Regionaal Waterprogramma Overijssel 2026-2030

Dit is een publicatie om een fout te herstellen in de citeertitel van het Regionaal Waterprogramma 2026-2030. In de eerdere publicatie (https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-10890.html) was de R van Regionaal weggevallen.

Artikel I

In de tekst zijn een aantal schrijffouten weggewerkt. De aangepaste tekst is nu

zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

[Gereserveerd]

Artikel III

[Gereserveerd]

-

Bijlage A

Regionaal Waterprogramma Overijssel 2026-2030

Hoofdstuk 1 Inleiding

Het waterprogramma: ons beleid voor water, bodem en klimaat

Overijssel staat voor grote opgaven in een veranderend klimaat. Weersextremen nemen toe. Het wordt soms droger en heter, soms natter. Ook de stijging van de zeespiegel heeft via het IJsselmeer effect op onze provincie. Ons water en onze bodem vormen één samenhangend systeem dat essentieel is voor de leefbaarheid van onze regio. Dit natuurlijke systeem is van belang voor de landbouw, de bedrijven, de natuur en onze gezondheid, daarmee voor de algehele welvaart en welzijn van onze inwoners. We willen een klimaatrobuust water- en bodemsysteem door beter aan te sluiten bij natuurlijke kenmerken en processen (H6.1 Omgevingsvisie). Dit Regionaal Waterprogramma (hierna RWP) geeft richting aan de keuzes die we maken op gebied van water, bodem en klimaat. We doen dat via leidende principes en rode draden, zoals bijvoorbeeld het principe van water en bodem sturend maken (H3.3 Omgevingsvisie).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 1. Rode draden Omgevingsvisie

Rode draden Omgevingsvisie

De ambitie voor water, bodem en klimaatadaptatie is goed weergeven in H6.1 van de Omgevingsvisie. Uiteindelijk willen we:

  • Goed beschermd zijn tegen wateroverlast en overstromingen;

  • Voldoende zoetwater beschikbaar hebben voor landbouw, natuur, industrie en drinkwater;

  • Schoon water;

  • Gezonde bodems;

  • Een klimaat robuuste leefomgeving en ruimtelijke inrichting, zowel boven als beneden maaiveld.

Dit RWP geeft verdere invulling aan die ambitie. Daarbij heeft het RWP een directe relatie met de verschillende thema’s (niet limitatief):

Klimaatmitigatie, Landbouw, en voedselvoorziening, Natuur en landschap, Verstedelijking, Wonen, Economie, Mobiliteit, Vrijetijdseconomie, Milieu, Gezondheid en Duurzaamheid (H6.1).

Paragraaf 1.1 Aanleiding voor dit programma

De aanleiding voor het vervroegd herzien van het Regionaal Waterprogramma is de vaststelling van een nieuwe Omgevingsvisie Overijssel. De Omgevingsvisie is kaderstellend voor het RWP (H6 Omgevingsvisie). Ook maken ontwikkelingen zoals Water en Bodem Sturend (één van de leidende principes van de omgevingsvisie) en de KRW-impuls het noodzakelijk om het RWP eerder te herzien dan oorspronkelijk gepland.

Met het Regionaal Waterprogramma van Overijssel staan we op een kruispunt van cruciale uitdagingen en kansen. Het water- en bodemsysteem vormt niet alleen de ruggengraat van ons Overijsselse landschap, maar is ook fundamenteel voor onze toekomstige welvaart en welzijn. Immers: “Water is geen gewone handelswaar, maar een erfgoed, dat als zodanig beschermd, verdedigd en behandeld moet worden,” zoals verwoord in de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Dit principe geeft de essentie van onze missie op het gebied van water weer: het zorgvuldig beheren en duurzaam ontwikkelen van ons water- en bodemsysteem.

Voor de komende jaren zien we drie grote wateropgaves voor Overijssel: (1) zoetwaterbeschikbaarheid, (2) waterveiligheid inclusief de relatie tussen het hoofd- en regionaal watersysteem en (3) zorgen voor schoon water en gezonde bodems. We werken hieraan vanuit het principe van water bodem sturend, een van de leidende principes in de omgevingsvisie.

Ons doel is helder: We willen een klimaatrobuust water- en bodemsysteem door beter aan te sluiten bij de natuurlijke kenmerken en processen (H3.3). Hierdoor zijn we beter bestand tegen weersextremen zoals droogte, piekbuien, piekafvoeren, lage oppervlakte- en grondwaterstanden en hittegolven. We willen vervuiling en uitputting van onze natuurlijke bronnen zoals onze zoetwatervoorraad en bodems tegengaan. Zo willen we goed beschermd zijn tegen wateroverlast en overstromingen; voldoende zoetwater beschikbaar hebben voor drinkwater, natuur, landbouw en industrie; schoon grond- en oppervlaktewater; gezonde bodems; en een klimaatrobuuste leefomgeving en ruimtelijke inrichting, zowel boven als onder maaiveld. Dit Regionaal Waterprogramma (RWP) beschrijft de maatregelen en acties die nodig zijn om aan de vereisten van verschillende Europese richtlijnen te voldoen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW), Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn, Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) en de Zwemwaterrichtlijn.

In de huidige dynamische context van klimaatverandering, met toenemende weersextremen, is het noodzakelijk om samen te werken aan een duurzaam en robuust water- en bodemsysteem. Dit geldt niet alleen voor de provincie Overijssel, maar ook voor onze waterschappen en gemeenten. Zelfs met gezamenlijke inspanningen van deze overheden zullen we echter niet slagen zonder de noodzakelijke inspanningen van projectontwikkelaars, bedrijven, landbouw, veiligheidsregio’s en terrein beherende organisaties, zoals Landschap Overijssel en de Vereniging Natuurmonumenten.

Paragraaf 1.2 Het water- en bodemsysteem in Overijssel

Bodem en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. We kunnen en mogen water niet als losse vierkante of kubieke meters benaderen. De aard van de bodem - zand, veen of klei - bepaalt mede onze aanpak voor waterbeheer. De beschikbaarheid van water bepaalt niet alleen hoe het land eruit ziet, maar ook wat we met dat land kunnen doen, wat we er op kunnen verbouwen en hoe we er kunnen wonen. Grondwater, oppervlaktewater en bodem zijn essentieel voor de ruimtelijke inrichting van Overijssel. Daarom bekijken we het hele water- en bodemsysteem in samenhang.

De kwaliteit van water en bodem in de provincie staat onder druk. De huidige nadruk op waterafvoer in ons watersysteem zet de beschikbaarheid van water tijdens droge perioden onder druk. Doordat er minder water in de bodem terechtkomt en de watervraag vanuit huishoudens en bedrijven toeneemt staat ook onze drinkwatervoorziening onder druk. Het toenemend gebruik van chemische stoffen in onze samenleving leidt tot meer verontreinigde stoffen in bodem en water. In droge perioden kunnen de concentraties door indikking toenemen waardoor functies in een gebied (landbouw, natuur, recreatie) onder druk komen te staan. Historische verontreinigingen en diffuse bronnen leiden in de loop der tijd tot vergrijzing van grond en oppervlaktewater. Ook de waterveiligheid kan in het geding komen door klimaatverandering.

Het belang van dit Regionaal Waterprogramma is niet beperkt tot het verbeteren van de beschikbaarheid en kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater in Overijssel. Het RWP zorgt ervoor dat de bodem ook op de lange termijn kan voldoen aan de wensen met betrekking tot voedselproductie, huisvesting, recreatie en natuur. Het water en bodem systeem is hierbij sturend in de locatie van deze functies. Het RWP zorgt voor een bodem met voldoende waterbergend vermogen om droge perioden te overbruggen en beschrijft een landschap dat is ingericht om water in de winter vast te houden.

Grofweg kunnen vier gebieden binnen Overijssel worden onderscheiden: (1) zandgronden, (2) veenweide gebieden, (3) IJssel, Vecht en Delta en (4) bebouwd gebied (zie Figuur 2. Gebiedstypen in Overijssel). Al deze gebieden hebben specifieke opgaven op het gebied van water en bodem. Voor een verdere duiding verwijzen we naar de catalogus gebiedskenmerken die onderdeel is van de Omgevingsvisie Overijssel.

Sub-Paragraaf 1.2.1 Zandgronden

Het watersysteem van Overijssel was traditioneel gericht op het voorkómen van wateroverlast, met snelle afvoer van water tijdens natte perioden. Om de wateroverlast die vroeger optrad te voorkomen zijn de beken in dit gebied aangepast om water versneld af te voeren. Dat daardoor de beschikbaarheid van water in droge perioden afnam was lange tijd geen probleem: er kon voldoende grondwater worden opgepompt en aangevoerd. Als gevolg van klimaatverandering worden de droge perioden echter steeds langer. In natte perioden wordt het grondwater onvoldoende aangevuld. Mede omdat de grond te weinig water kan vasthouden (sponswerking) leiden de steeds vaker optredende droge perioden (klimaatverandering) tot schade aan landbouw en natuur. De hoge delen van Twente zijn voor de watervoorziening volledig afhankelijk van neerslag. Aanvoer van water in droge perioden kan alleen met grootschalige technische ingrepen, hoge kosten en energieverbruik.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 2. Gebiedstypen in Overijssel

Zoetwaterbeschikbaarheid in Twente en Salland is een erg grote opgave. In de zomers zullen vaker lange periodes met geen of weinig neerslag voorkomen. Hierdoor zullen op de hoge zandgrond en in Twente, waar geen wateraanvoer mogelijk is, de natuur en landbouw onder druk komen te staan. Ook kan Vitens bedrijven niet altijd meer voorzien van drinkwater. Grondwaterpeilen zakken in deze gebieden weg, waardoor wateronttrekkingen grote verdrogingseffecten op hun omgeving kunnen hebben. Deze veranderende omstandigheden vragen om aanpassingen in de agrarische bedrijfsvoering in Twente. Hiernaast wordt de IJssel in de toekomst steeds meer een regenrivier, met lagere afvoeren in de zomer en het najaar. Dit heeft op termijn een negatief effect op de wateraanvoermogelijkheden vanuit de IJssel richting Twente (Twentekanaal) en Salland (Overijsselse Kanalen en weteringen).

Gebieden in B eekdalen zoals de Regge en de Dinkel liggen lager waardoor de kans op wateroverlast groter is dan in de hoge delen van Twente. Beekdalen kunnen te maken krijgen met hogere piekafvoeren in tijden van extreme of langdurige neerslag. Wateroverlast op de A1 bij Hengelo en de Lutte en de A35 bij Enschede in 2024 is hiervan een voorbeeld. Deze wegen moesten worden afgesloten omdat er water tot kniehoogte op de weg stond. Nieuwe ontwikkelingen in beekdalen vragen een zwaardere inspanning om klimaatadaptief te zijn. Daarom moeten kapitaalintensieve economische ontwikkelingen in deze gebieden zoveel mogelijk worden vermeden.

Sub-Paragraaf 1.2.2 Veenweidegebieden

Het noordwestelijk deel van Overijssel is waterrijk, de bodem bestaat overwegend uit veen. Door de lage ligging is het gebied gevoelig voor overvloedige neerslag en hoge waterstanden in het IJsselmeer en in de rivieren. Mede hierdoor wordt het grondwaterpeil in het voor- en najaar kunstmatig laag gehouden. Deze verlaagde grondwaterstand versterkt de afbraak van veen, met als gevolg inklinking en het vrijkomen van CO2. Een combinatie van adaptie en mitigatie maatregelen is nodig om in de toekomst beter om te gaan met de gevolgen van bodemdaling en de bodemdaling zelf te remmen. Vernatting als mitigatie is een bewezen methode om bodemdaling tegen te gaan maar of dit mogelijk is, is afhankelijk van de lokale en landschappelijke kenmerken. Het waterpeil verhogen in het veenweidegebied botst met de huidige normering voor wateroverlast en heeft gevolgen voor de mogelijkheden van landgebruik. Inklinking wordt slechts beperkt tegengegaan door het inlaten van water in droge perioden. Deze inlaat van gebiedsvreemd water heeft consequenties voor de natuur en de waterkwaliteit. Om het gebied te kunnen vernatten is daarom ook gebiedseigen water nodig. Momenteel stroomt een groot deel van dit water weg naar omliggende laag gelegen gebieden, zoals de Noordoostpolder, en verschillende polders in Overijssel en Friesland. De omstandigheden binnen het veenweidegebied zijn enorm verschillend en vragen om een gebiedsgerichte aanpak.

De Koekoekspolder is een voorbeeld van een veenweidegebied. Dit is een laaggelegen gebied met kapitaalintensieve glastuinbouw dat in de Mastenbroekerpolder ligt. Om deze polder droog te houden pompen we constant water weg. Hierdoor klinkt een steeds groter deel van de Mastenbroekerpolder. Vanuit het oogpunt van water en bodem sturend is de Koekoekspolder geen ideale vestigingslocatie maar we moeten nu wel rekening houden met de bestaande belangen van de ondernemers die grote investeringen hebben gedaan in dit gebied.

De Kop van Overijssel bestaat voor een groot deel uit veenweide. In 2025/2026 wordt gewerkt aan een veenweidestrategie 2.0, waarbij water en bodem leidend zijn voor de invulling van deze strategie. De nog concreet te maken veenweidestrategie is primair gericht op het vastleggen van CO2 en het beperken van bodemdaling. Voor vernatting van gebieden, een eis voor gezonde veenweidegebieden, is toevoer van water vanuit het IJsselmeer voorzien. Of dat voldoende is om te voldoen aan de watervraag vanuit veenweidegebieden wordt nog uitgewerkt. Waterkwaliteit is daarbij een belangrijk aandachtspunt.

Sub-Paragraaf 1.2.3 IJssel, Vecht en Delta

Het gebied van IJssel, Vecht en Delta kenmerkt zich door een samenspel tussen het hoofdwatersysteem en het regionale watersysteem. De zeespiegelstijging heeft op termijn aanzienlijke gevolgen voor het peilbeheer van het IJsselmeer en daarmee voor de IJssel-Vechtdelta. Het peil van het IJsselmeer zal in de toekomst, meer dan nu, flexibeler worden beheerd via de nieuwe voorgenomen Deltabeslissing IJsselmeergebied. Voor de winter geldt een lager waterpeil om veel rivierwater uit de IJssel en Vecht op te vangen. Voor de zomer geldt een hoger waterpeil waardoor we langer zoet water kunnen aanvoeren dat we kunnen benutten voor natuur, landbouw en industrie. Deze peilschommelingen op het IJsselmeer leiden tot grotere peilveranderingen op de IJssel en de Vecht. Er zal extra ruimte gereserveerd moeten worden om extra water op te vangen wat ruimte voor stedelijk uitbreiding beperkt. Verder heeft het gebied van IJssel, Vecht en Delta veel potentie voor drinkwaterwinning. Nieuwe drinkwaterbronnen worden in het lagergelegen Salland gezocht om ook Twente duurzaam te kunnen voorzien van drinkwater.

Een verhoogd IJsselmeerpeil vormt een risico voor de brede IJssel-Vechtdelta. Rond de jaarwisseling 2023/2024 ontstond in de lagere delen van het Vechtdal en Salland grootschalige wateroverlast. Door aanhoudende regen was de bodem volledig verzadigd, en met name de Vecht kreeg extreem veel water uit Duitsland te verwerken. Doordat ook de afvoer van IJsselmeer naar Noordzee langdurig was geblokkeerd door hoge buitenwaterstanden, ontstond een “omhoogkruipend” IJsselmeer. Deze samenloop van omstandigheden beschouwen we als wake-up call voor welke opgaven kunnen ontstaan als op langere termijn het IJsselmeerpeil structureel omhoog gaat om de zeespiegelstijging bij te benen.

Bij dijkzones rondom primaire waterkeringen spelen mogelijke ruimtelijke claims vanuit het programma Ruimte voor de Rivier 2.0. en het Deltaprogramma Rivieren om extreme afvoeren op een ordentelijke wijze te kunnen faciliteren. Op korte termijn (< 2050) kan extra ruimte nodig zijn voor versterking van bestaande dijken, mogelijk zal op langere termijn binnendijkse ruimte nodig zijn op de zuidelijke IJsseloever tussen Hattem en Zalk en op de westelijke IJsseloever op het grondgebied van Deventer en Olst-Wijhe. Deze opgave vraagt van aanliggende gemeenten te voorkomen dat direct achter de dijk nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden die later teruggedraaid moeten worden. De noodzakelijke nieuwe ruimtereserveringen langs de riviertakken zullen in het najaar van 2026 worden opgenomen in het interbestuurlijke Deltaprogramma 2027 en komen als Rijksbeslissing terug in het nieuwe Nationaal Waterplan (NWP) van het Rijk.

Sub-Paragraaf 1.2.4 Bebouwd gebied

Door langdurige neerslag en extreme buien ontstaat schade aan gebouwen en infrastructuur. Het water kan bij hevige regenbuien moeilijk in de bodem infiltreren, worden opgevangen of worden afgevoerd in een omgeving met veel steen. Zo kan er overlast ontstaan door onbegaanbare wegen en lokale overstromingen. Een rioolstelsel dat niet is berekend op extreme neerslag zal vaker gaan overstorten waardoor ongezuiverd rioolwater in het oppervlaktewater komt en waterkwaliteitsproblemen optreden. Bij riooloverstorten of daar waar riolen lekken kunnen stoffen in het grondwater terechtkomen, bijvoorbeeld medicijnresten, biociden, schoonmaakmiddelen en cosmetica. Hiernaast krijgen met name de grote steden als Zwolle, Deventer, Almelo, Hengelo en Enschede steeds vaker te maken met hittestress. Gebouwen en straten koelen ’s nachts nauwelijks af, waardoor de warmte langer blijft hangen. Zeker in gebieden met veel steen en weinig groen en water. In hete zomers is verkoeling door groen en water essentieel voor de gezondheid van stadsbewoners. Daarvoor is water nodig en dat moet wel beschikbaar zijn. Binnen het bebouwd gebied is een klimaatrobuuste inrichting van groot belang om de leefomgeving bereikbaar, toegankelijk, leefbaar en veilig te houden en een bijdrage te leveren aan de bestaande opgaven in het bebouwde gebied. Hierbij moet het afdekken van grond (in stedelijk gebied) zo veel mogelijk worden beperkt en moeten daar waar mogelijk infiltratievoorzieningen worden gecreëerd zoals wadi’s en infiltratiesystemen.

In Overijssel hebben we verstedelijkingsstrategieën voor drie regio’s waarbij klimaatadaptatie een centrale rol speelt: Zwolle, Twente en de Stedendriehoek. Een belangrijke opgave in Regio Zwolle is om het stedelijk gebied van Zwolle te beschermen voor afstromend water van de Sallandse Weteringen en de Vecht. Daarom ontwikkelt de regio op dit moment een regionale sponsstrategie. Hierbij beschermen omliggende gemeenten hun eigen gebied én het hele water systeem tegen wateroverlast. Eén van de grootste opgaven voor Regio Twente is de onder druk staande zoetwaterbeschikbaarheid (drink-, grond- en oppervlaktewater) als gevolg van droogte, maar ook economische- en inwonersgroei van de regio. Het vergroten van de drinkwateraanvoercapaciteit en het verminderen van de watervraag vereisen regionale samenwerking om het vestigingsklimaat in deze regio te beschermen. De Regio Stedendriehoek Deventer-Apeldoorn-Zutphen ziet een groot economisch belang in het bevaarbaar houden van de IJssel. Deze opgave is gecombineerd met zorgen voor hoogwaterveiligheid, landschap en aanpak van de droogte.

Paragraaf 1.3 Water en bodem sturend in Overijssel

Wij signaleren dat we in Overijssel tegen de grenzen van de maakbaarheid van het bodem-watersysteem aanlopen. Water en bodem sturend is daarom een van de leidende principes in onze omgevingsvisie (3.3). De essentie van het Regionaal Waterprogramma van de provincie is dat we meer naar het systeem moeten ‘luisteren’ en daar ons beleid op afstemmen. Niet alles kan meer overal. Het systeem ‘vertelt’ ons wat waar wel en niet kan. Via een meer gebiedsgerichte aanpak gestuurd door de principes van water en bodem sturend moet blijken of functie al dan niet passen op een plek. De leidende principes en de redeneerlijn uit de omgevingsvisie geven hier richting aan (H3.6).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 3. Redeneerlijn Omgevingsvisie

Afwegingen kunnen zijn of er voldoende water beschikbaar is om de effecten van de klimaatverandering in voldoende mate op te vangen. Door water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening, kunnen we in Overijssel ook in de toekomst met een ander en grillig klimaat blijven leven, wonen en werken. In een veilige omgeving, met een gezonde bodem, voldoende en schoon water. Goede voorbeelden van binnen en buiten de provincie moeten wij etaleren, zoals het position paper water en bodem sturend van waterschap Drentse Overijsselse Delta.

De bodem, het grondwater en het oppervlaktewater staan met elkaar in verbinding en vormen één systeem. Dit systeem moet van goede ecologische, fysische en chemische kwaliteit zijn. Dit is onder andere nodig voor onze (drink)watervoorziening. Het geldt zeker ook voor natuurgebieden met een gebrekkige waterkwaliteit en/of -kwantiteit, zoals hoogvenen, zure vennen, heidevegetaties en bovenlopen van beken. Verbetering van de kwaliteit zorgt ook voor een goed leefgebied van de planten en dieren die er thuishoren. Een goede waterkwaliteit bedient veel functies en voorkomt een onnodig grote zuiveringsinspanning bij de productie van drinkwater.

Een sectorale benadering van de verschillende domeinen van de leefomgeving is niet langer houdbaar door klimaatverandering én de druk op bovengrondse en ondergrondse ruimte. Het Regionaal Waterprogramma zet daarom in op een brede benadering van water, bodem en klimaat. Om de waterbeschikbaarheid in droge perioden te verbeteren, moet het bodem-watersysteem in de provincie worden ingericht op het vasthouden van water. Een gezonde bodem met voldoende sponswerking is daarbij cruciaal. Mogelijkheden voor vernatting zijn afhankelijk van de locatie-specifieke omstandigheden op het gebied van waterhuishouding, bodemkenmerken en het landschap. Het aanvoeren van water, drooghouden van laaggelegen gebieden of het zuiveren van water kost steeds meer geld, energie en menskracht. Daarom streven we naar een ruimtelijke inrichting waarin we gebiedseigen water langer vastgehouden en waterpeilen in de zomerperiode minder ver uitzakken. Hierbij willen we minder afhankelijk zijn van techniek.

Binnen ons RWP gaan we uit van een watersysteembenadering. Een watersysteem is een samenhangend geheel van oppervlaktewater, grondwater, waterbodems, oevers en technische infrastructuur, inclusief de organismen die daarin leven. De verschillende elementen binnen het systeem staan met elkaar in verbinding en beïnvloeden elkaar, zowel in kwantitatieve als kwalitatieve zin. Door het watersysteem als vertrekpunt te nemen, kunnen we maatregelen treffen die effectiever zijn en beter aansluiten bij de systeemdynamiek. We kijken hierbij vanuit stroomgebieden om zo de relatie tussen hoofdwatersysteem, regionaal watersysteem en haarvaten mee te kunnen nemen: van haarvaten naar beken, naar kleine rivieren en kanalen, naar grote rivieren en uiteindelijk het IJsselmeer. Ons werkgebied is daarmee een onderdeel van het grotere Rijnstroomgebied, waardoor we continu schakelen tussen lokaal, regionaal, landelijk en Europees schaalniveau, en omgekeerd.

Voor de bodem breiden we onze definitie van bodemkwaliteitsbeheer uit: van een focus op bodemverontreiniging naar een gezonde bodem. Bodemkwaliteit is voortaan meeromvattend. We kijken naar chemische, fysische en biologische eigenschappen. We houden rekening met effecten van bodemafdekking, -verdichting en -verstoring, behoud van organische stof, bodemleven, bodemstabiliteit en bodemdaling. Een gezonde bodem is essentieel voor bijvoorbeeld een toekomstbestendige landbouwsector.

Het water- en bodemsysteem vormt de onderlegger voor ingrepen in onze leefomgeving. We sluiten daarom in onze ruimtelijke inrichting meer aan bij natuurlijke processen. Het water- en bodemsysteem is richtinggevend en sturend voor gewenste functies of ontwikkelingen. Het waterbeheer kan namelijk niet langer overal het gewenste gebruik van de grond mogelijk maken. Het gebruik moet zich verhouden tot de natuurlijke werking van het water- en bodemsysteem. Hierbij passen we voor nieuwe functies het uitgangspunt 'functie volgt peil’ toe: gebruik en functies moeten zich aanpassen aan grondwaterstanden, niet andersom. Bestaande functies zullen zich op langere termijn grotendeels moeten voegen naar dit principe. Concreet betekent dit: gebruik en functies worden steeds meer afgestemd op het water- en bodemsysteem. Op deze manier bewegen we gebiedsgericht naar een robuust water- en bodemsysteem, waarbij rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden op het gebied van waterhuishouding, bodemkenmerken en het landschap. We zetten hierbij in op een lange termijnkoers waarbij functies over de jaren heen zich steeds meer zullen moeten verhouden tot de nieuwe situatie. Dit is belangrijk als richting maar is geen absoluutheid in de uitvoering. Waterbeheer is namelijk niet mogelijk zonder technische ingrepen. De definitieve keuzes hierover maken we in de gebieden zelf uitgaande van lokale omstandigheden en gebiedsgerichte oplossingen.

In deze benadering dragen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bij aan behoud en versterking van het water- en bodem systeem. Deze voorwaarde hebben we vastgelegd in onze verordening. We bieden bij ruimtelijke ingrepen ruimte voor maatwerkoplossingen die passen bij de lokale fysieke omstandigheden. Wij kijken daarbij naar stroomgebieden en maken onderscheid in maatregelen die passend en nodig zijn in de verschillende delen van de provincie. In veenweidegebieden vraagt dit iets anders dan op zandgronden of in de gebieden rondom de IJssel, Vecht en Delta. Technische maatregelen zijn en blijven lokaal mogelijk en voor specifieke opgaven zoals dijkversterkingen. Daarbij wordt wel gekeken of deze technische maatregelen passen bij het ‘in balans zijn en komen met het water- en bodemsysteem’.

Ook wordt beoordeeld of ze wel houdbaar en betaalbaar zijn en ook of ze een goede keuze zijn gelet op de toekomst. Hiervoor werken we volgens een aantal principes, zoals opgenomen in de omgevingsvisie:

  • Afwentelen voorkomen;

  • Meer rekening houden met extremen;

  • In samenhang omgaan met wateroverlast en droogte;

  • Meerlaagseveiligheid;

  • Minder afdekken, Minder vergraven, minder verontreinigen;

  • Integrale aanpak in de leefomgeving;

  • Comply or explain: pas toe of leg uit.

Het is van belang om in een vroegtijdig stadium goed na te denken over de locatiekeuze van functies in relatie tot het water- en bodemsysteem. Denk hierbij aan woongebieden, bedrijventerreinen of infrastructuur. Op kwetsbare locaties ligt een grotere opgave om ontwikkelingen klimaatrobuust te maken. Bij kwetsbare locaties moet gedacht worden aan laagtes en beeksystemen waar in natte perioden het water naartoe stroomt en/of afgevoerd wordt, bodems met slechte draagkracht, gebieden die bij keringen liggen en buitendijkse gebieden. Deze gebieden kennen allemaal specifieke omstandigheden waar rekening mee moet worden gehouden bij het realiseren van een ontwikkeling. Dit kost vaak meer geld, tijd en/of innovatie en in bepaalde gevallen zal de klimaatrobuustheid simpelweg niet op orde of betaalbaar te krijgen zijn. Dit zal in planvormingsprocessen telkens vragen om een gebiedsgerichte afweging. Hierbij hebben de waterschappen, als kennishouder van de regionale water- en bodemsystemen, een belangrijke rol. Wanneer de waterschappen zo vroeg mogelijk betrokken worden, kunnen zij in de planvormingsprocessen advies geven bij de weging van het waterbelang. Nieuwe ontwikkelingen moeten geen nieuwe knelpunten veroorzaken. Ook moet onderzocht worden of deze ontwikkelingen bij kunnen dragen aan het oplossen van bestaande opgaven in de omgeving, zoals wateroverlast of hittestress.

Paragraaf 1.4 Verbinding met de rode draden uit de Omgevingsvisie en andere beleidsterreinen binnen de provincie Overijssel

Water, bodem en klimaatadaptatie hebben veel raakvlakken met andere thema’s. Functies die afhankelijk zijn van water en bodem zijn de natuur, landbouw, recreatie en toerisme, drinkwatervoorziening, voedingsmiddelenindustrie en scheepvaart. Maar ook onze woon-, werk- en leefomgeving. Water en bodem wordt sturend voor waar welke functie kan en onder welke voorwaarden. Het bodem-watersysteem van Overijssel staat niet op zichzelf; het is nauw verweven met de rode draden uit onze Omgevingsvisie en diverse andere programma’s binnen de provincie Overijssel, zoals:

Ruimtelijke kwaliteit: het RWP draagt bij aan aantrekkelijke, klimaatbestendige woon- en leefomgevingen door te sturen op waterrobuuste inrichting, voldoende groenblauwe structuren en behoud van landschappelijke kwaliteiten. Ook ondersteunt het de bescherming en ontwikkeling van karakteristieke landschappen, riviersystemen en beken. Zo zorgen we dat ruimtelijke ingrepen passen bij de gebiedsidentiteit, bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit en geen toekomstige knelpunten veroorzaken.

Sociale kwaliteit: betrouwbare waterveiligheid, droge voeten en een leefbare, koele en gezonde openbare ruimte zijn essentieel voor welzijn en veiligheidsbeleving. Dit RWP adresseert risico’s van wateroverlast, droogte en hitte, die direct van invloed zijn op leefbaarheid in wijken, dorpen en steden. Het bevordert groene en blauwe structuren die ruimte bieden voor ontmoeting, recreatie en verkoeling. Door beleid dat zorgt dat vitale voorzieningen beschikbaar blijven tijdens en na wateroverlast, en dat kwetsbare groepen beschermt draagt het RWP bij aan inclusieve, veilige en toekomstbestendige leefomgevingen.

Gezondheid: het RWP draagt bij aan gezondheid door actief te sturen op voldoende schoon en veilig water, het voorkomen van verontreiniging en het uitvoeren van KRW opgaven. Een gezonde leefomgeving vraagt om goede waterkwaliteit, beperking van chemische belasting, voorkomen van wateroverlastschade en verminderen van hittestress. We stimuleren groenblauwe maatregelen die zowel fysieke als mentale gezondheid verbeteren, zoals verkoelende waterpartijen, schaduwrijke zones en infiltratievoorzieningen. Zo dragen we bij aan een veilige leefomgeving waarin inwoners gezond kunnen wonen, spelen en recreëren.

Duurzaamheid: het RWP draagt bij aan klimaatadaptatie, hydrologisch herstel, circulair watergebruik en de transitie naar een toekomstbestendig watersysteem. We richten ons op het verminderen van droogte, wateroverlast en overstromingsrisico’s, op vernatting van veenweidegebieden om CO₂ uitstoot te beperken, en op een waterrobuuste inrichting in alle gebiedstypen. Daarnaast ondersteunen we zuinig watergebruik, hergebruik van gezuiverd water en bescherming van natuurlijke hulpbronnen. Door natuur- en bodemcondities te versterken draagt het RWP bij aan biodiversiteit, klimaatmitigatie en een veerkrachtige provincie die voorbereid is op extremere klimaatscenario’s.

Parallel aan de integrale rode draden in de Omgevingsvisie sluit het RWP direct aan op de naastliggende beleidsthema’s en onderliggende opgaven:

Wonen/werken: Het bodem-watersysteem speelt een cruciale rol bij het bepalen van geschikte locaties voor nieuwe ontwikkelingen. De ontwikkeling van woonwijken en bedrijventerreinen binnen de integrale verstedelijkingsstrategieën, vereist een klimaatrobuuste blik op de inrichting om bijvoorbeeld wateroverlast te voorkomen en tegelijkertijd te zorgen voor een gezonde grondwaterbalans. De beschikbaarheid van voldoende drinkwater is ook cruciaal omdat anders de mogelijkheid bestaat dat nieuwe ontwikkelingen geen aansluiting krijgen.

Mobiliteit: nieuwe infrastructuurprojecten (zoals wegen, bruggen, spoorwegen en vaarwegen) moeten klimaatadaptieve maatregelen inpassen om langjarig optimaal te kunnen blijven functioneren. Voor bestaande assets moet het assetmanagement rekening houden met de risico’s die gepaard gaan met klimaatverandering.

Circulaire Economie: het streven naar een circulaire economie in Overijssel betekent dat het bodem-watersysteem wordt gebruikt op een manier die hergebruik van materialen en (drink)water bevordert en afval minimaliseert. Dit heeft directe gevolgen voor de (drink)watervraag, kwaliteit van het grondwater en de bodemgezondheid, wat weer invloed heeft op de landbouw en lokale ecosystemen.

Landbouw: het water en bodemsysteem heeft een sterke relatie met landbouw: peilbeheer beïnvloedt het tijdstip wanneer boeren in het voorjaar het land op kunnen en daarnaast kunnen boeren helpen water vast te houden in het systeem om zo droogte te voorkomen. Ook heeft de landbouwsector veel invloed op de waterkwaliteit. Met de (concept) Landbouwvisie 2040, zet de provincie zich in voor een goed sociaaleconomisch perspectief, een toekomstbestendige landbouwsector en het herstel van natuur, het watersysteem en het klimaat. We geven daar nu al invulling in aan via Toekomst voor ons Platteland (TvOP), de Overijsselse 3x3 aanpak en door de financieringsmogelijkheden voor groenblauwe diensten.

Natuur: de bescherming en het herstel van natuurlijke habitats zijn afhankelijk van een gezond bodem-watersysteem. De ontwikkeling en het beheer van natuurgebieden in Overijssel houdt rekening met de noodzaak om watercycli en bodemkwaliteit te behouden en te verbeteren, wat bijdraagt aan de biodiversiteit en veerkracht tegen klimaatverandering.

Paragraaf 1.5 Status en totstandkoming van het Regionaal Waterprogramma en de Omgevingsverordening

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is het Regionaal Waterprogramma (RWP) een verplicht programma. Het vormt, samen met het beleidskader voor klimaatadaptatie en verdrogingsbestrijding uit de omgevingsvisie van Overijssel, een fundament voor de uitvoering van wettelijke taken en doelstellingen. Het Regionaal Waterprogramma ‘hangt onder’ de omgevingsvisie. De daarmee samenhangende regels worden opgenomen in de omgevingsverordening, zie Figuur 4. Figuur 5 laat de verhouding zien tussen de waterprogramma’s en -plannen van de verschillende overheidslagen.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 4. Relatie Omgevingsvisie, Regionaal Waterprogramma en Omgevingsverordening.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 5. De verschillende waterprogramma’s.

Het RWP biedt een beleidskader voor waterschappen, gemeenten, veiligheidsregio’s en Vitens. Waterschappen dienen bij het opstellen van hun waterbeheerprogramma rekening te houden met het RWP voor zover het om de uitvoering van Europese waterrichtlijnen gaat. Veiligheidsregio’s zijn vanuit de Wet Veiligheidsregio aan zet voor rampenbestrijding en crisisbeheersing, zoals bij overstroming en wateroverlast. Vitens is verantwoordelijk voor de winning en distributie van drinkwater. In hoofdstuk 3 gaan we hier verder op in.

Het programma moedigt samenwerking aan tussen inwoners, ondernemers en de overheid voor een klimaatbestendig en waterrobuust Overijssel in 2050. Dit programma is onderdeel van een bredere provinciale visie die leefbaarheid, cultuur, wonen, werken, energie, landbouw, natuur, archeologie, cultuurhistorie en circulaire economie omvat. Deze brede visie bevordert een integrale benadering van de duurzame fysieke leefomgeving in Overijssel.

Het RWP is opgesteld als onderdeel van de beleidscyclus voor water en bodem, waarbij beleid wordt geformuleerd, geïmplementeerd, verantwoord en periodiek geactualiseerd met alle betrokkenen. De omgevingsvisie van de provincie, die het ruimtelijk beleid vastlegt, wordt verder uitgediept in het RWP, met specifieke hoofdstukken over Bodem en Ondergrond, Water, en Klimaat. Het RWP-beleid is een voortzetting van eerder beleid, met recente onderzoeken, beleidsevaluaties en nieuwe inzichten in water- en bodemsystemen. Dit omvat strategieën voor waterkwaliteitsproblemen en uitkomsten van regionale en nationale waterkwaliteitsprocessen en -analyses.

Het provinciale waterbeleid in zowel de omgevingsvisie als het RWP vormt het beleidskader voor regionaal waterbeheer, met de provinciale omgevingsverordening als belangrijk aanvullend juridisch bindend kader. Er bestaat een wisselwerking tussen het RWP, de provinciale omgevingsverordening en de waterbeheerprogramma’s van de waterschappen, waarbij de provincie op sommige onderdelen de kaders stelt. In de nieuwe omgevingsvisie geeft Provinciale Staten richting aan de ruimtelijke keuzes voor Overijssel. De leidende principes hierbij zijn:

  • Duurzaam omgaan met de ruimte en voorraden,

  • Water en bodem sturend,

  • Inzetten op krachtige DSS-regio’s (Dagelijkse Stedelijke Systemen),

  • Voortbouwen op sterke netwerken.

Niet alles kan altijd overal. Daarom bevat de omgevingsvisie een denkwijze die duidelijk maakt hoe wij prioriteren, wegen en waar mogelijk ruimte laten voor lokale eigen bestuurlijke afwegingen. De ‘redeneerlijn’ is het kader dat ons en onze partners helpt bij de afweging ‘waar’ een ontwikkeling een plek kan krijgen. Voor water en klimaat zijn met name de principes 1 en 2 van groot belang bij de verdere beleidsuitwerking van het RWP (Nieuwe Omgevingsvisie Overijssel H3).

Naast de structurerende keuzes, kent de omgevingsvisie ook nog de rode draden (zie H1.4). Rode draden lopen dwars door de thematische onderwerpen heen. Deze draden zijn: Ruimtelijke Kwaliteit, Sociale Kwaliteit, Gezondheid en Duurzaamheid en met ons economische beleid.

Paragraaf 1.6 Governance en koersbepaling van het Regionaal Waterprogramma

We sluiten in het RWP aan bij de bestuursstijl, uitvoering, samenwerking en monitoring zoals beschreven in de Omgevingsvisie (H5).

Het beheer van water heeft implicaties voor bodem, landbouw, natuur en landschap, en vice versa. Daarom moeten we voortdurend afwegingen maken. Rijksregio's, provincies, waterschappen en gemeenten werken samen aan waterbeheer. Het Regionaal Waterprogramma (RWP) helpt inzicht te bieden in hoe we samenwerken binnen het watersysteem. De provincie Overijssel speelt een centrale rol; met kaders en taken vanuit Europa en het Rijk. Wij stellen kaders op voor waterschappen en gemeenten en nemen soms een uitvoerende rol op ons.

  • Kaderstellend: Vanuit de wettelijke taakstelling, op basis van onder andere de Omgevingswet en Drinkwaterwet, stelt de provincie kaders op voor waterschappen en gemeenten, o.a. via de omgevingsvisie (op hoofdlijnen), via het Regionaal waterprogramma (invulling beleid) en via regels in de omgevingsverordening. In Overijssel liggen vijf (interprovinciale) waterschappen waarmee intensief wordt samengewerkt. De provincie stelt een aantal kaders vast voor de waterschappen en werkt hiervoor samen met de provincies Drenthe en Gelderland. Jaarlijks wordt per waterschap de voortgang besproken aan de hand van de bestuursrapportage van het waterschap aan de provincie. In de rapportage wordt aan de hand van prestatie-indicatoren de voortgang gerapporteerd van de strategische doelen waar de provincie een kaderstellende rol heeft.

  • Bevoegd gezag : de provincie treedt op als bevoegd gezag voor bepaalde taken, zoals vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dit doen we op basis van ons VTH-beleidsplan en VTH-jaarprogramma.

  • Uitvoerend : De provincie voert zelf bepaalde taken uit, zoals aanleg en onderhoud van vaarwegen. Daarnaast dragen wij bij aan water- en bodemprojecten die bijdragen aan de doelstellingen van het Regionaal Waterprogramma zoals nieuwe drinkwaterwinningen en dijkversterkingen. We werken aan een actualisatie van de uitvoeringsagenda RWP en zetten parallel in op een Overijsselse Wateraanpak die zorgt voor een sterk netwerk met partners en om een beweging op gang te krijgen. Dit is een breed waternetwerk waarin partners samenwerken om hun gezamenlijke doelen te halen.

Sub-Paragraaf 1.6.1 Bestuursstijl

Onze Omgevingsvisie (H5) beschrijft de bestuursstijl van de provincie Overijssel en onze strategie voor doelgerichte samenwerking en uitvoering. De uitgangspunten van de governance zijn:

1. Duurzaamheid en lange termijn.

Ons beleid richt zich op langetermijndoelen, omdat het water- en bodemsysteem traag reageert op veranderingen. Fouten uit het verleden kunnen langdurige gevolgen hebben, dus streven we naar een duurzame aanpak.

2. Geïntegreerde en systeembenadering

Water houdt zich niet aan provincie- en landsgrenzen, dus we moeten breed kijken naar het water- en bodemsysteem bij beleid en uitvoering. Dit heeft ook invloed op andere domeinen zoals ruimtelijke ordening en natuurbeheer.

3. Brede samenwerking

We kijken over onze eigen grenzen heen, zowel binnen Nederland als richting Duitsland, om een samenhangend water- en bodemsysteem te realiseren. Samenwerking met medeoverheden, inwoners, initiatiefnemers en landeigenaren is cruciaal voor een effectieve uitvoering van maatregelen en het bereiken van onze gemeenschappelijke doelen. We zetten samen met medeoverheden in op een effectieve Duitslandsamenwerking.

4. Adaptief en participatief beleid

Tot slot zetten we in op adaptief en participatief beleid. We willen flexibel en aanpasbaar zijn om in te spelen op veranderende omstandigheden zoals klimaatverandering. Ook streven we naar goede betrokkenheid van stakeholders bij de besluitvorming, in overeenstemming met de Participatievisie van de provincie.

Sub-Paragraaf 1.6.2 Deelname in regionale netwerken

De provincie neemt deel in diverse regionale netwerken. Mede afhankelijk van de rol nemen we hierin het voortouw als trekker, facilitator of deelnemer. De inzet is gericht op het:

  • Bouwen van verbindingen tussen overheden onderling en overheden met diverse andere organisaties;

  • Bewerkstelligen van dwarsverbanden tussen diverse werkvelden en specialismen;

  • Kunnen inspelen op ontwikkelingen;

  • Versterken van de kennisontwikkeling of -deling.

In de onderstaande tabellen is een (niet limitatief) overzicht van de belangrijkste bestuurlijke en ambtelijke netwerken opgenomen.



Tabel 1. Bestuurlijke overleggen RWP

Thema

Relevant bestuurlijk overleg

RWP breed



Bestuurlijk overleg Water

IPO-BAC leefomgeving

IPO-BAC water

BO MIRT

BO Leefomgeving

Verstedelijkingsstrategieën



Ruimtelijke Adaptatie

Stuurgroep ruimtelijke adaptatie (=BO van Deltaprogramma)

Regionale bestuurlijke overleggen werkregio’s

Drinkwater

BO Adaptieve Strategie Drinkwater

BBG’s verschillende bouwstenen Adaptieve Strategie Drinkwater

Waterveiligheid en overlast

Stuurgroep IJssel

Diverse BO’s gekoppeld aan Deltaprogramma

Oppervlaktewater en zwemwater

Bestuurlijk overleg KRW

Regionaal Bestuurlijk Overleg Rijn-Oost

Bodem- en grondwaterkwaliteit en grondwaterkwaliteit

Bestuurlijk overleg KRW

Bestuurlijk overleg Bodem

Duurzaam en efficiënt gebruik van de bodem en ondergrond



Bestuurlijk overleg Bodem





Tabel 2. belangrijke landelijke en regionale ambtelijke netwerken

Thema

Relevant ambtelijk overleg

RWP breed

IPO-Werkgroepen (Water, WBS, BOOG)

Werkgroepen integrale Verstedelijkingsstrategieën Zwolle, S3H en Twente

Werkgroepen 3*3 aanpak landelijk gebied

IPO AAC Water

Ruimtelijke Adaptatie

DPRA werkregio’s

ZON

IPO-klimaatadaptatie

IPO-WBS (expertgroep)

Drinkwater

AO’s Adaptieve strategie Drinkwater

IPO-Drinkwater (expertgroep)

Waterveiligheid en overlast

AO’s gekoppeld aan diverse Deltaprogramma’s

ABT IJssel

IPO-Waterveiligheid (expertgroep)

Waterkwaliteit

RAO en RBO Rijn-Oost

IPO-KRW (expertgroep)

Oppervlaktewater en zwemwater

 

Bodem- en grondwaterkwaliteit en grondwaterkwantiteit

ZZS – netwerk Overijssel

IPO-BOOG (expertgroep)

Duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond

IJsselland Doorgrond

Onder Twente

Sub-Paragraaf 1.6.3 Koersbepaling en Samenwerking

Het RWP van Overijssel volgt de bestuursstijl beschreven in de omgevingsvisie, met nauwe samenwerking met waterschappen voor de uitvoering van beleidsopgaven. De provincie coördineert hierbij afhankelijk van de opgave, het gebied, de fase van uitvoering, de context en de gewenste samenwerking.

In Overijssel beheren het Rijk, provincies, waterschappen en gemeenten gezamenlijk het water- en bodemsysteem, met andere belanghebbenden zoals drinkwaterbedrijven en omgevingsdiensten. Dit gezamenlijk beheer, vastgelegd in het RWP, biedt zowel een kader als inzicht in de samenwerking aan het water- en bodemsysteem.

De provincie werkt nauw samen met vijf interprovinciale waterschappen (Drents-Overijsselse Delta, Vechtstromen, Rijn & IJssel, Vallei & Veluwe en Zuiderzeeland) en Vitens, die met totaal 23 grondwateronttrekkingen in Overijssel, een belangrijke rol speelt in de drinkwaterproductie en levering. Voor beleidsopgaven zoals de Kaderrichtlijn Water en het Deltaprogramma Zoetwater (Zoetwater Oost Nederland - ZON), werkt Overijssel samen binnen het stroomgebied Rijn-Oost, samen met buurprovincies, de Duitse deelregio's en de genoemde waterschappen. Samen werken we ook aan bodemsanering en duurzaam bodembeheer. Nationale programma’s ondersteunen de beleidsontwikkeling voor bodem en ondergrond.

Participatie in het RWP-proces is belangrijk. Sinds het najaar van 2023 zijn we gestart met een kick-off bijeenkomst voor alle partners zoals hierboven genoemd, gevolgd door diverse ambtelijke bijeenkomsten. De fysieke en schriftelijke input is verwerkt tot een conceptversie en besproken met betrokken commissies en belanghebbenden. De feedback is meegenomen om het Ontwerp RWP te verfijnen en vast te stellen.

Paragraaf 1.7 Leeswijzer

We streven naar een programma dat begrijpelijk is voor een breed publiek maar dat ook meer technische uitwerkingen bevat voor specialisten. Deze meer technische uitwerkingen hebben we in de bijlagen opgenomen.

Wat leest u in het RWP?

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke Adaptatie

Hoofdstuk 3 Drinkwater

Hoofdstuk 4 Oppervlaktewatersysteem

Hoofdstuk 5 Bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit

Hoofdstuk 6 Grondwaterkwantiteit

Hoofdstuk 7 Duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond

Hoofdstuk 8 Waterveiligheid en wateroverlast

Elk hoofdstuk beschrijft welke doelen we nastreven. Hierna beschrijven we hoe de rollen verdeeld zijn over de partijen. In de uitwerking van ons beleid staat wat wij als provincie zelf doen. Daarna geven we aan wie we daarvoor nodig hebben en op welke manier. Ten slotte benoemen de raakvlakken met andere beleidsterreinen.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijke Adaptatie

Dit hoofdstuk beschrijft het beleid van de provincie Overijssel op het gebied van ruimtelijke adaptatie. De kern van ons beleid is dat water en bodem sturend is in de ruimtelijke ordening. De wijze waarop is door samen te werken in diverse verbanden aan klimaatadaptatie, zoals de werkregio’s van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie, Deltaplan Agrarisch Waterbeheer en Zoetwater voorziening Oost-Nederland. Ook streven wij een klimaatadaptieve bebouwde omgeving na, zowel binnen de verstedelijkingsstrategieën als daar buiten. De aanpak in Overijssel is vooral procesmatig, zoals ondersteuning in locatiekeuze, gebiedsinrichting en bouwwijze van toekomstige ontwikkelingen. Ook ondersteunen we de ontwikkeling van adaptatiestrategieën, faciliteren we samenwerking met gemeenten, waterschappen en andere belanghebbende partijen. We monitoren en evalueren geïmplementeerde adaptatiemaatregelen en beleidsontwikkeling. Ook zetten we in op het vergroten van bewustwording en kennis over klimaatverandering.

Paragraaf 2.1 Doelen

Het overkoepelde doel ten aanzien van ruimtelijke adaptatie is dat Overijssel is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. Hieronder vallen de subdoelen:

  • Overijssel heeft een klimaatrobuuste leefomgeving en ruimtelijke inrichting, zowel boven als beneden maaiveld;

  • Overijssel is beter bestand tegen weersextremen zoals droogte, piekbuien, piekafvoeren, hittegolven, wateroverlast en overstromingen;

  • Vitale en kwetsbare functies zijn beschermd door de locatiekeuze en/of het ontwerp aan te passen;

  • Water en bodem zijn sturend in de ruimtelijke ordening;

  • Waterschappen zijn eerder betrokken in de planvorming zodat zij hun kennis van het bodem- en watersysteem mee kunnen geven;

  • In 2050 is de provinciale infrastructuur volledig klimaatadaptief.

Paragraaf 2.2 Rolverdeling

Een samenwerking tussen gemeenten, waterschappen en provincies is essentieel om een effectieve en geïntegreerde aanpak van klimaatadaptatie te realiseren. De rollen van gemeenten, waterschappen en de provincie zijn in het onderstaande kader beschreven.

De rijksoverheid stelt visies en beleid op voor de ruimtelijke ordening in Nederland. Voorbeelden hierbij zijn de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en het Deltaprogramma.

De provincie heeft een kaderstellende rol op het vlak van ruimtelijke ordening. De visies binnen de omgevingsvisie vertalen zich tot regels in de omgevingsverordening.

De provincie heeft een coördinerende rol bij het samenbrengen van verschillende belangen en het ontwikkelen van beleid voor klimaatadaptatie op regionaal niveau.

De provincie stelt desgewenst subsidies beschikbaar voor gemeenten en waterschappen om maatregelen voor klimaatadaptatie uit te voeren.

De provincie speelt een rol in het delen van kennis en goede voorbeelden tussen gemeenten en waterschappen. De provincie fungeert als een platform voor het uitwisselen van ervaringen en het bevorderen van samenwerking.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het uitvoeren van concrete maatregelen op lokaal niveau. Dit omvat bijvoorbeeld het aanpassen van stedelijke planning en infrastructuur om beter bestand te zijn tegen klimaatverandering, zoals het creëren van groene ruimtes, het aanleggen van waterberging en het verbeteren van de riolering.

Gemeenten hebben een belangrijke rol in de ruimtelijke ordening en het vaststellen van omgevingsplannen die rekening houden met klimaatadaptatie. Gemeenten streven naar een klimaatbestendige inrichting van steden, dorpen en het buitengebied.

Gemeenten moeten de betrokkenheid van inwoners stimuleren en hen informeren over de risico's van klimaatverandering. Dit kan ook het betrekken van inwoners bij het ontwikkelen van lokale adaptatieplannen omvatten.

Waterschappen zijn verantwoordelijk voor het waterbeheer op regionaal niveau. Ze spelen een cruciale rol bij het voorkomen van wateroverlast, het beheren van waterkwaliteit en het waarborgen van voldoende zoetwaterbeschikbaarheid.

Waterschappen zijn verantwoordelijk bij de aanleg van infrastructuur voor waterberging, zoals retentiegebieden en dijkversterkingen, om overstromingsrisico's te verminderen.

Waterschappen adviseren richting gemeenten en provincie in het kader van het ‘weging van het waterbelang’.

Waterschappen werken samen met gemeenten, provincies en andere stakeholders om integrale oplossingen te ontwikkelen voor water-gerelateerde uitdagingen. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat ze gezamenlijk werken aan gebiedsgerichte aanpakken.



De provincie, gemeenten en waterschappen werken samen aan een klimaatadaptief Overijssel in diverse samenwerkingsverbanden, zoals de werkregio’s van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en de verstedelijkingsstrategieën.

Als provincie positioneren wij de waterschappen om een centralere plek in te nemen in de ruimtelijke ordening. Hier stuurt de provincie in de omgevingsvisie (redeneerlijn) en -verordening (artikel 4.13 klimaatrobuust water- en bodemsysteem). Het waterschap speelt namelijk een cruciale rol in de weging van het waterbelang bij ruimtelijke planvorming. Weging van het waterbelang betekent rekening houden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De provincie en gemeenten dragen de verantwoordelijkheid om zelf tijdens planvorming klimaatadaptieve keuzes te maken. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het zaak om vanuit de rol van een gemeente of provincie vroegtijdig het gesprek met het waterschap aan te gaan. In de Omgevingswet is 'weging van het waterbelang' de juridische term. In de praktijk wordt ook nog steeds het vroegere begrip 'watertoets' gebruikt.

De belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van het waterschap hierin zijn:

  • a.

    Vroegtijdige betrokkenheid: Het waterschap wordt in een vroeg stadium betrokken bij ruimtelijke plannen om waterbelangen te behartigen.

  • b.

    Informatieverstrekking: Het waterschap verstrekt informatie over het watersysteem en stelt randvoorwaarden vast voor de planvorming. Dit doet het waterschap vanuit het langetermijnperspectief en systeemwerking.

  • c.

    Advisering: Het waterschap beoordeelt conceptplannen en geeft een wateradvies om ervoor te zorgen dat wateraspecten voldoende worden meegenomen.

  • d.

    Beheer en onderhoud: Het waterschap is verantwoordelijk voor het beheer van regionale wateren, dijken, en andere waterkeringen.

  • e.

    Waterkwaliteit en -kwantiteit: Het waterschap zorgt voor de juiste hoeveelheid water en een goede waterkwaliteit in het gebied.

  • f.

    Afvalwaterzuivering: Het waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van stedelijk afvalwater.

Door deze taken uit te voeren, zorgt het waterschap ervoor dat waterbelangen worden geïntegreerd in ruimtelijke plannen, wat bijdraagt aan een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van het gebied.

Paragraaf 2.3 Uitwerking beleid

  • We werken aan een klimaatadaptieve bebouwde omgeving.

  • We werken samen in de samenwerkingsverbanden van de DPRA werkregio’s, Zoetwatervoorziening Oost-Nederland en het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer.

  • We geven de verstedelijkingsstrategieën Twente en de Stedendriehoek een klimaatadaptieve focus. Hierin nemen wij de lessen mee van de Regio Zwolle.

Sub-Paragraaf 2.3.1 Klimaatadaptieve bebouwde omgeving

Om een klimaatadaptief Overijssel te bereiken is het essentieel dat de randvoorwaarden hiervoor vroegtijdig in ruimtelijke ontwikkelingen helder zijn. De redeneerlijn in de provinciale omgevingsvisie onderschrijft het vroegtijdig toetsen van een ruimtelijke ontwikkeling aan klimaatadaptatie. Een uitwerking hiervan is het uitgangspunt 'functie volgt peil’. Landgebruik en functies worden na verloop van tijd steeds meer afgestemd op het water- en bodemsysteem, waarbij rekening wordt gehouden met de lokale omstandigheden. De volgende paragrafen zetten de verschillen stappen en onze bijdrage in het tijdpad van een nieuwe ontwikkeling uiteen: Figuur 6. De cruciale ontwerpkeuzes binnen ruimtelijke ontwikkelingen afgezet over de voortgang geeft schematisch de momenten in een ontwikkeling weer waarin wij meedenken met onze partners. We bieden procesmatige ondersteuning in locatiekeuze, gebiedsinrichting en bouwwijze van toekomstige ontwikkelingen. In Bijlage III Inspiratiebladen Water en Bodem Sturend zijn inspiratiebladen opgenomen die illustreren hoe het principe ‘water en bodem sturend’ in praktijk wordt gebracht bij gebiedsontwikkeling.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 6. De cruciale ontwerpkeuzes binnen ruimtelijke ontwikkelingen afgezet over de voortgang.

Stap 1 – Locatiekeuze

Onze ruimte in verstedelijkt gebied en buitengebied staat meer dan ooit onder druk. We moeten in Nederland voorbereid zijn op de gevolgen van klimaatverandering, op perioden met te veel en te weinig water. De emissie van stikstof en broeikasgassen moet verminderen en de water- en bodemkwaliteit en biodiversiteit verbeteren. Dit zijn stuk voor stuk complexe natuur- en klimaatopgaven die ruimtelijke keuzes direct beïnvloeden, met elkaar verbonden zijn en tegelijkertijd worden gerealiseerd. We hebben hiernaast ook nog een grote opgaven op het gebied van verstedelijking, woningbouw, mobiliteit en de energietransitie. De traditionele ruimtelijke ordening is daarbij niet meer leidend, maar ontwikkelingen moeten rekening houden met de werking van het water- en bodemsysteem. De locatiekeuze voor een ruimtelijke ontwikkeling is hierdoor steeds belangrijker. In de Omgevingsvisie is hiervoor de redeneerlijn ingevoerd (H3.6). De Redeneerlijn is een hulpmiddel voor de afweging waar een ontwikkeling een plek kan krijgen en voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Verdere klimaatverandering en menselijk handelen bepalen de condities van het water- en bodemsysteem. Hiermee dient rekening gehouden te worden in het heden en de toekomst. Hierdoor moeten we keuzes maken in Overijssel. Beekdalen kunnen te maken krijgen met hogere piekafvoeren in tijden van extreme of langdurige neerslag. Door klimaatverandering en de groei van inwoners en economie komt de zoetwatervoorziening verder onder druk te staan. Hierin is het belangrijk om goede ruimtelijke keuzes te maken. Daarom is het nodig om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Hiervoor werken we volgens een aantal principes, zoals opgenomen in de omgevingsvisie:

  • Afwentelen voorkomen;

  • Meer rekening houden met extremen;

  • In samenhang omgaan met wateroverlast en droogte;

  • Meerlaagsveiligheid; Minder afdekken, minder vergraven, minder verontreinigen;

  • Integrale aanpak in de leefomgeving;

  • Comply or explain: pas toe of leg uit.

Dit betekent dat de risico’s van overstromingen, wateroverlast, bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid sturend zijn bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw. Hiermee voorkomen we dat we nieuwbouw gaan realiseren op locaties waar we later spijt van gaan krijgen. Verder benutten wij locaties waar in de toekomst ruimte nodig is voor waterberging, rivierafvoer en toekomstige dijkversterkingen niet (meer) voor bebouwing.

In de Woondeals zijn afspraken gemaakt tussen de provincie en gemeenten over het realiseren van woningbouw vanuit de principes van water- en bodem sturend.

De provincie wil onze partners ondersteunen door hen te voorzien van procesmatige begeleiding en kennis om te komen tot een goede locatiekeuze voor woningbouw, bedrijventerreinen, vitale functies of andere ruimtelijke ontwikkelingen. Het vroegtijdig betrekken van de waterschappen in ruimtelijke ontwikkelingen is cruciaal. Ook ondersteunen wij gemeenten in het opstellen van omgevingsvisies en -plannen. Kortom, een aanpak via de Overijsselse voorkantsamenwerking [1].

Stap 2 – locatie inrichting

De locatiekeuze bepaalt mede welke maatregelen nodig zijn in een gebied om deze klimaatadaptief in te richten. Wij anticiperen op toekomstige klimaatverandering in nieuwbouwgebieden door toekomstbestendig naar de locatie inrichting te kijken. Ook willen we op de kwetsbare plekken bij grootschalige renovatie of herbouw van bestaande bebouwing en infrastructuur de locatie of het ontwerp heroverwegen wanneer de veiligheid en leefbaarheid hiervan in gevaar komt. Wij sturen in bestaand bebouwd gebied op vermindering van onnodige bodemafdekking. De verstedelijkte omgeving wordt beter leefbaar als er minder hittestress is of wateroverlast tijdens piekbuien. Dit bereiken we door de bodem te herstellen en in te zetten op stedelijk groen. Naast woningbouw is het ook zaak om onze vitale en kwetsbare functies op toekomstbestendige locaties te plaatsen of de locatie zodanig in te richten. Wij gaan gemeenten helpen om de landelijke Maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving lokaal toe te passen en rekening houdend met de gebiedskenmerken. Dit doen wij door kennis te delen van onderzoeken, beleidsontwikkeling en voorbeelden vanuit binnen en buiten de provincie. Hiernaast werken wij samen in de verschillende samenwerkingsverbanden, zoals de DPRA werkregio’s of de verstedelijkingsstrategieën.

De maatlat is ontwikkeld door de ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Infrastructuur en Waterstaat, en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, in samenwerking met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Unie van Waterschappen (UvW). Het doel is om overheden, woningcorporaties en partijen uit de bouw te ondersteunen bij het creëren van een veilige, gezonde en groene leefomgeving die bestand is tegen klimaatverandering. Onze omgevingsvisie onderschrijft de toepassing van de maatlat. De maatlat beschrijft doelen en prestatie-eisen voor klimaatadaptief bouwen en inrichten op het gebied van wateroverlast, droogte, hitte, biodiversiteit, bodemdaling en gevolgbeperking bij overstromingen. Hoewel de maatlat geen specifieke maatregelen voorschrijft, biedt het wel houvast voor maatwerk en stimuleert het innovatieve oplossingen.

Stap 3 – Bouwwijze

Naast de locatiekeuze en een klimaatadaptieve gebiedsinrichting zetten wij ook in op toekomstbestendige gebouwen. Het Overijsselse actieprogramma Toekomstbestendig bouwen [2] geeft richting aan de bouwwijze. Toekomstbestendig bouwen is klimaatneutraal bouwen en zodanig bouwen dat er herstel van biodiversiteit kan plaatsvinden. Bouwen met het oog op de toekomst: woningen dragen bij aan een goede gezondheid en zijn bestand tegen te verwachten ontwikkelingen zoals hitte en schaarste van drinkwater en grondstoftekorten. Het Actieprogramma is opgebouwd uit de thema’s: circulair/biobased, energiebewust, collectief, natuurinclusief, klimaatadaptief en waterbewust. Via het actieprogramma en de afspraken die zijn gemaakt in de woondeals werken wij samen met onze partners aan het toekomst bestendig bouwen.

Stap 4 – Gebruik en beheer

Gebieden worden ontwikkeld en ingericht op basis van het beoogde gebruik. Voorbeelden hierbij zijn bedrijventerreinen om op te werken en woonwijken om in te wonen en leven. Dit gebruik bepaalt de type bebouwing en infrastructuur. De voorgaande stappen werken toe naar een resultaat in deze fase. Het type gebruik is bepalend voor het vinden van een geschikte locatie en het investeren in mitigerende maatregelen in de locatie inrichting en bouwwijze voor klimaatverandering. In onze ruimtelijke ordening werken wij toe naar leven met water.

Na realisatie van het gebied moet het beheerd gaan worden. In deze fase wordt het gebied (openbare ruimte en objecten zoals het gerealiseerde vastgoed en voorzieningen) gebruikt en beheerd en vindt regulier en groot onderhoud plaats. Door het sturen op locatiekeuze, inrichting en bouwwijze kan de mate van beheer worden beïnvloed. In kwetsbare gebieden voor klimaatverandering zal meer beheer plaats moeten vinden om de gebieden te laten functioneren zoals ze bedoeld zijn. Het is daarom zaak om vroegtijdig in een ontwikkeling (vanaf de locatiekeuze) oog te hebben voor het beheer op de lange termijn, en de kosten hiervan, voor te ontwikkelen gebied.

1 Gemeenten kennen de provinciale richtlijnen en kaders. Volgens afspraak is er in de voorbereidingsfase van een ruimtelijke ontwikkeling overleg in het kader van de voorkantsamenwerking tussen de gemeente en de provincie over die onderdelen die van provinciaal belang zijn.

2 In december 2022 zijn de woondeals Twente en West-Overijssel gesloten. In de woondeals is afgesproken een Actieprogramma Toekomstbestendig Bouwen op te stellen.

Sub-paragraaf 2.3.2 Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie

We werken samen met gemeenten, waterschappen, en Vitens in de werkregio’s van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) (zie Figuur 7. DPRA werkregio’s in Overijssel) aan een klimaatrobuust watersysteem waar hitte, droogte en wateroverlast maximaal wordt opgevangen. De veiligheidsregio’s zijn een belangrijke partner voor de risicodialogen in de cyclus van DPRA. De provincie Overijssel maakt onderdeel uit van vier werkregio’s: TwentsWaternet, Rivus, Fluvius en Samenwerking Noordelijke Vechtstromen. We hebben zeven ambities, zoals geformuleerd in DPRA. (zie illustratief de zeven ambities in Figuur 8. Schema van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie.). Deze ambities zijn:

  • Stimuleren en faciliteren, kennis ontwikkelen en delen;

  • Kwetsbaarheid in beeld brengen via klimaat stresstesten;

  • Risicodialogen voeren en strategie opstellen;

  • Uitvoeringsagenda’s opstellen;

  • Meekoppelkansen benutten;

  • Handelen bij calamiteiten;

  • Reguleren en borgen.

In de periode 2024-2026 leggen we meer focus op de ambities ‘Reguleren en Borgen’, ‘Stimuleren en faciliteren, kennis ontwikkelen en delen’ en ‘Meekoppelkansen benutten’. Deze kansen liggen voor ons in de verbinding met andere opgaven en programma’s zoals het Programma Sponsstrategie binnen het NOVEX-gebied Regio Zwolle. Daarnaast voeren wij gesprekken met het Rijk over de nieuwe deltabeslissingen die in 2026 worden geformuleerd en passen wij onze provinciale omgevingsvisie en verordening aan naar de huidige maatstaven. Hierin nemen wij de KNMI klimaatscenario’s en principes binnen Water en Bodem Sturend mee.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 7. DPRA werkregio’s in Overijssel.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 8. Schema van de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie.

