U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Wijziging Omgevingsverordening Drenthe

Provinciale Staten van Drenthe;

gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van Drenthe van 30 juni 2026​, kenmerk ​20/5.5/2026000689;

BESLUITEN: 

Artikel I

De Omgevingsverordening Drenthe te wijzigen zoals is aangegeven in 'bijlage A'.

Artikel II

Dit besluit treedt in werking op de dag na bekendmaking in het provinciaal blad.



Provinciale Staten voornoemd,



drs. A.H. Mulder, voorzitter

mr. drs. S. Buissink, griffier



Assen,

Kenmerk

Afschrift aan:

Bijlage A Omgevingsverordening provincie Drenthe

A

Artikel 1.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

De begripsbepalingen zijn opgenomen in Bijlage I Begripsbepalingen. 

B

Na artikel 3.1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.2 Kernkwaliteit Cultuurhistorie

C

Artikel 3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.2 Kernkwaliteit Cultuurhistorie

[Vervallen]

D

Artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.3 Kernkwaliteit Archeologie

  • 1

    De Kernkwaliteit Archeologie bestaat uit Waarde-Archeologie 1Waarde-Archeologie 2 en Waarde-Archeologie 3.



  • 2

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de Kernkwaliteit Archeologie:

    • a.

      houdt rekening met de aanwezige archeologische waarden en verwachtingen;

    • b.

      bevat de resultaten van het conform de normen van de Kwaliteits Norm Nederlandse Archeologie (KNA) verrichte onderzoek, alsmede de afstemming die hierover heeft plaatsgevonden met de provincie, en;

    • c.

      stelt regels en voorschriften ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden en verwachtingen.

  • 3

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Waarde-Archeologie 1:

    • a.

      verzekert, onverminderd het bepaalde in lid 2, dat de aanwezige archeologische monumenten in situ worden behouden, en;

    • b.

      houdt rekening met een buffer van 50 m als extra bescherming rond de begrenzing van het provinciaal belang.

  • 4

    In afwijking van het bepaalde in lid 3 van dit artikel is behoud in situ geen vereiste voor erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog, indien in het omgevingsplan wordt gemotiveerd dat op deze wijze de archeologische waarden worden behouden en advies wordt ingewonnen bij de ambtelijke diensten van de provincie.

  • 4 5

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op Waarde-Archeologie 2 verzekert dat de aanwezige archeologische monumenten in situ in de bodem worden behouden, met dien verstande dat archeologische monumenten ook ex situ kunnen worden behouden indien wordt aangetoond dat behoud in situ niet mogelijk is.

  • 5 6

    In afwijking van het bepaalde in lid 2, sub b, van dit artikel kan archeologisch onderzoek achterwege blijven voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op:

    • a.

      Waarde-Archeologie 2 en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 50 m² en een diepte van meer dan 10 centimeter;

    • b.

      Waarde-Archeologie 3 en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 1000 m² en een diepte van 30 cm gemeten vanaf het maaiveld, met dien verstande dat deze dieptemaat wordt gesteld op 0 centimeter voor zover geen bouwvoor aanwezig is en op 30 cm plus 10 cm niet-kerend woelen in agrarische gebieden of;

    • c.

      Waarde-Archeologie 3, voor zover dit plan tevens betrekking heeft op een voordenzone, en niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 500 m² en een diepte van meer dan 10 cm.

E

Artikel 3.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling

  • 1

    Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in Landelijk Gebied Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied bedrijfsmatige of maatschappelijke bebouwing aanwezig is die de oorspronkelijke functie is verloren, mits:

    • a.

      de sloopnorm voor 1 compensatiewoning ten minste 750 m² en ten minste 2.000 m² voor maximaal 2 compensatiewoningen aan bedrijfsbebouwing bedraagt;

    • b.

      onverminderd het bepaalde in sub a bedraagt de sloopnorm voor 3 compensatiewoningen ten minste 3.000 m² en ten minste 4.000 m² voor 4 compensatiewoningen en ten minste 5.000 m² voor 5 compensatiewoningen.

    • c.

      In afwijking van het bepaalde in sub c bedraagt de sloopnorm 6 compensatiewoningen wanneer meer dan 6.000 m² wordt gesloopt.

  • 2

    In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsplan voorzien in ten hoogste 4 woningen bij een sloopnorm van 2.000 m², voor zover de totale oppervlakte van alle woningen tezamen niet meer bedraagt dan 500 m².

  • 3

    De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende:

    • a.

      toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor bebouwing die op 1 januari 2014juli 2016 al aanwezig was;

    • b.

      in het omgevingsplan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm;

    • c.

      Bij het realiseren van drie of meer woningen als bedoeld in leden 1 en 2 toont het omgevingsplan aan dat de aantallen en doelgroep passen binnen de gemeentelijke woonvisie of omgevingsvisie, uitvoeringsprogramma’s en prestatie afspraken;

    • d.

      randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd; en

    • e.

      de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in Natuurnetwerk Nederland of Beekdal en bergingsgebied, tenzij de oorspronkelijke bebouwing in die gebieden wordt verwijderd.

F

Artikel 3.16 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.16 Woningbouw

  • 1

    Een omgevingsplan dat in Landelijk Gebied aansluitend op Bestaand Stedelijk Gebied voorziet in nieuwe woningbouw, toont  past binnen de behoefte aan op basis van de gemeentelijke woonvisie. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad:

    • a.

      draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's;

    • b.

      benoemt ten minste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur;

    • c.

      schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad;

    • d.

      geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd, en

    • e.

      geeft een lange termijnbeeld.

  • 2

    Een omgevingsplan kan in Landelijk Gebied voorzien in incidentele woningbouwmogelijkheden wanneer sprake is van bedrijfswoningen, een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf, het splitsen van boerderijen een woning of boerderij in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimte regeling.

  • 3

    Onverminderd het bepaalde in lid 31 en 2, kan een omgevingsplan in Landelijk Gebied voorzien in een incidentele woningbouwmogelijkheid wanneer:

    • a.

      de bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing;

    • b.

      er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit;

    • c.

      er sprake is van een landschappelijke inpassing passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan, en;

    • d.

      het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie.

  • 4

    In uitzonderlijke gevallen kan een omgevingsplan in Landelijk Gebied voorzien in de realisatie van bijzondere woonmilieus, mits wordt aangetoond dat:

    • a.

      deze kleinschalig zijn;

    • b.

      deze gericht zijn op woonwensen en leefstijlen van kleine specifieke doelgroepen;

    • c.

      het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze woonmilieus een landschappelijk kader is dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied, en

    • d.

      het woonmilieu alleen kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere waarden, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van het cultuurhistorische karakter, het verbeteren van voorzieningen, het realiseren van de water- en natuuropgave en het versterken van de recreatie.

  • 5 4

    Een omgevingsplan kan in landelijk gebied voorzien in een woonfunctie voor gronden met bebouwing die zijn functie verloren heeft, mits:

    • a.

      het bebouwing betreft die niet landschapsontsierend is;

    • b.

      het omgevingsplan een verbetering van de landschappelijke kwaliteit verzekert;

    • c.

      het omgevingsplan ten hoogste 6 woningen mogelijk maakt en niet gepaard gaat met externe bouwactiviteiten; en

    • d.

      wordt voldaan aan artikel 3.15, lid 3, sub a, c en d van deze verordening.

  • 5

    In uitzonderlijke gevallen kan een omgevingsplan in Landelijk Gebied voorzien in de realisatie van bijzondere woonmilieus, mits wordt aangetoond dat: 

    • a.

      deze kleinschalig zijn;

    • b.

      deze gericht zijn op woonwensen en leefstijlen van kleine specifieke doelgroepen;

    • c.

      het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze woonmilieus een landschappelijk kader is dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied, en

    • d.

      het woonmilieu alleen kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere waarden, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van het cultuurhistorische karakter, het verbeteren van voorzieningen, het realiseren van de water- en natuuropgave en het versterken van de recreatie.

G

Artikel 3.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.17 Regionale werklocatiesbedrijventerreinen

H

Artikel 3.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.18 Lokale werklocatiesbedrijventerreinen

I

Artikel 3.19 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.19 Bedrijfsvestiging buiten een werklocatiebedrijventerrein

  • 1

    In afwijking van Artikel 3.18, eerste lid, kan een omgevingsplan alleen voorzien in de vestiging of significante uitbreiding van een bestaand solitair in Landelijk Gebied gelegen bedrijf binnen categorie 1, 2 of 3 van de VNG publicatie Handreiking Bedrijven en Milieuzonering dat niet functioneel aan het buitengebied is verbonden, indien:

    • a.

      het solitaire bedrijf op grond van een evenwichtige toedeling van functies niet op een bedrijventerrein gevestigd kan worden;

    • b.

      er sprake is van een gegroeide ontwikkeling waarbij er geen mogelijkheden zijn om een eind te maken aan de ontstane ruimtelijke situatie;

    • c.

      over de vestiging of uitbreiding van het bedrijf in het verleden bestuurlijke uitspraken zijn gedaan of intenties zijn vastgelegd, of;

    • d.

      de vestiging of uitbreiding aansluit op de grens van het werkingsgebied Bestaand stedelijk gebied en het omgevingsplan gepaard gaat met een landschappelijke inpassing die gericht is op een plus op de landschapskenmerken of ruimtelijke kwaliteit ter plaatse.

  • 2

    In afwijking van Artikel 3.17, eerste lid kan een omgevingsplan buiten Regionaal bedrijventerreinen voorzien in de vestiging van één solitair bedrijf dat behoort tot milieucategorieën 4, 5, of 6 van VNG publicatie 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering', indien wordt aangetoond dat:

    • a.

      geen plaats is voor dit bedrijf op een Regionaal bedrijventerrein, en;

    • b.

      sprake is van een grote werkgelegenheidsimpuls, een actuele behoefte en een goede landschappelijke inpassing.

  • 3

    In afwijking van Artikel 3.17, eerste lid kan een omgevingsplan voorzien in de vestiging van nieuwe bedrijven buiten een Regionaal bedrijventerrein die volgens de VNG systematiek 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering' vallen in categorie 4, voor zover dit gebeurt via door de betreffende gemeente vastgesteld uitzonderingsbeleid.

  • 4

    Dit artikel is niet van toepassing op openbare nutsvoorzieningen.

J

Artikel 3.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.24 Windenergie

  • 1

    Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de toepassing van windenergie indien uit het desbetreffende omgevingsplan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap, waarbij:

    • a.

      de windturbine(s) op locaties komen waar het dynamische en technische karakter van de turbines aansluit bij verwante functies, of in landschappen waar turbines minder waarneembaar of dominant zijn;

    • b.

      de windturbine zodanig wordt geplaatst dat sprake is van een afzonderlijk waarneembare opstelling zodat er geen tot nauwelijks interferentie tussen de windturbines ontstaat, en;

    • c.

      het omgevingsplan vergezeld gaat van een participatieverslag waaruit blijkt dat concrete inspanningen zijn verricht om draagvlak voor het initiatief te genereren, en;

    • c d.

      geborgd is dat de windturbine(s) na uitgebruik name worden verwijderd.

  • 2

    In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsplan, wanneer het gaat om kleine installaties met een ashoogte van maximaal 15 m, voorzien in de toepassing van windenergie wanneer uit het desbetreffende plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap.

K

Na artikel 3.26 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.26a Energieopslag

  • 1

    Een omgevingsplan voorziet uitsluitend in energieopslag ten behoeve van het elektriciteitsnetwerk als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 

    • a.

      De energieopslag groter is dan 1MW, geen negatief effect en een balancerend effect heeft op het elektriciteitsnetwerk; en 

    • b.

      De energieopslag is gesitueerd, vormgegeven en landschappelijk ingepast op een wijze die passend is binnen het landschap.

  • 2

    In aanvulling op lid 1 voorziet een omgevingsplan ter plaatse van het Landelijke gebied uitsluitend in energieopslag als ook wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: 

    • a.

      De energieopslag functioneel en ruimtelijk onderdeel is van een hoogspannings- of middenspanningsstation of een bestaand bedrijf; of 

    • b.

      De energieopslag functioneel en ruimtelijk onderdeel is van zonne- of windpark en: 

      • 1.

        het totale vermogen van de energieopslag ten hoogste 50% van het vermogen van het betreffende wind- of zonnepark bedraagt, tenzij kan worden aangetoond dat de energieopslag aanvullende diensten en doelen verricht ten behoeve van het stabiliseren en flexibiliseren van het energiesysteem; 

      • 2.

        de energieopslag niet langer mogelijk wordt gemaakt dan 25 jaar; en 

      • 3.

        de energieopslag verdwijnt wanneer het wind- of zonnepark wordt verwijderd.

Artikel 3.26b Energietoets

  • 1

    Voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe functies, met een elektriciteitsbelasting van >1 MW, wordt rekening gehouden met de aansluitbaarheid op het elektriciteitsnetwerk.

  • 2

    De motivering van een omgevingsplan als bedoeld in lid 1, bevat een energieparagraaf met daarin een verslag van overleg tussen de netbeheerder en de initiatiefnemer of de gemeente. Uit de energieparagraaf moet in ieder geval blijken welke beheersmaatregelen, energiecontractvormen en technieken gebruikt worden om negatieve effecten in het elektriciteitsnetwerk te voorkomen en blijken dat de energieopslag een balancerend effect heeft op het elektriciteitsnetwerk.

  • 3

    Of een omgevingsplan voldoende rekening houdt met het behoud en de ontwikkeling van het energienetwerk voor elektriciteit, wordt beoordeeld aan de hand van het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat van de provincie Drenthe.

L

Artikel 3.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28 Koloniën van Weldadigheid

  • 1

    Binnen de begrenzing van het erfgoed van uitzonderlijke universele waarde "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid" worden in het omgevingsplan regels opgenomen gericht op de instandhouding of versterking van de kernkwaliteiten van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde;

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de locaties binnen "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid" bevat regels ter instandhouding en versterking van de Kernkwaliteiten van de Uitzonderlijke Universele Waarden van het UNESCO Werelderfgoed Koloniën van Weldadigheid.

  • 2

    Een omgevingsplan kan in ieder geval niet voorzien in activiteiten die de kernkwaliteiten aantasten van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid".

    Een omgevingsplan en besluit door Gedeputeerde Staten voor het uitvoeren van een project kan niet voorzien in activiteiten die de Kernkwaliteiten van de Uitzonderlijke Universele Waarden van "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid" aantasten als bedoeld in artikel 7.4, eerste lid, van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving en artikel 3.28, derde lid van deze verordening.

  • 3

    De kernkwaliteiten van het Erfgoed van uitzonderlijke universele waarde "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid" zijn aangeduid en nader uitgewerkt in Bijlage 4 bij deze verordening.

    De Kernkwaliteiten van de Uitzonderlijke Universele Waarden "UNESCO Werelderfgoed Koloniën Van Weldadigheid" als bedoelt in lid 1 en 2, zijn aangeduid en nader uitgewerkt in Bijlage 4 bij deze verordening

M

Artikel 3.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.30 Bescherming Natuurnetwerk Nederland

  • 1

    De wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland zijn opgenomen in Bijlage 19 Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN bij deze verordening.

  • 1 2

    Een omgevingsplan of projectbesluit dat betrekking heeft op Natuurnetwerk Nederland bevat geen functies, activiteiten en regels die omzetting naar de natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren en de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland aantasten of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang tussen de gebieden van het Natuurnetwerk Nederland.

  • 2 3

    Een omgevingsplan of projectbesluit dat betrekking heeft op Natuurnetwerk Nederland onderbouwt in ieder geval:

    • a.

      de wezenlijke kenmerken en waarden van het desbetreffende deel van Natuurnetwerk Nederland;

    • b.

      hoe de wezenlijke kenmerken en waarden worden beschermd; en

    • c.

      hoe negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden worden voorkomen.

  • 4

    Een natuurbegraafplaats binnen het Natuurnetwerk Nederland kan worden toegestaan indien uit het omgevingsplan blijkt dat:

    • a.

      de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast;

    • b.

      de oppervlakte en kwaliteit van het Natuurnetwerk Nederland behouden blijven;

    • c.

      de gemiddeld hoogste grondwaterstand op de beoogde locatie ten hoogste 1,40 meter onder maaiveld bedraagt;

    • d.

      een monitorings- en beheerplan is toegevoegd en uitvoering daarvan is verzekerd gedurende de exploitatieperiode.

  • 5

    Nieuwe landgoederen, zoals bedoeld in artikel 3.34, binnen het Natuurnetwerk Nederland kunnen worden toegestaan indien uit het omgevingsplan blijkt dat:

    • a.

      de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast;

    • b.

      sprake is van een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden;

    • c.

      de ontwikkeling per saldo leidt tot uitbreiding of realisatie van het Natuurnetwerk Nederland;

N

Artikel 3.31 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.31 Afwijking Natuurnetwerk Nederland

  • 1

    In afwijking van Artikel 3.30Artikel 3.30, tweede en derde lidkan een omgevingsplan of projectbesluit voorzien in nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten voor zover:

    • a.

      er sprake is van een groot openbaar belang;

    • b.

      er geen reële andere mogelijkheden zijn; en

    • c.

      de negatieve effecten waar mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd waarbij;

      • 1.

        de activiteiten niet mogen leiden tot een nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken;

      • 2.

        de compensatie plaatsvindtaan de volgende voorwaarden voldoet: 

        • I.

          aansluitend aan of, als dat niet mogelijk is, nabij Natuurnetwerk Nederland;

        • II I.

          de compensatie vindt plaats aansluitend aan of, in het Natuurnetwerk Nederland wanneer deze gronden beleidsmatig niet zijn aangeduid als natuur, inclusief nieuwe natuur; en

        • III II.

          door realisering van kwalitatief gelijkwaardige waarden of fysieke compensatie op afstand van het gebied; of

          de compensatie is kwalitatief gelijkwaardig aan de aangetaste waarden; en

        • IV.

          op financiële wijze; en

        • V III.

          de compensatie plaatsvindt vindt tijdig plaats, maar in ieder geval binnen twee jaar na vaststelling van het omgevingsplan of het opnemen van het projectbesluit dat voorziet in de aantasting.

    • d.

      in het omgevingsplan of projectbesluit wordt opgenomen:

      • 1.

        op welke wijze schade aan Natuurnetwerk Nederland zoveel mogelijk wordt voorkomen en resterende schade wordt gecompenseerd;

      • 2.

        hoe wordt geborgd dat de maatregelen voor de compensatie als bedoeld onder het eerste lid, onder c, sub 1, daadwerkelijk wordt uitgevoerd en de wijze waarop die compensatie duurzaam is verzekerd.

  • 2

    Een omgevingsplan of projectbesluit kan in afwijking van Artikel 3.30Artikel 3.30 tweede en derde lideen activiteit of een combinatie van activiteiten mogelijk maken indien uit een provinciale of intergemeentelijke omgevingsvisie of programma blijkt dat die activiteit of combinatie van activiteiten ook tot doel heeft de kwaliteit of kwantiteit van Natuurnetwerk Nederland te verbeteren, waarbij in samenhang met een ander omgevingsplan of een of meer andere projectbesluiten die eveneens behoren tot de desbetreffende omgevingsvisie:

    • a.

      de kwaliteit van Natuurnetwerk Nederland verbetert, waarbij de oppervlakte van Natuurnetwerk Nederland niet afneemt;

    • b.

      het areaal van Natuurnetwerk Nederland wordt vergroot, ter compensatie van het gebied dat door de ontwikkeling verloren gaat, indien daarmee een beter functionerend Natuurnetwerk Nederland ontstaat, en;

    • c.

      in dat omgevingsplan of projectbesluit verantwoord wordt waaruit de aard, wijze en het tijdstip van realisatie van de kwaliteits- of kwantiteitswinst bestaat.

O

Na artikel 3.31 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.31a Instructieregel voor verzuring gevoelige gebieden

Een omgevingsplan dat betrekking heeft op het werkingsgebied voor verzuring gevoelig gebied bevat, ten aanzien van dat werkingsgebied, de in Bijlage 16 opgenomen bepalingen.

P

Artikel 3.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.34 Landgoederen

  • 1

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van nieuwe landgoederen met een huis van allure, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het landgoed bevat minimaal vijf hectare nieuw aan te planten bos waarbij artikel 3.35 in acht word genomen;

    • b.

      de oppervlakte van het landgoed bedraagt minimaal tien hectare;

    • c.

      het landgoed is openbaar toegankelijk;

    • d.

      het landgoed vormt een ecologische, economische en esthetische eenheid waarbij sprake is van samenhang tussen bebouwing, beplanting, infrastructuur en landgebruik;

    • e.

      het landgoed past in het aanwezige landschap en houdt rekening met de cultuurhistorie en bodemgesteldheid.

    Een omgevingsplan dat betrekking heeft op de ontwikkeling van nieuwe landgoederen, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het landgoed bevat minimaal vijftien hectare nieuw aan te planten bos waarbij artikel 3.35 in acht word genomen;

    • b.

      de oppervlakte van het landgoed bedraagt minimaal vijfentwintig hectare;

    • c.

      er zijn maximaal twee bijbehorende bouwwerken, zoals bedoeld in Bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving, op het landgoed toegestaan;

    • d.

      het landgoed is openbaar toegankelijk;

    • e.

      het landgoed vormt een ecologische, economische en esthetische eenheid waarbij sprake is van samenhang tussen bebouwing, beplanting, infrastructuur, water en landgebruik;

    • f.

      het omgevingsplan bevat een landschapsontwerp dat door een geregistreerd landschapsarchitect is opgesteld waaruit blijkt dat het landgoed past in het aanwezige landschap;

    • g.

      het omgevingsplan bevat ten behoeve van het beheer van de landschapselementen het bos, natuurterreinen en overige groenelementen op het landgoed een beheerplan, dat ziet op een periode van tien jaar na realisatie van het landgoed.

  • 2

    De uitvoering van het landschapsontwerp en het beheerplan zoals bedoeld in het eerste lid, sub f respectievelijk sub g, wordt verzekerd door het opnemen van een gebod of voorwaardelijke verplichting in het omgevingsplan dat ontwikkeling van het landgoed mogelijk maakt.

Q

Artikel 3.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.35 Bosclustering

  • 1

    Een omgevingsplan kan alleen voorzien in de aanleg van nieuw bos, als het nieuwe bos grenst aan één van de volgende gebieden:

    • a.

      een bestaand bos dat groter is dan 50 25 hectare, of aan een kleinere waardevolle bosgemeenschap;

    • b.

      een natuurgebied dat groter is dan 50 hectare;

    • c.

      een bestaand of toekomstig recreatiegebied, dat groter is dan 10 hectare;

    • d.

      een woonkern , een bedrijventerrein of een sportterrein, waarbij bestaande cultuurhistorische, landschappelijke en natuurwaarden niet worden aangetast.

  • 2

    Een omgevingsplan dat voorziet in de aanleg van nieuw bos zoals bedoeld in het eerste lid verbindt, om ecologie, duurzaamheid en kwaliteit van de nieuwe houtopstand te borgen, de volgende voorwaarden aan de desbetreffende functie:

    • a.

      Het bos wordt gemengd aangeplant met, per opstand, ten minste 3 boomsoorten waarbij geen van de boomsoorten een aandeel heeft van meer dan 50%;

    • b.

      Ten minste 30% van de nieuwe houtopstand bestaat uit rijk- of neutraalstrooiselsoorten;

    • c.

      Er dient uitsluitend gebruik te worden gemaakt van bosbouwkundig selectiemateriaal waarvan de herkomst is opgenomen in de Rassenlijst Bomen;

    • d.

      Bij bestaand bos zoals bedoeld in het eerste lid, onder a, van 100 jaar of ouder waar aantoonbaar autochtoon genenmateriaal aanwezig is, dient uitsluitend autochtoon plantmateriaal te worden gebruikt;

    • e.

      De volgende plantafstanden en te planten hoeveelheden plantsoen per hectare, waarbij het aan te planten plantsoen gelijkmatig verdeeld over het perceel is aangeplant:

      • 1.

        Bij plantsoen tot 150 cm: een onderlinge plantafstand van 1,5 bij 1,5 meter en minimaal 4500 stuks per hectare;

      • 2.

        Bij plantsoen vanaf 150 cm: een onderlinge plantafstand van 4 bij 4 meter en minimaal 625 stuks per hectare.

  • 3

    In afwijking van het tweede lid, sub c, is de experimentele aanplant van soorten die niet op de Rassenlijst Bomen voorkomen, maar waarvan wordt verwacht dat deze soorten in een veranderend klimaat een belangrijke rol in het bos zullen kunnen spelen, toegestaan, mits deze aanplant niet meer dan 10% van het te beplanten areaal beslaat en de overige aanplant voldoet aan de voorwaarden zoals opgenomen in het tweede lid, sub a, b, d en e, van dit artikel.

R

Artikel 4.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.5 Vergunningvrije gevallen schadesoorten

  • 1

    Als schadeveroorzakende soorten als bedoeld in de artikel 11.44, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving worden aangewezen de soorten genoemd in Bijlage 7.

  • 2

    Grondgebruikers mogen de soorten bedoeld in het eerste lid opzettelijk verstoren op de door hen gebruikte gronden, dan wel in of aan door hen gebruikte opstallen, ter voorkoming van in het lopende of het volgende jaar dreigende schade op deze gronden, in of aan deze opstallen of in het omringende gebied.

  • 3

    Het tweede lid geldt ook voor de persoon of de wildbeheereenheid die daarvoor een door de grondgebruiker verleende schriftelijke en gedagtekende toestemming bij zich draagt en deze op eerste vordering van een daartoe bevoegde ambtenaar toont.

  • 4

    Het tweede lid is niet van toepassing op het in de periode van 1 oktober tot 1 april opzettelijk verstoren van overwinterende ganzen in de in Bijlage 9 aangewezen rustgebieden Aangewezen Foerageergebieden.

  • 5

    Bij het opzettelijk verstoren van de soorten als bedoeld in het tweede lid mag alleen gebruik worden gemaakt van de in Bijlage 8 genoemde middelen.

  • 6

    De in het tweede lid bedoelde schade heeft uitsluitend betrekking op belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, of wateren, als bedoeld in artikel 11.44, tweede lid, onder c., sub 1° van het Besluit activiteiten leefomgeving.

S

Artikel 4.24 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.24 Maatwerkregel herbeplanten op bosbouwkundig verantwoorde wijze

  • 1

    Onder op bosbouwkundig verantwoorde wijze herbeplanten als bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verstaan:

    • a.

      een herbebossing die gericht wordt uitgevoerd om de doelen van houtproductie, natuur, landschap en/of cultuurhistorie te realiseren; of

    • b.

      een spontane natuurlijke verjonging.

  • 2

    De herbeplanting als bedoeld in het eerste lid bestaat uit boomsoorten die geschikt zijn om gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand en heeft binnen drie jaar een bedekkingsgraad van 80%.:

    • a.

      bestaat uit boomsoorten die geschikt zijn om gelet op de bodemkwaliteit en waterhuishouding ter plaatse uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand; en

    • b.

      Bestaat uit boomsoorten die overeenstemmen met of voldoen aan dezelfde categorie als de gevelde boomsoorten zoals opgenomen in Bijlage 20; en

    • c.

      Bestaat uit plantsoen met een minimale leeftijd van 2 jaar en een minimale hoogte van 40 centimeter;

    • d.

      voldoet aan de volgende plantafstanden en te planten hoeveelheden plantsoen per hectare, waarbij het aan te planten plantsoen gelijkmatig verdeeld over het perceel is aangeplant;

      • 1.

        Bij plantsoen tot 150 cm: een onderlinge plantafstand van 1,5 bij 1,5 meter en minimaal 4500 stuks per hectare;

      • 2.

        Bij plantsoen vanaf 150 cm: een onderlinge plantafstand van 4 bij 4 meter en minimaal 625 stuks per hectare.

  • 3

    Van de vereisten onder lid 2 sub c en d kan worden afgeweken, mits de initiatiefnemer aannemelijk maakt dat het plantsoen zal uitgroeien tot een  volwaardige en duurzame houtopstand.

T

Artikel 4.25 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.25 Maatwerkregel Maatwerkvoorschrift voorwaarden aanvraag ontheffing herbeplanting op andere grond

  • 1

    Een aanvraag voor een toestemming voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving geschiedt uiterlijk twee jaar na de velling.

    Een aanvraag voor het met een maatwerkvoorschrift toestaan van herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving geschiedt binnen vier weken na het indienen van de kapmelding als bedoeld in 11.126 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het betreffende perceel.

  • 2

    Een aanvraag als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan op digitale wijze ingediend door middel van een door gedeputeerde statenGedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier.

  • 3

    In bijzondere gevallen kunnen gedeputeerde staten afwijken van het eerste lid.

U

Artikel 4.26 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.26 Maatwerkvoorschrift voorwaarden herbeplanting op andere grond

  • 1

    Gedeputeerde staten kunnen een toestemming voor herbeplanting op andere grond als bedoeld in artikel 11.130 van het Besluit activiteiten leefomgeving geven indien:

    • a.

      het perceel of de percelen waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd zijn gelegen in provincies Drenthe, Groningen of Friesland;

    • b.

      de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd van minimaal gelijkwaardige kwaliteit is als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond;

    • c.

      de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd minimaal dezelfde oppervlakte heeft als die waarop zich de gevelde houtopstand bevond; en

    • d.

      met de herbeplanting op andere grond naar het oordeel van gedeputeerde staten de waarden van houtproductie, natuur, landschap en cultuurhistorie niet onevenredig worden geschaad.

  • 2

    De herbeplanting wordt gerealiseerd op landbouwgrond indien de herplantplicht ontstaat door een omvorming van bos naar landbouwgrond.

  • 3

    Indien de gevelde opstand deel uitmaakte van een boskern vindt herbeplanting plaats in of aansluitend aan een boskern.

  • 4

    Op de grond waarop de herbeplanting wordt gerealiseerd rusten geen bos- of natuurcompensatieverplichtingen die zijn ontstaan op grond van de Omgevingswet, de Wet natuurbescherming of haar voorlopers of op grond van andere wet- en regelgeving.

  • 5

    De herbeplanting vindt plaats op een bosbouwkundig verantwoorde wijze, zoals beschreven in artikel 4.24.voldoet aan de voorwaarden van; 

    • a.

      een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting zoals bedoeld in artikel 4.24, eerste lid en tweede lid, onder a en c, van deze verordening; en 

    • b.

      een nieuw bos zoals bedoeld in artikel 3.35, tweede en derde lid, van deze verordening.

V

Artikel 6.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.1 Zorgplichtbepaling

Ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten de kwaliteit van het grondwater in een GrondwaterbeschermingsgebiedWaterwingebiedVerbodszone diepe boring Nietap,Verbodszone diepe boring AssenVerbodszone diepe boring Hoogeveen Holtien en ZuidwoldeVerbodszone diepe boring Annen Breevenen, Kruidhaars en KruidhaarsDe Groeve en Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa kan worden geschaad, is verplicht dergelijk handelen achterwege te laten - behoudens voor zover dat ingevolge de bepalingen van dit hoofdstuk uitdrukkelijk is toegestaan - dan wel, als dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die schade te voorkomen, dan wel als die schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

W

Afdeling 6.2.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.2.2 Waterwingebieden

Artikel 6.3 Milieubelastende activiteiten in waterwingebieden

  • 1

    Het is verboden om in een Waterwingebied een milieubelastende activiteit uit te voeren waarvoor een omgevingsvergunning is vereist op grond vandie in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangewezen als milieubelastende activiteit.

  • 2

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenmilieubelastende activiteitaar het uitvoeren van een milieubelastende activiteit als eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien het uitvoeren van een activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.



Artikel 6.4 Overige activiteiten in waterwingebieden

  • 1

    Het is in een Waterwingebied verboden:

    • a.

      schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen;

    • b.

      een constructie of werk van welke aard dan ook op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de beschermende werking van bodemlagen ontstaat of kan ontstaan;

    • c.

      grond of baggerspecie toe te passen waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt;

    • d.

      handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd;

    • e.

      een lozing in de bodem uit te voeren.

  • 2

    Als een (potentieel) schadelijke stof wordt aangemerkt:

    • a.

      een (potentieel) zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM;

    • b.

      stoffen opgenomen in de Nederlandse Richtlijnen Bodembescherming 2012, deel 3, bijlage 2, stap 5, 'De stoffenlijst';

    • c.

      stoffen met een schadelijke werking op de smaak op geur van het grondwater, alsmede mengsels en verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het grondwater kunnen ontstaan die het grondwater ongeschikt voor menselijke consumptie maken; en

    • d.

      Gewasbeschermingsmiddelen, biociden en derivaten daarvan.

  • 3

    Onder de in het eerste lid, onder b, bedoelde constructies of werken worden in elk geval begrepen boorputtensonderingen, grond- of funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreservoirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.

  • 4

    Het in het eerste lid onder a, b en c gestelde veschadelijke stoffen hebben inbrengen of gebruikenrbodverbod geldt niet voor:

    • a.

      het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

    • b.

      het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;

    • c.

      schadelijke stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoertuigen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    • d.

      het vervoeren van schadelijke stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een ongeopende verpakking;

    • e.

      het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden schadelijke stoffen, niet zijnde gewasbeschermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, mits bewaard in een afgesloten verpakking en beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

    • f.

      het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodemkwaliteit;

    • g.

      het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembescherming.

      de bodem te onderzoeken of te saneren in het kader van de Wet bodembescherming of activiteiten uit te voeren voor zover deze bestaan uit het doen van onderzoek of saneringsactiviteiten als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 5

    Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een waterleidingmaatschappij, indien de desbetreffende activiteit of gedraging noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening of als de activiteit of gedraging is opgenomen in een waterbeheerprogrammabeheerplan.

Artikel 6.5 Waterbeheerprogramma Beheerplan

  • 1

    De waterleidingmaatschappij stelt, voor de bij haar in gebruik zijnde waterwingebieden, een waterbeheerprogramma beheerplan op waarin is aangegeven op welke wijze de waterwingebieden zijn of worden ingericht en beheerd en op welke wijze de bodem en het grondwater worden beschermd met het oog op de waterwinning. In het waterbeheerprogramma beheerplan kan worden aangegeven welke activiteiten en handelingen als bedoeld in Artikel 6.4 in het voor dat gebied opgestelde beheerprogrammabeheerplan naar de mening van de waterleidingmaatschappij in dat gebied toegestaan zijn.

  • 2

    Het in het eerste lid genoemde beheerplan behoeft de goedkeuring van Gedeputeerde Staten.

X

Afdeling 6.2.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.2.3 Grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 6.6 Verboden

  • 1

    De volgende beperkingsgebiedactiviteiten zijn in een Grondwaterbeschermingsgebied verboden: 

    • a.

      Het uitvoeren van een activiteit die is vermeld in Bijlage 18 Lijst met verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden; 

    • b.

      Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben; 

    • c.

      Grond- of funderingswerken te verrichten of sonderingen uit te voeren dieper dan 3 meter onder het maaiveld; 

    • d.

      ten aanzien van hemelwater van gebouwen en verhardingen een lozing op of in de bodem te verrichten; 

    • e.

      een lozingsactiviteit ten aanzien van hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te verrichten; 

    • f.

      parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding; 

    • g.

      een buisleiding voor het transport van gas en waterstof (met uitzondering van aardgas- of transportleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën aan te leggen, te vervangen, te veranderen of te verleggen; 

    • h.

      een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben; 

    • i.

      IBC-bouwstof toe te passen; 

    • j.

      grond of baggerspecie toe te passen, en; 

    • k.

      het tot stand brengen van werken of verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd, en;

    • l.

      voor het grondwater schadelijke stof op of in de bodem brengen.

  • 2

    Als voor het grondwater schadelijke stof als bedoeld in het eerste lid, sub l, van dit artikel wordt aangemerkt een (potentieel) zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM.

Artikel 6.6 Verboden

  • 1

    De volgende beperkingsgebiedactiviteiten zijn in een Grondwaterbeschermingsgebied verboden:

    • a.

      een milieubelastende activiteit, als bedoeld in:

      • 1.

        afdeling 3.3 Besluit activiteiten leefomgeving, complexe bedrijven;

      • 2.

        artikel 3.24 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke vloeistoffen;

      • 3.

        artikel 3.27 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan van gevaarlijke meststoffen; en

      • 4.

        artikel 3.39 Besluit activiteiten leefomgeving gericht op het opslaan, mengen en scheiden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke vloeistoffen.

    • b.

      Het bedrijfsmatig gebruik of aanwezig hebben van voor het grondwater schadelijke stoffen;

    • c.

      Boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben;

    • d.

