Provinciaal blad van Gelderland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gelderland | Provinciaal blad 2026, 12371 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Gelderland | Provinciaal blad 2026, 12371 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
18e wijziging Regels Subsidieverlening Gelderland 2023
De Regels Subsidieverlening Gelderland 2023 worden als volgt gewijzigd:
Artikel 2.1.1 wordt als volgt gewijzigd:
In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsomschrijvingen ingevoegd:
gemeld PAS-project: Natura 2000-activiteit die voldoet aan de voorwaarden van artikel 17a.14 van de Omgevingsregeling, waarmee de PAS-melder als een positief geverifieerde PAS-melder wordt aangemerkt;
landbouwhuisdier: zoogdier of vogel voor de productie van vlees, eieren, melk, wol of veren of een paard of pony voor het fokken;
natuurvergunning: omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onderdeel e, van de Omgevingswet;
stikstofdepositie: neerslag van stikstofoxiden en ammoniak op de omgeving;
veehouderij: onderneming voor het houden van landbouwhuisdieren.
De begripsomschrijving van ‘De-minimisverordening voor de landbouwsector’ komt te luiden:
De-minimisverordening voor de landbouwsector: Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 over de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag over de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (Pb EU L 352/9);
In artikel 2.2.2 vervalt het vierde lid.
Subsidie kan worden aangevraagd:
Aan paragraaf 2.2 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 2.2.4 Aanvraagfrequentie
Subsidie wordt per aanvrager niet meer dan eenmaal verstrekt in de periode waarvoor het subsidieplafond is vastgesteld.
Artikel 2.2a.2 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.2b.2 komt te luiden:
Subsidie voor het aanleggen of herstellen van groenblauwe landschapselementen wordt voorts alleen verstrekt als:
het groenblauwe landschapselementen betreft uit bijlage 1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 | Lokale wet- en regelgeving; en
In artikel 2.2b.3, onderdeel b, wordt “een eigenaar van een bos of landgoed met of zonder rechtspersoonlijkheid” vervangen door: een landgoedeigenaar.
Artikel 2.2b.4 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.2b.5 komt te luiden:
Artikel 2.2b.5 Hoogte van de subsidie
Artikel 2.2b.6 komt te luiden:
Artikel 2.2b.6 Niet-subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor:
Artikel 2.2b.8 komt te luiden:
Artikel 2.2b.8 Weigeringsgronden
Subsidie wordt geweigerd voor zover de activiteit:
Artikel 2.2b.9 komt te luiden:
Artikel 2.2b.9 Communautair toetsingskader
Artikel 2.2c.1 komt te luiden:
Artikel 2.2c.1 Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verleend voor:
Artikel 2.2c.2, tweede lid, vervalt.
Artikel 2.2c.6 komt te luiden:
Artikel 2.2c.6 Niet-subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor:
de aanschaf en aanplant van plantensoorten vermeld als potentieel invasieve soort op de FLORON-lijst ‘Tuin er niet in’; en
Artikel 2.2c.7 komt te luiden:
Artikel 2.2c.7 Weigeringsgronden
Subsidie wordt geweigerd voor zover:
In artikel 2.2d.1 wordt onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel h door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:
In artikel 2.2d.5, onderdeel b, wordt “aanschaf van machines of gereedschap” vervangen door: de aanschaf van voertuigen, machines, apparaten of gereedschap.
In artikel 2.10.3, onderdeel c, wordt na “karakter heeft” ingevoegd: voor de provincie Gelderland.
Artikel 2.10.11, eerste lid, komt te luiden:
In afwijking van artikel 26 van de AsG is artikel 27 van de AsG van toepassing op de vaststelling van de subsidie, waarbij voor subsidie tot € 125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG met daarbij de facturen en betaalbewijzen van de gemaakte kosten.
Artikel 2.22.1 wordt als volgt gewijzigd:
Na de begripsomschrijving “herstelprogramma Bossen Natura 2000 Veluwe” wordt een begripsomschrijving ingevoegd, luidende:
inheemse (grovedennen)bossen: inheems bos wat niet kwalificeert als Natura 2000-habitattype binnen de begrenzing van de herstelmaatregelengebieden Herstel historische boscomplexen en Herstel (en uitbreiding) eikenstrubbenboscomplexen van het herstelprogramma Bossen Natura 2000 Veluwe;
Artikel 2.22.2 komt te luiden:
Artikel 2.22.2 Subsidiabele activiteit
Subsidie wordt verstrekt voor het beëindigen van de houtoogst in inheemse (grovedennen)bossen zoals omschreven:
Na artikel 2.22.2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Voordat een aanvraag kan worden ingediend, vindt een vooroverleg plaats aan de hand van het door de provincie beschikbaar gestelde vooroverlegformulier.
Artikel 2.22.3 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.22.4 komt te luiden:
Artikel 2.22.4 Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt € 4.000 per hectare.
Artikel 2.22.6 komt te luiden:
In afwijking van artikel 1.2.3, eerste en tweede lid, bevat de aanvraag een overzicht van de percelen met inheemse (grovedennen)bossen en hun oppervlakte.
In artikel 2.22.8, eerste lid, onderdeel a, onder i., wordt “paragraaf 6.1.2, onder 2 en 3” vervangen door: paragraaf 6.2.1 onder 3.b of paragraaf 6.2.2, onder 3.b.
Artikel 2.22.9 wordt als volgt gewijzigd:
De titel van paragraaf 2.23 komt te luiden:
Paragraaf 2.23 Intern en extern salderen door PAS-melders
Artikel 2.23.1 komt te luiden:
Artikel 2.23.1 Begripsomschrijvingen
Artikel 2.23.2 komt te luiden:
Artikel 2.23.2 Subsidiabele activiteit
Subsidie wordt verstrekt voor:
Artikel 2.23.3 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.23.5 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.23.6 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.23.7 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.23.8 wordt als volgt gewijzigd:
Onder vernummering van artikel 2.23.9 tot artikel 2.23.11 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:
Artikel 2.23.9 Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd als voor dezelfde activiteit al subsidie is verstrekt.
Artikel 2.23.10 Opschortende voorwaarde
De titel van paragraaf 2.26 komt te luiden:
Paragraaf 2.26 Verbreding en omschakeling veehouderij
Artikel 2.26.1 komt te luiden:
Artikel 2.26.1 Begripsomschrijvingen
Artikel 2.26.2 komt te luiden:
Artikel 2.26.2 Berekening reductie stikstofdepositie
De stikstofdepositie wordt berekend in overeenstemming met de berekening van de stikstofdepositie die vereist is voor een aanvraag van een natuurvergunning.
Artikel 2.26.3 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.26.4 komt te luiden:
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
Artikel 2.26.5 komt te luiden:
De subsidie kan worden aangevraagd door:
Artikel 2.26.6 komt te luiden:
In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag:
Artikel 2.26.7 komt te luiden:
Artikel 2.26.7 Hoogte van de subsidie
Artikel 2.26.8 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.26.9 komt te luiden:
Artikel 2.26.9 Weigeringsgronden
De subsidie wordt geweigerd als:
Artikel 2.26.10 komt te luiden:
Artikel 2.26.10 Verplichtingen
In artikel 2.26.11, eerste lid wordt “de De-minimisverordening voor de landbouwsector” vervangen door: artikel 14 LVV.
Na artikel 2.26.11 wordt een artikel toegevoegd, luidende:
Artikel 2.26.12 Opschortende voorwaarde
Paragraaf 2.27 komt te vervallen.
Artikel 2.28.1 komt te luiden:
Artikel 2.28.1 Begripsomschrijvingen
Onder vernummering van artikelen 2.28.3 tot en met 2.28.11 tot artikel 2.28.2 tot en met 2.28.10, vervalt artikel 2.28.2.
Artikel 2.28.2 (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.28.3 (nieuw) komt te luiden:
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
de te verplaatsen landbouwbedrijfdsgebouwen zijn gelegen in provincie Gelderland, specifiek in de Natura 2000-gebieden Veluwe, Bruuk, St.-Jansberg, Stelkampsveld, Willinks Weust, Wooldse Veen, Korenburgerveen, Bekendelle, Binnenveld of Landgoed Brummen of de bijbehorende overgangsgebieden van 2,5 kilometer; en
Artikel 2.28.4 (nieuw) komt te luiden:
De subsidie kan worden aangevraagd door:
Artikel 2.28.5 (nieuw) komt te luiden:
In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag:
Artikel 2.28.6 (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.28.7 (nieuw) wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 2.28.8 (nieuw) komt te luiden:
Artikel 2.28.8 Weigeringsgronden
De subsidie wordt geweigerd als:
Artikel 2.28.9 (nieuw) komt te luiden:
Na artikel 2.28.10 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 2.28.11 Opschortende voorwaarde
Na paragraaf 2.32 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, die luidt:
Paragraaf 2.33 Boeren voor natuur
Artikel 2.33.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Boeren voor natuur-bedrijf: bedrijf dat beschikt over een boeren voor natuur-ondernemingsplan gericht op de realisatie en instandhouding van een gesloten kringloop voor zowel diervoeder als dierlijke mest waarbij, als door natuurlijke omstandigheden eigen teelt van krachtvoer niet mogelijk is, krachtvoer wordt aangevoerd en de aangevoerde mineralen in de vorm van mest worden afgevoerd.