Sub-Paragraaf 2.3.3 Zoetwatervoorziening Oost-Nederland

Het programma Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON) is een project van het Regionaal Bestuurlijk Overleg (RBO) Rijn-Oost. Binnen het ZON-programma nemen de deelnemende partijen maatregelen om minder last te hebben van de toenemende droogte, zonder de wateroverlast te laten toenemen. Het project levert ook de regionale inbreng voor de hoge zandgronden in Oost-Nederland in het deelprogramma Zoetwater van het Deltaprogramma. In het programma Zoetwater Oost-Nederland leveren we kennis, advies en financiering zodat we de zoetwateropgaven voor de hoge zandgronden gezamenlijk oppakken. In het werkprogramma zijn de maatregelen opgenomen die we in de periode 2022-2027 samen met regionale partners uitvoeren. Een voorbeeld is het Overijsselse programma Haarvaten Op Peil. In dat programma voeren we in Overijssel maatregelen uit om water langer vast te houden in de haarvaten van het watersysteem op de hogere gronden, daar waar geen wateraanvoer mogelijk is. Tegelijkertijd werken we samen met onze regionale partners binnen ZON aan de voorbereiding van de derde fase van het programma ZON (2028-2033).

Sub-Paragraaf 2.3.4 Deltaplan Agrarisch Waterbeheer

Het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW) is een initiatief van LTO Nederland en wordt uitgevoerd in samenwerking door de Unie van Waterschappen, ministeries van I&W en LNV en IPO namens de provincies. Daarbij krijgt het programma ondersteuning van de RVO en het Kadaster. Het DAW wordt gefinancierd door het ministerie van I&W en het ministerie van LNV. Bij regionale projecten en initiatieven is er vaak sprake van co-financiering door provincie of waterschap. In Overijssel is dat ook het geval. Ook in Overijssel werken we samen in het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer aan verbeteren van waterkwaliteit en waterkwantiteit in het agrarisch gebied. Hierbij leggen we ook de koppeling met droogtebestrijding via het programma ZON.

Sub-Paragraaf 2.3.5 Verstedelijkingsstrategieën

Overijssel staat voor grote uitdagingen op het gebied van verstedelijking, waarbij klimaatadaptatie een centrale rol speelt. In de provincie zijn drie belangrijke verstedelijkingsstrategieën te onderscheiden: de Regio Zwolle, Twente en de Stedendriehoek. In Twente en de Stedendriehoek streven wij als provincie naar een klimaatadaptieve focus op de verstedelijking, zoals dit ook in de regio Zwolle een stevige plek heeft gekregen. Hierin zien wij, naast de gemeenten, ook voor het waterschap een duidelijke rol weggelegd.

Regio Zwolle

Klimaatadaptatie speelt een centrale rol in de ontwikkelingsstrategie van de NOVEX-regio Zwolle. Deze regio is een samenwerking tussen 4 provincies, 4 waterschappen en 22 gemeenten. De regio streeft ernaar om klimaatbestendig te groeien, waarbij water en bodem leidend zijn in de ruimtelijke ordening. Dit is cruciaal gezien de ligging van Zwolle in de kwetsbare IJssel-Vecht delta.

De verstedelijkingsstrategie "Warme Harten in een Klimaatadaptieve Delta" vormt de basis voor de klimaatadaptieve aanpak. Veel ontwikkelingen in Regio Zwolle vinden plaats in gebieden met een grote opgave vanuit het landelijk afwegingskader. Daarom wordt de verstedelijkingsopgave op systeemniveau bekeken. Hierbij wordt ingezet op natuurlijke oplossingen en systeemkeuzes die bijdragen aan een toekomstbestendig klimaat-, water- en bodemsysteem. Dit systeemniveau benadrukt onderlinge afhankelijkheden binnen het water- en bodemsysteem. Gebiedsontwikkelingen moeten daarom rekening houden met effecten benedenstrooms waarbij maatregelen oplossingen kunnen bieden voor opgaven in andere gebieden.

De Regionale Sponsstrategie (RSS) is een overkoepelend systeemprogramma dat zich specifiek richt op waterbeheer en klimaatadaptatie. Dit programma heeft als doel:

  • Een gedeeld beeld ontwikkelen van korte en lange termijn wateropgaven;

  • Oplossingsrichtingen in kaart brengen voor klimaatadaptieve groei;

  • Een samenhangende regionale strategie ontwikkelen;

  • Uitgangspunten borgen in het instrumentarium van partners.

De RSS heeft drie sponsprincipes van infiltreren, vertragen en bergen ruimtelijke vertaald en op kaart gezet voor de gehele regio. Dit biedt inzicht in de relatie met de ruimtelijke functies en ontwikkelingen en brengt de samenhang en afhankelijkheden in het systeem in beeld. De RSS richt zich op de onderste laag van de adaptatiepiramide: het natuurlijke functioneren van het watersysteem. In plaats van uitsluitend te kijken naar technische of reactieve maatregelen, ligt de nadruk op het benutten van het systeem om klimaatadaptief te groeien en tegelijkertijd ruimte te bieden voor de bouw van circa 50.000 woningen. De aanpak van NOVEX Regio Zwolle koppelt het thema water nadrukkelijk aan ruimtelijke ontwikkeling. Daarbij is het verbinden van verschillende schaalniveaus cruciaal: van nationaal beleid tot regionale opgaven, stroomgebieden, gebiedsontwikkeling en concrete maatregelen. Deze samenhang bepaalt mede de potentie van de sponswerking in het landschap.

Door deze integrale aanpak wil de Regio Zwolle een landelijk voorbeeld worden in klimaatadaptieve groei, waarbij de grenzen van maakbaarheid in het watersysteem worden erkend en afwenteling op toekomstige generaties wordt voorkomen.

Twente

In de verstedelijkingsstrategie van Twente zal een integrale aanpak gehanteerd gaan worden waarin klimaatadaptatie een centrale rol speelt. Deze strategie gaat verder dan alleen woningbouw en zet in op een complete visie voor een aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving. Klimaatbestendigheid is hierin een kernpunt, naast thema's als mobiliteit, voorzieningen, bereikbaarheid, energie, en het behoud van natuur en recreatie.

Tot 2050 is in Twente een groei van 69.000 woningen mogelijk, voornamelijk geconcentreerd in de steden Enschede, Hengelo en Almelo. Bij deze grootschalige ontwikkeling is klimaatadaptatie cruciaal om de toekomstige leefbaarheid en duurzaamheid van de regio te waarborgen. De regio, gekenmerkt door hoge zandgronden, staat voor specifieke uitdagingen op het gebied van beekdalen, waterbeschikbaarheid en -kwaliteit. Eén van de grootste opgaven voor Twente is de onder druk staande zoetwaterbeschikbaarheid (drink-, grond- en oppervlaktewater) als gevolg van droogte, maar ook economische- en inwonersgroei van de regio. Het vergroten van de drinkwateraanvoercapaciteit en het verminderen van de watervraag vereisen regionale samenwerking.

Stedendriehoek

In de regio Stedendriehoek wordt door Rijk en Regiopartners gewerkt aan een verstedelijkingsstrategie. De eerste stap is het maken van een ontwikkelperspectief. Het is het langetermijnperspectief (richting 2050, en met een doorkijk naar 2100) op (integrale) verstedelijking in de regio Stedendriehoek gericht op wonen, werken, voorzieningen en bereikbaarheid binnen de randvoorwaarden van water, natuur, energie en landschap.

Ambitie van de regio is om te groeien tot 2050 met 48.000 woningen en 40.000 arbeidsplaatsen. In december 2025 is een variantenstudie gepubliceerd. Er is richting de toekomst, in het licht van een veranderend klimaat, meer ruimte nodig voor een robuust water- en bodemsysteem. De IJssel en het bekensysteem hebben meer ruimte nodig. En ook in de straten en buurten is meer ruimte nodig voor groen en blauw. Belangrijke opgaven hierbij zijn:

Ontwikkelen van een groen-blauwe hoofdstructuur. Waterveiligheid en hoogwateroplossingen rond de IJssel. Hier ligt een directe relatie met Ruimte voor de Rivier 2.0/Deltaprogramma RijnSponswerking rond het bekensysteem/Sallandse Weteringen. Het Deventer deel van de Sallandse Weteringen is hierbij al meegenomen in de regionale Sponsstrategie van Salland vanuit de Regio Zwolle.

Sub-Paragraaf 2.3.6 Bodemdaling

Ook als Overijssel hebben we te maken met de negatieve gevolgen van bodemdaling. Bodemdaling is een complex verschijnsel en kan op verschillende diepte in de ondergrond ontstaan en kent verschillende oorzaken: natuurlijke geologische processen, menselijke ingrepen (ontwatering, winning delfstoffen, toepassen ophoogmateriaal) of is het gevolg van toenemende droogte. Door bodemdaling daalt het maaiveld wat kan leiden tot schade en extra kosten voor het waterbeheer, voedselproductie en natuurbeheer. Ook kan het leiden tot schade en extra onderhoud aan bebouwing, infrastructuur en openbaar groen. Bodemdaling in veengebieden resulteert in verhoogde CO₂-uitstoot doordat het veen oxideert wanneer de grondwaterstand daalt.

Vanuit onze regisserende en faciliterende rol brengen we als provincie handelingsperspectieven in bij gebiedsontwikkeling en planprocessen. Dit gaat om landelijk ontwikkelde bouwstenen en instrumentarium[3] en regionale instrumenten. Voor Noordwest Overijssel zijn bouwstenen ontwikkeld hoe we in de toekomst beter kunnen omgaan met bodemdaling (adaptatie) maar ook hoe we de bodemdaling kunnen remmen (mitigatie). Dit is veelal een combinatie van ingrepen in het water en bodemsysteem, andere bouw- en aanlegwijze maar ook wijziging van het toekomstige landgebruik. Door bouwstenen en instrumenten vroegtijdig toe te passen bij gebiedsprocessen en planprocessen krijgt adaptatie en mitigatie van bodemdaling een volwaardige plek.

Als provincie versterken we ook onze kennisbasis. De nationale kennis die beschikbaar komt via het kenniscentrum Bodemdaling en Funderingen, landelijk onderzoekstrajecten en regionale onderzoeken worden verder ontsloten via Overijsselse netwerken, werkregio’s Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie of bodem en ondergrond netwerken. Als provincie voeren we ook zelf onderzoek uit om de bodemdalingsgevoelige gebieden te identificeren en beter inzicht krijgen in de oorzaken en gevolgen van bodemdaling. Tot slot werken we samen in IPO verband om bodemdaling en funderingproblematiek goed onder de aandacht te brengen bij de Nationale Aanpak Funderingsschade en het programma ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’.

Voor funderingsproblematiek sluiten we als provincie aan bij de nationale lijn: de inwoner is primair zelf verantwoordelijk. Het Rijk faciliteert en stelt juiste (wettelijke) randvoorwaarden via de Nationale Aanpak Funderingsschade. De gemeenten zijn als decentrale overheid voor inwoners het eerste aanspreekpunt. Zoals hierboven is aangegeven plegen we komende jaren extra inzet met de provinciale agenda bodemdaling en funderingsproblematiek.

3 ruimtelijke, kader voor klimaatbestendig bouwen, maatlat voor een groene en klimaatbestendige omgeving en weging van waterbelang.

Paragraaf 2.4 Wat verwachten wij van onze partners

Wij verwachten dat onze partners zich mede verantwoordelijk voelen voor de opgaven van ruimtelijke adaptatie. In paragraaf 2.2 rolverdeling is daar verder op in gegaan. Wij verwachten van onze partners dat zij klimaatbestendige keuzes maken in ruimtelijke ontwikkelingen en hierover vroegtijdig in het proces met medeoverheden het gesprek aangaan. Wij verwachten dat onze partners hun beleid vormgeven vanuit de gedachte van water- en bodem sturend. Ook verwachten wij dat zij met inzet en financiële middelen betrokken blijven in de samenwerkingsverbanden rondom klimaatadaptatie. Op deze wijze borgen bij de continuïteit van onder andere de werkregio’s en de verstedelijkingsstrategieën.

Paragraaf 2.5 Raakvlakken met andere beleidsterreinen

Binnen ruimtelijke adaptatie staat klimaatadaptatie centraal. Daar is dit hoofdstuk niet uniek in. Klimaatadaptatie is een rode draad door het gehele RWP. Zo wordt het weerbaar maken van ons drinkwatersysteem in Hoofdstuk 3 Drinkwater uiteengezet. Waterkwantiteitsvraagstukken komen terug in Hoofdstuk 4 Oppervlaktewatersysteem en Hoofdstuk 6 Grondwaterkwantiteit. In Hoofdstuk 7 Duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond komt de ruimtelijke ordening ten aanzien van de bodem aan bod. Tot slot zijn in Hoofdstuk 8 Waterveiligheid en wateroverlast de onderwerpen waterveiligheid en wateroverlast te vinden. Ruimtelijke adaptatie heeft een zeer sterke relatie met laag 2 van meerlaagsveiligheid wat in dit laatste hoofdstuk wordt benoemd.

Hoofdstuk 3 Drinkwater

Drinkwater is een eerste levensbehoefte en essentieel voor de volksgezondheid, omdat we het drinken en gebruiken voor de bereiding van voedsel. Daarnaast draagt schoon water bij aan een gezonde leefomgeving en een veerkrachtige natuur. Het zoetwatersysteem, de bron van ons drinkwater, staat onder grote druk door klimaatverandering, bevolkingsgroei, economische ontwikkeling, industrie, landbouw en toenemende verstedelijking.

De vraag naar drinkwater is de afgelopen jaren sterker gestegen dan verwacht, onder andere door bevolkingsgroei, een toenemende vraag vanuit de (levensmiddelen)industrie en vaker voorkomende perioden van droogte en hitte. Naar verwachting blijft de drinkwatervraag de komende decennia blijven stijgen (Bijlage IV Regionaal Actieplan beschikbaarheid drinkwaterbronnen). Tegelijkertijd neemt de natuurlijke beschikbaarheid en de kwaliteit van drinkwaterbronnen af door langere perioden van droogte en verontreiniging door menselijk handelen.

In Twente is de urgentie om drinkwaterlevering veilig te stellen extra hoog. Door een tekort aan drinkwater, kan drinkwaterbedrijf Vitens bedrijven daar niet altijd meer voorzien van drinkwater. Voor huishoudelijk gebruik geldt een wettelijke leveringsplicht. Door de combinatie van verstedelijkings- en economische ambities ontstaat een groeiend spanningsveld bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en mogelijk woningbouw, en komt de leveringsplicht van Vitens onder druk te staan. De (drink)waterbeschikbaarheid vormt daarmee een duidelijke randvoorwaarde voor verdere verstedelijking. Vergelijkbare knelpunten kunnen op termijn ook in andere delen van Overijssel optreden.

Dit hoofdstuk beschrijft de doelen die wij onszelf stellen om zo de drinkwatervoorziening in Overijssel te waarborgen. Daarnaast wordt ingegaan op de rolverdeling tussen overheden en partners, het beschermingsbeleid en de uitwerking van beleid binnen de Adaptieve Strategie Drinkwater.

Paragraaf 3.1 Doelen

De Drinkwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water (KRW) borgen samen met nationale wet- en regelgeving de drinkwatervoorziening. Het nationale drinkwaterbeleid is vastgelegd in de Beleidsnota Drinkwater 2021- 2026. Deze nota richt zich onder andere op de ruimtelijke bescherming van huidige én toekomstige drinkwaterbronnen volgens het adagium ‘beschermen om te blijven’. Artikel 7 van de KRW stelt bovendien dat de zuiveringsinspanning voor drinkwaterproductie niet verder mag toenemen en op termijn moet afnemen. Het provinciale beleid sluit aan bij dit Europese en nationale kader.

Om een toekomstbestendig en robuust water- en bodemsysteem te realiseren, waarin voldoende drinkwater beschikbaar blijft en omgevingseffecten afwezig of minimaal zijn, streven wij de volgende doelen na:

  • Beschermen en behouden van bestaande drinkwaterbronnen en reserveringen;

  • Beschikbaar stellen van aanvullende bronnen in de lagere delen van Overijssel, waar effecten beperkt zijn of goed kunnen worden gemitigeerd, om de toekomstige vraag op te vangen;

  • Stimuleren van drinkwaterbesparing bij particulieren, bedrijven en de agrarische sector om de groeiende vraag af te vlakken.

Paragraaf 3.2 Rolverdeling

De duurzame veiligstelling van de drinkwatervoorziening wordt beschouwd als een ‘dwingende reden van groot openbaar belang’ (artikel 2 Drinkwaterwet). Dit betekent dat bij bestuurlijke afwegingen een groot belang moet worden toegekend aan de drinkwatervoorziening. De rollen en verantwoordelijkheden rondom drinkwaterzijn als volgt:

Rijk:

  • Stelt landelijke wet- en regelgeving en beleid op: zoals de Drinkwaterwet, de Omgevingswet en de Beleidsnota Drinkwater.

  • Zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (artikel 2 Drinkwaterwet).

Provincie:

  • Zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (artikel 2 Drinkwaterwet).

  • Verantwoordelijk voor de beschikbaarheid en bescherming van drinkwaterbronnen.

  • Vergunningverlener voor grote industriële grondwateronttrekkingen (> 150.000 m3/ jaar) en voor alle grondwateronttrekkingen voor de openbare drinkwatervoorziening.

  • Medeaandeelhouder van drinkwaterbedrijf Vitens en daarmee verantwoordelijk voor de uitvoering van de drinkwatervoorziening in hun distributiegebied.

Gemeenten:

  • Zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (artikel 2 Drinkwaterwet).

  • Zorgplicht voor hemel- en grondwaterbeheer en inzameling stedelijk afvalwater.

Waterschappen:

  • Beheren het regionale watersysteem en kleinere industriële grondwateronttrekkingen (<150.000 m3/ jaar).

  • Zorgplicht voor duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening (artikel 2 Drinkwaterwet)

Drinkwaterbedrijf (Vitens):

  • Verantwoordelijk voor de duurzame uitvoering van productie en levering van voldoende drinkwater.

  • Leveringsverplichting binnen hun distributiegebied (artikel 3 Drinkwaterwet).

  • Samen met de veiligheidsregio’s verantwoordelijk voor de levering van nooddrinkwater in calamiteitensituaties.

Veiligheidsregio’s:

  • Samen met het drinkwaterbedrijf verantwoordelijk voor de levering van nooddrinkwater in calamiteitensituaties.

Paragraaf 3.3 Beschermingsbeleid drinkwaterwinningen

Overijssel telt 23 drinkwaterwinningen (Figuur 9. Overzicht drinkwaterwinningen en beschermingszones in Overijssel) voor de openbare drinkwatervoorziening. De meeste locaties produceren drinkwater van grondwater. Op de locaties Vechterweerd en het Engelse Werk wordt oevergrondwater gewonnen: oppervlaktewater dat eerst door een grondlichaam stroom voor een eerste natuurlijke zuiveringsstap. De provincie is verantwoordelijk voor de reservering van openbare drinkwaterbronnen en de bescherming ervan.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 9. Overzicht drinkwaterwinningen en beschermingszones in Overijssel

Voor de bescherming van drinkwaterbronnen worden gebieden rondom een waterwinning aangewezen als waterwingebied, grondwaterbeschermingszone, intrekgebied en/of boringsvrije zone (Figuur 10. Schematische weergave van de ligging van de beschermingszones intrekgebied, grondwaterbeschermingszone en waterwingebied). Elke zone kent een eigen beschermingsniveau, gebaseerd op de reistijd van het water naar de winput. De beschermingszones zijn vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening.

  • a.

    Waterwingebieden: Strikte bescherming; alleen activiteiten ten dienste van de drinkwatervoorziening zijn toegestaan;

  • b.

    Grondwaterbeschermingszones: Voorkomen van risicovolle activiteiten en risico’s voor de (grond)waterkwaliteit; bevordering van harmoniërende functies met lage risico’s;

  • c.

    Intrekgebied : Bescherming van het aanvoergebied; bevordering van duurzame functieverweving en berging en infiltratie van hemelwater. Dit regime geldt ook voor reserveringsgebieden voor drinkwater;

  • d.

    Boringsvrije zones: Verbod op activiteiten die schadelijk zijn voor de beschermende bodemlagen. Dit regime geldt rondom diepe drinkwaterwinningen en voor reserveringsgebieden.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 10. Schematische weergave van de ligging van de beschermingszones intrekgebied, grondwaterbeschermingszone en waterwingebied

Drinkwaterreserveringen, ook wel Aanvullende strategische grondwatervoorraden ( ASV-reservering ) zijn aangewezen om te voorzien in de toekomstige drinkwaterbehoefte. Hiervoor worden gebieden rondom potentiële drinkwaterwinningen aangewezen als intrekgebied of boringsvrije zone. De huidige reserveringen zijn de boringsvrije zone Salland Diep en boringsvrije zone Salland Diep Noord en de Intrekgebied Koppelerwaard, Bruchterveld en Daarle-Vriezeveen.

Naast de openbare drinkwaterwinningen zijn er ook industriële en eigen winningen. Bescherming van grondwater voor industriële toepassingen voor levensmiddelen of menselijke consumptie is belangrijk. Bedrijven zijn primair verantwoordelijk voor de bescherming van het grondwater dat zij onttrekken. Grondwateronttrekkingen voor industrie of drinkwater van 150.000 m3/jaar of meer hebben een provinciale vergunning nodig. Voor laagwaardige industriële toepassingen wordt geen vergunning verleend, tenzij er geen alternatieven voor zijn of deze een nadeliger effect hebben. Het economische belang van de industrie wordt hierbij meegewogen. Meer details over het beschermingsbeleid en de toegestane activiteiten kunnen gevonden worden in Bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid

Voor eigen winningen is vooralsnog geen specifiek provinciaal beschermingsbeleid vastgesteld. Aangenomen wordt dat deze winningen afdoende worden beschermd door de landelijke regels uit het Drinkwaterbesluit en de Drinkwaterregeling. Deze regels vormen de implementatie van de Europese Drinkwaterrichtlijn.

Paragraaf 3.4 Uitwerking beleid

De Provincie Overijssel, Vitens en de waterschappen Vechtstromen en Drents Overijsselse Delta hebben gezamenlijk de Adaptieve Strategie Drinkwater Overijssel (ASD) opgesteld. Adaptief betekent dat er wordt gehandeld vanuit een langetermijnstrategie, waarbij er bewust en transparant wordt omgegaan met toekomstonzekerheden. Dit maakt het mogelijk om tijdig bij te sturen en de strategie aan te passen wanneer ontwikkelingen daar aanleiding toe geven. Een belangrijke voorwaarde hiervoor is het vertalen van ruimtelijke en sociaaleconomische ambities naar scenario’s voor de drinkwatervraag, zodat het huidige en toekomstige aanbod van drinkwaterbronnen hierop getoetst kan worden.

Binnen de ASD wordt gewerkt aan drie sporen. Allereerst richten we ons op het vergroten van de wincapaciteit door voldoende reserveringsgebieden en drinkwaterbronnen aan te wijzen. Tegelijkertijd stimuleren we (drink)waterbesparing bij alle gebruikersgroepen, zodat de groeiende vraag beter kan worden opgevangen. Daarnaast versterken we de bescherming van bestaande drinkwaterbronnen, onder meer via ons beschermingsbeleid en de aanvullende beheersmaatregelen die volgen uit de gebiedsdossiers.

Sub-Paragraaf 3.4.1 Bescherming van huidige drinkwaterbronnen

Het beschermen van drinkwaterbronnen is cruciaal voor de toekomstige beschikbaarheid van schoon drinkwater. Daarom neemt de provincie een actieve rol in het behouden van de huidige winningen. In Overijssel zijn 23 drinkwaterwinningen (Figuur 9). Overzicht drinkwaterwinningen en beschermingszones in Overijssel), waarvoor momenteel wordt gewerkt aan een evaluatie en strategie om deze winningen te behouden, te beschermen en te versterken. De provincie neemt daarnaast de volgende maatregelen om de risico’s te beheersen en de waterkwaliteit te beschermen en te verbeteren:

  • a.

    Herijking van beschermingsbeleid: Bestaand beschermingsbeleid wordt getoetst op effectiviteit, actualiteit en volledigheid in het licht van ontwikkelingen, zoals klimaatverandering en opkomende vervuilende stoffen. Dit geldt voor de openbare drinkwatervoorziening, drinkwaterreserveringen en industriële en eigen winningen. De provincie brengt, samen met gemeenten en waterschappen, de benodigde aanscherpingen in beeld. Waar nodig worden strengere voorschriften toegepast om de risico’s op verontreiniging van het (grond)water te verminderen. Mogelijke maatregelen richten zich onder meer op Zeer Zorgwekkende stoffen (ZZS), PFAS, gewasbeschermingsmiddelen, IBA’s (installaties voor individuele behandeling van afvalwater), bodemenergiesystemen en de infiltratie van verontreinigd oppervlaktewater.

  • b.

    Gebiedsdossiers en aanvullende beheersmaatregelen: Voor elke waterwinning worden de risico’s periodiek in kaart gebracht in een gebiedsdossier. Samen met gemeenten, waterschappen en Vitens actualiseren wij de gebiedsdossiers elke zes jaar. Op basis hiervan stellen de betrokken partijen de uitvoeringsagenda Bescherming Drinkwaterbronnen op, met daarin gerichte beheersmaatregelen. De ontwikkeling en uitvoering van deze maatregelen gebeurt ook in samenwerking en kan, afhankelijk van de situatie variëren van een vrijwillige tot verplichtende aard.

  • c.

    Sturing op harmoniërende functies: Het is belangrijk om drinkwaterwinningen duurzaam in te richten en goed in te passen in het landschap. Voor bestaande winningen willen we daarom sturen op harmoniërende functies: functies bijdragen aan de bescherming van de (grond)waterkwaliteit en -kwantiteit. Voorbeelden hiervan zijn (niet-verdrogingsgevoelige) natuur, extensieve recreatie, parken of duurzame landbouw. Door drinkwaterwinningen te combineren met dergelijke functie(s), kan zowel de bescherming van de drinkwaterwinning als de ruimtelijke kwaliteit worden versterkt. Dit vraagt om een gebiedsgerichte aanpak, waarbij in gebiedsprocessen en proeftuinen, samen met betrokken partijen, wordt gewerkt aan oplossingen die passen bij het lokale watersysteem. Hiermee wordt de inbreuk op het natuurlijke systeem beperkt en schade aan functies zoals natuur en landbouw voorkomen. De gebiedsdossiers en Natura2000-beheerplannen vormen hiervoor een belangrijke basis. Daarnaast biedt het inspiratie ‘Win-win water: drinkwater voor nu en later!’ [5] een aantal goede praktijkvoorbeelden van dit soort gebiedsprocessen.

[5] Provincie Overijssel. (2015). Win-win water: drinkwater voor nu en later! Provincie Overijssel.

Sub-Paragraaf 3.4.2 Aanvullende bronnen en beschikbaarheid van extra productiecapaciteit

Binnen de Adaptieve Strategie Drinkwater (ASD) zijn afspraken gemaakt over het vergroten van de win- en reservecapaciteit voor drinkwater, door bestaande vergunningen en reserveringen te benutten en aanvullende drinkwaterbronnen aan te wijzen. Dit sluit aan bij de opdracht van het Rijk aan de regio’s om voldoende bronnen beschikbaar te hebben om de groeiende vraag tot 2040 op te vangen [6]. In landelijke watervraag scenario’s wordt rekening gehouden met verschillende groeibeelden, waarbij de regionale verstedelijkingsopgave binnen de bandbreedte van deze scenario’s vallen. Samen met Vitens verrijken en verfijnen we de prognoses om de toekomstige drinkwatervraag beter in beeld te krijgen. Hierbij worden ook ruimtelijk-economische ontwikkelingen en verwachte drinkwaterbesparing meegenomen.

Omdat het provinciale beleid inzet op een robuust water- en bodemsysteem, wordt voor nieuwe drinkwaterbronnen gezocht naar een passende landschappelijke inpassing. De focus ligt in eerste instantie op de lagere delen van Overijssel, waar effecten van drinkwaterwinning beperkt zijn of goed kunnen worden gemitigeerd. Dit betekent dat transport van drinkwater van west naar oost Overijssel noodzakelijk wordt, wat gepaard gaat met aanzienlijke investeringen in infrastructuur. Daarnaast wordt het systeem robuuster gemaakt door diversificatie van de drinkwaterbronnen. Hierdoor wordt afhankelijkheid van grondwater kleiner en spreiden we risico’s. Wij zetten daarbij in op:

  • Benutten van bestaande vergunningsruimte: niet alle vergunde capaciteit wordt momenteel benut, onder andere door technische beperkingen of omgevingseffecten. Op korte termijn richten we ons op het onderzoeken en benutten van latente vergunningsruimte en onbenutte productieruimte bij bestaande winningen.

  • Inzet van strategische grondwatervoorraden: Overijssel heeft vijf drinkwaterreserveringen, zie H3.3. Wij onderzoeken of en hoe deze reserveringen ontwikkelt kunnen worden tot drinkwaterwinningen. Meer reserveringen kunnen volgen als onderzoek voldoende drinkwaterpotentieel heeft aangetoond.

  • Diversificatie van drinkwaterbronnen : wij verkennen alternatieve drinkwaterbronnen, zoals de IJssel, Twentekanalen, polderwater en hergebruik van restwaterstromen. Afhankelijk van de haalbaarheid en het potentieel worden deze projecten verder uitgewerkt binnen de Adaptieve Strategie Drinkwater. Wanneer oppervlaktewater als drinkwaterbron wordt ingezet, zijn naar verwachting extra inspanningen nodig, onder andere op het gebied van waterkwaliteit.

  • Ontwikkelen van nieuwe winconcepten : de provincie ondersteunt de ontwikkeling van initiatieven door (mede)financiering van haalbaarheids- en milieueffectonderzoeken, subsidies voor innovatieve projecten te verstrekken en duidelijke richtlijnen voor ruimtelijke inpassing te ontwikkelen. Deze concepten kennen een lange ontwikkeltijd en vragen om innovatieve oplossingen. De diversificatie van drinkwaterbronnen vraagt bovendien om extra aandacht voor de waterkwaliteit en uitbreiding van het beschermingsbeleid. Voorbeelden van nieuwe winconcepten zijn circulaire winningen op de Sallandse Heuvelrug en het grootschalig benutten van oppervlaktewater uit de IJssel. Daarnaast verkennen we multi-bronconcepten, waarbij grond- en oppervlaktewater worden gecombineerd, en de mogelijke meerwaarde van ondergrondse opslag van geïnfiltreerd water als tijdelijke buffering.

  • Verbeteren van de drinkwaterinfrastructuur: een robuust drinkwatersysteem vraagt ook om voldoende transportcapaciteit, zeker door de keuze om nieuwe winningen in lagere delen te zoeken. We zetten in op het verbeteren van de infrastructuur, daarbij is het transport naar Twente een prioriteit.

6 Structuurvisie Ondergrond (STRONG), 2018

Sub-Paragraaf 3.4.3 Drinkwaterbesparing

Waterbesparing is essentieel om de drinkwatervraag af te vlakken en de druk op de drinkwaterwinningen te verlichten. Daarnaast helpt waterbesparing om op korte en middellange termijn te voorkomen dat nieuwe bedrijven en huizen niet kunnen worden aangesloten op het drinkwaternetwerk. Daarom werken we aan het Provinciaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing. Dit richt zich op een reductie in 2035 van het huishoudelijk drinkwatergebruik per hoofd van de bevolking naar 100 liter per dag en op een besparing van het drinkwatergebruik van 20% bij zakelijke gebruikers ten opzichte van de periode 2016-2019. Met dit plan onderschrijven wij de doelen uit het Nationaal Plan van Aanpak Drinkwaterbesparing. De provincie richt zich hierbij op drie sporen:

  • Huishoudens

    Vergroten van het bewustzijn rondom drinkwatergebruik door middel van communicatie en gedragsinterventies en het ontmoedigen van laagwaardig gebruik zoals tuinbesproeiing en zwembadjes.

  • Zakelijke gebruikers

    : Inzet op besparing en hergebruik van water bij alle zakelijke gebruikers in zowel industrie, MKB als landbouw, waardoor laagwaardig gebruik van drinkwater wordt voorkomen. Ook moedigen we samenwerking aan tussen ondernemers op bedrijventerreinen en stimuleren we ook innovatie om proceswater meer in te zetten in de industrie.

  • Waterbewust bouwen

    Bij nieuwbouw en renovaties inzetten op technieken zoals regenwatergebruik voor toiletten. Dit doen we om waterbewust bouwen te stimuleren zodat het in de toekomst de nieuwe standaard wordt. Dit vergt op termijn ook aanpassing van landelijke regelgeving, zoals het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hiervoor voeren wij een lobby bij het Rijk.

Paragraaf 3.5 Wat verwachten wij van onze partners

Om de doelen van het Regionaal Waterprogramma te bereiken, is samenwerking met verschillende partners essentieel. Wij verwachten het volgende van onze partners:

  • Rijk

    Een actieve betrokkenheid als aanjager en facilitator van een landelijk dekkend drinkwaternetwerk. Hiertoe ook voldoende bronnen oppervlaktewater voor beschikbaar stellen, waarbij het Rijk bevoegd gezag is voor de rijkswateren. Aanpassingen van wetgeving en lokale partijen in staat stellen hun rol te pakken. Belang van drinkwater blijven agenderen ten opzichte van alle andere belangen.

  • Gemeenten

    Actieve betrokkenheid bij het beheer van hemel- en grondwater, en participatie in gezamenlijke inzet op (drink)waterbesparing door huishoudens en (drink)waterbesparende maatregelen en woningbouw en -renovatie, integratie in van drinkwaterbescherming en besparing in ruimtelijke plannen. Verder een positieve grondhouding voor het realiseren van projecten ten dienste van de openbare drinkwatervoorziening, vanuit de zorgplicht.

  • Waterschappen

    Samenwerking bij het beheer van het regionale watersysteem en de uitvoering van maatregelen ter bescherming van drinkwaterbronnen. En een positieve grondhouding voor het realiseren en faciliteren van projecten en mitigerende maatregelen ten dienste van de openbare drinkwatervoorziening, vanuit de zorgplicht. Ook verwachten we dat waterschappen in de weging van het waterbelang aandacht vragen voor drinkwatervriendelijke en waterzuinige ontwikkelingen en een actieve bijdrage levert aan (drink)waterbesparing.

  • Drinkwaterbedrijf (Vitens)

    Continuïteit in de levering van schoon drinkwater, samenwerking bij het ontwikkelen van nieuwe bronnen en technieken, en actieve deelname aan monitoring en rapportage, en het realiseren van drinkwaterbesparing.

  • Bedrijven en industrie

    Voorkomen van onnodig laagwaardig gebruik van drinkwater. Verantwoordelijk gebruik van grondwater, naleving van vergunningen en beschermingsmaatregelen, en deelname aan initiatieven voor waterbesparing en hergebruik.

  • Inwoners

    Bewustwording en participatie in waterbesparende maatregelen, en verantwoord gebruik van drinkwater.

Paragraaf 3.6 Raakvlakken andere beleidsterreinen

Schoon drinkwater is een eerste levensbehoefte en essentieel voor een de volksgezondheid, één van de rode draden uit de omgevingsvisie. Dit vraagt om een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem, waarin voldoende drinkwater beschikbaar blijft en omgevingseffecten afwezig of minimaal zijn. Zowel waterkwaliteit als -kwantiteit zijn hiervoor van groot belang. Daarnaast kan een goede ruimtelijke inpassing van drinkwaterwinningen bijdragen aan het behalen van natuurdoelen en aan de bescherming van deze bronnen. Daarmee versterken drinkwaterwinningen ook de ruimtelijke kwaliteit, eveneens een rode draad uit de omgevingsvisie.

Drinkwater speelt bovendien een cruciale rol bij het realiseren van de woningbouwopgaven in Overijssel: een goed functionerend drinkwatersysteem is noodzakelijk om Vitens in staat te stellen aan de leveringsplicht voor huishoudelijk gebruik te voldoen. Dit vraagt om tijdige investeringen, onder andere in transportinfrastructuur, en om zorgvuldige ruimtelijke keuzes. In delen van Overijssel, met name Twente, staat de beschikbaarheid van drinkwater onder druk, waardoor drinkwater een belangrijke randvoorwaarde vormt voor duurzame verstedelijking en de ontwikkeling van bedrijventerreinen.

Het verbinden van drinkwater met andere beleidsterreinen, zoals verstedelijking, economie, natuur en landbouw, is daarom van groot belang om de drinkwatervoorziening duurzaam te borgen en maatschappelijke opgaven integraal te kunnen afwegen.

Hoofdstuk 4 Oppervlaktewatersysteem

Oppervlaktewateren leveren belangrijke diensten voor de samenleving, zoals zoetwatervoorziening (drinkwater, landbouw, natuur, industrie), transport (vaarwegen), waterzuivering, recreatie, verrijking en verkoeling van leefgebied en herbergen, in potentie, een hoge biodiversiteit. Om van deze diensten gebruik te kunnen maken, is voldoende water van goede kwaliteit noodzakelijk. Toenemende druk op oppervlaktewateren door onder andere klimaatverandering, emissies en waterbehoefte, staat zowel voldoende als schoon water in de weg.

Op Europees, nationaal en provinciaal niveau wordt zorg gedragen voor zowel voldoende als schoon water. Vanuit Europa zijn hiervoor verschillende richtlijnen opgesteld, zoals de Kaderrichtlijn Water, Vogel- en Habitatrichtlijn en de Zwemwaterrichtlijn. Op nationaal niveau wordt gewerkt aan strategieën, zoals Water en Bodem sturend, en programma’s, zoals het Deltaprogramma en de daartoe behorende Deltaplannen. Op provinciaal niveau wordt uitvoering gegeven aan deze strategieën en programma’s, denk bijvoorbeeld aan Zoetwatervoorziening Oost Nederland en Haarvaten op Peil. Dit hoofdstuk beschrijft hoe de provincie Overijssel handen en voeten geeft aan richtlijnen, strategieën en programma’s om zo de kwantiteit en kwaliteit van het oppervlaktewatersysteem te verbeteren.

Paragraaf 4.1 Doelen

  • Er is voldoende, schoon oppervlaktewater, dat ten minste voldoet aan de chemische en ecologische doelen van de Kaderrichtlijn Water.

  • De kwaliteit van de kleine wateren die geen KRW-waterlichaam zijn, wordt beschermd, en waar mogelijk, verbeterd.

  • Waardevolle kleine wateren zijn van dermate goede kwaliteit dat

    • a) deze ontbrekende schakel in het herstel van KRW-waterlichamen weer functioneert (bronnen en bovenlopen) en

    • b) de bij deze wateren horende biodiversiteit weer robuust is (vennen).We beperken de gevolgen van overstroming (Hoofdstuk 8 Waterveiligheid en wateroverlast) en perioden van droogte.

  • Het oppervlaktewatersysteem is klimaatadaptief ingericht zodat wateroverlast wordt voorkomen (opvangen piekafvoeren), natuur en biodiversiteit wordt ondersteund, en grondwateraanvulling wordt bevorderd (tegengaan verdroging).

  • Er zijn voldoende officiële zwemwaterlocaties beschikbaar waarbij vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar zijn afgestemd.

Paragraaf 4.2 Rolverdeling

De rollen en verantwoordelijkheden rondom oppervlaktewater zijn als volgt:

Rijk:

  • Wet- en regelgeving voor oppervlaktewater: de belangrijkste wet was de Waterwet. Deze is op 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. In het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) zijn de normen voor stoffen in oppervlaktewater vastgelegd.

Provincie:

  • Vaststellen doelen en begrenzing van KRW-waterlichamen

  • Verantwoordelijk voor bepaalde KRW-maatregelen

  • Aanwijzen van officiële zwemwateren.

Waterschappen:

  • Zorgplicht voor de zuivering van stedelijk afvalwater

  • Verantwoordelijk voor:

    • het beheer van het regionale oppervlaktewatersysteem

    • de KRW-monitoring

    • de KRW-inrichtingsmaatregelen in het regionale watersysteem

    • de monitoring van zwemwaterlocaties

Gemeenten:

  • Zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater, hemelwater, en grondwater. De uitwerking van deze zorgplicht staat in het gemeentelijk rioleringsplan (GRP). Voor hemel- en grondwater kunnen ook regels gesteld worden in gemeentelijke verordeningen.

Terreinbeherende organisaties:

  • Beheer van hun eigen terreinen

  • Zorgplicht voor een goede waterkwaliteit

Paragraaf 4.3 Uitwerking bestaand beleid

Voor een goed functionerend oppervlaktewatersysteem is zowel waterkwantiteit als waterkwaliteit van belang. In deze paragraaf wordt eerst kort aandacht besteed aan waterkwantiteit. Vervolgens wordt ingegaan op beleid rondom waterkwaliteit. Uitwerking van het beleid ten aanzien van waterveiligheid en -overlast is te vinden in hoofdstuk 8. Beleid over droogte, een steeds urgenter onderwerp, wordt in deze paragraaf alleen geadresseerd in termen van zoetwatervoorraad. Waterkwantiteit specifiek onder de KRW (hydromorfologie) is opgenomen in Sub-Paragraaf 4.3.3 Waterkwaliteit: KRW). Andere aspecten van droogte, zoals bodemdaling, uitdroging dijken, broeikasgasemmissies worden de komende tijd nog nader uitgewerkt.

Sub-Paragraaf 4.3.1 Waterkwantiteit

Waterkwantiteit is op orde wanneer er niet te veel (overlast en overstromingen) en niet te weinig (droogte) oppervlaktewater is voor de functies die gebruik maken van oppervlaktewater. Deze benadering geldt enkel voor de functies die passend zijn bij de locatie volgens het principe ‘functie volgt peil’. Een gefaseerde overgang van de bestaande naar een meer risicogestuurde normering van wateroverlast wordt aangekondigd in de te herijken Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie Paragraaf 8.4 Wat verwachten wij van onze partners. Voor situaties waar huidige functie en gewenst peil conflicteren, zetten we in op een aanpak om het beleidsdoel klimaatrobuust in 2050 te behalen. Hiervoor zijn adaptiepaden noodzakelijk: realistische, gefaseerde routes die recht doen aan bestaande functies en belangen en die tegelijkertijd perspectief bieden om op termijn te komen tot een klimaatbestendige inrichting.

Een grilliger wordend klimaat leidt tot meer intense regenbuien maar ook tot langere perioden van droogte: dit heeft effect op de waterkwantiteit in Overijssel. Daarbij komt dat de focus van het waterbeheer lange tijd heeft gelegen op het snel afvoeren van water. Hierdoor is het huidige systeem met zijn kanalen, sloten en doorsneden grondwaterlagen, weinig toegerust op het vasthouden van water. Onder het veranderende klimaat nemen de effecten van droogte daarmee toe. Het effect daarvan – het tekort aan water – is in veel delen in Overijssel evident: beken vallen droog, natuur verdroogt en agrariërs hebben een verminderde oogstopbrengst. Zoetwatervoorraden zijn dus niet altijd toereikend.

Naast de toename in droogte, is er ook sprak van wateroverlast door hevige(re) regenval: straten lopen onder en agrarische percelen zijn soms niet bewerkbaar. De ondervonden effecten van hevigere regenval zijn het resultaat van een samenspel met waterafvoer en ondergrond: riolen zijn niet berekend op de omvang van neerslag, agrarische percelen hebben door verdichting en beperkte hoeveelheid organisch materiaal weinig infiltratie capaciteit, en bodems slaan dicht na een langere periode van droogte. In de regionale klimaatstresstesten van de DPRA-regio’s is met name aandacht voor de binnenstedelijke effecten; de bovenregionale stresstest wateroverlast (zie ook Sub-Paragraaf 8.3.3 Bovenregionale stresstest wateroverlast) kijkt vanuit een hoger abstractiegebied naar het hele stroomgebied. Oplossingen om met hevigere regenval om te gaan zijn zowel technisch (riolering) als natuurlijk (sponswerking van het landschap).

Sub-Paragraaf 4.3.2 Waterkwantiteit: wat doen wij?

Klimaatverandering zorgt voor toename van de extremen, zowel wat betreft te veel als te weinig aan water. Hoewel wateroverlast ook van belang is voor een klimaatbestendig en robuust watersysteem, ligt de nadruk in dit hoofdstuk op droogte. Hoofdstuk 8 gaat wel verder in op wateroverlast en waterveiligheid.

De perioden van droogte worden langer, wat vraagt om een klimaatbestendigere zoetwatersysteem sturing: het beter vasthouden en bergen van zoetwater zodat het beschikbaar is ten tijde van droogte. Een waterrobuust systeem vraagt om voldoende levering van zoetwater aan verschillende functies. Ook wanneer door klimaatverandering tijdelijk minder oppervlaktewater beschikbaar is. Uitgaande van het principe functie volgt peil, betekent een toekomstig waterrobuust systeem ook dat niet voor alle functies altijd water beschikbaar is. Omdat de huidige situatie vaak niet op die manier is ingericht, zetten we in op een transitie naar funcitie volgt peil. Doelstelling is om in 2050 klimaatrobuust te zijn.

De beleidsaanpak voor zoetwaterbeschikbaar ten tijden van droogte in Overijssel is als volgt:

  • Langere termijn ruimtelijke functie-indeling (water en bodem sturend)

  • Vergroten van sponswerking

  • Duidelijkheid over waterverdeling ten tijde van droogte (waterakkoorden en verdringingsreeks)

  • Vergroten van de waterbeschikbaarheid (Zoetwatervoorziening Oost Nederland)

  • In de hogere delen meer water vasthouden door opvangen van piekbuien (Haarvaten op Peil)

Water en bodem sturend

Het principe van Water en Bodem sturend is nodig voor een klimaatbestendig en waterrobuust oppervlaktewatersysteem in termen van waterkwantiteit. Het principe is de kapstok om na te denken over welke functies waar passend zijn, zowel qua watervraag als qua wateroverlast. Een belangrijk uitgangspunt is hierbij dat niet alles overal kan (functie volgt peil) en dat daarmee aanpassing van functies en landgebruik op termijn nodig kan zijn. En alsnog is dit geen garantie voor voldoende water, zie hiervoor de verdringingsreeks (later in deze paragraaf).

Om klimaatbestendige en waterrobuuste zoetwatervoorraden te realiseren kijken we provinciebreed. Belangrijke onderdelen aan zoetwatervoorraden zijn topografie, ondergrond en watervraag. Een eerste indeling op basis van topografie en verschillen in ondergrond heeft geleid tot een ruimtelijke ordening om neerslag maximaal te benutten binnen aanvaardbare overlast en overstromingsrisico’s [7]. Deze gebiedsdifferentiatie leidt tot:

  • Het vergroten van de sponswerking en het laten infiltreren van water in de hoge zandgronden zonder wateraanvoer.

  • Het opvangen van extremen in neerslag en het vasthouden van water in de zandgronden met wateraanvoer, en door de IJssel, Vecht en Delta.

  • Geleidelijke vernatting in de veen(weide)gebieden.

Naast de gebiedsdifferentiatie zijn lokale waterbalansen (wateraanvoer, -afvoer, en -vraag) nodig om het water in Overijssel zo goed mogelijk over verschillende functies te verdelen. De waterbalansen zijn input voor het opstellen van maatregelen om de lokale watervraag vorm te geven en af te stemmen op (toekomstig) beschikbare zoetwatervoorraden. De waterbalansen worden uitgewerkt in zogenaamde grondwateronttrekkingplafonds.

Vergroting sponswerking

Met de sponsstrategie wordt het landschap zo benut dat water zo goed mogelijk wordt vastgehouden, geborgen en vertraagd wordt afgevoerd. De sponsstrategie vraagt om maatregelen zoals vergroenen, infiltreren, ontstenen, bodems verbeteren, watergangen verbinden en natuurlijke buffers vergroten. Uiteindelijk leiden deze maatregelen tot vermindering van wateroverlast, versterking van de biodiversiteit en zorgt dit voor een veerkrachtig watersysteem dat beter is voorbereid op extremere weersomstandigheden.

Provincie Overijssel is actief betrokken bij de regionale sponsstrategie van Regio Zwolle (zie ook Sub-Paragraaf 2.3.5 Verstedelijkingsstrategieën). Deze sponsstrategie is gericht op maatregelen om water te infiltreren, vertragen en te bergen om zo de sponswerking van het landschap te vergroten. Ook het maatregelenprogramma Zoetwatervoorziening Oost Nederland (ZON) gaat uit van sponsmaatregelen. ZON is een deelprogramma van het landelijke Deltaprogramma Zoetwater. ZON richt zich op het vergroten van de waterbeschikbaarheid. In de eerste fase (2016 – 2021) is door maatregelen de wateraanvoer in droge perioden duidelijk verbeterd, met name door het beter vasthouden van water. De tweede fase (2022 – 2027) omvat maatregelen gericht op het aanvullen van grondwater, waterbesparing en vermindering van de watervraag, en ruimtelijke adaptatie.

Specifiek voor de hogere delen in de provincie Overijssel waar geen wateraanvoer is, is in 2022 het uitvoeringsprogramma Haarvaten Op Peil (HOP) gestart. Provincie, waterschappen, Natuur-monumenten, Staasbosbeheer, Landschap Overijssel en het Overijssels Particulier Grondbezit werken samen aan een klimaatbestendig en waterrobuust systeem door in de grond meer water vast te houden en piekbuien op te vangen. In 2028 start fase drie, het werkprogramma wordt najaar 2026 vastgesteld in het RBO, de bestuursovereenkomst volgt medio 2027.

Ook de veenweidestrategie maakt gebruik van de sponsstrategie als basis, alhoewel de veenweidestrategie primair gericht is op het vastleggen van CO2 en het beperken van bodemdaling. Veenweidegebieden dragen echter ook bij aan een klimaatbestendiger zoetwatervoorziening door de berging van water in het bovenste grondwater. Ook andere natuurtypen dan veenweide kunnen een bijdrage leveren aan het vergroten de sponwerking van het landschap. Afstemming tussen provinciaal natuur- en waterbeleid op dit precieze onderwerp wordt nog geconcretiseerd, maar gaat in ieder geval gebiedsgericht uitgewerkt worden.

Provinciale projecten die ook bijdragen aan een klimaatbestendig en waterrobuust systeem zijn projecten waar meer groen wordt gecreëerd: deze projecten vergroten de infiltratiecapaciteit en berging van water in het bovenste grondwater. In het Aanvalsplan Landschap , onderdeel van het Deltaplan Biodiversiteitsherste l, wordt gewerkt aan het vergroten van het aandeel van groenblauwe dooradering tot tenminste 10% van het landelijk gebied. Dit was 6% in 2022. Het areaal van de groenblauwe dooradering is aanvullend op het areaal van het Nederlands Natuur Netwerk (NNN).

Waterakkoorden en de verdringingsreeks

Water is een belangrijke levensbehoefte. De provincie heeft daarom in waterakkoorden afspraken gemaakt met Rijkswaterstaat en de waterschappen over wateraanvoer en verdeling vanuit het hoofdwatersysteem onder verschillende scenario’s. Het gaat concreet om waterakkoorden voor het Twentekanalengebied, IJsselmeergebied en Meppelerdiep-Overijsselse Vecht. De provincie is als regionaal waterbeheerder ook deelnemer in de RDO's (Regionale Droogte Overleg) voor het Twentekanalengebied en het IJsselmeergebied (o.a. Noordwest Overijssel).

Tijdens droogte is het nu nog mogelijk om water aan te voeren naar gebieden zonder natuurlijke wateraanvoer, zoals delen van de hoge zandgronden. In de toekomst wordt door klimaatverandering wateraanvoer minder zeker en kan het zijn dat in een aantal gebieden in Oost-Overijssel geen of minder wateraanvoer mogelijk is. Vanuit Water en Bodem Sturend zijn scenario’s van ruimtelijke ordening onderzocht om op langere termijn ervoor te zorgen dat droogte zo min mogelijk schade veroorzaakt aan verschillende functies (onder meer door de toepassing van het principe functie volgt peil).

Om duidelijkheid te verschaffen over waterbeschikbaarheid voor verschillende functies ten tijde van droogte heeft Nederland een landelijke verdringingsreeks opgesteld. Deze reeks schetst de mate van toegang van functies tot oppervlaktewater in tijden van droogte (Figuur 11). Hoewel deze verdringingsreeks effectief niet bijdraagt aan een waterrobuust systeem, geeft het wel inzicht wat verschillende functies in de toekomst kunnen verwachten. Bij de verwachte toename van droogte kan de reeks een denkwijze van een meer klimaatbestendige en waterrobuuste ruimtelijke ordening stimuleren.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 11. De verdringingsreeks voor de oppervlaktewaterverdeling ten tijden van droogte.

De categorieën 1 en 2 van de verdringingsreeks worden landelijk vastgesteld in het Bkl. Naast de landelijke verdringingsreeks heeft provincie Overijssel voor de categorieën 3 en 4 ook regionale verdringingsreeksen vastgelegd in artikel 5.21 en 5.22 van de Omgevingsverordening. Deze regionale verdringingsreeksen vervangen hiermee de categorieën 3 en 4 van de landelijke verdringingsreeks. In Overijssel zijn de regionale verdringingsreeksen voor het Twentekanalen-gebied van belang (zie bovenstaande figuur en die voor het IJsselmeergebied. De verdringingsreeksen zijn nagenoeg identiek, maar voor de Twentekanalen is in categorie vier de activiteit ‘doorspoeling in geval van (de kans op) acuut risico voor de volksgezondheid’ extra opgenomen.

7 Sweco (2023): “Water en bodem sturend in de provincie Overijssel’, Sweco-rapport 51011587

Sub-Paragraaf 4.3.3 Waterkwaliteit: KRW

De Kaderrichtlijn Water (KRW) is sinds 22 december 2000 het leidend beleid voor oppervlaktewateren en grondwater van de Europese lidstaten. De uitvoering van de KRW vindt plaats via het RWP, omdat dit de plek is waar de maatregelen voor de uitvoering van de KRW en de omgevingswaarden worden vastgelegd. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de KRW voor oppervlaktewateren. Hoofdstuk 5 behandelt grondwater in relatie tot de KRW.

De KRW is van toepassing op KRW-waterlichamen, dit zijn de waterlichamen waarover aan Brussel wordt gerapporteerd [8] in zogenaamde KRW-factsheets (zie Bijlage VI KRW factsheets). De KRW is ook van toepassing op ‘overige wateren’, maar hier wordt niet over gerapporteerd. Het onderscheid tussen KRW-waterlichamen en overige wateren is puur de omvang: alleen grotere waterlichamen zijn aangemerkt als KRW-waterlichamen. Voor zowel KRW-waterlichamen als overige wateren zijn doelen opgesteld. Voor de KRW-waterlichamen zijn de maatregelen om de gestelde doelen te halen vastgelegd in Stroomgebiedsbeheerplannen (SGBP’s).

De onderverdeling in KRW-wateren en overige wateren op basis van omvang van een waterlichaam heeft de nadruk gelegd op het bereiken van een goede chemische en ecologische kwaliteit van de grotere waterlichamen. De KRW gaat echter uit van een stroomgebiedsbenadering: dus inclusief de overige wateren. Voor de overige wateren (‘overige wateren’, Figuur 12) gelden daarom ook de volgende algemene KRW-doelstellingen:

  • Het voor verdere achteruitgang behoeden, beschermen en verbeteren van aquatische ecosystemen, inclusief, wat de waterbehoeften ervan betreft, terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden die rechtstreeks afhankelijk zijn van oppervlaktewater. Dit geldt voor de huidige situatie, maar ook in de toekomst: oftewel, er moet geanticipeerd worden op eventuele negatieve effecten van klimaatverandering.

  • Het bevorderen van het duurzaam gebruik van water op basis van bescherming van de beschikbare waterbronnen op lange termijn.

  • Het beschermen van het aquatische milieu door lozingen van verontreinigende stoffen stop te zetten of te verminderen.

  • Het voorkomen van afwenteling van waterkwaliteitsproblemen van ingelaten water op ontvangend water uit onder andere de IJssel, het IJsselmeer en de Twentekanalen of vanuit kleine wateren naar KRW-waterlichamen.

  • Het beperken van de gevolgen van overstromingen en perioden van droogte.

Binnen zowel de KRW-waterlichamen als de overige wateren zijn zogenoemde ‘beschermde gebieden’ aangewezen. In deze gebieden gelden aanvullende omgevingswaarden of doelen. Voor oppervlaktewater in Overijssel betreft dit de volgende type beschermde gebieden: zwemwater en Natura2000 (Figuur 12). Specifiek voor overige wateren bestaat een subcategorie: Waardevolle Kleine Wateren (WKW). Dit zijn kleinere wateren met een hoog potentieel aan biodiversiteit.

8 De rapportage wordt uitgevoerd door de waterschappen. Het Informatiehuis Water – een samenwerkingsverband tussen het Rijk, de provincies en de waterschappen – beheert de verzamelde data en de factsheets.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 12. Onderverdeling van oppervlakte wateren in categorieën in navolging van de KRW in de Provincie Overijssel. Let op dat beschermde gebieden zowel in KRW-wateren voorkomen als in overige wateren.

De KRW-waterlichamen

De KRW-waterlichamen zijn onderverdeeld in een aantal ‘watertype’, waarbij elk watertype zijn eigen doelen heeft. In hoeverre een doel bereikt is wordt getoetst aan de toestand (=de beoordeling) van de KRW-waterlichamen. De toestand is opgebouwd uit een aantal tussen-beoordelingen (Figuur 13):

  • chemische stoffen;

  • fysisch-chemische parameters;

  • biologische parameters (flora en fauna).

De tussenbeoordelingen leiden tot twee uiteindelijke beoordelingen:

  • de chemische toestand, gebaseerd is op 45 prioritaire stoffen of groepen van stoffen[1]

  • de ecologische toestand, opgebouwd uit de beoordeling van:

    • de ‘biologische kwaliteit’ (4 biologische parameters);

    • de ‘algemene fysisch-chemische kwaliteit’ (zeven parameters);

    • de kwaliteit van de ‘hydromorfologie’;

    • de kwaliteit van de ‘specifiek verontreinigende stoffen’ (77 stoffen, vastgesteld per stroomgebied).

Alleen wanneer de ‘biologische kwaliteit’ als goed beoordeeld is, worden de beoordelingen van de ‘fysisch-chemische kwaliteit’, en de kwaliteit van de ‘hydromorfologie’ en ‘specifiek verontreinigende stoffen’ beschouwd voor het onderscheid tussen een matige, goede en zeer goede ecologische kwaliteit. De mate van passende ‘hydromorfologie’ voor het watertype is alleen van belang voor het onderscheid tussen goede en zeer goede kwaliteit. Voor zowel de chemische als de ecologische beoordeling wordt het ‘one out, all out’ principe gehanteerd: als één stof of één biologische maatlat niet voldoet, dan voldoet het waterlichaam niet.

9 Dat waren er vanaf 2008 33, maar sinds 2013 45. De toegevoegde stoffen hebben een evenredig vertraagde deadline om aan de normen te voldoen

De chemische beoordeling wordt getoetst aan doelen die voor ieder watertype hetzelfde zijn. De ecologische beoordelingen worden getoetst aan doelen die specifiek per waterlichaam zijn opgesteld. Het ecologische doel voor natuurlijke wateren wordt vastgesteld ten opzichte van een natuurlijke referentie, de Goede Ecologische Toestand (GET). De GET is afhankelijk van het watertype. Voor sterk veranderde wateren is een natuurlijke referentie als doel niet realistisch. Voor deze wateren wordt een lager doel vastgesteld: het Goede Ecologische Potentieel (GEP). Ook voor kunstmatige wateren worden doelen aan het GEP getoetst.

De deadline voor het halen van de gestelde doelen is 2027. Echter, ook na 2027 blijft de verplichting bestaan om de ecologische en chemische toestand van oppervlaktewateren niet achteruit te laten gaan, deze te beschermen en, indien van toepassing, te verbeteren.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 13. Beoordeling oppervlaktewaterkwaliteit volgens Kaderrichtlijn Water (bron: www.clo.nl). Inmiddels is het aantal stoffen aangepast dat de chemische toestand bepaalt van 33 naar 421.

Verantwoordelijkheden Provincie

De provincie is verantwoordelijk voor een aantal onderdelen in de KRW:

  • De geografische ligging van de KRW-wateren af te kaderen;

  • Vaststellen of een KRW-water ‘natuurlijk’, ‘sterk veranderd’ of ‘kunstmatig’ is;

  • Per KRW-water een watertype toe te kennen;

  • Het doel voor het KRW-water vaststellen;

  • Indien van toepassing, fasering maatregelen te motiveren;

  • Het behalen van de gestelde doelen.

Bovenstaande provinciale verantwoordelijkheden gelden alleen voor de regionale KRW-waterlichamen die in beheer zijn bij de waterschappen. De provinciale taken voor Rijkswateren worden uitgevoerd door Rijkswaterstaat.

Begrenzing en watertype van waterlichamen

In de provincie Overijssel liggen 88 KRW-wateren verspreid over drie verschillende waterbeheer-gebieden (Drents Overijsselse Delta, Rijn en IJssel en Vechtstromen). Deze oppervlaktewateren zijn onderverdeeld in 12 watertypen (Tabel 3). Er zijn 59 van deze wateren zijn aangemerkt als ‘sterk veranderd’ en 29 als ‘kunstmatig’.

De KRW-waterlichamen die aangemerkt zijn als ‘sterk veranderd’, zijn door menselijke ingrepen in de hydromorfologie van het waterlichaam zodanig van karakter veranderd dat een goede ecologische toestand niet meer te realiseren is zonder significante schade aan gebruiksfuncties. ‘Kunstmatige’ wateren zijn ontstaan door vergraving. Voor beide categorieën wordt daarom een passend GEP en geen GET afgeleid. De GEPs zijn terug te vinden in de KRW-factsheets.

Tabel 3. Overzicht van het aantal KRW-wateren in provincie Overijssel, onderverdeeld naar watertype en waterbeheerder. WDOD: Waterschap Drents Overijsselse Delta, WRIJ = Waterschap Rijn en IJssel, WVS = Waterschap Vechtstromen. SV + Sterk veranderde wateren, KM = Kunstmatige wateren.

afbeelding binnen de regeling

Vaststellen van doelen en normen

De doelen van de Overijsselse waterlichamen worden, op voordracht van de waterbeheerders, vastgesteld door de provincie. De KRW-doelen zijn als omgevingswaarden opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (art. 2.10 en 2.11 Bkl, 2024). Waar de doelen vastgesteld zijn, verschilt per parametergroep. Prioritaire stoffen en groepen van stoffen zijn op Europees niveau normen vastgesteld en gelden voor elk Europees KRW-waterlichaam (art. 2.10 Bkl). De normen voor de ‘overige relevante stoffen’ zijn vastgesteld op stroomgebied niveau en opgenomen in het derde SGBP. Biologische doelen zijn per KRW-waterlichaam opgesteld, en ook opgenomen in het SGBP. Het document is onder andere te downloaden via de IPLO website en de SGBP achtergronddocumenten zijn te vinden in Bijlage VII SGBP achtergronddocumenten. De normen voor fysisch-chemische stoffen (Tabel 4) zijn per watertype op Rijksniveau vastgesteld (art. 2.11 Bkl, 2024).

De vastgestelde doelen moeten in 2027 bereikt zijn. In de interpretatie van de Europese Commissie betekent dit dat de maatregelen, die nodig zijn om de doelen te bereiken, uiterlijk in 2027 moeten zijn uitgevoerd. Eind 2027 moeten de waterbeheerders verantwoording afleggen over het al dan niet bereiken van doelen. Het Rijk heeft een aantal handreikingen opgesteld over eventuele uitzonderingsbepalingen wanneer doelen niet worden gerealiseerd. Samen met de waterschappen beoordelen we of eventuele aanpassingen van doelen aan de orde is.

Tabel 4. Normen voor de fysisch-chemische parameters per watertype voor de klasse ‘Goed’.

Parameter

R5, R6

R7

R12

R20

M1a

M3, M6a, M10

M7b

M8

M20

M27

pH

5.5-8.5

6.0-8.5

4.5-6.5

4.5-5.57.0-8.5*

5.5-8.5

5.5-8.5

5.5-8.5

5.5-8.0

6.5-8.5

5.5-7.5

N-totaal (mg N/l)

≤2,3

≤2,5

≤2,3

≤2,3

≤2,4

≤2,8

≤3,8

≤2,4

≤0,9

≤1,3

Fosfaat (mg P/l)

≤0,11

≤0,14

≤0,11

≤0,11

≤0,22

≤0,15

≤0,25

≤0,22

≤0,03

≤0,09

Temperatuur (°C)

<25

<25

<23

<25

<25

<25

<25

<25

<25

<25

Doorzicht (m)

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

≥0,65

≥0,65

n.v.t.

≥1,7

≥0,9

Zoutgehalte (mg Cl/l)

≤150

≤150

≤150

≤150

≤150

≤300

≤300

≤300

≤200

≤200

Zuurstofverzadiging (%)

70-120

70-120

70-120

90-120

35-120

40-120

40-120

35-120

60-120

60-120

* is respectievelijk zuurder of basischer dan voor de klasse ‘Zeer goed’.

Overige wateren

Waardevolle, kleine wateren (WKW).

Dit zijn wateren met een hoge biodiversiteit en landschappelijke waarde en omvatten bronnen, bovenlopen en vennen. Afhankelijk van de mate van connectie met de grotere KRW-waterlichamen is een goed ecologisch functioneren van WKW van belang voor het herstel van de KRW-waterlichamen. Daarnaast voegt het herstel en bescherming van WKW-waarde toe voor verspreiding en migratie van flora en fauna, het landschap, ruimtelijke kwaliteit en recreatie. De provincie heeft de WKW in 2009 vastgesteld.

Voor de WKW worden alleen ecologische doelen nagestreefd (Bijlage IX Factsheets waardevolle kleine wateren). Voor het behalen van de doelen zijn en worden samen met de waterschappen maatregelen gedefinieerd. Doorzetting van monitoring van de waterschappen is nodig voor het toetsen van de doelen.

Voor de WKW gelden bij inwerkingtreding van dit RWP de volgende beleidsregels:

  • De normen voor de prioritaire stoffen (bestrijdingsmiddelen, zware metalen en andere toxische stoffen) en de specifiek verontreinigende stoffen zoals vastgelegd in het Bkl (2024).

  • De normen worden gehandhaafd via een systeem van lozingsvergunningen en de waterschapsverordening, waarvoor de waterschappen verantwoordelijk zijn. Zonder vergunning of ontheffing zijn lozingen op het oppervlaktewater of hydromorfologische ingrepen niet toegestaan.

  • Alle waardevolle kleine wateren dienen beschermd te worden tegen achteruitgang van de (aquatisch) ecologische waarde. Waar nodig moeten maatregelen worden genomen om achteruitgang te voorkomen, tenzij een zwaarder wegend maatschappelijk belang hierdoor gehinderd wordt (zoals Europese verplichtingen en drinkwaterwinning).

