Provinciaal blad van Overijssel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Overijssel | Provinciaal blad 2026, 12685 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Overijssel | Provinciaal blad 2026, 12685 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
Het ontwerp van de Actualisatie 2026-2 Omgevingsverordening Overijssel vast te stellen,
zoals is aangegeven in Bijlage A.
Het ontwerp ligt met ingang van 6 augustus 2026 voor een periode van 6 weken ter inzage.
Zwolle, 23 juni 2026,
Gedeputeerde Staten voornoemd,
Voorzitter, ir. A.P. Heidema
Secretaris, N. Versteeg
A
Artikel 2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In deze paragraaf worden op grond van artikel 2.13 Omgevingswet omgevingswaarden vastgesteld voor:
de veiligheid van de Regionale waterkeringen die bij deze verordening zijn aangewezen;
de gemiddelde kans op overstroming per jaar van gebieden die bij deze verordening zijn aangewezen met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht.;
de geluidproductie van wegen in beheer van de provincie.
B
Na artikel 2.9 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Als provinciale wegen met geluidproductieplafonds zijn aangewezen de provinciale wegen die als zodanig geometrisch zijn begrensd.
Voor provinciale wegen met geluidproductieplafonds gelden de omgevingswaarden geluidproductieplafonds zoals die voor de referentiepunten langs deze provinciale wegen door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld en zijn vermeld in het Geluidregister van de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG).
C
Paragraaf 3.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze paragraaf moeten ervoor zorgen dat:
zwemwaterlocaties
zwemlocaties die door Gedeputeerde Staten zijn aangewezen, voldoen aan de eisen die de Omgevingswet en het Besluit Kwaliteit Leefomgevingkwaliteit leefomgeving stellen aan de veiligheid en hygiëne van zwemlocaties,;
de uitvoering van werkzaamheden die moeten worden verricht om zwemwaterlocaties te laten voldoen aan de eisen van veiligheid en hygiëne, zoveel mogelijk bij de houders van zwemwaterlocaties wordt gelegd.
werkzaamheden, zoals bedoeld in Artikel 3.8, door de houders van zwemlocaties worden uitgevoerd.
De regels in deze paragraaf zijn van toepassing op alle zwemwaterlocatieszwemlocaties die door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3.2 van het Besluit Kwaliteit Leefomgevingkwaliteit leefomgeving zijn aangewezen.
De regels in deze paragraaf zijn gericht tot de houders van de zwemwaterlocatieshouder van een zwemlocatie.
De houder van een zwemwaterlocatiezwemlocatie is degene voor wiens rekening en risico een zwemwaterlocatiezwemlocatie wordt gedreven.
De houder van een zwemwaterlocatie moet bezoekers duidelijk maken:
De houder van een zwemlocatie die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, bedoeld in Artikel 3.1, sub b, is verplicht maatregelen te nemen voor:
waar de grens ligt tussen het zwemwater, dat geschikt is voor zwemmen en baden, en het overige water, dat niet is aangewezen voor zwemmen en baden; en
het voorkomen van verdrinking van de gebruikers van een zwemlocatie;
waar zich mogelijk gevaren voordoen voor zwemmers en baders binnen het deel dat geschikt is voor zwemmen en baden.
het beschermen van de gezondheid van de gebruikers van een zwemlocatie; en
het in en om een zwemlocatie voorkomen van letsel van de gebruikers van het zwemlocatie.
De houder van een zwemwaterlocatie beoordeelt dagelijks het zwemwater bedoeld in Artikel 3.3 onder a, op doorzicht, kleur, geur, schuim, olie en vuil en maakt hiervan een rapport op.
De houder van een zwemwaterlocatie treft passende maatregelen als:
het doorzicht van het zwemwater minder is dan 1 meter;
de kleur van het zwemwater niet door natuurlijke omstandigheden is veroorzaakt;
de geur van het zwemwater als hinderlijk kan worden ervaren;
er sprake is van schuim op het zwemwater dat niet door natuurlijke omstandigheden is veroorzaakt;
er olie op het watervlak aanwezig is in een zichtbare hoeveelheid; en
er vuil in de vorm van afvalstoffen en dode organische materie in een aanmerkelijke hoeveelheid aanwezig is in of op het water of op de bodem.
De houder van een zwemlocatie moet bezoekers duidelijk maken:
De houder van een zwemwaterlocatie informeert zo snel mogelijk zowel beheerder van het oppervlaktewater als Gedeputeerde Staten, als er aanleiding is om de passende maatregelen te treffen bedoeld in het tweede lid.
De houder van een zwemwaterlocatie bewaart de rapporten met de beoordeling van het zwemwater minstens 2 jaar.
De houder van een zwemwaterlocatie zorgt ervoor dat het talud van de zwemwaterlocatie bedoeld in Artikel 3.2 onder a, een helling heeft van maximaal 20% tot het punt waar het zwemwater een diepte heeft van 1,50 meter.
De houder van een zwemlocatie beoordeelt dagelijks de zwemlocatie met het oog op het voorkomen en signaleren van verontreiniging en slechte waterkwaliteit.
De houder van een zwemlocatie treft passende maatregelen als op grond van de beoordeling, verontreiniging of een slechte waterkwaliteit is vastgesteld.
De houder van een zwemlocatie informeert zo snel mogelijk zowel de beheerder van het oppervlaktewater als Gedeputeerde Staten als er aanleiding is om de passende maatregelen te treffen.
De houder van een zwemwaterlocatie zorgt ervoor dat er alleen springvoorzieningen zijn in het gedeelte van het zwemwater dat dieper is dan 1.40 meter.
Het bevoegd gezag van het oppervlaktewater wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.
De springvoorziening bestaat uit startblokken als het zwemwater ter hoogte van de springvoorziening een diepte heeft tussen 1,40 en 2 meter.
De springvoorziening is aan de zijkanten van leuningen voorzien als het loopvlak zich op een hoogte van meer dan 1 meter boven de waterspiegel of het perron bevindt. De leuningen lopen door tot ten minste 0,50 meter voorbij het punt dat zich loodrecht boven de rand van het bassin bevindt.
De houder van een zwemwaterlocatie zorgt ervoor dat:
er minimaal 1 toilet beschikbaar is per 150 gelijktijdig aanwezige bezoekers;
bezoekers zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen en uitsteeksels van aanwezige voorzieningen;
bezoekers niet kunnen uitglijden in en op aanwezige voorzieningen;
de aanwezige voorzieningen zoals toiletten en douches, schoon en goed onderhouden zijn; en
de stranden langs het zwemwater egaal en schoon zijn.
De houder van een zwemlocatie zorgt ervoor dat het talud van de zwemlocatie, bedoeld in Artikel 3.1 onder a, een helling heeft van maximaal 20% tot het punt waar het zwemwater een diepte heeft van 1,50 meter.
Mocht door natuurlijke omstandigheden de maximale helling van 20% niet haalbaar zijn, dan dient de houder van een zwemlocatie maatregelen te nemen ter voorkoming van verdrinking.
De houder van een zwemwaterlocatiezwemlocatietreft maatregelenzorgt ervoor dat:
als uit het onderzoek naar de veiligheid bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, blijkt dat de veiligheid en hygiëne niet voldoet aan de eisen;
als bij monitoring bedoeld in artikel 11.43 en 11.44 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving, door de beheerder van het oppervlaktewater, zwemverontreinigingen of proliferatie van cyanobacteriën, macroalgen en marien fytoplankton zijn vastgesteld; en
ter verbetering en behoud van de kwaliteit van de zwemwaterlocatie bedoeld in het vierde lid van artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
ter voorkoming van verontreiniging van de (omgeving van de) zwemlocatie voldoende voorzieningen beschikbaar zijn, waaronder in ieder geval voldoende toiletten en afvalbakken;
alle aanwezige voorzieningen voldoende veilig zijn en bezoekers zich niet kunnen bezeren aan scherpe randen en uitsteeksels;
bezoekers niet kunnen uitglijden in en op aanwezige voorzieningen;
de aanwezige voorzieningen zoals toiletten en douches schoon en goed onderhouden zijn;
de afvalbakken tijdig worden geleegd;
de stranden langs het zwemwater egaal en schoon zijn.
De houder van een zwemlocatie treft maatregelen:
als uit het onderzoek naar de veiligheid, bedoeld in artikel 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, blijkt dat de veiligheid en hygiëne niet voldoen aan de eisen;
als bij monitoring, bedoeld in artikel 11.43 en 11.44 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, door de beheerder van het oppervlaktewater zwemverontreinigingen, proliferatie van cyanobacteriën, macroalgen en fytoplankton zijn vastgesteld; en
ter verbetering en behoud van de kwaliteit van de zwemlocatie, bedoeld in het vierde lid van artikel 3.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
D
Artikel 3.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op de eisen die artikel 11.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving stelt over algemene gegevens bij een melding, bevat de melding van het vellen van houtopstanden, ook de volgende gegevens:
contactgegevens en wanneer van toepassing de bedrijfsgegevens van degene die de activiteit verricht;
als degene die de activiteit verricht niet de eigenaar is, ook de naam, het adres, de contactgegevens, en wanneer van toepassing bedrijfsgegevens, van de eigenaar van de locatie;
de topografische en kadastrale locatie, de oppervlakte van de velling, de boomsoort, de leeftijd, en wanneer relevant het aantal bomen; en
de reden van de velling.
In aanvulling op de eisen die artikel 11.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving stelt over algemene gegevens bij een melding, bevat de melding van het vellen van houtopstanden, ook de volgende gegevens:
Contactgegevens en wanneer van toepassing de bedrijfsgegevens van degene die de activiteit verricht;
als degene die de activiteit verricht niet de eigenaar is, ook de naam, het adres, de contactgegevens, een machtiging, en wanneer van toepassing bedrijfsgegevens, van de eigenaar van de locatie;
de topografische en kadastrale locatie, de oppervlakte van de velling, de boomsoort, de leeftijd, en wanneer de te vellen houtopstand een rijbeplanting of laanbeplanting betreft, het aantal bomen;
de reden van de velling;
een kaart/satellietfoto waarop de te vellen houtopstand is gemarkeerd; en
een plan hoe aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 Bal, wordt voldaan met ten minste de volgende gegevens:
de topografische en kadastrale locatie van de te herbeplanten grond;
de oppervlakte van de herbeplante houtopstand in m2;
een toelichting over geplande uitvoering van de herbeplanting;
de soortaanduiding van de het plantmateriaal;
het formaat van het plantmateriaal waarmee herbeplant wordt;
de plantafstand; en
wanneer de herbeplanting een rijbeplanting of laanbeplanting betreft, het aantal bomen.
Voor elke op zichzelf staande velling moet een aparte melding worden ingediend.
De aanvraag voor een maatwerkvoorschrift voor herbeplanting op andere grond in de zin van artikel 11.130 Bal bevat de volgende gegevens:
contactgegevens en wanneer van toepassing de bedrijfsgegevens van degene die de herbeplanting op andere grond verricht;
als degene die de herbeplanting op andere grond verricht niet de eigenaar is van de te herbeplanten grond, ook de naam, het adres, de contactgegevens, toestemming voor herbeplanting op de gronden, en wanneer van toepassing, bedrijfsgegevens van de eigenaar van de locatie van de te herbeplanten grond;
een plan hoe aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 Bal, wordt voldaan met ten minste de volgende gegevens:
de topografische en kadastrale locatie van de te herbeplanten grond;
een kaart/satellietfoto waarop de te herbeplanten grond is gemarkeerd;
de oppervlakte van de herbeplante houtopstand in m2;
een toelichting over geplande uitvoering van de herbeplanting;
de soortaanduiding van de het plantmateriaal;
het formaat van het plantmateriaal waarmee herbeplant wordt;
de plantafstand; en
wanneer de herbeplanting een rijbeplanting of laanbeplanting betreft, het aantal bomen.
de reden van de herbeplanting op andere grond.
de reden van de herbeplanting op andere grond.
E
Artikel 3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130, onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving moet voldaan worden aan de volgende eisen:
de herbeplanting vindt op een bosbouwkundig verantwoorde wijze plaats volgens de eisen die Artikel 3.14 daaraan stelt;
de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt ligt in de provincie Overijssel;
de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt iszijn op dat moment nog niet beplant en vrij van andere herbeplantingsplichten;
de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt is vrij van (natuur)compensatieplichten die ontstaan zijn op grond van andere wet- en regelgeving;
de herbeplanting van de andere grond gaat niet ten koste van beschermde natuurwaarden en bijzondere landschappelijke waarden;
de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt is van gelijke kwaliteit als de gronden waarop houtopstanden zijn geveld; en
de oppervlakte van de gronden waarop de herbeplanting plaatsvindt, is minimaal gelijk aan de oppervlakte van de houtopstand die geveld is of tenietgegaan is.
de herbeplanting van de andere grond gaat niet ten koste van de veiligheid; en
de gevelde houtopstand is legaal geveld, waarbij deze eis niet geldt als herbeplanten van andere grond het algemeen belang in hoge mate dient.
F
Artikel 3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op artikel 11.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving is de plicht tot herbeplanting ook niet van toepassing op:
het herstel van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn;
het door natuurlijke ontwikkelingen blijvend teniet gaan van houtopstanden in het geval er sprake is van;:
1. vernatting door natuurlijke processen of vernatting als onderdeel van anti-verdrogingsmaatregelen;
2. op natuurlijke wijze teniet gaan van bossen op gronden die van nature geen bosvorming kennen.
In afwijking van artikel 11.129 Besluit activiteiten leefomgeving geldt bij illegale vellingen een herplanttermijn van één jaar, voor zover de kennisgeving illegale velling deze termijn vermeldt.
G
Artikel 3.59 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in deze afdeling zijn gesteld om de staat en de doelmatige en veilige werking van provinciale wegen en vaarwegen te behoeden voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die wegen en vaarwegen. Met de staat en de doelmatige en veilige werking van deze wegen en vaarwegen wordt in ieder geval bedoeld:
het belang van de veiligheid en doorstroming van het verkeer en scheepvaartverkeer;
het belang van het beheer en onderhoud; en
het belang van verruiming en wijziging van provinciale wegen en vaarwegen.
De regels voor provinciale wegen en vaarwegen zijn ook gesteld met het oog op de bescherming van (de ecologische waardenvoorzieningen voor) flora en natuurfauna langs de provinciale wegen en vaarwegen..
H
Artikel 3.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen als bedoeld in Artikel 3.59 (oogmerken), moetis verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt, die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Onder het nemen van maatregelen, als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt in ieder geval verstaan:
De plicht als bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat:
het verzekeren van het veilig en doelmatig gebruik van de provinciale weg of provinciale vaarweg wordt verzekerd;
geen voertuig onbeheerd wordt achtergelaten in het beperkingengebied provinciale wegen en het beperkingengebied zicht op de weg;
niet excessief in het beperkingengebied provinciale wegen en het beperkingengebied zicht op de weg wordt geparkeerd;
het voorkomen van een ongewoon voorval als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt voorkomen;
het voorkomen van nadelige gevolgen van een ongewoon voorval, bedoeld in artikel 19.1 van de Omgevingswet worden voorkomen.
I
Artikel 3.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied provinciale wegen, neemt de volgende voorwaarden in acht:
de provinciale weg wordt alleen gebruikt in overeenstemming met de functie als openbare weg;
het voor het verkeer noodzakelijke vrije zicht op en vanaf de provinciale weg wordt verzekerd;
in het beperkingengebied provinciale wegen worden geen vaste stoffen, voorwerpen of voorwerpenbeplanting gedeponeerd die hinder of gevaar opleveren voor het verkeer of een belemmering inhouden voor het beheer en onderhoud van de weg;
het beperkingengebied provinciale wegen wordt niet verontreinigd met vloeistoffen of beplantingsresten die gevaar of hinder opleveren voor het verkeer of schadelijk zijn voor de provinciale weg;
de afwatering van de weg wordt niet belemmerd;
beplanting wordt in die conditie gehouden dat zij geen gevaar of hinder vormt voor weggebruikershet verkeer en voor het beheer en onderhoud van de weg;
de veiligheid en de doorstroming van het verkeer op de weg wordt niet in gevaar gebracht.
Degene die een werk realiseert en/of in stand houdt in een beperkingengebied provinciale wegen, draagt zorg voor het beheer en onderhoud hiervan, waarbij de voorwaarden in het eerste lid van dit artikel en de algemene regels in Paragraaf 3.8.2. worden nageleefd.
Degene die een werk realiseert en/of in stand houdt in een beperkingengebied provinciale wegen verwijdert het werk onmiddellijk wanneer het werk zijn functie heeft verloren of het werk niet meer wordt gebruikt en de openbare ruimte wordt volledig hersteld in oorspronkelijke staat.
J
Artikel 3.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied zicht op de weg, neemt de volgende voorwaarden in acht:
K
Artikel 3.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied provinciale vaarwegen, neemt de volgende voorwaarden in acht:
in de provinciale vaarweg worden geen vaste stoffen of voorwerpen gedeponeerd;
vaste stoffen of voorwerpen worden niet zodanig op oevers geplaatst dat deze in de vaarweg kunnen geraken;
de provinciale vaarweg wordt niet verontreinigd met vloeistoffen of beplantingsresten die gevaar of hinder opleveren voor het scheepvaartverkeer of schadelijk zijn voor de provinciale vaarweg;
het voor het vaarverkeer noodzakelijke vrije zicht op en vanaf de vaarweg wordt verzekerd;
de veiligheid of het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg wordt niet in gevaar gebracht;
houtgewas, bomen of takken van bomen worden zodanig geplant en onderhouden dat deze geen hinder voor het scheepvaartverkeer kunnen veroorzaken;
de stabiliteit van de oevers, de aanliggende oeverconstructies en taluds wordt niet in gevaar gebracht.
Degene die een werk realiseert en/of in stand houdt in een beperkingengebied provinciale vaarwegen, draagt zorg voor het beheer en onderhoud hiervan, waarbij de voorwaarden in het eerste lid van dit artikel en de algemene regels in paragraaf 3.8.2 worden nageleefd.
Degene die een werk realiseert en/of in stand houdt in een beperkingengebied provinciale vaarwegen verwijdert het werk onmiddellijk wanneer het werk zijn functie heeft verloren of het werk niet meer wordt gebruikt en de openbare ruimte wordt volledig hersteld in oorspronkelijke staat.
L
Artikel 3.67 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een activiteit verricht in een beperkingengebied provinciale wegen, een beperkingengebied zicht op de weg of een beperkingengebied provinciale vaarwegen, neemt de volgende regels in acht:
het is verboden een activiteit te verrichten binnen 1,5 meter van de kroonprojectie van de bomen als bedoeld in Bijlage XVIII Bomenposter Werken rond bomen;
het is verboden binnen 1,5 meter van de kroonprojectie van de bomen als bedoeld in Bijlage XVIII Bomenposter Werken rond bomen te rijden of parkeren met zwaar materieel of materiaal op te slaan;
het is verboden boomwortels met een diameter van meer dan 5 centimeter te verwijderen;
het is verboden boomwortels te frezen, hakken, lostrekken of doorscheuren;
wortels met een diameter tussen 2,5 en 5 centimeter moeten bij bodembewerking of graafwerkzaamheden haaks op de groeirichting worden doorgezaagd, doorgeknipt of afgestoken.
Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van lid 1 onder sub a, b en c door middel van een maatwerkvoorschrift indien dit redelijkerwijs noodzakelijk is en door middel van een Bomen Effect Analyse aangetoond wordt dat de stabiliteit en levensvatbaarheid van de bomen niet wordt aangetast.
Het niet aantasten van de stabiliteit en levensvatbaarheid van de bomen, als bedoeld in lid 2, wordt aangetoond door middel van een Bomen Effect Analyse, tenzij Gedeputeerde Staten beoordelen dat de werkzaamheden geen negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit en levensvatbaarheid van de bomen.
M
Artikel 3.68 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Aanduidingen worden geplaatst conform afstanden zoals vermeld in de CROW Richtlijn bewegwijzering 2014, publicatie 322.
De kosten voor aanschaf, plaatsing, beheer, onderhoud, vervanging en verwijdering van aanduidingen zijn voor rekening van de vergunninghouder, melder of rechthebbende.
Aanduidingen worden geplaatst of verwijderd vanuit de berm. Indien plaatsing of verwijdering vanuit de berm redelijkerwijs niet mogelijk is, geschiedt de plaatsing of de verwijdering vanaf het fietspad of de parallelweg. Indien ook dit niet mogelijk is, worden aanduidingen geplaatst of verwijderd vanaf de hoofdrijbaan, waarbij buiten de bebouwde kom gebruik wordt gemaakt van een verzwaarde actiewagen voorzien van een botsabsorber.
De provincie is tegenover de vergunninghouder, melder of rechthebbende niet aansprakelijk voor beschadiging, vernieling of diefstal van de aanduidingen.
In geval van tijdelijke bewegwijzering en waarschuwingsborden als bedoeld in Artikel 3.98a worden conflicterende borden uit het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 tijdelijk afgeplakt op zodanige wijze dat de borden niet beschadigd worden.
De provincie kan een aanduiding verplaatsen of tijdelijk verwijderen indien dit nodig is ten behoeve van een herinrichting van de weg dan wel werkzaamheden aan of langs de weg.
Tijdelijke bewegwijzering en waarschuwingsborden conflicteren niet met andere tijdelijke bewegwijzering en/of waarschuwingsborden.
De kosten voor aanschaf, plaatsing, beheer, onderhoud, vervanging en verwijdering van aanduidingen zijn voor rekening van de vergunninghouder, melder of rechthebbende.
De provincie is tegenover de vergunninghouder, melder of rechthebbende niet aansprakelijk voor beschadiging, vernieling of diefstal van de aanduidingen.
De provincie kan een aanduiding verplaatsen of tijdelijk verwijderen indien dit nodig is ten behoeve van een herinrichting van de weg dan wel werkzaamheden aan of langs de weg.
N
Artikel 3.70 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor een aanduiding vervalt van rechtswege als:
Een omgevingsvergunning voor een aanduiding vervalt als:
de aanduiding niet is geplaatst binnen een jaar na de verzenddatum van de omgevingsvergunning; of
de noodzaak voor de aanduiding ophoudt te bestaan.
Een aanduiding waarop het recht van rechtswege is vervallen, wordt door de rechthebbende onverwijld verwijderd.
O
Artikel 3.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die kabels of leidingen aanlegt in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen neemt de volgende voorwaarden in acht:
de werkzaamheden worden onafgebroken uitgevoerd;
de melding of de omgevingsvergunning kabels en leidingen met alle daarbij behorende stukken is tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aanwezig en wordt op verzoek van de provinciaal toezichthouder getoond;
wanneer werkzaamheden worden uitgevoerd in de nabijheid van bomen, is ook de bomenposter Werken rond bomen als bedoeld in Bijlage XVIII Bomenposter Werken rond bomen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden aanwezig en wordt op verzoek van de provinciaal toezichthouder getoond;
in geval van werkzaamheden langs vaarwegen worden de Richtlijnen Vaarwegen 2020 nageleefd; en
gedurende twee jaar na de uitvoering van de werkzaamheden worden optredende verzakkingen en beschadigingen in de verharding van de provinciale weg, in de provinciale wegvaarweg of aan de oevers van de provinciale vaarweg, hersteld door of op kosten van de rechthebbende op de kabel of leiding.
In aanvulling op het eerste lid worden werken ten behoeve van kabels of leidingen geplaatst:
met een omgevingsvergunning, melding of in overleg met de provinciaal toezichthouder;
op plekken die goed toegankelijk zijn;
op plekken waar het verkeer niet in gevaar wordt gebracht en het beheer en onderhoud van de (vaar)weg niet wordt belemmerd; en
bij voorkeur op of tegen de grens van het provinciaal eigendom.
Kabels of leidingen worden in een mantelbuis geplaatst.
Als een handhole wordt geplaatst in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen, bedraagt de gronddekking ten minste 30 centimeter.
P
Artikel 3.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die een ontgraving verricht in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen, neemt de volgende voorwaarden in acht:
gesloten verhardingen worden niet opgebroken;
de ontgraving wordt beperkt tot een zo klein mogelijk profiel en onafgebroken uitgevoerd;
de ontgraving wordt op dezelfde dag gedicht of, als dit niet mogelijk is, in overleg met een provinciaal toezichthouder veilig afgedekt en/of afgezet;
de grondopbouw wordt in dezelfde lagen teruggebracht en verdicht per 2030 centimeter volgens de Standaard RAW Bepalingen 2020;
de ontgraving wordt zo gedicht dat na afloop van de werkzaamheden de indringingsweerstand van de gedichte grond hetzelfde is als bij de grond aan weerszijden daarvan;
als de sleuf verdicht wordt met aangevoerde grond, wordt een schonegrondverklaring overlegd aan de provinciaal toezichthouder;
de overblijvende grond, het vrijgekomen puin en overige bodemvreemde materialen worden afgevoerd;
de bestrating wordt in de oorspronkelijke staat teruggebracht; en
de CROW-publicatie 500 'Schade voorkomen aan kabels en leidingen' wordt nageleefd.
Q
Artikel 3.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Degene die kabels of leidingen door middel van een gestuurde boring, persing of persingboogzinker aanlegt in een beperkingengebied provinciale wegen of provinciale vaarwegen, neemt de volgende voorwaarden in acht:
de werkzaamheden voldoen aan de geldende NEN-normen, zoals NEN 3650 en NEN 3651;
de gemeten druk van de boorspoeling wordt gecontroleerd tijdens het boren en als de druk extreem toeneemt ten opzichte van de prognosedrukken, wordt de boring stilgelegd en worden in overleg met de provinciaal toezichthouder passende maatregelen genomen; en
alvorens de in- en uittredepunten van een boring worden dichtgemaakt, wordt het bentoniet uit de boorgaten geschraapt; en
als de boring of, miniboring, persing of boogzinker mislukt, worden passende herstelmaatregelen genomen in overleg met de provinciaal toezichthouder.
R
Artikel 3.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder omgevingsvergunning in een beperkingengebied provinciale wegen activiteiten te verrichten:
waardoor de vorm, de loop, de constructie of het profiel van de provinciale weg verandert;
waarbij een uitweg wordt aangelegd, in stand gehouden, veranderd of verwijderd;
waarbij borden en aanduidingen aangebrachtgeplaatst, in stand gehouden, veranderd of verwijderd worden;
waarbij kabels of leidingen worden aangebrachtaangelegd, in stand gehouden, veranderd of verwijderd;
waarbij overige werken of bouwwerken gerealiseerd, aangebracht, in stand gehouden, veranderd of verwijderd worden;
waarbij de weg wordt gebruikt in strijd met het doel ervan, zoals het houden van een evenement.
Het eerste lid geldt niet voor de activiteiten waarvoor een melding als bedoeld in Paragraaf 3.8.4 kan worden gedaan.
S
Artikel 3.80 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een activiteit in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied zicht op de weg kan worden geweigerd als:
de veiligheid en de doorstroming van het verkeer op de weg in gevaar wordt gebracht;
het beheer en onderhoud van de weg wordt belemmerd; of
het voor het verkeer noodzakelijke uitzicht op en bij de weg wordt belemmerd.; of
de instandhouding van (de voorzieningen voor) flora en fauna langs de provinciale wegen in gevaar wordt gebracht.
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een activiteit in een beperkingengebied provinciale vaarwegen kan worden geweigerd als:
de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg in gevaar wordt gebracht;
vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg worden gebracht of op een zodanige wijze op oevers worden geplaatst dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken;
het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij de vaarweg wordt belemmerd.
T
Na artikel 3.80 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning voor een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale wegen langs de provinciale weg wordt aangelegd of veranderd, wordt alleen verleend als:
de kabel of leiding langs de weg wordt aangelegd op een afstand van tenminste:
1,25 meter van de kant van de verharding van de hoofdrijbaan of de parallelweg in geval van een telecommunicatiekabel;
0,8 meter van de kant van de verharding van het fietspad in geval van een telecommunicatiekabel;
1,5 meter van de kant van de verharding van de hoofdrijbaan of de parallelweg in geval van een overige nutskabel of -leiding;
1 meter van de kant van de verharding van het fietspad in geval van een overige nutskabel of -leiding.
de kabel of leiding wordt aangelegd op een diepte van ten minste:
0,6 meter onder het maaiveld in geval van een telecommunicatiekabel;
0,8 meter onder het maaiveld in geval van een elektriciteitskabel;
0,85 meter onder het maaiveld in geval van een gasleiding;
1 meter onder het maaiveld in geval van een waterleiding;
1,5 meter onder het maaiveld in geval van riolering.
de kabel of leiding niet met of onder een kunstwerk kruist en wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:
de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt.
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen.
De voorwaarden in het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van kabels of leidingen en ondergrondse werken die worden geplaatst ten behoeve van kabels of leidingen in een beperkingengebied provinciale wegen langs de provinciale weg.
Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid.
Een omgevingsvergunning voor een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale wegen onder een provinciale weg wordt aangelegd of veranderd, wordt alleen verleend als:
indien de kabel of leiding kruist met een bermsloot, de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 meter bedraagt;
de kabel of leiding niet met of onder een kunstwerk kruist en wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt;
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen.
Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste lid.
In aanvulling op de voorwaarden zoals genoemd in de artikelen 3.80a en 3.80b wordt een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een kabel of leiding door middel van een gestuurde boring, persing of boogzinker in een beperkingengebied provinciale wegen alleen verleend als:
het in- en uittredepunt van de mantelbuis in het beperkingengebied provinciale wegen op een afstand ligt van ten minste:
1,5 meter van de kant van de verharding in geval van een persing, miniboring of boogzinker;
3 meter van de kant van de verharding van een hoofdrijbaan in geval van een gestuurde boring;
2,5 meter van de kant van de verharding van een fietspad of parallelweg in geval van een gestuurde boring.
de bovenkant van de mantelbuis in het beperkingengebied provinciale wegen op een diepte ligt van ten minste:
bij een boring, anders dan een avegaarboring, met een diameter van 300 mm of meer boorgrout wordt toegepast.
Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste lid.
U
Artikel 3.87 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor het plaatsen, in stand houden of verwijderen van tijdelijke bewegwijzering ter begeleiding van het verkeer in een beperkingengebied provinciale wegen kan worden verleend als de aanvraag door of namens de rechthebbende wordt ingediend.
[Vervallen]
V
Artikel 3.89 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een uitweg in een beperkingengebied provinciale wegen wordt niet verleend als hierdoor nadelige gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan voor:
de verkeersveiligheid;
de doorstroming van het verkeer op de openbare provinciale weg;
het doelmatig gebruik van de openbare provinciale weg.
Lid 1 is ook van toepassing op de wijziging van het gebruik van een uitweg.
Een omgevingsvergunning voor het aanleggen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van een uitweg op een gebiedsontsluitingsweg of stroomweg in een beperkingengebied provinciale wegen wordt niet verleend als:
hierdoor nadelige gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan voor:
de verkeersveiligheid;
de doorstroming van het verkeer op de openbare provinciale weg;
het doelmatig gebruik van de openbare provinciale weg.
de uitweg kan worden aangesloten op een parallelweg of op een weg van een gemeente, een waterschap, een particulier of op een andere weg van lagere orde;
door het aanleggen, in stand houden of wijzigen van een uitweg per functie van een perceel sprake zou zijn van meer dan:
één woninguitweg per perceel waarvan de functie in het omgevingsplan een of meer woningen toelaat;
één bedrijfsuitweg per perceel met een bedrijfsmatige functie; of
één uitweg landbouw en natuurbeheer per perceel dat wordt gebruikt voor landbouw, natuur of een waterstaatswerk en een bij dat gebruik passende functie heeft.
Een omgevingsvergunning voor het aanleggen, in stand houden, wijzigen of verwijderen van een uitweg op een erftoegangsweg in een beperkingengebied provinciale wegen wordt niet verleend als:
hierdoor onaanvaardbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan voor:
de verkeersveiligheid;
de doorstroming van het verkeer op de openbare provinciale weg;
het doelmatig gebruik van de openbare provinciale weg.
de uitweg kan worden aangesloten op een parallelweg of op een weg van een gemeente, een waterschap, een particulier of op een andere weg van lagere orde;
door het aanleggen, in stand houden of wijzigen van een uitweg per functie van een perceel sprake zou zijn van meer dan:
één woninguitweg per perceel waarvan de functie in het omgevingsplan een of meer woningen toelaat;
één bedrijfsuitweg per perceel met een bedrijfsmatige functie; of
één uitweg landbouw en natuurbeheer per perceel dat wordt gebruikt voor landbouw, natuur of een waterstaatswerk en een bij dat gebruik passende functie heeft.
