig kunnen voelen in je straat, ook ’s avonds en het is fijn als de natuur dichtbij is, te zien, te ruiken, aan te raken. Vanaf je huis wil je dat voorzieningen bereikbaar zijn. Denk aan scholen, winkels, theater, museum, sportveld of bibliotheek. Hoe ver is het naar de tandarts, fysio of het ziekenhuis? En tot slot: is je werk goed bereikbaar vanaf thuis?
Buiten de onderwerpen die hieronder genoemd staan, heeft wonen en leven ook raakvlakken met klimaatadaptatie, energietransitie, infrastructuur, recreatie en toerisme, milieu, arbeidsmarkt, erfgoed, archeologie, zoet water en natuur.
Deze ambitie sluit aan bij de NOVI-prioriteit 'Sterke en gezonde steden en regio’s'. De Zeeuwse Omgevingsvisie besteedt extra aandacht aan beschikbaarheid van voorzieningen en de kwaliteit van woningen.
Met deze ambitie dragen we bij aan de volgende Duurzame Ontwikkelingsdoelen.
De ambitie voor 2050
In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. Je wordt er ook aangezet tot gezond gedrag, zoals wandelen, fietsen, gezond eten, ontmoeten en ontspannen. De woonomgeving draagt bij aan biodiversiteit en is ingericht zowel op langere droogte als op overtollig regenwater. Voorzieningen zijn klimaatneutraal voor iedereen bereikbaar, ook wanneer je geen auto hebt. Zeeland ontwikkelt een Publiek Vervoer met hoogwaardige openbaarvervoercorridors, versterkt spoorverbindingen inclusief de vierde trein Vlissingen–Bergen op Zoom en werkt aan versterking van de bereikbaarheid van voorzieningen voor alle Zeeuwen. Mobiliteit is snel, slim, veilig, schoon en betaalbaar voor zowel reiziger als overheid. Zeeland beschikt over een robuust en toekomstbestendig mobiliteitssysteem met hoogwaardige spoor-, HOV-, weg- en goederenverbindingen richting de Randstad, Brabant, Vlaanderen en het Europese achterland. De digitale bereikbaarheid is snel en goed. Het onderwijs in de provincie is goed bereikbaar, betaalbaar en van hoogstaande kwaliteit. Zeeland beschikt verspreid door de provincie over een aantal onderscheidende kleinschalige top- en kwaliteitsvoorzieningen. De Zeeuwse culturele infrastructuur is robuust en veerkrachtig en biedt de regio een vernieuwend, toegankelijk en compleet cultuuraanbod met dragende voorzieningen, podia, festivals, makersinitiatieven en erfgoedlocaties.
F
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Veranderende bevolkingssamenstelling
Sinds 2014 is er in Zeeland sprake van een stabiele tot licht groeiende bevolking, ondanks dat er meer mensen overlijden dan dat er worden geboren. De Zeeuwse bevolking neemt naar verwachting de komende jaren toe tot bijna 420.000 in 2040 (bron: Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 2022). De verwachte groei is geheel toe te schrijven aan de toestroom van nieuwe Zeeuwen uit binnen- en buitenland. Het aantal verhuizingen naar Zeeland hangt samen met de mate van dynamiek op de woningmarkt. Het vertrek van jongeren die een opleiding buiten de provincie gaan volgen (en vaak niet meer terugkomen) wordt hiermee getalsmatig gecompenseerd. Ook de instroom van buitenlandse werknemers en statushouders (vluchtelingen met een verblijfsstatus) draagt bij aan de groei van de Zeeuwse bevolking in de afgelopen jaren. Niet elke regio heeft te maken met bevolkingsgroei. Door het oplopende sterfteoverschot vlakt de bevolkingsgroei in heel Zeeland op termijn af.
De leeftijdsopbouw van de Zeeuwse bevolking zal fors veranderen (bron: Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose 2022). Opvallend is dat de groep tot 15 jaar in de periode tot 2040 weer licht gaat groeien. De bevolking in de leeftijdsgroep 15 tot 60 jaar blijft in die periode gelijk. Het aantal 80+ers neemt juist met 20.000 toe. Dit is een verdubbeling ten opzichte van 2020. De potentiële beroepsbevolking daalt door de vergrijzing tot 2040 met 20.000.
Woningvoorraad
De huidige Zeeuwse woningvoorraad is met veel woningen uit de wederopbouwperiode 1945 - 1970 relatief oud en heeft een lagere bouwkwaliteit dan gemiddeld (Kwalitatief Woononderzoek Zeeland). Dit maakt de woningvoorraad kwetsbaar. Demografische ontwikkelingen (vergrijzing, huishoudensverdunning), de noodzaak voor verduurzaming en aanpassing van woningen aan de zorg(behoefte) hebben een belangrijke invloed op de woonbehoefte. De vraag naar woningtypen en woonmilieus verandert hierdoor. Het gaat niet alleen om aantallen woningen, maar ook om betaalbaarheid, een match met de kwalitatieve vraag, leefbaarheid van wijken en eendorpen, koppeling met duurzaamheidsdoelen en voldoende woningaanbod voor de groeiopgave van Zeeland in 2050.
De aanpassing van de bestaande woningvoorraad door sloop, herstructurering, woningaanpassing en verbetering is een lastige opgave. Er worden jaarlijks weinig oudere particuliere woningen onttrokken aan de woningmarkt. En vervanging om doeltreffend tegemoet te komen aan de behoefte, de veranderende bevolkingssamenstelling en de benodigde energietransitie, is vooral in de particuliere sector een hoger sloop- en nieuwbouwtempo nodig.
In 2022 is volkshuisvesting na lange tijd weer een belangrijk onderdeel van de Rijksagenda geworden. De nadruk daarbij ligt op het stimuleren van de nieuwbouw, het vergroten van de (betaalbare) woningvoorraad en de toegankelijkheid van de woningmarkt voor iedereen. In het kader van de Nationale Bouw- en Woonagenda heeft Zeeland met het Rijk eind december 2022 een Woondeal gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over. een realistische nieuwbouwopgave voor de komende jaren.
In 2026 treedt de Wet versterking regie volkshuisvesting in werking. Deze wet beoogt meer Overheidsregie m.b.t. hoeveel, waar en voor wie er gebouwd wordt om zodoende de woningnood (beter) aan te pakken. De wet introduceert op zowel nationaal, provinciaal als gemeentelijk niveau het instrument volkshuisvestingsprogramma. Hierin wordt beschreven hoe volkshuisvestelijke doelen worden gerealiseerd, inclusief verplichtingen (zoals 2/3 betaalbaar, 30% sociaal). Daarnaast schrijft de wet een verplichte huisvestingsverordening voor met urgentieregeling, waarbij afspraken worden gemaakt over een eerlijke verdeling voor huisvesting van urgente aandachtsgroepen.
In de meeste regio’s zijn voldoende woningbouwplannen om de uitbreidingsbehoefte op te vangen. Het betreft hier echter een kwantitatieve, niet perse een kwalitatieve match. Veel woningbouwplannen zijn gemaakt in het verleden voor een andere vraag en verwachting. De situatie ziet er op dit moment anders uit, waardoor een deel van de plannen niet van de grond komt. Plannen voor duurdere koopwoningen met tuin of terras zijn er in bijna elke regio wel genoeg, maar de vraag van de Zeeuwen verandert: er zijn meer betaalbare en voor oudere geschikte woningen nodig. Ook worden bewoners kritischer over de gewenste woning en de daarbij behorende woonomgeving.
De situatie is niet overal in Zeeland gelijk: lokaal en regionaal zijn er grote verschillen in de problematiek. Van grote vraag naar nieuwe of andere woningen tot veel leegstaand vastgoed. Bijvoorbeeld aan de kust waar veel woningen worden gebruikt als tweede- of deeltijdwoning. Enerzijds kan deeltijdwonen een uitkomst zijn om leegstand te voorkomen, anderzijds komt de ervaren leefbaarheid van permanente bewoners onder druk te staan.
Tegelijkertijd ondervinden mensen die tijdelijk en op korte termijn een woning nodig hebben in verband met werk of privéomstandigheden, veel moeite bij het vinden van een acceptabele, betaalbare woning. Het gebrek aan deze woningen is één van de oorzaken van het gebrek aan doorstroming op de woningmarkt. Het ontbreekt aan een ‘flexibele schil’ in de woningvoorraad die dit op kan vangen.
Bouwen binnen het stedelijk gebied en zorgvuldig gebruik van de beschikbare ruimte zijn altijd uitgangspunten geweest. In het stedelijk gebied verliezen steeds meer vormen van vastgoed hun functie, zoals maatschappelijk vastgoed, scholen, winkels, kerken en kantoren. Voor de dynamiek van het stedelijk gebied is het cruciaal dat woningen toegevoegd kunnen worden in, of in plaats van deze gebouwen.
Gezonde woonomgeving
De Zeeuwse woonomgeving bevat veel ingrediënten die een goede gezonde leefomgeving kenmerken, zoals veel (stedelijk) groen en gevarieerde openbare ruimte, een over het algemeen goede milieukwaliteit en voldoende aanbod van voorzieningen. De milieukwaliteit verschilt wel per locatie en er zijn nieuwe milieufactoren die van belang zijn (zie paragraaf 3.2 onder het kopje Omgevingskwaliteit). Zeeland kent een hogere tevredenheid van de inwoners als het gaat om de woonomgeving, dan het landelijk gemiddelde. Dit heeft een directe relatie met de algemene tevredenheid over het leven (Bron: Woononderzoek Nederland ‘WoON’, onderzoek van het Rijk).
Dat er zo veel groen in Zeeland is komt onder andere door het grote netwerk van erkende natuurgebieden én de Zeeuwse traditie van natuur en natuurbeheer op particuliere terreinen, verspreid over de regio. Bijvoorbeeld rond nieuwe landgoederen, (voormalige) buitenplaatsen en boerenerven, maar ook dorpsbosjes en -boomgaarden, of tijdelijke natuur op bedrijventerreinen. Ook wordt steeds meer groen aangelegd rond scholen en zorginstellingen. Deze natuurverbreding heeft, naast het vele cultuurhistorische groen, een gunstige invloed op de belevingswaarde van de openbare ruimte. Het creëert een omgeving die uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en ontspannen. Een omgeving die veilig voelt, sociale samenhang bevordert én gezond gedrag uitlokt.
Gezond gedrag, en hoe dit kan worden bevorderd door de inrichting van de woonomgeving, staat steeds meer in de belangstelling. Het kan worden bevorderd door bijvoorbeeld voorzieningen en woningen die geschikt zijn voor ouderen en mindervaliden te concentreren. Hierbij hoort dan ook een veilige en aantrekkelijke openbare ruimte. Het stimuleren van een omgeving die uitnodigt tot bewegen, gezond eten, ontmoeten en ontspannen wordt steeds belangrijker, omdat dit een positief effect op gezond gedrag heeft. Een woonomgeving waarin het groen schaars is, zorgt voor een lage waardering van de buitenruimte.
Als er geen maatregelen worden genomen, zorgt de klimaatverandering voor toenemende overlast. Door hogere temperaturen ontstaan ‘hitte-eilanden’ op plaatsen met weinig groen en schaduw. Daarnaast worden de gezondheid en de leefomgeving ook aangetast door luchtverontreiniging, doordat de schadelijke stoffen tussen de gebouwen blijven hangen. De aanwezigheid van groen kan helpen bij het zuiveren van de lucht doordat fijnstof wordt afgevangen. Groen heeft ook een positief effect op de mentale gesteldheid van mensen. De aanwezigheid van natuur dichtbij stimuleert mensen meer te wandelen of te sporten; dat resulteert dan weer in minder overgewicht.
De huidige woonomgeving wordt als autogericht ervaren, waardoor de straat vaak onveilig en onaantrekkelijk is om er te wandelen of te fietsen. De kwaliteit van de leefomgeving en de gezondheid van de inwoners staan hierdoor onder druk. Concepten op het gebied van Slimme Mobiliteit kunnen zorgen voor een afnemend ruimtegebruik voor verkeersdoeleinden (met name parkeerplaatsen) in het bebouwd gebied. Dit biedt ruimte voor verbetering van de woonomgeving door toevoeging van stedelijk groen.
Voor de kwaliteit van de woonomgeving is ook de aanwezigheid of bereikbaarheid van voorzieningen essentieel. Dit wordt behandeld bij het punt hieronder.
Bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen
De aanwezigheid van een bereikbaar en toegankelijk winkelbestand en (basis)voorzieningen op gebied van onderwijs, sport, kinderopvang, zorg en cultuur draagt bij aan de leefbaarheid van een gebied voor mensen die daar wonen. Het vormt tegelijkertijd een belangrijke voorwaarde om als gebied aantrekkelijk te zijn en te blijven. Zeeland heeft sinds jaren te maken met het verlies van organisaties op het gebied van zorg, onderwijs en dienstverlening. Veelal heeft dit te maken met het te lage bevolkingsaantal waardoor een bepaald aanbod hier niet exploitabel is, soms door keuzes voor centralisatie op nationaal niveau.
Het Zeeuwse onderwijs is hier een voorbeeld van. Om kwalitatief goed onderwijs te kunnen bieden is samenwerking met instellingen binnen en buiten de provincie (inclusief Vlaanderen) en specialisatie op een aantal thema's noodzakelijk. Zie hiervoor verder het kopje Onderwijs.
Ook voor goede ziekenhuiszorg is het hebben van medische specialisaties steeds meer afhankelijk van grotere aantallen patiënten. Gelet op het relatief geringe Zeeuwse bevolkingsaantal kan niet langer in alle specialisaties worden voorzien en is samenwerking binnen Zeeland en met andere ziekenhuisorganisaties zowel in Nederland als in Vlaanderen, noodzakelijk.
Er zijn ook omgekeerde bewegingen, zoals de vestiging van een nieuw justitieel complex bij Vlissingen. Toerisme draagt in sommige regio's binnen onze provincie in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid en de instandhouding van voorzieningen, vooral in de kleine kernen van Zeeland. Winkels, openbaar vervoer, infrastructuur en publieke voorzieningen zijn er mede dankzij het draagvlak van het toerisme. Daar waar de toeristen niet komen, staan bijvoorbeeld de instandhouding van een supermarkt en publieke voorzieningen onder druk en kunnen deze zelfs verdwijnen.
Evenementen
Evenementen zijn essentieel in de profilering van Zeeland. We zien hier, net als in de rest van Nederland, de ontwikkeling dat evenementen en festivals inspelen op de behoefte aan unieke belevingen, tijdelijke beschikbaarheid en meedoen. Veel evenementen zijn in de afgelopen 25 jaar ontstaan, denk onder andere aan: Concert at Sea, Kustmarathon Zeeland, Vestrock Hulst, Ride for the Roses, Marathon van Zeeuws-Vlaanderen en Nazomerfestival. Vooral het laatste decennium zien we ook in Zeeland een sterke groei in omvang, deelname en (media)aandacht. Het aantal evenementen in Zeeland bedraagt duizenden op jaarbasis (2019). De omvang en impact verschillen en de evenementen zijn niet gelijkmatig verdeeld in tijd en over de provincie. De groei in omvang brengt eenzelfde soort zorgen mee als de groei van het toerisme, namelijk uitdagingen op het gebied van infrastructuur, overlast en veiligheid.
In het Zeeuwse Sportakkoord zijn ambities benoemd voor inspirerende sportevenementen die impact hebben op de profilering van Zeeland. Het Zeeuwse Sportakkoord werd in 2019 ondertekend door het Provinciebestuur en 27 gemeentelijke, gezondheids-, natuur-, onderwijs- en sportorganisaties. Grote wielerrondes en festivals zetten Zeeland op de (inter)nationale kaart.
Mobiliteit
Bereikbaarheid is van groot belang voor het vestigingsklimaat voor inwoners. Daarbij gaat het zowel om de hoofdverbindingen voor de auto als de verbindingen per openbaar vervoer. Doordat het autobezit in Zeeland hoog is kan het gros van de mensen zich zelfstandig over grotere afstanden verplaatsen met een betrouwbare reistijd. De verkeersintensiteit blijft naar verwachting toenemen. Op sommige trajecten van het Zeeuwse hoofdwegennet kan dit rond 2030 tot verkeersopstoppingen leiden. Door de toename van rijtaakondersteuning in voertuigen, wordt de capaciteit van de wegen beter benut.
De treinverbinding biedt een goede bereikbaarheid voor de Bevelanden en Walcheren, maar de verbinding met de Randstad en Noord-Brabant is de laatste jaren juist langzamer geworden. Met betrekking tot vestigingsklimaat is dit een punt van zorg, maar in het kader van het Compensatiepakket Wind in de Zeilen wordt dit aangepakt met een extra intercityverbinding over de Zeeuwse Lijn en aanvullende maatregelen.
Zeeland heeft één publiek georganiseerde verbinding over water; het fietsvoetveer tussen Breskens en Vlissingen. Deze dienst wordt met name in de zomer door veel toeristische reizigers gebruikt, maar biedt jaarrond voor studenten en forenzen een betrouwbare aansluiting over het water en aansluiting op het nationale spoornet.
Verkeersveiligheid is een belangrijk thema, zowel wat betreft de inrichting van wegen als het gedrag van weggebruikers.
Incidenten en piekdagen leiden tot grote verstoringen, omdat de infrastructuur naast het hoofdnetwerk de verkeersstromen slechts beperkt kan overnemen. Door de afhankelijkheid van bruggen en tunnels als verbindingen binnen Zeeland hebben verstoringen snel grote gevolgen. Zeker voor hulpdiensten kan dit problematisch zijn. Ook bij grote incidenten zijn de vluchtroutes beperkt. Ook extreme weersomstandigheden en klimaatverandering beïnvloeden de betrouwbaarheid van de infrastructuur. Dit is een aandachtspunt bij de klimaatadaptatiestrategie.
Scholieren, studenten, mensen met een beperking, ouderen en mensen die om een andere reden niet kunnen beschikken over een auto, zijn minder zelfstandig mobiel en daarom afhankelijk van openbaar- en doelgroepenvervoer. Zij ervaren belemmeringen in hun mobiliteit. Door centralisering zijn niet alle voorzieningen aan te fietsen. Er zijn wel grote regionale verschillen. De gebieden nabij de Zeeuwse spoorlijn, N62 en A58 hebben betere verbindingen en meerdere reisopties, waar dat in andere gebieden beperkt is. De grensoverschrijdende verbindingen zijn beperkt. De noord-zuid verbindingen worden bediend door de bus. Aansluiting vanuit Zeeland op het Belgische spoor ontbreekt. Het busvervoer in Zeeland kent een teruglopend aantal gebruikers en de kosten voor het systeem nemen toe. Voor doelgroepenvervoer geldt dat het gebruik toeneemt, wat voor gemeenten een kostbare onderneming is. Lokale mobiliteitsinitiatieven van bewoners bieden een aanvulling op het bestaande aanbod van collectief vervoer. De (snelle) elektrische fiets is voor steeds meer scholieren, forenzen en ouderen een uitkomst voor dagelijkse verplaatsingen. De hogere snelheid van e-bikes vraagt om aanpassing van de fietsinfrastructuur, omdat de risico’s op ernstige ongevallen toeneemt. In Zeeland zetten we in op de realisatie van doorfietsroutes. Dit zijn drukkere routes die kernen verbinden ‘die voldoen aan een aantal kenmerken van een snelfietsroute’.
Er is vraag naar flexibele en vraaggerichte vormen van (openbaar) vervoer. Onder de noemer Slimme mobiliteit wordt gewerkt aan een flexibel en robuust mobiliteitssysteem dat de reiziger (meer) centraal stelt.
Cultuur
Cultuur is een belangrijke vestigingsfactor voor succesvolle regio’s en dat geldt zeker ook voor Zeeland. Een brede basis met voorzieningen voor een grote groep met daarbij een beperkt aanbod van (top)cultuur voor specifieke (niche)groepen is kenmerkend voor het huidige cultuuraanbod in Zeeland. Er zijn veel initiatieven op het gebied van cultuur, van monumenten tot (kleine) podia, en van fruitteeltmuseum tot muziek in de klas, maar door de specifieke eigenschappen van Zeeland is veel ook kwetsbaar. Het aanbod is verspreid zowel geografisch als over veel organisaties. Dat betekent niet alleen relatief lage bezoekersaantallen, maar ook veel inzet door vrijwilligers met passie voor cultuur, maar vaak op leeftijd. Continuïteit in menskracht en professionaliteit is dan een zorgpunt.
De Zeeuwse jeugd kennis laten maken met cultuur in brede zin is de belangrijkste doelstelling van cultuureducatie. Hiervoor wordt door verschillende aanbieders samengewerkt met scholen waarbij deskundigheidsbevordering een belangrijk speerpunt is. Ook wordt de Zeeuwse cultuur buiten de scholen toegankelijk gemaakt door vervoer op maat te organiseren. Dit maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat ook scholen uit Zeeuws-Vlaanderen het Watersnoodmuseum in Ouwerkerk kunnen bezoeken.
De Zeeuwse kunsten zorgen voor reflectie, vorming, verbinding en soms voor ongemak. Het draait niet alleen om het maken en tonen van mooie dingen, maar ook om het uitproberen van nieuwe dingen en het onverwachte mogelijk te maken. Creativiteit, innovatie, diversiteit en vakmanschap zijn kenmerkende eigenschappen van de kunsten die nog meer verbonden kunnen worden met actuele maatschappelijke opgaven. Er ligt een uitdaging om een beter klimaat voor makers uit de creatieve industrie te realiseren. Het aanbod van kunsten in Zeeland wordt gekenmerkt door het grote palet van kleinschalige podia tot grote meerdaagse festivals en van internationaal aansprekende hedendaagse kunst tot de liefhebbende amateur beeldhouwer. Er is veel te zien en te doen in Zeeland, maar het blijft een opgave om een degelijke (basis)infrastructuur te onderhouden.
Er zijn vijf grotere musea die de belangrijkste Zeeuwse verhalen vertellen. De Zeeuwse geschiedenis, het industriële verleden en heden, de maritieme historie, de Slag om de Schelde en de strijd tegen het water hebben een ‘eigen' museum. Daarnaast zijn er nog vele lokale en kleinere musea die een eigen verhaal vertellen. Ook voor de kleine musea geldt dat het een opgave blijft om een volledig aanbod open te houden. De bezoekersaantallen zijn relatief gering waardoor de verdiencapaciteit ook laag is en ook de musea draaien op een groot bestand van vrijwilligers.
De Zeeuwse bibliotheken zijn een belangrijke ontmoetingsplaats en zorgen voor laagdrempelige beschikbaarheid van lectuur, literatuur en informatie. Ook dragen zij bij aan het vergroten van lees- en taalvaardigheid.
Binnen het Zeeuwse culturele veld ontstaat in de volle breedte steeds meer animo om samen te werken. Het vanuit eigen kracht en de eigen expertise kijken hoe meerwaarde kan ontstaan door nieuwe of soms voor de hand liggende combinaties te vormen, is een belangrijke ontwikkeling. Deze ontwikkeling kan bijdragen aan het versterken van het vestigingsklimaat, het behoud en de verdere ontwikkeling van een rijk en divers cultureel aanbod en het uitdragen van de Zeeuwse identiteit. Hierbij zullen verschillende dilemma’s overwonnen moeten worden. Denk aan keuzes over bereikbaarheid, spreiding en versnippering van voorzieningen, over balans zoeken tussen een hoogwaardig aanbod met aantrekkingskracht voor specifieke groepen versus een breed aanbod wat toegankelijk is voor velen, over het behouden van bestaande elementen in relatie tot de wens om nieuwe dingen te ontwikkelen.
G
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Woningvoorraad
De Zeeuwse gemeenten, woningcorporaties en de Provincie werken op basis van de Zeeuwse Woonagenda, waarbinnen gezamenlijk wordt opgetrokken om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. Ook de Woondeal is in aansluiting met de Zeeuwse Woonagenda. Hierin is afgesproken dat tot 2030, 16.500 woningen worden gebouwd. Waarvan tweederde betaalbaar. In 2026 wordt de woondeal geactualiseerd voor de periode tot en met 2036. Subsidieregelingen van het Rijk en de Provincie Zeeland worden ingezet voor het saneren of vervangen van woningen waar geen behoefte aan is, het stimuleren van verduurzaming van de woningvoorraad, het realiseren van een flexibele schil en de ondersteuning van gemeenten bij de versnelling van woningbouw die voorziet in een behoefte op de juiste plaats. Rijk, Provincie en gemeenten stellen de kaders vast waarbinnen de afspraken worden uitgevoerd.
In het kader van het Zeeland 2050 wordt gewerkt aan een toekomstbeeld sterke dorpen en bruisende steden. Deze verkenning voert de Provincie samen met gemeenten en het Rijk uit om te komen tot een gedragen uitwerking voor wonen, bereikbaarheid en voorzieningen voor de steden en dorpen gericht op het borgen van de leefbaarheid. De thema’s wonen, bereikbaarheid, voorzieningen en werkgelegenheid worden hierbij in nauwe samenhang bezien.
De aanpak biedt ook kansen voor de arbeidsmarkt (werkgelegenheid voor verduurzaming), cultuur (hergebruik monumentale en beeldbepalende panden), woonomgeving (hergebruik leegstaande panden en braakliggende percelen binnen dorpen en steden), gezondheid (verbeteren binnenklimaat) en circulaire economie (circulair bouwen). Daarnaast wordt de verduurzaming van de woningvoorraad versneld en wordt de woningmarkt actief beïnvloed.
Gezonde woonomgeving
Voor een veilige woonomgeving die gezond gedrag uitlokt, staan vooral de gemeenten aan de lat. Daarbij helpen initiatieven van burgers, bedrijven, natuur- en welzijnsorganisaties. De Provincie ondersteunt deze partijen met subsidies en het faciliteren van samenwerking. Bij iedere ruimtelijke ontwikkeling, beleidsontwikkeling en maatschappelijke opgave zullen betrokken partijen gezondheid mee laten wegen. Bij de realisatie van een gezonde en aantrekkelijke woonomgeving zullen kansen benut worden om beter het hoofd te kunnen bieden aan weersextremen zoals hitte, droogte en wateroverlast en aan kansen om de natuurwaarde te verhogen.
Bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen
De beschikbaarheid van de commerciële voorzieningen wordt in de eerste plaats bepaald door marktwerking en initiatieven van ondernemers. Provincie en gemeenten stellen kaders vast om de gewenste ontwikkelingen te bevorderen, verlenen subsidies en laten onderzoek doen. Beide zijn verantwoordelijk voor de bereikbaarheid voor alle bevolkingsgroepen (zie mobiliteit).
Evenementen
Evenementen zijn, cultuur en erfgoed vormen samen het duurzame uithangbord voor Zeelandvan de ultieme Zeeuwse identiteit en dragen bij aan bruisende steden, sterke dorpen en het aantrekken van nieuwe inwoners en talent. Evenementen kunnen daardoor voor andere opgaven worden benut, zoals het werven van arbeidskrachten en toeristische promotie. Het gaat naast evenementen in het algemeen ook om organisatie van inspirerende sportevenementen die Zeeland op de kaart zetten. Nieuw wordt een Zeelandbrede coördinatie voor evenementen om te zorgen dat het aanbod goed gespreid is in tijd en plaats, met een passende verdeling van de druk op de omgeving en de hulpdiensten. Ook kan dit helpen bij werving en inzet van vrijwilligers. Daarnaast wordt de link gelegd tussen evenementen en natuurverbreding en natuurbranding. Door duurzaamheid als uitgangspunt te nemen wordt een bijdrage geleverd aan (de promotie van) circulaire economie en de energietransitie.
Mobiliteit
Treinverbindingen zijn de verantwoordelijkheid van het Rijk. Zeeuwse partijen zullen blijvend lobbyen voor realisatie en behoud van snelle verbindingen tussen de Zeeuwse steden en met Noord-Brabant/Randstad, alsmede goede verbindingen met België. Voor het regionale en grensoverschrijdende openbaar vervoer is de Provincie verantwoordelijk. De provincie en gemeenten stellen hiervoor kaders in de Regionale Mobiliteit Strategie, die samen met netwerkpartners is opgesteld.
Introductie en uitbouwen van slimme, toegankelijke mobiliteit in de vorm van flexibele en vraaggerichte vormen van mobiliteit. Er zijn veel partijen die bijdragen aan de realisatie van slimme mobiliteit in de vorm van onderzoek, kennis delen en advies. Provincie en gemeenten zijn verantwoordelijk voor respectievelijk het openbaar en het WMO-vervoer. Beide stellen kaders op en financieren het vervoer. De provincie financiert bovendien onderzoeken die bijdragen aan de omvorming van het openbaar vervoer en geeft subsidie aan initiatieven die slimme mobiliteit bevorderen. Denk aan het delen van mobiliteitsdata zodat er vervoersmogelijkheden worden aangeboden naargelang de vraag. Maar ook het verbeteren van knooppunten en ontwikkeling en implementatie van een totaalconcept waarbij niet alleen aan het vervoer van mensen wordt gedacht, maar ook aan bijv. de doorstroming, het opwekken van energie, of verbetering van gezondheid.
Het verbeteren van de verkeersveiligheid is een permanente doelstelling van de wegbeheerders (Rijkswaterstaat, gemeenten, waterschap, North Sea Port en provincie) in Zeeland en de andere verkeersveiligheidspartners verenigd in het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland (ROVZ). Dit gaat onder andere om goed onderhoud, gemeenschappelijke gladheidsbestrijding en een veilige inrichting van de wegen, verkeerseducatie, voorlichting en communicatie om het gedrag van verkeersdeelnemers te verbeteren.
Schone mobiliteit stimuleren we door het gebruik van elektrische auto's, fiets en e-bike te bevorderen. De regionale wegbeheerders zijn verantwoordelijk voor een netwerk van laadpunten door de gehele provincie voor de elektrische mobiliteit, aanleg en onderhoud van snelfietsroutes en overige fietsinfrastructuur.
Provincie en gemeenten stellen kaders op voor een optimale digitale bereikbaarheid in de hele provincie. Gemeenten verlenen de vergunningen en stimuleren partijen om snellere digitale infrastructuur ook in het buitengebied uit te rollen.
Als slimme mobiliteit en de fiets het bezit en gebruik van de privéauto gaan verdringen, biedt dit kansen voor aanpassing van de ruimtelijke inrichting met een positieve bijdrage aan gezondheid, leefbaarheid, biodiversiteit en klimaatadaptatie.
Cultuur
Door professionalisering, onderlinge samenwerking en de verbinding met andere netwerken wordt de Zeeuwse culturele infrastructuur structureel versterkt en wordt een grotere bijdrage geleverd aan diverse maatschappelijke opgaven. Het Zeeuwse culturele aanbod wordt (fysiek en/of digitaal) beter bereikbaar, toegankelijk en beleefbaar voor alle groepen, met bijzondere aandacht voor jongeren (cultuureducatie). De Zeeuwse cultuur gaat beter samenwerken met de omliggende regio’s en in (inter)nationale netwerken.
H
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Zeeland is een provincie met heel veel water. Dat water is weids en open en heeft internationaal erkende natuurwaarden. Denk aan de Noordzeekust, de zeearmen, grote meren. Wat doen we met ons open water? Er is scheepvaart, een stroom van goederen wordt per schip vervoerd. Er wordt gevist, en er worden schaaldieren gekweekt. De visserij is een belangrijke bedrijfstak in Zeeland en draagt bij aan de voedselproductie. De meeste grote wateren en de oevers daarvan zijn omgeven door het groen van dijken en natuurterreinen. Delen van oevers worden gebruikt voor recreatie. En tenslotte, overtollig regenwater uit de polders komt ook terecht in de grote wateren, al dan niet vervuild door de plek waar het gevallen is. Door het stijgen van de zeespiegel sijpelt er ook water onder de dijken door en treedt verzilting van de bodem op. Grote wateren en landelijke gebieden beïnvloeden elkaar voortdurend, ten goede en ten kwade. Het evenwicht is precair.
Een goede onderlinge afstemming van het landgebruik en de milieuruimte is essentieel om de beschikbare ruimte optimaal te benutten en de sociale, economische en ecologische ambities te realiseren. De landbouwsector is veruit de grootste grondgebruiker, is van groot belang voor de voedselproductie en beeldbepalend voor Zeeland. Alle bedrijfstakken en maatschappelijke functies moeten voldoende ruimte hebben om hun activiteiten uit te voeren, maar dit mag niet ten koste gaan van milieu-, bodem-, water-, natuur- en landschapskwaliteit. De zorgen over de achteruitgang van de biodiversiteit zijn groot. Herstel van de biodiversiteit is van groot belang, intrinsiek en voor de gezondheid en de leefomgeving, ook in Zeeland. De stikstofcrisis leert dat investeren in herstel van de biodiversiteit in samenhang met alle sectoren opgepakt moet worden, op weg naar een natuurinclusieve samenleving.
De mensen die wonen en werken in het landelijk gebied, zijn van directe invloed op het landschap en de wateren die zo specifiek voor Zeeland zijn.
Landelijk gebied en de grote wateren zijn ‘een vat vol tegenstrijdigheden’. Tegengestelde belangen, inkomsten die soms ten koste gaan van het kwetsbare gebied. Verder behoren de grote wateren en landelijke gebieden tot de meest gewaardeerde onderdelen van het Zeeuwse landschap. Een simpel ja of nee op welke keuze dan ook voor deze gebieden, volstaat niet.
De keuze voor balans in het landelijk gebied sluit aan bij de NOVI-prioriteit ‘Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied’. In de Zeeuwse Omgevingsvisie wordt extra aandacht besteed aan de deltawateren.
Met deze ambitie dragen we bij aan de volgende Duurzame Ontwikkelingsdoelen.
De ambitie voor 2050
In 2050 zijn bodem, grondwater en alles wat daarin te vinden is van robuuste, hoogwaardige kwaliteit. Weersextremen schaden de bodem niet. Door aanwezigheid van meer organische stoffen draagt de bodem bij aan CO2-opslag en een betere bodemstructuur. Planten, mensen en dieren worden nauwelijks meer bedreigd door risicovolle milieufactoren, doordat het landbouwsysteem functioneert in evenwicht met de natuurlijke omgeving, op basis van marktvraag en kringlopen op een zo laag mogelijk niveau. De visserij opereert duurzaam en houdt in zijn bedrijfsvoering rekening met natuurwaarden. Synergie tussen visserij en natuur is daarbij het uitgangspunt. De wijze waarop natuurorganisaties en visserijbedrijfsleven in Zeeland samenwerken vormt een voorbeeld voor de rest van het land. Het gebruik en de draagkracht van landelijke gebieden en de grote wateren zijn duurzaam in balans gekomen, met een robuuste beschikbaarheid van zoetwater voor landbouw, natuur, industrie en drinkwater. Door het stabiele beheer kunnen ze tegen een stootje.
In 2050 is de biodiversiteit rond de grote wateren, in het landelijk gebied en in de steden hersteld. De stikstofproblematiek is iets van vroeger. Het natuurnetwerk is voltooid en deversterkt, waarbij natuurkwaliteit, stikstofreductie en waterkwaliteit bijdragen aan ontwikkelruimte voor Zeeland. De milieukwaliteit is er in de hele provincie op vooruit gegaan. Het is heerlijk recreëren en werken in het mooie, gezonde en waardevolle Zeeuwse landschap!
I
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ondergrond
Om de kwaliteit van de ondergrond en alles wat zich daarin bevindt te behouden, is bescherming en verbetering nodig. Behoud van bodem- en grondwaterkwaliteit, archeologische, aardkundige en cultuurhistorische waarden wordt verzekerd. Provincie en gemeenten leggen vast waar de waarden zich bevinden en zorgen voor de bescherming tegen aantasting.
Verbetering van de fysische, chemische en biologische bodemkwaliteit wordt gecombineerd met activiteiten voor recreatie, kringlooplandbouw, klimaatadaptatie, biodiversiteit en aardkundig erfgoed. Waar nodig worden milieuproblemen gebiedsgericht aangepakt. Alle betrokken partijen dragen bij aan de kwaliteitsverbetering. Provincie en gemeenten zien toe op bodemsaneringen.
Landbouw
De landbouw ontwikkelt zich tot een volhoudbare bedrijfstak: economisch sterk, aangepast aan de klimaatverandering en in balans met de omgeving. Deze ontwikkeling draagt ook bij aan natuur- en landschapswaarden. De sector, grondeigenaren, provincie, waterschap, gemeenten en andere betrokken partijen werken de aanpak samen uit in een programma landelijk gebied. De ontwikkelingsstrategieën voor grondgebonden, niet-grondgebonden landbouw en aquacultuur worden door het Rijk, de provincie en de gemeenten vastgelegd.
Natuur
Bestaande natuurwaarden binnen en buiten de aangewezen natuurgebieden worden beschermd door de overheid. Een effectieve nationale en regionale aanpak van de stikstofuitstoot is een belangrijke voorwaarde voor verbetering van natuurwaarden. In de aanpak werken overheden, terreinbeheerders en economische sectoren gebiedsgericht samen aan een oplossing.
Het stikstofplan ‘Zeeland op weg naar herstel’ is op 12 december 2025 vastgesteld door Provinciale Staten. De uitvoering vindt plaats via de Gebiedenaanpak. In juni 2026 is het stikstofplan opgenomen in het Programma Landelijk Gebied, waarmee de juridische borging onder de Omgevingswet wordt versterkt.
Terreinbeheerders zorgen voor het beheer van de natuurgebieden en recreatieve meerwaarde door optimale toegankelijkheid, beleefbaarheid en vindbaarheid. De Provincie zorgt voor de voltooiing van het Natuur Netwerk Zeeland (NNZ) en samen met de terreinbeheerders voor verbetering van de kwaliteit van de gebieden. Een belangrijk deel van de natuurwinst wordt buiten het NNZ gerealiseerd. In het stedelijk gebied door natuurinclusief inrichten van de omgeving door gemeente, ontwikkelaars en woningcorporaties. In het landelijk gebied door het invoeren van natuurinclusieve landbouw en natuurwaarde toe te voegen in combinatie met klimaatadaptatie.
Deltawateren
Via het samenwerkingsverband Zuidwestelijke Delta (ZWD) werkt de provincie samen met Rijkswaterstaat, de provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant, de betrokken waterschappen, gemeenten en de ministeries van I&W en EZK aan realisatie van een veilige, economisch aantrekkelijke en ecologisch gezonde delta. De voorkeursstrategie van het Deltaprogramma voor de Zuidwestelijke Delta wordt voortgezet en de herijking hiervan (in 2026) wordt met alle betrokken partijen samen opgesteld om vanuit het (ruimte)gebruik van de wateren en randen te kunnen blijven anticiperen op klimaatverandering en zeespiegelstijging. Het uitgangspunt hiervoor is de Gebiedsagenda ZWD2050. Dit is een samenhangend integraal ontwikkelperspectief om de toekomstige uitdagingen in de delta het hoofd te bieden. In bestaande en nieuw te vormen coalities in het gebied worden de handelingsperspectieven vormgegeven en kennis ontwikkeld. Een ecologisch gezond watersysteem vormt de basis voor het gebruik van de deltawateren. Vanuit kaders zoals PAGW (Programmatische Aanpak Grote Wateren), Natura 2000 en Kaderrichtlijn Water (KRW) wordt in samenspraak met belanghebbenden structureel gewerkt aan het functioneel herstel en behoud van de ecologische kwaliteit van de deltawateren.
Specifiek voor het Veerse Meer is door betrokken overheden – door middel van een intensief participatietraject – gewerkt aan de gebiedsvisie Veerse Meer 2020-2030. In juli 2020 heeft dit geleid tot het formeel vastleggen van omgevingskwaliteiten, richtinggevende principes en overgangsbeleid, die bepalend zijn voor lopende en toekomstige ontwikkelingen (link). Deze zullen tot kaderstellende regels leiden in de provinciale omgevingsverordening en in gemeentelijke omgevingsplannen.
Watersysteem
De kwaliteit van oppervlakte- en grondwater wordt stapsgewijs verbeterd om in 2027 te voldoen aan de Europese KRW-normen. De kaders zijn doorvertaald in regels van rijk, provincie en waterschap. De aanpak voor oppervlaktewater loopt via het waterschapsbeheerprogramma van het waterschap, maar vraagt ook inspanning van andere partijen. Gemeenten zorgen voor het stedelijk waterbeheer.
Evenwicht houden in gebruik en aanvulling van oppervlakte- en grondwater is een grote opgave door de klimaatverandering. Dit vraagt om aanpassing van het watersysteem om meer water te kunnen vasthouden en om gebruik aan te passen aan de beschikbaarheid van zoet water. In het Zeeuws Deltaplan Zoet water wordt hier door gebruikers en overheid samen een oplossing voor gezocht.
Omgevingskwaliteit
De kwaliteit van lucht, water, bodem, geluid en veiligheid is redelijk goed in Zeeland, maar voldoet nog niet overal aan de normen. In het provinciaal milieuprogramma zijn doelen en acties opgenomen om de milieukwaliteit verder te verbeteren. Het Schone Lucht Akkoord zet in op gezondheidswinst door verdere verbetering van luchtkwaliteit. Provincie en gemeenten zijn verantwoordelijk voor het milieubeleid en bijbehorende regelgeving. Waar nodig wordt een milieuproblemen gebiedsgericht aangepakt. De uitvoering, toezicht en handhaving lopen voornamelijk via de omgevingsdiensten (Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland en DCMR milieudienst Rijnmond). Het is belangrijk dat er goede en adequaat georganiseerde en functionerende omgevingsdiensten voor Zeeland werkzaam zijn, om de bredere doelstellingen te kunnen halen.
Landschap en erfgoed
De bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten worden beschreven, beschermd en beleefbaar gemaakt. Overheid en ondernemers houden bij de locatiekeuze en ontwerp voor nieuwe activiteiten rekening met deze kernkwaliteiten. Het doel is dat ontwikkelingen landschap en erfgoed benutten als inspiratiebron en bijdragen aan versterking daarvan.
J
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Samenhang
De unieke ligging van Zeeland biedt kansen voor innovatieve en duurzame ondernemingsvormen, voor alternatieve vormen van vervoer. Er is altijd ruimte om te pionieren.
Veel Zeeuwen vinden werk in de toeristenbranche, het MKB en de industrie.
In een circulaire Zeeuwse economie vinden de verschillende branches elkaar en moeten zij op een ander niveau samenwerken, niet alleen als leverancier/afnemer van een grondstof, energie of eindproduct, maar ook van het restproduct. Door deze samenwerking ontstaat een kringloop die zo laag mogelijk gesloten wordt. Door het produceren en gebruiken van lokale grondstoffen wordt hier invulling aan gegeven.
De circulaire economie beïnvloedt de hele menselijke samenleving. Te denken valt aan de transportsector, onze infrastructuur, energievoorziening en onze behoefte daaraan. Er ontstaat werkgelegenheid in nieuwe sectoren. Circulaire economie raakt alle sectoren waarin werk wordt verzet, dus aan alle andere uitdagingen binnen de Omgevingsvisie. Daarnaast is de circulaire economie van grote invloed op het milieu en de bodem. Deze ambitie sluit aan bij de NOVI-prioriteit 'Duurzaam economisch groeipotentieel'. In de Zeeuwse Omgevingsvisie krijgen het MKB en de havens extra aandacht.
Met deze ambitie dragen we bij aan de volgende Duurzame Ontwikkelingsdoelen.
De ambitie voor 2050
Zeeland staat de komende decennia voor een groeiende ruimtevraag voor economie als gevolg van economische ontwikkeling, energietransitie, circulariteit en strategische autonomie. In 2050 heeft Zeeland net als de rest van Nederland een circulaire economie. De meeste sectoren maken gebruik van reststoffen die door anderen onbenut zijn gelaten, dan wel zijn uitgestoten als afval of producten die aan het eind van de levensduur zijn en worden hergebruikt. Hierdoor staan de sectoren niet langer op zichzelf maar houden ze contact met andere branches. Nieuwe productieprocessen maken dit rendabel. Grondstoffen hebben in de biobased economie zoveel mogelijk een groene herkomst. Ze worden als dat kan, in Zeeland geteeld en worden geleverd aan regionale afnemers.
Het Zeeuwse onderwijs sluit aan op de arbeidsmarkt. Het bedrijfsleven biedt werk op maat.
De infrastructuur is modern en betrouwbaar en biedt ruimte aan CO2-neutraal vervoer via verschillende modaliteiten. Hierbij is een belangrijke plaats ingeruimd voor buisleidingen van en naar industrieën en bedrijven; tussen de verschillende haventerreinen, ook over en weer van de provincie- en landsgrens. Vervoer van gevaarlijke stoffen vindt in hoofdzaak alleen nog plaats op ruime afstand van woongebieden.
De haven- en industriegebieden bieden plaats aan clusters van bedrijven. Ook elders heeft een concentratie van bedrijventerreinen plaatsgevonden. Dit geeft bedrijven de ruimte om te ondernemen. Hierdoor wordt hinder zoveel mogelijk beperkt.
Er is een eerlijk speelveld voor bonafide ondernemers en burgers.
In Zeeland wordt werk gemaakt van innovatie. Er zijn financieringsvouchers beschikbaar en ondernemers nemen deel aan kennistrajecten, waarbij samen met onderwijsinstellingen en studenten wordt gewerkt aan concrete oplossingen voor uitdagingen. Zeeuwse experimenten en proeftuinen in alle sectoren dragen substantieel bij aan de Nederlandse economie.
Zeeuwse bedrijfsvormen in alle sectoren spelen actief in op actuele ontwikkelingen. Bedrijfsvormen die grotendeels afhankelijk zijn van natuurlijke omstandigheden, zoals de visserij, opereren duurzaam en houden in hun bedrijfsvoering rekening met de natuurwaarden.
K
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Verdienvermogen en werkgelegenheid
Zeeland is een veelzijdige provincie met een groenblauw en landelijk karakter waar verschillende economische sectoren een belangrijke rol spelen. Deze sectoren zijn toerisme, de industrie, landbouw, visserij, transport en daarbij nog diverse ondersteunende sectoren. Zeeland heeft een gunstige kostenstructuur en financieringsmogelijkheden. Ook kent de regio een hoogwaardige onderwijsinfrastructuur. Het Bruto Regionaal Product van Zeeland bedraagt 2,18% van het bruto nationaal product. Een groot deel van de Zeeuwse economie is gekoppeld aan de zeehavens. Indirect is 18% van de Zeeuwse werkgelegenheid en 46% van de Zeeuwse toegevoegde waarde gekoppeld aan de havens. North Sea Port is de derde zeehaven van Europa op basis van toegevoegde waarde.
Wat betreft werkgelegenheid is het midden- en kleinbedrijf (MKB) de motor van de Zeeuwse economie. Voor wat betreft toegevoegde waarde zijn dat de havens en industrie. Er is een goed havencomplex en nichemarkten. Er zijn weinig middelgrote ondernemingen. Het MKB scoort onder het Nederlands gemiddelde wat betreft innovatie. Publieke investeringen in de sector Research & Development zijn laag. De Zeeuwse bevolking telt minder hoogopgeleiden dan het landelijk gemiddelde.
Effecten coronapandemie
Door het relatief grote aandeel van de industrie in de Zeeuwse economie, behoort Zeeland tot de vier zwaarst getroffen provincies door de gevolgen van de coronapandemie. Zeeuwse bedrijven hebben te kampen met de gevolgen van de maatregelen die rijksoverheden hebben genomen om de gezondheidscrisis te beheersen. Deze maatregelen hebben grote economische gevolgen en leiden vervolgens ook tot effecten op sociaal, cultureel, maar ook ecologisch gebied.
De Nederlandse industrie is sterk geïnternationaliseerd en daardoor gevoelig voor verstoringen in de wereldeconomie. Andere sectoren die in Zeeland ook zwaar getroffen worden, zijn het MKB, detailhandel, horeca en cultuur. Op korte termijn heeft dit aanzienlijke negatieve effecten op verdienvermogen en werkgelegenheid. De impact van de pandemie op langere termijn is nog onzeker.
Circulaire economie
De regionale kansen voor een circulaire economie liggen onder andere in de bouw en verblijfsrecreatie (MKB), industrie en maintenance en voorbeeldwerking via inkoop- en aanbesteding/duurzame grond-, weg- en waterbouw door de overheden, bijvoorbeeld door circulaire projecten in de Zuidwestelijke Delta. De eerste circulaire projecten zijn opgestart. Daarmee zijn successen behaald die passen in de ontwikkeling van de gestelde doelen. Het gaat onder andere om het circulair bouwen, kennisuitwisseling en projecten voor maritieme en industriële symbiose.
Zoetwaterschaarste heeft een samenwerking tot gevolg die resulteert in plannen voor een robuust watersysteem in Zeeuws-Vlaanderen. Bestaande samenwerkingen in de regio werken goed (mede dankzij de schaal van de regio kennen partijen elkaar en kennen de mensen in het netwerk elkaar).
Er is een toenemende aandacht voor ‘natuurlijk kapitaal’ en ‘regionale kwaliteit’ en ook een toenemende schaarste aan zoet water, grondstoffen en zeldzame materialen. IT en datamanagement (waaronder blockchain) nemen toe in kracht en dienen de transitie naar een circulaire economie als het gaat om efficiënte(re) inzet van grondstoffen, minder afhankelijkheid van primaire grondstoffen en het ondersteunen van product-as-a-service (producten gebruiken zonder ze zelf in eigendom te hebben).
Er liggen veel kansen in de transitie naar een circulaire economie. De chemiesector heeft te maken met een mondiale concurrentiestrijd en een opgave in de energietransitie. De recreatie- en toerismesector is sterk in beweging en er ligt een vraag om kwaliteitsverbetering en een gemeenschappelijke infrastructuur. Tevens is er sprake van een toenemende havensamenwerking, ook internationaal.
Milieueffecten
Alle economische sectoren beïnvloeden op de een of andere manier het milieu. Ook andere ontwikkelingen zorgen mogelijk voor veranderingen van de milieukwaliteit. Daarbij kan gedacht worden aan: energietransitie, CO2-reductie, circulaire economie, meer duurzame economie, technologische ontwikkelingen, klimaatverandering met extreme weersomstandigheden, digitalisering, deregulering, actuele en nieuwe milieuproblemen, burgerparticipatie, draagkracht natuur en ruimte en gezondheid. In Zeeland is er een goede balans tussen milieukwaliteit en bedrijvigheid. Het is van belang om dit in de toekomst minimaal te behouden en waar mogelijk te verbeteren. Het provinciale Programma VTH+S uit 2021 zorgt betrouwbare en professionele uitvoeren van provinciale taken bij het verlenen van vergunningen, het controleren en het handhaven van de wet- en regelgeving. Terugdringen van de stikstofuitstoot is nodig om natuurwaarden te herstellen en meer ontwikkelruimte voor economische activiteiten in Zeeland te creëren. Daarbij is het mogelijk om bovenwettelijke innovatieve maatregelen die emissie beperken, in te zetten voor verleasen (tijdelijk beschikbaar stellen) of extern salderen (uitruilen met een andere activiteit). Er is een stikstofbank opgericht voor uitgifte van stikstofruimte om doelen te realiseren op het gebied van biodiversiteit, landbouw, recreatie en havens en industrie.
Bereikbaarheid
Er zijn grote regionale verschillen qua bereikbaarheid. De gebieden nabij de Zeeuwse spoorlijn en A58 hebben betere verbindingen en meerdere reisopties, waar dat in andere gebieden beperkt is. De grensoverschrijdende verbindingen zijn beperkt. De reistijd naar de Randstad en Noord-Brabant is over spoor (aanpassing dienstregeling) en weg (maximumsnelheid naar 100 km/u) is de laatste jaren toegenomen. Met betrekking tot vestigingsklimaat is dit een zorg. Over spoor is de reistijd per eind 2021 verbeterd.
In Zeeland ligt ongeveer 400 km aan Rijkswegen, 400 km aan provinciale wegen en 3.500 km aan waterschapswegen. De weginfrastructuur is op orde, maar er dreigt een toename van opstoppingen op de A58 en het knooppunt A58/A4 op de grens van Zeeland en Noord-Brabant.
Voor het huidige openbaar vervoer geldt een mobiliteitsgarantie, wat inhoudt dat tussen ca 6 uur ’s morgens en ca 11 uur ’s avonds in ieder dorp elk uur een bus of haltetaxi (op afroep) rijdt. De steden zijn verbonden via bus of trein. Het openbaar vervoer staat onder druk door een afnemende vraag en toenemende kosten.
Er is een transformatie nodig naar een vorm van openbaar vervoer waarin personenvervoer in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO-vervoer), haltetaxi’s en lijndiensten worden gecombineerd. Ook verwachten we een afname in de groei van autobezit en een toename van autogebruik. Betere technieken zorgen voor een slimmer mobiliteitssysteem. Er is een toename van mogelijkheden voor werken, studeren of dienstverlening op afstand.
Verkeersveiligheid is een blijvend belangrijk thema, zowel in weginrichting als in verkeersgedrag. Incidenten tijdens piekdagen kunnen leiden tot grote verstoringen. De lokale infrastructuur naast het hoofdnetwerk kan verkeersstromen slechts beperkt overnemen. Ons wegennet, maar ook ons spoor zijn daarmee weinig robuust. Ook extreme weersomstandigheden en klimaatverandering beïnvloeden de betrouwbaarheid van de infrastructuur. Zeker voor hulpdiensten kan dit problematisch zijn. Ook bij grote incidenten zijn de vluchtroutes beperkt.
De grote zeehavens zijn voor het goederenvervoer goed bereikbaar over het water. Goederenvervoer per spoor is goed mogelijk richting het Nederlandse en Vlaams achterland.
Arbeidsmarkt
Er is een tekort aan arbeidskrachten in alle sectoren en op alle niveaus. Er is sprake van een lage werkloosheid, maar er zitten toch meer dan 12.000 mensen in een uitkeringssituatie. De krapte is wel aan het afnemen. Er is nog veel onbenut potentieel: een hoog aandeel statushouders in de bijstand en jongeren die wegtrekken in verband met een opleiding buiten de provincie en niet meer terugkomen. Door de lage werkloosheid lijkt het probleem klein, maar het echte probleem is dat bedrijven worden beperkt in hun groei en succes door gebrek aan personeel.
Een gezamenlijke aanpak van onderwijs, overheden en bedrijfsleven in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt heeft geleid tot diverse concrete resultaten en acties voor het vergroten van de beroepsbevolking. Zo zijn er onder andere extra middelen van het Rijk (Zeeland in stroomversnelling) voor plaatsing van 400 werkzoekenden op Zeeuwse vacatures, extra middelen om hoger opgeleiden van elders voor Zeeuwse vacatures te interesseren via maatwerk en gerichte activiteiten om jongeren meer te binden aan Zeeland. Het imago van Zeeland als goede plek om te wonen, studeren, werken wordt beter.
Belemmeringen in grensoverschrijdende samenwerking worden samen met de Rijksoverheid aangepakt door afspraken met buurlanden over grensoverschrijdende samenwerking (GROS).
Landbouw
De landbouwsector is van economisch belang en beschikt in Zeeland over een relatief vruchtbare bodem, geschikt klimaat en goede verbindingen over weg en water. De bruto toegevoegde waarde van de landbouw (inclusief bosbouw en visserij) schommelt tussen de 400 en 600 miljoen euro per jaar en stijgt gemiddeld licht. Het aantal banen in de landbouw en toeleverende bedrijven bedraagt 9500.
Klimaatverandering brengt verzilting, hitte- en wateroverlast en tekort aan zoet water met zich mee. In combinatie met wet- en regelgeving, kostprijs-, markt- en ketenontwikkeling, bedrijfsvergroting en gebrek aan opvolging, wordt het ondernemen er voor de boer niet makkelijker op. Door vergrijzing en ontgroening zien we een afname in het aantal agrarische bedrijven.
Er komen steeds betere technieken beschikbaar voor productieverhoging. De vraag naar duurzaam geproduceerde levensmiddelen neemt toe.
Visserij
De Zeeuwse visserijsector levert een bijdrage aan de voedselvoorziening van de wereldbevolking in de vorm van kwalitatief hoogwaardig, duurzaam gevangen en gekweekte vis, schaal- en schelpdieren. De ambitie voor Zeeland is om in 2050 een moderne, goed uitgeruste, economisch gezonde en duurzaam opererende visserijsector te hebben die in zijn bedrijfsvoering rekening houdt met de natuurwaarden. Waar mogelijk vindt synergie plaats tussen visserij en natuur.
Recreatie en toerisme
Recreatie en toerisme zijn zeer belangrijk voor Zeeland, als pijlers voor de economie, werkgelegenheid en leefbaarheid. Circa 9,2% van de totale werkgelegenheid in Zeeland houdt verband met deze sector (16.700 banen). Het aantal overnachtingen lag in 2018 op 18,6 miljoen en is sinds 2012 stijgend. Per jaar zijn er rond de 43 miljoen dagbezoeken, veelal ook van eigen inwoners. De totale bestedingen van deze verblijfs- en dagtoeristen ligt rond de 1,85 miljard. Deze bestedingen landen niet alleen in de logies en horeca, maar ook in sectoren als (detail)handel, vervoer en zakelijke dienstverlening.
De Zeeuwse stranden zijn de belangrijkste toeristische trekker. Zeeland beschikt over de schoonste en veiligste stranden van Europa en de stranden zijn van grote economische waarde voor Zeeland. Zeeland heeft daarnaast een veelzijdig aanbod. De provincie scoort hoog op het gebied van (buiten)recreatie (vooral wandelen en fietsen), watersport (vooral actieve sporten, zoals kitesurfen en duiken) en gastronomie. Het Zeeuwse duin- en cultuurlandschap, met haar stranden, historische kernen en het omliggende platteland is het decor van beleving voor onze gasten.
De toeristische infrastructuur en toegankelijkheid van alle verschillende vormen van activiteiten en routes (wandelen, fietsen, ruiterpaden, MTB etc.) is in de basis op orde. Het beheer en onderhoud, ook van de routeinformatie en bebording, is van een goede kwaliteit. Dit geldt niet alleen voor de kust, maar ook voor de andere delen van Zeeland. Deze infrastructuur versterkt voor onze gasten de beleving op de rand van land en water, door mogelijkheden als buitendijks fietsen, vervoer over water door veerdiensten, pontjes en goede duiklocaties.
Een grote impact op het toerisme aan de Zeeuwse kust is de verwachte toename tot 2030 van het aantal bezoekers. De vraag is hoe Zeeland wil omgaan met deze ambitie. Een dergelijke prognose heeft immers ruimtelijk en sociaal grote effecten. Inspelen op een dergelijke prognose is belangrijk willen we de huidige kwaliteit van onze leefomgeving behouden en de ingezette koers tot versterking van Zeeuwse Kustkwaliteit bereiken. De huidige economische crisis als gevolg van de coronamaatregelen onderschrijft het belang van een toekomstbestendige en robuuste sector, maar ook het belang van meer inzicht in onze gasten en de impact van bezoekersstromen op natuur/landschap, economie en leefbaarheid. Hierdoor kunnen we immers bepalen of de bestemming Zeeland in balans is en welke toekomstige ontwikkelopgaven er zijn. Er is sprake van een turbulente markt, die sterk onder invloed staat van externe factoren.
Recreatie en toerisme (R&T) vertegenwoordigt in Zeeland een grote waarde. Niet alleen economisch (omzet en werkgelegenheid), maar juist ook breed maatschappelijk. Vrijetijdsbesteding draagt bij aan de kwaliteit van leven, gezondheid, sociale samenhang en het zichtbaar maken van de regionale identiteit. Het houdt voorzieningen in stand, draagt bij aan de leefbaarheid van dorpen, zorgt voor levendigheid in de provincie en versterkt gezondheid en welzijn.
In 2025 werd in de R&T-sector voor ca. € 4 miljard aan bestedingen gedaan door gasten en inwoners. Het aantal toeristische overnachtingen lag op ca. 22 miljoen, terwijl inwoners ca. 52 miljoen vrijetijdsactiviteiten ondernamen. Circa 1 op 11 banen had een directe relatie met de R&T-sector. De indirecte impact van R&T op werkgelegenheid en bestedingen komt daar nog eens bij. Met andere woorden, een belangrijke sector voor Zeeland, ook om andere sectoren te helpen groeien en bloeien en leefbaarheid te behouden en versterken.
Om deze gezamenlijke waarden sterk te maken en te houden kent de R&T-sector richting de toekomst de nodige uitdagingen. De belangrijkste daarvan zijn:
1) Grote ruimtelijke opgaven (wonen, natuur, energie) die beslag leggen op beschikbare ruimte. Juist het behouden en realiseren van nieuwe ruimte voor recreatie in deze ruimtelijke opgaven zorgt voor een evenwicht tussen levendigheid en leefbaarheid.
2) De inwoner centraler. Zowel het draagvlak onder inwoners voor toerisme als het faciliteren van de eigen inwoner in de dagelijkse vrijetijdsbesteding (recreatie) zijn belangrijke thema’s.
3) Een continue veranderende samenleving en externe ontwikkelingen zorgen voor continue uitdagingen voor deze sector. Blijven aansluiten bij de wensen van de gast en inwoner (ook die van de toekomst), het inspelen op grote opgaven (stikstof, energietransitie, klimaatadaptatie, etc.), het hoofd bieden aan kostenstijgingen en het behouden en versterken van de concurrentiepositie van Zeeland als bestemming, zorgt dat de uitdagingen groot zijn.
4) De zoektocht naar balans blijft. De impact van recreatie en toerisme op de Zeeuwse omgeving blijft groot, maar is tegelijkertijd divers. Dit geldt ook voor de draagkracht van Zeeland en de verschillende deelgebieden daarin. Balans door spreiding van recreatie en toerisme in ruimte en tijd blijft belangrijk.
5) Samenwerking is ook in deze sector noodzaak. Naast inhoudelijke thema’s is het halen van gezamenlijke doelen en het hoofd bieden aan de geschetste uitdagingen gebaat bij intensieve samenwerking tussen ondernemers, overheden en kennis- en onderwijsinstellingen.
Transport en infrastructuur
Zeeland heeft een hoofdinfrastructuur van havens, hoofdwegen, vaarwegen, railwegen, kabels en (buis)leidingen en een vliegveld. Deze hebben verbindingen met rijkswegen, Vlaamse netwerken, vaarwegen naar de Rotterdamse, Gentse en Antwerpse havens en treinverbindingen naar de Randstad.
De bereikbaarheid en doorstroming van het wegverkeer zijn in de 21e eeuw aanzienlijk verbeterd. Door bijvoorbeeld de aanleg van de Westerscheldetunnel, de verdubbeling van de Sloeweg, de Tractaatweg en de opwaardering van de oost-west verbinding in Zeeuws-Vlaanderen (N61).
De digitalisering en robotisering van mobiliteit zullen effect hebben op inrichting van weginfrastructuur en op het systeem van laadpunten. Mogelijkheden voor versterking van de transportinfra op de lijn Rotterdam – Antwerpen worden onderzocht. Er is een toenemende behoefte van transport van goederen in de vorm van vloeistof of gas. Het uitgangspunt is dat vervoer van gevaarlijke stoffen zo min mogelijk over spoor door bewoonde gebieden gaat. Alternatief is via buisleidingen of water.
De Rijksoverheid gaat over nieuwe richtlijnen als het gaat over het vervoer en transport van gevaarlijke stoffen. De Provincie neemt deel aan stakeholders overleggen die het Rijk houdt ten behoeve van het ontwikkelen van nieuwe richtlijnen. Inzet is om minder vervoer van gevaarlijke stoffen via het huidige spoor in Zeeland te hebben door dorpen en steden heen.
Daarnaast zijn we in 2024 gestart met het uitvoeren van een omgevingsverkenning. Een omgevingsverkenning kan de veiligheidsgevolgen en de risico’s die de toename van transport van gevaarlijke stoffen met zich mee brengt, in kaart brengen.
In Zeeland gaat meer dan 58% van het goederenvervoer via binnenvaartschepen. Met de uitbreiding van de capaciteit van de Volkerak- en Krammersluizen is een belangrijk knelpunt verdwenen. In tijden van extreme en langdurige droogte kan de mobiliteit van de binnenvaart belemmerd worden door lage waterstanden in de rivieren in het oosten en midden van het land. Ook voor de scheepvaart via het Kanaal Gent-Terneuzen kan dit effect hebben.