Overige wateren

Dit zijn wateren die zowel geen KRW-waterlichaam als geen WKW zijn. Deze wateren liggen in stedelijk en landelijk gebied en omvatten tenminste 75% van al het oppervlaktewater in Overijssel. De doelen voor de overige wateren in Overijssel betreffen het niveau “goed” zoals gesteld in de STOWA handleiding voor afleiding van doelen voor overig water (STOWA 2013 [10]) en richten zich op de ecologie ondersteunende fysisch-chemische parameters.

Verwacht wordt dat de gestelde doelen voor overige wateren gehaald worden door uitvoering van ander bestaand of verwacht beleid. Denk hierbij aan Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON), de aanpak van stikstof in de landbouw (7e en 8e Nitraatactieprogramma), de visie op landbouw van het ministerie van LNV, de evaluatie van regelgeving voor meststoffen (door LNV) en de ‘toekomstvisie gewasbescherming 2030 naar weerbare planten en teeltsystemen’ of Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).

Beschermde gebieden

Naast de KRW kan voor specifieke oppervlaktewateren ook andere wet- en regelgeving van kracht zijn. Dit is het geval in de zogeheten ‘beschermde gebieden’, waar ofwel de zwemwaterrichtlijn (ZWR) of Natura2000 (vogel/habitatrichtlijn, N2000) verdere eisen stelt aan de kwaliteit van het water.

De Zwemwaterrichtlijn stelt aanvullende regels op de KRW-normen voor officiële zwemwaterlocaties voor waterkwaliteit om de gezondheid van de mens te beschermen. Deze regels zijn van toepassing op de door de provincie aangewezen zwemwateren (Figuur 14, Bijlage VIII Zwemwater). De provincie waarborgt de veiligheid van zwemmers door regelmatige inspecties uit te voeren en gevaarlijke objecten op de bodem te signaleren en daar actie op te ondernemen, duidelijke drijflijnen voor zwemgebieden te bieden en informatieve borden te plaatsen om zwemmers te informeren over regels en risico's. De waterschappen monitoren de waterkwaliteit (zie Sub-Paragraaf 4.4.2 Zwemwater). Op basis van deze monitoring kan de provincie een negatief zwemadvies uitgeven. Daarnaast kan de provincie een zwemlocatie tijdelijk sluiten wanneer er sprake is van ernstige verontreiniging of gevaarlijke situaties. Actuele informatie over deze locaties is te vinden op de website www.zwemwater.nl.

Alle Natura 2000‑gebieden vallen onder de beschermde gebieden van de KRW. Dat betekent dat voor deze gebieden aanvullende KRW‑eisen gelden en dat maatregelen vastgelegd worden in waterprogramma’s en de SGBP’s. De KRW‑doorwerking beperkt zich echter tot de wateropgave in en rond deze gebieden, maar omvat zowel waterkwantiteit als ‑kwantiteit. De afstemming tussen provinciaal natuur- en waterbeleid, waarbij gezocht wordt naar versterking in plaats van het halen van gestelde doelen, wordt onder dit RWP verder geconcretiseerd.

Naast bovengenoemde types beschermde gebieden, heeft de provincie de mogelijkheid om maatschappelijke functies aan (alle) oppervlaktewateren toe te kennen, zoals recreatie of natuur (artikel 4.4 Bkl). Het vastleggen van maatschappelijke functies biedt een duidelijk kader bij het beoordelen van aanvragen voor omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen (artikel 8.22 Bkl) of voor een wateractiviteit (artikel 8.84 Bkl). Daarnaast kan de functieaanwijzing ook helpen om bij het uitwerken van bijvoorbeeld het water en bodem sturend principe (infiltratie, vasthouden of vernatten).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 14. Locaties van zwemwateren in Overijssel.

10 STOWA (2013): “Referenties en Maatlatten voor overige wateren (geen KRW-waterlichamen)”, STOWA-rapport 2013-14.

Sub-Paragraaf 4.3.4 Waterkwaliteit: wat doen wij verder?

Tot en met 2027 maar ook daarna, is het KRW-beleid het meest prominente beleid voor het verbeteren van de chemische en biologische kwaliteit oppervlaktewateren. Daarnaast hebben we echter ook aanvullend beleid. De aanpak om de waterkwaliteit te verbeteren heeft de komende jaren de volgende beleidsmatige focuspunten:

  • a.

    Voldoen aan de gestelde KRW-doelen door:

    • 1.

      Uitvoeren van maatregelen

      • I.

        .Vastgestelde maatregelen

      • II.

        KRW-Impuls

      • III.

        Stroomgebiedbeheerplannen

    • 2.

      Verlagen van buitenlandse belasting.

    • 3.

      Verbeteren van de toestand van de Waardevolle Kleine Wateren.

    • 4.

      Verbeteren van de toestand van de Overige wateren.

  • b.

    Goede zwemwaterkwaliteit onder een veranderend klimaat behouden.

  • c.

    Verdere afstemming tussen natuur- (N2000, NNN) en KRW-beleid.

Voldoen aan de gestelde KRW-doelen door:

Uitvoering reeds vastgestelde maatregelen

De staat van de Overijsselse KRW-waterlichamen aan het begin van de derde planperiode van de KRW (2021) is vastgelegd in factsheets (zie de Bijlage VI KRW factsheets). Voor de chemische toestand voldoet op dit moment geen van de Overijsselse waterlichamen. De oorzaak is de aanwezigheid van zowel de initieel vastgestelde als de later toegevoegde ubiquitaire stoffen (stoffen die niet meer geloosd mogen worden). De normen voor de niet-ubiquitaire stoffen worden voor veel waterlichamen wel gehaald.

De ecologische toestand is op dit moment voor geen van de Overijsselse waterlichamen ‘goed’. De oorzaak is het niet halen van alle normen van de specifiek verontreinigende stoffen (‘one out, all out’). Voor het ‘biologie totaal’ oordeel ligt dit anders. Een aantal waterlichamen bevinden zich in de klasse ‘goed’. Daarnaast bevinden veel deelmaatlatten zich ook in de klasse ‘goed’. Echter, voor de deelmaatlat ‘vis’ bevinden een aantal waterlichamen zich in de klasse ‘slecht’.

Stroomgebiedbeheerplannen (SGBP)

Voor het behalen van de vastgestelde doelen zijn in het derde SGBP-maatregelpakketten op- en vastgesteld. De maatregelpakketten worden voornamelijk uitgevoerd door de waterschappen (zie Sub-Paragraaf 4.4.1 KRW-waterlichamen). Voor de periode 2028-2033 wordt een vierde SGBP opgesteld in samenwerking met het Rijk en Waterschappen

Hoewel er maatregelpakketten zijn en worden op- en vastgesteld, moet ook verder gedacht worden dan de termijnen van de SGBP’s om onder een veranderend klimaat de gestelde KRW-doelen te (blijven) halen. De doelen van de KRW hebben namelijk een sterke relatie met de klimaatopgave. Grotere weersextremen met langere perioden van droogte, maar ook heviger piekbuien en meer neerslag in het winterhalfjaar hebben een effect op de (ecologische) waterkwaliteit. Voor een robuust doelbereik van de KRW en het voorkomen van achteruitgang wordt het steeds belangrijker om in de watersysteemaanpak rekening te houden met de verwevenheid van de KRW- en klimaatopgave en de principes van water en bodem sturend. Dit vraagt een andere, meer stroomgebiedsbrede benadering die niet voor alle waterlichamen is uitgevoerd en haalbaar is voor 2027. In de volgende planperiode werken we deze benadering uit. Dit doen we samen met het Rijk, andere provincies en de Overijsselse waterschappen.

KRW-Impuls

Ondanks de vastgestelde maatregelpakketten, de omvangrijke investeringen in de maatregelen, en gerelateerd beleid (NNN, Groen Blauwe Dooradering (GBDA)) is de verwachting dat de gestelde KRW doelen niet volledige bereikt gaan worden. Daarom heeft minister Harbers in 2023 de KRW-Impuls[11] gestart. Vanuit RWS is een memo opgesteld die een lijst met stoffen bevat die qua aanpak prioriteit krijgen. De stoffenlijst omvat stoffen die in meerdere waterlichamen de norm overschrijden, of waarvoor de norm in 2027 naar verwachting zonder aanvullende maatregelen niet wordt gehaald. Voor 30 stoffen geldt dat de KRW-norm uiterlijk in 2027 moet zijn gehaald (deze hebben de hoogste prioriteit), voor 8 stoffen uiterlijk in 2033 en voor 4 stoffen uiterlijk in 2039. De KRW-Impuls richt zich daarmee op het aanpakken van de te hoge belastingen van stoffen, waardoor zowel een goede chemische als ecologische toestand niet bereikt wordt.

De provinciale uitwerking van deze KRW-Impuls loopt langs 5 lijnen:

  • a.

    Scherper inzicht in bronnen en kansrijke maatregelen : Om de waterkwaliteit met gerichte maatregelen te verbeteren, is het nodig om concreet te weten op welke locaties welke stoffen een goede waterkwaliteit belemmeren. Om de herkomst van deze belemmerende stoffen te achterhalen voeren we gericht extra monitoring uit.

  • b.

    Verbeteren van het grondwate r: Ondanks de positieve prognoses voor de generieke KRW-beoordeling van het Overijsselse grondwater eind 2027 willen we de verdere vergrijzing van het grondwater inperken. Dit is in lijn met de doelstellingen van de KRW, namelijk het verminderen dan wel stopzetten van de inbreng van vervuilende stoffen naar het grondwater. Ook willen we grip blijven houden op de grondwaterbalans, namelijk voorkomen dat de grondwatervoorraad slinkt.

  • c.

    Verbeteren van de oppervlaktekwaliteit : De grootste restopgave voor de KRW-deadline eind 2027 is het verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de waterschappen. Vanuit onze kaderstellende en toezichthoudende rol richting de waterschappen en vanuit onze eigen verantwoordelijkheden kunnen we als provincie bijdragen aan de benodigde verbetering en instandhouding na 2028.

  • d.

    Aanpak diffuse bronnen in het landelijk gebied : Om de KRW-doelen te halen moeten we ook in Overijssel de emissies van stikstof en fosfaat verminderen. Deze stoffen zijn deels afkomstig vanuit diffuse emissies, zoals af- en uitspoeling. Daarom maken we de KRW-opgave integraal onderdeel van de proeftuinen en de koploperprojecten uit ons programma Toekomst voor ons Platteland. In de proeftuinen Drinkwater en Beekdalen doen we praktijkervaring op met diverse maatregelen om de KRW-doelstellingen te bereiken. Binnen de koploperprojecten wordt ervaring opgedaan hoe ons RO-beleidsinstrumentarium locatie-specifiek kan worden toegepast om ook de waterkwaliteit te verbeteren. De opgedane ervaring kan vervolgens elders binnen Overijssel worden toegepast.

  • e.

    Samenwerking met partners (Rijk, waterschappen en gemeenten ): In Overijssel werken we als overheden gezamenlijk aan het behalen van de KRW-doelen. Ieder werkt vanuit haar eigen rol en taken. Zo zijn we als provincie primair verantwoordelijk voor de grondwaterkwaliteit en ligt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het oppervlaktewater primair bij de waterschappen. Ook wat betreft de benodigde KRW-impuls, de inhaalslag die nodig is om eind 2027 zoveel mogelijk aan de KRW-vereisten te voldoen, zien we dat elke partij de eigen verantwoordelijkheid vervult. Maatregelen worden in overleg vastgesteld en zoveel mogelijk gezamenlijk uitgevoerd. Om eind 2027 zoveel mogelijk te hebben bereikt, zijn we van elkaar afhankelijk.

Met het oog op de KRW-deadline, zijn we met veel maatregelen uit deze Overijsselse KRW impuls al gestart.

Naast de aanpak van stoffen vanuit de KRW-Impuls is ook een provinciaal project geïnitieerd naar indirecte lozingen op het gemeentelijk rioleringsstelsel om te komen tot KRW-proof vergunningen met betrekking tot prioritaire en specifiek verontreinigende stoffen, zodat bij het lozingspunt op het oppervlaktewater (RWZI) de waterkwaliteit aan de KRW-normen voldoet.

Buitenlandse belasting

Naast de voorgenomen maatregelen (KRW) en nog te nemen maatregelen (KRW-Impuls) in Nederland, is afstemming met andere landen, in dit geval Duitsland, nodig om de gestelde doelen te behalen. Door bovenstroomse afwenteling worden voor een aantal KRW-grenswateren mogelijk de doelen niet gehaald door:

  • De aanvoer van norm-overschrijdende concentraties totaal stikstof, totaal fosfaat en een aantal ubiquitaire [12] stoffen

  • De aanwezigheid van niet-vispasseerbare barrières

In de Permanente Grenswater Commissie en de subcommissie E is de provincie, samen met de waterschappen en het Rijk, in gesprek met Duitsland om afwenteling van probleemstoffen naar ons gebied te voorkomen. Hierop vooruitlopend is in 2024 is gestart met de uitbreiding van en harmonisatie met de monitoring van de Duitse partners voor de grenswateren waar data ontbreekt. Specifiek voor doelbereik met betrekking tot nutriënten, kan het zijn dat door het recentelijk aangescherpte mestbeleid in Duitsland, het aanvoerende water in 2027 op de norm zit. Voor visdoelen ligt het anders. Aanpassingen van barrières om vismigratie te faciliteren zijn aan de Duitse zijde pas gepland in 2039 en 2044 en kunnen een oorzaak zijn voor het niet halen van de doelen voor de deelmaatlat ‘vis’

Naast de Permanente Grenswater Commissie werken we ook samen met Duitsland door deelname aan de Stuurgroep Rijndelta (SGDR) en de Werkgroep Rijndelta (AGDR). In de SGDR en AGDR vindt sinds 2004 de vanuit de Kaderrichtlijn Water verplichte afstemming plaats tussen Nederland en Duitsland (i.h.b. NRW en NDS). Deze landen delen namelijk een internationaal stroomgebied groter dan 2.500 km2, bestaande uit het Vechtstroomgebied en de Achterhoekse beken die op het IJsselmeer afwateren. Dit stroomgebied maakt deel uit van het stroomgebiedsdistrict Rijn. Sinds 2008 worden dezelfde gremia gebruikt om ook informatie in het kader van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) uit te wisselen. In dit overleg staan de rapporteringsverplichtingen richting Brussel, de onderlinge afstemming van de inhoudelijke thema’s en (de planning van) het implementatieproces centraal.

Waardevolle kleine wateren

De uitvoering van beleid voor WKWs is beperkt gebleven. In de komende jaren wordt het bestaande beleid vernieuwd. Dit gebeurt samen met de waterschappen, waarbij in opvolging van de provinciaal omgevingsvisie de provincie zich actief inzet voor het versterken van WKW door realisatie van groenblauwe verbindingen.

Overige wateren

Niet alle overige wateren behalen de klasse “goed” voor de fysisch-chemische kenmerken. De verwachting is dat een min of meer autonome verbetering van de waterkwaliteit optreedt die hoort bij de klasse ‘goed’. De autonome ontwikkeling komt vanuit andere opgaven zoals Zoetwatervoorziening Oost-Nederland (ZON), de aanpak van stikstof in de landbouw (7e en 8e Nitraatactieprogramma), en de ‘toekomstvisie gewasbescherming 2030 naar weerbare planten en teeltsystemen’ of Deltaplan Agrarisch Waterbeheer (DAW).

Goede zwemwaterkwaliteit onder een veranderend klimaat behouden

Om op de langere termijn voldoende zwemlocaties in Overijssel te kunnen waarborgen, onderzoekt de provincie wat de effecten zijn van klimaatverandering op zwemwaterkwaliteit en hoe klimaatverandering de vraag naar zwemlocaties beïnvloedt. Op basis van dit onderzoek worden, indien nodig, acties geformuleerd. Daarnaast richt de provincie zich ook op:

  • Hoe om te gaan met de kosten en inspanning rondom publieke versus private zwemlocaties.

  • Hoe om te gaan met zwemmen in niet-officiële zwemwaterlocaties.

Verdere afstemming tussen natuur- (N2000, NNN) en KRW-beleid.

Water is een belangrijke factor voor de kwaliteit van aquatische en grondwaterafhankelijke natuur. Grondwaterafhankelijke natuur en oppervlaktewater vinden elkaar alleen daar waar het peil van het oppervlaktewater de grondwaterstand rechtstreeks beïnvloedt. Ook wanneer oppervlaktewater wordt ingelaten om grondwater aan te vullen is er via waterkwaliteit een relatie met grondwaterafhankelijke natuur. Een door menselijk handelen veranderd oppervlakte-watersysteem laat zijn sporen na in de kwaliteit van de natuur en de daarbij behorende biodiversiteit: obstakels (stuwen) belemmeren migratie en dispersie, het rechttrekken van waterlopen verminderen gradiënten in stroomsnelheid (minder diversiteit) en lozing van nutriënten en toxische stoffen verslechteren de waterkwaliteit voor flora en fauna. Een minder vitale natuur zorgt op haar beurt voor onder meer een verlaagde retentiecapaciteit van nutriënten en verminderd invangen van zwevend stof. Hierdoor verslechtert de waterkwaliteit.

Voor de 29 gebieden van het NNN, die ook alle N2000-gebieden omvatten, is in beeld gebracht welke wettelijke en beleidsmatige gebiedsbeschermingsregimes samenvallen en wat de kansen en knelpunten tussen deze regimes zijn. Niet alle kansen tussen oppervlaktewaterbeleid en natuurbeleid zijn nog benut. De onbenutte kansen gaan onder dit RWP verkent worden. Daarnaast wordt de afstemming tussen het beleid rondom de KRW-, de waardevolle kleine wateren en N2000 verbeterd door een nog verder vorm te geven interne en externe (waterschappen) afstemming.

11 Kamerbrief tussenevaluatie KRW, Ministerie van IenW, 2024.

12 Stoffen die niet meer geloosd mogen worden, maar door nalevering vanuit onder andere het sediment nog wel aangetroffen kunnen worden.

Paragraaf 4.4 Wat verwachten wij van onze partners

Sub-Paragraaf 4.4.1 KRW-waterlichamen

Om de KRW-doelen te halen, worden met name door de waterschappen maatregelen uitgevoerd. Deze maatregelen omvatten onder andere een aanpassing van de hydrologische omstandigheden, de herinrichting van wateren (zoals natuurvriendelijke oevers en hermeandering) en het voor vissen passeerbaar maken van stuwen of andere barrières (Tabel 5).

Tabel 5. Status van de voorgenomen maatregelen voor stroomgebiedsbeheerplan 3 (KRW-bronbestanden 2024). WDOD = Waterschap Drents Overijsselse Delta, WRIJ = Waterschap Rijn en IJssel, WVS = Waterschap Vechtstromen. Een meer volledig overzicht is opgenomen in Bijlage X Maatregelentabel.

Waterbeheerder

Categorie maatregel

Eenheid

Totale omvang

In planvoorbereiding

In uitvoering

Uitgevoerd

Gefaseerd

Vervangen

Ingetrokken

WDOD

Beheer-maatregelen

km

575

461

98

14.8

 
 

1.2

 
 

n

25

25

 
 
 
 
 
 

Bron-maatregelen

n

10

10

 
 
 
 
 
 

Immissie-maatregelen

n

5

5

 
 
 
 
 
 

Inrichtings-maatregelen

ha

140

134

2

4

 
 
 
 
 

km

278

198

52

14.8

12

 

1.2

 
 

n

137

99.8

19

9.2

9

 
 
 

Instrumentele maatregelen

n

15

12

2

1

 
 
 

WRIJ

Beheer-maatregelen

km

6

2

0

4

 
 
 
 

Immissie-maatregelen

ha

 
 
 
 
 
 
 
 

Inrichtings-maatregelen

km

5

4

1

 
 
 
 
 

Instrumentele maatregelen

n

5

5

 
 
 
 
 

WVS

Beheer-maatregelen

km

1325

920

405

 
 
 
 
 

Bron-maatregelen

n

20

 

20

 
 
 
 
 

Immissie-maatregelen

ha

2510

502

 

502

 
 
 
 
 

n

80

71

3

6

 
 
 
 

Inrichtings-maatregelen

ha

69000

69000

 
 
 
 
 
 
 

km

620

606

 

14

 
 
 
 
 

n

818

813

 

3

 
 
 
 

Instrumentele maatregelen

n

15

14

1

 
 
 
 

Niet alle maatregelen zullen in de derde planperiode worden uitgevoerd:

  • Een aantal waterschappen hebben aangegeven dat een aantal maatregelen niet op tijd getroffen kunnen worden door uitvoeringsproblemen, met name grondverwerving. Grondverwering is een voorwaarde voor het tijdig uitvoeren van de herinrichtingsmaatregelen KRW. Voor de regionale wateren zijn de waterschappen hiervoor verantwoordelijk. Vanuit de urgentie van de KRW-opgave en ook de provinciale verantwoordelijkheid om de doelen te realiseren, gaat de provincie de komende jaren nauw samenwerken met de waterschappen om elkaars grondposities te benutten om grond beschikbaar te krijgen voor de realisatie van KRW-maatregelen.

  • De tijdige uitvoering van de aanpak overstorten door gemeenten. Officieel zijn deze KRW-maatregelen een afspraak tussen gemeenten en waterschappen (volgens het principe dat niet meer dan 2 bestuurslagen zich met één probleem bezig houden). De provincie mengt zich alleen hierin wanneer blijkt dat meer actie (ondersteuning, budget) nodig is, zoals nu gebeurt met de KRW-Impuls. De aanpak van overstorten is aangeduid als KRW-maatregel vanwege koppeling met renovatie wegen of riolering en afkoppelen. Hierbij zijn investeringen veelal over decennia verdeeld.

Daarnaast zijn er ook maatregelen voor verbetering van de (oppervlakte-) waterkwaliteit die niet onder de verantwoordelijkheid van de provincie vallen, maar onder het Rijk:

  • Actieprogramma’s Nitraat. De omvang en effectiviteit van de aanpak nutriëntenproblematiek via het 7e Actieprogramma Nitraat draagt richting 2027 minder bij aan N (stikstof) en P (fosfaat) en daarmee GEP/GET in oppervlaktewater dan verwacht. Eventuele aanscherpingen in de 8e NAP (2026) zijn (te) laat voor doelbereik in de 3e planperiode.

  • Het uitvoeringsprogramma vanuit de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 (Rijk).

  • Deltaplan Agrarisch Waterbeheer: gericht op het verminderen van de belasting van het watersysteem met nutriënten en bestrijdingsmiddelen middels vrijwillige deelname.

Verder worden gemeenten gestimuleerd om overstorten van riolen op oppervlaktewater zoveel mogelijk te verminderen. Acties moeten terug te vinden zijn in de gemeentelijke stedelijke watervisies en rioleringsplannen. Deze acties worden opgenomen in de visies en plannen wanneer deze geactualiseerd en vastgesteld worden. Ook vragen we de gemeenten om indirecte lozingen beter in beeld te krijgen en zo nodig scherpere eisen te stellen in vergunningen.

Voor de toekomst, gaan we samen met andere provincies en de Overijsselse waterschappen werken aan een meer stroomgebiedsbrede benadering om te zorgen dat de KRW- en klimaatopgaves en het Water en Bodem sturend principe meer geïntegreerd worden. Na deze eerste stap werken we de stroomgebiedsbrede benadering specifiek uit voor Overijssel en dat doen we in samenwerking met waterschappen en gemeenten.

Sub-Paragraaf 4.4.2 Zwemwater

Provincie Overijssel heeft in haar omgevingsverordening opgenomen dat het onderhoud van een zwemwaterlocatie verricht wordt door de terreinbeheerder, en niet door de provincie, zoals aangegeven staat in het Bkl.

De waterschappen bewaken en controleren de waterkwaliteit van zwemwater tijdens het badseizoen, dat loopt van 1 mei tot 1 oktober (paragraaf 11.2.4 Bkl), door regelmatig metingen uit te voeren om de hygiëne en ecologie van het water te beoordelen en zwemadviezen te verstrekken. Als het water verontreinigd is door bacteriën, algen of chemische stoffen, waarschuwt de provincie om niet te zwemmen. Verder stellen de waterschappen voor elke zwemwaterlocatie een zwemwaterprofiel op. Deze worden regelmatig beoordeeld en zo nodig geactualiseerd en bevatten uitgebreide informatie over de locatie, inclusief bronnen van verontreiniging en resulterende risico's. Op basis van deze profielen worden passende maatregelen genomen om de waterkwaliteit te verbeteren of te behouden.

Paragraaf 4.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen

De Nitraatrichtlijn is nauw verbonden aan de KRW, omdat deze richtlijn zich richt op vermindering van eutrofiering van oppervlaktewateren vanuit agrarische bronnen. De KRW heeft ook als doel om de eutrofiering te verminderen, maar richt zich ook op andere bronnen om eutrofiering te verminderen. Voor oppervlaktewateren komt de specifieke normering voor eutrofiering vanuit de KRW.

Beleid met een andere focus dan oppervlaktewater kan ook een bijdrage leveren aan het verbeteren van de ecologische toestand van het oppervlaktewater, zoals het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de Groen-Blauwe Dooradering (GBDA). We zoeken daarom naar onderlinge verbindingen.

Het NNN is een belangrijk onderdeel van het nationaal natuurbeleid en streeft naar een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. In Overijssel kunnen eigenaren van NNN-gebieden SNL-subsidie aanvragen. Voor oppervlaktewateren kan instandhoudingssubsidie aangevraagd worden voor de beheertypen ‘rivier’, ‘zoete plas’ en ‘poelen’. Voor monitoring van de bijdrage aan de instandhoudingsdoelen vanuit SNL-subsidie wordt aangehaakt bij KRW-monitoring.

De GBDA werkt aan het robuuster maken van de biodiversiteit buiten de aangewezen natuurgebieden (Natura 2000 en NNN) via de zogenoemde Basiskwaliteit Natuur (BKN): zorgen dat algemene soorten algemeen blijven of weer worden. Het BKN is een onderdeel van de Agenda Natuurinclusief en er wordt gekeken of het ook past binnen het Programma Natuur. Een onderdeel van de GBDA is oppervlaktewater, waar uitgegaan wordt van een minimale kwaliteit van het water, zoals aangegeven in de KRW.

Voor een robuust oppervlaktewatersysteem (KRW in de brede zin) is afstemming met andere functies en beleid wenselijk. Denk hierbij aan de GGOR (Gewenst Grondwater en Oppervlaktewaterregime) en het NBW (Nationaal Bestuursakkoord Water). Gedacht kan worden aan een ruimtelijke afstemming van functies in relatie tot risicogestuurd denken in termen van wateroverlast (zie Hoofdstuk 8 Waterveiligheid en wateroverlast). Zo kunnen kansen benut worden voor verbetering van het watersysteem. Op dit moment is de afstemming tussen deze beleidsterreinen er niet. In de komende periode gaan we verkennen hoe we deze afstemming gaan invullen.

Hoofdstuk 5 Bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit

Onze bodem en ons grondwater spelen vaak een onzichtbare rol bij het realiseren van diverse maatschappelijke opgaven. Zo is ons grondwater de leverancier van ons drinkwater, verbouwen we voedsel op onze bodem en zijn grondwater en bodemgesteldheid randvoorwaardelijk voor natuur met grote diversiteit. Door intensief gebruik en emissies vanuit (historische) activiteiten is de kwaliteit van bodem en grondwater verslechterd. Deze verslechtering betekent dat (op termijn) gewenste functies niet meer mogelijk zijn. Als provincie streven we naar een klimaatbestendig en robuust water- en bodemsysteem. Daarmee is het veerkrachtig als het gaat om veranderingen die op ons afkomen.

Paragraaf 5.1 Doelen

Bodemkwaliteit

  • Wij streven naar een gezonde bodem in 2050. Dit geldt zowel voor de chemische, fysische en biologische kwaliteit.

  • We voorkomen dat de bodem- en grondwaterkwaliteit verder verslechtert door preventieve maatregelen.

  • We buigen de trend om van saneren van verontreinigde bodems naar het behouden van de goede kwaliteit en zorgvuldig beheer.

  • Alle bekende bodemverontreinigingen met humane of verspreidingsrisico’s, behorende tot de spoedoperatie, zijn gesaneerd dan wel beheerst in 2030. Dit gaat om locaties waar de provincie het vangnet voor is.

  • We hebben en werken volgens een samenhangend beleidskader. Hierbij zijn de normenkader voor het bodem- en watersysteem zoveel mogelijk afgestemd.

Grondwaterkwaliteit

  • Ons grondwater is van goede kwaliteit en voldoet ten minste aan de chemische doelen van de Kaderrichtlijn Water.

  • Drinkwaterbedrijven kunnen drinkwater blijven maken van ons grondwater en dat drinkwater voldoet aan alle eisen. Op termijn verbetert de grondwaterkwaliteit.

  • We begrijpen de oorzaken van ‘vergrijzing’ van het grondwater en beginnen die terug te dringen.

Paragraaf 5.2 Rolverdeling

In onderstaand schema worden de rollen en taken rond bodem- en grondwaterkwaliteit kort omschreven.

Het Rijk is verantwoordelijk voor de wet- en regelgeving rond bodem en grondwater. De belangrijkste wetten, de Wet bodembescherming en de Waterwet, zijn opgegaan in de Omgevingswet. De normen voor stoffen in grondwater zijn vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving op grond van de Omgevingswet (voorheen ook Besluit kwaliteitseisen en monitoring water).

Onder de Omgevingswet blijft de provincie verantwoordelijk voor de aanpak van de aangemerkte spoedlocaties en bevoegd gezag voor bodemverontreinigingen die onder het overgangsrecht vallen. Onder de Omgevingswet wordt de provincie verantwoordelijk voor het beheer van grondwaterverontreiniging, als gevolg van het vervallen van de Wet bodembescherming. Provincies zijn verantwoordelijk voor de KRW-doelen voor grondwater. Tot slot heeft de provincie een initiërende en aanjagende rol als het gaat om aanpak van Zeer Zorgwekkende Stoffen.

Voor grondwater is de provincie verantwoordelijk voor de coördinatie van de werkzaamheden van waterschappen en gemeenten. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor het vaststellen van de begrenzing van grondwaterlichamen en de bescherming van de grondwaterkwaliteit ten behoeve van de openbare drinkwaterwinning. Verder is de provincie verantwoordelijk voor de KRW-monitoring van grondwaterkwaliteit.

Onder de Omgevingswet is een deel van de bodemtaken verschoven van provincie naar gemeenten. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de algehele kwaliteit leefomgeving en zijn bevoegd gezag voor de aanpak van bodemverontreiniging en grondverzet. Gemeenten zijn ook verantwoordelijk voor het vergunnen van lozingen op of in de bodem en het riool.

Paragraaf 5.3 Uitwerking beleid

Het beleid voor grondwaterkwaliteit wordt sterk bepaald door de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). De provincie staat met waterschappen en gemeenten gezamenlijk aan de lat voor de doorvertaling van de KRW naar regionaal beleid voor o.a. grondwaterkwaliteit. Als provincie hebben we hierin een kaderstellende en initiërende taak. Met de Omgevingswet is de taak van bevoegd gezag voor bodemkwaliteit grotendeels komen te liggen bij gemeenten maar hebben we vanuit de Wet bodembescherming nog wel een betrokkenheid bij verschillende verontreinigde en gesaneerde locaties.

Voor de Kaderrichtlijn Water zijn in Overijssel, in samenspraak met de naburige provincies, twee grondwaterlichamen aangewezen (zie Bijlage XI Factsheets grondwaterlichamen). Dit zijn Deklaag Rijn-Oost en Zand Rijn-oost.

Deze grondwaterlichamen lopen beide door naar andere provincies (zie figuur 14). In de Kaderrichtlijn zijn doelen geformuleerd voor de chemische toestand en de kwantitatieve toestand.

De chemische toestand van de grondwaterlichamen wordt bepaald aan de hand van acht stoffen/stofgroepen. De beide grondwaterlichamen zijn in de goede chemische toestand. Daarnaast komen zeer veel andere stoffen in grondwater voor die weliswaar niet meetellen voor de KRW-beoordeling maar wel de bruikbaarheid van grondwater negatief beïnvloeden, bijvoorbeeld als bron voor drinkwater. Deze zogeheten ‘vergrijzing’ willen we als provincie terugdringen.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 15. Grondwaterlichamen in Overijssel

Sub-Paragraaf 5.3.1 Bodemkwaliteit

Bodemkwaliteit

· We geven de transitie van chemische bodemkwaliteit naar gezonde bodem vorm.

  • We geven de transitie van chemische bodemkwaliteit naar gezonde bodem vorm.

  • We zetten in op kennisopbouw en -deling.

  • We zetten in op terugdringen van emissies vanuit ons menselijk handelen.

  • We stimuleren de aanpak van specifieke verontreinigingen.

  • We stellen beoordelingskaders op voor locaties waar een bodemverontreiniging in de grond en het grondwater aanwezig is.

  • We verzorgen beleidsvorming over hoe om te gaan met PFAS.

Onze inzet als provincie maken we concreet in een periodieke uitvoeringsagenda bodem en ondergrond of uitvoeringsagenda regionaal waterprogramma.

We geven de transitie van chemische bodemkwaliteit naar vitale bodem vorm

We realiseren ons steeds beter het belang van vitale en veerkrachtige bodemecosystemen, oftewel een gezonde bodem. Hierbij kijken we breed naar de chemische, biologische en fysische bodemkwaliteit en de maatschappelijke functies op het maaiveld en in de bodem. Een vitale en veerkrachtige bodem is nodig om voedsel van goede kwaliteit te blijven produceren, om de effecten van klimaatverandering te beperken en om waardevolle natuur en biodiversiteit te beschermen. Daarnaast maakt de bodem een essentieel onderdeel uit van het water- en bodemsysteem en heeft de bodem een regulerende functie als het gaat om kwantiteit van grondwater (sponswerking) en kwaliteit van grondwater (afbraak en vasthouden verontreinigde stoffen).

Het streven naar een gezonde bodem wordt versneld door de komst van de EU-richtlijn bodemmonitoring en -veerkracht. Daarmee richt de EU zich nu ook op een goede bodemgezondheid en duurzaam bodembeheer ter bevordering van de gezondheid en veerkracht van bodems. Dit is een duidelijke koerswijziging omdat tot voor kort de bodem(kwaliteit) vooral vanuit chemisch verontreinigingsperspectief werd bekeken. Om onze maatschappelijke opgaven in de beperkte ruimte toekomstbestendig te kunnen realiseren is deze nieuwe koers noodzakelijk. Met het verwachte nationaal programma ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’ (2026) zet ook Nederland een stap vooruit in deze ontwikkelingen. Wat de exacte gevolgen zijn voor de provincie is nog niet bekend. Op termijn hebben we beter inzicht en handvatten nodig om te bepalen wanneer een bodem gezond is en welk bodembeheer noodzakelijk is om tot een gezonde bodem te komen.

We zetten in op kennisopbouw en -deling

We willen beter grip krijgen op de oorzaken van de achteruitgang van de grondwater- en bodemkwaliteit. Het baart ons zorgen dat we steeds meer stoffen aantreffen, ook al is dat per stof vaak in een lage concentratie (‘vergrijzing’ genoemd). Vergrijzing heeft meerdere oorzaken:

  • Bodem en grondwater reageren traag op veranderingen. Een stof die in de bodem en vervolgens het grondwater terecht komt, wordt vaak pas na geruime tijd ontdekt.

  • Het is technisch en/of financieel niet uitvoerbaar deze stoffen te verwijderen.

  • We kennen de bronnen niet goed genoeg om effectieve maatregelen te kunnen nemen, zeker bij diffuse verontreinigingen.

Daarom zetten we in op monitoring van ons grondwater, voeren we stof- of stofgroep-specifiek onderzoek (bijvoorbeeld PFAS) uit en zetten we nieuwe technieken in die bijdragen aan het aanscherpen van modellen om het functioneren van het water en bodemsysteem te vergroten. Naast het ontwikkelen van kennis en inzicht is het ook belangrijk deze kennis en expertise te delen met medeoverheden en initiatiefnemers. Hierbij maken we zoveel mogelijk gebruik van bestaande netwerken en instrumenten (bijvoorbeeld Atlas van Overijssel). De komende jaren richten we onze inzet op:

  • Het faciliteren van het kennisnetwerk Zeer Zorgwekkende Stoffen Overijssel. Dit is een netwerk van overheden en verschillende werkvelden (milieu, lucht, water en bodem) die de kennis vergroot en handvatten ontwikkeld voor de omgang met Zeer Zorgwekkende Stoffen.

  • Het vergroten van de kennis met betrekking tot duurzaam grondwater- en bodembeheer. We onderzoeken welke maatregelen en activiteiten bijdragen aan een gezonde bodem of een robuust grondwatersysteem waarbij de kwaliteit verbeterd.

  • Met andere provincies en het Rijk zoeken we uit waar stoffen vandaan komen die we in het grondwater aantreffen, zodat we de juiste maatregelen kunnen nemen. Voor zover we het wel weten, overwegen we extra maatregelen, bijvoorbeeld via de omgevingsverordening.

We zetten in op terugdringen van emissies vanuit ons menselijk handelen.

Het terugdringen van emissies door menselijke activiteiten is cruciaal voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van grondwater en bodem. Door ons handelen stoten we schadelijke stoffen uit naar de lucht, lozen we deze in het oppervlaktewater of brengen we ze in de bodem. Deze emissies kunnen leiden tot een verslechtering van de bodem- en grondwaterkwaliteit, wat moeilijk technisch of economisch te herstellen is. Daarom is het essentieel om emissies tot een minimum te beperken om de beschikbaarheid van schoon (drink-) water en een vruchtbare grond voor toekomstige generaties te waarborgen.

De komende jaren is onze inzet gericht op het in beeld brengen en verminderen van de emissies, bijvoorbeeld van de indirecte lozingen vanuit bedrijven en inwoners. In samenwerking met het Rijk en medeoverheden zetten we zo stappen om de emissie vanuit het menselijk handelen te verminderen. Waar nodig verkennen we de inzet van ons instrumentarium, zoals de omgevingsverordening of vergunningverlening.

We stimuleren de aanpak van specifieke verontreinigingen

We stimuleren de aanpak van verschillende verontreinigingen om de kwaliteit van grond en grondwater te verbeteren. Dit is overwegend een brongerichte aanpak waarbij de risico’s van een bodemverontreiniging in de grond en/of het grondwater worden weggenomen. Dit doen we op verschillende wijzen:

  • a.

    Extra regels in onze omgevingsverordening: In onze omgevingsverordening stellen we extra regels aan diverse milieubelastende activiteiten die te maken hebben met graven in of saneren van de bodem. Het gaat hierbij onder andere om een bronaanpak van de verontreiniging als deze aanwezig is in een grondwaterbeschermingsgebied of waterwingebieden.

  • b.

    Onderzoeken en saneren van specifieke locaties met een bodemverontreiniging: Naast de aanpak van bekende vangnetgevallen van bodemverontreiniging worden we soms geconfronteerd met onvoorziene bodemverontreinigingen waarbij er geen veroorzaker is aan te wijzen maar wel aanpak vereist is. Voorbeelden zijn drugsdumpingen en historische verontreinigingen waarbij de bron en/of veroorzaker niet in beeld is. De Omgevingswet kent geen vangnetbepaling. In overleg met gemeente, omgevingsdienst en het Rijk gaan we in overleg onder welk kader een aanpak haalbaar en financierbaar is.

  • c.

    Pilots uitvoeren: We stimuleren duurzaam grondwater- en bodembeheer via pilots. Dit kan gaan om maatregelen in het beheer en de inrichting om de gevolgen van een bodemverontreiniging op de leefomgeving te verkleinen of natuurlijke afbraak te stimuleren. Ook inventariseren we de mogelijke PFAS-aandachtslocaties, naar aanleiding van de grote zorgen over deze stofgroep en bestuurlijke afspraken Bodem. We streven naar het toekomstbestendig maken van locaties waarvoor nog een grote nazorgopgave resteert. Tot slot geven we samen met gemeenten invulling aan gebiedsgericht grondwaterbeheer onder de Omgevingswet.

We stellen beoordelingskaders op voor locaties waar een bodemverontreiniging in de grond en het grondwater aanwezig is

Onder de Omgevingswet is de gemeente primair verantwoordelijk voor de zorg van de fysieke leefomgeving. De gemeenten zijn bevoegd gezag voor bodemsanering, bouwen op verontreinigde grond en graven in sterk verontreinigde grond. Dit is een verschuiving van bevoegdheid van de provincie naar gemeenten ten opzichte van de Wet bodembescherming. Met het wegvallen van de Wet bodembescherming is er geen landelijk kader meer voor de aanpak van grondwaterverontreiniging. Het is aan de provincie om dit vanuit de KRW zelf in te vullen. Gekozen is voor een beleidsneutrale overgang van Wet bodembescherming naar de Omgevingswet. In de provinciale omgevingsverordeningen zijn instructieregels voor gemeenten opgenomen voor de omgang met bodemverontreiniging. In de toelichting van onze omgevingsverordening is een nadere duiding opgenomen van onze instructieregels.

De provincie blijft bevoegd gezag voor locaties die vallen onder het overgangsrecht. Dit gaat om uiteenlopende situaties waaronder lopende saneringen, saneringen met actieve nazorg of locaties waar na saneren een restverontreiniging is achtergebleven. Voor deze locaties blijft de Wet bodembescherming van toepassing.

We verzorgen beleidsvorming hoe om te gaan met PFAS

Eén van de lastigste groepen stoffen op dit moment zijn PFAS (per- en polyfluoralkylstoffen). PFAS is een groep van meer dan 10.000 stoffen. Het zit bijna overal in het milieu en de normen zijn extreem laag. Het is daarom nodig op een pragmatische manier om te gaan met aanwezige verontreinigingen, en daarnaast zwaar in te zetten op het voorkómen van extra emissie van deze stoffen.

Vanwege de unieke eigenschappen van PFAS (vet-afstotend, waterafstotend en hittebestendigheid) werden en worden PFAS grootschalig toegepast, van blusschuim tot cosmetica en van papier en textiel tot bestrijdingsmiddelen. De stoffen breken alleen af onder zeer extreme condities (boven 1.100 °C) en verspreiden zich gemakkelijk in het milieu. PFAS kunnen al bij zeer lage concentraties risico's opleveren voor mens, dier en milieu. Door de eigenschappen en de grootschalige, diffuse aanwezigheid in het milieu vormen PFAS een enorme technische en beleidsmatige uitdaging voor het realiseren van een gezonde bodem en grondwater met een goede kwaliteit.

Landelijk is een analysepakket vastgesteld waarin 28 PFAS-stoffen zijn opgenomen. Tot voor kort ging de meeste aandacht uit naar PFOS (onder andere de belangrijkste PFAS in blusschuim). Inmiddels wordt steeds duidelijker dat het milieu vanuit diverse andere activiteiten ook wordt belast met PFAS-stoffen die nog niet bij de reguliere bemonstering worden meegenomen.

Het bodembeleid richt zich van oudsher op de aanpak van puntbronnen van verontreiniging. De PFAS-problematiek laat zien dat ook diffuse verontreiniging een significante bedreiging vormt voor het bodem/watersysteem. De aanpak van diffuse bronnen is erg lastig waardoor het steeds belangrijker wordt om te voorkómen dat stoffen in met milieu terechtkomen.

In Bijlage XII Beleidskader PFAS is het herziene Beleidskader PFAS opgenomen. Dit betreft een actualisatie van de versie van november 2023. Met dit beleidskader neemt de provincie onduidelijkheden weg bij initiatiefnemers, ontwikkelaars en in het VTH-traject rondom de aanpak van PFAS. Het beleidskader gaat in op de volgende onderdelen:

  • De noodzaak voor een beleidskader;

  • Stofeigenschappen, risico’s en normstelling;

  • Hoe om te gaan met PFAS bij bodemonderzoek en sanering;

  • De inventarisatie en aanpak van PFAS-aandachtslocaties die door de provincie wordt uitgevoerd.

Het beleidskader PFAS is daarmee een handvat en tevens de invulling van het landelijke wettelijke kader en geeft aan hoe het zich verhoudt tot onze omgevingsverordening.

Sub-Paragraaf 5.3.2 Grondwaterkwaliteit

Grondwaterkwaliteit

Een belangrijk deel van ons beleid voor grondwaterkwaliteit vloeit voort uit de Europese Kaderrichtlijn Water. Daarom wordt dat hieronder eerst behandeld. Het doel is het grondwater schoon te houden of te krijgen, en daarom behandelen we grondwaterkwaliteit breder.

Kaderrichtlijn Water

De Kaderrichtlijn Water (KRW) onderscheidt grondwaterlichamen. In Overijssel komen twee grondwaterlichamen voor, Zand Rijn-Oost en Deklaag Rijn-Oost (zie Figuur 15. Grondwaterlichamen in Overijssel) Deze grondwaterlichamen lopen door in andere provincies. Voor de grondwaterkwaliteit zijn in de KRW de volgende doelen geformuleerd:

  • a.

    Inbreng van verontreinigende stoffen voorkomen of beperken (zie link 5.3.2.3)

  • b.

    De achteruitgang van de toestand te voorkomen (art. 4.15 Bkl) (zie link 5.3.2.3);

  • c.

    Goede chemische toestand (art. 2.14 Bkl) (zie link 5.3.2.3);

  • d.

    Voorkómen of ombuigen van stijgende trends van verontreinigende stoffen (art. 4.17 Bkl) (zie link 5.3.2.3).

  • e.

    Het halen van doelen specifiek gedefinieerd voor beschermde gebieden (zie §3.1).

Inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater

Conform artikel 4 van de Kaderrichtlijn Water (KRW) en artikel 6 van de Grondwaterrichtlijn (GWR), vastgelegd in art 4.10 lid 3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Blk), beperken of voorkomen we de inbreng van verontreinigende stoffen in het grondwater, voor zover wij daar invloed op hebben. Op diffuse verontreiniging heeft het Rijk meer invloed dan wij, dus daarvoor zijn wij van het Rijk afhankelijk. De provincie beschouwt de volgende stoffen als verontreinigde stoffen:

  • Bijlage IV van het Bkl met de omgevingswaarden voor de goede chemische toestand;

  • Bijlage Vd van het Bkl met signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering;

  • Bijlage XVIIa van het Bkl met standaardwaarden voor grondwater;

  • Bijlage XIX van het Bkl met toetsingswaarden voor te infiltreren water. Deze stoffen worden in onze omgevingsverordening ook aangemerkt als schadelijke stoffen.

De KRW en GWR maken daarbij onderscheid tussen ‘gevaarlijke’ en ‘niet-gevaarlijke’ stoffen. Gevaarlijke stoffen zijn toxische, persistente en bioaccumuleerbare stoffen of groepen van stoffen; oftewel de zeer zorgwekkende stoffen. Ook potentieel zeer zorgwekkende stoffen worden gezien als gevaarlijke stoffen omdat voldoende kennis over de eigenschappen van deze stoffen nog ontbreekt. Inbreng van gevaarlijke stoffen is verboden (“prevent”). Er zijn enkele uitzonderingen hierop, zie hiervoor de uitwerking van de KRW en de Grondwaterrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Van alle niet-gevaarlijke stoffen wordt de inbreng beperkt (“limit’). Dat wil zeggen dat enige inbreng is te accepteren, maar dat we maatregelen nemen om te zorgen dat de goede chemische toestand niet verslechtert en dat geen significante en aanhoudende stijgende trend in de concentratie van die stof in het grondwater wordt veroorzaakt. Minimaliseren van emissies en het nemen van bodembeschermende voorzieningen wordt landelijk geregeld in het Besluit activiteit leefomgeving en waar nodig in onze omgevingsverordening. Hierbij verwerken we ook de uitzonderingsmogelijkheden die de Grondwaterrichtlijn (GWR) biedt.

Uitzonderingen inbreng van verontreinigde stoffen

Voor de aanpak van (historische) verontreinigingen die de grondwaterkwaliteit negatief beïnvloeden zijn instructieregels opgenomen in onze omgevingsverordening. Hierbij sluiten we zoveel mogelijk aan bij de Wet bodembescherming en circulaire bodemsanering zoals deze gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit sluit aan bij de uitzonderingsbepalingen zoals zijn opgenomen in de GWR:

  • Het om diffuse bronnen gaat waarvan de aanpak technisch onmogelijk is (art 6 lid 2 GWR);

  • Het om verwaarloosbare hoeveelheden of concentraties gaat in relatie tot de mogelijke achteruitgang van de kwaliteit van het grondwater (art 6 lid 3 sub b GWR). Dat is alleen mogelijk als enig onmiddellijk of toekomstig gevaar van achteruitgang van de kwaliteit van het ontvangende grondwater uitgesloten is;

  • Het onevenredig kostbaar is om hoeveelheden verontreinigende stoffen uit vervuilde bodem of grondwater te verwijderen, of anderszins het zorgen dat insijpeling daarvan kan worden beheerst onevenredig kostbaar is (art. 6 lid 3 sub e onder ii GWR). Kosteneffectiviteit en doelmatigheid zijn dan ook aspecten die in de afweging meegenomen mogen worden.

In Bijlage XIII Monitoring en aanpak van bodemverontreinigingen in het kader van de Kaderrichtlijn Water en Grondwaterrichtlijn is opgenomen hoe de provincie de monitoring heeft ingericht in relatie tot ‘prevent and limit’, de aanpak van bodemverontreiniging en gebruik maken van de bovenstaande uitzonderingen.

Toestand en trend

De doelen twee tot en met vier (zie 5.3.2.1) hebben allemaal te maken met de toestand en de trend van verontreinigende stoffen. Die worden beoordeeld conform het Nederlandse protocol voor toetsen en beoordelen.

Voor de toestandbeoordeling wordt gekeken naar stoffen uit de EU-grondwaterrichtlijn (nitraat en bestrijdingsmiddelen) en naar stoffen waar Nederland drempelwaarden voor heeft vastgesteld (chloride, nikkel, arseen, cadmium, lood en totaal-fosfaat). Per stof wordt een beoordeling gemaakt. Zolang het percentage meetpunten met een overschrijding van de drempelwaarde beperkt blijft tot 20%, is de toestand voor die stof goed.

Daarnaast mogen grondwaterafhankelijke oppervlaktewateren en grondwaterwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen niet nadelig worden beïnvloed door een slechte kwaliteit van toestromend grondwater. Voor de beoordeling van trends wordt gekeken naar dezelfde stoffen. Stijgende trends van die stoffen, die bovendien boven 75% van de drempelwaarden zijn, moeten worden omgebogen. We gebruiken gegevens uit ons eigen en het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit voor zowel de toestand- als de trendbeoordeling.

Monitoren grondwaterkwaliteit

Met behulp van een landelijk en provinciaal monitoringnetwerk brengen we de grondwaterkwaliteit in beeld Figuur 16 geeft het huidige monitoringnetwerk voor de grondwaterkwaliteit weer. We delen deze gegevens publiekelijk en zorgen voor een duiding. Dit doen we onder andere via de kennishub Overijssel[13] waar het Dashboard grondwaterkwaliteit (KRW) te vinden is en waar onderzoeken via de onderzoeksbibliotheek Provincie Overijssel beschikbaar komen. Via de landelijke rapportage grondwaterkwaliteit wordt duiding gegeven aan de resultaten en gepubliceerd op Informatiehuis Water[14].

13 https://www.kennishuboverijssel.nl/

1 4 https://www.waterkwaliteitsportaal.nl/

afbeelding binnen de regeling

Figuur 16. Monitoringspunten voor de grondwaterkwaliteit.

Met dit meetnet grondwaterkwaliteit houden we de toestand en trend van de grondwaterkwaliteit in beeld (conform KRW) en houden we een vinger aan de pols voor andere stoffen die ook relevant zijn voor de grondwaterkwaliteit. Het grondwaterkwaliteitsmeetnet wordt jaarlijks bemonsterd en gemeten op een aantal standaard-parameters. Daarnaast worden met enige regelmaat meer ‘exotische’ stoffen onderzocht. Dit gebeurt zo veel mogelijk in afstemming met andere provincies via het Platform Meetnetbeheerders. Ons meetnet kent ondiepe filters (minder dan 10 meter), filters rond 10 meter onder maaiveld en filters rond 25 meter onder maaiveld.

In de metingen vallen een aantal zaken op:

  • Van sommige stoffen worden de kwaliteitsnormen/drempelwaarden overschreden, bijvoorbeeld van arseen, nitraat of bestrijdingsmiddelen. Dit leidt (nog) niet tot een negatief oordeel over de chemische toestand, omdat een overschrijding nergens meer is dan 20% van de meetpunten. De chemische toestand is daarom goed.

  • Op een aantal plaatsen in Overijssel zijn stijgende trends chloride (zout) te zien. De oorzaak is mogelijk natuurlijk, maar dit is niet goed uitgezocht.

  • Er wordt een zeer groot aantal andere stoffen in het grondwater aangetroffen die niet altijd een kwaliteitsnorm of drempelwaarde hebben: medicijnresten, hormonen, antibiotica, industriële stoffen, gewasbeschermingsmiddelen, biociden, PFAS. Hier bevinden zich ook Zeer Zorgwekkende Stoffen onder. §5.3.2.2 beschrijft dat de inbreng van verontreinigende stoffen voorkomen of beperkt moet worden. Kennelijk lukt dat niet goed genoeg. We gaan samen met Rijk en andere provincies na of er voor meer stoffen een drempelwaarde moet worden vastgesteld, want het aantal bekende probleemstoffen neemt toe.

  • In grondwaterbeschermingszones worden verschillende stoffen aangetroffen. Dat kan betekenen dat op termijn Vitens de zuivering moet uitbreiden. Daarmee ontstaat dan een juridische spagaat: de KRW geeft in art. 7 aan dat de zuiveringsinspanning voor drinkwater niet mag toenemen maar geeft ook aan dat het eindproduct aan de Drinkwaterrichtlijn moet voldoen. Met maatregelen moet dat voorkomen worden. Echter, als hierin in de toekomst een keuze moet worden gemaakt, kiezen we voor de gezondheid van de inwoners en dus voor goed drinkwater.

Vergrijzing van het grondwater

Sinds ‘Lekkerkerk’, de eerste bodemverontreiniging die veel media-aandacht kreeg, in 1980, is er veel aandacht voor lokale bodem- en grondwaterverontreinigingen. Typerend voor dergelijke verontreinigingen was dat ze lokaal waren, vaak enkele stoffen, en per stof een vrij hoge concentratie. De laatste jaren zien we een ander type verontreiniging: (bijna) overal, veel stoffen, en per stof een lage concentratie. Dit verschijnsel wordt ‘vergrijzing’ genoemd.

Het voorkomen en tegengaan van vergrijzing zorgt ervoor dat ons grondwater ook in de toekomst voor verschillende doeleinden gebruikt kan worden, zoals veedrenking en besproeiing[15]. Daarom gaan we aan de slag om vergrijzing te voorkomen en tegen te gaan. We willen daarmee snel grip krijgen op vergrijzing, omdat vergrijzing lastig is aan te pakken doordat:

  • grondwater traag reageert: een stof die in het water terecht komt, wordt vaak pas na geruime tijd ontdekt;

  • het praktisch onmogelijk is deze stoffen te verwijderen;

  • we van de meeste stoffen de bronnen niet goed genoeg kennen om effectieve maatregelen te bedenken.

Om een beeld te krijgen van de mate van vergrijzing van grondwater gaan we, samen met andere provincies, aan de slag met de ontwikkeling van een vergrijzingsindicator. Ook gaan we onderzoeken welke activiteiten veelal vergrijzing van het grondwater veroorzaken, zodat hier eventuele maatregelen op genomen kunnen worden. En daarnaast werken we aan een afwegingskader gewasbestrijdingsmiddelen om de vergrijzing van het grondwater met gewasbeschermingsmiddelen en hun afbraakproducten tegen te gaan.

15 In grondwaterbeschermingsgebieden wordt vergrijzing van grondwater aangepakt via de gebiedsdossiers en de daaraan gekoppelde maatregelen (zie Uitvoeringsagenda Bescherming Drinkwaterbronnen).

Paragraaf 5.4 Wat verwachten wij van onze partners

Met de Omgevingswet zijn de gemeenten verantwoordelijk geworden voor de bodemkwaliteit en zijn het bevoegd gezag. Daarmee kunnen ze sterk sturen op functietoekenning en daarmee de emissies naar bodem en grondwater en de aanpak van bodemverontreiniging en grondverzet. Het grondwater is mede afhankelijk van de kwaliteit in de bodem. Gemeente zijn daarmee mede sturend op de kwaliteit van het bodem-watersysteem. We verwachten van gemeenten en waterschappen een proactieve houding om te komen tot samenhangend beleid voor bodem- en grondwaterkwaliteit. Dit betekent een actieve deelname aan kennisnetwerken, aanpak specifieke verontreinigingen en beleidsontwikkeling. Vanuit het Rijk verwachten we dat de juiste randvoorwaarden in Wet en regelgeving, kennis en middelen beschikbaar worden gesteld om onze taken en verantwoordelijkheden op te pakken.

Wij hebben extra aandacht voor de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingszones, in verband met de winning daarvan voor drinkwater. We verwachten dat de waterschappen, gemeenten, TBO’s, de landbouw en andere sectoren nauw met ons samenwerken.

Met drinkwaterbedrijven willen we in deze cruciale periode samen optrekken om te garanderen dat er voldoende grondstof is waarmee drinkwaterbedrijven gemakkelijk goed drinkwater kunnen maken.

Paragraaf 5.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen

In Hoofdstuk 3 Drinkwater is aandacht voor drinkwater en in Hoofdstuk 6 Grondwaterkwantiteit

Hoofdstuk 6 Grondwaterkwantiteit

Dit hoofdstuk zet het provinciale beleid voor grondwaterkwantiteit uiteen. Het biedt een gedetailleerde uitwerking van onze doelen en maatregelen, en beschrijft de rolverdeling en de verwachte bijdragen van verschillende partners. Het beleid is gericht op voldoende beschikbaarheid van grondwater voor functies die een goede grondwaterkwaliteit vereisen. Dit is van cruciaal belang voor drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en natuur.

Voor nieuwe beleidsontwikkeling rondom grondwaterkwaliteit, gaan we, zoals in de Omgevingsvisie wordt aangegeven, uit van ‘functie volgt peil’: het toekomstig gebruik en functies passen zich op termijn aan, aan grondwaterstanden, niet andersom. Dit is in lijn met de Kaderrichtlijn Water (KRW), die doelen stelt voor zowel grondwaterkwantiteit als voor grondwaterafhankelijke oppervlaktewateren en terrestrische ecosystemen.

Het beleid voor grondwaterkwantiteit heeft vier kernpunten:

  • we vergroten de grondwatervoorraad via samenwerking met partners om de waterbeschikbaarheid te vergroten door maatregelen zoals water vasthouden;

  • we werken aan beter zicht op onttrekkingen door registratie van kleinere onttrekkingen;

  • we gaan een afwegingskader ontwikkelen, evalueren ons huidige onttrekkingenbeleid en scherpen het zo nodig aan om grondwater te reserveren voor hoogwaardig gebruik;

  • we overwegen een periodieke evaluatie van onttrekkingsvergunningen, rekening houdend met alle belangen, vooral die van de publieke drinkwatervoorziening.

Paragraaf 6.1 Doelen

  • We zorgen dat er voldoende grondwater beschikbaar blijft voor functies die een goede grondwaterkwaliteit vereisen. In droge perioden zal het niet altijd mogelijk zijn al die functies te bedienen. Dan kunnen beperkingen nodig zijn.

  • Conform de KRW is onttrekking per grondwaterlichaam gemiddeld niet groter dan de aanvulling[16] en dalen de grondwaterpeilen niet.

  • We houden meer water vast dan nu. Een consequentie kan zijn dat zich, zeker in het voorjaar, nattere omstandigheden zich voordoen.

  • We hebben goed zicht op de hoeveelheid onttrokken grondwater zodat we over enkele jaren kunnen vaststellen of een grondwateronttrekkingsplafond nodig is.

  • We besparen water waar mogelijk.

  • Functies die beperkte eisen stellen aan grondwaterkwaliteit vragen we gebruik te maken van oppervlaktewater en waterbasins.

Deze doelen komen overeen met wat de Kaderrichtlijn Water (KRW) van ons vraagt. Naast deze doelen, stelt de KRW ook doelen voor grondwaterafhankelijke oppervlaktewateren en grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen. Menselijke ingrepen in het grondwatersysteem mogen het halen van de kwantiteitsdoelen voor grondwaterafhankelijke oppervlaktewateren en grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen niet verhinderen. Daarnaast noemt de KRW specifiek dat er geen sprake mag zijn van intrusie van zout.

16 Officiële tekst van de KRW: de gemiddelde jaarlijkse onttrekking op lange termijn overschrijdt de beschikbare grondwatervoorraad niet.

Paragraaf 6.2 Rolverdeling

Voor grondwater is de provincie verantwoordelijk voor de coördinatie van de werkzaamheden van waterschappen en gemeenten. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor het vaststellen van de begrenzing van grondwaterlichamen. Verder is de provincie verantwoordelijk voor de KRW-monitoring van grondwaterpeilen. Ook is de provincie bevoegd gezag voor onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, industriële onttrekkingen boven de 150000 m3/jaar en open bodemenergiesystemen.

Waterschappen zijn integraal verantwoordelijk voor het grondwaterbeheer in hun gebied. Met het peilbeheer sturen ze op de waterberging in de bodem en grondwaterstand. Ze zijn bevoegd gezag voor overige onttrekkingen en bemalingen alsmede de infiltratie.

Voor grensoverschrijdend grondwaterbeheer is er afstemming met Duitsland (zie Sub-Paragraaf 4.3.3 Waterkwaliteit: KRW).

Paragraaf 6.3 Uitwerking beleid

De KRW is een belangrijke leidraad voor beleid rondom grondwaterkwantiteit. De KRW schrijft een duurzaam beheer van grondwatervoorraden voor en toetst die aan twee elementen:

  • de onttrekking in een grondwaterlichaam is niet groter dan de aanvulling (langjarig gemiddeld);

  • er is geen schade aan oppervlaktewateren en natuurgebieden door te weinig grondwater.

Het eerste element bepaalt in de Nederlandse systematiek (zie het ‘‘protocol toetsen en beoordelen’) het eindoordeel voor de kwantitatieve toestand. Deze is voor de Overijsselse grondwaterlichamen positief. Het tweede doel wordt niet gehaald omdat er te weinig grondwater beschikbaar is voor natuurgebieden. Dat het oordeel voor de Overijsselse grondwaterlichamen negatief is, beïnvloedt echter het eindoordeel niet.

De beoordeling van de kwantitatieve toestand vindt, conform KRW, plaats op het niveau van een grondwaterlichaam (Figuur 15). Het provinciaal monitoringnetwerk van peilbuizen brengt de grondwaterkwantiteit in beeld (Figuur 17).

afbeelding binnen de regeling

Figuur 17. Monitoringspunten voor de grondwaterkwantiteit.

Op het niveau van de grondwaterlichamen (Deklaag Rijn-Oost en Zand Rijn-Oost, Figuur 15. Grondwaterlichamen in Overijssel) is de onttrekking gemiddeld in balans met de aanvulling omdat ongeveer 10% van het neerslagoverschot wordt onttrokken. Feitelijk is daarmee dat doel van de KRW bereikt. Toch is de druk op de waterbeschikbaarheid groot doordat lokaal en/of tijdelijk knelpunten kunnen ontstaan die niet zichtbaar zijn op het niveau van het grondwaterlichaam en gemiddeld in de tijd. Zo zijn er conflicten tussen watergebruikers: grootzakelijke gebruikers krijgen niet altijd meer een aansluiting bij Vitens omdat er regionaal te weinig water beschikbaar is, en in droge zomers worden beperkingen ingesteld voor gebruik van het grondwater. Deze problemen spelen met name in de gebieden waar geen wateraanvoer mogelijk is (Twente). De knelpunten worden het meest duidelijk benadrukt tijdens droge zomers. Ook zijn effecten van (tijdelijke) tekorten in grondwater terug te zien in de natuur: voor delen van grondwaterafhankelijk oppervlaktewater en grondwaterafhankelijke terrestrische ecosystemen blijkt de grondwaterkwantiteit onvoldoende voor een goed ecologisch functioneren.

Wij voeren de volgende activiteiten uit:

We vergroten de grondwatervoorraad

  • We werken samen met partners in het programma Zoetwatervoorziening Oost-Nederland, als onderdeel van het Deltaprogramma Zoetwater, aan de vergroting van de waterbeschikbaarheid door het uitvoeren van maatregelen gericht op het vergroten van de grondwatervoorraad. Ook zijn we actief betrokken bij de Regionale Sponsstrategie van Regio Zwolle (zie ook Sub-Paragraaf 2.3.5 Verstedelijkingsstrategieën). Deze strategie streeft naar een inrichting van het landschap en gebiedsontwikkelingen die de sponswerking van het water en bodemsysteem vergroten door maatregelen voor het infiltreren, vertragen en vasthouden van water.

  • We gaan actieve infiltratie[17] toestaan, als één van de middelen om aanvulling van de grondwatervoorraad ter vergroten, mits kan worden gegarandeerd dat het grondwater niet verontreinigd raakt door het infiltratiewater, en er geen andere doorslaggevende nadelen aan zijn verbonden.

  • We maken met gemeenten en waterschappen afspraken over een aanpak om steilranden[18] en micro-reliëf in het landschap te behouden en zo nodig te creëren. Zo proberen we het effect van piekafvoeren te beperken en lokaal meer water vast te houden om daarmee de grondwatervoorraad aan te vullen.

  • Als blijkt dat in gebieden grondwaterpeilen, jaarrond bekeken, steeds verder uitzakken, willen we met waterschappen een aanpak ontwikkelen hoe we deze dalende trend ombuigen (bijvoorbeeld door het vergunningsbeleid aan te scherpen). We werken aan beter zicht op onttrekkingen. We gaan kleinere (maar nog steeds grote) onttrekkingen registreren, zoals aanbevolen door de Rekenkamer Oost. Daarmee krijgen we beter zicht op de totale onttrekkingen, en kunnen we na enkele jaren beoordelen of een grondwateronttrekkingsplafond dan wel een soort verdringingsreeks voor grondwater nodig is.We zorgen voor voldoende inzicht in de hoeveelheid water die Overijssel in komt en uitgaat. Ook willen we een afwegingskader ontwikkelen voor onttrekkingen waarbij integraal naar grondwater en oppervlaktewater wordt gekeken, o.a. rekening houdend met locatie, beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater op die locatie, vereiste kwaliteit en aanwezige alternatieven.We monitoren de grondwaterkwantiteit en nemen aanvullende maatregelen als de monitoringsresultaten daar aanleiding toe geven.

We werken aan beter zicht op onttrekkingen

  • We gaan kleinere (maar nog steeds grote) onttrekkingen registreren, zoals aanbevolen door de Rekenkamer Oost. Daarmee krijgen we beter zicht op de totale onttrekkingen, en kunnen we na enkele jaren beoordelen of een grondwateronttrekkingsplafond dan wel een soort verdringingsreeks voor grondwater nodig is.