Artikel 2.33.2 Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die gericht zijn op de realisatie en instandhouding van het boeren voor natuur-bedrijf.
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
Artikel 2.33.4 Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.33.2 bedraagt per jaar € 1.435,86 per hectare voor een kleibodem en € 1.267,93 per hectare voor een zandbodem.
In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag:
als de aanvraag wordt gedaan door een boeren voor natuur-bedrijf die niet zelf eigenaar is van alle hectaren grond: een toestemmingsverklaring tussen het boeren voor natuur-bedrijf en de grondeigenaar waaruit blijkt dat de eigenaar instemt met het uitvoeren van het boeren voor natuur ondernemingsplan.
Subsidie kan worden aangevraagd door een boeren voor natuur-bedrijf.
Artikel 2.33.7 Bevoorschotting en duur subsidie
Artikel 2.33.8 Weigeringsgronden
De subsidie wordt geweigerd als:
Artikel 2.33.10 Communautair toetsingskader
In het geval dat subsidie onder de Catalogus met andere subsidie voor dezelfde kosten als de kosten die zijn betrokken bij de berekening van de vergoeding per hectare wordt gecumuleerd, worden de krachtens de onderhavige regeling toe te kennen bedragen zodanig beperkt dat het totale subsidiebedrag samen niet hoger is dan de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, het maximale subsidiebedrag uit deze regeling, de maximale steunintensiteiten of het maximale steunbedrag op grond van de toepasselijke Europese voorschriften.
Artikel 2.33.11 Transparantieverplichtingen verleende subsidies
Gedeputeerde Staten maken binnen zes maanden na de datum van de verlening van een subsidie de volgende gegevens bekend:
In afwijking van artikel 27 van de AsG is artikel 26 van de AsG van toepassing.
Na paragraaf 2.33 wordt een nieuwe paragraaf toegevoegd, luidende:
Paragraaf 2.34 Uitvoeringsprogramma natuurinclusieve landbouw Gelderland fase II
Artikel 2.34.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
onderzoeksorganisatie: organisatie voor onderzoek en kennisverspreiding als bedoeld in artikel 2, onderdeel 50, van de LVV.
Adviescommissie Natuurinclusieve landbouw Gelderland: de door Vereniging Natuur en Milieufederatie Gelderlands, op grond van hun penvoerderschap van het platform Natuurinclusieve Landbouw, ingestelde adviescommissie.
Artikel 2.34.2 Subsidiabele activiteit
Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die bestaan uit:
Artikel 2.34.6 Hoogte van de subsidie
Artikel 2.34.7 Subsidiabele kosten
Artikel 2.34.8 Weigeringsgronden
Artikel 27 van de AsG is van toepassing op de vaststelling van de subsidies op grond van deze paragraaf, waarbij voor subsidies tot € 125.000 in plaats van een accountantsverklaring kan worden volstaan met een verklaring als bedoeld in artikel 26, tweede lid, van de AsG.
Artikel 2.34.11 Communautair toetsingskader
Na paragraaf 2.34 wordt een nieuwe paragraaf toegevoegd, luidende:
Paragraaf 2.36 Modernisering veehouderij
Artikel 2.36.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
brongerichte maatregel: maatregel die de vorming van ammoniak voorkomt;
nageschakelde techniek: maatregel die ammoniak binnen de stal afvangt dan wel omzet;
passende beoordeling: door provincie Gelderland erkende technisch beoordeling die de werking van de maatregel juridisch en wetenschappelijk onderbouwt.
Artikel 2.36.2 Subsidiabele activiteit
Subsidie kan worden verleend voor de aanschaf en het gebruiksklaar maken van:
De subsidie kan worden aangevraagd door:
In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag de volgende gegevens:
Artikel 2.36.6 Hoogte van de subsidie
Artikel 2.36.7 Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten, genoemd in artikel 14, zesde lid, onderdelen a tot en met d, van de LVV.
Artikel 2.36.8 Weigeringsgrond
De subsidie wordt geweigerd als de activiteit naar verwachting leidt tot een verminderd niveau van dierenwelzijn of van brandveiligheid.
Artikel 2.36.10 Opschortende voorwaarde
Artikel 2.36.11 Communautair toetsingskader
Subsidie wordt alleen verstrekt als de verstrekking niet in strijd is met artikel 14 van de LVV.
Na paragraaf 2.36 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
Paragraaf 2.37 Bodemherstel in Gelderse bossen
Artikel 2.37.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
bodemonderzoek: onderzoek naar de samenstelling van de bodem met een analyse van de chemische, fysische en biologische eigenschappen van de grond;
bossen: bossen binnen het Gelders Natuurnetwerk;
bufferstoffen: stoffen en materialen die op de bodem van bossen worden opgebracht om de zuurgraad en de beschikbaarheid van voedingsstoffen in de bodem te herstellen;
plangebied: gronden ten behoeve waarvan subsidie wordt gevraagd;
quickscan: onderzoek naar de flora en fauna in het plangebied.
Artikel 2.37.2 Subsidiabele activiteiten
Subsidie voor een quickscan als bedoeld in artikel 2.37.2, eerste lid, onderdeel a, wordt alleen verstrekt als deze voldoende gebiedsdekkend is voor het plangebied en minimaal inzicht geeft in de aanwezigheid van planten en mossen die volledig zijn aangepast aan een zeer zuur, voedselarm milieu, zoals soorten uit het actieve soortenbeleid van de provincie.
Subsidie kan worden aangevraagd door een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die op grond van eigendom, erfpacht of een wettelijke gebruiksrecht zeggenschap heeft over het plangebied.
Artikel 2.37.6 Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten die gemaakt zijn na 1 januari 2026.
Artikel 2.37.7 Niet-subsidiabele kosten
In aanvulling op artikel 1.3.4 wordt geen subsidie verstrekt voor:
In aanvulling op artikel 1.2.3 bevat de aanvraag voor een subsidie als bedoeld in artikel 2.37.2, eerste lid, onderdeel b, een plan van aanpak, onderbouwd met een door een onafhankelijk en gekwalificeerd onderzoeksbureau uitgevoerd:
Artikel 2.37.9 Hoogte van de subsidie.
De subsidie bedraagt ten hoogste 100% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 4.000.000.
Artikel 2.37.10 Subsidieverlening met opschortende voorwaarde
Artikel 2.37.11 Verplichtingen van de subsidieontvanger
Artikel 2.37.12 Weigeringsgrond
Subsidie wordt geweigerd voor zover voor dezelfde of een vergelijkbare activiteit in de vijf jaar voorafgaande aan de aanvraag door de provincie eerder subsidie is verleend aan de subsidieontvanger ten behoeve van het plangebied.
Artikel 2.37.13 Communautair toetsingskader
Subsidie wordt alleen verstrekt voor zover de verstrekking in overeenstemming is met artikel 53, tweede lid, onderdeel b van de AGVV.
In artikel 4.1.1 worden in de alfabetische volgorde de volgende begripsomschrijvingen ingevoegd:
bushalte: halteplaats voor bussen van het openbaar vervoer waar reizigers kunnen in- en uitstappen en die toegankelijk is volgens de Leidraad toegankelijkheid van het CROW;
grootschalige maatregel: aanleg van een fietsbrug, fietstunnel, fietsstraat of vrijliggend fietspad, verbeterde fietskruising, of voetpad, of het verbreden van een bestaand fietspad of voetpad;
hoofdfietsnet: netwerk van fietsroutes als bedoeld in het definitiekader Hoofdfietsnet Gelderland;
RAW-raming: raming gebaseerd op de RAW-systematiek, wat staat voor Rationalisatie en Automatisering Grond-, Water- en Wegenbouw;
wegbeheerder: Rijkswaterstaat, gemeente of waterschap, die verantwoordelijk is voor het beheer en onderhoud van de weg.
Artikel 4.5.1 Begripsomschrijvingen
Artikel 4.5.9 Weigeringsgronden
In artikel 4.9.1 vervallen de begripsomschrijvingen van “bushalte” en “wegbeheerder”.
In artikel 4.15.9 wordt “31 maart 2031” vervangen door: 30 april 2031.
De titel van paragraaf 4.17 komt te luiden:
Paragraaf 4.17 Aanpassen voorzieningen, toegankelijkheid en loop- en fietsroutes naar bushaltes
Artikel 4.17.1 komt te luiden:
Artikel 4.17.1 Begripsomschrijving
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
centraal haltebestand: digitaal register waarin alle bushaltes in Nederland zijn opgenomen, met inbegrip van gegevens over locatie, toegankelijkheid en aanwezige voorzieningen, zoals beschikbaar gesteld via de DOVA Halte- en Stationviewer.