Het transport per spoor is nog gering van omvang (10% in 2019). Dat heeft onder andere te maken met twee knelpunten, namelijk met de ontbrekende rechtstreekse verbindingen met Antwerpen (Veza) en Gent (KGT). Er is wel een toename te verwachten van het vervoer van gevaarlijke stoffen over autowegen, spoor- en vaarwegen. De toename van vervoer van gevaarlijke stoffen over spoor in Zeeland is ongewenst.
Verdere verwachtingen zijn een doorontwikkeling van bedrijvigheid en een toename van het vervoer per spoor, water en buisleiding in de Kanaalzone (Seine-Schelde verbinding, Rail Gent – Terneuzen). Daarnaast is er sprake van een toenemende aandacht voor milieukwaliteit, leefbaarheid, duurzaamheid en circulariteit.
Elektrificatie van zwaar materieel
Elektrificatie van zwaar materieel zoals bouwmachines, agrarisch materieel en logistieke voertuigen neemt sterk toe als gevolg van de energietransitie en landelijke klimaatdoelen. Deze ontwikkeling vraagt om laadpleinen met hoge vermogens, die een substantiële impact hebben op ruimtegebruik, netcapaciteit en verkeersafwikkeling. De Provincie ziet het als haar rol om richting te geven aan de locatiekeuze en ruimtelijke inpassing van dergelijke voorzieningen, zodat versnippering wordt voorkomen en laadpleinen bijdragen aan een duurzame, toekomstbestendige economie.
De Provincie zet in op strategische locaties waar laadpleinen voor zwaar materieel het meest effectief zijn, zoals:
logistieke knooppunten en bedrijventerreinen,
locaties nabij provinciale wegen en corridors,
locaties nabij gebieden met bestaande of geplande energie‑infrastructuur,
plekken waar netverzwaring of flexibiliteitsopties (zoals opslag) mogelijk zijn.
Deze laadpleinen dragen bij aan de verduurzaming van economische activiteiten, de bereikbaarheid van Zeeland en de transitie naar emissievrije logistiek en bouwprocessen.
L
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Klimaatadaptatie
Het klimaat verandert. Hierdoor neemt de kans op wateroverlast, hitte, droogte en overstromingen toe. Dat levert risico’s op voor onze economie, gezondheid en (water)veiligheid. In 2019 zijn de risico’s in beeld gebracht via klimaatstresstesten. De klimaatstresstesten zijn gebruikt voor het voeren van een risicodialoog waarin de effecten worden gewogen van maatschappelijke ontwrichting, schade en slachtoffers tot lokale overlast en hinder. Belangrijke opgaven zijn het opvangen vanomgaan met extreme neerslag, voldoende zoet water beschikbaar houden en zorgen voor verkoeling bij hitte. In het bijzonder de bescherming van vitale en kwetsbare functies.
Om een indruk te geven van wat er nodig is om de kwetsbaarheden voor klimaatverandering op te vangen zijn mogelijke acties verkend. De acties vormen een eerste indicatie van zaken die in de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland opgenomen kunnen worden. Deze strategie wordt door alle Zeeuwse overheden opgesteld en nadien geborgd in beleid, regelgeving en uitvoering.
In 2021 is Zeeland breed de klimaatadaptatiestrategie Zeeland (KASZ) ontwikkeld, een regionale visie, opgesteld binnen een samenwerking tussen alle Zeeuwse overheden en met ondersteuning van een groot aantal maatschappelijke organisaties en belangenorganisaties. Het doel van de strategie is dat Zeeland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is.
Energietransitie
Om klimaatverandering tegen te gaan is wereldwijd, in Europees én in nationaal verband (Klimaatakkoord) afgesproken om de uitstoot van CO2 en andere broeikasgassen in 2030 met 49% te beperken. Hier is een transitie in onze energievoorziening voor nodig. Minder energie en warmte gebruiken is de eerste stap. De tweede is omschakeling naar hernieuwbare energie en alternatieve bronnen van verwarming. Voor opwekking van voldoende duurzame energie zijn windparken op zee én zonne- en windparken op land nodig. In Zeeland is energie uit water ook een optie. Te denken valt bijvoorbeeld aan het benutten van de kracht van het getij.
Verschillende partijen in Zeeland hebben de ambitie uitgesproken dit proces samen te gaan vormgeven en uitvoeren via een Regionale energiestrategie (RES). Binnen het samenwerkingsplatform Zeeuws Energieakkoord werken meer dan honderd partijen samen aan het opstellen en uitvoeren van de RES voor de regio Zeeland.
Als alle partijen wereldwijd de afspraken nakomen, kan de opwarming van de aarde met alle bijkomende effecten beperkt worden. Als het niet lukt om de doelen te halen, zal dat volgens verschillende scenario’s in 2100 een opwarming met 3,5 in plaats van 1,5 graden opleveren. Het is onzeker of de financiële, technische en ecologische mogelijkheden voldoende zijn om Zeeland onder die omstandigheden leefbaar te houden.
Waterveiligheid
Het nationale Deltaprogramma signaleert dat de zeespiegel vanaf halverwege deze eeuw sneller kan stijgen dan is aangenomen in de deltascenario’s (2014 en 2017). Uit onderzoek blijkt dat de huidige strategie met intensivering van onderzoek en enkele maatregelen, - zoals meer zandsuppleties en dijkverhogingen - grotendeels standhoudt tot 1,00 meter zeespiegelstijging. Een mogelijk versnelde zeespiegelstijging van 1,00 tot 2,00 m (na 2050) zal leiden tot grote veranderingen op het gebied van waterpeil, sedimentbeheer- en transport en sluitingsfrequentie van stormvloedkeringen. Er ontstaan omslagpunten voor waterveiligheid, natuur en het economisch gebruik (zoals recreatie, scheepvaart en landbouw), omdat we met de huidige strategie niet meer kunnen voldoen aan normen en doelen. Bij een progressieve zeespiegelstijging na 2050 zijn principieel andere keuzes nodig om op termijn toe te groeien naar een klimaat-robuuste en samenhangende strategie voor de gehele Zuidwestelijke delta. De huidige strategie voldoet dan niet meer.
M
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Klimaatadaptatie
De Klimaatadaptatie Strategie Zeeland (KaSZ) is het spoorboekje voor de aanpak van de effecten van de klimaatverandering in Zeeland. De Zeeuwse overheden hebben in de uitvoering de grootste verantwoordelijkheid, maar inbreng van alle belanghebbenden is nodig. De overheden werkenhebben de strategie uitgewerkt in een gezamenlijke uitvoeringsagenda. Daarnaast werkt elke organisatie ook de strategie uit in beleid, regelgeving en uitvoering. De maatregelen zijn divers, afhankelijk van lokale omstandigheden en kunnen leiden tot grote veranderingen in het landschap en het landgebruik.
Opvangen van extreme neerslag wordt gerealiseerd door aanpassing van het watersysteem op basis van het bekende principe vasthouden-bergen-afvoeren. Provincie en waterschap bepalen samen de prioritering.
Voor bestendiging van de zoetwatervoorziening wordtis een aanpak ontwikkeld via het Zeeuws Deltaplan Zoet Water, De aanpak is niet alleen gericht op beschikbaarheid van zoet water, maar ook op verminderen van gebruik en beter vasthouden van water in de bodem. Tegengaan van bodemverdichting en verbeteren van de organische stofbalans zijn belangrijke maatregelen die ook bijdragen aan vastlegging van CO2CO2 in de bodem en verbetering van de bodemvruchtbaarheid en bodemleven.
De aanpak van hittestress is vooral voor de gemeenten een opgave in het stedelijk gebied. Gezondheid, leefbaarheid en economie lijden onder het gebrek aan verkoeling. Duurzame koelsystemen die warmte opslaan (WKO) kunnen een bijdrage leveren aan verkoeling en aan de energietransitie. Meer groen in stedelijk gebied geeft natuurlijke verkoeling en schaduw én is goed voor de biodiversiteit en leefbaarheid.
Risico’s van klimaatverandering voor de (hoofd)infrastructuur worden in beeld gebracht door de verantwoordelijke beheerders. Die voeren klimaatstresstesten uit die leiden tot handelingsperspectieven om de netwerken richting 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht te hebben.
Energietransitie
De tweede versie van de Regionale energiestrategie (RES 2.0) van november 2024 vormt het actuele kader voor de energietransitie in Zeeland. De Zeeuwse gemeenten, Provincie Zeeland, waterschap Scheldestromen, netbeheerders Stedin en Tennet, bedrijven en maatschappelijke organisaties werken vanuit deze strategie samen aan het realiseren van doelen voor de energietransitie. De focus van de RES ligt op de sectoren elektriciteit, gebouwde omgeving en mobiliteit. Met de Energievisie Zeeland van juli 2025 werken de partijen vervolgens samen aan de ontwikkeling van een toekomstbestendig duurzaam energiesysteem. Vanuit de RES is de ontwikkeling van het toekomstige regionale energiesysteem verder vormgegeven in de Energievisie Zeeland.
De energietransitie in de gebouwde omgeving vraagt om aanpassing van woningen en commercieel en publiek vastgoed. Eigenaren en gebruikers van het vastgoed, netwerkbedrijven en overheden werken via de RES samen aan het realiseren van deze opgave. Gemeenten coördineren de aanpak van de energietransitie op dorps- en wijkniveau. De overstap naar duurzame mobiliteit is een landelijke opgave, maar vraagt ook op lokaal en regionaal niveau aanpassingen aan de laadinfrastructuur en openbaar- en doelgroepenvervoer.
Voor de sectoren landbouw en industrie worden nationale afspraken gemaakt. De CO2CO2-reductie door de industrie is uitgewerkt in een apart Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050.
De derde versie van de Cluster Energietransitie (CES 3.0) van september 2024 voor het Zeeuwse en West-Brabantse industriegebied vormt het kader voor de transitie. Deze visie is opgesteld door Smart Delta Resources (SDR). Vanuit de belangen van SDR wordt geschetst hoe de ontwikkeling van het Zeeuwse energielandschap voor 2050 eruit komt te zien en biedt een overzicht van inspanningen en concrete projecten. De aanpak bevat omschakeling van bedrijfsvoering op basis van elektrificatie, (groene) waterstof, CO2CO2-opslag en transport (CCS) en inzet van restwarmte. Grootschalige productie van groene waterstof vanuit windenergie via elektrolyse in Zeeland is daarbij een belangrijk uitgangspunt.
Voor de energietransitie is voldoende opwekking van hernieuwbare energie noodzakelijk. In Zeeland wordt al veel windenergie opgewekt (wind op zee en wind op land) en het provinciaal beleid biedt ruimte voor enkele extra projecten om de doelstelling voor wind op land te halen. Voor opwekking van zonne-energie wordt primair ingezet op opwek via daken en in het bestaand bebouwd gebied. Door gebruik te maken van die mogelijkheden wordt het landschap ontzien, ruimte efficiënt benut en de afstand tussen opwekking en gebruik zo kort mogelijk gehouden. In de RES worden ook mogelijkheden voor energieopwekking uit water onderzocht.
Waterveiligheid
In de Voorkeursstrategie Zuidwestelijke Delta zijn de nationale lijnen voor waterveiligheid verder uitgewerkt, in samenhang met doelstellingen voor natuur en economie. Om de veiligheid ook bij een stijgende zeespiegel te garanderen voldoet de huidige aanpak voorlopig nog. Na 2050 voldoet deze afhankelijk van de snelheid van de zeespiegelstijging mogelijk niet meer, daarom wordt op basis van een landelijk Kennisprogramma Zeespiegelstijging verkend wanneer en welke alternatieve strategieën aan de orde zijn. Een andere werkwijze voor de kustverdediging kan grote gevolgen hebben voor andere functies in en om de deltawateren en de kustgebieden.
N
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
6.6.1 Waarom een milieueffectrapportage en een passende beoordeling?
De Omgevingsvisie is het strategisch kader voor toekomstige (ruimtelijke) ontwikkelingen en dus ook voor eventuele m.e.r.-plichtige activiteiten. De uitvoering van het beleid uit de Omgevingsvisie kan effecten hebben op de natuur binnen Natura2000-gebieden. Daarom is het verplicht een Passende Beoordeling op te stellen voor de Omgevingsvisie. Vanwege het kaderstellende karakter van de visie en de verplichting een Passende Beoordeling op te stellen, is het noodzakelijk om voor de Omgevingsvisie een milieueffectrapportage (proces) te doorlopen. Het milieueffectrapport is het eindproduct van dit proces.
6.6.2 Milieueffectrapportage
Het doel van de milieueffectrapportage is het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in de plan- en besluitvorming mee te nemen. Milieueffectrapportage beperkt zich daarbij niet alleen tot milieuaspecten maar betrekt de hele fysieke leefomgeving in de beoordeling. Er is voor gekozen milieueffectrapportage in een vroeg stadium en op verschillende momenten binnen het visieproces in te zetten. Dit heeft geholpen om de juiste keuzes te maken en de visie integraal, uitvoerbaar en duidelijk te maken. In onderstaand schema is de rol van milieueffectrapportage en de interactie met de Omgevingsvisie schematisch weergegeven.
Aan de basis van de Omgevingsvisie staan de thematische bouwstenen. Deze bouwstenen zijn via een breed participatieproces opgesteld. In de milieueffectrapportage zijn de bouwstenen geanalyseerd: hoe staat het thema ervoor, hoe ontwikkelt dit thema zich, wat zijn de effecten op natuurwaarden en welke aandachtspunten komen hier uit naar voren? Mede op basis van deze analyse zijn vier ambities boven komen drijven.
De ambities en de bijbehorende thema’s zijn tussentijds globaal beoordeeld (reflectie en suggesties). Bij deze globale integrale beoordeling is een inschatting gemaakt van de effecten op de fysieke leefomgeving (kansen op positieve effecten en kansen op negatieve effecten). Ook is bepaald in welke mate de doelen van de visie kunnen worden gehaald. De globale beoordeling is benut om bij alle ambities en thema’s een verbeterslag door te voeren en om de kansen op negatieve effecten te verminderen.
6.6.3 Passende beoordeling
Het doel van een Passende Beoordeling is de effecten van een plan op Natura2000-gebieden in beeld te brengen en inzicht te verschaffen of het plan uitvoerbaar is. De Passende Beoordeling voor de Omgevingsvisie is breder van opzet. De beoordeling maakt niet alleen inzichtelijk wat de effecten van het voorgenomen beleid zijn op de natuur binnen de Natura2000-gebieden, maar ook op de natuur binnen het Natuurnetwerk Zeeland en op de biodiversiteit buiten de natuurgebieden. Daarin is specifieke aandacht gegeven aan kenmerkende soorten voor Zeeland en stikstofgevoelige natuur. Waar er sprake is van stikstofgevoelige natuur wordt bepaald op een objectieve, wetenschappelijk technische manier.
6.6.4 Beoordeling, conclusies en aanbevelingen
De Passende Beoordeling en de integrale beoordeling van de (milieu)effecten zijn gemaakt op basis van het voorontwerp van de Omgevingsvisie. Ze zijn verwerkt in het milieueffectrapport. De Commissie voor de milieueffectrapportage heeft vervolgens een advies uitgebracht over de milieueffectrapportage.
Eindoordeel
In het milieueffectrapport is onder andere een inschatting gemaakt hoe ver we nu van de doelen voor 2050 verwijderd zijn, hoe ver we van deze doelen verwijderd blijven zonder deze Omgevingsvisie en of het aannemelijk is dat we de doelen uit 2050 met het nieuwe beleid in deze visie gaan halen. Hiervoor is vooral gekeken naar de aanpak tot 2030, omdat daarover het meest bekend is. Uit het rapport blijkt dat met het nieuwe beleid voor de meeste thema’s een duidelijke verschuiving richting de doelen voor 2050 (ambities) plaats vindt.
Conclusies en aanbevelingen
De belangrijkste conclusies uit de Passende Beoordeling en het milieueffectrapport zijn:
De ambities van de Omgevingsvisie zijn in essentie de juiste en bieden kansen voor het daadwerkelijk oplossen van de knelpunten voor de Zeeuwse natuur, mits bij de uitwerking voldoende rekening wordt gehouden met alle relevante ambities, de randvoorwaarden, zoals de mitigerende maatregelen, en aandachtspunten die zijn opgenomen in deze Passende Beoordeling;
Er is een goede wisselwerking geweest tussen milieueffectrapportage en het opstellen van de Omgevingsvisie, waardoor de visie aan integraliteit gewonnen heeft en de beoordeling positief uitpakt.
De aanbevelingen uit het milieueffectrapport en de Passende Beoordeling hebben betrekking op de visie zelf en op de uitvoering in de toekomst. De aanbevelingen voor de uitvoering in de toekomst gaan vooral over het waarborgen van integraliteit bij de uitvoering en een goede integrale monitoring.
De Commissie voor de milieueffectrapportage concludeert in haar advies dat de kansen en risico’s van het beleid goed in beeld zijn gebracht, maar dat er nog onvoldoende inzicht is in de bestaande knelpunten, dat de ingeschatte milieueffecten nog onzeker zijn en dat er daarom mogelijk een te positief beeld van de effecten wordt geschetst. De commissie beveelt daarom aan duidelijk te maken hoe het milieubelang meegewogen zal worden bij de uitwerking van de visie in de toekomst.
Reactie op de aanbevelingen
Milieueffectrapportage heeft een positieve rol gespeeld in het integraal en uitvoerbaar maken van de visie. De aanbevelingen voor de visie zelf zijn dan ook zoveel mogelijk verwerkt.
De aanbevelingen voor de uitvoering in de toekomst worden meegenomen binnen de opzet van de “beste keuze hulp” voor projecten en uitvoeringsprogramma’s (paragraaf 1.5.2) en binnen het monitoringsplan (paragraaf 6.5). Bij de uitwerking in programma’s en de uitvoering van het beleid wordt als voorwaarde gesteld dat de mitigerende maatregelen uit de Passende Beoordeling in acht worden genomen. Steeds zal gevraagd worden de kansen en risico’s uit de Passende Beoordeling en het milieueffectrapport mee te nemen.
O
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
2.1 Doelstelling 2030
Onze leefomgeving is veilig, lokt gezond gedrag uit en heeft weinig gezondheidsrisico’s. Gezondheid vormt een integraal uitgangspunt in ruimtelijke ontwikkeling, mobiliteit, woningbouw, leefomgeving en voorzieningenbeleid. De gezonde keus is de gemakkelijkste keus en gezondheidsrisico’s voor de mens zijn verlaagd. Zeeland ontwikkelt zich tot landelijke voorbeeldregio voor ‘Gezondheid in alle beleidsopgaven (GiAB)’.
Het uitgangspunt voor gezondheid is het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele en sociale levensuitdagingen om te gaan en zoveel mogelijk eigen regie te voeren (welzijn). Gezondheid wordt door veel factoren beïnvloed, zowel in positieve als in negatieve zin: lichaamsfuncties, mentaal welbevinden, zingeving, kwaliteit van leven, sociaal/maatschappelijk participeren en dagelijks functioneren. De leefomgeving speelt bij veel van deze factoren een rol. Er is een sterke relatie tussen leefomgeving, leefstijl en gezondheid. Daarnaast heeft de financiële situatie ook invloed op deze factoren.
Subdoel 1: Een omgeving die uitnodigt tot gezond eten en kennis bevordert over gezond eten
Subdoel 2: Een omgeving die uitnodigt tot bewegen
Subdoel 3: Een omgeving die uitnodigt tot ontmoeten
Subdoel 4: Een omgeving die uitnodigt tot ontspannen
Subdoel 5: Een omgeving die gezondheidsrisico’s verlaagt
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
2.2 Huidige situatie
Het gezondheidsbeeld van Zeeland laat twee kanten zien. Inwoners van Zeeland leven langer en er is op dit moment in Zeeland minder sterfte aan kanker en dementie in vergelijking met de rest van Nederland. Ook bewegen onze ouderen meer. Mensen voelen zich veiliger in hun woonomgeving. Ze zijn over het algemeen tevreden over hun woonomgeving, alhoewel dit natuurlijk per kern/wijk erg kan verschillen. Het percentage rokers daalt net als de landelijke trend en de prognose is dat het percentage mensen dat overmatig alcohol drinkt ongeveer gelijk blijft.
Aan de andere kant zien we dat inwoners van Zeeland langer in ongezondheid leven en dat eenzaamheid onder ouderen het hoogst van Nederland is. Eenzaamheid en overgewicht nemen toe onder de hele bevolking. We zien een toename van risico op angst en depressie bij volwassenen. Jongeren geven aan steeds meer prestatiedruk te ervaren. De vergrijzing vergroot de druk op gezondheid. Klimaatverandering heeft effecten op gezondheid door hitte, droogte en overstromingen. Gemiddeld wordt de gezondheid naar verwachting beter, maar er is ook een toename van ouderdomsziekten.
De leefomgeving heeft invloed op gezond gedrag en ervaren gezondheid, zowel positief als negatief. Zeeland heeft van nature veel ingrediënten in huis voor een gezond en prettig leven. Rust, ruimte, natuur, water en vruchtbare aarde. Mooie dorpen en steden met voorzieningen; deze ingrediënten hebben een positieve invloed op gezondheid.
Vanuit de leefomgeving zijn er ook bedreigingen voor de gezondheid. De milieugezondheidsrisico's (bron: www.atlasleefomgeving.nl) zijn in Zeeland langs (snel)wegen en de industriegebieden hoger dan het Nederlandse gemiddelde. Dit is een spanningsveld van enerzijds industrie en economisch belang en anderzijds een gezonde leefomgeving.
Zeeland heeft het hoogste percentage mantelzorgers en steeds meer mensen verrichten vrijwilligerswerk. Er is een tekort aan personeel in veel sectoren waaronder de zorg. Dit zal de komende jaren waarschijnlijk alleen maar toenemen. Het mantelzorgpotentieel daalt en de mensen die mantelzorg verlenen zullen nog meer onder druk komen te staan. Ook de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de zorg komt meer onder druk te staan.
Het thema zorgvoorzieningen wordt beschreven in bouwsteen 5. Voorzieningen en evenementen.
2.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Een omgeving met een gezond voedingsaanbod en die kennis bevordert over gezond eten.
Actie 1.1 - Gezondheid centraal stellen in beleid voor voedselproductie
Beslissingen en keuzes over voedselproductie in stedelijk en landelijk gebied kunnen een positieve invloed hebben op kennis over voeding en de gezondheid van de inwoners en gasten van Zeeland. Bijvoorbeeld beschikbaarheid van voedsel uit de directe omgeving, mogelijkheden om zelf voedsel te verbouwen, gemeenschappelijke moestuinen, voedselbossen, etc. Gezondheid is één van de Europese transities die centraal staan in de Research and Innovation Smart Specialisation Strategy (RIS3) 2021-2027. Gezonde voeding en voedselproductie hebben aandacht in meerdere EU-programma’s.
Rolverdeling:
Rijk, provincie en gemeenten stimuleren gezonde voeding via het ruimtelijk en landbouwbeleid.
GGD Zeeland adviseert over gezondheidsbeleid.
Subdoel 2: Een omgeving die uitnodigt tot bewegen (veilig, toegankelijk en aantrekkelijk)
Actie 2.1 – Bieden van een veilige, toegankelijke en aantrekkelijke omgeving die uitnodigt tot bewegen
Gericht aanvullend beleid, zoals het dementievriendelijk inrichten van de omgeving, verbeteren van het gevoel van veiligheid en het bieden van wandel-, sport- en spelvoorzieningen. In bouwsteen 7. Woonomgeving wordt hier ook aandacht aan besteed. Bijna driekwart van de Zeeuwse bevolking wil dat het leuker en gemakkelijker wordt gemaakt om te bewegen in de openbare ruimte (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Rolverdeling
Gemeenten, Sport Zeeland, de GGD en vrijwilligers voeren projecten uit voor verbetering van de leefomgeving.
Het Rijk en de provincie ondersteunen de uitvoering.
Bouwend Zeeland deelt kennis.
Subdoel 3: Een omgeving die uitnodigt tot ontmoeten
Actie 3.1 – Vergroten van faciliteiten voor ontmoeting in de buitenruimte
Gericht aanvullend beleid voor faciliteiten in de buitenruimte die stimuleren tot ontmoeten, zoals vergroten van toegankelijkheid en voorzieningen. Denk aan paden, bankjes, toiletten, koffiegelegenheden, etc. In bouwsteen 7. Woonomgeving wordt hier aandacht aan besteed.
Rolverdeling
Gemeenten, de GGD en vrijwilligers voeren projecten uit voor verbetering van de buitenruimte.
Het Rijk en de provincie ondersteunen de uitvoering.
Bouwend Zeeland deelt kennis.
Subdoel 4: Een omgeving die uitnodigt tot ontspannen
Actie 4.1 – Realiseren mogelijkheden voor rust en ontspanning
Gericht aanvullend beleid voor mogelijkheden voor rust en ontspanning, zoals stilteplekken, groen, locaties aan zee.
Rolverdeling:
Gemeenten, de GGD en vrijwilligers voeren projecten uit voor verbetering van de buitenruimte.
Het Rijk en de provincie ondersteunen de uitvoering.
Bouwend Zeeland deelt kennis
Subdoel 5: Een omgeving die gezondheidsrisico's verlaagt
Actie 5.1 – Beschermen en versterken van de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving
Zie hiervoor de acties bij bouwstenen 14. Milieu en 7. Woonomgeving
2.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Bij vrijwel alle (uitvoerings)acties is er een effect op de gezondheid van inwoners en/of toeristen, daarom zijn er veel kansen om positieve effecten te vergroten en negatieve effecten te verminderen.
Gezondheid is niet alleen een doel, maar ook een voorwaarde voor economische ontwikkeling.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Een groene, inspirerende en vertrouwde omgeving is een belangrijke voorwaarde voor gezondheid. Versterking van de Zeeuwse kernkwaliteiten draagt rechtstreeks bij aan de gezondheid en biedt mogelijkheden voor een gezonde levensstijl.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
P
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
3.1 Doelstelling 2030
Mobiliteit is snel, slim, veilig, schoon en betaalbaar. Digitale bereikbaarheid is snel en voldoende dekkend. Zeeland beschikt over een robuust en toekomstbestendig mobiliteitssysteem met hoogwaardige spoor-, HOV-, weg- en goederenverbindingen richting de Randstad, Brabant, Vlaanderen en het Europese achterland.
Subdoel 1: Snelle verbindingen over de weg en in het openbaar vervoer
Subdoel 2: Zeeland heeft een flexibel vraagafhankelijk mobiliteitssysteem, dat is ingericht vanuit de behoeften van de reiziger
Subdoel 3: De verkeersveiligheid is verbeterd
Subdoel 4: Schone mobiliteit is een gemakkelijke keus
Subdoel 5: De digitale bereikbaarheid is in de hele provincie optimaal
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
3.2 Huidige situatie
Corona
Door de coronapandemie wordt meer thuisgewerkt en thuis onderwijs gevolgd. Dit heeft gevolgen voor mobiliteit. Het autoverkeer was in 2020 8% lager dan 2019 en het gebruik van openbaar vervoer was 47% lager dan in 2019 (bron: monitorrapport min. I&W 30‑9‑2020). Een deel van de mensen die normaal met openbaar vervoer reizen, kiest nu voor eigen vervoer. Wat dit op langere termijn betekent, is niet met zekerheid te zeggen. Uit enquêtes blijkt dat naar verwachting ook na corona structureel meer thuisgewerkt zal worden. Ook is de verwachting dat reizigers na corona andere vervoermiddelen zullen blijven kiezen, bijvoorbeeld de fiets of (deel)auto in plaats van openbaar vervoer. Scholen hebben in coronatijd hun tijden aangepast, waardoor groepen scholieren gespreid reizen. Dit betekent minder piekbelasting. Deze ontwikkeling kan wel een versnelling geven voor invoering van flexibel vraagafhankelijk vervoer en gebruik van fiets en e-bike.
Auto
Over het algemeen zijn door de eilandenstructuur de reisafstanden in Zeeland vrij groot. Het hoge autobezit geeft mogelijkheden tot zelfstandige mobiliteit. Alleen bij incidenten of zomerdrukte ontstaat reistijdverlies. Het wordt drukker op de weg. Met name in de zomerperiode nemen de verkeersintensiteiten, het aantal voertuigen op een bepaalde plek en moment, toe. Naar verwachting zit de (hoofd)infrastructuur rond 2030 op een aantal plaatsen tegen haar capaciteitsgrenzen aan. De Westerscheldetunnel is gedeeltelijk tolvrij voor autoverkeer en motoren sinds 30 december 2024. In de Tweede kamer zijn moties aangenomen over het eerder tolvrij maken van de Westerscheldetunnel. In samenwerking met het ministerie van IenW wordt in 2021 in kaart gebracht welke stappen gezet moeten worden, indien in de formatie van het nieuwe kabinet wordt besloten tot het eerder tolvrij maken van de tunnel. Dit zal resulteren in een draaiboek voor de noodzakelijke activiteiten.
Openbaar en doelgroepenvervoer
De groepen die belemmeringen in hun mobiliteit ervaren zijn scholieren/studenten, mensen met een beperking en ouderen. Zij zijn minder zelfstandig mobiel en daarom meer afhankelijk van fiets, bekenden en openbaar- en doelgroepenvervoer. In Zeeland is de afgelopen periode een afname van het gebruik van het openbaar vervoer geweest. Er zijn minder jongeren, ouderen blijven langer autorijden en de elektrische fiets zorgt voor een verschuiving van openbaar vervoer naar fietsgebruik. Het openbaar vervoer in Zeeland staat daardoor onder druk. De gevolgen van de coronapandemie hebben dit nog versterkt.
Er zijn grote regionale verschillen in aanbod van openbaar vervoer. De gebieden nabij de Zeeuwse spoorlijn en A58 hebben betere verbindingen en meerdere reisopties, waar dat in andere gebieden beperkt is. De treinverbinding biedt een goede bereikbaarheid voor de Bevelanden en Walcheren, maar de reistijd naar de Randstad en Noord-Brabant is toegenomen. Vanaf eind 2021 is met het toevoegen van één intercity per uur de reistijd met de Randstad en Noord-Brabant met 20 minuten verkort (bron: rapport Wind in de zeilen). De grensoverschrijdende verbindingen zijn beperkt. Onderdeel van het compensatiepakket in het rapport Wind in de zeilen is het wegnemen van knelpunten in het spoornetwerk tussen Gent en Terneuzen. In eerste instantie gaat het om goederenvervoer, later mogelijk ook om personenvervoer.
De noord-zuid verbindingen worden bediend door de bus. Het busvervoer in Zeeland kent echter een teruglopend aantal gebruikers en de kosten voor het systeem nemen toe. Door corona is gebruik van de bus (tijdelijk) nog verder afgenomen en de vervoerder zoekt samen met het onderwijs en de overheid naar kansen om de dienstregeling bij te stellen, passend binnen het beoogde toekomstplaatje. De klassieke vorm van openbaar vervoer schiet te kort, er is vraag naar flexibele en vraaggerichte vormen van mobiliteit en onderzocht wordt op welke manier dat vorm kan krijgen. Voor doelgroepenvervoer geldt dat het gebruik toe neemt, wat voor gemeenten een kostbare onderneming is. Lokale mobiliteitsinitiatieven ontstaan uit initiatief van bewoners als aanvulling op het bestaande aanbod van collectief vervoer.
Zeeland kent één publiek georganiseerde verbinding over water; het fietsvoetveer tussen Breskens en Vlissingen. Deze dienst kent met name toeristische reizigers, maar biedt ook voor studenten en forenzen een betrouwbare aansluiting over het water.
Op de knooppunten, ook wel hubs genoemd, zijn overstapmogelijkheden tussen fiets, auto, bus en/of trein. Deze knooppunten zijn niet altijd gelegen op locaties met horeca, detailhandel of andersoortige voorzieningen, waardoor deze voor de reiziger niet altijd een prettige verblijfsplek zijn. Vanuit de Regionale Mobiliteitsstrategie werken Zeeuwse overheden samen aan hubontwikkeling om de overstap beter te faciliteren en de verblijfskwaliteit te verbeteren.
Schone mobiliteit
De (snelle) elektrische fiets biedt voor steeds meer scholieren, forenzen en ouderen uitkomst voor dagelijkse verplaatsingen. Een acceptabele fietsafstand kan daarmee vergroot worden van 7 naar 15 km (ca. half uur fietsen).
Een steeds groter deel van de auto’s in Nederland is elektrisch (67,5% eind 2019maart 2026 (bron RVO.nl). Per juli 2020april 2026 zijn er in Zeeland 12205613 (semi-)publieke laadpunten en 27179 snellaadpunten voor elektrische auto's (bron: RVO.nl)
Volgens het bestuursakkoord Zero Emissie moeten alle nieuwe bussen in 2025 zero emission zijn. Ook voor het doelgroepenvervoer is er een bestuursakkoord voor zero emission vervoer vanaf 2025.
Verkeersveiligheid
Verkeersveiligheid is een belangrijk thema, zowel in weginrichting als in verkeersgedrag. Jaarlijks zijn er in Zeeland gemiddeld ongeveer 16 verkeersdoden en 500 ziekenhuisgewonden te betreuren. Daarnaast zijn er ook veel ongelukken waarbij mensen lichtgewond raken en/of waarbij sprake is van schade. De verkeersveiligheid wordt in Zeeland vergroot door scheiding van specifieke verkeerstypen. Er zijn specifieke kwaliteitsnetwerken voor goederenvervoer, landbouwvervoer, OV/bus en fietsverkeer. Onderdeel van de scheiding van de specifieke kwaliteitsnetwerken is om landbouwverkeer zo veel mogelijk te weren uit (kleine) kernen en niet te mengen met recreatieve en woon-werk/school fietsroutes. Tegelijkertijd krijgen landbouwvoertuigen steeds meer functionaliteiten die veiligheid vergroten.
Digitale Bereikbaarheid
Door corona is het gebruik van digitale toepassingen voor (samen)werken op afstand sterk toegenomen. Deze toepassingen maken het mogelijk om thuis werken, thuis onderwijs te volgen en gebruik te maken van velerlei diensten, waardoor reizen niet meer gemaakt hoeven te worden. Digitale bereikbaarheid wordt door deze ontwikkeling belangrijker.
3.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Snelle verbindingen over de weg en in het openbaar vervoer
Actie 1.1 Inzetten op snelle en frequente verbindingen voor het openbaar vervoer met de Randstad en Noord-Brabant, en tussen Zeeuwse steden
Een randvoorwaarde voor een beter vestigingsklimaat is dat verbindingen voor het openbaar snel en frequent zijn. In het compensatiepakket Marinierskazerne (bron: Eindrapport Wind in de zeilen) wordt aangegeven dat vanaf december 2021 elk uur een intercity zal rijden. Tussen 2023 en 2025 wordt een versnelling gerealiseerd door aansluiting op de hogesnelheidslijn. En uiterlijk 2030 moet onderzoek uitwijzen of er twee keer per uur een intercity naar Amsterdam kan rijden. Bijna 75% van de Zeeuwen is voorstander van het investeren in goede bereikbaarheid van de vier Zeeuwse steden (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Rolverdeling:
De provincie en gemeenten stellen gezamenlijk kaders voor het busvervoer.
De provincie financiert het busvervoer.
Overheden lobbyen via het Overleg Zeeuwse Overheden (OZO) richting het Rijk.
De NS financiert het treinvervoer.
Het Rijk en de NS voeren in het kader van het compensatiepakket Marinierskazerne de afspraken rond treinverbindingen uit.
Actie 1.2 Verbeteren grensoverschrijdende verbindingen
Niet alleen de verbinding met de rest van Nederland moet verbeterd worden, ook die met België. Hier gaat het om zowel openbaar vervoer als wegen.
Rolverdeling:
De provincie, het Rijk, Vlaamse overheden en Euregio Scheldemond financieren.
Gemeenten, de provincie, de Sociaal Economische Raad Zeeland (SER) en de ANWB lobbyen richting het Rijk en de Vlaamse overheden.
De Veiligheidsregio Zeeland adviseert.
Subdoel 2: Zeeland heeft een flexibel vraagafhankelijk mobiliteitssysteem, dat is ingericht vanuit de behoeften van de reiziger.
In het perspectief van de reiziger begint de reis niet bij een vervoermiddel, maar bij de gedachtevorming van wat die persoon wil gaan doen. Om de reiziger meer dan nu centraal te stellen moeten we minder in losse systemen denken en sterker het perspectief van de reiziger als uitgangspunt nemen.
In het nieuwe systeem gaan we uit van meer flexibele fijnmazige mobiliteit en een beperkter maar hoogwaardiger vast openbaar vervoer netwerk. Hiermee nemen we de overlast van de lege bus in kleine kernen weg en bieden we de reiziger een beter alternatief, zonder afhankelijkheid van dienstregeling en lijnvoering, waardoor de leefbaarheid (in kleine kernen) verbetert.
Actie 2.1 Verbeteren/vervangen van aanbodgericht busvervoer door versnellen van buslijnen en organiseren en faciliteren van mobiliteitsvormen voor flexibele fijnmazige mobiliteit.
Reizigers die vanuit woonwijken en kleine kernen reizen, zullen met fijnmazige mobiliteit naar een knooppunt moeten reizen, vanwaar zij hun reis vervolgen met een hoogwaardige openbaar vervoerverbinding, ofwel met een fijnmazig vervoer direct naar een opstappunt nabij de eindbestemming te reizen. Van belang hierbij is dat het netwerk van snelle verbindingen alle gemeenten in Zeeland bedient. Binnen het Zeeuws brede aanbod van flexibele fijnmazige mobiliteit is ruimte voor aanvullend maatwerk in de regio’s en worden bestaande lokale initiatieven gestimuleerd en gefaciliteerd. Pilots moeten uitwijzen of nieuwe fijnmazige mobiliteitsconcepten kansrijk zijn. Hier is 46% van de Zeeuwen het mee eens (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Rolverdeling:
De provincie brengt de ontwikkelfunctie van busvervoer onder bij de in te richten mobiliteitscentrale.
Gemeenten stellen kaders voor en financieren doelgroepenvervoer. Binnen de contracten van het doelgroepenvervoer worden voertuigen en chauffeurs beschikbaar gemaakt voor een deeltaxi concept, gefinancierd vanuit provinciale budgetten.
Provincie en gemeenten stellen samen kaders voor invulling van flexibele fijnmazige mobiliteit en organiseren besluitvorming gezamenlijk.
De provincie financiert flexibele fijnmazige mobiliteit (m.u.v. doelgroepenvervoer).
Gemeenten en de provincie verbinden partijen.
Gemeenten faciliteren pilots.
De provincie, gemeenten en commerciële mobiliteitsaanbieders financieren.
Adviesorganisaties en stads- en dorpsraden adviseren.
Actie 2.2 Ontwikkelen van een robuust, flexibel en betaalbaar mobiliteitssysteem, waarbij de reiziger (meer) centraal komt te staan
Slimme Mobiliteit biedt mogelijkheden om mobiliteit beter te organiseren door het aanbod beter te laten aansluiten op de mobiliteitsvraag van bewoners en bezoekers. Dit kunnen aanpassingen van bestaande mobiliteitssystemen zijn, maar ook de toevoeging van nieuwe (flexibele vraagafhankelijke) mobiliteitsconcepten. Hiervoor is het nodig om de ontwikkelrol voor het publiek georganiseerd vervoer centraal te organiseren. Hierdoor wordt het mogelijk om diverse vormen van mobiliteit met elkaar te laten ademen. Dit kan alleen als budgetten en bevoegdheden met elkaar worden gedeeld. Dit kan gerealiseerd worden door middel van een in te richten Mobiliteitscentrale Zeeland. Deze moet de spil worden als opdrachtgever voor vervoerscontracten, waarbij de Mobiliteitscentrale bijdraagt aan de ontwikkeling van vervoersinitiatieven, aansluiting van vraag en aanbod coördineert en zorg draagt voor zichtbaarheid van Zeeuwse mobiliteit in MaaS (Mobility as a Service) apps.
Betaalgemak gaat verbeteren. Waar nu nog verschillende passen nodig zijn voor haltetaxi, wmo, trein en fast ferry ligt het in de lijn der verwachting dat een oplossing met één pas of app alle betalingen kan gaan verzorgen. Mobility as a Service (MaaS) biedt de reiziger de mogelijkheid om met een app de reis te plannen, boeken en betalen, waarbij de reiziger eigen voorkeuren (snelheid, delen, prijs) kan bepalen. In 2021 wordt het onderwerp Slimme Mobiliteit verder uitgewerkt. Een onderdeel van deze actie is het Living Lab Slimme Mobiliteit: hiermee wordt Zeeland, met Vlissingen als focuspunt, een experimenteerzone, waar gemeenten, provincie, Rijk, mobiliteitsbedrijven en mobiliteitswetenschappers nieuwe kennis opdoen voor een nieuwe generatie mobiliteitsoplossingen (Rapport Wind in de zeilen). Zeeland is daarmee de aangewezen plek om in een meer dunbevolkt gebied innovaties die door kennisinstellingen zijn ontwikkeld en uitgewerkt, in de praktijk uit te gaan testen. Bij in de praktijk bewezen succesvolle toepassingen rollen we initiatieven uit over Zeeland.
Rolverdeling:
Gemeenten, de provincie, mobiliteitsaanbieders, Toeristisch Ondernemend Zeeland (TOZ), recreatiebedrijven, adviesorganisaties, stads- en dorpsraden, het Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving, de Veiligheidsregio Zeeland, zorginstellingen (experiment mobiliteit gekoppeld aan ontmoeting/activiteit) en Bouwend Nederland delen kennis.
Gemeenten en de provincie
Het Rijk, gemeenten, de provincie, TOZ en recreatiebedrijven (projecten i.r.t. toerisme) financieren.
De provincie coördineert de aansluiting van mobiliteitsvormen op MaaS-apps die nationaal worden uitgerold. Het gaat in elk geval om de concessiehouder busvervoer en de Westerschelde Ferry.
Het ministerie van I&W ondersteunt bij het aansluiten van mobiliteitsvormen op de MaaS-apps.
Onderwijsinstellingen passen opleidingen aan.
Actie 2.3 Delen van mobiliteitsdata (vraag en aanbod)
Om vraagafhankelijk vervoer aan te kunnen bieden is het nodig om de vraag te kennen. Hiervoor is onderzoek en uitwisseling van data nodig. Daarvoor wordt op korte termijn een Zeeuws Regionaal Data Team (RDT) ingericht. Het RDT zal een coördinerende rol gaan vervullen om de data met betrekking tot mobiliteitsvraag, mobiliteitsaanbod en infrastructuur voor de regio Zeeland te verzamelen en ontsluiten, om zo zowel de reiziger als de wegbeheerders zo goed mogelijk te kunnen bedienen.
Rolverdeling:
Zeeuwse overheden werken samen in een Zeeuws Regionaal Data Team.
Mobiliteitsaanbieders delen data over mobiliteitsvraag, mobiliteitsaanbod en infrastructuur.
Het RDT faciliteert data aan de Mobiliteitscentrale Zeeland en faciliteert partijen bij het leveren van die data.
Gemeenten, de provincie, TOZ, het Kenniscentrum Zeeuwse Samenleving, de ANWB en North Sea Port delen kennis.
De provincie en gemeenten laten onderzoek doen.
Gemeenten en de provincie brengen partijen bij elkaar.
De provincie en gemeenten financieren.
Actie 2.4 Ontwikkelen van verschillende typen knooppunten/hubs met divers aanbod van mobiliteit en (laad)voorzieningen
Bij een prettige reis horen ook prettige en soepele overstapmogelijkheden. Dit kan door knooppunten in te richten waar verschillende vormen van vervoer op aansluiten en waar ook voorzieningen zijn, zoals horeca of een ophaalpunt voor pakjes of boodschappen. We organiseren een Zeeuwse aanpak van hubontwikkeling, bestaande uit OV-knooppunten en mobiliteitshubs rond laadvoorzieningen.
Rolverdeling:
Gemeenten, de provincie, het Rijk, ProRail, de NS, de ANWB en andere betrokken partijen voeren gezamenlijk de in de regionale mobiliteitsstrategie ontwikkelde hubaanpak uit en financieren hubontwikkeling.
Gemeenten en de provincie geven opdracht voor het aanleggen en inrichten van hubs.
De concessiehouder busvervoer, de NS, aanbieders van gedeelde mobiliteit, de gemeentelijke vervoerscentrale Zeeland, stads- en dorpsraden en adviesorganisaties delen kennis.
Subdoel 3: De verkeersveiligheid is verbeterd
Actie 3.1 Verbeteren verkeersgedrag
Verkeersveiligheid wordt in Zeeland integraal opgepakt door alle partners en gecoördineerd door het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland (ROVZ). In het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030 (SPV) is in samenspraak met de verkeersveiligheidspartners een integrale risicogestuurde aanpak op negen thema’s opgesteld. Dit is voor Zeeland uitgewerkt in een Zeeuwse Uitvoeringsagenda SPV. Binnen de geprioriteerde thema’s moet integraal worden samengewerkt om de risico’s voor verkeersveiligheid zoveel mogelijk in te perken. De aanpak richt zich op verbetering van infrastructuur, educatie & communicatie en handhaving.
Rolverdeling:
Het Rijk
stelt landelijke juridische en financiële kaders vast;
past eventueel wetgeving aan, naar gelang maatschappelijke behoefte en/of noodzaak (bijvoorbeeld verbod smartphonegebruik op de fiets);
verzorgt landelijke campagnes voor educatie en communicatie;
ondersteunt de regio’s met hun campagnes voor educatie en communicatie;
verstrekt subsidies ten behoeve van verkeersveilige infrastructuur (Strategisch Plan Verkeersveiligheid) en innovatieve slimme maatregelen.
De wegbeheerders (Rijkswaterstaat, de provincie, gemeenten, Waterschap Scheldestromen en North Sea Port)
Politie en Justitie zijn verantwoordelijk voor handhaving.
Maatschappelijke partners komen op voor de belangen van hun achterban en organiseren met elkaar en met de wegbeheerders activiteiten om het verkeer voor hun achterban veiliger te maken.
Bedrijven worden betrokken bij het verkeersveiligheidsbeleid en nemen hun verantwoordelijkheid als werkgevers zowel als het gaat om woon- werkverkeer als ten aanzien van dienstreizen.
Het team ROVZ
Subdoel 4: Schone mobiliteit is een gemakkelijke keus
Actie 4.1 Inzetten op gebruik van fiets en e-bike voor kortere afstanden
Meer gebruik van fiets en e-bike heeft een positief effect op de zelfstandige mobiliteit van groepen die geen auto hebben. Door gebruik van de auto te vervangen door de fiets of e-bike levert dit een bijdrage aan CO2-doelstellingen. Het Nationaal Toekomstbeeld Fiets wordt de ambitie en het uitvoeringsprogramma voor versterking van het hoofdfietsnetwerk in Nederland, vanuit het samenwerkingsverband Tour de Force. Het doel is om zowel voor dagelijks als voor recreatief fietsverkeer een kwalitatief hoogwaardig fietsnet te realiseren in 2040. In Zeeland zetten we in op de realisatie van doorfietsroutes. Dit zijn de drukke routes die kernen verbinden en voldoen aan een aantal kenmerken van een snelfietsroute (o.a. breedte fietspaden, verharding, breedte (tussen)bermen, ontbreken van paaltjes en/of andere obstakels). Veilig, comfortabel en vlot is het motto.
Rolverdeling:
De provincie voert de regie op de strategie voor duurzame mobiliteit en samenwerking.
De provincie geeft een impuls aan de ontwikkeling van mobiliteitshubs door cofinanciering.
De provincie ondersteunt initiatieven tot deelgebruik financieel.
Gemeenten, Waterschap Scheldestromen en de provincie stellen samen de Zeeuwse fietsvisie op.
Wegbeheerders (gemeenten, de provincie, Waterschap Scheldestromen en North Sea Port) leggen fietsinfrastructuur aan en verbeteren die en zorgen voor voldoende ruimte voor het stallen van fietsen bij bushaltes.
Toeristisch Ondernemend Zeeland (TOZ) en recreatiebedrijven realiseren laadpunten.
Enduris deelt kennis over elektriciteitsnet en kansen voor laadpaalinfrastructuur.
Het Regionaal Orgaan Verkeersveiligheid Zeeland verzorgt voorlichting over veilig fietsen.
Toeristisch Ondernemend Zeeland stimuleert het fietsgebruik.
Stads- en dorpsraden denken mee.
Actie 4.2 Reductie uitstoot CO2 en andere broeikasgassen door mobiliteit
Voor mobiliteit wordt gestreefd naar een reductie van de CO2-uitstoot met 49%. Zie actie 1.3 onder Energietransitie.
Subdoel 5: De digitale bereikbaarheid is in de hele provincie optimaal
Actie 5.1 Verbeteren digitale infrastructuur
Digitale toepassingen maken het mogelijk om thuis te werken, onderwijs te volgen en gebruik te maken van diensten. Daardoor hoeft een deel van de reizen niet meer gemaakt te worden. Hiervoor is het nodig om het digitale netwerk verder te verbeteren. Vanuit EU-programma's wordt innovatie en digitale bereikbaarheid ondersteund. Het grootste deel van de Zeeuwen, 86%, vindt dat snelle digitale bereikbaarheid in Zeeland gewenst is (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Rolverdeling:
Gemeenten en de provincie
SER Zeeland en Toeristisch Ondernemend Zeeland zorgen voor afstemming en overleg.
3.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Bekijk of hubs met voorzieningen te combineren zijn met voorzieningen voor kleine kernen.
Minder auto’s in de kernen geeft ruimte voor onder andere vergroening, wat bijdraagt aan klimaatadaptatie en biodiversiteit.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Door budgetten en bevoegdheden voor doelgroepen- en openbaar vervoer te delen, organiseren overheden meer in gezamenlijkheid, en daarmee efficiënter, het publieke bus- en taxivervoer.
Combineer aanpassingen in infrastructuur voor verbeterde verbindingen met verkeersveiligheid.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Q
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
4.1 Doelstelling 2030
Zeeland heeft een duurzame onderwijs- en onderzoekinfrastructuur, waarbij wordt samengewerkt tussen overheid, bedrijfsleven en onderwijs- en onderzoeksinstellingen binnen en buiten Zeeland. De opleidingen sluiten aan op de Zeeuwse economie, het Zeeuwse DNA en de Zeeuwse opgaven, én trekken talent aan, met een volledig aanbod van mbo, hbo en wo.
De economische potentie van Zeeland is groot, mits de belangrijkste randvoorwaarden voor het vestigingsklimaat goed zijn. Een van die randvoorwaarden is een goed aanbod van opleidingen op alle niveaus. Het gaat dan zowel om een hoogstaand aanbod aan nicheopleidingen (aansluitend bij het Zeeuws DNA) als om een aantrekkelijk onderwijsaanbod van reguliere opleidingen over de volle breedte en in iedere regio. Een goed voorbeeld passend binnen een Zeeuws nicheaanbod is de realisatie van een Delta KenniscentrumClimate Center voor voedsel, water en energie. Dit is een hoogwaardig centrum van onderwijs, onderzoek en kennisontwikkeling in de hele keten van mbo-hbo-wo. Zo’n kenniscentrum zal ook onderzoeksinstellingen aantrekken en kansrijke spin-offs genereren. Een aantrekkelijk onderzoeks- en onderwijsaanbod draagt bij aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor jongeren uit Zeeland en van elders. Belangrijke pijlers daarbij zijn een goed onderwijsaanbod (hoogstaande en betaalbare opleidingen), een goed kennisklimaat, voldoende goede studentenhuisvesting, een aantrekkelijke leefomgeving en een goede bereikbaarheid, waaronder innovatieve, duurzame vervoersmogelijkheden en passend werk. Middels Campus Zeeland wordt hierop in gezet. Ruim 70% van de Zeeuwen is het eens met deze aanpak (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Subdoel 1: Er is een hoogstaand onderwijs- en onderzoekaanbod in de hele onderwijs- en onderzoekskolom voor zowel reguliere opleidingen als nicheopleidingen die passen bij het Zeeuws DNA.
Subdoel 2: Er is een structurele intensieve samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid (triple helix)
Subdoel 2: Er is een structurele intensieve samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid (triple helix)
Beide subdoelen dragen bij aan een belangrijk nevendoel: het stimuleren en versterken van de Zeeuwse economie, de leefbaarheid, de arbeidsmarkt en het vestigingsklimaat.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
4.2 Huidige situatie
Demografische ontwikkelingen, zoals ontgroening, vergrijzing en krimp hebben invloed op het aanbod en de invulling van het onderwijs in Zeeland. Vanuit het onderwijs moet voldoende aanwas komen voor de arbeidsmarkt, maar onderwijsinstellingen hebben al enige tijd te maken met de gevolgen van afname van het aantal geboorten. Het basisonderwijs is de grootste krimp voorbij, maar bij het voortgezet onderwijs zet de leerlingendaling de komende jaren nog door. In de afgelopen 10 jaar is het aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs met 10% gedaald. Het aantal mbo studenten is gedaald met 17,2%. Het aantal hbo- en universitaire studenten is daarentegen toegenomen met respectievelijk 19,2% en 28%. Slechts een kwart van de jongeren die naar elders vertrekken om te studeren, komt na afronding van die studie terug naar Zeeland om er te werken. Zeeland zet actief in op het keren van uitstroom door een volledig aanbod van mbo, hbo en wo, met uitbreiding van academisch onderwijs en sterke koppeling met arbeidsmarkt en innovatie.
Vooral in het MBO is de bereikbaarheid van schoollocaties van invloed op de keuze van toekomstige scholieren. De ontwikkeling naar meer digitaal onderwijs en meer onderwijs bij (stage)bedrijven kan hierin verandering brengen.
Het aanbod aan hoger onderwijs is essentieel voor het behoud van jongeren. Het adviesrapport Wind in de Zeilen stelt dat het onderwijs in de regio goed past bij Zeeuwse sectoren en thema’s, maar dat zeker het gemis van masteropleidingen voelbaar is. Hierdoor trekken teveel jongeren voor of na hun bachelor studie weg uit de regio, zonder dat ze terugkomen. Ze kunnen niet de gewenste vervolgopleiding doen of ze vinden in de regio niet de baan die past bij hun opleiding.
Om kwalitatief goed onderwijs voor de hele onderwijskolom (mbo-hbo-wo) te kunnen bieden is samenwerking met instellingen binnen en buiten de provincie (inclusief België) noodzakelijk, net zoals de specialisatie op een aantal thema's. Deze samenwerking is in gang gezet met Campus Zeeland. Hierin werken Zeeuwse bedrijven, kennis- en onderzoeksinstellingen en overheden samen. Zij bundelen de krachten om te zorgen voor een sterke koppeling tussen onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven. Dat moet de innovatiekracht van Zeeland vergroten en zorgen voor een toekomstbestendige economie waarin jonge, goed opgeleide mensen het bedrijfsleven versterken.
Concreet werkt Campus Zeeland aan drie pijlers: Bèta Campus, Kennis & Innovatienetwerken en Onderwijs & Onderzoek. Binnen Bèta Campus wordt gewerkt aan de realisatie van het Joint Research Center Zeeland, de UCR Engineering Department en samenwerking rond Deltavraagstukken. Binnen Campus Zeeland is, naast de Zeeuwse samenwerking, ook sprake van een nauwe verbintenis met of betrokkenheid van o.a. Universiteit Wageningen, Universiteit Utrecht, Universiteit van Gent en de Technische Universiteit Eindhoven.
Er is een stuurgroep ingesteld om de strategie van Campus Zeeland en de samenhang tussen de drie pijlers te bewaken. De stuurgroep is geen eigenaar van die vraagstukken en instituten, maar probeert de eerstverantwoordelijken te stimuleren (regie, afstemming, verbinden, lobby, faciliteren) om de doelstellingen en ambities van Campus Zeeland te realiseren. Het Rijk ondersteunt deze aanpak via rapport Wind in de zeilen.
4.3 Acties om doelen te realiseren
De geformuleerde acties dragen uiteindelijk bij aan alle subdoelen en aan het nevendoel: het stimuleren en versterken van de Zeeuwse economie, de leefbaarheid, de arbeidsmarkt en het vestigingsklimaat.
Subdoel 1: Er is een hoogstaand onderwijs- en onderzoekaanbod in de hele onderwijs- en onderzoekskolom voor zowel reguliere opleidingen als nicheopleidingen die passen bij het Zeeuws DNA.
Actie 1.1: Ondersteunen kennisinstellingen in het ontwikkelen van onderwijs- en onderzoek, op Zeeuwse maat, passend bij het Zeeuws DNA en zo mogelijk met nationale en/of internationale uitstraling.
Actie 1.2: Realisatie van een Delta Kenniscentrum Climate Center voor voedsel, water en energie
Op de unieke combinatie van voedsel, water en energie liggen er grote kansen om in Zeeland opleiding en onderzoek uit te breiden dat nationaal en internationaal toegevoegde waarde heeft. Als Deltaprovincie kan Zeeland een sterkere functie vervullen in kennisontwikkeling, onderzoek en valorisatie(het toepassen van de opgedane kennis) bij onderwerpen als verzilting, verdroging, zoetwatervoorziening, duurzame energie, landbouw en duurzaam voedsel uit zee. De samenwerking rond Deltavraagstukken is gericht op het oprichten van een Delta Kenniscentrum voor voedsel, water en energie, zoals ook genoemd in Wind in de Zeilen. Dit Delta Kenniscentrum kan leiden tot een kruispunt van onderwijs, onderzoek, kennisontwikkeling en nieuwe verdienmodellen voor de Nederlandse agro-, industrie-, water- en energiesectoren. Het richt zich op de hele keten van mbo- tot wo-niveau en verdiept de grootste thema’s uit het Zeeuwse beroepsonderwijs. Het Rijk ondersteunt een snelle ontwikkeling van het Delta KenniscentrumClimate Center. Volgens het adviesrapport Wind in de Zeilen kan het kenniscentrum jaarlijks 200 extra studenten trekken, van wie de meesten in Zeeland werk kunnen vinden. De verwachting is ook dat via het kenniscentrum jaarlijks 80 masterstudenten hun opleiding in Zeeland kunnen afronden.
Rolverdeling:
De instellingen voor voortgezet onderwijs zorgen voor:
Onderwijs- en onderzoeksinstellingen voeren onderzoek uit passend binnen Campus Zeeland.
Gemeenten faciliteren de ontwikkeling van Campus Zeeland.
De provincie is verantwoordelijk voor het proces.
Het Rijk, de provincie en gemeenten dragen financieel bij.
De Triple helix samenwerking (zie subdoel 2) heeft ook een belangrijke functie in het realiseren van dit actiepunt.
Subdoel 2: Er is een structurele intensieve samenwerking tussen onderwijs, bedrijfsleven en overheid (triple helix).
De triple (quadrupel) helix samenwerking tussen onderwijs/onderzoeksinstellingen, ondernemers, overheden en maatschappelijke organisaties krijgt vorm binnen Campus Zeeland. Iedere partij doet dit vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden, steeds in afstemming met betrokkenheid van andere partners binnen de triple helix.
Actie 2.1. Zorgen voor verbondenheid van de Bèta Campus met de Kennis & Innovatienetwerken en met de bestaande bedrijven en onderwijs- en kennisinstellingen in Zeeland en omliggende regio’s.
Actie 2.2. Het versterken van de uitvoeringskracht van de Kennis & Innovatienetwerken.
Actie 2.3. Het duurzaam borgen van de triple helix samenwerking op bestuurlijk en op uitvoeringsniveau.
Rolverdeling:
De provincie is verantwoordelijk voor het proces.
De Zeeuwse onderwijsinstellingen verzorgen goed onderwijs dat aansluit op de markt.
De onderzoeks- en onderwijsinstellingen voeren onderzoek uit in samenspraak met het bedrijfsleven.
Het bedrijfsleven maakt gebruik van en zet zich in voor goed functionerende kennis- & innovatienetwerken.
De gemeenten zijn eerste aanspreekpunt voor de Campus-ontwikkeling.
De overheden (provincie, gemeenten, waterschap en rijk) zijn het eerste aanspreekpunt voor financiering.
De Economic Board Zeeland is strategische partner.
Toeristisch ondernemend Zeeland draagt in het kader van het ‘hospitality pact’ (regionale samenwerking t.b.v. arbeidsmarktprobleem in de hospitality-sector) bij aan het verbeteren van de aansluiting tussen onderwijs en praktijk in de recreatiesector.
Erfgoed- en natuurorganisaties betrekken het onderwijs bij het uitdragen van hun kennis over Zeeland.
4.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Woningen (voor studenten/leerkrachten), onderwijs en voorzieningen kunnen geclusterd worden. Ook kan bestaand leegstaand vastgoed gebruikt worden, bijvoorbeeld voor de living labs.
Living labs kunnen bijdragen aan verduurzamen van de huidige woningvoorraad en bestaand vastgoed.
Inbreiding/bundeling maakt kernen sterker en behoudt kwaliteit van het landelijk gebied, maar concurreert met ruimtevraag voor waterberging, energieopslag/opwekking. Dit vraagt om slim ruimtegebruik. De andere functies moeten duidelijk onderdeel zijn van ruimtelijke plannen. Gevaar is dat de markt hierbij geen integrale afweging maakt.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Triple (of quadrupel) samenwerking, ieder vanuit eigen rol en verantwoordelijkheden (Campus Zeeland). Triple helix zorgt niet alleen voor verbinding op het gebied van onderwijs en onderzoek, maar ook op een breder vlak (zoals leefbaarheid).
De vraag/urgentie van de onderliggende opgaven ligt vooral bij het bedrijfsleven (de maatschappelijke partners, leerlingen, ouders) en de onderwijsinstellingen wat betreft de inhoud van de opgave. Het antwoord ligt in de triple (quadrupel) helix samenwerking onderwijs/onderzoeksinstellingen, ondernemers, overheden en maatschappelijke organisaties (Campus Zeeland). Ieder is betrokken/draagt bij vanuit de eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheden, steeds in afstemming met en/of in betrokkenheid van andere partners triple helix.
Openbaar vervoer is belangrijk voor het onderwijs. Goed bereikbare basisscholen maken de provincie aantrekkelijker voor jonge gezinnen en voldoende werkgelegenheid in de nabijheid of goede verbindingen met grote werklocaties maken de provincie aantrekkelijk als woonlocatie voor de beroepsbevolking én is positief voor de werkgelegenheid. Goed bereikbaar middelbaar en hoger onderwijs helpt studenten om de keuze te maken voor Zeeland.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Kinderen in de doorgaande leerlijn BO-VO-MBO-HO maken kennis met en zijn goed op de hoogte van de kernkwaliteiten van Zeeland (het Zeeuwse DNA).
Zeeland is, door het hoogstaande onderwijsaanbod van reguliere en niche-opleidingen, kennisklimaat, studentenhuisvesting, leefklimaat en door innovatieve, duurzame vervoersmogelijkheden aantrekkelijk voor Zeeuwse jongeren én jongeren van elders om te studeren, leven en werken. De ontgroening neemt hierdoor af en de samenleving wordt meer inclusief. Daarbij is de aanwezigheid van een goede onderwijs-onderzoeksinfrastructuur een van de medebepalende vestigingsfactoren voor nieuwe bedrijven.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
De doelstelling draagt bij aan de volgende SDG’s: kwaliteitsonderwijs door het maken van een kwaliteitsslag in het gehele Zeeuwse onderwijs, innovatie en infrastructuur door inzet van de triple helix en living labs, ongelijkheid verminderen door onderwijs zo aan te bieden dat inclusiviteit wordt bereikt en duurzame steden en gemeenschappen wanneer de realisatie van een campus duurzaam gebeurt.
Een duurzame onderwijs- en onderzoeksinfrastructuur levert een belangrijke bijdrage aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor jongeren en voor bedrijven uit Zeeland en van elders en levert daarbij een bijdrage aan een innovatieve Zeeuwse economie en belangrijke maatschappelijke vraagstukken.
R
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
5.1 Doelstellingen 2030
De bereikbaarheid en beschikbaarheid van (basis)voorzieningen en evenementen zijn voor elke Zeeuw en toerist gegarandeerd.