  • We zorgen voor voldoende inzicht in de hoeveelheid water die Overijssel in komt en uitgaat. Ook willen we een afwegingskader ontwikkelen voor onttrekkingen waarbij integraal naar grondwater en oppervlaktewater wordt gekeken, o.a. rekening houdend met locatie, beschikbaarheid van grond- en oppervlaktewater op die locatie, vereiste kwaliteit en aanwezige alternatieven.

  • We monitoren de grondwaterkwantiteit en nemen aanvullende maatregelen als de monitoringsresultaten daar aanleiding toe geven.

We gaan een afwegingskader ontwikkelen

  • We gaan ons huidige onttrekkingenbeleid evalueren en zo nodig aanscherpen. Grondwater moet worden gereserveerd voor hoogwaardig gebruik: in eerste instantie voor de publieke drinkwatervoorziening, en pas daarna voor industrieel gebruik (voor zover de kwaliteit hoog moet zijn, bijvoorbeeld als grondstof voor dranken of conserven), kapitaalintensieve landbouw, gevolgd door andere functies. Daarbij geldt als randvoorwaarde dat er voldoende water voor natuurgebieden overblijft (vereisten uit de KRW). Voor individuele gebieden kunnen specifieke aanvullende regels worden gesteld, bijvoorbeeld voor boringsvrije zones. In het afwegingskader wordt rekening gehouden met de vereiste kwaliteit van het te gebruiken water, de kwaliteit van het geloosde water en de verdere verwerking van dat water na het gebruik.

  • Bij de programmering van bedrijventerreinen in Oost-Overijssel wordt zorgvuldig gekeken naar de vestiging van nieuwe bedrijven met een zeer groot (drink)waterverbruik. Het uitgangspunt is om hier terughoudend mee om te gaan. Bedrijven met een hoge watervraag worden daarom gevraagd hun bedrijfsprocessen grondig te analyseren, met als doel het waterverbruik waar mogelijk te verminderen. Op deze manier wordt actief gestuurd op een efficiënter en duurzamer gebruik van de beschikbare (drink)watervoorraden.

We houden ons vergunningenbeleid onder de loep

  • We gaan na of het mogelijk en nodig is de huidige eeuwigdurende vergunningen periodiek te evalueren en hoe dat vorm te geven. Hierbij houden we rekening met de bedrijfsvoering van de vergunninghouders.

17 Onder actieve infiltratie verstaan wij “dat water bewust wordt ingenomen, verplaatst en geïnfiltreerd ten behoeve van de grondwateraanvulling” (KWR, rapport BTO 2024.006, 2024).

18 Abrupte hoogteverschillen in het landschap die zijn ontstaan door erosie of afgravingen

Sub-Paragraaf 6.3.1 Vergroting grondwatervoorraad

Grondwatervoorraden kunnen door verschillende maatregelen vergroot worden, zoals door beken meer te laten meanderen, plaatsen van stuwen, hogere standen van bestaande stuwen, en aanleggen van hydrologische buffers. We stimuleren dit type maatregelen reeds in het programma ‘Haarvaten op Peil’ en projecten in het Deltaplan Agrarisch Waterbeheer DAW (zie Sub-Paragraaf 2.3.4 Deltaplan Agrarisch Waterbeheer). Daarnaast gaan we actieve infiltratie faciliteren en bevorderen. Een aandachtspunt bij actieve infiltratie is wel dat als het te infiltreren water verontreinigd is, het grondwater ook verontreinigd kan raken. Oppervlaktewater is daarom niet in alle gevallen geschikt voor actieve infiltratie. Afstromend hemelwater kan in aanraking zijn geweest met allerlei verontreinigingen (olie, metalen, bandenslijpsel) en is dus ook niet in alle gevallen geschikt. Daarom willen we actieve infiltratie alleen toestaan als de kwaliteit van het infiltratiewater niet zorgt voor verslechtering van de grondwaterkwaliteit.

Sub-Paragraaf 6.3.2 Beter zicht op onttrekkingen

Vanuit de KRW wordt gesteld dat de gemiddelde jaarlijkse onttrekking de beschikbare grondwatervoorraad in een grondwaterlichaam niet mag overschrijden. Om te weten of we hieraan voldoen is inzicht nodig in de gemiddelde jaarlijkse aanvoer en afvoer, inclusief onttrekkingen. Oftewel: er zijn grondwaterbalansen nodig. Een grote onzekerheid rondom waterbalansen is het ontbrekende inzicht in de grondwateronttrekkingen. De provincie is zelf bevoegd gezag voor winningen voor de openbare drinkwatervoorziening en industriële toepassingen boven de 150.000 m3 per jaar. Deze zijn goed in beeld. Voor de overige winningen zijn de waterschappen bevoegd gezag. Niet alle onttrekkingen zijn goed in beeld: de kleinere onttrekkingen zijn talrijker dan de grote, en de totale hoeveelheid onttrokken water uit die kleinere winningen kan groot zijn. Het is nog onbekend of deze kleine onttrekkingen substantieel bijdragen aan grondwaterkwantiteitsproblemen. Om dat beter in beeld te krijgen werken we samen met de waterschappen aan een manier om ook de onttrokken hoeveelheden van kleinere winningen beter te kunnen registreren en monitoren.

Sub-Paragraaf 6.3.3 Afwegingskader

Meerdere actoren hebben belang bij voldoende grondwater: Vitens, industrie, landbouw en natuur. Om de juiste balans te vinden in de uiteenlopende belangen, is een afwegingskader nodig. Met het opstellen van waterbalansen krijgen we inzicht in de oorzaak en mogelijk oplossingen voor (structurele) grondwatertekorten. Eén van de mogelijke oplossingen voor het duurzaam beheren van grondwater is het ontwikkelen van grondwateronttrekkingplafonds. Zulke plafonds bieden een afwegingskader om uiteenlopende belangen te wegen. Ze bieden daarmee duidelijkheid aan water-intensieve bedrijven over de gebieden waar wel en waar niet voldoende water beschikbaar is. Zo kunnen we knelpunten voorkómen. Ook kunnen we met dat afwegingskader sturen welke bron wordt gebruikt (oppervlaktewater, grondwater, drinkwater).

Sub-Paragraaf 6.3.4 Vergunningen

Momenteel worden onttrekkingsvergunningen vaak voor onbepaalde tijd afgegeven. We verkennen de mogelijkheden om vergunningen periodiek te gaan evalueren en zonodig aanpassen, als veranderde omstandigheden (inclusief klimaatverandering) of inzichten daartoe aanleiding geven. Het gaat hierbij om zowel onttrekkingen voor de drinkwatervoorziening als voor andere doeleinden. Daarbij houden we rekening met de bedrijfsvoering van de vergunninghouders: we hanteren realistische termijnen en beperken de administratieve last tot een minimum. Dit is in lijn met artikel 11 lid 5 KRW.

Paragraaf 6.4 Wat verwachten wij van onze partners

We verwachten dat de waterschappen, gemeenten, de landbouw en TBO’s nauw met ons samenwerken om water beter vast te houden zodat de grondwatervoorraden worden vergroot. Ook gaan we met de waterschappen kijken naar de registratie van kleinere onttrekkingen zodat we goede (volledige) waterbalansen kunnen opstellen.

Paragraaf 6.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen

Ook in Hoofdstuk 3 Drinkwater is aandacht voor grondwaterkwantiteit. In Hoofdstuk 2 Ruimtelijke Adaptatie over ruimtelijke adaptatie en Hoofdstuk 4 Oppervlaktewatersysteem over het oppervlaktewatersysteem is ook aandacht voor droogte. Daarnaast heeft grondwaterkwantiteit raakvlakken met natuur, landbouw, drinkwatervoorziening maar potentieel ook met schade aan gebouwen.

Hoofdstuk 7 Duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond

De ruimte in Nederland is schaars, dit geldt ook steeds meer voor onze ruimte onder maaiveld. Als gevolg van onze maatschappelijke opgave maken we intensiever gebruik van de natuurlijke kwaliteiten van de bodem en de aanwezige voorraden. Denk hierbij aan het bouwen op een goed te funderen bodem, het winnen van grondwater voor onze drinkwatervoorziening en de seizoensopslag van warmte voor duurzame verwarming. Wel zijn we afhankelijk van de eigenschappen van deze bodem en ondergrond. Niet alle functies kunnen overal gerealiseerd worden in de ondergrond. Ook stelt de bodemeigenschappen randvoorwaarden aan het gebruik op maaiveld. Als provincie streven we naar goed geordende ondergrond waar voldoende ruimte is voor toekomstige opgave en waarbij het gebruik duurzaam en efficiënt plaatsvindt. Als provincie leggen we de focus voor het ordenen van de ondergrond op de grondwaterlaag; de laag voor onder andere drinkwaterwinning en bodemenergie. We verwachten een toename van activiteiten in deze laag of het doorsnijden van deze laag voor activiteiten in de diepe ondergrond zoals geothermie. We stemmen dit beleid af met het Provinciaal Programma Energie (PPE).

Paragraaf 7.1 Doelen

We streven naar een bodem in topconditie door bodem en ondergrond duurzaam en efficiënt te benutten en te beschermen. Er is een goede balans tussen benutten en beschermen van de bodem en ondergrond. Hierbij kan soms actief herstel op sommige locaties nodig zijn. Onze inzet is om de volgende trends om te buigen:

  • Van degraderende bodems naar het vergroten van de bodemdiensten en -functies. Dit betekent de achteruitgang en verslechtering van onze bodems stoppen. En onze bodem, als onderdeel van het natuurlijk systeem, beter inzetten om onze opgave te realiseren.

  • Van enkelvoudig naar meervoudig ruimtegebruik, waar het kan. In de ondergrond is het gebruikelijk om verschillend gebruik te scheiden. De inzet vanuit de Omgevingswet en Nota Ruimte is om de ruimte, ook ondergronds, optimaal en meervoudig te benutten. Waar het kan, zoeken we in de ondergrond naar het samengaan van functies die elkaar versterken of niet significant negatief beïnvloeden.

  • Van bodem als grote onbekende naar inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkelingen en duurzaam gebruik. Vanuit een idee van maakbaarheid verstoren we, veelal onbewust, verschillende bodemvormende lagen die nodig zijn voor een gezonde bodem. Ook hebben bodemvormende processen gezorgd voor een uniek landschap wat bijdraagt aan de identiteit van een gebied.

Paragraaf 7.2 Rolverdeling

In het schema op de volgende pagina worden de rollen en taken rond bodem en ondergrond kort omschreven.

Rijk

  • Kaderstellend en regievoerend voor de ordening van de ondergrond. Dit via Structuurvisie Ondergrond (STRONG) en Nota nationale omgevingsvisie (NOVI)/Nota Ruimte

  • Verantwoordelijk voor de vergunningverlening op basis van de Mijnbouwwet - ministerie van Klimaat en Groene Groei (KGG)

  • Verantwoordelijk voor de kennisontwikkeling en -deling over duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond

Provincie

  • Goede ruimtelijke ordening ook voor de ondergrond en in het bijzonder voor de grondwaterlaag

  • Verantwoordelijk voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving van open bodemenergiesystemen en deel van de ontgrondingen

  • Adviesrecht voor mijnbouw activiteiten

Waterschappen

  • Grondwaterbeheertaken kwaliteit en kwantiteit (weging van het waterbelang)

Gemeenten

  • Duurzame en efficiënte inrichting van de leefomgeving

  • Het evenwichtige toedeling van functies aan locaties ook onder maaiveld

  • Ordening van de ondergrond en in het bijzonder de eerste meters

  • Verantwoordelijk voor de vergunningverlening, toezicht en handhaving Milieu Belastende Activiteiten waaronder gesloten bodemenergiesystemen

Paragraaf 7.3 Uitwerking beleid

Naast de wettelijke taken en verantwoordelijkheden verschuift de rol van de provincie meer naar een verbindende, initiërende en organiserende rol. Daarmee vormen we een schakel tussen enerzijds het landelijke en anderzijds het regionale en bovenlokale niveau.

  • a.

    We implementeren landelijke beleidskaders en programma’s.

    Hierbij gaat het om de Omgevingswet, het nationaal programma bodem, ondergrond en grondwater en de beleidsbrief ‘Water en Bodem Sturend’.

  • b.

    We zetten in op kennisontwikkeling en -deling.

    Dit is onderdeel van het nieuw te ontwikkelen landelijke kennis- en samenwerkingsnetwerk bodem & ondergrond. Deze netwerken zijn gericht op kennisdeling, het vergroten van bewustwording en ze bieden deelnemers inspiratie.

  • c.

    We versterken de beleidskaders voor de 3D/4D ordening van de ondergrond.

    We vergroten de bewustwording over 3D/4D denken en doen in de ruimtelijke ontwikkeling. Vanuit de lagenbenadering wordt ondergrond (3D) volwaardig meegenomen en afgewogen bij initiatieven en ontwikkelingen. Voor het bodem- en watersysteem is ook het tijdsaspect (4D) een belangrijke onderscheidende component.

  • d.

    We stimuleren en reguleren de bijdrage van de bodem en ondergrond aan de energietransitie. We stimuleren het optimaal en veilig benutten van bodemenergiesystemen en geothermie en verkennen de mogelijkheden voor duurzame warmte en energieopslag in de ondergrond. Vanuit onze rol als bevoegd gezag voor open bodemenergiesystemen en onze verantwoordelijkheid voor drinkwater reguleren we de toepassing energiesystemen in de ondergrond. Dit wordt afgestemd met het Provinciaal Programma Energie (PPE).

  • e.

    We reguleren ontgrondingen in Overijssel. De winning van primaire bouwstoffen (zand, klei en grind) blijft nodig. Nationaal streven we naar een circulaire economie en daarmee de stimulering van hergebruik. Als bevoegd gezag voor een deel van de ontgrondingen zijn we een schakel in deze keten.

  • f.

    Wij adviseren het ministerie Klimaat en Groene Groei bij mijnbouwactiviteiten. Dit doen we om de kwaliteit van de Overijsselse leefomgeving te borgen.

Onze inzet als provincie maken we concreet in een periodieke uitvoeringsagenda bodem en ondergrond.

Sub-Paragraaf 7.3.1 We implementeren landelijke beleidskader en programma's

Het Rijk neemt een grotere regierol als het gaat om de ruimtelijke inrichting van Nederland en werkt dit voor bodem en ondergrond uit in de nationale programma’s ‘Bodem, Ondergrond en Grondwater’ en ‘Duurzaam Gebruik van de Diepe Ondergrond’. Aanvullend wordt de EU-bodemmonitoringsrichtlijn in 2025 vastgesteld die nationaal geïmplementeerd moet worden. In samenwerking met andere provincies zorgen we voor een goede doorvertaling en uitvoering van de landelijke beleidskader. Hierbij maken we waar nodig gezamenlijk afspraken over deze implementatie en de benodigde middelen vanuit het Rijk.

Sub-Paragraaf 7.3.2 We zetten in op kennisontwikkeling en -deling

Niet alle structurerende keuzes uit de beleidsbrief ‘Water en Bodem Sturend’ zijn even praktisch toepasbaar. Ook is niet altijd helder hoe de kwaliteiten van de bodem zo optimaal mogelijk kunnen worden benut of beschermd. Daarom werken we samen met andere overheden aan kennisontwikkeling en -deling. We blijven de regionale kennisnetwerken Onder Twente en IJsselland Doorgrond versterken. Ook ontwikkelen we praktische handvatten voor gemeenten en omgevingsdiensten als het gaat om bodem en ondergrond in de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Landelijk blijven we actief in nationale kennisnetwerken (zoals het platform bodemenergie) om nieuwe (wetenschappelijke) inzichten naar Overijssel te halen. Tot slot maken we kennisdeling mogelijk via de netwerken, faciliteren we cursussen voor medeoverheden en dragen we bij aan online leermogelijkheden via bijvoorbeeld de Bodembreedacademie.

Sub-Paragraaf 7.3.3 We versterken de beleidskaders voor 3D/4D ordening van de ondergrond

Daar waar nodig schrijven of schrappen we regels in onze omgevingsverordening om duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond te waarborgen. We stellen beleidsregels op voor onze taken als bevoegd gezag als dit bijdraagt aan de helderheid van onze uitvoering. En we versterken de bewustwording van 3D/4D denken en doen in de ruimtelijke ontwikkeling. Dit doen we onder andere in dit RWP en de activiteiten die hieruit voort vloeien, en via andere provinciale programma’s en ontwikkelingen.

In onze omgevingsvisie is door Provinciale Staten de ladder van de ondergrond vastgelegd. De ladder geeft aan welke functie voorrang krijgt bij ruimtelijke ontwikkelen en het gebruik. De ladder betreft: 1. Drinkwater, 2. Energietransitie, 3. Tijdelijk gebruik, 4. Permanent gebruik, 5 Verboden activiteiten (o.a. schaliegas en opslag kernafval). In Bijlage XIV Toelichting ladder van de ondergrond en 3D/4D ordening van de ondergrond is een nadere toelichting gegeven op deze ladder en de 3D/4D ordening van de ondergrond.

De komende jaren zetten we in op het ontwikkelen en verankeren van de beleidskaders voor het duurzaam en efficiënt gebruik van de ondergrond. De komende jaren betreft de inzet:

  • a.

    3D begrenzen van beschermingszones (o.a. grondwaterbeschermingszones).

  • b.

    Uitwerking van provinciale beoordelingskaders voor midden- en hoge temperatuur opslag

  • c.

    De samenloop tussen bescherming en winning van drinkwater en die van geothermie en indien nodig bodemenergiesystemen (conform PPE).

  • d.

    Betere 3D registratie van milieubelastende activiteiten waarvoor de provincie bevoegd gezag is.

Sub-Paragraaf 7.3.4 We stimuleren en reguleren de bijdrage van de bodem en ondergrond aan de energietransitie

Om onze doelstellingen op het gebied van energietransitie te realiseren, stimuleert de provincie de inzet van warmtetechnieken die gebruik maken van de ondergrond. Voor technieken zoals bodemenergiesystemen, geothermie, warmteopslag en energiegassen kijkt de provincie naar manieren waarop de bodem en ondergrond veilig en verantwoord kunnen worden benut en beschermd. Hiervoor verwijzen we ook naar het Provinciaal Programma Energie (PPE) en de Uitvoeringsagenda Energie Overijssel.

Dit betekent dat de provincie Overijssel kijkt naar de mogelijkheden en randvoorwaarden die voortkomen uit de eigenschappen van de ondergrond en het gebruik op het maaiveld. Naast de geschiktheid van de ondergrond houden we rekening met andere gebruiksfuncties in de ondergrond. Denk hierbij aan het niet doorboren van bepaalde lagen ter bescherming van de grondwaterkwaliteit en drinkwaterbronnen. Ook is het belangrijk om een afweging te maken tussen meerdere beschikbare technieken. In deze afweging spelen onder andere efficiëntie, impact op de ruimtelijke ordening zowel boven- als ondergronds, organisatorische complexiteit, eisen aan bebouwing, elektriciteitsgebruik, randvoorwaarden van de locatie, koeling, temperatuurregime en de duur van mogelijke ondergrondse opslag een belangrijke rol.

Opslag van warmte en koude kan, mits juist gedimensioneerd, langdurig worden ingezet bij het verwarmen en koelen van gebouwen. Bij geothermie wordt warmte op diepte gewonnen, waarbij de opbrengst op termijn kan afnemen. Het ontwerp voor geothermie houdt rekening met een minimale levensduur van 30 jaar. Vanuit duurzaam gebruik en zuinig omgaan met ruimtegebruik geven we de voorkeur aan collectieve systemen boven individuele (warmte)systemen. Daarom stimuleren we vooral de ontwikkeling van geothermie en open bodemenergiesystemen (o.a. via het PPE).

Als provincie faciliteren we gemeenten bij het opstellen van deze bodemenergieplannen. Bij onze vergunningverlening voor open bodemenergiesystemen toetsen we aan het bodemenergieplan van de gemeente.

Sub-Paragraaf 7.3.5 We reguleren ontgrondingen in Overijssel

Ontgrondingen zijn iedere activiteit die zorgt voor (tijdelijke) verlaging van het maaiveld. Het gaat hierbij om ontgravingen die primair zijn bedoeld voor de winning van delfstoffen (zand, klei, grind) of waarbij het graven nodig is om iets aanleggen of grondverbetering te realiseren zoals de aanleg van een vijver, werkzaamheden ten behoeve van natuurbeheer of grondroering bij agrarische activiteiten.

Met dit RWP actualiseert de provincie Overijssel het ontgrondingenbeleid van 2005. Deze actualisatie houdt rekening met de noodzaak van de winning van delfstoffen, maar ook met de vitaliteit van het natuurlijke systeem en de landschappelijke kwaliteit. Het beleid bouwt voort op de wijzigingen in het wettelijke kader als gevolg van de Omgevingswet.

Het fundament voor een adequaat ontgrondingenbeleid voor Overijssel bestaat uit vier pijlers:

  • pijler 1 - Balans tussen benutten en beschermen;

  • pijler 2 - Waardecreatie bij ruimtelijke ingrepen;

  • pijler 3 - Integratie van ontgrondingenbeleid binnen het bredere kader van ruimtelijke ontwikkeling;

  • pijler 4 - Duurzaamheid en circulariteit.

In Bijlage XV Beleidskader ontgrondingen is het beleidskader met de vier pijlers nader uitgewerkt. Als provincie zijn we bevoegd gezag voor een deel van de ontgrondingen. Daarnaast is met de Omgevingswet voor sommige situaties de gemeente het bevoegd gezag. Onze toetsingskaders leggen we vast via de instrumenten van de Omgevingswet. Ook ondersteunen we als provincie de gemeenten bij deze nieuwe taak.

Sub-Paragraaf 7.3.6 Wij adviseren het ministerie Klimaat en Groene Groei bij mijnbouwactiviteiten

Bij mijnbouwvergunningen adviseren wij het ministerie van Klimaat en Groene Groei. Mijnbouwactiviteiten kunnen plaatsvinden mits de risico’s aanvaardbaar en beheersbaar blijven. Het gaat hierbij om risico’s in de breedste zin van het woord. Waar wij bevoegd gezag zijn, zoals bij natuurbescherming, grondwaterbescherming en gebiedsgerichte coördinatie, voeren wij zelf een interne toetsing uit. De uitkomsten hiervan nemen wij op in onze adviezen aan het ministerie.

Waar het gaat om risico’s waarvoor wij geen bevoegd gezag zijn, beoordelen wij de adviezen van SodM en TNO aan KGG. Voorbeelden hiervan zijn risico’s op bodemtrilling, bodemdaling en bodemverontreiniging. Als er bij ons toch sprake is van enige twijfel over de risicobeoordelingen, nemen wij contact op met de betreffende instanties. Als na dit contact nog steeds twijfel bestaat, nemen wij deze op in onze adviezen aan het ministerie.

Mijnbouwactiviteiten liggen vaak gevoelig bij omwonenden. Om misvattingen te voorkomen is open communicatie over de mijnbouwactiviteit van groot belang. Wij zetten in onze adviezen altijd in op open communicatie en transparantie over de mijnbouwactiviteit met als doel het welzijn van de omgeving te beschermen.

Paragraaf 7.4 Wat verwachten wij van onze partners

Wij verwachten van onze partners om:

  • de maatschappelijke opgaven van onze tijd aan te pakken, waaronder het duurzaam en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond, is het noodzakelijk om de schotten tussen sectorale dossiers te laten vallen. Hierbij zijn samenwerking tussen medeoverheden en investeringen vanuit alle overheden essentieel. Elke partner werkt samen vanuit de eigen ambities, opgaven en verantwoordelijkheden. De omgevingsvisie, -verordening en het omgevingsplan worden zo goed mogelijk op elkaar afgestemd waardoor een afgewogen en samenhangend beleidskader ontstaat voor inwoners en initiatiefnemers. Dit is een continu proces waarbij we streven naar optimalisatie;

  • gezamenlijke kennisontwikkeling en -doorwerking en -overdracht. Vanuit een goede regionale/lokale vraagarticulatie worden kennisvragen landelijk uitgezet of kennisproject uitgevoerd. Ook wordt de regionale kennis versterkt met kennis die elders in Nederland al beschikbaar is.

Paragraaf 7.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen

Dit onderwerp heeft raakvlakken met drinkwater, bodemkwaliteit, grondwaterkwantiteit en -kwaliteit en met klimaatadaptatie. Buiten de reikwijdte van het RWP heeft dit onderwerp sterke raakvlakken met de volgende opgaven en werkvelden: landbouw (duurzame landbouwbodem, verdichting), ruimtelijke ordening (water en bodem sturend, landschap), woningbouw (water en bodem sturend, gezonde stadsbodem, afdekking van bodem, verduurzaming woningen), natuur (gezonde en vitale bodem en bodemecologie), energietransitie (bodemenergiesystemen/geothermie en kabels en leidingen), delfstofwinning (zout en gas), cultuurhistorie (archeologie en aardkundige waarden).

Hoofdstuk 8 Waterveiligheid en wateroverlast

Overijssel bestaat voor een groot deel uit laaggelegen gebieden die kunnen overstromen vanuit het landelijke en regionale oppervlaktewater. De KNMI Klimaatscenario's 2023 geven aan dat toenemende extremen te verwachten zijn die impact hebben op zowel het hoofd- als regionale watersysteem. Klimaatverandering zorgt voor extremere rivierafvoeren (zowel hoog- als laagwater) en een stijgende zeespiegel die doorwerkt in het IJsselmeer. Daarnaast krijgen we te maken met zowel langdurigere natte als droge perioden, in combinatie met kortdurende piekbuien zoals in de zomer 2024 in Twente.

We zetten via meerlaagsveiligheid in op de bescherming van Overijssel tegen overstroming en extreme wateroverlast. Daarvoor werken we samen met Rijkswaterstaat en waterschappen als water(kering)beheerders, de gemeenten en de veiligheidsregio’s. De provincie wil via het omgevingsbeleid voldoende ruimte vrijhouden om de extremen in het watersysteem op te vangen en de gevolgen hiervan te beperken.

Paragraaf 8.1 Doelen

Hoofddoel is het beschermen van Overijssel tegen overstromingen en wateroverlast door het creëren van ruimte voor een robuust watersysteem inclusief waterkeringen. Hiermee leveren wij vanuit het watersysteem een substantiële bijdrage aan de waterweerbaarheid van gebieden, in aanvulling op maatregelen vanuit ruimtelijke adaptatie.

De Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (EU-ROR) is eind 2007 in werking getreden en in 2009 opgenomen in de Nederlandse wet- en regelgeving. Het belangrijkste doel is de beperking van de gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van mensen, het milieu en cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid. Het Deltaprogramma streeft voor 2050 naar een waterrobuust Nederland, waarbij optimale waterveiligheid en zoetwaterbeschikbaarheid als doel centraal staan en klimaatadaptatie als middel wordt ingezet om gevolgen van extreem weer beheersbaar te houden. Als doel voor waterveiligheid geldt dat er voor iedereen achter de dijken een basisveiligheid is - in de vorm van een maximale kans van 1:100.000 - om te overlijden door een overstroming. In ons provinciale omgevingsbeleid houden we rekening met risico's vanuit waterveiligheid en wateroverlast door kaderstellende normering, ruimte te bieden voor waterafvoer en -berging, en het nastreven van klimaatrobuustheid bij locatiekeuze, gebiedsinrichting, bouwwijze, gebruik en beheer.

Vanuit onze wettelijke taken, zetten we in op de volgende doelen:

  • Het (achterliggend) gebied beschermen tegen onaanvaardbare maatschappelijke schade door overstromingen vanuit het hoofd- en regionale watersysteem. Dat betekent:

    • Primaire waterkeringen voldoen uiterlijk in 2050 aan de landelijk bepaalde normen vanuit de Omgevingswet. De provincie is coördinerend bevoegd gezag voor goedkeuring van dijkversterkingsplannen.

    • Regionale keringen voldoen uiterlijk in 2050 aan de in de omgevingsverordening vastgelegde norm.

  • Het voorkomen of beperken van ontoelaatbare wateroverlast door overstroming vanuit oppervlaktewater door langdurige neerslag. Het bergend vermogen van het oppervlaktewatersysteem is nu en in de toekomst voldoende als maatregel tegen verdroging en tegelijkertijd om piekafvoeren te kunnen opvangen. Dit bereiken we door in onze omgevingsverordening omgevingswaarden op te nemen voor het voorkomen of beperken van wateroverlast, en tevens de komende jaren te onderzoeken hoe we de bestaande normering op termijn meer klimaatadaptief kunnen maken.

  • Locatiekeuzes en gebiedsinrichting beter laten aansluiten bij de kenmerken van het water- en bodemsysteem. Kwetsbare plekken voor nieuwe ontwikkelingen zoals beekdalen, zones rond waterkeringen en laaggelegen gebieden worden zoveel mogelijk vermeden. Nieuwe ontwikkelingen vragen op dergelijke locaties een zwaardere inspanning om klimaatadaptief te zijn; we willen de waterschappen dan ook vroegtijdig bij de planvorming betrekken.

Paragraaf 8.2 Rolverdeling

In Nederland zijn de wettelijke taken voor waterbeheer verdeeld over verschillende partijen. In onderstaande afbeelding worden de wettelijke rollen en taken rond waterveiligheid en wateroverlast kort omschreven.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 18. Waterbeheertaken

Nummer op figuur

Effect waterveiligheid en wateroverlast

Wettelijke verantwoordelijkheid

1

Wateroverlast van gebieden door intense neerslag

Huis-/landeigenaar

2

Hoge grondwaterstanden

Waterschap, gemeente en provincie

3

Overbelasting van het riool door hemelwater

Gemeente

4

Overstroming vanuit regionaal oppervlaktewater

Rijk, waterschap en gemeenten

5

Overstromen/bezwijken regionale waterkering

Waterschap en provincie

6

Overstromen/ bezwijken primaire waterkering

Rijk, waterschap en gemeenten

7

Overstromen buitendijks gebied

Rijk, waterschap en gemeenten

Provincie

  • Stelt overstromingsgevaar en –risicokaarten vast ten behoeve van de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (EU-ROR).

  • Keurt HWBP-projectplannen voor primaire keringen goed en coördineert de vergunningverlening van bijvoorbeeld Wet Natuurbeheer.

  • Wijst regionale waterkeringen aan en bepaalt hiervoor de waterveiligheidsnormen.

  • Bepaalt de normering voor regionale wateroverlast als basis voor zorgplicht waterschappen.Is op provinciaal niveau verantwoordelijk voor Omgevingsbeleid / 2e laag Meerlaagsveiligheid (‘Water en Bodem Sturend’).

  • De Commissaris van de Koning is bevoegd gezag bij zeer omvangrijke calamiteiten.

Rijk

  • Bepaalt normen voor de sterkte van primaire en niet-primaire (regionale keringen) in beheer van Rijkswaterstaat.

  • Is verantwoordelijk voor beheer, onderhoud, toetsing en versterking van de door hen beheerde (niet-)primaire waterkeringen en kunstwerken zoals langs de Twentekanalen en de Ramspolkering.

  • Is verantwoordelijk voor regelgeving in buitendijkse gebieden langs hoofdwatersysteem.

Waterschap

  • Toetst de waterkeringen aan de door rijk en provincie bepaalde normen.

  • Is verantwoordelijk voor het beheer, onderhoud en versterking van primaire en regionale waterkeringen, uitgezonderd de door het rijk beheerde primaire keringen.

  • Hebben een zorgplicht en inspanningsverplichting op het vlak van het voorkomen van wateroverlast:

    • Toetsen periodiek de omgevingswaarde wateroverlast van de leggerwaterlopen (instructieregel in de provinciale omgevingsverordening).

    • Actualiseren in hun Waterbeheerprogramma’s elke zes jaar de kaart Normering Regionale Wateroverlast en stemmen dit af met provincie.

  • Zorgt voor inrichting en beheer van het regionale watersysteem waaronder waterbergingsgebieden.

Gemeente

  • Is op gemeentelijk niveau verantwoordelijk voor Omgevingsbeleid / 2e laag Meerlaagsveiligheid (‘Water en Bodem Sturend’).

  • Hebben een gemeentelijke zorgplicht voor afvoer hemelwater.

Veiligheidsregio’s

Zijn conform Wet Veiligheidsregio (artikel 10) verantwoordelijk voor rampenbestrijding en crisisbeheersing, zoals hulpverlening bij overstromingen en extreme wateroverlast.

Paragraaf 8.3 Uitwerking beleid

Sub-Paragraaf 8.3.1 Meerlaagsveiligheid

Ons (hoofd)watersysteem is tegenwoordig vooral ingericht op het zo snel mogelijk afvoeren van water, bijvoorbeeld door het rechttrekken van rivieren en beken, die van nature juist meanderen, of het op grote schaal ontwateren van gronden. Om overstromingen en de gevolgen daarvan te beperken wordt door verschillende overheden samengewerkt bij het voorkomen van overstromingen (preventie), het realiseren van een waterrobuuste locatiekeuze en ruimtelijke inrichting (gevolgbeperking) en de optimalisatie van de crisisbeheersing inclusief nazorg en herstel. Deze lagen vormen samen de basis van meerlaagsveiligheid.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 19. Meerlaagsveiligheid

Het eindadvies van de Beleidstafel Hoogwater & Wateroverlast (2022) (opgesteld naar aanleiding van de extreme neerslageffecten in Zuid-Limburg) heeft het conceptuele model van meerlaagsveiligheid (bestaande uit laag 1 t/m 3) met twee lagen uitgebreid. Meerlaagsveiligheid (geïllustreerd op Figuur 19. Meerlaagsveiligheid) bestaat nu uit de volgende lagen:

  • Waterbewustzijn (laag 0)

    Hierbij begint al het handelen van burgers, bedrijven en overheden, voorafgaand en tijdens het optreden van klimaatextremen. Door vergroot waterbewustzijn is de maatschappij beter voorbereid op klimaatextremen.



  • Preventie (laag 1)

    Het beperken van de kans op overstromingen en wateroverlast. Deze laag wordt gevormd door het creëren van voldoende ruimte voor het oppervlaktewatersysteem en robuuste waterkeringen die het achterland beschermen tegen overstromingen. Rijkswaterstaat en waterschappen hebben hier als water(kering)beheerders de belangrijkste rol.



  • Gevolgbeperking (laag 2)

    Het beperken van schade en het zoveel mogelijk voorkomen van maatschappelijke ontwrichting in de voorbereidende ‘koude fase’ van crisisbeheersing en rampenbestrijding, door middel van een klimaatrobuuste locatiekeuze en inrichting van de leefomgeving. Op dit vlak vervullen provincies en gemeenten de grootste rol.



  • Crisisbeheersing (laag 3)

    Het zoveel mogelijk voorkomen van maatschappelijke ontwrichting tijdens een crisis ('warme fase'). De veiligheidsregio’s en de door hen opgestelde calamiteitsplannen staan centraal in deze laag van meerlaagsveiligheid.

  • Klimaatrobuust herstel (laag 4)

    Het herstellen van de leefomgeving nadat een crisis is opgetreden, op zo'n manier dat wordt bijgedragen aan het matigen van negatieve klimaateffecten. Bij vergelijkbare volgende gebeurtenissen ontstaat hierdoor minder schade en minder maatschappelijke ontwrichting.

Ontwikkelen waterbewustzijn (laag 0)

Ondersteund door de een vanuit het ministerie van I&W gestuurde landelijke aanpak (Ons Water) kunnen gemeenten en waterschappen en de onderwijssector specifiek en per doelgroep bewustzijn creëren, handelingsperspectief bieden en gedragsverandering realiseren. Belangrijkste actiehouders zijn waterschappen, (rivier)gemeenten en achterliggende koepels UvW en VNG in samenwerking met de veiligheidsregio’s.

Preventie via waterkeringen en ruimte voor het watersysteem (laag 1)

Het IJsselmeer en de daarin uitmondende IJssel, Zwarte Water en Vecht vallen onder het door Rijkswaterstaat beheerde landelijke hoofdwatersysteem. In Overijssel ligt langs het landelijke hoofdwatersysteem ongeveer 250 kilometer aan Primaire waterkeringen , die het Rijk in 2017 (opnieuw) heeft aangewezen en genormeerd. Vrijwel alle primaire waterkeringen liggen in het beheergebied van Waterschap Drents Overijsselse Delta. In het beheergebied van de waterschappen Rijn & IJssel en Vallei & Veluwe gaat het om enkele kilometers primaire keringen.

Waterschappen toetsen de keringen, zorgen voor beheer en onderhoud en regelen versterking via het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). De provincie keurt de door de waterschappen voorbereide projectbesluiten van HWBP-trajecten goed, en is daarbij verantwoordelijk voor coördinatie van vergunningverlening. De provincie kijkt onder meer naar ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie en natuur.

Uit de eerste landelijke beoordelingsronde van primaire keringen (2017-2022) blijkt dat vrijwel nergens in Nederland wordt voldaan aan de normen. Ook in Overijssel is sprake van een grote versterkingsopgave; slechts een kwart voldoet aan de norm die in 2050 gehaald moet worden. De komende decennia worden dan ook hier veel nieuwe HWBP-projecten voor dijkversterking opgestart. Behalve dijkversterking kan meer ruimte voor het watersysteem bijdragen aan waterveiligheid. Na de extreme hoogwaters van 1993 en 1995 is het programma Ruimte voor de Rivier gestart. Onder meer bij Veessen-Wapenveld en het Reevediep is ruimte voor de IJssel gecreëerd. Bij Deventer is een ruimtelijke reservering vastgelegd, maar nog niet ingevuld. Het nieuwe programma Ruimte voor de Rivier 2.0. onderzoekt hoe lage en hoge rivierafvoeren het beste via de verschillende Rijntakken afgewikkeld kunnen worden. De hieruit voortkomende inzichten worden verwerkt in de te herijken voorkeursstrategie van het Deltaprogramma Rijn (najaar 2026). Op meer regionale schaal zijn de waterschappen en aanliggende gemeenten betrokken bij het programma Ruimte voor de Vecht.

Ongeveer 110 kilometer aan Regionale waterkeringen bieden bescherming tegen overstromingen vanuit het regionale watersysteem van Meppelerdiep, Sallandse Weteringen en wateren rondom de Kampereilanden. Tussen 2018 en 2023 hebben Provinciale Staten de regionale keringen (opnieuw) aangewezen, genormeerd en voorzien van maatgevende waterstanden ten behoeve van de toetsing, die in 2027 moet zijn afgerond. Uiterlijk 2050 moeten de keringen aan de norm voldoen. Alleen waterschap Drents Overijsselse Delta (WDOD) heeft Overijsselse regionale keringen in beheer. WDOD is verantwoordelijk voor toetsing, beheer, onderhoud en eventuele versterking. In Figuur 20 staan de primaire en regionale waterkeringen weergegeven.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 20. Primaire waterkeringen en regionale waterkeringen.

Gevolgbeperking via ruimtelijk beleid (laag 2)

Waterkeringen kunnen falen en overstromingen veroorzaken waarbij de waterveiligheid in het geding is. Ook kan bij langdurige neerslag aanzienlijke wateroverlast optreden in gebieden langs het oppervlaktewatersysteem die niet door dijken beschermd zijn.

De Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (EU-ROR) verplicht lidstaten om gebieden met een ‘potentieel significant overstromingsrisico’ te benoemen. De provincie heeft als taak om elke zes jaar overstromingsgevaar en –risicokaarten van deze gebieden te maken, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar verschillende kansklasses, variërend van 1/10 jaar (grote kans) tot 1/10000 (extreem kleine kans). Eind 2025 hebben wij de overstromingsgevaar- en risicokaarten voor Overijssel vastgesteld en aangeleverd richting Atlas voor de Leefomgeving en www.risicokaart.nl.

De Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (EU-ROR) is in 2009 opgenomen in de Nederlandse wet- en regelgeving. Het belangrijkste doel is het beperken van de gevolgen van overstromingen voor de gezondheid van mensen, het milieu en cultureel erfgoed en de economische bedrijvigheid. Concreet verplicht de ROR de lidstaten tot het maken van vier producten:

  • Voorlopige risicobeoordeling (VORB)

  • Overstromingsgevaarkaarten

  • Overstromingsrisicokaarten

  • Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP)

In de VORB worden gebieden met een potentieel significant overstromingsrisico vastgesteld. In de aankomende ROR-cyclus worden ook alle gebieden langs onbedijkte regionale wateren beschouwd. Deze aanscherping komt rechtstreeks voort uit de aanbevelingen van de Landelijke Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater, die naar aanleiding van de zeer extreme regionale wateroverlast in 2021 Zuid-Limburg is ingesteld. De overstromingsgevaar- en risicokaarten vormen de basis voor het vaststellen van doelen en maatregelen in de overstromingsrisicobeheerplannen. In een overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijven de Europese lidstaten de doelstellingen en de daaraan gekoppelde maatregelen voor het beheer van overstromingsrisico's in de stroomgebieden. De risicobeheerplannen zijn in 2022 in werking getreden en worden in 2028 opnieuw vastgesteld.

We streven naar zoveel mogelijk synergie tussen de Richtlijn Overstromingsrisico's en Kaderrichtlijn Water. Beide richtlijnen maken onderdeel uit van het Nationale Waterprogramma. In de Wet veiligheidsregio's is vastgelegd dat Gedeputeerde Staten zorgdragen voor de productie, actualisatie en elektronische publicatie van overstromingsgevaar- en overstromingsrisicokaarten. De kaarten worden ten minste eenmaal in de zes jaar herzien. De kaarten voor heel Nederland staan op www.risicokaart.nl.

Voor meer informatie over de ROR zie de website van IPLO.

Het oppervlaktewatersysteem in Overijssel is niet overal ingericht op het vasthouden of bergen van water, maar juist op snelle afvoer. Extreme en langdurige neerslag kan snel leiden tot wateroverlast, zowel in bebouwde gebieden, natuurgebieden als in agrarisch landschap. Een recent voorbeeld is de extreme regionale wateroverlast in Zuid-Limburg in 2021. Deze gebeurtenis is aanleiding geweest om het uitvoeren van bovenregionale stresstesten wateroverlast (zie Sub-Paragraaf 8.3.3 Bovenregionale stresstest wateroverlast) landelijk op de agenda te zetten en de coördinatie hiervan bij de provincies te beleggen.

In de omgevingsverordening zijn normen bepaald voor gebieden waarbij de maximaal toelaatbare kans op wateroverlast door extreme neerslag is gerelateerd aan de economische waarde van het landgebruik en de te verwachten schade. Vormen van landgebruik die worden onderscheiden zijn: grasland, akkerbouw, hoogwaardige land- en tuinbouw, glastuinbouw en bebouwd gebied. De reguliere overlastnormen variëren van 1/10 jaar voor grasland tot 1/100 voor bebouwd gebied. Voor bepaalde gebieden gelden uitzonderingen, zoals de 1/1 norm voor laaggelegen gebieden in het beheergebied van Vechtstromen.

Normvrije gebieden zijn over het algemeen heel laag of hoog gelegen (natuur)gebieden waar wateroverlast geen probleem is, of niet aan de orde is. De waterschappen zijn als onderdeel van hun zorg- en inspanningsplicht aan zet om ervoor te zorgen dat deze normen gehaald worden. De omgevingsverordening biedt mogelijkheden om af te wijken van normen, bijvoorbeeld via een ander maaiveldcriterium.

afbeelding binnen de regeling

Figuur 21. Watergebiedsreserveringen volgens onze vigerende omgevingsverordening.

In de omgevingsverordening zijn watergebiedsreserveringen gedaan voor vijf gebiedstypen waar zich overstromingen en wateroverlast kunnen voordoen. Hier worden via het ruimtelijk spoor voorwaarden gesteld om de schade zoveel mogelijk te beperken.

Primaire watergebieden lopen bij hevige neerslag, soms ook in combinatie met zeer hoge IJsselstanden, relatief gemakkelijk onder water door hun lage ligging. Waterbergingsgebieden zijn gebieden waarin water door waterhuishoudkundige kunstwerken (tijdelijk) kan worden vastgehouden om te voorkomen dat wateroverlast optreedt op plekken waar dit meer schade toebrengt. Een voorbeeld hiervan is de langs de Vecht gelegen Meene ten noorden van Gramsbergen.

Essentiële waterlopen spelen een belangrijke verbindende rol in de waterafvoer tussen de hogere gronden en de lager gelegen delen van het regionaal en hoofdwatersysteem. Omgevingsplannen die betrekking hebben op essentiële waterlopen (en vrijwaringszones) in het oppervlaktewatersysteem mogen alleen nieuwe ontwikkelingen toestaan wanneer de waterafvoer niet wordt beperkt en de toekomstige verruiming voor afvoer en berging van water mogelijk blijft.

Overstromingsrisicogebieden zijn niet beschermd door primaire keringen en liggen daarmee wettelijk buitendijks. In Overijssel gaat het om de Kampereilanden in gemeenten Kampen en Zwartewaterland. De Kampereilanden worden beschermd door regionale waterkeringen. Buitendijkse gebieden langs de grote rivieren en IJsselmeer zijn in onze omgevingsverordening niet als overstromingsrisicogebied bestempeld; voor dit beperkingengebied gelden rijksregels die in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn opgenomen. Voor buitendijkse ontwikkelingen moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd bij Rijkswaterstaat. Dit geldt ook voor de Kampereilanden, waar nog nadere afstemming loopt tussen het Rijk, provincie, waterschap en gemeenten over de recente actualisatieslag van de Beleidslijn Grote Rivieren.

Voor de buitendijkse delen van het Zwarte Water, de Vecht en de Schipbeek gelden daarnaast beperkingen vanuit de beherende waterschappen.

In primaire watergebieden en waterbergingsgebieden mag worden gebouwd mits hierdoor het waterbergend vermogen niet wordt aangetast. Daarbij geldt wel dat nieuwe kapitaalintensieve functies zoals woonwijken, bedrijventerreinen en glastuinbouwlocaties zoveel mogelijk worden geweerd in verband met schadekosten. In overstromingsrisicogebieden geldt dat nieuwe kapitaalintensieve functies worden geweerd in verband met het overstromingsrisico.

Samengevat houden wij via onze omgevingsverordening rekening met waterveiligheid en wateroverlast door het aanwijzen en actueel houden van genoemde watergebiedsreserveringen. Zowel de gebieden als de instructieregels worden de komende jaren in afstemming met onze meerlaagsveiligheidspartners geëvalueerd en mogelijk geactualiseerd.

Daarnaast wordt in onze Omgevingsverordening in generieke zin bepaald dat in omgevingsplannen alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk kunnen worden gemaakt, als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.

Crisisbeheersing (laag 3)

Het Overstroombaar gebied maakt ook deel uit van de watergebiedsreserveringen en omvat grofweg de westelijke helft van Overijssel. Hieronder vallen zowel uiterwaarden, onbedijkte gebieden langs het oppervlaktewatersysteem, als ook door dijken beschermde gebieden. Deze zone kan – afhankelijk van de specifieke locatie – regelmatig of juist alleen in zeer extreme situaties getroffen worden door overstroming, waarbij de overstromingsdiepte sterk varieert. Het is gewenst dat gemeenten bij ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied nadenken over maatregelen die getroffen kunnen worden om bebouwing te beschermen tegen onderlopen, inwoners te kunnen evacueren of belangrijke functies veilig te stellen. Als er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn om nieuwe stedelijke functies toe te voegen, dient meerlaagsveiligheid ook op langere termijn gegarandeerd te zijn. Dit kan door de gebiedsinrichting of bouwwijze hierop aan te passen. Het gaat bijvoorbeeld over vluchtlocaties, evacuatieroutes, ophoging van gebieden of wegen, bescherming van vitale infrastructuur en kwetsbare objecten, bescherming van lokale dijken en kades die de gevolgen van een overstroming kunnen beperken of geleiding van water naar gebieden waar het minder schade veroorzaakt. Onze omgevingsverordening schrijft voor dat een overstromingsrisicoparagraaf wordt opgenomen in de toelichting bij omgevingsplannen die nieuwe ontwikkelingen in dit overstroombare gebied mogelijk maken.

De Veiligheidsregio's IJsselland en Twente zijn verantwoordelijk voor rampenbestrijding en de crisisbeheersing, en daarmee ook voor de hulpverlening in geval van overstromingen en extreme wateroverlast. Daarvoor zijn draaiboeken voorhanden, en wordt samengewerkt met gemeenten, Rijkswaterstaat, waterschappen en de provincie. In en rond het overstromingsrisicogebied de Kampereilanden en de IJsselkeringen in Kampen wordt hier jaarlijks mee geoefend. De Commissaris van de Koning is bevoegd gezag bij zeer omvangrijke calamiteiten.

Veiligheidsregio’s worden als belangrijkste actiehouder voor crisisbeheersing betrokken bij zowel de regionale klimaatstresstesten van DPRA regio’s als de bovenregionale stresstest wateroverlast in het stroomgebied van de Vecht. Daarin is er de nodige aandacht voor blijven functioneren van vitale en kwetsbare functies, waaronder hulpverleningsassets als ambulance- en brandweerposten en ziekenhuizen. Aanvullend wil Veiligheidsregio IJsselland - mogelijk samen met DPRA regio RIVUS - een realistische evacuatiestrategie opstellen, waarin zowel grootschalige evacuatie als bereikbaarheid van shelters worden meegenomen. Het is van groot belang dat alle lagen van meerlaagsveiligheid worden meegenomen. Overijssel pakt hierin haar rol als (mede)vertegenwoordiger van de 2e laag.

Klimaatrobuust herstel (laag 4)

Waterrobuust herstel betekent dat schade zo wordt hersteld dat er bij een vergelijkbare neerslaggebeurtenis in de toekomst minder schade en minder maatschappelijke ontwrichting ontstaat. De nasleep van de crisis in Limburg laat zien dat hiervoor een efficiënt en betrouwbaar systeem noodzakelijk is; bekostiging en verzekerbaarheid is een groot aandachtspunt. Wel is het ministerie van IenW inmiddels in gesprek met Rijkswaterstaat om de bij hen in beheer zijnde assets bij herstel klimaatrobuust terug te bouwen. Deze aanpak kan op termijn verbreed worden naar andere infrabeheerders zoals gemeenten, provincies en beheerders van vitale voorzieningen.

Sub-Paragraaf 8.3.2 Structurerende keuzes vanuit water en bodem

Water en bodem sturend is een van de leidende principes in de omgevingsvisie. Wij willen in ons omgevingsbeleid bij zowel locatiekeuze, gebiedsinrichting als bouwwijze beter rekening houden met waterveiligheid en regionale wateroverlast. De hoofdlijnen hiervan zijn als volgt samen te vatten:

  • we creëren ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water in onze ruimtelijke inrichting, landgebruik en landbeheer;

  • in uiterwaarden willen we - in lijn met de Beleidslijn Grote Rivieren - geen nieuwe bebouwing meer toestaan;

  • we houden rekening met toekomstige ruimtevraag voor dijkversterking van zowel primaire als regionale waterkeringen;

  • we reserveren 5-10% van de diep(st)e polders voor waterberging; hier is geen nieuwe bebouwing toegestaan tenzij het waterbergend vermogen niet wordt aangepast;

  • we maken risico’s van overstroming en wateroverlast medesturend bij de locatiekeuze en inrichting van woningbouw;

  • we zetten in op grootschalig herstel van beekdalen, met als doelen het verbeteren van waterkwaliteit, natuur, grondwaterstand, groenblauwe dooradering en waterberging

Sub-Paragraaf 8.3.3 Bovenregionale stresstest wateroverlast

In de zomer van 2021 werd Limburg zwaar getroffen door wateroverlast. Naar aanleiding hiervan is de Beleidstafel Wateroverlast en Hoogwater ingesteld. In het eindadvies werd ingegaan op de noodzaak om in heel Nederland bovenregionale stresstesten uit te voeren en daarin vooral ook aandacht te besteden aan het voorkomen van uitval van vitale en kwetsbare functies.

De bovenregionale stresstesten worden verbonden met lokale en regionale stresstesten in DPRA-verband en andere trajecten zoals het hoofdwatersysteem en het programma Vitaal. Ze zijn gebaseerd op een extreme neerslaggebeurtenis, zoals die van juli 2021 in Limburg, België en Duitsland. Regio's kunnen deze aanvullen met gebiedsrelevante gebeurtenissen voor een gedetailleerder beeld.

Provincies is gevraagd de coördinatie op zicht te nemen; in het stroomgebied van de Vecht is de handschoen opgepakt door Overijssel en Drenthe. Doel is om beter voorbereid te zijn op extreme wateroverlast en om maatschappelijke ontwrichting te voorkomen. Waterschappen zijn leidend geweest bij het opstellen van de waterbeeld als eerste fase van de bovenregionale stresstest. Dit waterbeeld is najaar 2025 opgeleverd en vormt de basis voor de gevolganalyse, waarin een beeld geschetst wordt van economische schade, aantal getroffen mensen en mogelijke uitval van vitale objecten. Deze resultaten worden besproken in de risicodialoog. Mogelijk wordt op basis van deze gesprekken een (bovenregionale) uitvoeringsagenda opgesteld.

Sub-Paragraaf 8.3.4 Vitale en kwetsbare functies

Vitale en kwetsbare functies zoals elektra, gezondheidszorg en drinkwater zijn van groot maatschappelijk belang; doorfunctioneren ten tijde van overstroming en wateroverlast is van groot belang om ontwrichting te voorkomen. Nieuwe vitale assets met een belangrijke functie binnen hiërarchische netwerken (zoals elektra en telecom) willen we niet toestaan in gebieden met substantieel risico op overstroming of wateroverlast. Groot onderhoud en uitbreiding van bestaande assets zou moeten worden aangegrepen om locaties en objecten via gebiedsinrichting en aanpassing van bouwwijze waterrobuuster te maken. Het middel om tot dit doel te komen is in eerste instantie het opstarten van regionale gesprekken met het bevoegd gezag (veelal ministeries) en de beheerders van deze functies. Dit agenderen wij in de nieuwe zesjarige cyclus (2025-2030) van regionale klimaatstresstesten en risicodialogen in de vier DPRA-werkregio's in Overijssel, en in de hiervoor beschreven bovenregionale stresstest wateroverlast.

Sub-Paragraaf 8.3.5 Inzet in landelijke (delta)programma's

Vanuit het Nationale Deltaprogramma zijn in 2015 verschillende regionale voorkeursstrategieën en deltabeslissingen opgesteld, die zes-jaarlijks worden herijkt. De eerstvolgende herijking vindt plaats in het Deltaprogramma 2027. Wij werken als regionale stakeholder mee aan actualisatie van voorkeursstrategieën van de Deltaprogramma's Rivieren en IJsselmeergebied en participeren in de aanpak van Ruimte voor de Rivier 2.0. Daarbij kijken we verder dan het jaar 2050 en ruimer dan alleen naar waterveiligheid; ook interactie met natuur, bevaarbaarheid, economie en ruimte wordt meegenomen. Daarnaast is zoetwaterbeschikbaarheid een belangrijk doel; er is een sterke relatie met de herijking van de voorkeursstrategie Deltaprogramma Zoetwater vanwege aanvoer naar het IJsselmeer en de zoetwatervoorziening van hoger Oost-Nederland via Twentekanaal. Vanuit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie wordt – voornamelijk via de DPRA werkregio's – gewerkt aan de klimaatrobuuste inrichting van Nederland.

De belangrijkste Overijsselse items vanuit het Deltaprogramma zijn hoe in de toekomst de afvoerverdeling over de verschillende Rijntakken bij zowel laag- als hoogwater gaat plaatsvinden, en hoe het IJsselmeer gaat meebewegen met de zeespiegelstijging. Naar verwachting zal de IJssel een grotere rol krijgen in het verwerken van extreem hoogwater en is een (beperkte) stijging van het IJsselmeerpeil onontkoombaar. De waterveiligheidsopgave in de IJsselvechtdelta als overgangsgebied tussen IJsselmeer en de grote rivieren neemt duidelijk toe, mogelijk kan dit leiden tot ruimtelijke claims op binnendijkse gebieden.

Op bovenregionale schaal en deels ook internationale schaal willen wij in het deelstroomgebied Rijn-Oost en bij onze Duitse (regionale) partners het belang van een robuust en veilig watersysteem agenderen met daarbij een eerlijke verdeling van de lusten en de lasten.

Sub-Paragraaf 8.3.6 Normering waterveiligheid

Het Rijk heeft in 2017 nieuwe normen voor primaire waterkeringen vastgesteld. Uit de eerste landelijke beoordelingsronde bleek dat in het grootste deel van Nederland niet voldaan wordt aan de normen. Met het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) wordt toegewerkt naar de gewenste situatie in 2050. De provincie (GS) is bevoegd gezag om de door de waterschappen vastgestelde projectbesluiten voor versterking van primaire keringen goed te keuren. Daarbij kijken we vooral naar onze kerntaken als ruimtelijke kwaliteit, cultuurhistorie, natuur en mobiliteit.

De provincie heeft via de omgevingsverordening regionale keringen aangewezen en genormeerd langs het Meppelerdiep en de Sallandse Weteringen. Aanvullend zijn ter bescherming van de buitendijks gelegen Kampereilanden de omliggende regionale keringen aangewezen en genormeerd. Evenals bij de primaire keringen is 2050 het richtjaar. In 2023 zijn de bijbehorende maatgevende waterstanden voor toetsing vastgesteld. De toetsing hiervan vindt uiterlijk in 2027 plaats.

Sub-Paragraaf 8.3.7 Normering wateroverlast

Wij hebben in de omgevingsverordening een kaart met omgevingswaarden voor regionale wateroverlast opgenomen. Deze kaart is bepalend voor de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht. De omgevingswaarde bepaalt hiermee de zorgplicht en inspanningsverplichting voor waterschappen. Waterschappen toetsen via watersysteemanalyses of voldaan wordt aan de normering. De voortgang wordt meegenomen in de jaarlijkse bestuursrapportages van de waterschappen.

Gestreefd wordt om in het jaar 2027 overal aan de norm te voldoen. Met name in veenweidegebied met een graslandnorm is dit echter een uiterst complexe opgave. Technische maatregelen zijn hier kostbaar en weinig toekomstvast. We willen vanuit de optiek van water en bodem sturend voorkomen dat maatregelen voor de beperking van wateroverlast “te ver doorschieten” en op andere momenten ongewenste verdroging veroorzaken. Het rijk gaat najaar 2026 van start om samen met provincies en waterschappen te onderzoeken hoe de wateroverlastnormering meer klimaatadaptief gemaakt kan worden (zie ook Paragraaf 8.4 Wat verwachten wij van onze partners.).

Paragraaf 8.4 Wat verwachten wij van onze partners

We werken samen met waterschappen en gemeenten om waterveiligheidsmaatregelen te implementeren en de impact van wateroverlast te beperken.

Waterschappen staan aan de lat om via het HWBP de primaire waterkeringen te verbeteren. Er ligt vooral een versterkingsopgave in de IJsselvechtdelta. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag om het projectbesluit goed te keuren, waarbij de provincie expliciet kijkt naar natuur, cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit. De komende periode willen wij met de waterschappen afspraken maken over hoe de landelijke actualisatie van de reserveringszones voor primaire waterkeringen doorvertaald kan worden in het omgevingsbeleid.

De regionale keringen zullen uiterlijk in 2027 door het waterschap worden getoetst, en zullen in 2050 aan de norm moeten voldoen. De provincie en WDOD stemmen regelmatig af over de tussenresultaten van de toetsing van de keringen langs de Sallandse Weteringen, het Meppelerdiep en de Kampereilanden.

Samen met waterschappen, gemeenten en veiligheidsregio’s wordt - op basis van huidige kennis en technische inzichten - onderzocht of de watergebiedsreserveringen uit onze omgevingsverordening nog actueel zijn. Mogelijk zijn er door klimaatverandering aanvullende reserveringen nodig of kunnen deze vervallen. Zo komt er vanuit de medio 2026 te herijken Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie (deelbeslissing wateroverlast) de opdracht naar provincies om regionale waterbergingen aan te wijzen.

Met betrokken partijen gaan we bij alle watergebiedsreserveringen onderzoeken of er aanleiding is om de bijbehorende instructieregels aan te passen. Aan de orde komt hoe onze instructieregels rondom de overstromingsrisicoparagraaf zich verhouden tot de weging van het waterbelang en hoe we advisering vanuit het water- en ruimtedomein op elkaar kunnen afstemmen. Onze inzet is om met alle betrokken overheidslagen beter te borgen dat de lagen van meerlaagsveiligheid een echte wisselwerking hebben, waarmee invulling wordt gegeven aan de aanbevelingen van de Rekenkamer uit het rapport Voorbij de Dijk (2023).

De bestaande normering wateroverlast verschaft duidelijkheid over de zorgplicht van waterschappen en heeft geleid tot inzichten en investeringen in het watersysteem. De relatie met water en bodem sturend en meerlaagsveiligheid is echter een knelpunt. In de najaar 2026 te herijken Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie wordt daarom opgenomen dat de bestaande normering omgevormd wordt naar een meer risicogerichte en gebiedsspecifieke normering. Op basis van de kenmerken van het bodem- en watersysteem ontwikkelen de provincies samen met waterschappen en gemeenten een toekomstbestendige normenkaart voor wateroverlast met zichtjaar 2040. Hierbij wordt voor landelijk gebied de expliciete koppeling tussen het type landgebruik en de normering wateroverlast losgelaten. Bij de uitwerking wordt de normering wateroverlast voor specifieke gebieden heroverwogen. Het gaat dan met name om de ongebouwde delen van het veenweidegebied, van beekdalen en van overgangsgebieden rond N2000. Landelijke inzet is om deze nieuwe normering in de nieuwe Regionaal Waterprogramma's 2028-2033 uit te werken; uiterlijk in 2033 passen de provincies de omgevingsverordening aan, waarbij de (nieuwe) normering als omgevingswaarden in een kaartbeeld is vastgelegd.

Paragraaf 8.5 Raakvlakken andere beleidsterreinen

In de ruimtelijke ordening meer rekening houden met waterveiligheid en wateroverlast betekent dat er zowel bij locatiekeuze, gebiedsinrichting als bouwwijze ingespeeld moet worden op de mogelijke gevolgen van klimaatverandering voor wat betreft extreem natte situaties. Hoofdstuk 2 Ruimtelijke Adaptatie gaat specifiek in op ons provinciale beleid voor deze drie stappen.

In Hoofdstuk 4 Oppervlaktewatersysteem van dit RWP komt het oppervlaktewatersysteem aan de orde. Daar gaat het zowel over waterkwaliteit als waterkwantiteit; bij dit laatste is ook aandacht voor een teveel aan water, en dus ook wateroverlast. In Hoofdstuk 2 Ruimtelijke Adaptatie is via de regionale stresstesten in de DPRA regio’s ook aandacht voor de gevolgen van het veranderende klimaat voor waterveiligheid en wateroverlast.

Het IJsselmeer is van groot belang voor de zoetwatervoorziening van grote delen van Nederland. De IJssel en de Vecht zijn de belangrijkste toeleveranciers, maar Overijssel is zelf ook afnemer van zoetwater uit het IJsselmeer ten behoeve van onder meer de veenweidegebieden. Een mogelijke stijging van het IJsselmeerpeil ter vergroting van de zoetwaterbuffer of om mee te groeien met de zeespiegelstijging vergroot echter de waterveiligheidsopgave in de IJsselvechtdelta.

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

Bijlage IX Factsheets waardevolle kleine wateren

/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_1d938187-d59b-4dea-8235-ebe8b0c02fed/nld@2026‑07‑15;176

Bijlage VI KRW Factsheets - Waterlichamen Vechtstromen

/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_8de6f182-19ff-418a-ba88-912a85b00390/nld@2026‑07‑15;176

Bijlage VI KRW Factsheets - Waterlichamen WRIJ

/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_80eab293-6749-45d3-9df5-8e7ffcbcf54b/nld@2026‑07‑15;176

Bijlage VI KRW Factsheets Waterlichamen WDOD

/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_3ec27ac7-48c6-4283-a6ab-76fbb848f295/nld@2026‑07‑15;176

Bijlage XI Factsheets grondwaterlichamen - Deklaag

/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_9ed7c10b-ca55-48bd-8e44-bddc53efa319/nld@2026‑07‑15;176

Bijlage XI Factsheets grondwaterlichamen - Zand

/join/id/regdata/pv23/2026/pdf_7fce7bd1-a1c6-489f-a024-d3e1fb387a30/nld@2026‑07‑15;176

asv-reservering

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio594575ee-8f1a-4326-a8e3-d10fb1274299/nld@2026‑06‑15;318-1

bebouwd gebied

/join/id/regdata/pv23/2026/76gioe2e85094-4968-4965-ab8f-e17d590c67a9/nld@2026‑07‑15;323-1

beekdalen

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio370f3117-c9cf-4c2b-91ff-0f80b7b66e49/nld@2026‑06‑04;303-1

boringsvrije zone

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio4cef749f-6080-4ec6-9822-ffa3f0fe90b1/nld@2026‑07‑15;295-1

boringsvrije zone salland diep

/join/id/regdata/pv23/2026/76giob7c4728a-08c1-49bc-a8cc-61eeaf742f81/nld@2026‑07‑15;300-1

boringsvrije zone salland diep noord

/join/id/regdata/pv23/2026/76giod7f3bf55-ebd2-4ec3-aa8d-89771f53d5f4/nld@2026‑07‑15;322-1

deklaag rijn-oost

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio833a1a93-6457-4e69-a551-375e5c5af374/nld@2026‑06‑12;319-1

essentiële waterlopen

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio7a3d8292-fcc1-45b3-8e0e-3f45a9cbbf7a/nld@2026‑06‑12;296-1

fluvius

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio97601b8d-755c-4548-af4a-7b97b5c85316/nld@2026‑06‑11;298-1

grondwaterbeschermingszone

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio0035cf6d-3b6c-46cb-8852-05ad13e3a965/nld@2026‑07‑15;304-1

ijssel, vecht en delta

/join/id/regdata/pv23/2026/76gioca0b925b-d71d-40b3-b179-6ba6a6219c0a/nld@2026‑07‑15;326-1

intrekgebied

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio1a88c6df-9756-4d49-8f3f-eb4c7bcd734d/nld@2026‑06‑12;306-1

koekoekspolder

/join/id/regdata/pv23/2026/76giobcde27c4-9e9a-4b0b-8e9b-57be9db30e6a/nld@2026‑06‑09;312-1

kop van overijssel

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio20fa5fa8-5712-44bc-94c3-1f7791d02833/nld@2026‑04‑23;317-1

meetnet grondwaterkwaliteit

/join/id/regdata/pv23/2026/76giof3d67271-b6a5-4fe7-a1fe-551473925b11/nld@2026‑06‑15;316-1

monitoringspunten voor de grondwaterkwantiteit

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio16220966-0d67-49a7-9979-175eef52bea1/nld@2026‑06‑16;305-1

overstromingsrisicogebieden

/join/id/regdata/pv23/2026/76gioadca1e12-a89e-4d3f-887d-1f21b6841357/nld@2026‑07‑15;299-1

overstroombaar gebied

/join/id/regdata/pv23/2026/76gioc1c88f33-d7a8-402e-b357-d3b5ce7e0107/nld@2026‑07‑15;325-1

primaire watergebieden

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio30761925-2320-4b1a-b78d-b7bc048cec6f/nld@2026‑07‑15;309-1

primaire waterkeringen

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio9f9c3527-82fc-4f7f-92af-01362e641eba/nld@2026‑06‑15;310-1

regionale waterkeringen

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio32595033-2fd7-4cb8-8ec4-db84aaeba053/nld@2026‑07‑15;302-1

rivus

/join/id/regdata/pv23/2026/76giod523a01a-0ac9-42ad-b664-c7a3cde22991/nld@2026‑06‑11;313-1

salland

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio316e3fbf-a03b-499d-a908-dd01d7476da0/nld@2026‑07‑15;301-1

samenwerking noordelijke vechtstromen

/join/id/regdata/pv23/2026/76giofbc76ee9-71c5-49af-8d0b-65be5d66c668/nld@2026‑06‑11;324-1

twentswaternet

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio87645fa4-10c0-4640-8398-a1817a896ae1/nld@2026‑06‑11;320-1

vechtdal

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio2159935f-38c3-4c5e-87c2-af8af8a24587/nld@2026‑07‑15;307-1

veenweide

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio7bb15c66-d367-498d-8046-7bab35605a9a/nld@2026‑07‑15;297-1

waterbergingsgebieden

/join/id/regdata/pv23/2026/76gio2c14b5c4-ab41-4348-af30-6513d31c9b78/nld@2026‑07‑15;308-1

waterwingebied

/join/id/regdata/pv23/2026/76giocb220acb-6620-4c9c-bb6e-bf5e4ba82d44/nld@2026‑07‑15;321-1

zand rijn-oost

/join/id/regdata/pv23/2026/76giof30da36c-5b29-4d10-983d-797c5ccb8409/nld@2026‑06‑12;315-1

zandgronden

/join/id/regdata/pv23/2026/76gioee5dcd6b-7134-4694-8f4b-95f1f5e7c757/nld@2026‑06‑04;314-1

Bijlage III Inspiratiebladen Water en Bodem Sturend

1.1 Water en bodem sturend

Water- en bodemsystemen vormen de basis voor ruimtelijke ontwikkelingen in een klimaatbestendige provincie. Dit inspiratieblad illustreert hoe het principe ‘water en bodem sturend’ in praktijk wordt gebracht bij gebiedsontwikkeling. De voorbeelden tonen hoe natuurlijke systemen leidend kunnen zijn in de verschillende delen van Overijssel bij keuzes voor wonen, werken, landbouw en natuur, met toekomstbestendige oplossingen als resultaat.