Lid 1 en 2 zijn ook van toepassing op de wijziging van het gebruik van een uitweg.
Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid.
W
Artikel 3.90 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een uitweg in een beperkingengebied provinciale wegen wordt niet verleend als:
de uitweg kan worden aangesloten op een parallelweg of op een weg van een gemeente, een waterschap, een particulier of op een andere weg van lagere orde,
na het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een uitweg per functie van een perceel sprake zou zijn van meer dan:
- één woninguitweg per perceel waarvan de functie in het omgevingsplan een of meer woningen toelaat;
- één bedrijfsuitweg per perceel met een bedrijfsmatige functie; of
- één uitweg landbouw en natuurbeheer per perceel dat wordt gebruikt voor landbouw, natuur of een waterstaatswerk en een bij dat gebruik passende functie heeft.
[Vervallen]
Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste lid.
X
Artikel 3.94 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor het houden van een evenement in een beperkingengebied provinciale wegen wordt alleen verleend als:
door het beoogde gebruik van de weg geen onherstelbare of ernstige schade aan de weg ontstaat;
er een veilige omleidingsroute is, voor zover nodig;
de bereikbaarheid voor de hulpdiensten wordt gegarandeerd;
er geen U-routes worden afgesloten;
het verkeersmaatregelenplan voldoet aan de volgende eisen:
de te nemen verkeersmaatregelen conform de CROW richtlijn verkeersmaatregelen, publicatie 96b, zijn;
er is een veilige omleidingsroute, voor zover nodig;
de bereikbaarheid voor de hulpdiensten wordt gegarandeerd;
er worden geen U-routes afgesloten;
de te nemen verkeersmaatregelen zijn conform de CROW richtlijn verkeersmaatregelen, publicatie 96b;
eventueel in te zetten verkeersregelaars zijn bevoegd op grond van de Regeling Verkeersregelaars 2009 en het verkeer op de hoofdrijbaan van provinciale wegen buiten de bebouwde kom wordt geregeld door verkeersregelaars die de opleiding tot beroepsverkeersregelaar met succes hebben afgerond en dit ter plaatse kunnen aantonen met een geldig certificaat of pas.
als het regelen van verkeer nodig is: de verkeersregelaar beroepsverkeersregelaar is;
het evenement geen ernstige risico's en hinder veroorzaakt voor het reguliere verkeer;
de weg niet afgesloten of gestremd wordt, tenzij dit noodzakelijk is voor het evenement en onvermijdelijk is.
Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van lid 1 onder sub e, indien de verkeersveiligheid voldoende gewaarborgd is door de inzet van politie.
In afwijking van lid 1 onder sub f kunnen in plaats van beroepsverkeersregelaars evenementenverkeersregelaars worden ingezet, indien naar het oordeel van Gedeputeerde Staten de verkeersveiligheid voldoende gewaarborgd is.
Gedeputeerde Staten kunnen afwijken van lid 1 onder sub h, als dit noodzakelijk is voor het evenement en onvermijdelijk is.
Y
Artikel 3.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder voorafgaande melding in een beperkingengebied provinciale wegen:
kruisende of langsliggende kabels of leidingen van algemeen nut aan te leggen, in stand te houden, aan te passen, in een bestaande mantelbuis te blazen of te verwijderen;
werkzaamheden te verrichten of ondergrondse werken te plaatsen ten behoeve van kabels of leidingen van algemeen nut.
[Vervallen]
De meldplicht als bedoeld in het eerste lid geldt in afwijking van Artikel 3.79 wanneer de activiteit met betrekking tot kabels of leidingen voldoet aan de eisen in Artikel 3.103 en Artikel 3.104.
Z
Na artikel 3.98 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Het is verboden zonder voorafgaande melding in een beperkingengebied provinciale wegen tijdelijke bewegwijzering of waarschuwingsborden te plaatsen.
De meldplicht als bedoeld in het eerste lid geldt in afwijking van Artikel 3.79 wanneer de tijdelijke bewegwijzering of waarschuwingsborden voor een periode van maximaal vier maanden worden geplaatst.
AA
Artikel 3.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een melding als bedoeld in Artikel 3.95, Artikel 3.96
en,
Artikel 3.97 en Artikel 3.983.98a wordt ten minste vier weken voor het beginde start van de werkzaamheden of het evenementactiviteit ingediend bij Gedeputeerde Staten.
BB
Artikel 3.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale wegen langs de provinciale weg wordt aangelegd of veranderd, voldoet aan de volgende eisen:
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste:
1,25 meter van de kant van de verharding van de hoofdrijbaan of de parallelweg in geval van een telecommunicatiekabel;
0,8 meter van de kant van de verharding van het fietspad in geval van een telecommunicatiekabel;
1,5 meter van de kant van de verharding van de hoofdrijbaan of de parallelweg in geval van een overige nutskabel of -leiding;
1 meter van de kant van de verharding van het fietspad in geval van een overige nutskabel of -leiding;
de kabel of leiding wordt aangelegd op een diepte van ten minste
0,6 meter onder het maaiveld in geval van een telecommunicatiekabel,
0,8 meter onder het maaiveld in geval van een elektriciteitskabel;
0,85 meter onder het maaiveld in geval van een gasleiding of riolering;
1 meter onder het maaiveld in geval van een waterleiding;
1,5 meter onder het maaiveld in geval van riolering;
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen;
de kabel of leiding kruist niet met of onder een kunstwerk en wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:
de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt;
voor het aanleggen van de kabel of leiding wordt een verkeersplan aangeleverd dat voldoet aan de CROW-richtlijnen 96b 'werk in uitvoering’.
[Vervallen]
Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op werkzaamheden die worden verricht en ondergrondse werken die worden geplaatst in een beperkingengebied provinciale wegen langs de provinciale weg ten behoeve van kabels of leidingen.
CC
Artikel 3.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale wegen onder een provinciale weg wordt aangelegd of veranderd, voldoet aan de volgende eisen:
de kabel of leiding wordt haaks op de verharding gelegd;
de kabel of leiding wordt in een mantelbuis geplaatst;
het in- en uittredepunt van de mantelbuis ligt op een afstand van ten minste:
- 1,5 meter van de kant van de verharding in geval van een persing;
- 3 meter van de kant van de verharding van een hoofdrijbaan in geval van een gestuurde boring;
- 2,5 meter van de kant van de verharding van een fietspad of parallelweg in geval van een gestuurde boring;
de bovenkant van de mantelbuis ligt op een diepte van ten minste
- 1 meter onder de bovenkant van de verharding in geval van een persing;
- 2 meter onder de bovenkant van de verharding in geval van een bestuurbare boring;
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen;
de kabel of leiding kruist niet met of onder een kunstwerk en wordt op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk aangelegd, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:
- de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
- als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt;
als de kabel of leiding kruist met een bermsloot, is de gronddekking boven de kabel of leiding ten minste 0,8 meter
voor het aanleggen van de kabel of leiding wordt een verkeersplan aangeleverd dat voldoet aan de CROW-richtlijnen 96b 'werk in uitvoering’.
[Vervallen]
DD
Artikel 3.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsvergunning voor het verrichten van een activiteit in een beperkingengebied provinciale vaarwegen kan worden geweigerd als:
de veiligheid en het vlotte verloop van het scheepvaartverkeer op de vaarweg in gevaar wordt gebracht;
vaste stoffen of voorwerpen in een vaarweg worden gebracht of op een zodanige wijze op oevers worden geplaatst dat deze geheel of gedeeltelijk in een vaarweg kunnen geraken;
het voor het scheepvaartverkeer noodzakelijke uitzicht op en bij de vaarweg wordt belemmerd.
het beheer en onderhoud van de vaarweg wordt belemmerd; of
de instandhouding van (de voorzieningen voor) flora en fauna langs de provinciale vaarwegen in gevaar wordt gebracht.
EE
Na artikel 3.107 worden drie artikelen ingevoegd, luidende:
Een omgevingsvergunning voor een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale vaarwegen langs de provinciale vaarweg wordt aangelegd of veranderd, wordt alleen verleend als:
de kabel of leiding langs de vaarweg wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van de boveninsteek van het talud van de vaarweg;
de kabel of leiding wordt aangelegd op een diepte van ten minste:
0,6 meter onder het maaiveld in geval van een telecommunicatiekabel;
0,8 meter onder het maaiveld in geval van een elektriciteitskabel;
0,85 meter onder het maaiveld in geval van een gasleiding;
1 meter onder het maaiveld in geval van een waterleiding;
1,5 meter onder het maaiveld in geval van een riolering.
de kabel of leiding niet met of onder een kunstwerk kruist en wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt.
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen.
De voorwaarden in het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op werkzaamheden die worden verricht ten behoeve van kabels of leidingen en ondergrondse werken die worden geplaatst ten behoeve van kabels of leidingen in een beperkingengebied provinciale vaarwegen langs de provinciale vaarweg.
Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste en tweede lid.
Een omgevingsvergunning voor een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale vaarwegen onder een provinciale vaarweg wordt aangelegd of veranderd, wordt alleen verleend als:
de kabel of leiding haaks op de as van de vaarweg wordt aangelegd;
de kabel of leiding niet met of onder een kunstwerk kruist en wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende voorwaarden gelden:
de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt.
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen.
Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste lid.
In aanvulling op de voorwaarden zoals genoemd in de artikelen 3.107a (beoordelingsregels langsliggende kabels en leidingen vaarweg) en 3.107b (beoordelingsregels kruisende kabels en leidingen vaarweg) wordt een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een kabel of leiding door middel van een gestuurde boring, persing of boogzinker in een beperkingengebied provinciale vaarwegen alleen verleend als:
het in- en uittredepunt van de mantelbuis in het beperkingengebied provinciale vaarwegen op een afstand ligt van ten minste 5 meter van de boveninsteek van het talud van de vaarweg;
de bovenkant van de mantelbuis in het beperkingengebied provinciale vaarwegen op een diepte ligt van ten minste 10 meter onder de onderhoudsdiepte van de vaarweg;
bij een boring, anders dan een avegaarboring, met een diameter van 300 mm of meer boorgrout wordt toegepast.
Gedeputeerde Staten kunnen wegens zwaarwegende omstandigheden afwijken van het bepaalde in het eerste lid.
FF
Artikel 3.109 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het is verboden zonder voorafgaande melding in een beperkingengebied provinciale vaarwegen:
[Vervallen]
De meldplicht als bedoeld in het eerste lid geldt in afwijking van Artikel 3.105 wanneer de activiteit met betrekking tot kabels of leidingen voldoet aan de eisen in Artikel 3.112 en Artikel 3.113.
Het eerste lid geldt niet voor het Kanaal Almelo-De Haandrik.
GG
Artikel 3.110 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een melding als bedoeld in Artikel 3.108
en Artikel 3.109wordt ten minste vier weken voor het begin van de werkzaamheden ingediend bij Gedeputeerde Staten.
HH
Artikel 3.112 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale vaarwegen langs de provinciale vaarweg wordt aangelegd of veranderd, voldoet aan de volgende eisen:
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van de boveninsteek van het talud van de vaarweg;
de kabel of leiding wordt aangelegd op een diepte van ten minste
0,6 meter onder het maaiveld in geval van een telecommunicatiekabel;
0,8 meter onder het maaiveld in geval van een elektriciteitskabel;
0,85 meter onder het maaiveld in geval van een gasleiding;
1 meter onder het maaiveld in geval van een waterleiding;
1,5 meter onder het maaiveld in geval van een riolering;
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen;
de kabel of leiding kruist niet met of onder een kunstwerk en wordt aangelegd op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:
de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt.
[Vervallen]
De eisen in het eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing op werkzaamheden die worden verricht en ondergrondse werken die worden geplaatst in een beperkingengebied provinciale vaarwegen langs de provinciale vaarweg ten behoeve van kabels of leidingen.
II
Artikel 3.113 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een kabel of leiding die in een beperkingengebied provinciale vaarwegen onder een provinciale vaarweg wordt aangelegd of veranderd, voldoet aan de volgende eisen:
de kabel of leiding wordt aangelegd met een gestuurde boring loodrecht op de as van de vaarweg;
de kabel of leiding wordt in een mantelbuis geplaatst;
het in- en uittredepunt van de mantelbuis ligt op een afstand van ten minste 5 meter van de boveninsteek van het talud van de vaarweg;
de bovenkant van de mantelbuis ligt op een diepte van ten minste 10 meter onder de onderhoudsdiepte van de vaarweg;
de kabel of leiding wordt aangelegd op een afstand van ten minste 1,5 meter van de kroonprojectie van bomen;
de kabel of leiding kruist niet met of onder een kunstwerk en wordt op een afstand van ten minste 5 meter van een kunstwerk aangelegd, waarbij in geval van een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding die op een afstand van minder dan 50 meter van een kunstwerk wordt aangelegd, de volgende aanvullende eisen gelden:
de funderingsconstructie wordt aantoonbaar niet negatief beïnvloed door een eventuele erosiekrater;
als een grondkerende constructie onderdeel uitmaakt van het kunstwerk, wordt de kabel of leiding aangelegd buiten de passieve of actieve zone van de grondkerende constructie, waarbij de invloed op eventuele verankering meegenomen wordt.
[Vervallen]
JJ
Artikel 3.114 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Ten minste vijf werkdagen voor het begin van activiteiten in een beperkingengebied provinciale wegen of een beperkingengebied provinciale vaarwegen stelt degene die de activiteit verricht, Gedeputeerde Staten schriftelijk in kennis van dit voornemen.
In de kennisgeving worden in elk geval de volgende gegevens vermeld:
het kenmerk van de omgevingsvergunning of de reactie op de melding voor het verrichten van de activiteit;
de verwachte datum en de tijd wanneer de activiteit wordt verricht;
de verwachte duur van de activiteit;
het (vaar)wegnummer en het hectometerpunt van de provinciale (vaar)weg waar de activiteit wordt verricht;
naam en telefoonnummer van de contactpersoon van de uitvoerende partij;
indien van toepassing: informatie over het plaatsen van piketten langs het tracé.
KK
Paragraaf 3.8.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In aanvulling op de eisen van artikel 7.3 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning activiteit in beperkingengebied provinciale wegen de volgende gegevens verstrekt:
een beschrijving van het werk of de werkzaamheden en de uitvoering daarvan, waarbij aangegeven wordt vanaf welke locatie (hoofdrijbaan, parallelweg, fietspad, berm) de werkzaamheden worden uitgevoerd;
een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld:
de locatie(s) van het werk of werkzaamheden;
het/de wegnummer(s) van de provinciale weg(en);
het/de hectometerpunt(en) waar het werk wordt of de werkzaamheden worden verricht;
aanwezige bomen met boomkroon op ware grootte.
een verkeersmaatregelenplan waarop de volgende informatie is vermeld:
de te nemen verkeersmaatregelen;
het/de wegnummer(s) van de provinciale weg(en);
het /de hectometerpunt(en) waar het werk wordt of de werkzaamheden worden verricht;
de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden;
als het werk tijdelijk wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van het werk;
naam en telefoonnummer van een contactpersoon die bereikbaar is in geval van calamiteiten;
als de aanvraag voor een omgevingsvergunning namens een ander is ingediend: een machtiging;
indien binnen 1,5 meter van de kroonprojectie van een boom wordt gewerkt, geldt dat:
wanneer de werkzaamheden geen negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit en levensvatbaarheid van de bomen, een toelichting moet worden gegeven waaruit blijkt waarom deze werkzaamheden noodzakelijk zijn; of
wanneer de werkzaamheden schade kunnen veroorzaken aan de boom of bomen, een toelichting moet worden gegeven waarom deze werkzaamheden noodzakelijk zijn, én een Bomen Effect Analyse moet worden overgelegd die voldoet aan de eisen uit het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen. Deze analyse bevat in ieder geval een werkplan waarin wordt beschreven welke maatregelen worden getroffen om schade te beheersen. Indien het onvermijdelijk is dat bomen worden gekapt, bevat de Bomen Effect Analyse daarnaast een herplantvoorstel voor bomen van gelijke waarde;
overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag van belang is;
In aanvulling op de eisen van artikel 7.3 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning activiteit in beperkingengebied provinciale vaarwegen de volgende gegevens verstrekt:
een beschrijving van het werk of de werkzaamheden en de uitvoering daarvan, waarbij aangegeven wordt:
een topografische kaart waarop het werk of de werkzaamheden zijn ingetekend en waarop de volgende informatie is vermeld:
de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden;
als het werk tijdelijk wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van het werk;
indien binnen 1,5 meter van de kroonprojectie van een boom wordt gewerkt, geldt dat:
wanneer de werkzaamheden geen negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit en levensvatbaarheid van de bomen, een toelichting moet worden gegeven waaruit blijkt waarom deze werkzaamheden noodzakelijk zijn; of
wanneer de werkzaamheden schade kunnen veroorzaken aan de boom of bomen, een toelichting moet worden gegeven waarom deze werkzaamheden noodzakelijk zijn, én een Bomen Effect Analyse moet worden overgelegd die voldoet aan de eisen uit het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen. Deze analyse bevat in ieder geval een werkplan waarin wordt beschreven welke maatregelen worden getroffen om schade te beheersen. Indien het onvermijdelijk is dat bomen worden gekapt, bevat de Bomen Effect Analyse daarnaast een herplantvoorstel voor bomen van gelijke waarde;
naam en telefoonnummer van een contactpersoon die bereikbaar is in geval van calamiteiten;
als de aanvraag voor een omgevingsvergunning namens een ander is ingediend: een machtiging;
indien de werkzaamheden plaatsvinden in het beperkingengebied van de V77, provinciale vaarweg Almelo - De Haandrik:
een inschatting van de risico's die de werkzaamheden kunnen veroorzaken voor het kanaal en de bewoners en hoe deze worden beheerst;
een beschrijving van de wijze waarop doorlopend gemonitord wordt op de (gevolgen en effecten van de) werkzaamheden;
de wijze waarop over de werkzaamheden wordt gecommuniceerd met de omgeving.
overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag van belang is.
Een melding voor een werk op de oever bevat de volgende gegevens:
gegevens zoals bedoeld in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;
een beschrijving van het werk en de uitvoering daarvan, waarbij aangegeven wordt vanaf welke locatie (de oever en/of de vaarweg) de werkzaamheden worden uitgevoerd;
een topografische kaart waarop de werkzaamheden zijn ingetekend en waarop de volgende informatie is vermeld:
- de locatie van het werk;
- het/de vaarwegnummer(s) van de provinciale vaarweg(en);
- het/de hectometerpunt(en) waar het werk wordt verricht;
de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden;
als het werk tijdelijk wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van het werk;
naam en telefoonnummer van een contactpersoon die bereikbaar is in geval van calamiteiten;
als de melding namens een ander is ingediend: een machtiging;
overige informatie die voor de beoordeling van de melding van belang is.
In aanvulling op de eisen van artikel 7.3 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het aanleggen, wijzigen of verwijderen van een uitweg de volgende gegevens verstrekt:
het type uitweg (woninguitweg, bedrijfsuitweg of uitweg landbouw en natuurbeheer);
een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld:
de exacte locatie van de uitweg;
eventuele obstakels in de nabijheid van de uitweg;
het/de wegnummer(s) van de provinciale weg(en); en
het/de hectometerpunt(en); en
aanwezige bomen met boomkroon op ware grootte.
de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden;
het
een verkeersmaatregelenplan, ingetekend op een topografische kaart met wegnummer(s) en hectometerpunten;
als de uitweg gewijzigd wordt: een beschrijving van de beoogde wijziging;
als de uitweg tijdelijk wordt geplaatst: de duur van de instandhouding van de uitweg;
naam en telefoonnummer van een contactpersoon die bereikbaar is in geval van calamiteiten;
als de aanvraag voor een omgevingsvergunning namens een ander is ingediend: een machtiging;
indien binnen 1,5 meter van de kroonprojectie van een boom wordt gewerkt, geldt dat:
wanneer de werkzaamheden geen negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit en levensvatbaarheid van de bomen, een toelichting moet worden gegeven waaruit blijkt waarom deze werkzaamheden noodzakelijk zijn; of
wanneer de werkzaamheden schade kunnen veroorzaken aan de boom of bomen, een toelichting moet worden gegeven waarom deze werkzaamheden noodzakelijk zijn, én een Bomen Effect Analyse moet worden overgelegd die voldoet aan de eisen uit het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen. Deze analyse bevat in ieder geval een werkplan waarin wordt beschreven welke maatregelen worden getroffen om schade te beheersen. Indien het onvermijdelijk is dat bomen worden gekapt, bevat de Bomen Effect Analyse daarnaast een herplantvoorstel voor bomen van gelijke waarde;
overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag van belang is.
Een aanvraag van een omgevingsvergunning omvat tevensbevat ook eventuele bijzondere omstandigheden, die nopenkunnen leiden tot een afwijking, als bedoeld in Artikel 3.903.89, tweedevierde lid.
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een melding voor een aanduiding bevat de volgende gegevens:
gegevens zoals bedoeld in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;
het aantal gewenste aanduidingen;
de soort aanduiding(en);
een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld:
de exacte locatie van de aanduiding(en);
het/de wegnummer(s) van de provinciale weg(en); en
het/de hectometerpunt(en) waar de aanduiding(en) wordt/worden geplaatst;
de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden voor het plaatsen van de aanduiding(en);
als tijdelijke bewegwijzering wordten/of waarschuwingsborden worden geplaatst: de duur van de instandhouding van de tijdelijke bewegwijzering;
als de aanvraag voor een omgevingsvergunning of de melding namens een ander is ingediend: een machtiging;
overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag of de melding van belang is.
Een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een aanduiding van een toeristisch overstappunt of een verzorgingsplaats bevat in aanvulling op het eerste lid de naam en de locatie van het toeristische overstappunt of de verzorgingsplaats waar de aanduidingnaar verwezen wordtverwijst.
Een aanvraag van een omgevingsvergunning aanduidingvoor eenaanduidingvan een toeristisch object bevat in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens:
de naam en de locatie van het toeristisch object; en
het aantal bezoekers per jaar, of; en
het aantal parkeerplaatsen bij het objecttoeristisch object.
Een melding gedenktekenvoor het plaatsen van eengedenktekenbevat de volgende gegevens:
gegevens zoals bedoeld in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;
een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld:
- de exacte locatie van het gedenkteken;
- het/de wegnummer(s) van de provinciale weg(en);
- het/de hectometerpunt(en) waar het gedenkteken wordt geplaatst;
een topografische kaart waarop de volgende informatie is vermeld:
de exacte locatie van het gedenkteken;
het/de wegnummer(s) van de provinciale weg(en);
het/de hectometerpunt(en) waar het gedenkteken wordt geplaatst,
vormgeving, materiaal en afmetingen van het gedenkteken;
de verwachte startdatum en duur van de werkzaamheden voor het plaatsen van het gedenkteken;
als de melding namens een ander is ingediend: een machtiging;
overige informatie die voor de beoordeling van de melding van belang is.
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een melding voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van kabels en leidingen bevat de volgende gegevens:
In aanvulling op de eisen van artikel 7.3 van de Omgevingsregeling, worden bij een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het aanleggen, veranderen of verwijderen van kabels en leidingen de volgende gegevens verstrekt:
gegevens zoals bedoeld in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;
een tekening waarop de volgende informatie is vermeld:
de wijze van het aanleggen, veranderen of verwijderen van de kabel of leiding;
het/de hectometerpunt(en) van de provinciale weg of vaarweg;
voorzieningen op het gebied van transport, zoals wegen, vaarwegen, bruggen, tunnels, spoorlijnen, vliegvelden en havens;
eventuele obstakels, zoals lantaarnpalen en verkeersregelinstallaties;
-reeds aanwezige kabels en leidingen;
kunstwerken en folieconstructies;
beplanting;
eventuele te treffen voorzieningen, zoals mantelbuizen;
bij boringen, anders dan een avegaarboring, met een diameter van 300 mm of meer het gebruik van boorgrout;
aanwezige bomen met boomkroon op ware grootte;
een legenda.
de startdatum en de verwachte duur van de werkzaamheden;
indien het nodig is om verkeersmaatregelen te nemen: een verkeersmaatregelenplan, ingetekend op een topografische kaart met wegnummer(s) en hectometerpunten;
een beschrijving van de mogelijke negatieve gevolgen van de activiteit en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om die gevolgen te voorkomen of te beperken;
als een gestuurde boring wordt gebruikt: een boorprofiel; waarop de volgende informatie is vermeld:
als een boogzinker wordt gebruikt: een dwarsprofiel waarop de volgende informatie is vermeld:
als een zinker wordt gebruikt: een uitvoeringsplan;
als een buisleiding met explosieve stof, een watertransportleiding of een persleiding aangelegd wordt op een afstand van minder dan 50 meter tot een kunstwerk: een berekening van de erosiekrater;
indien binnen 1,5 meter van de kroonprojectie van een boom wordt gewerkt, geldt dat:
wanneer de werkzaamheden geen negatieve gevolgen hebben voor de stabiliteit en levensvatbaarheid van de bomen, een toelichting moet worden gegeven waaruit blijkt waarom deze werkzaamheden noodzakelijk zijn; of
wanneer de werkzaamheden schade kunnen veroorzaken aan de boom of bomen, een toelichting moet worden gegeven waarom deze werkzaamheden noodzakelijk zijn, én een Bomen Effect Analyse moet worden overgelegd die voldoet aan de eisen uit het Handboek Bomen van het Norminstituut Bomen. Deze analyse bevat in ieder geval een werkplan waarin wordt beschreven welke maatregelen worden getroffen om schade te beheersen. Indien het onvermijdelijk is dat bomen worden gekapt, bevat de Bomen Effect Analyse daarnaast een herplantvoorstel voor bomen van gelijke waarde.
indien wordt afgeweken van de voorwaarden in artikel 3.80a (beoordelingsregels langsliggende kabels en leidingen weg), lid 1, sub a, artikel 3.80c (beoordelingsregels gestuurde boring, persing en boogzinker weg), lid 1, sub a, artikel 3.107a (beoordelingsregels langsliggende kabels en leidingen vaarweg) lid 1, sub a of artikel 3.107c (beoordelingsregels gestuurde boring, persing en boogzinker vaarweg), lid 1, sub a:
indien het werk plaatsvindt binnen het beperkingengebied vaarwegen: of er materialen en/of voertuigen op de oever van de vaarweg worden geplaatst en zo ja welke;
naam en telefoonnummer van een contactpersoon die bereikbaar is in geval van calamiteiten;
als de aanvraag voor een omgevingsvergunning of de melding namens een ander is ingediend: een machtiging;
indien de werkzaamheden plaatsvinden in het beperkingengebied van de V77, provinciale vaarweg Almelo - De Haandrik:
een inschatting van de risico's die de werkzaamheden kunnen veroorzaken voor het kanaal en de bewoners en hoe deze worden beheerst;
een beschrijving van de wijze waarop doorlopend gemonitord wordt op de (gevolgen en effecten van de) werkzaamheden;
de wijze waarop over de werkzaamheden wordt gecommuniceerd met de omgeving.
overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag of de melding van belang is.
Een aanvraag voor een omgevingsvergunning of een melding voor een evenement op de weg bevat de volgende gegevens:
gegevens zoals bedoeld in artikel 7.3 van de Omgevingsregeling;
de exacte locatie van het evenemententerrein, inclusief eventuele parkeerfaciliteiten en objecten (zoals borden en kramen) die geplaatst worden op of naast de provinciale weg, ingetekend op een topografische kaart met wegnummer(s) en hectometerpunten;
de routesroute(s), digitaal ingetekend op een topografische kaart met wegnummer(s) en hectometerpunten;, waarbij duidelijk zichtbaar is:
als het nemen van verkeersmaatregelen nodig is: een verkeersmaatregelenplan met de te treffen verkeersmaatregelen ingetekend op een topografische kaart, inclusief conform de eventuele aanwezigheid van verkeersregelaars en benodigde omleidingen;CROW-richtlijn verkeersmaatregelen, publicatie 96b, waarin is opgenomen:
datum en tijden van het gebruik van de weg;
het gedeelte van de weg (berm, fietspad, parallelweg of hoofdrijbaan) dat gebruikt wordt;
data en tijden van het gebruik van de weg;
naam en telefoonnummer van de contactpersoon die bereikbaar is gedurende het evenement;
het verwachte aantal deelnemers en bezoekers;
een beschrijving van het aantal en de soort deelnemende voertuigen;
een omschrijving van het moment van starten: gelijktijdig of in fases;
informatie over het aanbrengen van objecten op de provinciale weg of aan provinciale eigendommen;
een beschrijving van objecten die worden geplaatst of bevestigd op de provinciale weg of aan provinciale eigendommen;
overige informatie die voor de beoordeling van de aanvraag of de melding van belang is.
Als de provinciale weg afgesloten of gestremd moet worden, bevat een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een evenement op de weg in aanvulling op het eerste lid de volgende gegevens:
een toelichting waaruit blijkt waarom de afsluiting of de stremming van de weg noodzakelijk is voor het evenement en onvermijdelijk is, waarin in elk geval wordt opgenomen welke alternatieven zijn onderzocht om de afsluiting of stremming van de weg te voorkomen en waarom deze alternatieven niet toereikend zijn;
de duur van de afsluiting of stremming.
Als de aanvraag voor een omgevingsvergunning of de melding namens een ander is ingediend bevat een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een evenement op de weg een machtiging.;
LL
Artikel 3.133 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 5.1 van de Omgevingswet, om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten, geldt niet voor ontgrondingsactiviteitenvoor zover die tot doel hebben het verkrijgen van bodemmateriaal en als het gaat om:
het aanleggen of wijzigen van een buitenmanege, als:
1) die niet groter is dan 1.500 m²;
2) die niet gelegen is in landschappelijk of natuurwetenschappelijk gevoelige gebieden,
3) er alleen sprake is van omwisseling van deklaag en onderliggend zand; en
4) grondlagen dieper dan 1,0 m onder het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;
het aanleggen, verhogen, verzwaren of onderhouden van waterkeringen;
het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van een werk door of in opdracht van gemeenten of waterschappen, met inbegrip van de aanleg van waterpartijen als minder dan 10.000 m3 vaste stoffen uit één of meer waterpartijen wordt ontgraven en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau;
de sanering van landbodems voor zover het gaat om:
het saneren van de bodem als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het saneren van de bodem op grond van de Wet bodembescherming;
graafwerkzaamheden die worden verricht in het kader van de herstelplicht als bedoeld in artikel 5.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van werken waarvan het oppervlak, conform de terminologie van de Omgevingswet, geometrisch is bepaald in een onherroepelijk omgevingsplan, projectbesluit of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarbij meer dan 10.000 m3 grond wordt ontgraven en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau.
het uitvoeren van werkgebonden ontgrondingen gericht op:
het beheer en onderhoud voor de instandhouding van bestaande natuur, of
het ontwikkelen van nieuwe natuur als per werk minder dan 10.000 m³ vaste stoffen wordt ontgraven en waarbij niet dieper wordt gegraven dan 3 meter beneden het oorspronkelijke niveau, en uitgevoerd door of in opdracht van een natuurbeherende instantie of op grond van een specifieke daartoe verleende overheidssubsidie.
Het eerste lid is niet van toepassing op ontgrondingsactiviteiten waarvoor een eis geldt om een milieueffectrapportage (mer) op te stellen of te beoordelen of de eis geldt om te beoordelen of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.
MM
Na paragraaf 3.10.1 wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:
De regels in deze paragraaf zijn gericht op doelmatig gebruik van bodemenergie, mede in relatie tot doelmatig waterbeheer.