Het gaat erom dat iedereen, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, afkomst of vitaliteit, toegang heeft tot alle benodigde voorzieningen. Waaronder ook valt: preventievoorzieningen, passende zorg en zorgnetwerken, thuisnabij en ziekenhuiszorg dichtbij waar mogelijk, verder weg waar noodzakelijk. Zeeland beschikt over onderscheidende culturele topvoorzieningen, broedplaatsen, festivals en erfgoedlocaties die bijdragen aan leefkwaliteit, talentontwikkeling, recreatie en regionale identiteit. Er zijn een aantal bijzondere en zich onderscheidende kleinschalige top- en kwaliteitsvoorzieningen op het gebied van onderwijs, zorg en cultuur, die de regio extra aantrekkelijk maken om te blijven of zich van elders hier te vestigen. Voor specifieke voorzieningen die in Zeeland niet beschikbaar zijn, wordt samengewerkt met de grote steden in de omgeving. De bereikbaarheid van deze steden is optimaal gegarandeerdstedelijke netwerken, voorzieningenclusters, North Sea Port en strategische economische locaties wordt structuur versterkt via investeringen in spoor, weg, binnenvaart, goederenvervoer en digitale bereikbaarheid. Zeeland trekt meer toeristen dan ooit, die bijdragen aan het draagvlak voor voorzieningen.
In 2030 worden de aanvullende voorzieningen zoveel mogelijk op knooppunten geconcentreerd, die optimaal bereikbaar zijn gemaakt voor alle Zeeuwen. Veel heel kleine kernen zullen ook voor hun basisvoorzieningen hierop aangewezen zijn. Door ‘slimme mobiliteit’ is bereikbaarheid in 2030 vrijwel geen vraagstuk meerpubliek vervoer, hoogwaardige OV-verbindingen, robuuste wegverbindingen en multimodale logistieke corridors wordt Zeeland beter verbonden met Nederland, Vlaanderen en Europa.
De evenementen in Zeeland worden afgestemd op de mogelijkheden van een gebied en passen bij omgeving en identiteit van Zeeland, zoals ook verwoord in Zeeland LandinZee. Het belang van het onderscheidende karakter van het evenement neemt toe naarmate omvang en uitstraling groter is. De evenementen vinden goed gespreid plaats, in tijd en in plaats, om de druk op de omgeving, omwonenden en (de bereikbaarheid voor) zorg- en veiligheidsdiensten beter te verdelen. Bewoners zijn trots op de evenementen, voelen alsof deze ook een beetje ‘van hen’ zijn, bezoeken ze graag en nemen hun vrienden mee, ook van buiten provincie. De toerist boekt niet alleen om te ontspannen aan de kust, maar om die combinatie van rust en beleving. Organisatoren voelen zich erkend en ondersteund. Evenementen worden klimaatneutraal georganiseerd.
Subdoel 1: Iedereen, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, afkomst of vitaliteit, heeft toegang tot alle voorzieningen.
Subdoel 2: Zeeland beschikt over een aantal bijzondere en zich onderscheidende kleinschalige top- en kwaliteitsvoorzieningen op het gebied van onderwijs, zorg en cultuur. Ze maken de regio extra aantrekkelijk om te blijven of zich van elders hier te vestigen.
Subdoel 3: Evenementen zijn het duurzame uithangbord van de ultieme Zeeuwse beleving.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
5.2 Huidige situatie
Wat zijn voorzieningen?
In dit kader verstaan we onder voorzieningen het volgende: voorzieningen behoren tot de maatschappelijke infrastructuur. Het zijn de collectief georganiseerde voorwaarden die individuen en groepen mensen in staat stellen deel te nemen aan de samenleving en zich daarin te kunnen ontplooien. Voorzieningen kunnen de vorm hebben van een gebouw, diensten (door organisaties, bedrijven of overheden) en netwerken tussen mensen (digitaal en fysiek). Voorzieningen zijn - als het goed is - een antwoord op behoeften van mensen. Niet alleen voor de bewoners van een gebied, maar ook voor de toeristen die hier tijdelijk verblijven.
Voorzieningen zijn er in veel soorten en maten, maar grofweg kan een onderscheid worden gemaakt tussen basisvoorzieningen, aanvullende voorzieningen en top- of kwaliteitsvoorzieningen.
Onder basisvoorzieningen verstaan we essentiële zaken, zoals nutsvoorzieningen inclusief internet, levensmiddelen, detailhandel, eerstelijns gezondheidszorg, hulpdiensten en basisonderwijs, maar ook bijvoorbeeld een basisbibliotheek of bibliobus. De basisvoorzieningen kunnen veelal lokaal worden ingevuld en moeten voor iedereen beschikbaar en toegankelijk zijn. De gezamenlijke overheden en het kleinbedrijf spelen hierin een centrale rol. Basisvoorzieningen bevinden zich vaak in de nabijheid, bedienen in de regel een beperkt gebied en dragen direct bij aan de lokale leefbaarheid.
Aanvullende voorzieningen
vragen een groter verzorgingsgebied, qua inwoners of qua oppervlakte en hebben dan ook een bovenlokale, regionale functie. Zij dragen bij aan een aantrekkelijke woonomgeving voor een groter gebied en zijn vooral van invloed op de keuze van mensen en bedrijven om zich ergens te (blijven) vestigen. Deze vormen de meerwaarde ten opzichte van andere locaties en zullen niet in iedere kern aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om tweedelijns gezondheidszorg, middelbaar (beroeps)onderwijs, culturele instellingen, evenementen, zwembaden, winkelcentra en meubelboulevards. Regionale afstemming over deze voorzieningen is nodig om vraag en aanbod goed aan te laten sluiten, overheidsinvesteringen effectief in te zetten en ongewenste ruimtelijke en leefbaarheidseffecten te voorkomen. En niet in de laatste plaats om goede kwaliteit van voorzieningen te bereiken.
Bij de echte top- en of kwaliteitsvoorzieningen gaat het over voorzieningen die van bovenregionaal of (sub)nationaal belang zijn en effecten hebben die over gemeente en/of regiogrenzen heen gaan, zoals ziekenhuizen met specialisaties, regionale overheidsinstellingen, top toeristische en culturele voorzieningen (musea en tentoonstellingsruimten, toeristische dagattracties, schouwburgen, theaters, bioscopen en festivals), hoger- en wetenschappelijk onderwijs met onderscheidende studierichtingen. De kwaliteit van deze topvoorzieningen is belangrijker dan de afstand of tijd die men moet afleggen om er te kunnen komen. Concreet als voorbeeld (niet uitputtend en discutabel) kunnen worden genoemd als ‘top- of kwaliteitsvoorzieningen’ in de Zeeuwse context: Neeltje Jans, Zeeuws Museum, Industrieel Museum, Watersnoodmuseum, Bevrijdingsmuseum, Vleeshal, De Mythe, CineCity, het Scheldetheater, Zeeuwse Bibliotheek, University College Roosevelt en HZ University of Applied Sciences.
Zeeland heeft sinds jaren te maken met opschaling van organisaties op het gebied van zorg, onderwijs en dienstverlening. Veelal heeft dit te maken van het verdwijnen van de noodzakelijke massa om een bepaald aanbod nog exploitabel te houden, soms door keuzes voor centralisatie op nationaal niveau. Er zijn ook omgekeerde bewegingen, zoals de vestiging van een nieuw justitieel complex bij Vlissingen met een extra beveiligde zittingslocatie (EBZ), penitentiaire inrichting (PI) voor specifieke doelgroepen, extra beveiligde inrichting, steunpunt voor Dienst Vervoer & Ondersteuning (DV&O) en aanvullende faciliteiten voor rechters, officieren van justitie en advocaten. Het zuidelijk deel van het gebied wordt Stadslandgoed Nieuwerve. Bij de culturele voorzieningen is er minder sprake van opschaling, maar neemt ook hier de druk toe en lijkt een beweging naar verdere samenwerking en op termijn opschaling onafwendbaar.
Onderwijs
In het Zeeuwse onderwijs heeft de ingezette ontgroening van de bevolking de afgelopen jaren in het basisonderwijs geleid tot sluiting van veel scholen. Inmiddels is de afname zichtbaar in het voortgezet onderwijs.
Voor basisscholen is de grootste krimp voorbij, maar deze zet nog een aantal jaren door tot circa 2028. Op gemeentelijk niveau is er nadruk op schaalvergroting (kwaliteit onderwijs) en integrale huisvesting (Integraal Kind Centrum). In heel Zeeland is het vinden van genoeg leerkrachten een grote uitdaging. Dit geldt ook voor docenten in het voortgezet onderwijs. In Zeeuws-Vlaanderen ondervindt men last van ‘concurrentie van Belgische scholen’. Dit begint al op de kinderopvang. Naast een sterke krimp ‘lekken’ daar ook in het voortgezet onderwijs leerlingen weg naar België.
In het voortgezet onderwijs zet de leerlingendaling in heel Zeeland de komende jaren nog door. Gemiddeld wordt 13% daling van leerlingaantallen richting 2030 verwacht, met uitschieters richting 20% in Zeeuws-Vlaanderen, en op Schouwen-Duiveland. Dit heeft landelijke aandacht (commissie Dijkgraaf) en het Rijk gaat hiervoor (tijdelijk) extra budget vrij maken. In verbindingen tussen onderwijs- en culturele voorzieningen liggen kansen om een kwaliteitsimpuls te bereiken. De bereikbaarheid van schoollocaties in het algemeen, en van MBO-scholen in het bijzonder, is van invloed op de schoolkeuze van scholieren. De ontwikkeling naar meer digitaal onderwijs kan dit in de toekomst veranderen.
Zorgvoorzieningen
Gezonde Zeeuwen zijn de basis voor een goed functionerende samenleving. Een adequaat voorzieningenniveau is vereist om de Zeeuwse bevolking gezond te houden. Een goede zorginfrastructuur draagt niet alleen bij aan het welzijn van de Zeeuwse inwoners en de vele toeristen, maar in bredere zin ook aan de leefbaarheid binnen een gemeenschap.
De bevolking vergrijst met als gevolg dat de zorgvraag toeneemt, terwijl veel jonge mensen wegtrekken. Dat veroorzaakt een zogenaamde ‘zorgkloof’. Innovatieve oplossingen zijn noodzakelijk om te voorkomen dat de Zeeuwse zorginfrastructuur vastloopt met alle gevolgen van dien. Bij veel partijen is het urgentiegevoel groot. Net als de bereidheid om de knelpunten gezamenlijk aan te pakken op een innovatieve, toekomstbestendige wijze die tot voorbeeld kan dienen voor andere regio’s in Nederland.
Het accent zal niet alleen gelegd moeten worden op de behandeling van ziekte maar op het voorkomen daarvan. Daarom wordt ingezet op het verminderen van de zorgvraag. Niet alleen door het zoeken naar beter passende oplossingen thuis -in geschikte woningen- maar ook door deze oplossingen te zoeken in het sociaal domein, in plaats van in het zorgdomein. Zo draagt de beschikbaarheid van voldoende welzijnsvoorzieningen en de inrichting van de woonomgeving daar aan bij. Zie ook subdoel 2 in bouwsteen 7. Woonomgeving: Veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, biodiversiteit en klimaatadaptiviteit zijn standaard onderdeel van ruimtelijke ordening en inrichting. Ook de acties 2.1 Een omgeving die uitnodigt tot bewegen, 3.1 Een omgeving die uitnodigt tot ontmoeten en 4.1 Een omgeving die uitnodigt tot ontspannen, in bouwsteen 2. Gezondheid dragen hieraan bij.
Ook voor goede ziekenhuiszorg is het hebben van medische specialisaties steeds meer afhankelijk van grotere aantallen patiënten. Gelet op de relatief geringe Zeeuwse bevolking kan niet langer in alle specialisaties worden voorzien en blijft samenwerking binnen Zeeland en met andere ziekenhuisorganisaties buiten de regio noodzakelijk. De betrokken partijen in Zeeland, waaronder Zorgverzekeraar CZ, een aantal zorgaanbieders, gemeenten, huisartsen en de provincie hebben elkaar gevonden in een integrale, programmatische aanpak die de Zeeuwse zorg voorbereidt op de toekomst: de Zeeuwse Zorg Coalitie.
De coalitie beoogt een vernieuwde, deels gedigitaliseerde zorginfrastructuur te realiseren die:
Persoonsgerichte zorg & ondersteuning van goede kwaliteit garandeert;
Zorg snel en dichtbij huis levert;
Bijdraagt aan de gezondheid (en het vertrouwen) van de Zeeuwse bevolking;
De zorg duurzaam betaalbaar houdt, ook als de bevolking verder vergrijst.
Zo’n zorginfrastructuur staat niet alleen ten dienste van de Zeeuwse bevolking. De innovatieve wijze van (samen)werken is ook aantrekkelijk voor zorgprofessionals. Mensen willen graag werken en zich vestigen in een moderne, op de toekomstgerichte werk- en leefomgeving.
Toerisme in relatie tot voorzieningen
Toerisme draagt in sommige streken van onze provincie in belangrijke mate bij aan de leefbaarheid en instandhouding van voorzieningen, zelfs in de kleine kernen. Winkels, openbaar vervoer en publieke voorzieningen zijn er mede dankzij het draagvlak van het toerisme. Daar waar de toeristen niet komen is bijvoorbeeld de supermarkt een voorziening die onder druk staat en daardoor mogelijk zal verdwijnen. Deze voorziening is dan enkel afhankelijk van de 'eigen' bewoners van een kern, die in veel gevallen de mogelijkheid hebben (en er ook voor kiezen) met de auto de boodschappen elders te halen. Het zijn de oudere, minder mobiele bewoners, die bij het verdwijnen van de supermarkt in een kern of dorp in de problemen kunnen raken. Niet alleen verliezen ze de plek waar ze hun dagelijkse boodschappen halen, maar tegelijkertijd ook een plaats waar ze elkaar regelmatig ontmoeten. De supermarkt kan gezien worden als het symbool van het ‘zelfvoorzienende dorp’. Het verdwijnen van deze voorziening (meestal als gevolg van schaalvergroting) wordt dan ook ervaren als een verdere aantasting van de leefbaarheid. Het verdwijnen van voorzieningen is daarmee niet alleen een ‘logistiek vraagstuk’, dat (deels) door de inzet van meer mobiliteit en internet voor kwetsbare bewoners kan worden ondervangen, maar kent vooral ook een sociale component.
Voorzieningen en vestigingsklimaat
De aanwezigheid van een bereikbaar en toegankelijk winkelbestand en zeker ook (basis)voorzieningen op gebied van onderwijs, zorg en cultuur dragen bij aan de leefbaarheid van een gebied voor mensen die daar wonen. Ook zorgt de aanwezigheid van voorzieningen ervoor dat de provincie aantrekkelijk is en blijft voor jongeren en nieuwe (jonge) gezinnen die zich hier van buiten de provincie willen vestigen. Onderscheidende (top)voorzieningen kunnen hierin een rol spelen.
Gelet op het aanwezige en dreigende tekort aan arbeidskrachten in Zeeland is dit geen onbelangrijk aspect, in het kader van het economisch vestigingsklimaat. Van de jongeren geeft 90% aan in de stad te willen wonen. Dit is van belang in relatie tot het aanbod aan stedelijke voorzieningen. De leegstand van winkelpanden in Zeeland neemt toe (bron: Compendium voor de Leefomgeving, indicator Leegstand van winkels 2021). Dit is onder andere een gevolg van afname van de verkoop via fysieke winkels. Leegstand in de hoofdwinkelstraten en dorpskernen moet zoveel mogelijk worden voorkomen, omdat dit een groot effect heeft op de aantrekkelijkheid van het hele gebied en de leefbaarheid van steden en dorpen. Concentratie van winkels is van belang om winkelstraten aantrekkelijk te houden.
In bouwsteen 6. Woningvoorraad is een actie opgenomen om leegstaande panden waar dat passend is, om te bouwen naar woonvormen waar behoefte aan is. Op deze manier wordt er bijgedragen aan het concentratiebeleid en wordt (langdurige) leegstand voorkomen. Detailhandel in de kern van steden en dorpen draagt het meeste bij aan leefbaarheid. Detailhandel buiten de kern kan alleen als de winkels te groot zijn voor het reguliere winkelgebied of de producten te risicovol of volumineus (bijv. meubels) zijn.
Bereikbaarheid van voorzieningen
Actie 1.1b - Inwoners van kleine kernen waar de basisvoorzieningen niet beschikbaar zijn, kunnen deze voorzieningen bereiken door slimme mobiliteit en/of digitale ontsluiting.
De bereikbaarheid van wonen, werk en recreatie in Zeeland is over het algemeen goed. Het gros van de mensen kan zich zelfstandig verplaatsen over een multimodaal netwerk met een betrouwbare reistijd. Verplaatsingen vinden veelal plaats met de auto. Het hoge autobezit geeft goede mogelijkheden tot zelfstandige mobiliteit. De primaire infrastructuur is bij incidenten kwetsbaar. Op het moment dat er iets op de A58 gebeurt staat alle verkeer van en naar Zeeland vast. Ook bij zomerdrukte ontstaat reistijdverlies. Het wordt drukker op de weg. Met name in de zomerperiode zal de intensiteit gaan toenemen. Naar verwachting zit de (met name de hoofd-)infrastructuur rond 2030 tegen haar capaciteitsgrenzen aan. Over het algemeen zijn door fysieke barrières de reisafstanden vrij groot. Centralisering van voorzieningen zorgt ervoor dat reisafstanden toenemen en de reisduur daarmee ook. Het kopen op afstand (internet) versterkt deze trend.
De groepen die belemmeringen ervaren in bereikbaarheid van voorzieningen zijn scholieren/studenten, mensen met een beperking en ouderen. Deze groepen zijn minder zelfstandig mobiel en daarom meer afhankelijk van fiets of openbaar- en doelgroepenvervoer. Door centralisering zijn niet alle voorzieningen aan te fietsen, maar daar staat tegenover dat met de elektrische fiets de acceptabele fietsafstand kan verdubbelen. Het busvervoer in Zeeland kent een teruglopend aantal gebruikers en de kosten voor het systeem nemen toe. Voor doelgroepenvervoer geldt dat het gebruik toeneemt, wat voor gemeenten leidt tot kostenstijging.
Evenementen
De afgelopen 25 jaar waren er grote ontwikkelingen in de evenementensector in Nederland: groei in aantal, omvang, aandacht die ze genereren, professionaliteit. Evenementen en festivals spelen in op de behoefte aan unieke belevingen, tijdelijke beschikbaarheid, meedoen. Ook in Zeeland zien we dat. Veel evenementen zijn ontstaan in de afgelopen 25 jaar. Vooral het laatste decennium zien we ook in Zeeland een sterke groei in omvang, deelname, en (media)aandacht. Voorbeelden hiervan zijn grote evenementen zoals Concert at Sea, Kustmarathon Zeeland, Ride for the Roses en Nazomerfestival. Deze evenementen zetten Zeeland op de kaart en dragen hiermee ook bij aan andere opgaven. Die groei in omvang brengt echter eenzelfde soort zorgen mee als de groei van het toerisme, namelijk uitdagingen op het gebied van infrastructuur. De doorgangswegen en bruggen tussen de eilanden raken regelmatig overvol en leveren problemen op voor bewoners, bezoekers en zorg- en veiligheidsdiensten. Het aantal evenementen in Zeeland bedroeg in 2019 duizenden op jaarbasis, uiteenlopend van grotere meerdaagse festivals en sportevenementen tot een kleedjesmarkt. De omvang en impact verschilt en de evenementen zijn niet gelijkmatig verdeeld in tijd noch over het gebied. Het overgrote deel van deze evenementen drijft op vrijwilligers, dat geldt overigens ook voor grote delen van de culturele sector. Het vrijwilligersbestand vergrijst en het aantrekken van nieuwe aanwas blijkt lastig. Voor sommige evenementen kan het organiseren daardoor onwerkbaar worden. Bijna de helft van de Zeeuwse bevolking wil juist dat er meer activiteiten, festivals en evenementen worden georganiseerd. Maar slechts iets meer dan 10% vindt dat inwoners verplicht moeten worden om bij te dragen aan het behoud van evenementen (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
5.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Iedereen, ongeacht leeftijd, opleidingsniveau, afkomst of vitaliteit, heeft toegang tot alle voorzieningen.
Actie 1.1a - De basisvoorzieningen moeten voor iedereen beschikbaar en bereikbaar zijn en worden daarom zoveel mogelijk lokaal ingevuld.
Zorgen voor essentiële zaken, zoals nutsvoorzieningen inclusief internet, supermarkten, detailhandel, eerstelijns gezondheidszorg, hulpdiensten en basisonderwijs, maar ook bijvoorbeeld een basisbibliotheek of bibliobus. De basisvoorzieningen kunnen veelal lokaal worden ingevuld en moeten voor iedereen beschikbaar en bereikbaar zijn.
Rolverdeling:
Euregio Scheldemond faciliteert grensoverschrijdende afstemming van voorzieningen en ondersteunt initiatieven via Interregsubsidies.
Het Rijk stelt landelijke kaders vast over toegang tot basisvoorzieningen en draagt financieel bij.
De provincie
De gemeenten
maken gemeentelijk beleid en stellen kaders vast;
adviseren publieke instellingen en ondernemers;
richten de openbare ruimte in;
communiceren over de beschikbaarheid van voorzieningen;
verstrekken vergunningen;
verlenen subsidie aan voorzieningen;
bieden zelf basisvoorzieningen en bijzonder vervoer aan.
Inwoners en toeristen maken gebruik van voorzieningen en betalen daarvoor.
Ondernemers zijn (financieel) verantwoordelijk voor de realisatie en beschikbaarheid van commerciële voorzieningen.
Woningcorporaties investeren in voorzieningen als onderdeel van woonprojecten.
De Zeeuwse Zorgcoalitie werkt met een groot aantal partijen aan toegankelijke zorg en innovatieve (zorg)oplossingen.
Zorginstellingen bieden lokaal kleinschalige en goed toegankelijke voorzieningen aan voor cliënten en omwonenden.
Culturele organisaties brengen een breed en gevarieerd aanbod aan cultuuruitingen
Onderwijsinstellingen zorgen voor een divers aanbod aan basisonderwijs.
Terreinbeheerders zorgen voor optimale toegankelijkheid van natuurgebieden voor bewoners en toeristen.
Actie 1.1b - Inwoners van kleine kernen waar de basisvoorzieningen niet beschikbaar zijn, kunnen deze voorzieningen bereiken door slimme mobiliteit en/of digitale ontsluiting.
Dit valt samen met subdoel 2: Ontwikkelen en invoeren van een robuust en flexibel mobiliteitssysteem, slim en toegankelijk vervoer in bouwsteen 3. Mobiliteit.
Actie 1.2 - Aanvullende voorzieningen zoveel mogelijk concentreren op knooppunten, die optimaal bereikbaar zijn gemaakt voor alle Zeeuwen.
Aanvullende voorzieningen bieden een meerwaarde op basisvoorzieningen. Ze zijn niet in iedere kern aanwezig. Het gaat bijvoorbeeld om middelbaar onderwijs, zwembaden, winkelcentra, tweedelijns gezondheidszorg, culturele instellingen en evenementen.
Rolverdeling:
Euregio Scheldemond faciliteert grensoverschrijdende afstemming voorzieningen en ondersteunt initiatieven via Interreg subsidie.
Het Rijk
De provincie
Waterschap Scheldestromen zorgt voor de bereikbaarheid van voorzieningen via waterschapswegen.
Gemeenten
Ondernemers zijn (financieel) verantwoordelijk voor de realisatie en beschikbaarheid van commerciële voorzieningen.
De Zeeuwse Zorgcoalitie werkt met een groot aantal partijen aan toegankelijke zorg en innovatieve (zorg)oplossingen.
Zorginstellingen bieden goed toegankelijke centrale zorgvoorzieningen aan voor inwoners en toeristen.
Onderwijsinstellingen zorgen voor een divers aanbod aan voorzieningen voor middelbaar onderwijs.
Actie 1.3 - De toegang tot kwalitatief hoogwaardige topvoorzieningen binnen en buiten Zeeland verzekeren.
Bij de echte top- en of kwaliteitsvoorzieningen gaat het over voorzieningen die van bovenregionaal of (sub)nationaal belang zijn en effecten hebben die over gemeente en/of regiogrenzen heen gaan, zoals ziekenhuizen met specialisaties, top toeristische en culturele voorzieningen (musea, toeristische dagattracties, schouwburgen, theaters, bioscopen en festivals), hoger- en wetenschappelijk onderwijs met onderscheidende studierichtingen.
Rolverdeling:
Euregio Scheldemond faciliteert grensoverschrijdende afstemming voorzieningen en ondersteunt initiatieven via Interreg subsidie.
Het Rijk
De provincie
Waterschap Scheldestromen zorgt voor de bereikbaarheid van voorzieningen via waterschapswegen;
Gemeenten
Ondernemers ontwikkelen en exploiteren commerciële topvoorzieningen.
De Zeeuwse Zorgcoalitie werkt met een groot aantal partijen aan toegankelijke zorg en innovatieve (zorg)oplossingen.
Zorginstellingen bieden goed toegankelijke specialistische zorg aan in samenwerking met (universitaire) ziekenhuizen buiten Zeeland.
Onderwijsinstellingen zorgen voor een breed aanbod aan hoger en wetenschappelijk onderwijs met specialisaties op de thema's voedsel, water en energie.
Actie 1.4 - Door 'slimme mobiliteit' de bereikbaarheid van voorzieningen verbeteren.
Voorzieningen hebben te maken met opschaling, waardoor bereikbaarheid belangrijker wordt. De acties rond de bereikbaarheid van voorzieningen worden verder uitgewerkt in bouwsteen 3. Mobiliteit, in actie 2.2.
Subdoel 2: Zeeland beschikt over een aantal bijzondere en zich onderscheidende kleinschalige top- en kwaliteitsvoorzieningen op het gebied van onderwijs, zorg en cultuur. Ze maken de regio extra aantrekkelijk om te blijven of zich van elders te hier vestigen.
Actie 2.1 - Behoud en ontwikkeling onderscheidende top- en kwaliteitsvoorzieningen.
Om de aantrekkelijkheid van Zeeland te vergroten is behoud, verbetering en uitbreiding van onderscheidende voorzieningen noodzakelijk.
Rolverdeling:
Euregio Scheldemond ondersteunt de ontwikkeling van onderscheidende voorzieningen met grensoverschrijdende effecten.
Het Rijk draagt via het compensatiepakket Marinierskazerne financieel bij aan topvoorzieningen op het gebied van veiligheid (Justitieel Complex Vlissingen), onderwijs, onderzoek, bereikbaarheid en energie. Daarnaast investeert het Rijk ook in kwalitatief hoogwaardig cultureel aanbod in Zeeland.
De provincie en gemeenten ondersteunen realisatie van topvoorzieningen en onderscheidende evenementen met menskracht, lobby en financiële middelen.
Ondernemers ontwikkelen en exploiteren commerciële topvoorzieningen.
Zorginstellingen bieden goed toegankelijke specialistische zorg aan in samenwerking met (universitaire) ziekenhuizen buiten Zeeland.
De Zeeuwse Zorgcoalitie werkt met een groot aantal partijen aan toegankelijke zorg en innovatieve (zorg)oplossingen.
Onderwijsinstellingen zorgen voor een breed aanbod aan hoger onderwijs met specialisaties op de thema's voedsel, water en energie.
Subdoel 3: Evenementen zijn het duurzame uithangbord van de ultieme Zeeuwse beleving.
Actie 3.1 - Realiseren van een Zeelandbrede coördinatie van evenementen.
Samenwerking en coördinatie is noodzakelijk om de ambities voor evenementen te halen. Daar is een betere coördinatie voor nodig. Afhankelijk van omvang en impact van het evenement gaat de coördinatie van gemeentelijk naar regionaal naar Zeeuwsbreed. Binnen deze gewenste coördinatie worden evenementen op elkaar en op de belasting voor een gebied, kern, toegangswegen, brandveiligheid, vrijwilligers en bereikbaarheid voor hulpdiensten afgestemd.
Rolverdeling:
Organisatoren van evenementen melden hun programmering bij het coördinatiepunt en vragen vergunning aan.
De provincie, gemeenten en de Veiligheidsregio stemmen de planning van evenementen centraal af.
Actie 3.2 - Zorgen voor voldoende vrijwilligers om evenementen te organiseren.
Investeren in ondersteuning bij werven en inzet van vrijwilligers is noodzakelijk zodat een organisatie voldoende handen en voeten heeft om een evenement op het Zeeuwse kwaliteitsniveau te organiseren.
Rolverdeling
Gemeenten ondersteunen organisatoren van evenementen bij de werving van vrijwilligers.
Organisatoren van evenementen verzorgen de werving van vrijwilligers en delen kennis over hun aanpak.
Actie 3.3 - Breder benutten van evenementen voor andere opgaven.
Met een gezamenlijke aanpak kunnen evenementen voor andere opgaven worden benut zoals het werven van arbeidskrachten, stedelijke aantrekkelijkheid/vestigingsklimaat, en toeristische promotie. Evenementen zorgen voor een directe aanleiding/actie voor mensen om Zeeland te bezoeken en koppelen een positieve beleving aan de regio. Het gaat dan bijvoorbeeld om organisatie van inspirerende sportevenementen die Zeeland op de kaart zetten, via het voortzetten van de samenwerking in het Zeeuwse Sportakkoord tussen provincie, gemeenten, gezondheids-, natuur-, onderwijs- en sportorganisaties. Daarnaast wordt de link gelegd tussen evenementen en natuurverbreding en natuurbranding. Zie hiervoor bouwsteen 15. Natuur en actie 3.4 in bouwsteen 17. Arbeidsmarkt.
Rolverdeling:
Organisatoren van evenementen benaderen ondernemers voor verbreding van de commerciële samenwerking.
De provincie en de gemeenten stemmen met organisatoren af over koppeling met bredere maatschappelijke doelen en leveren een financiële tegenprestatie via subsidieverlening.
Actie 3.4 - Evenementen meer laten bijdragen aan klimaat en energie.
Om evenementen in het teken te laten staan van klimaat en duurzaamheid is aansluiting gevonden bij partners die zich bezighouden met energietransitie en klimaatadaptatie, met name voor kennis en expertise. Evenementen zijn steeds meer op zoek naar middelen om de impact op klimaat en omgeving te verminderen. Men ondervindt wel drempels als het gaat om kennis over de mogelijkheden en ontwikkelingen en de kosten die er soms mee gemoeid zijn.
Rolverdeling:
5.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Bundeling van verschillende voorzieningen op één locatie maakt deze aantrekkelijker, beter bereikbaar per collectief vervoer, eenvoudiger te exploiteren en het bespaart ruimte.
Digitalisering van voorzieningen vermindert de behoefte aan fysieke uitbreidingsruimte.
Locaties en terreinen die tijdelijk geen invulling hebben, kunnen geschikt zijn voor evenementen.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Investeringen in voorzieningen vallen samen met noodzakelijke aanpassingen voor klimaatadaptatie en energietransitie. Combinatie is nodig en kan zorgen voor lagere exploitatiekosten.
Openbaar toegankelijk groen is een waardevolle voorziening in stedelijk gebied en draagt bij aan klimaatdoelen, woningwaarde, biodiversiteit en gezondheid.
Benutting van evenementen is een onderdeel van marketing en promotie van Zeeland en kan een deel van de organisatiekosten dragen.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Topvoorzieningen worden onderscheidend en aantrekkelijk als ze optimaal aansluiten op de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Binnen Zeeland zijn kernkwaliteiten niet gelijk verdeeld, daarom is het ook logisch dat er verschillen zijn in soort en schaal van voorzieningen.
Evenementen zijn zeer geschikt om bijzondere Zeeuwse kwaliteiten in de schijnwerpers te zetten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
De bereikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen moet ook rekening houden met de mogelijkheden van toekomstige inwoners en toeristen.
Voortgaande digitalisering en andere technologische innovaties zal de fysieke versie van een aantal voorzieningen overbodig en/of onbetaalbaar maken. Voor mensen die afhankelijk zijn van deze voorzieningen, moet de toegang tot de voorziening worden verzekerd.
S
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
6.1 Doelstelling 2030
Een toekomstbestendige en CO2-neutrale woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit op de vraag.
Ontwikkelingen op de woningmarkt en een verhoogde instroom van inwoners, zetten de woningmarkt in Zeeland sterk onder druk. Naast de uitbreidingsbehoefte van de Zeeuwse woningvoorraad moet de focus van het woonbeleid ook op de bestaande voorraad komen te liggen. Zo wordt optimaal gebruik gemaakt van de reeds gebouwde woningvoorraad.
Subdoel 1: De bestaande woningvoorraad is toekomstbestendig: CO2-neutraal en levensloopbestendig.
Subdoel 2: Nieuwbouw is passend bij de huidige en toekomstige behoefte, tenminste voor tweederde betaalbaar en minimaal 50% circulair: focus op kwaliteit in woningtypen en locaties.
Subdoel 3: Er wordt ingespeeld op de behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
6.2 Huidige situatie
Kwalitatieve match
Uit het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland (KWOZ, Stec Groep, 20192025) volgt een aantal belangrijke conclusies over de woonopgaven in Zeeland: parallel aan de huishoudensgroei op korte termijn met balans en krimp op middellange termijn, zien we grote verschillen tussen maar ook binnen regio’s. Tot 2040 komen er in totaal nog circa 18.000 huishoudens bij in Zeeland (Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose 2022). De meeste huishoudensgroei is te verwachten bij de groep 65- en 80-plushuishoudens.
Er ontstaat een disbalans tussen het reguliere grondgebonden segment en de behoefte vanuit de maatschappij. Voor ouderen is het soort huizen waar men woont vaak niet meer passend, maar doorstromen naar een passende woning wordt als erg lastig ervaren. Door de toename van met name alleenstaande 80+ huishoudens ontstaat een mismatch tussen de huidige woningvoorraad en de woningvoorraad die er op langere termijn zou moeten staan. De behoefte aan nultreden-, geclusterde en zorggeschikte woningen waar zorg ontvangen mogelijk is, neemt fors toe. Bijna 20% van de bestaande voorraad is ‘levensloopgeschikt’, 60% van de woningen is geschikt te maken voor ouderen (bron: Kwalitatief Woononderzoek Zeeland (KWOZ) 20192025).
Betaalbaarheid en toegankelijkheid van de woningmarkt is ook in Zeeland een groot probleem geworden. De oorzaken hiervan zijn bekend: De druk op het goedkoopste segment van de woningvoorraad is het grootst omdat het aanbod dat beschikbaar komt op de markt relatief klein is. Dit wordt veroorzaakt door de eerder genoemde beperkte doorstroming in de rest van de woningmarkt, en met name de doorstroming naar nultredenwoningen. Hier komt nog bij dat de prijzen van woningen in Nederland sterk gestegen zijn, en dat starters moeten concurreren met (particuliere) investeerders die een tweede woning zoeken of rendement willen halen op vastgoedbezit, voor recreatieve of andere doeleinden. Voor starters worden de kansen op een eigen woning hierdoor steeds kleiner, zeker als men niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning. Het belang van doorstroming en lange verhuisketens wordt hierdoor alleen maar groter. Daarnaast is het nodig om delen van de woningvoorraad te beschermen tegen sterke prijsstijgingen door flankerend beleid. Niet voor niets is wonen verankerd in onze grondwet als primaire levensbehoefte. Actie is daarom nodig om verdringing tegen te gaan zodat de woningmarkt weer toegankelijk wordt voor onze inwoners.
Een deel van de oudere huishoudens wil - mits er passend aanbod is - doorstromen naar een nultredenwoning. Tegelijkertijd wordt de groep die interesse heeft in de vrijkomende reguliere grondgebonden woning (in veel regio’s) kleiner. Dit heeft gevolgen voor de bestaande voorraad. Een deel kan worden aangepast om beter aan te sluiten bij de toekomstige behoefte. Dit is echter niet overal mogelijk en wenselijk. Woningen waar op termijn naar verwachting overschotten van ontstaan (type, soort en prijsklasse) én die relatief minder gewildzijn (lage energieprestatie, minder aantrekkelijke buurt, etc.), zijn het meest risicovol: de minst presterende woningen binnen deze voorraad hebben het hoogste risico op leegstand en achteruitgang. De woningmarktopgaven liggen dus voornamelijk in de bestaande voorraad. Daarbij geldt dat nietsdoen uiteindelijk meer geld kost dan het aanpakken van de bestaande voorraad.
Daarnaast worden bewoners kritischer over de gewenste woning en de daarbij horende woonomgeving. Hierdoor worden er steeds meer verschillende woningtypes op de markt gebracht in Nederland, zoals woonhoven voor gelijkgestemde ouderen (‘knarrenhof’), tiny houses of kleine appartementen voor jongeren in een stedelijke omgeving. Er is ook vraag naar zogenaamde middenhuurwoningen in Zeeland. Dit type woning is nodig voor de doorstroming op de woningmarkt en voor het verbreden van de flexibele schil. Omdat de ontwikkeling van afwijkende woningtypen vaak risicovoller is voor investeerders, wordt het nog niet vaak toegepast in Zeeland, terwijl de vraag er wel is.
Uitbreiding
De bevolking van Zeeland neemt volgens de Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose 2022 nog toe tot 420.000 inwoners in 2040. De vraag naar extra woningen manifesteert zich vooral in steden en in andere goed bereikbare kernen met voorzieningen. Per regio en per dorp kan de vraag naar woningen echter sterk uiteenlopen. Bundeling van voorzieningen in combinatie met een goede bereikbaarheid daarvan is een gezamenlijke uitdaging. In regioverband maken gemeenten afspraken waar en hoeveel woningen er worden toegevoegd. Omdat de situatie in elke regio anders is, is regionaal maatwerk belangrijk. De behoefteraming van de meest recente Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose is daarvoor de basis. Het is belangrijk dat er voldoende woningbouwplannen zijn om de groei van de woningbehoefte op te vangen, die ook voldoende flexibel zijn om in te spelen op de actuele behoefte. Een verhouding van 130% zachte en harde plannen ten opzichte van de woningbehoefte in de komende 10 jaar is hierbij wenselijk. Hierbij is het belangrijk dat er niet alleen voldoende plannen voor woningbouw zijn, maar ook dat deze aansluiten bij de vraag. Veel bestaande plannen zijn echter in het verleden gemaakt toen er een andere vraag was en er andere verwachtingen waren. De situatie ziet er op dit moment anders uit, waardoor plannen soms niet van de grond komen. Deze plancapaciteit dreigt de totstandkoming van actuele plannen die beter aansluiten op de behoefte, te blokkeren.
Zorgvuldig ruimtegebruik en bouwen binnen het stedelijk gebied van dorpen en steden is voor iedere stedelijke ontwikkeling, zoals woningbouw, kantoren of bedrijventerreinen, het uitgangspunt. Het Rijk heeft daarvoor de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in landelijke wetgeving. Het doel is beschermen van het landschap, de agrarische functie van het buitengebied, natuurwaarden en andere kwaliteiten die maken dat het in Zeeland goed wonen is. Het mes snijdt aan twee kanten, want in het stedelijk gebied verliezen steeds meer vormen van vastgoed hun functie, zoals maatschappelijk vastgoed, scholen, winkels, kerken en kantoren. Voor de dynamiek van het stedelijk gebied is het cruciaal dat woningen toegevoegd kunnen worden in of in de plaats van deze gebouwen komen. Daarnaast is inbreiding interessant in grotere steden. Het kan de kwaliteit van de openbare ruimte verbeteren (beschut, levendig, sociaal veilig) en voor een rendabeler grondexploitatie zorgen. Hierbij is wel aandacht en ruimte nodig voor maatregelen voor klimaatadaptatie en versterken van de kwaliteit van de leefomgeving, zoals ruimte voor stedelijk groen en waterberging. Er bevinden zich dan immers meer mensen en veel functies op een gering bouwoppervlakte. In de groeiende stad kan inbreiding zorgen voor het sparen van groen en landschap, omdat de ruimte in de stad beter benut wordt en uitbreiding niet of minder noodzakelijk is.
Woondeal
Begin 2022 heeft de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) de nationale Woon- en Bouwagenda gepubliceerd. Kern van de kabinetsplannen is om in de komende jaren als overheid meer regie te gaan voeren inzake woningbouw, met als doel ervoor zorgen dat in de periode t/m 2030 in Nederland 900.000 woningen worden gerealiseerd. Van al die nieuwe woningen dient 2/3 in de categorie ‘betaalbaar’ te worden gerealiseerd. Gemeenten dienen wat het Rijk betreft te streven naar 30% sociale huurwoningen. Tevens is er aandacht voor voldoende levensloopbestendige woningen o.a. met het oog op de toenemende vergrijzing. Ook aandachtsgroepen (dak- en thuisloze mensen, arbeidsmigranten, statushouders, woonwagenbewoners, ouderen met een zorgvraag en andere spoedzoekers) maken deel uit van de woningbouwplannen.
Om dit tot stand te brengen heeft de minister voor VRO de provincies gevraagd een bod uit te brengen voor de versnelling van de woningbouw in de provincie. In Zeeland is in nauwe samenwerking met Zeeuwse gemeenten, woningcorporaties, het Rijk en bedrijven in de Zeeuwse woningmarkt een woonbod opgesteld en uitgewerkt tot een Zeeuwse woondeal. Deze woondeal is in maart 2023 ondertekend door de minister voor VRO en vertegenwoordigers namens de colleges van GS en B&W van de Zeeuwse gemeenten.
De hoofdlijnen van de Woondeal Zeeland zijn als volgt:
Provincie, gemeenten, corporaties e.a. streven naar 16.500 extra woningen in Zeeland in de periode t/m 2030;
Het streven is 2/3e van die woningen in de categorie ‘betaalbaar’ te realiseren:
Gemeenten zorgen voor een bruto plancapaciteit van 21.270 woningen, waarvan 6.800 nultredenwoningen en 795 flexwoningen.
Om de ambities in de Zeeuwse woondeal daadwerkelijk te kunnen realiseren zijn een aantal kritische succesfactoren van essentieel belang.
Die onderwerpen zijn als randvoorwaarden in de woondeal opgenomen:
Personele krapte bij gemeenten en in de bouwsector Wet- en regelgeving en procedures (o.a. stikstofruimte);
Hulp bij onrendabele toppen in woningbouwprojecten;
De behoefte om schouder aan schouder te werken: als één overheid maar ook in nauwe afstemming met corporaties, bouwbedrijven etc.;
Voldoende betaalbare locaties voor woningbouwprojecten van corporaties e.a.
Om tot een effectieve en voorspoedige uitvoering te komen heeft de provincie met de gemeenten, corporaties, het Rijk e.a. een structuur ingericht voor de realisatie van de Woondeal in de periode t/m 2030. Die structuur is gericht op samenwerking en sturing, versnelling van projecten, monitoring, periodiek overleg over woningbouwontwikkelingen en –projecten en het oplossen van belemmeringen, onder andere via Versnellingstafels.
Met de Wet versterking regie volkshuisvesting krijgen Rijk, provincies en gemeenten meer mogelijkheden om gezamenlijk te sturen op voldoende, betaalbare en passende woningen. De wet ondersteunt de uitvoering van de doelen uit de Zeeuwse Woondeal en versterkt de regionale samenwerking op het gebied van woningbouw, betaalbaarheid en huisvesting van aandachtsgroepen. Zeeland kiest daarbij voor één woningbouwregio en één woningmarktregio, zodat op Zeeuwse schaal afspraken kunnen worden gemaakt over woningbouw, betaalbaarheid en de verdeling van aandachtsgroepen. Tegelijkertijd wordt voor de uitvoering zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande subregionale samenwerking op Walcheren, de Bevelanden, Schouwen-Duiveland, Tholen en Zeeuws-Vlaanderen. Zo werken gemeenten en provincie gezamenlijk aan een evenwichtige spreiding van woningen en woonvormen, passend bij de behoefte van inwoners en de leefbaarheid van steden, dorpen en regio’s.
Verduurzaming
De woningvoorraad staat aan de vooravond van een enorme verduurzamingsopgave. Bijna de helft (45%) van de woningen in Zeeland heeft energielabel D of lager en 13% heeft label G. Het Zeeuws energieakkoord gaat uit van een energieneutrale particuliere woningvoorraad in 2045. Hierbij hoort ook de opgave 'Nederland van het gas af' en de transitievisies warmte die opgesteld moeten worden vanuit het concept Klimaatakkoord. Grootschalige (na)isolatie en energiebesparing bij woningen, maatschappelijk vastgoed en bedrijfsgebouwen zal onder andere verder geregeld worden via de RES Zeeland en de gemeentelijke warmteplannen op wijkniveau. Isolatie helpt ook hitte buiten te houden en opslag van warmte en koude in de grond kan verkoeling geven (klimaatadaptatie). Zie hiervoor ook de bouwstenen Energietransitie, Duurzame energie en Klimaatadaptatie.
Energieneutraal (duurzaam) (ver)bouwen is één, maar daarnaast dient de milieudruk omlaag gebracht te worden en mogen minder milieubelastende bouwmaterialen worden toegepast door circulair te bouwen. Hier speelt de toenemende schaarste van (grond)stoffen en materialen. 'Urban mining' is een ontwikkeling die daarop inspeelt door bij sloop materialen terug te winnen en grondstoffen uit afval te halen.
Voorraadbeheer en sloop
Negentig procent van alle woningen die in 2050 in Zeeland zullen staan, staat nu al in onze steden en dorpen. De huidige woningvoorraad is relatief oud, is relatief vaker gebouwd in de naoorlogse jaren 1945-1980 en relatief vaak in particulier bezit. Er worden jaarlijks echter nauwelijks particuliere woningen onttrokken aan de woningmarkt door sloop. Doorgaan in dit tempo zou betekenen dat alle woningen nog zo’n 2000 jaar mee zouden moeten gaan. Met voldoende dynamiek op de woningmarkt loont het om te investeren in oude woningen. Maar wanneer deze dynamiek afneemt door bijvoorbeeld afnemende huishoudengroei, kan er leegstand ontstaan. Het is daarom belangrijk om investeringen in de particuliere woningen te blijven stimuleren, zodat ze zoveel mogelijk kwalitatief op orde blijven. Ook vraagt dit om zorgvuldigheid bij het toevoegen van nieuwe woningen. Elke extra woning teveel zorgt uiteindelijk voor de noodzaak tot het slopen van een woning elders. De rekening hiervan ligt (straks) bij de samenleving. Verevening van andere functies met extra woningbouw is daarom eindig.
Bij woningcorporaties ligt het slooptempo hoger; corporatiewoningen worden gemiddeld na 100 jaar vervangen. Door overheidsmaatregelen hebben woningcorporaties echter minder te besteden aan de uitvoering van het strategisch voorraadbeheer. De nieuwbouw, sloop en renovatie van woonblokken gaat hierdoor op een lager tempo. Door het uitponden (verkopen) van woningen door woningcorporaties is mogelijk versnipperd bezit ontstaan waardoor herstructurering, transformatie of renovatie ingewikkelder is geworden. Het stimuleren van corporaties tot ‘inponden’ (terugkopen van eerder verkocht bezit) kan helpen, bijvoorbeeld bij gebiedsgerichte aanpak.
Internationale werknemers, statushouders en statushouders andere aandachtsgroepen
De groeiende economie en de afnemende beroepsbevolking zorgen voor een toename van internationale werknemers die hier tijdelijk komen wonen. Deze doelgroep is divers van aard en kent ook verschillende woonwensen, die niet altijd binnen de huidige woningvoorraad zijn te vervullen. Internationale werknemers zijn op dit moment en op lange termijn crucial voor de Zeeuwse economie. Om aantrekkelijk te blijven voor international werknemers is het belang van goede huisvesting groot. De internationale werknemers die hier langer dan twee tot drie jaar blijven, stromen door naar reguliere woningen in onze dorpen en wijken. Voor kort en middellang verblijf bestaat in sommige regio’s een tekort aan huisvesting. Ook laat de kwaliteit van de tijdelijke huisvesting nogal eens te wensen over. Dan moet men genoegen nemen met een te dure, brandgevaarlijke of illegale oplossing. Een bijzondere doelgroep zijn de statushouders. Gemeenten hebben een wettelijke taak voor het huisvesten van asielzoekers die een verblijfsvergunning (statushouders) hebben. De provincie houdt hier toezicht op. De huisvesting van statushouders behoeft extra aandacht.
Daarnaast vraagt ook de huisvesting van andere aandachtsgroepen, zoals ouderen, starters, zorgdoelgroepen, mensen die uitstromen uit een instelling en urgente woningzoekenden, om blijvende aandacht. De Wet versterking regie volkshuisvesting vraagt overheden om hierover regionaal samen te werken en te zorgen voor voldoende passende woningen en een evenwichtige spreiding van deze doelgroepen over Zeeland.
Deeltijdwonen
Deeltijdwonen is het bezit van tweede woningen van mensen die hun hoofdverblijf elders hebben en speelt vooral in de kustgebieden. Een deeltijdwoning heeft altijd betrekking op een reguliere woning met een woonbestemming, maar kan in deeltijd gebruikt worden. De woning is permanent beschikbaar voor gebruik door de eigenaar en wordt niet recreatief verhuurd aan derden. De behoefte aan deeltijdwoningen is moeilijker te voorspellen dan woningen bedoeld voor permanente bewoning. De vraag naar deeltijdwoningen is afhankelijker van de economische ontwikkelingen dan de vraag naar wonen, omdat deeltijdwonen geen primaire levensbehoefte is maar een ‘luxeproduct’.
Deeltijdwoningen hebben wel een belangrijke link met de bestaande woningvoorraad, omdat door aan- of verkoop, de woningvoorraad wordt verkleind c.q. vergroot. Deeltijdwonen is een kans voor regio's waar door daling van het aantal huishoudens leegstand dreigt. Aan de andere kant vormt het een bedreiging voor de ervaren leefbaarheid van permanente bewoners en de betaalbaarheid van woningen. We willen de kansen die 'deeltijdwonen' voor Zeeland graag benutten. De uitdaging is om de nadelen (leefbaarheid, betaalbaarheid) te beperken. Gemeenten kunnen een helder onderscheid maken in het gewenste gebruik via de gemeentelijke gebruiks- of huisvestigingsverordening. Helderheid omtrent gebruiksmogelijkheden biedt de noodzakelijke duidelijkheid voor (toekomstige) eigenaren.
Wonen buiten stedelijk gebied
Op het Zeeuwse platteland wordt de komende jaren een toename verwacht van het aantal agrarische ondernemers dat gaat stoppen door onder andere een gebrek aan opvolging.
Dit leidt ertoe dat in het landelijk gebied veel agrarische bebouwing overbodig raakt en leeg komt te staan. Leegstand heeft nadelige gevolgen voor het aanzicht en gebruik van het buitengebied. De inschatting is dat de komende jaren een grote hoeveelheid vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) ontstaat. Om verstening tegen te gaan is het toevoegen van nieuwe woningen buiten stedelijk gebied niet toegestaan. Het is echter van provinciaal belang dat de kwaliteit van het landelijk gebied versterkt wordt. Vanuit dit provinciaal belang kan verevening, door het onder voorwaarden toevoegen van wooneenheden in het landelijk gebied, worden toegepast, waarbij de kwaliteit van het buitengebied voorop staat. Verevening houdt in dit geval in dat toevoeging van wooneenheden alleen mogelijk wordt gemaakt als er kwaliteit wordt toegevoegd aan het landelijk gebied. Wat mogelijk is, hangt af van de bebouwing en de locatie.
Het toevoegen van woningen in het landelijk gebied (of: buiten stedelijk gebied) is bij de volgende situaties mogelijk gemaakt:
‘Rood-voor-rood’: Het verplaatsen van bestaande bebouwing, zoals bestaande burger- of bedrijfswoningen door het laten vervallen van de woonbestemming in het omgevingsplan en het elders oprichten van een nieuwe woning. Het oprichten van meerdere woningen buiten stedelijk gebied is mogelijk indien het aantal overeenkomt met het aantal woonbestemmingen die elders zijn komen te vervallen. Ook is het mogelijk om monumentale of cultuurhistorisch waardevolle bebouwing te verbouwen tot een of meer woningen om de instandhouding ervan te waarborgen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld boerderijen, gemalen, molens en buitenplaatsen die een rijks- of gemeentelijke monumentenstatus hebben.
‘Ruimte-voor-Ruimte’: Hierbij wordt het mogelijk gemaakt om de sloop van voormalig agrarische bebouwing (VAB) te bekostigen met een bouwrecht voor één of meerdere woningen. Hiermee wordt beoogd verrommeling van het landelijk gebied tegen te gaan. De nieuwe woning(en) mogen worden teruggebouwd op het betreffende bouwvlak, in- of aansluitend aan een bebouwingslint of aansluitend aan stedelijk gebied.
'Woonwagenlocaties’: Voor woonwagenlocaties wordt de mogelijkheid tot uitbreiding geboden, ook buiten bestaand stedelijk gebied, mits de behoefte wordt aangetoond en er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
Bovenstaande regelingen zijn vastgelegd en gedetailleerd uitgewerkt in de Omgevingsverordening.
6.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: De bestaande woningvoorraad is toekomstbestendig: CO2 neutraal en levensloopbestendig.
De grootste opgave van bestaande woningvoorraad ligt in de versterking daarvan. Hoe maken we de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig? De Zeeuwse gemeenten, woningcorporaties en de Provincie werken, met inbreng van particulieren, grondeigenaren, makelaars en projectontwikkelaars aan de uitvoering van een Zeeuwse Woonagenda, waarbinnen gezamenlijk wordt opgetrokken om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. Het gaat daarbij om de verduurzaming en het levensloopgeschikt maken van de woningvoorraad en daarmee samenhangend, het op peil houden van de leefbaarheid in wijken en dorpen. In delen van Zeeland gaat het daarnaast om het onttrekken van woningen die niet toekomstbestendig (te maken) zijn, vaak om ruimte te maken voor passende nieuwbouw. Voor het CO2-neutraal maken staat in de Zeeuwse Regionale energiestrategie als doel voor 2030 een verlaging van 34% van het energieverbruik van particuliere woningen t.o.v. 2017. Voor corporatiewoningen is regionaal geen tussentijds doel afgesproken. Landelijk hebben de corporaties als doelstelling dat al hun huurwoningen CO2-neutraal zijn in 2050. Waar mogelijk wordt circulair gewerkt bij aanpassingen.
Actie 1.1 Stimuleren onderhoud, renovatie en sloop van koop- en huurwoningen
De huidige woningvoorraad van Zeeland staat er in 2050 voor het overgrote deel nog steeds. Onderhoud en renovatie van woningen is belangrijk om de woningvoorraad toekomstbestendig te maken en te houden. Er moet ingespeeld worden op de drie maatschappelijke opgaven: ‘klimaat’ (isoleren, fossielvrije energieopwekking), circulaire economie en ‘demografische transitie’ (levensloopbestendig, geschikt voor nieuwe doelgroepen, flexibeler woonvormen, geschikt om thuis zorg te ontvangen). Dit vraagt om bewustwording, begeleiding en stimulering van woningeigenaren. Hoewel de verantwoordelijkheid voor verduurzaming van de woning bij de huiseigenaren zelf ligt, is het in veel gevallen niet mogelijk om dit zonder ondersteuning te doen. Hiermee zal rekening gehouden moeten worden bij de uitvoering van deze actie.
Het is nodig om aan strategisch voorraadbeheer te doen, in nauwe samenwerking met woningcorporaties en marktpartijen. De focus moet liggen op de bestaande voorraad met oog voor nieuwe of afwijkende woonconcepten (patio, knarrenhofjes, wooncoöperaties), flexibel aanpasbare of verplaatsbare woningen. Lokale of particuliere initiatieven kunnen hierbij een aanjagende rol hebben. Om de verandering van de bevolkingssamenstelling en de energietransitie te accommoderen is in de particuliere sector een hoger sloop- en nieuwbouwtempo nodig, waarbij een koppeling tussen nieuwbouw en sloop wenselijk is. In het kader van het Nationaal Klimaatakkoord heeft elke corporatie een plan vastgesteld voor een CO2-neutraalwoningbezit in 2050. Circulair en biobased bouwen zorgt voor besparing van energie en grondstoffen door hergebruik van materialen. Ontwikkelingen in de inzichten over verduurzaming van woningen worden gevolgd en meegenomen in deze actie.
Rolverdeling:
De provincie
De Zeeuwse regio's
De gemeenten
De woningcorporaties
Het Rijk
Economische Impuls Zeeland stimuleert (duurzaamheid en innovatie marktpartijen)
Particuliere woningeigenaren voeren uit
Het Kadaster, het Centraal Bureau voor de Statistiek en adviesbureaus delen kennis
Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers), Techniek Nederland, Impuls Zeeland en Bouwend Zeeland voeren uit en delen kennis, bijvoorbeeld over hergebruik van materialen (in ontwerp en uitvoering).
De Zeeuwse Zorgcoalitie deelt kennis.
Het Kennis & Innovatienetwerk circulair bouwen deelt kennis.
Actie 1.2 Gebiedsgerichte aanpak
De generieke aanpak voor heel Zeeland van de bestaande woningvoorraad biedt een antwoord op veel problemen. Duidelijk is echter dat sommige gebieden extra aandacht nodig hebben om te kunnen zorgen voor een toekomstbestendige woningvoorraad en goede leefomgeving. Het gaat hierbij om (delen van) binnensteden, wijken of dorpen waar een integrale gebiedsgerichte aanpak nodig is om de woningkwaliteit en de leefbaarheid te verbeteren. Een gebiedsgerichte aanpak vraagt om de gebundelde inzet van instrumenten van verschillende partijen uit meerdere sectoren.
Rolverdeling:
Zeeuwse gemeenten
Zeeuwse woningcorporaties
De provincie
Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers) voeren uit en nemen risico.
Het Rijk denkt mee en stimuleert.
Economische Impuls Zeeland stimuleert het doorvoeren van duurzaamheid en innovatie bij marktpartijen.
Particuliere woningeigenaren
Veiligheidsregio en GGD Zeeland
Subdoel 2: Nieuwbouw is passend bij de huidige en toekomstige behoefte en minimaal 50% circulair: focus op kwaliteit in woningtypen en locaties.
Het gaat om het toevoegen van de juiste woningen aan de voorraad op de juiste plekken, complementair aan de bestaande voorraad. Zo draagt nieuwbouw maximaal bij aan een toekomstige woningvoorraad die in kwaliteit en kwantiteit aansluit bij de vraag. Dit is naast de versnelling van de woningbouw een belangrijk doel van de Woondeal. Ook dit is onderdeel van de bij subdoel 1 al genoemde Zeeuwse Woonagenda.
Actie 2.1 Adaptief programmeren
Adaptief programmeren is nodig om te zorgen dat de nieuwbouw van woningen 100% raak is. Dit betekent nieuwbouw die zo goed mogelijk aansluit bij de gesignaleerde kwantitatieve en kwalitatieve lange termijnbehoefte en die niet alleen inspeelt op de korte termijnvraag. In de Zeeuwse regio’s sluiten de huidige plannen nog niet optimaal aan bij de gesignaleerde behoefte en in enkele gevallen leidt een teveel aan woningen in plannen ertoe dat er niet of nauwelijks meer ruimte is voor nieuwe, kwalitatief gewenste plannen. Dit is ongewenst.
Door de schaal van de Zeeuwse woningmarkten is programmering en afstemming op regioniveau onontbeerlijk. Adaptief programmeren zorgt er voor dat plannen beter aansluiten bij de gesignaleerde behoefte en dat kwalitatief gewenste plannen niet worden geblokkeerd door de bestaande, verouderde plancapaciteit. Afhankelijk van de regio is het doel herprogrammeren en voorzienbaarheid creëren, plannen optimaliseren en flexibiliteit in de programmering inbouwen. Er is een duidelijke samenhang met acties 1.1 en 1.2; door (concrete plannen voor) sloop wordt ruimte voor nieuwbouw gecreëerd. Zo kan het aanpakken van de bestaande voorraad ook bijdragen aan mogelijkheden voor een sterkere nieuwbouwprogrammering. Ontwikkelen van kennis van vraag en aanbod van de woningmarkt, juridische kennis en een goede monitoring zijn hierbij een randvoorwaarde. Deze kennis wordt in gezamenlijkheid ontwikkeld, zodat een gezamenlijke feitenbasis ontstaat.
Rolverdeling:
De provincie
verzamelt, maakt en deelt kennis over de woningmarkt;
maakt ramingen voor de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan woningen, samen met gemeenten en woningcorporaties;
monitort de demografische en volkshuisvestelijke ontwikkelingen en toetst het beleid daaraan;
stelt de gemeentelijke plannen van aanpak vast voor het wegwerken van overtollige plancapaciteit en het creëren van ruimte voor kwalitatief gewenste woningbouwplannen;
ondersteunt gemeenten bij de juridische onderbouwing van de plannen van aanpak;
creëert voorzienbaarheid.
Gemeenten en de woningcorporaties
delen kennis met andere partijen en over monitoring;
monitoren ontwikkelingen voor een optimale beleidssturing;
zijn medeopdrachtgever voor periodieke kwalitatieve behoefteramingen;
stellen plannen van aanpak vast voor het wegwerken van overtollige plancapaciteit en het creëren van ruimte voor kwalitatief gewenste woningbouwplannen;
creëren voorzienbaarheid;
schrappen bestemmingen voor wonen of passen die aan.
Het Rijk ondersteunt gemeenten bij de juridische onderbouwing van hun plannen van aanpak.
Marktpartijen
Actie 2.2 Complementair bouwen van nieuwe woningen
In regioverband maken gemeenten afspraken waar en hoeveel woningen er worden toegevoegd in de regionale woonafspraken. De behoefteraming van de meest recente Provinciale bevolkings- en huishoudenprognose en het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland is daarvoor de basis. Per regio worden afspraken over soorten woningen en woonmilieus gemaakt. Ook hier geldt dat bij ontwerp en bouw moet worden ingespeeld op de drie maatschappelijke opgaven: ‘klimaat’ (isoleren, fossielvrije energieopwekking), circulair bouwen en ‘demografische transitie’ (levensloopbestendig, geschikt voor nieuwe doelgroepen, flexibeler woonvormen, geschikt om thuis zorg te ontvangen).
Om maximale kwaliteit in nieuwbouwplannen te creëren, zetten we extra in op specifieke woningtypen en segmenten die zonder deze aandacht minder goed van de grond komen. Het gaat om segmenten waarvan we zonder ingrijpen oplopende tekorten zien. Hiervoor zijn afspraken gemaakt in de Zeeuwse Woondeal. Primair betekent dit de realisatie van betaalbare woningen en passende woonvormen voor ouderen en andere aandachtsgroepen. Deze actie draagt vanuit dit perspectief ook bij aan subdoel 3: inspelen op de behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt. Parallel werken regio’s en gemeenten zelf aan een woon-zorgvisieregionale woonafspraken en hun volkshuisvestingsprogramma. Vanuit de actielijn Complementair bouwen verkennen we hoe we op Zeeuws niveau hiervoor onderling kennis kunnen delen en waar mogelijk samen kunnen optrekken.
Rolverdeling:
Gemeenten
ontwikkelen woningbouw- en herstructureringsplannen;
stellen een gemeentelijke volkshuisvestingsprogramma op;
begeleiden aannemers/ontwikkelaars, woningcorporaties, particulieren/Collectief Particulier Opdrachtgeverschap en wooncoöperaties bij de realisatie van woningbouwprojecten;
zijn verantwoordelijk voor het functioneren van de regionale versnellingstafel.
De provincie
De woningcorporaties
De Zeeuwse Zorgcoalitie deelt kennis.
Marktpartijen voeren woningbouw- en herstructureringsprojecten uit en maken daarbij zoveel mogelijk gebruik van biobased, herbruikbare en/of demontabele materialen.
Het Kennis- & Innovatienetwerk circulair bouwen deelt kennis.
Subdoel 3: Er wordt ingespeeld op de behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt.