1.1.1 De aanpak van ‘water en bodem sturend’ verschilt per gebiedstype

Overijssel is een provincie met een rijke diversiteit aan gebieden. De manier waarop water en bodem sturend (WBS) toegepast kan worden in het veenweidegebied is bijvoorbeeld heel anders dan op de zandgronden. En binnen het veenweidegebied zijn er ook weer grote verschillen. Het vraagt om maatwerk. In dit inspiratieblad geven we mogelijkheden aan voor hoe het leidende principe water en bodem sturend toepast kan worden in zandgronden, de IJssel-Vecht delta, veenweidegebieden en bebouwd gebied.

1.1.2 Welke aanpak werkt in welk gebied?

We zoomen in op de verschillende gebiedstypen. De gebiedstypen zijn gebaseerd op hydrologische, geomorfologische en landschappelijke kenmerken en houden zich niet aan bestuurlijke grenzen. Ze gaan geleidelijk in elkaar over en beïnvloeden elkaar. In veenweidegebieden is bijvoorbeeld de invloed van aangrenzende zandgronden en de IJssel, Vecht en Delta merkbaar door grondwaterstromingen en overstromingsrisico. Verder staat het watersysteem niet op zichzelf. Het vraagt om bewust te zijn van de bovenstroomse invloeden op een locatie en hoe ingrepen doorwerken in de stroomrichting. Zo komt de afvoer van de Vecht volledig van neerslag in het bovenstroomse gebied. De Rijn is nu nog een gemengde rivier met regenwater en smeltwater van gletsjers, maar zal in de toekomst een regenrivier worden. Dit betekent meer kans op droogval in de zomer en meer afvoer in de winter. Door de stijgende zeespiegel zal het waterpeil in het IJsselmeer hoger zijn om verzilting tegen te gaan. Dit heeft invloed op de IJssel en de Vecht, waar hogere waterpeilen verwacht worden. In bovenstroomse gebieden is het van belang om rekening te houden met de invloed op benedenstroomse gebieden en versnelde afvoer te voorkomen. Dit geldt ook voor grondwaterstroming, waar water via de bodem naar de oppervlakte komt.

1.2 Stedelijke gebieden kennen hun eigen uitdagingen en hebben ook relatie met het gebiedstype waarin ze liggen

Stedelijke gebieden staan niet op zichzelf. Een goede connectie met de inrichting van het omliggende gebied draagt bij aan een vitale leefomgeving. Natuurverbindingen, waterlopen en functies in de stadsrand spelen hierbij een belangrijke rol, omdat ze stad en buitengebied met elkaar verbinden. Stedelijke gebieden komen voor in alle gebiedstypen en hebben een relatie met de specifieke kenmerken van die gebieden. Ook bij de inrichting van stedelijke gebieden is het daarom belangrijk om rekening te houden met lokale kenmerken, zoals de doorlatendheid van de ondergrond op zandgronden, de slappe bodem in veenweidegebieden of de natte omstandigheden in de IJssel Vechtdelta.

In de inspiratiebladen hierna lichten we per gebiedstype mogelijke oplossingen toe.

afbeelding binnen de regeling

1.3 Principes voor onze zandgronden

1.3.1 Beschrijving van het gebiedstype

Veruit het grootste deel van Overijssel bestaat uit zandgronden. Ze zijn te vinden in Twente, Salland en in de gebieden ten noorden van de Vecht. Binnen het gebiedstype zandgronden vallen hoge en droge dekzandruggen, lagere en nattere dekzandlaagtes, beekdalen, hoogveengebieden en moerige gronden.

1.3.2.Inspiratie aanpak van WBS in de zandgronden

Op de zandgronden willen we werken aan het vergroten van de grondwatervoorraad door herstel van de balans tussen onttrekking en aanvulling, vertragen van de afvoer en verbetering van de waterkwaliteit. Door slimme keuzes te maken in de ruimtelijke inrichting en het grondgebruik kan de sponswerking van een gebied vergroot worden en kan het regenwater infiltreren naar de ondergrond. Zo vertraagt het watersysteem, blijven grondwaterstanden langer op peil en worden pieken in de afvoer (zowel te veel als te weinig) gedempt. Hiervoor is het van belang dat voorwaarden worden opgelegd aan ontwatering, onttrekkingen, buffering, lozingen en afspoeling van stoffen. Deze voorwaarden moeten zorgen voor voldoende watervoerendheid van beken, hogere grondwaterstanden, voldoende sterke kwelstromen voor bijzondere condities en natuurwaarden en een goede waterkwaliteit

afbeelding binnen de regeling

1.4 Principes voor onze IJssel Vecht Delta

1.4.1 Beschrijving van het gebiedstype

De rivieren IJssel en Vecht en het IJsselmeergebied komen samen in de IJssel-Vechtdelta. De Vecht ontspringt in Duitsland en voert met name neerslag af. Nagenoeg half Overijssel ten oosten van de Sallandse heuvelrug watert via het Regge-systeem af naar de Vecht. Daarnaast wordt veel oppervlaktewater vanuit Drenthe, o.a. Reest en Drentse hoofdvaart, afgevoerd via het Zwarte water naar de Delta. De IJssel is voor zijn watervoerendheid afhankelijk van de afvoerverdeling tussen Rijn en IJssel. De waterstanden op de IJssel zijn belangrijk voor de watervraag van landbouw en natuur (wateraanvoer) en scheepvaart (zoals het Twentekanaal). In uiterwaarden en overstromingsvlaktes (ooien) is waardevolle natuur als soortenrijke graslanden en ooibossen aanwezig.

1.4.2 Inspiratie aanpak van WBS in de IJssel Vechtdelta

In de IJssel-Vecht delta nemen de overstromingsrisico’s toe als gevolg van de onzekerheid over toekomstige afvoeren en waterstanden. Door bewust met onze ruimte om te gaan kunnen risico’s worden beheerst. Bijvoorbeeld door het reserveren van ruimte die in de toekomst nodig is voor afvoer, berging of uitbreiding van infrastructuur. Zo voorkomen we lock-ins. Onderdeel hiervan is rekening houden met de toekomstige peilstijging van het IJsselmeer. Deze stijging is sterk merkbaar bij Kampen, maar werkt door tot Zwolle en verder stroomopwaarts. Ook willen we anticiperen bij het bouwen in gebieden die kunnen overstromen op mogelijke risico’s en gevolgen. Dit kan door de locatiekeuze op deze risico’s te beoordelen. Als toch gebouwd wordt op plekken met hoger risico, dan wordt voorkomen dat er een toename van kwetsbaarheid voor wateroverlast of overstroming optreedt.

afbeelding binnen de regeling

1.5 Principes voor onze veenweidegebieden

1.5.1 Beschrijving gebiedstype

In Noordwest Overijssel ligt ongeveer 20.000 hectare veenweidegebied. Het veenweidegebied is een cultuurlandschap, waar mensen al eeuwenlang het landschap naar hun hand hebben gezet. Om agrarisch gebruik mogelijk te maken wordt het veen ontwaterd. De lokale omstandigheden in de veenweidegebieden in Overijssel zijn zeer divers op het gebied van (geo)hydrologie, bodem, cultuurhistorische kenmerken, en de impact op/van aangrenzende systemen.

Het gebied grenst in het noorden aan de lager gelegen Friese Groote Veenpolder. Het peilverschil met de diep ontwaterde Groote Veenpolder veroorzaakt grote wegzijging van water. Aan de oostzijde grenst het gebied aan de hogere zandgronden van Overijssel en Drenthe. Aan de westzijde aan de diepe Noordoostpolder waardoor veel water uit het gebied wegzijgt naar het westen. Als gevolg van ontwatering en bodemdaling in de agrarische gebieden ligt het laagveen Natura 2000-gebied Wieden-Weerribben nu hoger dan de omliggende veenweidegebieden. Dit heeft wegzijging van water naar de lager liggende agrarische gebieden met verdroging van het natuurgebied en verlies van natuurwaarden tot gevolg.

1.5.2 Inspiratie aanpak van WBS voor het veenweidegebied Noordwest Overijssel

In het veenweidegebied willen we werken we aan de doelen om veenoxidatie en bodemdaling door vernatting van het laagveen tegen te gaan of te stoppen. Omdat de omstandigheden divers zijn, is er geen sprake van een geschikte aanpak voor het hele gebied. In de ‘Gebiedsgerichte aanpak Noordwest Overijssel’ voeren gebiedspartners pilots met diverse maatregelen uit en wisselen kansrijke aanpakken met elkaar uit. Dat gebeurt ook op landelijk niveau in het veenweide innovatie programma Nederland (VIP NL). Overigens is er ook in ‘klei op veen’ gebieden vernatting belangrijk, door scheurvorming kan ook daar oxidatie plaats kan vinden en is vernatting nodig. Vernatten kan bijvoorbeeld door peilopzet, slootverdichting, en greppelinfiltratie.

Het vernatten vereist maatwerk door de lokaal specifieke fysieke omstandigheden (veensoort, bodemopbouw, etc.) en landschappelijke kenmerken. Om het laagveengebied nat te kunnen houden, is het belangrijk om wegzijging van water tegen te gaat. Dit kan door een hydrologische bufferzone. Dit vraagt nadere verkenning en maatwerk. Het gebruik van gebiedseigen water voor het vernatten heeft de voorkeur. Gebiedseigen water heeft dezelfde organische en chemische kwaliteit en zorgt voor minder verontreiniging.

afbeelding binnen de regeling

1.6 Principes voor onze bebouwde gebieden

1.6.1 Beschrijving gebiedstype

Bebouwd gebied zijn dorpen en steden waarin een concentratie van bebouwing en infrastructuur te vinden zijn. Het gaat dan om woongebieden, bedrijventerreinen en autowegen. In Overijssel zijn de grotere stedelijke gebieden met name in de delta van de IJssel en in de Twentse stedenband gelegen. Deze gebieden ondervinden de gevolgen van klimaatverandering. Zo is er onvoldoende ruimte ingebouwd voor het opvangen van piekbuien door de sterke mate van verharding of is er ontwikkeld in een kwetsbaar gebied (bv. buitendijks gebied of in laag gelegen gebieden waar neerslag via vrij verval op afwatert). Voor de toekomst bestaat er nog een flinke opgave om nieuwe woon- en werkgebieden te ontwikkelen. Deze gebieden moeten voor vele decennia hun functie kunnen uitoefenen, daarom is een goede locatiekeuze en robuustheid in het ontwerp noodzakelijk.

1.6.2 Inspiratie aanpak van WBS voor bebouwd gebied

Voor stedelijke gebieden geldt een duidelijke relatie met het onderliggende gebiedstype. Zwolle in de IJsseldelta kent andere uitdagingen dan Enschede, wat hoog op de zandgronden onder steil vrij verval ligt. Bij de locatiekeuze van nieuwe verstedelijking is het van belang om rekening te houden met de bodem en de plek in het watersysteem. Het is belangrijk om de klimaatadaptatie opgave niet te vergroten en daarom zijn slappe, natte relatieve laagtes en overstroombare gebieden beperkt geschikt voor nieuwbouw. We willen problemen die zich kunnen voordoen op deze kwetsbare locaties niet afwentelen op de gemeenschap, naar de toekomst of naar andere gebieden. Een robuuste ontwikkeling houdt zijn eigen klimaatbroek op, een groenblauwe dooradering kan hierbij helpen en heeft meerdere bijkomende voordelen voor een prettige leefomgeving. Klimaatrobuustheid kan vorm krijgen door rekening te houden met de manier waarop wordt gebouwd zodat dit wordt afgestemd op lokale water- en bodemkarakteristieken en rekening houdt met lange termijn klimaatverandering (situatie 2100).

afbeelding binnen de regeling

Water- en bodemsystemen vormen de basis voor ruimtelijke ontwikkelingen in een klimaatbestendige provincie. Dit inspiratieblad illustreert hoe het principe ‘water en bodem sturend’ in praktijk wordt gebracht bij gebiedsontwikkeling. De voorbeelden tonen hoe natuurlijke systemen leidend kunnen zijn in de verschillende delen van Overijssel bij keuzes voor wonen, werken, landbouw en natuur, met toekomstbestendige oplossingen als resultaat.

Bijlage IV Regionaal Actieplan beschikbaarheid drinkwaterbronnen

Regionaal Actieplan beschikbaarheid drinkwaterbronnen

2023 tot 2030 – Vitens, regio Overijssel en Provincie Overijssel

1 Inleiding

Dit actieplan geeft inzicht in de beschikbaarheid van drinkwaterbronnen voor de regio Overijssel van drinkwaterbedrijf Vitens. Het regionale actieplan heeft betrekking op de provincie Overijssel, een deel van de provincie Drenthe en Noordelijk Flevoland. Knelpunten, effecten van knelpunten

(voor en na 2030) en oplossingsrichtingen komen in beeld. Doel van het actieplan is om op lokaal en regionaal niveau het bestuurlijke gesprek te faciliteren en om op lokaal en regionaal niveau partijen te bewegen de juiste acties te nemen. Voor knelpunten die uitsluitend op landelijk niveau oplosbaar zijn, worden bestuurders op rijksniveau aangesproken in het overkoepelende Actieprogramma.

De opgave in dit regionaal actieplan is gebaseerd op het RIVM-rapport van april 2023 en waar nodig geactualiseerd met interviews gehouden tweede helft 2023 met vertegenwoordigers van Vitens en de provincie Overijssel. De focus ligt op acties met effect op de periode vóór 2030. Voor oplossingen die pas effect hebben na 2030 zijn veelal ook vóór 2030 acties nodig: die worden ook benoemd. Het plan is geaccordeerd door provincie en drinkwaterbedrijf. Maatregelen met betrekking tot waterbesparing maken geen deel uit van het regionaal actieplan. Deze zijn onderdeel van het landelijk actieprogramma Waterbesparing.

Hoofdstuk 2 schetst een beeld van de urgentie rond de beschikbaarheid van drinkwaterbronnen tot 2030 in de provincie Overijssel en het verzorgingsgebied van Vitens. De benodigde productiecapaciteit tot 2030 en lopende acties om daaraan te voldoen komen in hoofdstuk 3 aan bod. Knelpunten die realisatie belemmeren, oplossingen, acties, actiehouders en status staan in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 zijn de conclusies weergegeven.

2 Urgentie

De situatie in Overijssel is erg nijpend en daarmee hoog urgent. Er is op dit moment een tekort aan operationele reserve en met name in Overijssel-Zuid (Twente) zijn er geen mogelijkheden om deze tekorten te verhelpen binnen de huidige vergunningscapaciteit. Cruciale bouwstenen om deze opgave voor de korte termijn op te lossen zijn vastgelopen, zijnde Hammerflier en Daarle-Vriezenveen. Als gevolg van het risico op zettingsschade kan Hammerflier niet worden ontwikkeld op korte termijn. Daarnaast is geconcludeerd dat de winning Daarle-Vriezenveen niet ontwikkeld kan worden op korte termijn vanwege problemen met waterkwantiteit en -kwaliteit. Ondanks dat besloten is om andere bouwstenen te versnellen richting 2030 is allerminst zeker of de operationele reserve dan op orde is. In samenwerking tussen provincie Overijssel en Vitens wordt er alles aan gedaan binnen de mogelijkheden van beide partijen om de reserves te verbeteren, zelfs als het niet doelmatig en kosten intensief is.

Consequentie van deze tekorten is dat zakelijke klanten in Twente nu al geen zekerheid hebben over de levering van drinkwater. Bij uitblijven van resultaten zal dit voortzetten en kan deze situatie ook in de rest van Overijssel optreden.

3 Opgave en lopende maatregelen

Doel van dit hoofdstuk is het geven van inzicht in de kwantitatieve opgave om in 2030 te beschikken over voldoende productiecapaciteit en inzicht in de acties die ervoor moeten zorgen dat de productiecapaciteit ook daadwerkelijk beschikbaar is in 2030. Dat is het vertrekpunt om te toetsen of lopende maatregelen toereikend zijn om het verschil tijdig te overbruggen.

3.1 Toelichting aanpak

Provincie Overijssel, Vitens, Waterschap Vechtstromen en Waterschap Drents Overijsselse Delta hebben een adaptieve strategie opgesteld waarin is beschreven op welke wijze de drinkwatervoorziening in Overijssel kan worden gegarandeerd.

In de Adaptieve Strategie Drinkwatervoorziening is ook een uitvoeringsagenda opgenomen met maatregelen voor de korte, middellange en lange termijn. De uitvoering hiervan wordt doorlopend gemonitord en waar nodig bijgesteld.

Aanvullend daarop wordt gewerkt aan scenariostudies voor ontwerp van toekomstige transportinfrastructuur. Dit omdat transport van Overijssel-Noord naar Overijssel-Zuid een belangrijke sleutel is voor het oplossen van de reserve problematiek in Overijssel-Zuid. Hiervoor ontbreekt het echter aan de benodigde infrastructuur om water grootschalig tussen deze clusters te transporteren.

3.2 Noodzakelijke productiecapaciteit tot 2030

In tabel 1 is de opgave voor de benodigde extra productiecapaciteit tot 2030 voor de regio Overijssel, inclusief een deel van Drenthe en Noordelijk Flevoland, weergegeven. Getallen zijn op basis van de prognose van de drinkwatervraag van Vitens van 2023.

Tabel 1 Opgave voor Overijssel tussen 2023 en 2030 (in miljoen m3 per jaar)

 

Huidige operationele capaciteit (2023)



Prognose operationele capaciteit in 2030

Operationele capaciteit te realiseren



Extra benodigde Vergunning capaciteit in 2030

Opgave 2030

83

91

8

6

Op basis van de prognose van Vitens van 2023 is er een onttrekkingsbehoefte van 91 Mm3/jaar in 2030. De huidige operationele onttrekkingscapaciteit bedraagt 83 Mm3/jaar. Dit vraagt om een uitbreiding van de operationele capaciteit van 8 Mm3/jaar.

Daarnaast hanteert Vitens een reservebeleid om toekomstige stijgingen op te vangen. Daarvoor is het streven een reserve in de vergunningen van 10% te realiseren. Voor de regio Overijssel betreft dit een toename van 6 Mm3/j.

In de hier gepresenteerde cijfers is geen rekening gehouden met de effecten van het nationale programma waterbesparing.

3.3 Maatregelen ten behoeve van voldoende productiecapaciteit tot 2030

Om in de regio Overijssel over voldoende drinkwaterbronnen te kunnen beschikken is vijf jaar geleden als uitgangspunt gekozen om dit te doen middels het inzetbaar maken van niet benutte vergunningsruimte. Voor een aantal locaties bleek dit echter een niet realistische keuze (Hammerflier, Daarle-Vriezenveen). Door het stagneren van deze bouwstenen moest overgeschakeld worden naar andere bouwstenen uit de adaptieve strategie om in 2030 voldoende productiecapaciteit te hebben. Ook voor deze nieuwe bouwstenen geldt dat tijdige realisatie complex is. Het betreft keuzes tussen twee kwaden en dan de meest haalbare kiezen.

Om in 2030 te beschikken over voldoende productiecapaciteit moet er vóór 2030 8 Mm3/j extra gerealiseerd worden door de toenemende drinkwatervraag. Voor het op orde krijgen van de operationele reserve zetten Vitens en de provincie in op onderstaande, conform afspraken en projecties zoals besproken in het Breed Bestuurlijk Overleg tussen provincie Overijssel, Vitens, Waterschap Drents Overijsselse Delta en Waterschap Vechtstromen over de Adaptieve Strategie Drinkwatervoorziening Overijssel op 27 juni 2024:

  • a.

    aanpassen bestaande infrastructuur t.b.v. vergroten productiecapaciteit (Ceintuurbaan, Vechterweerd, Boerhaar/Diepenveen);

  • b.

    inzetbaar maken vergunningsruimte (Zutphenseweg , Schalkhaar, Archemerberg);

  • c.

    ontwikkelen nieuwe locatie (Salland Diep);

  • d.

    innovatie in vergunningaanvraag en bouw infrastructuur IJsselvallei (Living Lab);

  • e.

    optimaliseren productieproces en zoeken van lekken.

Onderstaand de opgave voor 2030 en de bouwstenen die daarvoor beschikbaar zijn.

Tabel 2 Realisatie noodzakelijke productiecapaciteit vóór 2030

 

Operationele capaciteit (in Mm3/j)

Vergunning capaciteit (in Mm3/j)

Met wie

Noodzakelijke activiteiten in voorbereiding + fase

Opgave 2030

8

6

 
 

Ceintuurbaan

0,6

-

Vitens

Operationaliseren van de winvergunning(realisatiefase)

Vechterweerd

2,0

-

Vitens

Operationaliseren van de winvergunning(realisatiefase)

Boerhaar / Diepenveen

2,1

-

Vitens

Operationaliseren van de winvergunning(realisatiefase)

Zutphenseweg

1,2

-

Vitens

Operationaliseren van de winvergunning

(onderzoeksfase)

Schalkhaar

2,0

-

Vitens

Operationaliseren van de winvergunning(onderzoeksfase)

Salland Diep

6,0

6,0

Vitens, Provincie, Waterschap

Verkrijgen en operationaliseren van de winvergunning(onderzoeksfase)

Living Lab IJsselvallei

5,0

5,0

Vitens, Provincie, Rijkswaterstaat

Verkrijgen en operationaliseren van de winvergunning(onderzoeksfase)

Totaal bouwstenen

20,5

12,5

 
 

Op termijn wordt met name ingezet op uitbreiding van winningen in het westen van Overijssel. Voor de korte termijn is dit echter nog geen optie, aangezien de transportinfrastructuur om grote hoeveelheden water te verplaatsen nog ontbreekt.

Voor het traject Salland Diep is begonnen actief te communiceren met de omgeving over de plannen die Vitens heeft en is het veldwerk gestart vooruitlopend op de onderbouwing van een vergunningaanvraag en m.e.r.-procedure.

Met Living Lab IJsselvallei zet Vitens in op een versnelde innovatieve wijze een oppervlaktewater winning te realiseren ter ondersteuning van de grondwaterwinningen. Inmiddels wordt gewerkt aan de opbouw van een proef- en ontwikkellocatie die binnenkort zal beschikken over twee hoofdzuiveringsinstallaties, ontworpen volgens het multibronnen concept.

3.4 Maatregelen ten behoeve van voldoende productiecapaciteit na 2030

Om voor de langere termijn voldoende productiecapaciteit te garanderen zijn in de Adaptieve Strategie Drinkwatervoorziening Overijssel bouwstenen benoemd voor verdere ontwikkeling. Ook deze ontwikkelingen vragen voor 2030 acties aangezien trajecten tot het verkrijgen van een winvergunning langlopende processen zijn.

De inzet voor na 2030 bestaat uit:

  • a.

    inzetbaar maken vergunningsruimte Hammerflier;

  • b.

    ontwikkelen nieuwe locaties (Bruchterveld, Koppelerwaard);

  • c.

    opschaling Living lab IJsselvallei;

  • d.

    sanpassen transportinfrastructuur tussen Overijssel-Noord en Overijssel-Zuid;

  • e.

    panorama Waterland Sallands Heuvelrug;

  • f.

    verkennen extra winveld Goor-Herikerberg.

3.5 Interactie met andere regionale actieprogramma’s

Dit gezamenlijke actieprogramma tussen provincie Overijssel en Vitens kent interactie met plannen in omliggende provincies.

Omdat het duidelijk is dat in 2030 de benodigde capaciteit niet met zekerheid gerealiseerd zullen zijn vraagt dat om een andere benadering van de drinkwatervoorziening en dat vraagt wellicht om een andere, provinciegrens overschrijdende oplossing. Vitens en de provincie Overijssel verkennen daarvoor de mogelijkheden.

Voor de winning Lochem in Gelderland lopen de bestuurlijke afspraken over de levering aan Overijssel in 2028 af. In het licht van de problematiek in Twente vindt overleg plaats over een oplossing hiervoor.

De levering van Noordelijk Flevoland wordt nu vanuit historische ontwikkeling voorzien vanuit ‘het oude land’ Overijssel. Gezien de problematiek in Overijssel dient in samenwerking tussen provincie Overijssel, provincie Flevoland en Vitens een keuze te worden gemaakt op systeemniveau over de toekomstige levering van Noordelijk Flevoland. Voor de leveringszekerheid van Noordelijk Flevoland is het van belang overeenstemming te krijgen over een op te stellen plan van aanpak die korte en lange termijn mogelijkheden bevat. Wel is duidelijk dat de korte termijn mogelijkheden summier zijn.

4 Knelpunten en oplossingen

Dit actieplan brengt de benodigde prioritaire acties in beeld om in 2030 te beschikken over voldoende productiecapaciteit. Tegelijkertijd wordt ook nu al gewerkt aan de opgave om na 2030 voldoende drinkwater te kunnen leveren.

De uitdaging voor Overijssel zit in de complexe bestuurlijke- en omgevingsdynamiek met conflicterende belangen. In Overijssel wordt de urgentie zeer nadrukkelijk erkend en bestuurlijk gedragen. Tegelijkertijd is het een uitdaging om voldoende kwalitatief personeel te vinden zowel bij provincie Overijssel en Vitens.

Drinkwaterwinning is niet solitair te ontwikkelen. De effecten en belangen raken altijd met andere uitdagingen, zoals op landbouw en natuur. Indien voor deze problemen geen oplossing wordt gevonden zullen ook de ontwikkelingen en oplossingen voor de drinkwateropgave stagneren.

Een belangrijke sleutel voor het oplossen van de reserve problematiek in Overijssel-Zuid op termijn ligt in Overijssel-Noord. Hiervoor ontbreekt het echter aan de infrastructuur om water grootschalig tussen deze clusters te transporteren. De aanleg van de infrastructuur kost veel tijd gezien de benodigde vergunningsprocedures en weerstand bij grondeigenaren. Een oplossing kan zijn om vergunningsprocedure uit te lijnen, vraagt om inzicht in wie waar over gaat en of het Rijk ook een rol speelt.

Concrete punten waar partijen tegenaan lopen zijn:

  • Vertraging in het proces van aanvraag van nieuwe Waterwetvergunning of uitnutten van bestaande vergunning of aanvraag vergunning voor de bouw van infrastructuur voor drinkwater, vaak als gevolg van weerstand uit de omgeving,  inspraak- en beroepsprocedures en noodzaak tot doen van aanvullende onderzoeken.

  • Zoektocht locatie wordt onderdeel van grotere beleidsmatig en bestuurlijk afwegingsproces. Interprovinciale en bovenregionale vraagstukken worden hierdoor belemmerd.

  • Verslechterende kwaliteit van grond- en oppervlaktewater zorgt voor benodigde uitbreiding van zuivering

  • Grote druk op het (grond)watersysteem waardoor meer er concurrentie is tussen de aanwezige functies. Effecten van drinkwaterwinning op met name natuur worden daardoor sterk uitvergroot.

  • Personele capaciteit bij drinkwaterbedrijven en/of provincie  

  • Beperkte capaciteit bij marktpartijen voor aanleg van de infrastructuur

  • Aansluiting op elektriciteitsnet (netcongestie)

  • Financierbaarheid van de investeringen in de infrastructuur door het drinkwaterbedrijf

Concrete oplossingen voor deze knelpunten betreffen:

  • Coördinatie vanuit het Rijk voor bovenregionale vraagstukken.

  • Visie van het rijk op een landelijke drinkwaterstrategie en de doorvertalingen naar regionale drinkwaterstrategieën.

  • Versterken van de landelijke aanpak voor een veerkrachtig en toekomstbestendig (grond)watersysteem, waardoor tegemoet kan worden gekomen aan de hydrologisch randvoorwaarden van de aanwezige functies.

  • Planning woningbouw matchen met beschikbare operationele drinkwaterbeschikbaarheid

  • Ruimte vanuit netcongestie en stikstof.

  • Verruiming van de WACC-systematiek om investeringen te kunnen doen.

  • Landelijke onderzoeksagenda naar onder andere:

    • Normen over wat is significant effect op de omgeving is bij waterwinning

    • Verwerken van brijn (afvalstromen na zuivering)

5 Conclusies / samenvatting

Samenvattend is de urgentie voor de regio Overijssel, en dan met name Overijssel-Zuid erg hoog. De kans dat in 2030 de operationele reserves in dit cluster niet op orde zijn is groot.

De ontwikkeling van bouwstenen die technisch gezien op korte termijn drinkwater kunnen produceren is gestagneerd (Hammerflier, Bruchterveld en Daarle-Vriezenveen). Dit door een combinatie van risico’s en daarmee gepaard gaande weerstand in de omgeving en doordat de bouwstenen daarmee onderdeel zijn geworden van een groter vraagstuk in de regio. Leveringen vanuit Duitse waterbedrijven lopen binnenkort af en verlengen van deze contracten is onzeker. Met provincie en waterschappen is afgesproken om in te zetten op andere bouwstenen (Living lab IJsselvallei en Salland Diep) in combinatie met transportinfrastructuur. Gezien de grote kans op vertraging vanwege doorlooptijd van procedures, netcongestie en schaarste bij aannemers is het allerminst zeker dat deze alternatieven voor 2030 gereed zullen zijn.

Ander belangrijk knelpunt voor Vitens is de financierbaarheid van de grote opgave.

Voor het tijdig realiseren van de benodigde bouwstenen is forse inzet nodig op onderstaande prioritaire acties:

  • Handreiking integraal afwegingskader maatschappelijke belangen. Doel is versnellen en versterken proces vergunningen en ontheffingen vanuit Wet natuurbescherming.

  • Heldere handreiking ontvankelijke vergunningsaanvraag opstellen. Het indienen van een vergunningaanvraag versoepelt door de verschillende stappen, de benodigde informatie en de criteria voor de onderbouwing in kaart te brengen.

  • Gezien schaarse ruimte stevig borgen plek drinkwater voor de toekomst en bescherming van drinkwaterbronnen. Bijvoorbeeld door het opnemen van doelen voor drinkwater in NPLG/PPLG, expliciete toetsingskaders op de drinkwaterpotentie bij ruimtelijke ontwikkelingen en actualiseren vastgestelde ASV’s. Voor draagvlak bij stakeholders is het van belang om (financiële) mogelijkheden te bieden voor de omgeving in veranderende situaties (bijvoorbeeld extensiveren landbouw).

  • In uitvoering brengen van de principes in Water en Bodem sturend. Zowel landelijke coördinatie in het aansturen op bovenregionale oplossingen alsook de aanzet tot waterbesparing.

Bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid

Bijlage Grondwaterbeschermingsbeleid

1 Inleiding en leeswijzer

Deze Bijlage Grondwaterbeschermingsbeleid bevat in meer detail het geldende provinciale beleid voor de bescherming van winningen voor menselijke consumptie. Hoofdstuk 2 schetst het wettelijk en juridisch kader zoals dat geldt voor grondwaterbescherming. Hoofdstuk 3 beschrijft de grondwaterbeschermingsgebieden en de daarin geldende regels en mogelijke risico’s voor de grondwaterkwaliteit.

2 Wettelijk en juridisch kader

2.1 Grondwaterbescherming in de Omgevingswet

In de Omgevingswet is geregeld dat de provincie is belast met de taak om de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden te beschermen, op basis van artikel 2.18 lid 1 onder c. Deze bescherming is bedoeld voor de winningen van drinkwater. Een directe verplichting in het kader van deze verantwoordelijkheid is te vinden in artikel 7.11 eerste lid onder b Bkl. Hierin wordt gesteld dat de omgevingsverordening regels dient te bevatten voor wat betreft het beschermen van de kwaliteit van het grondwater van de grondwaterlichamen die worden gebruikt voor het onttrekken van drinkwater. De regels moeten ervoor zorgen dat het water voldoet aan de eisen die worden gesteld vanuit de Kaderrichtlijn water. Verder bevat het Regionaal Waterprogramma maatregelen om de onttrekkingsgebieden voor drinkwater te beschermen, op basis van artikel 4.4 derde lid Bkl. De wetgever legt dus vooral de verantwoordelijkheid voor het beschermen van het grondwater neer bij provincies, die op hun beurt hier praktische invulling aan kunnen geven.

Deze eerdergenoemde artikelen uit het Bkl zijn terug te voeren op verschillende Europese waterrichtlijnen. Het gaat in dit geval vooral om de Kaderrichtlijn Water, Grondwaterrichtlijn en de Drinkwaterrichtlijn. De verplichtingen uit deze richtlijnen zijn dus weer terug te vinden in Nederlandse wetgeving zoals de Omgevingswet, Besluit kwaliteit leefomgeving en het Drinkwaterbesluit.

2.2 Provincie als bevoegd gezag

Provincie Overijssel is op verschillende manieren formeel betrokken bij de (openbare) drinkwatervoorziening. De provincie fungeert als strategisch beleidsbepaler voor de inrichting van de fysieke leefomgeving en het toekennen van functies aan water- en grondwatersystemen. Daarnaast is de provincie verantwoordelijk voor het beschikbaar stellen en beschermen van voldoende drinkwaterbronnen, waarbij zij de grenzen van de beschermingscontouren rondom drinkwaterwinningen bepaalt. Provincies verlenen ook vergunningen voor grondwateronttrekkingen groter dan 150.000 m3/jaar (voor openbare drinkwatervoorziening en industrie) en open bodemenergiesystemen en waterlozingen in de diepe ondergrond. Dat betekent dat grondwaterbedrijven, zoals drinkwaterbedrijf Vitens, en andere bedrijven voor hun activiteiten een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit bij de provincie moeten aanvragen. De waterschappen hebben het bevoegd gezag voor de overige grondwateronttrekkingen. Hierna wordt specifiek ingegaan op onttrekkingen waarvoor de provincie bevoegd gezag is. Het beleid en de regelgeving van de provincie zijn vastgesteld in de Omgevingsvisie en -verordening en het Regionaal Waterprogramma.

Provincie Overijssel is ook medeaandeelhouder van drinkwaterbedrijf Vitens en daarmee medeverantwoordelijk voor de uitvoering van de drinkwatervoorziening in hun distributiegebied op basis van de zorgplicht in artikel 3 Drinkwaterwet. Vanuit die rol draagt zij de zorg dat het bedrijf in overheidshanden blijft, aan wettelijke verplichtingen voldoet en doelmatig opereert. Als de provincie opereert vanuit andere wettelijke taken, zoals het beheer en de bescherming van grond- en oppervlaktewater dat als bron voor de drinkwatervoorziening wordt gebruikt, dienen zij tevens te voldoen aan de zorgplicht van artikel 2 eerste lid Drinkwaterwet. In het tweede lid van artikel 2 Drinkwaterwet wordt de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening aangemerkt als een dwingende reden van groot openbaar belang. Dit verankert het bijzondere belang van de openbare drinkwatervoorziening in de wet. Deze bepaling vormt een uitwerking van de zorgplicht en ondersteunt de uitvoerbaarheid ervan, wat houvast biedt voor de bestuurspraktijk en expliciete waarborging ter bescherming van dat belang. Het provinciaal belang bij de (openbare) drinkwatervoorziening is evident.

2.3 Specifieke zorgplicht

In de Omgevingsverordening is een specifieke zorgplicht opgenomen ter bescherming van de grondwaterkwaliteit. Deze specifieke zorgplicht is gericht tot derden en geldt binnen waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones voor specifieke (milieubelastende) activiteiten (artikel 3.26 Omgevingsverordening). Het borduurt voort op de algemene zorgplicht voor het milieu (artikelen 1.6 en 1.7 Omgevingswet) en de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten (artikel 2.11 Bal).

In de grondwaterbeschermingsgebieden is sprake van een kwetsbare functie (drinkwaterwinning) en veelal kwetsbare bodem. Daarom moeten personen en instanties die hier activiteiten uitvoeren extra alert en zorgvuldig zijn om de grondwaterkwaliteit niet negatief te beïnvloeden. De specifieke zorgplicht is belangrijk omdat het aantal expliciete regels en verboden in de Omgevingsverordening beperkt is. Ook zonder expliciet verbod mag een activiteit in een beschermingsgebied niet worden uitgevoerd als deze risico’s voor de grondwaterkwaliteit oplevert. Er moet worden beoordeeld of er geen minder risicovolle alternatieven voor de activiteit beschikbaar zijn. Alleen als het achterwege laten van de activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd en er geen alternatieven beschikbaar zijn, mag de activiteit wel worden uitgevoerd, mits maatregelen worden genomen om risico’s te voorkomen en beperken en eventuele schade te herstellen. De zorgplicht is dus een belangrijk vangnet.

Voorbeelden van activiteiten waarbij de specifieke zorgplicht van belang is, zijn bouw- en aanlegwerkzaamheden, evenementen of andere activiteiten van tijdelijke aard, waarbij gebruik gemaakt wordt van materieel en waarvoor brandstof (tijdelijk) wordt opgeslagen. De specifieke zorgplicht vereist dan extra maatregelen, zoals het opvangen van gelekte brandstof of olie en de afvoer van afvalwater.

3 Beschermingsbeleid

3.1 Openbare drinkwatervoorziening

In en rondom onze drinkwaterwinningen vervullen we een actieve rol om risico’s te beheersen en de waterkwaliteit te beschermen en verbeteren. Zo willen we op termijn de zuiveringsopgave verminderen en de ruimtelijke inpassing verbeteren. Rondom drinkwaterwinningen zijn beschermingsgebieden aangewezen. De beschermingsregimes voor deze ruimtelijk afgebakende zones zijn vastgelegd in onze Omgevingsverordening.

Het beschermingsniveau varieert per gebied. Dit komt omdat een geringer niveau kan volstaan naarmate:

  • De (horizontale) afstand tot de winningsmiddelen op het maaiveld toeneemt of;

  • Slecht doorlatende lagen in de bodem aanwezig zijn boven het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken (de verticale afstand).

Hierdoor zijn de ruimtelijke beschermingsgebieden onderverdeeld in verschillende zones: waterwingebied, grondwaterbeschermingszone (met en zonder stedelijke functie), intrekgebied (met en zonder stedelijke functie) en boringsvrije zone. Binnen deze zones geldt de specifieke zorgplicht. Dit betekent dat elk risico op verslechtering van de waterkwaliteit binnen de beschermingszones moet worden uitgesloten. Mogelijk risicovolle activiteiten worden verboden of slechts onder voorwaarden toegestaan. In de onderstaande deelhoofdstukken worden de verschillende ruimtelijke beschermingsgebieden en -regimes toegelicht.

3.1.1 Waterwingebieden

Waterwingebieden zijn de gebieden waar (oever)grondwater voor drinkwater aan de bodem wordt onttrokken of gebieden die daarvoor gereserveerd zijn. De begrenzing is gebaseerd op de horizontale verblijftijd van 60 dagen per pompput in het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken. Een minimum van 30 meter vanaf de individuele winputten wordt aangehouden (zie RIVM-rapport 734301029/2007, Bouwstenen Leidraad Grondwaterbescherming) en wij streven naar een gebied van 60 meter rondom de winputten. Begrenzing vindt plaats aan de hand van duidelijke perceelgrenzen.

Strekking van het beleid:

Een waterwingebied wordt aangemerkt als het meest kwetsbare deel van een drinkwaterwinning. Hier liggen de winputten. De waterwingebieden worden dan ook stringent beschermd; het belang van het water is kaderstellend. In een waterwingebied zijn alleen activiteiten toegestaan ten dienste van de openbare drinkwatervoorziening. Andere functies en activiteiten zijn verboden.

Toelichting (waarom?):

Drinkwater is van levensbelang: elk risico van verontreiniging van het grondwater moet absoluut voorkomen worden. De 60 dagen verblijftijd is gekozen vanuit het oogpunt van volksgezondheid. In deze periode worden eventuele bacteriën die aanwezig zijn in het water afgebroken. De duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening is in de Drinkwaterwet vastgelegd als een dwingende reden van groot openbaar belang.

Uitvoering/instrumenten:

Regels in de Omgevingsverordening voor de bescherming van de drinkwatervoorziening (afdelingen 3.6 en 4.8).

3.1.2 Grondwaterbeschermingszones

Grondwaterbeschermingszones zijn de gebieden direct rondom drinkwaterwinningen, aangewezen op grond van de Omgevingswet. Deze zone strekt zich uit van het waterwingebied tot de verblijftijdlijn van 25 jaar in het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken, gebaseerd op het vergunde onttrekkingsvolume. Begrenzing vindt plaats aan de hand van duidelijke topografische en geografische kenmerken, zoals wegen en waterlopen.

Strekking van het beleid:

In grondwaterbeschermingszones zijn activiteiten mogelijk die niet direct verband houden met de (openbare) drinkwatervoorziening, maar het grondwater wordt zowel ruimtelijk als milieutechnisch beschermd. Het uitgangspunt van het beschermingsbeleid is het weten of regelen (aan voorwaarden verbinden) van risicovolle activiteiten. Daarnaast worden harmoniërende activiteiten, die goed samengaan met bescherming van de grondwaterkwaliteit en drinkwaterwinning, bevorderd, zoals:

  • Extensieve land- en tuinbouw, waaronder beheerslandbouw en biologische land- en tuinbouw;

  • Extensieve recreatie;

  • Landschaps-, natuur- en bosbouw;

  • Nieuwe landgoederen en buitenplaatsen.

Preventie en een brongerichte aanpak zijn hierbij belangrijk. De Omgevingsverordening bevat een aantal expliciete verboden voor (milieubelastende)activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones, zoals o.a. bodemenergiesystemen. Activiteiten in grondwaterbeschermingszones moeten voldoen aan het stand-still-principe. Dit principe is erop gericht verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn toegestaan als ze voldoen aan het stap-vooruit-principe. Dit betekent dat de nieuwe activiteit minder risico’s op verontreinigingen van het grondwater met zich mee brengt en de grondwaterkwaliteit ten opzichte van de huidige activiteit.

Om aan het stap-vooruit-principe te voldoen, kunnen effect-reducerende maatregelen ter plaatse of in de nabije omgeving nodig zijn. Als de effecten van grote of grootschalige risicovolle activiteiten ter plaatse onvoldoende kunnen worden gereduceerd, kan compensatie op gebiedsniveau worden toegestaan. Hiervoor moet het stap-vooruit-principe worden gecombineerd de risico- en saldobenadering Bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid. Het doel is om zowel de ontwikkelingsmogelijkheden als het beschermingsniveau, en daarmee de grondwaterkwaliteit, te verbeteren.

Voor nieuwe activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones moet in het Omgevingsplan worden onderbouwd hoe zij voldoen aan het stand-still- of stap-vooruit-principe. Als er sprake is van saldobenadering moet in het Omgevingsplan worden onderbouwd hoe dit past binnen de Kaderrichtlijn Water, die geen achteruitgang van de (grond)waterkwaliteit toestaat. Voor deze onderbouwing en beoordeling dient Bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid als toetsingskader. De methodiek biedt handvaten voor een onderbouwde besluitvorming.

Toelichting (waarom?):

We beschermen de gebieden rondom de drinkwaterwinningen om deze winningen - voor een periode van 25 jaar - zo veel mogelijk veilig te stellen. Deze 25 jaar biedt de mogelijk om in te grijpen bij een verontreiniging en deze tijd wordt nodig geacht om alternatieven voor een winning te ontwikkelen, wanneer de bedreiging te groot wordt. Drinkwater is van levensbelang; elk risico op verontreiniging moet absoluut voorkomen worden. De duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening is in de Drinkwaterwet vastgelegd als een dwingende reden van groot openbaar belang.

Grondwaterbeschermingszones met stedelijke functies

Er zijn grondwaterbeschermingszones waar van oorsprong al stedelijke functies/activiteiten en bijbehorende risicofactoren aanwezig zijn, zoals in de zones van de winningen Goor, Hasselo en Enschede-Losser. Het beschermingsbeleid in deze zones is minder strikt dan in andere grondwaterbeschermingszones. Als een ingreep noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening en de nieuwe functie geen extra risico’s met zich meebrengt (ten opzichte van al aanwezige risicofactoren), kan deze worden toegestaan. Bodemenergiesystemen zijn niet toegestaan.

In grondwaterbeschermingszones met stedelijke functies, achten wij de voorwaarden van zwaarwegend maatschappelijk belang en het ontbreken van alternatieven onevenredig zwaar. Bescherming van het grondwater is, vanwege de ligging rondom drinkwaterwinningen, wel aan de orde. We willen voorkomen dat de waterkwaliteit verslechtert. De duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening is in de Drinkwaterwet vastgelegd als een dwingende reden van groot openbaar belang.

Uitvoering/instrumenten:

Instrumenten voor het beoordelen van initiatieven binnen grondwaterbeschermingszones zijn regels in de Omgevingsverordening (afdelingen 3.6 en 4.8), de weging van het waterbelang en de Methodiek Gebiedsgerichte grondwaterbescherming - Bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid

3.1.3 Intrekgebieden

Een waterwinning trekt grondwater aan uit een gebied dat groter is dan de grondwaterbeschermingszone. De intrekgebieden “leveren” feitelijk het grondwater voor de drinkwatervoorziening. De omvang van de intrekgebieden is bepaald op basis van verblijftijdlijn van 100 jaar in het watervoerende pakket waaruit wordt onttrokken tot aan de winput, gebaseerd op het vergunde onttrekkingsvolume.

Strekking van het beleid:

Het hele intrekgebied van de drinkwaterwinning wordt beschermd met een 100-jaarszone; het belang van het water is kaderstellend. Het uitgangspunt is dat risicovolle activiteiten zoveel mogelijk geweerd moeten worden en het bevorderen van duurzame functieverweving van de waterwinning met harmoniërende activiteiten zoals:

  • Extensieve land- en tuinbouw, waaronder beheerslandbouw en biologische land- en tuinbouw;

  • Extensieve recreatie;

  • Landschaps-, natuur- en bosbouw;

  • Nieuwe landgoederen en buitenplaatsen.

Activiteiten in intrekgebieden moeten voldoen aan het stand-still-principe. Dit principe is erop gericht verslechtering van de grondwaterkwaliteit tegen te gaan en het vergroten van risico’s op verontreiniging van het grondwater te voorkomen. Nieuwe risicovolle activiteiten zijn toegestaan als ze voldoen aan het stap-vooruit-principe. Dit betekent dat de nieuwe activiteit minder risico’s op verontreinigingen van het grondwater met zich mee brengt en de grondwaterkwaliteit ten opzichte van de huidige activiteit.

Om aan het stap-vooruit-principe te voldoen, kunnen effect-reducerende maatregelen ter plaatse of in de nabije omgeving nodig zijn. Als de effecten van grote of grootschalige risicovolle activiteiten ter plaatse onvoldoende kunnen worden gereduceerd, kan compensatie op gebiedsniveau worden toegestaan. Hiervoor moet het stap-vooruit-principe worden gecombineerd de risico- en saldobenadering (zie bijlage Methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming). Het doel is om zowel de ontwikkelingsmogelijkheden als het beschermingsniveau, en daarmee de grondwaterkwaliteit, te verbeteren.

Voor nieuwe activiteiten binnen grondwaterbeschermingszones moet in het Omgevingsplan worden onderbouwd hoe zij voldoen aan het stand-still- of stap-vooruit-principe. Als er sprake is van saldobenadering moet in het Omgevingsplan worden onderbouwd hoe dit past binnen de Kaderrichtlijn Water, die geen achteruitgang van de (grond)waterkwaliteit toestaat. Voor deze onderbouwing en beoordeling dient de Methodiek gebiedsgerichte grondwaterbescherming Bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid) als toetsingskader. De methodiek biedt handvaten voor een onderbouwde besluitvorming.

Toelichting (waarom?):

Bescherming van de kwaliteit van het grondwater in de intrekgebieden is van groot belang voor een duurzame inpassing van de drinkwaterwinning. Drinkwater is van levensbelang. De duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening is in de Drinkwaterwet vastgelegd als een dwingende reden van groot openbaar belang.

Intrekgebieden met stedelijke functies

Er zijn intrekgebieden waar van oorsprong al stedelijke functies en bijbehorende risicofactoren aanwezig zijn, zoals in de gebieden rondom de winningen Goor, Hasselo, Wierden en Enschede-Losser. Het beschermingsbeleid in deze gebieden is minder strikt dan in andere intrekgebieden. Als een ingreep noodzakelijk is voor een goede ruimtelijke ordening en de nieuwe activiteit geen extra risico’s met zich meebrengt (ten opzichte van al aanwezige risicofactoren), kan deze worden toegestaan.

In intrekgebieden met stedelijke functies, achten wij de voorwaarden van zwaarwegend maatschappelijk belang en het ontbreken van alternatieven onevenredig zwaar. Bescherming van het grondwater is, vanwege de ligging rondom drinkwaterwinningen, wel aan de orde. We willen voorkomen dat de waterkwaliteit verslechtert (stand-still). De duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening is in de Drinkwaterwet vastgelegd als een dwingende reden van groot openbaar belang.

Uitvoering/instrumenten:

Instrumenten voor het beoordelen van initiatieven binnen grondwaterbeschermingszones zijn regels in de Omgevingsverordening (afdelingen 3.6 en 4.8), de weging van het waterbelang en de Methodiek Gebiedsgerichte grondwaterbescherming Bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid

3.1.4 Boringsvrije zone bestaande onttrekkingen

Een boringsvrije zone is een beschermingszone rondom een drinkwaterwinning die zich uitstrekt vanaf de 60-dagenzone tot de 25-jaarslijn. Anders dan bij grondwaterbeschermingszones, bevinden zich in een boringsvrije zone beschermende bodemlagen tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken.

Strekking van het beleid:

In de boringsvrije zones is het beleid gericht op het behoud van de beschermende bodemlagen en het tegengaan van fysieke bodemaantasting. Doorboren, aantasten of verwijderen van deze bodemlagen is niet toegestaan. Ook geldt een verbod om koelwater, afvalwater en overige (verontreinigde) vloeistoffen te lozen en een verbod om bodemenergiesystemen te installeren die de ondoordringbare kleilaag doorboren. Het belang van het water is kaderstellend.

Toelichting (waarom?):

Met het behoud van de beschermende bodemlagen en het verbod om schadelijke stoffen te lozen, wordt verontreiniging van de diepe grondwaterlagen voorkomen. Bodemenergiesystemen zijn niet toegestaan vanwege de (mogelijke) risico's van opwarming of verontreiniging van het grondwater. Met deze maatregelen willen we de kwaliteit van het grondwater dat voor de drinkwatervoorziening wordt gebruikt, veiligstellen. Drinkwater is van levensbelang. De duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening is in de Drinkwaterwet vastgelegd als een dwingende reden van groot openbaar belang.

Uitvoering/instrumenten:

Regels in de Omgevingsverordening voor de bescherming van de drinkwatervoorziening (afdelingen 3.6 en 4.8).

3.2 Grondwaterreserveringen en aanwijzing beschermingsgebieden

Binnen Overijssel zijn gebieden aangewezen als strategische grondwatervoorraad om in de toekomstige (stijgende) drinkwaterbehoefte te voorzien. Dit gebeurt door gebieden rondom potentiële winlocaties aan te wijzen als intrekgebieden, waar risicovolle activiteiten worden geweerd. Zo voorkomen we dat nieuwe (grootschalige) ontwikkelingen het grondwater negatief kunnen beïnvloeden.

Voor drinkwaterwinning is een wateronttrekkingsvergunning van de provincie (Gedeputeerde Staten) nodig. Op basis van de vergunde onttrekkingshoeveelheid worden één of meer van de volgende gebieden aangewezen door Provinciale Staten: waterwingebied, grondwaterbeschermingszone, een intrekgebied en/of een boringsvrije zone. De beschermingscontouren worden opgenomen in de Omgevingsverordening. Provinciale procedures worden zoveel mogelijk op elkaar afgestemd, ook bij het vergroten of verkleinen van een winning. Beperkte grenswijzigingen kunnen door Gedeputeerde Staten worden vastgesteld.

Momenteel zijn drie gebieden als strategische grondwatervoorraad aangewezen en beschermd met een intrekgebied: Koppelerwaard, Bruchterveld en Daarle-Vriezenveen. Meer reserveringen kunnen volgen als onderzoek drinkwaterpotentieel heeft aangetoond.

Daarnaast is het derde watervoerende pakket in Salland door middel van een boringsvrije zone aangewezen al strategische grondwatervoorraad. In een boringsvrije zone bevinden zich beschermende bodemlagen tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken. Binnen Overijssel zijn er twee boringsvrije zones die dienen als grondwaterreservering: Salland Diep en Salland Diep Noord.

3.3 Opheffing beschermingsgebieden

In het verleden zijn drinkwaterwinningen gesloten en de bijbehorende beschermingsgebieden opgeheven. Gedeputeerde Staten trekken daarvoor de wateronttrekkingsvergunning in, en Provinciale Staten heffen de beschermingsgebieden op.

Als duidelijk is dat een winning op termijn (3 tot 5 jaar) sluit of de vergunning wordt ingetrokken, wordt de grondwaterbescherming idealiter fasegewijs afgebouwd. De sluitingsdatum van de winning wordt bepaald op voorstel van of in overleg met het drinkwaterbedrijf. Tegelijkertijd wordt de grondwaterbeschermingszone verkleind van de 25- naar een 10- of 5-jaarszone, afhankelijk van de kwetsbaarheid van het gebied. Monitoring is hierbij belangrijk. Door een gefaseerde afbouw wordt alleen het noodzakelijke gebied beschermd en worden onnodige belemmeringen en kosten vermeden. Dit is verantwoord omdat sluiting pas plaatsvindt als er voldoende alternatieve drinkwaterbronnen beschikbaar zijn. De drinkwatervoorziening blijft gegarandeerd, ook in het geval van calamiteit. Deze gefaseerde afbouw sluit aan op de jurisprudentie. De rechter heeft eerder geoordeeld dat geen beschermingsmaatregelen mogen worden geëist die onevenredig kostenverhogend werken, als er een redelijke mate van zekerheid is dat de winning op termijn wordt gestaakt. Afhankelijk van de situatie kan worden afgeweken van de gefaseerde afbouw.

3.4 Industriële onttrekkingen

Het begrip industriële toepassingen wordt niet in de wet gedefinieerd en blijkt lastig nauwkeurig te omschrijven. Daarom hanteren wij een ‘negatieve’ benadering: een (niet-limitatieve) opsomming van onttrekkingen die niet onder het begrip industriële toepassing vallen. Zoals onttrekkingen voor bronbemaling, ontwatering, beregening, bodemenergiesystemen, grond(water)sanering en de openbare drinkwatervoorziening. Bij twijfel beschouwen wij een onttrekking als industriële toepassing.

Industriële winningen voor menselijke consumptie zijn winningen van bedrijven die volgens de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) grondwater onttrekken voor de bereiding van producten voor menselijke consumptie. Irrigatiewater, koelwater en soms ook spoelwater, vallen hier niet onder. De NVWA houdt toezicht op deze bedrijven (Warenwet). Het beschermingsbeleid voor en rondom industriële winningen voor menselijke consumptie is dat grondwater zodanig beschermd is zodat het geschikt blijft voor de bereiding van producten voor menselijke consumptie en wordt voorkomen dat de kwaliteit verslechtert. De kwaliteit van het onttrokken water dient hiervoor als indicator. Dit wordt gemonitord via het provinciale grondwaterkwaliteitsmeetnet, het KRW-meetnet en bedrijfsmetingen zoals wordt voorgeschreven in het Drinkwaterbesluit. Als uitgangssituatie dient de waterkwaliteit van het jaar 2000. Bij verslechtering kunnen maatregelen worden bezien in het Stroomgebiedsbeheersplan, onderdeel van de KRW.

Bedrijven zijn primair verantwoordelijk voor de bescherming van het door hen onttrokken grondwater. Een bedrijf kan een verzoek doen om een beschermingsgebied in te stellen als er wordt geconcludeerd dat dit de beste garantie biedt voor bescherming. Hiervoor moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan:

  • Er wordt geen onevenredig afbreuk gedaan aan andere belangen;

  • Het bedrijf is bereid schadevergoeding toe te kennen aan door de bescherming onevenredig benadeelde derden;

  • De onttrekking is voor een hoogwaardig doel (een gebruik waarbij de volksgezondheid in het geding is);

  • De winning bedraagt meer dan 100.000 m3 per jaar.

Bij honorering van een verzoek zal voor de bescherming het beleid voor drinkwaterwinningen worden gevolgd. Het instellen van een beschermingszone met bijbehorende regels is vaak niet opportuun, omdat bedrijven meestal op een industrieterrein of in bebouwd gebied liggen. Dit zou onevenredig afbreuk doen aan andere belangen, omdat veel activiteiten worden verboden of enkel onder strenge voorwaarden kunnen worden toegelaten.

Voor het gebruik van goed grondwater voor laagwaardige industriële toepassingen verlenen wij geen vergunning, tenzij er geen alternatieven zijn, of deze alternatieven een groter nadelig effect hebben. Het economische belang van de industrie wegen we hierbij mee. Het gebruik van grondwater voor beregening is binnen algemene kaders toegestaan, maar in droge perioden kan een beregeningsverbod gelden.

3.5 Winningen voor menselijke consumptie

Onder winningen voor menselijke consumptie verstaan we bedrijven die zelf water winnen en als drinkwater aan derden verstrekken, zoals bronwaterwinningen, campings, badinrichtingen en soms ziekenhuizen. Deze winningen staan onder toezicht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), die naleving van de Drinkwaterwet controleert. De kwaliteit van het onttrokken water dient als indicator en mag niet afnemen. Dit wordt gemonitord via het provinciale grondwaterkwaliteitsmeetnet, het KRW-meetnet en bedrijfsmetingen volgens het Drinkwaterbesluit. De uitgangssituatie is de waterkwaliteit van het jaar 2000. Bij verslechtering kunnen maatregelen worden bezien in het Stroomgebiedsbeheersplan, onderdeel van de KRW.

Voor ‘eigen winningen’ is vooralsnog geen specifiek provinciaal beschermingsbeleid vastgesteld. Aangenomen wordt dat deze winningen voldoende worden beschermd door het algemene landelijke beleid. Bij de evaluatie van het beschermingsbeleid zal ook deze aanname worden beoordeeld.

3.6 Risico’s en bedreigingen grondwaterkwaliteit

De provincie beschermt drinkwaterwinningen met grondwaterbeschermingsgebieden zoals beschreven in 3.1. Ondanks de inspanningen die verricht zijn en worden om de kwaliteit van ons grondwater te verbeteren blijven er bedreigingen en risico’s bestaan of dienen nieuwe zich aan. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bedreigingen en risico’s. Bedreigingen zijn al ‘tastbare’ verontreinigingen die meetbaar zijn in het ruwwater van de winningen. De risico’s zijn de risico’s dat bedreigingen kunnen gaan optreden. Deze bedreigingen en risico’s worden voor alle drinkwaterwinningen vastgelegd in gebiedsdossiers. Deze kunnen voortkomen uit activiteiten binnen intrekgebieden die waterkwaliteit negatief kunnen beïnvloeden of verontreinigingen die de kant van de winning optrekken. Drinkwaterwinningen zonder beschermende (klei)lagen hebben een hoger risico. In Overijssel zijn dat de winningen Vechterweerd, Engelse Werk, Archemerberg, Mander, Hoge Hexel, Wierden, Espelose Broek, Holten en Herikerberg-Goor. Voor een aantal bedreigingen en risico’s zijn expliciete regels en/of verboden opgelegd voor grondwaterbeschermingsgebieden. Deze zijn opgenomen in de Omgevingsverordening (Afdeling 3.6). De volgende paragrafen zullen deze risico’s en het daarvoor geldende beleid behandelen.

3.6.1 Nitraat

Europees en landelijk beleid en regelgeving

De Europese Nitraatrichtlijn (91/676/EEG) heeft als doel waterverontreinigingen veroorzaakt door nitraten uit agrarische bronnen te verminderen en te voorkomen (artikel 1 Nitraatrichtlijn). Voor ondiep grondwater geldt per grondsoortregio de gemiddelde concentratie niet meer dan 50 mg nitraat per liter mag zijn. Lidstaten moeten een actieprogramma met maatregelen opstellen om de doelen van de Nitraatrichtlijn te halen. In Nederland gebeurt dit via het 7e Actieprogramma Nitraatrichtlijn 2022-2025.

In Nederland de Nitraatrichtlijn geïmplementeerd via:

  • De Meststoffenwet en het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (Ubm), die regels bevatten voor de productie, handel, gebruik, opslag en verwerking van (dierlijke) meststoffen.

  • De Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), die regels bevatten voor het gebruik van (dierlijke) meststoffen met als doel de beperking van emissies in de lucht en het voorkomen van af- of uitspoeling van meststoffen.

De Beleidsnota Drinkwater 2021-2026 benadrukt dat het beperken van nutriënten, zoals nitraat, in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden cruciaal is voor het verbeteren van de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater.

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is erop gericht de grondwaterkwaliteit rondom openbare drinkwaterwinningen te beschermen. In waterwingebieden geldt in principe een verbod op het aanbrengen van meststoffen op of in de bodem te brengen. Er zijn enkele vrijstellingen op deze regel (paragraaf 3.6.2 Omgevingsverordening). In grondwaterbeschermingszones moet het risico van verontreiniging van het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen. Dierlijke meststoffen, anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen zijn toegestaan volgens de rijksregels; Andere soorten meststoffen niet, voor meer detail (artikel 3.33 Omgevingsverordening).

Er is stimuleringsbeleid om nitraatuitspoeling in grondwaterbeschermingsgebieden te verminderen. Zo wordt bij functiewijzigingen in deze gebieden gestreefd naar harmoniërend landgebruik door de Methodiek Gebiedsgerichte grondwaterbescherming toe te passen (zie Omgevingsverordening). Ook kunnen in Overijssel, in het kader van het Maatregelpakket Bescherming Drinkwaterbronnen, stimulerings- en studieprojecten uitgevoerd worden op het gebied van mineralenmanagement in de landbouw om emissies en uitspoeling van meststoffen te verminderen.

3.6.2 Gewasbeschermingsmiddelen

Europees en landelijk beleid en regelgeving

De basis voor de Europese regelgeving voor gewasbeschermingsmiddelen is de Europese Verordening gewasbeschermingsmiddelen ((EG) 1107/2009). Deze verordening regelt toelating en verkoop van en controle op gewasbeschermingsmiddelen en de daarin aanwezige werkzame stoffen. De Uitvoeringsverordening gewasbeschermingsmiddelen ((EU) 540/2011): specificeert de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen en zorgt voor een duidelijke vermelding en overzicht. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) met bijbehorende besluit (Bgb) en onderliggende regeling bevatten de regels voor toelating en gebruik in Nederland. Gewasbeschermingsmiddelen zijn in Nederland alleen toegestaan na goedkeuring van het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB). Het Bgb stelt dat de concentratie van een werkzame stof of relevant reactie- of afbraakproduct in grondwater niet hoger mag zijn dan 0,1 µg/l. In grondwaterbeschermingsgebied is deze grens 0,01 µg/l en zijn uitspoelingsgevoelige gewasbeschermingsmiddelen en biociden (> 0,001 µg/l uitspoeling) verboden. Het CTGB hanteert hiervoor RIVM-systematiek.

Daarnaast is er regelgeving voor het gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Dit is geregeld in de Europese Richtlijn duurzaam gebruik (2009/128/EG). Deze richtlijn biedt een kader voor duurzaam gebruik van pesticiden om de risico’s voor gezondheid en milieu te verminderen. In Nederland worden deze aanvullende regels vastgelegd in de milieuregelgeving, zoals het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit sluit aan bij de Kaderrichtlijn Water (KRW) die het doel stelt om de waterkwaliteit van grond- en oppervlaktelichamen te verbeteren. De KRW bevat signaleringswaarden voor bestrijdingsmiddelen in grondwater en ruwwater dat wordt gebruikt voor drinkwaterproductie, namelijk 0,1 µg /l voor individuele stoffen en 0,5 µg /l voor de som van bestrijdingsmiddelen.