Deze paragraaf geeft toepassing aan artikel 2.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Het verbod in artikel 3.19, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving om zonder omgevingsvergunning de milieubelastende activiteit open bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken geldt, in overeenstemming met artikel 2.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving, niet voor open bodemenergiesystemen die vóór 1 juli 2013 gemeld zijn bij Gedeputeerde Staten op grond van artikel 6.4 van de destijds geldende Waterwet en welke niet meer grondwater onttrekken dan 10 m³ per uur.
Artikel 4.1157a van het Besluit activiteiten leefomgeving is van overeenkomstige toepassing op de gevallen beschreven in Artikel 3.138.
NN
Artikel 4.39 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 4.38 voorzien in een nieuw agrarisch bouwperceel voor de verplaatsing van een agrarisch bedrijf als een ondernemer:
Een nieuw agrarisch bouwperceel bedoeld in het eerste lid mag alleen in een omgevingsplan worden opgenomen als:
onderbouwd is dat het in redelijkheid niet mogelijk is om een bestaand of voormalig agrarisch bouwperceel te benutten voor de hervestiging van het agrarische bedrijf;
een evenredige omvang aan bestaand of voormalig agrarische bebouwing in Overijssel wordt gesloopt en wegbestemd;
het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate gecompenseerd zal worden door investeringen in de versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;
aannemelijk is gemaakt dat er een kwaliteitswinst wordt geboekt op het gebied van duurzaamheid en sociale kwaliteit; en
in het geval de nieuwvestiging plaatsvindt op gronden binnen hetLandbouwgebied met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuurontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water,is de compensatie gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.
OO
Artikel 4.46 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
PP
Artikel 4.58 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) maken geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot:
aantasting van de mogelijkheden om de natuurdoelen te realiseren die voor dit gebied zijn vastgesteld in Bijlage X Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN,
vermindering van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland; en
aantasting van de samenhang tussen onderdelen van het Natuurnetwerk Nederland.
Omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Bestaand worden regels opgenomen die zijn gericht op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de natuurdoelen zoals vastgesteld in Bijlage X Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.
In omgevingsplannen die betrekking hebben op een gebied dat is aangewezen als Te realiseren natuur NNN worden - zolang de gronden nog niet zijn aangekocht of afgewaardeerd naar natuur - regels opgenomen die ook gericht zijn op bescherming, instandhouding, verbetering en duurzame ontwikkeling van de aanwezige natuurwaarden.
In afwijking van de instructieregels in het eerste en derde lid geldt binnen gebieden die zijn aangewezen als TeTe realiseren natuur NNNrealiseren geen plicht om rechten en ontwikkelingsmogelijkheden te beperken voor zover:
het gaat om rechten en ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande functies zoals die zijn vastgelegd in een geldend omgevingsplan; en
deze gronden nog niet zijn aangekocht voor het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland of nog geen functiewijziging heeft plaatsgevonden naar natuur door de eigenaar zelf.
Artikel 4.60 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan voorzien in een relatief grootschalige nieuwe ontwikkeling binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als:
er sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang;
er uit onderzoek blijkt dat er een alternatievenafweging heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat voor de realisering van de boogdebeoogde nieuwe ontwikkeling geen reële alternatieven zijn;
significant negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied ten gevolge van de nieuwe ontwikkeling worden voorkomen en - als dat niet mogelijk is - zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen te treffen;
de overblijvende schade of significant negatieve effecten op een toereikende maar tenminste gelijkwaardige en tijdige wijze worden gecompenseerd; en
het areaal van het Natuurnetwerk Nederland per saldo ten minste gelijk blijft.
De compensatie die nodig is op grond van het eerste lid wordt gelijktijdig geregeld met het omgevingsplan dat de ontwikkeling mogelijk maakt.
Voor de onderbouwing van de afwijking bedoeld in het eerste lid wordt een compensatieplan vastgesteld.
Burgemeester en wethouders informeren Gedeputeerde Staten dat er een afwijking bedoeld in het eerste lid heeft plaatsgevonden als de herziening van het omgevingsplan voor de nieuwe ontwikkeling onherroepelijk is geworden.
RR
Artikel 4.61 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan op basis van een samenhangende gebiedsvisie voorzien in een combinatie van nieuwe ontwikkelingen en maatregelen binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als:
de combinatie van ontwikkelingen en maatregelen onderbouwd is vanuit een samenhangende visie op het gebied;
het verlies aan ecologische waarden en kenmerken gecompenseerd wordt;
de combinatie van ontwikkelingen en maatregelen per saldo binnen een redelijke termijn een aantoonbare meerwaarde oplevert in kwaliteit en kwantiteit van het Natuurnetwerk Nederland waardoor een beter functionerend natuurnetwerk ontstaat;
de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland minimaal gelijk blijft;
het areaal van het Natuurnetwerk Nederland minimaal gelijk blijft; en
verzekerd is dat de ontwikkelingen en maatregelen die in de gebiedsvisie worden beoogd ook daadwerkelijk in onderlinge samenhang gerealiseerd zullen worden.
De toelichting op het omgevingsplan maakt duidelijk wat de samenhangende gebiedsvisie is waarop de saldobenadering bedoeld in eerste lid is gebaseerd.
De compensatie die nodig is op grond van eerste lid wordt gelijktijdig geregeld met het omgevingsplan dat de ontwikkeling mogelijk maakt.
Voor de onderbouwing van de afwijking bedoeld in het eerste lid wordt een compensatieplan vastgesteld.
Burgemeester en wethouders informeren Gedeputeerde Staten dat er een afwijking bedoeld in het eerste lid heeft plaatsgevonden, als de herziening van het omgevingsplan voor de nieuwe ontwikkeling onherroepelijk is geworden.
SS
Artikel 4.62 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In afwijking van Artikel 4.58 kan een omgevingsplan voorzien in een relatief kleinschalige nieuwe ontwikkeling binnen een gebied dat begrensd is als Natuurnetwerk Nederland als:
er uit onderzoek blijkt dat een zorgvuldige afweging van alternatieven heeft plaatsgevonden;
de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied door de nieuwe ontwikkeling in beperkte mate wordtworden aangetast; en
er maatregelen worden getroffen waardoor per saldo:
1) versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden; of
2) een vergroting van het areaal van het Natuurnetwerk Nederland plaatsvindt.
Burgemeester en wethouders informeren Gedeputeerde Staten dat er een afwijking bedoeld in eerste lid heeft plaatsgevonden, als de herziening van het omgevingsplan voor de nieuwe ontwikkeling onherroepelijk is geworden.
TT
Artikel 4.63 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Uit het compensatieplan bedoeld in Artikel 4.60 en Artikel 4.61 blijkt in ieder geval dat:
nadelige effecten zoveel mogelijk worden voorkomen - en als dat niet kan - zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen te treffen;
per saldo geen verlies plaatsvindt van areaal, kwaliteit en samenhang van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland;
compensatie tijdig plaatsvindt aansluitend of nabij het gebied waar de nieuwe ontwikkeling plaatsvindt waarbij de potenties van de wezenlijke kenmerken en waarden zoals opgenomen in Bijlage X Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN benut worden. Wanneer compensatie aansluitend of nabij het gebied onmogelijk is, vindt tijdige compensatie plaats door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden door ergens anders waarden te realiseren die ten minste van dezelfde kwaliteit zijn als de waarden die door de beoogde ontwikkelingen verloren gaatgaan;
compensatie zo wordt uitgevoerd dat de voorgenomen ontwikkeling het nieuw gerealiseerde natuurbeheertype niet aantast dan wel geen uitstralende effecten heeft in het gebied waarin de compensatie plaatsvindt;
compensatie mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door het omgevingsplan dat in de nieuwe ontwikkeling voorziet in het geval de compensatie in de eigen gemeente plaatsvindt;
compensatie mogelijk is of mogelijk wordt gemaakt door het omgevingsplan van een andere gemeente als daar de compensatie is voorzien;
voldoende compenserende maatregelen en voorzieningen worden getroffen, waarbij een beschrijving wordt opgenomen van:
1) aard;
2) omvang;
3) kwaliteit;
4) locatie; en
5) tijdvak van uitvoering;
van de maatregelen en voorzieningen;
verzekerd is dat uitvoering en beheer van de compenserende maatregelen en voorzieningen - ook voor de toekomst - financieel geregeld is;
compensatie feitelijk uitvoerbaar is en daadwerkelijk gerealiseerd zal worden; en
realisatie van de compenserende maatregelen en voorzieningen goed gemonitord en gerapporteerd zal worden.
Het compensatieplan bedoeld in Artikel 4.60 gaat verder in op: de gebiedsvisie die de basis is voor de saldobenadering die wordt toegepast; en de waarborgen die geboden worden dat de nieuwe ontwikkelingen en maatregelen in onderlinge samenhang worden gerealiseerd.
Als de compensatie bedoeld in Artikel 4.59 en Artikel 4.60 wordt uitgevoerd door private partijen, moet uit het compensatieplan blijken dat gewaarborgd is dat de vereiste compensatie ook daadwerkelijk tijdig gerealiseerd zal worden.
De waarborgen bedoeld in het derde lid bestaan in ieder geval uit:
een financiële zekerheidsstelling voor de uitvoering en beheer van compenserende maatregelen en voorzieningen die op grond van het compensatieplan moet plaatsvinden; en
een uiterste termijn voor het uitvoeren van de compensatie en een effectieve boeteclausule voor het geval de verplichtingen uit het compensatieplan niet tijdig of niet voldoende worden nagekomen.
UU
Artikel 4.106 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Omgevingsplannen voorzien alleen in de zelfstandige opstelling van zonnepanelen in de Groene Omgeving:
op onbebouwde gedeelten van bouwpercelen van (agrarische) bedrijven, voor zover deze gronden niet nodig zijn voor de (agrarische) bedrijfsvoering, tot een maximumoppervlak van 2 ha aan zonnepanelen en mits goed ingepast in het landschap;
op gronden in stads- en dorpsranden, tot een maximumoppervlak van 2 ha aan zonnepanelen en mits goed ingepast in het landschap;
langs hoofdinfrastructuur, mits de ontwikkeling past in een samenhangend ontwerp voor het gehele tracé en in afstemming met de wegbeheerder;
op het water van zandwinplassen, mits dit verenigbaar is met de natuur- en recreatiedoelen van deze plassen;
op geluidswallen en boven bestaande verhardingen, zoals parkeerterreinen, mits goed ingepast in het landschap;
in de vorm van kleinschalige installaties op erven van woningen, mits goed ingepast in het landschap.
In afwijking van het bepaalde in het eerste lid kan een omgevingsplan de zelfstandige opstelling van zonnepanelen toestaan voor zover het gaat om concrete initiatieven waarvoor het bevoegd gezag vóór 13 oktober 2023 met een positief principebesluit schriftelijk verklaard heeft dat medewerking verleend zal worden aan het initiatief en mits verzekerd is dat het project uiterlijk 1 januari 2030 gerealiseerd zal zijn.
De zelfstandige opstelling van zonnepanelen als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt uitsluitend toegestaan in de vorm van tijdelijk (mede)gebruik van gronden en als:
de maatschappelijke meerwaarde is aangetoond;
het verlies van ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en
de zelfstandige opstelling van zonnepanelen plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en WaterLandbouwgebied met gebiedsspecifieke opgaven en kansen voor water, klimaat en natuur, is de compensatie gericht op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.
Een omgevingsplan dat de zelfstandige opstelling van zonnepanelen toestaat in de Groene Omgeving bevat een onderbouwing van de maatschappelijke meerwaarde die ingaat op:
de mate waarin sprake is van meervoudig ruimtegebruik;
maatregelen die getroffen worden om de impact op de omgeving te beperken of te compenseren;
de mate waarin wordt aangesloten op de gebiedskenmerken die van toepassing zijn op de locatie zelf en de omgeving; en
de bijdrage die geleverd wordt aan maatschappelijke doelen.
VV
Artikel 4.116 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf geeft instructieregels voor gemeenten over activiteiten met mogelijke risico's voor de kwaliteit van het grondwater en in het bijzonder voor de kwaliteit van het grondwater in of nabij waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones, zoals:.
graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, als bedoeld in paragraaf 4.120 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
saneren van de bodem, als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving;
bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, als bedoeld in paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Deze instructieregels zijn alleen van toepassing voor activiteiten waarvoor op grond van artikelparagraag 5.2.2. van het Besluit activiteiten leefomgeving en paragraaf 5.1.4.5.1 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving een voorafgaand bodemonderzoek moet worden verricht.
WW
Het opschrift van hoofdstuk 7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
XX
Artikel 7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit hoofdstukdeze afdeling zijn gericht op het optimaal benutten van Twente Airport dat onderdeel uitmaakt van een gebiedsontwikkeling waarbij het voormalige militaire vliegveld Twente herontwikkeld wordt om ruimte te bieden aan luchtvaart ten dienste van luchthavengebonden bedrijvigheid, Business Aviation en General Aviation, met ruimte voor recreatief gebruik en met behoud van de kwaliteit van de leefomgeving, waaronder behoud van natuurkwaliteit en beperking van overlast.
YY
Artikel 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels van dit hoofdstukdeze afdeling gelden als luchthavenbesluit, bedoeld in artikel 8.43, eerste en tweede lid van de Wet luchtvaart, voor luchthaven Twente Airport.
De begrippen, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet luchtvaart en artikel 1 van het Besluit Burgerluchthavens, zijn ook van toepassing op dit hoofdstukdeze afdeling.
ZZ
Artikel 7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit hoofdstuk
Deze afdeling gaat over:
luchtvaartverkeer op en exploitant van de luchthavenTwente Airport; en
activiteiten in beperkingengebieden rond luchthaven Twente Airport.
AAA
Na afdeling 7.1 wordt een afdeling ingevoegd, luidende:
De regels in deze afdeling zijn gericht op het benutten van de helikopterluchthaven op het Medisch Spectrum Twente (MST). De helikopterluchthaven op het MST wordt gebruikt voor vluchten van maatschappelijk belang, in het bijzonder voor hulpverlening.
De regels van deze afdeling gelden als luchthavenbesluit, bedoeld in artikel 8.43, eerste en tweede lid van de Wet luchtvaart, voor helikopterluchthaven MST.
De begrippen, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet luchtvaart en artikel 1 van het Besluit burgerluchthavens, zijn ook van toepassing op deze afdeling
De exploitant van helikopterluchthaven MST is Stichting Medisch Spectrum Twente dan wel diens rechtsopvolger. In geval van rechtsopvolging meldt de exploitant de wijzigingen die gepaard gaan met deze rechtsopvolging ten minste 1 maand voordien aan het bevoegd gezag.
Als luchthavengebied helikopterluchthaven MST is het gebied aangewezen dat als zodanig geometrisch is begrensd.
De helikopterluchthaven mag uitsluitend gebruikt worden voor vluchten van maatschappelijk belang (HEMS-vluchten en SAR-vluchten)
Onverminderd de bepalingen uit de Wet luchtvaart en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen, mag de luchthaven uitsluitend worden gebruikt door (meermotorige) helikopters met een All Up Weight (AUW) tot 5.000 kg, die conform het flight manual mogen opereren op een heliplatform met de afmeting van 22 bij 22 meter.
Vluchten van en naar de helikopterluchthaven dienen uitgevoerd te worden in Visual Meteorological Conditions.
De ligging van de handhavingspunten, bedoeld in artikel 8 van het Besluit burgerluchthavens, en de grenswaarden voor de geluidbelasting op die punten, zijn weergegeven in Bijlage XX Ligging en grenswaarden in de handhavingspunten helikopterluchthaven MST.
Het Beperkingengebied geluidscontour 48 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 9, onder b van het Besluit burgerluchthavens is vastgesteld zoals weergegeven in Bijlage XXI - I Beperkingengebied geluidscontour 48 dB(A) Lden MST
Het Beperkingengebied geluidscontour 56 dB(A) Lden als bedoeld in artikel 9, onder c van het Besluit burgerluchthavens is vastgesteld zoals weergegeven in Bijlage XXI - II Beperkingengebied geluidscontour 56 dB(A) Lden MST
Het Beperkingengebied externe veiligheid MST (10-6 plaatsgebonden risicocontour), als bedoeld in artikel 9, onder a, van het Besluit burgerluchthavens is vastgesteld zoals weergegeven in Bijlage XXI - III Beperkingengebied externe veiligheid MST
Het beperkingengebied hoogte MST (hoogtebeperkingen in verband met vliegveiligheid), als bedoeld in artikel 9, onder f, van het Besluit burgerluchthavens, is vastgesteld zoals weergegeven in Bijlage XXI - IV Beperkingengebied hoogte MST
BBB
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden.
verwijzing naar een toeristisch object, verzorgingsplaats of toeristisch overstappunt, informatiepanelen, activiteitenborden, speciale aanduidingen, tijdelijke bewegwijzering, waarschuwingsborden en gedenktekens
achtergrondwaarden als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit
bord van een gemeente met informatie over actuele activiteiten binnen die gemeente
onderzoek naar de behoefte aan nieuw bedrijventerrein zoals dat onderbouwd kan worden vanuit de regionale behoefte bedrijventerreinen, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens
onderzoek naar de behoefte aan nieuwe woningen zoals dat onderbouwd kan worden vanuit de regionale behoefte woningbouw, markt- en vastgoedanalyses en andere relevante gegevens
bestuurlijke afspraken tussen de provincie Overijssel en gemeenten over onder meer het ambitieniveau voor de economische ontwikkeling van de regio, profilering van bedrijventerreinen, het toekomstbestendig maken en houden van de bestaande voorraad, (her)programmering van het aanbod aan bedrijventerreinen en de bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt
maximaal totaal gewicht van de helikopter, inclusief lading, tijdens het landen en opstijgen
anorganische meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit
landelijk netwerk van doorgaande vaarwegen dat de vaargebieden in alle provincies met elkaar verbindt voor de watersport
uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten en daarmee samenhangende functies
door middel van een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon beheren en/of exploiteren
uitweg ter ontsluiting van een perceel dat bij of krachtens de Omgevingswet een bedrijfsmatige functie en daarmee samenhangende functies heeft
woning in of bij een gebouw of op een terrein waar een bedrijf wordt uitgeoefend, kennelijk slechts bedoeld voor het huishouden van een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de aard van het bedrijf kennelijk gewenst is
begraafplaatsen en terreinen die bestemd zijn om permanent as op te verstrooien als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging alsmede dierenbegraafplaatsen
Verkeersregelaar - niet zijnde een transportbegeleider of een verkeersregelaar die tot taak heeft eenvoudige verkeersregelende werkzaamheden te verrichten bij evenementen - die uit hoofde van zijn beroep verkeersregelende werkzaamheden verricht
wegwijzer op of nabij het punt waar de weggebruiker op de verkregen informatie van de bewegwijzering zal reageren door al dan niet van richting veranderen
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels bij activiteiten in de fysieke leefomgeving. In het Bal staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is. Daarnaast regelt het Bal wie het bevoegd gezag is. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving burgers, bedrijven en overheid.
de gronden binnen steden en dorpen die benut worden voor stedelijke functies op grond van een geldend omgevingsplan en op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg
het geheel van bestaande zandwinlocaties
locaties in de Groene Omgeving waar woningen, bedrijven en voorzieningen aanwezig zijn of gerealiseerd kunnen worden op grond van het geldende omgevingsplan of op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg
functies die gerealiseerd kunnen worden op grond van het geldende omgevingsplan of op grond van een (voor)ontwerp voor zover de provincie daarover een positief advies heeft uitgebracht in het kader van het vooroverleg
natuurwaarden die feitelijk aanwezig zijn in een gebied
biociden als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving
bodem als bedoeld in artikel 1 van de Wet bodembescherming
een activiteit waarbij direct of indirect warmte aan de bodem of het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, waaronder begrepen een bodemenergiesysteem als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving en een mijnbouwwerk ten behoeve van het opsporen en winnen van aardwarmte als bedoeld in artikel 1, onder n, onderdeel 1, van de Mijnbouwwet
contractuele afspraak waarin is vastgelegd dat de ene partij aan de andere partij een boete verschuldigd is als zich een bepaalde situatie voordoet. De boete kan bestaan uit een geldbedrag of een prestatie
bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit
belang gericht op bezoekers met een groter geografisch bereik dan alleen de bewoners van de gemeente waarin een object is gelegen
BRL SIKB als bedoeld in Bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving
buisleiding bestemd of gebruikt voor het vervoer van olie(producten), chemicaliën en gas, met uitzondering van een buisleiding voor het transport van aardgas, alsmede een buisleiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën
winkelgebieden waar detailhandelsvestigingen geconcentreerd zijn, niet zijnde kernwinkelgebieden, die vooral gericht zijn op het voorzien in de dagelijkse behoeften
bijlage van de Omgevingsvisie Overijssel waarin een beschrijving is opgenomen van alle gebiedstypen in Overijssel, waarbij is vastgelegd welke kwaliteiten en kenmerken van elke gebiedstype behouden, versterkt en ontwikkeld moeten vanuit de benadering van de natuurlijke laag, de laag van de agrarische cultuurlandschappen, de stedelijke laag en de laag van de beleving
plan waarin de maatregelen worden vastgelegd die noodzakelijk zijn om de impact van ontwikkelingen binnen het Natuurnetwerk Nederland te compenseren en te mitigeren
compost als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van het uitvoeringsbesluit meststoffenwet.
nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte
gebouwen met inbegrip van de verharde uitloop voor het houden van landbouwhuisdieren of een ander bouwwerk voor het houden van dieren
dierlijke meststoffen als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Meststoffenwet
drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Drinkwaterwet of een ander bedrijf dat uitsluitend of mede bestemd is voor het onttrekken van grondwater voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water en in wiens belang het betreffende gebied wordt beschermd
duurzame ontwikkelingen die voorzien in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoefte te voorzien
Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) is een onderzoeksbureau voor toegepaste economische analyse.
Zowel in opdracht als op eigen initiatief verricht het EIB onderzoek voor marktpartijen en overheid. Op onafhankelijke en wetenschappelijke wijze beantwoordt het EIB economische en sociale vraagstukken over de bouw en gebouwde omgeving.
de verbinding tussen vraag en aanbod (opwek en gebruik), transport en opslag van verschillende energievormen
kleine windturbines op het erf van een (agrarisch) bedrijf waarmee energie wordt opgewekt voor in hoofdzaak eigen gebruik
lokale weg met een verblijfsfunctie, die primair bedoeld is voor bestemmingsverkeer
de rechtspersoon die de luchthaven exploiteert
opslag anders dan in een volledig afgesloten gebouw
overslag anders dan in een volledig afgesloten gebouw
verwerking anders dan in een volledig afgesloten gebouw
het proces waarbij onder hoge druk een mix van water, chemicaliën en zandkorrels de kleisteenlaag wordt ingespoten, waarbij scheuren ontstaan waarlangs het gas naar de boorschacht kan lopen en gewonnen kan worden
bord voor de aanduiding van regio’s, nationale landschappen, nationale parken, ecologische hoofdstructuurgebieden en Unescogebieden- en objecten
gebieden die beschikbaar zijn voor het realiseren van de natuurdoelen zoals omschreven in bijlage X: Wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland
gebieden die getypeerd worden door de geschiktheid voor verdere ontwikkeling van aanwezige of in potentie aanwezige natuurwaarden, maar die nog niet of niet geheel kunnen worden ingericht als natuur conform de natuurdoelen zoals omschreven in bijlage X: Wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, omdat de gronden nog niet zijn aangekocht, nog niet zijn afgewaardeerd of nog niet beschikbaar zijn voor het realiseren het Natuurnetwerk Nederland
de verschillende typen landschappen en hun kenmerkende eigenschappen zoals beschreven in de Catalogus Gebiedskenmerken
een weg die de verbindingsschakel vormt tussen stroomwegen en erftoegangswegen
gebouw als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit bouwwerken leefomgeving
niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie ter nagedachtenis aan een menselijk verkeersslachtoffer
Gedeputeerde Staten van Overijssel
veehouderij met meer dan 10 geiten
gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving
gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving
gebied dat is aangewezen voor de vestiging van nieuwe glastuinbouwgebieden
dat deel van de fysieke leefomgeving waarvan de gronden niet vallen binnen bestaand bebouwd gebied
kans per jaar dat ten minste 10 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied dat wordt veroorzaakt door een activiteit met externe veiligheidsrisico's
grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit
grondwater als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
gebieden die op grond van artikel 7.11, eerste lid onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen met het oog op de bescherming van de kwaliteit van het grondwater in verband met de winning daarvan voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water
grondwaterlichaam als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
detailhandel - niet zijnde detailhandel in de branchegroepen dagelijkse goederen of mode en luxe artikelen - met een zeer groot winkelvloeroppervlak en met een assortiment van goederen die qua aard en omvang op zichzelf passend zijn binnen een kernwinkelgebied, maar die aantoonbaar vanwege de omvang van het assortiment van de winkelformule een zeer groot winkeloppervlak nodig hebben
activiteiten die gelet op de risico’s voor de grondwaterkwaliteit én als zodanig, ongewenst zijn in grondwaterbeschermingsgebieden en intrekgebieden
Helicopter Emergency Medical Service-vluchten zoals bedoeld in de Vrijstellingsregeling Besluit luchtverkeer 2014 en de Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen
het proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht en waarbij de bestaande functie van het gebied gehandhaafd blijft
hoogwaardig fietsnetwerk van en naar de stedelijke centra en streekcentra
weg-, vaarweg- en spoorverbindingen van en naar de stedelijke centra en streekcentra
degene voor wiens rekening en risico een zwemwaterlocatiezwemlocatie wordt gedreven
paneel dat bestaat uit een kaart van het gebied en een bijbehorend register van objecten en straatnamen om de weggebruiker duidelijk te maken waar een object of een straat ligt en langs welke route dit kan worden bereikt
een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe dat orgaan een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Instructieregels gaan over de inhoud, toelichting of motivering van een instrument dat een bestuursorgaan op grond van de Omgevingswet kan inzetten.
gebieden die aangewezen zijn voor de bescherming van grondwater op basis van de tijd die een waterdruppel er over doet om vanaf de rand van het gebied tot aan een winput te komen waar grondwater wordt onttrokken voor de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water
buigzame verbinding, bestaande uit een of meer geleiders, die zijn samengesteld uit draden van metaal of glasvezel en geschikt zijn voor het transport van elektrische energie, elektrische signalen of optische signalen
kalkmeststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet
Overblijfselen uit de middeleeuwen en later van oude handelssporen die gevormd zijn doordat reizigers na verstuiving van zand met hun karren steeds weer naast het oude spoor gingen rijden, waardoor reliëfrijke bundels van sporen zijn gevormd in de onverharde ondergrond
essentiële landschappelijke of cultuurhistorische kenmerken van nationale landschappen of van een deel van een nationaal landschap die aanleiding zijn geweest om over te gaan tot aanwijzing van het nationaal landschap
het gedeelte van binnensteden en dorpscentra waar detailhandelsvestigingen geconcentreerd zijn
winkel die met het oog op de beperking van de afvalstroom en het hergebruik van producten afgedankte waren gratis inzamelt, sorteert, eventueel repareert en opnieuw verkoopt;
een civieltechnische constructie die onderdeel is van een weg, vaarweg of watergang, zoals een brug, viaduct, ecoduct, (fauna)tunnel, onderdoorgang, sluis, stuw, gemaal, sifon, duiker (met een diameter groter dan 800 milimeter) en geleide- en remmingwerken;
extra inzet op het verbeteren en versterken van ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving
kwaliteitsklasse als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit
gebouw met een onderwijs- of gezondheidszorgfunctie als bedoeld in bijlage 1 bij het Besluit kwaliteit leefomgeving
locatie als bedoeld in Bijlage VI, onderdeel D van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening
zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of een paard of pony voor het fokken
een kabel of leiding die parallel is gelegd aan, boven, onder, op of in een infrastructureel werk of andere werken in beheer van de provincie
contouren ter aanduiding van de beperkingengebieden in verband met de geluidsbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer, bedoeld in artikel 9 van het Besluit burgerluchthavens
holle buis, vervaardigd van een duurzaam materiaal, zoals staal, beton of kunststof, geschikt voor het transport van vloeistoffen en gassen
bedrijven die hun oorsprong óf verzorgingsgebied hebben of vinden in de gemeente of kern waar ze gevestigd zijn of zich vestigen én toegevoegde waarde bieden aan de sociaal-economische structuur en voorzieningen
behoefte op gemeentelijke niveau
het op of in de bodem brengen van koelwater, afvalwater dan wel overige vloeistoffen, waarin schadelijke stoffen voorkomen
werk op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten of verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem kunnen veroorzaken, waaronder begrepen boringen, grond- en funderingswerken
mestbassin als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, voornamelijk opgebouwd uit folies
meststoffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder d, van de meststoffenwet.
mestzak als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving
door Gedeputeerde Staten vastgestelde methodiek die moet worden gebruikt voor het toestaan van nieuwe risicovolle activiteiten in een omgevingsplan
speciale aanduidingen die gericht zijn op de beïnvloeding van het gedrag van weggebruikers ter uitvoering van overheidsbeleid op het gebied van verkeersveiligheid en mobiliteit
locaties waar de uitwisseling plaatsvindt tussen de verkeersmodaliteiten weg, water en spoor
gebied met (inter)nationaal zeldzame of unieke landschapskwaliteiten en in samenhang daarmee cultuurhistorische en natuurlijke kenmerken
NEN 3650 ‘Eisen voor buisleidingsystemen’, uitgave januari 2020
NEN 3655 ‘Veiligheidsbeheersysteem (VBS) voor buisleidingsystemen voor het transport van gevaarlijke stoffen – Functionele eisen’, uitgave januari 2020
bedrijvigheid anders dan agrarisch bedrijvigheid, die niet functioneel aan de Groene Omgeving is gebonden
alle activiteiten behalve de activiteiten die goed samengaan met de betekenis van het grondwater voor de drinkwaterwinning en grote of grootschalige risicovolle activiteiten
bedrijventerrein waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet
bovengrondse opslagmogelijkheden waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet
detailshandelsvestigingen waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet
multifunctionele locatie waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet
ondergrondse opslagmogelijkheden waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet
ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving waarvoor het geldende omgevingsplan moet worden aangepast voordat daaraan medewerking kan worden verleend
te realiseren woningen, waarvoor nog geen omgevingsvergunning is afgegeven
kantoorruimten die geen onderdeel uitmaken van een bedrijf
vestiging waarin het geldende omgevingsplan nog niet voorziet
uitspraken over landschappelijke inpassing volgens de aanwezige gebiedskenmerken die geen ruimte laten voor lokale afweging
stuk land tussen de oeverlijn en de dichtstbij gelegen rand van het beperkingengebied vaarwegen
omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4.
tuinbouw waarbij geteeld wordt in kassen (onder glas) en waarbij deze glastuinbouw dienstbaar is aan de opengrondteelt, zoals broeien van bollen of het opkweken van plantmateriaal
elke activiteit waardoor iets aan of in de hoogteligging van een terrein verandert of waarbij de bodem van een water wordt verlaagd.
kwaliteitsimpuls Groene Omgeving in de zone Ondernemen met Natuur en Water Het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water is gericht op behouden en ontwikkelen van de natuur- en landschapskwaliteiten en de versterking van het watersysteem, in samenhang met economische ontwikkeling. De ambitie is een samenhangend netwerk van natuur en water met ecologische, hydrologische, economische en recreatieve kwaliteit. Voor zover gronden niet zijn aangeduid als Natuurnetwerk Nederland, geldt hier een "ja, mits benadering". Dit houdt in dat ontwikkelingsruimte wordt geboden onder de voorwaarde dat er bijgedragen wordt aan ruimtelijke kwaliteit. Deze benadering geldt in principe ook voor de andere ontwikkelingsperspectieven, maar daar kan de kwaliteitsinvestering breed worden ingezet. In het geval van het ontwikkelingsperspectief Ondernemen met Natuur en Water geldt dat de investeringen in ruimtelijke kwaliteit gericht moeten worden ingezet op het realiseren van wateropgaven en het versterking van natuur en landschap. Als ondernemers, burgers of organisaties nieuwe groene initiatieven ontplooien, zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van een nieuw landgoed, dient dat bij voorkeur in de zone Ondernemen met Natuur en Water plaats te vinden.