Naast de behoefte aan ‘reguliere woningen’ wordt een behoefte gesignaleerd aan specifieke type woningen zoals verplaatsbare woningen, huisvesting van internationale werknemers en passende woonvormen voor oudere huishoudens, al dan niet met zorgindicatie. Voor ouderen gaat het bijvoorbeeld om nultredenwoningen, geclusterde woningen en zorggeschikte woningen. De behoefte aan specifieke segmenten op de woningmarkt kan worden gestimuleerd via hergebruik van bestaand vastgoed.
Actie 3.1 Hergebruik lege panden voor wonen
Als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen zoals demografische transitie, schaalvergroting en de technologische transitie is de behoefte aan voorzieningen veranderd. Dit heeft gevolgen voor verschillende vastgoedsegmenten: op veel plekken is of dreigt er leegstand in detailhandel, monumentale gebouwen, kerken, scholen en kantoren. Leegstand werkt negatief op de economische aantrekkingskracht en leefbaarheid in binnensteden en kleine kernen. Door middel van transformatie kunnen deze bestaande panden – daar waar passend worden ingezet om invulling te geven aan woonvormen waar behoefte aan is. Transformatie draagt bij aan het versterken van de leefbaarheid en (binnen)stedelijke woonmilieus. Bovendien lossen we hiermee problemen in andere vastgoedsegmenten op en leidt het maximaal benutten van bestaande locaties tot minder onnodig bouwen in het weiland. De markt ziet en pakt echter nog niet alle kansen die bestaande lege panden bieden. Dit vraagt om meer innovatie en creativiteit en onderzoek naar de wijze waarop leegstaand vastgoed optimaal kan worden benut voor de invulling van de woningmarktopgave. Het gaat hierbij niet alleen om kansrijke vastgoedtypes en -locaties maar ook hoe te komen tot een soepel transformatieproces. Een provinciale subsidieregeling hergebruik leegstaande panden wordt ingezet om te komen tot de beste projecten op cruciale plekken.
Rolverdeling:
Actie 3.2: Uitbouw flexibele schil
Er zijn diverse doelgroepen met een specifieke woningbehoefte. Doel van de ambitie is dan ook het gericht inzetten op innovatie om te komen tot nieuwe en flexibele woonvormen. Het gaat om specifieke segmenten (starters, internationale werknemers, horecapersoneel, studenten, et cetera). Vanuit deze actielijn wordt toegewerkt naar een passende flexibele schil in de Zeeuwse gemeenten. Hiervoor is onderzoek uitgevoerd naar de behoefte aan flexwonen en geschikte locaties en zijn er pilots uitgevoerd. De opgedane inzichten vormen de opmaat naar de uitbouw van de flexibele schil van de Zeeuwse woningvoorraad en zijn de basis voor de afspraken over flexwonen in de Zeeuwse Woondeal.
Voor de huisvesting van internationale werknemers is een extra actie opgenomen onder Arbeidsmarkt (actie 1.10). Uitgangspunt daarbij is de juiste oplossing op de juiste plaats. Grootschalige centrale huisvesting kan een goede oplossing zijn, mits van goede kwaliteit en passend op de woonbehoefte van deze groep.
Rolverdeling:
De provincie
De Zeeuwse regio's
Gemeenten
zijn verantwoordelijk voor de aanpak van bestaande woningvoorraad;
voeren de regionale woonafspraken/uitvoeringsagenda uit;
stellen kaders op voor de woningcorporaties en andere initiatiefnemers voor flexwoonprojecten;
stimuleren flexwonen door partijen te verbinden en zelf te participeren;
signaleren kansen voor flexwonen;
zoeken oplossingen voor de begeleiding van kwetsbare doelgroepen die flexwonen.
De woningcorporaties
Het Rijk
Marktpartijen (ontwikkelaars en aannemers)
Sociale partners (Expatcenter Zeeland, werkgevers- en werknemersorganisaties) delen kennis en bevorderen samenwerking op het gebied van welzijn en passende huisvesting van internationale werknemers.
Subdoel 4: Acties die bijdragen aan subdoelen 1 t/m 3
Actie 4.1: Periodiek actualiseren van regionale woonafspraken.
De vijf Zeeuwse regio’ssubregio’s maken regionale woonafspraken met de Provincie Zeeland. De regionale woonafspraken werken door in lokale volkshuisvestingsprogramma's, uitvoeringsprogramma’s en prestatieafspraken met de coöperaties.
Bouwstenen die terugkomen in de regionale woonafspraken zijn:
De ontwikkeling van de kwantitatieve en kwalitatieve woningvraag voor een 10-jaarsperiode met een doorkijk naar de periode daarna. Een horizon voor actuele cijfers van 10 jaar is hierbij het minimum, zeker gezien de planningsperiode en levensduur van woningen. De provinciale prognose en het Kwalitatief Woononderzoek Zeeland zijn hierin richtinggevend. Afwijken hiervan kan mits onderbouwd en bij akkoord binnen de regio en provincie.
Inzicht in de bestaande plancapaciteit met onderscheid naar planologisch harde plannen en zachte plannen. Daarnaast wordt inzicht gegeven in overige potentiële inbreidings- en transformatielocaties binnen het stedelijk gebied van steden en kernen.
Effectenanalyse van de bestaande plancapaciteit in relatie tot de woningvoorraad en uitbreidingsbehoefte. Op regionaal niveau moet duidelijk zijn hoe de 100% match van vraag en aanbod wordt nagestreefd. Bij overprogrammering en/of overschotten in de bestaande voorraad is een aanpak nodig om effecten hiervan te mitigeren. De uitwerking kan lokaal plaatsvinden in Plannen van Aanpak.
Keuzes en aanpak voor kwalitatief complementaire nieuwbouw waarbij de volgende woonsegmenten minimaal terugkomen: sociale huur, middenhuur, betaalbare koop, dure koop/huur, nultredenwoningen, geclusterde woningen en zorggeschikte woningen.
Keuzes en aanpak voor een flexibele schil. Duidelijk moet zijn hoe wordt ingezet op innovatieve en flexibele woonvormen in de betreffende regio.
Een regionaal woningbouwprogramma waarbij de bovenstaande bouwstenen in onderlinge samenhang uitmonden in een aanpak voor strategisch voorraadbeheer: welke plannen worden hard, welke (weer) zacht, en wat is de strategie voor de bestaande voorraad.
Regionale woonafspraken vormen een randvoorwaarde voor het ontwikkelen van nieuwe woningbouwplannen en voor eventuele aanspraak op (financiële) regelingen die worden ontwikkeld in het kader van de Zeeuwse woonagenda.
Regionale woonafspraken worden in ieder geval iederiedere 3 jaar geactualiseerd. Monitoring gebeurt constant door gemeenten en provincie via het Dashboard Ladderruimte de planmonitor wonen en de dashboards demografie en wonen. Aan de hand van ontwikkelingen van het beleid zal worden gekeken of en zo ja hoe herziening van de verordening nodig en nuttig is, om de ambities die in de woonagenda centraal staan beter te borgen.
Rolverdeling:
De provincie
Gemeenten (behalve gemeenten Schouwen-Duiveland en Tholen)
stellen in regionaal verband regionale woonafspraken op en stellen die vast;
geven in regionaal verband uitvoering aan de regionale woningmarktafspraken door onderling af te stemmen over woningmarktbeleid.
betrekken hierbij in regionaal verband woningcorporaties, marktpartijen, zorgpartijen en inwoners.
6.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Benut de ruimte binnen het stedelijk gebied: bekijk nieuwbouwplannen kritisch, maak gebruik van leegstaande/vrijkomende panden, bekijk de mogelijkheden van inbreiding in het stedelijk gebied. Als dit niet kan is uitbreiding wel mogelijk.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Verbeter de samenwerking: maak in regioverband niet alleen afspraken over aantallen woningen, maar ook over soorten woningen, betaalbaarheid en woonmilieus.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
T
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
9.1 Doelstelling 2030
Een robuuste bodem met een goede kwaliteit die zich leent voor verscheidene grondgebruikers en die duurzaam wordt beheerd.
Duurzaam bodemgebruik houdt in dat men de gebruiksmogelijkheden van de bodem voor alle belanghebbende sectoren kan benutten, zonder de bodem dermate aan te tasten of uit te putten dat de bodemkwaliteit achteruit gaat. Voor duurzaam beheer en verbetering van de bodemkwaliteit in de periode tot 2030 zijn met name kringlooplandbouw, energietransitie, milieu, klimaatverandering en regionale identiteit belangrijke ontwikkelingen. Wetgeving bevat regels voor de bescherming van de chemische bodemkwaliteit en vergunningplichten voor milieubelastende activiteiten.
Voor de landbouw moet er de komende jaren ingezet worden op het verbeteren van de bodemstructuur, het organische stof gehalte, bodembiodiversiteit en de algehele mineraalhuishouding in de bodem om de transitie naar kringlooplandbouw voor Zeeland in 2030 waar te maken. Er is nog veel onderzoek nodig naar de juiste manieren voor grondbewerking, mineraalhuishouding en het beheer van de bodem voor verschillende functies. Samen met agrarische (keten)partijen zet de Provincie in op kennisontwikkeling en innovatie op het gebied van duurzaam bodembeheer. Het beleid voor bodem in het landelijke gebied wordt uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied.
Klimaatverandering vraagt eveneens om een verbetering van de bodemstructuur, om de bodem goed bewerkbaar te houden in tijden van langdurige droogte en hevige neerslag. Een betere infiltratie van water in de bodem voorkomt ook uitdroging van de bodem bij langdurige droogte. In de Klimaatadaptatiestrategie Zeeland (zie ook bouwsteen 25 Klimaatadaptatie) wordt de visie op klimaatadaptatie uitgewerkt. Een deel van die bouwsteen is gewijd aan de omgang met bodem in het landelijk en bebouwd gebied.
Voor het behalen van de energiedoelen zullen bodemenergiesystemen meer worden benut, onder andere voor de seizoensgebonden opslag van warmte. Warmteopslag zorgt voor een koelend vermogen in de zomer en warmtelevering in de winter.
Het is belangrijk om de chemische bodemkwaliteit nauwlettend in de gaten te houden, in samenhang met het wettelijk kader. Naast mogelijke verontreinigingen door de industrie, landbouwpraktijken of luchtdeposities, kunnen er ook bij minder zorgvuldige aangelegde of beschadigde warmte/koude opslagsystemen (WKO) milieuvreemde stoffen in de bodem en/of het grondwater komen. Samen met de RUD Zeeland en het Waterschap ziet de Provincie erop toe dat de concentraties van aangetroffen (vloei)stoffen onder de landelijk toegestane normen komen en blijven. De bodem speelt een fundamentele rol als leverancier van ecosysteemdiensten, daarom is het van belang dat er binnen de vele maatschappelijke transities prominent aandacht wordt besteed aan de bodemkwaliteit. De bodem is immers een kwetsbaar geheel waarin veel functies en opgaven samenkomen.
Subdoel 1: Een duurzaam beheerde bodem met een goede fysische, chemische en biologische bodemkwaliteit.
Subdoel 2: Belangrijke aardkundige waarden zijn beschermd.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
9.2 Huidige situatie
De toestand van de bodem
Er is een groeiend bewustzijn dat duurzaam bodembeheer een belangrijke voorwaarde is om diverse vormen van grondgebruik toe te kunnen passen binnen maatschappelijke opgaves. Met name de agrarische sector is erg gevoelig voor de negatieve gevolgen bij een verslechtering van de bodemkwaliteit, maar ook de natuur, aardkundige en archeologische waarden gaan hierdoor achteruit. De bodemstructuur staat onder druk als gevolg van bebouwing, landbewerking, zetting, verslemping, verdichting, erosie, teruglopende biodiversiteit, klimaatverandering en een dreigende afname van het organisch stofgehalte. Dit heeft negatieve effecten voor onder andere het bodemleven, de mineraalhuishouding, de waterinfiltratiecapaciteit en het waterbufferend vermogen van de bodem. Weersextremen als gevolg van klimaatverandering hebben hierdoor extra impact op de omgeving. Door de agrarische sector worden wel meer nieuwe technieken ontwikkeld voor verbetering van de bodemstructuur en –vruchtbaarheid, en er wordt samen met belanghebbende grondgebruikers, zowel in het landelijk als het bebouwd gebied, ook meer ingezet op onderzoek, kennisontwikkeling en monitoring.
De bodemkwaliteit wordt uitgedrukt in 3 parameters:
Bodems met een goede bodemkwaliteit bevatten de volgende elementen:
[Fysisch] Goede bodemstructuur => waterdoorlatend, bewerkbaar, doorworteling
[Chemisch] Goede bodemvruchtbaarheid => mineralen/organische stof
[Chemisch] Geen verontreiniging => geen gevaarlijke (vloei)stoffen
[Biologisch] Rijk bodemleven => graafgangen, mineralisatie, biodiversiteit
Voor de chemische bodemkwaliteit wordt er, naast de mineraalhuishouding voor bodemvruchtbaarheid, ook gekeken naar milieuverontreinigende stoffen in de bodem. In het landelijk gebied kunnen o.a. zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) van de industrie (zoals PFAS, PFOS en GenX, die in de voedselketen terecht kunnen komen), oudere diffuse verontreinigingen (zoals DDT), en uitspoeling van nitraat en pesticiden van de landbouw aangetroffen worden. De ZZS en oudere diffuse verontreinigingen worden inzichtelijk gemaakt middels de gemeentelijke bodemkwaliteitskaarten (BKK’s). In het bebouwd gebied zijn de oudere stads- en dorpskernen veelal vanuit de Middeleeuwen en Gouden Eeuw diffuus verontreinigd met onder andere zware metalen. Ook deze zijn inzichtelijk gemaakt via de gemeentelijke BKK’s. De saneringen van spoedlocaties, de zogenaamde puntbronverontreinigingen, in het landelijk en bebouwd gebied zijn vrijwel afgerond. De resterende niet-spoedlocaties worden door initiatiefnemers aangepakt zodra er ruimtelijke ontwikkelingen gaan spelen op de locatie.
Door de transitie naar gebruik van duurzame energiebronnen zoals warmte/koude-opslag (WKO-systemen), de behoefte aan wateropslag in de bodem en toenemende bebouwing in het stedelijk gebied wordt ook een doelmatige ruimtelijke inrichting van de ondergrond een belangrijk aspect dat meegenomen moet worden bij nieuwe ontwikkelingen, opgaves en transities (3D- of zelfs 4D-ordening).
Naast het nut van de bodem voor grondgebruikers is ook de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van het landschap te herleiden uit de bodem en diepere ondergrond. Gebieden met bijzondere aardkundige waarden zijn daarom op provinciaal, nationaal of internationaal niveau gewaardeerd en beschermd als aardkundig waardevolle gebieden. De pareltjes daarvan worden voor de promotie benoemd tot aardkundig monument. Hoe we daar mee omgaan, vanuit het perspectief van behoud en versterking, staat in de Provinciale Omgevingsverordening. Binnen het initiatief om te komen tot de UNESCO Global Geopark status voor de Schelde Delta staan deze aardkundig waardevolle gebieden, samen met waardevolle landschappen, cultuurhistorie en natuur, centraal op gebied van wetenschap, educatie, toerisme en recreatie.
9.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Een duurzaam beheerde bodem met een goede fysische, chemische en biologische bodemkwaliteit.
Een duurzaam beheerde bodem met een goede bodemkwaliteit speelt een positieve rol voor (kringloop)landbouw, klimaatadaptatie, biodiversiteit, milieu en behoud van aardkundig erfgoed.
Actie 1.1 – Duurzaam beheren van de bodem en verbeteren van de bodemkwaliteit.
Vanuit verschillende doelstellingen kan een bijdrage worden geleverd aan de bodemkwaliteit. Bij de uitvoering van maatregelen moeten de kansen voor verbetering worden benut en risico's voor verslechtering worden aangepakt.
Rolverdeling:
De provincie, Waterschap Scheldestromen en gemeenten stellen in hun omgevingsverordening, waterschapsverordening en omgevingsplan regels en vergunningvoorschriften op, met als doel verontreiniging van bodem en grondwater te voorkomen en duurzaam beheer te verzekeren.
RUD Zeeland houdt toezicht op bodemsaneringen.
Waterschap Scheldestromen beheert de kwaliteit van waterbodems.
Agrarische ondernemers verbeteren de bodemkwaliteit door de bodemstructuur te verbeteren, waterhoudend vermogen te vergroten, de bodembiodiversiteit te stimuleren en koolstof vast te leggen, als onderdeel van de invoering van kringlooplandbouw.
Overheden, kennisinstituten, ketenpartijen en milieuorganisaties steunen agrarisch ondernemers in het verbeteren van de bodemkwaliteit.
Actie 1.2 – Aandacht voor bodemenergiesystemen
In (bebouwd) gebied buiten de grondwaterbeschermingsgebieden is voor doelmatig en duurzaam gebruik van de bodem en ondergrond aandacht nodig voor het onderwerp bodemenergiesystemen. Initiatiefnemers inventariseren bij de betreffende bevoegde gezagen hoe met dit onderwerp wordt omgegaan (wat betreft regelgeving en communicatie) en welke instrumenten het beste ingezet kunnen worden.
Rolverdeling:
De provincie is bevoegd gezag over open bodemenergiesystemen.
Gemeenten
De RUD werkt samen met de bevoegde gezagen voor de vergunningverlening.
Initiatiefnemers zoeken contact met het betreffende bevoegde gezag voor afstemming.
Actie 1.3 - Kennisdeling en –ontwikkeling
Voor effectief beheer, benutten van kansen en vermijden van aantasting van de bodem is goede informatie over de kwaliteit van de bodem nodig. Er wordt veel onderzoek gedaan en informatie verzameld. Het actief delen van kennis en aanvullen van ontbrekende informatie is een voorwaarde voor effectief beleid.
Rolverdeling:
De provincie, Waterschap Scheldestromen en gemeenten stellen voorschriften en regels op over onderzoek voorafgaand aan activiteiten, om verontreiniging van bodem en grondwater te voorkomen. (Zie actie 1.1 bij Watersysteem).
Het Rijk, de provincie, Waterschap Scheldestromen, gemeenten, grondeigenaren en grondgebruikers delen informatie over de toepassing van grond in en op de bodem via het Landelijk Meldpunt Bodemkwaliteit en de bodemkwaliteitskaart.
AWN Vereniging van Vrijwilligers in de Archeologie, terreinbeheerders, onderwijsinstellingen en kennisinstituten (o.a. kennisinstituten die partner zijn van het Geopark Schelde Delta) delen hun kennis over bodem en ondergrond.
De provincie en gemeenten stimuleren onderzoek en pilots over duurzaam bodembeheer in Zeeland en zorgen voor kennisdoorwerking.
Bouwend Nederland denkt mee daar waar bodemkwaliteit en energietransitie elkaar mogelijk bijten.
Subdoel 2: Belangrijke aardkundige waarden zijn beschermd.
Actie 2.1 – Bescherming en beleving van aardkundige kernkwaliteiten.
Concrete acties voor de bescherming van aardkundige waarden worden genoemd bij de bouwstenen Landschap (actie 1.1) en Archeologie (actie 2.2).
9.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Kwetsbaarheid van het bodemsysteem beperkt mogelijkheden voor aanleg van bodemwarmtesystemen.
Verbetering bodemkwaliteit kan goed samengaan met kringlooplandbouw, klimaatadaptatie, toename biodiversiteit en landschapsontwikkeling.
Efficiënt toevoegen van nutriënten aan gewassen of landbouwbodems voorkomt uitspoeling ervan naar het milieu.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Aanpak tegen verdroging van de bodem draagt bij aan behoud van aardkundige en archeologische waarden.
Vanuit klimaatadaptatie grondgebruik en teelten meer aanpassen aan de natuurlijke systemen, draagt bij aan duurzaam bodemgebruik.
Door nauwe samenwerking tussen de provincie, gemeentes, agrarische ketenpartijen, terreinbeherende organisaties en andere belanghebbende partijen, kunnen kosten worden bespaard en nieuwe kennis snel worden gedeeld.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Koppeling van archeologische en aardkundige waarden aan recreatieve producten en aan natuurwaarden.
Gebruik de geologische kennis en aardkundige waarden om het hedendaagse landschap te begrijpen en om te leren hoe om te gaan met een veranderend landschap. Onder de vlag van het Geopark kan hier ook meer wetenschappelijk onderzoek naar gedaan worden.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
U
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
10.1 Doelstelling 2030
De delta is veilig, economisch aantrekkelijk en ecologisch gezond.
In 2030 is helder wat het samenhangende toekomstperspectief is voor Zeeland tot 2100 en verder en hoe we Zeeland daarop kunnen voorbereiden. Via het nationale Kennisprogramma Zeespiegelstijging is duidelijk geworden welke belangrijke keuzemomenten (knikpunten) er bestaan in de verschillende Deltawateren en hoe hiermee omgegaan kan worden. De betekenis voor de verschillende gebruiksfuncties afzonderlijk en in samenhang is duidelijk waardoor beter ingespeeld kan worden op de toekomstige veranderingen.
Per Deltawater is de hoofddoelstelling uitgewerkt in een onderscheidend ontwikkelperspectief.
Subdoel 1 - Het ecologisch systeem, de basis van de Deltawateren, is verbeterd.
Subdoel 2 - Er is een herijkte voorkeurstrategie (toekomstperspectief) voor de Zuidwestelijke Delta.
Subdoel 3 - Er is een onderscheidend ontwikkelperspectief per Deltawater, op basis waarvan ruimtegebruik van de wateren en de randen wordt ingevuld.
Subdoel 4 - De gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta wordt uitgewerkt.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
10.2 Huidige situatie
De Deltawateren zijn nationaal en internationaal bijzonder gewaardeerde gebieden vanwege de natuurwaarden, recreatiemogelijkheden, beroepsvaart en (schelpdier)visserij. Het gebied ligt op het kruispunt van twee internationale natuurcorridors: de oost-westroute in de vismigratie en de noord-zuidroute van de vogeltrek. In de delta werken we op regionaal, nationaal en internationale schaal samen aan een ecologisch gezonde, veilige en economisch aantrekkelijke delta.
Een ecologisch gezond watersysteem vormt de basis voor het gebruik van de Deltawateren. Vanuit (programmatische) kaders zoals PAGW (Programmatische Aanpak Grote Wateren), Natura 2000 en Kaderrichtlijn Water (KRW) wordt structureel gewerkt aan het functioneel herstel en behoud van de ecologische kwaliteit van de Deltawateren.
Voor een veilige delta vormen klimaatverandering en zeespiegelstijging onzekere ontwikkelingen. De gevolgen hiervan verschillen per deelsysteem. Er is nog voldoende tijd om nieuw beleid voor te bereiden voor een onzekere toekomst na 2050 en verder. Met het Kennisprogramma zeespiegelstijging (gestart in 2019) wordt hierop geanticipeerd. De voorkeurstrategie wordt op basis hiervan herijkt. Ook de wettelijke beoordeling van primaire waterkeringen door Rijkswaterstaat en het Waterschap Scheldestromen en uitvoering van het Hoogwaterbeschermingsprogramma zijn van belang voor een veilige delta.
De inzichten vanuit het Kennisprogramma Zeespiegelstijging zijn nodig voordat keuzes gemaakt kunnen worden over eventuele koerswijzingen. Daarbij zullen ook de mogelijke consequenties voor korte termijn besluiten, bijvoorbeeld ten aanzien van Natura2000-beheerplannen, voorwaarden aan buitendijkse bebouwingen of ruimtelijke reserveringen, worden betrokken.
In het verleden kende elk van de afzonderlijke Deltawateren een eigen profiel op basis waarvan het onderscheidende karakter per water kon worden behouden en versterkt en het ruimtegebruik op en langs de randen van de wateren nader werd ingevuld. In de komende jaren willen we op basis hiervan per Deltawater komen tot onderscheidende ontwikkelingsperspectieven, die het uitgangspunt vormen voor het realiseren van (meer) balans in de grote wateren. Hiermee geven we invulling aan een economisch vitale Delta doordat het (ruimte)gebruik (o.a. natuur, visserij, scheepvaart, recreatie, etc.) van wateren en randen wordt bezien vanuit een samenhangend integraal perspectief. Daarmee vormen de ontwikkelingsperspectieven per Deltawater een belangrijke basis om vanuit de eigenheid van het gebied te komen tot een blijvend evenwicht tussen ontwikkeling in gebruik en eventueel noodzakelijke aanpassingen op grond van de (herijkte) voorkeursstrategie.
Voor het opstellen van de ontwikkelperspectieven per Deltawater hanteren we maatwerk. De komende tijd zullen op basis van oorspronkelijke profielen, bestaande en/of lopende gebiedstrajecten de perspectieven worden geformuleerd. Aanvullend zal worden verkend of er per Deltawater aanleiding is om verder te gaan en als provincie(s) een nieuwe gebiedsuitwerking te starten. Op basis van een dergelijk gebiedstraject of –uitwerking kunnen de ontwikkelperspectieven zo nodig worden bijgesteld.
In de ‘natte’ Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 (link) geven Rijk en regio samen en samenhangend invulling aan de centrale doelstelling voor de Zuidwestelijke Delta; een klimaatbestendig veilige, ecologisch veerkrachtige en economisch vitale delta. De Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050 is tot stand gekomen in co-creatie met regionale overheden, bedrijven en andere belanghebbenden. Het uiteindelijke resultaat is een integraal langetermijnperspectief 2050 voor de ontwikkeling van de Zuidwestelijke Delta, een kennis- en innovatieprogramma en een oriënterende uitvoeringsagenda 2030. De agenda is eind 2020 vastgesteld en bevat vijf handelingsperspectieven voor de toekomstige ontwikkeling van de Zuidwestelijke Delta. Het betreft: Sterke en aantrekkelijke kust, Dynamische dijkzones, Vitaal polder- en krekenlandschap, Rijke platen, slikken en schorren, en Gezonde en verbonden zeearmen. Deze handelingsperspectieven worden betrokken bij de verdere uitwerking per deelgebied.
Grevelingenmeer
Het meer kampt nadat het getij wegviel met een toenemende zuurstofloosheid. Dit beperkte zich voorheen tot de diepe delen, maar dit manifesteert zich nu ook in de minder diepe delen en is dus in omvang toegenomen. Dit heeft vooral negatieve gevolgen voor de ecologische kwaliteit (bijvoorbeeld ‘dode’ bodems), de regionale economie (schelpdiersector, recreatie en toerisme) en het woon- en leefmilieu.
Met het project Getij Grevelingen wordt toegewerkt naar een klimaatrobuuste oplossing van deze problematiek. Door de aanleg van een (afsluitbaar) doorlaatmiddel in de Brouwersdam wordt ‘beperkt’ getij, en daarmee zuurstofrijk water teruggebracht op de Grevelingen. Dat biedt ook perspectieven voor een getijdencentrale. Het strategisch ontwikkelplan Grevelingen dat door het bestuurlijk overleg Grevelingen is opgesteld geeft de ambities op hoofdlijnen aan voor recreatie, natuur en visserij en de speerpunten voor het gebied. De komende 10 jaren zal het gebied zich verder ontwikkelen als een toonaangevend natuur- en recreatiegebied waar sprake is van een evenwichtige samenhang tussen natuur en gebruik (recreatie en visserij).
Het opstellen van een omvattende strategische gebiedsvisie kan op termijn nodig blijken te zijn.
Volkerak-Zoommeer
Door de Deltawerken is het Volkerak-Zoommeer (VZM) getransformeerd van een dynamisch zout systeem met getij in een stagnant meer dat is verzoet door de voeding met (uitsluitend nog) water uit het Hollandsch Diep en de Brabantse beken. Daardoor heeft de karakteristieke deltanatuur deels plaatsgemaakt voor soorten en habitats die meer gebaat zijn bij zoete omstandigheden en leven in stilstaand water. Door het wegvallen van het getij en de verzoeting is het meer kwetsbaar geworden voor nutriëntenproblematiek. Met name blauwalgen kunnen in de zomerperiode voor overlast zorgen voor het lokale woon- en leefmilieu, voor recreatie en toerisme en voor de landbouw door innamestops van zoet water uit het VZM. Door de afsluiting van het VZM zijn ook de mogelijkheden voor vismigratie verkleind.
Uit onderzoek naar de klimaatrobuustheid van het huidige zoete Volkerak-Zoommeer blijkt dat er, naar verwachting, de komende decennia (tot 2050) geen noodzaak is om beperkt getij terug te brengen. De huidige zoetwaterfunctie van het Volkerak-Zoommeer kan daarmee worden gecontinueerd. Daarbij moet wel voldaan worden aan randvoorwaarden voor doorspoeldebiet van de Volkeraksluizen van 40 m3m3/s, kweldruk van maximaal 3 kg chlorine en zoutlekbeheersing Krammersluizen na ingebruikname van de zoet-zout scheiding.
Betrokken partijen gaan met elkaar in overleg over hoe invulling kan worden gegeven aan de wens voor niet alleen een veilig, maar ook ecologisch gezond en economisch vitaal Volkerak-Zoommeer.
Met betrekking tot de andere functies van het gebied, natuur, recreatie, scheepvaart en waterbeheer worden geen onoverkomelijke problemen verwacht.
Oosterschelde
De Oosterschelde is een uniek Nationaal Park met veel intergetijdennatuur, grote landschappelijke waarde en activiteiten zoals visserij, schelpdierkweek, beroepsvaart en recreatie. De waarden en het gebruik van de Oosterschelde staan echter onder druk door zandhonger als gevolg van de aanleg van de deltawerken. Het oppervlak van platen, slikken en schorren in de Oosterschelde neemt daardoor af. Deze afname kan in de toekomst nog erger worden door zeespiegelstijging. Ook neemt de druk op ecologie, ruimtegebruik en waterveiligheid in de Oosterschelde toe door temperatuurstijging. In de Oosterscheldevisie 2018-2024 (link) worden deze prangende kwesties beschreven en er is een uitvoeringsprogramma opgesteld met projecten die binnen 6 jaar opgepakt worden.
De huidige voorkeursstrategie voor de Oosterschelde is gericht op een toekomstbestendige optimalisatie van het huidige “afsluitbaar-open” systeem en bestaat uit een aanpak van de waterveiligheidsopgave, die ook bijdraagt aan de aanpak van de erosie van het intergetijdengebied ten gevolge van zandhonger en het economisch gebruik van de Oosterschelde. Bij zeespiegelstijging zal de Oosterscheldekering vaker dicht moeten. Dit heeft consequenties voor natuur, landschap, ruimtegebruik en economie. Daarom is nader onderzoek gedaan naar de verbinding van de klimaat- en zandhongeropgaven met de economische gebruiksfuncties, de ecologie en het landschap van de Oosterschelde (EZZO-onderzoek: Effecten Zeespiegelstijging en Zandhonger Oosterschelde). Nader onderzoek moet uitwijzen of een aanpassing van het sluitregime aanvaardbaar is.
Voor uitvoering van maatregelen in de Oosterschelde is in 2015 in de MIRT Verkenning Aanpak Zandhonger een voorkeursalternatief vastgesteld. Voor de aanpak van de zandhonger zijn eind 2019 suppleties uitgevoerd in de monding van de Oosterschelde en de Roggenplaat. Voor het vervolg van de Aanpak Zandhonger is de realisatie van de suppleties in het middengebied Oosterschelde urgent vanaf circa 2025. Voor financiering van planuitwerking én realisatie wordt een beroep gedaan op middelen uit de Programmatische Aanpak Grote Wateren. De huidige regionale bestuurlijke samenwerking voor de aanpak Zandhonger kan worden benut voor voorbereiding en besluitvorming over uitvoering van de maatregelen.
Door Nationaal park Oosterschelde (NPO) wordt in het kader van de ontwikkeling naar ‘Nationaal Park nieuwe stijl’ een ambitiedocument opgesteld. Hierin wordt met betrokken partijen de ambities en toekomstige uitdagingen voor het NPO gebundeld en in lijn gebracht met gebiedsidentiteit, ecologische, geologische en cultuurhistorische context.
Daarnaast fungeert rond de Oosterschelde, met steun van overheidspartijen, een actieve kennisgemeenschap. Deze activeert de discussie over de toekomst van de Oosterscheldekering.
Veerse Meer
Het Veerse Meer is de eerste zeearm die is afgedamd van de Oosterschelde en van de Noordzee (in 1961), waardoor een meer ontstond met kunstmatig peilbeheer. Het gebied is daarna sterk ontwikkeld als bestemming voor recreatie en watersport. Door de afwatering vanuit landbouwgebieden is de waterkwaliteit verslechterd (sterke toename van voedselrijkdom), met negatieve gevolgen voor de recreatie door stankoverlast en verminderd doorzicht van het water. In 2004 is een doorlaatmiddel in de Zandkreekdam in gebruik genomen voor betere wateruitwisseling tussen de Oosterschelde en het Veerse Meer. Dit heeft voor doorzicht en biodiversiteit tot verbetering geleid, maar het is nog onzeker of deze verbetering zich doorzet. Vanaf 2020 wordt de waterkwaliteit extra gemonitord om ontwikkelingen beter te kunnen volgen.
Het Veerse Meer heeft in de westelijke helft ook te kampen met verminderde zuurstof en heeft als geheel te maken met overlast (vooral voor recreatie) door Japanse oesters, kwallen en wiergroei en - mogelijk voor de landbouw - de zoute kwel aan de randen van het meer. De uitdaging voor een goede balans tussen verschillende functies wordt vooralsnog niet als een probleem ervaren, in ieder geval niet wat de gebruiksfuncties betreft; mogelijk wel qua balans gebruikers vs. natuur.
Rijkswaterstaat voert een zogenaamde ‘knikpuntenanalyse’ uit voor diverse gebruiksfuncties in relatie tot het waterbeheer bij verschillende scenario’s voor de zeespiegelstijging. Naar aanleiding van de Kustvisie is een nieuwe gebiedsvisie Veerse Meer opgesteld. De eerste fase daarvan met omgevingskwaliteiten, richtinggevende principes en overgangsbeleid is inmiddels vastgesteld door de zeven betrokken overheden, in samenspraak met stakeholders (link). In het kaderstellende document waaraan momenteel wordt gewerkt, zal aandacht worden gevraagd voor een toekomstbestendige strategie bij verdere zeespiegelstijging, voor zover reeds mogelijk, gezien de visie gericht is op de periode tot 2030.
Westerschelde
De Westerschelde is een estuariën systeem, dat wordt gekarakteriseerd door een hoge morfologische dynamiek. Er komen zeldzame landschappen en biotopen voor, waaronder het brakwaterschor Verdronken Land van Saeftinghe. De Westerschelde is een zeer drukke vaarweg en heeft verschillende haven- en industriegebieden. Het is een van de drukst bevaren estuaria van de wereld.
Vlaanderen en Nederland werken in de Vlaams-Nederlandse Scheldecommissie (VNSC) samen aan een Agenda voor de Toekomst voor een klimaatrobuuste en duurzame ontwikkeling van het Schelde-estuarium. Het Schelde-estuarium omvat de Vlaamse Zeeschelde en de Nederlandse Westerschelde. De agenda bestaat uit onderzoeksprogramma’s en de ontwikkeling van langetermijnperspectieven voor natuur (LTP-N) en toegankelijkheid (LTP-T). De inzet is dat deze agenda de basis gaat vormen voor toekomstige maatregelen voor het in balans versterken van de natuur, de veiligheid en de toegankelijkheid van het estuarium. Tevens wordt samengewerkt met een groot aantal partners in Zeeland en Vlaanderen in het Grenspark Groot Saeftinghe.
De strategie voor de Westerschelde is gericht op indien nodig (innovatieve) dijkversterkingen in combinatie met optimalisatie van de bagger- en stortstrategie. Een integrale sedimentstrategie op het niveau van het hele estuarium - inclusief het mondings- en kustgebied – is belangrijk voor de ontwikkeling van een klimaatbestendig, veilig, ecologisch veerkrachtig en economisch vitaal Schelde-estuarium.
Vanuit het brede ruimtelijke perspectief in de Kanaalzone spelen er ook ontwikkelingen op de (middel)lange termijn.Vanuit de VNSC is een werkgroep gestart om de gevolgen van de klimaatverandering op het peilbeheer en verzilting te onderzoeken. Verder is het onzeker wat op termijn de gevolgen zijn van mogelijke verzilting. terwijl die aanvoer onder druk staat door de klimaatverandering.Voor de beschikbaarheid van voldoende zoet water is het kanaal afhankelijk van de aanvoer vanuit Vlaanderen,Ingebruikname van de nieuwe sluis zal die ontwikkelingen versterken.Voor het Kanaal van Gent naar Terneuzen spelen op korte termijn een aantal ontwikkelingen die zowel invloed hebben op de waterkwaliteit en het waterpeil van het kanaal als op de scheepvaart. Aan de orde zijn knelpunten voor het behalen van Kaderrichtlijn water (KRW)-normen op chemie (stoffen) en het afgesproken minimum waterpeil.
Voordelta en kust
De Voordelta is het ondiepe gedeelte van de zee voor de Zeeuwse (en Zuid-Hollandse) kust inclusief de stranden en de intergetijdengebieden. De afsluiting van de verschillende wateren is van grote invloed geweest op de morfologie van de Voordelta.
Het gebied heeft een belangrijke natuurfunctie; een kraamkamer voor vis, een broed-, foerageer- en overwinteringsgebied voor vogels en op de droogvallende platen rusten zeehonden. Daarnaast wordt de hele kust intensief gebruikt voor strandrecreatie. Voor de kustzone is in de Zeeuwse Kustvisie vastgelegd hoe we de Zeeuwse Kwaliteitskust beschermen, versterken en waar nodig herstellen.
10.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Het ecologisch systeem, de basis van de Deltawateren, is verbeterd.
Een aquatisch ecosysteem is in balans en draagt bij aan het behoud/herstel van de biodiversiteit, het halen van de Natura 2000 instandhoudingsdoelstellingen en verlaagt de kans op het optreden van ziekten en plagen. Dat wil zeggen: er zijn dan voldoende mogelijkheden voor menselijk medegebruik, alsmede een verbetering van de opbrengsten voor visserij en schelpdierkweek. Ook de recreatie kan er profijt van hebben, door afname van bijvoorbeeld stank door rottend organisch materiaal op de bodem en van giftige blauwalgen.
Actie 1.1 - Uitvoeren bestaande voorkeursstrategie voor de Deltawateren.
Met de voorkeursstrategie Zuidwestelijke Delta geven Rijk en regio samen en samenhangend invulling aan de centrale doelstelling van de Zuidwestelijke Delta: een veilige, economisch aantrekkelijk en ecologisch gezonde delta.
Rolverdeling:
Het Rijk stelt landelijke kaders vast in Nationaal Waterprogramma, Nationaal Deltaprogramma/ Deltabeslissingen en NOVI.
Rijkswaterstaat
beheert de Rijkswateren en waterkeringen;
verleent vergunningen o.g.v. de Waterwet voor het gebruik van waterkeringen;
beheert Deltadammen en Stormvloedkering,
is trekker van de Natura2000 beheerplannen voor de Deltawateren;
voert maatregelen uit om de ecologische en waterkwaliteit te verbeteren;
beheert de hoofdvaarwegen en -infrastructuur.
Waterschap Scheldestromen
De provincie is (mede) verantwoordelijk voor de waterkwaliteit van de regionale wateren, inclusief het effect op land, ruimtelijke ordening en natuur.
Gemeenten maken omgevingsplannen en gebiedsvisies. Hierin worden de regels van het Rijk, de provincie en Waterschap Scheldestromen overgenomen voor het deel van de Deltawateren dat onder hun grondgebied valt.
Het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta zorgt voor afstemming tussen bovengenoemde partijen en voor een samenhangende invulling van de centrale doelstelling.
North Sea Port beheert het havengebied.
Natuurbeheerders (SBB, NM, HZL) beheren delen van de Deltawateren.
Particuliere grondeigenaren dragen bij aan natuurbeheer aan de randen van de Deltawateren.
Subdoel 2: Er is een herijkte voorkeurstrategie (toekomstperspectief) voor de Zuidwestelijke Delta.
Actie 2.1 - Herijken voorkeursstrategie Zuidwestelijke Delta.
Door de verwachte effecten van klimaatverandering en de ontwikkeling van de ecologische kwaliteit van de Deltawateren en is op termijn een nieuwe aanpak nodig. Op basis van de natte Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta 2050, de geactualiseerde strategie van de Zuidwestelijke Delta en het Kennisprogramma Zeespiegelstijging worden onderzoeken, verkenningen en pilots uitgevoerd gericht op integrale lange termijn alternatieven voor het gebied.
In dit kader is het bieden voor experimenteerruimte om nieuwe concepten uit te werken en de bruikbaarheid en haalbaarheid daarvan te onderzoeken van belang.
Rolverdeling:
Het Rijk coördineert het Kennisprogramma Zeespiegelstijging.
De regiopartijen, verenigd in Gebiedsoverleg en de Adviesgroep Zuidwestelijke Delta, werken gezamenlijk aan de Kennisagenda Zuidwestelijke Delta. Dit is mede de regionale inbreng voor het kennisprogramma Zeespiegelstijging.
Actie 2.2 - Stimuleren gezamenlijke kennisontwikkeling.
Onderzoeksinstellingen voeren onderzoek uit dat nodig is voor het herijken van de langetermijnvisie. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de inbreng vanuit de regio.
Rolverdeling:
Het Rijk coördineert het Kennisprogramma Zeespiegelstijging.
De regiopartijen, verenigd in Gebiedsoverleg en de Adviesgroep Zuidwestelijke Delta, werken gezamenlijk aan de Kennisagenda Zuidwestelijke Delta. Dit is mede de regionale inbreng voor het Kennisprogramma Zeespiegelstijging.
Kennisinstellingen voeren op eigen initiatief of op verzoek van regiopartijen nader onderzoek uit en ondersteunen het maken van de vertaalslag van wetenschappelijk onderzoek naar praktijkcases.
Subdoel 3: Er is een onderscheidend ontwikkelperspectief per Deltawater op basis waarvan ruimtegebruik van de wateren en de randen wordt ingevuld.
Actie 3.1. Opstellen ontwikkelperspectief per Deltawater.
Voor ieder Deltawater wordt een onderscheidend ontwikkelperspectief opgesteld. De eigenheid van het Deltawater is daarbij het uitgangspunt voor mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Het ontwikkelperspectief is de basis voor (een betere) balans tussen ecosysteem en gebruik. Bij het opstellen van een ontwikkelperspectief vormen herstel van de biodiversiteit en behoud van omgevingswaarden als stilte, duisternis en landschap randvoorwaarden. Dit ontwikkelingsperspectief kan onderdeel zijn van een gebiedsagenda maar ook los worden uitgewerkt.
Rolverdeling
De provincie stelt in overleg met betrokken partners ontwikkelperspectieven per Deltawater op, op grond waarvan inzet van (provinciaal) ruimtelijk instrumentarium kan worden overwogen.
Subdoel 4: De Gebiedsagenda Zuidwestelijke Delta wordt uitgewerkt.
Actie 4.1. Maken van gebiedsgerichte uitwerkingen, uitvoeren van pilots en living labs en bieden van experimenteerruimte voor de nadere invulling van handelingsperspectieven.
Rolverdeling:
De partijen die deelnemen aan het Gebiedsoverleg Zuidwestelijke Delta (overheden) en de Adviesgroep Zuidwestelijke Delta (gemeenten, maatschappelijke organisaties en belangenverenigingen van diverse sectoren, zoals de natuur-, milieu-, scheepvaart-, recreatie- en de landbouwsector) werken dit gezamenlijk uit.
10.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
De economische gebruiksmogelijkheden voor recreatie, natuur, visserij, schaal- en schelpdiersector van de Deltawateren blijven bestaan of worden ruimer als de ecologische kwaliteit verbetert. Het opstellen van een ontwikkelperspectief per deltawater levert hier een bijdrage aan.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Door de complexe samenhang is voor een goed samenhangend beleid inzet van alle partijen in de Zuidwestelijke Delta nodig.
Keuzes voor herinrichting van de Deltawateren hebben grote gevolgen voor de wateren zelf en een brede zone landinwaarts, daarom zijn die bepalend voor mogelijke functiecombinaties en economische kansen.
Ontwikkelingen in de Deltawateren bieden kansen voor uitbreiding van opwekking van hernieuwbare energie uit wind, zon en water.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
De kust, Deltawateren, waterkeringen en waterstaatswerken zijn belangrijke kernkwaliteiten die ook bij nieuwe ontwikkelingen behouden of versterkt moeten worden.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
De Zuidwestelijke Delta is een samenhangend stelsel van watersystemen en onderdeel van het hoofdwatersysteem zowel nationaal als internationaal.
Aanpassing van de delta aan klimaatverandering levert kennis en ervaring op die wereldwijd van belang kan zijn.
De onzekerheid over toekomstige inrichting van de delta vraagt terughoudendheid met ingrepen en investeringen die kunnen botsen met de lange termijnscenario's.
Huidige natuurwaarden en huidige gebruik van de Deltawateren zullen op termijn door de klimaatverandering voor een deel niet meer aanwezig zijn. Daar komen nieuwe natuurwaarden en mogelijkheden voor in de plaats.
V
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
1.1 Doelstelling 2030
Ons erfgoed is behouden en wordt benut. Daarnaast is het ontsloten, beleefbaar en toegankelijk.
Los van de intrinsieke waarde van bepaalde vormen van erfgoed wordt het belang van cultureel erfgoed voortdurend afgewogen in het kader van de Omgevingswet als veranderingen in de fysieke leefomgeving aan de orde zijn. Onder cultureel erfgoed wordt verstaan: gebouwde en aangelegde monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, (kleine) cultuurhistorische elementen én immaterieel erfgoed.
Subdoel 1 Erfgoed wordt behouden en ontwikkeld, is bereikbaar en toegankelijk
Subdoel 2 Erfgoed wordt meegenomen als uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen
Subdoel 3 Erfgoed wordt optimaal benut voor economische en sociale activiteiten
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
11.2 Huidige situatie
Het Zeeuwse erfgoed is een belangrijk onderdeel van de Zeeuwse identiteit; het geeft een beeld van het verleden, het draagt bij aan de culturele identiteit in het heden en het geeft richting aan (ruimtelijke) ontwikkelingen in de toekomst.
Onder erfgoed verstaan we zowel het materieel erfgoed (roerend en onroerend), als het immaterieel erfgoed (tradities, ambachten,etc.). Ook het Zeeuwse landschap is van cultuurhistorische waarde en er zijn nog vele groene monumenten te vinden in Zeeland, zoals parken, begraafplaatsen, vestingwerken, landgoederen, inlagen en karrevelden. De talrijke monumenten, streekproducten en streekdrachten, dialecten en landschappen, zijn voorbeelden van erfgoed die het niet alleen waard zijn om te behouden en beschermen, maar ook om te ontsluiten aan zowel de inwoners van Zeeland als bezoekers.
Naast de erfgoedinitiatieven door vrijwilligers genereert erfgoed ook inkomsten voor een brede groep Zeeuwen werkzaam in de recreatie- en toerismesector, binnen de horeca, detailhandel en in de bouw. Initiatieven vanuit deze sectoren, waarbij de beleving van erfgoed centraal staat, wordt gestimuleerd en ondersteund.
Materieel erfgoed (roerend en onroerend)
Monumenten zijn beeldbepalende gebouwen in het Zeeuwse landschap zoals kerken, historische schuren, molens, vestingwerken en kunstwerken in de infrastructuur zoals de Zeelandbrug. De provincie heeft een wettelijke taak voor specifiek rijksmonumenten. Eigenaren van rijksmonumenten, zijnde niet woonhuizen, kunnen ieder jaar subsidie aanvragen voor restauratie. De provincie heeft speciale aandacht voor de categorieën agrarisch, religieus en industrieel erfgoed.
Immaterieel erfgoed
Erfgoed maakt aan de ene kant de variatie aan karakter en identiteit van de Zeeuwse regio's zichtbaar, en zijn aan de andere kant de gemene deler van Zeeland. De talrijke erfgoedverenigingen en initiatieven vormen de basis voor het behoud van het immaterieel erfgoed in Zeeland. Zonder hun inzet verdwijnen onze tradities, dialecten en ambachten steeds verder uit het zicht en uit ons geheugen. Daarom zetten we in op ondersteuning van erfgoedvrijwilligers. Dit draagt vervolgens bij aan het versterken van de kwaliteit van leefomgeving, want erfgoedvrijwilligers zetten zich in voor talloze vormen van erfgoed in onze directe omgeving. Denk aan het draaiende houden van de lokale molen, het bevaren en onderhouden van de bruine vloot, de traditionele weervisserij, demonstraties met trekpaarden op onze akkers en het ontvangen van bezoekers bij de dorpskern. Zij zijn van groot belang voor de leefbaarheid, cohesie en beeldkwaliteit van Zeeland.
Landschappelijk en groen erfgoed
We intensiveren de aandacht voor landschappelijk- en groen erfgoed. Naast de inzet op het behoud van gebouwd erfgoed aangewezen als rijksmonument (uitgezonderd woonhuizen), wordt er ook aandacht gegeven aan groene rijksmonumenten zoals parken en begraafplaatsen. Provincie Zeeland betrekt dit aspect bij beleidsvorming en uitvoeringsplannen rond waterhuishouding, bodemkwaliteit en ruimtelijke ordening. Daarnaast zetten we de bestaande landschappelijke waarden van Zeeland in als inspiratiebron voor nieuwe oplossingen en plannen voor het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit. Er wordt integraal samengewerkt met andere beleidsvelden zoals natuurbescherming en -herstel, ruimtelijke ordening, toerisme en recreatie.
11.3 Acties op doelen te realiseren
Subdoel 1: Erfgoed wordt behouden en ontwikkeld, is bereikbaar en toegankelijk.
Actie 1.1 - Duurzaam (her)gebruik en instandhouding/restauratie van erfgoed zoals monumentale en cultuurhistorische waardevolle gebouwen, cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren.
Erfgoed is duurzaam, het heeft immers al een lange levensduur. Het herbestemmen van erfgoed biedt kansen voor actuele maatschappelijke uitdagingen, zoals de woningvoorraad, ruimte voor maatschappelijke functies, energietransitie, circulaire economie. Daarnaast draagt erfgoed bij aan een prettige en aantrekkelijke fysieke leefomgeving, zowel in stedelijke gebieden als op het platteland.
Voor behoud van monumenten is onderhoud en restauratie essentieel. Naast subsidie voor de restauratie van rijksmonumenten, stimuleren we goed onderhoud door eigenaren. Om achteruitgang van onderhoud van rijksmonumenten te ondervangen, pakt de provincie haar verantwoordelijkheid in het interbestuurlijk toezicht. Er wordt een laagdrempelig meldpunt ingericht waar burgers of organisaties verwaarlozing of onrechtmatige aantasting van erfgoed kunnen melden.
Rolverdeling:
De provincie
verleent subsidies voor restauratie;
adviseert eigenaren over subsidiemogelijkheden;
prioriteert de instandhouding en ontwikkeling van agrarisch en religieus erfgoed, agrarisch en industrieel erfgoed;
vervult haar rol voor interbestuurlijk toezicht;
stimuleert herbestemming van monumenten bij leegstand en het wegvallen van de huidige functie.
Gemeenten
Erfgoed Zeeland ondersteunt en adviseert de provincie, gemeenten, erfgoedorganisaties, Waterschap Scheldestromen, marktpartijen en eigenaren.
Terreinbeheerders zijn verantwoordelijk voor het beheer, de instandhouding en de bereikbaarheid van groen en gebouwd erfgoed binnen hun eigen gebieden.
Stichting Landschapsbeheer Zeeland heeft een rol bij beheer en ontwikkeling van het Zeeuwse cultuurlandschap.
Het Rijk
Waterschap Scheldestromen adviseert en verzorgt beheer, instandhouding en bereikbaarheid van het eigen groene en gebouwde erfgoed.
Actie 1.2 - Ontwikkelruimte bieden voor eigenaren van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen in het landelijk gebied.
In samenspraak met andere beleidsdomeinen zoals wonen, toerisme, natuur en landschap wordt gewerkt aan het versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied. Vanuit het erfgoedbeleid denken we mee met eigenaren van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen - zoals boerderijen, kerken en molens - over herbestemming, verduurzaming en nevenactiviteiten die kunnen bijdragen aan het financieren van goed onderhoud.
Rolverdeling:
De provincie stelt financiële middelen beschikbaar voor (het ondersteunen van eigenaren bij) het behoud van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen in het landelijk gebied.
Gemeenten zijn het eerste loket voor eigenaren en adviseren over mogelijkheden voor herbestemming.
Experts uit het erfgoedveld (zoals de Boerderijenstichting en Erfgoed Zeeland) informeren en adviseren via de gemeente eigenaren van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen over mogelijkheden voor herbestemming en subsidiëring.
Actie 1.3 Ontsluiting en daarmee beleving en bewustwording van erfgoed
De belangrijkste doelstelling van deze actie is om de Zeeuwse bevolking en bezoekers op laagdrempelige wijze kennis te laten maken met erfgoed in brede zin. Dit draagt bij aan historisch besef en waardering voor de eigen (fysieke) leefomgeving - zowel bij jongeren als volwassenen. Voor het verkrijgen van restauratiesubsidie wordt de voorwaarde gesteld dat rijksmonumenten na afloop van de restauratie vaker openbaar toegankelijk zijn voor het publiek. Op deze wijze kunnen meer mensen kennismaken met de Zeeuwse rijksmonumenten en groeit het bewustzijn over het belang van restauratie en goed onderhoud.
Ook 'nieuw erfgoed', denk aan monumenten vanaf de Tweede Wereldoorlog zoals wederopbouwboerderijen, geschenkwoningen en post-65 monumenten (monumenten gebouwd tussen 1965 en 1990), brengen we breed onder de aandacht. Dit wordt zowel fysiek als digitaal ontsloten via inventarisaties, de Zeeuwse erfgoedlijnen en communicatiecampagnes. Ook bevorderen we de aandacht voor de doorwerking van de geschiedenis in het heden en de toekomst, door in te zetten op herdenken en vieren. Hiervoor wordt naast tradities en verhalen gebruik gemaakt van elementen in de fysieke leefomgeving zoals bunkers en kunstwerken.
Rolverdeling:
De provincie:
stelt voorwaarden voor openbare toegankelijkheid bij de verlening van restauratiesubsidie;
stimuleert en subsidieert projecten rond 'nieuw erfgoed' om het breed onder de aandacht te brengen;
stimuleert digitalisering van het aanbod en het bereiken van een breed publiek, waaronder ook meer jongeren;
zet zich in voor het vergroten van bewustzijn voor geschiedenis en de relevantie van het verleden bij belangrijke politieke en morele thema's van vandaag de dag.
Experts in het erfgoedveld zoals ondersteuningsorganisaties, musea en erfgoedverenigingen brengen erfgoed breed onder de aandacht door digital en fysieke ontsluiting.
Subdoel 2: Erfgoed wordt meegenomen als uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Actie 2.1 - Erfgoed benutten bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Er komen tal van ruimtelijke ontwikkelingen op Zeeland af, op de korte of lange termijn. Om de kwaliteiten van cultuurhistorisch erfgoed en landschap te behouden, is het zaak deze kwaliteiten vanaf de start van deze ontwikkelingen mee te nemen, te wegen en te benutten. We zetten in op integrale samenwerking tussen de ruimtelijke domeinen, waarbij erfgoed een verrijkende en verbindende rol kan spelen binnen transitieopgaven. Binnen de Zeeuwse integrale gebiedenaanpak zitten we vanuit erfgoed aan tafel om cultuurhistorische waarden te borgen en te versterken binnen ruimtelijke transities. Daarnaast worden via deze weg de inwoners per gebied geactiveerd om na te denken over welke cultuurhistorische aspecten in hun leefomgeving zij van belang vinden om te behouden en te versterken. Hiermee wordt gezorgd dat nieuwe ontwikkelingen in het ruimtelijk domein het cultureel erfgoed zo veel mogelijk versterken.
Rolverdeling:
De provincie:
werkt op integrale wijze aan ruimtelijke ontwikkelingen en transitieopgaven, waarbij erfgoed vanaf de start van plantontwikkeling wordt betrokken.
De gemeenten houden binnen omgevingsplannen rekening met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed.
Het Rijk, de provincie, gemeenten en Waterschap Scheldestromen betrekken vanaf het begin erfgoed bij het maken van ruimtelijke plannen.
Subdoel 3 Erfgoed wordt optimaal benut voor economische en sociale activiteiten
Actie 3.1 - Maatschappelijk belang van erfgoed versterken.
Zeeland is rijk aan zowel materieel als immaterieel erfgoed. De provinciale rol binnen het immaterieel erfgoed, wat draait om tradities, gebruiken, ambachten, streektaal en volkscultuur, wordt verduidelijkt. Binnen het immaterieel erfgoed zijn immers veel lokale verschillen. Op provinciale schaal wordt ingezet op het ondersteunen van vrijwilligers, die de ruggengraat zijn van het levend houden van immaterieel erfgoed. Daarnaast is er aandacht voor nieuwe vormen van immaterieel erfgoed en gaan we de dialoog aan met de Zeeuwse bevolking over wat zij belangrijk vinden om te behouden.
Erfgoed werkt verrijkend voor de sociale cohesie. In januari 2024 ondertekende Nederland het Verdrag van Faro, wat draait om de waarde van cultureel erfgoed voor de samenleving. Dit verdrag zet aan om na te denken over de vragen waarom we erfgoed bewaren, voor wie we het bewaren, hoe zij betrokken zijn en hoe erfgoed ten goede kan komen aan de hele samenleving. We zetten ons in om het Faro-gedachtegoed te integreren in ons erfgoedbeleid en om op participatieve wijze om te gaan met erfgoed. Leidende principes hierin zijn de kernwaarden meedoen, openstaan en verbinden.
Rolverdeling:
De provincie:
Het Rijk, de provincie en de gemeenten geven invulling aan de principes van het Verdrag van Faro;
Vrijwilligers zetten zich in om kennis over erfgoed beschikbaar te stellen en over te dragen via bijvoorbeeld excursies en lezingen.
Ondersteuningsorganisaties zoals Erfgoed Zeeland faciliteert erfgoedorganisaties.
Actie 3.2- Economische potentie van erfgoed benutten.
De talrijke Zeeuwse monumenten, landschappen, tradities en streekgebonden gebruiken, maken Zeeland een aantrekkelijke plek om te bezoeken of om in te vestigen. De verschillende regio's hebben ieder hun eigen cultuurhistorische elementen wat hen onderscheidt van elkaar. Hierdoor heeft het Zeeuwse erfgoed een grote economische potentie waar we op inzetten door nieuwe initiatieven aan te jagen en de mensen die zich hiervoor hard maken, zoals erfgoedvrijwilligers, te ondersteunen.
Rolverdeling:
De provincie stimuleert en faciliteert erfgoedinitiatieven en activiteiten gericht op een breed publiek van zowel binnen als buiten Zeeland;
De provincie ondersteunt Zeeuws immaterieel erfgoed zoals het ringrijden, streektalen en -drachten en ambrachten;
De gemeenten stimuleren lokale en regionale erfgoedinitiatieven, passend bij de desbetreffende streek;
Erfgoedvrijwilligers en -organisaties zetten zich in voor hun specialisme zoals het Zeeuws maritiem erfgoed, trekpaarden, traditionele ambachten en teelten, dialecten enz.
De erfgoedsector zet zich in voor het ontsluiten en toegankelijk maken van erfgoedorganisaties;
Toeristische bedrijven en organisaties verkennen en benutten economische en ontwikkelingsmogelijkheden van erfgoed als toeristisch product.
11.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.45) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Het behoud en hergebruik van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen draagt bij aan een kwalitatieve leefomgeving, zonder extra grond vrij te maken.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Door ruimtelijke opgaven zoals de energietransitie, klimaatverandering en transitie in de landbouw, maar ook door de groei van het toerisme kan het behoud van erfgoed onder druk komen te staan.
Door integraal samen te werken tussen al deze ruimtelijke domeinen, kan erfgoed als kernkwaliteit worden meegewogen bij ruimtelijke ontwikkelingen en daarnaast inspiratie bieden voor nieuwe oplossingen, door goede voorbeelden uit het verleden te benutten.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Het cultureel erfgoed van Zeeland maakt de diversiteit van Zeeland zichtbaar in het landschap en onze directe leefomgeving. Het maakt de verschillen in karakter en identiteit van regio's zichtbaar. Daarnaast is erfgoed een belangrijke kernkwaliteit van Zeeland dat een gemene deler is tussen deze diverse regio’s, één die overal is terug te zien.
Door deze diversiteit over heel Zeeland te versterken en benutten, wordt erfgoed behouden en ontwikkeld en blijft het bijdragen aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat en een trekpleister voor vele bezoekers.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Door erfgoed te behouden en benutten geven we dit stuk geschiedenis van Zeeland door aan de volgende generatie.
Hergebruik van materiaal bij bijvoorbeeld restauraties en herbestemming draag bij aan circulair bouwen.
Cultuur en erfgoed kunnen transities niet alleen duiden, vertalen en verbeelden, maar ook een bijdrage leveren aan het denk- en ontwerpproces vanuit (kunstzinnige) methodieken.
W
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
13.1 Doelstelling 2030
Een karakteristiek en gewaardeerd Zeeuws landschap dat veerkrachtig en aantrekkelijk is en waarin natuur verweven is met andere (economische) functies.
Subdoel 1: Het behoud van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten is geborgd en deze kernkwaliteiten zijn beleefbaar.
Subdoel 2: Er wordt gestuurd op gewenste ontwikkelingen in het Zeeuwse landschap.
Subdoel 3: Er is een uitvoeringsstrategie voor het herstel van het natuurlijk water- en bodemsysteem vanuit een klimaatadaptieve benadering, waterveiligheid en toekomstige zeespiegelstijging.
Subdoel 4: De harde scheiding tussen donkergroene functies en rode functies vervagen, en biodiversiteit en behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarden als autonome opgave meenemen in ontwikkelingen.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
13.2 Huidige situatie
De kernkwaliteiten van Zeeland bestaan uit tal van gebieden met bijzondere natuur- en landschapswaarden. Ook de karakteristieke openheid en doorgaans duisternis van het agrarische landschap draagt bij aan het ervaren van een gevoel van rust, stilte en ruimte. De vele verschillende landschappen en de natuurlijke en cultuurhistorische landschapselementen vertellen het verhaal van het ontstaan van Zeeland oftewel de geschiedenis van Zeeland en haar inwoners. Daarnaast herbergen deze landschappen verschillende natuurwaarden (planten- en diersoorten).
Toekomstperspectief
Om natuurwaarden te behouden en versterken, moeten landschap en natuur als het ware verweven worden met bestaande functies. Deze natuurinclusiviteit draagt bij aan de benodigde veerkracht van het landschap om bijvoorbeeld achteruitgang van biodiversiteit en afname van zoet water te kunnen opvangen.
We zetten in op het ontwikkelen en het beleven van het Zeeuwse landschap. Daarbij beogen we de identiteit, diversiteit en belevingswaarde van landschap, natuur- en cultuurhistorische waarden te behouden en te versterken. Herkenbaarheid, identiteit en regionale diversiteit zijn daarbij belangrijke uitgangspunten. Om die reden wordt ingezet op behoud, versterken en benutten van de meest kenmerkende kwaliteiten en waarden in Zeeland. Het gaat bijvoorbeeld over duinen, monumentale bebouwing, kreekruggen, bijzondere polders, het Landfront Vlissingen (Rijksmonument) en de Staats-Spaanse Linies.
Het beschermen en meer zichtbaar maken van de kenmerkende landschapsstructuren die bijdragen aan de identiteit van en variëteit in onze provincie is een gezamenlijke opgave. De overheid stelt kaders voor de bescherming, het beheer en de ontwikkeling van de samenhangende landschapsstructuur. Daarbinnen is er ruimte voor gebiedsinitiatieven en maatwerk.
Het Zeeuwse landschap wordt met veel transities en opgaven geconfronteerd. Transities die zeker ook hun impact hebben op de manier waarop wij het landschap ervaren. Hoe zorgen we ervoor dat er voor het Zeeuwse landschap van de toekomst ook sprake is van evenwicht tussen gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde? Het landschapsbeleid zet in op het behoud van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten in combinatie met huidige en nieuwe functies waarbinnen biodiversiteit als onderdeel van natuurinclusiviteit een vaste plaats moet krijgen. Ons Zeeuwse Landschap moet voldoende veerkrachtig zijn om onder andere de gevolgen van de klimaatverandering te kunnen opvangen.