      Grond- of funderingswerken te verrichten of sonderingen uit te voeren dieper dan 3 meter onder het maaiveld;

    • e.

      bodemenergiesystemen dieper dan 3 meter onder het maaiveld in de bodem te drukken;

    • f.

      ten aanzien van hemelwater van gebouwen en verhardingen een lozingsactiviteit te verrichten;

    • g.

      een lozingsactiviteit ten aanzien van hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te verrichten;

    • h.

      parkeergelegenheid voor motorvoertuigen, anders dan voor privégebruik, aan te bieden indien het terrein niet is voorzien van een aaneengesloten verharding;

    • i.

      een buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgasleiding bestemd voor het plaatselijke transport van en naar particulieren en bedrijven), olie of chemicaliën, alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën aan te leggen, te vervangen, te veranderen of te verleggen;

    • j.

      een begraafplaats of uitstrooiveld, als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging, of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben;

    • k.

      IBC-bouwstof toe te passen;

    • l.

      grond of baggerspecie toe te passen, en;

    • m.

      het tot stand brengen van werken of verrichten van handelingen waardoor direct of indirect warmte of koude aan de bodem wordt onttrokken of toegevoegd.

  • 2

    Als voor het grondwater schadelijke stof wordt aangemerkt een (potentieel) zeer zorgwekkende stof, zoals vastgesteld door het RIVM.

Artikel 6.6a Uitzondering op gebruik schadelijke stof

Het in artikel 6.6, eerste lid, onder l, bepaalde is niet van toepassing op:  

  • a.

    het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen en biociden waarvoor geen restrictie is opgenomen in het wettelijk gebruiksvoorschrift voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebied; 

  • b.

    het niet bedrijfsmatig gebruiken van een geringe hoeveelheid schadelijke stof, voor zover het product waarin deze schadelijke stof aanwezig is wordt toegepast volgens het daarvoor geldende gebruiksvoorschrift.

Artikel 6.7 Uitzonderingen

  • 1

    Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l j gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie op of in de bodem indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie:

    • a.

      de achtergrondwaarde niet overschrijdt, dan wel;

    • b.

      de maximale waarden van de kwaliteitsklasse wonen niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende bodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse wonen en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is.



  • 2

    Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l j gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie in oppervlaktewater indien de kwaliteit van de grond of baggerspecie:

    • a.

      de achtergrondwaarde niet overschrijdt, of;

    • b.

      de maximale waarden van de kwaliteitsklasse A niet overschrijdt, de kwaliteit van de ontvangende waterbodem gelijk is aan of slechter is dan de kwaliteitsklasse A en de grond of baggerspecie uit het grondwaterbeschermingsgebied afkomstig is.



  • 3

    Het in Artikel 6.6, lid 1, sub l j gestelde verbod is niet van toepassing op grond of baggerspecie voor zover het betreft baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van watergangen op het aangrenzend perceel, met het oog op het herstellen of verbeteren van die percelen.

Artikel 6.8 Algemene meldplichten

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan aan gedeputeerde statenGedeputeerde Staten:

  • a.

    Boorputten op te richten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    de bodem te onderzoeken of saneren in het kader van de Wet bodembescherming of activiteiten uit te voeren voor zover deze bestaan uit het doen van onderzoek of saneringsactiviteiten als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    tijdelijke bronbemaling te verrichten, mits na doelgebruik wordt verwijderd en de boorgaten worden afgedicht met betoniet of zwelklei;

  • d.

    veedrinkputten aan te leggen die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld.

Artikel 6.9 Meldplicht graafwerkzaamheden

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub d, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten:

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub c, is het toegestaan voor zover daartoe 4 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten, graafwerkzaamheden te verrichten die gepaard gaan met het verwijderen van grond die dieper gaan dan 3 meter onder het maaiveld als daarbij:

  • a.

    graafwerkzaamheden te verrichten die gepaard gaan met het verwijderen van grond die dieper gaan dan 3 meter en waarbij;

  • b a.

    voor beëindiging van de graafwerkzaamheden het bodemprofiel wordten de scheidende lagen worden aangevuld tot ten minste 3 meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken.dan wel;

  • b.

    aansluitend wordt aangevuld op eventueel aangelegde kunstwerken.

Artikel 6.10 Meldplicht grond-, sanerings- en funderingswerkzaamheden

  • 1

    In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub c, is het, voor zover daartoe 4 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten, toegestaan sonderingen dieper dan 3 meter uit te voeren, indien:

    • a.

      de gepenetreerde bodem ter plaatse van de uitgevoerde sondering vanaf 0,5 meter beneden maaiveld tot minimaal 1,0 meter beneden de waargenomen grondwaterstand wordt afgedicht met zwelklei of betoniet, of;

    • b.

      indien een aanwezige slecht doorlatende laag dieper wordt aangetroffen dan de waargenomen grondwaterstand, de uitvoerende sondering vanaf 0,5 meter beneden maaiveld tot 0,5 meter beneden de onderzijde van een slecht doorlatende laag wordt afgedicht met zwelklei of betoniet.

  • 2

    In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub dc, is het, voor zover daartoe 94 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde statenGedeputeerde Staten, toegestaan palen dieper dan 3 meter in te brengen waarbij gebruik wordt gemaakt van: 

    • a.

      grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 

    • b.

      in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is verbreed en die niet grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken, of; 

    • c.

      schroefpalen schroefpennen.

Artikel 6.11 Meldplicht lozingsactiviteit gebouwen en verhardingen

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.6, lid 1, sub fd, is het, voor zover daartoe 9 4 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde statenGedeputeerde Staten, toegestaan lozingsactiviteiten te verrichten in de vorm van oppervlakkige infiltraties:

  • a.

    ten aanzien van gebouwen: indien geen bouwmaterialen worden gebruikt die tot gevolg hebben dat schadelijke stoffen door afspoelen of uitloging in het afstromend water kunnen komen en afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem;

  • b.

    ten aanzien van wegen: indien het afstromend water uitsluitend infiltreert via een doelmatig werkend zuiveringssysteem.



Y

Afdeling 6.2.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.2.4 Verbodszone diepe boringen

Artikel 6.12 Verboden

Artikel 6.13 Algemene meldplichten

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.12, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten:

In afwijking van het bepaalde in Artikel 6.12, is het toegestaan voor zover daartoe 4 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten om dieper dan de in Artikel 6.12 lid1lid 2lid 3 en lid 4, voor dat gebied aangegeven diepte:

  • a.

    Boorputten op te richten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

  • b.

    de bodem te onderzoeken of te saneren in het kader van de Wet bodembescherming of activiteiten uit te voeren voor zover deze bestaan uit het doen van onderzoek of saneringsactiviteiten als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    tijdelijke bronbemaling te verrichten, mits deze na doelgebruik wordt verwijderd en de boorgaten worden afgedicht met betoniet of zwelklei;

  • d.

    veedrinkputten aan te leggen die niet dieper gaan dan 10 meter beneden maaiveld.

Artikel 6.14 Meldplicht graafwerkzaamheden

Onverminderd het bepaalde in Artikel 6.12, lid 1, sub b, lid 2, sub b, lid 3, sub b, is het toegestaan voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten:

Onverminderd het bepaalde in artikel 6.12 is het, voor zover daartoe 4 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten toegestaan graafwerkzaamheden dieper dan de in artikel 6.12 voor dat gebied aangegeven diepte uit te voeren indien :

  • a.

    graafwerkzaamheden te verrichten die gepaard gaan met het verwijderen van grond die dieper gaan dan 3 meter en waarbij;

  • b a.

    het bodemprofiel wordt aangevuld tot ten minste 3 meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden, en aansluitend op eventueel aangelegde kunstwerken.

    voor beëindiging van de graafwerkzaamheden het bodemprofiel en de scheidende lagen worden aangevuld tot ten minste 3 meter onder het maaiveld zoals dat aanwezig was voorafgaand aan de graafwerkzaamheden dan wel, 

  • b.

    aansluitend wordt aangevuld op eventueel aangelegde kunstwerken.

Artikel 6.15 Meldplicht grond-, sonderings- en funderingswerkzaamheden

  • 1

    Onverminderd het bepaalde in Artikel 6.12 lid 1lid 2lid 3 en lid 4, is het, voor zover daartoe 4 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde staten, toegestaan sonderingen dieper dan de in artikel 6.12 lid 1, lid 2, lid 3 en lid 4, voor dat gebied aangegeven diepte uit te voeren indien:  

    • a.

      De gepenetreerde bodem ter plaatse van de uitgevoerde sondering vanaf 0,5 meter beneden maaiveld tot minimaal 1,0 meter beneden de waargenomen grondwaterstand wordt afgedicht met betoniet of zwelklei, of; 

    • b.

      Indien een aanwezige slecht doorlatende laag dieper wordt aangetroffen dan de waargenomen grondwaterstand, de uitgevoerde sondering vanaf 0,5 meter beneden maaiveld tot 0,5 meter beneden de onderzijde van een slecht doorlatende laag wordt afgedicht met betoniet of zwelklei.

  • 2

    Onverminderd het bepaalde in Artikel 6.12 lid 1lid 1, sub b, lid 2, sub b, lid 3, sub b, is het, voor zover daartoe 9 weken voor aanvang melding wordt gedaan bij gedeputeerde statenGedeputeerde Staten, toegestaan palen dieper dan 3 meter in te brengen waarbij gebruik wordt gemaakt van: 

    • a.

      grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet; 

    • b.

      in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaatselijk is verbreed en die niet grondverdringend wordt ingebracht en niet wordt getrokken, of; 

    • c.

      schroefpalen.

Z

Artikel 6.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.17 Bebording

  • 1

    De waterleidingmaatschappij moet het Grondwaterbeschermingsgebied en Waterwingebied aanduiden door middel van een bord, waarvan het model door gedeputeerde staten is vastgesteldis weergegeven in bijlage 17 bij deze verordening.

  • 2

    Een bord met het opschrift 'grondwaterbeschermingsgebied' respectievelijk 'waterwingebied' wordt geplaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk de waterwingebieden doorkruisen c.q. daaraan grenzen en wel bij de buitenste grens van de grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk waterwingebieden.

AA

Afdeling 6.2.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.2.7 Overige bepalingen

Artikel 6.18 Omgevingsvergunning

  • 1

    Indien in een bijzonder geval het algemeen belang de uitvoering van een activiteit waarop een verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt, kan het college van gedeputeerde staten een omgevingsvergunning verlenen om af te wijken van de verboden opgenomen in Artikel 6.4 en Artikel 6.6, sub b, c, d, f, g, h en kj, met dien verstande dat:

    • a.

      een omgevingsvergunning voor het afwijken van sub g uitsluitend wordt verleend indien wordt verzekerd dat sprake is van transport van niet-verontreinigd aardgas dan wel waterstof;

    • b.

      aan de omgevingsvergunning worden de voorschriften verbonden die de hoogst mogelijke vorm van bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden.

  • 2

    De aanvrager vermeldt in de aanvraag het algemeen belang dat met de uitvoering van de activiteit is gediend.

  • 3

    Het college van gedeputeerde staten stelt de waterleidingmaatschappij in de gelegenheid advies uit te brengen naar aanleiding van de aanvraag om omgevingsvergunning.

Artikel 6.19 Overgangsrecht

  • 1

    Het verbod genoemd in de artikel 6.3, eerste lidartikel 6.6 en artikel 6.12 is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit of een activiteit die is opgericht of al werd uitgevoerd voor de inwerkingtreding van die artikelen.

  • 2

    Het eerste lid is niet van toepassing op activiteiten die reeds in strijd waren met de voorheen geldende omgevingsverordening, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van die omgevingsverordening. 

BB

Artikel 7.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.6 Omgevingsvergunning stiltegebied

Gedeputeerde staten kunnen een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten genoemd in AfdelingArtikel 7.1 en Artikel 7.2.

CC

Artikel 8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.3 Aanwijzing vergunningvrije ontgrondingsactiviteiten

  • 1

    In aanvulling op hetgeen is opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod bedoeld in artikel 5.1 van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten tevens niet voor werkzaamheden aan en in gronden, gebezigd voor de uitoefening van een land-, tuin- of bosbouwbedrijf, mits:

    • a.

      er geen afvoer van bodemmateriaal plaatsheeft voor gebruik buiten het bedrijf waartoe de gronden behoren;

    • b.

      de gemiddelde hoogteligging van de gronden na beeindiging van de werkzaamheden niet wordt verminderd;

    • c.

      de grondlagen dieper dan 1 meter beneden het oorspronkelijke maaiveld ongemoeid blijven;

    • d.

      er geen archeologische verwachtingen en/of archeologische of aardkundige waarden worden aangetast, en;

    • e.

      de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van houtwallen.

  • 2

    In aanvulling op hetgeen is opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod bedoeld in artikel 5.1 van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten tevens niet voor werkzaamheden verricht door of in opdracht van natuurbeherende instanties aan en in gronden die door deze instanties worden beheerd, mits:

    • a.

      er geen archeologische verwachtingen en/of archeologische of aardkundige waarden worden aangetast;

    • b.

      de werkzaamheden zijn gericht op behoud of ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden;

    • c.

      er geen afvoer van ander dan humeus bodemmateriaal plaats heeft, en;

    • d.

      de werkzaamheden niet strekken tot het geheel of gedeeltelijk afgraven van houtwallen.

  • 3

    In aanvulling op hetgeen is opgenomen in artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt het verbod bedoeld in artikel 5.1 van de wet om zonder omgevingsvergunning een ontgrondingsactiviteit te verrichten niet indien deze ontgrondingswerkzaamheid bestaat uit een sanering van de bodem als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving en de uitvoering voldoet aan hetgeen is opgenomen in de hiervoor genoemde paragraaf 4.121.

DD

Artikel 10.23 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.23 Temperatuur opslagsysteem voor lage temperatuur

De regels opgenomen in de artikelen 4.1152 en 4.1154 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn niet van toepassing op het gebruiken van een temperatuur opslagsysteem voor lage temperatuur indien deze niet dieper wordt aangelegd dan 25 meter beneden maaiveld mits de temperatuur van het grondwater dat terug in de bodem wordt geleid niet hoger is dan 30 graden.

EE

Afdeling 14.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 14.2 Kwaliteitseisen

Artikel 14.2 Reikwijdte

Deze verordening afdeling is van toepassing op de uitvoering en handhaving zoals bedoeld in artikel 18.18 van de Omgevingswet door of in opdracht van Gedeputeerde Staten.



Artikel 14.3 Betrokkenheid van de provinciale staten

Provinciale Staten zien toe op de hoofdlijnen van het beleid voor de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wettentaken als bedoeld in artikel 14.2 in het licht van de voor de provincie vastgestelde beleidskaders voor de fysieke leefomgeving.

Artikel 14.4 Kwaliteitsdoelen

  • 1

    Gedeputeerde Staten beoordelen de kwaliteit van de uitvoering en handhaving van de betrokken wettentaken als bedoeld in artikel 14.2 in het licht van daarvoor door hen krachtens artikel 15.5 13.5, eerste lid, van het Omgevingsbesluit gestelde doelen.

  • 2

    De doelen, waar deze gestalte krijgen in de uitvoering en handhaving van de betrokken wettentaken zoals, bedoeld in artikel 2 artikel 14.2, hebben in ieder geval betrekking op:

    • a.

      de dienstverlening;

    • b.

      de uitvoeringskwaliteit van diensten en producten;

    • c.

      de financiën.

Artikel 14.5 Kwaliteitsborging

  • 1

    Het kwaliteitsniveau voor uitvoering en handhaving is minimaal gelijk aan de explainmodules explainmodules.

  • 2

    Op de uitvoering en handhaving van de betrokken wetten door of in opdracht van Gedeputeerde Staten zijn de in het eerste lid bedoelde kwaliteitscriteria van toepassing.

  • 3

    Over de naleving van de kwaliteitscriteria doen Gedeputeerde Staten jaarlijks mededeling aan provinciale staten.

  • 4

    Voor zover de kwaliteitscriteria niet zijn of niet konden worden nageleefd, doen Gedeputeerde Staten daarvan gemotiveerd opgave.

FF

Artikel 15.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 15.3 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Omgevingsverordening Drenthe 2023.

GG

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

ammoniakemissie

emissie van ammoniak, uitgedrukt in kg NH3 per jaar

bedrijventerrein

Cluster van aaneengesloten percelen met een minimumoppervlakte van ten minste 1 hectare bruto dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor handel, nijverheid, industrie en commerciële en niet-commerciële dienstverlening, met uitzondering van terreinen voor agrarische doeleinden en terreinen voor afvalstort;

beeldkwaliteitsplan

plan dat eisen en aanbevelingen bevat met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied en met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen, met het oogmerk de kwaliteit van die ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast en dat juridisch deel uitmaakt van het omgevingsplan waarop het betrekking heeft

behoefteraming bedrijventerreinen

een provinciale of gemeentelijke prognose c.q. raming voor de planning van regionale bedrijventerreinen. Het omvat een raming van de vraag naar bedrijventerreinen en analyse van het bestaande aanbod. Deze raming is richtinggevend voor de te maken programmeringsafspraken met (regio)gemeenten en provincie over de (her)ontwikkeling van bedrijventerreinen.

beplanting

opgaande gewassen bestaande uit bomen of struiken, inclusief het wortelstelsel en worteldruk. Beplanting kan het beheer van de provinciale structuur beïnvloeden, bijvoorbeeld doordat wortels deze raken. Beplanting kan het beheer beïnvloeden doordat zichtlijnen worden beperkt

boorput

met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering

bord

opschrift, aankondiging, afbeelding, kleurvlak en/of een combinatie daarvan, of ander als bord te gebruiken materiaal, inclusief de bijbehorende vaste of verplaatsbare draag-, bevestigings- en/of steunconstructies

boskern

een aaneengesloten houtopstand met in totaal een oppervlakte van ten minste 5 hectare bos. Singels en houtwallen die aansluiten op een bos zijn geen onderbreking van de boskern. Een beplanting is aansluitend wanneer er geen onderbrekingen in zitten die groter zijn dan 8 meter van stam tot stam gemeten aan de binnenkant van beide stammen

centrumgebied

Concentratiegebied met 5 of meer winkels of andere voorzieningen op korte afstand van elkaar, zoals bijvoorbeeld een binnenstad of buurt- en wijkcentrum.

gemeentelijke werklocatievisie

een beleidsdocument van een gemeente waarin - op basis van een analyse tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale werklocatie(s) in de desbetreffende gemeente en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen

explainmodule

een verklaring waarin gemotiveerd is afgeweken van de kwaliteitscriteria zoals verwoord in de 'Handreiking bij Drentse Verordening kwaliteit Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving Omgevingsrecht', versie 1, 15 mei 2016

gewasbeschermingsmiddelen

hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden

grond- of funderingswerken

een werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies

grondgebonden agrarisch bedrijf

agrarisch bedrijf waarvan de exploitatie geheel of grotendeels gebonden is aan aanwezige gronden, met uitzondering van varkens-, pluimvee- en geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen

grondwatersanering

het beheren, beperken of ongedaan maken van verontreiniging van het grondwater

intensieve veehouderij

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en die gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, of geitenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen, met uitzondering van melkrundveehouderij, rundveemesterij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, vleeskalverhouderij waarbij de feitelijke bedrijfsvoering grondgebonden is, en het biologisch houden van dieren conform de Landbouwkwaliteitswet;

kwaliteitscriteria

de in landelijke samenwerking tussen bevoegde gezagen ontwikkelde en beschikbaar gestelde vigerende kwaliteitscriteria voor vergunningverlening, toezicht en handhaving inzake de beschikbaarheid en de deskundigheid van organisaties die met de vergunningverlening, toezicht en handhaving van de betrokken wetten zijn belast

landgoed

een landschappelijk ontwikkeld gebied met één wooneenheid, eventueel in combinatie met ondergeschikte functies, die het voornamelijk door architectonische verbintenis met een landgoedontwerp allure en uitstraling verkrijgt

landschappelijk inpassingsplan

juridisch bindend plan dat aangeeft op welke wijze inpassing van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen in het desbetreffende gebied plaatsvindt. Tot deze inpassing behoren situering van de opstallen en de inrichting van het perceel, waaronder de erfbeplanting ten opzichte van het landschap. Het gaat om bestaande en gewenste karakteristieken en kwaliteiten van het landschap. Een en ander uit zich in een ontwerpgerichte benadering waarin de karakteristieken en kwaliteiten verder worden versterkt

Lokaal bedrijventerrein

en bedrijventerrein dat:

1. plaats biedt aan bedrijven met een lokale oriëntatie om reden van de sociale binding aan de kern en haar directe omgeving (veelal doordat de eigenaar daar in de buurt woonachtig is) vooral qua arbeidsmarkt en qua toelevering- en afnemersrelaties;

2. bedrijven huisvest die kleinschalig zijn;

3. plaats biedt aan bedrijfsbebouwing die qua kwaliteit, volume en kavelgrootte aansluiten bij de kwaliteit van de directe omgeving;

4. geen ruimte biedt voor significant milieubelastende activiteiten (maximaal categorie 3.1 volgens VNG-uitgave 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering'), waarbij geldt dat op basis van duidelijke gemotiveerd uitzonderingsbeleid de vestiging van categorie-4-bedrijven eventueel ook mogelijk is;

maatschappelijk belang

een belang dat educatief, sociaal-medisch, sociaaleconomisch, sociaal-cultureel, recreatief of levensbeschouwelijk van aard is, de duurzaamheid bevordert, dan wel gerelateerd is aan sport of aan openbare dienstverlening

maximale emissiewaarde

de hoogste ammoniakemissie per dierplaats, die volgens het Besluit activiteiten leefomgeving bij een diercategorie is toegestaan

melkrundvee

- melkvee met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat overwegend wordt gehouden voor de melkproductie, met inbegrip van dieren die in de mestperiode worden gemolken, tijdens de lactatie worden gemest dan wel zijn drooggezet en worden afgemest, en 

- vrouwelijk vleesvee ouder dan 2 jaar met bijbehorend vrouwelijk jongvee, dat op een met melkvee vergelijkbare manier wordt gehouden voor de vleesproductie en het voortbrengen en zogen van kalveren.

melkrundveehouderij

veehouderij die uitsluitend of in hoofdzaak gericht is op het bedrijfsmatig houden van melkrundvee

natuurbegraafplaats

een natuurlijk terrein, anders dan een reguliere begraafplaats, waar menselijke stoffelijke overschotten in een eeuwigdurende grafrust ter aarde worden besteld in een graf of urn van natuurlijke, biologisch afbreekbare materialen, waarbij de graven schijnbaar willekeurig verspreid en ingepast in het landschap liggen en niet zijn voorzien van een traditionele grafsteen

neventak

activiteiten die niet rechtstreeks tot de bedrijfsvoering van de agrarische hoofdactiviteit behoren en die op basis van de standaardopbrengst (SO) norm daaraan ondergeschikt zijn

omgevingsplan

omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet;

ondergeschikte detailhandel

detailhandel die in ruimtelijk, functioneel en inkomenswervend opzicht ondergeschikt is aan de op de ingevolge het omgevingsplan/bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie (activiteit) en uitsluitend plaatsvindt als niet zelfstandig onderdeel van een onderneming in de vorm van verkoop c.q. levering van ter plaatse vervaardigde, bewerkte of herstelde goederen, dan wel goederen die in rechtstreeks verband staan met de onderneming.

openbare weg

hetgeen in artikel 1, eerste lid, sub b, van de Wegenverkeerswet 1994 wordt verstaan onder het begrip ‘wegen’, met uitzondering van die wegen die krachtens de Wegenverkeerswet 1994 alleen openstaan voor voetgangers en fietsers

plancapaciteit

de directe vestigingsmogelijkheden voor detailhandel die zijn vastgelegd in een juridisch bindend planologisch kader, zoals vastgestelde Omgevingsplannen/bestemmingsplan, uitwerkingsplannen, gebieden zonder omgevingsplan (witte vlekken) en verleende omgevingsvergunningen.

redengevende omschrijving

De cultuurhistorische waardenstelling en -omschrijving op basis waarvan een provinciaal monument is aangewezen, zoals bekend gemaakt in het Provinciaal blad en opgenomen in de Provinciale monumentenlijst Drenthe, te raadplegen via www.provincialemonumentendrenthe.nl.www.provincie.drenthe.nl/provincialemonumenten

Regionale bedrijventerreinenvisie

een regionaal beleidsdocument waarin - op basis van een gezamenlijke analyse - tussen alle gemeenten in een bedrijvenregio afstemming plaatsvindt over minimaal de planningsbehoefte en fasering voor de regionale bedrijventerreinen en die de basis vormt voor afspraken met de provincie over de betreffende onderwerpen

Regionaal bedrijventerrein

een bedrijventerrein of locatie voor kantoren die plaats biedt aan bedrijven met een bovenlokale oriëntatie, zowel qua arbeidsmarkt als qua toelevering- en afnemersrelaties, en die is gelegen in een bedrijvenregio dan wel het VAM/MERA-terrein te Wijster betreft

regionale programmeringsafspraken

een regionaal beleidsdocument met intergemeentelijke en provinciale afspraken over de (her)ontwikkeling van regionale bedrijventerreinen. Wezenlijk onderdeel van de afspraken is de wijze van afstemming over de programmering van de geraamde vraag naar bedrijventerreinen versus het bestaande aanbod

regionale waterkering

een waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de Waterwet, die beveiliging biedt tegen overstroming en die als zodanig is aangewezen in deze verordening

ruimte-voor-ruimte regeling

regeling ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in landelijk gebied door het verwijderen van landschapsontsierende bebouwing met een bedrijfsmatige of maatschappelijke functie, die geen functie meer heeft en waarvoor ter compensatie van de sloop een of meerdere woning(en) mag (mogen) worden gebouwd

signaleringsparameter

waarde voor stoffen in het grondwater waarbij sprake is van een grondwaterverontreiniging (voormalige interventiewaarden voor grondwater). De signaleringsparameters zijn opgenomen in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

vakantiepark

een terrein of een plaats van enige omvang, al dan niet geheel of gedeeltelijk met gemeenschappelijke voorzieningen ingericht en blijkens die inrichting en juridische bestemming bedoeld om meerdere recreatiewoningen of campings te plaatsen of geplaatst te houden

vrijkomende agrarische bebouwing

bebouwing op een bestaand agrarisch bouwperceel dat door (gedeeltelijke) beëindiging van het agrarische bedrijf vrij komt voor invulling met een niet-agrarische functie, dan wel gebouwen die als agrarisch gebouw zijn opgericht met een voormalige overeenkomstige bestemming en ook agrarisch in gebruik zijn geweest, maar inmiddels een niet-agrarische functie hebben

waterleidingmaatschappij

een bedrijf dat grond- of oppervlaktewater wint met het doel dit te gebruiken voor de bereiding van drinkwater voor de openbare drinkwatervoorziening

weidevogel

alle grondbroedende vogelsoorten op percelen die in agrarisch gebruik zijn

windturbine

door wind aangedreven molen die wordt gebruikt voor de productie van elektriciteit

HH

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

Aangewezen Foerageergebieden

/join/id/regdata/pv22/2026/gebiedsaanwijzing_2841ea038aee44f7bc5a0fe6757413c8/nld@2026‑07‑14;1

aardkundige waarden beschermingsniveau hoog

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio297/nld@2024‑02‑13;69

aardkundige waarden beschermingsniveau middel

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio295/nld@2024‑02‑13;69

akkerbouw

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio309/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio309/nld@2026‑07‑14;70

assen

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio299/nld@2024‑02‑13;69

bebouwd gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio313/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio313/nld@2026‑07‑14;70

beekdal

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio208/nld@2024‑02‑13;69

bergingsgebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio211/nld@2024‑02‑13;69

bestaand stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio206/nld@2024‑02‑13;69

Cultuurhistorie - 1. De kop van Drenthe - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_88bc15f028e44ed39352e2ef84edbd05/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 1. De kop van Drenthe - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_e769e22ea9334d47aadc2f39e9ab7a90/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 1. De kop van Drenthe - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_49343eed79204b6cba53531ccaee7a64/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 1. De kop van Drenthe - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_276bd04f7b2f422ca90f29a8ce33e651/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 2. Drentsche Aa - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_72eb44f493554647a71ccd295225cc0c/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 2. Drentsche Aa - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_7605ec9fd9d1419b96ccb340d0e75b87/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 2. Drentsche Aa - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_2c66eb22bba3475f90019f27e956123a/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 2. Drentsche Aa - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_2807aca68c4049e7a1d53999bd17711f/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 3. Hondsrug en Hunzedal - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_640c933f255f42c38c48d4eb41b47091/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 3. Hondsrug en Hunzedal - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_3b2f12b596c445a1b23fba54d0bad190/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 3. Hondsrug en Hunzedal - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_2e63dde2bcc3453e9e8f191120b49099/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 3. Hondsrug en Hunzedal - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_17e04657da66402992b1b598bf952005/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 4. De Drentse Monden - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_3241ae04157f46debc8866d442668c30/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 4. De Drentse Monden - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_43ad14f9dfc94f9899097d52e434efb9/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 4. De Drentse Monden - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_38ddafbb3f974aff93b2b7e86e50d984/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 5. De Drentse Hoofdvaart - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_9f608af4e4354c8f92c4b6e2f4bb9e03/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 5. De Drentse Hoofdvaart - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_7a3405574c454594814ce1d1e7f03f10/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 5. De Drentse Hoofdvaart - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_0a20660d9812435e9423b9e580c128b6/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 5. De Drentse Hoofdvaart - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_37f1972f3cfc4bcf8b9a24182f377f30/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 6. De velden in centraal Drenthe - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_25bd828547d14266939d53485f31cc27/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 6. De velden in centraal Drenthe - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_917bc83d24934c109e1ac380afb8ec3a/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 6. De velden in centraal Drenthe - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_9cdb13fb97b5408989efd477addf95ce/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 6. De velden in centraal Drenthe - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_bd95e62b9f554bac8856ad7b7dc0f5ba/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 7. Mars en Westerstroom - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_2539b1e7fffd4c35ad009df2b38c29a8/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 7. Mars en Westerstroom - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_2df307012b654f9fb57930566a792dbc/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 7. Mars en Westerstroom - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_93fa17237e0642ca88f5d98d0573b41b/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 7. Mars en Westerstroom - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_7b54b7bfcf4c47f19c9805fb6fac759e/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 8. De Reest en Meppel - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_a15d99f055cc426d8e80f35e8f0ce66a/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 8. De Reest en Meppel - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_277cc2349bfb458bb8300e715e27cb93/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 8. De Reest en Meppel - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_250a8ea9100c4ae3adc0a6adb40551fc/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 8. De Reest en Meppel - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_f38c4245e96a4735b5d388ed895d0320/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 9. Het Hollandscheveld en Hoogeveen - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_e3d8cecb19e341099a080c13aa7c4631/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 9. Het Hollandscheveld en Hoogeveen - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_034c571dfd1a49a68cc3f7211f17de4d/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 9. Het Hollandscheveld en Hoogeveen - Rekening houden me

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_9f06b9747ba94fc99838f027e38c9f55/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 9. Het Hollandscheveld en Hoogeveen - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_c65220e90e80474d91f8ad78002e8f5a/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 10. Emmen en haar venen - Betrekken bij

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_56c18c64cabc49fab6896bdb8d43e011/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 10. Emmen en haar venen - In acht nemen

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_7ff6ed19c81f4460af18f65799bf6e26/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 10. Emmen en haar venen - Rekening houden met

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_76c8b565ebef4b3092ba4242fa317ed1/nld@2026‑07‑14;1

Cultuurhistorie - 10. Emmen en haar venen - Zorgplicht

/join/id/regdata/pv22/2026/locatiegroep_b67f7ba091584cfd9f442f7c8347a395/nld@2026‑07‑14;1

coevorden beekdal en ontginningen

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio199/nld@2024‑02‑13;69

coevorden beekdalen en ontginningen

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio205/nld@2024‑02‑13;69

de monden

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio198/nld@2024‑02‑13;69

de reest

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio301/nld@2024‑02‑13;69

drentsche aa

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio201/nld@2024‑02‑13;69

drentse hoofdvaart

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio209/nld@2024‑02‑13;69

emmen, venen en randveenontginningen

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio202/nld@2024‑02‑13;69

esdorpenlandschap rond mars en westerstroom

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio213/nld@2024‑02‑13;69

esdorpenlandschap vledder en wapserveense aa

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio212/nld@2024‑02‑13;69

havelterberg

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio215/nld@2024‑02‑13;69

het amsterdamscheveld

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio271/nld@2024‑02‑13;69

het esdorpenlandschap rond norg

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio220/nld@2024‑02‑13;69

historische infrastructuur

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio218/nld@2024‑02‑13;69

hollandscheveld en hoogeveen

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio281/nld@2024‑02‑13;69

hondsrug

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio270/nld@2024‑02‑13;69

hunzedal en randveen

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio214/nld@2024‑02‑13;69

kop van drenthe

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio263/nld@2024‑02‑13;69

maatschappij van weldadigheid

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio303/nld@2024‑02‑13;69

meppel en het laagveen rondom

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio257/nld@2024‑02‑13;69

esdorpenlandschap

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio283/nld@2024‑02‑13;69

esgehuchtenlandschap

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio197/nld@2024‑02‑13;69

glastuinbouw

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio217/nld@2024‑02‑13;69

glastuinbouwgebieden

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio311/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio311/nld@2026‑07‑14;70

grasland

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio224/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio224/nld@2026‑07‑14;70

grondgebonden agrarische bedrijvigheid

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio279/nld@2024‑02‑13;69

grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio228/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio228/nld@2026‑07‑14;70

grondwaterbeschermingsgebied drentsche aa - spuitvrije zone

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio223/nld@2024‑02‑13;69

velden en beekdalen van centraal drenthe

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio305/nld@2024‑02‑13;69

verbodszone diepe boring annen breevenen en kruidhaars

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio248/nld@2024‑02‑13;69

grondwaterbeschermingsgebied drentsche aa vaarweg

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio216/nld@2024‑02‑13;69

harde grens stad en land

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio222/nld@2024‑02‑13;69

landbouwgebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio285/nld@2024‑02‑13;69

landelijk gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio261/nld@2024‑02‑13;69

landgoed overcingel

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio255/nld@2024‑02‑13;69

landschap van de kolonien van weldadigheid

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio254/nld@2024‑02‑13;69

landschap van de veenkoloniën

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio289/nld@2024‑02‑13;69

macrogradiënt

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio264/nld@2024‑02‑13;69

nationaal park drentsche aa

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio267/nld@2024‑02‑13;69

natuur en open water

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio315/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio315/nld@2026‑07‑14;70

natuurnetwerk nederland

/join/id/regdata/pv22/2024/gio34d92f31-caaa-4d8c-820c-399230e770a8/nld@2024‑10‑22;324

weerdingervenen en roswinkel

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio234/nld@2024‑02‑13;69

omgevingswaarde - provinciale weg

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio245/nld@2024‑02‑13;69

oranje gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio319/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio319/nld@2026‑07‑14;70

provinciale vaarweg

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio243/nld@2024‑02‑13;69

provinciale weg

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio247/nld@2024‑02‑13;69

regionale kering norm 1:100

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio268/nld@2024‑02‑13;69

regionale kering norm 1:200

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio269/nld@2024‑02‑13;69

stiltegebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio250/nld@2024‑02‑13;69

unesco werelderfgoed koloniën van weldadigheid

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio262/nld@2024‑02‑13;69

Verbodszone diepe boring Annen Breevenen, Kruidhaars en De Groeve

/join/id/regdata/pv22/2026/gebiedsaanwijzing_64dd3ef2ace749cfa058a18c8ec69f1d/nld@2026‑07‑14;1

verbodszone diepe boring assen

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio252/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio252/nld@2026‑07‑14;70

verbodszone diepe boring hoogeveen holtien en zuidwolde

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio251/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio251/nld@2026‑07‑14;70

verbodszone diepe boring nietap

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio242/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio242/nld@2026‑07‑14;70

voor verzuring gevoelig gebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio241/nld@2024‑02‑13;69

voorbeschermd provinciaal monument

/join/id/regdata/pv22/2025/locatiegroep_e2eb5d3ebaa946c38b13d66b756c997d/nld@2025‑06‑27;1

waarde-archeologie 1

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio233/nld@2024‑02‑13;69

waarde-archeologie 2

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio238/nld@2024‑02‑13;69

waarde-archeologie 3

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio321/nld@2024‑02‑13;69

waterwingebied

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio236/nld@2024‑02‑13;69

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio236/nld@2026‑07‑14;70

wegdorpenlandschap van de laagveenontginning

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio291/nld@2024‑02‑13;69

wegdorpenlandschap van de veenrandontginning

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio235/nld@2024‑02‑13;69

wegpanorama

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio293/nld@2024‑02‑13;69

Wezenlijke kenmerken en Waarden Natuur

/join/id/regdata/pv22/2026/W2412_325_DLG_Wezenlijke_kenmerken_en_Waarden_Natuur_HR/nld@2026‑07‑14;1

zonering radioastronomie zone i

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio240/nld@2024‑02‑13;69

zonering radioastronomie zone ii

/join/id/regdata/pv22/2024/30gio231/nld@2024‑02‑13;69

II

Bijlage 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage 2 Kernkwaliteiten Cultuurhistorie

Kernkwaliteiten Cultuurhistorie

Kernkwaliteiten Cultuurhistorie 

In deze bijlage zijn de cultuurhistorische kenmerken en structuren beschreven die vanuit beleid  

(Omgevingsvisie en Cultuurhistorisch Kompas Drenthe) en de Provinciale Omgevingsverordening  

(POV) van provinciaal belang zijn. De 10 gebieden zoals die in de Omgevingsvisie en  

In deze bijlage zijn de cultuurhistorische kenmerken en structuren beschreven die vanuit beleid (Omgevingsvisie en Cultuurhistorisch Kompas Drenthe) en de Provinciale Omgevingsverordening (POV) van provinciaal belang zijn. De 10 deelgebieden zoals die in de Omgevingsvisie en Cultuurhistorisch Kompas Drenthe zijn beschreven, vormen de basis. Verder zijn er daarbinnen tweevier beschermingscategorieën mogelijk (zie artikel 3.2). Vandaar dat binnen de 10 gebieden vaak nog een onderverdeling is gemaakt. Daarnaast is voor de historische infrastructuur een gebied opgenomen: deze infrastructuur loopt immers ook buiten de grenzen van de deelgebieden door. Bij elk gebied wordt de beschermingscategorie met een trefwoord aangegeven: hetzij "betrekken bij", hetzij "rekening houden met", of hetzij “in acht nemen” (zie artikel 3.2) Alle beschrijvingen zijn overgenomen uit de Omgevingsvisie/het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe.  