Artikel 4.17.2 komt te luiden:
Artikel 4.17.2 Subsidiabele activiteiten
Artikel 4.17.3 wordt als volgt gewijzigd:
Subsidie voor maatregelen ter verbetering van de toegankelijkheid van een bushalte wordt alleen verstrekt als de subsidiabele activiteit ertoe leidt dat de halte na uitvoering daarvan volledig voldoet aan de specificaties voor een volledig toegankelijke bushalte zoals genoemd in de CROW Leidraad Toegankelijkheid;
Artikel 4.17.4 komt te luiden:
Artikel 4.17.4 Hoogte van de subsidie
De artikelen 4.17.6 tot en met 4.17.8 worden vernummerd tot 4.17.5 tot en met 4.17.7.
Artikel 4.17.6 (nieuw) komt te luiden:
In aanvulling op artikel 1.2.3 wordt bij de subsidieaanvraag een ontwerp van de bushalte of de loop- en fietsinfrastructuur gevoegd, voorzien van een schriftelijke toelichting waarin de voorgestelde maatregelen worden beschreven.
Na artikel 4.17.7 (nieuw) worden twee artikelen toegevoegd, luidende:
In afwijking van artikel 27 van de AsG is artikel 26 van de AsG van toepassing op de vaststelling van subsidies van meer dan € 125.000 op grond van deze paragraaf.
De aanvrager past na afronding van de activiteiten zoals bedoeld in artikel 4.17.2, derde lid, de kleurindicator in het centraal haltebestand aan, voor zover de uitgevoerde maatregelen daartoe aanleiding geven.
Na paragraaf 4.17 wordt een paragraaf toegevoegd, luidende:
Paragraaf 4.18 Realisatie doorfietsroute VeluweWaalpad
Artikel 4.18.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
VeluweWaalpad: doorfietsroute, genaamd VeluweWaalpad, zoals aangegeven op het Hoofdfietsnet Gelderland, met uitzondering van de fietsbrug over de Nederrijn.
Artikel 4.18.2 Subsidiabele activiteit
Subsidie kan worden verstrekt voor het realiseren van een grootschalige maatregel op het VeluweWaalpad.
Subsidie wordt alleen verstrekt als:
Subsidie kan worden aangevraagd door:
In aanvulling op artikel 1.2.3 wordt bij een aanvraag om subsidie bijgevoegd:
Artikel 4.18.6 Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal:
Artikel 4.18.7 Subsidiabele kosten
Artikel 4.18.9 Weigeringsgronden
Subsidie kan worden aangevraagd door een organisatie uit de evenementenbranche, horeca, of dag- of verblijfsrecreatie, een museum of een Destinatie Management Organisatie.
Artikel 5.6.5 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 5.6.6 wordt tussen “de” en “kosten” ingevoegd: subsidiabele.
Na paragraaf 6.12 wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd, luidende:
Paragraaf 6.13 Investeringsprogramma Verstedelijking in Gelderland
Artikel 6.13.1 Begripsomschrijvingen
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
Investeringsprogramma Verstedelijking in Gelderland: door Gedeputeerde Staten op 30 juni 2026 vastgesteld investeringsprogramma waarin de beoogde verstedelijkingslocaties in Gelderland, de omvang van de bijdrage per locatie en de mate waarin bijgedragen moet worden aan de onderwerpen economie, leefbaarheid, bereikbaarheid, recreatie, beschikbare netcapaciteit en leefomgeving is vastgelegd.
Artikel 6.13.2 Subsidiabele activiteit
Subsidie kan worden verstrekt voor maatregelen die zijn genoemd in het Investeringsprogramma Verstedelijking in Gelderland.
Subsidie wordt alleen verleend voor activiteiten die betrekking hebben op de uitvoeren van een publieke functie, de inrichting van de openbare ruimte of het publiek belang.
Subsidie kan worden aangevraagd door gemeenten.
Artikel 6.13.5 Subsidiabele kosten
Voor subsidie komen in aanmerking de kosten voor de uitvoering van subsidiabele activiteiten die zijn beschreven in het Investeringsprogramma Verstedelijking in Gelderland.
Artikel 6.13.6 Hoogte van de subsidie
De subsidie bedraagt maximaal het bedrag dat in het Investeringsprogramma Verstedelijking in Gelderland is genoemd.
Artikel 8.11.8, eerste lid, komt te luiden:
Aan artikel 9.7.4, eerste lid, wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: en voor de Regio Foodvalley maximaal € 2.000.000.
Artikel 9.8.2 wordt als volgt gewijzigd.
Artikel 9.8.3 wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 9.8.6, derde lid, komt te luiden:
Artikel 9.8.8 wordt als volgt gewijzigd:
In artikel 12.2.3, eerste lid, onderdeel e, wordt na “jongeren” ingevoegd: inhoudelijk.
Artikel 12.2.4 wordt als volgt gewijzigd:
De toelichting op de Regels Subsidieverlening Gelderland 2023 wordt als volgt gewijzigd:
De algemene toelichting onder het kopje ‘Staatssteun’ wordt als volgt gewijzigd:
De tweede alinea komt te luiden:
Dit is het geval bij de paragrafen 2.2 (voor wat betreft artikel 2.2.1 onderdeel a, b, als steun aan gemeenten, c en d), 2.5, 2.12, 2.13 (als steun aan particulieren), 2.15.3, 2.15.5, 2.15.7, 2.20, 2.22, 3.4, 3.5, 3.6, 4.7, 4.8, 4.13, 5.4, 5.5, 5.7, 5.10, 6.2, 6.4, 6.11, (voor wat betreft artikel 6.11.2, onder a, als steun aan gemeenten), 6.12, 6.13, 7.4, 8.4, 8.6, 8.7, 9.4, 9.6 (voor wat betreft artikel 9.6.3, onderdeel b, sub i tot en met vii), 9.7 (voor wat betreft artikel 9.7.2, onderdeel a), 9.9, 10.2, 10.3, 10.4, 10.5, 10.6, 11.2 (voor wat betreft de programma’s van side events), 11.4 en 12.2.
De vierde alinea komt te luiden:
De aanleg van openbare infrastructuur, zoals wegen, fietspaden, straatverlichting en aansluiting op openbare nutsvoorzieningen, vormt een belangrijk deel van overheidsinvesteringen bij gebiedsontwikkeling. Zolang deze infrastructuur algemeen toegankelijk blijft voor alle potentiële eindgebruikers is er geen sprake van staatssteun. Voor wat betreft de aanleg of verbetering van infrastructuur ter verbetering van de sociale veiligheid geldt dat geen staatssteun optreedt zolang de infrastructuur niet commercieel wordt geëxploiteerd en algemeen toegankelijk blijft voor alle potentiële eindgebruikers. Het betreft de paragrafen 4.5, 4.9, 4.10, 4.11, 4.17 en 4.18.
De zesde alinea komt te luiden:
Voor bepaalde activiteiten heeft de Europese Commissie specifieke vrijstellings- en de-minimisverordeningen vastgesteld. Het gaat daarbij vooral om de AGVV, de LVV en de Landbouw de-minimisverordening. Daar waar een van deze verordeningen van toepassing is, wordt niet getoetst aan de De-minimisverordening. Dit betreft de paragrafen 2.2 (voor wat betreft artikel 2.2.1, onderdeel b (als de onderneming actief is in primaire landbouwproductie) en e), 2.4, 2.6, 2.7 (voor wat betreft artikel 2.7.1, onderdeel e), 2.10, 2.11, 2.13 (als onderneming actief is in primaire landbouwproductie), 2.15.2, 2.15.4, 2.16, 2.17, 2.18, 2.19, 2.21, 2.23, 2.24, 2.25, 2.27, 2.28, 2.31, 2.33, 2.34, 2.36, 2.37, 4.15, 5.3 (voor wat betreft artikel 5.3.1, onderdelen a tot en met d), 5.6, 5.8, 7.2a, 7.5 (voor wat betreft artikel 7.5.2, onderdelen a, b, c, e en f), 8.3, 8.11 (als de onderneming actief is in primaire landbouwproductie), 9.3 en 9.6 (voor wat betreft artikel 9.6.3, onderdeel b, sub x en xi).
De zevende alinea komt te luiden:
In een enkel geval worden aanvragen getoetst aan andere regels over staatssteun, of zijn voorwaarden die zijn opgenomen in een goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie als voorwaarden in de regels overgenomen. Op die manier wordt verzekerd dat geen ongeoorloofde staatssteun wordt verleend. Het betreft de paragrafen 2.2.1, onderdeel f, 2.3, 2.7, 2.8, 2.15.6 en (onder voorbehoud van een goedkeuringsbesluit van de Europese Commissie) 2.29, en 2.33.
De achtste alinea komt te luiden:
Voor aanvragen onder de paragrafen 1.7, 4.4, 6.3, 7.3, 7.6, 9.2, 9.6 (voor wat betreft artikel 9.6.3, onderdeel b, sub xii), 9.7 (voor wat betreft artikel 9.7.2, onderdeel b), 9.8, 11.2 (voor wat betreft de sportevenementen), en 13.3 geldt maatwerk. Voor de verschillende typen aanvragen gelden andere staatssteunoplossingen. Dit wordt per aanvraag beoordeeld.