In de Handreiking landschap zijn alle kernkwaliteiten van het Zeeuwse landschap beschreven. Hierbij is aangegeven of deze van provinciaal, regionaal of gemeentelijk belang zijn. Deze handreiking biedt een basis voor het bepalen van strategieën over hoe om te gaan met ontwikkelingen in relatie tot onze Zeeuwse landschappelijke waarden.
Vrijkomend Agrarisch vastgoed
In juni 2016 heeft de Rekenkamer Zeeland het onderzoeksrapport Vrijkomende agrarische bebouwing (VAB) uitgebracht. Belangrijkste uitkomst uit dit onderzoek is dat de problematiek in kwantitatieve zin enorm is (van alle vanaf 2000 aanwezige agrarische bebouwing heeft in 2030 ongeveer de helft géén agrarische functie meer.
Waar in de periode 2000-2012 nog 95% van de vrijkomende bedrijven een bebouwingsoppervlak kleiner dan 2000 m2 had, zien we in de periode 2012-2030 een toename in het aantal agrarische bedrijven met meer dan 2000 m2 dat een andere functie zal krijgen. Vrijkomend agrarische bebouwing biedt naast kansen voor nieuwe economische dragers ook kansen voor versterking van landschap als onderdeel van kwaliteitsverbetering van stikstofgevoelige natuur en volhoudbare landbouw waar agroforestry een voorbeeld van is.
Nieuwe economische dragers (NED)
Het is mogelijk om een nevenactiviteit bij een bestaand agrarische bedrijf te beginnen of een vervolgactiviteit op een vrijkomend agrarische bedrijf. In de loop der jaren is het beleid een aantal keer aangepast en versoepeld. Dit betekent dat er meer afwegingsruimte is voor gemeenten.
In het rapport Vrijkomende agrarische bebouwing wordt vooruit geblikt naar 2030. Tussen 2012 en 2030 beëindigen volgens dit rapport ongeveer 1000 agrarische ondernemers hun activiteiten. Tussen 2000 en 2016 waren 217 NED’s gerealiseerd. In diezelfde periode zijn er 1117 bedrijven vrijgekomen, daarvan is ongeveer 36% herbestemd als woning of NED. De meeste NED’s zijn in de kustgemeenten te vinden en dan voornamelijk in de recreatieve sector. De meest gerealiseerde functies zijn ook verblijfs- en dagrecreatie. Ook is er naar de omvang en bouwjaar van de NED’s gekeken. Uit de analyse van de Rekenkamer blijkt dat 67% van de NED’s qua omvang onder de 500 m2 zit. Veel van die NED's zijn in een cultuurhistorische boerderij gevestigd. Vrijwel alle gerealiseerde NED’s zijn kleiner dan 2000 m2. De bebouwing die sinds enkele jaren vrijkomt, stamt voornamelijk uit de tijd van de schaalvergroting, zoals die ongeveer rond 1965 begon. Tot 1993 was het zeer gebruikelijk om met asbest te bouwen. Het probleem bij het vinden van een herbestemming is niet zozeer het aantal agrarische bedrijfsgebouwen dat de komende jaren vrijkomt, want dat blijft vrijwel gelijk aan de huidige hoeveelheid, maar het soort en de grootte van die bebouwing.
Bij het ontwikkelen van een NED dient rekening te worden gehouden met de aanwezige of te ontwikkelen faciliteiten zodat voorkomen wordt dat de NED de waterkwaliteit verslechtert of de veilige doorstroming van verkeer belemmert.
Gezien de veelheid aan NED's die middels verblijfsrecreatieve initiatieven worden ingevuld en de Zeeuws brede ambitie voor een eenduidig Zeeuws kwaliteitsniveau voor verblijfsrecreatieve ontwikkelingen, worden voorwaarden aan deze invulling gesteld m.b.t. zowel ruimtelijke kwaliteit als m.b.t. productinnovatie en -differentiatie en verbinding met de omgeving.
Wonen in cultuurhistorisch waardevolle bebouwing
De provincie heeft een selectie van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen gemaakt om focus aan te brengen. Voor het behoud van deze boerderijen wil de provincie extra inspanningen leveren, onder andere door gemeenten ruimte te geven om een of meerdere wooneenheden in de agrarische opstallen bij het bestaande woonhuis toe te staan.
Ruimte voor Ruimte regeling
De Ruimte voor Ruimte regeling kan in een aantal gevallen een oplossing bieden voor vrijkomende agrarische bebouwing binnen het landelijk gebied. Hiervoor wordt verwezen naar bouwsteen 6. Woningvoorraad.
Stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling
Versterking van de agrarische structuur vormt een belangrijke provinciale doelstelling. Dit wordt onder meer gerealiseerd door de integrale werkwijze van het Kavelruilbureau Zeeland en de aanleg van landbouwroutes. Als gevolg van (verschillende) “rood-voor-groen”-regelingen (waaronder de regeling voor nieuwe landgoederen), bos- en natuurcompensatie, (toekomstige) vergroeningsmaatregelen vanuit GLB, etc. Los hiervan en ook van het realiseren van het Natuurnetwerk Zeeland wordt verspreid door Zeeland regelmatig bos en natuur aangelegd. Bijvoorbeeld nieuwe landgoederen, of als compensatie van bos dat ergens anders is gekapt. Dat gebeurt lang niet altijd op een plek waar dat iets bijdraagt aan natuur of landschap. De provincie heeft in samenwerking met partners een Zeeuwse Bosvisie opgesteld als vertaling van de landelijke bossenstrategie (link). Hierin zijn binnen Zeeland zoekgebieden en uitsluitingsgebieden gedefinieerd die vanuit huidige beleidskaders (gemeentelijk-, provinciaal-, rijks- en waterschap beleid zijn afgeleid. Deze zoekgebieden zijn ruim gedefinieerd en hebben als doel om richting te geven aan ontwikkelingen in relatie tot versterking van landschappelijke houtige elementen die daarbij het best bijdragen aan cultuurhistorische, natuur- en landschapswaarden. Deze zoekgebieden dienen verder nog uitgebreid te worden gericht op specifieke natuurwaarden of behoud van specifieke planten- en diersoorten, ook in relatie tot het mogelijk koppelen aan andere opgaven
Het aanvullend integraal aanwijzen van gebieden waarbinnen voornoemde "groene" ontwikkelingen juist wel tot de gewenste meerwaarde leiden kan een oplossing bieden, dit ook in combinatie met de Zeeuwse Bosvisie. Het gaat dan om gebieden die agrarisch minder intensief worden benut, waar ruimte is voor andere functies zoals natuur, landschap, water, recreatie, etc. en waar de "groene" ontwikkelingen een bijdrage kunnen leveren aan versterking van het Natuurnetwerk Zeeland, het landschap en de recreatieve structuur.
Dit soort stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling biedt naast mogelijkheden tot versterking van het Natuurnetwerk Zeeland en landschap ook kansen voor:
de verbreding van de agrarische bedrijfsvoering (combinaties met andere functies)
“natuurinclusieve” of ecologisch duurzame landbouw (agrarische biodiversiteit)
Multifunctionele zone tussen natuurgebieden en landbouwgebieden, bedoeld om een zachte overgang te creëren. Het doel is om in deze zones te experimenteren met een andere landbouwvorm waarbij er minder meststoffen en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt en via teelt van bepaalde gewassen een transitie plaatsvindt naar een meer volhoudbare landbouw. Een andere optie is het toevoegen van functies voor toerisme door wandel of fietspaden. Dit zal verder worden uitgewerkt in het uitvoeringsagenda landelijk gebied 2021-2030. Een koppeling met de structurele aanpak stikstof is daarnaast ook mogelijk vanwege de kwaliteitsverbetering van de overbelaste natuur. Denk daarbij aan hydrologische maatregelen waar ook de landbouw bij is gebaat. Uitgangspunt hierbij is vrijwilligheid.
zonering van het recreatief gebruik van natuurgebieden (afleiden van recreatiedruk)
natuurrecreatie
combinaties met andere functies zoals (verblijfs)recreatie, wateropgaven, ruimtelijke adaptatie etc.
het realiseren van groene uitloopgebieden rond steden en dorpen. Eventueel in combinatie met het benutten van (gemeentelijke) gronden in het buitengebied die (voorlopig) niet meer ontwikkeld worden tot reguliere woonwijken of bedrijventerreinen (tijdelijke natuur / "pauzelandschappen"). Ook hier zijn weer combinaties van diverse functies mogelijk: (stads)landbouw, recreatie, natuur, water, ruimtelijke adaptatie, educatie, voedselbossen etc. Dit soort groene zones rond steden en dorpen kunnen bijdragen aan de versterking van de biodiversiteit van steden en dorpen.
het maken van verbindingen tussen zorg(instellingen) en nabijgelegen natuurgebieden en/of het aangrenzende platteland. De hier aanwezige (en/of te ontwikkelen) natuur- en landschapswaarden kunnen bijdragen aan de gezondheid van zowel zorgbehoevenden als de overige inwoners van Zeeland.
Aardkundige waarden
De bodem herbergt op diverse plaatsen in de provincie een schat aan aardkundig erfgoed. Deze plaatsen zijn door de Provincie Zeeland aangewezen als aardkundig waardevolle gebieden. Samen vertellen deze gebieden het verhaal van het natuurlijk ontstaan van Zeeland en bepalen mede de identiteit van Zeeland. In de komende jaren worden deze aardkundige waarden onder de aandacht gebracht voor toerisme, educatie, onderwijs en onderzoek. Dit zal voor een belangrijk deel vorm krijgen binnen het kader van het verkrijgen van het UNESCO Global Geopark keurmerk.
13.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Het behoud van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten is geborgd en deze kernkwaliteiten zijn beleefbaar.
Actie 1.1: Beschermen van bestaande landschappelijke, cultuurhistorische en aardkundige kernkwaliteiten.
Wij zetten in op behoud van kwaliteiten als rust, stilte, weidsheid, open horizon en duisternis. Dit vertaalt zich naar heldere kaders. Daarnaast worden de kernkwaliteiten uit de handreiking landschap verder uitgewerkt.
Rolverdeling:
De provincie beschermt de kernkwaliteiten van provinciaal belang via de omgevingsverordening.
Gemeenten beschermen de kernkwaliteiten van regionaal en gemeentelijk belang via hun omgevingsplan.
Actie 1.2: Opstellen van een maatwerkaanpak voor vrijkomend agrarisch vastgoed.
Voor vitaliteit van het platteland en het behoud van het agrarisch erfgoed is het belangrijk dat er zoveel mogelijk passende nieuwe functies voor de leegstaande opstallen worden gevonden dan wel op andere wijze een oplossing wordt gevonden voor vrijgekomen agrarische gebouwen. Omdat de problematiek van vrijkomende agrarische bebouwing niet valt op te lossen met algemeen geldende normen en kaders, wordt een maatwerkbenadering ontwikkeld waarbij er mogelijkheden zijn voor activiteiten die qua aard, schaal, omvang en verkeersaantrekkende werking passen in het landelijk gebied. Zo is speciale aandacht noodzakelijk in relatie tot herbestemming van vrijkomende cultuurhistorisch waardevolle bebouwing.
Rolverdeling:
De provincie stelt gezamenlijk met belanghebbenden een maatwerkaanpak op.
Waterschap Scheldestromen adviseert bij vervolgfuncties.
Gemeenten passen de maatwerkaanpak toe bij vrijkomende agrarische bebouwing.
Actie 1.3: Opzetten monitoringssysteem voor het volgen van de kernkwaliteiten van het Zeeuwse landschap.
In de handreiking landschap zijn de kernkwaliteiten van het Zeeuwse landschap benoemd. Er is nog geen monitoring gekoppeld aan de staat van deze kernkwaliteiten, waardoor niet bekend is in hoeverre het bestaande beleid effectief is.
Rolverdeling:
Actie 1.4: Communiceren en informeren over het landschap en het uitvoeren van onderhoud aan het landschap.
Rolverdeling:
Heemkundige kringen, Archeologische Werkgemeenschap Nederland, Stichting Landschapsbeheer Zeeland en andere experts adviseren over landschapsaspecten.
Actie 1.5: Behoud van cultuurhistorisch waardevolle boerderijen.
Rolverdeling:
De provincie stelt financiële middelen beschikbaar voor het behoud van deze boerderijen.
De Boerderijenstichting Zeeland informeert en adviseert eigenaren over cultuurhistorie en subsidiemogelijkheden.
Gemeenten zijn het eerste loket voor eigenaren en adviseren over mogelijkheden voor herbestemming.
Actie 1.6: Borgen van landschappelijke inpassing
Voor nieuwe ontwikkelingen in het landelijk gebied geldt dat zij aansluiten bij het bestaande karakter van het landschap. Als algemeen uitgangspunt geldt daarom dat een nieuwe ontwikkeling zodanig in het landschap moet worden ingebed dat het een logisch onderdeel is van het landschap. De handreiking landschap uit 2012 en de Zeeuwse Bosvisie biedt hier aanknopingspunten voor. Voor een goede inpassing wordt uitgegaan van een 10 meter brede afschermende groengordel. Wanneer alternatieve maatregelen worden getroffen moet uit de ruimtelijke onderbouwing blijken dat deze leiden tot een goede landschappelijke inpassing. Maatwerk behoort hierdoor tot de mogelijkheden.
Rolverdeling:
Gemeenten leggen middels publiekrechtelijke borging vast hoe de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd. Daarbij wordt aangesloten bij het landschapsecologische en cultuurhistorische karakter van het landschap.
Actie 1.7: Opstellen nieuwe nota grondbeleid
De provinciale Omgevingsvisie is een instrument uit de Omgevingswet. Parallel aan de Omgevingswet zijn vier aanvullingswetten aangenomen. Het gaat om de onderwerpen bodem, geluid, natuur en grondeigendom. In de aanvullingswet Grondeigendom komen de instrumenten en regels uit onder meer de huidige Wet inrichting landelijk gebied. Hierin staat het instrumentarium aangeven inzake wettelijke herverkaveling. De aanvullingswet zorgt ervoor dat het huidige grondinstrumentarium geïncorporeerd wordt in de Omgevingswet. Tijdens het opstellen van de Zeeuwse Omgevingsvisie krijgen de thema’s en opgaven vorm. Daarom worden de voorbereidingen gestart om het provinciaal grondbeleid te actualiseren. Hiervan zal onder andere het vrijwillige instrument kavelruilen (Kavelruilbureau Zeeland) als wettelijke herverkaveling onderdeel uitmaken. Het doel van de actualisatie van de nota is om eigentijds grondbeleid te ontwikkelen dat aansluit op de aanvullingswet en de (toekomstige) thema’s en uitdagingen vanuit de Zeeuwse Omgevingsvisie.
Subdoel 2: Er wordt gestuurd op gewenste ontwikkelingen in het Zeeuwse landschap
Gewenste ontwikkelingen zijn gericht op biodiversiteitsherstel en leiden tot veerkrachtige landschappen. Hierbinnen zijn economie (wonen, werken, recreëren), natuur, bodem en water in balans.
Actie 2.1: Opstellen actuele landschapsvisie met ontwikkelingskader.
Los van de Zeeuwse Bosvisie is er nog geen eenduidig (provinciaal) integraal kader voor landschaps-ecologische ontwikkeling en de genoemde transitie naar een meer natuurinclusieve samenleving waar Zeeland de komende 10 jaar mee te maken krijgt. Bovendien is dit vertaald als een landelijke opgave in de Nationale Omgevingsvisie.
Rolverdeling:
De provincie neemt het initiatief tot het samen met gemeenten en andere betrokken partijen opstellen van het kader voor landschapsontwikkeling binnen de herijking van de Natuurvisie 2017-2022.
Actie 2.2: Aanwijzen stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling
Voor meer samenhang in de manier waarop we met de diverse trends en ontwikkelingen in het landelijk gebied omgaan, zoals de structurele aanpak van stikstof, worden er stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling aangewezen. In deze gebieden streven we naar een optimale veerkracht van het landschap waarbinnen ruimte ontstaat voor natuurlijke processen ten gunste van economie (wonen, werken en recreëren), natuur, bodem en water. Dit sluit aan bij de opgave die het Rijk in zijn advies “Som der Delen” voorstelt om de verduurzamingsopgaven in de regio gebiedsgericht en met ontwerpkracht op te pakken. De verdere invulling en uitwerking van stimuleringsgebieden voor landschapsontwikkeling biedt hier aanknopingspunten voor. De digitale uitvoeringsagenda voor Zeeland zal als uitwisselingsplatform worden gebruikt.
Rolverdeling:
De provincie neemt het initiatief om samen met gemeenten en andere partners, zoals o.a. mede overheden, particuliere grondeigenaren en terreinbeheerders, gebieden te selecteren waar vanuit verschillende urgente opgaven een gebiedsgerichte aanpak nodig is.
Actie 2.3 Stapsgewijs implementeren Landschapsvisie Deltadammen.
Deze visie is gericht op een duurzame ruimtelijke kwaliteit van de Zeeuwse Deltadammen.
Rolverdeling:
Rijkswaterstaat
De provincie en gemeenten implementeren de visie in hun ruimtelijk beleid en beheer.
Beheerders voeren maatregelen uit.
Subdoel 3: Er is een uitvoeringsstrategie voor het herstel van het natuurlijk water- en bodemsysteem vanuit een klimaatadaptieve benadering.
Actie 3.1. Opstellen uitvoeringsstrategie herstel.
Samen met medeoverheden en relevante partners wordt gezocht naar een uitvoeringsstrategie voor het realiseren van herstel van natuurlijke condities uit oogpunt van optimaal landbouwkundig gebruik, landschapsecologisch herstel en het vergroten van de kwaliteit van de natuur zoals stikstofgevoelige Natura2000 natuur. Daarbij staat een klimaatadaptieve benadering centraal. Deze uitvoeringsstrategie zal onderdeel uitmaken van een integraal uitvoeringsprogramma 2021-2030.
Rolverdeling:
Subdoel 4: De harde scheiding tussen donkergroene functies en rode functies vervagen, en biodiversiteit en behoud van landschappelijke en cultuurhistorische waarden als autonome opgave meenemen bij ontwikkelingen.
Actie 4.1. Vormgeven van de landelijke agenda natuurinclusieve samenleving van het Rijk.
Rolverdeling:
Actie 4.2. Stimuleren van een volhoudbare landbouw waar landschapsversterking en biodiversiteit onderdeel van uitmaken.
Dit komt tot uiting door uitwerking van een beloningssysteem gekoppeld aan kritische prestatie-indicatoren.
Zie acties en rolverdeling bij bouwsteen 12 Landbouw.
13.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Het landschap levert tevens een bijdrage aan natuur en biodiversiteitsdoelstellingen. Andersom ‘maakt’ natuur deels het landschap.
Energietransitie (opwekking van duurzame energie) kan enerzijds het landschap versterken, anderzijds kan het aantasten en kost het ook ruimte.
De effecten van klimaatadaptatie zullen zichtbaar worden in het landschap. Er zijn mogelijkheden om zowel het landschap te versterken en ruimte te bieden voor klimaatadaptatie zoals het verhogen van de beschikbaarheid van zoet water en inzet op algeheel systeemherstel.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Bij de aanleg van woningbouw en bedrijventerreinen is er een kans om het landschap te versterken wanneer er een goede inpassing wordt gerealiseerd. De inpassing levert tevens een bijdrage aan de leefbaarheid van deze gebieden door het toevoegen van groen en een uitnodiging tot gezond gedrag.
De recreatie is een ruimtevrager in het landelijk gebied. Versterking van het landschap kan de toeristische en recreatieve waarde van een gebied vergroten.
De landbouw is de grootste ruimtevrager in het landelijk gebied. Eisen die de landbouwsector stelt aan het gebied kunnen negatieve effecten hebben op de kwaliteit van het landschap. Tegelijk is de landbouwsector de grootste landschapsbeheerder in de provincie. Daarom wordt de komende jaren meer ingezet op het realiseren van een volhoudbare landbouw waarbij de verbinding tussen landbouw en biodiversiteit wordt geïntensiveerd.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Het Zeeuwse landschap huisvest diverse landschappelijke elementen van historische en culturele waarde.
Een aantrekkelijk landschap is een sterk punt van Zeeland en is daardoor positief voor de leefbaarheid van onze inwoners en promotie voor gasten van buiten Zeeland.
Behoud van kwaliteit van het landschap is het uitgangspunt bij het ontwikkelen van de verschillende onderdelen van nieuwe energie-infrastructuur. Negatieve (landschappelijke) effecten moeten worden voorkomen. Uitgangspunten hierbij zijn:
goede landschappelijke inpassing van hoogspanningsstations met natuurelementen en het voorkomen van geluids- en lichthinder rondom bewoond gebied.
niet meer dan de twee afgesproken aanlandingen wind op zee in het Sloegebied en geen uitbreiding van bovengrondse hoogspanningsleidingen vanuit Borsele;
energie-infrastructuur zoveel mogelijk bundelen en waar mogelijk aansluiten bij bestaande infrastructuur. Ondergrondse mogelijkheden dienen als eerste benut te worden waarbij rekening gehouden moet worden met zoetwatervoorzieningen.
overleg aan de voorkant met omwonenden, gemeente(n) en provincie om met draagvlak snel tot goede oplossingen te komen in plaats van plannen neerleggen waar alleen formeel op gereageerd kan worden.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
X
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
14.1 Doelstelling 2030
Een schoon en veilig Zeeland: de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving is beschermd en versterkt.
Bij economische groei wordt er naar gestreefd om ook de milieukwaliteit te versterken. Het milieubeleid kan worden gezien als facetbeleid, het kan van elk thema onderdeel zijn. Voor het formuleren van doelen voor 2030 is onderscheid gemaakt in de belangrijkste aspecten (subdoelen) van het milieubeleid.
Subdoel 1: Verminderen en voorkomen bodemverontreiniging.
Subdoel 2: Verbeteren waterkwaliteit door reguleren indirecte lozingen.
Subdoel 3: Permanent verbeteren van de luchtkwaliteit door het streven naar de WHO-norm met als uitgangspunt een verwaarloosbaar risico.
Subdoel 4: Een aanvaardbaar hinderniveau voor geur vasthouden.
Subdoel 5: Beperken van de uitbreiding van geluidsproductie.
Subdoel 6: Het zoveel mogelijk beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen.
Subdoel 7: Beperken van het ontstaan van afval en van het gebruik van primaire grondstoffen (50% circulair).
Subdoel 8: Reguleren van luchtvaartterreinen.
Subdoel 9: Beperken en voorkomen lichtverontreiniging.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
14.2 Huidige situatie
De kwaliteit van de lucht, stilte, water, veiligheid en bodem is in Zeeland redelijk goed, maar voldoet nog niet overal aan de normen en dat wordt ook nog niet overal zo ervaren. Onderstaand wordt op de verschillende aspecten ingegaan.
Bodem
Een nieuwe zorg is de diffuse verspreiding van o.a. zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in de bodem (maar ook in de lucht, het water en in afval) zoals PFAS, PFOS en GenX die inmiddels ook in de voedselketen terecht zijn gekomen. Middels het ZZS programma wordt geïnventariseerd welke stoffen worden toegepast en wordt bezien hoe emissie kan worden beperkt via de vergunningverlening. Met inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de gemeenten het bevoegd gezag in het kader van bodemverontreiniging en -sanering geworden. Op basis van een overgangsregeling zal de provincie voor bepaalde lopende saneringszaken verantwoordelijk blijven.
Water
In geen van de wateren in Zeeland waarvoor doelen zijn vastgesteld in het kader van de Kaderrichtlijn water (KRW) wordt volledig voldaan aan de doelen voor de chemische en ecologische kwaliteit.
Luchtkwaliteit
De luchtkwaliteit in Nederland is de afgelopen decennia sterk verbeterd. Sinds de jaren zeventig wordt in Nederland gemeten hoeveel schadelijke stoffen er in de lucht aanwezig zijn. Onder andere door het treffen van maatregelen zijn gemiddelde concentraties de laatste jaren gedaald. De lucht in Zeeland laat zich typeren als relatief schoon: er is op dit moment geen sprake van overschrijding van milieukwaliteitseisen, met uitzondering van depositie van stikstof in kwetsbare natuurgebieden. Ruimtelijke verschillen zijn uiteraard wel aanwezig.
De huidige milieukwaliteitseisen komen voort uit de Europese richtlijn 2008/50/EG. Op grond van nieuwe inzichten heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) eind 2021 zijn advieswaarden voor een gezonde luchtkwaliteit aangescherpt. Om een perspectief te ontwikkelen voor een gefaseerde aanpak om de luchtkwaliteit te verbeteren in afstemming met de WHO-richtlijn, worden vanuit Europa de luchtkwaliteitsnormen voor 2030 en daarna aangescherpt. Het Europese Parlement heeft in het voorjaar 2024 ingestemd met het voorstel voor de nieuwe Europese richtlijn. Enkel vaststelling in de Raad moet nog plaatsvinden.
Luchtverontreiniging behoort tot de belangrijkste risicofactoren voor de gezondheid. Deelnemers aan het Schone Lucht Akkoord (SLA) streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit in Nederland om gezondheidswinst voor iedereen te realiseren. De gezondheidsimpact van luchtverontreiniging is groot. Ongeveer 3,5% van de totale ziektelast in Nederland is te wijten aan slechte lucht. Gemiddeld leven Nederlanders door luchtverontreiniging 8-14 maanden korter en jaarlijks overlijden 11.000 mensen (vroegtijdig) als gevolg van blootstelling aan luchtverontreiniging (Bron: RIVM en IBO Luchtkwaliteit).
Het gaat in Zeeland met name om de volgende componenten:
Fijn stof
NOx (stikstofoxiden)
NH3 (ammoniak)
SO2 (zwaveldioxide)
VOS (Vluchtige organische stoffen)
In Zeeland zijn verschillende typen emissiebronnen aanwezig. Het gaat met name om verkeer, industrie, landbouw en consumenten. Deze bronnen stoten een grote diversiteit aan luchtverontreinigende stoffen uit.
Vastgesteld kan worden dat verhoogde concentraties van deze stoffen in de buitenlucht optreden bij (drukke) wegen en vaarwegen, industriële regio's en in stedelijke gebieden. Door klimaatverandering en de toename van het aantal tropische dagen met veel zon, neemt het risico op ozon en smogvorming toe.
Geur
In de Kanaalzone en het Sloegebied bevinden zich bedrijven met een geurcontour.
Geluid
Zeeland kenmerkt zich over het algemeen als een rustige, landelijke provincie. Stilte en rust zijn belangrijke kwaliteiten van onze fysieke leefomgeving. Wij koesteren de aangewezen stiltegebieden en rustgebieden als rustplekken voor mens en natuur. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur sturen wij op het behoud van deze stilte en voorkomen van onnodige geluidhinder. Het doel is het garanderen van een omgeving waar natuurlijke geluiden de overhand houden. Gemeenten vertalen deze gebieden naar regels in het omgevingsplan om zo de stilte vast te leggen. Grote industrie is geconcentreerd in de havens in de Kanaalzone en het Sloegebied. Dit zijn gezoneerde industrieterreinen. Uit de rapportage van het actieplan EU Richtlijn omgevingslawaai 2018- 2023 blijkt dat er ruim 1000 inwoners geluidshinder ondervinden van provinciale wegen, waarvan 400 inwoners ernstige geluidshinder ervaren. Er is berekend dat in totaal ongeveer 150 inwoners in hun slaap gestoord worden door geluid afkomstig van provinciale wegen (gebaseerd op Lnight > 50 dB). Om geluidsoverlast door lawaaisporten en gemotoriseerde luchtsporten te beperken, is structureel gebruik uitsluitend toegestaan op bestaande locaties. Nieuwe locaties of uitbreiding van bestaande locaties is alleen mogelijk als door verplaatsing van een bestaande locatie de overlast voor de omgeving vermindert en/of lawaaisporten dan wel gemotoriseerde luchtsporten beter worden geconcentreerd.
Externe veiligheid
Het beleid richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld door de opslag, productie, bewerking van gevaarlijke stoffen en transport van gevaarlijke stoffen per spoor en over de weg (zie ook bouwsteen 21 Transport en infrastructuur). Rond twee bedrijfsterreinen, waarop Seveso- bedrijven (Regels voor Seveso-inrichtingen zijn opgenomen in de Omgevingswet en zijn de Nederlandse uitwerking van een Europese Richtlijn voor bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen: de Seveso-richtlijn) zijn gevestigd, is een veiligheidscontour vastgesteld. Voor het Sloegebied in 2012 en voor het industriegebied DOW, Mosselbanken en Logistiek Park in 2016. Binnen deze veiligheidscontouren kunnen zich bedrijven vestigen met bijvoorbeeld risico’s op brand- en explosiegevaar. Vestiging van deze bedrijven binnen de veiligheidscontour mag niet leiden tot nieuwe saneringssituaties voor externe veiligheid buiten deze veiligheidscontour. Hoewel er momenteel geen saneringssituaties bestaan vanwege externe veiligheidsrisico’s, kan er lokaal wel sprake zijn van een verhoogd groepsrisico (de kans dat een bepaalde hoeveelheid personen komt te overlijden als gevolg van een ongeval bij een bedrijf met gevaarlijke stoffen).
Afval en grondstoffen
Het huidige lineaire economische systeem put uit eindige (fossiele) grondstoffen en creëert afval. De circulaire economie behelst een economisch systeem waarin zoveel mogelijk kringlopen worden gesloten en zo min mogelijk afval wordt geproduceerd en producten gebaseerd op fossiele olie vervangen worden door producten die gemaakt zijn uit hernieuwbare grondstoffen. Een volledig circulair systeem vraagt om een goed functionerende keten van ontwerp, productie, gebruik, inzameling en verwerken van reststromen naar nieuwe inzet van grondstoffen. Deze keten kent vele schakels en is op vele punten nog zwak en niet gesloten. Er zijn nog niet voldoende gesloten kringlopen, er verdwijnen nog veel afvalstoffen/producten al dan niet illegaal naar het buitenland, bijvoorbeeld elektronische apparaten. Ketengericht afvalbeheer en samenwerking tussen marktpartijen in de keten kan leiden tot nieuwe oplossingen en innovaties. Het ultieme doel van recycling is om uit afvalstoffen grondstoffen te maken (grondstoffenrotonde of grondstoffenverbindingen).
Luchtvaart
Vliegveld Midden-Zeeland is als regionaal vliegveld belangrijk voor recreatie, de economie en werkgelegenheid. Hiervoor is een luchthavenbesluit genomen. Dit vliegveld geeft ruimtelijke hoogtebeperkingen als gevolg van aan- en afvliegroutes en beperkingen vanwege geluid en externe veiligheid. Naast dit vliegveld is er nog een aantal helikopterhavens, waarvoor ook een luchthavenbesluit nodig is, en twee zweefvliegvelden (Burgh Haamstede en Axel) die onder een luchthavenregeling vallen.
14.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Verminderen en voorkomen bodemverontreiniging
Actie 1.1: Aanpak van diffuse verspreiding van Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS) door middel van uitvoering programma ZZS en uitvoering geven aan definitief handelingskader voor PFAS en PFOS (voorzien in 2021)
Rolverdeling:
De rijksoverheid voert rijksbeleid uit.
De provincie voert het provinciale beleid uit.
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag het beleid uit.
Actie 1.2: Afronding sanering spoedlocaties en overdracht naar gemeenten.
De provincie is verantwoordelijk voor het afmaken van de laatste saneringen van de spoedlocaties.
Rolverdeling:
De provincie voert de sanering van de laatste spoedlocaties uit.
De provincie draagt de verantwoordelijkheid voor bodem over aan gemeenten bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (warme overdracht).
Subdoel 2: Verbeteren waterkwaliteit door reguleren indirecte lozingen.
Actie 2.1: Reguleren van indirecte lozingen.
De kwaliteit van het oppervlaktewater wordt onder meer bepaald door directe en indirecte lozingen van particulieren en bedrijven, riool overstorten en van de rioolwaterzuiveringen (RWZI). De provincie is bevoegd gezag voor het verlenen van milieu- (of omgevings-)vergunningen voor industriële afvalwaterlozingen en kan daarom alleen indirect invloed uitoefenen op de lozingen die niet rechtstreeks op oppervlaktewater geloosd worden. In deze vergunningen worden eisen gesteld aan de samenstelling van het te lozen afvalwater, waarbij aandacht besteed wordt aan ZZS en PFAS. Namens de Provincie Zeeland zien de omgevingsdiensten toe op naleving van deze eisen, door periodieke controles en analyse van monsters.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving op indirecte lozingen uit.
Subdoel 3: Permanent verbeteren van de luchtkwaliteit door het streven naar de WHO-norm met als uitgangspunt een verwaarloosbaar risico.
Actie 3.1 Reguleren van emissies
Via vergunningverlening, toezicht en handhaving wordt een evenredige bijdrage geleverd aan het halen van de nationale emissiedoelstellingen, de NEC plafonds 2020 en 2030 (met een ijkmoment in 2025). Dit betreft de uitstoot van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx), ammoniak (NH3), vluchtige organische stoffen (VOS) en fijn stof (PM2,5).
Voor bestaande emissies door bedrijven van stoffen die zeer gevaarlijk zijn voor mens, dier en plant (prioritaire stoffen) wordt ingezet op het zo snel mogelijk bereiken van het verwaarloosbaar risiconiveau. De provincie volgt de lijn uit het rijksbeleid voor Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS).
Om de emissie vanuit de sector scheepvaart terug te dringen is er sinds 1 juli 2024 een landelijk verbod op varend ontgassen van benzeen en benzeen houdende stoffen. De Provincie Zeeland zet samen met Rijkswaterstaat en North Sea Port verder in op de verdere verduurzaming van de binnenvaart onder andere door het gebruik van walstroom door binnenvaart en zeevaart. Daarnaast wordt ingezet op elektrificatie van binnenvaart.
Door inzet op het Schone Lucht Akkoord (SLA) zal een verbetering van luchtkwaliteit worden gerealiseerd. Het uitgangspunt is een verwaarloosbaar gezondheidsrisico als gevolg van emissies die de luchtkwaliteit beïnvloeden. Daarbij is het streven om de WHO normen (waar veelal aan wordt voldaan) en een permanente verbetering van de luchtkwaliteit te behalen. Het SLA thema ‘bewustzijn en betrokkenheid’ wordt ingezet om jongeren bekend en bewust te maken van het belang van gezonde lucht. In dat kader worden onderwijsinstellingen en scholieren betrokken bij projecten.
Er kunnen zich situaties voordoen waar een aanvullende gebieds- en probleemgerichte aanpak van toegevoegde waarde is. De provincie betrekt dan de omgeving en partners zoveel mogelijk, om oplossingen te vinden. Een voorbeeld hiervan is het project in de Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone. Daar worden, als onderdeel van een breder programma, extra metingen verricht naar de luchtkwaliteit.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
De provincie en stakeholders voeren de plannen en maatregelen in het kader van het Schone Lucht Akkoord (SLA) uit.
Gemeenten steunen het SLA op onderdelen.
De provincie voert op basis van het SLA, projecten uit met onderwijsinstellingen en jongeren om hen bekend en bewust te maken van het belang van gezonde lucht.
De provincie en partners voeren een gebieds- en probleemgerichte aanpak uit, zoals het project in de Zeeuws Vlaamse Kanaalzone.
De GGD monitort milieuhinder (volwassenenmonitor) en adviseert wanneer er signalen zijn dat de volksgezondheid in het geding is.
Actie 3.2: Nadere uitwerking aanpak verbeteren luchtkwaliteit in milieuprogramma.
Rolverdeling:
Subdoel 4: Een aanvaardbaar hinderniveau voor geur vasthouden.
Actie 4.1: Reguleren van geuremissie.
Voor bedrijven waarvoor de Provincie Zeeland bevoegd gezag is, blijft sprake van een aanvaardbaar hinderniveau.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
Actie 4.2: Nadere uitwerking aanpak geur in milieuprogramma.
Rolverdeling:
Subdoel 5: Beperken van de uitbreiding van geluidsproductie.
Actie 5.1: Reguleren van geluidsproductie.
Door middel van actief zonebeheer en monitoring wordt zorggedragen dat het geluid niet onbeperkt uit kan breiden. Dit laat onverlet dat er hinder op kan treden van met name kortstondige hoge geluidniveaus of tonaal en laag frequent geluid. De Omgevingsdiensten registreren klachten over geluid dat afkomstig is van bedrijven en voeren onderzoek uit naar de bron er. De geluidzones rond industrieterreinen worden op grond van de Omgevingswet vervangen door een systeem met vastgestelde Geluidproductieplafonds (GPP) op vaste punten rond de industrieterreinen. De provincie dient in ieder geval voor 1 januari 2029 rond de huidige (op grond van de Wet geluidhinder) aangewezen regionaal gezoneerde industrieterreinen de eerste GPP’s vast te stellen. Voorgesteld wordt daarom om voorlopig de huidige regionale aanwijzingen te handhaven. In de periode tot 2029 kan bezien worden of en zo ja welke industrieterreinen overgedragen kunnen worden aan de gemeentes. De provincie moet voor haar provinciale wegen GPP’s vaststellen. Het waterschap en gemeentes moeten voor hun respectievelijke wegen basisgeluidemissies vaststellen.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
Waterschap Scheldestromen en gemeenten stellen basisgeluidsemissies vast.
De provincie
De GGD monitort milieuhinder (volwassenenmonitor) en adviseert wanneer er signalen zijn dat de volksgezondheid in het geding is.
Actie 5.2: Nadere uitwerking aanpak beperking van de uitbreiding van geluidsproductie in milieuprogramma.
Rolverdeling:
Subdoel 6: Het zoveel mogelijk beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen.
Actie 6.1: Beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen.
Het provinciale beleid richt zich op het voorkomen van ongevallen door het zoveel mogelijk beperken van risico’s waaraan burgers worden blootgesteld door de opslag, productie, bewerking van gevaarlijke stoffen. In opdracht van de Provincie Zeeland beoordeelt DCMR veiligheidsrapportages, verleent vergunningen en voert inspecties uit bij de Seveso-bedrijven en bedrijven vallend in categorie 4 van de Richtlijn Industriële Emissies (RIE4). Met inwerkingtreding van de Omgevingswet en de modernisering omgevingsveiligheid worden rond Bevi (Besluit externe veiligheid inrichtingen)-en Seveso-bedrijven aandachtsgebieden voor explosie- en brandgevaar en gevaar voor het vrijkomen van gevaarlijke gassen berekend. Deze zogenaamde brand- en explosieaandachtsgebieden moeten in een aantal gevallen door gemeentes als brand- of explosievoorschriftengebied worden opgenomen in hun Omgevingsplan, of op een andere wijze kenbaar worden gemaakt. Voor voorschriftengebieden geldt dat bij nieuwbouw brand- en/of explosiewerende maatregelen moeten worden getroffen. De provincies kunnen instructies opnemen in de omgevingsverordening hoe om te gaan met deze aandachtsgebieden. De grote transities waar Nederland voor staat, zoals de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie kunnen ook nieuwe risico’s voor externe veiligheid opleveren. Hierbij kan men denken aan nieuwe energiedragers als waterstof en accu’s. Ook kunnen als gevolg van klimaatverandering mogelijk gebieden, waar Seveso-bedrijven liggen overstromingsgevoeliger worden.
Rolverdeling:
Actie 6.2: Nadere uitwerking aanpak beperken van risico’s die verbonden zijn aan de opslag, productie en bewerking van gevaarlijke stoffen.
Rolverdeling:
Subdoel 7: Beperken van het ontstaan van afval en van het gebruik van primaire grondstoffen (50% circulair).
Dit subdoel is gerelateerd aan subdoel 2 in bouwsteen Circulaire economie; De helft van de grondstoffen, die in Zeeland worden gebruikt, is hernieuwbaar of al eerder gebruikt’’. Zie ook de acties die onder dat subdoel hangen.
Actie 7.1: Kringlopen worden zoveel mogelijk – regionaal- gesloten waarbij ‘afval’ omgezet wordt in grondstof. Producten gebaseerd op fossiele olie worden vervangen door producten gemaakt uit hernieuwbare grondstoffen.
Een volledig circulair systeem vraagt om een goed functionerende keten van ontwerp, productie, gebruik, inzameling en verwerken van reststromen naar nieuwe inzet van grondstoffen. Deze keten kent vele schakels en is op vele punten nog zwak en niet gesloten. Er zijn nog niet voldoende gesloten kringlopen, er verdwijnen nog veel afvalstoffen/producten al dan niet illegaal naar het buitenland, bijvoorbeeld elektronische apparaten. Ketengericht afvalbeheer en samenwerking tussen marktpartijen in de keten kan leiden tot nieuwe oplossingen en innovaties. Het ultieme doel van recycling is om uit afvalstoffen grondstoffen te maken (grondstoffenrotonde of grondstoffenverbindingen).
Naast een inzet op de reductie van energie- en grondstoffenverbruik is ook met verbindingen tussen bedrijven, om hergebruik van grondstoffen en energie mogelijk te maken, veel winst te behalen. Grote energie- en grondstof intensieve bedrijven in Zeeland, West-Brabant en Oost-Vlaanderen werken samen in het programma Smart Delta Resources (SDR). Provincie Zeeland, Impuls Zeeland en North Sea Port zijn partner. Door het realiseren van industriële symbiose projecten wordt de concurrentiepositie van de bedrijven versterkt en het energie- en grondstoffenverbruik beperkt. Internationale en landelijke wet- en regelgeving omtrent afval belemmert nu het sluiten van lokale (regionale) ketens. Wijziging in wet- en regelgeving is gewenst om de circulaire economie te bevorderen. Zolang het economisch systeem echter nog niet volledig circulair is, zal er een manier van verwerking van de reststromen moeten plaatsvinden. Voor het toepassen van grondstoffen (afvalstromen) geldt de volgende voorkeursvolgorde: preventie, voorbereiding hergebruik (hernieuwbare grondstoffen), recycling, andere nuttige toepassingen en als laatste veilige verwijdering (verbranden, storten of lozen). Bij vergunningverlening moet de provincie rekening houden met het Landelijk Afvalbeheerplan (LAP). Het streven is om het afval dat in de provincie ontstaat ook binnen de provincie te verwerken (cq. hergebruiken/recyclen). Zolang er nog afvalstoffen zijn, waarvoor geen nuttige toepassing is in welke vorm dan ook, kan het nodig blijven om in de komende jaren in het uiterste geval zelfs nog de laatste trede van verwerking van afvalstoffen, het storten van afval, toe te staan. De stortplaats Noord en Midden-Zeeland kan hierin een rol vervullen.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren namens het bevoegd gezag vergunningverlening, toezicht en handhaving uit.
De overheid en bedrijven werken samen (ook onderling) in Smart Delta Resources.
Actie 7.2: Nadere uitwerking van beperken van het ontstaan van afval en gebruik van nieuwe grondstoffen (50% circulair).
Rolverdeling:
Subdoel 8: Reguleren van luchtvaartterreinen.
Actie 8.1: Uitvoeren van het beleid en uitoefenen bevoegdheden.
De provincie streeft naar het beperken en voorkomen van geluidsoverlast en behoud en continuering van bestaande luchtvaartterreinen binnen de voor deze luchthaventerreinen geldende besluiten en/of regelingen. Er worden geen mogelijkheden geboden voor nieuwvestiging van luchthaventerreinen waarvoor een luchthavenbesluit moet worden afgegeven.
Nieuwvestiging van luchthaventerreinen waarvoor een luchthavenregeling moet worden afgegeven is alleen mogelijk indien sprake is van niet-gemotoriseerde luchtsporten of luchthaventerreinen ten behoeve van algemeen belang binnen een gebied waar zich een concentratie voordoet van activiteiten die wat betreft milieu-impact gelijksoortig zijn (bijvoorbeeld geluidszone industrieterrein). Gemotoriseerde luchtsporten zijn in principe alleen toegestaan op bestaande hiervoor bestemde locaties.
Uitbreiden of wijzigen van bestaande luchthaventerreinen is in principe alleen mogelijk als er geen structurele toename is van geluid en/of vergroting van het beperkingengebied tenzij het een concentratiegebied van activiteiten betreft die wat betreft milieu-impact gelijksoortig zijn (bijvoorbeeld geluidszone industrieterrein). Nader afgewogen dient te worden in hoeverre in geval van raakvlakken met ander beleid hiervan kan worden afgeweken. De draaiing van de baan van het vliegveld Midden-Zeeland is hier een concreet voorbeeld van.
In principe is het verboden om buiten een luchthaven op te stijgen of te landen met een luchtvaartuig. Onder voorwaarden kan een ontheffing voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik worden aangevraagd (TUG-ontheffing).
Er dient sprake te zijn van een bepaald soort luchtvaartuig en daarbij dient de aard van de start en landing en de gewenste start- en landingslocatie binnen het hiervoor geldende provinciaal beleid te passen. Verder dient de gewenste start- en landingslocatie aan rechtstreeks werkende wet- en regelgeving te voldoen. Luchtvaartuigen zijn bijvoorbeeld helikopters, paragliders en zweefvliegtuigen.
Rolverdeling:
De provincie neemt luchthavenbesluiten en stelt luchthavenregelingen op.
RUD Zeeland voert namens de provincie taken uit op gebied van luchtvaart en verleent TUG ontheffingen.
Subdoel 9: Beperken en voorkomen lichtverontreiniging
Duisternis is een kernkwaliteit van Zeeland en er zijn Duisternisgebieden aangewezen. Deze gebieden vallen veelal samen met de Natura 2000-gebieden en stiltegebieden. In de aangewezen gebieden wordt gemeenten verzocht hiermee rekening te houden. Rond de grotere industrieterreinen en de steden is echter sprake van een bepaalde mate van lichtverontreiniging.
De Provincie Zeeland neemt maatregelen om de lichthinder (en het energiegebruik) door openbare verlichting langs provinciale wegen te verminderen. Daarbij wordt rekening gehouden met de sociale en verkeersveiligheid. In vergunningen voor bedrijven en instellingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is, worden zo nodig voorschriften opgenomen voor de lichtuitstoot, bijvoorbeeld via een verlichtingsplan.
Actie 9.1. Bij het verlenen van vergunningen op grond van de Omgevingswet letten wij nadrukkelijk op het voorkomen en beperken van lichthinder.
De provincie ziet bij grootschalige lichttoepassingen bij bedrijven toe of de beste beschikbare technieken om lichthinder te voorkomen worden toegepast.
Rolverdeling:
De omgevingsdiensten voeren vergunningverlening, toezicht en handhaving uit voor de provincie en gemeenten.
14.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Vanuit zuinig ruimtegebruik is functiecombinatie wenselijk, maar vanuit milieuperspectief is het soms wenselijk om functies juist te scheiden om overlast of nadelige effecten van functies te beperken. Daarin moet een balans gevonden worden.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Milieubeleid is facetbeleid en maakt in feite een integraal en vast onderdeel uit van alle andere onderwerpen. De meest sterke relatie is er met bodem en archeologie (Zeer Zorgwekkende stoffen), circulaire economie (grondstoffen/afval), Transport en infrastructuur, (Geluid, lucht, luchtvaart), straling, water (ZZS), arbeidsmarkt en economie (bedrijven), natuur en biodiversiteit (stilte/licht/stikstof), gezondheid (alle thema’s), landbouw (stikstof, geur, bestrijdingsmiddelen) en wonen (lucht, geluid).
Een dilemma is de relatie tussen economie en milieu, waarbij het van belang is om milieu niet alleen grote aandacht te geven bij economische voorspoed, maar milieu als vanzelfsprekend onderdeel van economie te zien. Vooral niet zichtbare milieuproblemen kunnen op termijn voor problemen zorgen, denk aan de luchtkwaliteit, CO2-uitstoot en nu de stikstof en PFAS problematiek. Het is goed om aan de voorkant meer rekening te houden met milieu, te kiezen voor oplossingen die meerdere doelen dienen en koppelkansen te benutten.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Y
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
15.1 Doelstelling 2030
De Zeeuwse biodiversiteit ontwikkelt zich positief. Specifiek wordt daarbij ingezet op het bereiken van een 70% doelbereik van stikstofgevoelige binnendijkse Natura 2000-gebieden.
De Zeeuwse natuur kenmerkt zich in 2030 door een kwalitatief robuust netwerk van grote en kleine natuurlijke eenheden met verschillende leefgebieden die onderling met elkaar verbonden zijn. Deze Zeeuwse natuur kan tegen een stootje en heeft voldoende veerkracht om bijvoorbeeld klimatologische veranderingen en andere verstoringen op te kunnen vangen. Ruimtelijk is daarbij geen sprake meer van harde, zichtbare grenzen tussen de natuur die gerealiseerd is binnen het begrensde Natuurnetwerk Zeeland en de daaromheen liggende functies. Het is een beeld van geleidelijke overgangen hiertussen. Deze als het ware van donkergroene naar een lichtgroene verbinding tussen natuur en economie wordt gekenmerkt door de van nature aanwezige Zeeuwse natuurwaarden die verweven zijn met andere belangrijke gewenste functies binnen Zeeland zoals landbouw en recreatie. Deze natuurinclusieve benadering is onlosmakelijk verbonden met behoud en versterking van ons Zeeuwse cultuurlandschap, de transitie naar een volwaardige volhoudbare landbouw binnen Zeeland en een verbetering van de water- en bodemkwaliteit.
De onderstaande 3 hoofdambities, zoals deze met het Rijk zijn afgesproken, blijven daarbij onverminderd overeind:
1. verbeteren van de biodiversiteit
2. versterken van de maatschappelijke betrokkenheid bij natuur
3. versterken van de verbinding tussen natuur en economie
De provinciale Natuurvisie 2017-2022 geeft daar onder andere invulling aan.
Subdoel 1 Herstel biodiversiteit: de doelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie 2021-2030 zijn gehaald
Subdoel 2 Natuurbescherming: de natuurgebieden in Zeeland worden adequaat beschermd
Subdoel 3 Natuurbeheer: er is inzicht in de kwaliteit van alle ecosysteemtypen in Zeeland en het ecologisch beheer buiten natuurgebieden is verbreed
Subdoel 4 Natuurherstel: 70% doelrealisatie in Natura 2000-gebieden
Subdoel 5 Natuurontwikkeling: het natuurnetwerk Zeeland is afgerond
Subdoel 6 Natuurverbreding: er is een grotere maatschappelijke betrokkenheid bij natuur. Natuur en andere functies zijn meer verweven
Subdoel 7 Natuurbeleving: 90% van de natuurgebieden is toegankelijk en beleefbaar, het wandelnetwerk blijft van waarde en het oosten van Zeeland heeft een internationaal UNESCO-Geopark keurmerk .
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
15.2 Huidige situatie
Herstel biodiversiteit
Ondanks een forse inspanning die is gericht op herstel van de natuur is een afname van biodiversiteit geconstateerd in Nederland. Het verlies aan biodiversiteit in Nederland en zo ook de Zeeuwse biodiversiteit, is zelfs aanzienlijk groter dan elders in Europa en de wereld. In Nederland gaat het daarbij vooral om de biodiversiteit van duinen, de zandgebieden, binnen het agrarisch gebied en binnen het stedelijk gebied. Van de overige leefgebieden zijn de trends de afgelopen 10 jaar een verminderde afname of is zelfs sprake van een stabiele situatie. Dit na een decennialange afname.
Voor Zeeland kan worden geconcludeerd dat vooral een aantal algemene(re) soorten van goed onderzochte soortgroepen het goed doen. Onder andere bosvogels vertonen een herstel. Na verder inzoomen blijkt echter dat niet geconcludeerd kan worden dat het goed gaat met de biodiversiteit in Zeeland (Natuurrapportage Zeeland, 2019). Van grootschalig en duurzaam herstel is dus nog steeds geen sprake. De voornaamste oorzaak van biodiversiteitsverlies in de duinen is de hoge stikstofdepositie en verder spelen verdroging, verminderde dynamiek en een te klein oppervlak leefgebied een rol (relatie met verstoring door met name recreatie).
Natuurbescherming
Natura 2000 (N2000)
Natura 2000-gebieden hebben een extra beschermde status voor de habitattypen (leefgebieden) en planten- of diersoorten die in deze gebieden voor komen. Het belangrijkste rechtsgevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied is dat een vergunningplicht geldt voor alle activiteiten die mogelijk nadelige gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. De provincie is in het algemeen het bevoegde gezag voor verlenen van deze vergunningen.
Voor elk Natura 2000-gebied moet binnen drie jaar na aanwijzing een beheerplan worden opgesteld. Hierin staat wat er moet gebeuren om de natuurdoelen voor dat gebied te halen en wie dat gaat doen. Ook wordt hierin aangegeven welke activiteiten zonder vergunning in een gebied mogen plaats vinden.
De doelen voor veel Natura 2000-soorten en -leefgebieden worden nog niet gehaald. Met name de staat van instandhouding van soorten en leefgebieden van buitendijkse gebieden en delen van de duinen zijn matig tot zeer ongunstig. De oorzaken zijn vooral stikstofdepositie, verstoring, tekort aan leefgebied, verdroging, verzuring en versnippering. Daarnaast is sprake van een eerste set aan maatregelen die worden uitgevoerd voor het behalen van doelstellingen zoals deze zijn opgenomen in beheerplannen Natura 2000.
een visie over de wijze waarop de Europese doelen gehaald kunnen worden;
een inventarisatie van de huidige natuurkwaliteiten van het gebied;
een omschrijving van de activiteiten die in en rond het gebied mogelijk zijn en of daar al dan niet een vergunning voor nodig is;
de hoofdlijnen van de handhaving.
De beheerplannen bevatten onder andere de volgende elementen:
Momenteel zijn er voor vijf van de zeven Natura 2000-gebieden op land door de provincie vastgestelde beheerplannen Natura 2000. Voor het opstellen van de overige elf Natura 2000-gebieden (grote wateren) die (deels) in Zeeland liggen is het Rijk het bevoegde gezag. Voor negen van die elf gebieden is er een vastgesteld beheerplan.
Daarnaast is in de Beleidsnota Natuurwetgeving duisternis als kernkwaliteit vastgesteld voor (delen van) sommige Natura 2000-gebieden. De waarde van duisternis voor deze natuurgebieden wordt daardoor beschermd.
Natuurnetwerk Zeeland (NNZ)
Het NNZ wordt beheerd door de terreinbeherende organisaties en beschermd via de provinciale omgevingsverordening en het gemeentelijke beleid. Alle NNZ-gebieden met de status bestaande natuur dienen een passende bestemming in gemeentelijke omgevingsplannen te hebben. Bij een aantal kleine gebieden of delen van natuurgebieden is dit nog niet het geval.
Soorten
De van nature in het wild levende dieren en planten worden rechtstreeks beschermd via de Omgevingswet. Voor activiteiten met mogelijke gevolgen voor deze dieren of planten geldt een vergunningplicht. De provincie is in het algemeen het bevoegde gezag voor verlenen van deze vergunningen. Daarnaast zet de provincie actief in op (proactieve) soortenbescherming. Het soortenbeleid is verder uitgewerkt in de Beleidsnota Natuurwetgeving.
Houtopstanden
In de Omgevingswet is vastgelegd dat wanneer kap van een houtopstand zoals een (deel van een) bos of rijbeplanting nodig of gewenst is, dit van tevoren gemeld moet worden bij de provincie. Binnen drie jaar na de kap moet eenzelfde oppervlakte worden herbeplant. Welke regels en voorwaarden daarvoor gelden staat in de Beleidsnota Natuurwetgeving. Zo blijft het areaal aan houtopstanden behouden.
Onderwater flora en fauna
De onderwater flora en fauna in Zeeland, met name die in de Delta, is uitgestrekt en niet alleen van belang uit het oogpunt van natuur maar zeker ook vanuit een recreatief oogpunt. Steeds meer watersporters weten de Delta als aantrekkelijk onderwatersportgebied te vinden. Deze toenemende belangstelling leidt helaas ook tot het ‘oogsten’ van met name commercieel interessante schaal- en schelpdieren, zoals kreeften en oesters, maar ook andere soorten, zoals anemonen voor aquaria.
De onderwater flora en fauna wordt slechts voor een beperkt deel wettelijk beschermd. De provincie wil de karakteristieke onderwater flora en fauna bescherming bieden.
Handhaving
Handhaving van de natuurbescherming is door de provincie via een overeenkomst belegd bij RUD Zeeland. De RUD heeft een regisseursrol voor de groene handhaving, waarbij een convenant is gesloten met terreinbeheerders, politie en de voedsel- en warenautoriteit. Ook wordt samengewerkt met de provincies Zuid-Holland en Noord-Brabant.
Natuurbeheer
Beheer van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ)
Gecertificeerde natuurterreinbeheerders ontvangen subsidie voor het beheer van natuurgebieden binnen het NNZ. Bijna 38.000 ha van het NNZ is in beheer. Daarvan wordt 17.636 ha beheerd via het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) en 20.096 ha zonder subsidie. In het laatste geval gaat het om vooral om natuurgebieden in eigendom van overheden. De kwaliteit van het met subsidie beheerde deel van het NNZ is bekend voor de ecosysteemtypen bos, grasland, open duin en moeras. De aantallen kwalificerende soorten voor bos, open duin en moeras zijn in Zeeland laag vergeleken bij het Nederlandse gemiddelde. Zeeuwse graslanden scoren goed. De milieucondities van de vier ecosysteemtypen zijn stabiel, maar van verbetering is nog geen sprake. Alleen is (net als in de rest van Nederland) bij bos verdroging een toenemend probleem en bij open duin zijn dat verzuring en vermesting. Voor de soorten van open duin en grasland zijn veel gebieden groot genoeg en goed verbonden. In Zeeland zijn voor veel soorten de leefgebieden bos en moeras te klein of te versnipperd voor goede ruimtelijke condities. Via de Staat van Zeeland zijn de negatieve ervaringen van Zeeuwen met natuur onderzocht. Er is geen verschil tussen omwonenden en niet-omwonenden van natuurgebieden in het ervaren van disteloverlast. Wel is er een verband aangetoond tussen de aanwezigheid van natuurgebieden en overlast van damherten en teken. Inwoners van gebieden met een sterk agrarisch karakter ervaren gemiddeld genomen meer overlast van Jacobskruiskruid, distels, vossen, ganzen en kraaien of kauwen.
Agrarisch natuurbeheer
Zo’n 350 agrariërs voeren actief agrarisch natuurbeheer uit dat wordt gesubsidieerd via het Agrarisch Natuur en Landschapsbeheer (ANLb). Ze doen dit binnen Poldernatuur Zeeland, waarbij negen Agrarische Natuurverenigingen (ANV’s) zijn aangesloten, vlakdekkend over Zeeland. Hierbij wordt op gebiedsniveau gestreefd, binnen beschikbaar budget, naar maximale ecologie èn draagvlak onder agrariërs. Het gaat dan om het beheer van in totaal 1.272 ha, verdeeld over de vier leefgebieden van het agrarisch natuurbeheer: 55 ha open grasland, 547 ha open akker, 670 ha droge dooradering en 0 ha natte dooradering. De stand van vogels van de leefgebieden open grasland en open akker wordt sinds 2006 gemonitord. Mede dankzijde inspanningen van de agrarische deelnemers binnen het ANLb lijkt voor een aantal akkervogelsoorten als patrijs en graspieper de dalende lijn te stagneren en er zijn tekenen voor een begin van herstel van akkervogelsoorten als de veldleeuwerik en de gele kwikstaart (vanuit de Beleidsmonitoring – SOVON). Het randenbeheer is inmiddels aangepast aan de strikte eisen van patrijs en veldleeuwerik. Het nieuwe beheerstelsel loopt nu een aantal jaren. Het draagvlak onder de agrariërs voor het nieuwe stelsel is de laatste jaren gegroeid en er wordt meer samengewerkt met gebiedspartners als waterschap en terreinbeherende organisaties, wat de integraliteit van het agrarisch natuurbeheer ten goede komt.
Ecologisch berm- en dijkbeheer
Verspreid door het landelijk gebied ligt een enorm netwerk aan wegen en (binnen)dijken dat in potentie een positieve bijdrage kan leveren aan de biodiversiteit en de verbinding van leefgebieden van soorten. Een klein deel wordt ecologisch beheerd en hierin valt nog een hele slag te maken.
Ontsnippering
Sommige (vaar)wegen kunnen een ecologische barrière vormen in de verbinding van natuurgebieden of in natuurgebieden zelf. Bij alles wat nu nog wordt gepland of aangelegd/gereconstrueerd wordt ontsnippering meegenomen in de ontwerpen.
Faunabeheer
Het kan voor het beheer van de fauna in Zeeland nodig zijn uitzonderingen te maken op de wettelijke bescherming van soorten (zie onder Natuurbescherming). Provinciale faunabeheereenheden spelen in het faunabeleid een essentiële rol, omdat zij zorgen voor een maatschappelijke en gebiedsgerichte inbedding van het faunabeheer. Daarnaast zijn faunabeheereenheden verantwoordelijk voor het opstellen van faunabeheerplannen, die door Gedeputeerde Staten moeten worden goedgekeurd. De wildbeheereenheden voeren het faunabeheer en de faunabeheerplannen uit. Provinciale Staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan de faunabeheereenheid, de wildbeheereenheden en de door de faunabeheereenheid vastgestelde faunabeheerplannen moeten voldoen.
Het aantal ganzen (zowel broedvogels als overwinteraars) is de afgelopen decennia fors toegenomen. Met de toename van het aantal ganzen is ook de schade aan landbouwgewassen en natuur toegenomen. De Provincie Zeeland heeft als doel ganzenpopulaties in Zeeland duurzaam in stand te houden op een niveau waarbij een goed evenwicht wordt gevonden tussen de omvang van de van nature voorkomende populaties en de risico’s die daarmee samenhangen.
De nadruk ligt op het beperken van landbouwschade. Bij bestrijding van schade door onder andere verjagen, nestbehandeling, afschot en vangen moet verontrusting en schade aan andere natuurwaarden zoveel mogelijk worden voorkomen. Om voldoende rust en foerageerplaats te bieden aan trekkende en overwinterende ganzen worden ganzenrustgebieden aangewezen. In die gebieden worden ganzen niet bestreden. Grondgebruikers kunnen jaarlijks in aanmerking komen voor subsidie voor het nalaten van verjaging van beschermde ganzen in deze gebieden in de periode van 1 november tot 1 april.
Er zijn in Zeeland drie leefgebieden van het damhert aangewezen: de Manteling van Walcheren, de Kop van Schouwen en het eiland de Haringvreter in het Veerse Meer. Binnen deze leefgebieden vindt beheer van de populatie plaats Voor elk leefgebied is vanuit oogpunt van een duurzame populatie een streefaantal dieren bepaald. De populatiegrootte wordt door afschot gereguleerd.
Exotenbeleid
In 2011 werd 22% van de Europese soorten bedreigd door invasieve exoten. Sinds 1 januari 2015 is een EU-Verordening van kracht betreffende de ‘preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten’. Op basis van deze verordening zijn lidstaten verplicht maatregelen te nemen voor 64 soorten die op de EU-lijst zijn geplaatst. De provincies zijn verantwoordelijk voor de bestrijding van het grootste deel van deze soorten, met uitzondering van krabben, kreeften en ratten. Naast een bedreiging voor de inheemse natuur kunnen invasieve exoten ook economische schade en gezondheidsrisico’s met zich meebrengen. Er zijn drie soorten bestrijdingsstrategieën. Soorten die zich nog niet gevestigd hebben worden in een vroeg stadium uitgeroeid. Bij beperkt voorkomende soorten wordt eliminatie nagestreefd. Bij wijdverspreide soorten is de aanpak gericht op het inperken en indammen van de populaties.
Natuurherstel
Voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen in verschillende Natura 2000-gebieden zijn natuurherstelmaatregelen nodig. Inmiddels zijn de afgesproken 160 maatregelen voor het overgrote deel gerealiseerd. In de stikstofaanpak zal ook de komende jaren natuurherstel stevig worden gecontinueerd met het Programma Natuur 2021-2030 als extra inzet hiervoor. Dit programma is aanvullend aan bestaande afspraken met het Rijk over natuurherstel en vormt een onderdeel van de landelijke structurele aanpak stikstof. Deze aanpak spoort met de provinciale strategische aanpak stikstof die eveneens is gericht op kwaliteitsverbetering van de met stikstof overbelaste Zeeuwse natuur.