In de Beleidsnota Drinkwater 2021-2026 wordt het negatieve effect van gewasbeschermingsmiddelen op de kwaliteit van drinkwaterbronnen onderschreven. De ‘Toekomstvisie gewasbescherming 2030’ en het bijbehorende uitvoeringsprogramma beschrijven de ambitie en aanpak om in 2030 nagenoeg geen emissies van gewasbeschermingsmiddelen vanuit de land- en tuinbouw naar het milieu te hebben.

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is erop gericht de grondwaterkwaliteit rondom openbare drinkwaterwinningen te beschermen. In waterwingebieden is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en biociden niet toegestaan (paragraaf 3.6.2 Omgevingsverordening). In grondwaterbeschermingszones moet het risico van verontreiniging van het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen. Voor grondwaterbeschermingszones gaan wij ervan uit dat het landelijke beleid en regels en het provinciaal stimuleringsbeleid voldoende bescherming wordt geboden. Het is mogelijk dat aanvullende provinciale regels gesteld worden als na evaluatie van het beschermingsbeleid dit nodig wordt geacht. Biociden en derivaten daarvan worden gezien als schadelijke stoffen (Bijlage XIX bij het Bal), die op basis van de specifieke zorgplichtbepaling verboden zijn om in grondwaterbeschermingsgebieden van (openbare) drinkwaterwinningen te gebruiken (artikel 3.26 Omgevingsverordening).

Er is stimuleringsbeleid om uitspoeling van gewasbeschermingsmiddelen en biociden in grondwaterbeschermingsgebieden te verminderen. Zo wordt bij functiewijzigingen in deze gebieden gestreefd naar harmoniërend landgebruik door de Methodiek Gebiedsgerichte grondwaterbescherming toe te passen Bijlage V Grondwaterbeschermingsbeleid. Ook bevat het Maatregelpakket Bescherming Drinkwaterbronnen verschillende maatregelen die gericht zijn op het verminderen van de bedreigingen en risico’s die gewasbeschermingsmiddelen en biociden vormen voor de drinkwaterbronnen.

3.6.3 (Oude) bodemverontreinigingen

Bodemverontreinigingen kunnen de grondwaterkwaliteit negatief beïnvloeden en daarmee een bedreiging vormen voor de (openbare) drinkwaterwinning, zoals ook onderschreven wordt in de Beleidsnota Drinkwater 2021-2026. Het provinciaal beleid is gericht op het treffen van risicobeperkende maatregelen dan wel het saneren van bodemverontreinigingen. Verdere uitwerking van dit beleid staat beschreven in de hoofdtekst van het Regionaal waterprogramma en bijlage 5.2. Daarnaast bevat het Maatregelpakket Bescherming Drinkwaterbronnen aanvullende maatregelen hoe om te gaan met (oude) bodemverontreinigingen in grondwaterbeschermingsgebieden.

3.6.4 Schadelijke stoffen (eerder “nieuwe stoffen”. Hetzelfde als ZZS?)

Europees en landelijk beleid en regelgeving

Er zijn een aantal Europese richtlijnen die zijn opgesteld om de waterkwaliteit te beschermen en te verbeteren door het reguleren van verontreinigende stoffen en het stellen van normen voor hun aanwezigheid in (grond)waterlichamen. Dat zijn onder andere:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW) (Richtlijn 2000/60/EG): deze richtlijn streeft naar het bereiken van een goede ecologische en chemische toestand van alle waterlichamen.

  • Grondwaterrichtlijn (Richtlijn 2006/118.EG): deze richtlijn vult de eisen gesteld voor grondwaterkwantiteit en grondwaterkwaliteit uit de KRW verder in.

  • Richtlijn Prioritaire Stoffen (Richtlijn 2013/39/EU): deze richtlijn wijst stoffen aan die een bijzondere bedreiging zijn voor de waterkwaliteit.

  • Richtlijn stedelijk afvalwater (Richtlijn 91/271/EEG): deze richtlijn heeft als doel het zo goed mogelijk opvangen en zuiveren van stedelijk afvalwater van huishoudens en bedrijven.

Deze richtlijnen zijn via de Omgevingswet en onderliggende besluiten geïmplementeerd in de nationale wet- en regelgeving. Daarnaast is er de Delta-aanpak Waterkwaliteit waarin er de focuspunten onder andere medicijnresten en nieuwe nog onbekende chemische stoffen zij. In deze aanpak werken de rijksoverheid, waterschappen, drinkwaterbedrijven, provincies, gemeenten, kennisinstituten, natuur-, zorg, en landbouworganisaties en de industrie samen om een extra impuls te geven aan de waterkwaliteit.

Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is gericht op het in beeld brengen van de risico’s van (nieuwe) gevaarlijke stoffen in grond- en oppervlaktewater. Dit wordt gedaan in het kader van de Kaderrichtlijn Water, zie hiervoor ook hoofdstukken 4 en 5 van het Regionaal Waterprogramma. Het provinciaal beleid richt zich ook op het verbeteren van de waterkwaliteit om (openbare) drinkwaterwinningen te beschermen. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het provinciaal grondwaterkwaliteitsmeetnet, zie hoofdstuk 5 van het Regionaal Waterprogramma.

In waterwingebieden is het verboden schadelijke stoffen op of in de bodem te brengen, behoudens enkele uitzonderingen (paragraaf 3.6.2 Omgevingsverordening). Dit verbod geldt ook voor de waterbodem (in oppervlaktewater) als dit een negatieve invloed heeft op (oever)grondwaterwinning. In grondwaterbeschermingszones geldt dit verbod niet vanwege de complexe handhaafbaarheid. Wel moet het risico op verontreiniging van het grondwater zoveel mogelijk worden voorkomen. Hiervoor wordt de specifieke zorgplicht in de Omgevingsverordening gebruikt, die eenzelfde functie vervult als een verbod. De begripsbepaling voor schadelijke stoffen (Bijlage I Omgevingsverordening) helpt bij deze specifieke zorgplicht en geeft aan welke stoffen extra zorgvuldigheid vereisen. Er geldt wel een expliciet verbod op het lozen van afvalwater en vloeistoffen met schadelijke stoffen op of in de bodem. Dit verbod geldt ook voor de waterbodem (in oppervlaktewater) als dit een negatieve invloed heeft op (oever)grondwaterwinning.

Ondanks de verboden in grondwaterbeschermingsgebieden worden gevaarlijke stoffen wel waargenomen. Daarom bevat het Maatregelpakket Bescherming Drinkwaterbronnen ook maatregelen die zich richten op de risico’s en bedreigen door gevaarlijke stoffen. Ook worden in samenwerking met de waterschappen de risico’s onderzocht van wateraanvoerplannen voor de grondwaterkwaliteit. Zo wordt de herkomst en kwaliteit van het aanvoerwater onderzocht en de (kans op) aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Ook sluiten we aan bij het landelijke beleid en ontwikkeling die erop gericht zijn om de aanwezigheid en risico’s van gevaarlijke stoffen in grondwater beter in beeld te brengen en te voorkomen.

3.6.5 Constructies (riolering en buisleidingen)

Europees en landelijk beleid en regelgeving

Buisleidingen worden gebruik voor transport van gevaarlijke stoffen (olie(producten), chemicaliën, gas) of afvalwater (riolering). Hiervoor zijn verschillende veiligheidsvoorschriften vastgelegd. De Mijnbouwwet bevat regels voor buisleidingen van, naar en tussen mijnbouwwerken, met toezicht door het Staatstoezicht op de Mijnen. In de besluiten onder de Omgevingswet (besluit activiteiten leefomgeving (Bal), besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en Omgevingsregeling) zijn veiligheidsvoorschriften opgenomen voor het exploiteren van buisleidingen. De NEN 3650-reeks bevat richtlijnen voor de aanleg, beheer en onderhoud van buisleidingen en vormt voor een groot deel de basis voor vergunningverlening en toezicht.

Met de Structuurvisie Buisleidingen reserveert het Rijk de komende 20 tot 30 jaar ruimte voor (toekomstige) buisleidingen voor gevaarlijke stoffen. Bij de tracébepalingen zijn grondwaterbeschermingszones en waterwingebieden zoveel mogelijk ontweken. In Raalte/Deventer loopt het tracé door een grondwaterbeschermingszone (niet in het waterwingebied) om een externe-veiligheidsprobleem bij Okkenbroek te vermijden.

Voor riolering en stedelijk afvalwater zijn regels vastgelegd in de Europese Richtlijn Stedelijk Afvalwater (91/271/EEG). Het doel is het milieu te beschermen tegen de nadelige gevolgen van onvoldoende behandelde lozingen van stedelijk afvalwater. In Nederland wordt deze richtlijn via de Omgevingswet geïmplementeerd, waarbij gemeenten via de zorgplicht, verantwoordelijk zijn voor inzameling en transport van stedelijk afvalwater via openbaar vuilwaterriool.

Provinciaal beleid

Vanwege moeilijk in te schatten risico’s en potentiële lekkages worden buisleidingen zoveel mogelijk planologisch geweerd in grondwaterbeschermingszones en intrekgebieden, met uitzondering van rioleringen. In waterwingebieden is de aanleg van buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen zoals olie(producten) en chemicaliën en gas niet toegestaan (artikel 3.27 Omgevingsverordening). Bestaande afvalwaterleidingen kunnen worden gewijzigd als er geen extra risico’s voor de grondwaterkwaliteit ontstaan. Voor de aanleg van buisleidingen in deze grondwaterbeschermingszones is een omgevingsvergunning nodig, die alleen wordt verleend als de risico’s op grondwaterverontreiniging afnemen. Zo gelden aanvullende voorwaarden en moet gebruik worden gemaakt van mantelbuizen met een lekdetectiesysteem, markeringslint worden aangebracht en een locatiespecifiek calamiteitenplan worden opgesteld. Deze maatregelen moeten worden afgestemd op het feitelijke risico van de leidingen of constructie. Deze voorwaarden gelden ook voor wijzigen of uitbreiding van bestaande leidingen. Voor grote buisleidingen geldt een ontheffingsplicht.

Aardgas is niet schadelijk voor grondwater, dus er gelden geen aanvullende voorwaarden voor aardgasleidingen. Er zijn ook geen beperkingen voor afvalwaterleidingen en kleinschalige leidingen voor niet-bedrijfsmatig gebruik. De risico’s van (de aanleg van) riolering worden voldoende ondervangen door geldende regels en richtlijnen. Het algemene beschermingsniveau en de zorgplichtbepaling in de verordening bieden in principe voldoende bescherming. Ter beperking van het risico dat beschermende lagen worden aangetast kent de verordening regels met betrekking tot mechanische ingrepen. Om de risico’s van bestaande riolering te beperken en te voldoen aan de KRW zijn in de KRW-Impuls en het Maatregelpakket Bescherming Drinkwaterbronnen maatregelen opgenomen die toezien op het adequaat beheer van deze leidingen.

3.6.6 Mechanische ingrepen (boringen, grond- en funderingswerken)

Landelijk beleid en regelgeving

De Omgevingswet en het besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bodemkwaliteit bevatten regels voor mechanische bodemingrepen en certificering van boorbedrijven. Mechanische boringen moeten worden uitgevoerd conform Beoordelingsrichtlijn ‘BRL SIKB 2100 Mechanisch boren’ en bijbehorende protocollen en normen.

Provinciaal beleid

Het provinciale beleid richt zich op het voorkomen van aantasting en doorboring van beschermende (klei)lagen. Grote en grootschalige mechanische ingrepen in de bodem, zoals diepte-ontgrondingen, zijn verboden in grondwaterbeschermingsgebieden (Omgevingsverordening). Voor waterbedrijven geldt een vrijstelling met voorschriften. In waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones geldt het verbod onder 2 meter diepte. Dieptegrenzen voor boringsvrije zones hangen af van de beschermende (klei)lagen in het betreffende gebied. Uitvoering van mechanische ingrepen beneden de dieptegrens zijn toegestaan als aan de algemene voorschriften wordt voldaan. Deze voorschriften zijn gericht op herstel van slecht-doorlatende lagen en afsluiting en opvulling van boorgaten na buitengebruikstelling en zijn in lijn met de eisen in de Beoordelingsrichtlijn SIKB 2100 ‘mechanisch boren’. We onderzoeken of deze richtlijn de huidige voorschriften kan vervangen. Bij grondwerken (graafwerkzaamheden) moet het bodemprofiel worden aangevuld volgens het oorspronkelijke profiel en beschermende bodemlagen moeten worden hersteld. Afdichtingen moeten aansluiten op kunstwerken in de bodem (riolering, kelder e.d.). Voor damwanden, diepwanden en schermen mogen geen materialen worden gebruikt die een risico vormen voor de grondwaterkwaliteit.

Voor funderingen zijn algemene voorschriften opgenomen om het risico voor de grondwaterkwaliteit te minimaliseren. Gladde geprefabriceerde palen en in de grond gevormde palen zonder verbrede voet zijn geschikte funderingstechnieken. Door (lokale) omstandigheden kan het nodig zijn andere technieken te gebruiken. Een te streng verbod zou kunnen leiden tot hinder van maatschappelijk gewenste activiteiten, terwijl boor- of schroefpalen als alternatief kunnen dienen. Voor het gebruik van alternatieven moet worden aangetoond dat gladde palen niet toepasbaar zijn op de betreffende locatie.

Uitvoering van werkzaamheden moet vooraf gemeld worden en dient onder toezicht plaats te vinden omdat controle achteraf zeer moeilijk is. Voor grote en grootschalige ingrepen geldt een ontheffingsplicht. Extra voorschriften in een ander kader kunnen opgenomen worden in een provinciale vergunning of beschikking. Het gaat dan om een vergunning voor grondwateronttrekking op grond van de Waterwet, ontgronding op grond van de Ontgrondingswet of een saneringsbeschikking op grond van de Wet Bodembescherming.

3.6.7 Bodemenergiesystemen

Landelijk beleid en regelgeving

Bodemenergiesystemen worden steeds vaker gebruik voor de opslag van koude en warmte in grondwater. Er bestaan open (geothermie, hoge temperatuur opslag en koude-warmte-opslag) en gesloten (bodemwarmtewisselaar) systemen. Deze systemen brengen risico’s met zich mee voor de drinkwaterwinningen, zoals verandering van de chemische waterkwaliteit door opwarming van het grondwater, verplaatsing van verontreinigingen door beïnvloeding van de stromingsrichting, en lekkage van verontreinigde stoffen uit gesloten systemen. Ook kan vermenging van grondwater van verschillende kwaliteiten optreden door onvoldoende afwerking van bronnen en beschadiging van beschermende bodemlagen door boringen. De risico’s variëren afhankelijk van lokale omstandigheden en toepassingen. Warmtelozingen in het grondwater hebben, anders dan bodemenergiesystemen, niet tot doel om bouwwerken te verwarmen of te koelen en vallen dus niet onder de omschrijving van (open) bodemenergiesystemen.

De aanleg en het gebruik van bodemenergiesystemen, zowel open als gesloten, is onder de Omgevingswet aangewezen als een milieubelastende activiteit waarvoor algemene regels gelden (paragraaf 4.114 Omgevingswet). Grondwateronttrekkingen voor open systemen worden gezien als onderdeel van de activiteit en zijn vrijgesteld van grondwateronttrekkingsheffing (artikel 8.3 Omgevingsbesluit). Voor de aanleg en gebruik van open bodemenergiesystemen is een omgevingsvergunning van de provincie nodig. Eerder was dat een watervergunning op grond van de Waterwet. Onder de Omgevingswet zijn deze omgezet naar omgevingsvergunningen en gelden de algemene rijksregels naast die vergunning (Afdeling 4.1 Invoeringsbesluit en paragraaf 4.2.4 Invoeringswet). Voor gesloten bodemenergiesystemen bevat de Omgevingswet algemene regels. Daarnaast kunnen gemeenten via maatwerk aanvullende of afwijkende regels stellen. Op bodemenergiesystemen in de diepe ondergrond is de Mijnbouwwet van toepassing. Voor vergunningverlening op grond van die wet is de Minister van Economische Zaken het bevoegd gezag.

Provinciaal beleid

Vanwege de hierboven beschreven risico’s en het feit dat de gevolgen nagenoeg onomkeerbaar en daarom groot kunnen zijn, wordt functiescheiding in de ondergrond gehanteerd. Sinds 2006 geldt een absoluut verbod op bodemenergiesystemen in waterwingebieden en grondwater beschermingszones (Afdeling 3.6 Omgevingsverordening). In boringsvrije zones geldt een verbod op bodemenergiesystemen beneden een bepaalde diepte. Dit beleid kan worden herzien als onderzoek en proefprojecten aantonen dat bodemenergiesystemen geen risico voor vormen voor drinkwaterwinning.

3.6.8 Bouwstoffen, grond en baggerspecie

Landelijk beleid en regelgeving

Het (her)gebruik van bouwstoffen, grond en bagger kan het grondwater voor drinkwaterwinning verontreinigen. De risico’s variëren per locatie en zijn afhankelijk van de kwetsbaarheid van het gebied die wordt bepaald door bodemopbouw, doorlatendheid en (veranderende) milieuomstandigheden zoals zuurgraad en zuurstof. Ook de kwaliteit van en het type materiaal is belangrijk.

Regels omtrent bouwstoffen, grond en baggerspecie zijn vastgelegd in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) met de onderliggende Regeling bodemkwaliteit 2022 (Rbk 2022). Het Bal bevat regels voor de bescherming van de fysieke leefomgeving en zijn van toepassing op de uitvoerder. Het Bbk bevat regels voor de ondersteunende activiteiten die geen directe invloed op de fysieke leefomgeving hebben, denk hierbij aan productie, handel en transport van bouwstoffen. Het Rbk 2022 bevat kwaliteitseisen voor bouwstoffen. Het Bbk en Rbk 2022 bevatten ook regels voor de kwaliteitsborging van bodembeheer.

Onder de Omgevingswet geldt een verbod op de toepassing van IBC-bouwstoffen. Eerder was toepassing daarvan toegestaan met isolatie-, beheers- of controlemaatregelen. Er is overgangsrecht van toepassing voor IBC-bouwstoffen die zijn toegepast voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor sommige situaties blijft het Bbk of een onderdeel daarvan gelden.

Provinciaal beleid

In aanvulling op het landelijke beleid bevat de Omgevingsverordening regels voor de toepassing van grond en baggerspecie op of in de (water)bodem binnen waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones. Grond en baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt, worden tot schadelijke stoffen gerekend. Binnen waterwingebieden geldt een verbod op het op of in de bodem brengen, te hebben, te gebruiken of te vervoeren van schadelijke stoffen (Artikel 3.27 Omgevingsverordening). Ook binnen grondwaterbeschermingszones is het verbodem om grond of baggerspecie toe te passen, met enkele uitzonderingen afhankelijk van het volume en de kwaliteit van het materiaal. Het uitgangspunt hiervan is dat de kwaliteit van de grond of baggerspecie niet slechter mag zijn dan de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem.

3.6.9 Lozingen

Provinciaal beleid

In waterwingebieden zijn alle lozingen in de bodem verboden. Er geldt een algemeen verbod op het op of in de bodem brengen van alle schadelijke stoffen. Hieronder vallen ook lozingen van schadelijke stoffen op oppervlaktewater vanwege de mogelijk nadelige invloed op (oever)grondwaterwinningen. Het begrip schadelijke stoffen wordt toegelicht in de begripsbepaling van de Omgevingsverordening (Bijlage I Omgevingsverordening

In grondwaterbeschermingszones geldt een verbod op lozing op of in de bodem van afvalwater, koelwater en andere vloeistoffen waarin schadelijke stoffen voorkomen. Er zijn enkele uitzonderingen, maar de bijzondere zorgplicht blijft gelden (artikel 3.35 Omgevingsverordening). Vanuit de bescherming van het grondwater en de drinkwaterfunctie moet hemelwater bij voorkeur geloosd worden op een rioolwaterstelstel of buiten de grondwaterbeschermingszone. Als dat redelijkerwijs niet mogelijk is, kan lozing op de bodem worden toegestaan met adequate maatregelen en monitoring. De maatregelen voorgesteld in het CIW-rapport “Afstromen wegwater” worden beschouwd als minimumeis. Voor intensief gebruikte wegen en parkeervoorzieningen en in kwetsbare gebieden zijn zwaardere maatregelen nodig. Opgevangen water moet worden afgevoerd of gezuiverd met de best beschikbare technieken en geïnfiltreerd. Deze maatregelen gelden nieuwe wegen en wijzing of uitbreiding van bestaande wegen. Voor grote en grootschalige wegen e.d. geldt een ontheffingsplicht, in andere gevallen geldt een meldingsplicht. Wegen in grondwaterbeschermingszones zouden minimaal voorzien moeten zijn van aaneengesloten verharding en grotere wegen zouden ook vloeistofdicht moeten zijn. Bij de aanleg van grote en grootschalige (water- en spoor)wegen en bijbehorende werken gaat de voorkeur uit naar tracés buiten grondwaterbeschermingsgebieden. Het lozingsverbod en zorgplichtsbepaling zorgen ervoor dat diepinfiltratie in grondwaterbeschermingszones niet wordt toegestaan.

In het Maatregelpakket Bescherming Drinkwaterbronnen zijn maatregelen opgenomen om de risico’s voor de grondwaterkwaliteit door afspoeling of lozingen van hemelwater te beperken. Gemeenten passen steeds vaker afkoppeling van regenwaterafvoer van het rioleringssysteem toe. Daarom moeten zijn in het gemeentelijke rioleringsplan aangeven hoe het belang van de drinkwaterwinning bij afkoppeling en infiltratie wordt geborgd en aan de eisen van de Omgevingsverordening wordt voldaan. Provincie en het drinkwaterbedrijf worden daarbij geconsulteerd.

3.6.10 Calamiteiten

Provinciaal beleid

Calamiteiten zijn ongewone en onverwachte gebeurtenissen met (potentieel) ernstige gevolgen voor de bodem, zoals het wegvloeien van chemische stoffen of vervuild bluswater naar de bodem, watergangen of riolering. Dit kan de (grond)waterkwaliteit ernstig aantasten en (acuut) ongeschikt maken voor drinkwaterproductie. Een voorbeeld is de lozing van verontreinig bluswater in het Twentekanaal na een brand waardoor het kanaal ongeschikt werd voor drinkwaterproductie. Bij lijnbronnen zoals vaar-, spoor, en hoofdwegen zijn er risico’s door zowel continue belasting als calamiteiten. Verontreinigingen in grondwater kunnen zich arenlang manifesteren in het water van grondwateronttrekkingen. De Omgevingswet geeft Gedeputeerde Staten bevoegdheden bij een ongewoon voorval waar zij bevoegd gezag voor zijn direct maatregelen te nemen of aan anderen op te leggen om de verontreiniging of aantasting te voorkomen of te saneren.

De provincie heeft een ‘Draaiboek ongewone voorvallen’ opgesteld ter uitvoering van de taken en bevoegdheden Omgevingswet. Een voorval een waterwingebied of grondwaterbeschermingszone heeft altijd hoge urgentie. Maatregelen zijn erop gericht de oorzaak van de verontreiniging weg te nemen en de bodem te saneren. Daarnaast moet de drinkwaterfunctie adequaat geborgd zijn in calamiteitenplannen om nadelige gevolgen van een calamiteit voor het grondwater te voorkomen of beperken. In het kader van Maatregelpakket Bescherming Drinkwaterbronnen zijn hierover afspraken gemaakt met beherende instanties (waterschappen, Rijkswaterstaat, ProRail). Daarnaast is het van belang dat calamiteitenplannen ook geoefend en geëvalueerd moeten worden. Daarmee wordt bewerkstelligd dat bij incidenten extra aandacht wordt gegeven aan de bescherming van het grondwater met het oog op de drinkwaterfunctie.

Bijlage VII SGBP achtergronddocumenten

Code

Naam maatregel

SGBP-code

Opname in SGBP



Niveau

Waterlichaamnaam/-namen

Waterlichaamcode(s)

Omvang

Eenheid

GW_0109

Anti-verdrogingsmaatregelen Lemselermaten

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0110

Anti-verdrogingsmaatregelen Haaksbergerveen en Buurserzand

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0111

Anti-verdrogingsmaatregelen Volther- en Agelerbroek

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0112

Anti-verdrogingsmaatregelen Dinkelland

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0113

Anti-verdrogingsmaatregelen Bergvennen

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0114

Anti-verdrogingsmaatregelen Wierdenseveld

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0115

Anti-verdrogingsmaatregelen Aamsveen

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0116

Anti-verdrogingsmaatregelen Witteveen

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0117

Anti-verdrogingsmaatregelen Engbertsdijkvenen

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0118

Anti-verdrogingsmaatregelen Vecht Regge (Beerzerveld en Eerderbroek)

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0119

Anti-verdrogingsmaatregelen Springendal en Mosbeek

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

GW_0121

Anti-verdrogingsmaatregelen Landgoederen Oldenzaal

IN20

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

OV-COMM1

Bewustwordingscampagnes

S02

ja

Beheergebied waterbeheerder

Deklaag Rijn-Oost, Zand Rijn-Oost

NLGW0003, NLGW0010

1

n

OV-drinkwater

Opstellen nieuw maatregelprogramma gebiedsdossiers drinkwaterwinningen

S04

ja

Beheergebied waterbeheerder

Deklaag Rijn-Oost, Zand Rijn-Oost

NLGW0003, NLGW0010

1

n

OV-LGM11

Bezem door de Middelenkast Overijssel

BR03

ja

Beheergebied waterbeheerder

Deklaag Rijn-Oost, Zand Rijn-Oost

NLGW0003, NLGW0010

1

n

OV-LGM13

uitvoeren project Boeren voor Drinkwater

BR01

ja

Waterlichaam

Zand Rijn-Oost

NLGW0003

1

n

OV-LGM5

inventarisatie particulier gebruik gewasbeschermingsmiddelen

BR09

ja

Beheergebied waterbeheerder

Deklaag Rijn-Oost, Zand Rijn-Oost

NLGW0003, NLGW0010

1

n

OV-PBM10

Bescherming winputten stedelijk gebied

BE08

ja

Beheergebied waterbeheerder

Deklaag Rijn-Oost, Zand Rijn-Oost

NLGW0003, NLGW0010

1

n

OV-PBM11

Handreiking grondwaterbescherming in Omgevingsplannen

S02

ja

Beheergebied waterbeheerder

Deklaag Rijn-Oost, Zand Rijn-Oost

NLGW0003, NLGW0010

1

n

OV-WGM5

Onderzoek mogelijkheden aanbrengen voorzieningen wegwater

BR05

ja

Beheergebied waterbeheerder

Deklaag Rijn-Oost, Zand Rijn-Oost

NLGW0003, NLGW0010

1

n

OV-WGM8

Grondwaterbescherming in beheer- en onderhoudsplannen wegen

BR05

ja

Beheergebied waterbeheerder

Deklaag Rijn-Oost, Zand Rijn-Oost

NLGW0003, NLGW0010



3

n

Bijlage VIII Zwemwater

Naam van de plas

Openbaar of niet openbaar

Juridische status, zwemwater of kandidaat zwemplas

Nummer van de zwemplas

Belterwijde

Semi-openbaar

Zwemwater

2

Zwarte Dennen

Semi-openbaar

Zwemwater

3

Villapark Hellendoorn

Semi-openbaar

Zwemwater

29

Zwemeiland Bovenwijde

Openbaar

Zwemwater

42

De Bovenberg

Openbaar

Zwemwater

38

De Papillon

Openbaar

Zwemwater

35

De Tolplas

Openbaar

Zwemwater

30

Agnietenplas

Openbaar

Zwemwater

6

Spartelvijver Sibculo

Openbaar

Zwemwater

9

Heidepark

Openbaar

Zwemwater

11

Milligerplas

Openbaar

Zwemwater

5

Veneger Gat

Openbaar

Zwemwater

1

Kotermeerstal

Openbaar

Zwemwater

4

De Oldemeijer

Openbaar

Zwemwater

7

Wijthmerplas

Openbaar

Zwemwater

8

De Vlegge

Openbaar

Zwemwater

10

Het Lageveld

Openbaar

Zwemwater

12

Lange Kolk

Openbaar

Zwemwater

13

Het Hulsbeek

Openbaar

Zwemwater

14

Tuindorpbad

Openbaar

Zwemwater

15

Het Grasbroek

Openbaar

Zwemwater

17

De Hoogte

Semi-openbaar

Zwemwater

18

Het Stoetenslagh

Semi-openbaar

Zwemwater

20

De Klimberg

Semi-openbaar

Zwemwater

21

De Kleine Belties

Semi-openbaar

Zwemwater

22

Kleine Wolf

Semi-openbaar

Zwemwater

23

Reggewold

Semi-openbaar

Zwemwater

24

De Roos

Semi-openbaar

Zwemwater

25

Vakantiepark Heino

Semi-openbaar

Zwemwater

26

Summercamp Heino

Semi-openbaar

Zwemwater

27

Het Berkenven

Semi-openbaar

Zwemwater

31

De Witte Berg

Semi-openbaar

Zwemwater

32

Rammelbeek

Semi-openbaar

Zwemwater

33

De Bergvennen

Semi-openbaar

Zwemwater

34

Het Meuleman

Semi-openbaar

Zwemwater

36

De Poppe

Semi-openbaar

Zwemwater

37

De Kroeze Danne

Semi-openbaar

Zwemwater

39

Stepelerven

Semi-openbaar

Zwemwater

40

Ostana

Semi-openbaar

Zwemwater

41

Bungalowpark Hoge Hexel

Semi-openbaar

Zwemwater

43

Ponypark City

Semi-openbaar

Zwemwater

44

Rutbeek

Openbaar

Zwemwater

16

Bijlage IX Factsheets waardevolle kleine wateren

Bijlage IX Factsheets waardevolle kleine wateren.pdf

Bijlage X Maatregelentabel

WaterbeheerderNaam

KRWmaatregeltypeOmschrijving

KRWmaatregeltypeCategorie

OmvangEenheid

Omvang

InPlanvoorbereiding

InUitvoering

Uitgevoerd

Gefaseerd

Vervangen

Ingetrokken

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Aanleg nevengeul

Inrichtingsmaatregelen

km

15

13

2

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Aanleg speciale leefgebieden voor vis

Inrichtingsmaatregelen

ha

15

9

2

4

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Aanpassen streefpeil

Inrichtingsmaatregelen

n

5

5

0

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Overige beheersmaatregelen

Beheermaatregelen

n

25

25

0

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Overige inrichtingsmaatregelen

Inrichtingsmaatregelen

n

5

4.8

0

0.2

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Uitvoeren onderzoek

Instrumentele maatregelen

n

15

12

2

1

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Uitvoeren op waterkwaliteit gericht onderhouds-/maaibeheer (water en natte oever)

Beheermaatregelen

km

575

461

98

14.8

0

0

1.2

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Verbreden (snel) stromend water / hermeanderen, NVO groter dan 3 m en kleiner dan 10 m

Inrichtingsmaatregelen

km

27.5

27.5

0

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Verbreden (snel) stromend water / hermeanderen, NVO kleiner dan 3 m

Inrichtingsmaatregelen

km

47.5

47.5

0

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Verbreden watergang/-systeem : aansluiten wetland

Inrichtingsmaatregelen

ha

125

125

0

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Verbreden watergang/-systeem langzaam stromend of stilstaand: NVO groter dan 3m en kleiner dan 10 m

Inrichtingsmaatregelen

km

138

73.6

36.4

14.8

12

0

1.2

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Verbreden watergang/-systeem langzaam stromend of stilstaand: NVO kleiner dan 3 m

Inrichtingsmaatregelen

km

50

36.4

13.6

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Verminderen belasting RWZI overige stoffen

Immissiemaatregelen

n

5

5

0

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Verminderen emissie nutrienten landbouw

Bronmaatregelen

n

10

10

0

0

0

0

0

Waterschap Drents Overijsselse Delta

Vispasseerbaar maken kunstwerken

Inrichtingsmaatregelen

n

127

90

19

9

9

0

0

Waterschap Rijn en IJssel

Uitvoeren onderzoek

Instrumentele maatregelen

n

5

5

0

0

0

0

0

Waterschap Rijn en IJssel

Uitvoeren op waterkwaliteit gericht onderhouds-/maaibeheer (water en natte oever)

Beheermaatregelen

km

6

2

0

4

0

0

0

Waterschap Rijn en IJssel

Verbreden (snel) stromend water / hermeanderen, NVO groter dan 3 m en kleiner dan 10 m

Inrichtingsmaatregelen

km

5

4

1

0

0

0

0

Waterschap Rijn en IJssel

Zuiveren + afkoppelen verhard oppervlak

Immissiemaatregelen

ha

0

0

0

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Aanleg speciale leefgebieden flora en fauna

Inrichtingsmaatregelen

n

195

195

0

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Omleiden/scheiden waterstromen

Inrichtingsmaatregelen

n

70

70

0

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Overige bronmaatregelen

Bronmaatregelen

n

5

0

5

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Overige instrumentele maatregelen

Instrumentele maatregelen

n

5

5

0

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Uitvoeren actief vegetatiebeheer (enten, zaaien, planten)

Beheermaatregelen

km

405

0

405

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Uitvoeren onderzoek

Instrumentele maatregelen

n

10

9

1

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Uitvoeren op waterkwaliteit gericht onderhouds-/maaibeheer (water en natte oever)

Beheermaatregelen



km

920

920

0

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Vasthouden water in haarvaten van het systeem

Inrichtingsmaatregelen

ha

69000

69000

0

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Verbreden (snel) stromend water / hermeanderen, NVO groter dan 3 m en kleiner dan 10 m

Inrichtingsmaatregelen

km

345

345

0

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Verbreden (snel) stromend water/ hermeanderen , NVO groter dan 10 m

Inrichtingsmaatregelen

km

275

261

0

14

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Verminderen belasting RWZI nutrienten

Immissiemaatregelen

n

65

56

3

6

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Verminderen belasting RWZI overige stoffen

Immissiemaatregelen

n

15

15

0

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Verminderen emissie nutrienten landbouw

Bronmaatregelen

n

15

0

15

0

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Vispasseerbaar maken kunstwerken

Inrichtingsmaatregelen

n

553

548

0

3

0

0

0

Waterschap Vechtstromen

Zuiveren + afkoppelen verhard oppervlak

Immissiemaatregelen

ha

2510

502

0

502

0

0

0

Bijlage XII Beleidskader PFAS

Bijlage Beleidskader PFAS

1. Waarom een beleidskader PFAS

In Nederland zijn verhoogde hoeveelheden Per- en polyfluoralkylstoffen (PFAS) ontdekt in onze leefomgeving, inclusief ons water- en bodemsysteem. PFAS is een groep van meer dan 10.000 door mensen gemaakte stoffen die ook wel ‘forever chemicals’ worden genoemd. Vanwege hun nuttige eigenschappen, zoals vet- en waterafstotendheid en hittebestendigheid, werden deze stoffen sinds de jaren '50 van de vorige eeuw gebruikt in verschillende industriële processen, blusschuim en consumentenproducten.

In 1999 kondigde U.S. Environmental Protection Agency en Dupont aan per direct te stoppen met product PFOS. Sinds 2009 zijn PFOS en PFOA opgenomen in de Persistent organic pollutants lijsten van de VN en nemen de zorgen toe over de effecten op de gezondheid en het milieu. Dit heeft geleid tot meer wetenschappelijk onderzoek, aangescherpte regelgeving en bewustwording. Inmiddels is vastgesteld dat zelfs lage concentraties van bepaalde PFAS risico’s kunnen opleveren voor mens, dier en milieu, mede doordat deze stoffen persistent zijn, zich gemakkelijk verspreiden en nauwelijks afbreken.

De stoffen PFOS en PFOA zijn door Europa al enige tijd aangemerkt als zeer zorgwekkend en mogen niet langer worden geproduceerd of verwerkt in producten. Op grond van OSPAR1 is sinds 2025 de gehele PFAS-stofgroep als zeer zorgwekkende stof (ZZS) geclassificeerd. Dit betekent dat voor alle PFAS-verbindingen een directe minimalisatieplicht geldt: emissies naar lucht en water moeten worden voorkomen en, waar dit niet volledig mogelijk is, tot het laagst haalbare niveau worden beperkt. Aanvullend hierop wordt in Europees verband gewerkt aan verdere beperking en uiteindelijke uitfasering van de productie en het gebruik van PFAS.

Handelingskader PFAS (grond en baggerspecie)

De aanwezigheid van PFAS heeft de afgelopen jaren verschillende uitdagingen meegebracht voor bodemsanering en grondverzet. Als reactie op maatschappelijke druk heeft de overheid richtlijnen opgesteld. Het Rijk heeft een handelingskader2 opgesteld voor het hergebruik van grond en baggerspecie die PFAS bevatten. Dit kader biedt landelijke richtlijnen voor de omgang met dergelijke grond en baggerspecie. Wel is het kader nog in afwachting van definitieve verankering in de regelgeving. Het handelingskader bevat grenswaarden voor veilig hergebruik van deze grond en baggerspecie, en het RIVM heeft Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV) vastgesteld voor specifieke PFAS-stoffen in grond en grondwater. Samen vormen deze richtlijnen voor PFAS het nationale kader voor bodemsanering en grondverzet.

Waterkwaliteit en Europese normen voor PFAS

Ook ons watersysteem is belast met PFAS. Verschillende onbedoelde emissies in afvalwater en lucht hebben geleid tot een diffuse belasting van onze leefomgeving en daarmee ook het oppervlakte- en grondwater. Vanuit de Kaderrichtlijn water (KRW) dragen we zorg voor het behalen van de goede kwaliteit van ons watersysteem en in het bijzonder drinkwater. Binnen Europa worden normen vastgelegd voor oppervlakte-, grond- en drinkwater. Deze zijn via Nederlandse wet- en regelgeving weer verankerd in ons nationaal systeem. Maar ook hiervoor geldt dat de regelgeving volop in ontwikkeling is.

Provinciale doorvertaling

Deze (inter)nationale regels en kaders vragen om een doorvertaling naar provinciale context. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet ligt er ook een grotere verantwoordelijkheid bij decentrale overheden voor het invullen van de kaders voor onderzoek en aanpak van verontreinigingen in bodem en grondwater. Voor de provincie Overijssel vormen de Omgevingsvisie en het regionaal waterprogramma de inhoudelijke kaders voor omgang van bodemverontreiniging in Overijssel. Dit in relatie tot andere maatschappelijke opgaven waar de provincie voor staat.

1 https://www.ospar.org/

2 Actualisatie handelingskader PFAS: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, 13 december 2021, IENW/BSK-2021/335279

1.1 Werkbaar en zorgvuldig afgewogen beleidskader

In onze provincie streven we naar een allesomvattende aanpak van PFAS en Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Dit betekent onder meer dat we proberen de uitstoot van deze stoffen zoveel mogelijk te voorkomen of te verminderen. Dit om de negatieve effecten op de gezondheid en de leefomgeving te voorkomen. Als deze stoffen eenmaal in onze leefomgeving aanwezig zijn, vereisen ze zorgvuldig beheer om de schadelijke impact te beperken. Hierbij houden we rekening met de draagkracht van het milieu en de lokale en regionale omstandigheden. Met dit beleidskader willen we duidelijkheid scheppen voor initiatiefnemers, ontwikkelaars, vergunningverlening, toezicht en handhaving over hoe met PFAS-verontreinigingen om te gaan.

Beleidskader PFAS als aanvulling op de Rijksregels

Onder de Omgevingswet is het aan de decentrale overheden om de Rijksregels nader in te vullen. De wetgever biedt ruimte voor regionaal maatwerk. Met het beleidskader sluiten we aan bij de landelijke wet- en regelgeving en vertalen deze voor situatie in Overijssel. Uitgangspunten voor het Overijsselse beleidskader PFAS zijn:

Het landelijke handelingskader PFAS is leidend

We volgen daarmee de landelijke regels voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Waar onduidelijkheid bestaat over de interpretaties van het handelingskader of de wetgeving (Wet bodembescherming en Omgevingswet), verduidelijken wij deze landelijke regels. En vullen beleidsruimte in waar dit mogelijk en wenselijk is.

Landelijke vastgestelde normen en risicogrenswaarden door RIVM zijn bepalend voor de beoordeling van verontreinigingen

Voor een aantal PFAS-verbindingen en voor verschillende compartimenten (bodem, water en drinkwater) zijn risicogrenswaarden afgeleid door het RIVM. Sommige van deze waarden zijn nog niet definitief verankert in wet- en regelgeving. Dit heeft diverse oorzaken, waaronder dat wetenschappelijke kennis niet in die mate beschikbaar is om een definitieve norm af te leiden. Voor vergunningverlening, toezicht en handhaving is een norm of een goed onderbouwde risicogrenswaarde de basis van de werkzaamheden. Het beleidskader sluit aan bij de vastgestelde risicogrenswaarden door het RIVM en gebruikelijke systematiek om verontreinigingen te beoordelen. Daarmee beschouwen we deze RIVM-waarden voor de uitvoering van taken Wet bodembescherming en Omgevingswet als normstelling.

Dit beleidskader is in overeenstemming met onze omgevingsverordening

Met het wegvallen van de Wet bodembescherming vervalt ook een belangrijk landelijk toetsingskader voor de aanpak van verontreiniging in het grondwater. Dit is een keuze vanuit de wetgever. Provincies zijn zelf verantwoordelijk voor het stellen van regels voor de aanpak van verontreiniging in het grondwater op basis van de KRW. De provincie Overijssel heeft dit, net als andere provincies, nader ingevuld en vastgelegd in onze provinciale omgevingsverordening. Dit beleidskader PFAS is afgestemd op onze omgevingsverordening. Beide kaders zijn van toepassing bij beoordeling van verontreinigingen.

Dit beleidskader maakt deel uit van het regionaal waterprogramma en is een handvat onder de Omgevingswet. In hoofdstuk 7 is een overzichtstabel opgenomen met provinciale aandachtspunten. Deze punten kunnen bestaan uit:

  • een bevestiging van landelijk geldende regels en richtlijnen;

  • een nadere toelichting op de wijze waarop de provincie Overijssel het wettelijke kader interpreteert; of

  • een uitwerking van hoe de Omgevingsverordening Overijssel wordt toegepast bij verontreinigingen met PFAS.

Het document is geschreven ter ondersteuning van medeoverheden in Overijssel voor het beoordelen van PFAS-verontreinigingen binnen het huidige wettelijke kader en de provinciale regels. Daarmee bevat het beleidskader veel vaktermen en verwijzingen naar wet- en regelgeving.

1.2 Situatie in provincie Overijssel

Ook in Overijssel hebben we te maken met locaties waar grond, baggerspecie, oppervlakte- en grondwater zijn verontreinigd met PFAS. Dit kan het gevolg zijn van voormalige bedrijfsactiviteiten of calamiteiten, waarbij PFAS-houdend blusschuim is gebruikt. Daarnaast is de leefomgeving diffuus belast met PFAS via verschillende verspreidingsroutes.

Voor zover bekend zijn er in Overijssel geen industriële bedrijven die PFAS hebben geproduceerd of verwerkt als bulkproduct. Wel zijn er verschillende potentiële PFAS-aandachtslocaties geïdentificeerd die nader worden onderzocht en indien nodig worden aangepakt om de risico's te verminderen of weg te nemen. Onze inspanning is nader beschreven in hoofdstuk 6.

Achtergrondgehalte in de bodem

Een bodemkwaliteitskaart legt de regionale bodemkwaliteit vast ter plaatse van onverdachte locaties. Daarmee geeft het een goed beeld van de regionale achtergrondgehalte PFAS die als gevolg van diffuse bronnen (grondverzet, atmosferische depositie, etc.) is ontstaan. In Overijssel werken de gemeenten in de regio’s IJsselland en Twente samen om deze bodemkwaliteitskaart op te stellen1 ,2. De regionale achtergrondwaarde in Overijssel ligt lager dan de landelijke achtergrondwaarde die door het RIVM is vastgesteld3. Dit geldt overigens voor meer stoffen dan alleen PFAS, de provincie is historisch minder belast dan andere delen in Nederland.

Kwaliteit van ons grondwater

Via verschillende grondwatermeetnetten wordt de kwaliteit van het grondwater inzichtelijk gemaakt. Ook de provincie Overijssel meet de grondwaterkwaliteit van het dieper gelegen grondwater. Landelijk worden afspraken gemaakt over het stoffenpakket en de frequentie van monitoring. Het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit, in combinatie met de provinciale meetnetten, wordt gebruikt om te rapporteren aan Europa.

Ondanks dat PFAS geen structureel onderdeel is van het te meten stoffenpakket, meten we als provincies PFAS sinds 2019. Uit ons provinciaal meetnet4 blijkt dat het (diepere) grondwater PFAS bevat. Naast PFOA en PFOS worden ook andere PFAS-verbindingen aangetroffen in het grondwater. Op sommige meetpunten liggen de aangetroffen gehalten voor een individuele stof boven de signaleringswaarde van 0,1 µg/l (drinkwaterbesluit).

Kwaliteit van ons oppervlaktewater

In Overijssel zijn onvoldoende gegevens beschikbaar om de kwaliteit van het oppervlaktewater voor PFAS inzichtelijk te maken op het schaalniveau van Overijssel. Het waterschap als kwaliteitsbeheerder van het oppervlaktewater meet en monitort de kwaliteit. PFAS wordt echter regulier vooralsnog beperkt gemeten. PFOS is een KRW-stof die op een enkele locatie (met PFOA) structureel ieder jaar wordt gemeten. Met de aangescherpte Richtlijn Prioritaire stoffen met een normering voor een som aan 25 PFAS-verbindingen is het de verwachting dat in de nabije toekomst intensiever en uitgebreider op PFAS worden gemeten.

1 Twente bodemkwaliteitskaart PFAS, Tauw, 28 mei 2020

2 Technische rapportage bodemkwaliteitskaart regio IJsselland, Tauw 29 augustus 2023

3 Achtergrondwaarden perfluoralkylstoffen (PFAS) in de Nederlandse landbodem, RIVM, 2020-0100

4 PFAS in het grondwater - kennishub overijssel

1.3 Als provincies zijn we voor het uitfaseren van PFAS

De Europese Unie werkt sinds 2023 aan een PFAS-restrictievoorstel. Alleen met een omvangrijk verbod kan op termijn de PFAS-belasting van ons water- en bodemsysteem verminderen. Door de nuttige eigenschappen zijn PFAS veelvuldig toegepast in producten en productieprocessen. Het gebruik is niet altijd essentieel en kunnen vervangen worden door veiligere alternatieven of zelf weggelaten worden.

De provincies pleiten daarom gezamenlijk voor een versnelde transitie naar een systeem waarin PFAS uitsluitend worden toegepast wanneer sprake is van aantoonbaar essentiële toepassingen voor volksgezondheid of veiligheid, zoals specifieke medische toepassingen1. Dit vraagt om een samenwerking met bedrijfsleven, beleidsmakers op nationaal en Europees niveau en de VTH-uitvoering.

Onze provinciale inzet richt zich op de aanpak van PFAS-aandachtslocaties en bronlocaties met een PFAS-verontreiniging. Dit gaat om locaties met een normoverschrijding en waar mogelijk sprake is van risico’s. Daarnaast zetten we in op preventie door te voorkomen dat PFAS wordt gebruikt of te stimuleren dat de emissie sterk wordt verminderd. Dit begint met het vergroten van de bewustwording en het innoveren van productieprocessen. Hierbij ligt voor de provincie de focus op de bedrijven waarvoor de provincie bevoegd gezag is en trekken we op met gemeenten, waterschappen en omgevingsdiensten om dit breder uit te dragen.

Gelet het dichtdraaien van de kraan niet direct gerealiseerd kan worden blijven we inzetten op een gestage verbetering van ons water- en bodemkwaliteit. Dit onder andere door het identificeren en aanpakken van PFAS-aandachtslocaties (zie hoofdstuk 6).

1 Actieve aanpak PFAS voor een gezonde leefomgeving

2. Stofeigenschappen en risico’s PFAS

2.1 Algemeen

PFAS is een verzameling stoffen met fluor-koolstofverbindingen. Bij PFAS zijn (vrijwel) alle waterstofatomen in de koolstofketen vervangen door fluor. Binnen PFAS onderscheiden we polymeren en niet polymeren. Polymeren zijn lange ketens die volledig of deels zijn gefluoreerd. Een voorbeeld hiervan is polytetrafluorethyleen (PTFE), beter bekend als Teflon (zie onderstaande afbeelding). Niet-polymeren zijn kleinere moleculen die meestal aan het einde of in het midden van de keten een functionele groep, zoals een carbonzuur- of sulfonzuurgroephebben.

afbeelding binnen de regeling

Bron: PFAS Molecules: A Major Concern for the Human Health and the Environment

In de afbeelding staat fluorpolymeer afgebeeld. Een keten van 4 C-atomen met 2 Fluor verbindingen per atoom. Ook staat een niet polymeer en functionele groepen afgebeeld. De niet polymeer is een keten van 6 C-atomen met 13 fluor atomen met 3 mogelijke functionele groepen. Een carboxylaatgroep, COOH verbinding, fosfaatgroep een PO2OH2 groep en een sulfonaatgroep een SO2OH verbinding.

In Nederland hanteert het RIVM de in 2021 vastgestelde definitie van de OECD[1]. De OECD definieert PFAS als gefluoreerde stoffen die ten minste één gefluoreerde methylgroep (-CF₃) of methyleengroep (-CF₂-) bevatten, waarbij aan deze groepen geen waterstof-, chloor-, broom- of jodiumatoom is gebonden. Op basis van deze definitie worden wereldwijd meer dan 10.000 stoffen als PFAS aangemerkt.

De lengte van de gefluoreerde koolstofketen speelt een belangrijke rol bij de eigenschappen en risico’s van de stof in het milieu en in organismen. Niet-polymeren waarvan de moleculen relatief kort zijn (zoals PFBA; vier koolstofatomen) zijn minder toxisch dan niet-polymeren met langere ketens met koolstofatomen (zoals PFOA en PFOS; beide acht koolstofatomen). Deze langere moleculen hopen zich meer op in mens en dier en daarmee in de voedselketen. Polymeren zijn in het algemeen minder schadelijk, omdat ze niet gemakkelijk oplossen of worden opgenomen, al bestaan er wel zorgen over reststoffen en afbraakproducten.

1 https://www.oecd.org/chemicalsafety/portal-perfluorinated-chemicals/aboutpfass/Figure1-classification-of-per-and-polyfluoroalkyl-substances -PFASs.pdf

2.2 Precursors en minder bekende PFAS verbinding

Binnen de PFAS-groep zijn er ook stoffen die als precursoren worden beschouwd. Dit zijn minder stabiele verbindingen die onder normale omstandigheden in het milieu kunnen worden omgezet in stabiele PFAS-verbindingen zoals PFOS en PFOA. Verschillende PFAS-polymeren en niet-polymeren kunnen als precursoren fungeren. Het is belangrijk om dit in overweging te nemen bij onderzoek naar PFAS. In het laboratorium meten we slechts een beperkt aantal PFAS-verbindingen. Als gevolg van de aanwezigheid van precursoren kan de concentratie van een specifieke PFAS in de grond, baggerspecie en het (grond)water toenemen, zelfs als er geen nieuwe bron of emissies zijn.

Daarnaast zijn er andere groepen van PFAS verbindingen, zoals fluortelomeer alcoholen (FTOH) of fluorfosfaatesters (diPAP’s). Deze stoffen worden minder vaak gemeten in reguliere PFAS-analyses. Toch zijn deze veelvuldig toegepast als vet- en waterafstotende coating in bijvoorbeeld papier en karton, en kunnen zodoende in het milieu terechtkomen. Van deze PFAS-verbindingen is veel minder bekend.

TFA

Trifluorazijnzuur (TFA; ) is één van de kleinste en meest mobiele stof binnen de PFAS-groep en wordt gerekend tot de ultrakorte ketens PFAS. TFA wordt toegepast in de chemische industrie, onder meer bij de synthese van organische chemicaliën, geneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen, en wordt in laboratoria gebruikt als reagens, oplosmiddel en katalysator1. Naast directe toepassingen ontstaat TFA ook als afbraakproduct van stoffen die een trifluormethylgroep (–CF₃) bevatten. Hieronder vallen diverse medicijnen, gewasbeschermingsmiddelen en polymeren, maar in het bijzonder hydrofluorkoolwaterstoffen (HFK’s). Deze stoffen worden sinds de jaren tachtig op grote schaal toegepast als vervanging van chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK’s), onder andere als koel- en blaasmiddelen. Tijdens atmosferische afbraakprocessen worden HFK’s uiteindelijk omgezet in TFA, dat via neerslag in bodem- en watersystemen terechtkomt. Deze indirecte vorming vormt een belangrijke bron van de wijdverspreide aanwezigheid en gestage toename van TFA in het milieu.

1 Arcadis (2025) Grondwaterkwaliteit Nederland 2024, kenmerk: QT36QUTEF7R3-1071769577-138571:1

2.3 Analysemethoden

LC-MS/MS (Liquid Chromatography – Tandem Mass Spectrometry)

PFAS worden meestal gemeten met de analysetechniek LC-MS/MS. Vooraf wordt het monster eerst bewerkt: bij water gebeurt dat vaak met een opconcentratiestap (SPE), bij bodem of biota met een extractie en zuivering. Vervolgens worden de verschillende PFAS-verbindingen in het apparaat van elkaar gescheiden. Daarna meet de massaspectrometer heel gericht en gevoelig de afzonderlijke stoffen, ook als ze in zeer lage concentraties voorkomen en de matrix complex is. Door gebruik te maken van isotopisch gelabelde interne standaarden kan worden gecorrigeerd voor meetverliezen en storende effecten van het monster. Hierdoor ontstaat een betrouwbare en kwantitatieve meetmethode die geschikt is voor toetsing aan normen.

TOP-analyse

Verschillende analysemethoden worden ontwikkeld om nalevering van PFAS als gevolg van omzetting van precursoren aan te pakken. Een belangrijke techniek is de Total Oxidizable Precursor-analyse (TOP-analyse), waarbij het monster onder sterk oxiderende omstandigheden wordt behandeld. Tijdens dit proces worden veel PFAS-precursoren omgezet in meetbare, stabiele PFAS-verbindingen, voornamelijk perfluorcarboxylzuren. Door de concentraties vóór en na oxidatie met elkaar te vergelijken, kan een indicatie worden verkregen van de hoeveelheid aanwezige precursoren. De TOP-analyse maakt het daarmee mogelijk een betere inschatting te geven van het potentiële totale PFAS-gehalte en het latente risico van toekomstige vorming van persistente PFAS in grond, baggerspecie en (grond)water. Tegelijkertijd kent de methode beperkingen, aangezien niet alle precursoren volledig worden omgezet en de analyse geen inzicht geeft in de oorspronkelijke samenstelling en herkomst van de precursoren.

PFAS CALUX

PFAS CALUX is een gestandaardiseerde in-vitro celtest waarbij cellen een meetbaar signaal, doorgaans in de vorm van luminescentie of fluorescentie, afgeven wanneer PFAS of PFAS-achtige stoffen een specifiek cellulair mechanisme activeren1. In tegenstelling tot klassieke chemische analyses richt de test zich niet op afzonderlijke stoffen, maar op het gecombineerde biologische effect van meerdere PFAS tegelijk, waardoor een geïntegreerde “totaalrespons” wordt verkregen. De assay wordt primair ingezet als screeninginstrument om snel vast te stellen of een monster een relevante PFAS-belasting heeft die leidt tot biologische activiteit.

Een voordeel van PFAS CALUX is dat de methode zowel bekende als onbekende PFAS en mogelijke mengseleffecten in één maat integreert, wat haar geschikt maakt voor snelle screening en prioritering van monsters of locaties voor vervolgonderzoek. Tegelijkertijd kent de methode beperkingen: zij biedt geen inzicht in welke individuele PFAS aanwezig zijn of in hun exacte concentraties, en de interpretatie van de resultaten in relatie tot gezondheids- of milieunormen vereist verdere kalibratie en koppeling aan toxicologische referentiewaarden, die nog in ontwikkeling zijn.

1 Besselink, H.T. (2022) BioDetection Systems (BDS) - Testing the PFC CALUX® bioassay for monitoring the effects of PFAS, kenmerk: bds-php18240-rap3-final-hb

2.4 Gedrag van PFAS-verbindingen in grond en grondwater

In vergelijking met stoffen als metalen, PAK’s en vluchtige gechloreerde koolwaterstoffen, die al tientallen jaren standaard in bodemonderzoek worden gemeten, is over het gedrag van PFAS in de bodem nog relatief weinig bekend. Wel groeien de wetenschappelijke inzichten over het stofgedrag en risico’s van de verschillende PFAS-verbindingen met de dag. PFAS-verbindingen kunnen zich hechten aan bodemdeeltjes, wat de beschikbaarheid voor biologische processen, verspreiding via grondwater en omzetting beïnvloedt. De lengte van de PFAS-keten speelt hierbij een belangrijke rol. Over het algemeen geldt dat hoe langer de PFAS-keten, hoe sterker de hechting aan bodemdeeltjes. Maar ook de functionele groep beïnvloedt de bindingsmogelijkheden aan grond, en moleculen met verschillende functionele groepen zijn niet één-op-één vergelijkbaar. Zo bindt PFOS aanzienlijk beter aan grond dan PFOA. Omdat de kennis over bindings- en vertragingseigenschappen van verschillende PFAS-verbindingen in verschillende Nederlandse bodems nog beperkt is, kan het nodig zijn om dit per project te bepalen.

Uit een praktijkgericht onderzoek in de provincie blijkt dat er geen directe correlatie valt te leggen tussen één specifieke bodemeigenschap en het sorptievermogen van PFAS. Wel is een matige samenhang zichtbaar met het gehalte aan organisch materiaal, waarschijnlijk door interacties van functionele groepen (carboxylaten, fenolen en amiden) met organische bestanddelen in de bodem. Voor andere bodemparameters, zoals het lutumgehalte, is de correlatie beperkt. Dit wijst erop dat het gedrag van PFAS in de bodem niet door één factor wordt bepaald, maar het resultaat is van een samenspel van meerdere bodemkenmerken en dat het gedrag op voorhand moeilijk valt te voorspellen. Deze bevinding sluit aan bij landelijke waarnemingen, onder meer van het RIVM.”

PFAS gedraagt zich als zeep en hoopt zich vooral op aan grensvlakken tussen water en lucht. Ze kunnen vanwege hun oppervlakte-actieve eigenschappen ook microscopisch kleine ‘druppeltjes’ vormen, zogenaamde micellen1. Dit gedrag, in combinatie met mogelijke hechting aan bodemdeeltjes, beïnvloedt de vertraging in grondwatertransport. Kenmerkend is dat de vertraging in de onverzadigde zone vele malen groter is dan in de verzadigde zone, doordat er in totaal een groter grensvlak tussen water en lucht is.

1 Kennisdocument over stofeigenschappen, gebruik, toxicologie, onderzoek en sanering van PFAS in grond en grondwater, expertisecentrum PFAS, 20 juni 2018, DDT219-1/18-009.764

2.5 Bekende risicogrenswaarden en normen voor PFAS in het water- bodemsysteem

Wereldwijd wordt er onderzoek gedaan naar de impact van PFAS op de gezondheid en het milieu. Deze kennis wordt o.a. vertaald naar risicogrenzen door het RIVM en dienen als basis voor de wettelijke kaders en normstelling in Nederland. De risicogrenzen worden afgeleid met behulp van de standaard methoden die ook voor andere stoffen worden gebruikt. Daarnaast moet Nederland rekening houden met de normen die Europa stelt volgens de Kaderrichtlijn Water of Drinkwaterrichtlijn. In de toekomst kunnen de risicogrenzen nog veranderen op basis van voortschrijdend inzicht met betrekking tot toxiciteit en risico's van PFAS.

Voor de aanpak van PFAS in onze leefomgeving is nog niet alles vastgelegd in wet- en regelgeving, inclusief de bijbehorende normen. Tussen de verschillende milieucompartimenten en activiteiten sluiten risicogrenswaarden en normen bovendien niet altijd goed op elkaar aan. Daardoor kan een activiteit die volgens de regels in het ene milieucompartiment is toegestaan, toch risico’s/beperkingen opleveren in een ander milieucompartiment.

Als provincie Overijssel streven we ernaar om zoveel mogelijk aan te sluiten bij Europese en nationale richtlijnen en bieden we richtlijnen voor specifieke situaties. Ons doel is een duidelijk en werkbaar kader voor activiteiten in het bodem- en watersysteem.

2.5.1. Normstelling voor oppervlaktewater vanuit de KRW

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan de stoffen en normen die volgen uit de Kaderrichtlijn Water. Hierin is een norm voor PFOS in oppervlaktewater opgenomen. Daarnaast heeft het RIVM voor de stoffen PFOS, PFOA en GENX risicowaarden bepaald voor oppervlaktewater. Deze risicowaarden zijn geëvalueerd en kunnen voorlopig worden gebruikt als normen voor milieukwaliteit1.

De chemische kwaliteit van het oppervlaktewater wordt mede beïnvloed door uitwisseling van chemische verbindingen met het onderliggende slib. Hierdoor kan de gewenste waterkwaliteit niet altijd worden bereikt wanneer verontreinigd baggerspecie aanwezig is. Dit kan vooral gebeuren in oppervlaktewater met beperkte doorstroming. Voor reguliere stoffen kan dit worden beoordeeld met de methode die is vastgesteld in het kader van de Waterwet2. Echter, vanwege de lage normen voor PFAS in oppervlaktewater en beperkte kennis over de uitwisseling tussen waterbodem en oppervlaktewater, is deze methode minder geschikt voor PFAS.

Ontwikkelingen

Tot voor oktober 2025 was binnen de KRW alleen PFOS opgenomen als prioriteitsstof met specifieke milieukwaliteitsnormen. Recente wetgevingsvoorstellen breiden de KRW uit met een breed pakket PFAS-verbindingen. In totaal krijgen 25 PFAS-verbindingen (inclusief de ultrakorte keten TFA) een plaats in de beoordeling van oppervlaktewaterlichamen. Met een geaggregeerde normstelling van 4,4 ng/L PFOA Equivalenten (PEQ) leidt dit tot een strengere toetsing. Bij PEQ-toetsing worden concentraties van individuele PFAS gewogen naar hun relatieve toxiciteit ten opzichte van PFOA en vervolgens gesommeerd tot één equivalente concentratie (uitgedrukt in PEQ). Deze PEQ-waarde wordt vervolgens getoetst aan de norm van 4,4 ng/L3.

De voorgestelde wijzigingen versterken daarmee de bescherming van oppervlaktewater, maar leggen ook een grotere monitoring- en nalevingsdruk op lidstaten. Volgens de voorlopige afspraken moeten lidstaten de nieuwe normen naleven binnen langere transitieperioden (bijvoorbeeld tot 2033 voor strengere normen en 2039 of later voor andere stoffen).

1 notitie RIVM 2017

2 Handreiking beoordelen waterbodems - Helpdesk water

3 https://www.rivm.nl/documenten/rivm-peq-tool

2.5.2 Normstelling voor grondwater vanuit de KRW en drinkwaterrichtlijn

Op 12 januari 2021 is de herziene Drinkwaterrichtlijn (EU 2020/2184) in werking getreden1. Deze is in Nederland geïmplementeerd via het Drinkwaterbesluit en de Drinkwaterregeling en stelt eisen aan water bestemd voor menselijke consumptie. De Drinkwaterrichtlijn heeft twee normen voor PFAS, te weten een PFAS-totaal en een som-PFAS:

  • 100 ng/l voor de som van 20 PFAS-verbindingen2;

  • 500 ng/l voor de som van alle PFAS-verbindingen.

Daarnaast ligt er een voorstel tot herziening van de Kaderrichtlijn Water (KRW) dat nog strengere normen voor PFAS introduceert. Dit voorstel omvat een norm van 4,4 ng/L voor de som van vier specifieke PFAS (PFOA, PFOS, PFNA en PFHxS). Deze norm betreft een gezondheidskundig afgeleide richtwaarde; geen formele KRW-milieukwaliteitsnorm.

Voor bovenstaande normeringen geldt dat de concentratie PFAS gesommeerd worden zonder verdere toxicologische weging zoals dit bij oppervlaktewater gebeurt.

1 EU richtlijn 2020/2184

2 Deze is opgenomen in het drinkwaterbesluit welke verwijst naar bijlage III, deel B, punt 3 van de Drinkwaterrichtlijn

2.5.3. Normstelling bodem- en grondwatersanering

Het RIVM heeft risicogrenzen vastgesteld, ook wel Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV), voor PFOS, PFOA en GenX in het kader van bodemsanering1 (zie tabel 2.1). De INEV is vastgesteld op het strengste van de humane en ecologische risicogrenzen voor grond en grondwater. Als provincie Overijssel beschouwen we de INEV’s als interventiewaarden voor de beoordeling van bodemverontreiniging onder de Wet bodembescherming en de Omgevingswet. Ze dienen als indicatie voor nader bodemonderzoek, risicobeoordeling en het nemen van eventuele saneringsmaatregelen (zie hoofdstuk 3).

Normstelling bij bodemsanering

Bij de beoordeling van risico’s en de omvang van PFAS-verontreiniging in bodemonderzoek moet rekening worden gehouden met de gecombineerde toxiciteit van meerdere PFAS-verbindingen en de wijze waarop de verschillende verbindingen zich in het bodem- en watersysteem gedragen. Aangezien verontreiniging vaak uit een mengsel van PFAS bestaat, is inzicht in de totale blootstelling noodzakelijk. Het RIVM heeft hiervoor de zogenaamde additietoets ontwikkeld2.

Tabel 2.1 Risicogrenzen en INEVs voor grond

PFAS-verbinding

Risicogrenswaarden (in µg/kg)

INEV (in µg/kg)

PFOS

59

59

PFOA

60

60

GENX

57

57

Normstelling bij grondwatersanering

Het RIVM heeft ook risicogrenzen voor PFAS in grondwater afgeleid, mede gebaseerd op de EFSA-advieswaarden uit 2020. Het ministerie van IenW heeft deze risicogrenzen overgenomen als voorlopige interventiewaarden (INEV) voor grondwater.

Voor grondwater worden twee waarden onderscheiden:

  • een waarde die ervan uitgaat dat grondwater direct na oppompen veilig drinkbaar moet zijn;

  • een waarde die ziet op de risico’s van verontreinigd grondwater voor het gebruik van de locatie bovengronds en voor ecosystemen in het grondwater.

Tabel 2.2 geeft de INEV voor grondwater weer. De INEV met directe consumptie is op vergelijkbare wijze afgeleid als de drinkwaterrichtwaarde. Het verschil is dat bij de drinkwaterrichtwaarde wordt uitgegaan van 20% van de gezondheidskundige grenswaarde, terwijl bij de risicogrenzen en INEV’s 100% van deze grenswaarde is gehanteerd. Dit sluit aan bij het uitgangspunt dat ruw grondwater zo schoon mogelijk moet zijn en zonder overschrijding van gezondheidskundige grenzen drinkbaar zou moeten zijn. De risicogrens mét directe consumptie, is daarmee geen norm voor drinkwater. Drinkwater (‘uit de kraan’) dient te voldoen aan de vastgestelde kwaliteitseisen in het Drinkwaterbesluit.