op of in de bodem brengen van meststoffen als bedoeld in paragraaf 3.2.20, eerste lid van het Besluit activiteiten leefomgeving
provinciale weg die openbaar is in de zin van de Wegenwet
gebieden die niet beschermd worden door primaire keringen en daarmee wettelijk gezien buitendijks liggen
gebieden die normaal niet onder water staan, maar tijdelijk onder water kunnen komen te staan bij overstroming
aaneengesloten stuk grond dat in de feitelijke actuele situatie is ingericht ten behoeve van een functie
gebieden buiten de kernwinkelgebieden
contouren ter aanduiding van de beperkingengebieden in verband met het externe veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer, zoals bedoeld in artikel 9 van het Besluit burgerluchthavens
gebieden die door de natuurlijke ligging bij hevige neerslag gemakkelijk onder water lopen
Bestuurlijke afspraken tussen de provincie Overijssel en gemeenten over onder meer het ambitieniveau voor de verduurzaming van de energievoorziening, de maximum opwek (GWh) van windenergie, het aantal windturbines dat daarvoor minimaal gerealiseerd moet worden binnen de provincie en de verdeling daarvan over de verschillende regio's en de bijbehorende programmeringsdocumenten, zoals voor een aangegeven periode zijn gemaakt.
elk binnen de provincie gelegen water dat openstaat voor het openbaar scheepvaartverkeer, voor zover op grond van artikel 5.23 Omgevingsverordening in beheer bij de provincie
voor het openbaar verkeer openstaande wegen in beheer bij de provincie, met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten
Overblijfselen uit de prehistorie van vierkante of rechthoekige, aaneengesloten stukjes grond waar landbouw bedreven werd door de boeren in de IJzertijd en die gekenmerkt worden door kwetsbaar microreliëf.
de houder van een omgevingsvergunning, de indiener van een melding dan wel degene wiens belang door de aanduiding wordt gediend
complex van recreatiewoningen en/of recreatieverblijven die voor recreatief nachtverblijf zijn bestemd; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen
gebouw of kampeermiddel dat bedoeld is om uitsluitend door een huishouden of daarmee gelijk te stellen groep van personen dat het hoofdverblijf elders heeft, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt
permanent ter plaatse aanwezig gebouw dat niet op wielen verplaatsbaar is en dat bedoeld is om steeds wisselend door huishoudens of daarmee gelijk te stellen groepen van personen, die het hoofdverblijf elders hebben, gedurende een gedeelte van het jaar te worden gebruikt voor toeristisch of recreatief gebruik. Onder recreatiewoningen worden niet verstaan groepsaccommodaties zoals kampeerboerderijen en jeugdherbergen
gemeenten met een samenhangende markt voor woningen, bedrijventerreinen of (detailhandels)voorzieningen, die bediend wordt door de bouwmogelijkheden die deze gemeenten daarvoor bieden
bovenlokale behoefte van de regio
provinciale analyse van de behoefte aan nieuwe woningen in de regio die gebaseerd is op de provinciale behoefteprognose
effecten op bovengemeentelijk niveau
afstemmingsoverleg tussen gemeenten in de regio waarin wordt vastgesteld welk aanbod per gemeente nodig is om gezamenlijk in de regionale behoefte te voldoen
uitspraken over landschappelijke inpassing volgens de aanwezige gebiedskenmerken die ruimte laten voor lokale afweging binnen de kaders van de provinciale kwaliteitsambities
resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, dier en plant belangrijk is
combinatie van onderling samenhangende plannen, projecten of handelingen waarvan één of enkele afzonderlijk een negatief effect hebben op het Natuurnetwerk Nederland, maar waarvan de gecombineerde uitvoering leidt tot een vergroting van de oppervlakte of een verbetering van de kwaliteit en samenhang van de ecologische hoofdstructuur op gebiedsniveau
Search and rescue-vlucht met een helikopter die wordt gebruikt door de SAR-dienst als bedoeld in artikel 1 van de Regeling inzake de SAR-dienst 1994, ten behoeve van de opsporing en redding van een mens of dier in levensbedreigende omstandigheden
stoffen of combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten, in welke vorm dan ook, waarvan hetzij in het algemeen, hetzij in het gegeven geval, verwacht kan worden dat ze de bodem en het grondwater verontreinigen of kunnen verontreinigen, waaronder in ieder geval begrepen de (families en groepen van) stoffen die zijn opgenomen in bijlage XIX onder B van het Besluit kwaliteit leefomgeving
welzijn van mens voor zover het gaat om het voldoen aan de menselijke behoeften die samenhangen met de inrichting of vormgeving van de leefomgeving
aanduidingen die dienen voor verkeersoriëntatie, zoals buurtschapsborden, borden ter benaming van rivieren, kanalen, bruggen en viaducten, gebiedsaanduidingsborden, gemeentegrensborden, straatnaamborden, borden bebouwde kom (H1 of H2), huisnummering, borden route gevaarlijke stoffen (K14), of borden die geen bewegwijzering tot doel hebben, zoals mottoborden
weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Spoorwegwet
beginsel dat erop gericht is verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen
standaardtekening uitwegen, zoals uitgewerkt in bijlage XVII
beginsel dat erop gericht is risico’s op verontreiniging van het grondwater te verminderen en de grondwaterkwaliteit te verbeteren
gebied dat onderdeel uitmaakt van bestaand bebouwd gebied
de steden Almelo, Borne, Deventer, Enschede, Hengelo, Kampen, Oldenzaal en Zwolle
functies van steden en dorpen zoals wonen, bedrijvigheid, detailhandel, horeca, maatschappelijke, educatieve, culturele en religieuze voorzieningen met bijbehorende infrastructuur, stedelijk water en stedelijk groen
de kernen Steenwijk en Hardenberg
autoweg met een maximale snelheid van 100 km/u die aangeduid is met een RVV bord G03/G04
situatie waarin ontwikkelingen de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen, duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en beheer van natuurlijke voorraden en ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben
met de Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving kijken het CPB en het PBL vooruit naar de jaren 2030 en 2050. Zij brengen demografische en economische trends in beeld en analyseren ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving. Daarbij ligt de focus op vier brede thema's: regionale ontwikkelingen en verstedelijking, mobiliteit, klimaat en energie en landbouw. In het WLO ontwikkelen zij twee referentiescenario's: Hoog en Laag. Scenario Hoog combineert een hoge economische groei van 2 procent per jaar met een relatief sterke bevolkingsaanwas. En in scenario Laag gaat een gematigde economische groei van 1 procent per jaar samen met een beperkte demografische ontwikkeling. Deze referentiescenario's zijn beleidsarm ingevuld. Ze bieden daardoor een inzicht in toekomstige knelpunten en kansen en vormen zo een kader om na te denken over toekomstig beleid.
toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit
object dat door aard, omvang en wijze van exploitatie is ingesteld op bezoek van recreanten en toeristen of dat een vergelijkbare publieksfunctie heeft. Een toeristisch object kan bestaan uit één of meerdere gebouwen of een terrein met een recreatieve functie
een landelijk geregistreerd knooppunt waar diverse fiets-, wandel- en eventueel vaarroutes samenkomen dat voorzien is van parkeergelegenheid
proces waarbij verouderde woonwijken en bedrijventerreinen opnieuw worden ingericht en waarbij de bestaande functie van het gebied wordt omgezet naar een nieuwe functie
elke rechtstreekse ontsluiting voor voertuigen van een perceel ten behoeve van een woning, bedrijf of landbouwgrond op een in deze regeling bedoelde openbare provinciale weg en de daarbij behorende doorsteken, dammen, duikers en verhardingen van de tussenberm
uitweg ter ontsluiting van een perceel dat wordt gebruikt voor landbouw, natuur of een waterstaatswerk en een bij dat gebruik passende functie heeft.
leggen van nieuwe verbindingen tussen bestaande gebiedskwaliteiten en nieuwe ontwikkelingen waarbij bestaande kwaliteiten worden benut en waar mogelijk nieuwe kwaliteiten worden toegevoegd
buiten de rijbaan gelegen parkeervoorziening voor de weggebruiker, al dan niet gecombineerd met voorzieningen zoals een brandstofverkooppunt of een wegrestaurant
meteorologische omstandigheden uitgedrukt in termen van zicht, afstand tot de wolken en wolkenbasis, die gelijk zijn aan of beter zijn dan de voorgeschreven minima
start of landing met een luchtvaartuig
vluchten die worden uitgevoerd in het belang van gezondheidszorg. Hieronder worden ook trainingsvluchten, die nodig zijn om deze activiteiten veilig uit te kunnen voeren gerekend
een voertuig zoals bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, zijnde fietsen, bromfietsen, gehandicaptenvoertuigen, motorvoertuigen, trams en wagens
winkelformules die vanwege de omvang en aard van het assortiment een groot oppervlak nodig hebben, zoals showrooms voor auto's, boten en caravans, bouwmarkten, tuincentra, wooninrichtingszaken
voor menselijke consumptie bestemd water als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving
gebieden die door het aanbrengen van waterhuishoudkundige werken, zoals dijken, kades en toevoerwerken, geschikt zijn gemaakt voor wateropvang
waterbodem als bedoeld in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving
waterwinlocatie gelegen in een grondwaterlichaam als bedoeld in bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving
weg als bedoeld in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet
actuele en potentiele natuurwaarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, zoals omschreven in bijlage X Wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland
een door wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt, niet zijnde een erfmolen
gebouw of gedeelte daarvan met een woonfunctie als bedoeld in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving
uitweg om te komen van en naar een perceel waarop bij of krachtens de Omgevingswet een woning is toegestaan
bestuurlijke afspraken tussen de provincie en gemeenten over onder meer de bouw van nieuwe woningen, huisvesting van doelgroepen, wonen en zorg, stedelijke vernieuwing en de toekomstbestendigheid van de bestaande woningvoorraad
gebouw als bedoeld in Bijlage VI, onderdeel E van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zoals dat luidde op de datum van inwerkingtreding van deze verordening
installatie voor de opwekking van zonne-energie die niet gecombineerd wordt met bebouwing, maar zelfstandig is opgesteld in het vrije veld
CCC
Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/pv23/2026/gioe4f59dfd-58e9-43de-ad8c-512578a0e66c/nld@2026‑06‑26;854-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gioe4f59dfd-58e9-43de-ad8c-512578a0e66c/nld@2026‑07‑16;950-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio44c27632-5ee2-48bf-ad82-86b0d25578a7/nld@2026‑06‑26;857-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio44c27632-5ee2-48bf-ad82-86b0d25578a7/nld@2026‑07‑16;929-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio53384e7c-bd7d-458d-aa3e-47df68e68ae8/nld@2026‑06‑26;861-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio53384e7c-bd7d-458d-aa3e-47df68e68ae8/nld@2026‑07‑16;937-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giod543d619-c839-4bbe-b1fc-3cde36f0922a/nld@2026‑06‑26;859-2
/join/id/regdata/pv23/2026/giod543d619-c839-4bbe-b1fc-3cde36f0922a/nld@2026‑07‑16;954-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio78f60777-452c-4206-9fad-865bc2d92139/nld@2026‑06‑26;858-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio78f60777-452c-4206-9fad-865bc2d92139/nld@2026‑07‑16;941-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio63089ee7-e3b3-4b3a-9040-c8c85891bc71/nld@2026‑06‑26;862-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio63089ee7-e3b3-4b3a-9040-c8c85891bc71/nld@2026‑07‑16;942-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giod9d20093-805b-4524-92a3-efff5b6ea914/nld@2026‑06‑26;850-2
/join/id/regdata/pv23/2026/giod9d20093-805b-4524-92a3-efff5b6ea914/nld@2026‑07‑16;951-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio03025b5e-3d98-4fec-805f-919ac701480a/nld@2026‑06‑26;860-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio03025b5e-3d98-4fec-805f-919ac701480a/nld@2026‑07‑16;936-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio5d65f201-5e8a-453d-9887-09c684bd1416/nld@2026‑06‑26;856-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio5d65f201-5e8a-453d-9887-09c684bd1416/nld@2026‑07‑16;935-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio23b2fec3-b310-4c6a-b7d8-54c56d873847/nld@2026‑06‑26;849-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio23b2fec3-b310-4c6a-b7d8-54c56d873847/nld@2026‑07‑16;932-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giod7ad5491-8857-4a0e-8442-812aa1666f1a/nld@2026‑06‑26;851-2
/join/id/regdata/pv23/2026/giod7ad5491-8857-4a0e-8442-812aa1666f1a/nld@2026‑07‑16;947-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio7df93aad-85ce-4a4f-bea4-d575772072bf/nld@2026‑06‑26;874-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio7df93aad-85ce-4a4f-bea4-d575772072bf/nld@2026‑07‑16;952-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio195a634a-7abb-40d3-b319-8337bfa20c7b/nld@2026‑06‑26;870-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio195a634a-7abb-40d3-b319-8337bfa20c7b/nld@2026‑07‑16;933-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioa9eac0cc-ed01-44bd-ad4e-6d93a34bfcc5/nld@2026‑06‑26;852-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gioa9eac0cc-ed01-44bd-ad4e-6d93a34bfcc5/nld@2026‑07‑16;934-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio313681a5-1a33-4e6b-b562-71ab06a53ff2/nld@2026‑06‑26;868-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio313681a5-1a33-4e6b-b562-71ab06a53ff2/nld@2026‑07‑16;953-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioa805a3bf-fd8e-49e9-86fc-b6513c5fceb7/nld@2026‑06‑26;848-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gioa805a3bf-fd8e-49e9-86fc-b6513c5fceb7/nld@2026‑07‑16;926-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio30a162e4-d12c-420b-8221-92139551fb0b/nld@2026‑06‑26;846-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio30a162e4-d12c-420b-8221-92139551fb0b/nld@2026‑07‑16;938-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8ebde3c0-8aa4-4b73-a8d6-64f0c2da244b/nld@2026‑06‑26;865-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8ebde3c0-8aa4-4b73-a8d6-64f0c2da244b/nld@2026‑07‑16;944-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giofea401be-909d-438d-b857-2080c8cd64f1/nld@2026‑06‑26;842-2
/join/id/regdata/pv23/2026/giofea401be-909d-438d-b857-2080c8cd64f1/nld@2026‑07‑16;930-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8711b662-fddc-455a-9616-f69ba2e836b9/nld@2026‑06‑26;872-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8711b662-fddc-455a-9616-f69ba2e836b9/nld@2026‑07‑16;931-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioc3af3411-c3d3-477d-83f1-fc113283e27d/nld@2026‑06‑26;867-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gioc3af3411-c3d3-477d-83f1-fc113283e27d/nld@2026‑07‑16;939-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioba72ccd6-672c-43b1-9636-746be706ea9e/nld@2026‑06‑26;869-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gioba72ccd6-672c-43b1-9636-746be706ea9e/nld@2026‑07‑16;956-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio49b72896-3519-42a5-9f97-e3d0e633657f/nld@2026‑06‑26;866-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio49b72896-3519-42a5-9f97-e3d0e633657f/nld@2026‑07‑16;943-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3057a338-9f8b-483e-ad3d-3b2e03d52310/nld@2026‑06‑26;873-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3057a338-9f8b-483e-ad3d-3b2e03d52310/nld@2026‑07‑16;946-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio960ed637-7ce4-44be-a6c9-be75412b6f79/nld@2026‑06‑26;845-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio960ed637-7ce4-44be-a6c9-be75412b6f79/nld@2026‑07‑16;949-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio0a4f0df6-ade6-48a7-95d7-a6f792c31b03/nld@2026‑06‑26;871-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio0a4f0df6-ade6-48a7-95d7-a6f792c31b03/nld@2026‑07‑16;955-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3eac694d-348a-4e3e-8679-57261e346bfe/nld@2026‑06‑26;847-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3eac694d-348a-4e3e-8679-57261e346bfe/nld@2026‑07‑16;945-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio36eb2a03-7fa2-4cdb-8d31-2281bca23c57/nld@2026‑06‑26;844-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio36eb2a03-7fa2-4cdb-8d31-2281bca23c57/nld@2026‑07‑16;940-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio24aeecb9-af0b-4fa8-aa11-46c2f746bde6/nld@2026‑06‑26;864-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio24aeecb9-af0b-4fa8-aa11-46c2f746bde6/nld@2026‑07‑16;948-0
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_a559cf24-1707-4cfe-a13e-111474dea21b/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_a559cf24-1707-4cfe-a13e-111474dea21b/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_599c9ddb-7bce-49a6-bf14-74ecfac32171/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_599c9ddb-7bce-49a6-bf14-74ecfac32171/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_a6da6b92-e0d0-4f8e-a539-098ea136f542/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_a6da6b92-e0d0-4f8e-a539-098ea136f542/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_0da98ef5-f02b-4aca-b1d6-6929bccc1e8b/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_0da98ef5-f02b-4aca-b1d6-6929bccc1e8b/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_4a4bd34b-de20-4735-b629-46c477b2cbaf/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_4a4bd34b-de20-4735-b629-46c477b2cbaf/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_78ec459b-0d5c-4842-b264-1ee2a5d893af/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_78ec459b-0d5c-4842-b264-1ee2a5d893af/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_adab235d-d1b6-4227-93d8-c2bb71fc2df8/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_adab235d-d1b6-4227-93d8-c2bb71fc2df8/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_f5db593a-eebd-4836-b721-a95628bf4ecf/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_f5db593a-eebd-4836-b721-a95628bf4ecf/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_5152a739-8c80-4ff2-b38c-f6c61c3ead14/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_ad7f3581-f8b9-46f3-ae3c-55d9b80044bd/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_ad7f3581-f8b9-46f3-ae3c-55d9b80044bd/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_328aba42-257c-4eb0-8da7-31c88d3706dd/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_328aba42-257c-4eb0-8da7-31c88d3706dd/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_8cfa8176-e1be-486a-b4b2-c25adf1ec623/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_8cfa8176-e1be-486a-b4b2-c25adf1ec623/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_6b18b60b-364a-4324-ac4f-70d9747b4539/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_6b18b60b-364a-4324-ac4f-70d9747b4539/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_cb75d05f-702d-46f7-b330-6ab70101604f/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_cb75d05f-702d-46f7-b330-6ab70101604f/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_ffd7fb5e-b293-4f7d-b972-b944593ef422/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_ffd7fb5e-b293-4f7d-b972-b944593ef422/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_2e43a2b7-6535-446f-95cc-a5069518b828/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_2e43a2b7-6535-446f-95cc-a5069518b828/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_7f2388cb-ec5a-497e-8929-28f598d110c9/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_7f2388cb-ec5a-497e-8929-28f598d110c9/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_ccc09025-3e55-4ae9-bc1a-a3eb3ccb73d4/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_ccc09025-3e55-4ae9-bc1a-a3eb3ccb73d4/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_3aa856f7-d065-4825-a611-fb7f5f50778a/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_3aa856f7-d065-4825-a611-fb7f5f50778a/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_b4ae34cd-4344-4c74-9258-8a2a4b92819a/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_b4ae34cd-4344-4c74-9258-8a2a4b92819a/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_5d7be637-a474-4079-9757-d1b8f86a5bdc/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_5d7be637-a474-4079-9757-d1b8f86a5bdc/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_12729ae2-3c82-4de0-84aa-7d967731824e/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_12729ae2-3c82-4de0-84aa-7d967731824e/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_f033f0fe-798f-4372-8aea-07da245dc21e/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_9eae087b-72cd-44a3-b1c8-aeaa2457e417/nld@2026‑06‑26;129
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_d2ab3892-bdce-4170-b2c7-fdff087a60a7/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2024/gioc0aa5266-9e82-4330-8fac-c8267f127275/nld@2024‑10‑22;526-1
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_49d204f8-8889-4d62-b684-df9b4e7ef836/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2024/gio9271dc0e-0ccb-4895-8ca7-bcabf129222f/nld@2024‑10‑22;450-1
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_01b5bd7c-a0bc-4b48-a47b-cf7d5f69e585/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2024/gioc9ab2761-8a9f-49d8-819b-54ea77decd33/nld@2024‑10‑22;453-1
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_20c7f4f9-40a8-4d52-8b8a-ba45e2979313/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2025/gio4fdff052-262f-4a07-88df-2487cc912bd3/nld@2025‑05‑13;742-1
/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_9eae087b-72cd-44a3-b1c8-aeaa2457e417/nld@2026‑07‑23;168
/join/id/regdata/pv23/2026/gio1b192621-23e2-4067-926a-52a1b4a18d5e/nld@2026‑06‑26;910-2
/join/id/regdata/pv23/2024/gioc0aa5266-9e82-4330-8fac-c8267f127275/nld@2024‑10‑22;526-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio0c9ce527-2228-4b46-89ce-4ae5a7dd3e4c/nld@2024‑10‑22;657-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio9271dc0e-0ccb-4895-8ca7-bcabf129222f/nld@2024‑10‑22;450-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio5b7cd713-4c6f-4376-9015-d2751fed5da0/nld@2026‑06‑26;802-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gioc9ab2761-8a9f-49d8-819b-54ea77decd33/nld@2024‑10‑22;453-0
/join/id/regdata/pv23/2024/giodb2a51af-51bc-49a5-91dc-2bd82684c32e/nld@2024‑10‑22;455-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4fdff052-262f-4a07-88df-2487cc912bd3/nld@2026‑06‑26;742-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioea68ca9c-47fb-456b-b265-b6446813a2db/nld@2026‑06‑26;880-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio1b192621-23e2-4067-926a-52a1b4a18d5e/nld@2026‑06‑26;910-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio49e60700-7569-4bb8-91f5-47ae5ee6e08e/nld@2024‑10‑22;598-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio0c9ce527-2228-4b46-89ce-4ae5a7dd3e4c/nld@2024‑10‑22;657-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio995f9a9a-c886-43df-ac1a-af2639d57e80/nld@2024‑10‑22;459-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio5b7cd713-4c6f-4376-9015-d2751fed5da0/nld@2026‑06‑26;802-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio0762c5fc-0d20-4fff-9fd9-5e928861828a/nld@2024‑10‑22;605-1
/join/id/regdata/pv23/2024/giodb2a51af-51bc-49a5-91dc-2bd82684c32e/nld@2024‑10‑22;455-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio379943f1-1cce-441b-8352-4523398c500b/nld@2024‑10‑22;604-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gioea68ca9c-47fb-456b-b265-b6446813a2db/nld@2026‑06‑26;880-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio4a05e41e-f3d5-444a-b9c4-cc8ccad627ca/nld@2024‑10‑22;470-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gioe144b4a6-aa2a-4a99-9f8e-71cfc821df6e/nld@2026‑07‑16;928-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gio83a6db80-1439-4d39-a20d-9b26712bc0ba/nld@2025‑04‑25;706-2
/join/id/regdata/pv23/2024/gio49e60700-7569-4bb8-91f5-47ae5ee6e08e/nld@2024‑10‑22;598-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4a14a5bc-d436-4253-bfe0-380a5785d1fa/nld@2026‑06‑26;814-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio995f9a9a-c886-43df-ac1a-af2639d57e80/nld@2024‑10‑22;459-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio16c10b03-a2e1-44d7-89eb-7c39ee349a9f/nld@2026‑06‑26;783-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio0762c5fc-0d20-4fff-9fd9-5e928861828a/nld@2024‑10‑22;605-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio21b2b353-687a-4d75-8d8a-d69baf920f4c/nld@2026‑06‑26;886-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio379943f1-1cce-441b-8352-4523398c500b/nld@2024‑10‑22;604-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio55868b95-fb43-4837-9132-339e795c8c0e/nld@2026‑06‑26;902-2
/join/id/regdata/pv23/2024/gio4a05e41e-f3d5-444a-b9c4-cc8ccad627ca/nld@2024‑10‑22;470-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio09f63a1e-b517-478e-83b3-7eb6e443c4ee/nld@2026‑06‑26;892-1
/join/id/regdata/pv23/2025/gio83a6db80-1439-4d39-a20d-9b26712bc0ba/nld@2025‑04‑25;706-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio1a4e66f5-53c4-4287-84f5-4c9abfc90c0c/nld@2026‑06‑26;810-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4a14a5bc-d436-4253-bfe0-380a5785d1fa/nld@2026‑06‑26;814-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio73a733c7-022b-43f5-9afe-c05ed586550e/nld@2024‑10‑22;674-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio16c10b03-a2e1-44d7-89eb-7c39ee349a9f/nld@2026‑06‑26;783-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio1b23fd79-8e33-410c-a453-f1e1a4ddbc16/nld@2024‑10‑22;671-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio21b2b353-687a-4d75-8d8a-d69baf920f4c/nld@2026‑06‑26;886-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4dcc88f6-2719-40b1-ae40-9a049fc59413/nld@2026‑06‑26;780-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio55868b95-fb43-4837-9132-339e795c8c0e/nld@2026‑06‑26;902-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio5029b547-d4f5-4ac6-a034-b5e767847602/nld@2024‑10‑22;477-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio09f63a1e-b517-478e-83b3-7eb6e443c4ee/nld@2026‑06‑26;892-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio837aec19-ce8a-458f-90e7-543658ba23d5/nld@2024‑10‑22;471-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio1a4e66f5-53c4-4287-84f5-4c9abfc90c0c/nld@2026‑06‑26;810-0
/join/id/regdata/pv23/2024/giob0358023-62ad-4cdd-9be7-aa0b527878d4/nld@2024‑10‑22;678-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio73a733c7-022b-43f5-9afe-c05ed586550e/nld@2024‑10‑22;674-0
/join/id/regdata/pv23/2024/giocfc43d2e-2a2c-4a7b-aead-1e3ec12878e5/nld@2024‑10‑22;599-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio1b23fd79-8e33-410c-a453-f1e1a4ddbc16/nld@2024‑10‑22;671-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio5d5a3cf5-26aa-45b7-8e74-51a5625a6776/nld@2024‑10‑22;527-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4dcc88f6-2719-40b1-ae40-9a049fc59413/nld@2026‑06‑26;780-0
/join/id/regdata/pv23/2024/giod70ad1ae-7180-4d53-a859-5dc93fd57199/nld@2024‑10‑22;363-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio5029b547-d4f5-4ac6-a034-b5e767847602/nld@2024‑10‑22;477-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gioeb8bf0d1-a8a5-4f8a-9536-81b3c52c9b99/nld@2024‑10‑22;365-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio837aec19-ce8a-458f-90e7-543658ba23d5/nld@2024‑10‑22;471-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4473c9bd-e2fd-4f90-84ab-276d83ca70c7/nld@2026‑06‑26;837-2
/join/id/regdata/pv23/2024/giob0358023-62ad-4cdd-9be7-aa0b527878d4/nld@2024‑10‑22;678-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gioad7cccc0-91b3-48a1-b89c-b7a84f2e7883/nld@2024‑10‑22;367-1
/join/id/regdata/pv23/2024/giocfc43d2e-2a2c-4a7b-aead-1e3ec12878e5/nld@2024‑10‑22;599-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio6cd0aef9-3216-4a77-9c7d-ec250dba7561/nld@2024‑10‑22;361-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio5d5a3cf5-26aa-45b7-8e74-51a5625a6776/nld@2024‑10‑22;527-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giofb14144f-ca4e-4808-ba5b-3cd5dffc1e9c/nld@2026‑06‑26;791-1
/join/id/regdata/pv23/2024/giod70ad1ae-7180-4d53-a859-5dc93fd57199/nld@2024‑10‑22;363-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio91a4c52a-680d-404d-81a0-b7bb0e83e9a7/nld@2026‑06‑26;804-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gioeb8bf0d1-a8a5-4f8a-9536-81b3c52c9b99/nld@2024‑10‑22;365-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gio6694505d-0a62-4bb5-8fc7-0130ccd72203/nld@2025‑05‑13;765-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4473c9bd-e2fd-4f90-84ab-276d83ca70c7/nld@2026‑06‑26;837-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8af97f13-52fd-473f-9cff-544f9018b0ef/nld@2026‑06‑26;894-2
/join/id/regdata/pv23/2024/gioad7cccc0-91b3-48a1-b89c-b7a84f2e7883/nld@2024‑10‑22;367-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio181d511d-a3c4-4648-b90c-c9352b013b07/nld@2026‑06‑26;759-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio6cd0aef9-3216-4a77-9c7d-ec250dba7561/nld@2024‑10‑22;361-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8c1d5d42-3719-462d-aba3-f42d6e8a240a/nld@2026‑06‑26;833-1
/join/id/regdata/pv23/2026/giofb14144f-ca4e-4808-ba5b-3cd5dffc1e9c/nld@2026‑06‑26;791-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio2a09f64c-f1c9-4bb0-93d5-84c7b027e046/nld@2026‑06‑26;786-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio91a4c52a-680d-404d-81a0-b7bb0e83e9a7/nld@2026‑06‑26;804-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio830bd5b4-90ee-448c-84e8-9f466dea23f5/nld@2024‑10‑22;507-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio6694505d-0a62-4bb5-8fc7-0130ccd72203/nld@2026‑06‑26;765-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio6d63a653-9e16-4269-847f-d65bae0b4be1/nld@2024‑10‑22;506-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8af97f13-52fd-473f-9cff-544f9018b0ef/nld@2026‑06‑26;894-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioc441de3a-5081-4508-bd39-78e1c4513e0c/nld@2026‑06‑26;776-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio181d511d-a3c4-4648-b90c-c9352b013b07/nld@2026‑06‑26;759-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio100a05d7-9e69-4e4c-bf88-cf1b2eed2393/nld@2026‑06‑26;812-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8c1d5d42-3719-462d-aba3-f42d6e8a240a/nld@2026‑06‑26;833-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giod1604841-571a-40bf-87c1-1d470e816e49/nld@2026‑06‑16;732-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio2a09f64c-f1c9-4bb0-93d5-84c7b027e046/nld@2026‑06‑26;786-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio09f88f04-a910-434d-a490-c7fd7158bd05/nld@2026‑06‑26;808-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio830bd5b4-90ee-448c-84e8-9f466dea23f5/nld@2024‑10‑22;507-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioee587384-718d-4ee5-9929-3f4080b0934c/nld@2026‑06‑26;807-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio6d63a653-9e16-4269-847f-d65bae0b4be1/nld@2024‑10‑22;506-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gio2fe3eb1d-f1dc-46fc-b4ad-543d6fb9543e/nld@2025‑05‑13;806-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gioc441de3a-5081-4508-bd39-78e1c4513e0c/nld@2026‑06‑26;776-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio07136ede-7b80-4828-bcea-d44419e5544e/nld@2026‑06‑26;801-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio100a05d7-9e69-4e4c-bf88-cf1b2eed2393/nld@2026‑06‑26;812-0
/join/id/regdata/pv23/2022/giob16926de-d31b-4dab-991a-94d0e32bf9f4/nld@2022‑06‑15;510-1