De laatste alinea komt te luiden:
Op grond van die verordening bedraagt de totale overheidssteun maximaal € 300.000 over een periode van drie jaren. De verordening bevat een aantal (procedurele) voorwaarden waaraan in alle gevallen moet worden voldaan. Het proces van subsidieverlening bij de provincie Gelderland is zodanig ingericht dat aan deze voorwaarden wordt voldaan. Voor subsidie op grond van de paragrafen 2.2 (voor wat betreft artikel 2.2.1, onderdeel b (als steun aan bos- en landgoedeigenaren)), 2.18, 2.24, 2.26.2, onderdeel b, 2.34, 4.15 (voor wat betreft artikel 4.15.2, onderdeel a en b), 4.16, 5.2, 5.3 (voor wat betreft artikel 5.3.1 onder e), 6.10, 6.11, 7.2, 7.5 (artikel 7.5.7, derde lid), 8.2, 8.10, 8.11 (voor wat betreft ondernemingen), 9.6 (voor wat betreft artikel 9.6.3 onderdeel b, sub viii tot en met x, voor zover sprake is van consultancyadviesdiensten aan grote ondernemingen), en 13.2 geldt, volgens de vangnetbepaling van artikel 1.3.2, eerste lid, dat de subsidie alleen wordt verstrekt met inachtneming van de De-minimisverordening.
In de toelichting op paragraaf 2.2 vervalt de eerste alinea.
In de toelichting op paragraaf 2.2a komen de volgende zinnen te vervallen:
GBDA wordt hier als volgt omschreven: onder groenblauwe dooradering (GBDA) verstaan we de ‘kleine’ natuurelementen die ons landschap in belangrijke mate vormgeven. Deze kunnen als punten, lijnen of vlakken aanwezig zijn. Naast houtige elementen zoals singels, bomenrijen, houtwallen, heggen, hagen, knotbomen, graften, griendjes en hoogstam-boomgaarden, gaat het om elementen met een begroeiing van kruiden en ruigten en natte elementen zoals slootkanten, natuurvriendelijke oevers en poelen. Ecologisch beheerde sloten kunnen ook tot landschapselementen gerekend worden evenals elementen als keverbanken of kruidenrijke akkerranden. Deze hebben een meer dynamisch karakter dat past bij de kenmerken van akkerbouwlandschappen. Bekijk de webpagina over het Vitaal landelijk gebied Gelderland voor meer informatie. De aanleg van genoemde elementen met een begroeiing van kruiden en ruigten en natte elementen zijn voorbeelden van fysieke maatregelen als bedoeld onder artikel 2.2b.1.
De toelichting bij paragraaf 2.2b komt te luiden:
Voor de subsidiabele activiteiten van deze paragraaf wordt de aanvrager gevraagd een projectplan op te stellen. Een format hiervoor is opgenomen op de website van de subsidieregeling. In het projectplan dient te worden onderbouwd hoe de activiteiten bijdragen aan het herstellen of vergroten van de lokale biodiversiteit. Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat alleen landschapselementen worden gesubsidieerd die van nature of cultuurhistorisch voorkomen in het gebied. Bij de aanleg van opgaande landschapselementen moet in het projectplan beschreven worden hoe rekening is gehouden met de in het plangebied aanwezige kernkwaliteiten in de gebieden die in de provinciale omgevingsverordening opgenomen zijn als landschappen met waardevolle openheid. Informatie hierover, inclusiefkaartmateriaal, is te vinden in de Gelderse streekgidsen en Handreiking omgevingsverordening.
Naast dat wordt aangegeven hoe de activiteiten passen in het omliggende landschap, moet ook worden beschreven hoe de al aanwezige of gewenste planten- en diersoorten hierbij gebaat zijn. Bijvoorbeeld: “de aan te leggen houtwal en houtsingel zijn lijnvormige landschapselementen waarmee een bestaande onderbreking in het landschap wordt gevuld. Hierdoor wordt een aaneengesloten ecologische verbindingszone gecreëerd voor de lokaal aanwezige das en gewone dwergvleermuis”.
Fysieke maatregelen voor soorten worden alleen gesubsidieerd als in het projectplan wordt onderbouwd hoe de maatregelen bijdragen aan de vier V’s: voedsel, voortplanting, veiligheid en verplaatsing van een leefgebied voor inheemse diersoorten. Deze voorwaarden zijn essentieel om een gebied geschikt te maken of te houden voor een soort(groep). Zonder deze vier elementen zijn maatregelen, zoals nestkasten of bijenhotels, ineffectief. Alleen fysieke maatregelen met een primair ecologisch doel, zoals bijvoorbeeld faunapassages, komen in aanmerking voor subsidie. Civieltechnische aanpassingen met slechts een neveneffect voor soorten, zoals duikers, worden niet gesubsidieerd.
Subsidie wordt niet verstrekt voor de aanleg van alle landschapselementen, maar alleen van groenblauwe landschapselementen. Een overzicht, omschrijving en maatvoering van deze groenblauwe landschapselementen met code L01 is te vinden in bijlage 1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 | Lokale wet- en regelgeving. Belangrijk: voor een aantal landschapselementen staat dat deze vervallen zijn. Deze landschapselementen zijn echter onder paragraaf 2.2 wél subsidiabel. Een uitzondering op de regel is de aanleg van nieuwe lanen. Dit is niet subsidiabel, omdat een laan uit één boomsoort bestaat. Andere landschapselementen, zoals een houtwal, dragen meer bij aan de biodiversiteit.
Ook het herstel van lanen die niet vrij liggen in het landschap komen niet in aanmerking voor subsidie. Dit is omdat vrijliggende lanen een grotere biodiversiteitswaarde hebben dan lanen die onderdeel uitmaken van een bos. De definitie van een vrijliggende laan is een laan die niet grenst aan, en niet gelegen is in, een bos met de natuurtypen N14, N15, N16 of N17 uit bijlage 1 van de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer Gelderland 2016 | Lokale wet- en regelgeving.
Subsidie voor realisatie van kruidenrijke akker- en struweelranden en bermen door het inzaaien van inheemse zaadmengsels is toegestaan, zie ook de hierboven opgenomen begripsomschrijving van groenblauwe dooradering (GBDA) uit het Aanvalsplan Landschap (Samen voor Biodiversiteit). Uit de praktijk blijkt bovendien dat aanpassingen in maaibeheer kostenneutraal kunnen worden doorgevoerd.
Subsidie wordt geweigerd voor zover de activiteit wordt uitgevoerd op terreinen die binnen een rijksmonument vallen. De reden hiervoor is dat er hier een andere subsidie voor beschikbaar is, namelijk de subsidie Toekomstbestendig Erfgoed (Regels Subsidieverlening Gelderland 2023, paragraaf 5.3) .
Regulier beheer en onderhoud die nodig zijn voor het behoud van landschapselementen zijn niet subsidiabel. Maatregelen die genomen worden tijdens de projectduur voor nazorg t.b.v. de omgevormde of het aangeplante plantmateriaal zoals water geven en inboeten zijn wel subsidiabel. Voorbeelden van niet-subsidiabele regulier beheer en onderhoud zijn onder andere te vinden in: https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2025/07/Standaardkostprijzen-Natuur-en-Landschap-2025-beheerjaar-2026.pdf. Lanen moeten beheerd worden, en soms worden hersteld. We vragen bij herstelmaatregelen aan een laan om een rapport van de boomveiligheidscontrole. Uit dat rapport blijken de herstelmaatregelen voor lanen welke voor subsidie in aanmerking komen.
De kosten voor het herstel van een laan mogen maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten in de aanvraag bedragen. Dit betekent dat bij laanherstel altijd aanvullende maatregelen voor de biodiversiteit moeten worden opgenomen, waarbij deze maatregelen minimaal 50% van de totale subsidiabele kosten uitmaken. De reden hiervoor is dat een laan doorgaans uit één boomsoort bestaat en daardoor een beperkte biodiversiteit heeft. Daarom moet een aanvraag ook het herstel of de aanleg van een ander landschapselement bevatten, zodat de diversiteit en daarmee de bijdrage aan de biodiversiteit wordt vergroot.
Maatregelen voor het bestrijden en beheersen van invasieve exoten zijn niet subsidiabel. In het document “Plan van Aanpak (2022) Invasieve Exoten Gelderland” op de website van Provincie Gelderland staat om welke soorten het gaat en welke aanpak wordt geadviseerd.
Aan de toelichting bij paragraaf 2.2c wordt de volgende tekst toegevoegd:
Regulier beheer en onderhoud die nodig zijn voor het behoud zijn niet subsidiabel. Maatregelen die genomen worden tijdens de projectduur voor nazorg ten behoeve van de omgevormde of het aangeplante plantmateriaal zoals water geven en inboeten zijn wel subsidiabel.
Faunavoorzieningen kunnen in het stedelijk gebied bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit door het creëren en verbeteren van leefgebieden, het verbinden van versnipperde leefgebieden en het verminderen van verkeersslachtoffers. Te denken valt aan voorzieningen zoals paddentrappen, kleine faunapassages en bijenburchten.