Legenda (zie GIS-kaart):

Gebied

Deelgebieden

Sturingsniveau

0. Historische Infrastructuur

 

Betrekken bij

Kop van Drenthe - rijk landschap, rijke dorpen

1A Kop van Drenthe

Rekening houden met

 

1B Het esdorpenlandschap rond Norg

Betrekken bij

2. Drentsche Aa -bakens in het beekdal

2A Drentsche Aa

Rekening houden met

 

2B Assen

Betrekken bij

3. Hondsrug en Hunzedal - doorgaande wegen door de tijd

3A Hondsrug

Rekening houden met

 

3B Hunzedal en randveen

Betrekken bij

4. De Drentse Monden - de economie van de rechte lijn

4A De Monden

Rekening houden met

 

4B Weerdingervenen en Roswinkel

Betrekken bij

5. Drentsche Hoofdvaart - vormend land (de mens vormt het land, het land vormt de mens)

5A Maatschappij van Weldadigheid

Rekening houden met

 

5B Drentsche Hoofdvaart

Betrekken bij

 

5C Havelterberg

Betrekken bij

 

5D Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa

Betrekken bij

6. De velden in centraal Drenthe - van nut maken van de stille heide

6A Velden en beekdalen van Centraal Drenthe

Betrekken bij

7. Mars en Westerstroom - het keurslijf van de beken

7A Esdorpenlandschap rond Mars- en Westerstroom

Betrekken bij

 

7B Coevorden, beekdal en ontginningen

Betrekken bij

8. De Reest en Meppel - alle(s) voer(t) naar Meppel

8A De Reest

Betrekken bij

 

8B Meppel en het laagveen rondom

Betrekken bij

9. Het hollandscheveld en Hoogeveen - kruising van richtingen

9AHollandscheveld en Hoogeveen

Betrekken bij

10. Emmen en haar venen

10A Het Amsterdamscheveld

Betrekken bij

 

10B Emmen, venen en randveeontginningen

Betrekken bij

Gebied 0. Historische Infrastructuur - Betrekken bij 

Dit zijn alle historische beken, waterwegen, kanalen, wijken en wegen die onderdeel uitmaken van het provinciaal belang Cultuurhistorie, maar buiten de deelgebieden vallen. Voor deze gebieden geldt de bescherming 'Betrekken bij'.

Gebied 1. Kop van Drenthe - rijk landschap, rijke dorpen

1. Kop van Drenthe - rijk landschap, rijke dorpen 

Dit gebied Het centrale deel wordt gekenmerkt door een centraal deel met een van oorsprong middeleeuws esdorpensysteem en door diverse randveenontginningen, gekoppeld aan een hoefijzervormig beekdalstelsel dat via het Peizerdiep afwatert naar het noorden. De oostelijke rand, met een reeks van landgoederen die zich in het bijzondermet name vanaf de 18de eeuw hebben ontwikkeld, is sterk georiënteerd op de stad Groningen. Het hoefijzervormige beekdal van het Groote en Oostervoortsche Diep is open, breed en scherp begrensd; door zijn hoefijzervorm waarlangs de esdorpen liggen, vormt dit deel een sterke eenheid. Doordat de esdorpen zich hierlangs bevinden vormt dit deel een sterke eenheid. De noordelijke benedenloop (het Peizerdiep) wordt geflankeerd door de ontginningslinten van het laaggelegen randveen, die. De ontginningslinten lopen als het ware overlopenover in een reeks van veenterpen,verhoogde huisplaatsen en diehebben dezelfde ontstaansperiode hebben. Oostelijk ligt een gordel van landgoederen rond Eelde en Paterswolde, met een karakteristieke afwisseling in open landbouwgronden en besloten park- en bosaanleg. Nabij Eelde en Peest werden tijdens de Tweede Wereldoorlog vliegvelden uitgebreid en aangelegd. Nabij Donderen en Noordscheveld werden schijnvliegvelden aangelegd.  

Deelgebied 1 1A.A: Kop van Drenthe. Rekening houden met.  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld:    

  • Licht slingerende linten van de randveenontginningenwegdorpen in een coulissenlandschap met fijnmazige percelering en houtwallen; met Roderwolde is daarbij samen meten Sandebuur eenals bijzonder voorbeeld van een randveenontginning met een verschoven lintbewoningsas die herkenbaar in het open landschap ligt;

  • Aan weerszijden van het Peizerdiep een reeks van veenterpenhuisplaatsen, deels zichtbaar als lichte verhogingen in het laaggelegen open landschap; 

  • Landgoederen bij Eelde en Paterswolde en Havezathe Mensinge bij Roden: 

  • Landgoederen bij Eelde en Paterswolde:

    Vrijwel aaneengesloten gebied met afwisseling in open landbouwgronden en besloten delen met bos- en parkaanleg, met name Kleibosch (Foxwolde) en Mensingebos (Roden); 

    • Vrijwel aaneengesloten gebied met afwisseling in open landbouwgronden en besloten delen met bos- en parkaanleg;

    • Centrale ligging van de hoofdhuizen binnen de parkaanleg en sterke relatie tussen huis en omgeving.

  • Centrale ligging van de hoofdhuizen binnen de parkaanleg en sterke relatie tussen huis en omgeving. 

  • Vliegveld Eelde bestaande uit complexen in Heimatschützstijl zoals het wachtgebouw met cellen, legeringsgebouwen, bunkers, telefooncentrale en bunker, en hangars. 

Ambitie:   

Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van een oud cultuurlandschap. Dit deelgebied kent onder invloed van de stad Groningen bovendien eigen ontwikkelingen. Daarom willensturen wij sturen op:   

  • Het veiligstellen van de karakteristiek van de randveenontginningen, door het behouden van licht slingerende wegdorpen en verder versterken van de houtwalpatronen en de opstrekkende verkaveling in het buitengebied;

    Het veiligstellen van de karakteristiek van de wegdorpen en de herkenbaarheid van de verschoven bewoningsassen van de randveenontginning Roderwolde/Sandebuur, door het behouden van licht slingerende wegdorpen en het versterken van het coulissenlandschap met houtwalpatronen en de fijnmazige verkaveling; 

  • Het beleefbaar houden van het verschoven lint van Sandebuur - Roderwolde; 

  • Het beleefbaar houden van het verschoven lint van Sandebuur - Roderwolde en het lint van Peizerwold en de daaraan gekoppelde reeks van veenterpen als bewoningsflanken van het beekdal van het Peizerdiep;

    Het beleefbaar houden van de reeks van oude huisplaatsen op verhogingen als bewoningsflanken van het beekdal van het Peizerdiep; 

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied; 

  • Het blijvend zichtbaar onderscheiden van de reeks van landgoederen rond Eelde en Paterswolde. Deze reeks wordt gekenmerkt door een karakteristieke tuin- en parkaanleg, ingebed in landschappelijke structuren, met een variatie in maat en schaal en een doorlopende afwisseling van open en besloten ruimtes.

  • Het beleefbaar houden van de principes van het ruilverkavelingslandschap en met name de samenhang tussen de stedenbouwkundige en landschappelijke opzet van het wederopbouwwijkje en het ruilverkavelingslandschap aan de westzijde van Vries die tot uiting komt in de manier waarop de overgang tussen het landschap en wijkopzet is vormgegeven; • Het behouden van de resterende structuur en de ondersteunende elementen van vliegveld Eelde bestaande uit complexen zoas het wachtgebouw met cellen, legeringsgebouwen, bunkers, de telefooncentrale en hangars. 

Deelgebied 1.B: het esdorpenlandschap rond Norg. Betrekken bij

Karakteristieken/omgevingsbeeld

1B. het esdorpenlandschap rond Norg. Karakteristieken/omgevingsbeeld   

  • Breed hoefijzervormig beekdal, met een open karakter, dat benadrukt en scherp begrensd wordt door een rand van opgaande beplanting; 

  • Esdorpen met daarbinnen de karakteristieke afwisseling van open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing en doorzichten vanuit het dorp naar essen en beekdal; 

  • Diverse boscomplexen, onder andere: de stuifzandbossen bij Norg, eenhet sterrenbos bij HuizeHavezathe Mensinge en de jonge (landgoed)bebossing en het Norgerholt als oorspronkelijk middeleeuws gebruiksbos.

  • Diverse karakteristiek esdorpen waaronder Norg, Langelo, Lieveren en Peest; 

  • De institutionele landbouwontginning ‘Het Zeijerveld’ van de Nederlandse Heidemij, indertijd een voorbeeldstellende ontwikkeling van landbouwinnovatie en moderne boerderijbouw; 

  • Vliegveld Peest bestaande uit losse en individuee opgetrokken gebouwen waaronder de telefooncentrale, het seingebouw, het pompgebouw, en het generatorgebouw. In het landschap bevinden zich herkenbare sporen zoals de sleuven voor de brandstofopslag en de veenplas Westerveen als blusvijver en de aanleg van beplanting door de bezetter. 

Ambitie:  

Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van een oud cultuurlandschap. Daarom willen wij sturen op:   

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen, esrandbosjes en middeleeuwse gebruiksbossen. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields. Dit wordt in het bijzonder op het Noordscheveld weerspiegeld; 

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied; 

  • Het behouden van de openheid van de brede beekdalen als contrast met hun scherpe begrenzingen in de vorm van houtwallen en bossen; 

  • Het zichtbaar houden van de jonge landgoederen en de boscomplexen met stuifzandreliëf ten noorden van Norg; 

  • Het zichtbaar houden van de opzet van de jonge landbouwontginning ‘het Zeijerveld’. Deze komt tot uiting in de samenhang tussen bebouwing, omliggende landbouwpercelen, bospercelen, weg- en kanaalstructuren en de boomlanen; 

  • Behouen van de landschappelijke structuur en ondersteuenende elementen van vliegveld Peest bestaande uit losse en individueel opgetrokken gebouwen waaronder de telefooncentrale, seingebouw, pompgebouw, en generatorgebouw, en in het landschap herkenbare sporen zoals de sleuven voor de brandopslag en de veenplas Westerveen als blusvijver ende aanleg van beplanting door de bezetter. 

Gebied 2. Drentsche Aa - bakens in het beekdal

2. Drentsche Aa - bakens in het beekdal 

De gave beekdalen van de Drentsche Aa zijn de dragerdragers van het kleinschalige esdorpenlandschap met de karakteristieke essen, dorpen en beplantingen. Het is een informeel gegroeid, samenhangend landschap dat zijn huidige karakter al min of meer in de middeleeuwen heeft gekregen, maar met een ontwikkelingsgeschiedenis die teruggaat tot in de prehistorie. Dit uit zich in een grote verzameling van hunebedden, grafheuvels, celtic fields, karrensporen, kerktorens, boerderijen en houtwallen. Assen heeft zich ontwikkeld van esgehucht met een klooster tot bestuursstad. De Vaart, de Hoofdlaan (en het Asserbos) vormen daarbij structurerende assen, gericht op het historische centrum, dat met zijn. De bebouwing weerspiegelt de ontwikkeling van geestelijk centrum naar bestuurscentrum weerspiegeltbestuurscentrum.Het bestaande landschap met de waterlopen Drentsche Hoofdvaart en het Noord-Willemskanaal vormen tijdens de Tweede Wereldoorlog het uitgangspunt voor de aanleg van de verdedigingslinie de Frieslandriegel.  

Deelgebied 2.A:. Drentsche Aa. Rekening houden met  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld    

  • De beekdalen van de Drentsche Aa met flankerend esdorpen en essen, gezamenlijk in een sterke ruimtelijke samenhang aanwezig; 

  • Een grote dichtheid aan prehistorische bewoningssporen en hiermee samenhangende routes zoals celtic fields, grafmonumenten (hunebedden, grafheuvels, urnenvelden) en karrensporen; 

  • Authentieke esdorpen met een karakteristieke opbouw van open ruimten en brinken, verspreid staande bebouwing en doorzichten naar de essen en het beekdal; 

  • Duidelijk door beplanting begrensde beekdalen met een herkenbare historische percelering en veel houtwallen; 

  • Variatie in traditionele boerderijen die de historische ontwikkeling toont van de Drentse boerderijtypen; 

  • Kerktorens die van verre zichtbaar zijn als oriëntatiepunt in het landschap en bij Rolde bovendien oriëntatiepunt zijn van een bijzondere historische raaipercelering 

Ambitie:   

Bepalend voor dit deelgebied is een gaaf en kleinschalig cultuurlandschap met een duidelijke samenhang in tijd en ruimte. Om deze gaafheid te bewaken sturen wij op:   

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes. Bovendien 

kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields, maar ook uit recentere toevoegingen in de vorm van de zogenoemde dorpshoven;   

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields;

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken), nabijgelegen heidevelden, jonge heideontginningsstructuren nabij de dorpen en doorzichten naar het omliggende buitengebied; 

  • Het behouden en herstellen van de oorspronkelijke beekloop in de beekdalen met hieraan gekoppeld de historische percelering, de houtwallen en houtsingels en de reliëfranden; 

  • Het zichtbaar houden en beter beleefbaar maken van de historische en prehistorische route, waar karresporen, voorden, grafheuvels en andere prehistorische relicten een unieke verzameling archeologische sporen vormen. Dit in het bijzonder op het Balloërveld; 

  • Het accentueren van de reeks van kerktorens in het gebied van de Drentsche Aa die, evenals in de Middeleeuwen, als bakens in het weidse landschap een inspiratiebron kunnen zijn voor nieuwe verbindingen en routes. 

Deelgebied 2 2B.b: Assen. Betrekken bij  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld:   

  • Ruimtelijke structuur van 2twee hoofdassen: de Vaart en de Hoofdlaan, die georiënteerd zijn op het oude bestuurscomplex aan De Brink; 

  • De historische bebouwingstructuren langs de hoofdassen en het Asserbos met zijn stervormige padenstructuur; 

  • De villabebouwing (Hertenkamp, Oud Zuid) als uiting van het bestuurs- en voorzieningencentrum.Ambitie:voorzieningencentrum; 

  • Westerpark I (wederopbouwwijk naar ontwerp PPD) en Baggelhuizen (experimentele Post ’65 wijk) in Assen als exemplarische voorbeelden van naoorlogse stadsuitbreidingen; 

  • Het herkenbaar houden van het historische centrum van Assen met de daarop gerichte assen van de Vaart en de Hoofdlaan met hun karakteristieke bebouwing en het Asserbos.

    De ruimtelijke structuur van de Frieslandriegel ten zuiden van Assen bestaande uit de Drentsche Hoofdvaart, antitankgrachten, loopgravenstelsel en clusters van schuttersputten; 

Gebied 3.: Hondsrug en Hunzedal - doorgaande wegen door de tijd Ambitie:   

  • Het herkenbaar houden van het historische centrum van Assen met de daarop gerichte assen van de Vaart en de Hoofdlaan met hun karakteristieke bebouwing en het Asserbos; 

  • Het respecteren van de karakteristieken van de bebouwing, groenprincipes en de stedenbouwkundige structuren van Westerpark I en Baggelhuizen; 

  • Het behouden en herkenbaar houden van de bij de Frieslandriegel behorende systematisch aangelegde onderdelen bij de Baggelhuizerplas, nabij het TT-circuit en aan de Linthorst Homanweg (Taarlo) bestaande uit de antitankgracht(en), het stelsel van loopgraven, en de clusters van schuttersputten. 

3. Hondsrug en Hunzedal - doorgaande wegen door de tijd 

Bepalend voor dit deelgebied zijn drie zones, die parallel aan elkaar liggen en die samenvallen met de ondergrond: de hoge Hondsrug, het lage Hunzedal (beiden ontstaan in de voorlaatste ijstijd) en een reeks randveenontginningen. De hoofdstructuur van de Hondsrug wordt hoofdzakelijk bepaald door een keten van esdorpen en essen van noord naar zuid over de rug, afgewisseld met grote, zich scherp aftekenende bossen. De continue bewoningsgeschiedenis vanaf de prehistorie blijkt uit de grote dichtheid aan hunebedden, grafheuvels en celtic fields, die, net als de esdorpen, zijn verbonden aan doorgaande routes die sinds de prehistorie over de Hondsrug lopen. Het Hunzedal contrasteert als laaggelegen, open en nagenoeg onbebouwd gebied met de Hondsrug. De wegdorpen van de randveenontginningen vormen een langgerekt bewoningslint, dat de grens markeert tussen het Hunzedal en de grootschalige veenkoloniale ontginningen. Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de overgangen en de grenzen tussen de drie parallelle structuren van de Hondsrug, het Hunzedal en het lint van de randveenontginningen.  

Deelgebied 3 3A.A: Hondsrug. Rekening houden met  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld    

  • De oorspronkelijke middeleeuwse routes die de dorpen verbinden en die vrijwel intact en functioneel zijn; 

  • De noord - zuid keten van esdorpen, waarvan de typerende structuren en elementen nog merendeels herkenbaar zijn, tot en met de karakteristieke dorpsuitbreidingen uit de wederopbouwperiode. Exemplarische voorbeelden zijn de noordwestelijke uitbreiding van Gieten, Noordes I en II, ontworpen met kleine brinken als ordenend stedenbouwkundig principepassend bij de typisch Drentse esdorpstructuur; 

  • Een grote dichtheid aan prehistorische (en historische) bewoningssporen, zoals hunebedden, grafheuvels en celtic fields, waarvan een deel als keten een prehistorische route over de Hondsrug markeert; 

  • Een reeks van grote boseenheden uit de periode van de jonge heideontginningen, vooral staatsboswachterijen, door de rechthoekige vormen en hun massa scherp begrensd en zichtbaar in het landschap. en een aantal private bebossingen uit dezelfde tijd, waaronder jonge landgoedbebossingen met sierlijke padenstructuren en bijbehorende bebouwing; 

  • Gebruik van de bossen op de Hondsrug tijdens de Tweede Wereldoorlog als natuurlijke beschutting voor onderduikersholen. 

Ambitie:   

Voor de Hondsrug willen we specifiek sturen op:

Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de overgangen en de grenzen tussen de drie parallelle structuren van de Hondsrug, het Hunzedal en het lint van de randveenontginningen. In dit deelgebied sturen wij op :   

  • Het behouden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp en es, waarbij de esdorpen en essen als een keten op de Hondsrug liggen afgewisseld met scherp begrensde boswachterijen. Bovendien kent het esdorpenlandschap een grote tijdsdiepte, wat blijkt uit vele zichtbare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen als nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields; 

  • Het benadrukken van het lineair patroon van hunebedden, grafheuvels en andere zichtbare en onzichtbare prehistorische relicten die samenhangen met de prehistorische route over de Hondsrug; 

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied; 

Deelgebied 3 3B.B: Hunzedal en randveen. Betrekken bij.  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld    

Hunzedal

  • De openheid en grote schaal van het dal wordt benadrukt door de begrenzingen aan de oostzijde en de westzijde: de bebouwingslinten van de randveenontginningen en de vrij steile rand van de Hondsrug met haar besloten boseenheden; 

  • Enkele dwarsverbindingen die de esdorpen verbinden met hun randveenontginningen; 

  • Licht slingerend verloop van de doorlopende ontginningsas; 

  • Lintbebouwing variërend in dichtheid, met doorzichten naar het achterland; 

  • Oprichten van NAD-kampen ten behoeve van de (heide)ontginningen, de aanleg van wegen en om bij te dragen aan de oogst. 

Randveenontginningen;

  • Licht slingerend verloop van de doorlopende ontginningsas;

  • Lintbebouwing variërend in dichtheid, met doorzichten naar het achterland.

Ambitie   

We willen hier sturen op:

Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de overgangen en de grenzen tussen de drie parallelle structuren van de Hondsrug, het Hunzedal en het lint van de randveenontginningen. In dit deelgebied sturen wij op :   

  • Het onbebouwd en grotendeels onbeplant houden van het Hunzedal, waarin de nu aanwezige gehuchten uitzonderingen en verbijzonderingen zijn; 

  • Het herkenbaar houden van de lintstructuur van de randveenontginningen met een variatie aan woningen langs de slingerende noord-zuid georiënteerde weg en doorzichten naar het achterland. 

  • Het behouden en herkenbaar houden van de restanten van NAD-kamp Gasselte (Dobbeldal), bestaande uit (blus)vijvers, fundamenten van gebouwen, aarden wallen, een zitkuil en een zandbult. 

Gebied 4. De Drentse Monden - de economie van de rechte lijn.

4. De Drentse Monden - de economie van de rechte lijn.  

Bepalend voor deze Drents-Groninger veenkoloniën is het orthogonale en hiërarchische stelsel van kanalen, monden en wijken, aangelegd voor de veenontginning. Langs de hoofdlijnenhoofdassen ontwikkelden zich na het afgraven de lintdorpen, geplaatst in een rechtlijnig stelsel van verkavelingen met bebouwing, waterwerken en beplanting. Dé richtinggevende lijn is de Semslinie, die begin 17de eeuw als grens met de provincie Groningen is getrokken, tussen de Martinitoren in de stad Groningen en Huis ter Haar bij Musselkanaal. Zowel het Annerveenschekanaal als het Groninger Stadskanaal en het Musselkanaal (zijn parallel hieraan aangelegd. Deze kanalen vormden vanaf begin 19de 19e eeuw de basis voor de Drentse ‘monden") zijn parallel hieraan aangelegd. In een relatief korte periode is een productielandschap ontwikkeld vanuit een open en leeg veengebied, doorsneden door een enkele veenloop.  

Deelgebied 4 4A.A: de Monden. Rekening houden met.  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld    

  • De Semslinie (met het onderliggende Stadskanaal) als ontginningsbasis, met de eindpunten in de stad Groningen en Huis ter Haar; 

  • De Semslinie (met het onderliggende Stadskanaal) als ontginningsbasis, met de eindpunten in de stad Groningen en Huis ter Haar; • Een sterk hiërarchisch ruimtelijk stelsel van lijnen en tussenliggende verkavelingen, met hoofdkanalen als ontginningsassen en dwars daarop kleinere waterwegen (, genaamd dwarsdiepen of wijken); 

  • Langs De lintvormige nederzettingen langs kanalen en diepen de lintvormige nederzettingen met het achterliggend cultuurland, en met een vaste ritmiek in de verkaveling, achtergrenzende achterste grenzen en de plaatsing van bebouwing; 

  • Binnen de linten is een vaste ordening voor bebouwing en infrastructuur, waarbij veelal de boerderijen aan één kanaalzijde staan en de voorzieningen en de woningen aan de andere zijde; 

  • Binnen de linten een duidelijke ritmiek door: een vaste maatvoering van kavels en een, het stelsel van bruggen en sluizen, en de beplanting en bebouwing die vaak in samenhang aanwezig is; 

  • Het Oldambster boerderijtype is dominant en beeldbepalend, vaak met representatieve erven in Engelse landschapstijl en een solitaire rode beuk in de voortuin. In de naoorlogse periode worden moderne boerderijen gebouwd in Delftse School-stijl in het kader van wederopbouw en schaalvergroting in de landbouw; 

  • Het Annerveenschekanaal en het Eexterveenschekanaal als één hoofdkanaal met lintbebouwing als ontginningsas; 

  • De monden als meerdere parallelle ontginningsassen, aangesloten op het Stadskanaal, met onderlinge variaties in enkel- en dubbelkanaalsystemen, waarvan een deel inmiddels gedempt is. 

De voormalige spoorbaan Assen-Stadskanaal die tot uitdrukking komt in het zichtbare baanverloop in het landschap, station Rolde en Station Eext, het spoorgat tussen Gasselte en Gieten, de brug over het Ravijn en resterende hectometerpalen in de berm.  

Ambitie   

Uitgangspunt voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen is het accentueren van de hiërarchie in de orthogonale opbouw van de veenkoloniën. Deze hiërarchie bestaat uit het Annerveenschekanaal en de monden als de belangrijkste ontginningsassen met de daar haaks op staande kanalen- en wijkenstructuur. Binnen de veenkoloniën komt deze hiërarchie op verschillende manieren naar voren. Daarbinnen willen wij specifiek sturen op:  

Daarbinnen willen wij specifiek sturen op:   

  • Het zichtbaar houden van de ordening en samenhang tussen de ontginningsassen, die tot uitdrukking komt in enkele en dubbele lintdorpen en bebouwde en onbebouwde ontginningsassen; 

  • Het herkenbaar houden van de ordening en samenhang binnen een lintdorp, zoals boerderijen en woningen die elk aan een zijde van het kanaal staan; 

  • Het herkenbaar houden van de spoorbaan van Assen naar Stadskanaal als belangrijke, bedrijvige verbindingsroute voor reizigersvervoer en goederentransport. 

Deelgebied 4.B: Weerdingervenen en Roswinkel. Betrekken bij

4B. Weerdingervenen en Roswinkel. Karakteristieken/Omgevingsbeeld   

  • Het beekdal van de veenloop ten noorden van Nieuw-Weerdinge als open en onregelmatig gebied tussen de veenkoloniën, begrensd door de Valtherdijk en het Vledderdiep; 

  • Het Weerdingerkanaal (deels gedempt) als hoofdkanaal voor Nieuw-Weerdinge, met een systeem van kruisdiepen en achterdiep; 

  • Roswinkel als oudere randveenontginning met een verschoven bewoningsas op een zandopduiking. 

Karakteristieken/Omgevingsbeeld Ambitie    

  • Het beekdal van de veenloop ten noorden van Nieuw-Weerdinge als open en onregelmatig gebied tussen de veenkoloniën, begrensd door de Valtherdijk en het Vledderdiep;•Het Weerdingerkanaal (deels gedempt) als hoofdkanaal voor Nieuw-Weerdinge, met een systeem van kruisdiepen en achterdiep;

  • Roswinkel als oudere wegontginning met een verschoven bewoningsas op een zandopduiking.Ambitie•Het herkenbaar houden van de ordening en samenhang binnen een lintdorp, zoals boerderijen en woningen die elk aan een zijde van het kanaal staan; 

  • Het beleefbaar houden van het verschoven lint van Roswinkel, mede door de open ruimte te handhaven tussen de oude en de nieuwe weg te handhaven; 

  • Het benadrukken van de oude veenloop tussen Valthermond en Nieuw-Weerdinge door de afwijkende onregelmatige verkaveling en de duidelijke begrenzingen. 

Gebied 5 Drentse Hoofdvaart - vormend land (de mens vormt het land, het land vormt de mens)

5. Drentse Hoofdvaart - vormend land (de mens vormt het land, het land vormt de mens) 

Kenmerkend voor dit gebied is een onderscheid in vier delen met elk eigen kenmerken, en de Drentse  

Kenmerkend voor dit gebied is een onderscheid in drie delen met elk eigen kenmerken, en de Drentse Hoofdvaart die de verschillen tussen noord en zuid weerspiegelt.De twee gebieden van de Maatschappij vanweerspiegelt. De Koloniënvan Weldadigheid, Frederiksoord/Wilhelminaoord en Veenhuizen, vertonen een grote verwantschap door de orthogonale, en hiërarchische opbouw, waarbinnen lijnen, bebouwing en beplanting een sterke onderlinge relatie hebben. De Drentse Hoofdvaart vormt een zelfstandige beelddrager met de inrichting van kanaal en verwante bebouwing, en. De Drentse Hoofdvaart is als lijn in het noorden de drager van de veenkoloniale lintdorpstructuur, en in het zuiden ondergeschikt aan het omringende esdorpenlandschap.Deesdorpenlandschap. De Havelterberg en zijn omgeving vormt een eigen eenheid, met esdorpen, randveenontginningen en diverse sporen van verschillende tijdlagen,: van prehistorie en jonge heideontginningsbossen tot en met de Tweede Wereldoorlog. De omgeving van Vledder en de Wapseveense Aa toont een samenspel van open beekdalen en lint- en esdorpen.  

Deelgebied 5.A: Maatschappij van Weldadigheid. Rekening houden met.

5A. Koloniën van Weldadigheid.  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld    

  • Algemeen: een hiërarchische opbouw van orthogonale lijnen, beplanting en bebouwing in grote samenhang; 

  • Frederiksoord/Wilhelminaoord als landbouwkolonie voor armoedebestrijding met koloniewoningen, koloniehoeves en voorzieningen aan de hoofdassen, en het onderliggend oudere landgoed Westerbeek; 

  • Veenhuizen met een ordeningals landouwkolonie voor armoedebestrijding geordend rond grote gestichten, werkplaatsen en beambtenwoningen, als justitieel landschap; 

  • Boschoord, als deel van de landbouwkolonie voor armoedebestrijding, waar binnen de bosaanleg de hoofdassen nog herkenbaar zijn. 

Ambitie:   

In de Maatschappijen van Weldadigheid van Frederiksoord en Veenhuizen willen wij sturen op:

Kernkwaliteiten van de Koloniën van Weldadigheid zijn het unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven cultuurlandschap van een serie van agrarische ontginningen, gesticht vanuit een verlichtingsexperiment van sociale hervorming via een innovatief negentiende-eeuws model van armoedebestrijding met binnenlandse kolonisatie. Wij sturen op het handhaven en versterken van:   

  • De typologie van vrije en onvrije koloniën, als resultante van een alles omvattend systeem gericht op de opvang, disciplinering en vorming van kolonisten; 

  • De structuur van het ontginningslandschap, die representatief is voor het experiment van armoedebestrijding (periode 1818-1859) en de doorontwikkeling daarvan (periode 18601918), tot uiting komend in: o Rechte wegen; o Laanstructuren en karakteristieke beplanting; o Watergangen en bijbehorende waterwerken; o De afwisseling van en het contrast tussen openheid en beslotenheid; o Het eenduidig toegepaste maatsysteem in de verkaveling van de landbouwgronden; o Het grid van de bebouwing en de hiërarchie in de plaatsing van bouwwerken in het grid. 

  • Kenmerkende monumentale gebouwen en terreinen, onder te verdelen naar oorspronkelijke functie: 

o Gestichten, koloniehuisjes en dienstwoningen; o Boerderijen, schuren en werkplaatsen; o Scholen, gebouwen voor sociale en medische zorg, religieuze gebouwen en begraafplaatsen.   

  • Het handhaven en verder versterken van de hiërarchische en orthogonale opbouw van de gebieden, zoals die te zien is in vaarten, wegen, beplanting en bebouwing variërend van dienstwoningen tot directeurswoning;

    In het verlengde van de grote verscheidenheid aan bebouwingstypen sturen wij tevens op het behoud en een weloverwogen herbestemming en ontwikkeling van de bebouwing in relatie tot de hiërarchische ordening en de originele functie; 

  • Het behouden van de afwisseling tussen open gebieden en beslotenheid, zoals door boscomplexen. 

  • Het handhaven en verder versterken van de zichtassen; 

  • Het zichtbaar houden van de samenhang (en het contrast) tussen de Koloniën van 

Weldadigheid en het omringende, natuurlijke landschap waaruit ze ontgonnen zijn.  

Deelgebied 5 5B.B: Drentse Hoofdvaart. Betrekken bij.  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld    

  • De reeks lintdorpen langs de Drentse Hoofdvaart, wijkstructuren die haaks op de Hoofdvaart georiënteerd zijn en doorzichten naar het achterliggende gebied; 

  • De Drentse Hoofdvaart als beelddrager met een reeks sluizencomplexen, bruggen en bijbehorende historisch verwante bebouwing. 

Het functioneren van de Drentse Hoofdvaart en het Noord-Willemskanaal als antitankgracht in als onderdeel van de Frieslandriegel met enkele restanten van het loopgravenstelsel en clusters van schuttersputten.  

Ambitie:   

  • De reeks lintdorpen langs de Drentse Hoofdvaart, met doorzichten naar het achterliggende gebied;

  • De Drentse Hoofdvaart als beelddrager met een reeks sluizencomplexen, bruggen en bijbehorende historisch verwante bebouwing.AmbitieTen aanzien van de Drentse Hoofdvaart willen wij sturen op:

  • Het versterken van het karakter als beelddrager van een ensemble van kanaal, sluis- en brugcomplexen en gerelateerde bebouwing; 

  • Het beleefbaar houden van de typerende lintbebouwing langs de Drentse Hoofdvaart met doorzichten naar het achterliggende gebied.

  • Het behouden en herkenbaar houden van de bij de Frieslandriegel behorende en systematisch aangelegde onderdelen bestaande uit de antitankgracht(en), het stelsel van loopgraven, en de clusters van schuttersputten. 

Deelgebied 5 5C.C: Havelterberg. Betrekken bij.  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld    

  • Open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen; 

  • Esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbaarheid van historischeherkenbarehistorische uitbreidingen die het landschap insteken; 

  • Vele prehistorische sporen als representanten van een continue bewoningsgeschiedenis 

  • Grote heideontginningsstructuur van het Zuider- en Wapserveld en de scherp begrensde boseenheden as representatie van de jonge heideontginningen; 

  • De Havelterberg als kerngebied met een concentratie van bewoningssporen, van prehistorie tot en met de Tweede Wereldoorlog en het herbouwde dorp Darp. 

Ambitie Ambitie   

Rond de Havelterberg sturen wij op:

  • Het beter beleefbaar maken van de lange geschiedenis van de Havelterberg door de vele historische sporen vanaf de prehistorie tot aan de Tweede Wereldoorlog te benadrukken.

  • Het behouden en herkenbaar houden van sporen uit de Tweede Wereldoorlog waaronder de elementen van de Frieslandriegel, Kamp Havelte, Kamp Geeuwenbrug, Vliegveld Havelte, clusters van bomkraters en de onderduikersholen Diever en Westervelde 

  • Het versterken van de stedenbouwkundige opzet van Darp, als het jongste dorp van Drenthe, met de kenmerkende Delftse School-bebouwing en groene kernzones; 

  • Het behouden van de structuur van de jonge heidebebossing boven Darp en de restanten van het voormalig militair oefenterrein wat hierbinnen gelegen heeft. 

Deelgebied 5.D: Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa. Betrekken bij

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen;

  • Het licht slingerende lint met opstrekkende verkaveling van Wapserveen, met karakteristieke eenzijdige bebouwing;

  • Grote, scherp begrensde boseenheden als representanten van de jonge ontginningen

  • Esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbaarheid van historische uitbreidingen die het landschap insteken;

Ambitie:

5D. Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa. Karakteristieken/Omgevingsbeeld   

  • Open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen; 

  • Het licht slingerende lint met opstrekkende verkaveling van Wapserveen, en de karakteristieke eenzijdige bebouwing met daarbij representatieve beplantingselementen uit de ruilverkavelingsperiode; 

  • Esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbare historische uitbreidingen die het landschap insteken; Ambitie: 

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen het esdorp, de es, het beekdal en het veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen alszoals houtwallen en esrandbosjes. Bovendien kentzijn in het esdorpenlandschap een grote tijdsdieptesporen uit meerdere tijdslagen te vinden , wat blijkt uit de vele zicht-bare en onzichtbare (pre)historische bewoningssporen alszoals nederzettingen, grafmonumenten en celtic fields, maar ook recentere toevoegingen zoals dorpshoven; 

  • Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied;

  • Het openhouden van de beekdalen met het zicht op de wegdorpen van de randveenontginningen;

  • Het met zorg en aandacht verder versterken van het licht slingerende wegdorp Wapserveen met haar vrijwel eenzijdige bebouwing.