/join/id/regdata/pv23/2026/giod1604841-571a-40bf-87c1-1d470e816e49/nld@2026‑06‑26;732-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio1a850d7b-4e5b-421e-a2af-f7556f6d9c8a/nld@2024‑10‑22;532-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio09f88f04-a910-434d-a490-c7fd7158bd05/nld@2026‑06‑26;808-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gio9a5bd6c8-b652-4603-9e8a-fca6209a66ee/nld@2025‑05‑13;760-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gioee587384-718d-4ee5-9929-3f4080b0934c/nld@2026‑06‑26;807-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio27ce50ec-2c69-4fc1-b53a-e090b39c5029/nld@2026‑06‑26;896-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio2fe3eb1d-f1dc-46fc-b4ad-543d6fb9543e/nld@2026‑06‑26;806-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giodfc1d9e0-da84-413b-8b75-496cdd1df57d/nld@2026‑06‑26;906-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio07136ede-7b80-4828-bcea-d44419e5544e/nld@2026‑06‑26;801-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giob9273994-4b8c-418b-aa95-c6e4dc4c71c4/nld@2026‑06‑26;739-1
/join/id/regdata/pv23/2026/giob16926de-d31b-4dab-991a-94d0e32bf9f4/nld@2026‑06‑26;510-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gio6cf4c4c9-9167-4ea2-8ac1-7539cb71f1d7/nld@2025‑05‑12;738-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio1a850d7b-4e5b-421e-a2af-f7556f6d9c8a/nld@2024‑10‑22;532-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio935835db-51d4-43c4-8f20-2e7c49a6b8cf/nld@2024‑10‑22;626-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio9a5bd6c8-b652-4603-9e8a-fca6209a66ee/nld@2026‑06‑26;760-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio22d28206-c642-483a-bf59-41b527c9f1a8/nld@2026‑06‑26;798-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio27ce50ec-2c69-4fc1-b53a-e090b39c5029/nld@2026‑06‑26;896-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gio8961776c-0120-49bd-8392-c28ad6ab51f1/nld@2025‑04‑25;697-2
/join/id/regdata/pv23/2026/giodfc1d9e0-da84-413b-8b75-496cdd1df57d/nld@2026‑06‑26;906-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio01c8f3ce-7f8e-4406-99ae-6a9e287bf0b0/nld@2024‑10‑22;623-1
/join/id/regdata/pv23/2026/giob9273994-4b8c-418b-aa95-c6e4dc4c71c4/nld@2026‑06‑26;739-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio2f1d7439-275a-41ea-ab3a-3274423ce56a/nld@2024‑10‑22;624-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio6cf4c4c9-9167-4ea2-8ac1-7539cb71f1d7/nld@2026‑06‑26;738-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio2911011f-49aa-446d-8d3b-8ea8f67f2c70/nld@2026‑06‑26;912-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio935835db-51d4-43c4-8f20-2e7c49a6b8cf/nld@2024‑10‑22;626-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio93e709cf-ffe6-49ed-8cec-0e04116e220c/nld@2024‑10‑22;530-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio22d28206-c642-483a-bf59-41b527c9f1a8/nld@2026‑06‑26;798-0
/join/id/regdata/pv23/2024/giobe574141-c0ad-4f85-9c29-5a364e18b59b/nld@2024‑10‑22;525-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gioaecebd20-db31-4419-ba4f-81185b37576c/nld@2026‑07‑10;916-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioad447814-cb60-4072-b23f-8a689e0185ea/nld@2026‑06‑26;882-4
/join/id/regdata/pv23/2024/gio01c8f3ce-7f8e-4406-99ae-6a9e287bf0b0/nld@2024‑10‑22;623-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio902fd148-45b9-413b-acab-2ceeefa0e638/nld@2024‑10‑22;619-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio2f1d7439-275a-41ea-ab3a-3274423ce56a/nld@2024‑10‑22;624-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio9ab128e7-910d-4d2f-89e4-02d6f80e8948/nld@2026‑06‑26;898-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4cdf9fda-c08d-41b9-9a0b-693af27f02d6/nld@2026‑07‑14;918-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio68cea00c-2940-4f16-9b59-858d5eb46eac/nld@2026‑06‑26;779-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio2911011f-49aa-446d-8d3b-8ea8f67f2c70/nld@2026‑06‑26;912-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio52647404-5ede-4beb-a4f2-a452e9e9bce8/nld@2024‑10‑22;536-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio93e709cf-ffe6-49ed-8cec-0e04116e220c/nld@2024‑10‑22;530-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giob7e67f56-4edb-4d08-8e42-41f9bca40934/nld@2026‑06‑26;787-1
/join/id/regdata/pv23/2024/giobe574141-c0ad-4f85-9c29-5a364e18b59b/nld@2024‑10‑22;525-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio67e7b14a-932a-439a-a930-7941054329f5/nld@2024‑10‑22;542-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gioad447814-cb60-4072-b23f-8a689e0185ea/nld@2026‑06‑26;882-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio42f84f48-7c0e-4511-a00a-bd7ba5d01d9f/nld@2026‑06‑26;734-4
/join/id/regdata/pv23/2024/gio902fd148-45b9-413b-acab-2ceeefa0e638/nld@2024‑10‑22;619-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio6b28934a-4caa-4e60-bdff-8defa15fd777/nld@2024‑10‑22;553-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio9ab128e7-910d-4d2f-89e4-02d6f80e8948/nld@2026‑06‑26;898-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio77902e3b-b954-42fb-b095-f95cc32f49c6/nld@2024‑10‑22;552-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio68cea00c-2940-4f16-9b59-858d5eb46eac/nld@2026‑06‑26;779-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio7a2c5ce1-404e-4cac-9725-96c89e1ce38a/nld@2024‑10‑22;659-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio52647404-5ede-4beb-a4f2-a452e9e9bce8/nld@2024‑10‑22;536-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio451b4206-fd26-4820-bdfb-4c882d49be90/nld@2026‑06‑26;800-1
/join/id/regdata/pv23/2026/giob7e67f56-4edb-4d08-8e42-41f9bca40934/nld@2026‑06‑26;787-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gioaf5b9bca-4871-4dcc-b561-e85702982643/nld@2025‑04‑25;699-2
/join/id/regdata/pv23/2024/gio67e7b14a-932a-439a-a930-7941054329f5/nld@2024‑10‑22;542-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio6dc0a217-b1b0-4f56-a85e-999ec1ef5cd6/nld@2026‑06‑26;884-4
/join/id/regdata/pv23/2026/gio42f84f48-7c0e-4511-a00a-bd7ba5d01d9f/nld@2026‑06‑26;734-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giocbb80e7f-29ba-4911-8afe-7e669e88b114/nld@2026‑06‑16;730-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio6b28934a-4caa-4e60-bdff-8defa15fd777/nld@2024‑10‑22;553-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4e3d8a8f-9af2-43f5-90e8-c55b617eed9e/nld@2026‑06‑26;827-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio77902e3b-b954-42fb-b095-f95cc32f49c6/nld@2024‑10‑22;552-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio5155f636-9d48-4733-a935-aefb25580d7e/nld@2024‑10‑22;620-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio7a2c5ce1-404e-4cac-9725-96c89e1ce38a/nld@2024‑10‑22;659-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioff8c8e3f-2627-41be-8124-46125108579c/nld@2026‑06‑26;792-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio451b4206-fd26-4820-bdfb-4c882d49be90/nld@2026‑06‑26;800-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio5d91b114-5777-492b-9667-9b94bd897244/nld@2024‑10‑22;601-1
/join/id/regdata/pv23/2025/gioaf5b9bca-4871-4dcc-b561-e85702982643/nld@2025‑04‑25;699-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio910d20b8-85f8-42df-aecb-a44d14f03f62/nld@2026‑01‑15;904-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio6dc0a217-b1b0-4f56-a85e-999ec1ef5cd6/nld@2026‑06‑26;884-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3cf03b1c-1fda-4f8b-8762-03023b69301b/nld@2026‑06‑26;824-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio697164f6-9058-4efd-a829-2b1f6ff2ec59/nld@2026‑07‑14;917-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio47efd440-1ff2-4255-8ccf-ae705c195778/nld@2024‑10‑22;464-1
/join/id/regdata/pv23/2026/giocbb80e7f-29ba-4911-8afe-7e669e88b114/nld@2026‑06‑26;730-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4ac2dd05-66ae-447b-9145-100fe5d4bed2/nld@2026‑06‑26;789-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4e3d8a8f-9af2-43f5-90e8-c55b617eed9e/nld@2026‑06‑26;827-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio6f9252d7-5cfe-4ada-b203-12bbd4c0972c/nld@2026‑06‑26;790-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio5155f636-9d48-4733-a935-aefb25580d7e/nld@2024‑10‑22;620-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio95c9fd76-e77d-45f8-8e1d-326d7a52528e/nld@2026‑06‑16;890-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gioff8c8e3f-2627-41be-8124-46125108579c/nld@2026‑06‑26;792-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8b7cd0ba-e5af-4613-9a9a-ff9f9d631913/nld@2026‑06‑26;754-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio5d91b114-5777-492b-9667-9b94bd897244/nld@2024‑10‑22;601-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio92ea6322-cab3-46e3-ab7c-2d009fa4654c/nld@2024‑10‑22;562-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio910d20b8-85f8-42df-aecb-a44d14f03f62/nld@2026‑06‑26;904-0
/join/id/regdata/pv23/2024/giode6c16f3-3990-4ffb-b539-64b463e23cc4/nld@2024‑10‑22;618-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3cf03b1c-1fda-4f8b-8762-03023b69301b/nld@2026‑06‑26;824-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio07097e7c-f4b1-4663-9424-0cacd81ece6b/nld@2026‑06‑26;788-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio47efd440-1ff2-4255-8ccf-ae705c195778/nld@2024‑10‑22;464-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gioeabd1049-e424-4ba0-82c6-4bc3d12798d1/nld@2024‑10‑22;669-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio4ac2dd05-66ae-447b-9145-100fe5d4bed2/nld@2026‑06‑26;789-0
/join/id/regdata/pv23/2026/giobc8b4eba-619b-4de7-8bfc-0b32de097c91/nld@2026‑06‑26;785-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio6f9252d7-5cfe-4ada-b203-12bbd4c0972c/nld@2026‑06‑26;790-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3ed1d77e-2abe-4912-8a50-2f305f4d03d7/nld@2026‑06‑26;768-2
/join/id/regdata/pv23/2026/gio95c9fd76-e77d-45f8-8e1d-326d7a52528e/nld@2026‑06‑26;890-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8cb4d681-6639-41d5-aa0d-6d4abeda7329/nld@2026‑06‑26;831-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8b7cd0ba-e5af-4613-9a9a-ff9f9d631913/nld@2026‑06‑26;754-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio42577557-50ca-4105-9763-25ecf1bdc095/nld@2024‑10‑22;533-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio55305b42-3124-4df0-ba84-c8f16ebe90a9/nld@2026‑07‑16;927-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gioc783b233-5487-4196-8fd7-ffabb89d6118/nld@2024‑10‑22;574-1
/join/id/regdata/pv23/2024/giode6c16f3-3990-4ffb-b539-64b463e23cc4/nld@2024‑10‑22;618-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio425e82c0-e205-4ef4-ab1a-0aa36423a056/nld@2024‑10‑22;676-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio07097e7c-f4b1-4663-9424-0cacd81ece6b/nld@2026‑06‑26;788-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gioc7e6b9e4-4d7d-4e2f-9ec1-a84d4ce85c51/nld@2024‑10‑22;584-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gioeabd1049-e424-4ba0-82c6-4bc3d12798d1/nld@2024‑10‑22;669-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio30e76394-93bd-4e06-97a4-ab1bcca80d08/nld@2024‑10‑22;578-1
/join/id/regdata/pv23/2026/giobc8b4eba-619b-4de7-8bfc-0b32de097c91/nld@2026‑06‑26;785-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioe6096d7e-a56e-4b1a-88d8-e32d3ac0dcc8/nld@2026‑06‑26;816-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3ed1d77e-2abe-4912-8a50-2f305f4d03d7/nld@2026‑06‑26;768-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gioef22a018-8019-4308-bb67-6052b978204c/nld@2025‑04‑25;713-3
/join/id/regdata/pv23/2026/gio8cb4d681-6639-41d5-aa0d-6d4abeda7329/nld@2026‑06‑26;831-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio6bb89866-924f-4e48-9676-e8d1010fe4e3/nld@2024‑10‑22;362-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio42577557-50ca-4105-9763-25ecf1bdc095/nld@2024‑10‑22;533-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gioc97b1260-22f5-4378-b7a8-129c48679a16/nld@2025‑05‑14;829-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gioc783b233-5487-4196-8fd7-ffabb89d6118/nld@2024‑10‑22;574-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioacd1b9d4-3153-45c5-b04c-c146487365c3/nld@2026‑06‑26;818-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio425e82c0-e205-4ef4-ab1a-0aa36423a056/nld@2024‑10‑22;676-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio02658b42-2be7-4f34-9979-3a253f6a1dcc/nld@2026‑06‑26;767-2
/join/id/regdata/pv23/2024/gioc7e6b9e4-4d7d-4e2f-9ec1-a84d4ce85c51/nld@2024‑10‑22;584-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio04cfb5e3-582c-4338-b063-9c5a2a9f20bc/nld@2026‑06‑26;876-2
/join/id/regdata/pv23/2024/gio30e76394-93bd-4e06-97a4-ab1bcca80d08/nld@2024‑10‑22;578-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gio177f599b-6162-4c9b-8bc7-fb8d3cf49c22/nld@2025‑04‑25;712-3
/join/id/regdata/pv23/2026/gioe6096d7e-a56e-4b1a-88d8-e32d3ac0dcc8/nld@2026‑06‑26;816-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio022a2b5b-d6cd-4546-be00-e72fa2292633/nld@2024‑10‑22;589-1
/join/id/regdata/pv23/2025/gioef22a018-8019-4308-bb67-6052b978204c/nld@2025‑04‑25;713-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gioaaa60fab-1329-4512-8643-61b37a49a0d5/nld@2024‑10‑22;588-1
/join/id/regdata/pv23/2024/gio6bb89866-924f-4e48-9676-e8d1010fe4e3/nld@2024‑10‑22;362-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gioe5adfa86-359a-42fd-81e8-ad68a3f74f64/nld@2024‑10‑22;594-1
/join/id/regdata/pv23/2026/gioc97b1260-22f5-4378-b7a8-129c48679a16/nld@2026‑06‑26;829-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gioacd1b9d4-3153-45c5-b04c-c146487365c3/nld@2026‑06‑26;818-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio02658b42-2be7-4f34-9979-3a253f6a1dcc/nld@2026‑06‑26;767-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio04cfb5e3-582c-4338-b063-9c5a2a9f20bc/nld@2026‑06‑26;876-0
/join/id/regdata/pv23/2025/gio177f599b-6162-4c9b-8bc7-fb8d3cf49c22/nld@2025‑04‑25;712-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gio022a2b5b-d6cd-4546-be00-e72fa2292633/nld@2024‑10‑22;589-0
/join/id/regdata/pv23/2024/gioaaa60fab-1329-4512-8643-61b37a49a0d5/nld@2024‑10‑22;588-0
/join/id/regdata/pv23/2026/gio3c1e940e-0782-48ea-8c7b-65d4c9bc38f2/nld@2026‑07‑10;915-0
DDD
Bijlage XIII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bijlage XIII Lijst van vaarwegen behorende bij de Omgevingsverordening overijssel.pdf
Bijlage XIII Lijst van vaarwegen behorende bij de Omgevingsverordening overijssel
|
Lijst B |
|
|
|
|
Locatie |
Beheerder |
|
13 |
Opvaart of vaart bij Pijlman |
Gemeente Steenwijkerland |
|
14 |
Jurriesvaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
15 |
Vaart bij Tietema |
Gemeente Steenwijkerland |
|
16 |
Twaalf Dagmat |
Gemeente Steenwijkerland |
|
17 |
Hamsgracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
17a |
Meentegat |
Gemeente Steenwijkerland |
|
18 |
Bokvaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
19 |
Verlengde Bokvaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
20 |
Heer van Diezenvaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
21 |
Roomsloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
22 |
Vaart bij Teunis Hoen |
Gemeente Steenwijkerland |
|
23 |
Bokvaart-Nijevaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
24 |
Hogewegsloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
25 |
Vlodder |
Gemeente Steenwijkerland |
|
26 |
Lokkenvaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
27 |
Moddergat |
Gemeente Steenwijkerland |
|
28 |
Vaart door Muggenbeet |
Gemeente Steenwijkerland |
|
29 |
Thijssengracht (ten westen van het kanaal Beukers-Steenwijk) |
Gemeente Steenwijkerland |
|
30 |
Thijssengracht (ten oosten van het kanaal Beukers-Steenwijk) |
Gemeente Steenwijkerland |
|
30a |
Boksloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
31 |
Pinkesloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
32 |
Cornelisgracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
32a |
Westelijke Vaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
33 |
Dwarsgracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
34 |
Vaartsloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
35 |
Brouwersgracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
36 |
Ettenlands Kanaal (ten oosten van de tonnen tot Vaartsloot) |
Gemeente Steenwijkerland |
|
36a |
De Korversgaten |
Gemeente Steenwijkerland |
|
37 |
Boschwijde |
Gemeente Steenwijkerland |
|
38 |
Schusloterwijde |
Gemeente Steenwijkerland |
|
39 |
Kleine Belterwijde |
Gemeente Steenwijkerland |
|
40 |
Diephoofd |
Gemeente Steenwijkerland |
|
41 |
Pikkersvaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
42 |
Verbinding Pikkersvaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
43 |
Schutsloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
44 |
Zandgracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
45 |
Dwarsheuven |
Gemeente Steenwijkerland |
|
46 |
Schenkelvaart-noord (verbinding Dirkswijde-Mastenbroekerkolk) |
Gemeente Steenwijkerland |
|
47 |
Verbinding Vossebelt-Venematen |
Gemeente Steenwijkerland |
|
48 |
Oostelijke Wetering |
Gemeente Steenwijkerland |
|
49 |
Garriet Geessen |
Gemeente Steenwijkerland |
|
50 |
Schuine Vaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
51 |
Baggervaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
52 |
60 roe van het Schuine tot Schutsloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
53 |
Bartelsgat met vaart naar het Wijde |
Gemeente Steenwijkerland |
|
54 |
Nederstouwe |
Gemeente Steenwijkerland |
|
54a |
Zuiderstouwe |
Gemeente Steenwijkerland |
|
55 |
Noorderstouwe en Noordeinde |
Gemeente Steenwijkerland |
|
56 |
Dorpsgracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
57 |
verbindingen Dorpsgracht-Bovenwijde (molenvaart, Smitsvaart, Jan Balsvaart, Volkensvaart en Molsvaart) |
Gemeente Steenwijkerland |
|
58 |
Bovenwijde |
Gemeente Steenwijkerland |
|
58a |
Vaart bij Woudsma |
Gemeente Steenwijkerland |
|
59 |
Meuleboezem (verbinding Molengat-Thijssengracht) |
Gemeente Steenwijkerland |
|
60 |
Jan Hoozengracht (tussen kanaal Beukers-Steenwijk en Dorpsgracht) |
Gemeente Steenwijkerland |
|
61 |
Paasloervaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
61a |
Klossegracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
62 |
Hoosjesgracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
63 |
Haagjesgracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
64 |
Westelijke schutsloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
65 |
Kerkgracht-Dwarssloot |
Gemeente Steenwijkerland |
|
66 |
Molengracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
67 |
Bovenboersevaart |
Gemeente Steenwijkerland |
|
68 |
Zuidergracht |
Gemeente Steenwijkerland |
|
69 |
Zuideindigerwijde |
Gemeente Steenwijkerland |
|
70 |
Mallegat |
Gemeente Steenwijkerland |
|
70a |
Linde, het Wijde |
Provincie Friesland |
|
71 |
Hasselter stadsgrachten |
Gemeente Zwartewaterland |
|
72 |
Zwartewater van Zwolle-IJsselkanaal tot Thorbeckegracht |
Gemeente Zwolle |
|
73 |
Thorbeckegracht |
Gemeente Zwolle |
|
74 |
Almelo's Kanaal |
Gemeente Zwolle |
|
75 |
Steenwijker Aa/Dolderkanaal Waterschap Drents Overijsselse Delta |
Gemeente Steenwijkerland |
|
76 |
Kloostergracht (verbinding Dorpsgracht Giethoorn-Noord en ‘t Klooster |
Gemeente Steenwijkerland |
|
78 |
Overijsselse Vecht (vanaf de Duitse grens tot en met de monding van de rivier de Regge bij Ommen) |
Waterschap Vechtstromen |
|
79 |
Overijsselse Vecht (vanaf de monding van de rivier de Regge bij Ommen tot aan de monding van het Zwarte Water) |
Waterschap Drents Overijsselse Delta |
EEE
Na bijlage XIX worden twee bijlagen ingevoegd, luidende:
Bijlage XX - Ligging en grenswaarden in de handhavingspunten helikopterluchthaven MST.pdf
Tabel 1 bij Bijlage XX: Ligging en grenswaarden in de handhavingspunten.
Bijlage XXI - IV Beperkingengebied luchthavengebied helikopterluchthaven MST - Hoogte.pdf
FFF
Na sectie 2.9 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Op grond van artikel 2.13a Omgevingswet is de provincie verplicht om geluidproductieplafonds als omgevingswaarde vaststellen aan weerszijden van wegen die in beheer zijn bij de provincie. De verplichting om geluidproductieplafonds vast te stellen geldt alleen voor provinciale wegen die daartoe zijn aangewezen in de Omgevingsverordening.
De geluidproductieplafonds geven de bovengrens aan van de geluidproductie van de provinciale weg als geluidbron op geluidreferentiepunten. Een geluidreferentiepunt is een fictief punt op 4 meter boven het maaiveld op locaties langs of rond een geluidbronsoort waarvoor een geluidproductieplafond is vastgesteld. Waar de geluidreferentiepunten liggen wordt bepaald door de criteria die zijn vastgelegd in artikel 3.32 Besluit kwaliteit leefomgeving.
Op grond van het Delegatiebesluit Omgevingsverordening zijn Gedeputeerde Staten bevoegd om vast te stellen wat het geluidproductieplafond is op de geluidreferentiepunten langs provinciale wegen. De vaststelling van de geluidproductieplafonds wordt niet gedaan in de Omgevingsverordening zelf, maar in aparte besluiten. Op basis van die besluiten wordt in de Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) in het Geluidregister bijgehouden welk geluidproductieplafond voor welk referentiepunt geldt. Het Geluidregister is te vinden op deze website: https://www.geluidgegevens.nl/geluidregister/kaart.
Gedeputeerde Staten monitoren de geluidbelasting op de geluidreferentiepunten langs provinciale wegen. Gedeputeerde Staten zijn verplicht een programma te starten als de geluidbelasting op een referentiepunt hoger is dan de omgevingswaarde die daarvoor is vastgesteld.
In het Geluidregister wordt ook bijgehouden waar de geluidaandachtsgebieden liggen die horen bij de provinciale wegen waarvoor geluidproductieplafonds zijn vastgesteld. Geluidaandachtsgebieden zijn de gebieden als bedoeld in artikel 5.78 van het Besluit kwaliteit leefomgeving waar de geluidbelasting door de provinciale weg hoger is dan 50 dB. Op deze geluidaandachtsgebieden zijn de regels in paragraaf 5.1.4.2a van het Besluit kwaliteit leefomgeving van toepassing. Die verplichten de gemeente om rekening te houden met de geluidemissie van de provinciale weg, als een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit voorziet in de bouw van een woning of een andere geluidgevoelige bebouwing die geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied komt te staan.
De doorwerking van de omgevingswaarde geluidproductieplafonds naar gemeentelijke omgevingsplannen wordt niet expliciet geregeld in de Omgevingsverordening. Dit is voldoende verzekerd met de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving die gemeenten al verplicht om rekening te houden met de geluidbelasting door provinciale wegen zoals met
de geluidproductieplafonds wordt gemonitord.
GGG
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Provinciale verantwoordelijkheid
Provinciale verantwoordelijkheid
In afdeling 3.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving staan instructieregels van het Rijk over zwemwaterlocatieszwemlocaties. De provincie heeft als taak om zwemwaterlocatieszwemlocaties aan te wijzen, maar heeft daarvoor de instemming nodig van de waterbeheerder. Ook stelt de provincie per locatie de duur van het badseizoen vast. De provincie en de waterbeheerder moeten samen ervoor zorgen dat de kwaliteit van het zwemwaterlocatiede zwemlocatie voldoet aan de omgevingswaarde die het Rijk daarvoor heeft gesteld. Daarbij is de provincie verantwoordelijk voor de veiligheid van zwemwaterlocatieszwemlocaties en heeft de waterbeheerder de zorg voor de kwaliteit van het zwemwater en de monitoring daarvan. De provincie heeft als taak het publiek voor te lichten over de kwaliteit van het de zwemwaterlocatiezwemlocatie en eventuele risico’s voor gezondheid en veiligheid. Als het moetIndien nodig kan de provincie een waarschuwing, of een negatief zwemadvies geven of een zwemverbod instellen. Dat kan als de kwaliteit van de zwemwaterlocatiezwemlocatie te grote risico’s oplevert voor de bezoekers.
plichten
De Omgevingswet regelt voor zwemwaterlocaties alleen de plichten van de provincie en de waterbeheerders, maar niet langer de dagelijkse werkzaamheden die de houders van zwemwaterlocaties verrichten om de zwemwaterlocatie schoon en veilig te houden. De houder van een zwemwaterlocatie is degene voor wiens rekening en risico een zwemwaterlocatie wordt gedreven. Dat kan de eigenaar zijn van de zwemwaterlocatie, maar ook de beheerder of de exploitant.
Om te voorkomen dat de provincie dit soort uitvoerende werkzaamheden zelf moet gaan verrichten, zijn in deze paragraaf plichten voor de houders van zwemwaterlocaties vastgelegd. Het gaat om plichten die de houders van zwemwaterlocatie ook al hadden op basis van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving.
Bij zwemlocaties kan er in verschillende situaties gladheid optreden. Er kan gladheid ontstaan door algvorming op voorzieningen, steigers en bruggen, maar ook door plas- en moddervorming. In dergelijke situaties zal de beheerder passend maatregelen moeten treffen om onveilige situaties te voorkomen. Die maatregelen kunnen bestaan uit onderhoud en reiniging of door het aanbrengen van anti slip-profielen. In bepaalde gevallen kan egaliseren en verticuteren of andere grondbewerkingstechnieken een oplossing zijn voor gladheid.
Voorzieningen als toiletten en douches moeten schoon en goed onderhouden zijn. Dit betekent dat ze in ieder geval opgenomen moeten zijn in een onderhoud- en schoonmaakprogramma.
Stranden langs het zwemwater moeten egaal en schoon zijn. Als de stranden vrij van gaten en kuilen zijn, worden ongevallen voorkomen en wordt de hygiëne bevorderd.
monitoring
Op grond van artikel 3.7 en 3.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving kunnen Gedeputeerde Staten de houders van zwemlocaties opdragen maatregelen te treffen als uit de monitoring van de kwaliteit van het zwemwater blijkt dat er een overmatige groei van cyanobacteriën, macroalgen en marien fytoplankton optreedt of andere verontreinigingen van het zwemwater.
In ministeriele regelingen zijn normen vastgelegd waarmee kan worden vastgesteld of er sprake is van zwemwaterverontreinigingen of proliferatie van cyanobacteriën, macroalgen en marien fytoplankton. Met de verwijzing naar artikel 11.43 en 11.44 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn deze normen ook van toepassing voor dit onderdeel van de Omgevingsverordening.
HHH
Na sectie 3.3.1 worden acht secties ingevoegd, luidende:
De Omgevingswet regelt voor zwemlocaties alleen de plichten van de provincie en de waterbeheerders, maar niet langer de dagelijkse werkzaamheden die de houders van zwemlocaties verrichten om de zwemlocatie schoon en veilig te houden.
De houder van een zwemlocatie is degene voor wiens rekening en risico een zwemlocatie wordt gedreven. Dat kan de eigenaar zijn van de zwemlocatie, maar ook de beheerder of exploitant.
Om te voorkomen dat de provincie deze uitvoerende werkzaamheden zelf moet gaan verrichten, zijn in deze paragraaf plichten voor de houders van zwemlocaties vastgelegd. Het gaat om plichten die de houders van zwemlocaties ook al hadden op basis van de Wet hygiëne en veiligheid badinrichtingen en de bijbehorende uitvoeringsregelgeving.
Aansluiting bij Nationaal Plan Zwemveiligheid
In het Nationaal Plan Zwemveiligheid wordt benadrukt dat zwemveiligheid een gezamenlijke verantwoordelijkheid is van overheden, beheerders, exploitanten en andere betrokken partijen. Van beheerders wordt verwacht dat zij risico’s rondom de zwemlocatie signaleren en passende maatregelen nemen om de veiligheid van bezoekers te bevorderen. Deze uitgangspunten sluiten aan bij de verantwoordelijkheid die in deze omgevingsverordening aan de houder van een zwemlocatie wordt toegekend. De Nationale Raad voor zwemveiligheid geeft concrete aanwijzingen hoe de zwemveiligheid kan worden bevorderd, zoals tips hoe de risico’s op verdrinking beperkt kunnen worden.
Dit artikel legt vast dat de houder van een zwemlocatie actief verantwoordelijkheid draagt voor het voorkomen van risico’s voor gebruikers. Zodra de houder weet, of redelijkerwijs kan vermoeden, dat zijn activiteiten nadelige gevolgen kunnen hebben voor veiligheid of gezondheid, moet hij passende maatregelen nemen.
Voor zwemlocaties betekent dit onder meer het voorkomen van verdrinkingsrisico’s, bijvoorbeeld door het tijdig herstellen van gevaarlijke situaties zoals gladde steigers, verraderlijke taluds, modderige oevers of algvorming op voorzieningen. Dit kan door onderhoud, reiniging, het aanbrengen van anti-slipvoorzieningen of andere beheermaatregelen.
Voor de houder van een zwemlocatie ziet de zorgplicht op het waarborgen van hygiëne en het voorkomen van letsel. Dit omvat onder andere het zorgen voor schone en goed onderhouden sanitaire voorzieningen, het opnemen van douches en toiletten in schoonmaakprogramma’s en het veilig inrichten van de omgeving van de zwemlocatie.
Ook onderhoud aan stranden of ligweiden—zoals het egaliseren en schoonhouden van zand en gras—valt onder deze zorgplicht, omdat daarmee ongevallen en hygiëneproblemen worden voorkomen.
De kern is dat de houder verantwoordelijk is voor het tijdig signaleren van risico’s en het treffen van maatregelen die passen bij de aard en het gebruik van de zwemlocatie.
Sub a
Dit artikel verplicht de houder van een zwemlocatie om bezoekers duidelijk te informeren over de grenzen van het aangewezen zwemwater. Deze afbakening is belangrijk om te voorkomen dat zwemmers terechtkomen in delen van het water die niet bedoeld of geschikt zijn voor recreatief zwemmen, bijvoorbeeld vanwege diepte, stroming, begroeiing, vaarverkeer of andere risico’s.
De wet schrijft niet voor op welke manier de grens moet worden aangegeven. De houder heeft hierin dus beleidsvrijheid, zolang de gekozen methode duidelijk, zichtbaar en begrijpelijk is voor bezoekers. Mogelijke wijzen van aanduiding zijn bijvoorbeeld:
• het plaatsen van een drijflijn of markeringsboeien;
• het gebruik van borden of informatiepanelen langs de oever;
• fysieke belemmeringen of markeringen die het zwemgedeelte afbakenen;
• een combinatie van bovenstaande middelen.
Welke vorm het meest geschikt is, hangt af van de locatie, de omvang van de zwemzone, het bezoekersaantal en de aanwezige risico’s. Het is aan de houder om een passende, doeltreffende en goed zichtbare oplossing te kiezen.
Het doel van dit artikel is dat bezoekers in één oogopslag kunnen zien waar zij veilig kunnen zwemmen, en waar niet.
Sub b
Onder mogelijke gevaren voor zwemmers en baders worden bijvoorbeeld ook plekken verstaan waar de waterdiepte zodanig is dat een verhoogd risico op verdrinking bestaat. Informatie over de waterdiepte kan in dergelijke situaties relevant zijn voor het voorkomen van verdrinkingsongevallen.
Dit artikel verplicht de houder van een zwemwaterlocatie om dagelijks een beoordeling uit te voeren van de staat van het zwemwater en de directe omgeving. Het doel hiervan is het tijdig signaleren en voorkomen van verontreiniging en situaties die kunnen leiden tot slechte waterkwaliteit, zodat risico’s voor zwemmers worden beperkt.
De dagelijkse beoordeling is bedoeld als een visuele en praktische controle. Het gaat om het vaststellen van omstandigheden die kunnen wijzen op vervuiling, microbiologische risico’s, gevaarlijke stoffen of andere afwijkingen die invloed kunnen hebben op de veiligheid en gezondheid van bezoekers.
Voorbeelden van aspecten die in de dagelijkse beoordeling kunnen worden meegenomen zijn onder meer: het doorzicht van het water, afwijkende kleur of geur, schuimvorming, drijvende olie, afval of ander zichtbaar vuil. Deze voorbeelden zijn niet limitatief, maar geven richting aan de invulling van de verplichting.
Dit artikel bepaalt dat elke situatie die afwijkt van de normale gang van zaken en een mogelijk risico vormt voor de veiligheid of gezondheid van bezoekers, direct moet worden gemeld aan het bevoegd gezag van het oppervlaktewater. Op deze manier kan snel worden beoordeeld of maatregelen nodig zijn om de zwemveiligheid te waarborgen.