Voor wilde bestuivers heeft het realiseren van natuurlijke nestgelegenheden de voorkeur. In stedelijke situaties kan dit bijvoorbeeld door het aanbrengen van bijenburchten in combinatie met passend beheer en bloemrijke, inheemse beplanting. Wanneer nestgelegenheid in de vorm van een bijenburcht niet haalbaar is, kan worden gekozen voor het plaatsen van bijenhotels. De ecologische meerwaarde voor het herstel van bijenpopulaties is echter beperkt, aangezien slechts een klein deel van de soorten hiervan gebruikmaakt en bedreigde soorten hier nauwelijks toe behoren. Bijenhotels kunnen daarentegen wel effectief bijdragen aan educatie en bewustwording van het belang van wilde bestuivers, met name in een stedelijke context.
Voorzieningen voor gebouwbewonende soorten, zoals vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen, zijn uitgesloten van deze regeling, aangezien hiervoor separate provinciale subsidieregelingen beschikbaar zijn (Regels Subsidieverlening Gelderland 2023, Paragraaf 2.20 en 2.30).
Maatregelen voor het bestrijden en beheersen van invasieve exoten zijn niet subsidiabel. In het document “Plan van Aanpak (2022) Invasieve Exoten Gelderland” op de website van Provincie Gelderland staat om welke soorten het gaat en welke aanpak wordt geadviseerd.
De toelichting bij paragraaf 2.2d komt te luiden:
Subsidie kan aangevraagd worden voor allerlei ondersteunende communicatie- en organisatie activiteiten om inwoners te werven en enthousiasmeren deel te nemen aan activiteiten die door gemeente als aanvrager geïnitieerd worden. Deze paragraaf is alleen door gemeenten aan te vragen in een gecombineerde aanvraag zoals beschreven onder artikel 2.2.2, zodat de inwonerparticipatie ondersteunend is aan de subsidiabele activiteiten die aangevraagd worden onder paragraaf 2.2b en 2.2c.
Het is dus niet mogelijk om communicatie- en organisatie activiteiten voor een inwonerparticipatie project aan te vragen als deze activiteiten los staan van de activiteiten die onder paragraaf 2.2b of 2.2c worden aangevraagd.
Een voorbeeld van de organisatie van een participatief ontwerptraject is wanneer een partij wordt ingehuurd om inwoners samen te brengen om gezamenlijk een inrichtingsplan van bijvoorbeeld een schoolplein of buurttuin te maken.
De artikelsgewijze toelichting op paragraaf 2.22 onder Algemeen wordt vervangen door:
De instandhoudingsmaatregelen Herstel historische boscomplexen en Herstel (en uitbreiding) eikenstrubbenboscomplexen zijn maatregelen met veel impact voor boseigenaren vanwege het uitfaseren van de houtoogst in inheemse (grovedennen)bossen. Het uitfaseren van de houtoogst heeft financiële consequenties voor boseigenaren die niet door andere subsidies worden gedekt. Ook medeoverheden worden getroffen door de instandhoudingsmaatregelen uit het herstelprogramma Bossen. Zij zijn eigenaar van een aanzienlijk deel van de inheemse (grovedennen)bossen die vallen onder de genoemde maatregelen gericht op herstel van historische boscomplexen. Deze medeoverheden komen anders dan particuliere eigenaren niet in aanmerking voor nadeelcompensatie, terwijl zij net als andere eigenaren nadelige effecten kunnen ondervinden van het uitfaseren van de houtoogst. Reden om voor deze categorie boseigenaren te kiezen voor compensatie in de vorm van een subsidie voor het beëindigen van de houtoogst.
In de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.22.4 wordt na het woord “bestaat” ingevoegd: uit en komt de zinsnede “voor het betreffende boshabitattype” te vervallen.
Aan de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.22.9 wordt een alinea toegevoegd, luidende:
Het kan voorkomen dat de ontvanger naast de gesubsidieerde activiteiten ook andere activiteiten verricht die als economisch van aard kwalificeren. Om te zorgen dat geen subsidie toevloeit naar economische activiteiten is de ontvanger verplicht een gescheiden boekhouding te voeren. Het houden van een gescheiden boekhouding heeft als doel de gesubsidieerde activiteiten te kunnen onderscheiden van economische activiteiten van de aanvrager. Dit betekent dat op projectniveau de kosten in de boekhouding apart moeten worden bijgehouden.
De artikelsgewijze toelichting op paragraaf 2.23 komt te luiden:
Paragraaf 2.23 Intern en extern salderen door PAS-melders Gelderland
Artikel 2.23.2 Subsidiabele activiteit
Het doel van de subsidiabele activiteiten is dat er een vergunning wordt verleend voor de beoogde situatie zoals aangevraagd in de PAS-melding, of een andere beoogde opzet die gelijk is aan of kleiner dan de PAS-melding en voldoet aan de eisen van het legalisatieprogramma.
Voor de nieuwe situatie wordt maximaal 65% van de bestaande natuurvergunning of natuurtoestemming ingezet. De ruimte die structureel buiten gebruik is, wordt hierbij buiten beschouwing gelaten. Dat betekent dat er geen mogelijkheid is om maatwerk, in het kader van de PAS-oplossing, in te zetten. Bij het betreffende maatwerk hoeft er minder dan 35% te worden afgeroomd bij een nieuwe vergunning. Dat kan hier niet. De afgeroomde 35% komt te vervallen ten behoeve van de natuur.
Uit de ondertekende offerte moet blijken dat de stikstofruimte nog niet is ingezet. De stikstofruimte mag wel gereserveerd zijn.
Artikel 2.23.7 Hoogte van de subsidie
Voor de activiteiten onder artikel 2.23.2 onder a en b geldt een gezamenlijke, maximale subsidiehoogte van € 50.000.
In de natuurtoestemming of natuurvergunning is beschreven hoeveel dieren in welk stalsysteem vergund zijn. Met behulp van bijlage V van de Omgevingsregeling is te bepalen wat de vergunde ammoniak uitstoot is. De eenheid van deze emissiefactor is als volgt: kg NH3/jaar. Voor een traditionele varkensstal (HD5) geldt bijvoorbeeld een emissiefactor van 3,0 kg NH3/jaar. De regeling voorziet in vergoeding van opheffing van de emissieruimte, bijvoorbeeld voor 80 varkens. In dat geval is de emissieruimte als volgt: 80 x 3,0 kg NH3/jaar = 240 kg NH3/jaar. De vergoeding voor het laten vervallen van deze emissieruimte is eenmalig: € 50 x 240 kg NH3/jaar = € 12.000.
Na de artikelsgewijze toelichting op paragraaf 2.24 vervalt de toelichting op paragraaf 2.26.
Na de artikelsgewijze toelichting op paragraaf 2.25 vervalt de toelichting op de artikelen 2.26.2 tot
Na de artikelsgewijze toelichting op paragraaf 2.25 wordt een nieuwe toelichting ingevoegd, luidende:
Paragraaf 2.26 Stikstofreductie via aanpassing van veehouderijen
Deze paragraaf heeft als doel het reduceren van de stikstofemissie bij veehouderijen en daarmee de reductie van stikstofdepositie op N2000. Met deze paragraaf worden ondernemers gestimuleerd om hun veehouderij geheel of gedeeltelijk te staken en ruimte te bieden voor het doorgaan met een ander type bedrijf op dezelfde locatie. De subsidie wordt verstrekt voor de investeringen in de nieuwe activiteiten. De vrijkomende stikstofruimte wordt ingezet voor de natuur, PAS-melders of de stikstofbank.
De aanvragers zijn gecategoriseerd in twee groepen omdat aan beide groepen afzonderlijke subsidieplafonds zijn gekoppeld.
De vereiste reductie zoals beschreven in artikel 2.26.4 wordt getoetst aan de hand van twee documenten. Uit de vigerende natuurvergunning volgt omvang van de totale emissie van de aanvrager. Op basis van die informatie wordt vastgesteld met welk percentage er in een concreet geval dient te worden gereduceerd. De stikstofdepositie wordt berekend in overeenstemming met de geldende beleidsregels voor salderen in Gelderland. De uitkomst van die berekening bepaald of de vereiste reductie wordt behaald. In de nieuwe situatie moet het nieuwe bedrijf en, als nog aanwezig, het oude bedrijf allebei zijn meegenomen.
Artikel 2.26.7 Hoogte van de subsidie
Het onderscheid in subsidiehoogte is in verband met de staatssteunvereisten afhankelijk van het type bedrijf dat na aanpassing en door de aanpassing ontstaat. Als er sprake is van een aanpassing naar een ander landbouwbedrijf dan wordt gebruik gemaakt van artikel 14 van de LVV en is de maximale subsidiehoogte € 600.000,-. Het subsidiepercentage bedraagt in dat geval 65% van de investering, of 80% bij bepaalde type investeringen. Als sprake is van aanpassing naar een bedrijf dat niet actief is in de primaire landbouwproductie, dan wordt gebruik gemaakt van de De-minimisverordeningen. De maximale subsidiehoogte bedraagt dan € 300.000,-, met een subsidiepercentage van 100%.