Gebied 6: de velden in centraal Drenthe - van nut maken van de stille heide

De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door de twee grote bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en bij Hooghalen, en door de beekdalen van de Elperstroom en de Westerborkerstroom met de daarbij gelegen esdorpen die al in de middeleeuwen zijn ontstaan. De twee bos- en heidegebieden zijn aangelegd met de karakteristieke padenstructuur van boswachterijen en stuifzandbossen. Maar ze bevatten ook vele sporen van de tijd ervoor en erna, zoals (pre-)historische routes en grenzen en jongere ingrepen uit en na de Tweede Wereldoorlog, zoals de radiotelescoop van Dwingeloo en de sporen van Kamp Westerbork. Bijzonder is de ligging van het (Nationaal Park) Dwingelderveld als oude gemeenschapsgrond te midden van een krans van esdorpen. De smalle en soms duidelijk begrensde beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom hebben een sterke ruimtelijke relatie met de ernaast gelegen dorpen.

Deelgebied 6.A: velden en beekdalen van Centraal Drenthe. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

Het vasthouden en zorgvuldig doorzetten van de ruimtelijke opzet van de esdorpen. Deze opzet wordt getypeerd door een vrije ordening van bebouwing en boerderijen, afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken),doorzichten naar het omliggende buitengebied en dorpshoven;   

  • Het zichtbaar houden van de grootschalige, scherp begrensde boscomplexen, de heidevelden, de ontginnings- en verkavelingsstructuren van de jonge heideontginningen van het Zuider- en Wapserveld en de smalle strokenverkaveling en afwateringsstructuren van het hooimadengebied onder Havelte; 

  • Het openhouden van de beekdalen met het zicht op de wegdorpen van de randveenontginningen; 

  • Het met zorg en aandacht verder versterken van het licht slingerende wegdorp Wapserveen met haar vrijwel eenzijdige bebouwing en recente kavelbeplanting uit de ruilverkavelingsperiode. 

6. de velden in centraal Drenthe - van nut maken van de stille heide 

De structuur van dit gebied wordt gedomineerd door de twee grote bos- en heidegebieden van het  

Dwingelderveld en bij Hooghalen, en door de beekdalen van de Elperstroom en de  

Westerborkerstroom met de daarbij gelegen esdorpen die al in de middeleeuwen zijn ontstaan. De twee bos- en heidegebieden zijn aangelegd met de karakteristieke padenstructuur van boswachterijen en stuifzandbossen. Ookbevatten deze gebieden veel sporen van de tijd ervoor en erna, zoals (pre)historische routes en grenzen en jongere ingrepen uit en na de Tweede Wereldoorlog, zoals de radiotelescoop van Dwingeloo en de sporen van Kamp Westerbork. Bijzonder is de ligging van het (Nationaal Park) Dwingelderveld als oude gemeenschapsgrond te midden van een krans van esdorpen. De smalle en soms duidelijk begrensde beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom hebben een sterke ruimtelijke relatie met de ernaast gelegen dorpen. Tot slot heeft ook de 20ste eeuw haar stempel gedrukt op dit gebied; veel heide is in deze recente periode nog ontgonnen, en later zin veel percelen onderdeel geweest van de ruilverkavelingsprocessen. Om de ruilverkavelingen in te passen in het landschap, zijn er veel landschapselementen bijgekomen in het buitengebied, én in de dorpen. Daarnaast getuigd de aanwezigheid van de Frieslandriegel met bijbehorende antitankgrachten, loopgraven en schuttersputten, als ook de werk(verschaffings)kampen van de impact van de Tweede Wereldoorlog.  

6A. velden en beekdalen van Centraal Drenthe. Karakteristieken/Omgevingsbeeld   

  • Aaneengesloten complexen van stuifzandbossen, boswachterijen en heidegebieden met daarbinnen sporen van oude paden, markegrenzen, postwegen en jongere relicten als radiotelescopen en sporen van de Tweede Wereldoorlog; 

  • Beekdalen van de Elper- en Westerborkerstroom, soms duidelijk begrensd door houtwallen; visuele, en devisuele relatie tussen dorp (ElpZwiggelte, Westerbork en Orvelte), es en beekdal door open doorzichten, en dorpsstructuur van open en gesloten ruimtes en verspreide bebouwing; 

  • De structuur van aan de beekdalen gerelateerde esdorpen met brinken en open en gesloten ruimtes, en verspreide bebouwing, specifiek het kransesdorp Elp dat in de Tweede Wereldoorlog deels herbouwd is, met wederopbouwboerderijen en een bijzonder landschapsplan uit de tijd van de ruilverkaveling; 

  • Binnen de scherp begrensde boseenheden de blokindeling van de boswachterijen of de grilliger padenloop van de stuifzandbossen; 

  • Een krans van esdorpen, waaronder Dwingeloo, Lhee, Spier, Ruinen en Eursinge, rondom het Dwingelderveld en langs de beekdalen met hun structuur van open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing en doorzichten naar het buitengebied; 

  • In het gebied rond Hooghalen een dichtheid aan prehistorische bewoningssporen en grafmonumenten die deels corresponderen met een oude route die het zuidwesten met het midden van Drenthe verbond;

  • Het herinneringscentrum Westerbork met de sporen van Kamp Westerbork en Schattenberg;

  • De radiotelescopen van Dwingeloo en Hooghalen.

In het gebied rond Hooghalen een dichtheid aan prehistorische bewoningssporen en grafmonumenten die deels corresponderen met een oude route die het zuidwesten met het midden van Drenthe verbond;   

  • Het herinneringscentrum Westerbork met de sporen van Kamp Westerbork en Schattenberg, werk(verschaffings)kampen Schoonloo, Orvelte en Hooghalen 

  • De relatief vele bijzondere wederopbouwboerderijen in het gebied rondom Westerbork 

  • De Frieslandriegel bestaande uit antitankgrachten, loopgraven en schuttersputten 

  • De radiotelescopen van Dwingeloo en Hooghalen. 

Ambitie Ambitie  

Richtinggevend voor dit deelgebied is het herkenbaar houden van de samenhang van twee bos- en heidegebieden met de nabijgelegen esdorpen. De bos- en heidegebieden van het Dwingelderveld en van Hooghalen zijn een resultante van de ontginning van de woeste gronden rond de esdorpen. Ook het behouden van de samenhang van de esdorpen Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte met de naastgelegen beekdalen is bepalend voor de toekomst. Specifiek willen wij sturen op:   

  • Ook het behouden van de samenhang van de esdorpen Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte met de naastgelegen beekdalen is bepalend voor de toekomst. Specifiek willen wij sturen op:

  • Het beleefbaar houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap rond het Dwingelderveld. Deze karakteristiek komt tot uitdrukking in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen de krans van esdorpen rond het Dwingelderveld en in een grote tijdsdiepte van het gebied, zoals dat blijkt uit grafmonumenten, celtic fields en ,een radiotelescoop en dorpshoven; 

  • Het herkenbaar houden van de grote tijdsdiepte van de bossen rond Hooghalen. Deze tijdsdiepte is te ervaren in zichtbare en niet zichtbare elementen uit de prehistorie, blokvormige ontginningsstructuren en ingrepen uit de moderne tijd zoals de radiotelescopen en de structuren van de werkverschaffing en Kamp Westerbork; 

  • Het instandhouden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap bij Elp, Orvelte, Westerbork en Zwiggelte. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es en beekdal, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes en -beplanting, al dan niet uit de ruilverkavelingsperiode;Het herkenbaar houden van de karakteristieken van de jonge heideontginningen van o.a. het Drijberse Veld, het Zwichelterveld en het Echtenerveld die tot uiting komen in de ontginnings- en de verkavelingsstructuur, perceelspaden, begreppeling en de openheid; 

  • Het behouden van de karaktersitieken van de jonge landgoedbebossingen die tot uiting komen in padenstructuren, overgangen naar andere landschapstypen en de eventueel bijbehorende bebouwing; 

  • Het instandouden van de beplantingselementen in de Broekstreek 

Gebied 7: Mars- en Westerstroom - het keurslijf van de beken

(Balinge/Mantinge/Garminge/Drijber) uit de ruilverkavelingsperiode.   

  • Behouden en herkenbaar houden van de restanten van werk(verschaffings)kampen Schoonloo, Orvelte en Hooghalen. 

7. Mars- en Westerstroom - het keurslijf van de beken 

De sterk vertakte beekdalen centraal in dit gebied zijn ordenend voor de organisatie van het esdorpenlandschap dat hier in de Middeleeuwen zijn structuur kreeg: essen, bebouwing en groenlanden liggen dicht op elkaar, waardoor een sterke ruimtelijke relatie bestaat. Dit centrale deel omvat compacte esdorpstructuren binnen de grillige beekdalen. Het gebied eromheen is een jong grootschalig heide- en veenontginningslandschapontginningslandschap dat zich kenmerkt door rechte lijnen, waarbinnen Witteveen een specifiek voorbeeld vormt. De ontginningswerkzaamheden vonden onder meer plaats vanuitwerkverschaffingskampen als Kamp eesbrug. Naast open ruimtes bevat het jongere landschap ook scherp begrensde boseenheden. Coevorden heeft zich als marktplaats en vestingstad ontwikkeld opTijdens de plek waar een aantal waterlopen samenkomen. Vanaf Coevorden loopt het tracé van de historische postweg naar GroningenTweede Wereldoorlog bieden deze bossen beschutting voor onderduikersholen. Elementen van de vesting zijn in de binnenstad nog steeds afleesbaar en structurerend.  

Deelgebied 7.A: esdorpenlandschap rond Mars- en Westerstroom. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

Coevorden heeft zich als marktplaats en vestingstad ontwikkeld op de plek waar een aantal waterlopen samenkomen. Vanaf Coevorden loopt het tracé van de historische postweg naar  

Groningen. Elementen van de vesting zijn in de binnenstad nog steeds afleesbaar en structurerend.  

7A. esdorpenlandschap rond Mars- en Westerstroom. Karakteristieken/Omgevingsbeeld   

  • Centraal deel met compacte esdorpenstructuren binnen grillige beekdalen; 

  • Grootschalige heide- en veenontginningen met rechte lijnen 

  • Essen, beekdal en dorpskernen liggen dicht bijeen gegroepeerd binnen de ruimte van beekdal; 

  • Visuele relatie dorp, es en beekdal door open doorzichten; 

  • Beekdalen met percelering en houtwallen; 

  • Binnen de dorpen afwisseling open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing; 

  • Variatie in traditionele boerderijen die de historische ontwikkeling toont. 

Ambitie: Ambitie:  

Bepalend voor dit deelgebied is het zichtbaar houden en verder versterken van de karakteristieke compacte structuren van dit esdorpenlandschap, zoals die tot uitdrukking komt in een centrale positie van de dorpen ingeklemd tussen het beekdal en de essen. Daarom willen wij specifiek sturen op:   

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallenhoutwallendorpshoven en esrandbosjes, al dan niet aangebracht tijdens de ruilverkavelingsperiode; 

  • Het vasthouden en doorzetten van de ruimtelijke, meer langgerekte opzet van de esdorpen door zorgvuldig om te gaan met de vrije ordening van bebouwing en boerderijen, de afwisseling tussen bebouwde plekken en open ruimtes (in het bijzonder de brinken) en doorzichten naar het omliggende buitengebied; 

  • Het blijvend zichtbaar onderscheiden van de beekdalen door het grillige verloop en de kleinschaligheid te benadrukken; 

  • Het instandhouden van de onderduikersholen en kamp Geesbrug als representatieve onderdelen van de Tweede Wereldoorlog. 

Deelgebied 7.B: Coevorden, beekdal en ontginningen. Betrekken bij

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

7B. Coevorden, beekdal en ontginningen. Karakteristieken/Omgevingsbeeld   

  • Visuele relatie dorp, es en beekdal door open doorzichten; 

  • Binnen de esdorpen afwisseling open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing; 

  • Visuele relatie dorp, es en beekdal door open doorzichten; • Binnen de esdorpen afwisseling open en gesloten ruimtes, verspreide bebouwing; •Ontginningen zijn open en doorsneden door rechte lijnen -in de vorm van wegen en beplanting; • Oranjekanaal als rechte ontginningsas; • Witteveen als gepland ontginningsdorp, met huizen en boerderijen in vaste ritmiek en plaatsing aan het lint. • Grote boseenheden, door rechte lijnen begrensd en doorsneden, met daarbinnen (restanten van) heidegebieden•Coevordeno Centrum met radiaal stratenpatroon en kasteel met motte;o Herkenbaarheid van de loop van de vestingwerken, in water en stedenbouwkundige structuren;o Tracé van de historische postweg. 

  • Oranjekanaal als rechte ontginningsas; 

  • Witteveen als gepland ontginningsdorp, met huizen en boerderijen in vaste ritmiek en plaatsing aan het lint; 

  • Grote boseenheden, door rechte lijnen begrensd en doorsneden, met daarbinnen (restanten van) heidegebieden en onderduikersholen; 

  • Zichtbare barakfunderingen van werkverschaffingskamp Geesbrug 

  • Centrum Coevorden met radiaal stratenpatroon en kasteel met motte; 

  • Herkenbaarheid van de loop van de vestingwerken, in water en stedenbouwkundige structuren; 

  • Tracé van de historische postweg. 

Ambitie   

Wij willen sturen op:   

  • Het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en beplantingselementen als houtwallen,dorpshoven en esrandbosjes, aldan niet aangebracht tijdens de ruilverkavelingsperiode; 

  • Het in stand houden van het karakter van Coevorden als vestingstad, zowel ondergronds als bovengronds, met alle onderdelen die daaraan refereren, zoals de motte, het kasteel, bastions, kazernes, wapenopslagplaats en radiale wegenstructuren; 

  • Het herkenbaar houden van de scherpe belijningen van de heideontginningen, jonge ontginningsbossen, en wijkstructuren van de veenontginningen van het Odoornerveen, waarbij binnen die belijningen variatie kan plaatsvinden; 

  • Het verder versterken van de oorspronkelijke ritmiek van bebouwing in de linten van Witteveen. 

Gebied 8. De Reest en Meppel - alle(s) voer(t) naar Meppel

8. De Reest en Meppel - alle(s) voer(t) naar Meppel 

Bepalend voor de hoofdstructuur van dit gebied is de waaier van waterlopen waartussen de randveenontginningen liggen met hun bebouwingslinten. Waar de waterlopen samenkomen heeft Meppel zich vanaf de middeleeuwen ontwikkeld als handelsstad en doorvoerhaven. De randveenontginningenIn de meeste gevallen kenmerken de randveenontginningen zich door bewonings- en ontginningsassen op smalle zandruggen, met van daaruit smalle, zeer lange verkavelingsstroken, en veelal een jongere 2de bewoningsas, zoals bij Ruinerwold of de Nijeveense- en Kolderveense Bovenboer. Bij Kolderveen en Nijeveen zijn enkele middeleeuwse griften (turfkanalen) nog aanwezig. De grillige loop van de Reest is authentiek gebleven als grensrivier met Overijssel, met aan weerszijden zandkoppen waarop losse erven en esgehuchten zich aftekenen als eilanden in een open uitgestrekt beekdal.  

Deelgebied 8 8A.A De Reest. Betrekken bij.  

Karakteristieken/omgevingsbeeld    

  • De Reest met grillig verloop, daarlangs groenlanden en zandkopjes, structurerend voor het hoevenlandschap; 

  • Wijds en open beekdal met daarin erven en esgehuchten met opgaande beplantingsranden als eilanden in die openheid; 

  • Kleinschaligheid van ontginningseenheden doordat bij elk erf eigen es en groenland hoort; 

  • Van oost naar west een verschuiving van sober naar rijk, door enkele landgoederen, en door een overgang van sobere besloten erven en nutstuinen naar boerenerven met aangebouwde voorhuizen en siertuinen in Engelse landschapsstijl. 

Ambitie   

Wij sturen op:   

Het veilig stellen van het esgehuchtenlandschap van het Reestdal door het benadrukken van de samenhang tussen de erven, essen en groenlanden en de karakteristieke erf- en esbeplanting die de erven en essen markeert in het verder open beekdal van de Reest

Deelgebied 8.B: Meppel en het laagveen rondom. Betrekken bij.

Karakteristieken/Omgevingsbeeld

  • Het veilig stellen van het esgehuchtenlandschap van het Reestdal door het benadrukken van de samenhang tussen de erven, essen en groenlanden en de karakteristieke erf- en esbeplanting die de erven en essen markeert in het verder open beekdal van de Reest; 

  • Het herkenbaar houden van de karakteristieken van de jonge heideontginningen bij Ruinerweide, het Oldenhaverveld en het Veld van Pieperij die tot uiting komen in de ontginningsstructuur, de verkavelingsstructuur, beplanting, begreppeling en de openheid. 

8B. Meppel en het laagveen rondom. Karakteristieken/Omgevingsbeeld   

  • Licht slingerend verloop van linten, met een variatie in bebouwingsdichtheid en doorzichten; 

  • Verschoven linten, zeer lange, smalle opstrekkende verkaveling en tussen de linten openheid; 

  • In Ruinerwold eenzijdige en traditionele bebouwing langs de oude noordelijke as, en tweezijdige en eclectische, rijkversierde bebouwing langs het tweede bewoningslint op de oude dijk; 

  • In Kolderveen en Nijeveen drie middeleeuwse griften (Kolderveensche Ooster- en Westergrift en de Nijeveense Grift) in noord-zuid richting nog goed herkenbaar. 

  • Meppel o Vormende middeleeuwse water- en wegenlopen in het centrum grotendeels aanwezig of herkenbaar; 

    • Vormende middeleeuwse water- en wegenlopen in het centrum grotendeels aanwezig of herkenbaar;

    • De Drentse Hoofdvaart buiten Meppel als sterke zelfstandige beelddrager met haar sluizencomplexen en aanverwante bebouwing; 

    • De bebouwingsstructuren in het centrum veelal functioneel gekoppeld aan de markt- en havenfunctie, waarbij hoge verwachtingen van interne en ondergrondse sporen van de middeleeuwse stad; 

    • Villawijken en -park, tuinwijken en havenbebouwing uit de periode 1860-1940 als representanten van de economische bloei en van stedenbouwkundige concepten uit die tijd. 

Ambitie:   

Leidend in dit deelgebied is een samenloop van verschillende waterlopen waartussen en waarlangs verschillende ontwikkelingen hebben plaatsgevonden. Wij willen sturen op:•Het zichtbaar houden van de middeleeuwse griften bij Kolderveen en Nijeveen;• Het in stand houden van het oude en het nieuwere lint van Ruinerwold en de ligging ervan in de omgeving. Dit doen wij door het herkenbaar houden van de verschillen in positionering, weginrichting en architectuur, door het vasthouden aan de verkavelingsstructuren en door het open houden van de ruimte tussen de twee bebouwingslinten   

Gebied 9. Het Hollandscheveld en Hoogeveen - kruising van richtingen

  • Het zichtbaar houden van de middeleeuwse griften bij Kolderveen en Nijeveen en de recentere toegevoegde kavelbeplanting uit de ruilverkavelingsperiode; 

  • Het behouden van de openheid van het slagenlandschap bij Kolderveen en Nijeveen; 

  • Het in stand houden van het oude en het nieuwere lint van Ruinerwold en de ligging ervan in de omgeving. Dit doen wij door het herkenbaar houden van de verschillen in positionering, weginrichting en architectuur, door het vasthouden aan de verkavelingsstructuren en door het open houden van de ruimte tussen de twee bebouwingslinten 

  • Het versterken van het karakter van de Drentse Hoofdvaart als beelddrager van een ensemble van kanaal, sluis- en brugcomplexen en gerelateerde bebouwing; 

  • Het herkenbaar houden van de historische kern van Meppel als markt- en handelsstad, zowel bovengronds als ondergronds, met alle elementen die daaraan refereren, zoals bebouwingsstructuren, waterlopen, pleinen en parken. 

9. Het Hollandscheveld en Hoogeveen - kruising van richtingen 

De structuur van dit gebied heeft geen duidelijke drager. Dit komt doorEnerzijds zijn dit de relatief complexe en kleinschalige aanpak van de oudere veenontginningen, die vanaf de 17de eeuw plaatsvinden. De (verlengde) Hoogeveensche Vaart vormt de basis en verbindende schakel in de veenontginningen. De structuur hiervan is nog steeds herkenbaar aan de "opgaanden", die als ontginningsas dienden, en aan de verschillende kavelrichtingen van de -vele- ontginningsblokken, die aan de achtergrenzen bij elkaar komen. De veenbebossing biedt tijdens de Tweede Wereldoorlog de noodzakelijke beschutting voor een relatief grte hoeveelheid onderduikersholen. Hoogeveen heeft zich ontwikkeld als stedelijke kern vanuit het kruispunt van twee belangrijke vaarten: de (verlengde) Hoogeveense Vaart en de inmiddels gedempte Zuidwoldiger Opgaande. Ook hebben de jongere (heide) ontginningen uit de 20ste eeuw hun stempel gedrukt op de landschapskarakteristiek. Bijna het gehele gebied rondom Zuidwolde is in deze periode op de schop gegaan om de heidegronden in cultuur te brengen.  

Deelgebied 9.A :Hollandscheveld en Hoogeveen. Betrekken bij.

9A. Hollandscheveld en Hoogeveen. Karakteristieken/Omgevingsbeeld   

  • Ontginningsassen als lijnen georiënteerd op en verbonden met de (Verlengde) 

Karakteristieken/Omgevingsbeeld Hoogeveensche Vaart;   

  • Ontginningsassen als lijnen georiënteerd op en verbonden met de (Verlengde) Hoogeveensche Vaart;

  • Centraal groot 'blok' met daaromheen uitwaaierend (latere) blokken, onderling herkenbaar door de assen en de verschillende kavelrichtingen die 'botsen' bij de achtergrenzen; 

  • Bossen bij Hollandscheveld die de smalle kavelstructuur en -richting volgen, met rafelige begrenzingen en tijdens de Tweede Wereldoorlog beschutting bieden voor meerdere onderduikersholen; 

  • Hoogeveen 

    • "Het Kruis" als ontstaanspunt herkenbaar in het kruispunt van twee -gedempte- vaarten; 

    • Noordelijk daarvan herkenbare historische percelering en bebouwingsstructuur. 

Ambitie Ambitie  

Richtinggevend voor dit deelgebied is het behouden van het onderscheid tussen de verschillende ontginningsblokken in het veengebied. Dit is vooral zichtbaar te maken op de grenzen van de blokken. Wij willen dan ook sturen op:  

Wij willen dan ook sturen op:   

  • Het gebruik maken van de randen en contrasten tussen de verschillende ontginningsblokken, al dan niet bebost, bij nieuwe ontwikkelingen, en in het bijzonder de achtergrenzen van de ontginningsblokken, waar verschillende kavelrichtingen bij elkaar komen; 

  • Het zichtbaar houden van de plaatsing van de bospercelen van het bos bij Hollandscheveld binnen de oude perceelstructuren, en het in stand houden van de rafelige, verspringende randen van dit bos.

  • Het herkenbaar houden van de onderduikersholen in de veenbossen als representanten van het actieve verzet van Nieuwland en omgeving tijdens de Tweede Wereldoorlog; 

  • Het herkenbaar houden van de karakteristiek van de lange bebouwingslinten met doorzichten op het landschap van het Hollandsche Veld en omliggende dorpen; 

  • Het zichtbaar houden van de karakteristieken van het jonge ontginningslandschap die tot uiting komen in de ontginningsstructuur, smalle kavelstructuur en de openheid eromheen en de bebossing; 

  • Het herkenbaar houden van de structuur en identiteit van de hoofdontginningsassen van Hoogeveen; 

  • Het herkenbaar houden van (de restanten van) het oude productiebos Kremboong met aanverwante kavelstructuren en aan de ontginning gerelateerde historische bebouwing; 

  • Inzetten op herbestemming van historische identiteitsdragers. 

Gebied 10. Emmen en haar venen - planmatige ontwikkeling

10. Emmen en haar venen - planmatige ontwikkeling 

Bepalend in dit gebied is de positie van Emmen als naoorlogse stad, in een veengebied dat vrij laat is ontgonnen en nog de concrete sporen toont van de machinale veenontginningen. Emmen, oorspronkelijk een esdorp op een uitloper van de Hondsrug, bezit rondom de oude kern een krans van woonwijken en industriegebieden, die representatief zijn voor de opeenvolgende fasen in het naoorlogse planningsdenken. Daarbuiten zijn in het gebied van het Amsterdamscheveld de verschillende facetten en fasen van de machinale veenontginning in één gebied zichtbaar. De zuidelijke strook langs de grens met Duitsland heeft een eigen karakter, gevormd door de randveenontginningen en hun wegdorpen en de esgehuchten. Samengevat is karakteristiek voor het geheel: de veelzijdigheid van ruimtelijke inrichting in fasen en in tijd, met (ingepaste) structuren van esdorpen en het esdorpenlandschap, veenontginningen, wegdorpen en naoorlogse planning; de verschillende zones die zich door hun autonome ontwikkeling sterk van elkaar onderscheiden.  

Deelgebied 10 10A.A: Het Amsterdamscheveld. Betrekken bij.  

Karakteristieken/Omgevingsbeeld    

  • Rond het Amsterdamscheveld en het Bargerveen zijn verschillende fasen van veenontginning zichtbaar door strakke interne ontginningslijnen, aan de randen rafelige grenzen tussen wel en 

niet afgegraven en in cultuur gebracht hoogveen, machinale sporen in het veen en de turfstrooiselfabriek en gerelateerde dorpsbebouwing bij het gebied van Van Griendtsveen.  

Ambitie:   

  • Rond het Amsterdamscheveld en het Bargerveen zijn verschillende fasen van veen ontginning zichtbaar door strakke interne ontginningslijnen, aan de randen rafelige grenzen tussen wel en niet afgegraven en in cultuur gebracht hoogveen, machinale sporen in het veen en de turfstrooiselfabriek en gerelateerde dorpsbebouwing bij het gebied van Van Griendtsveen.Ambitie

  • Het zichtbaar houden van de machinale veenwinning en veenverwerking op het Amsterdamscheveld en het Bargerveen, zowel in het landschap als in de bebouwing; 

Deelgebied 10.b: Emmen, venen en randveenontginningen. Betrekken bij.

Karakteristieken

10B: Emmen, venen en randveenontginningen. Karakteristieken   

  • Meervoudig systeem van kanalen en wijken; 

  • Licht slingerend verloop van de weg als ontginningsas parallel aan het Schoonebekerdiep; 

  • Een onderscheid tussen oost en west in lintdorpen en esgehuchten; 

  • Een opstrekkende verkaveling vanuit het lint. 

  • Emmen: 

    • Hoofdstructuur van naoorlogse uitleg met de functiescheiding wonen, werken, recreatie en verkeer daarbinnen; 

    • De naoorlogse woonwijken Emmermeer, Angelslo en Emmerhout als gavevooruitstrevende representanten van stedenbouwkundige concepten uit de wederopbouwperiode; 

    • Bargeres als representant van een ‘bloemkoolwijk’ uit de jaren zeventig waarbij het landschap drager is; 

    • De aanwezigheid van (restanten van) esdorpstructuren van (het centrum van) Emmen, BargeNoordbarge/Zuidbarge en Westenesch en prehistorische sporen die de route van Coevorden naar Groningen over de Hondsrug weerspiegelen. 

Ambitie:   

Bepalend voor dit deelgebied is de stad Emmen als naoorlogse groeikern op de rand van de Hondsrug met een omringend veengebied. In dit deelgebied willen we specifiek sturen op:  

  • Het behouden van de kenmerkende stedenbouwkundige concepten van de naoorlogse wijken van Emmen als representanten van opeenvolgende fasen in het denken over wonen en de stad; 

  • Bij nieuwe ontwikkelingen van Emmen consequent vasthouden aan het wijkontwerp als totaalbeeld en als uitdrukking van een vernieuwend denkbeeld over de wijze van wonen; 

  • Het behouden van de karakteristieken van de grote boscomplexen rondom Emmen waarbij het Weerdingerbos een structurele relatie heeft met de stedenbouwkundige opzet van Emmermeer, het Noordbargerbos een ruimtelijke grens van de stad Emmen vormt met intact wandelnetwerk en Emmerdennen goed te herkennen is als stuifzandbos; 

  • Het benadrukken van het lineair patroon van hunebedden, grafheuvels en andere zichtbare en onzichtbare prehistorische relicten die samenhangen met de prehistorische route over de Hondsrug; 

  • Het herkenbaar houden van de lintstructuur van de randveenontginningen met een variatie aan bebouwing langs de slingerende oost-west georiënteerde wegen. 

  • Het zichtbaar houden van de karakteristieken van de dubbele veenkolonie EmmerErfscheidenveen die tot uiting komen in de kanalenstructuur, blokverkaveling, openheid van het omliggende landschap en de karakteristieke architectuur.

JJ

Bijlage 4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage 4 Kernkwaliteiten Koloniën van Weldadigheid

Kernkwaliteiten Koloniën van Weldadigheid

Nadere uitwerking van bovenstaande kernkwaliteiten

De nadere uitwerking van de kernkwaliteiten is opgenomen in Hoofdstuk 3 van het nominatiedossier “Koloniën van Weldadigheid” op grond waarvan UNESCO op 26 juli 2021 de Koloniën van Weldadigheid heeft aangewezen als Werelderfgoed. Hieruit zijn voor de POV Drenthe de volgende uitwerkingen gedistilleerd:



Ad a. de typologie van vrije en onvrije koloniën, als resultante van een allesomvattend systeem gericht op de opvang, disciplinering en vorming van kolonisten;

De uitzonderlijke en universele waarde (OUV) zit hem in de samenhangende ruimtelijke verschijningsvorm van het verschijnsel van de binnenlandse kolonie voor armoedebestrijding met landbouw:

a. In het uitzonderlijke en vroege sociale experiment vanuit de Verlichting met binnenlandse landbouwkoloniën voor armoedebestrijding die veel internationale belangstelling trokken en de internationale navolging in de instellingszorg. En

b. in het landschap van de binnenlandse landbouwkolonie met een sociaal doel, dat haar bewoners aanzette tot rationeel en productief gedrag vanwege de ruimtelijke en functionele organisatie van landschap en bebouwing.

Het UNESCO Werelderfgoed Koloniën van Weldadigheid bestaat uit drie aaneengesloten gebieden: Frederiksoord-Wilhelminaoord (Drenthe/Friesland), Wortel (België) en Veenhuizen (Drenthe). Dit zijn de Koloniën waar het oorspronkelijke cultuurlandschap bewaard is gebleven en het beste kan worden begrepen. Alle onderdelen bestaan uit een combinatie van landschapslagen die samen de bloeiperiode van het Koloniemodel laten zien.

Voor verschillende doelgroepen (enerzijds families/individuen, of anderzijds groepen) werden binnenlandse landbouwkoloniën voor armoedebestrijding aangelegd met een verschillend type ruimtelijke typologie: vrije en onvrije Koloniën. De ontwikkeling daarvan kent twee tijdslagen. De typologie van vrije en onvrije Koloniën kan als volgt schematisch worden weergegeven:

afbeelding binnen de regeling

In dit schema zijn de verschillende landschapstypen van een vrije kolonie (type α: bovenste twee plaatjes) en een onvrije kolonie (type ß, onderste twee plaatjes) schematisch verbeeld. De linkerzijde toont de situatie uit de eerste fase (1818-1859), de rechterzijde de twee fase (1860 tot 1918).Type α, vrij, (Frederiksoord-Wilhelminaoord) wordt gekarakteriseerd door evenwijdige lintbebouwing met ritmisch geordende koloniewoningen aan rechte wegen met achterliggende landbouwpercelen. Centraal en nabij kruisingen van wegen bevinden zich gezamenlijke voorzieningen zoals directiegebouwen, scholen, werkplaatsen en kerken. Pijl A toont de overgang naar de tweede fase (na 1859) binnen dit patroon met meer verdichting door toevoeging van nieuwe grotere boerderijen en voorzieningen als rusthuizen.Type ß, onvrij, (Veenhuizen) wordt gekarakteriseerd door een ruimer opgezette ordening met een hoofdontginningslijn langs de hoofdvaart, en daarnaast vierkante gestichten met daar omheen geordende grotere boerderijen. Door middel van pijl C is aangegeven hoe in de tweede fase (na 1859 en binnen de bestaande ordening) dienstwoningen aan het bestaande wegen- en kanalenpatroon zijn toegevoegd. Ook ontstaan er nieuwe gestichten en boerderijen nabij of in plaats van oude gestichten. Het geometrische, rechthoekige patroon wordt hierbij doorgezet.

Ad b. de structuur van het landschap, die representatief is voor het experiment van armoedebestrijding en de doorontwikkeling daarvan;

De landschappen van de Koloniën van Weldadigheid zijn aangelegd als systeem om armoede te bestrijden met binnenlandse landbouwkoloniën voor diverse doelgroepen. De ontwikkeling ervan heeft plaatsgevonden in twee hoofdfasen:

1. de fase van aanleg (1818-1859).

2. de fase van verdere evolutie, staatsinstellingen en privatisering (1860-1918). De uitzonderlijke en universele waarde van het landschap komt tot uiting in de 'attributen' die de materialisatie van de uitzonderlijke en universele waarde vormen.



De 'attributen' zijn:

a. De basistypologie van het landschap: de karakteristieke landschapstypologie van de Koloniën van Weldadigheid in de periode 1818-1918, met representatieve landschapslagen, die de functionele en ruimtelijke samenhang illustreren.

b. De structuur van het kolonielandschap: alle individuele elementen van het orthogonale grid: wegen, beplante lanen, waterwegen, het toegepaste maatsysteem en de plek van de gebouwen in het grid. Representatieve bebouwing en beplanting individuele gebouwen, ensembles en beplanting die representatief is voor dit panoptische model van een landbouwkolonie.

Uitwerking attributen per kolonie op hoofdlijn per component in Drenthe:



Component A Frederiksoord-Wilhelminaoord

1. Basistypologie vrije Kolonie van Weldadigheid: Landschapstype α1 en α2

2. Structuur: Wegen en bomenlanen, Hoofdwegen/lanen, Secundaire wegen/lanen, Waterstructuren, Vaarten, Sloten, Toegepast maatsysteem, Percelen van 2,4 ha, later 2,8 ha, deels 50 ha

3. Representatieve bebouwing en bijbehorende beplanting: Koloniehuisjes, Dienstwoningen/ambtenarenwoningen, Werkplaatsen, Collectieve boerderijen en vrijboerhoeves, Gebouwen van de Maatschappij van Weldadigheid, Religieuze gebouwen, Ouderenhuisvesting, Scholen, Begraafplaatsen



Component C Veenhuizen

1. Basistypologie onvrije Kolonie van Weldadigheid: Landschapstype ß 1 en ß 2

2. Structuur: Wegen en bomenlanen, Hoofdwegen/lanen, Secundaire wegen/lanen, Waterstructuren, Vaarten, Wijken, Toegepast maatsysteem 750, 375 en 25 meter

3. Representatieve bebouwing en bijbehorende beplanting: Gestichten, Dienstwoningen, Werkplaatsen, Boerderijen, Religieuze gebouwen, Centrale voorzieningen, Sluizen, Begraafplaatsen



Uitwerking op kaart:

Op de kaarten in Hoofdstuk 3 van het nominatiedossier is de wijze waarop de uitzonderlijke universele waarde zijn weerslag heeft in bovengenoemde fysieke elementen en in samenhang, concreet aangeduid. Op kaarten M 3.1 en M 3.3 zoals hieronder opgenomen. Het complete nominatiedossier met daarin deze kaarten, is te vinden via [https://www.kolonienvanweldadigheid.eu/nominatiedossier].



kaart M 3.1 Attributes: representatieve buildings and planting, Component Part A: FREDERIKSOORD-WILHELMINAOORD

afbeelding binnen de regeling

kaart M 3.3 Attributes: representatieve buildings and planting, Component part C: VEENHUIZEN

afbeelding binnen de regeling

Volledige uitwerking attributen in lijsten: 'List of all attributes of the component parts'.

Ad c. de structuur en het karakter van de beschermde dorpsgezichten Frederiksoord, Wilhelminaoord en Veenhuizen.