Deze afwijkingen dienen gemeld te worden bij ons Overijsselloket: 038 499 88 99.
Lid 1
De houder moet ervoor zorgen dat het talud in het aangewezen zwemgedeelte een helling heeft van maximaal 20% tot aan het punt waar het water een diepte bereikt van 1,50 meter. Een helling van maximaal 20% wordt algemeen beschouwd als veilig en overzichtelijk voor zwemmers, met name voor kinderen en minder ervaren zwemmers. Dit betekent dat het onderwaterprofiel geleidelijk moet verlopen en dat abrupte diepteverschillen binnen de zwemzone moeten worden voorkomen.
Werkzaamheden aan het talud of onderwaterprofiel moeten bij voorkeur buiten het zwemseizoen, of ruim vóór de start daarvan, worden uitgevoerd. Het onderwaterprofiel heeft tijd nodig om zich te zetten, zodat er een stabiele en veilige situatie ontstaat voor zwemmers. Wanneer dergelijke werkzaamheden kort voor het zwemseizoen worden uitgevoerd, bestaat er bovendien een verhoogd risico op instabiele bodemdelen en het zogenoemde “vastzuigen”, wat onveilige situaties kan opleveren.q
Lid 2 (maatregelen bij niet-haalbare helling)
In sommige situaties — bijvoorbeeld door natuurlijke bodemstructuur, oevers, stroming, erosie of ecologische omstandigheden — is het niet altijd mogelijk om het talud zo te realiseren dat er altijd een helling is van maximaal 20%. In dat geval moet de houder compensatiemaatregelen nemen om verdrinkingsrisico’s te beperken.
Voorbeelden van mogelijke maatregelen zijn onder meer:
• het plaatsen van waarschuwings- of attentieborden, die wijzen op steile overgangen of diep water;
• het verleggen of verkleinen van de zwemzone, zodat het onveilige deel van het talud buiten het aangewezen zwemwater valt;
• het plaatsen van drijflijnen of fysieke afzettingen om zwemmers te scheiden van delen met een te steile helling;
• het aanbrengen van onderwatermarkeringen, zoals palen, lijnen of bakens, zodat zwemmers kunnen zien waar dieper water begint;
• het aanbrengen van een kunstmatig veiliger profiel, bijvoorbeeld door egaliseren of het storten van geschikt zand of substraat (waar dit ecologisch verantwoord is);
Deze maatregelen zijn niet limitatief. Het gaat erom dat de houder - afhankelijk van locatie, risico’s en gebruik - maatregelen treft die aantoonbaar bijdragen aan het voorkomen van verdrinkingsongevallen.
Dit artikel verplicht de houder van een zwemlocatie om voldoende voorzieningen te treffen om verontreiniging van de zwemlocatie en de directe omgeving te voorkomen. De belangrijkste voorzieningen zijn toiletten en afvalbakken, maar afhankelijk van de locatie kunnen ook andere voorzieningen noodzakelijk zijn.
De omvang en aard van deze voorzieningen moeten worden afgestemd op het verwachte gebruik en het aantal bezoekers van de zwemlocatie. Drukbezochte locaties, locaties met veel gezinnen of locaties met langere verblijfsduur vereisen doorgaans meer of grotere voorzieningen dan kleinschalige of incidenteel gebruikte zwemplekken.
Bij het bepalen van een passend voorzieningenniveau kan de houder onder meer letten op:
• de verwachte piekbelasting, zoals warme zomerdagen en schoolvakanties;
• het type bezoekers, bijvoorbeeld gezinnen met kinderen, jongeren, recreanten of toeristen;
• de duur van het verblijf (korte afkoeling versus dagrecreatie);
• de aanwezigheid van horeca of andere voorzieningen in de directe omgeving;
• de bereikbaarheid van de locatie voor hulpdiensten, onderhoud en schoonmaak.
Het doel van deze voorzieningen is het beperken van vervuiling, het waarborgen van hygiëne, en het beschermen van de waterkwaliteit en de recreatieve waarde van de zwemlocatie.
De in het artikel genoemde voorzieningen (toiletten en afvalbakken) vormen hierbij het minimumniveau; afhankelijk van de locatie kunnen aanvullende maatregelen worden verwacht, zoals regelmatige schoonmaak, extra afvalcapaciteit op drukke dagen of tijdelijke sanitaire voorzieningen.
Dit artikel bepaalt dat de houder van de zwemwaterlocatie maatregelen moet treffen wanneer uit onderzoek of monitoring blijkt dat de veiligheid, hygiëne of kwaliteit van het zwemwater niet voldoet aan de gestelde eisen.
De monitoring van de waterkwaliteit zoals bedoeld in artikel 11.43 en 11.44 Besluit kwaliteit leefomgeving wordt uitgevoerd door de beheerder van het oppervlaktewater, doorgaans het waterschap. Deze beoordeelt onder meer de aanwezigheid van zwemverontreinigingen en de groei van cyanobacteriën en andere organismen.
De verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen wordt in de verordening gelegd bij de houder van de zwemlocatie. Wanneer het waterschap problemen signaleert, of wanneer uit het veiligheidsonderzoek als bedoeld in artikel 3.5 Besluit kwaliteit leefomgeving blijkt dat de locatie niet voldoet, moet de houder passende acties ondernemen. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit het tijdelijk afsluiten van de zwemzone, het plaatsen van waarschuwingen, of andere maatregelen die nodig zijn om risico’s voor zwemmers te beperken.
Monitoring
Op grond van artikel 3.7 en 3.8 van het Besluit kwaliteit leefomgeving kunnen Gedeputeerde Staten de houders van zwemlocaties opdragen maatregelen te treffen als uit de monitoring van de kwaliteit van het zwemwater blijkt dat er een overmatige groei van cyanobacteriën, macroalgen en marien fytoplankton optreedt of andere verontreinigingen van het zwemwater.
In ministeriële regelingen zijn normen vastgelegd waarmee kan worden vastgesteld of er sprake is van zwemwaterverontreinigingen of proliferatie van cyanobacteriën, macroalgen en marien fytoplankton. Met de verwijzing naar artikel 11.43 en 11.44 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn deze normen ook van toepassing voor dit onderdeel van de Omgevingsverordening.
III
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Lid 1
Gedeputeerde Staten moeten zich aan de hand van de gegevens die de initiatiefnemer verstrekt, een goed beeld kunnen vormen van de aard en omvang van de houtopstand en de reden van de velling. Daarom worden in aanvulling op artikel 11.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving aanvullende eisen gesteld aan de melding van een velling.
Lid 2
Het afzonderlijk melden van op zichzelf staande vellingen vergemakkelijkt het beoordelen van de meldingen en het controleren van de herplantplicht. Er is sprake van een op zichzelf staande velling als de te vellen bomen niet op elkaar aansluiten. Voor gemeenten en de provincie geldt dat zij op zichzelf staande meldingen mogen bundelen in een melding voor zover de vellingen plaatsvinden in dezelfde straat. Van alle meldingen die de provincie in een jaar ontvangt, is een kwart afkomstig van gemeenten en de provincie. Om het aantal meldingen, en daarmee de werklast bij het verwerken van de meldingen te beperken, is het voor gemeenten en provincie toegestaan om geclusterd per straat te melden.
Lid 3
Gedeputeerde Staten moeten zich aan de hand van de gegevens die de initiatiefnemer verstrekt, een goed beeld kunnen vormen van de locatie, aard, omvang en de reden van de herplant op andere gronden.
JJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid, onder a
Op grond van het eerste lid is herbeplanting op andere gronden niet toegestaan als de oppervlakte van een boskern afneemt. Met het 'nee, tenzij-principe' worden boskernen beschermd. Er is een minimale aaneengesloten oppervlakte bos nodig om een bosklimaat met de daarbij behorende ecologische waarden te ontwikkelen. Er is sprake van een boskern bij een aaneengesloten oppervlakte minimaal van 5 hectare, of een aaneengesloten oppervlakte kleiner dan 5 hectare wanneer een voor een boskern kenmerkend bosklimaat met bijbehorende ecologische waarden aanwezig zijn. Op grond van het eerste lid is herbeplanting op andere gronden niet toegestaan als de oppervlakte van een boskern afneemt. Op grond van het delegatiebesluit kunnen Gedeputeerde Staten in bijzondere omstandigheden afwijken van dit uitgangspunt. Dit kan als een andere boskern wordt versterkt door herplant op de andere grond of als op de plaats van compensatie een hoge natuur- of landschappelijke waarde kan worden bereikt.
Eerste lid, onder c
Oude bosgroeiplaatsen zijn zeldzaam in Nederland. Op deze plaatsen is sprake van een langdurige ongestoorde ontwikkeling van de bosbodem. Een locatie wordt aangemerkt als oude bosgroeiplaats als op deze locatie 125 jaar of langer ongestoorde, of minimaal gestoorde ontwikkeling van bosbodem heeft plaatsgevonden. De bodem krijgt hierdoorheeft dan specifieke kenmerken die gunstig zijn voor soorten die alleen groeien in langdurig ongestoorde bossystemen. Om deze reden worden deze bodems beschermd. Het is niet toegestaan om houtopstanden op deze bodems elders te compenseren. Het is aan Gedeputeerde Staten om te beoordelen of op deze bodems ook een kapverbod aan de orde kan zijn. Of het gaat om een oude bosbodem kan op verschillende manieren bepaald worden. Via (oude) topografische kaarten, kadastrale kaarten of foto's kan dit veelal worden vastgesteld. Deze gegevens kunnen ondersteund worden door vegetatiegegevens of gegevens over het voorkomen van nadere soorten, waaruit blijkt dat er sprake is van soorten die kenmerkend zijn voor oude bosbodems of oude minimaal verstoorde bossystemen.
Tweede lid
Herbeplanting op andere grond kan in afwijking van het eerste lid toegestaan worden als een houtopstand moet wijken voor een ontwikkeling waarvoor ruimte geboden kan worden in een omgevingsplan. Dat is het geval als wordt voldaan aan de criteria voor afwijking in de instructieregels voor het Natuurnetwerk Nederland en voor Bos en Natuur buiten het Natuurnetwerk Nederland. Een van de criteria voor afwijking is dat compensatie verzekerd moet zijn.
KKK
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Eerste lid, onder c
Als er al sprake is van een plicht tot herbeplanting op een bepaalde locatie kan deze locatie niet nog een keer gebruikt worden voor compensatie voor het vellen van houtopstanden. Hierdoor zou de totale areaal aan bos alsnog verkleinen.
Eerste lid, onder d
Het is het ook niet toegestaan om de herbeplantingsplicht uit te voeren op plaatsen waar al compensatieplichten gelden vanuit andere wet- en regelgeving. Wel is het toegestaan om compensatieplichten voor soorten of beschermde gebieden te combineren, zolang het dezelfde activiteit betreft.
Eerste lid, onder e
Het bebossen van heideterreinen of andere hoogwaardige natuurterreinen is niet toegestaan. Het gaat daarbij over het algemeen over percelen waar al een functie natuur aan toegekend is, maar ook weidevogelgebieden en dergelijke vallen hieronder. Gedeputeerde Staten kijken bij de beoordeling hiervan naar het voorkomen van bijzondere soorten en habitats.
Eerste lid, onder f
Met de eis om bij herbeplanting gelijke kwaliteit te realiseren wordt gedoeld op een vergelijkbaar ecologisch potentieel.
Eerste lid, onder j
Deze voorwaarde ontmoedigt het illegaal vellen van houtopstanden. Herbeplanten van andere grond na een illegale velling is alsnog mogelijk als het herbeplanten van andere grond het algemeen belang in hoge mate dient. De lat hiervoor ligt hoog. Een illegaal gevelde houtopstand mag bijvoorbeeld op andere grond worden herbeplant als herbeplanten van dezelfde grond leidt tot onveilige situaties.
LLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel,
Lid 1 onder a biedt een vrijstelling voor het herstel van oevers van natuurlijke, bestaande vennen over een breedte 30 meter gerekend vanaf bestaande gemiddelde voorjaarswaterlijn. Het doel is om venherstel mogelijk te maken en de beschaduwing van venoevers te verminderen omdat dit grote positieve effecten heeft op de natuurwaarden. De maatvoering van 30 meter vanaf de gemiddelde voorjaarswaterlijn moet gezien worden als een gemiddelde voor het hele ven. Het is dus toegestaan om de zone rond het ven lokaal breder of smaller te maken.
Dit artikel,
Lid 1 onder b biedt een vrijstelling voor het blijvend teniet gaan van houtopstanden door natuurlijke ontwikkelingen. Er zijn gevallen denkbaar waarbij houtopstanden spontaan teniet gaan. In dat geval kan het niet redelijk zijn om eigenaren verantwoordelijk respectievelijk aansprakelijk te maken voor herplant elders. Op de locatie zelf is waarschijnlijk geen bosvorming meer mogelijk. Zo brengt het vernatten van bossen soms met zich mee dat het bestaande bos afsterft. Als het bos niet te nat wordt, zal zich in de meeste gevallen daarna spontaan een nieuwe houtopstand vestigen. In de gevallen waarin dit niet gebeurt omdat de terreinen daarvoor te nat worden, is het niet redelijk dat de eigenaar gedwongen wordt elders de houtopstand te compenseren. Dit geldt zowel voor vernatting door natuurlijke processen als voor vernatting door het actief nemen van anti-verdrogingsmaatregelen. Tot slot zijn er ook gronden denkbaar waarop van nature geen bosvorming zou plaatsvinden. Daarbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan veengebieden. Op dergelijke bodemtypen wordt ook vrijstelling verleend van de plicht tot herbeplanting, als de houtopstand spontaan teniet gaat.
Deze situaties zijn vergelijkbaar met ontwikkelingen in Natura 2000-gebieden waarvoor artikel 11.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving een uitzondering maakt op de plicht tot herbeplanting.
Lid 2 verkort de herplanttermijn voor illegaliteiten naar één jaar. De verkorte herplanttermijn voorkomt dat bosgrond tijdelijk gebruikt wordt voor andere activiteiten in plaats van herbeplanting. De verkorte herplanttermijn voorkomt daarmee een tijdelijk verkleind bosareaal en ontmoedigt illegale vellingen.
MMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Toelichting – Algemeen
Op grond van artikel 2.18 lid 1, onder e, onder 3 van de Omgevingswet berust bij het provinciebestuur de taak van het behoeden van de staat en werking van wegen in beheer bij de provincie voor nadelige gevolgen van activiteiten op of rond die infrastructuur.
In de Omgevingsverordening zijn de regels over activiteiten met betrekking tot provinciale infrastructuur (vaarwegen en wegen) bij elkaar gebracht in een gezamenlijke afdeling Mobiliteit. Voor wegen en vaarwegen zijn beperkingengebieden aangewezen waarbinnen voorschriften gelden die de instandhouding van de (vaar)weg, de goede doorstroming van het (scheepsvaart)verkeer en de veiligheid moeten waarborgen.
Om dit te bereiken worden activiteiten gereguleerd met de volgende instrumenten:
1. Specifieke zorgplichten: gedragsregels die door burgers en bedrijven in de beperkingengebieden ‘provinciale weg’, ‘zicht op weg’ en ‘provinciale vaarweg’ in acht moeten worden genomen. De leefregels zijn gesteld voor een veilig en doelmatig gebruik van de wegen en vaarwegen. Gedeputeerde Staten kunnen handhavend optreden wanneer deze zorgplichten niet worden nageleefd.
2. Algemene regels: algemeen verbindende voorschriften. De regels bevatten een algemeen gebod of verbod. Deze regels kunnen in een concrete situatie worden aangescherpt of verruimd door middel van maatwerkvoorschriften.
3. Een vergunningplicht: het betreft een beperkingengebied activiteit met betrekking tot een weg of een waterstaatswerk (artikel 5.1 lid 2 onder f, onder 1 of 2 Omgevingswet)vaarweg. Die activiteiten zijn alleen toegestaan na verkrijging van een omgevingsvergunning die op basis van een aanvraag is verleend. Aan de vergunning kunnen (maatwerk)voorschriften worden verbonden. Op deze aanvraag zijn de procedurevoorschriften uit hoofdstuk 16 van de Omgevingswet van toepassing.
4. Een meldplicht: activiteiten die pas uitgevoerd mogen worden nadat vooraf een melding is gedaan. Vaak zullen over de activiteiten algemene regels zijn gesteld. Het kan zijn dat naar aanleiding van een melding maatwerkvoorschriften worden gesteld. Dit betreft een besluit dat vatbaar is voor bezwaar en beroep. Met een maatwerkvoorschrift kan de activiteit niet worden verboden.
5. Een informatieplicht: een informatieplicht is bedoeld om toezicht te kunnen uitoefenen. De informatieplicht staat, anders dan een meldplicht, niet in de weg aan het verrichten van de activiteit.
6. Gegevens en bestanden: een verplichting om gegevens en bescheiden aan te leveren aan het bevoegd gezag.
De instrumenten zijn gekoppeld aan beperkingengebieden. Buiten die gebieden hebben de regels geen werking. Beperkingengebieden bestaan uit de (vaar)weg en een strook aan weerzijden hiervan. Bij wegen wordt daarnaast een beperkingengebied ‘zicht op de weg’ ingesteld. Toepassing van de instrumenten moet altijd plaatsvinden tegen de achtergrond van de oogmerken die zijn geformuleerd in de Omgevingswet (artikel 1.3 Omgevingswet), het algemeen deel van de omgevingsverordening (Paragraaf 3.8.1) en de specifieke oogmerken en zorgplichten in deze afdeling (Artikel 3.59 en Artikel 3.60).
De opbouw van de afdeling Mobiliteit is als volgt:
Paragraaf 3.8.1 Mobiliteit algemeen
Paragraaf 3.8.2 Algemene regels provinciale wegen en vaarwegen
Paragraaf 3.8.3 Vergunningplicht activiteiten in beperkingengebied provinciale wegen
Paragraaf 3.8.4 Meldplicht activiteiten beperkingengebied provinciale wegen
Paragraaf 3.8.5 Vergunningplicht activiteiten in beperkingengebied provinciale vaarwegen
Paragraaf 3.8.6 Meldplicht activiteiten beperkingengebied provinciale vaarwegen
Paragraaf 3.8.7 Informatieplicht en gegevens provinciale wegen en vaarwegen
Paragraaf 3.8.8 Indieningsvereisten omgevingsvergunningen en meldingen wegen en vaarwegen
Deze opbouw houdt in dat voor een bepaald onderwerp meerdere paragrafen geraadpleegd moeten worden. Zo worden over uitwegen in Paragraaf 3.8.2 algemene regels gesteld, terwijl Paragraaf 3.8.3 beoordelingsregels bevat voor de benodigde omgevingsvergunning om een uitweg te mogen aanleggen.
Toelichting Overgangsrecht:
Overgangsrecht regels
Op grond van artikel 2.3, eerste lid Invoeringswet2.6 Omgevingswet en artikel 2.7 Omgevingswet moeten regels over activiteiten die betrekking hebben op activiteiten die uitwerking hebben op de fysieke omgeving, geregeld worden in de Omgevingsverordening. Op grond van de overgangsregeling van de Omgevingswet komen regels die betrekking hebben op dergelijke activiteiten van rechtswege te vervallen. Dit betekent dat na invoering van de Omgevingswet de navolgende regels en regelingen komen te vervallen:
- titel 5.1 Wegen Omgevingsverordening;
- Regeling uitwegen Overijssel 2020;
- Regeling aanduidingen Overijssel 2022;
- titel 4.3 Toedeling beheer watersysteem en beheer en instandhouding vaarwegen van de Omgevingsverordening.
Een aantal regelingen en verkeersbesluiten komt door invoering van de Omgevingswet niet te vervallen. Het gaat om regelingen die geen betrekking hebben op activiteiten die een fysieke uitwerking hebben. Of om de regelingen die gebaseerd zijn op wetten die niet door invoering van de Omgevingswet komen te vervallen. De volgende regelingen blijven van kracht:
- Provinciale vaarweg Almelo De Haandrik (km 0,000-km 31,700)
- Maximumdiepgang en afmetingen vaartuigen
- Provinciale vaarweg Almelo De Haandrik maximum vaarsnelheden (km 0,000-km 31,700)
- Provinciale vaarwegenmaximum diepgang
- Provinciale vaarwegen, maximumvaarsnelheden
- Regeling ligplaatsen Overijssel
- Verkeersbesluit ligplaatsen Overijssel 2019
- Regeling waterskisport Westelijke Belterwijde 2008
- Verbod tot plankzeilen op bepaalde vaarwegen
- Verkeersbesluit algemeen voor het Reevediep
- Verkeersbesluit vaarwegmarkering en verkeerstekens Reevediep
Vergunningen, ontheffingen en meldingen
Het overgangsrecht voor vergunningen en ontheffingen staat in artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet en werkt als volgt. Als de activiteit ook na inwerkingtreding van de Omgevingswet vergunningsplichtig is, ontstaat er van rechtswege een omgevingsvergunning op grond van de Omgevingswet. De vergunningvoorschriften blijven gelden. Onder de nieuwe verordening zijn de vergunnings- en ontheffingsplicht uit de oude verordening een op een omgezet naar de nieuwe verordening. Eerder afgeven vergunningen en ontheffingen gelden na inwerkingtreding van de Omgevingswet als een omgevingsgunning onder de Omgevingswet.
Voor meldingen gedaan onder de provinciale Omgevingsverordening bevat de Omgevingswet geen overgangsrecht. Overgangsrecht voor dergelijke meldingen is niet nodig. De melding is enkel een handeling die verricht moet worden om een activiteit uit te voeren die is gereguleerd met algemene regels. Voor meldingen die zijn gedaan op basis van de regeling Regelingen uitwegen Overijssel geldt iets anders. Op grond van de uitspraak van de ABRvS 14‑01‑2015, ECLI:NL:RVS:2015:14 worden meldingen voor activiteiten die naar aanleiding van de melding alsnog kunnen worden verboden, gelijk gesteld aan een besluit. In de nieuwe regeling is voor het aanleggen van een uitweg een omgevingsvergunning nodig. Meldingen gedaan op basis van de Regeling uitwegen Overijssel vallen daarom onder artikel 4.13 Invoeringswet Omgevingswet. Dit betekent dat ze van rechtswege zijn omgezet in een omgevingsvergunning.
NNN
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De regels in dit artikel strekken ter bescherming van de provinciale wegen en vaarwegen tegen fysieke inbreuken en ter verzekering van een veilig en doelmatig gebruik daarvan. Hiertoe hoort ook het belang van onderhoud en het belang dat verkeersdeelnemers niet afgeleid of gehinderd worden door objecten die langs provinciale wegen of vaarwegen geplaatst worden.
Daarnaast strekken de regels in dit artikel ter bescherming van (de voorzieningen voor) flora en fauna langs de provinciale wegen en vaarwegen.
OOO
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De zorgplicht in dit artikel operationaliseert de belangen die zijn neergelegd in Artikel 3.59 naar een algemene gedragsnorm voor de activiteiten die worden verricht in, op op langs provinciale (vaar)wegen of die er van af liggen. Het artikel is een vangnetbepaling voor die gevallen waarin in deze afdeling niet is voorzien. Het is vooral van belang voor activiteiten of gevolgen daarvan die onmiskenbaar in strijd zijn met de zorgplicht, maar niet zijn gereguleerd. Hierbij kan worden gedacht aan digiborden die afleidend zijn voor weggebruikers of hinder veroorzaken. Dit artikel stelt het bevoegd gezag in de gelegenheid een initiatiefnemer aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid, en om, zo nodig, handhavend op te treden. De zorgplicht houdt ook in dat de redelijkerwijs benodigde maatregelen op eigen kosten worden genomen ter voorkoming van schade aan provinciale eigendommen en eventuele schades worden op eigen kosten hersteld.
Lid 2, onderdeel b, ziet op voertuigen die langdurig of permanent worden achtergelaten op of langs de weg. Op basis van deze zorgplichtbepaling kan hiertegen worden opgetreden. Onder een onbeheerd voertuig wordt hier verstaan een voertuig als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, al dan niet in slechte staat van onderhoud of met rij-technische gebreken, dat achtergelaten is op of langs de weg.
Lid 2, onderdeel c, ziet op voertuigen op parkeer- of carpoolplaatsen die niet worden opgehaald door de eigenaar of die te groot zijn voor de plek (zoals vrachtwagens). Om te voorkomen dat deze parkeerplaatsen worden misbruikt, is excessief parkeren niet toegestaan op grond van deze zorgplichtbepaling. Onder excessief parkeren wordt verstaan:
- het parkeren op de weg dat met het oog op de verdeling van de beschikbare parkeerruimte buitensporig is tegenover andere weggebruikers die ook parkeergelegenheid nodig hebben;
- wanneer het gebruik van de weg als parkeerplaats op zichzelf niet ongeoorloofd is, maar de aard van het voertuig of het aantal te parkeren voertuigen relatief gezien een te grote ruimte opeist in vergelijking met de parkeerruimte van anderen;
- wanneer het parkeren betreft dat om andere redenen onaanvaardbaar is. Bijvoorbeeld wanneer de verkeersveiligheid in het geding is of wanneer de verkeersregels niet worden nageleefd.
PPP
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
QQQ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het artikel schrijft onder andere voor dat de geldende NEN-normen moeten worden nageleefd. NEN 3650 bevat eisen voor buisleidingsystemen en NEN-3651 bevat aanvullende eisen voor buisleidingen in of nabij belangrijke waterstaatswerken. Indien bij een boring bentoniet is gebruikt, dient dit uit de in- en uittredepunten te worden geschraapt om de afwatering van de weg te waarborgen. Dit artikel bevat ookten slotte regels die ertoe dienen om de veiligheid op de provinciale weg en vaarweg te verzekeren.
RRR
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Tijdelijke bewegwijzering kan wenselijk zijn om bouwverkeer via de minst bezwaarlijke route van en naar een bouwterrein te laten rijden. Hetzelfde geldt voor het verkeer van en naar een druk bezocht evenement. De duur van de omgevingsvergunning is afhankelijk van de duur van de bouwactiviteiten dan wel het evenement. Bij een evenement kan de duur van de opbouw en afbraak van het evenement in de omgevingsvergunning worden meegenomen. Ook onvoorziene omstandigheden kunnen aanleiding geven bewegwijzering te plaatsen naar tijdelijke voorzieningen, zoals de teststraten tijdens de pandemie COVID-19. Het gaat dan om een noodvoorziening met een tijdelijk karakter. Een tijdelijke omgevingsvergunning wordt voor maximaal twee jaar verleend. Van deze termijn kan door middel van maatwerkvoorschriften worden afgeweken. Een aanduiding die wordt geplaatst op grond van een tijdelijke omgevingsvergunning, wordt meestal vormgegeven als een onverlicht rechthoekig bord met een gele achtergrond en een zwarte rand en letters. In sommige situaties kan een andere vormgeving geschikter zijn. Dit wordt bepaald in overleg met een rayoninspecteur. Hierbij valt te denken aan een wedstrijd of een wegevenement, zoals een fietsvierdaagse, fietstourtochten, wandeltochten e.d. Het gaat dan ook uitsluitend om bebording voor de deelnemers aan het evenement. De deelnemers aan de desbetreffende evenementen zullen altijd gebruik maken van de parallelweg of het fietspad. In verband met verkeersveiligheid kan het wenselijk zijn om de route van het evenement te beborden. Hiervoor kan echter kleinere, voor de overige weggebruikers onopvallende bebording worden gebruikt. De borden worden meestal de dag voor aanvang van het evenement geplaatst en direct na afloop van het evenement verwijderd. Het betreft dan kleine routepijlen met alleen de naam van het evenement erop die bedoeld zijn voor de deelnemers aan het evenement.
[Vervallen]
SSS
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
In gevallen die opgesomd zijn in dit artikel kunnen Gedeputeerde Staten weigeren een omgevingsvergunning te verlenen om een doelmatige en veilige werking van provinciale wegen en vaarwegende instandhouding van (de voorzieningen voor) flora en fauna langs de provinciale wegen te waarborgen.
Onder deze gevallen vallen ook de reclame-uitingen. De richtlijn bewegwijzering van de CROW, publicatie 322, geeft aan dat reclame-uitingen niet zijn toegestaan binnen het beperkingengebied provinciale wegen. De reden daarvoor is dat reclameborden de weggebruiker onnodig afleiden, waardoor de verkeersveiligheid afneemt. Daarom is het, met uitzondering van Artikel 3.86 sub e, van de Omgevingsverordening, niet toegestaan om reclame-uitingen te plaatsen in het beperkingengebied provinciale wegen.
TTT
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Uit Artikel 3.79 volgt dat een uitweg niet aangelegd mag worden zonder omgevingsvergunning. In het onderhavige artikel zijn situaties vermeld waarin een vergunning voor een uitweg in ieder geval wordt geweigerd.
De uitweg mag de verkeersveiligheid niet in gevaar brengen. Hierbij wordt rekening gehouden met:
de zichtafstand;
de afstand tot kruisingen, splitsingen, bochten en verkeersregelinstallaties;
de aanwezigheid van verdrijvingsvakken, voorsorteervakken en opstelstroken;
de aanwezigheid van fysieke belemmeringen.
Ook voor het verwijderen van een uitweg moet een omgevingsvergunning worden verkregen.
[Vervallen]
UUU
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze beoordelingsregels gelden aanvullend op de beoordelingsregels in Artikel 3.89.
Vanwege verkeersveiligheid en doorstroming is het uitgangspunt dat er zo min mogelijk uitwegen worden gerealiseerd naar de provinciale weg. Dit artikel geeft daarom aanvullende regels wanneer een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt afgewezen.
Onder sub a is tot uitdrukking gebracht dat aanleggen van een uitweg naar een provinciale weg alleen is toegestaan als het perceel niet op een andere wijze ontsloten kan worden. Dat ieder perceel recht heeft op een uitweg op de openbare weg betekent niet dat dit een directe uitweg op de openbare weg moet zijn. Toegang tot de openbare weg kan ook worden verkregen via een noodweg op een buurperceel. Bijvoorbeeld door middel van het medegebruik van een bestaande weg. Op grond van artikel 5.57 Burgerlijk Wetboek kan de eigenaar van een erf dat geen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg, van de eigenaars van de naburige erven altijd aanwijzing van een noodweg ten dienste van zijn erf vorderen. Is een eigen uitweg op de openbare weg de enige mogelijkheid om het perceel te ontsluiten, dan moet een omgevingsvergunning voor die uitweg worden verleend. In dat geval moet worden gekozen voor situering en vormgeving van de uitweg die voor de verkeersveiligheid en doorstroming het minst bezwaarlijk is.
Of een omgevingsvergunning voor een uitweg verleend kan worden wordt beoordeeld op perceelniveau. In Artikel 1.1 van de Omgevingsverordening is het begrip perceel gedefinieerd. Per functie wordt maximaal één uitweg toegestaan. De termen woninguitweg, uitweg landbouw en natuurbeheer en bedrijfsuitweg zijn gedefinieerd in Artikel 1.1 van de Omgevingsverordening. Uit de definitie van die termen volgt dat rekening gehouden wordt met het rechtmatig gebruik van het perceel. Een uitweg landbouw en natuurbeheer is bedoeld voor de ontsluiting van zowel landbouwpercelen als natuurgebieden, maar ook voor de toegang tot waterstaatswerken. Hoewel dit verschillende functies zijn, worden aan deze uitwegen in praktijk dezelfde eisen gesteld. Daarom zijn ze ondergebracht in één categorie. Bij landbouwuitweg gaat het om een uitweg van een landbouwperceel dat bij of krachtens de Omgevingswet de functie heeft om te worden gebruikt voor het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Hieronder valt niet een perceel waarop een agrarisch bedrijf is gevestigd. Een geïsoleerde stal of opslagschuur kan wel onderdeel uitmaken van een landbouwperceel. Een uitweg bij een agrarisch bedrijf valt onder de definitie bedrijfsuitweg. Een perceel met een bedrijfsmatige functie kan ook worden gebruikt door een agrarisch bedrijf. De bedrijfsuitweg ontsluit dan niet de landbouwgrond, maar de bedrijfsgebouwen.