Artikel 2.26.9 Weigeringsgronden
Het niveau van dierenwelzijn wordt beoordeeld op grond van de invloed van de subsidiabele activiteiten op de luchtkwaliteit, de ruimte per dier, het daglicht en overige relevante omstandigheden.
In de artikelsgewijze toelichting vervalt de toelichting op paragraaf 2.27.
De toelichting op paragraaf 2.28 komt te luiden:
Paragraaf 2.28 Verplaatsing veehouderij
Met deze paragraaf wordt beoogd de reductie van stikstofemissie te bereiken door ondernemers te stimuleren om hun veehouderij te staken op de huidige locatie en ruimte te bieden voor het doorgaan met hetzelfde bedrijf op een nieuwe locatie. De subsidie wordt verstrekt voor het slopen van gebouwen op de oude locatie, het verhuizen naar de nieuwe locatie en modernisering op de nieuwe locatie. Voorwaarde is dat op de oude locatie de natuurvergunning wordt ingeleverd en dat op de nieuwe locatie de activiteiten passen binnen een voor die nieuwe locatie geldende vergunning. De vrijkomende stikstofruimte kan worden ingezet voor de natuur, PAS-melders of de stikstofbank. De regeling kan in combinatie worden ingezet met bijvoorbeeld de aankoop door derden van de locatie die wordt verlaten.
Piekbelasters die willen verplaatsen, kunnen ook gebruik maken van de Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting. Deze rijksregeling kent andere voorwaarden die in bepaalde gevallen gunstiger kunnen uitpakken voor de aanvrager.
De verplaatsing moet leiden tot reductie van stikstofdepositie vanuit de oorspronkelijke locatie. Dit wordt berekend met de AERIUS Calculator. Het betreft de reductie op Natura 2000-gebieden in Gelderland. De criteria vereisen niet dat de locatie waar naartoe wordt verplaatst is gelegen in Gelderland.
Artikel 2.28.6 Subsidiabele kosten
De kosten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn in dit geval voorgeschreven in artikel 16 van de LVV en hierdoor beperkt tot demonteren, verhuizen en weer opbouwen.
In dit artikel zijn geen kosten opgenomen die zien op het aanpassen van de voorzieningen op de nieuwe locatie, tenzij dit gaat om modernisering of ophogen van de productiecapaciteit. Die kosten mogen vanwege artikel 14 van de LVV als subsidiabele kosten worden opgevoerd. Dit zijn niet alleen de kosten van de investeringen maar ook algemene kosten in verband met de investeringen, zoals inschakelen van architecten, ingenieurs en adviseurs enzovoorts.
In overeenstemming met artikel 16, vierde lid, tweede alinea van de LVV wordt loutere vervanging van een bestaand gebouw of van bestaande voorzieningen door een nieuw, modern gebouw of nieuwe moderne voorzieningen waarbij de betrokken productie of technologie niet fundamenteel wordt gewijzigd, niet geacht met modernisering gepaard te gaan.
Artikel 2.28.7 Hoogte van de subsidie
Voor de definitie van jonge landbouwer wordt in de LVV verwezen naar het strategische GLB-plan van iedere lidstaat. Hierover is in Nederland opgenomen: Een jonge landbouwer is jonger dan 40 jaar op 31 december van het jaar waarin de steun wordt aangevraagd, is bedrijfshoofd, heeft zich voor het eerst gevestigd en beschikt over een adequate vakbekwaamheid of vaardigheden.
Artikel 2.28.11 Opschortende voorwaarde
Bij verplaatsingen naar het buitenland kan het voorkomen dat er geen natuurvergunning of soortgelijke vergunning wordt afgegeven. In dat geval volstaat een onderbouwing waaruit volgt dat de activiteiten op de nieuwe locatie zijn toegestaan, zoals bijvoorbeeld een schriftelijke verklaring van de lokale overheid inhoudende dat de desbetreffende activiteiten zijn toegestaan en dat er geen vergunningplicht geldt.
In de artikelsgewijze toelichting wordt na de toelichting op paragraaf 2.31 een toelichting op paragraaf 2.33 ingevoegd, luidende:
Paragraaf 2.33 Boeren voor natuur
Met deze subsidieregeling geven wij agrariërs de mogelijkheid om op een natuurgerichte wijze te werken die fundamenteel verschilt van de reguliere agrarische bedrijfsvoering. Het gaat hierbij het om een fundamenteel andere en milieuvriendelijker manier van boeren. Het is een extensief en milieuvriendelijk bedrijfssysteem met een gesloten kringloop voor zowel diervoeder als dierlijke mest; er wordt geen externe toelevering toegestaan van mineralen in de vorm van voer, (kunst)mest en bestrijdingsmiddelen. Dit resulteert in een extensieve wijze van boeren met een lagere druk op het milieu in vergelijking met referentiebedrijven. Voor gebieden waarvoor is aangetoond dat teelt van graansoorten op de grondsoort niet mogelijk is, is een bedrijfsvoering met een gesloten mineralenbalans mogelijk als evenveel mineralen worden afgevoerd met mest als dat mineralen worden aangevoerd met voer. Bij het waterbeheer wordt een peil gerealiseerd waarbij de natuur in stand wordt gehouden, en niet een peil waarbij een zo hoog mogelijke productie wordt gehaald, en de cultuurhistorisch bepaalde inrichting van het landschap en landschapselementen blijft behouden en gedeeltelijk wordt versterkt.
Van de landbouwers wordt gevraagd dat zij tien procent van hun grond omzetten in "natuurlijke" landschapselementen, zoals plas-dras-zones, houtwallen en natuurvriendelijke oevers. Deze elementen worden door de landbouwers beheerd en zorgen ervoor dat de natuurgebieden aansluiting vinden op landbouwpercelen die betere omstandigheden bieden voor de biodiversiteit. Die "Boeren voor Natuur" werken met hogere grondwaterstanden, lagere mestgiften en een hoog aandeel landschapselementen (heg, houtwal, berm, heuvel, sloot, moeras, etc.), die van groot belang voor de flora en fauna zijn. De lagere mestgift is gebaseerd op zelfvoorziening van mest en voer (gesloten kringloop), waardoor over- en onderbegrazing wordt vermeden. De landbouwactiviteiten van deze landbouwers verschillen van gewoon agrarisch natuurbeheer. Alle mest en al het voer moeten op het eigen bedrijf zijn geproduceerd. Dit leidt tot een gevarieerd bouwplan, een gemengd bedrijf, lagere veedichtheid, maar ook tot een prikkel om landschapselementen en natuur te willen beheren. De betrokken landbouwers besparen op mest en voer, maar hebben hogere arbeidskosten en minder opbrengsten uit voedselproductie. De ervaringen uit de proefprojecten zijn verwerkt in de voorliggende aangemelde wijziging van de catalogus.
In onderdeel b staan de vereisten waaraan het boeren voor natuur-bedrijf binnen 24 maanden moet voldoen. Als die termijn niet wordt gehaald dan kan de subsidie lager worden vastgesteld en geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.
Artikel 2.33.4 Hoogte van de subsidie
De vergoeding per hectare is gebaseerd op kosten voor onderhoud en beheer, landbouwkundige werkzaamheden voor zover zij aanvullend zijn op de Goede landbouw- en milieucondities als bedoeld in artikel 13 van verordening (EU) 2021/2115; opbrengstderving door inzet van grond voor extensivering en extra kosten zoals opleidingskosten, monitoringskosten en professionaliseringskosten die noodzakelijk zijn om een gesloten bedrijfssysteem blijvend te kunnen toepassen.
In de artikelsgewijze toelichting wordt na de toelichting op paragraaf 2.33 een toelichting op paragraaf 2.34 ingevoegd, luidende:
Paragraaf 2.34 Uitvoeringsprogramma natuurinclusieve landbouw Gelderland Fase II
De landbouwsector staat voor de opgave om productiviteit te verenigen met herstel van natuur, een gezonde bodem, schoon water en een klimaatbestendig landschap. Dit vraagt om meer dan uitsluitend technische maatregelen. Er is ook behoefte aan kennisontwikkeling, gedragsverandering en samenwerking tussen boeren, kennisinstellingen, overheden en maatschappelijke organisaties. Natuurinclusieve landbouw biedt hiervoor het integrale kader, waarbij economisch rendabele bedrijfsvoering wordt gecombineerd met zorg voor biodiversiteit, natuurlijke hulpbronnen en ecologische functies op en rond het landbouwbedrijf.
Het Platform Natuurinclusieve Landbouw Gelderland heeft vanaf 2020 samen met de 27 partners tientallen projecten uitgevoerd, waaraan honderden boeren hebben deelgenomen. Het Platform Natuurinclusieve Landbouw Gelderland en de projecten zijn destijds met een begrotingssubsidie van de provincie Gelderland gesteund.