Zie de aanwijzingsbesluiten uit 2008 en 2009; https://www.gemeentewesterveld.nl/Inwoners/Bouwen_en_verbouwen/Bestemmingsplannen/Vastgesteld/Beschermd_dorpsgezicht_Frederiksoord_WilhelminaoordhttpsBeschermd_dorpsgezicht_Frederiksoord_Wilhelminaoord

https://www.gemeentenoordenveld.nl/ruimtelijkeplannen/NL.IMRO.1699.2010BP022-vg02/rb_NL.IMRO.1699.2010BP022-vg02_3.pdf

KK

Bijlage 9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage 9 Aangewezen rustgebied

Aangewezen rustgebied

Op dit moment is in het Flora- en faunabeleidsplan één rustgebied weergegeven, te weten: nabij het Leekstermeer. Gelet op een beleidsarme implementatie blijft dit gebied aangewezen.

afbeelding binnen de regeling

[Vervallen]

LL

Bijlage 15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage 15 Formatie van Breda

Kaart behorende bij artikel 10.21

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

MM

Na bijlage 15 worden vijf bijlagen ingevoegd, luidende:

Bijlage 16 Bescherming van voor verzuring gevoelige gebieden

Artikel 0 Begripsbepalingen 

  • 1.

     Landbouwhuisdier: landbouwhuisdier als bedoeld in bijlage I, onderdeel A, van het Besluit activiteiten leefomgeving met inbegrip van een paard en/of pony die gehouden wordt voor het berijden.

  • 2.

    Dierenverblijf: gebouw, met inbegrip van de verharde uitloop, voor het houden van landbouwhuisdieren als bedoeld in het eerste lid. 

Artikel 1 Toepassingsbereik / aanwijzing 

  • 1.

     Artikel 3 en 4 zijn van toepassing op het houden van landbouwhuisdieren indien er bedrijfsmatig meer dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden.

  • 2.

     Als vrijstellingszone X is aangewezen de buitenste schil van het voor verzuring gevoelig gebied tot 100 meter naar binnen dat als zodanig geometrisch is begrensd. 

Artikel 2 Grote en kleine mestbassins 

  • 1.

     Het is verboden om een mestbassin in een voor verzuring gevoelig gebied op te richten dan wel uit te breiden.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing, indien het mestbassin is opgericht in overeenstemming met het eerste lid en het mestbassin na het tijdstip van oprichting is komen te liggen binnen een voor verzuring gevoelig gebied, genoemd in het eerste lid.

  • 3.

    Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing op een mestkelder.

  • 4.

    Het eerste lid geldt niet in vrijstellingszone X indien en zolang de gezamenlijke oppervlakte van de mestbassins minder dan 350 m2 bedraagt.

  • 5.

    Voor zover de gezamenlijke oppervlakte van de mestbassins minder dan 350 m2 bedraagt en het redelijkerwijs niet mogelijk is te voldoen aan het eerste lid, met inbegrip van het vierde lid, is het eerste lid niet van toepassing op: 

    • a.

       een mestbassin dat is opgericht voor 1 februari 1991 en

    • b.

      een uitbreiding van een veehouderij die is opgericht voor 1 februari 1991 met een mestbassin. 

Artikel 3 Dierenverblijf 

Ter plaatse van een voor verzuring gevoelig gebied vindt het oprichten van een dierenverblijf niet plaats indien voorafgaand aan het oprichten geen sprake is van een milieubelastende activiteit waar rechtmatig landbouwhuisdieren worden gehouden, tenzij het dierenverblijf bestemd is voor dieren die in hoofdzaak worden gehouden ten behoeve van natuurbeheer.  

Artikel 4 Uitbreiding / wijzigen dierenverblijf 

  • 1.

    Ter plaatse van een voor verzuring gevoelig gebied vindt bij het houden van landbouwhuisdieren het uitbreiden van het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën niet plaats, tenzij: 

    • a.

       de ammoniakemissie niet toeneemt;

    • b.

      de uitbreiding schapen en paarden betreft;

    • c.

      de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden overeenkomstig de regels die zijn gesteld ten aanzien van de biologische productiemethoden, of

    • d.

      de uitbreiding dieren betreft die worden gehouden ten behoeve van natuurbeheer.

  • 2.

    Bij het toepassen van het eerste lid aanhef en onder a wordt de ammoniakemissie van de dieren waarmee is uitgebreid op grond van het eerste lid, onderdelen b, c of d niet meegerekend.

Toelichting

De regeling betreft een opvolger van de Wet ammoniak en veehouderij en de regeling over de bescherming van voor verzuring gevoelige gebieden in paragraaf 3.4.6 (mestbassins) en 3.5.8 (dierenverblijven) van het Activiteitenbesluit. Het betreft een beleidsneutrale omzetting van een regeling die overigens al dateert van ruim voor de Wet ammoniak en veehouderij (de Interimwet ammoniak en veehouderij (verder: Iav) dateert al van 1994).

Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet werden in de Wet ammoniak en veehouderij (hierna Wav) kaders gesteld voor het beoordelen van de gevolgen van de ammoniakemissie vanuit dierenverblijven voor zeer kwetsbare gebieden. Met deze wet werd gekozen voor een meer emissiegerichte benadering. Er werd uitgegaan van een emissiebeleid voor heel Nederland met aanvullend een zoneringsbeleid voor kwetsbare gebieden. Veehouderijbedrijven zijn een belangrijke bron van ammoniak. Om die reden golden er beperkingen voor uitbreiding van de veehouderijbedrijven die binnen 250 meter van de zeer kwetsbare gebieden liggen. Volgens de Wav was een beoordeling van de gevolgen van de emissie van ammoniak niet nodig als een veehouderij op meer dan 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied was gelegen. De Wav ging voor het bepalen van de kwetsbare gebieden uit van die gebieden die op grond van de Iav in de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (Uav) als voor verzuring gevoelig waren aangewezen en die binnen de door de provincie bij besluit vastgestelde Ecologische Hoofdstructuur (EHS) lagen. Gebieden die op het moment van vervallen van de Iav voor verzuring gevoelig waren worden als kwetsbaar aangemerkt. De gebieden die onder de Iav en de Uav voor verzuring gevoelig waren, waren ook kwetsbare gebieden in de zin van de Wav.

In de Wav was geregeld dat Provinciale Staten gebieden aanwijzen die als zeer kwetsbaar worden aangemerkt. Alleen voor verzuring gevoelige gebieden of delen daarvan die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur (huidig Natuurnetwerk Nederland) kunnen als zeer kwetsbaar worden aangemerkt. Provinciale staten wijzen ook, onverminderd het eerdergenoemde, alle voor verzuring gevoelige gebieden binnen een Natura 2000 gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in de Omgevingswet aan als zeer kwetsbaar gebied.

De Wav is vervangen met de komst van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Omdat er is gekozen voor een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Drenthe blijven de voor verzuring gevoelige gebieden aangewezen. De provincie Drenthe heeft deze aangewezen op de kaart Wav. Eén begrenzing op de huidige kaart Wav is aangepast zodat er weer voor gezorgd wordt dat deze gebieden binnen het NNN vallen. De status van de kaart blijft ongewijzigd en inhoudelijk verandert er niets.

Het gaat in de kern om een verbod om in en vlak naast een voor verzuring gevoelig gebied dierenverblijven en mestbassins op te richten of uit te breiden.

Om de regeling te laten passen in de systematiek van de Omgevingswet is de regeling (wederom beleidsneutraal) op een drietal punten aangepast. Dit betreft:

1. De algemene systematiek;

2. Het werkingsgebied;

3. De wijziging van het begrip landbouwhuisdieren.

Ad 1 De algemene systematiek

Eerder werden voor verzuring gevoelige gebieden aangewezen door middel van een provinciale verordening. Daarmee werd in en rondom deze gebieden het toetsingskader van de Wet ammoniak en veehouderij van toepassing (voor vergunningplichtige bedrijven) en het toetsingskader van het Activiteitenbesluit voor bedrijven die onder algemene regels vielen.

In het huidige systeem worden - en zijn - de gebieden nog steeds door middel van de provinciale verordening aangewezen. Voor de vergunningplichtige bedrijven zijn de beoordelingsregels al opgenomen in afdeling 4.4.1 van de provinciale omgevingsverordening. Voor bedrijven die onder algemene regels vallen staan de regels op dit moment in het Voorbereidingsbesluit Ammoniak en Veehouderij. Omdat het de bedoeling is van de Omgevingswet om zo veel mogelijk regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan op te nemen, wordt met de nu voorliggende instructieregels geregeld dat deze regeling in het omgevingsplan zelf moet worden opgenomen.

De gemeenten hoeven de regels niet te “vertalen”. Het volstaat om de artikelen één op één over te nemen.

Ad 2 Het werkingsgebied

De oude systematiek bestond eruit dat er een voor verzuring gevoelig gebied werd aangewezen en dat in dat gebied en in een zone van 250 (en 150) meter rond dat gebied bepaalde regels van toepassing waren.

Omdat de Omgevingswet werkt met digitaal te ontsluiten regels en kaartmateriaal zijn de regels nu gekoppeld aan een zogenaamd “werkingsgebied” waardoor het gebied en de zone(s) daaromheen samen vallen.

In de Omgevingsverordening Drenthe (zie art. 4.28 lid 1 en de toelichting daarop) is het werkingsgebied beschreven. Het werkingsgebied (voor verzuring gevoelig gebied) bestaat uit het oorspronkelijk aangewezen zeer kwetsbare gebied en een zone van 250 meter daaromheen.

Met het oorspronkelijk aangewezen zeer kwetsbare gebied worden de zeer kwetsbare gebieden bedoeld die zijn aangewezen door Provinciale Staten van Drenthe op de kaart Wet ammoniak en veehouderij. De zone van 250 meter daaromheen is een gevolg van die aanwijzing. In die zone gelden dezelfde regels als in het zeer kwetsbare gebied. Vanwege het digitale kaartsysteem van de Omgevingswet moet ook die 250 meter zone worden aangewezen. Omdat dezelfde regels gelden in zowel het zeer kwetsbare gebied als in de zone van 250 meter daaromheen is er gekozen voor 1 werkingsgebied: voor verzuring gevoelig gebied (zeer kwetsbaar gebied kaart Wav plus 250 meter daaromheen).

Op de kaart is er dus een vlek te zien. “Achter de schermen” bestaat het werkingsgebied echter nog steeds uit twee kaartlagen; namelijk het zeer kwetsbare gebied (kaart Wav) en het gevolg van die aanwijzing: de zone van 250 meter daaromheen. Bij een aanpassing van de begrenzing is het zeer kwetsbare gebied leidend, niet het werkingsgebied verzuring gevoelig gebied. Immers het werkingsgebied bestaat ook nog uit de zone 250 meter.

Vrijstellingszone X is de buitenste schil van het voor verzuring gevoelige gebied en vanaf daar gerekend 100 meter naar binnen. Deze zone is niet als apart werkingsgebied aangewezen. De 100 metergrens kan op het kaartmateriaal in het DSO worden uitgemeten.

Ad 3 De wijziging van het begrip landbouwhuisdieren

In deze instructieregel wordt in het licht van de beoogde beleidsneutrale overgang een afwijkende term voor het begrip landbouwhuisdieren gebruikt door hier ook “paarden en pony’s voor het berijden” aan toe te voegen. Hiermee is aangesloten bij de definitie van het begrip landbouwhuisdier zoals dat voor 1 januari 2024 gold (zie de toelichting op art. 22.96 van de bruidsschat). Gelet op ECLI:NL:RVS:2010:BO7364 gaat het hierbij niet om de intentie waarmee de dieren in een specifiek geval worden gehouden. Bepalend voor de vraag of het dier onder de definitie valt is of het diertype in de regel voor de genoemde doeleinden wordt gehouden.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Dit artikel bevat de instructie om de inhoudelijke regels zoals eerder opgenomen in het Activiteitenbesluit, en vervolgens in het voorbereidingsbesluit, op te nemen in het omgevingsplan.

Artikel 0 (Begripsbepalingen)

Zoals eerder aangegeven is het voor een beleidsneutrale omzetting nodig om met een afwijkende definitie van het begrip landbouwhuisdier te werken. Dit werkt ook door in de definitie van het begrip dierenverblijf, vandaar dat op grond van de instructie deze twee afwijkende begrippen moeten worden opgenomen in het omgevingsplan.

Artikel 1(toepassingsbereik / aanwijzing)

Het toepassingsbereik is, net als in het Activiteitenbesluit en in art. 2.1 van het voorbereidingsbesluit beperkt tot bedrijven waar bedrijfsmatig de meer dan de genoemde aantallen dieren worden gehouden.

In het tweede lid is de zogenaamde “vrijstellingszone X” gedefinieerd die nodig is bij het toepassen van de vrijstelling in artikel 2 lid 4 van de regeling.

Artikel 2 (Grote en kleine mestbassins)

Het eerste lid geeft de hoofdregel: een verbod om kleine en grote mestbassins in een voor verzuring gevoelig gebied (inclusief de zone van 250 meter om het eigenlijke gebied heen) op te richten. Het tweede lid geeft een uitzondering voor situaties waarin het mestbassin conform de regels zou zijn opgericht, maar het gebied op een later moment dichterbij komt te liggen. Het derde lid spreekt voor zich en zondert mestkelders uit. Voor het vierde lid is de vrijstellingszone X van belang (gedefinieerd in artikel 0). Binnen deze zone kunnen wel mestbassins worden opgericht mits de gezamenlijke oppervlakte op het gehele bedrijf (de locatie waar de milieubelastende activiteit plaatsvindt) niet meer dan 350 vierkante meter bedraagt. Het vijfde lid geldt voor bedrijven die op het moment dat de regeling in het verleden is ingevoerd, al bestonden. Deze bedrijven mogen bestaande mestbassins continueren en zelfs een nieuw mestbassin realiseren, op voorwaarde dat aan de oppervlakte-eis wordt voldaan en er (vrij vertaald) geen andere oplossing is.

Artikel 3 (Dierenverblijf)

Dit artikel bevat de hoofdregel voor dierenverblijven (art. 2.4 van het voorbereidingsbesluit): een verbod om dierenverblijven in een voor verzuring gevoelig gebied (inclusief de zone van 250 meter om het eigenlijke gebied heen) op te richten. Ter toelichting op de zinsnede “waar rechtmatig landbouwhuisdieren worden gehouden” is van belang dat hier niet aan voldaan wordt als een bedrijf op de betreffende locatie gestopt is en een (ander) bedrijf zich later op die locatie zou willen vestigen, zie RBNNE LEE 17/2472 d.d. 20 dec. 2018. De enige uitzondering hierop betreft nieuwe veehouderijen met dieren die in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer worden gehouden. De reden voor deze uitzondering is dat beweiding essentieel kan zijn voor de instandhouding van natuurgebieden.

Artikel 4 (Uitbreiding / wijzigen dierenverblijf)

Dit artikel regelt de uitbreidings- en wijzigingsmogelijkheden voor bestaande veehouderijen. Bestaande veehouderijen binnen de zone hebben een emissieplafond (art. 4 lid 1 onder a). Binnen dit plafond kan uitbreiding van het aantal landbouwhuisdieren plaatsvinden, mits er geen toename is van ammoniakemissie. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door het treffen van innovatieve of technische maatregelen. Dieren die vallen onder de categorieën b t/m d zijn vrijgesteld (mits de uitbreiding plaats vindt bij een bestaande veehouderij). In het tweede lid zijn rekenregels opgenomen voor het bepalen van het plafond in het eerste lid onder a, waarin is geregeld dat de ammoniakemissie van “vrijgestelde diercategorieën” niet meetelt voor het berekenen van het plafond.

Bijlage 17 Bebording waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden

artikel 6.17

afbeelding binnen de regeling

Bijlage 18 Verboden mba's

Lijst van verboden activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden 

Bijlage bij artikel 6.6           

Activiteiten die bedrijfstakken overstijgen (afdeling 3.2 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een stookinstallatie met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 100 kW

3.4

Exploiteren van een koelinstallatie met kooldioxide, koolwaterstoffen of ammoniak

3.15

Aanleggen of gebruiken van een bodemenergiesysteem

3.18

Opslaan in een opslagtank met een inhoud van meer dan 250 liter of een tankcontainer of verpakking die als opslagtank wordt gebruikt en een inhoud heeft van meer dan 250 liter, waarvoor (in beginsel) een omgevingsvergunning is vereist

3.25 lid 1

Opslaan in een opslagplaats van gevaarlijke stoffen in verpakking, waarvoor een omgevingsvergunning is vereist

3.28

Opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik

3.33

Opslaan, mengen, scheiden of verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte

3.39

Op of in de bodem brengen van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen buiten stortplaatsen

3.40b

Verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen anders dan in een ippc-installatie

3.40d

Exploiteren van een ippc-installatie voor het behandelen van afvalwater of een zuiveringsvoorziening voor het zuiveren van ingezameld of afgegeven afvalwater

3.41

Exploiteren van een ippc-installatie voor oppervlaktebehandeling met oplosmiddelen

3.44

Exploiteren van een ippc- of andere milieubelastende installatie voor het afvangen van kooldioxide voor ondergrondse opslag

3.47

Opslaan van grond of baggerspecie

3.48j

Complexe bedrijven (afdeling 3.3 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een Seveso-inrichting

3.50

Exploiteren van een ippc-installatie voor grootschalige energieopwekking

3.54

Exploiteren van een ippc-installatie voor een raffinaderij

3.57

Exploiteren van een ippc-installatie voor het maken van cokes

3.60

Complexe bedrijven (afdeling 3.3 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor het vergassen of vloeibaar maken van steenkool of andere brandstoffen

3.63

Exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor basismetaal industrie

3.66

Exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor complexe minerale industrie

3.69

Exploiteren van een ippc-installatie voor basischemie industrie

3.72

Exploiteren van een ippc-installatie voor complexe papierindustrie, houtindustrie of textielindustrie

3.75

Exploiteren van een ippc-installatie voor afvalbeheer

3.78

Exploiteren van een ippc-installatie voor de destructie of het verwerken van kadavers of dierlijk afval

3.81

Exploiteren van een ippc-installatie of een andere milieubelastende installatie voor een stortplaats of winningsafvalvoorziening

3.84

Exploiteren van een ippc-installatie voor het verbranden van afvalstoffen

3.87

Exploiteren van een andere milieubelastende installatie voor grootschalige mestverwerking

3.90

Nutsector en industrie (afdeling 3.4 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Behandelen, regelen of meten van aardgas

3.97

Exploiteren van een bedrijf in de metaalproductenindustrie

3.103

Exploiteren van een bedrijf in de minerale producten industrie

3.111

Exploiteren van een bedrijf in de chemische producten industrie

3.118

Exploiteren van een bedrijf in de papierindustrie, houtindustrie, textielindustrie en leerindustrie

3.122

Exploiteren van een bedrijf in de voedingsmiddelenindustrie

3.128

Exploiteren van een bedrijf in de rubberindustrie of kunststofindustrie

3.134

Exploiteren van een bedrijf in de grafische industrie

3.140

Exploiteren van een scheepswerf

3.144

Exploiteren van een bedrijf in andere industrie

3.148

Agrarische sector (afdeling 3.6 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een glastuinbedrijf

3.205

Telen van gewassen in een gebouw, anders dan een kas

3.211

Exploiteren van een bedrijf voor het telen van waterplanten of kweken van waterdieren

3.221

Afvalbeheer (afdeling 3.5 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een autodemontagebedrijf en tweewielerdemontagebedrijf

3.152

Exploiteren van een kringloopbedrijf of bedrijf voor reparatie van gebruikte producten

3.156

Exploiteren van een rubberrecyclingbedrijf of kunststofrecyclingbedrijf

3.159

Exploiteren van een metaalrecyclingbedrijf

3.163

Exploiteren van een recyclingbedrijf voor papier, karton, textiel, glas, hout of puin

3.167

Exploiteren van een milieustraat

3.170

Exploiteren van een zuiveringtechnisch werk

3.173

Exploiteren van een grondbank of grondreinigingsbedrijf

3.178

Verwerken van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen

3.184

Dienstverlening, onderwijs en zorg (afdeling 3.7 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een chemische wasserij

3.232

Exploiteren van crematorium

3.239

Repareren en verhuren van gemotoriseerde werktuigen

3.253

Oefenen van brandbestrijdingstechnieken

3.259

Transport, logistiek en ondersteuning daarvan (afdeling 3.8 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een autobergingsbedrijf of pechhulp

3.265

Exploiteren van een brandstoffenhandel of tankopslagbedrijf

3.268

Exploiteren van een bunkerstation of andere tankplaats voor schepen

3.272

Transport, logistiek en ondersteuning daarvan (afdeling 3.8 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een garage, autoschadeherstelbedrijf, carrosseriebouwbedrijf of autowasstraat

3.276

Exploiteren van een motorrevisiebedrijf

3.280

Exploiteren van een opslag- en transportbedrijf, groothandel of containerterminal

3.285

Exploiteren van een onderhoudswerkplaats voor autobus, trein, tram of metro

3.289

Exploiteren van een onderhoudswerkplaats voor vliegtuigen

3.292

Exploiteren van een spoorwegemplacement

3.295a

Exploiteren van een tankstation

3.296

Reinigen van opslagtanks, verpakkingen, voertuigen of containers voor gevaarlijke stoffen

3.300

Sport en recreatie (afdeling 3.9 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een terrein of gebouw voor het sporten of recreëren met gemotoriseerde voertuigen

3.304

Exploiteren van een jachthaven waar pleziervaartuigen afmeren

3.308

Exploiteren van een schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten

3.311

Exploiteren van een sneeuwbaan of ijsbaan, als daarbij een koelinstallatie wordt gebruikt

3.314

Exploiteren van een openbaar zwembad

3.317

Mijnbouw (afdeling 3.10 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Aanleggen en exploiteren van een mijnbouwwerk

3.320

Defensie (afdeling 3.11 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Exploiteren van een militaire zeehaven

3.323

Exploiteren van een militaire luchthaven

3.326

Exploiteren van een militaire kazerne

3.329

Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen of voorwerpen op militaire objecten

3.331

Defensie (afdeling 3.11 Bal)

Bedoeld in artikel Bal

Gebruik van ontplofbare stoffen of voorwerpen op militaire objecten

3.334

Houden van militaire oefeningen op militaire objecten en terreinen

3.337

Bijlage 19 Wezenlijke kenmerken en waarden

Bijlage 20 Bosbouwkundig verantwoorde herplant soortenkeus en plantverbanden

bij artikel 4.24 lid 2 onder b (Maatwerkregel herplant op bosbouwkundig verantwoorde wijze)

Een ecologische en bosbouwkundig verantwoorde herplant bestaat uit boomsoorten die passend zijn voor het bostype dat is geveld. Hierin worden de categorieën onderscheiden, die in onderstaande tabel zijn opgenomen. 

Bostype

Soorten die voldoen aan herplant-eisen

Hardhout loofbos

Alle loofboomsoorten, niet zijnde populier, wilg of els, opgenomen in de Rassenlijst Bomen

Zachthout loofbos

Alle wilgen-, populieren-, en elzensoorten, opgenomen in de Rassenlijst Bomen.

Naaldbos

Alle naaldboomsoorten, opgenomen in de Rassenlijst Bomen. 

De volgende uitzondering is hierbij mogelijk: herplant met loofboomsoorten in het bostype naaldbos is toegestaan, mits met soorten zoals opgenomen in de Rassenlijst Bomen.

NN

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage 1 Notitie Archeologie

OO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Archeologische onderbouwing

Samenvatting

In de notitie Kernkwaliteit Archeologie brengen wij alle informatie en onderbouwing samen die van belang is geweest bij het benoemen van de Kernkwaliteit Archeologie van de provincie Drenthe. Het is in de eerste plaats een toelichtingsdocument. Het gaat daarbij zowel over inhoudelijke keuzes; welke thema's of archeologische terreinen zijn van belang voor het regionale verhaal van Drenthe (Hoofdstuk 2). Maar ook over technische keuzes aangaande de begrenzingen van de terreinen en de gebieden (Hoofdstuk 4). Behalve naar het inhoudelijke verhaal zijn ook andere overwegingen in de selectie meegenomen, zoals de kansen met betrekking tot duurzaam behoud van deze archeologische monumenten en gebieden.De meeste informatie in de notitie is niet nieuw maar wordt nu voor de eerste maal goed beschreven en overzichtelijk bij elkaar gepresenteerd. Daarmee wordt het veelal onzichtbare archeologische erfgoed zichtbaar gemaakt en krijgt het beleid een gezicht.Wel nieuw is de wijze van presentatie van het beleid, welke in belangrijke mate wordt bepaald door de technische vereisten van het nieuwe Digitale Stelsel Omgevingswet – de directe aanleiding voor deze notitie. Hierdoor heeft de Kernkwaliteit Archeologie een eigen artikel in de regels gekregen Ook dit artikel is inhoudelijk niet nieuw en geënt op de eerste versie van de gemeentelijke archeologische beleidskaarten die in de periode 2009-2012/13 zijn vervaardigd vanwege het in werking treden van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007). Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de inhoudelijke selectie aan te passen aan de huidige stand van kennis in de archeologie. De eerste selectie van de Kernkwaliteit Archeologie stamt immers al weer van meer dan 10 jaar geleden. De archeologie heeft in de tussentijd niet stilgestaan; nieuwe inzichten en nieuwe kennis vragen om een beperkte actualisatie van de eerder gemaakte inhoudelijke keuzes. Nieuw is bijvoorbeeld het thema Tweede Wereldoorlog erfgoed. Inmiddels is dit bezig een volwaardige plek te krijgen in de archeologische monumentenzorg. De provincie Drenthe kent belangrijk erfgoed dat tot deze categorie behoort. Zeer specifiek voor Drenthe zijn de goed bewaarde bundels karrensporen die door heel de provincie getuigen van landroutes die terug kunnen gaan tot de middeleeuwen of zelfs nog vroeger.

De nieuwe GIS-data van de provinciale Kernkwaliteit Archeologie zijn via het Provinciale GeoPortaal toegankelijk voor gebruik door derden en toepassing in het omgevingsbeleid.



Hoofdstuk 1. Context Kernkwaliteit Archeologie

Archeologie houdt zich bezig met de reconstructie van oude culturen door middel van het bestuderen van materiële overblijfselen hiervan. Daarbij gaat het om alles wat de mens ooit heeft achtergelaten, bijvoorbeeld restanten van huizen, begraafplaatsen, wapens, sieraden, huisraad, afval en voedselresten. Deze overblijfselen kunnen duizenden jaren oud zijn of slechts een paar honderd jaar. Tegenwoordig wordt ook archeologisch onderzoek gedaan naar in de bodem aanwezige overblijfselen van de Tweede Wereldoorlog.

1.1 Wie we zijn en waar we vandaan komen

De mens heeft door de eeuwen haar stempel gedrukt op het Drentse landschap. De zichtbare en niet-zichtbare overblijfselen van de bewoningsgeschiedenis van Drenthe worden cultuurhistorische waarden genoemd. Archeologische overblijfselen zijn daar een belangrijk en integraal onderdeel van. Het archeologisch erfgoed is onze enige bron van informatie voor de bewoningsgeschiedenis van de steentijd tot de middeleeuwen. Echter ook voor onze kennis van de nieuwe tijd kan archeologisch onderzoek een belangrijke aanvulling zijn, ondanks het feit dat we dan over diverse andere bronnen kunnen beschikken. Denk bijvoorbeeld aan het ondergrondse erfgoed van de Tweede Wereldoorlog. Hiernaar wordt niet alleen steeds meer archeologisch onderzoek verricht, het wordt in toenemende mate ook beter in situ (ter plekke) beschermd. Daardoor is het mogelijk om de verhalen over deze ingrijpende periode te blijven vertellen aan de hand van authentieke sporen en overblijfselen uit die tijd. Dat raakt ook direct de essentie van het waarom we zorgvuldig met ons archeologisch erfgoed willen omgaan. Archeologie is een onuitputtelijk bron voor (het vertellen van) verhalen. Hoe onze voorouders leefden, woonden en in hun voedsel voorzagen. Hoe ze hun doden ter aarde bestelden en hoe zij met het bovennatuurlijke omgingen. Deze verhalen voeden onze identiteit en onze kennis over waar we vandaan komen.

1.2 Hoe zorgen we dat de verhalen bewaard blijven

Van onze samenleving als geheel wordt verwacht dat we op een duurzame wijze zorg dragen voor het behoud en toegankelijk maken van ons archeologisch erfgoed. Dat is nodig, want het leeuwendeel van het Drentse archeologisch erfgoed ligt onzichtbaar verscholen in de bodem. Dit en het feit dat het ook nog eens praktisch aan het oppervlak ligt, maakt het zeer kwetsbaar voor ruimtelijke ontwikkelingen die met bodemingrepen gepaard gaan. Kenmerkend voor het archeologisch erfgoed is dat het niet alleen gaat om bekende, zeker aanwezige archeologische waarden, maar ook om verwachte, mogelijk aanwezige archeologische waarden. In dit laatste geval gaat het om grote gebieden die in het verleden geschikt waren voor bewoning en gebruik en waar in principe nog talrijke sporen van in de bodem aanwezig kunnen zijn die wachten op ontdekking. Voor Drenthe geldt dat het archeologisch erfgoed verspreid ligt over de hele provincie en in alle landschapstypen.Omdat in de bescherming van het archeologisch erfgoed een maatschappelijk belang ligt verankerd, hebben de verschillende overheden hierin een wettelijke taak gekregen. Deze verantwoordelijkheid is verankerd in de Erfgoedwet (2016). Sinds de Wet op de archeologische monumentenzorg (1 september 2007) maakt het archeologisch erfgoed ook direct deel uit van de ruimtelijke wetgeving, nu nog het Overgangsrecht Monumentenwet 1988 naar de Omgevingswet en straks de Omgevingswet (in voorbereiding).

1.3 Kernkwaliteit Archeologie

Wijzigingen in het ruimtelijk stelsel hebben in de regel dan ook gevolgen voor het provinciaal en gemeentelijk archeologiebeleid. Zo heeft de provincie naar aanleiding van het in 2008 in werking treden van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening, voor het eerst haar 'provinciaal belang archeologie' geformuleerd. In de opeenvolgende provinciale Omgevingsvisies en -verordeningen samengevat als 'Kernkwaliteit Archeologie'. De beschrijving hiervan en het bijbehorende beleid zijn te vinden in de vigerende Omgevingsvisie Drenthe, de bijbehorende Provinciale Omgevingsverordening (hier verder POV genoemd), het Cultuurhistorisch Kompas (2010) en de vigerende provinciale Cultuurnota. Omdat bij het maken van het Cultuurhistorisch Kompas toentertijd het uitgangspunt was om alleen het zichtbare, samenhangende, ruimtelijk erfgoed op te nemen en archeologie immers voor het grootste deel onzichtbaar is, is ervoor gekozen om in de Provinciale Omgevingsvisie een eigen archeologische hoofdstructuur op te nemen. Deze doet recht aan de archeologische monumenten (locaties/terreinen) en archeologische verwachtingsgebieden die van regionaal belang zijn. De Provinciale Omgevingsvisie leent zich echter niet voor een toelichtende, inhoudelijke beschrijving van het opgenomen archeologische erfgoed. In deze notitie bij de technische actualisatie van de Provinciale Omgevingsverordening naar aanleiding van het Digitaal Stelsel Omgevingswet, is hier in Hoofdstuk 2 wel invulling aan gegeven.

1.4 Kernkwaliteit Archeologie en het Digitaal Stelsel Omgevingswet

De aanstaande, nieuwe Omgevingswet vereist dat ruimtelijke plannen, instrumenten en inhoudelijke informatie in het Digitaal Stelsel Omgevingswet worden opgenomen. Dit vraagt om een technische aanpassing van de Provinciale Omgevingsverordening (POV versie 2018), waarbij uitgegaan wordt van zogenaamde werkingsgebieden. Voor de Kernkwaliteit Archeologie betekent dit dat alle onderdelen van de provinciale archeologische hoofdstructuur die nog niet als vlak zijn weergegeven op de kaarten Kernkwaliteit Archeologie, zoals bijvoorbeeld grafheuvels die veelal als puntlocaties worden geduid, duidelijke en goed onderbouwde begrenzingen moeten krijgen. In deze notitie wordt toegelicht en verantwoord hoe deze technische aanpassing heeft plaatsgevonden voor de twaalf inhoudelijke thema's van de Kernkwaliteit Archeologie (Hoofdstuk 4, bijdrage RAAP 2020). Deze thema's zijn bij deze gelegenheid inhoudelijk geactualiseerd, zonder dat er sprake is van beleidswijzigingen t.o.v. de eerdere Omgevingsvisie of Omgevingsverordening Drenthe. De inhoudelijke actualisatie houdt in dat op grond van nieuwe archeologische inzichten, kennis en inventarisaties er twee thema's zijn bijgekomen: karrensporenbundels en erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog. Nieuwe, inhoudelijke informatie is verder alleen meegenomen als het een uitwerking betrof binnen het bestaande beleid. Bijvoorbeeld voordenlocaties binnen de beekdalen die al van provinciaal belang waren of de nieuwe AHN2 en satelliet-analyses van de Celtic fields (2018), die ook al tot het provinciaal belang behoorden. Het thema veenwegen heeft vanwege haar complexiteit tot dusver geen goede doorwerking gekregen in de kaart Kernkwaliteit Archeologie (en de gemeentelijke archeologiekaarten). Bij deze technische actualisatie is dit opgelost en wordt een handreiking geboden aan de betreffende gemeenten door hen te laten beschikken over de GIS-gegevens van dit thema. Archeologie is een wetenschap en dat betekent dat er voortdurend nieuwe inzichten, kennis en informatie worden gegenereerd. Dit heeft onvermijdelijk zijn weerslag op de inhoudelijk invulling van de Kernkwaliteit Archeologie. Denk bijvoorbeeld aan de nieuwe inzichten over Neanderthalervindplaatsen in Drenthe en de wens om meer aandacht aan het middeleeuwse archeologische erfgoed van Drenthe te schenken, de kloosters en kerken. Het ligt in de rede om bij een toekomstige actualisatie van de Kernkwaliteit Archeologie ook deze thema's eens onder de provinciale loep te leggen. Periodieke actualisatie is sowieso nodig om ook te voorkomen dat terreinen onnodig worden beschermd. In dat kader hebben we bij deze technische actualisatie de 'burcht van Zuidlaren' in de gemeente Tynaarlo van het provinciaal belang archeologie afgevoerd aangezien uit booronderzoek uitgevoerd door de RUG in 2014 naar voren is gekomen dat het hier niet om een burchtterrein gaat maar om een natuurlijk fenomeen. Ook is door de introductie van het nieuwe thema karrenspoorbundels, de zogenaamde Prehistorische route over de Hondsrug als ruimtelijk lijnelement komen te vervallen.

1.5 De gemeenten aan zet bij de bescherming van het archeologisch erfgoed

De provinciale Kernkwaliteit Archeologie heeft destijds gedetailleerde uitwerking gekregen in de eerste versie van de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaarten die in het kader van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (2007) zijn gemaakt. De kaarten zijn ondersteund vanuit de eerste Culturele Alliantie tussen de provincie en alle Drentse gemeenten (2009-2012/13).Deze eerste versie van de gemeentelijke archeologiekaarten is, inclusief het daarbij opgenomen en door de gemeenten vastgestelde beleid, vervolgens uitgangspunt geweest voor de Kernkwaliteit Archeologie in de opeenvolgende Provinciale Omgevingsvisies en -Verordeningen. De huidige technische actualisatie van de Kernkwaliteit Archeologie, gaat daarom primair uit van de weergave van de Kernkwaliteit Archeologie op deze gemeentelijke archeologiekaarten. Waar nodig zijn vergissingen of omissies in de gemeentelijke kaarten onderbouwd, hersteld of aangevuld. In Hoofdstuk 4 van deze notitie is de bijbehorende onderbouwing te vinden. Deze notitie is daarmee een handreiking voor alle gemeenten en kan gebruikt worden om de Kernkwaliteit Archeologie in hun gemeentelijk beleid te actualiseren. De nieuwe GIS-data van de provinciale Kernkwaliteit Archeologie, zijn via het Provinciale GeoPortaal toegankelijk voor gebruik door derden.

Hoofdstuk 2. Inhoudelijke onderbouwing geselecteerde archeologische monumenten (locaties/terreinen, waarden) en gebieden (verwachtingen): 12 thema's

Drenthe staat bekend om zijn vele hunebedden en grafheuvels. Het zijn authentieke en aansprekende relicten van duizenden jaren oud die zichtbaar bijdragen aan de identiteit en onderscheidenheid van de provincie. Het grootste deel van het (pre)historische erfgoed is echter niet zichtbaar of beleefbaar. Het ligt verscholen in het bodemarchief van onze diverse landschappen. Zichtbare én onzichtbare archeologische overblijfselen schrijven samen de culturele biografie van het (pre)historische landschap. Door het benoemen van samenhangende, soms ook ontbrekende of ongekende bouwstenen van dit bewoningsverhaal als provinciale Kernkwaliteit van het fysiek-ruimtelijk domein, wordt het onzichtbare 'zichtbaar' gemaakt. De lange én diepe lijnen van het verhaal van de (pre)historische mens in al haar samenhangende facetten van wonen, werken en spiritualiteit wordt daarmee op regionale schaal behouden, verteld en versterkt, voor nu en voor toekomstige generaties.