Tabel 2.2 Risicogrenzen en INEVs voor grondwater

Toetswaarde

PFOS (in ng/L)

PFOA (in ng/L)

GenX (in ng/L)

INEV inclusief consumptie

9,9

20

330

INEV exclusief consumptie

2.700

8.600

60.000

Net als bij bodem dient bij de beoordeling van grondwaterverontreiniging rekening te worden gehouden met de bovenstaande risicogrenzen. Ze dienen als indicatie voor nader bodemonderzoek, risicobeoordeling en het nemen van eventuele saneringsmaatregelen.

Additietoets Risico-index beoordeling kwaliteit grond en grondwater

PFAS-verbindingen hebben toxicologisch een gemeenschappelijk effect, hoewel de potentiële toxiciteit tussen de componenten sterk kan verschillen. Bij de beoordeling van PFAS-mengsels wordt uitgegaan van concentratie-additie. Hiervoor wordt een risico-index berekend als de som van de quotiënten van gemeten concentraties en de bijbehorende risicogrenzen (nu nog alleen vastgesteld voor PFOA, PFOS en GENX). Blootstelling vanuit bodem of grondwater wordt als acceptabel beschouwd wanneer de risico-index lager is dan 1. In bijlage I is een voorbeeld gegeven van het toepassen van de additietoets. Deze additietoets moet ook als zodanig worden toegepast in geval van beoordeling of bodemsanering noodzakelijk is (zie paragraaf 2.3.3).

Risicobeoordeling en maatwerk beoordeling op humane blootstelling door de GGD

Een overschrijding van de INEV van de individuele PFAS of een risico index die groter is als 1 vormen aanleiding voor het uitvoeren van een risicobeoordeling.

Als er een risico is voor de gezondheid vanwege bodemverontreiniging met PFAS, kunnen gemeenten de GGD raadplegen voor een gezondheidskundig advies. Dit advies omvat een locatiespecifieke beoordeling van de gezondheidsrisico's van PFAS en kan leiden tot andere normen dan die zijn vastgesteld door het RIVM, omdat zij met algemene parameters werken als input voor blootstellingsrisico’s. Dit maatwerkadvies heeft invloed op de vereiste bodemsaneringsinspanningen.

1 Risicogrenzen ten behoeve van de vaststelling van Interventiewaarden voor PFOS, PFOA en GenX, RIVM, 20 juli 2021

2 Risicogrenzen ten behoeve van de vaststelling van Interventiewaarden voor PFOS, PFOA en GenX, RIVM, 20 juli 2021

2.5.4. Normstelling toepassen van bodem en baggerspecie

Het Handelingskader PFAS1 bevat richtlijnen voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie bij grondverzet en hergebruik (zie tabel 2.3), afhankelijk van de functie van de ontvangende bodem (zoals landbouw/natuur, wonen, industrie). Dit is een generiek kader voor grondverzet en het toepassen van grond en baggerspecie. De striktheid van de normen moet voorkomen dat PFAS onverhoopt verplaatst wordt naar minder belaste gebieden en zo verspreiding door grondverzet minimaliseren. De normen zijn geen maatstaf om te bepalen of er sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Daarvoor dient de INEV (paragraaf 2.3.3)

Tabel 2.3 Toepassen en hergebruik van grond en baggerspecie op de landbodem*

Bodemkwaliteitsklasse

Bodemfunctieklasse

Toepassings-waarde PFOS (µg/kg)

Toepassings-waarde PFOA (µg/kg)

Toepassings-waarde overige PFAS (µg/kg)

Wonen of industrie

Wonen of industrie

3

7

3

Landbouw/natuur

Wonen of industrie

1,4

1,9

1,4

Landbouw/natuur, wonen of industrie

Landbouw/ natuur

1,4

1,9

1,4

Toelichting:

* De toepassingseis is het resultaat van de dubbele toets aan zowel de eis die geldt voor de functie (landbouw/natuur, wonen of industrie) als de eis die geldt voor niet verslechteren van de bodemkwaliteit/standstill (landbouw/natuur, wonen of industrie). De strengste van de beide toetsen is de toepassingseis. Indien een lokaal maximale waarde is vastgesteld dan geldt deze binnen de betreffende zone als maximale toepassingswaarde.

Tabel 2.4 Toepassingswaarden bij toepassen en hergebruik van grond en baggerspecie in geval van speciale handelingen

Beoogde handeling

PFOS (µg/kg)

PFOA (µg/kg)

overige PFAS (µg/kg)

Baggerspecie verspreiden op aangrenzend perceel of weilanddepot

3

7

3

Grond en baggerspecie grootschalig toepassen

3

7

3

Grond en baggerspecie toepassen in een grondwaterbeschermingsgebied

gebiedskwaliteit*

gebiedskwaliteit*

gebiedskwaliteit*

Toelichting:

* indien de gebiedskwaliteit niet bekend is, dan dient de waarde van 0,1 µg/kg te worden gehanteerd

Tabel 2.5 Toepassingswaarden bij toepassen en hergebruik van grond en baggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam*

Beoogde handeling

PFOS (µg/kg)

PFOA (µg/kg)

overige PFAS (µg/kg)

Baggerspecie verspreiden in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam of aansluitende (sedimentdelende)(10) stroomafwaarts gelegen oppervlaktewaterlichamen (als bedoeld in artikel 35, onder g, Bbk

Toepasbaar, wel toetsen op uitschieters

Toepasbaar, wel toetsen op uitschieters

Toepasbaar, wel toetsen op uitschieters

Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas, als bedoeld in artikel 35, onder d, Bbk

Toepasbaar, wel toetsen op uitschieters

Toepasbaar, wel toetsen op uitschieters

Toepasbaar, wel toetsen op uitschieters

Grond en baggerspecie toepassen in een ander rijksoppervlaktewaterlichaam (verspreiden in niet-sedimentdelende oppervlaktewaterlichamen of toepassen in ophogingen in waterbouwkundige constructies)

3,7

0,8

0,8

Grond en baggerspecie toepassen in een ander niet-rijksoppervlaktewaterlichaam (verspreiden in niet-sedimentdelende oppervlaktewaterlichamen of toepassen in ophogingen in waterbouwkundige constructies)

1,1

0,8

0,8

Grond en baggerspecie toepassen in niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan met een rijkswater

3,7

0,8

0,8

Grond en baggerspecie toepassen in andere diepe plassen

1,1

0,8

0,8

Het Rijk heeft het handelingskader PFAS opgesteld als leidraad voor het hergebruik van grond en baggerspecie. Dit kader bevat maximale waarden voor grond en baggerspecie voor verschillende toepassingsmogelijkheden op land of in waterbodems. Er zijn provinciale aanvullingen, waaronder:

  • Als een gemeente vrijkomende grond bij een PFAS bodemsanering wil hergebruiken op de locatie en de gehalten liggen boven de normen uit het handelingskader zijn maatwerkvoorschriften noodzakelijk2. In paragraaf 4.1 staat beschreven hoe dit mogelijk kan maken en wat de voorwaarden zijn.

  • Toepassen van grond en baggerspecie binnen grondwaterbeschermingszones en waterwingebieden, of het verspreiden van baggerspecie binnen deze zones. Dit is nader beschreven in paragraaf 4.1.2;

Ontwikkelingen

Het RIVM heeft op basis van nieuwe inzichten van de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid opnieuw risicogrenswaarden afgeleid3. Op basis van de humane en ecologische risico’s heeft het RIVM voor de bodemkwaliteitsklasse wonen en industrie nieuwe risicogrenzen afgeleid. Deze nieuwe waarden zijn niet in het landelijke handelingskaders doorgevoerd. Als Overijssel volgen wij het Rijksbeleid en daarmee het handelingskader PFAS. Wel biedt deze inzichten en benaderwijze meer beleidsruimte bij onderbouwing van maatwerkvoorschrift (paragraaf 4.1).

1 Tweede Kamer, Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie, versie december 2023

2 https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/maatwerkvoorschrift/

3 Achtergrondwaarden en risicogrenzen ten behoeve van onderbouwing Maximale Waarden PFAS voor toepassen van grond en baggerspecie. RIVM, 20 juli 2021

3. Aanpak van PFAS bronlocaties

Als gevolg van historische activiteiten of calamiteiten is de bodem en/of het grondwater mogelijk verontreinigd geraakt met een PFAS. Bij ontwikkelingen komen deze veelal aan het licht. Op basis van een bodemonderzoek komt de verontreiniging in beeld. Dan zijn diverse maatregelen veelal noodzakelijk voordat de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik.

Onder de Omgevingswet hebben gemeenten meer verantwoordelijkheid gekregen voor de kwaliteit van de leefomgeving en daarmee ook zorg voor het bodem- en watersysteem. Ze zijn bevoegd gezag voor het onderzoek en aanpak van bodemverontreiniging in grond en grondwater. Onderzoek naar grondwater volgt uit de regels in de Omgevingsverordening van de provincie. Hier zijn instructieregels opgenomen voor onderzoek en aanpak van bodemverontreiniging

Dit hoofdstuk biedt decentrale overheden handvatten voor de beoordeling van PFAS-verontreiniging binnen het kader van de Omgevingswet. Het doel is om te komen tot een uniforme beoordeling, werkwijze en een gelijk speelveld (o.a. interpretatie landelijke regelgeving). Ook brengt het inzichtelijk waar gemeenten beleidsruimte hebben om ontwikkelingen mogelijk te maken. Tot slot wordt toegelicht hoe de Omgevingsverordening van de provincie deze beoordeling en mogelijkheden beïnvloed.

3.1 Vooronderzoek bodem

Het uitvoeren van een bodemonderzoek is vaak nodig of gewenst bij het bouwen van woning of het uitvoeren van milieubelastende activiteiten (grondverzet, bodemsanering). Gebruikelijk is dat gestart wordt met een vooronderzoek volgens de NEN 5725. Hierbij wordt beoordeeld of er verdachte PFAS-activiteiten op de locatie hebben plaatsgevonden, Het vooronderzoek bestaat uit een bureauonderzoek en locatie-inspectie.

In het provinciale project ‘aandachtslocaties PFAS’ (hoofdstuk 7) is in 2019 een inventarisatie gemaakt van voormalige bedrijfsactiviteiten waar mogelijk PFAS-houdende materialen zijn gebruikt. Deze lijst is in 2022 verder aangescherpt. Deze lijsten zijn niet uitputtend, maar bieden het bevoegd gezag een hulpmiddel bij de beoordeling of een potentiële bronlocatie is voor PFAS.

Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat op of nabij de locatie een verdachte activiteit heeft plaatsgevonden waarbij mogelijk een PFAS-verontreiniging kan zijn ontstaan, is verkennend bodemonderzoek naar PFAS noodzakelijk. Tenzij al voldoende informatie beschikbaar is over de PFAS gehalten in grond en grondwater.

3.2 Verkennend en nader bodemonderzoek grond en grondwater

Wanneer uit het vooronderzoek blijkt dat een locatie verdacht is op PFAS-verontreiniging, moet bij het uitvoeren van het verkennend bodemonderzoek op PFAS worden onderzocht. De verplichting tot het uitvoeren van dit onderzoek volgt uit het Bal (paragraaf 5.2.2; voorafgaand bodemonderzoek) en de Omgevingsverordening Overijssel1. Dit onderzoek wordt uitgevoerd conform NEN 5740 en heeft tot doel vast te stellen of er daadwerkelijk sprake is van PFAS-verontreiniging in grond en/of grondwater, en zo ja, in welke concentratie en omvang. In aanvulling op de NEN5740 dient bij de bemonstering van PFAS-monsters rekening te worden gehouden met de Handreiking PFAS2.

Na bemonstering worden representatieve mengmonsters samengesteld en geanalyseerd op het PFAS28 pakket. De gemeten gehalten in de grond worden, afhankelijk van het doel, getoetst aan:

  • de INEV die zijn bepaald door het RIVM inclusief additietoets;

  • de toetsingswaarde uit het Handelingskader PFAS (versie december 2023); en

  • aanvullend aan de regionale bodemkwaliteitskaart3.

Voor het grondwater wordt eveneens op het PFAS28 pakket geanalyseerd, maar dient vanwege strengere normwaarden te worden gelet op het feit dat er wel in nanogram per liter wordt gemeten. De gemeten concentraties worden getoetst aan de INEV en de additietoets (zie paragraaf 2.3.2).

Als de gemeten gehalten in grond en grondwater boven de INEV-waarden liggen of voor de som PFAS wordt de toetswaarde overschreden is nader bodemonderzoek noodzakelijk om de voorgenomen activiteit en/of toekomstige gebruiksfunctie mogelijk te maken en te beoordelen welke vervolgacties aan de orde zijn. Hierop is net als voor reguliere verontreinigingen de NTA 5755 van toepassing. Het nader bodemonderzoek heeft twee doelen.

  • Beoordelen van risico’s: Het onderzoek richt zich op de humane risico’s en de verspreidingsrisico's van de aanwezige PFAS-verontreiniging in grond en/of grondwater. Onder verspreidingsrisico’s wordt verstaan situaties waarbij uit risicobeoordeling blijkt dat sprake is van onaanvaardbare gevolgen voor waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones, kwetsbare oppervlaktewaterfuncties (vb zwemwater en visvijver)en/of een onbeheersbare situatie door nalevering vanuit een bodemverontreiniging in de vaste bodem naar de grondwaterpluim. In hoeverre een oppervlaktewaterfunctie als kwetsbaar kan worden beschouwd, hangt af van verschillende factoren zoals de het gebruik, blootstellingsroutes en verdunningscapaciteit.

  • Afbakening van de verontreiniging: Het onderzoek brengt de verontreinigingscontouren in beeld op de locatie van toekomstige ingrepen of gevoelig bodemgebruik. Het onderzoeksgebied wordt meestal bepaald door de (gebieds)ontwikkeling, milieubelastende activiteit of woningkavel(s).

1 Omgevingsverordening Overijssel – paragraaf bodembescherming

2 Handreiking PFAS bemonsteren V1

3 IJsselland of Twente

3.3 Beoordeling wettelijk kader voor de aanpak bodemverontreiniging

Voor de aanpak van de bodemverontreiniging is het belangrijk om te bepalen welk wettelijk kader van toepassing is. Dit wordt bepaald op basis van de ontstaansgeschiedenis van de bodemverontreiniging en in welke mate de veroorzaker redelijkerwijs kon vermoeden dat zijn activiteit kon leiden tot een bodemverontreiniging. Op basis van de landelijke handreiking zorgplicht1, wettelijk kader en beperkte jurisprudentie PFAS2 zijn beoordelingsschema’s gemaakt als handvat. Hierbij onderscheiden we drie situaties die achtereenvolgend doorlopen kunnen worden:

Historisch geval: meer dan 50% van de verontreiniging is ontstaan voor 1 januari 1987;Potentiële zorgplichtsituatie Wet bodembescherming: Ontstaan tussen 1987 en 2024;Zorgplichtsituatie Omgevingswet: Ontstaan na 2024.

Kanttekening: In het verleden kon een bedrijf ook op basis van de Wet milieubeheer en Activiteitenbesluit worden aangesproken op de Wm-zorgplicht bij het ontstaan van een bodemverontreiniging. Deze situaties zijn in deze paragraaf niet verder uitgewerkt.

1 https://iplo.nl/thema/bodem/regelgeving/wbb/zorgplicht-bodembescherming/@302526/handreiking-zorgplicht-artikel-13-wet/

2 Uitspraak 202104298/1/R1 - Raad van State, Uitspraak 202403942-1-r1 - RvS

3.3.1 Historisch geval ontstaan voor 1987 met beschikking ernst en spoed of saneringsplan

Als een verontreiniging minimaal voor 50% is ontstaan voor 1987 beschouwen we dit als een historisch geval van ernstige bodemverontreiniging onder de Wet bodembescherming (Wbb). Het criteria van 50% volgt uit de beoordeling van reguliere verontreinigingen en daarmee is dit ook van toepassing op PFAS verontreinigingen. Vervolgens wordt bepaald of overgangsrecht van toepassing is. Dit is wanneer een beschikking door het bevoegd gezag Wbb is afgegeven of een saneringsplan is ingediend. Schematisch is dit in afbeelding 3.1 weergegeven.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 3.1: schema voor historisch geval

Overgangsrecht – sanering volgens de Wet bodembescherming

Wanneer vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet (1‑1‑2024) een beschikking ernst en spoed is afgegeven of een saneringsplan is ingediend, is het overgangsrecht Wbb van toepassing. Gezien de beperkte kennis over PFAS in die periode komt dit slechts sporadisch voor. Het bevoegd gezag ligt in geval van overgangsrecht bij de provincie of bij de gemeenten die onder de Wbb rechtstreeks bevoegd gezag waren, te weten Zwolle, Deventer, Almelo, Hengelo en Enschede.

Overige situaties – aanpak op basis van de Omgevingswet

Als voor een PFAS-verontreiniging geen beschikking ernst en spoed is genomen of een saneringsplan voor de PFAS verontreiniging is ingediend, geldt het kader van de Omgevingswet. De regels uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de provinciale Omgevingsverordening en eventuele regels uit de waterschapsverordening en het omgevingsplan zijn dan van toepassing.

3.3.2. Potentiële zorgplichtsituatie Wet bodembescherming

Voor verontreinigingen die zijn ontstaan in de periode van 1 januari 1987 tot 1 januari 2024 kan sprake zijn van een zorgplichtsituatie op grond van artikel 13 van de Wet bodembescherming. Dit geldt wanneer:

De bodemverontreiniging is ontstaan voor meer als 50% na 31‑12‑1986 en voor 1‑1‑2024; De bodemverontreiniging het gevolg is van handelingen beschreven in artikelen 6-11 van de Wbb; enDe veroorzaker wist of kon redelijkerwijs vermoeden dat zijn handelingen bodemverontreiniging konden veroorzaken.

Over dit laatste criterium bestaat veel discussie. Hoewel inmiddels algemeen wordt erkend dat PFAS schadelijk is, heeft deze kennis zich pas in de afgelopen jaren breed ontwikkeld. (INEV’s werden bijvoorbeeld pas in 2021 gepubliceerd door het RIVM). Daarnaast was – ondanks het wijdverbreide gebruik – vaak niet duidelijk of en welke PFAS in producten waren verwerkt. Voor gebruikers was dit niet altijd herleidbaar, omdat PFAS niet consequent op etiketten of veiligheidsinformatiebladen werden vermeld.

Bovendien zijn in het verleden in vergunningen en veiligheidsinstructies expliciet PFAS-houdende producten voorgeschreven, zoals PFAS-houdend blusschuim dat jarenlang als standaard werd toegepast. Hierdoor is de aanwezigheid van PFAS niet altijd het gevolg geweest van een bewuste keuze van de gebruiker.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 3.2: schema voor potentieel zorgplichtsituatie Wet bodembescherming

Maatwerk beoordeling bevoegd gezag of sprake is van zorgplicht

Het bevoegd gezag beoordeelt per situatie of sprake is van een schending van de zorgplicht als bedoeld in artikel 13 van de Wet bodembescherming. Daarbij wordt onderzocht of de veroorzaker alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem konden worden gevergd om bodemverontreiniging te voorkomen dan wel te beperken. Relevante beoordelingsvragen zijn onder meer:

Is gehandeld conform de op dat moment geldende milieuwet- en regelgeving?Waren adequate bodembeschermende voorzieningen aanwezig (zoals vloeistofkerende vloeren of lekbakken)?Zijn organisatorische maatregelen getroffen, zoals duidelijke werkinstructies en toezicht?

Indien blijkt dat onvoldoende preventieve maatregelen zijn genomen en de verontreiniging aan de betreffende handelingen kan worden toegerekend, kan sprake zijn van een schending van de zorgplicht in de zin van artikel 13 Wbb.

Als wel zorgvuldig is gewerkt is het vervolgens van belang of de veroorzaker het redelijkerwijs wist of had kunnen vermoeden dat de gebruikte PFAS-producten schadelijk waren. Hierbij geldt dat niet iedere veroorzaker deze kennis op hetzelfde moment zich eigen had kunnen maken. De volgende jaartallen zijn een handvat bij de beoordeling door het bevoegd gezag:

  • 2006 Verbod op PFOS-houdende producten

  • 2011 Verbod op PFOS-houdend blusschuim1

  • 2019 Tijdelijk handelingskader PFAS - algemene bekendheid van schadelijkheid PFAS.

Had de veroorzaker het redelijkerwijs kunnen weten dan is eveneens sprake van de zorgplicht Wet bodembescherming. Als geen sprake is van een zorgplichtsituatie onder de Wet bodembescherming is het schema gelijk aan dat van een historisch geval.

Kantekening: De zorgplicht richt zich overwegend op de veroorzaker en niet de eigenaar. Echter zijn er voorbeelden in de rechtspraak waar de eigenaar wel verantwoordelijk wordt gehouden voor de zorgplicht. Dit gaat vooral om situaties waarin de eigenaar nalatig handelt.

1 EU-richtlijn 2006/122/EG

3.3.3 Zorgplichtsituatie Omgevingswet

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet en met alle aandacht voor PFAS de afgelopen jaren geldt dat iedereen die met PFAS-houdende producten werkt, geacht wordt te weten dat deze stoffen risico’s vormen voor de bodem. Bedrijven moeten daarom alle passende bodembeschermende maatregelen treffen, zoals vastgelegd in het Bal. Ook particulieren kunnen op de zorgplicht worden aangesproken.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 3.3: schema voor potentieel zorgplichtsituatie Omgevingswet

De Omgevingswet maakt onderscheidt tussen verschillende mogelijke situaties van zorgplicht. Via het IPLO-loket1 is verschillende informatie en stroomschema’s te vinden ter ondersteuning.

Naar verwachting zal de specifieke zorgplicht (artikel 2.11 BAL) in de meeste situaties van toepassing zijn. Dit verplicht initiatiefnemers bij een milieubelastende activiteit of lozingsactiviteit passende preventieve maatregelen te nemen om milieuverontreiniging te voorkomen. Ook kan op basis van dit artikel maatregelen worden geëist bij het optreden van een ongewoon voorval (artikel 19.1 Ow). Een ongewoon voorval betreft een onvoorziene calamiteit wat wordt gekenmerkt door:

bij een activiteit gebeurt iets dat afwijkt van het normale verloop van die activiteitde gebeurtenis heeft (mogelijk) nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgevingde gevolgen van de gebeurtenis zijn significant.

Als provincie hebben we in de provinciale Omgevingsverordening nog een specifieke zorgplicht opgenomen voor het grondwater dat wordt gebruikt voor de bereiding van water voor menselijke consumptie (artikel 3.26). Dit als extra bescherming en geldt voor milieubelastende activiteiten in waterwingebieden, grondwaterbeschermingszones en boringvrije zones.

1 https://iplo.nl/thema/bodem/bodembescherming/zorgplicht-bodem/

3.4 Aanpak via de zorgplicht

3.4.1 Zorgplicht situatie onder de Wet bodembescherming

Voor de zorgplicht geldt dat de veroorzaker alle passende maatregelen moet nemen om de verontreiniging zoveel mogelijk ongedaan te maken. In de praktijk bepaalt het bevoegd gezag – meestal de gemeente of provincie – wat redelijkerwijs haalbaar is. Zeker voor PFAS is dit relevant omdat lage risicogrenswaarden zijn afgeleid en de verwijderingstechnieken voor grond en grondwater beperkt en kostbaar zijn.

Bij de aanpak van een PFAS-zorgplichtsituatie dienen de volgende onderdelen te worden afgewogen bij de beoordeling van de aanpak:

  • a.

    Huidig en toekomstig gebruik en bijbehorende blootstellingsroutes;

  • b.

    Restrisico’s van achterblijvende bodemverontreiniging voor het toekomstig gebruik of de functie;

  • c.

    Lange termijn effecten op grond- en oppervlaktewater;

  • d.

    Verwerkingsmogelijkheden van de vrijkomende grond en grondwater.

  • e.

    Milieu impact van de sanering zelf: gebruik grondstoffen;

    • 1.

      energieverbruik;

    • 2.

      CO2-uitstoot;

    • 3.

      aantasting vitale ecosystemen;

    • 4.

      hinder en overlast;

    • 5.

      afwenteling op andere systemen, gebieden.

Om bovenstaande te kunnen onderbouwen is aanvullend onderzoek wellicht noodzakelijk. Wanneer mogelijk sprake is van verspreiding naar grond- en oppervlaktewater is aanvullend een hydrologische analyse noodzakelijk om risico’s en de potentiële impact op het watersysteem (grond- en oppervlaktewater) goed te kunnen beoordelen.

Voor de sanering van de bodemverontreiniging in grond en grondwater moet een plan van aanpak worden ingediend bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. Dit is ongewijzigd bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor de provincie Overijssel gaat het om de gemeenten Almelo, Deventer, Enschede, Hengelo en Zwolle en anders de provincie zelf. Het is onder de Wet bodembescherming ook mogelijk dat gemeenten handhavend optreden. In de praktijk beoordeelt over het algemeen de Omgevingsdienst of de maatregelen afdoende zijn en de locatiespecifieke omstandigheden en aanpak voldoende zijn onderbouwd.

3.4.2 Zorgplichtsituatie onder de Omgevingswet

Als na 2024 een bodemverontreiniging ontstaat dan wordt dit beschouwd als zorgplicht of ongewoon voorval1. De veroorzaker moet dan direct maatregelen nemen om schade te beperken. Het bevoegd gezag (meestal de gemeente, soms de provincie bij BRZO-bedrijven) kan:

  • bindende instructies geven voor herstel;

  • aanvullende vergunningsvoorwaarden opleggen; of

  • in uitzonderlijke gevallen de activiteit stilleggen.

Zo wordt geborgd dat nieuwe PFAS-verontreinigingen zoveel mogelijk worden voorkomen. Voor de aanpak gelden dezelfde afwegingen als bij de Wet bodembescherming. De werking van de zorgplicht onder de Omgevingswet is door Rijkswaterstaat schematisch (stroomdiagram) aangegeven2.

Het stroomschema laat zien welke zorgplicht en aanvullende verplichtingen gelden bij milieubelastende activiteiten en lozingsactiviteiten onder de Omgevingswet, en wanneer de regeling voor ongewoon voorval en de informatieplicht van toepassing zijn. Afhankelijk van het type activiteit (Bal-activiteit, andere milieubelastende activiteit of lozing onder de waterschapsverordening) wordt eerst bepaald welk juridisch kader van toepassing is.

Vervolgens wordt beoordeeld of sprake is van een significante milieuverontreiniging. Is dat het geval, dan geldt naast de specifieke zorgplicht (uit het Bal, het omgevingsplan of de waterschaps- omgevingsverordening) ook de regeling voor ongewoon voorval (afdeling 19.1 Omgevingswet) en een informatieplicht richting bevoegd gezag. Bij het ontbreken van een significante milieuverontreiniging blijft de toepassing beperkt tot de relevante specifieke zorgplicht.

Voor activiteiten die niet onder het Bal of de waterschapsverordening vallen, geldt afhankelijk van de locatie de algemene zorgplicht van de Omgevingswet of de specifieke zorgplicht uit het omgevingsplan van de gemeente. Bij een significante milieuverontreiniging kan in dat geval zelfs een verbod op de activiteit gelden.

1 https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/ongewoon-voorval/

2 https://iplo.nl/thema/bodem/documenten/bodembescherming/stroomschema-zorgplicht-ongewoon-voorval/?PagClsIdt=2988662#PagCls_2988662

3.5 Standaard aanpak onder de Omgevingswet

In de provinciale Omgevingsverordening wordt onderscheidt gemaakt tussen bodemverontreiniging met en zonder risico’s. Als uit het bodemonderzoek blijkt dat er geen risico’s zijn kan in de meeste situatie worden volstaan met een standaard aanpak zoals deze is beschreven in het BAL. Hierbij wordt veelal gebruik gemaakt van de volgende milieubelastende activiteiten in het BAL:

  • a.

    graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde (voor PFAS is dit INEV)

  • b.

    saneren van de bodem

Voorlopig is een dubbele melding nodig

Bij het opstellen van dit beleidskader geldt nog een dubbele meldplicht. Voor het uitvoeren van een bodemsanering is zowel melding nodig voor de milieubelastende activiteit ‘graven in de bodem’ als ‘saneren van de bodem’. Door het ministerie I&W wordt gewerkt aan de wijziging van de regelgeving waardoor dit in de toekomst vermoedelijk niet meer nodig is.

Ad 1. graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde

Strikt genomen zijn voor PFAS nog geen interventiewaarden of signaleringswaarden verankerd in de wetgeving. De INEV waarden zijn wel met dezelfde wettenschappelijke afleiding tot stand gekomen. Daarmee is het passend om deze als zodanig te beschouwen. In samenwerking met de medeoverheden in Overijssel verkennen we hoe we deze INEV-waarden het beste kunnen borgen in de instrumenten van de Omgevingswet. Hierdoor vergroten we de rechtszekerheid van de INEV als Overijsselse norm voor PFAS verontreiniging in grond en grondwater.

Ad 2. Verwijderen van verontreiniging of afdekken als saneringsaanpak

De standaard saneringsaanpak bestaat uit afgraven van de verontreiniging, het afdekken van de verontreiniging of een combinatie van die twee. Bij het afgraven van een PFAS verontreiniging wordt minimaal ontgraven tot de INEV of een norm die is vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente. In de praktijk wordt vaak meer ontgraven om de locatie geschikt te maken voor het toekomstig gebruik. Bij het afdekken wordt een leeflaag gerealiseerd met een dikte van 1 meter grond of baggerspecie of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag. Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de standaard saneringsaanpak.

3.5.1 Bronverwijdering binnen grondwaterbeschermingszones

Vanuit de provincie gelden extra regels voor de aanpak van bodemverontreinigingen binnen grondwaterbeschermingsgebieden (waterwingebieden en grondwaterbeschermingszones) vanuit onze omgevingsverordening. Binnen deze gebieden is bronverwijdering nodig om nalevering naar het grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. Deze bronverwijdering is gericht op het verwijderen van de verontreiniging in de grond boven de interventiewaarde, INEV voor PFAS. Verder is het niet mogelijk om de sanering uit te voeren met een duurzame aaneengesloten verhardingslaag. Deze regels gelden ook als er geen risico’s zijn en de verontreiniging op een natuurlijk moment wordt aangepakt.

3.6 Maatwerk aanpak onder de Omgevingswet

Indien wel sprake is van risico’s is op basis van de provinciale Omgevingsverordening een omgevingsvergunning nodig voor het saneren van de PFAS-verontreiniging. Dit is een maatwerk aanpak waarbij de saneringsmaatregelen functiegericht en kosteneffectief zijn. De focus van de sanering ligt op het wegnemen van de risico’s en vrachtverwijdering. In complexe situatie zal eerst een saneringsonderzoek nodig zijn voordat een saneringsplan kan worden opgesteld. De onderzoeksresultaten, saneringsonderzoek en -plan vormen de onderbouwing voor de Omgevingsvergunning. Het kan voorkomen dat een initiatiefnemer de voorkeur geeft voor een omgevingsvergunning boven melding, ook als er geen sprake is van risico’s. Dit geeft meer ruimte voor lokaal maatwerk.

3.6.1 Saneringsonderzoek

Wanneer uit het nader onderzoek blijkt dat PFAS in verhoogde concentraties aanwezig zijn en (mogelijk) risico’s opleveren voor mens en milieu, is een saneringsonderzoek nodig. In deze fase wordt vastgesteld welke maatregelen nodig zijn om risico’s te reduceren en in hoeverre sanering doelmatig en haalbaar is. Daartoe worden de aard, omvang en verspreiding van de PFAS-verontreiniging in bodem, grondwater en eventueel oppervlaktewater nader uitgewerkt. In complexe situaties kan het opstellen van een massabalans, nadere hydrologisch modellering of andere onderzoeksinspanning nodig zijn. Op basis van alle resultaten worden verschillende saneringsstrategieën beoordeeld op effectiviteit, haalbaarheid en kosten. Relevante onderdelen voor de afweging van saneringsvarianten zijn onder meer:

  • a.

    mate van bronverwijdering en risicoreductie (korte en lange termijn);

  • b.

    beheersing van verspreiding in bodem- en watersysteem;

  • c.

    effectiviteit en milieurendement, inclusief mogelijke afwenteling in ruimte of tijd;

  • d.

    technische, financiële en bestuurlijk-juridische haalbaarheid;

  • e.

    kosten van sanering, nazorg en beheer; en

  • f.

    restrisico’s en verdeling van verantwoordelijkheden (publiek/privaat).

Bij de beoordeling van saneringsvarianten wordt bij voorkeur gebruikgemaakt van een transparante multicriteria-afweging, waarin ook kosten-baten en uitvoerbaarheid expliciet worden meegenomen. Daarbij geldt als belangrijk aandachtspunt dat de gekozen aanpak geen ongewenste afwenteling van kosten of risico’s van private naar publieke partijen mag veroorzaken, tenzij hierover vooraf duidelijke bestuurlijke afspraken zijn gemaakt.

3.6.2 Saneringsplan als onderlegger voor de Omgevingsvergunning

Op basis van het saneringsonderzoek wordt voor de meest geschikte saneringsvariant een saneringsplan opgesteld. Hierin staan de verschillende saneringsmaatregelen in voldoende detail beschreven waarop de gemeente, als bevoegd gezag, een Omgevingsvergunning kan afgeven. Onderdelen die een saneringsplan kan bevatten zijn:

  • a.

    Verontreinigingssituatie voor en na saneren;

  • b.

    Saneringsdoelstelling (vrachtverwijdering en beoogde terugsaneerwaarden);

  • c.

    Saneringsmethode en mogelijke monitoring gedurende de saneringsfase;

  • d.

    Grond ontgraven (locatie, diepte, hoeveelheden);

  • e.

    Grondwaterzuivering (werking, duur, rendement);

  • f.

    Toevoegen van additieven in grond en/of grondwater (reden, werking, prognose in de tijd en beoogde monitoring);

  • g.

    Grondverzet in het kader van deze sanering. (zie ook paragraaf 4.1.1);

  • h.

    Terugvalscenario als het wegnemen van de risico’s met de ingezette techniek niet wordt behaald;

  • i.

    Verwachte gebruiksbeperkingen;

  • j.

    Nazorg en monitoring, inclusief verantwoordelijkheidsverdeling en financiering; en

  • k.

    Communicatie naar gebruikers nu en in de toekomst.

Naast een beschrijving van de werkzaamheden is het saneringsplan ook voorzien van voldoende kaartmateriaal waarop de verontreiniging voor en na de sanering is weergegeven in overzicht tekeningen en dwarsdoorsneden.

De gemeenten kunnen in haar Omgevingsplan aanvullende eisen stellen voor het indienen van onderzoeken en onderbouwing voor de Omgevingsvergunning. Daarmee is het ook mogelijk om bovenstaande onderdelen vast te leggen in het Omgevingsplan.

3.6.3 Innovatieve saneringsmethode

De komende jaren wordt een sterke groei verwacht van het aantal saneringsmethodes voor het verwijderen van PFAS uit het water- en bodemsysteem. Deze innovatie wordt verder gestimuleerd door een kennis en innovatieprogramma PFAS vanuit het ministerie I&W. Dit betekent dat sanerings- en verwijderingsconcepten die op lab schaal zijn bewezen ook getest moeten worden in het veld via pilots of demonstratie installatie voordat het definitief op de markt kan worden gebracht.

Vanuit de waterbehandeling worden de volgende technieken1 onderscheiden voor de verwijdering van PFAS.. Deze technieken richten zich op vrachtverwijdering van PFAS:

  • adsorptie technieken: PFAS hecht zich aan het oppervlak van een adsorbens zoals actief kool of ionenwisselaars en kan zo uit het water worden verwijderd. Deze techniek is met name effectief voor langere ketens PFAS.

  • coagulatie technieken: Met het toevoegen van een flocculant gaan PFAS verbindingen samenklonteren tot grotere vlokken die verwijderd kunnen worden.

  • scheidingstechnieken: met fysisch-chemische scheidingstechnieken wordt PFAS gescheiden van het water. Schuimscheiding en omgekeerde osmose zijn voorbeelden hiervan.

  • chemische technieken: Op basis van oxidatie of reductie worden PFAS afgebroken tot kleinere ketens. Het doel is om te komen tot minder toxische en beter biologisch afbreekbare stoffen.

  • biologische technieken: Door de inzet van micro-organisme (schimmels en bacteriën) of planten wordt PFAS opgenomen (planten).

  • thermische technieken: Bij zeer hoge temperaturen (>1.000 °C) wordt PFAS grotendeels afgebroken. De mate waarin PFAS-verbinding afbreken hangt van de verblijftijd in de oven af. Hoe korter de verblijftijd, hoe hoger de temperatuur moet zijn voor volledige afbraak.

In de Omgevingsvergunning kan ruimte worden geboden voor innovatieve saneringsmethoden. Het is dan belangrijk dat in deze Omgevingsvergunning een gefaseerde aanpak is vastgelegd. Dit kan betekenen dat in de aanpak meerdere go/no go momenten met terugvalopties worden beschreven. Deze terugvalopties zijn nodig als de innovatieve saneringsmethode onvoldoende het beoogde saneringsresultaat, gericht op het wegnemen van de risico’s, heeft bereikt.

1 De effectiviteit van deze technieken is wisselend

3.7 Nazorg en gebruiksbeperkingen

Het is de verwachting dat bij veel uitgevoerde bodemsaneringen de verontreiniging met PFAS niet volledig wordt verwijderd. Dit kan betekenen dat actieve beheersmaatregelen noodzakelijk blijven en/of er gebruiksbeperkingen gelden. Enkele veel voorkomende voorbeelden van gebruiksbeperkingen zijn:

  • in stand houden van verhardingen;

  • geen gewasteelt voor consumptie toestaan;

  • geen begrazing of drenking door vee toestaan;

  • geen grondwater onttrekken; en

  • een verbod om het terrein te betreden.

Als er gebruiksbeperkingen gelden, moeten deze nazorgmaatregelen robuust en toekomstbestendig zijn. Hierbij is het van belang dat rekening wordt gehouden met blootstellingsroutes. De belangrijkste blootstellingsroutes voor PFAS zijn het eten uit eigen (moes)tuin en de consumptie van vis.

De gemeente bepaald de nazorgmaatregelen en bijbehorende beperkingen en verplichtingen die gelden na saneren. Deze nazorgmaatregelen en de beperkingen die daaruit voortvloeien kunnen worden vastgelegd in het omgevingsplan en/of de openbare registers van het Kadaster1. Belangrijk is dat eigenaren en gebruikers actief worden geïnformeerd en betrokken bij deze maatregelen door de initiatiefnemer. Om dit te borgen worden financiële afspraken gemaakt. Het bevoegd gezag controleert het naleven van de nazorgmaatregelen.

Soms kan het voorkomen dat de nazorgmaatregelen aanzienlijk afwijken van hetgeen oorspronkelijk in het saneringsplan waren vastgelegd en waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Dit kan verschillende redenen hebben, zoals gewijzigde gebruiksfuncties of nieuwe inzichten over verspreiding van PFAS. In dit geval moet de vergunning worden aangepast, specifiek wat betreft de nazorgmaatregelen. De initiatiefnemer van de bodemsanering is verantwoordelijk voor procedure om deze wijziging in gang te zetten.

1 https://iplo.nl/thema/bodem/nazorg/nazorg-omgevingswet/

4. Overige relevante kaders voor de aanpak en omgang met een PFAS verontreiniging

4.1 Toepassen van grond en baggerspecie

4.1.1 Hergebruik van matig verontreinigde grond

Om een terrein geschikt te maken voor het beoogde gebruik is - naast een eventuele bodemsanering - vaak ook grondverzet (toepassen en herschikken) noodzakelijk. Hierbij ligt de uitdaging om verontreinigde grond waarbij de gehalten tussen de hergebruiksnormen uit het Handelingskader PFAS en de INEV liggen weer verantwoord toe te passen. Het afvoeren van deze categorie verontreinigde grond naar een verwerkingslocatie is niet altijd het meest milieuvriendelijke alternatief. De gemeente heeft twee mogelijkheden om deze situatie mogelijk te maken.

Maatwerkvoorschrift

Dit biedt de mogelijkheid aan het bevoegd gezag om situatie specifiek af te wijken van de algemene regels voor activiteiten. Dit kan door een initiatiefnemer worden aangevraagd of ambtshalve worden opgelegd.

Voor het toepassen van grond of baggerspecie is het mogelijk om een maatwerkvoorschrift af te geven (Bal artikel 2.13) en gelden er aanvullende voorwaarden (Bal 4.1273). In dit maatwerkvoorschrift wordt het volgende beschreven:

  • Voor welk gebied dit maatwerkvoorschrift geldt. Dit is veelal de saneringslocatie of gebiedsontwikkeling;

  • Een onderbouwing waarom wordt afgeweken van de kwaliteitsklasse uit het handelingskader PFAS;

  • Welke kwaliteit waar en eventueel in welke volume mag worden toegepast binnen het gebied;

  • De eisen ten aanzien van verantwoorde inrichting en beheer. Dit om contactrisico’s of uitloogrisico’s naar het grond- en oppervlaktewater te voorkomen.

Het is op basis van het Bal ook mogelijk om boven de INEV grond of baggerspecie toe te passen. Dit kan alleen voor locaties waar de bodem diffuus sterk is verontreinigd en waar de bodem al voor het toepassen diffuus sterk verontreinigd is met PFAS. We adviseren hier terughoudend mee om te gaan vanwege onvoorziene risico’s voor de volksgezondheid en leefomgeving als mede het afschuiven van verantwoordelijkheden naar toekomstige generaties of van privaat naar publiek.

Maatwerkregels in het omgevingsplan

Dit is vergelijkbaar met de mogelijkheid in het Besluit bodemkwaliteit voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. In het verleden konden gemeenten via de Nota bodembeheer en een bodemkwaliteitskaart gebiedsspecifiek beleid opstellen voor een specifiek beheergebied. Met behulp van lokaal maximale waarden konden gemeenten meer maatwerk realiseren om grondverzet te faciliteren en aan te sluiten op de gebiedseigen bodemkwaliteit binnen hun beheersgebied.

Via artikel 2.12 in het Bal kan de gemeente maatwerkregels opnemen in het Omgevingsplan. Dit is vooral relevant als de gemeente verwacht dat uitzonderingen op de bestaande normen en risicogrenzen nodig zijn of de gemeente of regio wil sturen op grondverzet- en baggeropgave binnen de gemeente en regio. Deze maatwerkregels voor het omgevingsplan worden door de gemeenteraad goedgekeurd.

Enkele aandachtspunten bij het opstellen van maatwerkregels zijn:

  • a.

    Streef zo veel mogelijk naar een standstill situatie op bodembeheergebied. Zorg dat de vracht aan PFAS op de bodem- en watersysteem niet onevenredig toeneemt. Kies daarom zorgvuldig het bodembeheergebied waar grond of baggerspecie met een slechtere kwaliteit toegepast mag worden en welke type projecten of de gebiedsontwikkeling hiervoor geschikt zijn.

  • b.

    Het grondverzet mag niet leiden tot humane, ecologische of verspreidingsrisico’s. Dit kan betekenen dat bij een kwetsbare functie of gebruik bijvoorbeeld een leeflaag moet worden gerealiseerd die voldoet aan de hergebruiksnorm.

  • c.

    Voorkom negatieve gevolgen voor de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water met betrekking tot grondwater en oppervlaktewater.

  • d.

    Houd rekening met de uitvoerbaarheid van de baggeropgave bij het opstellen van maatwerkbeleid. Te strenge normen voor het verspreiden van baggerspecie kunnen contraproductief werken en de uitvoering van baggerwerkzaamheden belemmeren.

  • e.

    Zorg voor een duidelijke en verantwoorde inrichting en beheer.

4.1.2 Grondwaterbeschermingszones en waterwingebieden

In Overijssel staat de drinkwaterwinning onder druk, dit geldt zowel op kwantiteit als kwaliteit. Daarom voert de provincie een beschermingsbeleid om de kwaliteit van het grondwater bedoeld als drinkwater te beschermen. Het standstill en stepforward-principe is hier leidend. We streven bij ingrepen naar het realiseren van een kwaliteitsverbetering. Een significante verslechtering moet te allen tijden zoveel mogelijk worden voorkomen. Daarom zijn in de provinciale Omgevingsverordening extra beschermingsmaatregelen voor milieubelastende activiteiten in grondwaterbeschermingszones en waterwingebieden opgenomen. Ook geldt hier specifiek zorgplicht vanuit de provinciale Omgevingsverordening.

Instructieregels voor de aanpak van bodemverontreiniging

Voor de aanpak van een bodemverontreiniging zijn in de Omgevingsverordening instructieregels voor de gemeenten opgenomen. Dit beschrijft dat binnen een grondwaterbeschermingszone en waterwingebied bronverwijdering noodzakelijk is. Met de verwijdering van de bron wordt nalevering naar het grondwater en de drinkwaterwinning zoveel mogelijk voorkomen. Hierbij worden twee situaties onderscheiden die ook op een PFAS verontreiniging van toepassing zijn. Het gehalte in het grondwater is bepalend:

  • Licht tot matig verontreinigd grondwater: Het grondwater is verontreinigd met PFAS onder de INEV of een risico-index van 1: De grondverontreiniging boven de INEV wordt volledig verwijderd en afgevoerd van de locatie. Indien een leeflaag wordt gerealiseerd betreft dit minimaal 1 meter. Een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag is niet toegestaan als saneringsmaatregel.

  • Sterk verontreinigd grondwater: Het grondwater is verontreinigd met PFAS boven de INEV of een risico-index van 1. Hiervoor wordt een risicobeoordeling uitgevoerd gevolgd door een aanpak zoals beschreven in paragraaf 3.6.

Extra zorg bij het toepassen en verspreiden van grond en baggerspecie

Veel kennis over onder andere stofgedrag en risico’s voor ons drinkwater wordt in de komende jaren nog ontwikkeld. Tot die tijd vraagt het om extra zorgvuldigheid als het gaat om PFAS. In het handelingskader PFAS is daarom een normstelling van 0,1 µg/kg d.s. opgenomen voor het toepassen binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Op basis van de huidige ervaringen bij de omgevingsdiensten leidt deze norm tot uitvoeringsknelpunten. Veel beschikbare (zwarte) grond is niet PFAS-vrij, dit blijkt ook uit de regionale bodemkwaliteitskaarten van de regio Twente en IJsselland. Het landelijke handelingskader biedt ruimte om van deze norm af te wijken. Voor Overijssel kiezen we voor een nadere regionale invulling.

In de provinciale omgevingsverordening (artikel 3.34) is een uitzondering gemaakt voor het toepassing van vrijkomende grond of baggerspecie met een omvang van minder dan 5.000 m3.

Het toepassen van grond met kwaliteitsklasse landbouw/natuur is toegestaan. Ook is het mogelijk om grond uit grondwaterbeschermingsgebied met kwaliteitsklasse wonen (tabel 2.3) toe te passen binnen hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied als de ontvangende kwaliteit wonen of slechter is. Voor de verspreiding van baggerspecie gelden de normen voor verspreiding op aangrenzende percelen of weilanddepots (tabel 2.4). Dit is gelijk aan de huidige regels in de Omgevingsverordening van de provincie. Vanuit een vrachtbenadering wordt binnen het grondwaterbeschermingsgebied geen extra PFAS-vracht toegevoegd.

Voor toepassing en verspreiding van vrijkomende grond en baggerspecie van buiten de grondwaterbeschermingszones geldt voor PFAS een kwaliteitseis van 0,1 µg/kg d.s. In de volgende situaties mag worden afgeweken:

  • Het toepassen van kleine partijen grond (<25 m3) door particulieren. In dit geval wordt de toe te passen grond met betrekking tot PFAS getoetst aan de maximaal kwaliteitsklasse landbouw/natuur. Deze uitzondering is vooral bedoeld voor tuinen van particulieren of de aanplanting van extra groen waarbij vaak organisch rijke grond wordt toegepast. Uit ervaring in de regio blijkt dat beperkt aantal humusrijke partijen grond beschikbaar komen zonder PFAS. Als binnen een project of plangebied meerdere keren kleine partijen grond worden toegepast waarbij het totale volume de 25m3 overschrijdt geldt deze uitzondering niet.

  • Overige toepassingen grond en baggerspecie of het verspreiden van baggerspecie tot maximaal de gebiedseigen bodemkwaliteit. Hierbij is de gebiedseigen bodemkwaliteit maximaal begrenst tot maximaal kwaliteitsklasse landbouw/natuur. De gebiedseigen bodemkwaliteit is vastgesteld op basis van één van de onderstaande mogelijkheden:

    • Een actueel gebiedsdekkend bodemonderzoek gericht op het in beeld brengen van de gebiedseigen bodemkwaliteit ter plaatse van grondwaterbeschermingsgebieden in Overijssel. Dit onderzoek is maximaal 5 jaar oud en door de provincie is ambtelijk ingestemd met de onderzoekopzet en de resultaten.

    • Een regionale bodemkwaliteitskaart die actueel is en door het college B&W recentelijk is vastgesteld. Dit betekent dat recente analysegegevens van maximaal 5 jaar oud zijn gebruikt om de kentallen van de bodemkwaliteitskaart te realiseren. Als wel oudere gegevens zijn gebruikt moet zijn onderbouwd waarom de kentallen representatief zijn voor huidige bodemkwaliteit. En de vaststelling door college B&W is niet ouder als 5 jaar.

Kantekening: De regio’s Twente en IJsselland beschikken over een regionale bodemkwaliteitskaart voor PFAS. De gebruikte PFAS data is verzameld in 2019/2020 en daarmee te oud om een representatief beeld op te leveren voor gebiedseigen bodemkwaliteit. Daarmee is het onvoldoende om als bewijsmiddel te gelden. Een actualisatie is op termijn noodzakelijk.

Als provincie verkennen we hoe bovenstaande verder kunnen verankeren in onze omgevingsverordening.

4.2 Lozingen van bemalingen bij bodemsaneringen of bronbemalingen

Het aantal en rendement van zuiveringstechnieken van PFAS verontreiniging uit afval- of grondwater is beperkt, energie-intensief en overwegend kostbaar. Dit heeft te maken met de samenstelling en stofeigenschappen van een PFAS verontreiniging en de lage concentraties die gehaald moeten worden voorafgaand aan lozen. Daarom is het belangrijk dat bij een sanering of andere civiele werkzaamheden zo min mogelijk verontreinigd PFAS houdend grondwater wordt onttrokken aan de bodem. Dit sluit aan bij de voorkeursvolgorde voor afvalwaterbeheer, waarbij het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater in eerste instantie moet worden voorkómen, en als dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk beperkt.

Als het onttrekken of bemalen van het grondwater noodzakelijk is, kan zuivering nodig zijn voordat het afvalwater weer geïnfiltreerd of geloosd mag worden. Als toch wordt besloten om verontreinigd grondwater op te pompen, geldt de onderstaande voorkeursvolgorde voor het lozen van PFAS-houdend grondwater.

Lozingsvolgorde

Bevoegd gezag

Aandachtpunten

1. Lozen op de bodem

Gemeente

- is een milieubelastende activiteit

- waterschap heeft een adviesrol

- zoveel mogelijk binnen verontreinigingscontour- bij sanering met verspreidingsrisico is zuivering noodzakelijk

2. Infiltreren in de bodem of lozen op een infiltratieriool

Gemeente

- is een milieubelastende activiteit

- waterschap heeft een adviesrol

- zoveel mogelijk binnen verontreinigingscontour als een infiltratievoorziening wordt gerealiseerd- bij sanering met verspreidingsrisico is zuivering noodzakelijk

3. Lozen op het vuilwaterriool*

Gemeente

- is een milieubelastende activiteit

- waterschap heeft een adviesrol

- bij sanering met verspreidingsrisico is zuivering noodzakelijk

4. Direct lozen op een RWZI*

Waterschap

- is een lozingsactiviteit- waterschap bepaald de lozingseisen en daarmee de zuiveringsinspanning

5. Lozen op oppervlaktewater

Waterschap of Rijkswaterstaat

- is een lozingsactiviteit- Bevoegd gezag bepaald de lozingseisen en daarmee de zuiveringsinspanning

*In grondwaterbeschermingszone of waterwingebied geldt dat lozen op vuilwaterriool of RWZI de voorkeur heeft ten opzichte van lozen op de bodem. Voor lozingen gelden de regels in de provinciale Omgevingsverordening.

Overwegingen waarom gekozen is voor deze lozingsvolgorde zijn:

  • De bodem is het minst gevoelig en kan PFAS binden waardoor de biobeschikbaarheid en verspreiding risico’s beperkt zijn.

  • Lokale en regionale wateren hebben een klein debiet waardoor het direct lozen een grote impact kan hebben op de kwaliteit van het oppervlaktewater. Ook gelden strenge eisen aan het te lozen afvalwater op oppervlaktewater.

  • Door gebruik te maken van de rioolwaterzuivering wordt de PFAS overwegend verdund voordat het in een kwetsbaar oppervlaktewater terecht komt.

  • Bescherming van ons toekomst drinkwater vraagt extra inzet. Lozing buiten grondwaterbeschermingsgebied is dan ook veelal noodzakelijk.

De komende jaren wordt meer ervaring opgedaan met dit vraagstuk en naar verwachting handvatten ontwikkeld voor de verschillende lozingsroutes. Ook krijgen we beter inzicht in best beschikbare (sanerings)technieken om vrijkomend grondwater te behandelen. Als provincie zetten we in op deze kennisontwikkeling en streven naar samenhangend, en bij voorkeur, uniform beleidskader voor grond, grondwater en oppervlaktewater. Hierdoor wordt helderheid geboden aan initiatiefnemers, bedrijven en ontwikkelingen.

4.3 Gebiedsgerichte aanpak van verontreiniging

De gemeenten Zwolle, Almelo, Hengelo en Enschede hebben gebiedsgericht grondwaterbeheer ingericht. Deze aanpak richt zich met name op stedelijke gebieden waar meerdere verontreinigingspluimen elkaar overlappen en waar spanning ontstaat met kwetsbare functies zoals drinkwaterwinningen en bodemenergiesystemen. Historisch ligt de focus daarbij vooral op VOCl-verontreinigingen. In de provinciale Omgevingsverordening zijn de voorwaarden voor het programma gebiedsgericht aanpak grondwaterbeheer onder de Omgevingswet opgenomen.

Ook PFAS-verontreiniging in het grondwater kan binnen een gebiedsgerichte aanpak worden meegenomen. Gezien de persistente en mobiele eigenschappen van PFAS vraagt dit echter om aanpassing van de bestaande systematiek. PFAS-pluimen gedragen zich anders dan klassieke VOCl-pluimen, kennen vaak diffuse bronnen en hebben een langdurige nalevering vanuit de onverzadigde zone of brongebieden.

In de provinciale Omgevingsverordening van Overijssel zijn onder de Omgevingswet de randvoorwaarden opgenomen voor het vaststellen en uitvoeren van een programma voor gebiedsgerichte aanpak van grondwaterverontreiniging.

Bij het aanpassen van de gebiedsgerichte aanpak voor PFAS zijn de volgende punten belangrijk:

  • a.

    Zorg dat alle kwetsbare objecten en beschermde gebieden, ook voor PFAS, goed in kaart zijn gebracht;

  • b.

    Beschrijf hoe gestadige verbetering en beperking van nalevering vanuit PFAS-bronnen wordt gerealiseerd;

  • c.

    Kies voor de juiste manier om PFAS te monitoren en in te grijpen als de PFAS risico’s veroorzaken of de grondwaterverontreiniging zich buiten de grenzen van de gebiedsgerichte aanpak verspreidt.

  • d.

    Bied voldoende ruimte aan nieuwe meet- en monitoringstechnieken. Innovaties kunnen meerwaarde hebben boven traditionele grondwaterbemonstering en analyse op stofniveau.

5. Uitvoerings- en toetsingskader PFAS in de waterbodem en het oppervlaktewater

Ook bij activiteiten in de waterbodem of het oppervlaktewater lopen we aan tegen uitvoeringsknelpunten met PFAS. Door de grote dynamiek van het watersysteem en de hoge mobiliteit en oplosbaarheid van PFAS gelden zeer strenge risicogrenswaarden. Deze worden bovendien relatief snel overschreden door de diffuse belasting van PFAS in het milieu. Een bijkomend probleem is dat de zuivering van PFAS uit water technisch complex en kostbaar is en niet geschikt voor aanpak van diffuse verontreiniging.

Provincie is kaderstellend vanuit de KRW en waterschappen geven beleidsrijke invulling aan deze kaders als beheerder van ons watersysteem. Gemeenten zijn vervolgens weer in beeld bij toepassen van baggerspecie op landbodem. Onder de Omgevingswet blijven de verantwoordelijkheden hetzelfde maar wordt sterker benadrukt dat er nadere afstemming nodig is tussen deze partijen om ingrepen en activiteiten mogelijk te maken. Hierbij dient altijd te worden geborgd dat er geen sprake is van bezwaarlijke afwenteling tussen milieucompartimenten.

Met dit hoofdstuk willen we decentrale overheden een handvat bieden bij de omgang van PFAS verontreiniging in oppervlaktewater en waterbodem onder de Omgevingswet. Het draagt bij aan een uniforme werkwijze die op elkaar is afgestemd. Het geeft richting aan de uitdagingen die we ervaren met PFAS in ons watersysteem.

5.1 Vooronderzoek en verkennend waterbodemonderzoek

Net als bij landbodem vindt er getrapt waterbodemonderzoek plaats bij beoogde ontwikkelingen in de waterbodem. Voordat werkzaamheden in de waterbodem van start kunnen moet als eerste een vooronderzoek conform de NEN 5717 worden uitgevoerd. Ook hierbij wordt beoordeeld of er sprake is van potentiële verdachte bronnen van PFAS die de waterbodemkwaliteit hebben beïnvloed. De lijst met bedrijfsactiviteiten waarbij mogelijk PFAS is gebruikt (zie paragraaf 3.1), kan hier ook voor worden benut.

Bij vermoedens van een PFAS-verontreiniging in de waterbodem, wordt een verkennend waterbodemonderzoek conform de NEN 5720 uitgevoerd. De aangetroffen gehalten worden getoetst aan de toetsingswaarde uit het Handelingskader PFAS om de toepassingsmogelijkheden te bepalen. Aanvullend worden de gehalten getoetst aan de regionale bodemkwaliteitskaart1 of gehalten die zijn vastgelegd in gemeentelijk omgevingsplan als het doel is deze baggerspecie te verspreiden of toe te passen op landbodem.

1 IJsselland of Twente

5.2 Het verspreiden en toepassen van baggerspecie

Onder de Omgevingswet mag baggerspecie verspreid worden op het aangrenzende perceel of tijdelijk worden opgeslagen als weilanddepot. Het gaat vaak om onderhoudswerkzaamheden om de watergang op diepte houden. Dit mag tot maximaal 10 km van de plaats waar de baggerspecie vrijkomt. Het verspreiden van baggerspecie kan uiteraard alleen als er geen sprake is van een verdachte bronlocatie met PFAS.

Voor het toepassen van baggerspecie op landbodem gelden dezelfde regels als voor het toepassen van grond op landbodem. Deze regels en normen zijn vastgelegd in de regionale bodemkwaliteitskaart en nota bodembeheer en/of het gemeentelijk omgevingsplan. Bij het invullen van het beleid door gemeenten moet ook rekening worden gehouden met baggeropgave in de regio. Het Handelingskader PFAS geeft aan met welke gehalten baggerspecie in verschillende oppervlaktewatersystemen kan worden verspreid of toegepast.

Grondwaterbeschermingsgebieden

Bij het toepassen van baggerspecie op de landbodem en in het oppervlaktewater in een grondwaterbeschermingszone en waterwingebied gelden de aanvullende regels uit de provinciale Omgevingsverordening. In paragraaf 4.1.2 ‘Grondwaterbeschermingszones en waterwingebieden’ zijn aanvullende beleidsregels opgesteld voor het toepassen en verspreiden. Zoals aangegeven wordt verkent hoe deze regels verder te verankeren in de instrumenten van de Omgevingswet.

5.3 Toepassen in diepe plassen

Voor het toepassen van grond en baggerspecie in diepe plassen zijn Rijkswaterstaat of het waterschap bevoegd gezag als waterkwaliteitsbeheerders. In de huidige situatie is het toepassen beperkt, mede als gevolg van de onbekendheid van het uitlooggedrag van PFAS na toepassing in een diepe plas. Als provincie willen we samen met de waterschappen en Rijkswaterstaat verkennen welke mogelijkheden er zijn om verantwoord PFAS-houdende grond en baggerspecie toe te passen.

5.4 Toepassen in oppervlaktewater

Ons oppervlaktewater is bijzonder gevoelig voor PFAS. De risicogrenswaarden1 voor PFAS, waaronder PFOS en PFOA, zijn ordegroottes lager dan die voor grondwater. Bij het bepalen van deze risicogrenswaarden worden drie blootstellingsroutes meegewogen. Het gaat om:

directe ecotoxiciteit voor waterplanten en organisme;ophoping in de voedselketen (doorvergiftiging); enhumane visconsumptie.

Vooral de consumptie van vis bepaalt de lage risicogrenswaarden. In Nederland voldoet het meeste oppervlaktewater vermoedelijk niet aan de gestelde risicogrenswaarden. Dit heeft mede te maken met de diffuse belasting van PFAS, zoals atmosferische depositie en instroom vanuit bovenstroomse gebieden.

1 Risicogrenzen voor PFAS in oppervlaktewater, RIVM, 2022-0074

6. Aanpak aandachtslocaties PFAS en bodemsanering door provincie

In het kader van de landelijke bestuurlijke afspraken Bodem is afgesproken om locaties met een PFAS-bodemverontreiniging die leiden tot onaanvaardbare risico’s in beeld te brengen. In 2021 heeft de provincie hiervoor een subsidieaanvraag ingediend bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (I&W). Met de gedeeltelijke toekenning van deze specifieke uitkering (SPUK buitenproportioneel) is de provincie gestart met de inventarisatie. De aanpak bestaat uit de volgende stappen: 

  • a.

    Historische onderzoeken om te komen tot een lijst van mogelijke aandachtslocaties. Dit zijn locaties met een kwetsbaar gebruik (woningen met tuin, moestuin, etc.) en grote kans op een bodemverontreiniging met PFAS die mogelijk leiden tot humane en/of verspreidingsrisico; 

  • b.

    Bodemonderzoeken op de mogelijke aandachtslocaties: op basis van gemeten gehalten en een risicobeoordeling bepalen of sprake is van onaanvaardbare risico’s; 

  • c.

    Onderzoek naar specifieke bedrijfsactiviteiten: vooral om te beoordelen of specifieke bedrijven of activiteiten altijd leiden tot een bodemverontreiniging met PFAS.

De provincie voert deze onderzoeken uit voor het gehele grondgebied van Overijssel behalve de gemeenten Zwolle, Deventer, Almelo, Hengelo en Enschede. Deze gemeenten zijn zelf bevoegd gezag onder de Wet bodembescherming en kunnen hun eigen SPUK-aanvraag indienen bij het ministerie I&W. 

Begin 2026 is de eerste fase van het onderzoek afgerond. De resultaten zijn gepresenteerd in het rapport ‘TussenBalans PFAS in bodem en watersysteem Overijssel’ (Hoofdrapport en Bijlagenrapport). Inmiddels is gestart met de tweede fase van het onderzoek. Enkele locaties uit de eerste fase worden verder onderzocht. Daarnaast worden nieuwe mogelijke aandachtslocaties onder de loep genomen. Voor verdere maatregelen met betrekking tot deze aandachtslocaties treden we in overleg met het ministerie van I&W en dienen we opnieuw een subsidieaanvraag in. De aanpak van de aandachtslocaties zal mede worden bepaald op basis van de beschikbare financiële middelen. 

Verschillende type PFAS locaties

In de afbeelding 5.1 op de volgende pagina is een schema opgenomen met de verschillende stappen van de inventarisatie. Hierbij is gebruik gemaakt van het volgende onderscheid in type locaties:

  • potentiële PFAS-bron(locatie): dit betreft een locatie waar mogelijk (in het verleden) een activiteit heeft plaatsgevonden met PFAS houdende middelen en die een PFAS-verontreiniging heeft kunnen veroorzaken;

  • potentiële PFAS-aandachtslocatie: dit betreft een locatie waar mogelijk een PFAS verontreiniging is ontstaan en waarbij tevens sprake kan zijn van onaanvaardbare risico’s doordat de locatie nabij een gevoelige functie is gelegen. Een bodemonderzoek moet uitwijzen of het deze risico’s daadwerkelijk spelen.

  • PFAS-aandachtslocatie: dit betreft een locatie waar met bodemonderzoek is vastgesteld dat er PFAS in hoge concentraties (>INEV) aanwezig is en waarbij sprake is van onaanvaardbare risico voor mens en/of verspreiding. Om deze reden kan de aanpak niet worden uitgesteld tot een natuurlijk moment van (her)ontwikkeling.

  • bronlocatie met PFAS bodemverontreiniging: dit betreft een locatie waar met bodemonderzoek is vastgesteld dat er PFAS in hoge concentraties (>INEV) aanwezig is maar waarbij geen sprake is van onaanvaardbare risico voor mens en/of verspreiding. Een bodemsanering kan worden uitgesteld tot een natuurlijk moment van (her)ontwikkeling.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 5.1: Schema inventarisatie aandachtslocaties

Het schema beschrijft de stappen die doorlopen worden om PFAS‑aandachtslocaties en bronlocaties te identificeren en te bepalen of er maatregelen nodig zijn op korte termijn of op een later moment. Samengevat wordt eerst gekeken waar PFAS mogelijk voorkomt op basis van digitale bestanden. Dan wordt de lijst verder verfijnd met gevoelig gebruik en historisch onderzocht. Op verdachte locaties wordt een bodemonderzoek uitgevoerd. Als op basis van de resultaten blijk dat er risico’s zijn is een aanpak op korte termijn nodig. Geen risico’s kan de aanpak op een natuurlijk moment

Toekomstige subsidie aanvragen bij I&W

Onder de Omgevingswet kunnen alle gemeenten en provincies middelen aanvragen voor de aanpak van PFAS verontreiniging in grond en grondwater. Aan deze subsidie aanvraag worden, net als in 2021-2023, randvoorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor onderzoek of saneringsbijdrage. Om dit mogelijk te maken toetst de Omgevingsdienst vanuit haar rol als bevoegd gezag of de locatie in aanmerking komt voor subsidie en voldoet aan gemeentelijk en provinciaal kader. Door de Omgevingsdienst worden de volgende onderdelen getoetst: 

  • Is er sprake van onrechtmatige verrijking?  