Ook buiten Natura 2000-gebieden kan het nodig zijn om de kwaliteit van de natuur in het NNZ een impuls te geven. Bijvoorbeeld wanneer de ontwikkeling van de natuur in een gebied in negatieve zin anders verloopt dan beoogd en dit niet is veroorzaakt door achterstallig onderhoud en ook niet met regulier beheer verholpen kan worden. In de afgelopen drie jaar zijn zo maatregelen getroffen die hebben geleid tot een verbetering van de kwaliteit van 370 ha bestaand natuurgebied.
Natuurontwikkeling
De afgelopen decennia is de natuurontwikkeling in Zeeland voortvarend ter hand genomen en was Zeeland tot voor kort koploper in de opgave. Om in 2027 volgens het Natuurakkoord het Natuurnetwerk Zeeland voltooid te hebben moet vanaf nu per jaar gemiddeld zo’n 100 ha nieuwe natuur worden gerealiseerd. Met het realisatietempo van gemiddeld zo’n 23 ha per jaar in de afgelopen zeven jaar wordt dat doel niet gehaald. De vertraging kent meerdere oorzaken. In de eerste jaren na de herijking van de ecologische hoofdstructuur was het budget niet toereikend (zowel voor wat betreft het provinciaal als het rijksaandeel). Verder moet nieuwe natuur tegenwoordig door grondeigenaren zelf (op vrijwillige basis) worden gerealiseerd, maar bestaat bij veel grondeigenaren nog onbekendheid over de (subsidie)mogelijkheden. Ook betekent zelfrealisatie vaak een fikse voorinvestering en vraagt het veel kennis en capaciteit. Daarbij komt dat het tegenwoordig in de meeste gevallen nog maar gaat om relatief kleine gebiedjes ter afronding van grotere natuurgebieden. De kosten zijn dan verhoudingsgewijs hoog en vaak hoger dan het subsidieplafondbedrag per hectare. Recent zijn met betrokken partijen strategieën voor versnelling van de opgave verkend en een aantal zijn ook al in gang gezet. In Zeeland is het realiseren van nieuwe natuur altijd op vrijwillige basis. Het kavelruilbureau wordt ingezet om het natuurwetwerk te realiseren.
Natuurverbreding: verbinding tussen natuur en economie
Het gaat hier om het vergroten van de autonome vervlechting van natuur en biodiversiteit met andere (te ontwikkelen) functies. Met andere woorden het versterken van de relatie tussen natuur en economie. Twee ambities die door Rijk en provincies (maar ook andere organisaties) breed gedragen worden. Dit is nodig omdat de uitvoering van natuurbeleid en het enkel realiseren van natuurwaarden binnen het begrensde Natuurnetwerk niet leidt tot verbetering van de biodiversiteit. De afgelopen jaren gebeurt er in den lande al van alles op het vlak van de verbinding tussen natuur en economie, maar toch is dit niet voldoende. De provincie zet de komende periode ook meer in op vervlechting van Natuur binnen bestaande functies. Daarbij wordt aangehaakt bij de Natuurinclusieve Agenda via de structurele aanpak Stikstof en via de uitvoering van het ambitiedocument “Samenwerken aan het Zeeuwse platteland”. De Natuurinclusieve Agenda gaat de komende periode op rijksniveau vorm krijgen. In dat kader rusten op het Zeeuwse landelijke gebied tal van opgaven die ook nader geconcretiseerd zullen worden. Te denken valt aan de structurele opgave Stikstof, het Deltaplan Zoet water of de transitie naar een volhoudbare landbouw waaraan de natuur- en biodiversiteitopgave kan worden gekoppeld. Binnen de Natuurinclusieve Agenda wordt het begrip Basiskwaliteit Natuur binnen en buiten bebouwd gebied uitgewerkt. Er komt experimenteerruimte voor een Zeeuwse invulling en de realisatie van deze basiskwaliteit.
Een vorm van versterking van de biodiversiteit die al lang in Zeeland bestaat, is de inrichting en het beheer van natuurwaarden op tal van particuliere terreinen (groot en klein) buiten het natuurnetwerk. Deze “lichtgroene” natuur draagt positief bij aan de biodiversiteit in het landelijk gebied. Zonder deze inspanningen van particulieren zou het met de biodiversiteit nog slechter gesteld zijn. Vaak gaat het om (voormalige) boerenerven, maar bijvoorbeeld ook om kleine natuurterreintjes, dorpsbosjes en -boomgaarden of tijdelijke natuur op bedrijventerreinen. Veel van deze particuliere initiatieven worden ondersteund door Stichting Landschapsbeheer Zeeland. Daarnaast nemen gemeenten vaak natuurwaarden mee binnen ruimtelijke plannen die eveneens bijdragen aan biodiversiteitsherstel. Ook een initiatief waarbij vergroening van schoolpleinen en zorginstellingen plaatsvindt (IVN) draagt hier aan bij.
Natuurbeleving
Natuurbeleving gaat over het hele palet van natuureducatie, natuurpromotie en natuuractiviteiten. Onder de noemer Natuurbeleving vinden al diverse ontwikkelingen plaats:
Het samenwerkingsverband De Zeeuwse Natuur (DZN) draagt bij aan een Zeeland waar kinderen in verbinding met natuur opgroeien en inwoners en recreanten toegang hebben tot beleefbare & rijke natuur, heel dichtbij.
Ter ondersteuning van het kerndoel van de Zeeuwse natuurbeleving en –branding, is een traject gestart dat gericht is op (gezamenlijke) natuurbranding en communicatie (identiteit en vindbaarheid) en concrete (inrichtings)maatregelen ter bevordering van beleving, herkenbaarheid en toegankelijkheid.
Het museum voor natuur en landschap, Terra Maris, vervult een prominente rol als podium voor natuurgerelateerde beleving en educatie voor zowel inwoners als gasten. Verdere uitbreiding en actualisering van voorzieningen rondom de Oosterschelde (ook gericht op de beleving van de biodiversiteit onder water).
Met het UNESCO Geopark wordt provinciegrensoverschrijdend ingezet om, gebruik makend van de natuurlijke, geologische en de cultuurhistorische eigenschappen, het Deltagebied internationaal in de etalage te zetten via een UNESCO keurmerk.
Groenblauwe dooradering
Groenblauwe dooradering (GBDA) omvat ‘kleine’ natuurelementen exclusief de bebouwde kom, grote wateren, N2000 en NNN gebieden, die het landschap in belangrijke mate vormgeven. Dit worden ook wel kleine landschapselementen genoemd in de vorm van punten, lijnen of vlakken (tot 1,5ha) die optimaal aansluiten bij de fysische, geografische, hydrologische en/of ecologische omstandigheden.
De basisindeling van GBDA is:
Houtige elementen (groen) zoals houtsingels, heggen, bomen, lanen.
Kruiden en ruigten (groen) zoals akkerranden, bloembermen, dijken met kruidenbeheer.
Natte elementen (blauw) zoals natuurlijke oevers, rietlanden, poelen, natuurlijk beheerde sloten.
Conform het Aanvalsplan Landschap (2022) kan met GBDA aan meerdere doelen worden bijgedragen, waaronder; biodiversiteit, klimaatadaptatie, CO2 vastlegging, waterkwaliteit, duurzaam inkomen boer, kwaliteit en diversiteit landschap, leefomgeving en recreatie, vestigingsklimaat, filteren van lucht, vasthouden van water en het tegengaan van bodemerosie. Het realiseren van meer GBDA leent zich goed voor een gebiedsgerichte aanpak.
De gezamenlijke overheden in Zeeland beheren heel wat hectares aan bermen, dijken en overige grazige delen van infrastructurele werken. Alles bij elkaar vormt dat reeds een uitgestrekt groeiend netwerk door heel Zeeland dat natuurgebieden met elkaar verbindt en eveneens de biodiversiteit en functionele agrobiodiversiteit op het platteland kan laten toenemen. De binnendijken vormen in Zeeland de ruggengraat van de dooradering. Een groot deel van de binnendijken is in eigendom en/of beheer bij terrein beherende organisaties en het Waterschap, maar er zijn ook veel particuliere grondeigenaren zoals agrariërs.
Natte ecologische verbindingen zijn lijnvormige verbindingen in de vorm van kreken en waterlopen met hun brede oevers en hebben uit oogpunt van soortenbehoud de functie om planten en dieren in de gelegenheid te stellen om van het ene natuurgebied naar het andere natuurgebied te migreren zonder hinder van barrières. Natte ecologische verbindingen zijn gekoppeld aan (hoofd)waterlopen in beheer bij het Waterschap en vormen geen aangrenzende gebruiksbeperkingen. De aangewezen natte ecologische verbindingen en Kaderrichtlijn waterlichamen doorsnijden voor een deel brongebieden van kwetsbare planten- en diersoorten die binnen het agrarisch gebied aanwezig zijn. Het Natuurbeheerplan bevat begrenzingen van deze brongebieden in de vorm van voormalige getijdenkreken en binnendijken. Activiteiten tot beheer en verbetering van deze elementen komen daarmee in aanmerking voor toepassing van subsidie van SNL. Buiten het NNZ bestaan mogelijkheden voor beheer van elementen van de GBDA binnen de begrenzing van de agrarische leefgebieden die zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan.
De inzet van het agrarisch natuurbeheer is van groot belang voor de realisatie van meer GBDA. Daarnaast zijn er specifieke projecten en initiatieven. Zo zetten bijvoorbeeld de ondertekenaars vanuit de Zeeuwse Bijenstrategie zich in om kansen voor bijen te stimuleren door communicatie en het faciliteren of uitvoeren van bij vriendelijke projecten en onderzoek.
Een groot deel van de GBDA in Zeeland wordt gevormd door maatregelen in het agrarisch natuurbeheer. Hieronder vallen de bekende akkerranden en kruidenrijk grasland, maar ook het beheer van landschapselementen als hagen, knotbomenrijen en poelen op landbouwgrond evenals beheer van dijken.
Ten behoeve van een goed inzicht in het aanwezige en te realiseren areaal GDBA in Zeeland is een viewer en een dashboard ontwikkeld wat jaarlijks wordt geactualiseerd. In 2025 bestond 5,32% van het landelijk gebied (exclusief de bebouwde kom, grote wateren, N2000 en NNN gebieden) uit GBDA.
Voor GBDA is in Programma Landelijk Gebied (PLG; nog niet vastgesteld) de ambitie en streven voor de realisatie van landschapselementen opgenomen te weten; 7% GBDA in 2030 en 10% in 2050.
In het PLG is een aantal redeneerlijnen opgenomen op welke manier versterking van de bestaande structuur van GBDA gewenst is, en waar uitbreiding plaats kan vinden.
Koppeling aan landschappelijke elementen als kreekbeddingen, kreekruggen en poelgronden.
Koppeling aan het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) en de oude ecologische hoofdstructuur.
Koppelingen aan belangrijke aanknopingspunten van het cultuurlandschap.
Versterken van het landschap en het verbeteren van mogelijkheden voor toerisme en recreatie.
Koppeling aan gebieden rond Natura 2000-gebieden.
De ontwikkeling van GBDA is als een van de Koplopermaatregelen opgenomen en is een van belang zijnde meekoppelkans bij gebiedsontwikkelingen.
15.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1 Herstel biodiversiteit: de doelen uit de Europese biodiversiteitsstrategie 2021-2030 zijn gehaald.
Actie 1.1: Uitvoering doelstelling biodiversiteit.
De doelstellingen voor biodiversiteit in 2030 komen voort uit de Europese biodiversiteitsstrategie 2021-2030. Dit beleid is de basis voor het Nederlandse en daarmee ook het provinciale natuurbeleid:
1. We versterken de verbinding tussen landbouw en natuur, vooral rondom stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden.
2. We zetten in op uitvoering van de landelijke bossenstrategie en de Zeeuwse vertaling daarvan (Zeeuwse Bosvisie) zoals 421 ha nieuw bos binnen het Natuurnetwerk Zeeland.
3. We creëren “experimenteerruimte” voor biodiversiteitsherstel binnen het Landelijke Gebied’ .
4. We versnellen de realisatie van onze restant opgave Natuurnetwerk Zeeland. Hiervoor stellen we een uitvoeringsstrategie op.
5. We verbeteren de kwaliteit van stikstof overbelaste Natura 2000-leefgebieden en soorten.
Deze acties worden uitgewerkt in een Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030.
Rolverdeling:
De provincie
De EU ondersteunt behoud en versterking van de biodiversiteit met verschillende EU-programma’s.
Gemeenten stimuleren biodiversiteit middels subsidies en aangepaste inrichting en beheer van openbaar groen.
Natuurorganisaties en terreinbeheerders
Actie 1.2 Opstellen routekaart biodiversiteit
De komende tijd zal een routekaart biodiversiteit worden opgesteld. Hierin staat een stappenplan voor de korte en lange termijn als hulpmiddel bij het oplossen van de biodiversiteitscrisis. Op de korte termijn kunnen kansrijke acties in gang worden gezet. Op de langere termijn kunnen succesvolle acties worden gecontinueerd en opgeschaald en nieuwe kansrijke acties worden toegevoegd. Daarmee wordt de routekaart een groeimodel.
Rolverdeling is gelijk aan actie 1.1
Subdoel 2 Natuurbescherming: de natuurgebieden in Zeeland worden adequaat beschermd.
Actie 2.1: Natuurbescherming
Voor de natuurbescherming wordt het beleid met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden, soorten en houtopstanden (bos en bomen) via de bestaande wetgeving en de Beleidsnota Natuurwetgeving voortgezet. Ook de onderwater flora en fauna wordt beschermd. Voor alle 16 geheel of gedeeltelijk in Zeeland gelegen Natura 2000-gebieden is er een vastgesteld beheerplan. En alle gebieden van het Natuur Netwerk Zeeland met de status bestaande natuur hebben een passende bestemming in de gemeentelijke omgevingsplannen. Rond voor verzuring gevoelig gebied gelden beperkingen voor uitbreiding of nieuwvestiging van veehouderij. Toezicht en handhaving wordt voortgezet, buitendijks wordt de inzet geïntensiveerd.
Rolverdeling:
Het Rijk stelt beheerplannen op voor alle rijkswateren.
De provincie stelt beheerplannen op voor alle provinciale natuurgebieden.
Het Rijk, de provincie en gemeenten beschermen natuurgebieden, soorten en houtopstanden in omgevingsvisies, -plannen, –verordeningen en -vergunningen.
De Veiligheidsregio adviseert (via het bevoegde gezag) in de mogelijkheden natuurgebieden zo brandveilig en beheerbaar mogelijk aan te leggen.
De provincie, RUD Zeeland en terreinbeheerders zorgen voor toezicht en handhaving.
Overheden, terreinbeheerders, bedrijfsleven, ondernemers en woningbouwcorporaties werken samen bij inrichting, gebruik en bescherming van natuurgebieden, soorten en houtopstanden.
Subdoel 3 Natuurbeheer: er is inzicht in de kwaliteit van alle ecosysteemtypen in Zeeland en het ecologisch beheer buiten natuurgebieden is verbreed.
Actie 3.1: Beheer Natuur Netwerk Zeeland
Het aansturen op en het vergoeden van een effectief en efficiënt natuurbeheer op grond van het subsidiestelsel Natuur en Landschap en de kaders uit het Natuurbeheerplan ( Subsidieverordening Natuur en Landschapsbeheer, SVNL) wordt gecontinueerd. Vanuit het klimaatakkoord wordt bekeken in welke natuurgebieden het beheer kan worden aangepast om meer CO2 vast te leggen, zonder dat dit ten koste gaat van de biodiversiteit en/of bijzondere natuurwaarden. In dat verband wordt ook bezien waar binnen het natuurnetwerk (zowel bestaande als nieuwe natuur) en agrarische gronden nog plaats is voor meer bos. In het beheer verder ook rekening houden met de klimaatbestendigheid van de natuur, om zo de negatieve gevolgen van de klimaatverandering voor natuur (zoals verdroging en natuurbranden) tegen te gaan.
Rolverdeling:
Actie 3.2: Agrarisch natuurbeheer
Het integrale karakter van het agrarisch natuurbeheer wordt verder uitgebreid. Het vergoeden van Agrarisch Natuurbeheer via Poldernatuur Zeeland wordt gecontinueerd om bij te dragen aan biodiversiteit en landschap buiten de natuurgebieden.
Rolverdeling:
De provincie verstrekt vergoedingen aan Poldernatuur Zeeland.
Poldernatuur Zeeland en individuele agrariërs voeren het agrarisch natuurbeheer uit.
Actie 3.3: Ecologisch berm- en dijkbeheer
Er wordt ingezet op een gezamenlijk programma voor ecologisch bermbeheer met de medeoverheden en North Sea Port en uitbreiding van het areaal ecologisch beheerde bermen, dijken, overhoeken, etc. Tevens wordt uitvoering gegeven aan het Dijkenactieplan (herijking van de ecologische functie en het beheer van alle afzonderlijke binnendijken in Zeeland met als doel een efficiënt en effectief ecologisch beheer). Bij de uitwerking van de bossenstrategie worden de kansen onderzocht voor de aanplant van meer weg- en dijkbeplanting.
Rolverdeling:
De provincie, gemeenten, Waterschap Scheldestromen en North Sea Port stellen een gezamenlijk programma op.
De provincie voert het Dijkenactieplan uit.
De beheerders van dijken en wegen voeren waar mogelijk ecologisch berm- en dijkbeheer uit.
Actie 3.4: Faunabeheer en exotenbestrijding
De bestrijding van schade veroorzakende soorten en het uitkeren van schadevergoedingen voor faunabeheer (bijvoorbeeld ganzen in ganzenrustgebieden) wordt volgens de landelijke lijn en de Beleidsnota Natuurwetgeving gecontinueerd. Via de Beleidsnota Natuurwetgeving wordt actief uitvoering gegeven aan het exotenbeleid.
Rolverdeling:
Actie 3.5: Monitoring
Het monitoren en beoordelen van de kwaliteit van natuurgebieden wordt voortgezet conform landelijke afspraken en het provinciaal monitoringsplan. Doel is inzicht te krijgen in de kwaliteit van alle ecosysteemtypen in Zeeland (nu alleen nog bos, grasland, moeras en open duin). Ook is het gewenst meer zicht te krijgen in de staat van instandhouding van soorten (ook buiten Natura 2000-gebieden) en leefgebieden in Zeeland.
Rolverdeling:
De provincie voert de monitoring uit en deelt de uitkomsten met alle betrokken partijen.
Alle betrokken partijen verbeteren de uitvoering op basis van de uitkomsten van de monitoring.
Subdoel 4 Natuurherstel: 70% doelrealisatie in Natura2000-gebieden.
Actie 4.1: Uitwerken Programma Natuur voor de structurele aanpak van stikstof.
Dit is een uitwerking van fase 1 en 2 uit het Programma Natuur als belangrijke pijler van de landelijke structurele aanpak stikstof.
De Provincie zet in op het realiseren van condities voor een gunstige staat van instandhouding van alle soorten en leefgebieden onder de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Het streven is hiermee, in samenhang met de andere maatregelen binnen de structurele aanpak, aan de eisen te voldoen die de VHR stelt (artikel 6 lid 1 en 2). De provincie neemt de regie om samen met relevante partners één samenhangend programma van natuurherstelmaatregelen op te stellen gericht op behoud en verbetering van Natura 2000-gebieden. Daarbij ligt de komende 10 jaar een extra focus op het kwalitatief verbeteren van stikstof overbelaste en gevoelige Natura 2000-leefgebieden en soorten als onderdeel van de landelijke structurele aanpak stikstof. Voor 2030 wordt ingeschat dat door het nemen van de juiste maatregelen 70% van de VHR instandhoudingsdoelen van de stikstof overbelaste Natura 2000-leefgebieden en soorten bereikt zijn. Deze 70% vertaalt zich in 70% van het te bereiken oppervlakte en kwaliteit van leefgebieden en de aanwezigheid van soorten (diversiteit en aantal) per Natura 2000-gebied.
Rolverdeling:
De provincie werkt samen met partners het uitvoeringsprogramma natuur 2021-2030 uit.
Het Rijk en de provincie stellen middelen beschikbaar.
Actie 4.2: Uitvoering herstel- en instandhoudingsmaatregelen.
Herstel- en instandhoudingsmaatregelen in Natura 2000-gebieden en voor Europees beschermde soorten worden genomen. Nazorgprojecten in het Natuurnetwerk Zeeland met als doel het verbeteren van de natuurkwaliteit, worden uitgevoerd .Deze vallen niet onder regulier beheer. Bijvoorbeeld door het wegnemen van knelpunten in milieucondities en ruimtelijke samenhang van de natuurgebieden zoals het nemen van ontsnipperingsmaatregelen bij infrastructurele werken. Ook wordt onderzocht in welke gebieden klimaatverandering een negatieve impact op de natuurkwaliteit kan hebben en welke maatregelen hiertegen getroffen kunnen worden.
Rolverdeling:
Subdoel 5 Natuurontwikkeling: het natuurnetwerk Zeeland is afgerond.
Actie 5.1: Afronding Natuurnetwerk Zeeland
Het Natuurnetwerk Zeeland is in 2027, conform het Natuurakkoord, afgerond en is dan 5.713 hectare groot. Dit betekent dat er vanaf 2020 nog circa 800 ha hectare nieuwe natuur in Zeeland ingericht moet worden. Om het tempo van de natuurontwikkeling te versnellen, is de systematiek van het Natuurbeheerplan iets gewijzigd. Kansrijke percelen buiten de begrenzing kunnen direct worden toegevoegd aan het Natuurnetwerk zonder elders een gelijk aantal hectares te ontgrenzen. De toe te voegen percelen moeten daarbij wel voldoen aan de uitgangspunten van de Natuurvisie. Er is geen sprake van een gewijzigde ambitie qua oppervlakte. Verdere versnelling kan mogelijk behaald worden door zelf percelen aan te kopen plus eventueel in te richten en op de markt te zetten. Een actieve benadering van eigenaren van begrensde percelen of percelen die grenzen aan het huidige natuurnetwerk en een gelijke ecologische potentie hebben, kan tevens een versnelling bieden. De basis voor het realiseren van nieuwe natuur is in Zeeland altijd vrijwilligheid. Het kavelruilbureau wordt ingezet om het natuurwetwerk te realiseren.
Rolverdeling:
Subdoel 6 Natuurverbreding: er is een grotere maatschappelijke betrokkenheid bij natuur. Natuur en andere functies zijn meer verweven.
Actie 6.1: Uitvoering acties natuurverbreding uit de Natuurvisie Zeeland.
In de Natuurvisie Zeeland staan ambities voor het vergroten van de maatschappelijke betrokkenheid bij de natuur en het versterken van de relatie tussen natuur en economie. De provincie neemt het initiatief om deze in samenwerking met partners te vertalen naar uitvoeringsmaatregelen. Daarbij wordt in lijn met het landelijke spoor “agenda natuurinclusieve samenleving” proefondervindelijk ervaring opgedaan. Deze ervaring is de basis voor een verdere beleidsuitwerking gedurende 2021-2030.
Rolverdeling:
De provincie neemt de regie en vertaalt samen met partners de ambities uit de Natuurvisie Zeeland naar uitvoeringsmaatregelen.
Actie 6.2: Uitwerken van de aanpak van overgangs- of multifunctionele zones rond bestaande natuurgebieden.
Deze zones zorgen voor een versterking van de verbinding tussen natuur, landschap en landbouw en voor een versterking van de natuurgebieden zelf. Hiervoor wordt “experimenteerruimte “ gecreëerd binnen een gebiedsgerichte aanpak. De primaire focus ligt daarbij op overgangszones rondom door stikstof overbelaste Natura 2000-gebieden. De provincie neemt deze uitwerking op in het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030.
Rolverdeling:
Subdoel 7 Natuurbeleving: 90% van de natuurgebieden is toegankelijk en beleefbaar, het wandelnetwerk blijft van waarde en het oosten van Zeeland heeft een internationaal UNESCO-Geopark keurmerk.
Actie 7.1: Uitvoering nota natuurbeleving
In de Nota Natuurbeleving zijn de doelen en ambities op het vlak van natuureducatie, -promotie en -activiteiten in concrete doelen en beleidsstrategieën, in samenspraak met maatschappelijke partners, uitgewerkt en verwoord. De doelen voor 2030 zijn daarmee in beeld gebracht. Er wordt ingezet op het voortzetten van het beheer van de bestaande 2100 kilometer wandelnetwerk en boerenlandpaden en het verkrijgen van het internationale UNESCO-Geopark keurmerk. Het beleid dat 90% van de natuurgebieden toegankelijk en beleefbaar moet zijn, wordt gecontinueerd. Overigens blijkt uit onderzoek door HZ Kenniscentrum Zeeuwse samenleving (voorheen ZB |Planbureau) dat 75% van de Zeeuwse bevolking voorstander is van het creëren van stukken natuur zonder recreatieve voorzieningen (‘natuur mag natuur blijven’) (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Rolverdeling:
De provincie en maatschappelijke partners voeren de Nota Natuurbeleving uit.
De provincie
Terreinbeheerders beheren het wandelnetwerk en boerenlandpaden.
15.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond.
Grond is een belangrijk middel om doelen te realiseren. Gestreefd wordt daarbij om meerdere doelen aan elkaar te koppelen daar waar het gaat om het realiseren van natuur. Daarbij blijft het realiseren van kwalitatieve natuur bovenaan staan.
2. Werk samen en deel kosten en baten.
Verstoring door recreatie kan een probleem zijn voor het behalen van natuurdoelen. Afstemming tussen beide vormen van gebruik is nodig.
Grensoverschrijdende samenwerking biedt kansen voor natuur, recreatie, landbouw en havenontwikkelingen.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
De bestaande Zeeuwse Natuur vormt op zichzelf een van de kernkwaliteiten van Zeeland. Behoudt en versterking hiervan is onlosmakelijk onderdeel van het provinciale natuurbeleid.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Z
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
17.1 Doelstelling 2030
De Zeeuwse arbeidsmarkt is conjunctuurproof en kan voorzien in de vraag van de Zeeuwse werkgevers: voldoende gekwalificeerde arbeidskrachten voor de Zeeuwse arbeidsmarkt.
Het arbeidsaanbod sluit in de volle breedte goed aan op de vraag van werkgevers en het (beroeps)onderwijs is in staat toekomstige ontwikkelingen op de arbeidsmarkt te duiden en in te passen in de onderwijsprogramma’s.
Subdoel 1: Alle arbeidspotentieel wordt ten volle benut.
Subdoel 2: Vraag en aanbod van arbeidskrachten zijn in balans.
Subdoel 3: Zeeland staat op de kaart als aantrekkelijke woon- en werkprovincie.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
17.2 Huidige situatie
Jaarlijks ontstaan er zo’n 1,2 miljoen vacatures in Nederland. De arbeidsmarkt is nog steeds krap en zal dat naar alle waarschijnlijkheid ook voorlopig zo blijven (hoewel het groeitempo vertraagt en de werkloosheid als gevolg van corona in 2020 oploopt). Ook zijn er een aantal onzekerheden en risico’s die negatief kunnen uitpakken. Denk aan de handelssituatie tussen de Verenigde Staten en China, de effecten van Brexit en de duur en omvang van de coronapandemie.
De komende 25 jaar zal zich naar verwachting een aantal ingrijpende veranderingen voltrekken, maar een aantal andere aspecten van de arbeidsmarkt zal betrekkelijk weinig veranderen. De belangrijkste veranderingen worden vermoedelijk niet veroorzaakt door veel besproken trends als technologische ontwikkeling, flexibilisering en vergrijzing. Het zijn juist de tragere, maar gestage veranderingen die minder opvallen, die de meest ingrijpende gevolgen hebben. Dat zijn de trends van de opmars van de werkende vrouw, de explosieve groei van deeltijdwerk, het langer doorwerken, de verdere groei van de dienstensector en de toename van het aantal hoogopgeleiden.
Het Sociaal-Cultureel Planbureau (SCP) verwacht dat werk, meer dan nu, verbonden zal zijn met technologie, vaker een hoge scholing vereist en minder plaats- en tijdgebonden is. Dit laatste heeft door de coronamaatregelen een extra impuls gekregen. Ook voorzien de onderzoekers dat de opkomst van de 'op-afroepeconomie' doorzet en een steeds groter deel van de werkenden relatief korte klussen voor wisselende opdrachtgevers zal doen. Het gevolg: weinig continuïteit in het werk; minder mogelijkheden om een loopbaan te plannen. De grenzen tussen werk en de andere domeinen zullen daarnaast waarschijnlijk vervagen, doordat werkenden in de toekomst ook meer moeten zorgen en leren. De combinatiedruk, die nu al wordt ervaren, zal hierdoor in de toekomst hoger worden. Al deze ontwikkelingen betekenen meer onzekerheid en vragen om een groot adaptatie- en anticipatievermogen. Dit zal niet voor iedereen even gemakkelijk en haalbaar zijn, waardoor een aanzienlijk deel van de bevolking buiten de boot kan vallen.
De opgave van de Zeeuwse arbeidsmarkt is niet zozeer de werkloosheid (die is laag in Zeeland) maar het vinden van voldoende mensen met de juiste opleiding voor de vraag van de werkgevers. Bedrijven worden immers door het gebrek aan personeel beperkt in hun groei en succes. Oorzaken voor de krappe arbeidsmarkt liggen in grensoverschrijdende belemmeringen door wet- en regelgeving en een gebrek aan aantrekkingskracht op hoger opgeleiden, vanwege het imago van Zeeland en het ontbreken van een grootstedelijk klimaat. Daarnaast trekken veel jongeren voor hun studie weg en komt voor een groot deel van hen niet meer terug. Een deel van de jongeren is ook niet bekend met de vacatures en toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt in de provincie. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe sectoren en werkgelegenheid op het gebied van de voedselproductie, biobased productie, energietransitie en zon-, wind- en waterenergie.
Iets meer dan 40% van de Zeeuwse bevolking is het ermee eens om arbeidskrachten van buiten Zeeland aan te trekken (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020). Het is daarbij cruciaal dat nieuwe Zeeuwen zich welkom voelen en er voldoende passende huisvesting beschikbaar is, ook voor tijdelijke (buitenlandse) werknemers.
17.3 Acties om doelen te realiseren
De aanpak loopt vooral via het aanvalsteam arbeidsmarkt. Dit team werkt met drie pijlers. Pijler 1 is gericht op het arbeidspotentieel met een afstand tot de arbeidsmarkt, pijler 2 is gericht op het optimaal inzetten van de werkenden in Zeeland en pijler 3 richt zich op de marketing van Zeeland als kansrijke arbeidsmarkt voor potentieel van ‘buiten’.
Subdoel 1: alle arbeidspotentieel wordt te volle benut
Actie 1.1: Sturen op ondersteuning van werk naar werk bij dreigend ontslag
Om te voorkomen dat mensen doorstromen via de WW naar de bijstand, wordt ingestoken op meer preventief handelen daar waar sprake is van dreigend ontslag.
Rolverdeling:
Het UWV en de gemeenten brengen het bestaande en toekomstige bestand van uitkeringsgerechtigden in kaart in termen van competenties, motivatie, leervermogen, ambities, ervaring en opleiding.
Werkgevers stellen zich flexibeler op in termen van werving en selectie eisen en via hybride leervormen (zoals praktijkroutes), werkend leren en jobcarving, dat is het beschikbaar (en latent) arbeidspotentieel maximaal laten instromen in het arbeidsproces.
Subdoel 2: Vraag en aanbod van arbeidskrachten zijn in balans.
Actie 2.1 Bedrijven (werkgevers), onderwijsinstellingen en overheden werken met elkaar samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
Het doel van deze samenwerking is de vraag naar en het aanbod van arbeidskrachten met elkaar in evenwicht en up-to-date te houden Dit draagt onder andere bij aan de beschikbaarheid van voldoende en voldoende gekwalificeerd personeel voor de Law Delta en het Delta KenniscentrumClimate Center.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar.
Actie 2.2 Het spel van vraag en aanbod, scholing en training wordt optimaal ondersteund door onder andere goede digitale infrastructuur, een Expat Center Zeeland en inzet van social media.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar.
Actie 2.3: Versterken van ‘human capital agenda’s’ in Zeeland.
De actie bestaat uit het aanjagen, verbinden en ondersteunen van sectorale human capital agenda’s in Zeeland om zo gericht en in gezamenlijkheid vanuit de vraag van het bedrijfsleven te werken aan de verbetering van de instroom, doorstroom en het voorkomen van uitstroom in de betreffende sector. Kortom, een strategische sectorale aanpak voor de arbeidsmarkt.
Het Sociaal-Cultureel Planbureau (SCP) verwacht dat werk, meer dan nu, verbonden zal zijn met technologie, vaker een hoge scholing vereist en minder plaats- en tijdgebonden is. Dit laatste heeft door de coronamaatregelen een extra impuls gekregen. Ook voorzien de onderzoekers dat de opkomst van de 'op-afroepeconomie' doorzet en een steeds groter deel van de werkenden relatief korte klussen voor wisselende opdrachtgevers zal doen. Het gevolg: weinig continuïteit in het werk; minder mogelijkheden om een loopbaan te plannen. De grenzen tussen werk en de andere domeinen zullen daarnaast waarschijnlijk vervagen, doordat werkenden in de toekomst ook meer moeten zorgen en leren. De combinatiedruk, die nu al wordt ervaren, zal hierdoor in de toekomst hoger worden. Al deze ontwikkelingen betekenen meer onzekerheid en vragen om een groot adaptatie- en anticipatievermogen. Dit zal niet voor iedereen even gemakkelijk en haalbaar zijn, waardoor een aanzienlijk deel van de bevolking buiten de boot kan vallen.De opgave van de Zeeuwse arbeidsmarkt is niet zozeer de werkloosheid (die is laag in Zeeland) maar het vinden van voldoende mensen met de juiste opleiding voor de vraag van de werkgevers. Bedrijven worden immers door het gebrek aan personeel beperkt in hun groei en succes. Oorzaken voor de krappe arbeidsmarkt liggen in grensoverschrijdende belemmeringen door wet- en regelgeving en een gebrek aan aantrekkingskracht op hoger opgeleiden, vanwege het imago van Zeeland en het ontbreken van een grootstedelijk klimaat. Daarnaast trekken veel jongeren voor hun studie weg en komt voor een groot deel van hen niet meer terug. Een deel van de jongeren is ook niet bekend met de vacatures en toekomstperspectieven op de arbeidsmarkt in de provincie. Tegelijkertijd ontstaan er nieuwe sectoren en werkgelegenheid op het gebied van de voedselproductie, biobased productie, energietransitie en zon-, wind- en waterenergie. Iets meer dan 40% van de Zeeuwse bevolking is het ermee eens om arbeidskrachten van buiten Zeeland aan te trekken (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020). Het is daarbij cruciaal dat nieuwe Zeeuwen zich welkom voelen en er voldoende passende huisvesting beschikbaar is, ook voor tijdelijke (buitenlandse) werknemers.17.3 Acties om doelen te realiserenDe aanpak loopt vooral via het aanvalsteam arbeidsmarkt. Dit team werkt met drie pijlers. Pijler 1 is gericht op het arbeidspotentieel met een afstand tot de arbeidsmarkt, pijler 2 is gericht op het optimaal inzetten van de werkenden in Zeeland en pijler 3 richt zich op de marketing van Zeeland als kansrijke arbeidsmarkt voor potentieel van ‘buiten’.Subdoel 1: Alle arbeidspotentieel wordt ten volle benut Actie 1.1: Sturen op ondersteuning van werk naar werk bij dreigend ontslag. Om te voorkomen dat mensen doorstromen via de WW naar de bijstand, wordt ingestoken op meer preventief handelen daar waar sprake is van dreigend ontslag.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie nemen deel aan het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar via Campus Zeeland en/of Ambities Aanvalsplan Arbeidsmarkt (human capital programma’s).
Subdoel 3: Zeeland staat op de kaart als aantrekkelijke woon- en werkprovincie.
Actie 3.1: Zeeland nadrukkelijker in beeld brengen voor leven, wonen, studeren en werken.
Hierbij wordt ingezet op het boeien en binden van jongeren en jong-professionals, zodat zij een toekomst voor zichzelf zien in Zeeland. De ontwikkeling van de Law Delta en de komst van het Delta Kenniscentrum Climate Center worden ingezet in de profilering van Zeeland als een aantrekkelijke arbeidsmarkt.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar voor een marketingorganisatie.
Actie 3.2: Het uitbouwen van het Expat Center Zeeland, gericht op het verzorgen van een warm welkom van nieuwe Zeeuwen.
Het Expat Center Zeeland is opgericht in 2019, toen nog alleen voor expats in Zeeuws-Vlaanderen. Het Expat Center breidt haar werkingsgebied uit naar heel Zeeland en alle buitenlandse werknemers.
Rolverdeling:
Onderwijsinstellingen, het bedrijfsleven, gemeenten en de provincie werken samen in het Aanvalsteam Arbeidsmarkt.
De provincie faciliteert het proces, betrekt en verbindt partijen en stelt (mede) financiële middelen beschikbaar.
Actie 3.3: Evenementen gebruiken voor de profilering van Zeeland.
Grote wielerrondes, cultuurevenementen en festivals zetten Zeeland op de (inter)nationale kaart. Met ‘sportevenementen die inspireren’ zijn er in het door veel partners opgestelde Zeeuwse Sportakkoord, ambities benoemd voor sportevenementen die impact hebben op de profilering van Zeeland en waar mensen door geïnspireerd worden om in beweging te komen, met name in de buitenruimte.
Rolverdeling:
Actie 3.4: Natuur benutten als factor in het Zeeuwse vestigingsbeleid.
Een groene omgeving draagt bij aan de aantrekkelijkheid van een regio. Investeren in natuurbeleving en natuurbranding is dus belangrijk in het totaal van de Zeeuwse marketingstrategie.
Rolverdeling:
Gemeenten investeren in openbaar groen in de bebouwde omgeving.
De provincie stelt financiële middelen beschikbaar voor natuurontwikkeling, -beheer en beleving.
Actie 3.5: Realiseren van voldoende, kwalitatief goede huisvesting voor tijdelijke werknemers.
Nieuwe werknemers ‘van buiten’ zijn belangrijk voor de Zeeuwse economie en verdienen daarom een warm welkom (zie actie 3.2) en kwalitatief goede huisvesting. Een goede huisvesting ligt ook in de lijn van de Sustainable Development Goals. Zonder deze basis zullen deze (buitenlandse) werknemers voor andere regio’s kiezen om zich (tijdelijk) te vestigen. Onder kwalitatief goede huisvesting verstaan we huisvesting die tenminste voldoet aan het keurmerk van de Stichting Normering Flexwonen. Hierbij kan ook worden gedacht aan centrale locaties nabij de werklocaties van deze werknemers. Buiten stedelijk gebied is dit mogelijk volgens de regels voor Nieuwe Economische Dragers. Een integraal, regionaal afgestemd beleid voor de huisvesting van deze groep vormt daarvoor de basis. Dit beleid is gericht op het bieden van ruimte voor voldoende, kwalitatief goede huisvesting, het inzetten van handhaving om illegale situaties te voorkomen, het creëren van draagvlak en het stimuleren van integratie. Daarnaast wordt in dit beleid duidelijk gemaakt hoe en door wie op de realisatie van huisvesting gestuurd wordt. Inzicht in de behoefte aan huisvesting, de aanwezigheid van huisvesting voor tijdelijke werknemers en de relatie met de woningmarkt vormt de basis voor het beleid. In geval van uitbreiding van een bestaand of realisatie van een nieuw bedrijventerrein dienen gemeenten te motiveren hoe in de huisvesting voor nieuwe werknemers wordt voorzien.
Rolverdeling:
Gemeenten en de provincie hebben integraal beleid voor de huisvesting van tijdelijke, (inter)nationale werknemers en werken samen aan onderzoek naar ongewenste situaties.
Gemeenten en de provincie doen onderzoek naar de behoefte aan huisvesting, de beschikbaarheid aan huisvesting en in hoeverre de beschikbare huisvesting een rol speelt in de krapte op de woningmarkt.
Gemeenten handhaven op illegale situaties en faciliteren initiatieven die passen binnen het beleid.
Marktpartijen realiseren voldoende, kwalitatief goede huisvesting.
17.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering.
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
2. Werk samen en deel kosten en baten
Door samenwerking komt er een soepelere en meer vloeiende overgang tussen onderwijs en arbeidsmarkt. Big data kan bijdragen aan werving en selectie van mensen.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
AA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
19.1 Doelstelling 2030
Zeeland staat op de kaart als regio met internationaal toonaangevende innovatiekracht en een uitstekend vestigingsklimaat. De economie is voor 50% circulair en er wordt 49% minder CO uitgestoten dan in 1990.
Voor havens en industrie ligt de focus tot 2030 op de omschakeling naar elektriciteit en waterstof, het gebruik van circulaire grondstoffen en de opslag van CO2. Het doel is in de havens een vermindering van CO2 gebruik te realiseren die aansluit bij het Klimaatakkoord (reductie ten opzichte van 1990 met 49 % in het algemeen en 59% voor de industrie), een grootschalige groene waterstoffabriek in bedrijf te hebben, het aandeel van productie gebaseerd op hergebruik te vergroten naar 5 tot 10 % en binnen de chemische industrie voor 15% van de productie biobased grondstoffen te gebruiken. Gezondheid is een belangrijk uitgangspunt voor ontwikkelingen binnen de havens en industrie. De chemische en technische industrie liggen dan ook op voldoende afstand van woongebieden. De havens bieden in 2030 werkgelegenheid voor 18.700 fte en genereren 3,2 miljard euro aan toegevoegde waarde.
Het Midden- en Kleinbedrijf (MKB) blijft een belangrijke motor voor de Zeeuwse economie. Het MKB maakt de groeiambities waar en is aangehaakt op ontwikkelingen in markt, samenleving en technologie. Zeeuwse MKB-bedrijven zullen dan ook slimmer, productiever, schoner en duurzamer werken. In 2030 zijn alle ondernemers zich bewust van de impact van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen op hun bedrijf. Er worden geen kansen gemist en kennisvragen van verschillende ondernemers worden met elkaar verbonden. Zo komt het MKB tot concrete oplossingen.
Vraag en aanbod van zeehaven- en bedrijventerreinen zijn op elkaar afgestemd en er is sprake van een zorgvuldig ruimtegebruik. Hiermee wordt invulling gegeven aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen die randvoorwaarden biedt onder andere de ruimtelijke reservering op de Westelijke Kanaaloever mogelijkheden voor uitbreiding.
Om bonafide ondernemers en burgers een eerlijk speelveld te bieden, wordt er een preventieve aanpak ontwikkeld, waarbij vooraf al rekening kan worden gehouden met risico’s van ondermijning en onbedoeld faciliteren van malafide ondernemers/bedrijven wordt voorkomen. De Wet Bibob vormt daarbij een belangrijk instrument.
Subdoel 1: De doelstellingen voor 2030 uit het ‘Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050’ naar klimaatneutrale industrie en de Ambitie duurzame havens 2030 zijn gehaald.
Subdoel 2: Het Zeeuwse MKB zet de impact van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen om in kansen en is internationaal georiënteerd.
Subdoel 3: Bedrijventerreinen voorzien in een behoefte.
Subdoel 3: Voldoende en passende ruimte voor een toekomstbestendige Zeeuwse economie.
Subdoel 4: Zoveel mogelijk voorkomen van het faciliteren van malafide ondernemers/bedrijven en ondermijnende criminaliteit (in de zeehavens).
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
19.2 Huidige situatie
In Zeeland kunnen we een aantal economische topsectoren onderscheiden. Dit zijn industrie, scheepsbouw, offshore wind en maintenance, havens en logistiek, vrijetijdseconomie, water en maritiem, deltatechnologie en energie, en agrofood. Haven en industrie gerelateerde bedrijven vinden we met name in de eerste twee topsectoren, het Midden- en Kleinbedrijf in alle topsectoren. Zeeland heeft een gunstige kostenstructuur. Dat wil zeggen dat de kosten voor bijvoorbeeld huur en aankoop van grond relatief laag zijn. Er zijn voldoende financieringsmogelijkheden voor het innovatieve midden- en kleinbedrijf en er is een hoogwaardige onderwijsinfrastructuur. De centrale ligging van Zeeland in Noordwest-Europa en goede achterlandverbindingen is een ander pluspunt.
Zeeland kent inmiddels elf kennis- en innovatienetwerken (K&I). Deze triple helix netwerken hebben of werken aan een gezamenlijke meerjarige agenda met een uitvoeringsprogramma van innovatieve projecten en projecten gericht op kennisdeling. De K&I-netwerken werken veelal samen met topsectoren en andere regionale clusters. Ook krijgt de samenwerking tussen de verschillende sectorspecifieke K&I-netwerken steeds meer vorm.
Belangrijke trends voor de havens en bedrijven zijn:
Transitie naar een duurzame industrie (schone/hernieuwbare energie/circulair).
Groei buisleidingennetwerk en elektriciteitsinfrastructuur.
Groter aanbod van groene energie.
Groei import van groene waterstof en ammoniak.
De effecten van zeespiegelstijging op buitendijkse gebieden, zoals kades en bedrijfsgebouwen (met name in het Sloegebied).
Hitteproblematiek op bedrijventerreinen.
Technologische ontwikkelingen: robotisering, digitalisering, kunstmatige intelligentie, blockchain, Big Data, machine learning, fotonica, nanotechnologie, quantumtechnologie, biotechnologie.
Havens en industrie
Een groot deel van de Zeeuwse economie is verbonden aan de zeehavens. De havengebieden zijn dan ook de motor van de Zeeuwse economie voor wat betreft toegevoegde waarde. North Sea Port is op ditzelfde aspect de derde zeehaven van Europa. North Sea Port is een grensoverschrijdende haven die steeds meer samenwerkt met andere havens buiten de regio. De chemiesector concurreert mondiaal, maar Zeeland kent ook veel bedrijven in nichemarkten.
Internationalisering van de economie is het sterkst zichtbaar in de haven- en industrieterreinen. Economische ontwikkelingen hebben invloed op Zeeuwse bedrijven en daarmee op de ruimtevraag. Internationalisering en veranderingen in de verdienmodellen en productieprocessen bepalen de vraag naar transport en modaliteiten.
In 2020 is door Smart Delta Resouces (SDR) het ‘Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050’ gepubliceerd. In dat rapport is een routekaart met maatregelen opgenomen die de bijdrage van de deelnemende bedrijven aan de landelijke klimaatdoelen omschrijft. In het regioplan zijn drie strategische prioriteiten geformuleerd:
1. Elektriciteit en waterstof
2. Circulaire grondstoffen
3. CO2-opslag (CCS: Carbon Capture and Storage) en CO2-gebruik (CCU: Carbon Capture Usage).
Ook in de Ambitie 2030 (Visie op de verduurzaming van het Zeeuwse industrieel logistieke complex) zijn concrete doelen opgenomen voor de economische motor van Zeeland voor wat betreft de thema's lucht- en waterkwaliteit, verbindingen, ruimte voor de natuur, circulair, biobased, klimaatverandering en energie.
Midden- en kleinbedrijf (MKB)
Het merendeel van het Zeeuwse bedrijfsleven behoort tot het midden- en kleinbedrijf. Waar North Sea Port de motor van de Zeeuwse economie is voor de toegevoegde waarde, is het MKB dat voor de werkgelegenheid.
De bedrijvigheid in Zeeland is groot. In Zeeland zijn de sectoren (op basis van het aantal bedrijven) handel en specialistische zakelijke diensten het grootst. Bijna een op de vijf bedrijven valt onder handel, iets meer dan het gemiddelde voor Nederland. Qua aantal banen staan 1) handel, vervoer en horeca en 2) overheid en zorg bovenaan. In totaal gaat het om 94.000 banen. Naast de werkgelegenheid die de zeehavens met de hieraan verbonden nevenactiviteiten en toeleveranciers bieden, is het toerisme ook een belangrijke motor voor de economie in Zeeland.
We onderscheiden vier hoofdtypen bedrijven met elk een eigen rol in de Zeeuwse economie. De ZZP’ers (zelfstandigen zonder personeel) zorgen voor flexibiliteit, het jonge MKB (maximaal 5 jaar) zorgt voor dynamiek, het innovatieve MKB zorgt voor vernieuwing en verbetering en het reguliere MKB voor een breed en toegankelijk aanbod van diensten en producten.
Zeeland wordt in Nederland gekenschetst als een ‘innovatieve volger’. Het MKB in Zeeland scoort goed op innovatieve samenwerking, op valorisatie van innovaties (dus de waardecreatie) en op de factor levenslang leren. Publieke investeringen in R&D (Research en Development) zijn laag. Daarentegen is Zeeland medio 2020 een kenmerkende aanpakkersprovincie, waarin het aandeel middelbaar opgeleiden hoog is. Het aandeel hoger opgeleide bevolking is juist beduidend lager. Twee derde van de Zeeuwen vindt dat meer geld beschikbaar gesteld moet worden voor bedrijven met innovatieve ideeën (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Met digitalisering kunnen ondernemers hun productiviteit en concurrentiepositie verbeteren en hun markt vergroten, maar dat gaat niet vanzelf. Wat kun je met big data, kunstmatige intelligentie (AI) of blockchain, en hoe? Ondernemers weten waar hun kansen liggen.
Bedrijven die internationaal actief zijn, zijn op den duur competitiever, innovatiever en sterker. Nederland is een exportland, maar met name in het MKB is er nog een wereld te winnen. Relatief weinig MKB-ondernemers doen zaken over de grens en als ze dat wel doen, beperkt de handel zich vaak tot één land of één keer. Vooral markten buiten Europa zijn voor veel ondernemers lastig te betreden. Het Zeeuwse MKB krijgt hierbij in 2030 voldoende ondersteuning van Rijk en regio.
Bedrijventerreinen
Goede werk- en bedrijfslocaties zijn nodig om economische ontwikkeling te faciliteren. Er wordt gestreefd naar een concentratie op bedrijventerreinen, met name op grootschalige terreinen. Concentratie op (grootschalige) terreinen zorgt voor schaalvoordelen voor bedrijven, zuinig ruimtegebruik, beperking van de impact op het landschap en beperking van het gebruik van milieuruimte. Concentratie maakt een goede bereikbaarheid en ontsluiting van bedrijventerreinen mogelijk. Naast grootschalige bedrijventerreinen kent Zeeland een groot aantal kleinschalige bedrijventerreinen. Bestaande kleinschalige terreinen hebben onder voorwaarden de mogelijkheid voor een beperkte uitbreiding of afronding. Een verdere toename van het aantal kleinschalige bedrijventerreinen is ongewenst. In Zeeland worden vraag en aanbod van bedrijventerreinen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Zo wordt een kwantitatieve én kwalitatieve mismatch voorkomen. Hiervoor wordt iedere vier jaar een prognose opgesteld waarin de behoefte voor de volgende 10 jaar wordt ingeschat. Deze prognose is de basis voor de regionale bedrijventerreinenprogrammering. Gemeenten leggen hierin regionale afspraken vast over ontwikkeling, uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen. De programmering wordt tweejaarlijks Omgevingswet Inloggengeactualiseerd om in te spelen op veranderingen in de markt.
Herstructurering van bedrijventerreinen is noodzakelijk om verouderde bedrijventerreinen aantrekkelijk te maken voor gevestigde en nieuwe bedrijven. Zo wordt verpaupering van bestaande terreinen tegengegaan en vermindert de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen. Kwaliteitsverbetering betekent ook het beter benutten van de ligging en ontsluiting van terreinen én ze klimaatbestendig inrichten. Bedrijventerreinen met speciale voorzieningen zoals een binnenhaven of loswal zijn van groot belang voor transport, daarom moeten deze worden behouden en benut voor bedrijven die daar gebruik van maken. Provincie Zeeland wil de vestiging van grootschalige logistiek en datacentra op ongewenste plekken en met weinig regionale meerwaarde voorkomen. Door de aard en omvang hebben grootschalige logistiek (waaronder distributiecentra) en datacentra grote invloed op de ruimte en het landschap. Grootschalige logistiek heeft ook een grote impact op het omliggende wegennet.
De provincie stimuleert de aanpak van herstructurering en verduurzaming door planvorming en uitvoering beschikbaar te maken.
Bedrijventerreinen en havens: ruimte voor een toekomstbestendige Zeeuwse economie
Zeeland staat de komende decennia voor een groeiende ruimtevraag voor economie. De ontwikkeling van het Zeeuwse haven- en industriecluster, de energietransitie, circulaire economie en inzet op strategische autonomie vragen om voldoende en passende ruimte voor bedrijven- en haventerreinen. Daarbij gaat het zowel om ruimte voor het MKB als om ruimte voor stuwende economische activiteiten van regionaal en nationaal belang.
De Provincie zet in op een toekomstbestendige ruimtelijk-economische structuur waarin economische ontwikkeling, leefomgeving, infrastructuur, energievoorziening, milieuruimte en omgevingskwaliteit integraal worden afgewogen.
Goede werk- en bedrijfslocaties zijn nodig voor een sterke Zeeuwse economie. Om de economische ontwikkeling van Zeeland te kunnen blijven faciliteren, wordt ingezet op een voldoende aanbod van bedrijven- en haventerreinen dat aansluit bij de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de Zeeuwse economie. Ruimtelijke keuzes dragen daarbij bij aan versterking van de Zeeuwse economische structuur en de maatschappelijke opgaven waarvoor Zeeland staat.
Economische ontwikkelingen worden bij voorkeur geconcentreerd op grootschalige bedrijventerreinen en locaties die aansluiten bij bestaande economische clusters, infrastructuur en energievoorzieningen. Concentratie draagt bij aan zorgvuldig ruimtegebruik, efficiënt gebruik van infrastructuur en voorzieningen en beperking van de impact op landschap en leefomgeving.
De beschikbare ruimte op bestaande bedrijven- en haventerreinen wordt zo goed mogelijk benut. De mogelijkheden hiervoor zijn echter beperkt en onvoldoende om in de toekomstige ruimtevraag te voorzien. Daarom blijft ontwikkeling van nieuwe terreinen en uitbreiding van bestaande bedrijven- en haventerreinen noodzakelijk op locaties die ruimtelijk en economisch passend zijn.
Het Zeeuwse haven- en industriecluster heeft een belangrijke functie voor de Zeeuwse en nationale economie. Het cluster speelt een belangrijke rol in de energie- en grondstoffentransitie, circulaire economie en strategische autonomie. Het provinciale beleid is gericht op clustering van havengebonden, industriële en logistieke functies binnen bestaande havengebieden, op zorgvuldig gebruik van schaarse kadegebonden locaties en op het behouden en ontwikkelen van voldoende ruimte voor de toekomstige ontwikkeling van het haven- en industriecluster.
Naast grootschalige bedrijventerreinen kent Zeeland een groot aantal kleinschalige bedrijventerreinen. Deze terreinen blijven belangrijk voor lokaal en regionaal gebonden bedrijvigheid en dragen bij aan een sterke economische structuur, werkgelegenheid en leefbaarheid in dorpen en steden. Een verdere toename van het aantal kleinschalige bedrijventerreinen is in principe ongewenst.
Vraag en aanbod van bedrijventerreinen worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd om een kwantitatieve en kwalitatieve mismatch voorkomen. Hiervoor wordt iedere vier jaar een behoefteraming opgesteld die als basis dient voor de regionale bedrijventerreinenprogrammering. Gemeenten leggen hierin afspraken vast over ontwikkeling, uitbreiding, herstructurering en fasering van bedrijventerreinen. De programmering wordt tweejaarlijks Omgevingswet Inloggengeactualiseerd om in te spelen op veranderingen in de markt.
De Provincie bevordert regionale samenwerking met gemeenten en andere partners en stuurt op een samenhangende programmering van werklocaties.
Herstructurering, verduurzaming en kwaliteitsverbetering van bestaande bedrijventerreinen blijven belangrijk en zijn noodzakelijk om verouderde bedrijventerreinen aantrekkelijk en toekomstbestendig te houden voor gevestigde en nieuwe bedrijven.
Doel is om bedrijven- en haventerreinen te ontwikkelen als toekomstbestendige werklocaties die bijdragen aan een duurzame en gezonde leefomgeving. Hierbij wordt ingezet op klimaatadaptatie, biodiversiteit, circulariteit, zorgvuldig ruimtegebruik en een goede energie-infrastructuur.
Bedrijventerreinen met speciale voorzieningen zoals een binnenhaven of loswal zijn van groot belang voor transport en logistiek. Deze locaties worden behouden en benut voor bedrijven die van deze voorzieningen afhankelijk zijn. De Provincie wil de vestiging van grootschalige logistiek en datacentra op ruimtelijk ongewenste locaties en met weinig regionale meerwaarde voorkomen. Door hun aard en omvang kunnen deze functies een grote impact hebben op ruimtegebruik, landschap, infrastructuur en leefomgeving.
Kantoren
Als uitwerking van het rijksbeleid ter voorkoming van overaanbod van kantoren, wordt selectief omgegaan met plannen voor nieuwe kantoren. In Zeeland vormt zogenaamd ‘bouwen voor leegstand’ geen probleem, omdat er alleen wordt gebouwd als er vraag is. Wel zien we dat in de bestaande voorraad de leegstand toeneemt als gevolg van verplaatsen naar nieuwbouw, dan wel door een teruglopende vraag.
De provincie streeft ernaar om investeringen in openbaar vervoer en infrastructuur optimaal te benutten. Dit betekent dat zelfstandige grootschalige kantoren zoveel mogelijk gesitueerd zijn in of direct aansluiten op de binnensteden van Goes, Middelburg, Vlissingen en Terneuzen. Ontbreken die mogelijkheden dan is vestiging aan toegangswegen naar het stadscentrum, dichtbij doorgaande wegen en aan de stadsranden bij de toegangswegen ook mogelijk. Kantoren met een publieksfunctie moeten goed bereikbaar zijn per openbaar vervoer. In de overige kernen zijn – bij voorkeur in het centrum – alleen kleinschalige kantoorontwikkelingen met een publieksfunctie en kantoren met een lokale of regionale functie toegestaan.
Aanpak ondermijning
Bij het faciliteren van economische ontwikkeling is het van belang dat de overheid integer handelt en dat ondermijnende criminaliteit wordt voorkomen. We spreken van ondermijning als er aantasting plaatsvindt van institutionele gezagsstructuren die de werking van het samenlevingssysteem borgen en sturen. Ondermijning betekent ook dat de grenzen van de onderwereld en bovenwereld vervagen. De Provincie wil een preventieve aanpak ontwikkelen, waarbij vooraf al rekening kan worden gehouden met risico’s van ondermijning en waarbij het onbedoeld faciliteren wordt voorkomen. Dit draagt bij aan een eerlijk speelveld voor bonafide ondernemers en burgers.
Zoals eerder besproken zijn de zeehavens van grote waarde voor de Zeeuwse economie. De zeehavens vormen als logistiek knooppunt echter ook een aantrekkelijke locatie voor criminaliteit. Er vindt op en om de zeehaventerreinen bijvoorbeeld cocaïnesmokkel, arbeidsuitbuiting, milieucriminaliteit, ladingdiefstal en allerlei andere vormen van criminaliteit plaats. Uit een onderzoek van TNO naar de zeehavens van Zeeland en West-Brabant (2020) blijkt dat er momenteel op meerdere niveaus kwetsbaarheden in de havens en in de aanpak van criminaliteit aanwezig zijn. Het versterken van de weerbaarheid van de zeehavens is daarom van essentieel belang.
Om te voorkomen dat de provincie malafide ondernemers/bedrijven faciliteert, past ze de Wet Bibob toe bij onder andere omgevingsvergunningen voor bouw en milieu. De Wet Bibob is een belangrijk instrument waarover de overheid beschikt in de strijd tegen ondermijning. Als er een ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning wordt misbruikt, kan de bevoegde overheidsinstantie de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning intrekken. Zo wordt voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert en wordt bovendien de concurrentiepositie van bonafide ondernemers beschermd.
19.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: De doelstellingen uit het Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050 en de Ambitie duurzame havens 2030 zijn gehaald.
Er zijn veel partijen die een bijdrage leveren aan het realiseren van deze doelstelling. Veel van hun inspanningen zijn algemeen en niet specifiek voor een van de beschreven acties.
Rolverdeling:
De EU verstrekt subsidie aan uitvoering van en communicatie over projecten binnen het North Sea Port District en Smart Delta Resources.
De provincie faciliteert samenwerking tussen bedrijven, voert lobby richting hogere overheden, financiert het delen van kennis, en faciliteert projecten op het gebied van verduurzaming.
De SER verstrekt adviezen over kansen transitie naar duurzame industrie.
De RUD brengt milieukennis in op het gebied van onder andere geluid en externe veiligheid.
De Veiligheidsregio verstrekt adviezen over veiligheid en denkt mee over nieuwe ontwikkelingen.
De Zeeuwse Milieufederatie (ZMf) communiceert over en werkt mee aan "Ambitie 2030 Duurzame havens".
Het onderwijs verzorgt opleidingen die voorzien in een behoefte van de Zeeuwse arbeidsmarkt, neemt energieneutraliteit en circulariteit op in het lespakket.
Gemeenten, bedrijfsleven en North Sea Port leveren per actie meer specifieke bijdragen.
Actie 1.1 Realiseren 50% circulaire economie.
Rolverdeling:
Het bedrijfsleven voert circulariteit door in de bedrijfsvoering.
North Sea Port werkt mee aan voorzieningen die hergebruik van afvalstof (van het ene bedrijf) als grondstof (voor het andere bedrijf) mogelijk maken ofwel faciliteert de uitvoering van Smart Delta Resources.
Gemeenten financieren of geven voorlichting aan ondernemers over de mogelijkheden voor circulariteit, stellen eisen aan of stimuleren duurzaamheid en circulariteit bij vergunningverlening aan bedrijven, faciliteren ondernemers en creëren een gunstig vestigingsklimaat.
Gemeenten en provincie oefenen invloed uit via het aandeelhouderschap North Sea Port.
Actie 1.2 Realiseren CO2-reductie in de industrie van 59% ten opzichte van 1990.
Rolverdeling:
Het bedrijfsleven voert binnen SDR het Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050 uit.
North Sea Port faciliteert binnen SDR de uitvoering van het Regioplan Smart Delta Resources 2030-2050.
Gemeenten verstrekken subsidies voor energiemaatregelen, financieren of geven voorlichting aan ondernemers over energiemaatregelen, ontwikkelen beleid rond duurzame energie, verlenen vergunningen voor duurzame energieproductie en richten bestaande en nieuwe bedrijventerreinen duurzaam in.
Actie 1.3 Doorontwikkelen North Sea Port tot slimme, innovatieve haven en katalysator voor Zeeuwse economie.
Rolverdeling:
North Sea Port ontwikkelt, naast voorgaande acties, haar havens in balans met de omgeving op duurzame en robuuste manier en waarborgt intensief ruimtegebruik door clustering van bedrijven.
Actie 1.4 Ontwikkeling havens en industrie met gezondheid als uitgangspunt en binnen de randvoorwaarden van natuur, milieu en ruimtegebruik.
Rolverdeling:
North Sea Port ontwikkelt, naast voorgaande acties, haar havens in balans met de omgeving op duurzame en robuuste manier en waarborgt intensief ruimtegebruik door clustering van bedrijven.
Gemeenten stellen een omgevingsvisie en omgevingsplan op dat aandacht besteedt aan de in de actie genoemde onderwerpen en realiseren bedrijventerreinen waar behoefte aan is.
Subdoel 2: Het Zeeuwse MKB is internationaal georiënteerd en zet de impact van maatschappelijke en technologische ontwikkelingen om in kansen.
Actie 2.1 Versterken innovatie, internationalisering en digitalisering van het Zeeuwse MKB.