2.1 Selectie 

Net als bij de Kernkwaliteit Cultuurhistorie, is bij de selectie van de Kernkwaliteit Archeologie gefocust op de regionale betekenis voor de geschiedenis van Drenthe. Dit betekent dat de provincie zich slechts richt op een bescheiden selectie van het totale Drentse archeologische bodemarchief. Dit doet niets af aan de grote individuele waarden en verwachtingen van het resterende archeologische erfgoed, dat onder het lokale of het landelijke belang valt. De Kernkwaliteit Archeologie is voor ons een flexibel instrument dat door nieuwe wetenschappelijke inzichten en onderzoeksmethoden inhoudelijk aan verandering onderhevig kan zijn. Voor de huidige selectie betekent dit dat er twee nieuwe thema's zijn toegevoegd maar er ook terreinen en een thema zijn afgevoerd (zie Hoofdstuk 1.4).

De uiteindelijk geselecteerde twaalf inhoudelijke thema's kunnen nader worden gerubriceerd in:

1. Beeldbepalers van de Drentse identiteit of zogenaamde Johan Picardt-iconen (17e--eeuwse Drentse geschiedschrijver) het gaat hierbij om archeologische objecten die hoog scoren als het gaat om belevingswaarde, verhaal, zichtbaarheid en imago. Dit zijn de archeologische iconen van Drenthe die gekoesterd worden vanuit oogpunt van omgevingskwaliteit en sinds jaar en dag benut worden voor erfgoedtoerisme. Hieronder vallen uiteraard de hunebedden, iconen van de Nederlandse prehistorie in de Geschiedenis Canon van Nederland. Daarnaast kunnen ook de vele tot de verbeelding sprekende prehistorische grafheuvelgroepen, nederzettingsterreinen en grafvelden, de offerveentjes, de veenwegen, de karrensporen en de zogenaamde Celtic fields, een akkerbouw systeem uit de ijzertijd, tot deze groep geschaard worden. 2. Representatief voor het verhaal over de verhouding tussen stad en platteland zijn de middeleeuwse kernen van Meppel en Coevorden die het plattelandsbeeld van de provincie completeren. Ook de schansen dragen aan dit beeld bij.3. Waardevol cultuurlandschap met samenhangende, grote complexen/ensembles met een hoge informatie- en contextwaarde. Onder deze groep vallen het Drentsche Aa-gebied, Het Holtingerveld (voorheen de Havelterberg) en het Middeleeuwse veenterpen-/huisplaatsenlandschap van de polder Matsloot-Roderwolde in de kop van Drenthe. In deze waardevolle cultuurlandschappen zijn de archeologische vindplaatsen nog in samenhang met elkaar aanwezig, bijvoorbeeld een nederzetting en het bijbehorende grafveld.4. Archeologische verwachtingsgebieden met kans op bijzondere vondsten en/of een hoge, fysieke kwaliteit zoals de essen en beekdalen. Van deze gebieden wordt verwacht dat als hier archeologische waarden worden aangetroffen, deze door hun ruimtelijke spreiding, samenhang, zeldzaamheid, tijdsdiepte en/of goede fysieke kwaliteit van provinciaal belang zullen zijn.5. Jong conflict erfgoed dat aan de hand van authentieke sporen en objecten de grote, kleine en vergeten verhalen van de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan in herinnering houdt.

Sommige thema's kunnen onder meerdere rubrieken vallen, als een rode draad loopt ook het aspect kennislacune door de hele selectie heen. Voor de essen en de Celtic fields is hun geografische verspreiding van groot belang omdat daardoor juist het regionale bewoningsverhaal verteld kan worden. In beekdalen is niet alleen sprake van een goede conservering van de mogelijke vindplaatsen, deze zijn ook vaak uitzonderlijk van aard. De archeologie van beekdalen is lang een kennislacune geweest in de Drentse archeologie. Door ze tot provinciale kernkwaliteit te benoemen, is er de afgelopen jaren veel onderzoek naar uitgevoerd. Een belangrijk resultaat hiervan is dat er inmiddels drie nieuwe veenwegen afkomstig uit beekdalen bekend zijn (het beekdal van de Slokkert nabij Norg in de gemeente Noordenveld, het beekdal van het Winder Diepje in de gemeente Tynaarlo en het beekdal van de Wold Aa bij Meppel). Voorheen waren veenwegen alleen bekend uit (voormalige) veengebieden zoals het Bourtangerveen en de Smildervenen. Van vindplaatsen onder esdekken mag niet alleen een goede conservering verwacht worden maar essen kenmerken zich ook door een enorme tijdsdiepte van duizenden jaren en een zeer hoge ensemblewaarde. Dit is recent nog onderstreept door opgravingen in het kader van de verdubbeling van de N34 bij Coevorden (2019) waarbij onder een aantal essen bij Dalen een dicht patroon van bewoningssporen uit verschillende, opeenvolgende bewoningsperioden is aangetroffen.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 1. Overzicht inhoudelijke kaart Kernkwaliteit archeologie

2.2 Beschrijving twaalf thema's

De Kernkwaliteit Archeologie is opgebouwd uit bekende, zichtbare én onzichtbare, archeologische monumenten (lokaties/ terreinen, archeologische waarden) en gebieden waar een beredeneerde verwachting is op het aantreffen van archeologische waarden (archeologische verwachtingen).

Thema 1 Hunebedden

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 2. Hunebed D15 bij Loon (bron: Van Giffen 1925-1927 'De Hunebedden in Nederland', Copyright Rijksuniversiteit Groningen, Groninger Instituut voor Archeologie)

Denk je aan Drenthe, dan denk je aan hunebedden. Hunebedden zijn de oudste zichtbare archeologische monumenten van Nederland. Het zijn grafmonumenten van de eerste echte boeren in Drenthe en zijn zo'n 6000 jaar oud. Hunebedden zijn gebouwd met grote zware zwerfkeien. Deze zijn in de voorlaatste ijstijd meegekomen met het landijs en waren makkelijk te vinden in, onder andere, de steilkanten van de Hondsrug. In het Drentse landschap liggen nog 52 zichtbare hunebedden. Van 20 andere plekken in Drenthe weten we dat er ooit een hunebed heeft gelegen, dit zijn de zogenaamde 'verdwenen hunebedden'. Ongeveer de helft van de Drentse hunebedden is eigendom van de provincie. Deze worden beheerd en jaarlijks geïnspecteerd door het Drentse Landschap (HDL). De andere helft is eigendom van het rijk en worden beheerd door Staatsbosbeheer (SBB). Eén hunebed is particulier eigendom (D44). Op vier hunebedden na, te weten D32 bij Odoorn en D34, D36 en D37 bij Valthe, zijn alle hunebedden aangewezen als archeologisch rijksmonument.

Hunebed

Gemeente

Plaats

Eigenaar

D1

Noordenveld

Steenbergen

 

D2

Noordenveld

Westervelde

 

D3

Tynaarlo

Midlaren

 

D4

Tynaarlo

Midlaren

 

D5

Tynaarlo

Zeijen

 

D6

Tynaarlo

Tynaarlo

 

D7

Aa en Hunze

Schipborg

 

D8

Aa en Hunze

Anloo

 

D9

Aa en Hunze

Annen

 

D10

Aa en Hunze

Gasteren

 

D11

Aa en Hunze

Anloo

 

D12

Aa en Hunze

Eext

 

D13

Aa en Hunze

Eext

 

D14

Aa en Hunze

Eext

 

D15

Assen

Loon

 

D16

Aa en Hunze

Balloo

 

D17

Aa en Hunze

Rolde

 

D18

Aa en Hunze

Rolde

 

D19

Borger-Odoorn

Drouwen

 

D20

Borger-Odoorn

Drouwen

 

D21

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D22

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D23

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D24

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D25

Borger-Odoorn

Bronneger

 

D26

Borger-Odoorn

Drouwenerveld

 

D27

Borger-Odoorn

Borger

 

D28

Borger-Odoorn

Buinen

 

D29

Borger-Odoorn

Buinen

 

D30

Borger-Odoorn

Exloo

 

D31

Borger-Odoorn

Exloo

 

D32

Borger-Odoorn

Odoorn

 

D34

Borger-Odoorn

Valthe

 

D35

Borger-Odoorn

Valthe

 

D36

Borger-Odoorn

Valthe

 

D37

Borger-Odoorn

Valthe

 

D38

Borger-Odoorn

Emmerveld

 

D39

Emmen

Emmerveld

 

D40

Emmen

Emmerveld

 

D41

Emmen

Emmen

 

D42

Emmen

Westeres

 

D43

Emmen

Schimmeres

 

D44

Emmen

Westenes

 

D45

Emmen

Emmerdennen

 

D46

Emmen

Angelslo

 

D47

Emmen

Angelslo

 

D49

Emmen

Schoonoord

 

D50

Coevorden

Noordsleen

 

D51

Coevorden

Noordsleen

 

D52

Coevorden

Diever

 

D53

Westerveld

Havelte

 

D54

Westerveld

Havelte

 
 
 
 
 
 
 
 
 

De Drentse staten kennen een lange inspanningstraditie ten aanzien van de hunebedden. Met de `Resolutie ter bescherming van de hunebedden' uit 1734, uitgevaardigd door de Drost en Gedeputeerden van `de Landschap Drenthe', gaf de provincie vorm aan wat nu te boek staat als de eerste Monumentenwet van Nederland.Zijn in het verleden de individuele hunebedden onderwerp van studie geweest, tegenwoordig is de aandacht gericht op de sociale en ideologische betekenis in regionale en Noordwest- Europese context. Voor het beheer van de hunebedden is de Hunebedden Beheergroep (HBG) opgericht waarin naast de beheerders ook de provincie, de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Hunebedcentrum in Borger zijn vertegenwoordigd. De HBG zet onder andere in op kennisvermeerdering rond de hunebedden en de Trechterbekercultuur en op uitvoering van de aanbevelingen in het rapport 'Hunebedden een wereld te winnen: Handboek voor archeologie, inrichting en beheer van hunebedden' (2007).

Thema 2 Grafheuvelgroepen en grafvelden

Grafheuvels/grafvelden en hun omgeving blijken complexe rituele plaatsen te zijn geweest die van groot belang waren voor prehistorische gemeenschappen en veel meer dan alleen maar begraafplaatsen. Deze locaties kunnen honderden jaren in gebruik geweest zijn en vormen zo het kenmerkende Drentse 'grafheuvel- en urnenveldlandschap'.

Het onderzoek naar sociale en ideologische betekenis van deze landschappen heeft een regionale dimensie. Nieuwe kennis over de plek van de grafheuvel in het toenmalige prehistorische landschap levert een belangrijke bijdrage aan het beheer van deze monumenten. Zo weten we nu dat de omgeving van de grafheuvel, door de daar aanwezige aan de grafheuvel gerelateerde sporen, minstens zo belangrijk is als de feitelijke grafheuvel zelf.De volgende grafheuvelgroepen en grafvelden behoren tot de archeologische provinciale hoofdstructuur/Kernkwaliteit Archeologie:

1. Het Noordse Veld (Zeijen);

2. De clustering van grafheuvels aan weerskanten van het Zeegserloopje;

3. De clustering van grafheuvels in het Tonckensbos (Norg);

4. Kampsheide en het Tumulibos (Balloo);

5. Het Balloërveld (m.n. Mandenberg, Balloo);

6. Het Evertsbos (t.w. de grafheuvelgroep bij hunebed D11 en de exemplaren langs de vermoede prehistorische route, Eext/Anloo);

7. De Strubben/Kniphorstbos (in samenhang met de vermoedelijke prehistorische route);

8. De clustering van grafheuvels aan weerskanten van het Oudemolense Diep (Anloo)

9. De clustering van grafheuvels in het Zwanemeerbos (Gieten);

10. De grafheuvels op het Landgoed Hooghalen (Laaghalen);

11. Het Sleenerzand (Schoonoord);

12. De Zeven Bergen (Ees);

13. De clustering van grafheuvels in het Valtherbos, in samenhang met de vermoedelijke prehistorische route en Weerdinge-Kamperes (Emmen);

14. De Emmerdennen (Emmen);

15. Het Noormansveld (Dwingeloo);

16. De clustering van grafheuvels op het Holtingerveld (voorheen de Havelterberg, Havelte)

17. Het grafveld van De Bloemert (Midlaren)

18. De grafheuvels van Wester Esch-oost (Tynaarloo)

Een groot aantal van de complexen overlapt met de, hieronder bij thema 7 beschreven, waardevolle cultuurlandschappen met samenhangende, grote, complexen/ensembles.

Thema 3 Offerveentjes

Kleine veentjes speelden een belangrijke rol in het leven van de pre- en protohistorische Drenten. In het verre verleden waren dit de plaatsen waar men contact zocht met de bovennatuurlijke wereld, de plaatsen waar men offers achterliet. Men offerde stenen of bronzen bijlen, houten bakken, potten met voedsel, runderhorens, eergetouwscharen, mantelspelden en mensen.

De voorwerpen van organisch materiaal zijn goed bewaard gebleven dankzij de conserverende werking van het veen op dit type materiaal. De offervondsten en de wijze waarop deze in het veen gedeponeerd zijn, zijn belangrijke bouwstenen voor de reconstructie van het rituele gedrag van de mens in het verre verleden.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 3. Het Bolleveen bij Zijen (foto: Bertil Zoer)

De veentjes zijn ook nog om een tweede reden van belang. Het stuifmeel dat in de verschillende veenlagen is opgeslagen, verschaft informatie over de vegetatie- en landschapsontwik¬keling en het ingrijpen van de mens daarin. Een goed voorbeeld van dat laatste aspect levert het Gietsenveentje bij Gieten. Dankzij onderzoek van stuifmeel uit dit veentje kon worden vastgesteld dat de mens al voor het begin van de Trechterbekercultuur (3400 - 2850 v.Chr.), zijn invloed in het landschap deed gelden. Dit soort informatie is van groot belang voor de reconstructie van de regionale bewoningsgeschiedenis van de provincie Drenthe. Niet elk veentje zal een offerveentje geweest zijn. Daarom is het van belang om, bij voorgenomen bodemingrepen, een inventariserend/waarderend booronderzoek uit te laten voeren. Zodat de potentiële archeologische waarde van een veentje kan worden vastgesteld. De volgende offerveentjes behoren tot de archeologische provinciale hoofdstructuur/Kernkwaliteit Archeologie:

1. Het Siepelveentien (Zeegse);

2. Het Bolleveen (Taarloo);

3. Het Bolleveen (Zeijen);

4. De Legelpoele (Eext);

5. Het Boekweitenveen (Eext);

6. Het Kreushaarveentje (Anderen);

7. Het Gietsenveentje (Gieten);

8. Het Rommeltje (Gieten);

9. Het veentje van Kooiker (Klijndijk).

Thema 4 Celtic fields

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 4. Afbeelding J. Picardt (1660): 'oude Heydensche Leger-plaetsen' (bron: Drents Archief)

Celtic fields zijn raatvormige akkersystemen uit de late bronstijd en ijzertijd (ca. 1000 v.Chr - 200 n.Chr). De akkertjes van gemiddeld 30 bij 30 m zijn omgeven door brede wallen, die op sommige plaatsen nog in het landschap zichtbaar zijn. Waar ze in het landschap vaak niet (meer) met het oog waarneembaar zijn, is de kenmerkende raatstructuur van deze akkers over het algemeen nog duidelijk herkenbaar op hoogtekaarten en satellietbeelden. Binnen, of aan de rand van het Celtic field lagen de bijbehorende, zich regelmatig verplaatsende nederzettingen of boerenerven (bestaande uit boerderijen, opslagschuurtjes, afvalkuilen, begravingen). Celtic fields zijn tientallen ha groot en liggen verspreid door heel Drenthe. Door hun samenhang met andere archeologische en cultuurhistorische fenomenen zijn de Celtic fields een belangrijke bouwsteen van het verhaal van Drenthe.Binnen de archeologische provinciale hoofdstructuur maken we onderscheid tussen mogelijke Celtic fields (archeologische verwachtingswaarde) en zekere Celtic fields (archeologische waarde).

Thema 5 Middeleeuwse kernen Coevorden en Meppel

Coevorden en Meppel hebben in de bewoninggeschiedenis van de provincie ieder een eigen prominente rol gespeeld. Beide steden hebben een belangrijke positie gehad in het verzet tegen de overheersing van Drenthe door de bisschop van Utrecht. Maar ook andere onrustige tijden voor Nederland, zoals de Tachtigjarige Oorlog (1568 – 1648) en de Bataafs-Franse tijd (1795 – 1813), laten zich voor Drenthe aan de hand van deze steden volgen.Daarnaast waren Meppel en Coevorden tot in de 19de eeuw, naast Groningen-stad, de belangrijkste handelssteden van Noord- Nederland.Coevorden

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 5. Plattegrond vesting Coevorden na 1702 (Stichting Menno van Coehoorn – Atlas van Historische verdedigingswerken in Nederland).

Coevorden is ontstaan op een strategische plek waar vier lokale waterwegen bij elkaar komen. De nederzetting ontwikkelde zich al snel tot een belangrijk en welvarend verkeers- en marktcentrum. Coevorden wordt voor het eerst in 1148 in een schriftelijke bron genoemd. De middeleeuwse kern wordt gevormd door een kasteelmotte (een kunstmatige heuvel uit de 11de-13de eeuw waarop een verdedigbare toren stond, omringd door een grachten- en wallensysteem). De motte en middeleeuwse stad Coevorden zijn voor de geschiedenis van Drenthe van bijzondere betekenis. In 1227, tijdens de Slag bij Ane, voerde burggraaf Rudolf II van Coevorden de Drenten naar de overwinning op de bisschop van Utrecht, Otto II van Lippe.In 1407 kreeg Coevorden stadsrechten. Vanaf het begin van de 16de eeuw had Coevorden het recht om drie jaarmarkten te houden. Door de strategische ligging als poort naar het Noorden ontwikkelde Coevorden zich, vanaf de 17de eeuw, tot een vestingstad met een kenmerkende stadsplattegrond.

Meppel

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 6. Gracht in Meppel met kerk, 1916 (Door: Karel Klinkenberg, bron: Schilders van Drenthe, Roel Sanders).

Ook Meppel was in de middeleeuwen (en is nog steeds) een plaats die over waterwegen bereikbaar was voor grotere en kleinere binnenschepen. De stad kende daardoor een overslagfunctie voor de handel (o.a. in rogge, turf, hout, hop, wol, wollen en linnen stoffen) tussen Drenthe en de rest van Nederland (Zwolle, Utrecht). In 1460 vonden in de stad twee jaarmarkten van elk een week plaats; vanaf 1487 kwam daar ook nog een weekmarkt bij op de woensdag. Aan het eind van de 15de eeuw kende Meppel een bevolkingssamenstelling die bestond uit boeren, middenstanders, schippers, scheepsbouwers, wevers, goudsmeden, meubel- en schoenmakers en kooplieden e.a. Vanaf het begin van de 16de eeuw bestonden er ook gilden. In de 17de eeuw was Meppel de belangrijkste marktplaats van Drenthe en voorzag als centrum van handel en nijverheid in de behoeften van de streek. Echte stadsrechten werden pas in 1815 verleend.De resultaten van het archeologisch onderzoek in deze middeleeuwse kernen zijn bouwstenen voor een beter begrip van de middeleeuwse geschiedenis van Drenthe, de stadsontwikkeling en de relatie tussen platteland en stad in die tijd.

Thema 6 Nederzettingsterreinen, Spaans Kerkhof en schansen

Onder dit thema is een aantal waardevolle archeologische terreinen verzameld die ieder voor zich van betekenis zijn voor de regionale geschiedenis van Drenthe, zonder dat ze direct inhoudelijk of in tijd samenhang met elkaar hebben.

Nederzettingsterreinen

Nederzetting 1, Bronneger

Bij Bronneger (Spoorstraat/Stobbenweg) bevindt zich, op de Oosteresch, een opvallende hoogte in het landschap. Hier ligt op de flank van de Hondsrug een nederzetting daterend uit de Romeinse tijd – vroege middeleeuwen. In de loop der jaren is hier veel materiaal verzameld. Van Romeinse munten, sieraden en aardewerk tot resten van een smederij. Daarnaast zijn ook nog sporen van huisplattegronden bekend. Het tot nu toe aangetroffen materiaal wekt de hoge verwachting dat hier sprake is van een vindplaats met een bijzondere betekenis. De site is onderdeel van AMK-terrein 8924, een terrein van zeer hoge archeologische waarde.

Nederzetting 2, Holtesch

Op de gave Holtesch bij Hooghalen liggen de resten van een middeleeuws dorp. Het terrein kent meerdere archeologische waardes: terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-terreinen 9548, 9547), hoge archeologische waarde (AMK-terrein 9551) en een deel is een terrein van archeologische waarde (AMK-terrein 9554). Tijdens verschillende, eerdere onderzoeken zijn nederzettingssporen aangetroffen zoals: aardewerk, huttenleem, huisplattegronden, hutkommen en afvalkuilen.

Nederzetting 3, Nieuw-Annerveen 

Bij Nieuw-Annerveen ligt een laat-paleolithische vindplaats (AMK-terrein 14350). Het aangetroffen materiaal maakt duidelijk dat het gaat om de Federmessercultuur (circa 11.900 – 10.900 v.Chr.). In deze warmere periode was er in het Hunzedal genoeg voedsel te vinden voor de jagers/verzamelaars van de Federmessercultuur: groot en klein wild, gevogelte, vis, kruiden, knollen, zaden, bessen en noem maar op. Men verbleef op de dekzandruggen of dekzandkopjes. Booronderzoek heeft aangetoond dat hier sprake is van een zeldzaam gave site. Door de aanwezigheid van een afdekkend veenlaagje is het authentieke loopvlak bewaard gebleven.

Nederzetting 4 en 5 Taarloose veentje

Het Taarloose veentje is een pingoruïne. Dergelijke locaties zijn, wanneer er nog een substantieel veenpakket aanwezig is, archeologisch en archeo-botanisch zeer interessant. De aanwezigheid van veen zorgt voor optimale conserveringsomstandigheden voor artefacten en andere archeologische sporen. Booronderzoek in het natuurgebied Taarloose Veentje heeft een aantal vindplaatsen aangetoond. Twee daarvan zijn mogelijk afkomstig uit het laat paleolithicum (oude steentijd) of vroeg mesolithicum (midden steentijd). Twee andere locaties vormen mogelijk de periferie van een nabijgelegen nederzetting uit het neolithicum (nieuwe steentijd). De conclusie van het destijds uitgevoerde onderzoek is:

  • Met nadruk dient erop te worden gewezen dat de informatiewaarde van (in en door veen) goed geconserveerde artefacten en archeologische sporen in een pingoruïne in het algemeen bijzonder hoog is.

  • De archeologische rijkdom van het Taarloose Veentje en de directe omgeving (o.a. een hunebed) maakt de aanwezigheid van archeologische resten in het meertje zeer aannemelijk. Archeologisch materiaal kan tijdens de bewoning in het verleden in het water of in het veen terechtgekomen zijn. Gedacht wordt aan losse objecten, waaronder depotvondsten en ook ecologisch materiaal dat informatie bevat over bijvoorbeeld de toenmalige omgeving en de invloed van de mens daarop.

Op grond van de uitkomsten van het onderzoek is het Taarloose Veentje aangewezen als een terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-nummer 14062 en 14063).

Nederzetting 6, Drouwenerveen

Daar waar het Voorste en Achterste Diep samen komen ligt een nederzettingsterrein dat in gebruik is geweest vanaf het laat paleolithicum tot in de ijzertijd. Tijdens eerder uitgevoerd onderzoek is veel archeologisch materiaal gevonden. Onder andere vuursteen, aardewerk (Ruinen-Wommels), een basisgeweibijl, een dissel van edelhertgewei, een bronzen speld, een hamerbijl, een geslepen vuurstenen bijl, veel botfragmenten en een rolsteenhamer. Het is bekend dat locaties waar beken samen komen voor de prehistorische mens van speciale betekenis waren. Van dergelijke plekken zijn veel rituele depotvondsten bekend. Het gebied is aangewezen als terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nummer 8929, 8930, 14143).

Nederzetting 7 Dalen, Molenakkers/de Spil

Onder de es aan de westkant van Dalen is een bijzondere site met een grote tijdsdiepte aanwezig. Het betreft onder andere een nederzetting uit de ijzertijd/bronstijd waarvan het bijbehorende urnenveld onder de eerder gerealiseerde woonwijk is gelegen. Op zich is de aanwezigheid van een nederzetting met bijbehorend grafveld bijzonder. Het is dan ook een terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-nummer 15952). Archeologisch onderzoek in het kader van latere bebouwing heeft aangetoond dat hier een palimpsest aanwezig is. Dat wil zeggen dat er resten uit een brede archeologische periode zijn aangetroffen, onder andere: een grafheuvel en paalzetting uit het neolithicum/vroege bronstijd, boerderijplattegronden en spiekers uit de ijzertijd/vroeg Romeinse tijd en sporen van agrarisch gebruik en metaalwinning uit de vroege middeleeuwen. Kortom de locatie Molenakkers/de Spil is een archeologische schatkamer voor de voorgeschiedenis van het huidige Dalen.

Nederzetting 8, Spieker van Lhee, Lhee

Bij toeval is in 1953 de, uit veldkeien bestaande, fundering gevonden van een klein gebouw. Onderzoek uitgevoerd in 1953-1954 door het Biologisch Archeologisch Instituut (tegenwoordig het Groninger Instituut voor Archeologie) van de Rijksuniversiteit Groningen, heeft aangetoond dat het gaat om een gebouwtje uit de middeleeuwen, daterend rond 1200. Er zijn twee theorieën over wat het geweest kan zijn: het kan gaan om de kelder van een boerderij, of (en dat verklaart de naam) het gaat om een zogenaamde spieker. Een opslagplaats waar de in natura geleverde belasting aan de bisschop van Utrecht, de toenmalige heerser in Drenthe, werd bewaard. Het zou dan gaan om een houten, één of hooguit twee etages hoog vakwerkhuis op een stenen fundering. De spieker ligt in een terrein van hoge archeologische waarde (AMK-nummer 14410, Zuidlheederesch). De provincie Drenthe is eigenaar van dit archeologisch monument en de spieker kan bezocht worden. In 2015 is, ter gelegenheid van de expositie 'Archeologische parels van Westerveld' een informatiebord bij de spieker geplaatst.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 7. Oplevering van de gerestaureerde spieker na afloop van het onderzoek 1954 (bron: geheugen van Drenthe).

Nederzetting 9, Hesselte/Oud Darp

Volgens bronnen is het middeleeuwse dorp Hesselte, in opdracht van de bisschop van Utrecht, in 1228 verwoest. De overlevenden hebben het dorp verlaten en zijn richting Havelte en Eursinge getrokken. Hesselte werd een zogenaamde 'Wüstung' of een 'deserted village'. De nederzetting ligt tussen de Darperesch en de Eursinger Binnenesch. Vanaf ongeveer de 16de eeuw wordt Hesselte in bronnen omschreven als Darp (Drents voor dorp). Het is niet duidelijk waar deze naamsverandering vandaan komt.

Schansen

Schans Portugal, EenTijdens de Tachtigjarige oorlog (1568-1648) met Spanje is de zogenaamde Veenlinie, een reeks schansen die de doorgang door het veen afsloot, aangelegd om de Spaanse dreiging uit het oosten het hoofd te kunnen bieden. Er is gewerkt in een viertal fases. De eerste fase is rond 1621, de tweede fase (rond 1672) in de periode dat Bommen Berend (bisschop Van Galen van Münster) hoopte een groot deel van Nederland aan zijn bezit toe te kunnen voegen. De derde fase bestond uit het aanleggen van een systeem van leidijken om te voorkomen dat het veen uitdroogde en inklonk (1687-1688) en de laatste fase ten tijde van de Bataafse Republiek (1795-1806).

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 8. Schans Portugal (bron: www.topotijdreis.nl).

Onderdeel van de veenlinie was de Schans Portugal. In 1584 aangelegd ten oosten van Een, mogelijk in eerste instantie door de Spanjaarden en later opgenomen in de Veenlinie. Schans Portugal is in de loop der jaren ontmanteld. Op kaarten tot ongeveer 1923 zijn er nog zichtbare resten van de schans terug te vinden. Rond 1900 is de noordkant afgegraven, de vrijgekomen grond is gebruikt om de Eenerdijk (tegenwoordig de Norgerweg) op te hogen. Daarna is hij helemaal geslecht: de wallen zijn in de grachten geschoven en het terrein is geëgaliseerd. Tegenwoordig zijn alleen in de bodem nog overblijfselen van de schans terug te vinden en herinnert slechts een straatnaam aan deze roemruchte periode in onze geschiedenis.

Valtherschans, Valthe

Onderdeel van de Veenlinie was ook de Valtherschans, aangelegd in 1621 als een eenvoudige redoute en in 1628 uitgebouwd tot een volwaardige schans. De Valtherschans beschermde de Valtherdijk, de verbinding tussen Drenthe en Westerwolde in Groningen. De schans is geslecht, de wal is in de gracht geschoven en alleen in de bodem zijn nog resten bewaard. Archeologisch en archiefonderzoek hebben aangetoond dat de schans rechthoekig van vorm was, met twee bastions aan de moeraskant en een redan aan de kant van de Hondsrug. Rond de schans lag een hoofdwal en mogelijk een voorwal en een gracht.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 9. Ontwerptekening Valtherschans 1628 (bron: www.raap.nl ).

Het Spaanse kerkhof

Achter het archeologisch monument het Spaanse Kerkhof gaat de imposante kerkheuvel (doorsnede 40 m, hoogte 1 m +maaiveld) van de 14-15de-eeuwse kerk en het kerkhof van het voormalige veenontginningsdorp Veenhuizen schuil. De kerkheuvel is nooit door middel van archeologische proefsleuven onderzocht, wel zijn incidenteel in de heuvel menselijke botten en puinresten aangetroffen. Middeleeuws Veenhuizen, dat ten noordwesten van de kerkheuvel moet hebben gelegen, kende op haar hoogtepunt meer dan 70 boerderijen maar was volgens historische bronnen in de zeventiende eeuw praktisch verlaten. In die tijd moet ook de kerk zijn gesloopt. In archeologisch vakjargon geldt oud Veenhuizen als een 'deserted village' of 'Wüstung'. De kerkheuvel is eigendom van de provincie en wordt sinds jaar en dag beheerd door Staatsbosbeheer. Waar de naam 'Spaanse kerkhof' vandaan komt is onbekend, met de Spanjaarden heeft dit monument niets van doen.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 10. Hoogtelijnenkaart Spaanse kerkhof (bron: RAAP-rapport 417 (1999)).

Thema 7 Drentsche Aa-gebied, Holtingerveld (vh Havelterberg) en veenterpenlandschap van de polder Matsloot en Roderwolde

Het Drentsche Aa-gebied, het Holtingerveld en het veenterpenlandschap van de polder Matsloot en Roderwolde zijn cultuurlandschappen waar sprake is van continuïteit en samenhang van bewoning over een langere of juist een kortere, specifieke periode. De gebieden bestaan uit clusters van waardevolle, archeologische terreinen (AMK-terreinen) liggend in zones met een groot potentieel aan verwachte archeologische waarden. De eerdergenoemde criteria (zie H. 2.1) Drentse identiteit en regionaal geschiedenisverhaal zijn voor een belangrijk deel ook van toepassing op deze grotere gebieden. Door de schaal van de gebieden laten zowel de onderlinge relaties tussen individuele vindplaatsen als de relatie tussen de vindplaatsen en het landschap zich bestuderen. Dit beantwoordt niet alleen aan de huidige onderzoeksteneur in de archeologie welke zich richt op interdisciplinaire gebiedsgerichte landschapsarcheologie (versus vindplaatsarcheologie) maar laat zich ook goed vertalen in gebiedsgericht omgevingsbeleid.Daarnaast komen in deze gebieden een groot deel en soms zelfs alle, Drentse kernkwaliteiten (natuur, landschap, cultuurhistorie, stilte, duisternis, aardkundige waarden en archeologie) samen.

Drentsche Aa-gebied

Door het kleinschalige karakter van het agrarische landschap, de omvangrijke, hoogwaardige natuurgebieden en de geringe ruimtelijke dynamiek behoort het Drentsche-Aa gebied tot de meest gave cultuurlandschappen van de provincie. Het is tevens een van de meest gave beekdal- dekzandlandschappen van Noordwest-Europa. Binnen het gebied is een variatie aan landschapstypen aanwezig die elders in Drenthe niet wordt aangetroffen. Archeologische, cultuurhistorische, aardkundige, ecologische en hydrologische waarden komen hier nog in onderlinge samenhang voor en zijn onder de noemer (historisch cultuur)landschap een grote trekpleister voor toerisme en recreatie.De prehistorische gelaagdheid van het gebied gaat terug tot de eerste bewoners van Drenthe. Nergens in het Drentse landschap is deze historische gelaagdheid nog zo goed zichtbaar als in dit gebied. In het Drentsche Aa-gebied zijn talrijke archeologische monumenten aanwezig, zoals grafheuvelclusters, offerveentjes, hunebedden, karrensporen en Celtic fields (zie ook de thema's 1 t/m 4 en 10). Ook de bijzondere prehistorische landroute is aan de hand van deze relicten goed traceerbaar. Achter de 'hoge archeologische verwachting' van de essen in het gebied gaan de voor de archeologie zo onschatbare 'afgedekte landschappen' schuil, waarvan verwacht wordt dat ze een grote mate van fysieke gaafheid kennen (zie hieronder). De andere delen van het gebied, waaronder de beekdalen, kennen een hoge archeologische verwachting. Het ca. 300 ha grote gebied De Strubben-Kniphorstbos betreft een archeologisch rijksmonument, dat te boek staat als het eerste 'archeologische reservaat' van Nederland. Het gebied kent een grote tijdsdiepte: van hunebedden, grafheuvels, karrensporen, galgenbergen tot bomkraters.Het Drentse Aa-gebied is daarmee een uniek gebied waar alle kernkwaliteiten van Drenthe samenkomen. Het is dan ook benoemd tot Nationaal Park.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 11. Strubben/Kniphorstbos (bron: RCE).

Holtingerveld (vh Havelterberg )

De Havelterberg is een prominente stuwwal met een gem. hoogte van 25 m NAP (max. hoogte 19 m) die is ontstaan in de Saale ijstijd toen het landijs uit het noordoosten Nederland binnenkwam. De bewoningsgeschiedenis van het Holtingerveld gaat terug tot het paleolithicum. Naast grote aardkundige waarde bezit het ca. 1200 ha grote natuurgebied en militair oefenterrein hoge archeologische waarden en verwachtingen, met een grote tijdsdiepte en onderlinge samenhang. Net als het Drentsche Aa-gebied laat de historische gelaagdheid zich nog goed aan het landschap aflezen door de vele zichtbare archeologische relicten, waaronder de hunebedden D53 en D54, een Celtic field met herkenbaar grafheuvelcluster en de restanten van Fliegerhorst Havelte, een door de Duitsers aangelegd WOII-vliegveld (zie ook thema 12 hieronder). Bijzonder is ook de vondst van laat-paleolithische Hamburgcultuurwerktuigen, waaronder Haveltespitsen. Daarnaast zijn er ook aanwijzingen voor mesolithische kampementen.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 12. Haveltespits (bron: RMO)

Veenterpenlandschap polder Matsloot-Roderwolde

Veenterpen zijn kleine, terpachtige verhogingen in het veenweidegebied waar vroeger huisplaatsen aanwezig waren. Ze zijn te vinden in de veengebieden ten zuidwesten van Groningen-stad en liggen ingeklemd tussen het Peizer- en Eelderdiep in hun oorspronkelijke middeleeuwse ontginningslandschap.