  • Is geen sprake van zorgplicht? Voor de beoordeling welk wettelijk kader en aanpak van toepassing is, zie paragraaf 3.3; 

  • Had de initiatiefnemer kennis van de bodemverontreiniging met PFAS of redelijkerwijs voldoende kennis kunnen hebben van de bodemverontreiniging met PFAS? 

  • Is de aanpak kosteneffectief en gericht op het duurzaam wegnemen van risico’s? Bijvoorbeeld het grondverzet onder INEV kan niet worden mee bekostigd. 

Vanuit de complexiteit van het dossier heeft het Rijk gevraagd aan de bevoegd gezag Wet Bodembescherming (provincie en de vijf grote gemeenten in Overijssel) om hierin vanaf 2026 een coördinerende rol op te pakken. Als provincie vervulden we deze rol de afgelopen jaren en blijven deze ook invullen.

In samenwerking met de waterschappen verkennen we hoe PFAS-aandachtslocaties die zorgen voor plaatselijke overschrijding van de risicogrenswaarden kunnen aanpakken. Het gaat om bronlocaties die via het grondwater het nabij gelegen oppervlaktewater sterk negatief beïnvloeden.

7. Provinciale aandachtspunten

In de onderstaande tabel zijn de provinciale aandachtspunten opgenomen van het beleidskader PFAS. Het kan gaan om:

  • een bevestiging van de landelijk geldende regels en richtlijnen;

  • een toelichting hoe de provincie Overijssel het wettelijk kader interpreteert; of

  • een toelichting hoe onze provinciale omgevingsverordening werkt bij PFAS-verontreinigingen.

Nr

provinciale beleidsinvulling

toelichting

paragraaf

1

Afgeleide indicatieve niveaus voor ernstige verontreinigingen (INEV) met PFAS door het RIVM, beschouwen we als interventiewaarden voor Wbb en Omgevingswet.

Dit sluit aan bij de werkwijze onder de Wet bodembescherming - circulaire bodemsanering 2013 bijlage 6. Hoge gehalten aan niet genormeerde stoffen kunnen ook een risico vormen voor onze gezondheid en leefomgeving. Dit vraagt om extra zorg bij uitvoering.

2.3.3. Normstelling bodem- en grondwater-sanering

2

Voor het beoordelen en signalering of er sprake is van een risicovolle situatie met PFAS wordt de additietoets Risico-index (RIVM) gebruikt en getoetst aan de corresponderende INEV.

Een verontreiniging met PFAS bestaat veelal uit een mengsel van meerdere PFAS-verbindingen. Veel van deze verbindingen hebben een vergelijkbaar toxisch effect. Voor het bepalen van de risico’s moet de combinatie toxiciteit beoordeeld worden. Gelet het ontbreken van normstelling voor verschillende PFAS heeft het RIVM de additietoets ontwikkeld als best beschikbare alternatief.

2.3.3. Normstelling bodem- en grondwater-sanering3.2 Verkennend en nader bodemonderzoek grond en grondwater

3

De waarden in het landelijke Handelingskader PFAS zijn de toetsingswaarde voor grondverzet en functionele eisen bodem.

Dit is beoogde doel met het Handelingskader PFAS. Vanuit een voorzichtige risicobenadering worden normen op basis van de huidige inzichten als veilig beschouwd

2.3.3. Normstelling bodem- en grondwater-sanering

2.3.4 Normstelling toepassen van bodem en baggerspecie

4

Het bevoegd gezag toets of bij een vooronderzoek of verkennend bodemonderzoek PFAS wel is meegenomen. Hierbij kan het bevoegd gezag gebruik maken van de uitgevoerde inventarisatie in het traject aandachtslocaties PFAS.

Conform de normstelling worden in een vooronderzoek en verkennend bodemonderzoek alle verdachte (voormalige) bedrijfsactiviteiten geïnventariseerd en op de verdachte stoffen onderzocht.In het traject aandachtslocaties is een brede inventarisatie gedaan naar verdachte bedrijfsactiviteiten op het gebruik van PFAS-houdende middelen.

3.1 Vooronderzoek bodem

3.2 Verkennend en nader bodemonderzoek grond en grondwater5.1 Vooronderzoek en verkennend waterbodemonderzoek

5

Bij een verkennend bodemonderzoek wordt zowel de grond als het grondwater onderzocht. Bij een verdenking op PFAS wordt dit meegenomen in het analysepakket.

Dit beleid volgt uit de Omgevingsverordening van de provincie. Ter bescherming van het grondwater dat bestemd is voor drinkwaterwinning is een brongerichte aanpak vereist. Hiermee wordt de nalevering vanuit de verontreiniging naar het grondwater beperkt.

3.5.1 bronverwijdering binnen grondwater-beschermingszones

6

Binnen grondwaterbeschermingszones en waterwingebieden geldt een brongerichte aanpak voor de uitvoering van bodemsanering. Ook als er geen sprake is van risico’s volgens de risicobeoordeling.

Dit beleid volgt uit de Omgevingsverordening van de provincie. Ter bescherming van het grondwater dat bestemd is voor drinkwaterwinning is een brongerichte aanpak vereist. Hiermee wordt de nalevering vanuit de verontreiniging naar het grondwater beperkt.

3.5.1 bronverwijdering binnen grondwater-beschermingszones

7

Een sanering van PFAS mag niet leiden tot verschuiving van kosten voor aanpak of beheersing van de verontreiniging van privaat naar publiek zonder dat hier duidelijke afspraken zijn gemaakt met gemeenten en getoetst is aan onrechtmatige verreiking.

Het laten zitten van een restverontreiniging of realiseren van grondwal met matige gehalten van PFAS vragen naar de toekomst een zorgvuldig beheer. Het dragen van de kosten voor dit beheer maakt onderdeel uit van de bodemsanering en vraagt om goede afstemming met gemeenten.

3.6.1 Sanerings-onderzoek4.1.1 Hergebruik van matig verontreinigde grond

8

Provinciale aandachtspunten bij vaststellen van hogere waarden dan het landelijke handelingskader PFAS voor het toepassen van grond en/of baggerspecie

Onder de Omgevingswet heeft de gemeente de mogelijkheid om ruimte te creëren voor een kosteneffectieve uitvoer van een bodemsanering en grondverzet. Als provincie geven een aantal aandachtspunten mee. Deze volgen overgrote deel uit de wet- en regelgeving. Het zorgvuldig beheer is een aandachtspunt om toekomstige gezondheidsrisico’s te voorkomen.

4.1.1 Hergebruik van matig verontreinigde grond

9

Onder voorwaarde is toepassen van grond en baggerspecie of het verspreiden van baggerspecie mogelijk met gehalten boven de 0,1 µg/kg d.s.. Hierbij maken we gebruik van de mogelijkheid tot maatwerk zoals deze in het handelingskader wordt geboden

Hiermee geven we invulling aan de uitvoeringsknelpunt dat er geen PFAS-vrije grond beschikbaar is maar ook het toekomstig drinkwater voldoende beschermen.

4.1.2 Grondwater-beschermingszones en waterwingebieden5.2 Het verspreiden en toepassen van baggerspecie

10

We hebben een voorkeursvolgorde voor het lozen van PFAS-houdend grondwater opgenomen

Bij een bodemsanering of bemaling van een ontwikkeling kan PFAS houdend grondwater vrij komen. Vanuit de kwetsbaarheid van het ontvangende compartiment is een voorkeursvolgorde opgenomen.

4.2 Lozingen van bemalingen bij bodemsaneringen of bronbemalingen

11

Aandachtspunten bij gebiedsgerichte aanpak grondwaterverontreiniging

Deze volgen uit de provincie Omgevingsverordening

4.3 Gebiedsgerichte aanpak van verontreiniging

Bijlage I - praktijkvoorbeeld toepassen additietoets

Om na te gaan in hoeverre een PFAS-verontreiniging aanleiding geeft voor aanvullend onderzoek en eventuele saneringsmaatregelen moet worden getoetst aan INEV. Aangezien een verontreiniging doorgaans uit een mengsel van meerdere PFAS-verbindingen bestaat, waarvoor niet allemaal een INEV is vastgesteld, dient een additietoets te worden uitgevoerd. Deze additietoets levert een risico-index op welke een eerste inzicht geeft over de mate van ernst van de verontreiniging.

De risico-index wordt als volgt berekent:

afbeelding binnen de regeling

Waarbij:

  • RI: Risico-index;

  • CPFAS-verbindingen n: Concentratie van PFAS-component n;

  • RgPFAS-verbindingen n: Risicogrens voor PFAS-component n.

Wanneer de som van de RI beneden de 1 ligt wordt geen ernstige vermindering van de functionele eigenschappen van de bodem verondersteld. Indien de RI boven de 1 ligt is dat (mogelijk) wel het geval. Er zijn duizenden PFAS-verbindingen, maar alleen voor PFOS, PFOA en GenX zijn momenteel INEV’s vastgesteld. Om alsnog de risico-index op basis van de additietoets te bepalen wordt beleidsmatig alle PFAS-verbindingen gelijkgesteld met PFOS Concentraties van de precursors van PFOS N-EtFOSA(A) en N-MeFOSA(A) dienen opgeteld te worden bij de concentratie van PFOS voor beoordeling. Voorlopig wordt voor de overige PFAS-verbindingen de RI berekend op basis van het INEV voor PFOS1.

Onderstaand een fictief voorbeeld van hoe de additietoets Risico-index kan worden toegepast in een mengmonster:

Parameter

Afkorting

Eenheid

Concentratie

INEV

RIINEV

Perfluorbutaanzuur

PFBA

µg/kg ds

0,5

59

0,01

Perfluorpentaanzuur

PFPeA

µg/kg ds

0,9

59

0,02

Perfluorhexaanzuur

PFHxA

µg/kg ds

1,2

59

0,02

Perfluorheptaanzuur

PFHpA

µg/kg ds

2,2

59

0,04

Perfluornonaanzuur

PFNA

µg/kg ds

1,9

59

0,03

Perfluordecaanzuur

PFDA

µg/kg ds

5,8

59

0,10

Perfluorundecaanzuur

PFUnDA

µg/kg ds

0,7

59

0,01

Perfluordodecaanzuur

PDDoDA

µg/kg ds

1,8

59

0,03

Perfluortridecaanzuur

PFTrDA

µg/kg ds

0,2

59

0,00

Perfluortetradecaanzuur

PFTeDA

µg/kg ds

0,7

59

0,01

Perfluorhexadecaanzuur

PFHxDA

µg/kg ds

0,2

59

0,00

Perfluoroctadecaanzuur

PFDS

PFODA

µg/kg ds

< 0,1

59

 

Perfluor-1-butaansulfonaat (lineair)

PFBS

µg/kg ds

< 0,1

59

 

Perfluorpentaansulfonzuur

PFPeS

µg/kg ds

< 0,1

59

 

Perfluor-1-hexaansulfonaat (lineair)

PFHxS

µg/kg ds

0,3

59

0,00

Perfluor-1-heptaansulfonaat (lineair)

PFHpS

µg/kg ds

0,2

59

0,00

Perfluor-1-decaansulfonaat (lineair)

PFDS

µg/kg ds

< 0,1

59

 

1H,1H,2H,2H-perfluorhexaansulfonzuur

4:2 FTS

µg/kg ds

< 0,1

59

 

2-(perfluorhexyl)ethaan-1-sulfonzuur

6:2 FTS

µg/kg ds

< 0,1

59

 

1H,1H,2H,2H-perfluordecaansulfonzuur

8:2 FTS

µg/kg ds

< 0,1

59

 

1H,1H,2H,2H-perfluordodecaansulfonzuur

10:2 FTS

µg/kg ds

< 0,1

59

 

Perfluoroctaansulfonylamide(N-methyl)acetaat

N-MeFOSAA

µg/kg ds

3,6

59

0,06

Perfluoroctaansulfonylamide(N-ethyl)acetaat

N-EtFOSAA

µg/kg ds

< 0,1

59

 

Perfluoroctaansulfonamide

PFOSA

µg/kg ds

< 0,1

59

 

N-methyl perfluoroctaansulfonamide

N-MeFOSA

µg/kg ds

< 0,1

59

 

Bisperfluordecyl fosfaat

8:2 diPAP

µg/kg ds

< 0,1

59

 

Perfluoroctaanzuur - som

PFOA-som

µg/kg ds

4,5

60

0,08

Perfluoroctaansulfonzuur - som

PFOS-som

µg/kg ds

46

59

0,78

∑RIINEV

 
 
 
 

1,20

Uit bovenstaand voorbeeld blijkt dat - ondanks dat voor de individuele parameters PFOS en PFOA de INEV niet wordt overschreden - het mengsel van PFAS-verbindingen in dit monster leidt tot een overschrijding van de risico index voor de INEV. Dit geeft aanleiding om na te denken over vervolgacties, vergelijkbaar met de situatie waarin één enkele PFAS-verbinding de INEV overschrijdt.

1 Er is nu geen wetenschappelijke onderbouwing te geven of een specifieke PFAS-verbindingen -parameter meer op PFOA ‘lijkt’ of meer op PFOS. Daarnaast is het verschil in de risicogrenswaarden voor PFOS en PFOA dermate gering dat dit geen significant verschil in de beoordeling oplevert.

Bijlage XIII Monitoring en aanpak van bodemverontreinigingen in het kader van de Kaderrichtlijn Water en Grondwaterrichtlijn

Monitoring bodemverontreinigingen in het kader van de Kaderrichtlijn Water en Grondwaterrichtlijn

Verplichting onder de Omgevingswet

Door de komst van de Omgevingswet en het wegvallen van de Wet bodembescherming (Wbb) is de verplichting ‘aanvullende trendbeoordelingen’ (art. 13 Bkmw 2009, art. 5, vijfde lid Gwr) aangescherpt door het Rijk. Provincies moeten in het Regionaal Waterprogramma de verontreinigingspluimen uit puntbronnen en (rest)verontreiniging in de bodem beoordelen, conform een door de provincie te ontwikkelen methodiek[1]. De aanvullende trendbeoordeling is erop gericht om vast te stellen dat de verontreinigingspluimen vanuit verontreinigde locaties zich:

  • niet verder verspreiden;

  • niet leiden tot verslechtering van de chemische toestand van het grondwaterlichaam;

  • en geen risico vormen voor de menselijke gezondheid en het milieu.

Aanvullend geldt dat een uitzondering voor de aanpak van (historische) bodemverontreinigingen is toegestaan als:

  • Een bodemverontreiniging als gevolg van diffuse bronnen wat de technische aanpak onmogelijk maakt;

  • De concentraties en vracht van de bodemverontreiniging naar het grondwater verwaarloosbaar is gelet de kwaliteit van het grondwater;

  • De sanering van grond en grondwater onevenredig kostbaar is om hoeveelheden verontreinigende stoffen uit vervuilde bodem of grondwater te verwijderen.

Dit was altijd geregeld met de Wbb en wordt nu met behulp van het Regionaal Waterprogramma en onze Omgevingsverordening nader ingevuld. Hierbij sluiten we zoveel mogelijk aan bij de beoordelingsmethodiek, monitoring en registratiewijze van de Wbb.

Onze focus ligt op de bescherming van drinkwaterbronnen

Als provincie ligt ook voor de aanpak van historische verontreinigingen de nadruk op de bescherming het grondwater bestemd voor drinkwater. Het is een kritische receptor voor diverse bodemverontreiniging welke niet automatisch met de reguliere zuivering verwijderd kan worden. We voeren daarom de volgende activiteiten uit:

Elke zes jaar actualiseren we de gebiedsdossiers drinkwaterwinning. Hierin worden ook bekende bodemverontreinigingen beoordeeld of een aanvullende bodemsanering noodzakelijk is. Vaak betreft het grondwaterverontreiniging waarbij de pluim een stabiele eindsituatie heeft bereikt of beperkt verspreidt, minder als 1000 m3 grondwater per jaar. De benodigde acties die uit de actualisatie volgen worden opgenomen in het uitvoeringsagenda Maatregelenprogramma Bescherming Drinkwaterbronnen.

Vanuit de KRW is het noodzakelijk om tussen de bron van de bodemverontreiniging en de receptor ook te monitoren. Onder de Wet bodembescherming zijn bij bodemsaneringen de grondwaterpluimen veelvuldig gemonitord om te beoordelen of sprake was van een stabiele situatie. Hierbij is gebruik gemaakt van het handvat RObuust Saneren Afwegen en Afspreken[1]. Hierbij is invulling gegeven aan de uitzonderingsbepalingen van de KRW[2]. Onder de Omgevingswet hebben decentrale overheden beperkte mogelijkheden om uitvoerige grondwatermonitoring af te dwingen, zeker buiten de grenzen van de beoogde milieubelastende activiteit. Met behulp van het provinciaal grondwatermeetnet en het early-warning systeem geven we invulling aan deze KRW verplichting. Hiermee monitoren we periodiek ons grondwater en houden daarmee grip op bekende en onbekende bedreigingen van ons grondwater ten behoeve van drinkwater.

We stellen extra eisen bij de aanpak van bodemverontreiniging binnen grondwaterbeschermingsgebieden in onze Omgevingsverordening. Bij de aanpak van een bodemverontreiniging binnen de grondwaterbeschermingszone. Hierbij is een bronaanpak noodzakelijk waarbij meer verontreinigingen wordt verwijderd dan strikt noodzakelijk is vanuit het Bal. Hiermee wordt de inbreng in en nalevering aan het grondwater zoveel mogelijk voorkomen.

Registratie verontreinigingen onder de Wet bodembescherming (Wbb)

Vanuit de spoedoperatie bodemsanering Wbb en bevoegd gezag taken Wbb zijn gegevens over bodemverontreiniging en besluitvorming geregistreerd in een bodeminformatiesysteem. Eind van de vorige eeuw is het verzamelen van bodeminformatie landelijk gecentraliseerd in het bodeminformatiesysteem GloBis. Dit was om de totale bodemsaneringsoperatie, waarvan de uitvoering bij decentrale overheden waren belegd, te kunnen volgen als mede het werkproces. Allebei waren nodig om aanspraak te maken op middelen bij het ministerie a) voor de programma’s bodemsanering en b) voor de apparaatskosten. Onder de Wbb is vastgesteld dat met de BIS’sen voldoen we aan de monitoring en rapportageverplichting ten aanzien van het deel voorkomen en beperken van inbreng (art 6.3 GWR).

In de loop der jaren voldeed GloBis niet meer. Dit komt o.a. door wijzigingen in wetgeving (o.a. Besluit bodemkwaliteit) en de verplichting dat ook gemeenten bodemonderzoeken moesten gaan vastleggen in het kader van informatieplicht (Wm, Woningwet, Verdrag van Aarhus, etc.) aan derden. Gevolg dat GloBis niet meer werd ondersteund door Rijksoverheid en men opzoek ging naar bodeminformatiesystemen aangeboden door de markt. Op dit ogenblik wordt in Nederland gebruik gemaakt van het bodeminformatiesysteem Nazca door alle gemeenten en provincies gelet ze de enige aanbieder zijn.

Ter voorbereiding op de Omgevingswet zijn door de provincie de taken rondom bodeminformatie belegd bij de Omgevingsdienst en hebben ook veel gemeenten deze taak ingebracht. Nu wordt bodeminformatie in het bodeminformatiesysteem Nazca geregistreerd. Dit gebeurt op vergelijkbare wijze als vroeger het geval was. Daarmee blijven we voldoen aan onze monitoring en rapportageverplichting.

Overijsselse methodiek gericht op beoordeling verontreinigingspluimen

Met de komst van de Omgevingswet heeft de provincie gekozen om beleidsneutraal over te gaan. Dit betekent dat de methodiek voor de beoordeling en aanpak van bodemverontreiniging onder de Omgevingswet zoveel mogelijk gelijk is gebleven. Via onze omgevingsverordening heeft de provincie hiervoor instructieregels opgenomen richting gemeenten. De beoordeling betekent het volgende:

  • Als een bodemonderzoek wordt uitgevoerd moet ook het grondwater worden onderzocht. Als sprake is van een bodemverontreiniging van minder dan 25 m3 grond boven de interventiewaarde of 100 m3 grondwater boven de signaleringsparameters is wordt deze verontreiniging als verwaarloosbaar beoordeeld (bijlage Vd Bkl). Het kan voorkomen dat een verontreiniging met beperkt volume of gehalten boven de standaardwaarden grondwater (bijlage XVIIIa Bkl) maar onder de signaleringsparameters wel een bedreiging vormt voor een nabij kwetsbare functie. Vaak gaat het om een kwetsbare functie waarvoor strengere normen gelden dan die van het grondwater. Voorbeelden van kwetsbare functies zijn: drinkwater, zwemwater en visvijver;

  • Als uit het onderzoek blijkt dat de signaleringsparameter wordt overschreden is een beoordeling met de Risicotoolbox grondwater nodig om te bepalen of er sprake is van humane of verspreidingsrisico’s.

  • Als sprake is van risico’s moet een saneringsplan (vergunning) worden opgesteld voor de sanering van grond en grondwater. Dit betreft een functiegerichte en kosteneffectieve sanering. Net als bij de Wet bodembescherming is de sanering erop gericht om te komen tot een stabiele eindsituatie naar een afnemende, stabiele of beheerste verontreinigingspluim.

Voortgang bodemsanering in Overijssel

Om grip te houden op de inbreng van verontreinigde stoffen in het grondwater als gevolg van bodemverontreiniging zijn door de provincie diverse inspanningen geleverd en zetten een aantal onderdelen in gang. Hieronder beknopt de activiteiten van uitgevoerde of lopende acties:

  • Nadere inventarisatie bronlocaties bodemverontreiniging en KRW beschermde gebieden (2017): Hierin zijn 217 bronlocaties beoordeeld waarbij voor geen van de locaties vervolg onderzoek noodzakelijk is. Stroomschema voor de beoordeling is opgenomen in Bijlage I. Via gebiedsdossiers drinkwaterwinning beoordelen we periodiek of in de toekomst aanpak toch noodzakelijk is;

  • Aanpak van de spoedeisende bodemverontreiniging op vangnet locaties, ook wel bekent als de spoedoperatie. Omgevingsdienst Twente en Omgevingsdienst IJsselland verzamelen en verwerken bodeminformatie in opdracht van de provincie Overijssel;

  • Het toekomstbestendig maken van de nazorg van locaties die onder de Wet bodembescherming vallen. Dit met als doel om de bevoegd gezag taak van deze locaties te kunnen overdragen aan gemeenten;De aanpak van specifieke bodemverontreinigingen in het kader van het maatregelenprogramma drinkwater;

  • Monitoring voortgang bodemsaneringen onder de Omgevingswet;

  • Gebiedsgericht grondwaterbeheer en aanpak van grondwaterverontreinigingen bij rechtstreekse bevoegd gezag gemeenten onder de Wbb. Dit gaat om Zwolle, Deventer, Almelo, Hengelo en Enschede.

[1] Handreiking beheer van grondwaterkwaliteit onder de Omgevingswet (2022)

[2] Soilpedia ROSAII Praktijkdocument ROSAII

[3] Toepassing van uitzonderingsbepalingen GWR op verontreinigingspluimen, Handreiking ROSA en 'Points of Compliances'; RIVM, 2010

Bijlage I

Bijlage I - Resultaat nadere inventarisatie bronlocaties bodemverontreiniging en KRW-beschermde gebieden

De onderstaande afbeelding betreft een schema waarin via verschillende stappen op basis van een lijst met mogelijke en bekende bodemverontreiniging de beoordeling is uitgevoerd of vervolg onderzoek noodzakelijk is. Deze lijst is een actie geweest in het kader van de Wet bodembescherming. Hierbij is de GIS analyse uitgevoerd op de KRW-beschermde gebieden en locatie met bekende bodemverontreiniging en potentiële bodemverontreinigingen. Deze locaties worden bijgehouden in het bodeminformatiesysteem wat de Omgevingsdiensten Twente en IJsselland namens de provincie en de meeste gemeenten in Overijssel beheren.

afbeelding binnen de regeling

Bijlage XIV Toelichting ladder van de ondergrond en 3D/4D ordening van de ondergrond

Toelichting ladder van de ondergrond en 3D/4D ordening van de ondergrond

1. Ladder van de Ondergrond

1.1 Prioritering van het gebruik van de ondergrond in Overijssel

Provincie Overijssel maakt gebruik van de afwegingsladder van de ondergrond om aan te geven welk gebruik voorrang krijgt als meervoudig gebruik niet mogelijk is. Daarnaast geldt altijd de uitgangspunten dat bij het gebruik sprake moet zijn van veilig, duurzaam en efficiënt gebruik. De volgende prioriteitstelling wordt gehanteerd:

  • Drinkwaterwinning;

  • Hernieuwbare energie;

  • Tijdelijk gebruik;

  • Permanent gebruik;

  • Activiteiten die verboden zijn.

Uit de Adaptieve Strategie Drinkwater blijkt dat Overijssel op termijn een tekort heeft aan schoon drinkwater. Hiervoor zijn we nu nog afhankelijk van ons zoete grondwatervoorraden. Gezien de kwetsbaarheid en het dreigende tekort heeft dit de hoogste prioriteit. In Overijssel is de potentie voor geothermie en bodemenergie aanwezig. Deze technieken dragen bij aan de energietransitie en het verminderen van onze behoefte aan fossiele brandstoffen. Na drinkwater ligt de focus op hernieuwbare energie bij het duurzaam gebruik van de ondergrond. Tijdelijk gebruik, zoals de opslag van energiegassen (perslucht, waterstof), is in principe omkeerbaar in vergelijking met permanent gebruik (winning van zout en gas). Daarom krijgen deze de derde en vierde prioriteit. Tot slot hebben we in onze Omgevingsverordening enkele activiteiten uitgesloten omdat deze niet bijdragen aan een duurzaam gebruik van de ondergrond. Dit zijn de opslag van radioactief afval en schaliegaswinning.

Hoewel de provincie voor verschillende van de bovenstaande onderdelen geen zeggenschap heeft, is deze prioriteitstelling in onze Omgevingsvisie opgenomen als signaal richting het Rijk hoe Overijssel aankijkt tegen sommige activiteiten die vallen onder de Mijnbouwwet.

1.2 Nuchter omgaan met risico’s voor activiteiten in de ondergrond

Activiteiten in de ondergrond brengen potentiële risico’s met zich mee. Vanuit risicobeheersing is het belangrijk om bij activiteiten in de bodem en ondergrond bewust af te wegen of een activiteit noodzakelijk is en hoe deze veilig kan worden uitgevoerd. Bij deze afweging sluiten we aan bij het milieubeleid van de EU wat gebaseerd op vier beginselen[1]:

  • Voorzorg: als een handeling of beleid mogelijk schade kan veroorzaken aan het milieu of de volksgezondheid en er nog wetenschappelijke onzekerheid bestaat over de gevolgen ervan, mag deze actie pas worden uitgevoerd als er verder bewijs is geleverd.

  • Preventie: een instrument dat erop gericht is milieuschade te voorkomen, in plaats van erop te reageren. Dit vereist dat preventieve maatregelen worden genomen om te anticiperen op milieuschade en deze te voorkomen.

  • Bestrijding van verontreiniging aan de bron: indien de schade aan het milieu reeds is toegebracht, zijn de vervuilers verplicht de nodige maatregelen te treffen om de schade aan de bron te herstellen.

  • “De vervuiler betaalt”: Indien de schade reeds is toegebracht, zijn de vervuilers verplicht passende maatregelen te treffen om de schade te herstellen en de kosten daarvan te betalen. Het beginsel dat “de vervuiler betaalt” werd ingevoerd met de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, die gericht is op het voorkomen of herstellen van milieuschade aan beschermde soorten, natuurlijke habitats, water en bodem.

Het voorzorgsprincipe met risicobeperking is hierbij essentieel om onherstelbare schade en beperkingen voor andere (toekomstige) functies zoveel mogelijk te voorkomen. Dit geldt niet alleen voor innovatieve technologieën, maar ook voor reguliere activiteiten waarbij de impact onzeker is. Als ondanks een veilig ontwerp en mitigerende maatregelen toch een onvoorziene gebeurtenis optreedt, is adequaat handelen bij de bron noodzakelijk om onherstelbare schade te voorkomen. Hierop is de zorgplicht uit de Omgevingswet van toepassing, waardoor bodemherstel noodzakelijk is. Tot slot vragen activiteiten in de ondergrond vaak om zorgvuldige communicatie om betrokkenen te informeren over de complexiteit van de ondergrond, mogelijke risico’s en de genomen maatregelen. Hieronder staan de nodige aandachtspunten beschreven.

Voorzorgprincipe

Het voorzorgsbeginsel[2] is geborgd in de Omgevingswet. Dit houdt in dat initiatiefnemers maatregelen moeten nemen wanneer er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat activiteiten negatieve gevolgen kunnen hebben voor het milieu of de gezondheid. Het toepassen van een voorzorgsbeginsel houdt echter niet in dat bij (wetenschappelijke) onzekerheden over risico’s een activiteit uit voorzorg wordt verboden. Wel moet er zoveel mogelijk gedaan worden om de impact van de mogelijke risico’s te minimaliseren.

Voor verschillende milieubelastende activiteiten zijn de risico’s bekend en zijn preventieve en mitigerende beschermingsmaatregelen voorgeschreven in het Besluit Activiteit Leefomgeving. Bij complexe en/of innovatieve activiteiten en bedrijfsprocessen zijn deze risico’s niet direct in beeld. Een gedegen risicoanalyse en -beoordeling is dan noodzakelijk. Met de resultaten kunnen adequate preventieve of mitigerende beschermingsmaatregelen worden vastgesteld en indien nodig voorgeschreven in de vergunning. Preventieve maatregelen zijn gericht op het voorkomen of minimaliseren van risico’s door de kans van optreden te beperken. Mitigerende maatregelen richten zich op het beperken van schade of negatieve effecten als deze zich hebben voorgedaan.

Zorgplicht

Door de combinatie van preventieve en mitigerende maatregelen kunnen activiteiten doorgaans veilig en verantwoord worden uitgevoerd. Als er ondanks alle voorzorg toch schade ontstaat door een onvoorziene gebeurtenis, moet adequaat worden gehandeld om de bodem te herstellen. De combinatie van algemene zorgplicht en specifieke zorgplichten onder de Omgevingswet biedt vervolgens de kapstok om bodemherstel af te dwingen. Ook in de provinciale omgevingsverordening is een specifieke zorgplicht opgenomen ten aanzien van de bescherming van drinkwaterwinning. Bij het nemen van maatregelen is de veroorzaker aan zet.

Leren en communiceren

Vanuit onbekendheid met het bodemsysteem is het lastig voor initiatiefnemers om de risico’s, maatregelen en gevolgen van een activiteit in de ondergrond juist in te schatten. Om deze reden hecht de provincie veel belang aan kennisontwikkeling en -deling tussen partijen. Door te leren van de ervaringen van anderen kunnen risico’s in toekomstige projecten immers sterk worden beperkt.

2 Het belang van ruimtelijke afbakenen van functies en ruimteclaims

In de ruimtelijke ordening staat de lagenbenadering centraal. Dit beschrijft onze ruimte aan de hand van drie lagen: occupatielaag, netwerklaag en de ondergrond. Deze schematisering helpt om de complexiteit overzichtelijker te maken. Bodem en ondergrond komen in twee van de drie lagen voor. De netwerklaag bevat onder andere onze ondergrondse infrastructuur (kabels, leidingen en rioleringen) en de ondergrond betreft het gehele water- en bodemsysteem onder maaiveld. Deze ondergrond wordt vaak als één laag weergegeven, maar kan je kent ook een eigen gelaagdheid. Voor een beter begrip wordt binnen het werkveld bodem en ondergrond vaak de volgende driedeling gehanteerd: bovengrond, grondwaterlaag en diepe ondergrond.

Als provincie willen we de komende jaren beter inzicht in het gebruik van de ondergrond, de ruimteclaim die een activiteit heeft en waar mogelijk de bescherming en benutting beter ruimtelijk vastleggen.

2.1 Provincie focust op grondwaterlaag

In de ruimtelijke ordening staat de lagenbenadering centraal. Dit beschrijft onze ruimte aan de hand van drie lagen: occupatielaag, netwerklaag en de ondergrond. Deze schematisering helpt om de complexiteit overzichtelijker te maken. Bodem en ondergrond komen in twee van de drie lagen voor. De netwerklaag bevat onder andere onze ondergrondse infrastructuur (kabels, leidingen en rioleringen) en de ondergrond betreft het gehele water- en bodemsysteem onder maaiveld. Deze ondergrond wordt vaak als één laag weergegeven, maar kan je kent ook een eigen gelaagdheid. Voor een beter begrip wordt binnen het werkveld bodem en ondergrond vaak de volgende driedeling gehanteerd: bovengrond, grondwaterlaag en diepe ondergrond.

Afbeelding 1: lagenbenadering en indeling van de bodem en ondergrond

afbeelding binnen de regeling

Op deze afbeelding is de lagenbenadering te zien. De occupatielaag waar we op wonen, werken en recreëren. De netwerklaag met wegen, spoor, vaarwegen en ook kabels en leidingen. De ondergrond met de bodemopbouw. In het diagram ernaast is het maaiveld te zien met hierop bos, landbouw, water, woningen en bedrijfsgebouwen. De ondergrond eronder is opgebouwd uit lagen waarin onderscheidt wordt gemaakt tussen bovengrond, grondwaterlaag en diepe ondergrond.

Als provincie hebben we de meeste verantwoordelijkheden en taken in de grondwaterlaag. Hier ligt dan ook de focus van de provincie als het gaat om het ordenen van de ondergrond. De gemeenten zijn overwegend aanzet voor de bovengrond, de eerste paar meter. Hier liggen onder andere kabels en leiding, wortelen bomen, infiltratievoorzieningen voor wateroverlast en wordt ondergronds gebouwd. Het Rijk is verantwoordelijk voor mijnbouwactiviteiten zoals geothermie en winning van aardgas die vaak op grote diepte worden plaatsvinden in de ondergrond.

2.2 Samenloop van drinkwater en mijnbouwactiviteiten

Een bekent ruimtelijk spanningsveld is de winning van drinkwater en de realisatie van geothermie of andere mijnbouwactiviteiten op grotere diepte. Om geothermie te realiseren wordt naar grotere diepte geboord. Hierbij worden watervoerende lagen doorsneden die ook voor drinkwaterwinning worden gebruikt. Het is belangrijk om dit gebruik slim te scheiden door horizontaal en verticaal een voldoende veilige afstand aan te houden bij realisatie.

Voor dit slim scheiden sluiten we aan bij de landelijke kaders die sturen op 3D-functiescheiding waar nodig en meervoudig ruimtegebruik waar kan. Dit betekent dat activiteiten onder elkaar kunnen plaatsvinden als er voldoende horizontale afstand is tussen de activiteiten, zodat het risico op negatieve beïnvloeding zeer klein en acceptabel is. In Overijssel is niet toegestaan een mechanische boring voor een activiteit in de diepere ondergrond te realiseren door een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en boringsvrije zone van een bestaande winning. De boring moet buiten deze beschermingszones worden geplaatst. Dit is vastgelegd in onze omgevingsverordening. Wel kan, op veilige diepte, een boring schuin worden geboord. Dit kan voor de mijnbouwactiviteit nodig zijn om op diepte in de benodigde geologische formatie te komen. Daarmee liggen de activiteiten deels onder elkaar en is een vorm van 3D ordening.

In samenwerking met het Rijk, gemeenten, waterschappen en Vitens werken we aan handvatten en beleidskaders onder welke omstandigheden en met welke extra maatregelen meervoudig ruimtegebruik toch mogelijk is. Het gaat dan vooral om nationale en regionale strategische grondwaterreserves en het realiseren van geothermie.

Bijlage XV Beleidskader ontgrondingen

Beleidskader Ontgrondingen

Beleidslijn

1.1 Inleiding

Binnen de Omgevingswet moeten ruimtelijke ontwikkelingen - meer dan voorheen - in samenhang worden bekeken. Dit vraag om een andere afweging. Het natuurlijk systeem, de maatschappelijke opgaven en gewenste ontwikkelingen in een gebied moeten in samenhang worden beoordeeld en afgewogen. Ontgrondingen worden in die context integraal meegenomen.

In dit beleidskader is daarvoor een richtinggevend kader opgenomen, waarin de elementen die relevant zijn om mee te nemen bij de vergunningverlening zijn opgenomen.

Het fundament van het ontgrondingenbeleid bestaat uit vier pijlers. Deze pijlers geven weer wat de provincie belangrijk vindt bij ontgronden en het al dan niet verlenen van ontgrondingenvergunningen.

De af te wegen elementen voor vergunningverlening zijn gebaseerd op hetgeen wettelijk verplicht is en hetgeen dat onder de vier pijlers is beschreven. Het uiteindelijke toetsingskader, met daarin te beoordelen criteria voor vergunningverlening, wordt nog ontwikkeld.

Aanleiding

Voor de realisatie van diverse maatschappelijke opgaven zoals energietransitie, klimaatadaptatie, woningbouw, waterveiligheid, circulaire economie is ruimte nodig in de fysieke leefomgeving die veelal leiden tot grondwerkzaamheden op of in de bodem. Voor sommige van deze opgaven zijn ontgrondingen noodzakelijk, bijvoorbeeld bij de aanleg van waterbuffering of de aanleg van natte natuurgebieden. Voor andere opgaven zijn juist de primaire grondstoffen - gewonnen bij ontgrondingen - nodig, bijvoorbeeld voor de realisatie van nieuwe woonwijken of het versterken van dijken.

Door de toenemende druk op de fysieke leefomgeving moeten er keuzes gemaakt worden. Niet alles kan overal. De verschillende belangen en opgaven moeten daarin een plek krijgen, waarbij een toenemend besef heerst dat ook de waarden en kwaliteiten van het natuurlijk systeem moeten worden meegewogen. Om alle belangen, waarden en opgaven goed mee te kunnen nemen is adequaat beleid noodzakelijk. Het ontgrondingenbeleid van de provincie Overijssel (uit 2005) was tot op heden inhoudelijk beleidsarm. De laatste decennia zijn de belangen, de provinciale taakstelling en het soort ontgrondingen veranderd. Om aan te sluiten bij recente en toekomstige ontwikkelingen en door de komst van de Omgevingswet heeft de provincie Overijssel haar ontgrondingenbeleid te herzien. De Omgevingswet vraagt immers ook om een integrale benadering van de fysieke leefomgeving, waarbij functies evenwichtig worden toebedeeld en er een balans is tussen benutten en beschermen.

Doelstelling en gebruik

Het doel van de beleidsactualisatie is het ontgrondingenbeleid beter aan te laten sluiten op het gedachtegoed van de Omgevingswet. Het geactualiseerde ontgrondingenbeleid is richtinggevend en toekomstgericht. Dit beleidskader biedt inzicht in de provinciale invulling van het wettelijk kader, onderbouwt keuzes en beschrijft de samenhang met andere opgaven en werkvelden. Voorliggend beleidskader moet ook zorgen voor meer duidelijkheid over de beleidskeuzes die de provincie maakt en doorwerking hebben op de vergunningaanvraag.

2. Definitie en wettelijk kader

2.1 Definitie ontgronding

De provincie Overijssel hanteert de volgende definitie voor ontgronding iedere activiteit die zorgt voor (tijdelijke) verlaging van het maaiveld. Het maakt daarbij niet uit of de ontgraving primair bedoeld is voor de winning van delfstoffen (zand, klei, grind) of voor andere doeleinden, zoals de aanleg van een vijver, werkzaamheden ten behoeve van natuurbeheer of grondroering bij agrarische activiteiten.

Aangezien ontgrondingen impact kunnen hebben op de kwaliteit van de leefomgeving, zijn ze aan regels gebonden. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning de (water)bodem af te graven.

2.2 Soorten ontgronding

We onderscheiden twee soorten ontgrondingen:

  • a.

    multifunctionele ontgrondingen;

  • b.

    functionele ontgrondingen.

Multifunctionele ontgrondingen

Bij multifunctionele ontgrondingen speelt de winning van delfstoffen een grote rol. Vaak is de winning van delfstoffen zelfs het primaire doel. De winning van delfstoffen wordt altijd gecombineerd met het realiseren van één of meerdere andere functies tijdens en na afloop van de winning (natuur, recreatie, wonen, energie etc.). Een dergelijke ontgronding heeft vaak een lange tijdsduur en een relatief grote omvang.

Functionele ontgrondingen

Een functionele ontgronding vindt plaats in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling (zoals natuurontwikkeling of waterberging) of de aanleg van een werk (zoals de aanleg van een watergang of een insteekhaven). Vaak is nut en noodzaak van een dergelijke ontgronding al bepaald bij de afweging en het ontwerp van de ruimtelijke opgave. Ook verbetering van de landbouwkundige toestand van de bodem door ontgraving wordt beschouwd als functionele ontgronding.

Bij een functionele ontgronding is delfstofwinning geen primair doel. De ontgronding is nodig voor de realisatie van de ontwikkeling of als grondverbetering; dat er grondstoffen vrijkomen is een bijkomend effect daarvan. De looptijd van de ontgrondingsactiviteit is beperkt en veelal wordt gezocht om het vrijkomende materiaal binnen hetzelfde project of in de directe nabijheid her te gebruiken.

2.3 Vrijgestelde ontgrondingen

In de basis wordt elke ontgraving gezien als een ontgrondingsactiviteit. Toch is het niet nodig om voor elke graafactiviteit een vergunning aan te vragen. Diverse situaties zijn vrijgesteld van ontgrondingsvergunning. Dit om geen onnodige last op te leggen aan initiatiefnemers en op (het proces van) vergunningverlening. Het betreft veelal ontgrondingen van beperkte omvang, en de impact van de ontgronding is dermate klein dat een vergunning niet noodzakelijk wordt geacht. Wel kan het zijn dat een meldingsplicht met algemene voorschriften geldt, op basis waarvan de ontgronding moet worden uitgevoerd.

Vergunningsvrije activiteiten staan in artikel 16.7 en 16.8 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving (Bal). In de Omgevingsverordening heeft de provincie daar een aantal aanvullende vrijstellingen aan toegevoegd.

Naast de vergunningsvrije activiteiten wijst de Omgevingswet ook een aantal activiteiten aan die niet als ontgronding worden beschouwd. Hiervoor is geen omgevingsvergunning nodig en hiervoor geldt eveneens geen meldingsplicht. De volgende activiteiten vallen conform het Bal (en ook in de Omgevingswet) niet onder ontgronden op land, in regionale wateren en in de winterbedding van rivieren:

  • normale land-, tuin- en bosbouwwerkzaamheden;

  • normale onderhoudswerken;

  • Delven, openen en ruimen van graven;

  • grondboringen en sonderingen;

  • afgraven van grond in een gronddepot.

2.4 Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening is in detail uitgewerkt welke activiteiten als vrijgestelde ontgrondingen mogen worden beschouwd. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten op de landelijke interpretatie hiervan. Wel zijn er een aantal provincie-specifieke situaties toegevoegd, of is aangegeven hoe de provincie de definitie interpreteert:

  • Het rooien van bomen en struiken in de agrarische sector. Dit beschouwen wij als ‘normale land-, tuin- en Bosbouwwerkzaamheden’. Hiervoor is geen ontgrondingsvergunning verplicht;

  • Het afschrapen van strooisellagen (afgevallen, halfvergane bladlagen) en bermgronden. Dit wordt als ‘Normaal onderhoudswerk’ beschouwd en is daardoor niet vergunningplichtig voor ontgrondingen;

  • Chopperen (verdiept maaien of ondiep plaggen) ten behoeve van onderhoud van natuurgebieden, wordt als ‘normaal onderhoudswerk’ beschouwd en is daardoor niet vergunningplichtig;

  • Het afgraven van een kade wordt als een werk gezien. Als het oppervlak is vastgelegd in bijvoorbeeld een bestemmingsplan en de ontgravingsdiepte is minder dan 3 meter minus maaiveld, dan is geen ontgrondingsvergunning nodig;

  • Het zeven van grond, bijvoorbeeld om bodemvreemd materiaal of de wortels van invasieve exoten te verwijderen, wordt niet als ontgronding beschouwd.

2.5 Bevoegd gezag

Provincie

De provincie heeft de verantwoordelijkheid om toe te zien op naleving van regels voor ontgrondingen die plaatsvinden op land, in regionale wateren en in het winterbed van Rijkswateren. In dit kader is de provincie gemachtigd om daarvoor beleid te maken, regels op te nemen in de Omgevingsverordening en vergunningen af te geven of te weigeren. Indien noodzakelijk kan de provincie aan de vergunningen ook bepaalde voorwaarden stellen. Met adequaat beleid en het verlenen van vergunningen voor ontgrondingen kan de provincie sturen op het beschermen van belangrijke functies en waarden en oplossingen bieden voor maatschappelijke opgaven. De regels en voorwaarden op grond waarvan de provincie vergunningen verleent zijn nader omschreven in de provinciale Omgevingsverordening.

Onder de Omgevingswet zijn een aantal dingen veranderd met betrekking tot ontgrondingen. De belangrijkste verandering is dat bij activiteiten waarbij ontgrondingen aan de orde zijn de activiteit ontgrondingen onderdeel is van de omgevingsvergunning en niet meer apart hoeft te worden aangevraagd. Daarnaast heeft het Rijk iets meer richting gegeven aan de beoordelingsregels die het bevoegd gezag in ieder geval moet meewegen. Volgens artikel 8.76 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) moet de provincie een omgevingsvergunning in ieder geval weigeren als:

  • De ontgronding niet veilig en stabiel is tijdens de uitvoering of na afloop;

  • Het gebied na afloop van het ontgronden niet goed ingericht en beheerd wordt;

  • De inrichting van de locatie niet aansluit bij de functie die daarvoor geldt.

Gemeenten

Voor meervoudige aanvragen, waarbij minder dan 100.000 m3 in situ wordt ontgraven (en buiten Rijkswateren is gelegen) is de gemeente1 het bevoegde gezag. Wel heeft de provincie in deze gevallen adviesrecht met instemmingsplicht.

2.6 Aansluiting op Rijksbeleid

De wetgever wil met behulp van de Omgevingswet een bijdrage leveren aan duurzame ontwikkeling, bewoonbaarheid van het land, en bescherming en verbetering van het leefmilieu (Omgevingswet artikel 1.3). Deze maatschappelijke doelen vertalen zich in het bereiken van een balans tussen het beschermen en het benutten van de fysieke leefomgeving. Onder de Omgevingswet komt daarbij meer bestuurlijke afwegingsruimte op lokaal/regionaal niveau te liggen. Dit moet resulteren in snellere en betere - op de omgeving afgestemde - besluitvorming die een adequaat antwoord biedt op maatschappelijke opgaven. Het ontgrondingenbeleid van de provincie speelt hierop in door ook bij ontgrondingen een meer integrale afweging na te streven.

Het ontgrondingenbeleid moet binnen de kaders van de Omgevingswet en ander rijksbeleid passen. Dit beleidskader voorziet met behulp van ontgrondingenbeleid op het realiseren of verbeteren van een aantal van nationale belangen2. Het gaat in deze om:

  • Nationaal belang 1: bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;

  • Nationaal belang 4: waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;

  • Nationaal belang 8: waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving;

  • Nationaal belang 13: realiseren van een toekomstbestendige, circulaire economie;

  • Nationaal belang 14: waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit);

  • Nationaal belang 15: waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater;

  • Nationaal belang 19: behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang;

  • Nationaal belang 20: verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit.

1. Er gelden hiervoor een aantal uitzonderingen. De gemeente is geen bevoegd gezag bij meervoudige aanvragen van minder dan 100.000 m3 als het gaat om mijnbouwactiviteiten, activiteiten die van belang zijn voor de nationale veiligheid en wateropgaven.

2. Nationale Omgevingsvisie, Rijksoverheid, november 2020

Pijlers voor een integrale afweging

Het fundament voor adequaat ontgrondingenbeleid voor Overijssel bestaat uit vier pijlers.

afbeelding binnen de regeling

3.1 Pijler 1 - Balans tussen benutten en beschermen

Ontgrondingen zijn noodzakelijk voor gebiedsontwikkelingen en de winning van delfstoffen, maar tegelijk zijn de effecten ervan veelal onomkeerbaar als het gaat om aantasting van het natuurlijk systeem. Zo kan een ontgronding de bodem aantasten en gevolgen hebben voor milieu, (grond)water, archeologisch erfgoed, draagkracht bodem, natuur en/of leefomgeving. Anderzijds kan een ontgronding ook kansen bieden om nieuwe ruimtelijke functies te realiseren. Denk aan natuurontwikkeling, recreatie, waterberging of wonen aan het water.

De provincie verlangt voor een eventuele vergunningverlening een zorgvuldige afweging tussen beschermen en benutten:

  • Beschermen: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;

  • Benutten: het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving om er maatschappelijke behoeften mee te vervullen.

De initiatiefnemer onderbouwt waarom de balans tussen beschermen en benutten maatschappelijk positief is. Dit door de aantasting van waardevolle functies en ecosysteemdiensten in beeld te brengen. En hoe tijdens en na oplevering van de ontgronding functies en ecosysteemdiensten behouden kunnen blijven, worden teruggebracht of een nieuwe waardevolle functies daarvoor in de plaats komen.

Behoud van landschapselementen en aardkundige waarden vindt de provincie hierbij belangrijk, zoals reliëf, esgronden en houtwallen. Als de ingreep toch ten koste gaat van de algehele omgevingskwaliteit en/of bepaalde waarden en belangen schaadt, dan kunnen compenserende maatregelen worden verlangt.

3.2 Pijler 2 - Waardecreatie bij ruimtelijke ingrepen

In het verlengde van het bewaken van de balans tussen beschermen en benutten, vindt de provincie het ook belangrijk dat een ontgronding waarden en kwaliteiten toevoegt. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om verbetering van de omgevingskwaliteit, herstel van landschappelijke waarden, versterking van natuurlijke waarden of verbetering van de milieukwaliteit. Van belang is dat hierbij zorgvuldig wordt gekeken naar de al aanwezige waarden van het natuurlijk systeem en de in de omgeving aanwezige functies. De initiatiefnemer brengt de huidige waarden in beeld en welke toekomstige waarden gerealiseerd worden. Bij omvangrijke projecten is het aan de initiatiefnemer om via participatie de relevante meerwaarde voor de omgeving in beeld te brengen.

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied hanteert de provincie Overijssel het uitgangspunt dat een ontwikkeling een kwaliteitsimpuls aan groene omgeving toevoegt. Op basis van onze omgevingsvisie en in samenwerking met gemeenten geven we gebiedsgericht invulling aan dit uitgangspunt.

3.3 Pijler 3 - Integratie van ontgrondingenbeleid binnen breder kader van ruimtelijke ontwikkeling

Ontgrondingen staan nooit op zichzelf. Ze moeten passen binnen bredere ruimtelijke ontwikkelingen en bijdragen aan maatschappelijke opgaven zoals waterveiligheid en -kwaliteit, natuurherstel, klimaatadaptatie, woningbouw en energietransitie.

De provincie stuurt op meervoudig ruimtegebruik en op samenhang tussen ontgrondingen en andere ruimtelijke ingrepen, zodat de beschikbare ruimte duurzaam en toekomstgericht wordt benut. Het ontgrondingenbelang maakt dus onderdeel uit van een integrale afweging van plannen en projecten in de fysieke leefomgeving. De initiatiefnemer toont aan dat de ontgrondingen past binnen de gemeentelijke en provinciale omgevingsvisie en gemeentelijk omgevingsplan.

3.4 Pijler 4 - Duurzaamheid en circulariteit

De provincie Overijssel stimuleert zuinig en hoogwaardig (her)gebruik van materialen en circulariteit. Ondanks het toenemend streven naar hergebruik van materiaal en circulariteit, zal winning van primaire grondstoffen voorlopig nodig blijven voor het realiseren van diverse maatschappelijke opgaven (woningbouw, waterveiligheid, e.d.).

Grootschalige winningen kunnen er echter ook voor zorgen dat bodems degraderen, de habitat van flora en fauna wordt aangetast en watersystemen worden verstoord. In het kader van circulariteit dient zorgvuldig te worden gekeken naar het nut en de noodzaak van (grootschalige) ontgrondingen. Voor multifunctionele ontgrondingen wordt dit mede bepaald door de landelijke monitoring winning oppervlaktedelfstoffen door CBS en de vergunde ruimte binnen Overijssel.

Bij functionele ontgrondingen moet gestreefd worden naar zoveel mogelijk hergebruik van vrijkomende gronden binnen het project of in het gebied binnen afzienbare tijd. Dit om de natuurlijke kwaliteiten van de bodem zoveel mogelijk te behouden.

Ook let de provincie in het proces van ontgrondingen op het gebruik van duurzame technieken en mate van overlast naar de omgeving. Zo wenst de provincie Overijssel dat bij het uitvoeren van ontgrondingen maatregelen worden genomen om hinder/overlast en uitstoot van stikstof, fijnstof en CO2 zoveel mogelijk te beperken. Hierbij wordt onder andere gekeken naar het transport, waarbij lokaal gebruik van grondstoffen gestimuleerd wordt.

4. Procedures

4.1 Vergunningplicht

Een deel van de ontgrondingen zijn vrijgesteld van een vergunningplicht (de zogeheten vrijgestelde ontgrondingen (zie 2.3)). Hiervoor is dus geen vergunningaanvraag noodzakelijk. Voor alle overige (functionele en multifunctionele) ontgrondingen geldt een vergunningplicht.

Geadviseerd wordt om voorafgaand aan een definitieve vergunningaanvraag een vooroverleg met het bevoegd gezag (provincie of gemeente) in te plannen. Zo kan het bevoegd gezag met de initiatiefnemer meedenken en bijvoorbeeld advies geven over benodigde onderzoeken of formulieren. Op deze manier kan de uiteindelijke aanvraag efficiënter en sneller verlopen.

In geval er een vergunningplicht van toepassing is, kan de aanvraag worden ingediend in het Omgevingsloket.

4.2 Afwegingskader vergunningplicht

In het artikel 8.76 van het Bkl (Besluit kwaliteit leefomgeving) is opgenomen dat het bevoegd gezag de volgende aspecten in overweging dient te nemen alvorens tot vergunningverlening over kan worden gegaan:

1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een ontgrondingsactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als de activiteit verenigbaar is met de doelen van de wet;

2. De omgevingsvergunning wordt in ieder geval geweigerd als uit de aanvraag blijkt dat:

  • de ontgronding niet veilig en stabiel is tijdens de uitvoering en na afloop;

  • het gebied na afloop van het ontgronden niet goed ingericht en beheerd wordt;

  • de inrichting van de locatie niet aansluit bij de functie die daarvoor geldt.

3. Bij de beoordeling van de aanvraag worden in ieder geval de gevolgen van de ontgronding voor watersystemen betrokken;

4. Als voor een samenstel van activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit is vereist, ook een omgevingsvergunning voor een andere activiteit is vereist, maken de gronden voor verlening of weigering van de omgevingsvergunning voor die andere activiteit geen deel uit van de gronden voor verlening of weigering van de omgevingsvergunning voor de ontgrondingsactiviteit.

Concretiseren van het provinciaal afwegingskader

Het beleid wordt uiteindelijk vertaald naar een afwegingskader met criteria voor vergunningverlening. Hierbij worden algemene regels die voor iedere melding of vergunningsaanvraag geld vastgelegd in de provinciale omgevingsverordening. Daarnaast kan het zijn dat maatwerkvoorschriften worden opgenomen bij een vergunning die passend zijn vanuit de geplande ontwikkeling en werkzaamheden. Hiermee kan maatwerk worden verleend. De criteria zijn gebaseerd op de wettelijke verplichtingen (‘Eisen uit het Bkl’) en vertaling van de vier pijlers.

Onderdelen van die van belang zijn voor het afwegingskader:

  • (water)veiligheid en stabiliteit;

  • balans tussen aantasting bestaande en creëren van nieuwe waarden en ecosysteemdiensten;;

  • wenselijke ruimtelijke ontwikkeling, wenselijk vanuit de maatschappelijke opgaven;

  • impact op de omgeving (participatie, belangen en hinder);

  • waardecreatie;

  • mate van circulariteit en duurzaamheid;

  • inrichting en beheer;

  • uitvoerbaarheid en tijdsduur.

(Water)veiligheid en stabiliteit

Een ontgronding is pas vergunbaar als deze veilig en stabiel is tijdens de uitvoering en na afloop. Ook de waterveiligheid en hoogwaterbescherming dient geborgd te zijn (effect op stroming, kwel en daarmee de stabiliteit van dijken). Dit volgt uit het Bkl.

Balans tussen aantasting bestaande en cre ëren van nieuwe waarden en ecosysteemdiensten

Het belangrijk is dat bestaande waarden en ecosysteemdiensten zo min mogelijk worden aangetast. Zo dienen landschappelijke elementen en aardkundige waarden (zoals reliëf, esgronden en houtwallen) zoveel mogelijk behouden te worden. Hierbij dienen ook de functies en diensten van het natuurlijke systeem (zoals waterbergend vermogen van de bodem, bodembiodiversiteit en koolstofvastlegging in de bodem) meegewogen te worden. Ook kan door de ontwikkeling nieuwe waarden en diensten worden toegevoegd. Wanneer aantasting onvermijdelijk is en er geen balans is tussen benutten en beschermen, dan kunnen compenserende maatregelen worden verlangt alvorens tot vergunning kan worden overgegaan.

Wenselijke ruimtelijke ontwikkeling, wenselijk vanuit de maatschappelijke opgave

Een ontgronding staat nooit op zichzelf. De vergunningverlener toetst dan ook hoe dit past binnen het bredere kader van ruimtelijke ontwikkelingen in zowel gemeentelijk als provinciaal ruimtelijk beleid. Actuele maatschappelijke opgaven zijn daarbij leidend. Beoordeeld wordt hoe de ontgronding daar onderdeel van uitmaakt en/of aan bijdraagt. Meervoudig ruimtegebruik is daarbij het streven.

Impact op de omgeving (participatie, belangen en hinder)

Initiatiefnemer dient aan te tonen dat de belangen en wensen van de omgeving (zoals omwonenden, (belangen)organisaties, gemeenten en waterschap) voldoende zijn betrokken en afgewogen in de uitwerking van de beoogde ontgronding. Vooral bij grootschalige projecten is voldoende participatie op basis van de Omgevingwet nodig. De initiatiefnemer heeft een plicht deze voldoende te inventariseren en deze zorgvuldig af te wegen. Het kan betekenen dat niet alle wensen te realiseren zijn binnen het initiatief.

Waardecreatie

De provincie beoordeelt ruimtelijke ontwikkelingen gebiedsspecifiek en op integrale wijze, en streeft daarbij naar ontwikkelingen die meerdere doelen dienen (waarbij de ontgronding één van de ingrepen is, zie ook pijler). Beoordeeld wordt of sprake is van functiekoppeling / stapeling van functies, en of deze functies aansluiten bij de omgeving en het natuurlijke systeem. De kwaliteitsimpuls groene omgeving (KGO) is hiervoor het provinciale handvat.

Mate van circulariteit en duurzaamheid

Samen met het Rijk verkennen we hoe we voldoende grip houden op de winbare hoeveelheden oppervlakte delfstoffen, hoe import en export zich ontwikkeld en hergebruik secundaire bouwstoffen (zoals beton) circulair kan worden hergebruik. Belangrijk hierbij is het landelijk beeld van de gewonnen oppervlakte delfstoffen op landbodem. Deze gegevens leveren we jaarlijks aan bij het CBS, zie paragraaf 4.6. Ook beoordelen we periodiek de vergunde ruimte om oppervlakte delfstoffen te winnen.

De vergunningverlener beoordeelt op de voorziene grondstromen en de wijze waarop de initiatiefnemer de uitstoot van stikstof, fijnstof en CO2 beperkt. Hierbij wordt ook beoordeeld in hoeverre er binnen een project sprake is van hergebruik van vrijkomende grond binnen een gebied/project (in geval van functionele ontgrondingen).

Inrichting en beheer

Een vergunning voor een nieuwe multifunctionele ontgronding wordt alleen afgegeven als de eindinrichting past binnen de vier pijlers van het provinciale beleid. De initiatiefnemer stelt een inrichtingsplan op van de gewenste inrichting na afronding van de ontgrondingsactiviteit, en motiveert deze. De vergunningverlener beoordeelt of de eindinrichting past binnen de planologische bestemming. De initiatiefnemer motiveert de wijze waarop de initiatiefnemer adequaat beheer borgt tijdens en na afloop van de ontgronding. Zo moet duidelijk worden dat belangrijke waarden en belangen ook naar de toekomst toe geborgd blijven en dat er geen afwenteling op volgende generaties plaatsvindt.

Uitvoerbaarheid en tijdsduur

De wijze van uitvoering en beoogde tijdsduur dient te worden omschreven. Als dit bij aanvraag van de vergunning nog niet bekend is, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een uitvoeringsplan ter goedkeuring te worden ingediend. Pas na goedkeuring hiervan kan worden gestart met de werkzaamheden.

Ook wordt onder dit aspect getoetst of er raakvlak is met andere wetgeving die eventuele eisen stellen aan de uitvoering van een ontgronding. Bijvoorbeeld of de planning past binnen de eisen van het broedseizoen.

4.3 M.e.r. (beoordelings)plicht

Het kan zijn dat voor de ontgrondingsactiviteit een m.e.r.-beoordelingsplicht of een m.e.r.-plicht geldt. Onder de Omgevingswet is in bijlage V van het Omgevingsbesluit geregeld of en wanneer hier sprake van is. Onderstaande afbeelding (Afbeelding 4.1) kan daarbij gebruikt worden.

In de provincie Overijssel wordt zowel voor functionele als multifunctionele ontgrondingen een m.e.r.- beoordeling vereist. Dit moet uitwijzen of een project-m.e.r. noodzakelijk is. Voor vrijgestelde ontgrondingen (<12,5 ha) zal de provincie niet actief een m.e.r.-beoordeling eisen. In het verleden is namelijk gebleken dat m.e.r.-beoordelingen voor dergelijke situaties geen milieuwinst opleveren en niet hebben geleid tot de verplichting een volledig MER op te stellen. Wel wordt opgemerkt dat het de keuze van de initiatiefnemer blijft om wel of niet van deze optie gebruik te maken onder afweging van de eventuele juridische risico’s die hieraan verbonden kunnen zijn.

Afbeelding 4.1 Schema dat aangeeft om een project-m.e.r.-(beoordelings)plicht noodzakelijk is (de kolommen verwijzen naar bijlage V uit het Omgevingsbesluit (Ow)) Bron:Informatiepunt Leefomgeving, webpagina Vergunningplichtige activiteiten en milieueffectrapportage

Bron: Informatiepunt Leefomgeving, webpagina Vergunningplichtige activiteiten en milieueffectrapportage

afbeelding binnen de regeling

De afbeelding betreft een beslisboom met vragen en antwoorden. Stap 1 Voldoet het project aan de omschrijving in kolom één? Als het antwoord nee is, dan is het project niet MER‑plichtig en ook niet MER‑beoordelingsplichtig. Het proces stopt dan hier. Als het antwoord ja is, gaan we door naar de volgende stap. Stap 2. Staat het besluit over dit project in kolom vier? Als het antwoord ja is, gaan we door naar stap drie. Als het antwoord nee is, slaan we stap drie over en gaan we direct naar stap vier. Stap 3. Voldoet het project aan de voorwaarden in kolom twee? Als het antwoord ja is, dan geldt er een project‑MER‑plicht. Het proces stopt dan hier. Als het antwoord nee is, gaan we verder naar stap vier. Stap 4. De laatste vraag is: Voldoet het project aan de voorwaarden in kolom drie? Als het antwoord ja is, dan is het project MER‑beoordelingsplichtig. Het proces stopt hier. Als het antwoord nee is, dan geldt er geen project‑MER‑plicht en ook geen MER‑beoordelingsplicht.

4.4 Samenwerking met gemeenten

Onder de Omgevingswet krijgen gemeenten bevoegdheden bij het verlenen van ontgrondingenvergunningen bij een meervoudige vergunningaanvraag3 met een ontgronding van maximaal 100.000 m3. Hierbij heeft het college van Burgemeester en Wethouders een belangrijke taak om af te wegen of de vergunning moet worden verleend. Gedeputeerde Staten behoudt wel adviesrecht met instemming en heeft via deze weg altijd de mogelijkheid om bij te sturen. De provincie streeft naar een goede samenwerking met de gemeenten en stuurt aan op heldere procedures en werkafspraken. Dit zorgt ook voor meer duidelijkheid bij initiatiefnemers en een gestroomlijnder proces met minder lange doorlooptijden.

4.5 Toezicht en handhaving

De provincie houdt toezicht op de verleende vergunning op de ontgronding en handhaaft indien nodig. In het beleidsplan VTH wordt de provinciale taakstelling beschreven. De inspanning en prioriteitstelling wordt mede bepaald op basis van de regionale risicoanalyse VTH. Hierin wordt, gezamenlijk met de medeoverheden, het risicoprofiel van de verschillende activiteiten bepaald. Op basis van het risicoprofiel wordt de prioriteitstelling bepaald.

Mocht een ontgronding niet zijn vergund (illegaal), het wettelijke kader of voorschriften worden overtreden, dan neemt de provincie maatregelen. Dit betreft maatwerk per situatie.

Voor sommige ontgrondingen is de gemeente bevoegd gezag en kunnen zij toezichthoudend en handhavend optreden. De provincie zoekt hierin de samenwerking op met gemeenten en omgevingsdiensten om te komen tot een passende uitvoering voor toezicht en handhaving.

Bij het ontwikkelingen van een passend toetsingskader wordt eveneens rekening gehouden met toezicht en handhaving. Dit is belangrijk als er verschuiving plaats vindt van middel- naar doelvoorschriften. Eisen die worden gesteld in de omgevingsverordening en vergunning moeten handhaafbaar en uitvoerbaar zijn.

4.6 Monitoring

Jaarlijks monitort de provincie de gewonnen en vergunde hoeveelheden delfstoffen. Deze rapporteert de provincie aan het CBS die een landelijk overzicht maakt voor de verantwoording aan Europa. Hierbij vraagt de provincie informatie op bij de vergunninghouders.

Voor de ontwikkeling naar een circulaire economie is het streven om het gebruik van primaire materialen terug te dringen en secundaire materialen optimaal her te gebruiken. Dit geldt ook voor de gewonnen delfstoffen bij ontgrondingen. De aanzet en uitvoering van een monitoring op vraag, aanbod, hergebruik en innovaties ligt primair bij het Rijk. Als provincie zien we de meerwaarde van een dergelijke monitoring en dragen bij waar mogelijk.

3 Bij een meervoudige aanvraag vraagt een initiatiefnemer een omgevingsvergunning aan voor meer dan 1 activiteit. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het verbreden van een weg, waarbij bomen moeten worden gekapt en een sloot moet worden verlegd.

Naar boven