[Vervallen]
VVV
Na sectie 3.80 worden drie secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel beschrijft de voorwaarden waar in beginsel aan moet worden voldaan bij het aanleggen of veranderen van kabels of leidingen die langs een weg worden gelegd. De afstanden van kabels of leidingen tot de verharding van de weg zijn gesteld met het doel om een verlegging van de kabels of leidingen in geval van een reconstructie van de weg zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is het zeer onwenselijk als kabels of leidingen onder de verharding komen te liggen. Netwerken zijn onder de verharding slecht bereikbaar en werkzaamheden aan kabels of leidingen leiden tot stremmingen en onveiligheid voor het verkeer. Het opbreken van de weg in geval van calamiteiten is erg hinderend voor het verkeer en brengt grote kosten met zich mee.
De voorwaarden met betrekking tot diepteligging van kabels of leidingen zijn vastgesteld volgens de geldende NEN-normen. Een minder diepe ligging is risicovol in verband met het reguliere beheer en onderhoud van de provinciale weg en de bermen langs de provinciale weg. Bij een geringere diepte kan de kabel of leiding beschadigd raken door dit onderhoud. Kabels en leidingen die beschadigd raken leveren een gevaar op voor het veilige en doelmatige gebruik van de weg. Ook zijn in dit artikel eisen gesteld ten behoeve van de bescherming van kunstwerken en bomen.
Dit artikel beschrijft de voorwaarden waar in beginsel aan moet worden voldaan bij het aanleggen of veranderen van kabels of leidingen die een provinciale weg kruisen. Deze kabels of leidingen moeten haaks op de verharding worden gelegd. Het schuin aanleggen van kabels of leidingen brengt risico's met zich mee, onder andere in de registratie van de exacte ligging van de kabel of leiding. Ook zijn in dit artikel voorwaarden opgenomen ten behoeve van de bescherming van kunstwerken en bomen. De voorwaarde die ziet op de gronddekking in geval van een kruising met een bermsloot dient ertoe dat de kabel of leiding niet beschadigd wordt tijdens een onderhoud aan de bermsloot. Kabels en leidingen die beschadigd raken leveren een gevaar op voor het veilige en doelmatige gebruik van de weg.
Dit artikel beschrijft de voorwaarden waar in beginsel aan moet worden voldaan bij het aanleggen van kabels of leidingen met een gestuurde boring, persing of boogzinker. Een mantelbuis beschermt zowel het weglichaam tegen een lekkage als de kabel of leiding. De mantelbuizen worden ten minste 1,5 meter van de kant van de verharding geplaatst. Daardoor wordt de kwetsbare zone van fundering en zandbed beschermd tegen graafwerkzaamheden en lekkages, en blijft de stabiliteit van de weg gegarandeerd. Omdat in de constructie trappen zitten, minimaal onder 45 graden, is het noodzakelijk dat de bovenkant van de mantelbuis ten minste 1 meter onder de bovenkant van de verharding wordt gelegd.
Omdat een gestuurde boring eerst onder een schuine hoek op diepte moet komen, geldt een grotere minimale afstand tot de verharding vanaf het in- en uittredepunt van de boring. Een miniboring (bijvoorbeeld een nanodrill of een hydrodrill) is minder ingrijpend dan andere soorten gestuurde boringen, wat betekent dat daarvoor minder strenge voorwaarden gelden. Bij een avegaarboring, een persing (ook wel raketboring genoemd) en een boogzinker wordt de mantelbuis in de grond gebracht zonder dat het boorgat eerst afzonderlijk verruimd wordt. Daardoor blijft bij het gebruik van deze technieken geen vrije ruimte over tussen de mantelbuis en de randen van het boorgat, en hoeft dit niet opgevuld te worden met boorgrout.
WWW
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor activiteiten die kabels of leidingen van algemeen nut betreffen en die voldoen aan de eisen die gesteld worden in Artikel 3.103 (eisen aanleggen langsliggende kabels en leidingen weg) en Artikel 3.104 (eisen aanleggen kruisende kabels en leidingen weg), volstaat het indienen van een melding. Onder kabels of leidingen van algemeen nut worden verstaan netwerken zoals gas, water, elektra en telecom. Het gaat om voorzieningen van algemeen maatschappelijk belang die vaak ook een wettelijke basis hebben.
[Vervallen]
XXX
Na sectie 3.88 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Uit Artikel 3.79 volgt dat een uitweg niet aangelegd, in stand gehouden, veranderd of verwijderd mag worden zonder omgevingsvergunning. Vanwege verkeersveiligheid en doorstroming is het uitgangspunt dat er zo min mogelijk uitwegen worden gerealiseerd naar de provinciale weg. Dit artikel geeft daarom regels wanneer een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt afgewezen.
In het eerste en tweede lid staat dat de uitweg niet verleend wordt als door de uitweg nadelige of onaanvaardbare gevolgen ontstaan of dreigen te ontstaan voor de verkeersveiligheid, de doorstroming van het verkeer op de openbare provinciale weg en het doelmatig gebruik van de openbare provinciale weg. Hierbij wordt rekening gehouden met de verschillende soorten wegen, namelijk de gebiedsontsluitingswegen, stroomwegen en erftoegangswegen. Voor stroomwegen en gebiedsontsluitingswegen is vanuit de functie bepaald dat op wegvakken moet kunnen worden doorgestroomd. Het gebruik van rechtstreeks uitwisselen van en naar erven past niet bij deze functie en verwachtingspatroon van de weggebruiker en zorgt daarmee voor verhoogde verkeersveiligheidsrisico’s. Voor erftoegangswegen is vanuit de functie bepaald dat juist wel op wegvakken moet kunnen worden uitgewisseld en dat doorstromen niet de belangrijkste functie is.
Gelet op het type weg geldt voor de gebiedsontsluitingswegen en stroomwegen dat er geen nadelige gevolgen mogen ontstaan of dreigen te ontstaan. Voor erftoegangswegen geldt dat er geen onaanvaardbare gevolgen mogen ontstaan. Hierbij wordt rekening gehouden met: de zichtafstand; de afstand tot kruisingen, splitsingen, bochten en verkeersregelinstallaties; de aanwezigheid van verdrijvingsvakken, voorsorteervakken en opstelstroken; de aanwezigheid van fysieke belemmeringen.
In dit artikel is ook tot uitdrukking gebracht dat aanleggen van een uitweg naar een provinciale weg alleen is toegestaan als het perceel niet op een andere wijze ontsloten kan worden. Dat ieder perceel recht heeft op een uitweg op de openbare weg betekent niet dat dit een directe uitweg op de openbare weg moet zijn. Toegang tot de openbare weg kan ook worden verkregen via een noodweg op een buurperceel. Bijvoorbeeld door middel van het medegebruik van een bestaande weg. Ontsluiting via een weg van een lagere orde kan dus ook een noodweg in de zin van artikel 5:57 Burgerlijk Wetboek betekenen. Op grond van dat artikel kan de eigenaar van een erf dat geen behoorlijke toegang heeft tot een openbare weg, van de eigenaars van de naburige erven altijd aanwijzing van een noodweg ten dienste van zijn erf vorderen. Voorgaande geldt ook voor ontsluiting van percelen die zijn gesplitst. Indien een perceel langs een provinciale weg gesplitst wordt, is het mogelijk dat (een van) de nieuwe percelen geen uitweg heeft/hebben naar de openbare weg. In dergelijke gevallen dient de toegang van de gesplitste percelen onderling geregeld te worden door middel van een recht van overpad of noodweg.
Is een eigen uitweg op de openbare weg de enige mogelijkheid om het perceel te ontsluiten, dan moet een omgevingsvergunning voor die uitweg worden verleend. In dat geval moet worden gekozen voor situering en vormgeving van de uitweg die voor de verkeersveiligheid en doorstroming het minst bezwaarlijk is.
Of een omgevingsvergunning voor een uitweg verleend kan worden wordt beoordeeld op perceelniveau. In bijlage I van de Omgevingsverordening is het begrip perceel gedefinieerd. Per functie wordt maximaal één uitweg toegestaan. De termen woninguitweg, uitweg landbouw en natuurbeheer en bedrijfsuitweg zijn gedefinieerd in artikel 1.1 van de Omgevingsverordening. Uit de definitie van die termen volgt dat rekening gehouden wordt met het rechtmatig gebruik van het perceel. Een uitweg landbouw en natuurbeheer is bedoeld voor de ontsluiting van zowel landbouwpercelen als natuurgebieden, maar ook voor de toegang tot waterstaatswerken. Hoewel dit verschillende functies zijn, worden aan deze uitwegen in praktijk dezelfde eisen gesteld. Daarom zijn ze ondergebracht in één categorie. Bij landbouwuitweg gaat het om een uitweg van een landbouwperceel dat bij of krachtens de Omgevingswet de functie heeft om te worden gebruikt voor het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren. Hieronder valt niet een perceel waarop een agrarisch bedrijf is gevestigd. Een geïsoleerde stal of opslagschuur kan wel onderdeel uitmaken van een landbouwperceel. Een uitweg bij een agrarisch bedrijf valt onder de definitie bedrijfsuitweg. Een perceel met een bedrijfsmatige functie kan ook worden gebruikt door een agrarisch bedrijf. De bedrijfsuitweg ontsluit dan niet de landbouwgrond, maar de bedrijfsgebouwen.
YYY
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel beschrijft de eisen waaraan moet zijn voldaan, zodat een melding kan worden ingediend voor de activiteit met betrekking tot kabels of leidingen. De afstanden van kabels of leidingen tot de verharding van de weg zijn gesteld met het doel om een verlegging van de kabels of leidingen in geval van een reconstructie van de weg zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is het zeer onwenselijk als kabels of leidingen onder de verharding komen te liggen. Netwerken zijn onder de verharding slecht bereikbaar en werkzaamheden aan kabels of leidingen zouden leiden tot stremmingen en onveiligheid voor het verkeer. Het opbreken van de weg in geval van calamiteiten zou erg hinderend zijn voor het verkeer en zou grote kosten met zich meebrengen. De eisen met betrekking tot diepteligging van kabels of leidingen zijn overgenomen de geldende NEN-normen. Een geringere ligging is risicovol in verband met het reguliere beheer en onderhoud van de provinciale weg en de bermen en het verkeer op de provinciale weg. Kabels en leidingen die beschadigd raken leveren een gevaar op voor het veilige en doelmatige gebruik van de weg. Ook zijn in dit artikel eisen gesteld ten behoeve van de bescherming van bomen en kunstwerken.
[Vervallen]
ZZZ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het schuin aanleggen van kabels of leidingen brengt risico’s met zich mee, onder andere in de registratie van de exacte ligging van de kabel of leiding, daarom wordt de eis gesteld dat de kabel of leiding haaks op de verharding wordt gelegd. Een mantelbuis beschermt zowel het weglichaam tegen een lekkage als de kabel of leiding. De mantelbuizen worden geplaatst ten minste 1,5 meter van de kant van de verharding, zodat de kwetsbare zone van fundering en zandbed beschermd wordt van graafwerkzaamheden of eventuele lekkages en de stabiliteit van de weg gegarandeerd is. Omdat in de constructie trappen zitten, minimaal onder 45 graden, is het noodzakelijk dat de bovenkant van de mantelbuis wordt gelegd ten minste 1 meter onder de bovenkant van de verharding. De eis die ziet op de gronddekking in geval van een kruising met een bermsloot dient ertoe dat de kabel of leiding niet beschadigd wordt tijdens een onderhoud aan de bermsloot. Kabels en leidingen die beschadigd raken leveren een gevaar op voor het veilige en doelmatige gebruik van de weg.
[Vervallen]
AAAA
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Bij de beslissing over het al dan niet verlenen van een omgevingsvergunning dienen verschillende belangen tegen elkaar afgewogen te worden. De toetsingsgronden onder a. en b. zijn harde voorwaarden. Alleen als daaraan wordt voldaan, is er ruimte voor de afweging of de belangen die met het evenement zijn gemoeid, opwegen tegen de hinder die het evenement veroorzaakt voor het reguliere verkeer. Bij deze beoordelingafweging wordt in ieder geval betrokken het verwachte aantal bezoekers en deelnemers en het effect daarvan op het verkeer, de toename van de verkeersdruk als gevolg van het evenement, de tijdsduur dat de doorstroming van het verkeer wordt belemmerd, de hoeveelheid verkeer dat wordt gehinderd, de extra reistijd voor het verkeer, de hinder door de druk die het evenement legt op de parkeercapaciteit op of bij de weg en de gevolgen voor de verkeersveiligheid van alle weggebruikers. Bij de beoordeling of de afsluiting of stremming van de provinciale weg noodzakelijk is voor het evenement en onvermijdelijk is, wordt in ieder geval betrokken welke alternatieven zijn onderzocht om de stremming of afsluiting te voorkomen en waarom deze niet toereikend zijn.
BBBB
Na sectie 3.97 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Ook voor het tijdelijk plaatsen van RVV-borden geldt dat voor een plaatsing van maximaal vier maanden een kennisgeving voldoende is. Voor borden die langer worden geplaatst, is een omgevingsvergunning nodig en voor RVV-borden een verkeersbesluit.
CCCC
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Voor activiteiten die kabels of leidingen van algemeen nut betreffen en die voldoen aan de eisen die gesteld worden in artikel Artikel 3.103 (eisen kabels en leidingen langs provinciale vaarweg) en Artikel 3.104 (eisen aanleggen kruisende kabels en leidingen), volstaat het indienen van een melding. Onder kabels of leidingen van algemeen nut worden verstaan netwerken zoals gas, water, elektra en telecom. Het gaat om voorzieningen van algemeen maatschappelijk belang die vaak ook een wettelijke basis hebben.
Voor activiteiten rondom het kanaal Almelo-de Haandrik moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Dit heeft te maken met verzakkingen die optreden in dit gebied en de noodzaak om extra voorzorg te nemen, zodat aanvullende eisen kunnen worden gesteld aan de activiteit.
[Vervallen]
DDDD
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Dit artikel beschrijft de eisen waaraan moet zijn voldaan, zodat een melding kan worden ingediend voor de activiteit met betrekking tot kabels of leidingen. De afstand van kabels en leidingen tot de boveninsteek van het talud van de vaarweg beoogt de stabiliteit van de vaarweg te verzekeren en de oeverbeschoeiing te beschermen tegen een beschadiging. De eisen met betrekking tot diepteligging van kabels of leidingen zijn vastgesteld volgens de geldende NEN-normen om te voorkomen dat de kabels of leidingen beschadigd worden tijdens het beheer en onderhoud van de oevers. Kabels en leidingen die beschadigd raken leveren een gevaar op voor het veilige en doelmatige gebruik van de vaarweg. Ook zijn in dit artikel eisen gesteld ten behoeve van de bescherming van bomen en kunstwerken.
[Vervallen]
EEEE
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Een mantelbuis beschermt zowel het vaarweglichaam tegen een lekkage als de kabel of leiding. Ter waarborging van de stabiliteit van de vaarweg en de oevers worden eisen gesteld hoe diep en op welke afstand van de vaarweg de kabels en leidingen aangelegd moeten worden. Wanneer aan deze eisen niet is voldaan, moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd zodat nader onderzoek kan plaatsvinden of de werkzaamheden op de gewenste manier kunnen worden uitgevoerd zonder dat de stabiliteit van de vaarweg of de oevers in gevaar wordt gebracht. Ook zijn in dit artikel eisen gesteld ten behoeve van de bescherming van bomen en kunstwerken.
[Vervallen]
FFFF
Na sectie 3.105 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
GGGG
Na sectie 3.107 worden drie secties ingevoegd, luidende:
Dit artikel beschrijft de voorwaarden waar in beginsel aan moet worden voldaan bij het aanleggen of veranderen van kabels of leidingen die langs een vaarweg worden gelegd. De afstand van kabels en leidingen tot de boveninsteek van het talud van de vaarweg beoogt de stabiliteit van de vaarweg te verzekeren en de oeverbeschoeiing te beschermen tegen een beschadiging. De eisen met betrekking tot diepteligging van kabels of leidingen zijn vastgesteld volgens de geldende NEN-normen. Een minder diepe ligging is risicovol in verband met het reguliere beheer en onderhoud van de provinciale vaarweg en de oevers langs de provinciale vaarweg. Bij een geringere diepte kan de kabel of leiding beschadigd raken door dit onderhoud. Kabels en leidingen die beschadigd raken, leveren een gevaar op voor het veilige en doelmatige gebruik van de vaarweg. Ook zijn in dit artikel voorwaarden opgenomen ten behoeve van de bescherming van kunstwerken en bomen.
Dit artikel beschrijft de voorwaarden waar in beginsel aan moet worden voldaan bij het aanleggen of veranderen van kabels of leidingen die een provinciale vaarweg kruisen. Deze kabels of leidingen moeten haaks op de as van de vaarweg worden gelegd. Het schuin aanleggen van kabels of leidingen brengt risico's met zich mee, onder andere in de registratie van de exacte ligging van de kabel of leiding. Ter waarborging van de stabiliteit van de vaarweg en de oevers worden eisen gesteld aan hoe diep en op welke afstand van de vaarweg de kabels of leidingen aangelegd moeten worden. Ook zijn in dit artikel voorwaarden opgenomen ten behoeve van de bescherming van kunstwerken en bomen.
Dit artikel beschrijft de voorwaarden waar in beginsel aan moet worden voldaan bij het aanleggen of veranderen van kabels of leidingen met een gestuurde boring, persing of boogzinker. De afstand van kabels en leidingen tot de boveninsteek van het talud van de vaarweg beoogt de stabiliteit van de vaarweg te verzekeren en de oeverbeschoeiing te beschermen tegen een beschadiging. Bij een avegaarboring, een persing (ook wel raketboring genoemd) en een boogzinker wordt de mantelbuis in de grond gebracht zonder dat het boorgat eerst afzonderlijk verruimd wordt. Daardoor blijft bij het gebruik van deze technieken geen vrije ruimte over tussen de mantelbuis en de randen van het boorgat, en hoeft dit niet opgevuld te worden met boorgrout.
HHHH
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
De Omgevingswet biedt de provincie de (geclausuleerde) mogelijkheid om in de omgevingsverordening ontgrondingsactiviteiten aan te wijzen, waarvoor geen vergunningplicht geldt.
In dit artikel wordt van die bevoegdheid gebruik gemaakt door te bepalen welke ontgrondingen zijn vrijgesteld van vergunningplicht, naast de categorieën die al zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving.
De vrijstelling van de vergunningplicht geldt onder voorwaarden voor ontgrondingen die samenhang met de aanleg van buitenmaneges, ontgrondingen die samenhangen met aanleg en onderhoudswerkzaamheden van waterkeringen, beperkte ontgrondingen die samenhangen met andere werkzaamheden die in opdracht van gemeenten en waterschappen worden verricht.
Uitgangspunt hierbij is het provinciale ontgrondingenbeleid. Dit beleid is afgestemd op Rijksbeleid en gaat uit van de volgende hoofdindeling:
- Multifunctionele ontgrondingen: gericht op zowel de functie oppervlaktedelfstoffenwinning als op een of meer gelijkwaardige andere functies als wonen, recreatie, waterhuishouding e.d., welke functies samen locatie, inrichting en beheer bepalen;
- Functionele ontgrondingen: gericht op bodemverlaging ter realisering ter plaatse van een werk (bijvoorbeeld een recreatieplas) of een werkzaamheid (bijvoorbeeld landbouwkundige ontgronding). Het verwijderen van een strooisellaag of chopperen (het verwijderen van de vegetatie en een deel van de bovenste humuslaag) wordt niet gezien als een ontgronding.
Voor de toepassing van de bepaling over het verwijderen van de strooisellaag geldt de volgende uitleg:
- De strooisellaag die verwijderd mag worden bevindt zich boven op de oorspronkelijke minerale bodem en heeft zich ontwikkeld als gevolg van de vegetatieve ontwikkeling gedurende decennia (bos- en rietontwikkeling).
- De strooisellaag die verwijderd mag worden betreft alleen de organische laag zoals bladeren, (grove en kleine) takken, riet en humus. In bodemkundige termen hebben we het dan over bodemhorizonten, de bodemlaag O (vers strooisel) en de bodemlaag A (accumulatie van gehumificeerd organisch materiaal, humus). Dus maximaal afgraven t/m de A2 in onderstaande afbeelding. De B horizont mag niet verwijderd worden. Dit is mineraal materiaal en hierin vinden bodemvormende processen plaats. De dikte van O en A varieert.
- Het verwijderen van de strooisellaag moet nodig zijn voor het behoud en ontwikkeling van natuur.
- Bij grond die nooit in landbouwkundig gebruik is geweest, is een scherpe scheidingslaag te herkennen tussen de A en B horizont: B2h. Die is meestal zwart gekleurd en markeert de overgang naar de minerale bodemlaag. Deze laag (B2h) wordt vanuit natuurontwikkelingsoogpunt gekoesterd omdat zich hierin zaden bevinden van de oorspronkelijke vegetatie. Omdat de scheidingslaag in het veld goed herkenbaar is, is de kans klein dat de minerale bodem verstoord wordt.
Artikel 3.133, lid 1 sub d
Bodemverontreinigingen waarop het overgangsrecht van toepassing is blijven vallen onder de Wet bodembescherming en worden onder dit juridische kader opgepakt. In de regels van paragraaf 4.121 en artikel 5.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt al een volledige belangenafweging gemaakt waarbij aan het belang van het milieu tot sanering van de bodem een prominente rol is weggelegd. Een vergunningenprocedure voor een ontgrondingsactiviteit voegt hier niet veel meer aan toe en kan ook vanwege het milieubelang geen ander gewicht aan zaken toe kennen. Deze vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Voor de sanering van landbodems gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet een vrijstelling op grond van de Ontgrondingenwet. Artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving kent deze vrijstelling niet. Met lid d van artikel 3.133 wordt deze vrijstelling in de Omgevingsverordening opnieuw geïntroduceerd. De vrijstelling geldt voor zowel spoedeisende als niet spoedeisende saneringen.
Artikel 3.133, lid 1 sub e
In het omgevingsplan, een projectbesluit of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplan activiteit wordt al een volledige belangenafweging gemaakt waarbij ten aanzien van het werk een expliciete tweedimensionale (wat betreft oppervlak) afweging heeft plaatsgevonden binnen de ruimtelijke kwaliteit. Een vergunningenprocedure voor een ontgrondingsactiviteit voegt hier niet veel meer aan toe. In artikel 16.7 lid h van het Besluit activiteiten leefomgeving is een vrijstelling opgenomen voor dit soort werkzaamheden, maar daarin wordt een bovengrens opgenomen van 10.000 m3. In Overijssel vinden we deze beperking op het graafvolume niet nodig. Deze beperking leidt, onder andere bij nieuwbouwprojecten, tot een extra vergunningplicht. De eis dat niet dieper dan drie meter mag worden ontgraven, blijft wel staan. Een vergelijkbare vrijstelling stond ook al in de Omgevingsverordening die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Artikel 3.133, lid 1 sub f
Bij uitvoering van het natuurbeleid zijn soms functionele ontgrondingen noodzakelijk. Bij natuurbeheer gaat het om normaal onderhoud, waarbij niet of nauwelijks oppervlaktedelfstoffen vrijkomen (bijvoorbeeld het herstellen van petgaten). Bij natuurontwikkeling gaat het om werkzaamheden binnen een bestaand natuurgebied, dat veelal in een omgevingsplan als zodanig is bestemd. De werkzaamheden worden meestal uitgevoerd door een natuurbeherende instantie (in Overijssel bijvoorbeeld: Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, Landschap Overijssel), of door particulieren (op grond van een overheidssubsidie). Het kan dan gaan om de aanleg van nieuwe poelen of waterlopen of het herstellen daarvan. Hierin ligt een afdoende belangenafweging besloten, aangevuld met functionele maten voor wat betreft volume en diepte.
In de Omgevingsverordening die gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, stond ook al een vergelijkbare vrijstellingsregeling voor werkgebonden ontgrondingen die worden uitgevoerd door of in opdracht van een natuurbeherende instantie of op grond van een specifieke daartoe verleende overheidssubsidie en die plaatsvinden binnen natuurgebieden.
IIII
Na sectie 3.133 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
In artikel 6.4, tweede lid, van de toenmalige Waterwet werd voor de watervergunning voor open bodemenergiesystemen de mogelijkheid geboden om kleine open bodemenergiesystemen tot 10 m3 /u vrij te stellen van de vergunningplicht in de provinciale verordening. Deze mogelijkheid is in artikel 2.16 van het Besluit activiteiten leefomgeving voortgezet. Met het oog op doelmatig gebruik van bodemenergie of doelmatig waterbeheer kan deze milieubelastende activiteit vergunningvrij worden gemaakt. Deze paragraaf geeft invulling aan deze bevoegdheid.
Verder is het van belang dat de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving enkel voorzien in regelgeving voor open bodemenergiesystemen met een vergunning, en niet in gevallen met enkel een melding. Met deze paragraaf wordt deze lacune aangevuld in de omgevingsverordening. Gelet op de geringe omvang van de individuele onttrekkingen (maximaal 10 m3/u) en de historie (vóór 1 juli 2013 gemeld) is het niet effectief en doelmatig om hiervoor alsnog vergunningen uit te geven. De lasten van een vergunningplicht zouden niet opwegen tegen de beperkte milieubelasting van deze categorie.
De algemene regels voor het aanleggen en gebruiken van een open bodemenergiesysteem zijn vastgesteld in paragraaf 4.112 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor oudere vergunningplichtige gevallen is via artikel 4.1157a overgangsrecht ingesteld, waarbij een aantal bepalingen niet van toepassing zijn verklaard. Dit overgangsrecht komt voort uit het recht wat gold voor de Omgevingswet. In de verordening wordt dit artikel eveneens van toepassing verklaard op meldingsplichtige gevallen van voor 1 juli 2013. Opmerking verdient het feit dat het artikel 4.1157 (buiten gebruik stellen open bodemenergiesysteem) wel van toepassing blijft om een zorgvuldige beëindiging van gebruik te waarborgen.
JJJJ
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Geitenstop
In de Omgevingsverordening is een geitenstop opgenomen. De regeling in de Omgevingsverordening bouwt voort op het voorbereidingsbesluit dat op 28 september 2018 (PS/2018/748) door Provinciale Staten is genomen. Daarin is met onmiddellijke ingang een geitenstop ingesteld voor het hele grondgebied van de provincie. Met de vaststelling en inwerkingtreding van de regels in de Omgevingsverordening is het voorbereidingsbesluit van rechtswege vervallen.
De geitenstop bevriest de status quo op het moment van in werkingtreding van het voorbereidingsbesluit. De verwachting was dat de verbodsbepaling op nieuwvestiging en uitbreiding van bestaande geitenhouderijen tot ongeveer midden 2020 zou gaan gelden. Het nader onderzoek naar het verband tussen geitenhouderijen en een groter aantal longontstekingen voor omwonenden heeft vertraging opgelopen. Als uit dit landelijk onderzoek oorzaken van de ziektelast door geitenhouderijen blijken en er zicht is op oplossingsgerichte maatregelen, dan wordt de provinciale geitenstop ingetrokken.
De regeling van de geitenstop bestaat uit een instructieregel voor omgevingsplannen en uit rechtstreekswerkende regels voor activiteiten. De instructieregel houdt in dat gemeenteraden de geitenstop moeten opnemen in hun omgevingsplannen. De rechtstreekswerkende regels zorgen ervoor dat tot het moment dat de geitenstop is opgenomen in gemeentelijke omgevingsplannen, er geen nieuwe vestigingen van geitenhouderijen of uitbreidingen van bestaande geitenhouderijen kunnen worden toegestaan.
Tijdelijke maatregel
Omdat de geitenstop bedoeld is als een tijdelijke maatregel uit voorzorg tegen gezondheidsrisico's, en omdat het Rijk heeft aangekondigd dat er nationale maatregelen komen om de gezondheidsrisico’s bij omwonenden van geitenhouderijen te beperken, is het niet nodig dat de gemeenten op korte termijn overgaan tot aanpassing van het omgevingsplan. Daarom is de wettelijk termijn van één jaar om bestemmingsplannenomgevingsplannen aan het verbod aan te passen, verlengd tot 6 maart 20271 juni 2029. Hiermee voorkomen wij onnodige administratieve lasten bij gemeenten.
Begripsbepaling geitenhouderij
Een 'geitenhouderij' is een specifieke vorm van 'veehouderij' die in gedefinieerd is als:
"Een inrichting, geheel of gedeeltelijk bestemd voor het fokken, mesten en houden van landbouwhuisdieren, met uitzondering van melkvee als bedoeld in artikel 1, onder kk van de Meststoffenwet."
De term 'geitenhouderij' wordt in de verordening niet anders bedoeld dan in het gangbare spraakgebruik. Daarom wordt deze vorm van veehouderij alleen nader gedefinieerd op het punt de schaal van de geitenhouderij. Het toevoegen van een begripsbepaling voor 'geitenhouderij' is nodig om de toepassing van het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding te beperken tot het bedrijfsmatig houden van geiten. Het op kleine schaal houden van geiten, zoals kinderboerderijen of hobbyboeren, valt niet onder deze begripsbepaling en daarmee dus ook niet onder het verbod tot nieuwvestiging en uitbreiding.
Voor het aantal landbouwhuisdieren dat gehouden kan worden, zonder dat sprake is van het 'bedrijfsmatig houden' van dieren, is aangesloten op de aanwijzingen van artikelen 1.18 en 3.111 van het Activiteitenbesluit milieubeheer zoals die gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In die artikelen wordt als ondergrens voor het bedrijfsmatig of in een bedrijfsmatige omvang houden van geiten het aantal van 10 genoemd. In de jurisprudentie zijn onder meer als relevante criteria genoemd, naast de omvang van de dierstapel of het houden van landbouwhuisdieren, een commercieel doel heeft (het genereren van inkomsten, een winstoogmerk) en de wijze van huisvesting. Onder deze definitie vallen wel gemengde veehouderijbedrijven. In deze bedrijven vormt het houden van geiten niet de hoofdzaak van de bedrijfsvoering inhoudt, maar ligt het accent op het houden van andere landbouwhuisdieren. Dit wordt verduidelijkt door in de begripsbepaling de term 'veehouderijtak' in te voegen. De term 'tak' betekent immers: onderdeel van een agrarisch bedrijf.
Voor alle duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat met 'geiten' de soortnaam wordt bedoeld. Onder de term 'geitenhouderij' valt dus ook de 'bokkenhouderij'. De specifieke regeling geldt voor de geitenhouderij als geheel, ongeacht (eventuele) grondgebonden- en niet-grondgebondenheid.
Overgangsrecht geitenstop
Dit onderdeel maakt duidelijk dat die bevriezing ziet op de feitelijke situatie, inclusief de legaal geldende situatie, per 28 september 2018. Die legaal geldende situatie kan afwijken van de feitelijke situatie omdat alsnog uitvoering moet worden gegeven aan een legale uitbreiding op grond van een voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ingediende melding als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer zoals die gold tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning.
Ook bij een aanvraag om een bouw- of aanlegvergunning die voor 28 september 2018 was ingediend op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a of b, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, mag het bestemmingsplan worden toegepast zoals dat gold bij het indienen van de aanvraag, omdat op dat moment het voorbereidingsbesluit nog niet in werking was getreden (ABRvS 2 november 2011, BR 2012/19). Op deze wijze wordt overgangsrecht geboden voor de situaties, waarbij vóór het moment van kennisgeving en inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit al sprake was van een voldoende concreet - immers uit een melding of aanvraag blijkend - initiatief tot uitbreiding van de geitenhouderij.
Voor ontwikkelingen die niet pasten in het bestemmingsplan, bood de Wet algemene bepalingen de mogelijkheid om deze strijdigheid op te heffen met een zogenaamde 'omgevingsvergunning afwijken' (artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Onder de Omgevingswet bestaat de mogelijkheid ook om buitenplans van het omgevingsplan af te wijken. Deze afwijkvergunning voor buitenplanse ontwikkelingen kan niet worden verleend, ook al dateert de aanvraag van vóór 28 september 2018. Voor deze situaties is een (afzonderlijk) besluit van de gemeente nodig waarbij vanuit de goede ruimtelijke ordening de verhouding met de omgeving (opnieuw) wordt beoordeeld.