Rolverdeling:
Ondernemers voelen zich betrokken bij hun directe omgeving en dragen bij aan een aantrekkelijke en sociale omgeving in hun vestigingsplaats, nemen deel aan kennistrajecten met onderwijsinstellingen rond concrete uitdagingen, omarmen de digitalisering en verbeteren hierdoor hun productiviteit en concurrentiepositie, maken gebruik van diverse Europese, landelijke en provinciale ontwikkelings- en innovatieprogramma’s, zoals het Operationeel Programma voor Zuid-Nederland (OP-Zuid), MKB-innovatiestimulering Regio en Topsectoren (MIT-Zuid), Interreg en Zeeland in Stroomversnelling.
Succesvolle bedrijven vernieuwen hun producten, diensten en processen continu.
De provincie stelt geld beschikbaar voor innovatievouchers die bedrijven helpen om op technologische en maatschappelijke veranderingen in te spelen, koppelt (Europese) beleidsdoelstellingen zoals gesteld in de Green Deal en specifieke doelstellingen met Zeeuwse doelstellingen en indicatoren, bestudeert de omgevingsimplicaties van deze doelstellingen, financiert Impuls Zeeland en Dockwize en is verantwoordelijk voor het opstellen van de Regionale Innovatie Strategie Slimme Specialisatie 2021-2027 (innovatie en valorisatie).
NV Economische Impuls Zeeland en Investeringsfonds Zeeland verzorgen het financieringsnetwerk MKB in Zeeland en bieden inzicht in de financieringsmogelijkheden.
Dockwize ondersteunt ideeën (van idee naar proof of concept) bij bedrijven en de ontwikkeling van start ups en scale ups.
Onderwijsinstellingen voeren kennistrajecten uit rond concrete uitdagingen met als doel samen met ondernemers en studenten concrete oplossingen te vinden.
Actie 2.2 Ontwikkeling van het MKB naar een circulaire economie.
In deze innovatiefase ligt de focus op de vertaalslag van bewustwording naar realisatie. Hierin spelen ketensamenwerking en stimulering vanuit de overheid een belangrijke rol. Deze ontwikkeling leidt voor het MKB tot innovatieve en andere businessmodellen.
Rolverdeling:
De provincie en gemeenten stimuleren het delen van kennis over circulaire economie.
Het regionale MKB voert innovatieve projecten uit en werkt daarbij samen in de keten. De projecten leiden tot innovatieve businessmodellen.
Subdoel 3: Bedrijventerreinen voorzien in een behoefte.
Actie 3.1: Voor bedrijventerreinen vormen zorgvuldig ruimtegebruik, een functionele en aantrekkelijke inrichting en duurzaamheid het uitgangspunt.
Het bestaande beleid op basis van de regionale bedrijventerreinprogrammering wordt voortgezet.
Rolverdeling:
De provincie verleent subsidie voor planvorming en uitvoering van verduurzaming en herstructurering van bedrijventerreinen, laat periodiek een prognose maken van de behoefte aan bedrijventerreinen (kwantiteit en kwaliteit) en neemt regels op in de omgevingsverordening over de vestiging van bedrijven en de uitbreiding van bedrijventerreinen.
Gemeenten nemen initiatief voor het verduurzamen en herstructureren van bedrijventerreinen en dragen hier financieel aan bij, maken periodiek regionale afspraken over ontwikkeling, uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen en leggen in hun omgevingsplan vast waar bedrijven zijn toegestaan.
De Veiligheidsregio adviseert over veiligheidsaspecten van bedrijfslocaties.
Subdoel 3: Voldoende en passende ruimte voor een toekomstbestendige Zeeuwse Economie
Zeeland beschikt over voldoende en passende bedrijven- en haventerreinen om economische ontwikkeling, maatschappelijke transities en versterking van de Zeeuwse economische structuur mogelijk te maken.
Actie 3.1: Economische ontwikkelingen concentreren, bestaande ruimte beter benutten en nieuwe ruimte doelgericht ontwikkelen.
Om te voorzien in de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte van de Zeeuwse economie wordt ingezet op een voldoende aanbod van bedrijven- en haventerreinen. Economische ontwikkelingen worden bij voorkeur geconcentreerd op locaties die aansluiten bij bestaande economische clusters, infrastructuur en energievoorzieningen. Bij ruimtelijke keuzes worden economische ontwikkeling, leefomgeving, infrastructuur, energievoorziening, milieuruimte en omgevingskwaliteit integraal afgewogen. Bestaande bedrijven- en haventerreinen worden ruimtelijk en economisch zo goed mogelijk benut door herstructurering, verduurzaming en efficiënt gebruik van beschikbare ruimte en milieuruimte.
Ontwikkeling van nieuwe terreinen en uitbreiding van bestaande bedrijven- en haventerreinen blijft noodzakelijk om te voorzien in de toekomstige ruimtevraag van de Zeeuwse economie, op locaties die ruimtelijk en economisch passend zijn.
In het Programma Ruimte voor Economie staan de doelen, acties en rolverdeling uitgewerkt.
Subdoel 4: Zoveel mogelijk voorkomen van het faciliteren van malafide ondernemers/bedrijven en ondermijnende criminaliteit (in de zeehavens).
Actie 4.1: Het voorkomen en bestrijden van ondermijnende criminaliteit (in de zeehavens).
Rolverdeling:
De politie, fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst, Douane en het Openbaar Ministerie zorgen primair voor opsporing van criminaliteit.
De Taskforce-RIEC (Regionale Informatie- en Expertise Centrum) Brabant-Zeeland ondersteunt het netwerk van overheidspartners. Het doel ervan is ondermijning en de daaraan verbonden criminaliteit georganiseerd en integraal aan te pakken. Netwerkpartners zijn onder meer politie, justitie, gemeenten, belastingdienst en de provincie.
De provincie voert het begin 2021 vastgestelde het Beleidsplan Aanpak ondermijning 2021-2023 uit. In het beleidsplan wordt omschreven hoe de Provincie Zeeland de komende jaren haar rol wil invullen in de aanpak van ondermijnende criminaliteit. Dit doen we aan de hand van vier programmalijnen: 1) weerbare organisatie, 2) weerbare overheid, 3) weerbare samenleving en 4) data, inzicht en onderzoek.
De gemeenten Borsele, Moerdijk, Terneuzen en Vlissingen, de Douane, het Openbaar Ministerie, de Politie, Koninklijke Marechaussee en North Sea Port en Port of Moerdijk voeren het uitvoeringsplan van het samenwerkingsverband Havendriehoek Zeeland/West-Brabant uit.
De Taskforce-RIEC ondersteunt deze partners bij de uitvoering van het samenwerkingsverband Havendriehoek Zeeland/West-Brabant uit september 2020. Dit plan omvat verschillende deelprojecten om de Zeeuwse en West-Brabantse zeehavens te versterken.
Actie 4.2: Het toepassen van de Wet Bibob om te voorkomen dat de overheid malafide ondernemers/bedrijven faciliteert.
Rolverdeling:
De provincie past de Wet Bibob toe bij omgevingsvergunningen voor bouw en milieu, maar ook bij subsidies, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten. Hoe de Wet Bibob door de provincie wordt toegepast, is uitgewerkt in het Beleidsplan Toepassing Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, Provincie Zeeland 2021 – 2023.
Gemeenten passen de Wet Bibob toe en stemmen hun beleid af in een werkgroep onder begeleiding van de Taskforce-RIEC Brabant-Zeeland.
19.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Bedrijventerreinen en bedrijfsgebouwen kunnen zo ingericht of aangepast worden dat ze geschikt worden als leefgebied voor dieren en planten én klimaatbestendig zijn.
Grote bedrijfspanden zijn geschikt voor opwekking van zonne-energie.
Bedrijventerreinen kunnen zo ingericht worden dat ze uitnodigen tot bewegen.
Bedrijvigheid wordt geclusterd op bedrijventerreinen en in havengebieden, waardoor het ruimtegebruik compact blijft.
Door herstructurering van bestaande bedrijventerreinen, kan een deel van de vraag naar bedrijfsterrein daar worden gefaciliteerd. Daardoor kan uitbreiding ten behoeve van nieuwe bedrijven (deels) worden voorkomen.
Door gerichte acquisitie van bedrijven kan een grotere bijdrage worden geleverd aan de werkgelegenheid, zijn er voordelen voor bestaande bedrijven, aansluiting op het onderwijs en aanvulling met nieuwe bedrijfstakken.
2. Werk samen en deel kosten en baten
Bedrijven kunnen zoveel mogelijk afvalstoffen van andere bedrijven als grondstof gebruiken, waardoor waarde gecreëerd wordt voor afvalstoffen.
Door samenwerking kunnen bedrijven gemakkelijker gebruik maken van subsidies en van elkaar leren, waardoor ze kosten voor innovaties (duurzaamheid, digitalisering) kunnen drukken.
Gemeenten maken afspraken over nieuwe bedrijventerreinen om het aanbod af te stemmen op de vraag.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Het MKB is betrokken bij zijn omgeving en kan daarmee helpen de kernkwaliteiten in de eigen omgeving verder te ontwikkelen.
Het MKB kenmerkt zich door vindingrijkheid (innovatieve MKB) en initiatief (jonge MKB), waarbij de meer succesvolle bedrijven de basis vormen voor de kwaliteit van leven en werken in Zeeland.
De bedrijven (in de havens) zoeken naar innovatieve oplossingen om een belangrijke positie in Europa te behouden en uit te bouwen.
Voor een duurzame en gezonde economie werken bedrijven onderling en met overheid, onderwijs en kennisinstellingen samen. Ze hebben elkaar nodig om concurrerend te blijven en duurzaam te worden.
Het concentreren van bedrijvigheid in havengebieden en op bedrijventerreinen houdt het landelijk gebied open, waardoor genieten en opladen daar mogelijk blijven.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Eén van de belangrijkste opgaven van de Zeeuwse bedrijven is de transitie naar een CO2-neutrale en circulaire economie. De CO2-neutrale Zeeuwse economie draagt bij aan een minder grote opwarming van de aarde, waardoor de leefbaarheid in Zeeland, maar ook in andere delen van de wereld, minder onder druk komt te staan. De circulaire economie vermindert vernietiging van het landschap en natuurwaarden in andere delen van de wereld waar de grondstoffen vandaan komen. Het is daarbij wel belangrijk dat het verwerken van afval tot nieuwe grondstoffen op een sociaal aanvaardbare en voor het milieu verantwoorde manier gebeurt, ook als dat elders op de wereld is.
BB
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
20.1 Doelstelling 2030
Zeeland als toeristische bestemming is in balans met haar omgeving. De vrijetijdssector is toekomstbestendig.
In 2030 is Zeeland een bestemming waar ondernemers en bewoners de maatschappelijke meerwaarde van toerisme ervaren, gasten en bewoners betekenis kunnen geven aan hun vrije tijd en toekomstbestendig ondernemerschap en landschap samengaan. Recreatie en toerisme zijn belangrijke economische dragers voor Zeeland. De vrijetijdsector draagt wezenlijk bij aan maatschappelijke opgaven en heeft een hoog voorzieningenniveau tot gevolg, zowel in de steden als in de kleine kernen. De sector draagt bij aan een prettige leefomgeving, energie- en klimaatdoelen, een passende arbeidsmarkt en aantrekken van nieuwe Zeeuwen. De vrijetijdssector heeft een wisselwerking met natuur, landschap, steden/dorpen, en aanbod van cultuur, evenementen, (onder)waterbeleving culinair aanbod, vervoer/mobiliteit en gezondheid. Het beleid richt zich op bezoekers, bedrijven en inwoners en gaat uit van de balans tussen de daarbij passende duurzaamheidswaarden: economie natuur & landschap en leefbaarheid. Vanuit deze waarden wordt aan de hand van een meerjarige kennisagenda onderzocht hoe de doelen van de Bestemming Zeeland 2030 kunnen worden behaald. Het HZ Kenniscentrum Kusttoerisme speelt hierbij een rol. Op basis hiervan ontstaat de Zeeuws brede uitvoering van de meerjarige actie-agenda voor de Bestemming Zeeland 2030 en worden kansen voor grensoverschrijdende samenwerking benut.
Recreatie en toerisme is belangrijk voor een welvarend Zeeland. Het ambitiedocument Bestemming Zeeland 2035 beschrijft het doel richting 2035 als volgt:
In 2035 is Zeeland een plek waar inwoners en gasten overal de maatschappelijke meerwaarde van recreatie en toerisme ervaren. Een provincie waar inwoners en gasten betekenis kunnen geven aan hun vrije tijd en waar toekomstbestendig ondernemerschap hand in hand gaat met de landschappelijke kernwaarden van Zeeland. Recreatie en toerisme zijn en blijven daarbij belangrijke economische dragers. Daarnaast draagt de vrijetijdssector op een hele directe manier bij aan een prettig woon- en leefklimaat voor de eigen inwoner, zowel door het bieden van vrijetijdsactiviteiten als in voorzieningen als in gezondheid. De sector draagt bij aan het behalen van energie- en klimaatdoelen, een passende arbeidsmarkt en het aantrekken van nieuwe Zeeuwen. De vrijetijdssector heeft daarbij een nadrukkelijke wisselwerking met natuur, landschap, cultuur, mobiliteit en gezondheid. Naast een economische waarde biedt recreatie en toerisme dus ook een maatschappelijke basis die bijdraagt aan de brede welvaart van inwoner en gast.
Deze doelstelling is vertaald in drie subdoelstellingen/pijlers:
Subdoel 1: Een optimale beleving van Zeeland in alle seizoenen en alle regio’s.
Subdoel 1: Het versterken van de economische, ruimtelijke en maatschappelijke positie van recreatie en toerisme in andere beleidsvelden.
Subdoel 2: De vrijetijdssector is toekomstbestendig.
Subdoel 3: De sector levert een positieve bijdrage aan de omgeving en aan de samenleving.
Subdoel 4: De essentiële onderleggers voor de Bestemming Zeeland 2030 zijn aanwezig.
Subdoel 2: Verbeteren van het vrijetijdsaanbod.
Subdoel 3: Naar een toekomstbestendige en vitale sector.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
20.2 Huidige situatie
De vrijetijdssector: economische effecten en leefbaarheid in relatie tot de prognoses
Recreatie en toerisme zijn zeer belangrijk voor Zeeland, als pijlers voor de economie, werkgelegenheid, gezondheid en leefbaarheid. Recreatie en toerisme zijn belangrijk voor brede welvaart in Zeeland.
Bijna 10% van de totale werkgelegenheid in Zeeland houdt verband met deze sector (17.950 banen). Het aantal overnachtingen ligt jaarlijks rond 21,7 miljoen (2023). Naast 12,5 miljoen dagbezoeken van voornamelijk Duitsers en Belgen, ondernemen Zeeuwen en andere Nederlanders respectievelijk 43,5 miljoen en 15.5 miljoen vrijetijdsactiviteiten. Deze verblijfs- en dagtoeristen geven in totaal jaarlijks rond de € 3 miljard uit. Geld dat niet alleen besteed wordt aan logies en horeca, maar ook binnen sectoren als (detail)handel, vervoer en zakelijke dienstverlening. De vrijetijdssector is daarmee aanjager én stabiele basis voor een goede leefbaarheid en een hoog voorzieningenniveau. Zo heeft Zeeland ten opzichte van andere provincies veel horeca, winkels en supermarkten. Mede hierdoor heeft Zeeland een aantrekkelijk vestigingsklimaat.
De verwachte toename tot 2030 van het aantal bezoekers (zowel verblijfsrecreanten als dagbezoekers) heeft een grote impact op het toerisme aan de Zeeuwse kust, steden en achterland. De vraag is hoe Zeeland wil omgaan met deze maatschappelijke uitdaging, aangezien deze ruimtelijk en sociaal van groot effect is. Inspelen op deze prognose is belangrijk willen we de huidige kwaliteit van onze leefomgeving behouden en de ingezette koers tot versterking van de kwaliteit van de Zeeuwse vrijetijdssector bereiken. Er wordt onderzoek uitgevoerd onder de inwoners van het gebied naar de balans tussen toeristische vraag, beschikbaar draagvlak en draagkracht in het traject Bestemming Zeeland 2030.
Een toekomstbestendige sector die flexibel kan inspelen op veranderingen is van belang voor inzicht in onze gasten en de impact van bezoekersstromen op natuur/landschap, economie en leefbaarheid. Door dergelijke informatie weten we of de bestemming Zeeland in balans is en welke toekomstige ontwikkelopgaven er zijn. Er is sprake van een markt die sterk onder invloed staat van externe factoren. Een ontwikkeling is dat bedrijven worden overgenomen door (internationale) investeringsmaatschappijen die zich primair richten op rendement. Dit kan ten koste gaan van de maatschappelijke meerwaarde en investeringen in de (omgevings-)kwaliteit. Bovendien kan het leiden tot meer eenvormigheid van het toeristisch product.
Een veelzijdig aanbod aan verblijf en activiteiten
Zeeland is een veelzijdig, waterrijk gebied met een grote diversiteit aan water- en landactiviteiten, voorzieningen en infrastructuur. Er is een uitgebreid netwerk van wandelknooppunten en een uitstekend fietsroutenetwerk (FIKS). (Dag)attracties en de aantrekkingskracht van de steden en culturele voorzieningen dragen bij aan de spreiding van toeristen over de provincie. Naast hun aantrekkingskracht op toeristen, voorzien deze (dag)attracties in belangrijke mate in de behoefte aan ontspanning van de lokale bevolking. De verblijfrecreatie in Zeeland is sterk gedifferentieerd. Van tent tot chalet en van hotelkamer tot strandslaaphuisjes, in elke behoefte kan worden voorzien. In de gehele sector zetten we in op een toekomstbestendige en dus duurzame sector. Eén die voorbereid is op klimaatverandering, energietransitie, anders bouwen, ander watergebruik en duurzame afvalinzameling.
Bijna 10% van de totale werkgelegenheid in Zeeland is direct aan de R&T-sector toe te schrijven (in 2025 ca 18.000 banen). Als daar ook de indirecte banen aan worden toegevoegd (toeleveranciers, dienstverlenende sector) is het een veelvoud hiervan. Het aantal overnachtingen lig in 2025 op circa 22 miljoen. Naast zo’n 20 miljoen dagbezoeken van toeristen (met name Nederlanders, Duitsers en Belgen) ondernemen Zeeuwen jaarlijks ca. 52 miljoen vrijetijdsactiviteiten. De totale uitgaven van deze bezoekers en inwoners aan toerisme en recreatie kwam daarmee in 2025 uit op ca. 4 miljard euro. Geld dat dus niet alleen besteed wordt aan logies en horeca, maar ook binnen sectoren als (detail)handel, vervoer en zakelijke dienstverlening. De vrijetijdssector is daarmee aanjager en stabiele basis voor levendigheid in de provincie, goede leefbaarheid en een relatief hoog voorzieningenniveau. Zo heeft Zeeland ten opzichte van andere provincies veel horeca, winkels en supermarkten.
20.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Een optimale beleving van Zeeland in alle seizoenen en alle regio’s.
Om de doelstelling en subdoelen van Bestemming Zeeland 2035 te concretiseren is een strategische agenda voor 2035 geformuleerd om de concrete uitvoering vorm te geven door middel van concrete acties.
Subdoel 1: Het versterken van de economisch, ruimtelijke en maatschappelijke positie van recreatie en toerisme in andere beleidsvelden.
Actie 1.1 – Kiezen voor passende doelgroepen: verbreden Zeeuwse identiteit en imago.
De Zeeuwse geografie met afwisseling van land, water, overkanten en stranden voegt aan alle voorzieningen een extra dimensie toe. Zeeland beschikt over de meest schone en veilige stranden van Europa en de stranden zijn van grote economische waarde voor de regio. Dit is echter niet vanzelfsprekend en dus moet ook voor de toekomst in worden gezet op het behoud en onderhoud van voldoende breed en droog recreatiestrand. Maatregelen ten behoeve van klimaatadaptatie dragen ook bij aan verbetering van het toeristisch product, bijvoorbeeld door verblijf tijdens een hittegolf of extreme neerslag aangenamer te maken.
Zeeland heeft een veelzijdig aanbod. De provincie scoort hoog op het gebied van (buiten)recreatie (vooral wandelen en fietsen), watersport (vooral actieve sporten, zoals kitesurfen en duiken) en gastronomie. Daarbij is de combinatie van het aantrekkelijke landschap met afwisseling tussen natuur, agrarisch landschap en historische/culturele kernen en steden, het 'decor van beleving' voor gasten (zie ook Erfgoed actie 3.1, Natuur actie 7.1 en Cultuur actie 3.2). Zeeland is geen optelsom, want het geheel is veel meer dan de som der delen. Door de Zeeuwse identiteit te verbreden wordt meer van Zeeland getoond dan alleen ‘zon, zee en strand’. Ook komen toeristische voorzieningen buiten de kustzone in beeld. Dit komt het imago van de provincie ten goede. Ondernemingen in de recreatieve sector zetten in op het behoud en versterking van het gedifferentieerde aanbod en een spreiding van gasten in zowel tijd als ruimte. Niet elke plek in de provincie is even geschikt voor ieder type bezoeker. We zetten daarom in op bezoekersgroepen die bij Zeeland en de verschillende regio’s passen. Dit bevordert het draagvlak onder inwoners. Door per gemeente of zelfs per woonplaats bewust te kiezen voor de best passende typen doelgroepen, kan een optimale beleving worden gecreëerd voor bezoekers en inwoners, aansluitend bij hun wensen en verwachtingen.
Rolverdeling:
Toeristische marketing, provincie, gemeenten en bedrijven in de vrijetijdssector verzorgen marketing en promotie in samenhang met het programma van de Toeristische Uitvoeringsalliantie (TUA)- partners (Kenniscentrum Kusttoerisme & Impuls Zeeland).
Erfgoed- en natuurorganisaties, terreinbeheerders en andere organisaties adviseren over de mogelijkheden tot beleven van de omgeving.
Rijk, provincie, waterschap, gemeenten en terreinbeheerders beschermen en onderhouden de omgevingskwaliteit (zie acties bij archeologie, landschap, milieu, erfgoed, natuur en watersysteem).
Actie 1.2 – Spreiden van toerisme in tijd en ruimte.
Om dag- en veblijfsgasten meer te spreiden over alle seizoenen en regio’s, optimaliseren we de toegankelijkheid van onze toeristische producten en diensten, zowel digitaal als fysiek. Ons gastheerschap (ook digitaal), onze mobiliteit, bereikbaarheid en toegankelijkheid zijn immers van grote invloed op de jaarrond beleving en de spreiding van toerisme over Zeeland. Zodra gasten in Zeeland arriveren, worden zij gastvrij ontvangen. Ze krijgen een groot aanbod aan activiteiten uit de verschillende regio’s waarmee Zeeland in al zijn verscheidenheid het hele jaar door te beleven is. De toeristische informatie is zichtbaar en goed vindbaar.
De R&T-sector is belangrijk voor de Zeeuwse samenleving en economie. In de komende periode willen we de R&T-sector verbinden met de gebiedsontwikkeling. Daarmee stimuleren we een nog aantrekkelijker woon- en leefomgeving en een hoogwaardiger en diverser vrijetijdsaanbod voor huidige en toekomstige Zeeuwse inwoners en bezoekers.
De recreatieve infrastructuur en toegankelijkheid van alle verschillende vormen van activiteiten en routes (wandelen, fietsen, ruiterpaden, MTB etc.) is in de basis op orde en het beheer en onderhoud, ook van de routeinformatie, is van een goede kwaliteit. De fysieke toegankelijkheid voor iedereen, ook voor mindervaliden, is vanzelfsprekend. Dit geldt niet alleen voor de kust, maar ook voor de andere delen van Zeeland. Conflicten door drukte op routes of gecombineerd gebruik door wandelaars en fietsers worden voorkomen. Dit vraagt om maatwerk omdat de problemen en oplossingen per locatie verschillen. speerpunten zijn daarom:
Voor bezoekers kan de infrastructuur de beleving op de rand van land en water versterken. Mogelijkheden daarvoor zijn lange afstand- en streekwandelen, buitendijks fietsen, vervoer over water door veerdiensten (o.a. Westerschelde Ferry), pontjes, wandelroutes in natuurgebieden en goede duiklocaties. Dit biedt ook kansen voor activiteiten voor actieve en sportieve gasten en inwoners. Tegelijkertijd wordt hiermee bijgedragen aan een gezonde leefstijl en -omgeving en waardering van de Zeeuwse natuur. Nieuwe vormen van mobiliteit tijdens het verblijf in Zeeland dragen in de vorm van ‘slimme mobiliteit’ ook bij aan verduurzaming en het terugbrengen van emissies. De slimme mobiliteit en goede (toeristische) infrastructuur op land en water leveren een bijdrage aan de spreiding van onze gasten over de provincie.V
Rolverdeling:
Benutten van koppel- en integratiekansen
Recreatie en toerisme zijn een verbindend thema met veel raakvlakken met andere beleidsvelden. De laatste decennia werd R&T vooral economisch beschouwd. De bredere maatschappelijke betekenis en koppelkansen (win-win-situaties) met andere beleidsvelden kunnen beter benut worden. Daarbij kan gedacht worden aan:
De EU, het Rijk, de provincie, Waterschap Scheldestromen en gemeenten investeren in aanleg, beheer en onderhoud van openbare infrastructuur (zie acties bij mobiliteit, transport en infrastructuur).
Wonen, leefkwaliteit en gezondheid
Bedrijven in de vrijetijdssector zorgen voor beheer en onderhoud van infrastructuur op recreatieterreinen en de aansluiting met de openbare infrastructuur.
Natuur en landschap
Terreinbeheerders zorgen met financiële ondersteuning van de overheid voor beheer en onderhoud van infrastructuur in natuurgebieden.
Kustveiligheid
Bedrijven en overheden onderzoeken en investeren in nieuwe mobiliteitsoplossingen.
Landbouw en voedseltransitie
Cultuur
Klimaatadaptatie
Subdoel 2: De vrijetijdssector is toekomstbestendig.
Actie 2.1 – Zorgen voor een toekomstbestendige sector met vitale bedrijven en ontwikkeling met kwaliteit.
Ontwikkelen en toepassen van instrumenten Ruimte voor Recreatie
Het belang van vitale bedrijven en een economisch toekomstbestendige sector is groot, omdat het economisch model van aanbieders in het vrijetijdsdomein kwetsbaar is. De uitdaging voor de periode tot 2030 is daarom om de toerismesector in Zeeland op een toekomstbestendige manier te laten ontwikkelen tot een gezonde en diverse bedrijfstak zijn met investeringsvermogen en continuïteit. De bedrijven moeten aantrekkelijk blijven voor bezoekers en inwoners en inspelen op veranderende omstandigheden in de markt en omgeving. Dit is in eerste instantie aan de ondernemers zelf, maar samen stimuleren we innovatief en toekomstgericht ondernemerschap. Voor (nieuwe) verblijfsrecreatieve ontwikkelingen gaan we hiervoor aan de hand van een ontwikkelkader uit van verschillende kwaliteitsaspecten. Deze zijn gericht op ruimtelijke kwaliteit (versterken natuur en (nieuw) landschap), economische uitvoerbaarheid en ondernemerschap (waaronder benutten lokaal DNA, gedifferentieerd aanbod voor alle doelgroepen en duurzaamheid) en sociaal-maatschappelijke bijdrage en draagvlak. Zeeland blijft aantrekkelijk voor de bestaande ondernemers, maar wordt ook aantrekkelijker voor (jong) talent van buiten de regio, zonder dat dit ten koste gaat van de lokale verankering van de bedrijven. Werken en ondernemen in de sector moet aantrekkelijker worden om daarmee de kwaliteit van de dienstverlening te verbeteren en diversiteit en continuïteit binnen de sector te bevorderen. De verwachte toename aan bezoekers en de gewenste kwaliteit van de sector, vragen aandacht voor jaarrondexploitatie en voldoende goed geschoold personeel en de huisvesting daarvan. Beschikbaarheid van kwalitatief goed geschoolde medewerkers is één van de grote uitdagingen voor Zeeland. De toeristische sector zet daarom in op een passende arbeidsmarkt, waarbij sprake is van een goede koppeling tussen onderwijs en bedrijfsleven. Daarnaast moet werken in de vrijetijdssector een uitdagend en concurrerend carrièrepad worden.
Om meer inwoners te kunnen accommoderen en bezoekers van binnen en buiten Zeeland een meer gevarieerd en gespreid vrijetijdsaanbod te kunnen bieden is letterlijk meer ruimte voor recreatie nodig. Deze ruimtevraag speelt in de directe woonomgeving, in steden en in het buitengebied. Ter illustratie: nu ondernemen Zeeuwen 52 miljoen vrijetijdsactiviteiten per jaar; de komst van nieuwe inwoners betekent een uitbreiding van dit aantal vrijetijdsactiviteiten. Binnen stedelijke uitbreidingsplannen en gebiedsplannen zou daarom rekening gehouden moeten worden met deze ruimtevraag. Slimme ruimtelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik door combinaties met andere functies zijn noodzakelijk. Hiervoor wordt, afgeleid van de landelijke Leidraad Ruimte voor Recreatie, een verkenning voor een Zeeuwse norm voor groene recreatieruimte ontwikkeld. Deze zal ook kwalitatieve richtlijnen en praktijkvoorbeelden (ter inspiratie) bevatten. Toepassing is onder andere via de gebiedenaanpak voorzien in voorbeeldprojecten en integrale gebiedsplannen.
Rolverdeling:
Impuls Zeeland, ondernemersverenigingen, TOZ, TUA, RUD Zeeland en gemeenten begeleiden en faciliteren ondernemers.
Impuls Zeeland, Kenniscentrum Kusttoerisme, provincie, gemeenten, recreatieondernemers en andere stakeholders ontwikkelen een Zeeuwse norm voor groene recreatieruimte.
Kenniscentrum Kusttoerisme, Hogeschool Zeeland en MBO Scalda ontwikkelen kennis over innovatie.
Provincie en gemeenten gebruiken deze norm in ruimtelijke afwegingen op provinciaal en lokaal niveau.
Recreatiebedrijven, EU, Rijk, de provincie en gemeenten investeren in innovatie. De provincie investeert via de Economische Agenda.
Provincie en gemeenten gaan actief aan de slag om koppelkansen ten behoeve van de doelen van de recreatiesector met andere (beleids)sectoren te verkennen en te implementeren.
Onderwijsinstellingen leiden recreatiepersoneel op door middel van (praktijk)onderwijs in samenwerking met de gehele toeristische sector.
Rijk, UWV, gemeenten en provincie ondersteunen opleidingsprojecten (zie acties onder arbeidsmarkt).
Gemeenten, ontwikkelaars, de provincie en bedrijven in de vrijetijdssector faciliteren passende huisvesting voor recreatiemedewerkers.
Bedrijven in de vrijetijdssector zorgen voor voldoende uitdagende en praktijkgerichte stageplaatsen.
Actie 2.2 – Zorgen voor divers aanbod.
De recreatiesector heeft te maken met een grotere vraag naar beleving, onderscheidende concepten, ontspanning en moderne en goed toegankelijke attracties, accommodaties en voorzieningen. Dagbezoekers en gasten komen steeds vaker voor kortere vakanties en hebben een toenemende aandacht voor (natuur)activiteiten, stadsbezoek, cultuur, streekproducten, gezondheid, etc. Dit biedt kansen tot meer vitaliteit (verbreding, rendement, bezetting etc.) en diversiteit in het aanbod van verblijf en activiteit om aantrekkelijk te zijn voor een diversiteit aan doelgroepen in alle seizoenen. Dit laatste bevordert niet alleen de spreiding van gasten in tijd (over het jaar), maar zorgt ook voor een beter toekomstperspectief voor personeel en (werk)organisatie. Kleinschaliger initiatieven, zoals bijvoorbeeld kleinschalig kamperen, boerderijwinkels of particulieren met kleinere vormen van verblijfsrecreatie of een theetuin, zijn een waardevolle aanvulling op het reguliere aanbod en kunnen een belangrijke extra inkomstenbron zijn voor met name agrarisch ondernemers. De combinatie van kamperen met het boerenbedrijf heeft ook een educatieve waarde, omdat dit meer inzicht geeft in de productie van voedsel. Een goede wisselwerking en samenwerking tussen stad en platteland is hierbij belangrijk. We benutten daarom kansen door goede en innovatieve ondernemersplannen te stimuleren die uitgaan van een divers aanbod, met toepassing van de genoemde kwaliteitsaspecten. Dit bevordert de differentiatie van het toeristisch product en voorkomt eenvormigheid en meer, uitsluitend vanuit vastgoed gedreven, verblijfsrecreatief aanbod. Kleinschalig kamperen (35 kampeermiddelen waarvan ten hoogste 20% permanent met een maximum van 5), is daarbij mogelijk. Of gemeenten van deze regeling gebruik willen maken, wegen zij zelf af. Dit is afhankelijk van draagkracht van een gebied en draagvlak onder inwoners. Verder past bij deze uitgangspunten het verbod op permanente bewoning op (uitbreidingen van) verblijfsrecreatieterreinen en de plicht tot centraal bedrijfsmatige exploitatie op (uitbreidingen van) verblijfsrecreatieterreinen. Daarnaast blijft vermenging van reguliere verblijfsrecreatie met tijdelijke reguliere huisvesting ongewenst, omdat dit ten koste gaat van het product. Huisvesting van internationale werknemers vraagt om specifiek daarvoor bestemde locaties.
Subdoel 2: Verbeteren van het vrijetijdsaanbod.
Actie 2.1
Voor een aantrekkelijke leefomgeving en vestigingsklimaat is meer variatie in het vrijetijdsaanbod nodig passend bij te identificeren doelgroepen en moet voor doelgroepen als jongeren en jonge gezinnen meer te beleven zijn. Dit maakt Zeeland ook aantrekkelijker voor de inwoner en gast van de toekomst, die meer op zoek is naar authenticiteit, kleinschaligheid en beleving. Met deze pijler wordt niet alleen ingezet op een hogere waardering bij inwoners en bezoekers, maar ook op een betere spreiding van bezoekersstromen, een groter draagvlak voor R&T en een meer jaarrond bezoek. Naast fysieke verbeteringen in het aanbod, gaat het hierbij ook om marketing en informatievoorziening.
De speerpunten binnen deze pijler zijn:
Ontwikkelen van groene recreatieruimte rond woonkernen
De meeste vrijetijdactiviteiten worden vanuit de directe woonomgeving ondernomen. Hiervoor moeten voldoende toegankelijke mogelijkheden dichtbij huis zijn voor wandelen, fietsen, ontmoeten en ontspannen. Met het oog op de aantrekkelijkheid van de leefomgeving en de voorziene groei van het aantal inwoners ligt hier een ontwikkelopgave. Deze geldt voor nieuwe woongebieden, maar ook voor (uitbreidingen binnen) bestaande kernen.
Investeren in kwaliteit en diversiteit van het vrijetijdsaanbod
Er wordt een gezamenlijk Kwaliteitshandboek Zeeuws vrijetijdsaanbod opgesteld, dat als inspiratie dient voor publieke en private investeringen. De volgende onderdelen worden in ieder geval meegenomen in het Kwaliteitshandboek vrijetijdsaanbod Zeeland:
Jaarrond aantrekkelijkheid: Vermaak en verblijf dat niet seizoensgebonden is;
Leeftijdsgroep 16-50 jaar: Specifiek aanbod voor deze groep voor de toekomst van Zeeland: winkels, uitgaansgelegenheden, cultuur en evenementen, (water)sportactiviteiten;
Leefstijlen van de inwoner en de gast van de toekomst: Specifiek aanbod afgestemd op de leefstijlen van toekomstige inwoners en bezoekers.
In het handboek wordt uitgewerkt hoe de vernieuwing van het vrijetijdsaanbod verder kan worden gestimuleerd.
Duurzame instandhouding van recreatievoorzieningen
Naast vernieuwing ligt er ook een opgave om bestaande recreatieve voorzieningen te onderhouden. Er is gesignaleerd dat het beheer en onderhoud van verschillende voorzieningen (parkeerplaatsen, vaarroutes en aanlegplaatsen, wandel- en fietsnetwerken) onder druk staat of niet adequaat geregeld is. Een precies inzicht ontbreekt. De basis moet op orde zijn en blijven: dit houdt in dat de onderhoudsstaat van alle belangrijke recreatievoorzieningen in beeld wordt gebracht en dat op basis daarvan een plan van aanpak voor duurzame instandhouding wordt ontwikkeld.
Meer en beter beleefbaar Zeeuws DNA
Zeeland heeft niet alleen een prachtige kust, maar heeft ook qua landschap, natuur en cultuur(historie) veel te bieden. Om dit Zeeuwse DNA beleefbaar te houden zijn forse inspanningen nodig:
Waardevolle landschappen en natuurgebieden worden steeds minder toegankelijk. Vanuit beheer en beschermingsoogpunt begrijpelijk, maar vanuit het perspectief van de recreant een minder wenselijke ontwikkeling. Hier ligt een uitdaging om via slimme inrichtings- en geleidingsmaatregelen en te zorgen voor passende alternatieven kwetsbare gebieden te beschermen en tegelijkertijd beleefbaar te maken of houden.
De verhaallijnen over het typisch Zeeuwse erfgoed en DNS worden verder ontwikkeld en beleefbaar gemaakt, onder meer via themaroutes, arrangementen en evenementen.
Verbeteren informatievoorziening en intensiveren bezoekersmanagement
Het verbeteren van het vrijetijdsaanbod heeft niet alleen een fysieke component, maar ook een communicatieve. Via betere informatievoorziening, marketing en gericht bezoekersmanagement gaan we hier actief mee aan de slag en willen we inwoners en bezoekers van buiten Zeeland beter informeren over (minder bekende) Zeeuwse vrijetijdsactiviteiten en -voorzieningen. Op die manier zorgen we voor een hogere belevingswaarde en betere spreiding van bezoekers in tijd en ruimte. Om dit te kunnen realiseren moet de destinatiemarketing en de R&T-informatievoorziening op Zeeuws niveau op orde zijn, inclusief doelgroepsegmentatie aan de hand van de Leefstijlvinder[2] en een goede afstemming en uitwisseling met regionale/lokale Destinatie Marketing Organisaties (DMO’s). De Zeeuwse marketingorganisatie Zeeland&Partners speelt hier een centrale rol
Waterrecreatie
Afwegingen in ruimte voor verblijfsaccommodaties
De kansen en mogelijkheden voor kwaliteitsverbetering en verduurzaming van watersportvoorzieningen (bijv. ligplekken, jachthavens, voorzieningenniveau) worden in gebiedsontwikkelingen meegenomen, zoals bijvoorbeeld voor het Veerse Meer.
Schaarse ruimte in Zeeland vergt zorgvuldige ruimtelijke afwegingen
Het streven naar een divers aanbod, de (verwachte) toenemende recreatiedruk en de behoefte aan enige ontwikkelruimte in de vrijetijdssector, in combinatie met de schaarse ruimte in Zeeland en het ruimtebeslag door andere gebruikers, vraagt om zorgvuldige afwegingen. Beleid en regelgeving op lokaal en provinciaal niveau samen met gebiedsgerichte uitwerkingen zorgen ervoor dat deze zorgvuldige afweging plaatsvindt. Op provinciaal niveau door middel van provinciaal beleid en de Omgevingsverordening. Op lokaal niveau door middel van de planologische uitwerkingen door gemeenten en gebiedsgerichte aanpak. Hiermee voorkomen we onomkeerbare en ongewenste ruimtelijke ontwikkelingen en behouden en versterken we de kwaliteiten van het Zeeuwse landschap (zie ook bouwsteen Landschap, actie 1.6). Dit vraagt een ontwikkelstrategie die rekening houdt met ruimtebehoeften in balans met onze omgevingskwaliteiten, waarbij ook wordt onderzocht of spreiding van de recreatie naar het achterland mogelijk is (zie actie 1.2). In het traject Bestemming Zeeland 2030 wordt dit verder onderzocht.
Voor de kustzone is in de Zeeuwse Kustvisie vastgelegd hoe we de Zeeuwse Kwaliteitskust beschermen, versterken en waar nodig herstellen. Deze visie is in 2022 geëvalueerd en blijft onverkort van kracht. Naar aanleiding daarvan zal leefbaarheid expliciet in de ontwikkelstrategie worden toegevoegd. De afspraken uit de Zeeuwse Kustvisie zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. De in het Ontwikkelkader Verblijfsrecreatie opgenomen en hiervoor genoemde kwaliteitsaspecten gelden ook voor de recreatie in de overige delen van Zeeland. Vanuit de evaluatie Kustvisie en de actie-agenda Bestemming Zeeland 2030 herijken we, samen met gemeenten en stakeholders, dit ontwikkelkader om het creëren van nieuwe natuur en kwalitatieve vernieuwing van het toeristische product verder te stimuleren. Dit gebeurt fasegewijs in de periode 2025-2026 in de vorm van een nieuw afwegingskader met aandacht voor een eenduidig kwaliteitsniveau en gedifferentieerd aanbod in zowel de reguliere, agrarische als particuliere sector van logiesaccomodaties.
Om de beoogde Zeeuwse Kwaliteitskust te bereiken zetten we in op een tweezijdige ontwikkelingsstrategie: beschermen, versterken en beleven van bestaande kwaliteiten (natuur en landschap, (verblijfs-)recreatie, water/strand en infrastructuur) en gebiedsgericht ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten.
Deze ontwikkelstrategie gaat uit van een integrale en gebiedsgerichte aanpak op lokaal niveau. Hierdoor ontstaat ook ruimte voor eventuele uitbreiding van aanbod, maar altijd in balans met de omgeving. Als groei van het toerisme niet in balans is met de omgeving, leidt dat immers tot lokaal afnemend maatschappelijk draagvlak. Onderdeel van deze ontwikkelstrategie is ook de inzet op klimaatbestendigheid, de stikstofopgave, energieneutraliteit en circulair/duurzaam bouwen. Het streven is dat de sector klimaatbestendig en CO2 -neutraal is en bijdraagt aan nieuwe ontwikkelingen op het gebied van klimaatadaptatie.
Logiesaccommodaties [3] – zoals hotels, campings, B&B's, vakantieparken, groepsaccommodaties - vormen een belangrijk onderdeel van het totale aanbod aan voorzieningen voor recreanten en toeristen, samen met horeca, winkels, musea, dagrecreatie, evenementen en recreatieve routes. De logiesaccommodaties zorgen ervoor dat bezoekers hier kunnen overnachten en meerdaags van onze provincie kunnen genieten. Logiesaccommodaties die nu gerealiseerd worden, bepalen het aangezicht van toeristisch verblijf en de spin-off daarvan in Zeeland voor de komende decennia. Daarom is het belangrijk dat er gezamenlijk wordt gewerkt aan logiesaanbod dat bijdraagt aan hoe wij Zeeland in 2035 en 2050 voor ons zien en dat er voor zorgt dat de kwaliteiten van het Zeeuwse landschap behouden en versterkt. Het streven naar een divers en toekomstbestendig aanbod van logiesaccommodaties in balans met haar omgeving (met factoren als toenemende recreatiedruk op specifieke plekken en draagvlak onder inwoners, behoefte aan ontwikkelruimte van bedrijven, schaarse ruimte en ruimtebehoefte van andere potentiële gebruikers) vraagt om zorgvuldige afwegingen. Op provinciaal niveau gebeurt dit door middel van Zeeuwsbreed beleid en de provinciale Omgevingsverordening. Op lokaal niveau door middel van planologische uitwerkingen en gebiedsgerichte aanpakken. Zo is voor de kustzone in de Zeeuwse Kustvisie de basis vastgelegd voor hoe de Zeeuwse Kwaliteitskust beschermd, versterkt en waar nodig hersteld wordt. De afspraken uit de Zeeuwse Kustvisie zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Er wordt ingezet op een tweezijdige ontwikkelstrategie: beschermen, versterken en beleven van bestaande kwaliteiten (natuur en landschap, (verblijfs-)recreatie, water/strand en infrastructuur) en gebiedsgericht ontwikkelen van nieuwe kwaliteiten. Specifiek voor het Veerse meer gebied is een gebiedsvisie Veerse Meer opgesteld dat ook toeziet op de ruimte voor recreatief nachtverblijf.
Zeeuwsbreed wordt er aan een afwegingskader voor logiesaccommodaties dat helpt om economische, ruimtelijke en maatschappelijke belangen in samenhang af te wegen. Dit gebeurt aan de hand van vier hoofdwaarden:
1. Economie en ondernemerschap;
2, ruimtelijke kwaliteit, natuur en landschap;
3. Milieu en duurzaamheid;
4. Leefbaarheid en impact op de leefomgeving.
We streven daarmee naar een kwalitatief sterke, gevarieerde en toekomstbestendige logiessector in Zeeland in 2035. Voor Zeeland is dit van provinciaal belang. Daarbij verschuift het accent van groei in aantallen naar kwaliteit, toegevoegde waarde en balans met de omgeving. Voor een goede toepassing ervan is samenwerking en afstemming voor de lange termijn onontbeerlijk, evenals monitoring en periodieke evaluatie. Voor de Provincie Zeeland ligt de rol en verantwoordelijkheid bij het Zeeuwsbreed kaderen van mogelijkheden via de provinciale Omgevingsvisie en – verordening. Gemeenten vertalen deze kaders in hun omgevingsplannen en toeristisch beleid en passen deze toe bij de beoordeling van initiatieven.
Rolverdeling:
Bedrijven in de vrijetijdssector en agrarische bedrijven ontwikkelen onderscheidende producten.
Impuls Zeeland, gemeenten, waterschap en omwonenden adviseren over kwaliteit van nieuwe producten.
De provincie
Provincie, gemeenten en Kenniscentrum Kusttoerisme monitoren het aanbod.
De provincie
Provincie en gemeenten reguleren omvang en diversiteit van het aanbod via omgevingsverordening, omgevingsplan en vergunningen.
De EU, het Rijk, de provincie, Waterschap Scheldestromenwaterschap, gemeenten en terreinbeheerders beschermen, en versterken de omgevingskwaliteiten en maken ze ‘beleefbaar’.
De provincie
Provincie en gemeenten verzekeren zorgvuldige ruimtelijke afwegingen middels beleid en regelgeving (omgevingsverordening, omgevingsplan en vergunningen).
Recreatieondernemers, gemeenten en alle andere belanghebbenden werken samen in een gebiedsgerichte aanpak op lokaal niveau.
Recreatieondernemers investeren in klimaatbestendig, energieneutraal en circulair ontwerp, bouw en gebruik.
Provincie, gemeenten en stakeholders werken aan een Zeeuws breedZeeuwsbreed afwegingskader voor logiesaccomodatieslogiesaccommodaties.
Impuls Zeeland, provincie en recreatieondernemers gaan samen aan de slag met de stikstofopgave.
Provincie, gemeenten, recreatieondernemers en Zeeland&Partners maken verder werk van marketing en informatievoorziening.
Subdoel 3: De sector levert een positieve bijdrage aan de omgeving en aan de samenleving.
Subdoel 3: Naar een toekomstbestendige en vitale sector.
Actie 3.1 – Effecten op leefomgeving betrekken bij recreatieve ontwikkelingen.
De leefomgeving is het fundament waarop het toerisme in Zeeland zich kan ontwikkelen. Tegelijkertijd heeft toerisme hierop allerlei effecten, zowel positieve als negatieve. Toerisme zorgt in Zeeland voor een hoog voorzieningenniveau en een goede toeristische infrastructuur, waar zowel inwoners als bezoekers van profiteren. Een goed voorbeeld is het grote aantal supermarkten per 1.000 inwoners. Toerisme zorgt echter ook, vooral aan de kust, voor (toenemende) drukte. Om de aantrekkelijkheid van Zeeland als bestemming te behouden, óók met de verwachte toename van het aantal gasten, zet de sector in op kwaliteit en flexibiliteit. Verrassende oplossingen in plaats, vorm en tijd, zorgen dat er ruimte wordt gevonden voor de toename van het aantal gasten zonder dat het ten koste gaat van de omgeving. Hierbij wordt proactief gewerkt aan de opgaven vanuit de energietransitie, klimaatadaptatie en circulaire economie. Ook is het belangrijk om gezamenlijk binnen de vrijetijdssector te voldoen aan de Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties, waardoor de leefomgeving in Zeeland verbetert. Al deze oplossingen dragen bij aan de leefbaarheid en brede welvaart. Ook bij kleinere vormen van verblijfsrecreatie, zoals de toename van het aantal particuliere verhuurders is er aandacht voor de effecten op de leefomgeving.
Rolverdeling:
Kenniscentrum Kusttoerisme, TOZ en Impuls Zeeland maken de impact inzichtelijk van toerisme op de Zeeuwse economie, leefbaarheid, het voorzieningenniveau en de samenleving.
De provincie en gemeenten benutten de onderzoeksresultaten bij ruimtelijke afwegingen.
Actie 3.2 - Inwoners van Zeeland kennen en ervaren de meerwaarde van de vrijetijdssector op de Zeeuwse samenleving.
We zorgen voor structureel en meetbaar inzicht in de impact van het toerisme op onze economie, leefbaarheid en voorzieningenniveau. Op die manier is ook voor de Zeeuwen de waarde van het toerisme duidelijk en heeft iedereen voordeel van de positieve effecten ervan. Zorgen dat een groter deel van de toeristische besteding in de plaatselijke economie blijft circuleren is een belangrijke pijler voor “stakeholderschap”. Dit bevordert het imago van onze toeristische sector en het vergroot draagvlak bij inwoners. Het is daarbij belangrijk om knelpunten die op het gebied van leefbaarheid uit onderzoek blijken, daadwerkelijk te verminderen en inwoners zo goed mogelijk te betrekken bij beleidsvorming.
De positieve effecten van het toerisme op gebied van infra, werkgelegenheid en voorzieningen, leveren een belangrijke bijdrage aan de leefbaarheid en een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Hierdoor worden inwoners en bedrijven voor Zeeland behouden en aangetrokken. In onze toeristische campagnes maken we dan ook verbindingen met onze campagnes gericht op wonen en werken.
Rolverdeling:
De recreatie- en toerismesector is in Zeeland sterk vertegenwoordigd en kent een grote diversiteit aan aanbieders: van café tot fine-dining restaurant, van hotel tot vakantiepark, van minicamping tot jachthaven, van surfschool tot dagattractie en van museum tot bioscoop. Deze brede basis vormt een belangrijke kracht van Zeeland als bestemming en leefomgeving. Tegelijkertijd staan ondernemers en organisaties binnen de sector voor ingrijpende veranderingen en opgaven die het toekomstbesteding functioneren onder druk zetten:
- Arbeidsmarkt en gastheerschap: de sector kampt met een steeds nijpender tekort aan (opgeleide) arbeidskrachten. Dit raakt direct aan een kernwaarde van Zeeland: het Zeeuwse gastheerschap. Het behoud en de versterking van gastvrijheid vragen om nieuwe manieren van werken, betere aansluiting tussen onderwijs en praktijk, aantrekkelijk werkgeverschap en het benutten van technologische ontwikkelingen, waaronder digitalisering en AI-toepassingen, om werk slimmer en efficiënter te organiseren.
- Veranderende wensen van inwoners en bezoekers: de inwoner en gast van de toekomst stellen andere eisen aan kwaliteit, beleving, comfort en flexibiliteit. Er is groeiende aandacht voor gezondheid, duurzaamheid, authenticiteit en maatwerk. Dit vraagt om vernieuwing van het aanbod en gerichte investeringen in onderscheidende, toekomstgerichte concepten die aansluiten bij verschillende doelgroepen en die bijdragen aan de leefkwaliteit van Zeeland.
- Verduurzaming en stikstof als randvoorwaarde voor ontwikkeling: verduurzaming is noodzakelijk voor de toekomst van de sector. Ondernemers staan voor grote opgaven op het gebied van energieverbruik, circulariteit, water, mobiliteit en klimaatadaptatie. De gezamenlijke aanpak van de stikstofproblematiek een belangrijks aandachtspunt.
- Regeldruk: de sector ondervindt een toenemende regeldruk. Dit zorgt voor een toenemende tijdbesteding en minder snelle ontwikkeling in de sector. Aandacht voor een verminderde regeldruk is essentieel.
Dit leidt tot de volgende strategische speerpunten voor de komende periode:
Stimuleren ondernemerschap en innovatie
De samenwerkende partners in Zeeland zetten in op een doorontwikkeling en vernieuwing in de R&T-sector. Hierbij wordt een link gelegd met de verbetering van het vrijetijdsaanbod. Deze doorontwikkeling en vernieuwing is noodzakelijk om landelijk marktaandeel te behouden en kansen op jaarrond-bezoek te benutten. Om dit te kunnen bereiken is een groei in ondernemerschap en innovatiekracht nodig. Samen met intermediaire organisaties (zoals Impuls Zeeland en KCKT) wordt het huidige stimulerings-instrumentarium (netwerkontwikkeling, subsidieregelingen, Fonds Vrijetijdseconomie, nieuwe businessmodellen etc.) onder de loep genomen en wordt ingezet op een verbetering van de effectiviteit hiervan. Ingezet wordt daarnaast op actieve planbegeleiding om sneller en met meer succes aan wet- en regelgeving (omgevingsplan, vergunningen) te kunnen voldoen. Voor specifieke groepen (bijv. familiebedrijven) en onderwerpen (bijv. bedrijfsopvolging, mogelijkheden AI en digitalisering) wordt daarbij gewerkt aan een gerichte ondersteuningsaanpak, waarbij het bieden van experimenteerruimte voor innovatieve concepten een mogelijkheid is.
Voor een effectieve aanpak is het ook nodig om een scherp beeld te hebben van de kwaliteit van het huidige aanbod.
Verduurzaming als kompas
Ingezet wordt op een verdere verduurzaming in de recreatiesector. Niet alleen omdat dit een randvoorwaarde is voor een toekomstbestendige bedrijfsvoering, maar ook omdat de sector zich op dit vlak kan onderscheiden. Het bestaande verduurzamingsprogramma wordt geïntensiveerd. Daarbij wordt gefocust op drie thema’s:
1. Energietransitie.
2. Klimaatadaptatie.
3. Natuurinclusief ondernemen.
Daarnaast wordt in verbinding met deze thema’s Zeeuws-breed gewerkt aan werkbare oplossingen voor de stikstofproblematiek.
Actieplan arbeidsmarkt en productiviteit
De concurrentiepositie van de R&T-sector ten opzichte van andere sectoren is niet sterk, terwijl het belang van goed personeel voor de waarde van het toeristisch product groot is. De kwaliteit van gastheerschap en hospitality wordt voor een groot deel door de personele factor bepaald. Samen met onderwijs en andere partners in de arbeidsregio wordt aan de slag gegaan om het personeelstekort aan te pakken en wordt ingezet op een hogere productiviteit in de sector, met behoud van een hoge kwaliteit van gastheerschap. De aanpak bestaat uit verschillende lijnen:
Zeeland Marketing verbindt toeristische marketing en promotie met wonen en werken.
Modern werkgeverschap: aantrekken van nieuwe generaties met opleidingen, loopbaanperspectief en innovatieve werkvormen.
Aantrekkelijk sector: de sector aantrekken maken voor jonge professionals en ondernemers door slimme marketing, netwerkversterking en leer-werkcombinaties.
De provincie en gemeenten benutten de onderzoeksresultaten bij ruimtelijke afwegingen.
Verhogen van productiviteit: meer en betere inzet van nieuwe technologieën en benutten van AI-mogelijkheden, versnelde toepassing van toepassing van voorbeelden van koplopers.
Subdoel 4: De essentiële onderleggers voor de Bestemming Zeeland 2030 zijn aanwezig.
Slimme mobiliteitsoplossingen
Een aantal onderleggers is essentieel om de ambities rondom de beleving van Gastvrij Zeeland, een toekomstbestendige toeristische bedrijfstak en een goede leefomgeving te bereiken. Dit gaat niet zonder kennis en monitoring, organiserend vermogen en grensoverschrijdende samenwerking.
Actie 4.1 – Doorontwikkelen kennis en monitoring
Voor een bewuste bestemming Zeeland is inzicht in de aard en omvang van de vraagstukken voor Zeeland nodig. Tot op heden is er nog onvoldoende (structureel) inzicht in de vrijetijdssector. Daarom zet de sector in op een krachtige kennisinfrastructuur rondom toerisme. Zo krijgen we meer kennis over behoeften en motieven van bezoekers, de ontwikkeling van toerisme in Zeeland, de maatschappelijke betekenis en de effecten op de leefomgeving en van beleidskeuzes. Dat maakt waar nodig bijsturing mogelijk om de bestemming Zeeland in balans te houden, zowel wat betreft leefbaarheid, natuur & landschap als economie. Toerisme-onderzoek en -beleid zijn daarmee op elkaar afgestemd, zodat het omgevingsgerichte beleid uitgaat van zowel bezoekers, bedrijven als inwoners. Onderzoeksresultaten worden gedeeld, waardoor de kennis bij alle stakeholders (ondernemers, ambtenaren, politiek, inwoners) toeneemt.
Voor een aantrekkelijke woon- en leefomgeving zijn betere en snellere verbindingen binnen Zeeland noodzakelijk. De mobiliteit tussen kustgebieden en het achterland is beperkt, waardoor de meeste bezoekers in de kustgebieden blijven ‘hangen’, wat druk op de omgeving zet. Een betere kust-achterland verbinding is niet alleen een middel om de toeristen meer te spreiden, maar biedt ook voordelen voor lokale inwoners. Daarnaast zijn er nu veel vervoersbewegingen met eigen, niet duurzaam vervoer van en naar toeristische en recreatieve bestemmingen in Zeeland. De toename van vrijetijdsactiviteiten (meer inwoners en bezoekers) maakt de mobiliteitsopgave alleen maar groter. De ambitie is dat er voldoende duurzame vervoersmogelijkheden zijn om Zeeland te ontdekken, zodat iedereen de auto vaker laat staan. Mogelijkheden van duurzaam vervoer worden gekoppeld aan gemak en Zeeuws gastheerschap.
Rolverdeling:
Kenniscentrum Kusttoerisme, HZ, HZ Kenniscentrum Zeeuwse samenleving en MBO Scalda ontwikkelen een krachtige kennisinfrastructuur voor kennis en monitoring van de vrijetijdssector.
De provincie en gemeenten benutten de kennisinfrastructuur om beleid te actualiseren.
De provincie faciliteert en draagt financieel bij.
Actie 4.2 – Versterken organiserend vermogen
Participatie van alle stakeholders, inclusief inwoners, is een belangrijke pijler van de Zeeuwse Omgevingsvisie. Het is noodzakelijk de belangen van de verschillende partijen goed te borgen en af te wegen. Een goed voorbeeld hiervan is het gezamenlijk en integraal realiseren van de gebiedsontwikkelingen en –visies en regionaal maatwerk in ontwikkelruimte en -mogelijkheden. We zetten daarom in op een daadkrachtige en goed functionerend innovatie- en kennisnetwerkstructuur. Deze structuur vormt een samenhangend geheel van activiteiten vanuit overheden (zowel provinciaal als lokaal), ondernemers en kennispartijen. Deze partijen trekken gezamenlijk op, werken samen en verbinden de thema’s uit deze Zeeuwse Omgevingsvisie voor de genoemde doelgroepen (gasten, bedrijven en inwoners). In een samenhangende en structureel opgezette organisatiestructuur geven zij vorm aan de uitvoering van deze Omgevingsvisie en het ambitiedocument Toekomstbeeld Bestemming Zeeland 2030. De vrijetijdssector is hiervoor goed vertegenwoordigd in de relevante gremia, met de juiste expertise aan tafel.
Samenwerking over de provinciegrenzen en het benutten van de kansen in Europese programma’s, bieden hierbij mogelijkheden voor versterking en financiering van de gezamenlijke toeristische ambities. Dit geldt voornamelijk voor de gebieden innovatie, kwaliteitsverbetering en realisering van de maatschappelijke en verduurzamingsopgaven.
Rolverdeling:
Alle betrokken partijen committeren zich aan de Zeeuwse Omgevingsvisie en het gezamenlijke Toekomstbeeld Bestemming Zeeland 2030 en voeren de hiervoor benoemde acties uit.
Impuls Zeeland, ondernemersverenigingen, TOZ, TUA, provincie en gemeenten begeleiden en faciliteren ondernemers.
Kenniscentrum Kusttoerisme, Hogeschool Zeeland, MBO Scalda, Dockwize e.a. ontwikkelen kennis over innovatie.
Recreatiebedrijven, EU, Rijk, provincie en gemeenten investeren in innovatie.
Alle betrokken partijen investeren in internationale samenwerking.
Onderwijsinstellingen leiden recreatiepersoneel op door middel van (praktijk)onderwijs in samenwerking met de gehele recreatief-toeristische sector.
Overheden en ondernemers benutten de mogelijkheden van Europese programma’s en zorgen voor cofinanciering.
Rijk, UWV, provincie en gemeenten ondersteunen opleidingsprojecten.
Het Rijk en de regio werken via de Omgevingsagenda Zuidwest intensief samen aan grensoverschrijdende samenwerking in de kustzone.
Gemeenten, ontwikkelaars en bedrijven in de vrijetijdssector faciliteren passende huisvesting voor recreatiemedewerkers indien noodzakelijk.
Bedrijven in de vrijetijdssector zorgen voor voldoende uitdagende en praktijkgerichte stageplaatsen.
20.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Kwaliteitsverbetering en vervanging van bestaande bedrijven in de vrijetijdssector heeft voorrang boven ontwikkeling van nieuwe locaties.
2. Werk samen en deel kosten en baten
Bijdragen aan klimaatadaptatie en energietransitie door energiebesparende maatregelen, opwekking van duurzame energie en waterbuffering op verblijfsrecreatieterreinen.
Verbetering en uitbreiding van natuur- en landschapswaarden en de mogelijkheden om de natuur te beleven dragen bij aan verbetering van het recreatief product.
Bij het oplossen van knelpunten in aandachtsgebieden kunnen mogelijkheden ontstaan voor nieuwe ontwikkelingen in de water- of verblijfsrecreatie, horeca, of dagattracties. Ook kunnen tijdelijke bestemmingen innovatie en verdienmodellen zonder vastgoed huisvesten.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten
Recreatie en toerisme bieden een onderscheidend product door aan te sluiten bij de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld
Veiligstellen, robuuster maken en ontwikkelen van het Zeeuwse Natuurlijk Kapitaal, als belangrijkste onderscheidende factor is essentieel zodat toekomstige generaties hier van kunnen blijven genieten en van kunnen leven.
De Sustainable Development Goals van de Verenigde Naties zijn een goed uitgangspunt voor de toeristische sector, bijvoorbeeld om te zorgen voor het reduceren van verbruik van grondstoffen (circulaire economie). Zo kan men denken aan circulair bouwen, maar ook aan andere circulaire bedrijfsprocessen en -modellen.
CC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
21.1 Doelstelling 2030
Binnen Zeeland is de hoofdinfrastructuur op orde.
Het doel is een mobiliteitssysteem (voor zowel personen als goederen over de weg), waarbij de steden goed bereikbaar zijn vanaf de hoofdwegen. Het onderliggende wegennet is hiermee verknoopt en biedt voor verschillende modaliteiten ruimte. De havens en industriegebieden zijn tevens multimodaal onderdeel van het mobiliteitssysteem. Buisleidingen verbinden industriële clusters, binnen en buiten de provincie. Een systeem van buisleidingen voor bijvoorbeeld het transport van koolstofdioxide en waterstof in de Kanaalzone en het Sloegebied draagt bij aan de ambities om te komen tot een klimaatneutrale haven.
Subdoel 1: De capaciteit van de weginfrastructuur is voldoende om de verwachte toename van het verkeer op te vangen.
Subdoel 2: De industriegebieden en steden zijn multimodaal ontsloten via weg, water, spoor en buisleidingen.
Subdoel 3: De capaciteit van het elektriciteitsnet is vergroot om de energietransitie te faciliteren.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
Hoofdwegen personen- en vrachtverkeer
Het wegennet in Nederland wordt hiërarchisch gecategoriseerd in onderscheidenlijk stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen. Dit gebeurt aan de hand van het kader Duurzaam Veilig, zoals opgesteld door het landelijke kennisinstituut CROW en toegepast door wegbeheerders. De verkeersfunctie en vormgeving van de Zeeuwse wegen worden met elkaar in lijn gebracht, zodat recht wordt gedaan aan het gebruik daarvan. Dit gebeurt door de Zeeuwse wegbeheerders in onderlinge afstemming.