Het zijn voor Nederland (en in Noordwest-Europees verband) unieke vertegenwoordigers van een middeleeuws ontginningslandschap. De veenterpen (of liever gezegd huisplaatsen, want de meesten hebben geen opgeworpen terplichaam) zijn ontstaan in de late 10de eeuw. De basis van de huisplaatsen bestond uit een ettelijke decimeters dikke lemen of kleivloer. Doordat deze minder inklonk dan het omringende veen kwamen de huisplaatsen als een soort verhoogde wierde of terp in het landschap te liggen. Rondom waren sloten ter ontwatering gegraven. De huisplaatsen dienden als basis voor het boerenbedrijf (veehouderij) en veenontginning. De eerste bewoningsperiode loopt tot in de 14de eeuw. Vanaf die tijd zal het gebied waarschijnlijk te nat zijn geweest om geschikt te zijn voor bewoning of gebruik. Pas in de 16de eeuw zijn er een aantal dappere boeren die het aandurfden om het gebied de Onlanden weer te gaan gebruiken. Er worden nieuwe huisplaatsen ingericht en nieuwe sloten gegraven. De typerende middeleeuwse kavelstructuur door middel van sloten is ook nu nog goed herkenbaar in het landschap. Het gebied blijft tot in de 19e eeuw in gebruik, waarna het definitief wordt opgegeven en alleen nog als veenweide- en maaigebied in gebruik blijft.Het gebied met de grootste dichtheid aan huisplaatsen (Peizerweering en het noordelijke deel van de Weeringsbroeken) is aangewezen als archeologisch rijksmonument.

Tijdens archeologisch onderzoek (door het Groninger Instituut voor Archeologie van de Rijksuniversiteit Groningen) in het kader van de inrichting van het gebied voor waterberging zijn verschillende huisplaatsen onderzocht. Het grootste aangetroffen gebouw mat 17 x 5,5 m. De huisplaatsen zijn een uniek restant van een middeleeuwse verkavelings- en ontginningsstructuur en worden daarom zoveel als mogelijk in situ behouden. Omdat de veranderende landschappelijke situatie van de Onlanden niet zonder risico is voor de huisplaatsen, is een selectie gemaakt van 8 representatieve huisplaatsen die door afdekking met een dik folie worden beschermd tegen ongewenste rietgroei. Daarnaast worden enkele van de bijzondere huisplaatsen, waaronder ook vier afgedekte, gemonitord om inzicht te verkrijgen in de conservering en kwaliteit van de aanwezige archeologische resten, en in de effecten van de omgevingsveranderingen (zoals bijvoorbeeld de vernatting en veranderende vegetatie). Het onderzoek wordt uitgevoerd door Wageningen University & Research en een archeologisch bedrijf in opdracht van de provincie en het Waterschap Noorderzijlvest en eindigt medio 2021.

Thema 8 Essen en beekdalen

Bij beekdalen en essen gaat het om afgedekte landschappen met een hoge, potentiële kwaliteit en informatiewaarde. Ze kennen vaak een enorme tijdsdiepte en de vondsten zijn goed geconserveerd hetzij door het aanwezige plaggendek, hetzij door de veen- en beeksedimenten. Beide typen landschappen bieden de mogelijkheid tot interdisciplinaire landschapsarcheologie.

Essen

De geografische spreiding van essen beslaat een groot deel van de provincie. Hierdoor zijn ze bij uitstek representatief voor de beschrijving van de regionale geschiedenis van Drenthe. Aan de hand van de onder de essen verscholen (potentiële) archeologie is een samenhangend beeld van de ontwikkelingsgeschiedenis van Drenthe te krijgen. Alle, tot dusver uitgevoerde grootschalige opgravingen op Drentse essen zijn van grote betekenis geweest voor zowel de regionale als de landelijke geschiedschrijving. Het onlangs (2019) uitgevoerde onderzoek op een aantal essen bij Dalen in het kader van de gedeeltelijke verdubbeling van de provinciale weg N34, lijkt daarop geen uitzondering te zijn.

Beekdalen

In beekdalen is er kans op het aantreffen van rituele deposities, afvaldumps, voorden, bruggen, steigers, watermolens en gegraven waterwerken, zgn. off-site archeologie. Ook is er kans dat op zandkoppen in het beekdal nog resten van kampementen van jagers en verzamelaars uit de steentijd (paleolithicum en mesolithicum) aanwezig zijn.Omdat de archeologische waarden die in beekdalen kunnen worden aangetroffen qua betekenis en conservering vrijwel altijd van regionale of landelijke betekenis zijn, zijn alle Drentse beekdalen benoemd als kernkwaliteit archeologie. Daaraan is een onderzoeksverplichting verbonden die de afgelopen jaren belangrijke resultaten heeft opgeleverd. Zo zijn er verschillende veenwegen, voorde-locaties, rituele deposities en andere aan water gerelateerde fenomenen aangetroffen.

Thema 9 Veenwegen

Een veenweg is een door mensen aangelegde (meestal houten) weg door een moeras-/veengebied. De wegen zijn gemaakt van stammetjes, al dan niet gekloofd, planken of soms van een combinatie van beiden. In Drenthe is een aantal van dergelijke wegen bekend. De oudst bekende weg stamt uit het midden-neolithicum (Smeulbrandenweg Valthe), de jongste, stenen, veenweg dateert uit de middeleeuwen (Buinen en Bronneger).

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 13: Veenweg met archeoloog G.J. Landweer, Valtherbrug 1892 (bron: www. Canonvannederland.nl; collectie Drents Museum).

Uit onderzoek is gebleken dat veenwegen, naast de mogelijkheid om met droge voeten van a naar b, door het drassige gebied, te komen, ook een rituele betekenis hebben gehad. Een voorbeeld daarvan is de laat-neolithische weg bij Nieuw-Dordrecht, een archeologisch rijksmonument. De weg is aangelegd door mensen van de Enkelgrafcultuur (2800 – 2400 v Chr.). Langs deze weg zijn houten voorwerpen gevonden. Deze voorwerpen lijken bewust naast de weg gedeponeerd en dat zou kunnen wijzen op een speciale betekenis van de weg. Een andere indicatie voor primair ritueel gebruik is het feit dat de constructie van de weg niet stevig genoeg lijkt om geschikt te zijn geweest voor zwaar transport.

Veenwegen zijn van provinciaal (en zelfs van nationaal) belang omdat ze zeldzaam en kwetsbaar zijn. Ze hadden verschillende functies en zijn karakteristiek voor het Drents veenlandschap.

Geselecteerde veenwegen:

  • a.

    Valtherbrug I

  • b.

    Buinen stenen voetpad XI

  • c.

    Buinerbrug XII

  • d.

    Emmerschans hordenweg XIV

  • e.

    Bargeroosterveld-Emmererfscheidenveen noordelijk planken voetpad XV

  • f.

    Bargeroosterveld zuidelijk planken voetpad XVII

  • g.

    Nieuw Dordrecht XXI

  • h.

    Keienweg van Bronneger XXVII

  • i.

    Exloo-Holle Landen XXVIII

  • j.

    Suermondswijk Pelincks weg I

  • k.

    De Slokkert

  • l.

    Winder Diepje

  • m.

    Wold Aa

Thema 10 Karrensporen

Karrensporen zijn de zichtbare overblijfselen van oude routes. Ze stammen uit de middeleeuwen, maar gaan waarschijnlijk nog veel verder terug. Er ontstonden brede systemen of bundels, onder andere door het intensieve gebruik van de routes door karren met verschillende spoorbreedtes. Ook door het telkens zoeken naar de meest ideale wegomstandigheden werd het systeem steeds breder.

Door recent onderzoek in opdracht van de provincie is via onder andere een AHN-analyse gebleken dat er veel meer karrenspoorsystemen in Drenthe bewaard zijn gebleven dan tot nu toe werd gedacht. De bundels van de verschillende routes zijn goed te volgen. Zij zijn representanten van, onder andere, de lange, interregionale noord-zuidroute over de Hondsrug maar ook van lokale verbindingen tussen de Drentse esdorpen. Het uitgevoerde onderzoek voegt de versnipperde kennis samen en geeft een goed overzicht van alles wat er tot nu toe bekend was over de karrensporen. Het levert ook nieuwe sporen op. Voor bijvoorbeeld het Drentse Aa-gebied betekent dit dat er een nieuwe laag bij komt en dat geeft een nog grotere tijdsdiepte.De sporen worden als Kernkwaliteit Archeologie opgenomen met een bufferzone van 3 m ten weerszijde. Dit om eventuele met de karrensporen samenhangende fenomenen mee te beschermen.

Niet alle karrensporen en karrenspoorbundels zijn geselecteerd als Kernkwaliteit Archeologie. Bij de selectie is met name gekeken naar de criteria representativiteit: de interregionale routes, gekenmerkt door een sterke concentratie karrensporen, en daarnaast de diffusere karrensporen, overblijfselen van de pre-industriele lokale infrastructuur. Het behoud van de karrensporen in natuurgebieden wordt als kansrijk gezien. In de selectie zitten daarom met name karrensporen die over grotere afstanden te volgen zijn, in aaneengesloten natuurgebieden.

Het betreft de karrensporen en karrenspoorbundels in de volgende natuurgebieden (globale aanduidingen):

  • Noordsche veld ten noorden van Zeijen;

  • De Vijftig Bunder ten noordwesten van Zuidlaren;

  • ten oosten van Zeegse en ten noorden van Oudemolen;

  • de Strubben/Kniphorstbosch;

  • tussen de Schapendrift en het Schipborgsche Diep en ten noorden van Gasteren;

  • Balloërveld;

  • landgoed Terborgh;

  • Drouwenerzand;

  • Gietenerveld/Gasselterveld/Drouwenerveld tot in het Grolloërveld westelijk van Meindersveen;

  • Schoonloërveld/Boswachterij Schoonlo;

  • Buinerveld/Boswachterij Exloo;

  • Boswachterij ten noorden en westen van Schoonoord;

  • Boswachterij Sleenerzand;

  • Valtherbosch;

  • Noordbargerbosch;

  • Mepperdennen;

  • Lheederzand/Dwingeloosche Heide/Benderse Heide/Kraloër heide;

  • Het Schier/HavelterbergHoltingerveld/Uffelterzand/Westerzand/ Oosterzand;

  • Wapserzand/Dieverzand/Berkenheuvel/Boschoord(oost)/Boswachterij Appelscha.

Meer kennis over de karrensporen biedt toeristisch/recreatieve mogelijkheden, bijvoorbeeld: wandel in de voetsporen van de middeleeuwen.

Omdat de karrensporenbundels die over de Hondsrug lopen in feite de prehistorische route volgen, laten we de prehistorische route zoals we die eerder hebben aangegeven als een lange lijn met een breedte van 100 m, vervallen als thema binnen de Kernkwaliteit Archeologie.

Thema 11 Voordenlocaties

De voorden (oversteekplaatsen) vormen bijzonder kansrijke locaties binnen beekdalen. Zij liggen doorgaans binnen de gekarteerde beekdalen, en sporadisch in natte laagten die op de gemeentelijke archeologische kaarten niet als beekdal zijn geïnterpreteerd.

Voorden kenmerken zich door kleine houtconstructies, keienconcentraties en een enkele, verloren, vondst. Alle contouren van de voordenzones zijn overgenomen uit Van der Veen & Ten Anscher 2019 (kaartbijlagen 1 en 2). Dit beeld wijkt op verschillende plekken af van het beeld zoals opgenomen op gemeentelijke kaarten. Voor de POV zijn de beekdalcontouren overgenomen van de gemeentelijke kaarten. Dit houdt in dat de voordenzones waar nodig kleiner zijn geworden, niet groter.

Thema 12 Archeologisch erfgoed van de Tweede Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog erfgoed is jong erfgoed met een directe link naar onze recente geschiedenis. De locaties die zijn benoemd als Kernkwaliteit Archeologie zijn betekenisvolle plekken waaraan verhalen zijn verbonden. Aandacht voor dit jonge erfgoed is nodig omdat er veel belangstelling is voor authentieke overblijfselen uit die tijd, hetgeen zich uit in ondeskundige schatgraverij. Juist het zichtbaar en beleefbaar maken draagt bij aan bewustwording en draagvlakvergroting voor het beschermen van dit bijzondere erfgoed. Uitgangspunten voor onderstaande selectie zijn, in verschillende combinaties: betrouwbare kartering, het inhoudelijk belang, zeldzaamheid (in provinciaal, en ook national perspectief), representativiteit, relatieve gaafheid, informatiewaarde, emotionele waarde, zichtbaarheid, archeologische component en extensief (terrein)gebruik. Het gaat daarbij om zowel civiel als militair erfgoed.

Het gaat om de volgende locaties:

  • a.

    Durchgangslager Kamp Westerbork, inclusief de buiten het eigenlijke kamp gelegen, bijbehorende structuren en elementen, waaronder kamp Hooghalen-Heidelager.

  • b.

    Een selectie van werkkampen, te weten:Kamp Havelte, Kamp Gasselte-Dobbendal, Kamp Schoonloo (Elp), Kamp Orvelte, Kamp Odoorn, Kamp Vledder, Kamp ten Arlo, Kamp Echten en Kamp Diever B

De waarde van deze (kamp)terreinen ligt in het feit dat ze verschillende gebruiksfasen kennen en diep verweven zijn met de donkere en beladen kant van onze recente geschiedenis. De kampen zijn in eerste instantie aangelegd vanuit de werkverschaffing in de jaren '30 van de vorige eeuw, vervolgens in gebruik genomen als Joods werkkamp, NAD kamp (Nederlandse Arbeids Dienst), na de oorlog werden ze gebruikt voor de internering van krijgsgevangenen en NSB-ers, in de jaren '50/'60 van de vorige eeuw als opvangkamp en huisvesting voor gerepatrieerden en vluchtelingen uit voormalig Nederlands-Indië (Molukse kampen) en in sommige gevallen in de laatste gebruiksfase voor de huisvesting van Turkse gastarbeiders.

  • c.

    Fliegerhorst Havelte (Flugplatz Steenwijk), waarmee het Tweede Wereldoorlog erfgoed binnen de kernkwaliteit Holtingerveld wordt beschermd en een expliciet aandachtspunt wordt. De Fliegerhorst wordt ook genoemd als zijnde van groot belang in de publicatie Op verkenning 2.0. Twee eeuwen militair erfgoed in het vizier, van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed uit 2019.

  • d.

    Radiopeil en radarstation Marder: de betonnen pijler van de radarschotel

  • e.

    Betonnen kazematten van de Nederlandse verdedigingslinies

  • f.

    Frieslandriegel: alle op het AHN te onderscheiden lijnelementen zoals loopgraven en anti-tankgrachten (voor zover gelegen in natuurgebieden) en alle resterende betonnen restanten van bunkers en geschutopstellingen die een integraal onderdeel vormen van de Frieslandriegel

  • g.

    Onderduikersholen Anloo (K18) en Schonewille.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 14. Onderduikershol zoals dat er in de Tweede Wereldoorlog uit zag. Duidelijk te zien is het klapraam dat boven de deur gemaakt was (still uit video, bron: www.dvhn.nl).

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 15. Betonnen peiler van de radarschotel radiopeil en radarstation Marder , Ter Arlo (bron: https://www.bunkerinfo.nl/2013/01/fumg-marder.html)

Hoofdstuk 3. Kernkwaliteit Archeologie: beleid, werkingsgebieden en regels in de Provinciale Omgevings Verordening 2021

De essentie die ten grondslag ligt aan ons beleid is dat het oorspronkelijk aanwezige bodemarchief slechts zeer incompleet bewaard is gebleven. Organische materialen zijn vergaan, grondsporen zijn vervaagd en vindplaatsen zijn geërodeerd of door menselijk ingrijpen verdwenen. Dat wat er nu nog van over is, is maar een fractie van wat er ooit in de bodem aanwezig was. Om erachter te komen wie we zijn, en waar we vandaan komen, moeten we daar zorgvuldig mee omgaan.

3.1 Provinciaal beleid archeologie (samenvatting vigerende Provinciale Omgevingsvisie Drenthe en Cultuurnota provincie Drenthe)

Het Provinciaal omgevingsbeleid voor de Kernkwaliteit Archeologie richt zich zowel op instandhouding en bescherming van het bodemarchief als op het ontsluiten, beleven en benutten ervan door een zo groot mogelijk publiek. Vanuit ons Cultuurbeleid, zoals dat is neergelegd in eerdere Cultuurnota's en de vigerende provinciale Cultuurnota (2021-2024), voeren wij onze wettelijke taak als (mede) depothouder van het Noordelijk Archeologisch Depot uit en vullen we ons ruimtelijk archeologiebeleid aan door actief in te zetten op meer participatie van alle partners, gemeenten, burgers en organisaties in de archeologische monumentenzorg. Daarbij speelt samenwerking langs drie lijnen: beleid, kennis en publieksontsluiting, een belangrijke rol.

Samenvattend zijn onze ruimtelijke (en culturele) uitgangspunten:

  • Het in de bodem bewaren (behoud in situ) van waardevol archeologisch erfgoed of, als dat niet mogelijk is, het opgraven en duurzaam veiligstellen (behoud ex situ) van de vondsten en opgravingsdocumentatie in het Noordelijk Archeologisch Depot te Nuis;

  • Het begeleiden van en zorg dragen voor een goede en verantwoorde wijze van uitvoering van archeologisch onderzoek in Drenthe;

  • Het stimuleren van de ontwikkeling en de ontsluiting van het 'archeologische verhaal' van Drenthe.

  • Het bijdragen aan de versterking van de omgevingskwaliteit en identiteit van Drenthe. Dit doen we door het vroegtijdig inbrengen en (laten) meewegen van de Kernkwaliteit archeologie voor betekenisgeving aan ruimtelijke opgaven en plan- en ontwerpprocessen van bovenlokaal niveau.

3.2 Werkingsgebieden Kernkwaliteit archeologie POV 2021

De (kaart) Kernkwaliteit archeologie (zie figuur 16) kent drie werkingsgebieden:

  • a.

    Waarde Archeologie-1: Het gaat hierbij om bekende archeologische monumenten/waarden: alle Drentse hunebedden en zekere Celtic fields; een selectie van grafheuvelgroepen en grafvelden, de aangetoonde middeleeuwse veenterpen/huisplaatsen in de Onlanden, voldoende zekere tracés van veenwegen, offerveentjes, nederzettingsterreinen, de karrenspoorbundels; het Spaans kerkhof bij Norg; de Valtherschans en de schans Portugal bij Een; de middeleeuwse spieker van Lhee en een selectie van erfgoed van de Tweede Wereldoorlog.

  • b.

    Waarde Archeologie -2 Het gaat hierbij om de middeleeuwse kernen van Meppel en Coevorden.

  • c.

    Waarde Archeologie-3 Het gaat hierbij om archeologische verwachtingsgebieden/verwachte archeologisch monumenten: alle Drentse essen, beekdalen, inclusief voordenzones en mogelijke Celtic fields; het Drentsche Aa- gebied; het Holtingerveld (vh Havelterberg); verwachte tracétrajecten van veenwegen en de veenterpen/huisplaatsen verwachtingsgebieden (omringende gebieden) van de Onlanden.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 16. RAAP beleidskaart/werkingsgebieden archeologie.

3.3 Toelichting werkingsgebieden Kernkwaliteit Archeologie

Het beschermingsbeleid dat wij aan de Kernkwaliteit Archeologie koppelen en dat in de regels bij de werkingsgebieden Waarde Archeologie1 t/m 3 staat beschreven, is binnen een eerdere Culturele Alliantie van 2009-2012/13 in samenwerking met de gemeenten en LTO Noord uitgewerkt ten behoeve van de eerste reeks gemeentelijke archeologiekaarten (zie bijlage 7, Convenant LTO Noord, gemeenten en provincie). Voor de omgang met de Kernkwaliteit Archeologie is deze eerste versie van de gemeentelijke archeologiekaarten in alle opeenvolgende Provinciale Omgevingsvisies en Verordeningen leidend geweest. Niet voor alle bodemingrepen is archeologisch onderzoek vereist. Dit hangt af van de omvang en aard van de ingreep, de waarde en verwachting van de locatie en de daar geldende onderzoeksvrijstellingsgrens. Wij hanteren voor de verschillende typen archeologische waarden en verwachtingen de volgende uitgangspunten:

Werkingsgebied Waarde Archeologie-1: Voor de bekende archeologische waarden die behoren tot de Kernkwaliteit Archeologie hanteren wij het uitgangspunt dat ze in situ (in het landschap/de bodem) behouden moeten blijven voor toekomstige generaties. Alleen in geval van zwaarwegende, maatschappelijke belangen en het ontbreken van alternatieven voor behoud in situ kan hiervan worden afgeweken.

Werkingsgebied Waarde Archeologie-2: Hoewel het om bekende archeologische waarden gaat, wordt voor de historische kernen van Coevorden en Meppel een uitzondering gemaakt op het principe behoud in situ. De hier aanwezige archeologische waarden zijn weliswaar van grote regionale waarde maar vanwege de ruimtelijke dynamiek is behoud in situ hier meestal niet haalbaar. Wij sturen in dit geval samen met de gemeenten op de uitvoering van goed onderzoek.

Werkingsgebied Waarde Archeologie-3: In archeologische verwachtingsgebieden die deel uitmaken van dit Werkingsgebied sturen wij bij ruimtelijke ontwikkelingen die gepaard gaan met bodemingrepen op het uitvoeren van goed archeologisch onderzoek. Daarbij hanteren wij een horizontale onderzoeksvrijstellingsgrens van maximaal 1000 m2, tenzij binnen 50 m van de bodemingrepen een bekende archeologische vindplaats ligt, en een verticale onderzoeksvrijstelling van 30 cm plus 10 cm niet-kerend woelen. Dit is in lijn met de maximale onderzoeksvrijstellingen die door de Drentse gemeenten in hun archeologiebeleid worden gehanteerd en gebaseerd op de afspraken in het Convenant tussen LTO Noord, de gemeenten en de provincie over de omgang met archeologische waarden in agrarisch gebruik. Er is een uitzondering als het gaat om de verticale vrijstelling van 30 cm, die staat voor de gemiddelde bouwvoor in Drenthe. Natuurgebieden zoals heidevelden hebben vaak geen of beperkt agrarisch gebruik gekend dat gepaard ging met omzetting van de bodem. In deze gebieden is dan ook in de regel geen bouwvoor van 30 cm aanwezig, maar liggen de archeologische waarden direct onder het maaiveld. Voor deze gebieden, zonder bouwvoor, geldt voor de Kernkwaliteit Archeologie géén verticale onderzoeksvrijstellingsgrens.

Een tweede uitzondering geldt voor de voordenlocaties in de beekdalen. Als hier een horizontale vrijstelling van 1000 m2 zou worden gehanteerd is de kans klein dat er nog overblijfselen van deze oversteekplaatsen zullen worden aangetroffen. Zij kenmerken zich immers door kleine houtconstructies, keienconcentraties en een enkele, verloren, vondst. Wij volgen hierin het onderzoeksadvies van archeologisch Bureau RAAP (Van der Veen & Ten Anscher 2019). Indien het gemeentelijke beleid op deze locaties wel een vrijstelling van 1000 m2 toestaat, vragen wij om overleg. Voor behoudenswaardige bekende en/of nieuw ontdekte vindplaatsen in Drenthe wordt het generieke uitgangspunt gehanteerd dat deze archeologische waarden niet ongezien kunnen verdwijnen. Bij ruimtelijke planprocessen en ontwerpopgaven wordt actief en creatief gestimuleerd om de archeologische waarden te gebruiken als bouwsteen voor omgevingskwaliteit. Dit generieke uitgangspunt heeft geen doorwerking in de POV.

De directe uitwerking van onze sturing is dat wij vroegtijdig in het planvormingsproces met de bevoegde overheid inzake de archeologie (meestal de gemeenten) aan tafel willen zitten om het eventueel noodzakelijke archeologische onderzoek met elkaar af te stemmen. De afgelopen jaren is gebleken dat dit een werkbaar proces is met als uitgangspunt dat afstemming leidt tot een gezamenlijke koers. Bij het bepalen van de meeste geschikte onderzoeksvorm, zijn altijd de in de archeologische beroepsgroep geldende kwaliteitsnormen en procesafspraken, zoals vastgelegd in de vigerende versies van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) en de Beoordelingsrichtlijn Archeologie (BRL Archeologie) het (minimum) uitgangspunt.

Hoofdstuk 4. Verantwoording technische aanpassing van de geselecteerde locaties/terreinen (waarden) en gebieden (verwachtingen) Kernkwaliteit Archeologie provincie Drenthe

Bijdrage van RAAP Archeologisch Adviesbureau: dr. T.J. ten Anscher (tekst en coördinatie), E.A. de Graaf BA., R. Nillisen MA & S. van der Veen MA (GIS-werkzaamheden); zie ook bijlagen 1-6: Excel verantwoordingstabellen)

4.1 Inleiding 

Deze verantwoording betreft een technische aanpassing van de provinciale kaarten Kernkwaliteit Archeologie. Op de kaarten met de Kernkwaliteit Archeologie die horen bij de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018 zijn sommige archeologische terreinen en gebieden als vlakken weergegeven. Echter, veel andere zijn als indicatieve stippen aangegeven (met centrumcoördinaten van uiteenlopende nauwkeurigheid) of, in een enkel geval zoals bij de route van de vermoedelijke prehistorische weg, als lijn. De stippen en de lijn zijn in het kader van de onderhavige DSO-actualisatie omgezet naar vlakken. Van alle vlakken wordt in deze verantwoording aangegeven waar deze op berusten of hoe zij tot stand gekomen zijn. Ook voor de al bestaande vlakken is dit gedaan.Als de vlakken afwijken van die in de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2018, gaat het om vlakken die ontleend zijn aan eerdere, thematische actualisaties die in opdracht van de provincie de afgelopen jaren uitgevoerd zijn. Die actualisaties waren nodig als gevolg van voortschrijdend inzicht, nieuwe ontdekkingen en nieuwe ontwikkelingen zoals het beschikbaar komen van een verbeterde versie van het Actuele Hoogtebestand Nederland (AHN) en satellietbeelden. Met de onderhavige actualisatie is de Kernkwaliteit Archeologie ruimtelijk up to date gemaakt.

Kernkwaliteit Archeologie: thema's

Door de provinciaal archeologen van Drenthe zijn in 2008 per thema lijsten opgesteld van de specifieke objecten/terreinen en gebieden die tot de Kernkwaliteit Archeologie (de provinciale archeologische hoofdstructuur) behoren. Die objecten/terreinen en gebieden zijn vervolgens verwerkt in de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaarten die zijn gemaakt tijdens de eerste Culturele Alliantie tussen alle 12 gemeenten en de provincie Drenthe van 2009-2012/13. Op die kaarten is de Kernkwaliteit Archeologie visueel (door middel van een rode contour) en in tekst aangeduid als provinciaal archeologisch belang. De ruimtelijke verantwoording van de locaties, terreinen en gebieden die tot de Kernkwaliteit Archeologie behoren, wordt per onderscheiden thema weergegeven. De thema's zijn:

  • Hunebedden (Excel tabel 1)

  • Grafheuvelgroepen en grafvelden (Excel tabel 2)

  • Offerveentjes(Excel tabel 3)

  • Zekere en mogelijke Celtic fields

  • Middeleeuwse kernen Coevorden, Meppel (Excel tabel 4)

  • Nederzettingen, Spaans kerkhof, schansen (Excel tabel 5)

  • Drentsche Aa-gebied, Holtingerveld (Havelterberg) en het veenterpenlandschap van de polder Matsloot-Roderwolde

  • Essen en beekdalen inclusief voorden

  • Veenwegen (Excel tabel 6)

  • Karrensporen

  • Voordenlocaties

  • Archeologisch erfgoed van de Tweede Wereldoorlog

De lijsten en beschrijving van de provinciaal-archeologen A. Mars en W.A.B. van de Sanden (2008) zijn gebruikt als basis en als controle op compleetheid.Voor de objecten/terreinen die horen bij de thema's 1 t/m 3, 5, 6 en 8 (essen) zijn slechts enkele correcties noodzakelijk gebleken. Dat geldt ook voor de thema's 7 (Drentsche Aa-gebied en het Holtingerveld). Deze bestaan uit het aanvullen van kleine omissies (bij thema 2), het afvoeren van een enkel terrein na in de afgelopen jaren uitgevoerd archeologisch veldonderzoek en het beter begrenzen van een aantal terreinen (alle thema 6).

De afgelopen jaren zijn de thema's 4, 7 (veenterpenlandschap polder Matsloot-Roderwolde), en 11 (voordenlocaties) al geactualiseerd op basis van nieuwe onderzoeksmethoden en resultaten van nieuw archeologisch veldonderzoek. In opdracht van de Provincie kon het Drentse bestand aan Celtic fields (thema 4) via nieuwe hulpmiddelen – zeer nauwkeurige hoogtemetingen van het maaiveld (Actueel Hoogtebestand Nederland 2) en satellietbeelden – onlangs geactualiseerd worden (Van der Veen & Ten Anscher 2018). In het kader van diezelfde opdracht zijn met behulp van de genoemde hulpmiddelen tevens de nog resterende Drentse karrensporen geïnventariseerd (Van der Veen & Ten Anscher 2018; thema 10). Naar de zeer kwetsbare karrensporen was eerder nog nauwelijks onderzoek gedaan, met als gevolg dat tot nog toe slechts twee bekende terreinen met karrenspoorbundels als provinciaal belang archeologie waren aangemerkt.Het oude beeld van het zogenaamde veenterpenlandschap in het noordwesten van de provincie, de Onlanden (thema 7 ) kon geactualiseerd worden dankzij archeologisch veldonderzoek in het kader van de inrichting van het gebied voor waterberging en natte natuur. Dit onderzoek stond onder leiding van de Rijksuniversiteit Groningen en is mede in opdracht van de Provincie uitgevoerd (Nicolay (red.) 2018).

In opdracht van de Provincie is bovendien een inventarisatie gemaakt van de Drentse voordenlocaties (thema 11); archeologisch extra kansrijke zones in beekdalen (Van der Veen & Ten Anscher 2019). Veenwegen (thema 9) worden in de tekst van de provinciale Omgevingsvisie genoemd als Kernkwaliteit Archeologie (zie 4.2.4.1.1.2 Beschermingsniveau 2: bekende archeologische waarden: behoud in situ), maar hebben vanwege hun complexiteit nog geen systematische, gedetailleerde ruimtelijke uitwerking gekregen. Dit is nu wel gedaan voor de veenwegen waarvan (waarschijnlijk) nog restanten over zijn en die goed te karteren zijn. Een actueel onderwerp is het archeologische erfgoed van de Tweede Wereldoorlog (thema 12). In opdracht van de provincie zijn in 2019-2020 de elementen geïnventariseerd die tot de belangrijkste WO2-thema's behoren en een ruimtelijk-archeologische component bezitten Zij zijn verwerkt in een interactieve, digitale kaart (Ten Anscher, Van Popta & Scholte Lubberink 2020).

Verantwoording per thema Hieronder wordt per thema aangegeven waar de contouren/vlakken van de objecten, terreinen en gebieden die tot de Kernkwaliteit Archeologie behoren, op berusten. Hierbij zijn zoveel mogelijk de basisbronnen als uitgangspunt gebruikt.

1. Hunebedden (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)Alle vlakken van de hunebedterreinen (met nog bestaande hunebedden) zijn afkomstig uit Archis3, de landelijke digitale archeologische databank die beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed te Amersfoort (RCE; http//:www.archis.cultureelerfgoed.nl). Op vier na (2020) zijn alle hunebedden/hunebedterreinen Rijksmonumenten. Voor deze Rijksbeschermde hunebedden zijn de vlakken overgenomen die via het Archis3- tabblad `Archeologische Rijkmonumenten` getoond worden. Deze vlakken/terreincontouren komen overeen met die in de formele aanwijzingen tot Rijksmonument (mondelinge mededeling drs. A. Sloos, RCE). Voor de gemeentelijke archeologische beleidskaarten daarentegen zijn steeds de contouren gebruikt van de zogenaamde AMK-terreinen (AMK=Archeologische Monumenten Kaart Drenthe). Hoewel de basis voor de gemeentelijke archeologiekaarten, wordt de AMK sinds 2014 helaas niet meer actueel gehouden door de RCE. Veel AMK-terreinen hebben dezelfde contouren als de Rijksmonumenten, maar dit is niet altijd het geval: de Rijksbeschermde terreinen van de hunebedden D3, D6, D9, D10, D12, D13, D15 t/m D18, D23, D26 t/m D31, D35, D38, D43, D45-D47 en D50-52 zijn afwijkend. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaarten zijn deze terreinen dus (enigszins) anders begrensd. De hunebedden D32, D34, D36 en D37 zijn (nog) geen Rijksmonumenten. Voor hun terreinen zijn de contouren van de AMK-terreinen overgenomen. Die zijn nog steeds in Archis3 te vinden. Weliswaar kan niet meer direct op niet-Rijksbeschermde AMK-nummers gezocht worden, maar als men toch op de oude manier (de Archis2-manier) de AMK zou willen raadplegen, dan kan men de AMK-bronbestanden en de handleiding downloaden, zie hiervoor: https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/documenten/publicaties/2018/01/01/bronbestanden-archeologische-kaart

Voor de hunebedden D32, D34, D36 en D37 zijn de contouren van de AMK-terreinen overgenomen.In Archis3 kan niet meer direct op niet-Rijksbeschermde AMK-nummers gezocht worden, maar de AMK-bronbestanden en de handleiding zijn via de volgende link nog te downloaden: https://www.cultureelerfgoed.nl/onderwerpen/bronnen-en-kaarten/documenten/publicaties/2018/01/01/bronbestanden-archeologische-kaart . Bij hunebed D14 bij Eexterhalte in de gemeente Aa en Hunze, is het hunebedterrein (een Rijksmonument) vergroot met een omringend AMK-terrein (geen Rijksmonument). Dat laatste terrein behoort dus ook tot het hunebedterrein van D14. Zie ook Excel bijlage 1.

2. Grafheuvelgroepen en grafvelden (werkingsgebied Waarde Archeologie-1) Op een uitzondering na zijn de vlakken van de grafheuvelgroepen/grafvelden uit Archis3 overgenomen. Het zijn de vlakken van de oude AMK-terreinen of, in een tiental gevallen, van Rijksmonumenten. In bijlage 2 zijn bij nr. 7 en bij nr. 16 niet de tientallen zaakidentificatienummers opgenomen die op individuele grafheuvels betrekking hebben, aangezien het in beide gevallen om rijksmonumenten gaat. De bijbehorende Rijksmonumentnummers verschaffen al een directe ingang in Archis3. Alleen de Rijksmonument-vlakken van de grafheuvelgroepen nr. 3. Tonckensbos en nr. 6. Evertsbos wijken enigszins af van de desbetreffende AMK-vlakken, die voor de gemeentelijke archeologische beleidskaart gevolgd zijn.Eén grafveld, De Bloemert te Midlaren (Excel bijlage 2, nummer 17), is geen AMK-terrein. Het rechthoekige terrein dat van provinciaal archeologisch belang is, berust op Nicolay (red.) 2008, figuren 26.1 en 26.10. Het laatste figuur is een ingezoomd detail van het eerste figuur. De afgebeelde kruissleuf is bij de onderhavige actualisatie ingekaderd in een rechthoek, en vervolgens aan de oostkant aangepast aan de sloot aldaar. Er zijn bij de onderhavige actualisatie enkele AMK-terreinen toegevoegd aan bepaalde grafheuvelgroepen, omdat evident is dat zij daartoe behoren: aan nr. 6 de AMK-terreinen 106, 16055 en 16095; aan nr. 8 de AMK-terrein 16031; en aan nr. 13 AMK-terreinen 501 en 16070 (beide subgroep Valtherbos/Weerdinge) en 9624 (subgroep Valtherbos, Kamperesch/ Weerdinge). Om overlappingen te voorkomen, is bij nr. 11 (Sleenerzand Schoonoord) het AMK-terrein weggelaten dat bij hunebed D49 hoort, en bij nr. 13 (Valtherbos) het AMK-terrein van de hunebedden D38, D39 en D40.Zie ook Excel bijlage 2.

3. Offerveentjes (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)Voor de offerveentjes zijn de contouren zoals afgebeeld op de desbetreffende gemeentelijke beleidsadvieskaarten gevolgd, met één aanpassing (bij nr.9, zie hieronder). Die contouren berusten deels op de geomorfologische kaart schaal 1:50.000 (1977), en zijn deels afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (https://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer/).Voor nr. 9 (het veentje van Kooiker, Klijndijk) is alleen de contour volgens de geomorfologische kaart gevolgd, en niet, zoals voor de desbetreffende gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart is gedaan, een combinatie van zowel de geomorfologische begrenzing als de contour van het AMK-terrein (9610) dat deels buiten het veentje ligt. Door deze aanpassing zijn de vlakken van alle offerveentjes die behoren tot de kernkwaliteit archeologie volgens dezelfde uitgangspunten gekarteerd. Zie ook Excel bijlage 3.