Natuurinclusieve landbouw is een perspectiefvolle richting gebleken. Door samenwerking is kennis ontwikkeld en in de praktijk getoetst. Een groeiende groep agrariërs wil activiteiten ondernemen op het gebied van natuurinclusieve landbouw. Die groep willen we verder helpen met behulp van de reeds opgedane kennis, netwerken en gemaakte plannen. Samen met de agrariërs succesvolle projecten opschalen, adviseurs en loonwerkers stimuleren voor natuurinclusieve innovaties en gebiedsgerichte projecten aanjagen om samen te werken aan een toekomstbestendige en natuurinclusieve landbouw in Gelderland.
Met deze subsidieregeling stimuleert de provincie projecten die bijdragen aan de ontwikkeling, toepassing en verspreiding van kennis over natuurinclusieve landbouw. De subsidieregeling ondersteunt onderzoek, demonstraties, trainingen en andere leeractiviteiten die bijdragen aan duurzaam bodem- en waterbeheer, biodiversiteit, klimaatadaptatie en innovatie. Door kennis breed toegankelijk te maken en samenwerking te bevorderen, beoogt de provincie de toepassing van natuur inclusieve landbouwpraktijken op te schalen, de verbinding tussen landbouw, natuur en samenleving te versterken en ervaringen duurzaam te borgen voor de gehele sector.
Om de transitie naar een natuurinclusieve landbouwsector in Gelderland te versnellen, wordt gewerkt langs vier samenhangende programmalijnen. Deze programmalijnen vormen gezamenlijk het kader waarbinnen activiteiten worden ondersteund die bijdragen aan de verdere ontwikkeling, toepassing en verspreiding van natuurinclusieve landbouwpraktijken. De programmalijnen richten zich op het versterken van de uitvoering, het verbeteren van de randvoorwaarden, het vergroten van betrokkenheid en zichtbaarheid en het ontwikkelen en borgen van kennis binnen de sector.
De programmalijn Uitvoeringsgericht opschalen richt zich op het verdiepen en verbreden van succesvolle initiatieven die in de vorige programmaperiode zijn ontwikkeld. Door deze initiatieven door te ontwikkelen en op te schalen, worden bewezen effectieve maatregelen breder toepasbaar. Dit betreft onder andere de uitvoering van bedrijfsnatuurplannen, de inzet van biodiverse akkermozaïeken, het vergroten van het gebruik van bokashi en het versterken van gebiedsgericht werken. Het doel is om de impact van natuurinclusieve maatregelen substantieel te vergroten door succesvolle praktijken een structurele plek te geven binnen de bedrijfsvoering van meer landbouwbedrijven en in regionale samenwerkingsverbanden.
Een succesvolle omschakeling naar natuurinclusieve landbouw vraagt om een omgeving die boeren actief ondersteunt. In de programmalijn Creëren van een ondersteunende omgeving wordt ingezet op het betrekken van adviseurs, loonwerkers, financiers, gemeenten en burgers. Door deze partijen te stimuleren om nieuwe diensten, producten en werkwijzen te ontwikkelen en aan te bieden, ontstaat een robuust ondersteuningsnetwerk rond de boer.
Het doel is het creëren van een sectorbrede beweging waarin natuurinclusieve landbouw een vanzelfsprekende en structureel ondersteunde vorm van bedrijfsvoering wordt.
De programmalijn Informeren, inspireren en reflecteren heeft tot doel natuurinclusieve landbouw zichtbaarder, toegankelijker en aantrekkelijker te maken. Dit gebeurt door het organiseren van inspiratie- en kennisactiviteiten, door het delen van voorbeelden van ondernemers die vooroplopen, en door het actief stimuleren van kennisuitwisseling tussen boeren en andere betrokken partijen.
Binnen de programmalijn Kennisontwikkeling en -deling worden nieuwe praktijkgerichte kennis- en leertrajecten ontwikkeld, in nauwe samenwerking met onderwijsinstellingen en inspirerende voorbeeldbedrijven. Hiermee wordt geïnvesteerd in een nieuwe generatie landbouwprofessionals die vertrouwd is met natuurinclusieve principes en technieken. Door middel van praktijkonderzoek, vernieuwde lesmodules, bedrijfsbezoeken en innovatieve kennisconcepten wordt de kennisbasis van natuurinclusieve landbouw in Gelderland versterkt en breed gedeeld. Deze activiteiten dragen bij aan blijvend draagvlak, innovatie en een toekomstbestendige landbouwsector.
Voor deze subsidieregeling geldt dat projecten alleen in aanmerking komen wanneer zij vooraf zijn beoordeeld door de Adviescommissie Natuurinclusieve Landbouw Gelderland. Gedeputeerden Staten gebruiken het advies van de commissie om de eigen besluitvorming zorgvuldig voor te bereiden. Op basis van het advies nemen Gedeputeerde Staten zelf een besluit op de subsidieaanvraag en kunnen daarbij gemotiveerd van het advies afwijken. Gezien de deskundigheid van de adviescommissie en de zorgvuldige beoordeling en werkwijze van de adviescommissie, wordt in beginsel veel gewicht toegekend aan het advies.
De Adviescommissie bestaat uit onafhankelijke en onpartijdige deskundigen op het gebied van natuurinclusieve landbouw. De adviescommissie bestaat uit minimaal drie en maximaal vijf leden. De leden van de adviescommissie beschikken over relevante uiteenlopende kennis en ervaring. Zoals ervaring in de wetenschap, praktijk, NGO’s en beleid. Er is op die manier een balans gevonden tussen landbouw-, natuur- en maatschappelijke invalshoeken. De individuele commissieleden zijn geworven op basis van één van de vijf onderstaande kernexpertises. In de commissie is elk lid hoofdverantwoordelijk voor het specifieke aandachtsgebied waarop het betreffende lid geworven is. De onderlinge verdeling van verantwoordelijkheden is duidelijk voor alle commissieleden:
De adviescommissie beoordeelt de volgende onderwerpen: de mate waarin de subsidiabele activiteiten bijdragen aan de programmadoelen, de kwaliteit en uitvoerbaarheid van het project, de te verwachten positieve maatschappelijke effecten en of het project past binnen één van de programmalijnen. Deze onderwerpen zijn in artikel 2.34.3, tweede lid, onder a tot en met c, onderverdeeld in een aantal criteria.
De adviescommissie beoordeelt in welke mate de subsidiabele activiteiten bijdragen aan de programmadoelen van het Uitvoeringsprogramma Natuurinclusieve Landbouw Gelderland fase II. Bij deze beoordeling wordt gekeken naar de mate waarin de subsidiabele activiteiten inhoudelijk aansluiten bij de programmadoelen: is duidelijk en aannemelijk gemaakt aan welke doelen uit het koersdocument het project een bijdrage levert en is die bijdrage expliciet en overtuigend onderbouwd? Daarnaast wordt beoordeeld in welke mate de subsidiabele activiteiten een bijdrage leveren aan de transitie naar natuurinclusieve landbouw. Hierbij wordt beoordeeld of het project verder gaat dan een op zichzelf staande activiteit en kan bijdragen aan structurele verandering (navolgbaarheid, kennisontwikkeling en toepasbaarheid in de praktijk). Ook beoordeelt de adviescommissie de relevantie van projectvoorstellen voor de Gelderse context.
De adviescommissie beoordeelt ook de kwaliteit en organisatorische en financiële uitvoerbaarheid van de subsidiabele activiteiten. Hierbij wordt gekeken naar de helderheid en samenhang van doel, aanpak en planning. Daarbij wordt ook beoordeeld of de doelen voldoende SMART geformuleerd zijn en logisch samenhangen met de voorgestelde activiteiten, resultaten en planning. Het criterium realiteitsgehalte en uitvoerbaarheid ziet op de vraag of het aannemelijk is dat het project binnen de voorgestelde tijd, organisatie en middelen uitvoerbaar is, en of belangrijke risico’s en mitigerende maatregelen goed zijn doordacht. De adviescommissie kijkt ook naar de kwaliteit van de samenwerking, de governance en de onderbouwing van begroting en financiering. Hiervoor stelt de commissie zich vragen als: zijn de juiste partijen betrokken, zijn rollen en verantwoordelijkheden helder belegd, is de samenwerking logisch georganiseerd voor het project? En ook: is de begroting transparant, proportioneel en passend bij de activiteiten en resultaten, en is de cofinanciering voldoende zeker en realistisch?
De adviescommissie kijkt daarnaast naar de maatschappelijke impact van de subsidiabele activiteiten. Zijn de beoogde positieve effecten aannemelijk en meetbaar? Is overtuigend onderbouwd welke ecologische en sociaaleconomische effecten verwacht worden, en hoe die samenhangen met de gekozen aanpak? Ook wordt beoordeeld wat het toepassingspotentieel (lerend vermogen) is van de beoogde resultaten. Is helder hoe de resultaten na afloop van het project breder in de praktijk kunnen worden toegepast? Hierbij beoordeelt de adviescommissie de wijze waarop de resultaten gebruikt worden om activiteiten tijdens de looptijd van het project bij te sturen en of het mogelijk is om kennis en lessen te generaliseren of breder toegankelijk te maken voor anderen.