In afwijking van het algemene uitgangspunt dat de stalruimte voor geiten niet mag toenemen, bieden Artikel 4.44, derde lid, onder b en artikel Artikel 4.45, tweede lid ruimte om de oppervlakte van dierenverblijven uit te breiden mits het aantal geiten niet toeneemt. Deze uitbreidingsruimte wordt geboden omdat er situaties bij bestaande geitenhouderijen kunnen zijn waarin extra ruimte nodig is om te kunnen voldoen aan eisen vanuit dierenwelzijn of het milieu.
Uitzondering 'biobokjes'
Dit onderdeel maakt een uitzondering op het verbod. Biologische geitenhouders krijgen de mogelijkheid om hun vergunning te verruimen voor de opfok van de jonge geitenbokken van hun eigen geiten, weliswaar zonder dat het aantal melkgeiten in de provincie groter wordt. De uitzondering is gekoppeld aan de certificering door de Stichting Skal Biocontrole (te Zwolle).
De uitzondering geldt enkel voor het afmesten van jonge geitenbokken. Bijlage 1 van de Regeling Ammoniak en Veehouderij (Rav), zoals die gold tot aan inwerkingtreding van de Omgevingswet vermeldt de ammoniakemissiefactoren van huisvestingssystemen. Deze zijn nodig om de ammoniakemissie van een veehouderij te berekenen. Voor geiten kent de Rav drie categorieën. Categorie C.3 betreft de opfokgeiten en afmestlammeren tot en met 60 dagen. Alleen voor deze diercategorie is de uitzondering van toepassing.
De geitenstop is ingesteld om uit oogpunt van de gezondheid van omwonenden een groei op het feitelijk aantal geiten op bedrijfsniveau tegen te gaan. Om hierop voor specifiek de biologische geitenhouderij een uitzondering te kunnen maken, geldt de eis dat de totale vergunde ruimte voor de geitenbedrijven per saldo niet toeneemt. Om die reden is deze uitzondering alleen mogelijk als de uitbreiding plaatsvindt in onmiddellijke samenhang met verkregen milieuruimte van andere geitenhouderijen. Dit betekent dat als de (benodigde) milieuruimte uit een andere gemeente wordt betrokken, aldaar eerst een intrekkingsbesluit genomen en onherroepelijk moet zijn. Als de milieuruimte in dezelfde gemeente plaatsvindt, kunnen beide procedures gecombineerd worden in één besluit. Daarbij zijn en blijven (eventuele) andere benodigde vergunningseisen voor de uitbreiding, zoals die op grond van de Wet natuurbescherming, onverminderd van toepassing.
Afwijkende termijn uitvoering instructieregel geitenstop
Binnen de systematiek van de Omgevingswet moet het verbod dat is opgenomen in de Omgevingsverordening worden geïmplementeerd in de omgevingsplannen. De wet maakt daarbij geen uitzondering voor een tijdelijk verbod. Om de gemeenten gelegenheid te geven met deze aanpassing van omgevingsplannen te wachten op de uitkomsten van de aangekondigde onderzoeken, is geregeld in:
1. dat het provinciale verbod blijft gelden, zolang een bestemmingsplan niet op dit punt is geactualiseerd, en
2. dat die actualisering uiterlijk binnen drie jaar na inwerkingtreding van het verbod (dus uiterlijk 6 maart 2025) moet worden vastgesteld.
Als de onderzoeken geen aanleiding geven om het verbod aan te passen, dan geldt gewoon de implementatieplicht voor de gemeenteraden om dit verbod in het bestemmingsplan te verankeren, maar dus wel met een ruimere termijn dan gebruikelijk.
Door deze constructie wordt voorkomen dat de gemeenten onnodige administratieve lasten hebben, omdat de gemeenteraden de implementatie van het tijdelijke verbod zo lang mogelijk kunnen uitstellen (tot maart 2027). En tegelijk wordt hiermee voorkomen dat - als onverhoopt de onderzoeken geen duidelijkheid bieden over de precieze oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking - er een juridisch vacuüm valt tussen de tijdelijke verbodsbepaling in de provinciale verordening en de implementatie daarvan in de bestemmingsplannen. Uiteraard laat deze constructie onverlet dat Provinciale Staten al eerder het verbod kunnen heroverwegen op basis van de eerste beschikbare nieuwe onderzoeksgegevens.
KKKK
Na sectie 4.6.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
Tijdelijke maatregel
Omdat de geitenstop bedoeld is als een tijdelijke maatregel uit voorzorg tegen gezondheidsrisico’s en omdat het Rijk heeft aangekondigd dat er nationale maatregelen komen om de gezondheidsrisico’s bij omwonenden van geitenhouderijen te beperken, is het niet nodig dat de gemeenten op korte termijn overgaan tot aanpassing van het omgevingsplan. Daarom is de wettelijk termijn van één jaar om omgevingsplannen bestemmingsplannen aan het verbod aan te passen, verlengd tot 1 juni 2029 6 maart 2025. Hiermee voorkomen wij onnodige administratieve lasten bij gemeenten.
LLLL
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Provinciaal belang bossen en bomen
Overijssel is een prachtige provincie met een zeer gevarieerd landschap. Bossen en bomen maken daar een belangrijk onderdeel van uit. Ze zijn van betekenis voor het behoud en de bescherming van plant- en diersoorten (biodiversiteit). Daarnaast vormt hout een duurzaam bouwmateriaal. Maar ook voor de kwaliteit van onze leefomgeving, voor een goed vestigingsklimaat voor wonen en werken én voor de regionale economie in Overijssel (denk aan toerisme) zijn bossen en bomen van belang. Bos en bomen kunnen daarnaast een belangrijke rol vervullen in de oplossing van het klimaatprobleem. Ze nemen immers CO2 op. Meer bomen en een gezonde bosontwikkeling betekent dus: minder CO2 in de lucht. We willen daarom meer mooie en gezonde bossen en bomen in Overijssel. Dat is goed voor de biodiversiteit, de kwaliteit van de leefomgeving en de vastlegging van CO2.
Landelijke bossenstrategie
Eind 2020 stelden Rijk en provincies een landelijke bossenstrategie vast met een ambitie voor meer en meer vitaal bos. Daarbij is aangegeven dat Rijk en provincies willen investeren in meer bomen buiten het bos en duurzaam gebruik van bomen en bos stimuleren. Er is een bestuurlijke afspraak gemaakt over financiering van de aanleg van 1.400 ha bos buiten natuurgebieden, aan te leggen vóór 2030. Deze bosaanleg is bedoeld als compensatie van de uitgevoerde en nog uit te voeren kapwerkzaamheden in Natura 2000-gebieden.
Overijsselse opgave
Op 16 juni 2022 is de Overijsselse bossenstrategie 2020-2030 vastgesteld. De provincie sluit daarin aan bij de landelijke ambities voor meer bos. Dit betekent dat er 10% meer bos en 5% houtige elementen buiten het bos moet zijn gerealiseerd in 2030. Voor Overijssel betekent dit in totaal circa 3.900 ha bos extra. Daarnaast hebben we de ambitie om ons bos vitaal en klimaatbestendig te maken en houden. Om deze forse ambitie te realiseren is onder meer een subsidieregeling in het leven geroepen. Initiatiefnemers bieden we een vergoeding voor bosaanleg die vergelijkbaar is met de vergoedingen op basis van de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL). Het gaat om een vergoeding van de waardedaling van de grond en van de aanplant- en proceskosten. Grondeigenaren (met uitzondering van overheden) kunnen vervolgens voor het beheer op grond van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL) subsidie aanvragen als de gronden binnen het NNN liggen.
Juridische borging
Als we als provincie subsidie verlenen voor de aanleg van nieuw bosinvesteren in bos, onder meer door subsidie te verlenen, willen we wel zeker weten dat dit nieuwe bos daar in de toekomst ook in stand blijft. Die zekerheid krijgen we als in het omgevingsplan van de gemeente geregeld is dat er op dat perceel alleen bos is toegestaan. De instructieregel bossenstrategie zorgt voor de juridische borging daarvan. Op grond van artikel 4.2a (termijn aanpassing omgevingsplan) zal de gemeente aan een perceel waarop bos is gerealiseerd in het kader van de bossenstrategie, binnen een termijn van 3 jaar na het realiseren van het bos met een wijziging van het omgevingsplan de functie bos of natuur moeten toekennen.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 4.121 lid 1 Op grond van het eerste lid van artikel 4.121 zijn gemeenten verplicht om een passende regeling op te nemen in hun omgevingsplan voor gronden waarop in het kader van de Overijsselse bossenstrategie nieuwe bomen en andere houtopstanden zijn aangeplant. Dat kan een functietoedeling zijn van bos of natuur.
Artikel 4.121 lid 2 In het tweede lid van artikel 4.121 is geregeld dat gemeenten geen nieuwe ontwikkelingen mogen toestaan die leiden tot aantasting van natuur- en landschapswaarden die gerealiseerd zijn door het aanplanten van nieuwe bomen en andere houtopstanden in het kader van de Overijsselse bossenstrategie.
Artikel 4.121 lid 3 Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikken gemeenten over een omgevingsplan van rechtswege. De gemeenten zijn verplicht om uiterlijk 1 januari 2032 het tijdelijke deel van dat omgevingsplan om te zetten naar een omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet. De omzetting mag gefaseerd worden doorgevoerd.
De verplichting in het eerste lid om het omgevingsplan aan te passen voor gronden waarop nieuwe bomen en andere houtopstanden zijn gerealiseerd, kan de planning van de gemeente voor de omzetting van het tijdelijke deel van het omgevingsplan doorkruisen. Om dat te voorkomen is in het derde lid van artikel 4.121 geregeld dat de verplichting om het omgevingsplan aan te passen pas uitgevoerd hoeft te worden op het moment dat de gemeente het tijdelijke omgevingsplan voor die gronden omzet naar het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 2.4 Omgevingswet.
MMMM
De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het waterbeheerprogramma dat op grond van artikel 3.7 van de Omgevingswet door het waterschap moet worden vastgesteld, bevat een uitwerking op de schaal van het waterschap, van de strategische doelen die de provincie in haar regionaal waterprogramma heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren.
Het waterbeheerprogramma beschrijft het te voeren waterbeheer in ieder geval aan de hand van het Gewenst Grond- en Oppervlaktewaterbeheer (GGOR), de maatregelen voor het behalen van de doelen van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), peilbesluiten en de omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit (wateroverlast).
Het GGOR geeft aan welke grondwater- en oppervlaktewatersituatie (verdeeld naar ruimte en tijd) in het projectgebied wordt nagestreefd, uitgedrukt in:
In de onderbouwing van het waterbeheerprogramma wordt toegelicht:
de afweging die ten grondslag ligt aan het GGOR-besluit en het doorlopen proces;
als dit relevant is de inrichting van de watergangen, de (grond)waterkwaliteit en de benodigde wateraanvoer;
een beschrijving van de maatregelen, raming van kosten en een globaal plan van aanpak.
De waterschappen nemen in hun waterbeheerplan één of meer kaarten op waarop de begrenzing van deze gebieden buiten de bebouwde kom is aangegeven (zie artikel 5.7 lid f). Hierbij geldt dat de omgevingswaarden zoals die zijn vastgesteld in hoofdstuk 2 van deze verordening voor de provincie een ondergrens zijn. Het waterschap mag een strengere omgevingswaarde vaststellen. Uitgangspunt hierbij is dat het `overwegend landgebruik' in een ruimtelijk begrensd gebied leidend is voor de in dit gebied geldende omgevingswaarde. Als een waterschap een strengere omgevingswaarde wil hanteren, dan moet die door het waterschap op kaart gezet worden en in het waterbeheerprogramma worden vastgelegd, zodat duidelijk is dat het waterschap zichzelf hiertoe heeft verplicht.
Waterschappen stellen vast wat het overwegend landgebruik is. Dat kan via de volgende stappen:
1. vaststelling oppervlakte van ruimtelijk begrensd gebied (peilvak of stroomgebied).
2. bepalen van het landgebruik in het betreffende gebied.
3. bepalen welk deel van het gebied binnen en welk deel buiten de bebouwde kom ligt.
3a. Binnen de bebouwde kom: Voor het landgebruik binnen de bebouwde kom zijn de omgevingswaarden zoals opgenomen in Artikel 2.7 lid a, b of c van toepassing.
3b. Buiten de bebouwde kom: Bepalen van het overwegend landgebruik in dit gebied. Hiervoor wordt voor het gedeelte buiten de bebouwde kom bepaald hoeveel van het oppervlak in dit gebied als overwegend landgebruik grasland of mais betreft, hoeveel akkerbouw en hoeveel glastuinbouw het betreft. Buitendijkse gebieden en gerealiseerde natuur worden hier niet in meegenomen. Het overwegend landgebruik is die categorie die het grootste percentage in het gebied buiten de bebouwde kom aanwezig is.
4. bepalen van de bijbehorende omgevingswaarde. Eventueel kan een afwijkende gebiedsnorm worden bepaald als de maatregelen om aan de norm te voldoen niet in verhouding staan tot de schade die wordt voorkomen.
NNNN
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
OOOO
Na sectie 7.18 worden vier secties ingevoegd, luidende:
Inleiding
Medisch Spectrum Twente (MST) beschikt over een helikopterluchthaven op het dak van het ziekenhuis. Op 21 december 2011 en 7 maart 2012 hebben Provinciale Staten van Overijssel daarvoor een luchthavenregeling vastgesteld (gepubliceerd in Provinciaal blad nr. 2012/0125898). Het hele terrein van het ziekenhuis is daarbij destijds aangewezen als luchthavengebied.
Medisch Spectrum Twente (MST) heeft voor de helikopterluchthaven op het dak van het ziekenhuis een luchthavenbesluit aangevraagd. Het gebruik van de helikopterluchthaven blijft ongewijzigd. De begrenzing van het luchthavengebied rond de helikopterluchthaven gaat wel veranderen. MST is namelijk van plan om delen van het ziekenhuisterrein (waaronder vier voormalige verpleegtorens) te verkopen aan een projectontwikkelaar. De huidige begrenzing van het luchthavengebied, zoals opgenomen in de huidige luchthavenregeling, omvat het hele MST-terrein. De terreindelen die worden verkocht, kunnen niet meer tot het luchthavengebied worden gerekend. De nieuwe begrenzing van het luchthavengebied omvat alleen het zuidelijke deel van het MST-terrein. Deze verandering in de begrenzing van het luchthavengebied heeft tot gevolg dat de geluidcontour (56 dB(A) Lden) straks tot buiten het luchthavengebied reikt. MST heeft dan een luchthavenbesluit nodig. MST heeft de aanvraag daarvoor op 20 maart 2026 ingediend.
Huidig wettelijke kader
De helikopterluchthaven Medisch Spectrum Twente is een ‘burgerluchthaven van regionale betekenis’ als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet luchtvaart (Wlv).
De Wet luchtvaart (artikel 8.1a, lid 3 en artikel 8.64) en het Besluit burgerluchthavens (Bbl) bepalen wanneer een Luchthavenbesluit nodig is en wanneer een Luchthavenregeling volstaat. Als een contour van 56 dB(A) Lden (geluidhinder) of van 10-6 plaatsgebonden risico (externe veiligheid) buiten het luchthavengebied reikt, is een luchthavenbesluit nodig. In alle andere gevallen volstaat een luchthavenregeling.
Het Besluit burgerluchthavens (Bbl) bevat onder meer regels omtrent de vaststelling van beperkingengebieden rond luchthavens (uitgezonderd de luchthaven Schiphol en militaire luchthavens) en de ruimtelijke beperkingen die daarbinnen gelden in verband met het externe-veiligheidsrisico en de geluidbelasting vanwege het gebruik van de luchthaven. Indien op het dak of naast/nabij het ziekenhuis een helihaven ten behoeve van spoedeisende hulpverlening is ingericht, zijn die ruimtelijke beperkingen niet van toepassing op gebouwen met een gezondheidszorgfunctie of gebouwen met een nevenfunctie van die gezondheidszorgfunctie.
Bevoegd gezag
Op 1 januari 2009 ging de bevoegdheid voor regionale burgerluchthavens over van het Rijk naar de provincies. Provinciale Staten van Overijssel dienen op grond van de Wlv luchthavenbesluiten vast te stellen voor de luchthavens van regionaal belang gelegen binnen de grenzen van de provincie Overijssel. Provinciale Staten stellen een luchthavenbesluit vast als onderdeel van de Omgevingsverordening.
Handhaving van de regels die in het luchthavenbesluit zijn opgenomen gebeurt overeenkomstig de Wlv. Voor toezicht en handhaving van de in het luchthavenbesluit opgenomen artikelen zijn Gedeputeerde Staten het bevoegde gezag.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor de luchtvaartveiligheid (interne veiligheid en beveiliging van de luchthaven) en beheer en gebruik van het luchtruim. Zodra een luchtvaartuig los is van de grond houdt de bevoegdheid van de provincie op.
Het luchthavenbesluit zal pas in werking treden nadat de Minister van Infrastructuur en Waterstaat middels de afgifte van een verklaring veilig gebruik luchtruim (VVGL) heeft verklaard dat het veilig gebruik van het luchtruim door het luchthavenluchtverkeer is gewaarborgd.
Milieueffectrapportage
Een milieueffectrapportage (MER) is een uitgebreid onderzoek naar allerlei effecten op natuur, milieu en leefbaarheid. Een MER is altijd gekoppeld aan een besluit en kan ook noodzakelijk zijn voor een luchthavenbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit is weergegeven voor welke soorten besluiten een MER nodig is. Voor de helikopterluchthaven geldt ingevolge categorie J7 kolom 3 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit de (vormvrije) MER-beoordelingsplicht.
Voorafgaand aan het vaststellen van een luchthavenbesluit maakt het bevoegd gezag een MER-beoordeling. Daarin besluiten Provinciale Staten of MST voor het aangevraagde luchthavenbesluit al dan niet een milieueffectrapport (MER) moet opstellen. Een milieueffectrapport is noodzakelijk als de aangevraagde activiteiten leiden tot aanzienlijke milieueffecten. Ten behoeve van deze MER-beoordeling heeft MST bij de aanvraag een Aanmeldingsnotitie in het kader van een MER-beoordeling ingediend (bijlage 5 bij de aanvraag, Peutz, datum: 29 januari 2026, referentie: EB/EB/ /ZM 618-14-NO). In de aanvraag en in de Aanmeldingsnotitie in het kader van een MER-beoordeling zijn de onderstaande uitgangspunten gehanteerd.
De helikopter die het meest gebruik maakt van de helikopterluchthaven (circa 85% van de vluchten) is een Eurocopter EC135/H135 (turbine). Verder kan er nog een H145 (EC 145) gebruik maken van de helikopterluchthaven (circa 15% van de vluchten). De EC135 en H145 zijn tweemotorig aangedreven helikopters. De H135 is een stillere variant van de EC135 en is ook een tweemotorig aangedreven helikopter. Voor het berekenen van de effecten van de helikopterluchthaven is, wat betreft de helikoptertypen, uitgegaan van een “worst-case” situatie. Er is gerekend met een vluchtsamenstelling van 85% EC135 (dus niet met de stillere variant H135) en 15% H145.
De aspecten geluid en externe veiligheid zijn met het onderzoek voor dit luchthavenbesluit toereikend onderzocht, volgens de in artikel 4 resp. artikel 5 van de Regeling burgerluchthavens voorgeschreven wijze. Deze aspecten zijn berekend aan de hand van 200 vluchten per jaar (400 vliegbewegingen), met de in- en uitvliegsectoren oost (80 – 100 graden; 20% van de vluchten) en west (260 -280 graden; 80% van de vluchten). Van deze vluchten wordt 75% overdag, 20% in de avond en 5% in de nacht uitgevoerd. Dit aantal is lager dan bij de berekening voor de luchthavenregeling, waarbij gerekend werd met 323 vluchten (646 vliegbewegingen) maar hoger dan het feitelijke gebruik de afgelopen jaren (gemiddeld 100 vluchten per jaar). Uit deze onderzoeken blijkt dat de 56 dB(A) Lden geluidcontour en de 10-6 plaatsgebonden riscocontour ten dele buiten het nieuwe luchthavengebied vallen. Dat beide contouren nu buiten het luchthavengebied vallen terwijl zij dat in de luchthavenregeling niet deden, komt mede doordat er een nieuwe rekenmethode gebruikt wordt. Daarnaast speelt de aanpassing van de begrenzing van het luchthavengebied een rol.
Voor de beoordeling of een MER nodig is, zijn ook de aspecten beïnvloeding van natuur en effecten op de luchtkwaliteit bekeken. Voor effecten op Natura 2000 gebieden zijn met de AERIUS Calculator berekeningen uitgevoerd. Uit deze berekeningen blijkt dat op geen enkel stikstofgevoelig Natura 2000 gebied sprake is van een toename van de stikstofdepositie en dat er dus geen sprake is van significante effecten.
Het onderzoek naar de luchtkwaliteit laat zien dat de totale jaargemiddeldeconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 ruimschoots voldoen aan de grenswaarden vanrespectievelijk 40, 40 en 25 μg/m3. Tevens volgt hieruit dat de concentratiebijdrage van de helikopterluchthaven voor alle beschouwde componenten verwaarloosbaar is.
Op basis van de gegevens uit de Aanmeldingsnotitie in het kader van een MER-beoordeling hebben Provinciale Staten van Overijssel op 3 juni 2026 een MER-beoordelingsbesluit genomen, dat inhoudt dat voor dit luchthavenbesluit geen MER hoeft te worden opgesteld.
Beschrijving de helikopterluchthaven
De landingsplaats helikopterluchthaven is gelegen aan de zuidzijde van het ziekenhuis op het dak van het oude Thoraxgebouw op 14,8 meter boven de terreinhoogte (176 ft MSL). Dit dak heeft een lengte van 110 meter en een breedte van 29 meter. Het helikopterdek ligt op een afstand van 25 meter, gemeten vanaf de westelijke korte zijde van het voormalige Thoraxgebouw en heeft een lengte en breedte van 22 x 22 meter. De afmetingen van de rond het heliplatform liggende veiligheidszone zijn 30 x 30 meter.
Toetsing aan provinciaal beleid
Het provinciale beleid voor luchtvaart is in Overijssel is opgenomen in de Omgevingsvisie die Provinciale Staten van Overijssel op 8 november 2023 hebben herzien. De strekking van het provinciale beleid is om bestaande luchtvaartlocaties, waaronder helikopterluchthaven MST, optimaal te benutten. Dit luchthavenbesluit past hiermee binnen het provinciale beleid.
Gebruiksruimte
In het luchthavenbesluit wordt beslist over de milieugebruiksruimte van de luchthaven. Daarnaast reguleert het luchthavenbesluit het luchthavenluchtverkeer en de ruimtelijke indeling van de omgeving van de luchthaven. De bepalingen die in het luchthavenbesluit moeten worden opgenomen zijn voorgeschreven in het Besluit burgerluchthavens. Provinciale Staten hebben daarnaast de mogelijkheid aanvullende bepalingen in het besluit op te nemen.
Artikel 8.45, lid 3 Wlv laat het voorschrijven van maatregelen met betrekking tot overschrijding van grenswaarden door vluchten voor spoedeisende hulpverlening niet toe. Dit houdt in dat indien er meer dan 200 vluchten per jaar plaatsvinden voor spoedeisende hulpverlening, Gedeputeerde Staten niet mogen handhaven op de overschrijding van de grenswaarden voor geluidbelasting. Spoedeisende hulpverlening moet immers altijd ongehinderd kunnen plaatsvinden.
Ruimtelijke beperkingen
Op basis van de berekeningen voor geluid en externe veiligheid zijn overeenkomstig artikel 9 van het Besluit burgerluchthavens (Bbl) de volgende contouren bepaald:
een contour ter aanduiding van het 10-6 plaatsgebonden risico;
een geluidcontour van 48 dB(A) Lden;
een geluidcontour van 56 dB(A) Lden;
een gebied met hoogtebeperkingen in verband met vliegveiligheid.
Met het voorgenomen gebruik van de helikopterluchthaven worden er geen 10-5 plaatsgebonden risicocontour en 70 dB(A) Lden geluidcontour gevormd.
De 10-6 plaatsgebonden risicocontour en de 56 dB(A) Lden geluidcontour vormen gebieden waarbinnen ruimtelijke beperkingen gelden, zoals vastgelegd in artikel 11 en 12 van het Besluit burgerluchthavens (Bbl).
Artikel 11 van het Bbl bepaalt dat binnen de 10-6 plaatsgebonden risicocontour nieuwbouw van gebouwen, niet zijnde een bedrijfswoning, alleen is toegestaan met een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten. Dit is bij een woning of een kwetsbaar gebouw alleen mogelijk bij nieuwbouw op een open plek in de bestaande bebouwing, bij verandering van de bestemming van een gebouw, of bij verplaatsing van een woning of een kwetsbaar gebouw naar een minder risicodragende locatie binnen het gebied. Dit verbod op nieuwbouw geldt niet als het om een gebouw met een gezondheidszorgfunctie of een gebouw met een nevenfunctie van diezelfde gezondheidszorgfunctie gaat.
Artikel 12 van het Bbl bepaalt dat in het gebied op of binnen de 56 dB(A) Lden geluidcontour nieuwbouw van woningen, niet zijnde een bedrijfswoning, en geluidgevoelige gebouwen alleen is toegestaan met een verklaring van geen bedenkingen van Gedeputeerde Staten. Dit is alleen mogelijk als de nieuwbouw een open plek in de bestaande bebouwing opvult, zal dienen ter vervanging van op die plaats reeds aanwezige bebouwing of binnen het desbetreffende gebied wordt verplaatst naar een locatie waar de geluidbelasting ten gevolge van het luchthavenluchtverkeer minder is. Dit verbod op nieuwbouw geldt niet als het om een gebouw met een gezondheidszorgfunctie of een gebouw met een nevenfunctie van diezelfde gezondheidszorgfunctie gaat.
Artikel 19 van het Bbl stelt dat bij de vaststelling van het luchthavenbesluit het bevoegd gezag een afweging maakt over de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied tussen de 56- en 48 dB(A) Lden geluidcontour. In dit gebied zijn meerdere woningen aanwezig. Wij hebben hierover advies gevraagd aan de gemeente Enschede. De gemeente acht de geluidniveaus acceptabel, vanwege het maatschappelijke en medische belang van de traumahelikopters. Binnen het afwegingsgebied (tussen de 56- en 48 dB(A) Lden geluidcontouren) wordt vanwege het lagere geluidsniveau geen aanleiding gezien tot strikte bescherming. Bij geluidniveaus tot 56 dB(A) Lden op de gevel is standaard gevelwering voldoende, zodat (aanvullende) geluidwerende voorzieningen niet noodzakelijk zijn. De woningen binnen het 56 dB(A) Lden geluidcontour zijn al voorzien van extra geluidwerende voorzieningen, om een gezond binnengeluidniveau te creëren. Wij zien geen redelijke aanleiding in verband met geluid als gevolg van vluchten naar en van het helidek om aanvullende eisen te stellen voor de ruimtelijke ontwikkeling van het afwegingsgebied.
Artikel 8.44, lid 2, onder a van de Wlv stelt vast dat de grenswaarden voor geluid en externe veiligheid niet van toepassing zijn voor vluchten voor spoedeisende hulpverlening. Artikel 8.45, lid 3 stelt dat er geen maatregelen verbonden mogen worden aan overschrijdingen van de grenswaarden als gevolg van vluchten voor spoedeisende hulpverlening. De grenswaarden hebben slechts tot doel om te toetsen of het gebruik van de luchthaven binnen de gestelde kaders blijft.Artikel 9, lid 1, onder f van het Bbl stelt dat er een gebied met hoogtebeperkingen moet worden vastgesteld in verband met vliegveiligheid. In het gebied met hoogtebeperkingen in verband met vliegveiligheid geldt dat er geen objecten zijn toegestaan die hoger zijn dan de geldende hoogte voor het betreffende gebied (zie Bijlage XXI - IV Beperkingengebied hoogte MST). De hoogte en omvang van deze beperkingengebieden zijn bepaald volgens de voorwaarden gesteld in de Regeling burgerluchthavens.
Omgevingsplan en Voorbereidingsbesluit
In dit luchthavenbesluit zijn het luchthavengebied en de beperkingengebieden vastgesteld (Wet luchtvaart, artikel 8.47 lid 1). Bij de vaststelling van een omgevingsplan moeten (op grond van artikel 8.8 lid 1 Wlv (via art. 8.47 lid 2 Wlv) voor een gebied dat is gelegen binnen de beperkingengebieden de bepalingen uit het luchthavenbesluit in acht worden genomen.
De gemeenteraad is (op grond van artikel 8.8, lid 3 Wlv) verplicht om binnen een jaar nadat het luchthavenbesluit in werking is getreden het omgevingsplan overeenkomstig het luchthavenbesluit vast te stellen. Bij het verlenen van omgevingsvergunningen moeten de beperkingen die het Besluit Burgerluchthavens aan deze gebieden stelt, in acht worden genomen (Wet luchtvaart artikel 8.9 lid 1).
Gedeputeerde Staten hebben een voorbereidingsbesluit genomen (op basis van artikel 8.47 juncto artikel 8.8, tweede lid van de Wet luchtvaart, met toepassing van artikelen 2.24 juncto 4.16, tweede lid Omgevingswet). Het luchthavenbesluit heeft daarom vanaf inwerkingtreding de status van een voorbereidingsbesluit in het kader van de Omgevingswet. De regels voor de ruimtelijke ordening op grond van de Wet luchtvaart zijn daardoor reeds van kracht in het betrokken omgevingsplan, nog voordat dit omgevingsplan is aangepast.
Regels en Rapportage
In dit luchthavenbesluit is een grens gesteld aan het gewicht van luchtvaartuigen die van de helikopterluchthaven gebruik kunnen maken. Verder is een grens gesteld aan de totale geluidbelasting die wordt veroorzaakt door het luchthavenluchtverkeer en zijn beperkingengebieden opgenomen voor geluid, externe veiligheid en hoogtebeperkingen in verband met de vliegveiligheid. Op grond van artikel 8.44, lid 2 van de Wet luchtvaart (Wlv), kan een luchthavenbesluit verdere regels of grenswaarden bevatten. Wij zien geen aanleiding aanvullende grenswaarden of regels te stellen.
Toezicht en handhaving vindt mede plaats op basis van rapportages die door de exploitant worden aangeleverd. Er is op basis van artikel 8.54, lid 2 van de Wlv voor gekozen de rapportage per gebruiksjaar voor te schrijven. Deze rapportages moeten zodanig zijn opgesteld, dat de provincie kan toetsen en waar nodig zelf controleberekeningen kan uitvoeren of laten uitvoeren.
Gedeputeerde Staten brengen ieder jaar op grond van artikel 8.55 van de Wlv verslag uit aan Provinciale Staten over de milieuaspecten.
Participatie
Het gebruik van de helikopterluchthaven verandert niet ten opzichte van het huidige gebruik. Omdat er met het vaststellen van het luchthavenbesluit wel nieuwe ruimtelijke beperkingen komen is er in samenwerking met het Medisch Spectrum Twente en gemeente Enschede op 13 mei 2026 een buurtavond georganiseerd. Tijdens deze avond zijn omwonende bijgepraat over de ontwikkelingen omtrent het ziekenhuis. Hierbij zijn naast het luchthavenbesluit ook de ruimtelijke ontwikkelingen rondom de voormalige verpleegtorens besproken. Tijdens deze buurtavond zijn belangstellende omwonenden op de hoogte gebracht dat het vaststellen van het luchthavenbesluit geen fysieke veranderingen op het gebied van luchtvaart met zich mee brengt.
2
3
4
5
Dit artikel legt de beperkingengebieden vast. Op grond van artikel 8.47, lid 2 in samenhang met artikel 8.5, lid 4 van de Wet luchtvaart mogen het luchthavengebied en het beperkingengebied elkaar niet overlappen. De beperkingen in de vastgestelde contouren en gebieden gelden daardoor alleen voor zover deze buiten het luchthavengebied liggen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-12685.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.