Voor Zeeland is de wegencategorisering voor zowel binnen als buiten de bebouwde kom uitgewerkt in een zogenaamd wegencategoriseringsplan. Aan de hand van dat plan kan weginfrastructuur vervolgens worden ingericht in lijn met de Basiskenmerken Wegontwerp, eveneens van het CROW. De hoofdwegen, zoals de A58, N256, N57, N59, N61 en N62, dienen voldoende capaciteit te hebben om de in 2023 aanwezige intensiteiten te verwerken.
Het onderliggend wegennet van het landelijke gebied krijgt daarnaast continu aandacht om verbeteringen aan te brengen conform de richtlijnen ten behoeve van verkeersveiligheid en, indien nodig, doorstroming. De gemeenten werken binnen hun bebouwde kommen aan kwaliteit en verkeersveiligheid van hun infrastructuur. Een afgeleid doel is om het autogebruik van woon-werkverkeer voor een deel via de (snelle) fiets een volwaardig alternatief te bieden. Daarvoor wordt toegewerkt naar een Zeeuws breed netwerk van doorfietsroutes.
De benutting van de infrastructuur is in 2030 op orde en de verkeersveiligheid is toegenomen door toepassing van de mogelijkheden van talking traffic, slimme verkeerslichten (iVRI’s), benutting van rijtaakondersteuning, gedragsverandering (zoals onderwijs- en werkgeversaanpakken), autonoom rijden, autonoom varen en modal shift van personenvervoer (toeristische mobiliteit).
Tevens worden gevaarlijke stoffen, voor zover alternatieve tracés beschikbaar zijn, zo min mogelijk door woongebieden vervoerd. Risico’s bij transport worden zoveel mogelijk beperkt. De infrastructuur is op moderne en betrouwbare wijze verbeterd zodat er geen emissie plaatsvindt. Ook zijn verdere infrastructurele maatregelen getroffen zoals die volgen uit de risico gestuurde aanpak van het Zeeuwse Uitvoeringsplan SPV 2030 (Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030). Voor het bovenstaande vormt de (geactualiseerde) wegencategorisering een belangrijke leidraad.
Vaarwegen
De meeste vaarwegen in de Provincie Zeeland zijn geschikt voor binnenvaartschepen (container- en duwvaart) van minstens 4.500 ton. Hiermee vormen de Zeeuwse vaarwegen een onderdeel van de verbinding Rotterdam – Parijs. Het Kanaal door Walcheren wordt door de provincie beheerd.
Vanuit de Europese Unie is, aan de hand van een in juni 2019 in werking getreden Implementing Act, het doel gesteld om in 2030 de verbinding Seine – Schelde gereed te hebben als onderdeel van het moderne vaarwegennetwerk. De realisatie van de nieuwe zeesluis bij Terneuzen draagt bij aan een verbeterde binnenvaartverbinding naar Vlaanderen en het noorden van Frankrijk tot aan Parijs.
Spoorwegen
De bestaande spoorwegen worden uitgebreid om tussen Zeeland en aangrenzende provincies, binnen en buiten Nederland, een multimodale transportcorridor te faciliteren en duurzaam te laten groeien.
In 2030 wordt de Zeeuwse Lijn door twee treinverbindingen met de Randstad en Noord-Brabant gebruikt. De in 2021 opgestarte nieuwe intercityverbinding van en naar de Randstad heeft zijn nut bewezen en is een vast onderdeel van de landelijke dienstregeling geworden. De kleine en grote stations blijven door sprinters binnen Zeeland en richting West-Brabant met elkaar verbonden. Een versnelling Zeeland – zuidelijke Randstad via de sprinters blijft het doel. De grote stations zijn daarnaast mobiliteitsknooppunten, zodat ook vanaf hier robuuste noord-zuid gerichte HOV-lijnen (dat staat voor Hoogwaardig Openbaar Vervoer) functioneren. Verder is de nieuwe spoorlijn voor goederenvervoer Gent – Terneuzen (RGT) in 2030 gerealiseerd, die mogelijk ook kan worden gebruikt voor personenvervoer. Bij het ontwerp van de verbinding wordt zorgvuldig omgegaan met effecten op mens en omgeving. Ook wordt de mogelijkheid voor een directe spoorverbinding tussen Zeeland en Antwerpen onderzocht (Veza).
Provincie Zeeland beschouwt laadpleinen voor zwaar materieel als een essentieel onderdeel van de verduurzaming van mobiliteit en economische activiteiten. Door de hoge vermogensvraag en de ruimtelijke impact is een zorgvuldige ruimtelijke afweging noodzakelijk. De provincie richt zich op:
Laadinfrastructuur voor onderweg (corridors): Snelladers langs belangrijke provinciale wegen, bij voorkeur op bestaande mobiliteitslocaties zoals tankstations of logistieke knooppunten.
Laadinfrastructuur voor bestemmingsverkeer: Laadvoorzieningen op locaties waar ritten starten of eindigen, zoals carpoolterreinen, P+R‑locaties en bedrijventerreinen.
Buisleidingen
Voor CO2-CO2- reductie doelstellingen van de industrie zijn buisleidingen essentieel. In 2019 is de noodzaak voor grootschalige buisleidinginfrastructuur in en om het havengebied onderzocht (project CUST). Voor het Zeeuwse havencluster is behoefte aan met name infrastructuur voor transport van CO2 CO2 en waterstof, maar er zullen ook leidingen nodig zijn voor synthetische nafta en warmte. Er zijn tracés getekend waar deze buisleidingen het best kunnen komen. De provincie zet zich in voor planologische en juridische borging van de tracés, ook grensoverschrijdend. In 2030 is in het havengebied van North Sea Port het buisleidingnetwerk, dat tussen bedrijven vloeistoffen en gassen uitwisselt (circulair/klimaat) uitgebreid. Ook zal het buisleidingnetwerk vanuit het havengebied aansluiten op buiten de provincie gelegen industriële clusters (nationaal en grensoverschrijdend).
Elektriciteitsnet
Binnen Zeeland is het hoofdnetwerk in 2030 op orde. Door verduurzaming van de industrie (energietransitie) ontstaat wel een verzwaring en of uitbreiding van het elektriciteitsnet, met name via hoogspanning van 150 kV en 380 kV verbindingen. Dit is een continu aandachtspunt. Zeeland zal fungeren als stopcontact voor offshore windmolenparken.
Vliegvelden en luchtvaart
Vanaf vliegveld Midden Zeeland wordt per helikopter naar offshore windmolenparken gevlogen. In het algemeen geldt dat helikopters en vliegtuigen niet onnodig over stedelijk gebied mogen vliegen.
21.2 Huidige situatie
Dit is het huidige hoofdnetwerk infrastructuur in Zeeland (kaart wordt nog aangevuld, met buisleidingen):
Naast het hiervoor beschreven
In Zeeland bestaat het hoofdnetwerk infrastructuur in Zeeland sluit erweginfrastructuur uit de Rijkswegen A58, N57/N59 en N61. Ook de noord-zuid verbinding tussen de grens met Vlaanderen en Zierikzee via de N62 en N256 heeft een bovenregionale verbindende functie. Op het Zeeuwse netwerk sluit een aantal hoofdwegen aan op de provincie die tevens relevant zijn binnen dit netwerk. Dat zijn de Rijkswegen A4, A15, A17, en de Vlaamse wegen A11, Expressweg E34 en R4. Daarnaast zijn er relevante vaarwegen, zoals Volkerak, Hollandsch Diep, Dordtsche Kil, Oude Maas (verbinding met haven Rotterdam). Ook het spoor richting West-Brabant en verder naar de Randstad is een relevante verbinding.
Trends en ontwikkelingen
Zeeland kent een hoofdnetwerk infrastructuur van hoofdwegen, vaarwegen, railwegen, kabels en leidingen en een klein vliegveld. Dit netwerk heeft verbindingen met rijkswegen, Vlaamse netwerken, vaarwegen naar de Rotterdamse haven en treinverbindingen naar Brabant en de Randstad. De ontwikkelingen van autonoom en elektrisch rijden en varen en Mobility as a Service (MaaS) zullen mogelijk effect hebben op het gebruik en de inrichting van weginfrastructuur. Een provinciedekkend systeem van laadpunten voor elektrisch rijden wordt nagestreefd. Versterking van de transportcorridor Rotterdam – Antwerpen is noodzakelijk. Er is een toenemende behoefte van transport van vloeibare en gasvormige goederen in plaats van traditionele vormen.
De bereikbaarheid en doorstroming van het wegverkeer zijn de afgelopen decennia aanzienlijk verbeterd door diverse projecten, zoals de Westerscheldetunnel, Sluiskiltunnel, verdubbeling van de Sloeweg en Tractaatweg.
Zeker tot 2030 zal in Zeeland het verkeer op de weg toenemen door de (beperkte) groei van de bevolking, het toerisme en het wegtransport. Over het woon-werkverkeer zijn lastig uitspraken te doen. Als gevolg van de coronapandemie heeft het thuiswerken wel een sterke ontwikkeling doorgemaakt. Dit heeft zijn weerslag op de omvang van het woon-werkverkeer, dat duidelijk is afgenomen. Anno 2021 valt nog niet te zeggen of dat effect blijvend is. Nieuwe technieken als 5G maken thuiswerken in de nabije toekomst voor diverse kantoor gerelateerde sectoren nog gemakkelijker. Afwisselend thuis en op kantoor werken, ligt vooralsnog het meest voor de hand. Andere technieken en instrumenten zoals deelauto’s en toepassing van mobility as a service kan het autogebruik verminderen.
De verkeersdrukte op de A58 en knooppunt A58/A4 (Markiezaat) neemt toe door het grotere aantal verkeersbewegingen. Incidenten en piekdagen leiden tot grote verstoringen omdat de infrastructuur naast het hoofdnetwerk deze rol slechts beperkt kan overnemen. Zeker voor hulpdiensten kan dit problematisch zijn. Ook bij grote incidenten zijn de vluchtroutes (vanuit Zeeland) beperkt. Een ander aandachtspunt is de noord-zuidroute door het midden van Zeeland via Zierikzee en Goes. Het structureel verbeteren van de doorstroming en verkeersveiligheid op de N256 (Deltaweg) en N59 is noodzakelijk.
De energietransitie zal zorgen voor een grotere elektrificatie van de industrie en gebouwde omgeving en een verandering naar andere grondstoffen (meer circulair, meer biobased producten, groene waterstof, etc.) Dit heeft zijn effect zowel voor 2030 als tussen 2030 en 2050 op transport en infrastructuur. Het hoofdnet elektriciteit (150 kV en 380 kV) is momenteel niet toegerust op de opgave rondom energietransitie. Naast versterkingHet elektriciteitsnetwerk in Zeeland wordt verzwaard en uitgebreid. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de aanleg van de lijn boven de Westerschelde, is ookeen 150 kV-verbinding naar Tholen en Schouwen-Duiveland en een nieuwe 380 kV-verbinding innaar Zeeuws-Vlaanderen nodig. Ook worden bestaande stations verzwaard door het vergroten van capaciteit. De nationale en regionale netbeheerders zijn hiervoor verantwoordelijk.
Er zijn veel verschillende ontwikkelingen gaande binnen provincie Zeeland op het gebied van de energietransitie. Toename van op- en overslag en vervoer van gevaarlijke stoffen (over weg, water en via het spoor) is hierdoor niet meer uit te sluiten. Transport van waterstof, ammoniak en andere waterstofdragen zoals LOHC (Liquid Organic Hydrogen Carriers) vragen om nieuwe richtlijnen op het gebied van veiligheid.
De Rijksoverheid gaat over nieuwe richtlijnen als het gaat over het vervoer en transport van gevaarlijke stoffen. De Provincie neemt deel aan stakeholders overleggen die het Rijk houdt ten behoeve van het ontwikkelen van nieuwe richtlijnen. Inzet is om minder vervoer van gevaarlijke stoffen via het huidige spoor in Zeeland te hebben door dorpen en steden heen. Het uitgangspunt is dat vervoer van gevaarlijke stoffen zo min mogelijk over spoor door bewoonde gebieden gaat. Alternatief is via buisleidingen of over water.
Daarnaast starten weis in 2024 met het uitvoeren van een omgevingsverkenning2025 een omgevingsverkenning naar waterstof(dragers) uitgevoerd. Een omgevingsverkenning kan de veiligheidsgevolgen en de risico’s die de toename van transport van gevaarlijke stoffen met zich mee brengt, in kaart brengen.
Ook bestaat een toenemende behoefte aan alternatieven vormen voor transport van vloeibare goederen (vloeistoffen/gassen) en dit vraagt om aanpassing en uitbreiding van de buisleidinginfrastructuur.
Provincie Zeeland, North Sea Port en Smart Delta Resources zijn een haalbaarheidsonderzoek naar de aanleg van een ammoniakbuisleiding gestart.
Het goederenvervoer (inclusief transport gevaarlijke stoffen) door vrachtwagens neemt al jaren toe. Het parkeren van vrachtwagens dient gefaciliteerd te worden. Dit maakt deel uit van planvorming voor een 'Central Gate' voor het Sloegebied ter hoogte van Vlissingen-Oost en er komt mogelijk een locatie in Zeeuws-Vlaanderen.Meer dan 58% (in 2019) van het transport in Zeeland gaat via binnenvaartschepen. Met de uitbreiding van de capaciteit van de Volkerak- en Krammersluizen is een belangrijk knelpunt verdwenen.
Het transport per spoor is in Zeeland nog gering van omvang (10% in 2019). Dat heeft o.a. te maken met twee knelpunten, namelijk met de missende directe verbindingen met Antwerpen (Veza) en Gent (RGT). Er is wel een toename te verwachten van het vervoer gevaarlijke stoffen over weg, spoor en vaarwegen.
Verdere verwachtingen zijn een doorontwikkeling van bedrijvigheid en modal shift Kanaalzone (Rail Gent – Terneuzen, fietssnelweg Zelzate – Terneuzen). Daarnaast een toenemende aandacht voor milieukwaliteit, leefbaarheid, duurzaamheid, circulariteit en klimaatadaptatie. De vitale infrastructuur moet klimaatbestendig worden gemaakt.
21.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: De capaciteit van de weginfrastructuur is voldoende om de verwachte toename van het verkeer op te vangen.
Subdoel 1: De capaciteit van de weginfrastructuur is voldoende om de verwachte toename van het verkeer op te vangen.
Actie 1.1 - Inrichting hoofd- en onderliggend wegennet conform actueel wegencategoriseringsplan.
Rijkswaterstaat, Provincie, waterschap, gemeenten en North Sea Port zijn de beheerders van het wegennet in Zeeland. Het waterschap heeft in Zeeland veruit de meeste wegen in beheer en onderhoud. Goed wegbeheer is een voorwaarde voor optimale benutting van de capaciteit van de wegen in Zeeland.
Rolverdeling:
Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor beheer van de rijkswegen (A58, N57, N59 en N61).
De Provincie, Waterschap Scheldestromen en gemeenten zijn beheerders van de regionale en lokale wegen.
North Sea Port is verantwoordelijk voor de wegen in het havengebied.
De wegbeheerders monitoren de verkeersintensiteit en nemen indien nodig maatregelen om doorstroming en verkeersveiligheid te verbeteren.
De wegbeheerders ontsluiten bestaande grootschalige bedrijventerreinen, binnenhavens en winkelcentra via het kwaliteitsnet goederenvervoer.
De wegbeheerders hebben een Kwaliteitsnetwerk Landbouwverkeer Zeeland opgesteld voor de afwikkeling van agrarisch verkeer.
Initiatiefnemers of overheden investeren in aanpassing van de infrastructuur als bijkomend extra verkeer niet past bij het bestaande infrastructurele netwerk.
Weggebruikers kunnen door goed weggedrag bijdragen aan verkeersveiligheid en doorstroming op alle wegen.
Actie 1.2 - Verbeteren fietsverbindingen voor de korte afstand.
Rolverdeling:
De provincie, Waterschap Scheldestromen en gemeenten zijn beheerders van de regionale en lokale wegen met bijbehorende fietspaden.
De provincie vervult een coördinerende rol met gemeenten en waterschap voor het verbeteren van de fietspaden in de hele provincie, zodat aangesloten wordt op huidige trends en ontwikkelingen. Vanuit het landelijke Uitvoeringsprogramma Tour de Force vindt daarbij ondersteuning plaats.
Subdoel 2: De industriegebieden en steden zijn multimodaal ontsloten via weg, water, spoor en buisleidingen.
Actie 2.1 - Beheer, onderhoud en uitbreiding capaciteit waterwegen.
Rolverdeling:
Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor beheer van de rijkswaterwegen.
Rijkswaterstaat, provincie, North Sea Port, Waterschap Scheldestromen en gemeenten zijn beheerders van de waterwegen.
RUD enVeiligheidsregio adviseren over veiligheid voor mens en omgeving.
Actie 2.2 - Beheer, onderhoud en uitbreiding capaciteit spoorwegen.
Rolverdeling:
ProRail is verantwoordelijk voor aanleg, beheer en onderhoud van het spoornet.
Het Rijk, Vlaanderen, de provincie, gemeenten en North Sea Port werken samen aan verbetering van de spoorverbinding in de Kanaalzone (RGT) en onderzoeken de realisatie van een directe verbinding tussen de Zeeuwse lijn en Antwerpen (Veza).
RUD en veiligheidsregio adviseren over veiligheid voor mens en omgeving.
Actie 2.3 - Beheer, onderhoud en uitbreiding capaciteit buisleidingenstelsel.
Rolverdeling:
Het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor aanleg en exploitatie van buisleidingen.
RUD en Veiligheidsregio adviseren over veiligheid voor mens en omgeving.
Leidingenstraat Nederland beheert de landelijke Buisleidingenstraat.
Subdoel 3: De capaciteit van het elektriciteitsnet is vergroot om de energietransitie te faciliteren.
Actie 3.1 - Beheer, onderhoud en uitbreiding elektriciteitsnet.
Rolverdeling:
Het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor aanleg en exploitatie van het elektriciteitsnet.
Netbeheerder Tennet zorgt voor aanleg, beheer en onderhoud van het hoogspanningsnet, reguleert afstemming van vraag en aanbod en de koppeling met het Europese netwerk.
RUD en Veiligheidsregio adviseren over veiligheid voor mens en omgeving.
De Provincie borgt de landschappelijke inpassing van laadpleinen voor zwaar materieel.
21.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Het bestaande infrastructuurnetwerk is in veel gevallen leidend voor nieuwe ontwikkelingen. Door concentratie van bijvoorbeeld bedrijvigheid, detailhandel en wonen, neemt de noodzaak voor nieuwe aanleg van infrastructuur af en daarmee het ruimtebeslag. Daarnaast wordt bestaande infrastructuur beter benut. In de Omgevingswet is dat vastgelegd in artikel 4.2 lid 1, waarbij is bepaald dat door een gemeente voor haar grondgebied regels worden gesteld ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Door bundeling van nieuwe infrastructuur met bestaande boven- en ondergrondse infrastructuur wordt ruimte bespaard.
2. Werk samen en deel kosten en baten
Samenwerking tussen de wegbeheerders kan voordelen opleveren.
Slimmer gebruik van infrastructuur door samenwerking met diverse sectoren verlaagt kosten voor aanleg en onderhoud.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Het verbeteren van de fietsinfrastructuur heeft een positieve invloed op wat Zeeland te bieden heeft voor toerist en inwoners.
Houtopstanden kunnen langs infrastructuur een bijdrage leveren aan biodiversiteit en recreatieve waarde.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
DD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
23.1 Doelstelling 2030
Conform de RES 2.0 streeft Zeeland met windenergie op land naar een opwekcapaciteit van 700 Megawatt (MW) in 2030, waarvan eind 2024 inmiddels al 610 MW was gerealiseerd. Voor zonne-energie is de gezamenlijke doelstelling 1000 MW in 2030, zoveel mogelijk op dak, met zon op land en zon op water als aanvulling daarop. Daarvan was eind 2024 reeds 700 MW gerealiseerd. In totaal is de opwekdoelstelling vanuit de RES 2.0 al voor 80% bereikt. Echter, richting 2050 stijgt de elektriciteitsvraag nog sterk als gevolg van de afbouw gebruik fossiele brandstoffen. Dit gebeurt hoofdzakelijk binnen de industriële sector (zie ook CES 3.0). Blijvend investeren in de uitbreiding van de energie-infrastructuur in voornamelijk Kanaalzone en Sloegebied door netbeheerders is dan ook een noodzaak.
Opwekking vanuit elektriciteit uit wind en zon blijft een hoofdrol spelen in de doorontwikkeling van het toekomstige energiesysteem. Daar zijn met name windparken op zee, en in mindere mate land, zonnepanelen op dak en aanvullend op land en water voor nodig. Energie uit water, zoals het benutten van de kracht van het getij, heeft potentie maar vraagt nog veel doorontwikkeling.
De elektriciteitsopgave is om maximale ontwikkeling van duurzame opgewekte hernieuwbare elektriciteit op land in Zeeland te faciliteren (3 TWh, knelpunten en aanpassingen in het elektriciteitsnet in beeld te brengen en na te denken over meer flexibiliteit in het energiesysteem van de toekomst, bijvoorbeeld door middel van energieopslag en -conversie).
Subdoel 1: Het opgesteld vermogen aan windenergie op land is met 130 MW gegroeid tot 700 MW.
Subdoel 2: Het vermogen uit zonne-energie bedraagt 1000 MW, waarvan zoveel mogelijk op daken.
Subdoel 3: Het vermogen uit andere hernieuwbare energiebronnen dan wind en zon, bedraagt tenminste 100 MW.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
23.2 Huidige situatie
Wind op land
Voor windenergie op land is een groei tot 700 MW in 2030 de ambitie. Eind 2024 is in Zeeland 610 MW aan opgesteld vermogen windenergie beschikbaar. Voor zon op land geldt dat er circa 440 MW op het land en circa 260 MW op het dak is gerealiseerd.
Binnen Zeeland worden in 2029 en 2030 twee windparken aangeland; IJmuiden Ver Alpha en Nederwiek-I. Deze windparken worden ontsloten op het landelijk 380 kV-hoofdnetwerk vanaf hoogspanningsstations in het Sloegebied. Elke aanlanding heeft een capaciteit van 2000 MW. Het Rijk werkt momenteel ook aan een programma voor nieuwe aanlandingen wind op zee (pVAWOZ). Met het programma wordt onderzocht of er in de periode 2031-2040 nieuwe aanlandingen (o.a. in Zeeland) gerealiseerd kunnen worden. Besluitvorming hierover is voorzien vanaf 2026.
Voor uitbreiding van windenergie op land is concentratie van de windturbines op een aantal locaties het uitgangspunt, om de ruimtelijke impact te beperken. Deze locaties zijn voorzien op of bij grootschalige industrieterreinen en op en bij grootschalige infrastructurele werken. Het betreffen concentratielocaties die in de Omgevingsverordening Zeeland (bijlage 14) zijn aangewezen. Hiermee wordt ruimte geboden om de realisatie van de duurzame energie ambitie mogelijk te maken.
De aangewezen locaties zijn vanuit initiatieven in het verleden tot stand gekomen maar er zijn binnen de Omgevingsverordening Zeeland meer mogelijkheden zonder de concentratiegedachte geweld aan te doen. Daarom wordt ruimte geboden voor enkele extra projecten wanneer deze aansluiting zoeken bij grote infrastructuurlijnen als bijvoorbeeld waterkeringen langs de grote wateren. Dit beleid heeft geen betrekking op windturbines met een maximale tiphoogte tot 2123 meter en maximale ashoogte van 15 meter. Dergelijke turbines zijn primair een zaak van de gemeenten.
Zonne-energie
Voor zonne-energie is de ambitie 1000 MW in 2030, primair in stedelijk gebied (bijvoorbeeld op daken en in afwijking daarbuiten (bijvoorbeeld op stortplaatsen, infrastructuur of waterbassins). Uit berekeningen van netbeheerder Stedin blijkt dat het brutovermogen van zon op Zeeuwse daken ca. 1500 MW bedraagt. Netto wordt dit geschat op ca. 400-600 MW (niet alle daken zijn immers geschikt). Het provinciaal beleid voor zon in stedelijk gebied of daarbuiten betreffen generieke regels en de uitwerking tot op projectniveau vindt door de gemeenten plaats.
Voor zonne-energie is de ambitie 1000 MW in 2030, primair in stedelijk gebied (bijvoorbeeld op daken en in afwijking daarbuiten (bijvoorbeeld op stortplaatsen, infrastructuur of waterbassins). Uit berekeningen van netbeheerder Stedin blijkt dat het brutovermogen van zon op Zeeuwse daken ca. 1500 MW bedraagt. Netto wordt dit geschat op ca. 400-600 MW (niet alle daken zijn immers geschikt). Het provinciaal beleid voor zon in stedelijk gebied of daarbuiten betreffen generieke regels en de uitwerking tot op projectniveau vindt door de gemeenten plaats.
Batterijopslag
De inzet van batterijsystemen wordt steeds belangrijker binnen het toekomstige energiesysteem. Batterijen kunnen bijdragen aan een efficiënter gebruik van het elektriciteitsnet en ondersteunen de verdere groei van duurzame energieopwekking uit zon en wind. Door tijdelijk elektriciteit op te slaan en op een later moment terug te leveren, kunnen batterijsystemen bijdragen aan het verminderen van piekbelasting op het net, het beter benutten van beschikbare netcapaciteit en het vergroten van de flexibiliteit van het energiesysteem. Daarmee kunnen batterijsystemen een ondersteunende rol vervullen bij het beperken van netcongestie en het vergroten van leveringszekerheid. Tegelijkertijd kunnen batterijsystemen, afhankelijk van omvang en locatie, een aanzienlijke ruimtelijke impact hebben. Met name grootschalige batterijopstellingen vragen om een zorgvuldige ruimtelijke en energetische afweging in relatie tot landschap, leefomgeving en bestaande energie-infrastructuur. Ook aspecten zoals milieu, externe veiligheid en brandveiligheid vragen nadrukkelijk aandacht bij de ontwikkeling en vergunningverlening van batterijsystemen. Conform de Regionale Energiestrategie (RES) 2.0 werken de provincie Zeeland, Zeeuwse gemeenten, netbeheerders en andere betrokken partijen samen aan een Zeeuws beleidskader voor batterijsystemen. Dit beleidskader richt zich op het stroomlijnen van zowel de ruimtelijke als energetische inpassing van batterijsystemen, met aandacht voor zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke kwaliteit, netcapaciteit en de bijdrage van batterijsystemen aan een robuust en toekomstbestendig energiesysteem. Daarnaast wordt ingezet op versterking van de samenwerking tussen betrokken stakeholders bij de ruimtelijke vergunningverlening van batterijsystemen, zodat ook op het gebied van milieu, externe veiligheid en brandveiligheid integrale en zorgvuldige afwegingen kunnen worden gemaakt.
Energie uit water
Ook in het kader van de Regionale Energiestrategie (RES) 2.0 worden de kansen en mogelijkheden in Zeeland onderzocht van energiewinning uit water. Energie uit water kan naar schatting ruim 100 MW bijdragen. Drie technologieën blijken vooralsnog het meest kansrijk voor de regio: getijden- of stromingsenergie, zoet-zoutenergie en thermische energie. Met name zoet-zoutenergie (via osmose) kan een grote bijdrage leveren en is in principe overal toepasbaar waar een harde scheiding tussen zoet en zout water aanwezig is. Provincie, gemeenten en maatschappelijke partners werken samen aan benutting van de kansen.
Biomassa als brandstof
Diverse studies laten zien dat het potentieel aan beschikbare biomassa in Zeeland beperkt is. Het is theoretisch mogelijk om op grote schaal biomassa via de Zeeuwse diepzeehavens te importeren, maar dit is onomstreden. Houtkap voor de productie van houtpellets bijvoorbeeld, kan veel impact hebben op landschap en biodiversiteit ter plekke. Ook wordt getwijfeld aan de CO2CO2-neutraliteit van houtverbranding. Het is van belang om biomassa eerst hoogwaardig toe te passen, zoveel mogelijk te recyclen en uiteindelijk de reststroom of het afval te gebruiken voor energieproductie.
Biomassavergisting
Biomassavergisting van reststromen (niet zijnde hout) is een vorm van duurzame energieopwekking met potentie in Zeeland. De opgewekte methaan en elektriciteit kunnen aan de bestaande gas- en elektriciteitsnetwerken worden geleverd. Grootschalige initiatieven kunnen vanwege mogelijke hinder (geur, transportbewegingen) maar ook vanuit logistiek het beste op daarvoor geschikte industrieterreinen (bijvoorbeeld in de Kanaalzone) gefaciliteerd worden. Kleinschalige biomassavergisting bij agrarische bedrijven is mogelijk conform het landelijk beleid en wetgeving en de Omgevingsverordening Zeeland.
Kernenergie
Voor een toekomstbestendig duurzaam energiesysteem zonder CO2CO2-uitstoot is ook kernenergie nodig. In Zeeland is momenteel in Borssele een kerncentrale actief van EPZ. Deze centrale levert jaarlijks zo’n 13 PJ aan elektriciteit (3,6 TWh), zonder CO2CO2-uitstoot. Dit is ongeveer 3% van het landelijke elektriciteitsverbruik. De rijksoverheid (o.a. ministerie van KGG) is bevoegd gezag over kernenergie (wijst locaties aan, verleent vergunningen en houdt toezicht). Er zijn momenteel in Nederland drie locaties aangewezen waar een kerncentrale is toegestaan: Borssele, Maasvlakte en Eemshaven. De rijksoverheid heeft toestemming gegeven om de kerncentrale EPZ in Borssele tot 2033 te exploiteren. Er zal inzichtelijk gemaakt worden of het mogelijk is de levensduur van de centrale te verlengen, wat hiervoor nodig is en wat hiervan de risico’s zijn.
De Rijksoverheid heeft ook besloten dat kernenergie een grote rol moet spelen in het maken van een toekomstbestendig duurzaam energiesysteem. De ambitie is uiteindelijk te komen tot vier grote nieuwe kerncentrales. Voor de bouw van twee kerncentrales is het Rijk begonnen met de ruimtelijke procedure. Voor Zeeland zijn het Sloegebied en omgeving Terneuzen aangewezen als mogelijk locatie. In 2026 zal de Minister een voorkeurslocatie aanwijzen. Zeeland is in beeld vanwege de reeds aanwezige nucleaire expertise bij EPZ, de nabijheid van de COVRA, de ruime beschikbaarheid van koelwater en het feit dat de rijksoverheid in Zeeland locaties heeft aangewezen waar een kerncentrale wordt toegestaan (waarborgbeleid).
SMR
De realisatie van grote kerncentrales is een langdurig onzeker proces met hoge investeringskosten. Er zijn nieuwe ontwikkelingen rondom zogenaamde Small Modular Reactors (SMR's). Deze zouden potentie kunnen hebben om bij te dragen aan het duurzame energiesysteem. De rijksoverheid is samen met provincies (IPO-verband) gestart aan een landelijk onderzoeksprogramma. Ook Provincie Zeeland neemt hieraan deel. Meer specifiek zal Provincie Zeeland inzetten op een eigen aanpak naar de mogelijkheden van SMR's in de regio.
Thorium
Om het nucleaire afval te beperken zijn er nieuwe soorten kerncentrales in ontwikkeling. Een voorbeeld hiervan is thorium (gesmolten zout). Dit heeft o.a. als voordeel dat er minder afval vrijkomt bij de productie en dat het (maar) honderden in plaats van duizenden jaren radioactief blijft. Thoriumcentrales vergen echter nog een heel grote hoeveelheid onderzoek en ontwikkeling. Daarbij zijn er nog veel zaken onbekend, zoals kosten van veiligheid en opslag van het afval. Verschillende partijen hebben de intentie uitgesproken om thoriumcentrales te ontwikkelen maar er zijn momenteel nog geen fysieke reactoren daadwerkelijk in ontwikkeling. Provincie Zeeland heeft wel haar steun uitgesproken aan de start-up Thorizon. Commerciële toepassing lijkt nog ver weg en wordt op z’n vroegst geschat op 2045-2050. Het is dus niet realistisch aan te nemen dat thorium de klimaatdoelen voor 2030 kan adresseren en we zullen waarschijnlijk nog minimaal tien jaar moeten wachten voordat we kunnen inschatten of thoriumcentrales in 2050 een rol kunnen spelen.
23.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Het opgesteld vermogen aan windenergie op land is met 130 MW gegroeid tot 700 MW.
Actie 1.1 - Realiseren opgave windenergie op het land (via de Regionale Energie Strategie-RES 2.0).
Op basis van plannen en initiatieven die nu bekend zijn bij verschillende gemeenten, wordt geraamd dat er tot 2030 extra ruimte is binnen een bandbreedte van 100 tot 170 MW. Dit zou voldoende moeten zijn om het beoogde doel van 700 MW in 2030 daadwerkelijk te realiseren. Besluitvorming en afweging vindt plaats in de separate procedures per project.
Rolverdeling:
Het Rijk verleent subsidie voor de opwekking van hernieuwbare energie (SDE).
Het Rijk en de provincie maken afspraken op nationaal en regionaal niveau over het opgesteld vermogen.
De provincie legt de locaties voor windmolenparken op land en randvoorwaarden voor alle windmolens van meer dan 2123 meter hoog vast in de omgevingsverordening.
Gemeenten stellen randvoorwaarden en verlenen vergunning voor windmolens tot 2123 meter hoog. RUD Zeeland zorgt voor toezicht op en handhaving van de regels.
Adviesbureaus, Rijkswaterstaat, de provincie, gemeenten, Waterschap Scheldestromen, Veiligheidsregio, ZLTO, terreinbeheerders, dorpsraden, maatschappelijke organisaties, grondeigenaren en omwonenden adviseren over plaatsing van windmolens, één en ander afhankelijk van de locatie.
Ondernemers, projectontwikkelaars, onderhoudsbedrijven, energiebedrijven en energiecoöperaties realiseren, exploiteren en onderhouden de windmolens.
De netwerkbedrijven sluiten de windmolens aan op het elektriciteitsnet.
Subdoel 2: Het vermogen uit zonne-energie bedraagt 1000 MW, waarvan zoveel mogelijk op daken.
Actie 2.1 - Realiseren opgave zonne-energie (via de Regionale Energie Strategie -RES 2.0).
Rolverdeling:
Het Rijk verleent subsidie voor de opwekking van hernieuwbare energie (SDE).
Het Rijk en de regio maken op nationaal niveau afspraken over de opwekking van zonne-energie in het kader van de RES.
Het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor realisatie van zonneparken. Gemeenten verlenen de vergunning.
Particulieren, ondernemers, overheden, projectontwikkelaars, onderhoudsbedrijven, energiebedrijven en energiecoöperaties realiseren, exploiteren en onderhouden zonnepanelen op de daken.
Afhankelijk van de locatie adviseren adviesbureaus, Rijkswaterstaat, de provincie, gemeente, Waterschap Scheldestromen, Veiligheidsregio, ZLTO, terreinbeheerders, dorpsraden, maatschappelijke organisaties en omwonenden.
Netwerkbedrijven sluiten zonneparken aan op het elektriciteitsnet.
Onderwijsinstellingen leiden personeel op.
Subdoel 3: Het vermogen uit andere hernieuwbare energiebronnen dan wind en zon, bedraagt tenminste 100 MW.
Actie 3.1 - Realiseren opgave biomassa en biovergisting (via de Regionale Energie Strategie-RES 2.0).
Rolverdeling:
Het Rijk verleent subsidie voor de opwekking van hernieuwbare energie (SDE).
Het Rijk en de provincie maken op nationaal en regionaal niveau afspraken over de opwekking van energie uit biomassa in het kader van de Regionale Energie Strategie (RES) 2.0.
Het Rijk, de provincie en gemeenten stellen kaders vast voor realisatie van biomassa-installaties. Gemeenten doorlopen de benodigde ruimtelijke procedure en verlenen vergunningen,. Indien nodig verleent ook de Provincie vergunning(en).
Bedrijven en terreinbeheerders leveren biomassa.
Ondernemers, projectontwikkelaars, onderhoudsbedrijven, energiebedrijven en energiecoöperaties realiseren, exploiteren en onderhouden biomassa-installaties.
De Veiligheidsregio adviseert provincie en gemeenten over veiligheidsaspecten van biomassa-installaties.
Actie 3.2 – Benutten van kansen voor energie uit water (via de Regionale Energie Strategie-RES 2.0)
23.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Meervoudig ruimtegebruik kan zowel ruimte geven aan energieopwekking en kansen bieden voor andere opgaven zoals biodiversiteit.
Zonnepanelen op het dak vragen geen extra ruimte, maar zonneparken op de grond wel.
Realisatie van zonneparken en aanpassing van bijbehorende infrastructuur kan gecombineerd worden met verbetering van waterberging en -afvoer. Zoals zonnepanelen op waterbassins.
Mogelijkheden voor bebouwing zijn op en rond waterkeringen beperkt vanuit waterveiligheid, maar combinatie met zonnepanelen is wel mogelijk.
2. Werk samen en deel kosten en baten
Exploitatie van zonne- en windmolenparken kan financieel bijdragen aan versterking van de omgevingskwaliteit en leefbaarheid.
Zon op dak kan een extra inkomstenbron zijn voor agrarische ondernemers, verenigingen en bedrijven en kan de vaste lasten van huiseigenaren verminderen en/of woningverbetering mogelijk maken.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Afhankelijk van de locatie van windmolens kunnen landschapsstructuren worden aangetast of juist versterkt.
Afhankelijk van locatie en vormgeving kunnen zonneparken negatieve effecten hebben op de bodemkwaliteit, natuurwaarden en het landschap.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
EE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
24.1 Doelstelling 2030
De CO2-uitstoot in Zeeland is met 55-60% afgenomen.
Om ervoor te zorgen dat Zeeland in 2050 geen CO2 en andere broeikasgassen meer uitstoot, is voor 2030 als tussendoel een algemene reductie van 55-60% (voorheen 49%, RES 1.0) ten opzichte van 1990 gesteld. Dit zijn doelstellingen uit het nationale klimaatbeleid (2022). Om dat te bereiken is in 2025 een regionale energiestrategie (RES) 2.0 vastgesteld. In de RES 2.0 worden voor de sectoren concrete ambities en maatregelen benoemd.
Subdoel 1 - Binnen de landbouw, industrie, gebouwde omgeving en mobiliteit is de landelijke reductiedoelstelling gerealiseerd.
Subdoel 2 - In Zeeland wordt tenminste 1800 MW aan hernieuwbare energie opgewekt.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
24.2 Huidige situatie
Landbouw en industrie
Voor landbouw en industrie worden landelijk afspraken gemaakt. De Zeeuwse opgave wordt daar in meegenomen (zie ook de CES 3.0).
Zeeland herbergt één van de grootste clusters van zware energie-intensieve industrie van Nederland: North Sea Port (Kanaalzone en Sloegebied). Verder kent Zeeland ook nog kleinere industrie, veelal in de foodsector, die verspreid door heel Zeeland gevestigd is op bedrijventerreinen en solitaire bedrijfslocaties in het buitengebied. De industrie drukt een grote stempel op de energievraag in Zeeland. De industriële clusters nemen zo'n 75% van het Zeeuwse energieverbruik voor hun rekening.
De landbouw heeft een relatief klein aandeel in het Zeeuwse energieverbruik, met uitzondering van de glastuinbouw. Glastuinbouwbedrijven staan in de top van Zeeuwse CO2-uitstoters wegens het hoge aardgasgebruik, met uitzondering van het glastuinbouwgebied in de Kanaalzone waar industriële restwarmte en CO2 worden benut. De opwekking van hernieuwbare energie is een economische kans voor de agrarische sector (zonnepanelen op daken, windmolens, biomassa,) hoewel de ruimtelijke impact van energieprojecten tevens een bedreiging kan vormen voor het landschap. De glastuinbouw streeft naar gebruik van restwarmte uit de industrie en gebruik van lokale biomassacentrales. Per glastuinbouwcluster wordt een aanpak ontwikkeld.
Gebouwde omgeving
De verduurzaming van de gebouwde omgeving is een complexe opgave. Alle gebouwen in Zeeland moeten worden verbouwd tot goed geïsoleerde en duurzaam verwarmde gebouwen. Het doel is 55-60% CO2-reductie ten opzichte van 1990. Hoe dit gerealiseerd zal worden in de gebouwde omgeving wordt vastgesteld in de Regionale Energie Strategie (RES 2.0). In de Regionale Structuur Warmte, die onderdeel uitmaakt van de RES 2.0, wordt de regionale voorziening van warmte beschreven, met daarin hoe het warmteaanbod, de warmtevraag, en de infrastructuur op Zeeuws niveau, met elkaar kunnen worden verbonden en wat hierin de Zeeuwse ambitie is. De CO2-reductie van de gebouwde omgeving moet uiteindelijk in de gemeenten en op dorps- en wijkniveau worden gerealiseerd. Gemeenten leggen het tijdpad voor de ontwikkeling van een alternatieve energievoorziening en het geleidelijk vervangen van aardgas, zoals overeengekomen in het Klimaatakkoord, vast in de Transitievisie Warmte.
Mobiliteit
Rijden en varen gebeurt steeds meer door middel van zero-emissie voertuigen. (Semi)overheden hebben hierin ook een voorbeeldfunctie en zullen in 2030 een reductie van 55-60% CO2 voor mobiliteit hebben gerealiseerd. Dit draagt bij aan de landelijke klimaatdoelstellingen van het kabinet wat betekent dat wij in Zeeland vanuit mobiliteit voor de opgave staan 341 Kton CO2 te besparen in 2030.
24.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Binnen de landbouw, industrie, gebouwde omgeving en mobiliteit is de landelijke reductiedoelstelling gerealiseerd.
Actie 1.1 Reductie uitstoot CO2 en andere broeikasgassen in landbouw en industrie.
SDR (Smart Delta Resources) heeft een regioplan opgesteld met programmalijnen om de CO2-reductie doelstellingen te realiseren voor de industrie. Er wordt ingezet op elektrificatie van de industrie, maar dat vraagt om grote aanpassingen van bedrijfsprocessen en het elektriciteitsnetwerk. Ook is het belangrijk dat wordt overgeschakeld op groene waterstof en dat CO2 wordt afgevangen en opgeslagen (CCS). Hiervoor is de aanleg van een pijpleidingeninfrastructuur een belangrijke voorwaarde. Ook kijkt de industrie actief naar gebruik van restwarmte voor verwarming van gebouwen. Om investeringen toekomstbestendig te laten zijn, worden maatregelen niet alleen vanuit de doelen voor 2030, maar ook vanuit de doelen voor 2050 bezien.
Rolverdeling:
Overheden, bedrijven en maatschappelijke organisaties leggen acties vast in het nationale programma RES 2.0.
Op regionaal niveau worden de acties uitgevoerd.
Actie 1.2 Reductie uitstoot CO2 en andere broeikasgassen in gebouwde omgeving.
Voor de verwarming en koeling van woningen en gebouwen moet een duurzaam alternatief worden ontwikkeld. Om het CO2-reductie doel te behalen moeten op termijn alle woningen en gebouwen goed geïsoleerd en aardgasvrij zijn. Dat betekent een enorme verduurzamingsslag. Er komen passende lokale en regionale initiatieven en maatregelen om alle partijen in de gebouwde omgeving tot actie aan te sporen. Deze geven richting aan beleid en acties van gemeenten, provincies en belanghebbende partijen. Iedere gemeente stelt een Transitievisie Warmte op waar de aanpak in wordt uitgewerkt. In de concrete uitvoering liggen belangrijke kansen om aan te haken bij maatregelen in het kader van klimaatadaptatie en de (her)inrichting van de openbare ruimte.
Rolverdeling:
Het Rijk legt nationale doelen vast en verleent subsidie voor de energietransitie in de gebouwde omgeving.
Gemeenten informeren belanghebbenden en stellen in overleg met stads- en dorpsraden transitievisies op.
Op wijk- en dorpsniveau wordt de energietransitie op basis van maatwerk uitgevoerd (Wijkuitvoeringsplan).
Actie 1.3 Reductie uitstoot CO2 en andere broeikasgassen door mobiliteit.
Een duurzame infrastructuur en het zorgen voor voldoende laadpalen en snellaadvoorzieningen, zijn belangrijk om deze omslag te maken. De verduurzaming van het goederenvervoer is bijvoorbeeld mogelijk door het instellen van zero-emissie-zones in steden en dorpen. Nieuwe OV-bussen worden zero-emissie. Na 2030 zullen alle bussen als zero-emissie rondrijden. Ook het doelgroepenvervoer maakt de transitie naar zero-emissie. Vanaf 2029 zal de nieuwe vloot van de Westerschelde Ferry ook zero-emissie gaan varen. De ontwikkeling naar slimmer autogebruik (smart mobility), door bijvoorbeeld het aandeel deelvoertuigen te vergroten en bezit te verkleinen, is belangrijk.
Rolverdeling:
Het Rijk legt nationale doelen vast en verleent subsidie aan de andere overheden voor regie op de realisatie van (snel)laadvoorzieningen voor elektrisch vervoer.
De provincie verleent de OV-concessie op basis van zero-emissie.
Gemeenten zorgen in samenwerking met belanghebbenden voor de aanleg van (semi)publieke (snel)laadvoorzieningen op lokaal niveau.
Subdoel 2: In Zeeland wordt tenminste 1800 MW hernieuwbare energie opgewekt.
Actie 2.1 Vergroten mogelijkheden voor opwekken en opslaan van hernieuwbare energie.
Rolverdeling: Zie acties 1, 2 en 3 bij Duurzame energie.
24.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Wijkgerichte aanpak energietransitie helpt bij het sluiten van lokale kringlopen van warmte en elektriciteit, daardoor kunnen ingrepen buiten de lokale kringlopen worden beperkt.
De energietransitie zorgt voor grote ingrepen boven en onder de grond.
2. Werk samen en deel kosten en baten
Vernieuwing van de woningvoorraad draagt bij aan energiebesparing, overschakeling naar hernieuwbare energiebronnen en klimaatadaptatie.
Werk regionaal samen aan de energietransitie en ontwikkel gezamenlijke routes voor netwerk gerelateerde activiteiten zoals nieuwe aansluitingen, het verzwaren aansluitingen etc.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
FF
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
25.1 Doelstelling 2030
Zeeland is voldoende waterrobuust en klimaatbestendig ingericht.
Door klimaatverandering is sprake van toenemende kans op overstroming, wateroverlast, langdurige droogte en extreme hitte. Iedereen in Zeeland is nodig om onze fysieke leefomgeving stap voor stap aan te passen. Uiterlijk in 2050 moet Zeeland waterrobuust en klimaatbestendig zijn ingericht. Deze ambitie is in 2019 onderschreven door de Zeeuwse overheden in het convenant Klimaatadaptatie Zeeland. De aanpak wordtis uitgewerkt in de Klimaatadaptatie Strategie Zeeland (KaSZ) die parallel aan de Omgevingsvisie wordt opgesteld. Wijzigingen in de doelen en aanpak van de KaSZ leiden ook tot aanpassing van de Omgevingsvisie.
In deze bouwsteen wordt ingegaan op de gevolgen van de weersextremen wateroverlast, droogte en hitte. Bouwsteen 26. Waterveiligheid schenkt aandacht aan het thema overstromingen. Gezamenlijk komen de 4 thema’s aanbod in de Klimaatadaptatie Strategie Zeeland.
Subdoel 1: Het landelijk gebied voldoet aan de normen voor wateroverlast, waarbij de trits vasthouden-bergen-afvoeren is toegepast.
Subdoel 2: Vraag naar en beschikbaarheid van zoet water zijn in balans.
Subdoel 3: Bij nieuwbouw en herstructurering wordt rekening gehouden met zeespiegelstijging en het voorkomen van hitte, droogte en wateroverlast.
Met deze bouwsteen dragen we bij aan de volgende duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN (brede welvaart).
25.2 Huidige situatie
Klimaatstresstesten
In 2019 zijn de risico’s van de klimaatverandering in beeld gebracht via klimaatstresstesten per gemeente en voor de hele provincie. Voor de (hoofd)infrastructuur zijn klimaatstresstesten uitgevoerd door de verantwoordelijke beheerders. In 2026 zijn nieuwe stresstesten uitgevoerd en er is ook een bovenregionale stresstest uitgevoerd waarbij de focus ligt op de vitale infrastructuur. De klimaatstresstesten zijn gebruikt voor het voeren van een risicodialoog waarin de effecten van klimaatstress worden gewogen, van maatschappelijke ontwrichting, schade en slachtoffers tot lokale overlast en hinder. Om een indruk te geven van wat er nodig is om de kwetsbaarheden voor klimaatverandering op te vangen zijn mogelijke acties verkend. DeDeze acties vormen een eerste indicatie van zaken die in de strategie opgenomen kunnen worden. De Klimaatadaptatie Strategie Zeeland wordt door alle Zeeuwse overheden opgesteld en nadien geborgd in beleid, regelgeving en uitvoering. De uitkomsten uit dit proces worden daarom ook in de Zeeuwse Omgevingsvisie verwerkt. Daarnaast wordt er een uitvoeringsprogramma opgesteld om maatregelen te financieren en uit te voeren. Dit is geen eenmalige actie. Elke 5 jaar wordtbasis voor het proces opnieuw doorlopen om bij te kunnen sturen op basis vanuitvoeringsprogramma onder de meest actuele inzichtenklimaatadaptiestrategie.
Het is voor uitvoering van activiteiten niet nodig om te wachten op de klimaatadaptatiestrategie, maar wel om zoveel mogelijk rekening te houden met mogelijke effecten van klimaatverandering. Er is al veel informatie beschikbaar over geschiktheid van gronden op basis van het bodem- en watersysteem. Vooral bij grotere (gebieds)ontwikkelingen en vitale en kwetsbare functies moet hiermee rekening worden gehouden. Het is nodig om kansen te benutten om de kwetsbaarheid voor klimaatverandering te verminderen of, bij nieuwe ontwikkelingen, te voorkomen dat er door klimaatverandering problemen ontstaan. Dit is niet vrijblijvend. Het kan in het uiterste geval ook betekenen dat bepaalde gebieden niet geschikt zijn voor bepaalde functies. Als de locatiekeuze al een vaststaand feit is, kan een slimme gebiedsinrichting of manier van bouwen de nadelige effecten (schade/slachtoffers) wellicht alsnog beperken.
Eén van de acties in het uitvoeringsprogramma van de KASZ is het ontwikkelen van uniforme Zeeuws afwegings- of toetsingskaders die toepasbaar zijn bij ingrepen en ontwikkelingen in de openbare ruimte in Zeeland. In antwoord worden de signaalkaarten Water en Bodem en de labelkaarten ontwikkeld. De kaarten zijn ondersteunend bij (vooral grotere) ontwikkelingen in de openbare ruimte en geven inzicht in de risico’s door klimaatverandering in een bepaald gebied. Het kan in het uiterste geval ook betekenen dat bepaalde gebieden niet geschikt zijn voor bepaalde functies. Als de locatie vastligt kunnen klimaatadaptieve maatregelen, zoals een slimme gebiedsinrichting of klimaatadaptief bouwen, genomen worden om risico’s te verkleinen. Er wordt nagedacht over de borging en afdwingbaarheid van de kaders zodat deze ook worden toegepast wanneer dat nodig is.
Wateroverlast
Na een aantal jaren met perioden met extreem veel neerslag is ingezet op het terugdringen van regionale wateroverlast in het landelijk en stedelijk gebied (Waterbeheer 21ste eeuw, kort gezegd WB21). De toename van extreme regenbuien als gevolg van de klimaatverandering wordt daarbij betrokken. Het waterschap voert in het landelijk gebied maatregelen uit en draagt zorg dat uiterlijk in 2027 wordt voldaan aan de wateroverlastnormen (omgevingswaarden) die zijn opgenomen in de omgevingsverordening (WB-21 normering, etc.). Bij uitvoering van maatregelen is de trits vasthouden-bergen-afvoeren het uitgangspunt. Provincie en waterschap bepalen samen de prioritering voor het op orde brengen van het beheergebied op basis van de normen. Het streven is om maatregelen te prioriteren vanuit de daadwerkelijke bijdrage aan doelen (afweging kosten-baten-risico’s) en vanuit de samenhang met andere doelen (zoet water beschikbaarheid/ droogte/waterkwaliteit).
Wateroverlast in het stedelijk gebied is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van het waterschap en gemeenten. In het kader van de Samenwerking Afvalwaterketen Zeeland (SAZ+) worden hier concrete stappen in gezet. Gemeenten treffen maatregelen om de openbare ruimte klimaatbestendig in te richten. Uit onderzoek blijkt dat 80% van de Zeeuwen voorstander is van het gebruik van regenwater doorlatende straatstenen en asfalt (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020). Het waterschap neemt aanvullende maatregelen in het watersysteem waar dat nodig is.
Grote delen (naar schatting 40%) van het agrarische gebied hebben te kampen met bodemverdichting vrij dicht onder het oppervlak. Deze bodemverdichting zorgt ervoor dat neerslag slechter kan infiltreren in de bodem. Daardoor wordt de opbouw van de gewenste zoetwaterlens belemmerd en neemt de kans op gewasschade door verdroging in de zomer toe.
Droogte
Vooral de dunne zoete grondwaterlenzen worden bedreigd door klimaatverandering. Er zijn voorlopig geen aanwijzingen dat de grotere zoetwatervoorkomens, zoals het grondwater in beschermde gebieden met de functie drinkwatervoorziening, binnen afzienbare tijd worden aangetast door verzilting. In het kader van de Proeftuin Zoet Water en het Zeeuws Deltaplan Zoet Water wordt bekeken welke maatregelen de beste zijn om de zoetwaterlenzen en zoetwaterbeschikbaarheid in stand te houden of te vergroten. Voorkomen en waar mogelijk opheffen van bodemverdichting in combinatie met een goede organische stofbalans helpt ook om neerslag beter vast te houden in de bodem.
Daarnaast zorgt droogte voor effecten op natuur, de beschikbaarheid van water voor de industrie en voor kwetsbaarheden in stedelijk gebied. Voorbeelden hiervan zijn zetting die gevolgen kan hebben voor de constructieve veiligheid van gebouwen, onvoldoende water voor het stedelijk groen en brandgevaar. Ruim 80% van de Zeeuwen is er voor om bij nieuwe ontwikkelingen een plan te maken over hoe opslag van zoet water wordt geregeld (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020).
Zeeland is grotendeels afhankelijk van regenwater dat valt. Door langere periodes van droogte worden vooral de dunne zoete grondwaterlenzen bedreigd. In het kader van de Proeftuin Zoet Water en het Zeeuws Deltaplan Zoet Water wordt ingezet op maatregelen die de zoetwaterbeschikbaarheid kunnen vergroten. In het landelijke gebied wordt bijvoorbeeld gekeken naar het bufferen en opslaan van water in de bodem en het watersysteem om tijden van droogte te overbruggen. Daarnaast wordt ook gekeken naar zuinig en circulair gebruik van water om de (zoet)watervoetafdruk te verkleinen. Voor industrie en drinkwater is Zeeland veelal afhankelijk van aanvoer van buitenaf. Ook deze bronnen worden beïnvloed door klimaatverandering. Daarom wordt ook hier gekeken naar maatregelen om water zo efficiënt mogelijk te gebruiken en worden nieuwe bronnen verkend. Voorkomen en waar mogelijk opheffen van bodemverdichting in combinatie met een goede organische stofbalans helpt ook om neerslag beter vast te houden in de bodem. Daarnaast zorgt droogte voor effecten op natuur, de beschikbaarheid van water voor de industrie en voor kwetsbaarheden in stedelijk gebied. Voorbeelden hiervan zijn zetting die gevolgen kan hebben voor de constructieve veiligheid van gebouwen, onvoldoende water voor het stedelijk groen en brandgevaar.
Hitte
Hittestress is een relatief nieuw thema
Door klimaatverandering gaat hittestress toenemen in Zeelandde toekomst. In het stedelijk gebied komt op warme dagen overdag hittestress al in grote mate voor. Dit extra opwarmings- en vertraagde afkoelingseffect in het bebouwd gebied heeft negatieve effecten op gezondheid, leefbaarheid en economie. Door het vele oppervlaktewater in Zeeland zien we ook dat in warme perioden Zeeland nu al de hoogste nachttemperatuur van Nederland heeft. Zowel hittestress overdag en hoge temperaturen ’s nachts zullen in de toekomst vaker en over langere perioden voorkomen. Bij de inrichting van het bebouwd gebied (meer vergroening en minder verharding; ruim 80% van de Zeeuwen is hier voorstander van, (bron: Zeeland nu en in de toekomst, ZB |Planbureau, 2020)) maar ook bij de inrichting van recreatieparken en de bouw van woningen en kantoren moet hier rekening mee gehouden worden, bijvoorbeeld bij de keuze voor materialen, kleuren en het creëren van schaduw.
25.3 Acties om doelen te realiseren
Subdoel 1: Het landelijk gebied voldoet aan de normen voor wateroverlast, waarbij de trits vasthouden-bergen-afvoeren is toegepast.
Actie 1.1 - Aanpak overlast en schade door extreme neerslag.
In samenhang met landelijk beleid Waterbeheer 21e eeuw (WB21) zijn in de omgevingsverordening inundatienormen (omgevingswaarden) opgenomen voor bebouwd stedelijk gebied, agrarisch gebied en gebieden met glastuinbouw. De omgevingswaarden gelden niet voor een aantal (van nature) laaggelegen gebieden, waarvoor het realiseren van omgevingswaarden onevenredig kostbaar of niet haalbaar wordt geacht. Ze vormen een inspanningsverplichting voor het waterschap. Bij uitvoering van maatregelen is de trits vasthouden-bergen-afvoeren het uitgangspunt. Actualisaties van de klimaatscenario’s van het KNMI en landelijke ontwikkelingen kunnen aanleiding geven het normenkader te herzien.
Rolverdeling:
De provincie heeft normen (omgevingswaarden) voor wateroverlast/inundatienormen vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening.
De provincie en Waterschap Scheldestromen prioriteren voor het landelijk gebied maatregelen om de aan de normen te voldoen.
Waterschap Scheldestromen stelt kaders vast in waterschapsverordening en waterschapsbeheerprogramma, past peilbeheer, waterbergings en -afvoercapaciteit in het buitengebied aan om aan normen voor wateroverlast te voldoen.
Vastgoedeigenaren passen gebouwen en terreinen aan om schade bij extreme neerslag te voorkomen.
Waterschap Scheldestromen en gemeenten pakken vanuit de Samenwerking Afvalwaterketen Zeeland (SAZ+) wateroverlast in stedelijk gebied aan. De opgave wordt in beeld gebracht door het uitvoeren van de beleidslijn Stedelijke Wateropgave (SWO). De maatregelen die hieruit voortkomen worden door gemeenten, het waterschap en derden uitgevoerd om te komen tot klimaatrobuust ingericht stedelijk gebied.
Subdoel 2: Vraag naar en beschikbaarheid van zoet water zijn in balans.
Actie 2.1 - Aanpak overlast en schade door droogte.
De aanpak van de gevolgen van droogte loopt via de Klimaatadaptatie Strategie Zeeland en via het Zeeuws Deltaplan Zoet Water. Voor innovaties (passend binnen de RIS 2021-2027) binnen de transitie klimaat zijn EU-programma’s beschikbaar.
Rolverdeling:
Het Rijk heeft nationale kaders vastgelegd in het nationaal waterprogramma, nationaal deltaprogramma/deltabeslissing klimaatadaptatie.
Het Rijk heeft de nationale waterverdeling in het hoofdwatersysteem geregeld. Het wettelijk kader bevat regels voor de rangorde van waterbehoeften bij langdurige droogte en waterschaarste.
Gemeenten stellen kaders vast in het omgevingsplan, richten de bebouwde omgeving in om water beter vast te houden en bestand te zijn tegen droogte, verlenen vergunningen voor realiseren opslag, stimuleren opvang van regenwater door burgers en stimuleren zuinig omgaan met water bij schaarste.
Terreinbeheerders richten natuurgebieden droogtebestendig in.
Recreatiebedrijven en landbouwbedrijven reduceren watergebruik en zorgen voor opslag van zoet water voor eigen gebruik.
De provincie ondersteunt maatregelen via subsidieverlening, vergunningverlening en onderzoek.
Subdoel 3: Bij nieuwbouw en herstructurering wordt rekening gehouden met het voorkomen van hittestress.
Actie 3.1 - Aanpak overlast en schade door hitte.
De aanpak van de gevolgen van hitte loopt via de Klimaatadaptatie Strategie Zeeland. Voor innovaties (passend binnen de RIS 2021-2027) binnen de transitie klimaat zijn EU-programma’s beschikbaar.
Rolverdeling:
Het Rijk heeft landelijk kaders vastgelegd in het nationaal waterprogramma, nationaal deltaprogramma/deltabeslissing klimaatadaptatie.
Gemeenten stellen kaders op het gebied van voorkomen van overlast en schade door hitte vast in hun omgevingsplan en richten de bebouwde omgeving zodanig in dat hittestress wordt tegen gegaan.
De GGD adviseert burgers, bedrijven en gemeenten over gezondheidsrisico’s en preventieve maatregelen.
25.4 Afwegingsfactoren voor de uitvoering
Om bij de uitvoering kansen en mogelijkheden te benutten en tegelijkertijd de Zeeuwse kernkwaliteiten te behouden, zijn in Deel A (paragraaf 1.4) vier afwegingsfactoren geformuleerd. Hieronder is voor deze bouwsteen een aanzet gegeven voor de invulling daarvan.
1. Doe meer met minder grond
Opslag van water in bassins kost geen extra ruimte als dit wordt gecombineerd met een andere functie, zoals een drijvend zonnepark, woningen, recreatie of kassencomplex.
Meer groen en waterberging in stedelijk gebied vraagt ruimte. Maar door het op de juiste manier uit te voeren wordt met één maatregel ook invulling gegeven aan opgaven vanuit andere beleidsterreinen (zie punt 2).
2. Werk samen en deel kosten en baten
Meer waterberging en groen in bebouwd gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving, gezondheid van bewoners, biodiversiteit, vastleggen van CO2 en de waarde van het vastgoed. Waterberging is nuttig bij droogte én bij extreme neerslag.
Brede inventarisaties voor de klimaatstresstesten leveren waardevolle informatie op die breder inzetbaar is bij ruimtelijke keuzes.
Het uitvoeren van Klimaatadaptatiemaatregelen in de bebouwde omgeving kan gecombineerd worden met aanpassing van de infrastructuur voor warmte, energie, mobiliteit en de openbare ruimte in het algemeen.
3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
Vormgeving van waterberging kan aansluiten bij het landschap of detoneren.
Meer groen kan goed aansluiten bij landschapsversterking.
Meer groen in het stedelijk gebied zorgt voor een aangenaam woon- en vestigingsklimaat.
4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.
Met de doelstelling om in 2050 klimaatbestendig te zijn, kan de uitvoering van maatregelen gefaseerd worden. Hierdoor kan aangehaakt worden bij natuurlijke momenten zoals onderhoudsprogramma’s. Ondertussen groeit Zeeland dan toch mee met het veranderende klimaat.
Investeringen voorkomen in gebieden met toekomstige risico's bespaart in de toekomst veel schade.
GG
Na sectie 'Bouwstenen van KLIMAATBESTENDIG EN CO2-NEUTRAAL ZEELAND' wordt een sectie ingevoegd, luidende:
HH
De Leefstijlvinder is een door MarketResponse ontwikkeld model dat inwoners indeelt in leefstijlprofielen op basis van hun waarden, motivatie en gedrag, zodat beleid en communicatie beter kunnen aansluiten bij verschillende doelgroepen (Bron: MarketResponse, Leefstijlvinder, www.leefstijlvinder.nl) Terug naar link van noot.
De logiessector in Zeeland is gevarieerd en kan grofweg worden opgedeeld in regulier aanbod waar campings, vakantieparken en hotels onder vallen, in niet-regulier (agrarisch) aanbod, waar kleinschalig kamperen en logies als nieuwe economische drager onder vallen, en particuliere aanbod, waaronder kamerverhuur en B&B’s. Terug naar link van noot.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-12852.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.