Aanvragers zijn bijvoorbeeld de agrarische collectieven, kennis- en onderwijsinstellingen, natuurorganisaties, waterschappen, gemeenten, verenigingen en stichtingen.
Artikel 2.34.6 Hoogte van de subsidie
Op grond van artikel 2.34.2, aanhef en onder e kan subsidie worden verstrekt voor overige activiteiten voor zover die nodig zijn voor het uitvoeren van bovengenoemde activiteiten. De hoogte van deze subsidie dient in overeenstemming te zijn met de De-minimisverordening of De-minimisverordening voor de landbouwsector. Daardoor is het maximale bedrag afhankelijk van de toepasselijke De-minimisverordening en de beschikbare de-minimisruimte van de aanvrager.
In de artikelsgewijze toelichting wordt na de toelichting op paragraaf 2.34 een toelichting op paragraaf 2.36 ingevoegd, luidende:
Paragraaf 2.36 Modernisering veehouderij
Deze paragraaf heeft als doel het reduceren van de stikstofemissie bij veehouderijen en daarmee de reductie van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Dit maakt onderdeel uit van het programma Versnellingsaanpak Stikstof. Met deze paragraaf wordt de reductie van stikstofemissie bereikt door ondernemers te stimuleren om te investeren in bronmaatregelen en nageschakelde technieken. Verouderde stallen kunnen met deze paragraaf worden gemoderniseerd. Zo wordt de ammoniakemissie verlaagd. Hierbij wordt uitgegaan van bewezen maatregelen, stalsystemen en technieken.
Van technische maatregelen voor stikstofemissiereductie kan niet meer zonder meer worden uitgegaan dat deze de beoogde reductie ook bereiken. Daarom worden voor technische maatregelen tegenwoordig passende beoordelingen gemaakt. Een passende beoordeling is een document waarin wordt geformuleerd onder welke voorwaarden een maatregel de beoogde reductie realiseert en de wijze waarop hier vorm aan wordt gegeven. Fabrikanten van technieken kunnen in gesprek met de provincie om te komen tot een technische passende beoordeling. Als provincie Gelderland de passende beoordeling heeft erkend dan kan hiervan een bewijs worden opgevraagd bij de fabrikant.
Het is mogelijk om uitsluitend brongerichte maatregelen te nemen of om brongerichte maatregelen te combineren met nageschakelde technieken. Bij brongerichte maatregelen wordt vorming van ammoniak voorkomen, bij nageschakelde technieken wordt de emissie van ammoniak gezuiverd. Voor uitsluitend nageschakelde technieken wordt geen subsidie verstrekt.
De aanvragers zijn gecategoriseerd in drie groepen. Iedere groep heeft een apart subsidieplafond.
De passende beoordeling dient te zijn aangevuld met een bedrijfsspecifieke situatie, waaruit blijkt dat de beoogde emissiefactor in dat concrete geval behaald zal worden.
Artikel 2.36.6 Hoogte van de subsidie
De hoogte van de subsidie is in het eerste en tweede lid van artikel 2.36.6 gemaximeerd. In het eerste lid is bepaald dat de subsidie maximaal 55% van de subsidiabele kosten met een maximum van € 600.000,- bedraagt. In het tweede lid is bepaald dat de subsidie maximaal van € 500,- per kilogram stikstofemissie reductie bedraagt. Deze subsidieregeling stelt geen eisen aan de hoogte van de emissiereductie. Door maximaal € 500 per kilogram stikstofemissiereductie te subsidiëren wordt alleen gestuurd op efficiëntie van de investering.
De ondernemer heeft zo de ruimte om te bepalen welke investering het beste bij zijn bedrijf past. Het staat de ondernemer vrij om duurdere investeringen te doen. Een ondernemer kan bijvoorbeeld 600 kg stikstofemissie reduceren met een investering van € 400.000,-. Op basis van het eerste lid is het maximale subsidiepercentage 55%. In het geval van het voorbeeld is de hoogte van de subsidie maximaal € 220.000,-. Op grond van het tweede lid is de hoogte van de subsidie maximaal € 500,- euro per kilogram stikstofemissie reductie. Bij een reductie van 600 kg stikstofemissie is de hoogte van de subsidie maximaal € 300.000,-. In dit voorbeeld wordt de hoogte van de subsidie het meest beperkt door het maximum van het eerste lid en kan maximaal € 220.000,- subsidie worden verstrekt.
Artikel 2.36.8 Weigeringsgronden
Het niveau van dierenwelzijn wordt beoordeeld op grond van de invloed van de subsidiabele activiteiten op de luchtkwaliteit, de ruimte per dier, het daglicht en overige relevante omstandigheden.
In de artikelsgewijze toelichting wordt na de toelichting op paragraaf 2.36 ingevoegd een toelichting op paragraaf 2.37, luidende:
Paragraaf 2.37 Bodemherstel in Gelderse bossen
De subsidieregeling is bedoeld om bodemherstel in Gelderse bossen te bevorderen, zodat de achteruitgang van natuur door de verzuring van de grond wordt afgeremd en de Natura 2000-doelen sneller gehaald kunnen worden.
Het belangrijkste doel is om de verzuring van bosgronden te verminderen en de beschikbaarheid van voedingsstoffen te verbeteren. Het opbrengen van bufferstoffen is hiervoor een effectieve maatregel gebleken.
Daarbij is het nodig om een onafhankelijk bodemonderzoek en quickscan flora en fauna uit te laten voeren. De uitkomsten van deze onderzoeken bepalen in grote mate wat er nodig is, oftewel welke bufferstoffen en in welke mate deze stoffen opgebracht moeten worden om het doel voor een specifiek bos te behalen. Artikel 2.37.2, eerste lid, onderdeel a, bepaalt dat het uitvoeren van een quickscan en het verrichten van een bodemonderzoek subsidiabel zijn, zowel afzonderlijk als gezamenlijk.
De regeling ondersteunt financieel het uitvoeren van een bodemonderzoek, het opstellen van een QuickScan flora en fauna, het opstellen van een uitvoeringsplan en het daadwerkelijk opbrengen van bufferstoffen in de bossen.
Voor deze subsidieregeling is gekozen omdat meerdere boseigenaren verantwoordelijk zijn voor de uitvoering en de regeling mogelijk vaker wordt opengesteld. Het stimulerende effect is groot: zonder subsidie zouden veel partijen namelijk niet overgaan tot het nemen van deze herstelmaatregelen.
In de artikelsgewijze toelichting wordt na de toelichting op paragraaf 4.5 een toelichting op paragraaf 4.18 ingevoegd, luidende:
Paragraaf 4.18 Realisatie doorfietsroute VeluweWaalpad
Bij de voorbereiding en uitvoering van het project doorfietsroute VeluweWaalpad wordt samengewerkt binnen een ambtelijke werkgroep, aangeduid als de projectgroep VeluweWaalpad. Deze projectgroep bestaat uit vertegenwoordigers van de gemeenten Arnhem, Lingewaard, Overbetuwe, Nijmegen en Renkum, provincie Gelderland en de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (GMR). De projectgroep bevordert de onderlinge afstemming tussen de betrokken partijen en draagt bij aan de samenhang en voortgang van de voorbereiding en uitvoering van de doorfietsroute. Daarnaast wordt binnen de projectgroep het ontwerp van de aanvrager besproken aan de hand van de geldende CROW-richtlijnen, zodat kan worden beoordeeld of het ontwerp aansluit bij de kwaliteits- en inrichtingseisen die voor een doorfietsroute gelden.
In de artikelsgewijze toelichting wordt na de toelichting op paragraaf 4.5 een toelichting op paragraaf 6.13 ingevoegd, luidende:
Paragraaf 6.13 Investeringsprogramma Verstedelijking in Gelderland
Deze regeling is onderdeel van het Investeringsprogramma Verstedelijking in Gelderland (IVG). In het IVG is het commitment van Gelderland aan de grootschalige woningbouwontwikkelingen en de besteding van de €27,5 miljoen uit de tussenbalans voor investeringen in grootschalige woningbouwlocaties in Gelderland vastgelegd. Het doel van het IVG is om de woningbouw te versnellen en bij te dragen aan de realisatie van ten minste 12.500 nieuwe woningen in balans met bereikbaarheid, leefbaarheid, economie en de leefomgeving.
De verdeling van de middelen over de verschillende IVG-locaties en specifieke maatregelen zijn in samenwerking en goed overleg met gemeenten met grootschalige woningbouwlocaties opgesteld.
Na de artikelsgewijze toelichting op paragraaf 11.2 wordt een nieuwe toelichting ingevoegd, luidende:
Het zwaartepunt van de subsidiabele activiteit wordt in ieder geval beoordeeld op basis van de aard van de activiteiten en de organisatorische en financiële inhoud van het project. Met dit lid wordt beoogd dat het merendeel van de activiteiten ook daadwerkelijk plaatsvindt in de regio waarvoor de aanvraag is ingediend.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-12371.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.