4. Zekere Celtic fields (werkingsgebied Waarde Archeologie-1) en mogelijke Celtic fields (werkingsgebied Waarde Archeologie-3)Zekere Celtic fields (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)Voor de Kernkwaliteit Archeologie zijn alle Celtic field-contouren overgenomen uit Van der Veen & Ten Anscher 2018 kaartbijlage 1, echter zonder de in kaartbijlage 1 voor de zekere Celtic fields gehanteerde 50m-buffer.Uit Van der Veen & Ten Anscher 2018 kaartbijlage 2 blijkt welke terreinen die voorheen als zeker of mogelijk Celtic field aangemerkt waren, afgevallen zijn en dus niet meer in de provinciale archeologische hoofdstructuur voorkomen. Dit wil overigens niet zeggen dat er geen andere archeologische waarden in deze gebieden of terreinen aanwezig zijn. Mogelijke Celtic fields (werkingsgebied Waarde Archeologie-3)Alle mogelijke Celtic field-contouren berusten eveneens op Van der Veen & Ten Anscher 2018, kaartbijlage 1. Er komt een enkele aanvulling bij. Op basis van een satellietbeeld (bron: triple sat 27 sept 2018) is een voorheen onbekend mogelijk Celtic field gesignaleerd onder de es van Balinge. Op het AHN2 zijn de desbetreffende structuren ook vaag te zien. Het gebied is omgeven met een rode gestippelde contour (zie figuur 17).

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 17. Mogelijk Celtic field onder de es van Balinge, links AHN2-beeld, rechts satellietbeeld.

5. Middeleeuwse kernen Coevorden en Meppel (werkingsgebied Waarde Archeologie-2)Voor de Middeleeuwse kernen van de twee Drentse plaatsen met stadsrechten, Coevorden en Meppel, zijn uit Archis3 de desbetreffende AMK-vlakken overgenomen.Zie ook Excel bijlage 4.

6. Nederzettingen, Spaans kerkhof, schansen (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)Voor het Spaans kerkhof, de schans Portugal en de nederzettingsterreinen (met uitzondering van de spieker van Lhee en het oude Darp) zijn de desbetreffende AMK-vlakken uit Archis3 overgenomen, zie Excel bijlage 5.

-De spieker van Lhee, het oude dorpsgebied van Darp en de Valtherschans, geen van alle AMK-terreinen, waren eerder nog niet goed begrensd. Dat is nu in het kader van deze actualisatie gedaan.De keienfundering van de spieker van Lhee is blootgelegd bij een opgraving in de jaren `50 van de vorige eeuw. De fundering ligt nog steeds in situ binnen een rechthoekige depressie in het maaiveld. De depressie is op het AHN2 duidelijk zichtbaar. De contouren van de depressie zijn overgenomen als de begrenzingen van het terrein dat tot de kernkwaliteit archeologie behoort.

-De contouren van het verdwenen Darp (waarvan de restanten in 1943 gesloopt zijn bij de aanleg van het Duitse vliegveld bij Havelte) volgen de oude perceelsgrenzen van Darp, zoals aangegeven op de oudste kadastrale minuutplans van ca. 1832. Leidend hierbij was een kopie hiervan waarop door prof. dr. H.T. Waterbolk (emeritus hoogleraar prehistorie aan de Rijksuniversiteit Groningen) de contouren van het oude dorpsgebied van Darp was geschetst (zie figuur 18).

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Figuur 18. Kaart met ingetekende contouren oude dorpsgebied Darp (bron: T. Waterbolk).

- Het oostelijke deel van de omgrachting van de Valtherschans is bij grondradar- en archeologisch booronderzoek ontdekt en gekarteerd (Jans 2016). Op de figuur met het gereconstrueerde grachtenverloop (idem, fig. 16), is ter aanvulling de tekening/inmeting van A. Coucheron uit 1628 geprojecteerd (idem, fig.2) en voorzien van een buffer van 5 m, om kaartonnauwkeurigheden op te vangen. De contour van deze buffer is overgenomen. Als westelijke begrenzing is de Exloërweg genomen. De westelijke punt van de Valtherschans ligt hier nog ten westen van, in de ondergrond van perceel ODN G 3283 (Hoofdstraat 77), maar is vooralsnog niet tot de Kernkwaliteit archeologie gerekend.- Een verwachte 13e -eeuwse burchtlocatie nabij het Zuidlaardermeer, nog aanwezig in de Provinciale Omgevingsverordening 2018, is afgevoerd omdat hiervoor geen aanwijzingen gevonden zijn bij diverse archeologisch onderzoeken (Van Popta & Spiekhout 2016; Hielkema 2019; Van Popta 2019). Zie ook Excel bijlage 5.

7. Drentsche Aa-gebied (werkingsgebied Waarde Archeologie-3), Holtingerveld (werkingsgebied Waarde Archeologie-3) en het veenterpenlandschap polder Matsloot-Roderwolde (aangetoonde terpen: werkingsgebied Waarde Archeologie-1; omringend gebieden: werkingsgebied Waarde Archeologie-3)De contouren van het Drentsche Aa gebied zijn overgenomen uit de Provinciale Omgevingsverordening 2018.De contouren van het Holtingerveld (voorheen de Havelterberg) zijn overgenomen uit de Provinciale Omgevingsverordening 2018.

Het veenterpenlandschap polder Matsloot-Roderwolde (aangetoonde terpen: werkingsgebied Waarde Archeologie-1; omringend gebieden: werkingsgebied Waarde Archeologie-3)De AMK-terreinen met huisplaats-clusters zijn overgenomen uit Archis3. Dit beeld is aangevuld met het geactualiseerde overzicht van de inmiddels bekende verhoogde en niet-verhoogde woonplaatsen zoals gepubliceerd in Nicolay (red.) 2018. Via dr. J.A.W. Nicolay (RUG, Groninger Instituut voor Archeologie) is een digitaal puntenbestand aangeleverd. Elke punt staat voor een woonplaats. Van elk punt is vervolgens een vlak gemaakt door het te voorzien van een straal van 25 m. Ook over de allerkleinste AMK-terreintjes is een cirkel met een diameter van 50 m geprojecteerd.De omringende gebieden waarbinnen nog onontdekte veenterpen verwacht worden, zijn gebaseerd op het verspreidingsbeeld van bekende huisplaatsen/vindplaatsen en AMK-terreinen. Zij volgen zoveel mogelijk de vlakken van de Provinciale Omgevingsverordening 2018, met de volgende aanpassing: de begrenzing van het gebied ligt in principe op ca. 100 m afstand van de dichtstbijzijnde huisplaatsen/AMK-terreinen, en is om praktische redenen gecorrigeerd /aangepast aan de topografie (het wegenpatroon).

8. Essen (werkingsgebied Waarde Archeologie-3) en beekdalen inclusief voorden (werkingsgebied Waarde Archeologie-3)De contouren van de essen van provinciaal belang zijn overgenomen uit de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Alle contouren berusten op de inventarisatie van Spek & Ufkes 1995.

De beekdalen inclusief voorden (Thema 11)De contouren van de beekdalen zijn overgenomen van de gemeentelijke beleidsadvieskaarten of, als ze daarop niet staan aangegeven, afgeleid van de achterliggende landschappelijke kaarten. Zij zijn gebaseerd op de inventarisatie van Aalbersberg & Van Beek 2009, die in opdracht van de Provincie/Drents Plateau gemaakt is, maar de daarin opgenomen beekdalenkaart is in geen enkele gemeentelijke archeologische beleidskaart ongewijzigd overgenomen. Wel is het gehanteerde principe overgenomen; de beekdalkarteringen op de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaarten berusten eveneens hoofdzakelijk op de geomorfologische kaart schaal 1:50.000 (1977) met aanvullingen/wijzigingen op basis van bodemkaarten en topografische kaarten.

De voorden (oversteekplaatsen) vormen bijzonder kansrijke locaties binnen beekdalen. Zij liggen doorgaans binnen de gekarteerde beekdalen, maar ook wel in natte laagten die op de gemeentelijke archeologische kaarten niet als beekdal zijn geïnterpreteerd. Alle contouren van de voordenzones zijn overgenomen uit Van der Veen & Ten Anscher 2019 (kaartbijlagen 1 en 2). In genoemde publicatie is gebruik gemaakt van een beekdalenoverzicht dat geheel gebaseerd is op de geomorfologische kaart 1977. Dit beekdalenbeeld wijkt dan ook her en der af van het beekdalenbeeld van de gemeentelijke kaarten. De voordenzones zijn voor de Provinciale Omgevingsverordening aangepast aan de beekdalcontouren die overgenomen zijn van de gemeentelijke beleidskaarten. Daarbij geldt dat daar waar het beekdal volgens een gemeentelijke kaart smaller is dan volgens het geval is volgens kaartbijlage 1 van Van der Veen & Ten Anscher 2019, het niet-overlappende deel van de desbetreffende voordezone weggehaald is. Waar een beekdal volgens de gemeentelijke kaart breder is, is de voordenzone echter niet aangepast (ze zijn dus eventueel kleiner geworden, maar niet groter).

9. Veenwegen (zekere tracés: werkingsgebied Waarde Archeologie-1; verwachte tracés: werkingsgebied Waarde Archeologie 3. Het veenwegenoverzicht van Casparie (1987), aangevuld met recentere literatuur, is in eerste instantie gebruikt om te bepalen welke Drentse veenwegen in aanmerking kunnen komen als Kernkwaliteit archeologie

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Overzichtstabel geselecteerde veenwegen

De voor de selectie gevolgde criteria zijn de volgende:- de ligging van de veenwegen (en hun verwachte verdere verloop) moet voldoende nauwkeurig bekend zijn;- er moet nog een reële kans zijn op veenwegrestanten. Voor enkele recente ontdekkingen, de veenwegen van De Slokkert (Ten Anscher e.a. 2015), het Winder Diepje (Van Hoof 2015) en de Wold Aa (Verhagen & Kerkhoven 2017) geldt dat de restanten nog goed bewaard waren/zijn. Van de overige genoemde veenwegen zijn vermoedelijk of zeker her en der nog resten bewaard, hetgeen ook kan gelden voor de geassocieerde vondsten die in de directe nabijheid van de veenwegen worden verwacht. Uit Arentzen & Van der Sanden 2019 blijkt duidelijk dat van de beroemdste Drentse veenweg, de Valtherbrug I (Bou), praktisch niets meer over is, met als enige waarschijnlijke uitzondering een klein restant dat onder de Valtherdijk ligt (mondelinge mededeling dr. W.A.B. van der Sanden). Slechts de zone onder de Valtherdijk is dan ook tot de Kernkwaliteit Archeologie gerekend.

Voor de kartering van de veenwegen is steeds uitgegaan van de meest precieze figuren uit de bronliteratuur. Overgenomen zijn de figuren die op de grootste schaal zijn afgebeeld, en bovendien goede topografische aanknopingspunten bieden.De verwachte verdere tracés van de later ontdekte veenwegen (in beekdalen) liggen in het verlengde van de hartlijn van hun opgegraven gedeelten (die niet meer bestaan en dus geen Kernkwaliteit archeologie zijn). De verwachte lengte is bij de veenweg door de Slokkert gebaseerd op de geomorfologische kaart (1977), de bodemkaart en het AHN2. Die van het Winder Diepje is gebaseerd op de bodemkaart. De lengte van het verdere verloop van de veenweg door de Wold Aa is gebaseerd op de bodemkaart en op de oudste 19e-eeuwse topografische kaarten. Om karteringsonnauwkeurigheden te ondervangen en omdat de veenwegen geassocieerd zijn met allerlei (offer)vondsten, is bij de zekere trajecten de hartlijn aan weerszijden voorzien van een zone van 30 m. Voor de verwachte tracédelen, in het verlengde van zekere tracédelen, is vanwege de grotere onzekerheid een zone van 50 m aangehouden. Uit Archis3 zijn vervolgens de vlakken overgenomen van AMK-terreinen en Rijksmonumenten, die geassocieerd zijn met enkele van de geselecteerde veenwegen, zie Excel bijlage 6. Voor de Kernkwaliteit archeologie geldt het gehele AMK- of Rijksmonument-terrein plus de weggedeelten die daar nog buiten liggen. Soms is de gekarteerde veenweg niet of bijna niet als een lijnvormig vlak te herkennen, omdat deze geheel of bijna geheel binnen het AMK- of Rijksmonumentvlak ligt. Het Buinen stenen voetpad XI (Bou) is weliswaar geassocieerd met een AMK-terrein, maar dat ligt te zuidelijk en is daarom genegeerd. Voor het stenen voetpad is dus alleen de in Excel tabel 6 genoemde figuur van de bronpublicatie (Van Giffen 1913, fig. 39) gevolgd.Zie verder Excel bijlage 6.

10. Karrensporen (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)De nu nog zichtbare karrensporen dateren uit de vroege nieuwe tijd: vooral uit de 17de, 18de en vroege 19de eeuw. De desbetreffende routes gaan echter terug op de middeleeuwen, en bestonden vermoedelijk ook deels al in de prehistorie. Karrensporen en karrenspoorbundels zijn geselecteerd als Kernkwaliteit Archeologie op basis van de criteria representativiteit (enerzijds de interregionale route via Coevorden naar Groningen, met een aftakking vanaf Zwolle-Meppel naar Groningen, gekenmerkt door een relatief sterke concentratie karrensporen, en anderzijds de diffusere karrensporen die getuigenissen zijn van de pre-industriële lokale infrastructuur), gaafheid/zichtbaarheid, en de ligging in natuurgebieden en militair oefengebied. In de selectie zitten met name karrensporen en -bundels die over grotere afstanden te volgen zijn, in aaneengesloten natuurgebieden.De contouren van de geselecteerde karrensporenconcentraties zijn overgenomen van de in opdracht van de Provincie vervaardigde inventarisatie van de Drentse karrensporen (Van der Veen & Ten Anscher 2018). Vervolgens zijn de contouren voorzien van een buffer van 3 m, om karteringsonnauwkeurigheden op te vangen en als extra beschermingszone voor deze kwetsbare categorie die met name bedreigd wordt door plagwerkzaamheden en activiteiten die met houtproductie samenhangen, zoals bijvoorbeeld het uitslepen van boomstammen.

Het betreft de karrensporen en karrenspoorbundels in de volgende natuurgebieden (globale aanduidingen):

  • Noordsche veld ten noorden van Zeijen;

  • De Vijftig Bunder ten noordwesten van Zuidlaren;

  • ten oosten van Zeegse en ten noorden van Oudemolen;

  • de Strubben/Kniphorstbosch;

  • tussen de Schapendrift en het Schipborgsche Diep en ten noorden van Gasteren;

  • Balloërveld;

  • landgoed Terborgh;

  • Drouwenerzand;

  • Gietenerveld/Gasselterveld/Drouwenerveld tot in het Grolloërveld westelijk van Meindersveen;

  • Schoonloërveld/Boswachterij Schoonlo;

  • Buinerveld/Boswachterij Exloo;

  • Boswachterij ten noorden en westen van Schoonoord;

  • Boswachterij Sleenerzand;

  • Valtherbosch;

  • Noordbargerbosch;

  • Mepperdennen;

  • Lheederzand/Dwingeloosche Heide/Benderse Heide/Kraloër heide;

  • Het Schier/HavelterbergHoltingerveld/Uffelterzand/Westerzand/ Oosterzand;

  • Wapserzand/Dieverzand/Berkenheuvel/Boschoord(oost)/Boswachterij Appelscha.

Veel van de geselecteerde noordelijke karrensporenconcentraties bevinden zich in het Drentsche Aa-gebied dat vanwege de clustering van andere archeologische waarden al tot de Kernkwaliteit Archeologie behoort (zie thema 7). De hierbinnen gelegen karrensporen in het Balloërveld en bij Gasteren waren voorheen al expliciet als Kernkwaliteit Archeologie benoemd.

11. Voordenlocaties (zie thema 8 Beekdalen)

12. Archeologisch erfgoed van de Tweede Wereldoorlog (werkingsgebied Waarde Archeologie-1)De voor de selectie gevolgde criteria zijn het inhoudelijke belang, de zeldzaamheid (in provinciaal, en ook in nationaal perspectief), representativiteit, (relatieve) gaafheid en zichtbaarheid, extensief (terrein)gebruik (vooral natuurgebieden en militair oefenterrein) en betrouwbare kartering. Particulieren zijn zoveel mogelijk ontzien. De voor de Kernkwaliteit Archeologie geselecteerde elementen worden hieronder per subcategorie besproken. De contouren van alle geselecteerde elementen zijn overgenomen van de in opdracht van de Provincie vervaardigde, interactieve Provinciale Kaart WOII-erfgoed (Ten Anscher, Van Popta & Scholte Lubberink 2020). De overgenomen contouren van de geselecteerde kampen en de bijbehorende, buiten de eigenlijke kampen gelegen onderdelen ervan, de geselecteerde antitankgrachten en loopgraven van de Frieslandriegel en de onderduikersholen zijn vervolgens voorzien van een buffer van 5 m, om eventuele kartografische onnauwkeurigheden op te vangen en omdat archeologische waarden ook rond deze geselecteerde objecten te verwachten zijn. De schuttersputjes van de Frieslandriegel zijn voorzien van een buffer van 3 m.Kamp Westerbork en bijbehorende structuren. Kamp Westerbork neemt als het nationale centrale Durchgangslager van waaruit de Nederlandse Joden, Roma en Sinti afgevoerd werden naar de concentratie- en vernietigingskampen in het oosten, een unieke en beruchte plaats in onder de kampen in Nederland. Het kampterrein is nu onderdeel van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Er zijn nog zichtbare resten bewaard gebleven, maar de meeste resten bevinden zich vlak onder het maaiveld.Het kamp heeft een gebruiksgeschiedenis die al voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog begint, als onderkomen voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland, en zich tot ver erna uitstrekt. Onder meer als Moluks woonoord (zie o.a. Schute & Van der Laan 2015).Tot de bijbehorende, over het algemeen verdwenen structuren met wel nog een behouden archeologische component behoort onder meer het nabijgelegen kamp Hooghalen-Heidelager dat onder andere gediend heeft als verblijfplaats van de kampbewaking. Structuren die in archeologisch opzicht waarschijnlijk niets meer te bieden hebben (een verdwenen loskade aan het Oranjekanaal en het spoorlijntje er naar toe, en de spoorlijn van Hooghalen naar het kamp) vallen buiten de Kernkwaliteit archeologie. Alle overige elementen, die er wel onder vallen, bevinden zich binnen de Boswachterij Hooghalen. Overigens liggen alle geselecteerde onderdelen van kamp Westerbork, inclusief het Heidelager en de vuilnisstort van het kamp, in het Drentsche Aa-gebied dat al tot de Kernkwaliteit archeologie behoort om andere redenen dan WOII (zie thema 7).

WerkkampenAls dunbevolkte provincie met nog veel onontgonnen gebied bezat Drenthe in de jaren 1930-1940 relatief veel werkkampen. Zij waren door de Rijksdienst voor de Werkverruiming gebouwd in het kader van de werkverschaffing. Aanvankelijk waren hierin werklozen gehuisvest, die tegen een schamele vergoeding ingezet werden bij vooral heide-ontginningen. Tijdens WOII werden hierin ook andere groepen al dan niet gedwongen ondergebracht, zoals Joodse mannen. Zo dienden 16 Drentse kampen als voorportaal voor kamp Westerbork – een derde van alle Joodse werkkampen bevond zich op Drents grondgebied. Ook werden extra kampen bijgebouwd, met name door de Nederlandsche Arbeidsdienst (in het kader van de door de Duitse bezetter verordineerde dienstplicht voor Nederlandse jonge mannen tussen 18 en 23 jaar): 13 Drentse kampen hebben (ook) als NAD-kamp gediend. Veel kampen zijn tot ver na WOII in gebruik geweest (zie tabel 4).

De meeste van de 31 Drentse kampen (met kamp Westerbork en het Heidelager komt het totaal aantal op 33 kampen) zijn geheel of grotendeels onder na-oorlogse bebouwing verdwenen. De voor de Kernkwaliteit Archeologie geselecteerde kampterreinen daarentegen zijn alle relatief goed bewaard gebleven en na de sloop van de barakken en andere opstanden niet of nauwelijks verstoord, waardoor hun archeologische component intact zal zijn. De meeste bezitten zelfs nog (deels) het micro-reliëf dat de locaties van de voormalige barakken verraadt. Ze liggen in natuurgebieden, met uitzondering van kamp Vledder en kamp Ten Arlo. Samen vertegenwoordigen zij een representatieve doorsnede van de (hele) gebruiksgeschiedenis van de Drentse werkkampen.

De geselecteerde werkkampen zijn:

  • kamp Havelte (het 'Jodenkamp');

  • kamp Gasselte-Dobbendal;

  • kamp Schoonloo (ook wel aangeduid als kamp Elp);

  • kamp Orvelte;

  • kamp Odoorn;

  • kamp Vledder;

  • kamp Ten Arlo;

  • kamp Echten;

  • kamp Diever B.

Kamp Havelte valt al binnen de Kernkwaliteit Archeologie vanwege de clustering van andere archeologische waarden, omdat het zich in het Holtingerveld (zie thema 8) bevindt, en voor de kampen Gasselte-Dobbendal en Schoonlo geldt hetzelfde: zij liggen in het Drentsche Aa-gebied (zie Thema 7).

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Tabel 3. Bronnen voor de kampen (ruimtelijke aspect).

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Tabel 4. Het gebruik van de kampen inclusief kamp Westerbork en Hooghalen-Heidelager. LW: Luftewaffe; WH: Wehrmacht; SS: Schutzstaffeln; GSP: Grenzschutzpolizei. Zie voor nadere uitleg de Provinciale Kaart WOII.

Nederlandse kazematten uit de mobilisatie-periodeVan de Noord-Nederlandse verdedigings- en vertragingslinies ('weerstandslijnen') waren alleen de meest oostelijke, de O- en de Q-lijn, structureel voorzien van betonnen kazematten (totaal 63 stuks). De F-lijn had slechts één betonnen kazemat. De genoemde weerstandslijnen liggen vooral op Drents en Gronings grondgebied. De kazematten zijn gebouwd in 1939, in de mobilisatietijd. Het zijn zonder uitzondering kleine, betonnen bouwsels van het type 'S' (Stekelvarken). Van de 27 die nog over zijn, liggen er maar zeven in Drenthe:

  • Coevorden S28 (O-lijn, in tuin particulier);

  • Oosterhesselerbrug S35 (Q-lijn, in tuin particulier);

  • Oosterhesselerbrug S36 (Q-lijn, in uitgespaard terreintje omgeven door weiland/akker);

  • Sleen S40 (Q-lijn; in tuin particulier);

  • Sleen S41 (Q-lijn; in uitgespaard terreintje omgeven door weiland/akker);

  • Sleen S42 (Q-lijn, in uitgespaard terreintje omgeven door weiland/akker);

  • Geesbrug/Zwinderen S61 (F-lijn, in berm).

Bij enkele kazematten is in de meidagen van 1940 gevochten. Kogel- en granaatinslagen in het beton getuigen hier nog van. De overgebleven Drentse kazematten behoren tot de Kernkwaliteit archeologie.

Vliegveld Havelte

Veel structuren van de door de Duitsers gebouwde Fliegerhorst Havelte (1942-1945), dat na zeer zware bombardementen opgegeven werd, zijn of nog bewaard gebleven, of op het AHN2 als micro-reliëf herkenbaar, of bezitten (waarschijnlijk) nog een archeologische component. De restanten van het voormalige vliegveld Havelte zijn gevarieerder en completer dan die van de andere Drentse vliegvelden uit WOII (Eelde en Peest; van de schijnvliegvelden De Oude Willem, Donderen en Noordscheveld bij Zeijen is overigens niets meer over). Ook in nationaal opzicht is de Fliegerhorst Havelte uitzonderlijk goed bewaard gebleven. Het zijn redenen om juist vliegveld Havelte te selecteren als Kernkwaliteit Archeologie. Alle elementen die zich in de natuurgebieden en het militaire oefenterrein bevinden, vallen hieronder. De meeste liggen in het Holtingerveld. Het Holtingerveld is op zich al aangemerkt als Kernkwaliteit Archeologie, zij het om andere archeologisch-inhoudelijke redenen dan WOII (zie Thema 7).

-Ook tot de Kernkwaliteit Archeologie gerekend zijn de Befehlsbunker en de radiobunker. Beide bestaan nog, en liggen in de bebouwde kom van Havelte. De overige geselecteerde structuur in het dorp (een vliegtuigopstelplaats, vaag herkenbaar op AHN2) is aan te treffen in een beboste terrein “Wandelbos” dat centraal in het dorp ligt. De resterende elementen in en buiten de bebouwde kom, die in particuliere eigendom zijn, vallen buiten de selectie.

Radiopeil- en radarstation Marder 

Het radiopeil- en radarstation Marder (1942-1945) was het enige Duitse radarstation In Drenthe. Hieraan herinnert slechts een zware betonnen sokkel van een radarschotel (een zogenaamde Würzburg Riese; zie figuur 15), goed zichtbaar gelegen in een weiland. Deze is als zeldzaam overblijfsel als Kernkwaliteit archeologie geselecteerd – vermoedelijk zijn er in heel Nederland niet meer dan tien van dergelijke sokkels over.

Frieslandriegel

De Frieslandriegel uit 1944-1945, ook wel aangeduid als de Assener Stellungen, is de weinig bekende, oostelijke tegenhanger van de roemruchte Atlantikwall. De Frieslandriegel was een aaneengesloten verdedigingslinie van enkele kilometers breed, die langs de IJssel en via Zwolle, Assen en Groningen tot aan de Waddenkust was aangelegd. Bestaande waterwegen die als antitankgracht konden dienen, waren er in geïntegreerd. De verdedigingselementen bestonden verder uit in haast aangelegde antitankgrachten, tankmuren en dergelijke, loopgraven, schuttersputjes, geschutstellingen en eenvoudige betonnen bunkertjes en betonnen eenmansgaten. Het grondverzet is grotendeels door Nederlandse burgers uitgevoerd in het kader van de verplichte tewerkstelling (Arbeitseinsatz). Van deze Duitse verdedigingslinie is relatief weinig over. Het overgrote deel is verdwenen onder latere bebouwing of dichtgeschoven en overploegd. De laatste onderdelen van loopgraven en antitank-grachten en flankerende schuttersputjes die nog op het AHN2 en vaak ook met het blote oog in het veld zichtbaar zijn, zijn nog bewaard gebleven omdat zij zich, op slechts enkele uitzonderingen na, in natuurgebieden en militair oefenterrein bevinden. De uitzonderingen liggen in relatief kleine beboste gebiedjes, omgeven door open veld, die echter een agrarische bestemming hebben of waarvan de bestemming niet achterhaald kon worden. Het betreft:

  • een terreintje zuidelijk van Wittelte waarin drie bunkertjes liggen, die verbonden zijn met een loopgraaf (agrarische bestemming);

  • een terreintje oostelijk van Wittelte met een bunkertje, een loopgraaf en minimaal een schuttersput (agrarische bestemming);

  • een terreintje aan de Taarlose weg ten westen van Taarlo en het Noord-Willemskanaal, met loopgraven en enkele schuttersputjes.

De genoemde WOII-elementen in deze drie terreintjes en de op het oog of op het AHN2 zichtbare onderdelen van de Frieslandriegel in de natuurgebieden en militair oefenterrein zijn geselecteerd als Kernkwaliteit Archeologie. Speciale vermelding verdient een natuurgebiedje direct ten zuiden van de Linthorst Homanweg bij Oudemolen, strategisch gelegen tussen het Noord-Willemskanaal en de spoorlijn Assen-Groningen dat in zijn geheel een complete, goed bewaarde stelling vormt, met loopgraven, schuttersputjes en overige militaire voorzieningen.

Een andere opmerkelijke en goed geconserveerde concentratie van militaire aardwerken, bevindt zich in militair oefenterrein De Haar, tussen Witten en Kloosterveen.

Onderduikersholen 

De enige zeker gelokaliseerde, op het AHN2 nog zichtbare, (deels) ongeschonden onderduikersholen Anloo (K18) en het onderduikershol van Roelof Schonewille nabij Elim, beide in natuurgebied, zijn geselecteerd als Kernkwaliteit Archeologie. Er zijn meer (mogelijke) Drentse onderduikersholen bekend, die waarschijnlijk nog grotendeels intact zijn, maar hun locaties zijn nog niet voldoende geverifieerd om deze in de selectie op te nemen. Onderduikersholen die gerestaureerd, onderzocht of gereconstrueerd zijn op een wijze dat er waarschijnlijk geen of nauwelijks meer sprake meer is van authentieke archeologische sporen, vallen ook buiten de selectie.

Literatuurlijst

Aalbersberg, G., 2006. Inventariserend veldonderzoek Steentijdvindplaatsen Drentsche Aa-gebied, Provincie Drenthe. RAAP-rapport 1278, Amsterdam.

Aalbersberg, G. & J.L. van Beek, 2009. Beekdalen in de provincie Drenthe: historische en toekomstige ingrepen, bestemmingsplannen en archeologische implicaties. RAAP-rapport 1771, Weesp.

Anema, K., 1995. Archeologisch erfgoed goed beheerd: Behoud, inrichting en beheer in het landelijk gebied, Den Haag.

Anscher, T.J. ten, 2015. Een bronzen lanspunt en verlopen beken: Oude beddingen van de Vledder Aa en Wapserveensche Aa, in NDV: 132, p. 171-178.

Anscher, T.J. ten, B.I. van Hoof, M.E. van Kruining, J. van der Laan & A. Maurer, 2015. Een corridor door het broekbos: Een veenweg uit het Laat-Neolithicum door het beekdal van de Slokkert, in: NDV 132, p. 125-152.

Anscher, T.J. ten & M.E. van Kruining & J. van der Laan, 2015: Het broekbos doorbroken. De laat-neolithische veenweg in het beekdal van de Slokkert, gemeente Noordenveld. Een archeologische opgraving. RAAP-rapport 2950, Weesp.

Anscher, T.J. ten & S. van der Veen, 2016. Plangebied De Vijftig Bunder nabij Midlaren, gemeente Tynaarlo; een bureauonderzoek. RAAP-rapport 3091, Weesp.

Anscher, T.J. ten, Y.T. van Popta & M. Scholte Lubberink, 2020. Erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog in Drenthe. RAAP-rapport 4613, Weesp.

Arcadis, 2013. Het Nationaal beek- en esdorpenlandschap Drentsche Aa BIO-plan 2.0 (2012-2020).

Arentzen, W. & W.A.B. van der Sanden, 2018. Tweehonderd jaar Valtherbrug – Historiografie van een uitzonderlijk archeologisch monument – I: 1818-1647, in: NDV 135, p. 171-208.

Arentzen, W. & W.A.B. van der Sanden, 2019. Tweehonderd jaar Valtherbrug – Historiografie van een uitzonderlijk archeologisch monument – II: 1818-1647, in: NDV 136, p. 153-200.

Arnoldussen, S., 2012. Het Celtic field te Zeijen – Noordse Veld: kleinschalige opgravingenvan wallen en velden van een laat-prehistorische akkersysteem, Grondsporen 16, Groningen.

Arnoldussen, S. & K.M. de Vries, 2013/14. Of farms and fields: the Bronze Age and Iron Age settlement and Celtic field at Hijken-Hijkerveld, Palaeohistoria 55/56, Groningen.

Asmussen, P.S.G., 1999. Pingoruïne Taarlose Veentje, gemeente Assen; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI1 en AAI2). RAAP-rapport 420, Amsterdam.

Bade, T. & G. Smid, 2007/8. Eigen haard is goud waard: Over de economische baten van cultuurhistorisch erfgoed, Arnhem.

Bakker, J.A., 2010. Megalithic research in the Netherlands, 1547-1011, Leiden.

Bakker, R., 1994. Het Gietsenveentje, gemeente Gieten (Dr.): Unicum of probleemgeval, in: Paleo-Aktueel 5, p. 35-38, Groningen.

Bakker, R., 2003. The emergence of agriculture on the Drenthe Plateau – a palaeobotanical study supported by high resolution 14C-dating. Archäologische Berichte 16, Bonn.

Boon, H., 2016. Archeologisch onderzoek barak 56 zuidzijde te kamp Westerbork, archeologische begeleiding. Sweco Archeologische Rapporten 2014, Groningen.

Casparie, W.A., 1982. The Neolithic wooden trackway XXI(Bou) in the raised bog at Nieuw-Dordrecht, in: Palaeohistoria 24, p. 115-165.

Casparie, W.A., G.A. Coert, G.de Leeuw, F. Smits & H.D. Veen, 1983: De middeleeuwse keienweg van Bronneger, gem. Borger, in: NDV 100, p. 147-201.

Casparie, W.A., 1986: The three Bronze Age footpaths XVI(Bou), XVII(Bou) and XVIII(Bou) in the raised bog of Southeast Drenthe (the Netherlands), in: Palaeohistoria 26, p. 41-94.

Casparie, W.A., 1987: Bog Trackways in the Netherlands, in: Palaeohistoria 29, 35-65.

Casparie, W.A. 1993: De Valtherbrug (Dr. en Gr.); meer dan één weg? In: Paleo-Aktueel 4, p. 95-99.

Casparie, W.A., B. van Geel, A.E.M. Hanraets, E. Jansma & I.L.M. Stuijts, 2004. De veenweg van Nieuw-Dordrecht – onvoltooid en niet gebruikt, in: NDV 121, p. 114-141.

Deeben, J., E. Drenth, M.F. van Oorsouw & L. Verhart, 2005. De steentijd van Nederland. Archeologie 11/12, Meppel.

Doesburg, J. van (red), 2007. Essen in zicht: essen en plaggendekken in Nederland, onderzoek en beleid. Nederlandse Archeologische Rapporten 34, Amersfoort.

Doesburg, J. van, 2008. Plaggen bedekken schatten. Nieuwsbrief 3 RACM, 3 mei 2008 p. 8.10, Amersfoort.

Eickhoff, M., 2005. Van het land naar de markt: 20 jaar RAAP en de vermaatschappelijking van de Nederlandse archeologie (1985 – 2005), Amsterdam.

Exaltus, R.P., 1999. Het Spaansche Kerkhof bij Veenhuizen. Provincie Drenthe, gem. Noordenveld – een archeologisch onderzoek. RAAP-rapport 417, Amsterdam.

Gewijzigde Monumentenwet 1988 (versie 1 september 2007).

Giffen, A.E. van, 1913: De Buiner Brug en het Steenen Voetpad aldaar. Oudheidkundige Mededelingen van het Rijksmuseum van Oudheden te Leiden 7, p. 51-90.

Giffen van, A.E., 1925-1927. De Hunebedden in Nederland, Utrecht

Ginkel, E. van, S. Jager, W. van der Sanden, 1999. Hunebedden, monumenten van een Steentijdcultuur, Abcoude/Amersfoort.

Ginkel, E. van, 2005. Archeologische routes in Nederland 45: Havelte (Drenthe), Amersfoort.

Hielkema, J.B., 2018. Natuurontwikkeling Tusschenwater, gemeente Tynaarlo, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek (variant archeologische begeleiding). RAAP-rapport 3624, Weesp.

Hobma, F.A.M., 2006. Bouwen na Malta: De wet op de archeologische monumentenzorg, in: Bouwrecht nr. 10 oktober 2006 p. 875-885.

Hoof, B.I. van, 2015. Plangebied De Koppeling, gemeente Tynaarlo. Archeologisch onderzoek: een archeologische begeleiding. RAAP-rapport 2922, Weesp.

Houben, B., 2004. Archeologie, bos- en natuurontwikkeling, Kans of knelpunt, afd. Groen, Cultuur en Sociale Ontwikkeling provincie Limburg, Maastricht.

In kort bestek: de Wet op de archeologische monumentenzorg, Erfgoed NL, RACM, VOiA 2007, Amersfoort.

Jager, S.W., 2008. Celtic fields in Zuid-Drenthe: archeologisch vooronderzoek: een inventariserend bureauonderzoek. RAAP-rapport 1731, Weesp.

Jans, J.E.A., 2016. Op zoek naar de Valtherschans, Gemeente Borger-Odoorn; archeologisch vooronderzoek: een bureauonderzoek, geofysisch onderzoek en booronderzoek. RAAP-rapport 3147, Weesp.

Kennisbehoefte Archeologisch erfgoed: Een onderzoek naar de behoeften van de organisaties in de kennisinfrastructuur archeologie aan toegang tot actuele kennis AMZ, op basis van ervaringen met het kennissysteem ARCHIS, ROB, 1999, Amersfoort.

Kooi, P.H., 2001.De (her)ontdekking van de keienweg van Exloo, in: NDV 118, p. 138-147.

Kooi, P.H., 2004. Terug naar de weg, in: NDV 121, p. 161-165.

Louwe Kooijmans, L.P. (red), 2005. Nederland in de Prehistorie, Amsterdam.

Mars, A., 2000. De archeologische waarden van pingoruïnes, dobben en veentjes, in: vakblad Natuurbeheer nr. 7, p 107-110, Wageningen.

Mars, A., 2004. Van geest naar letter: Advies inzake de gevolgen van de wijziging van de Monumentenwet 1988 (Malta) voor de Provincie Drenthe, Interne notitie Provincie Drenthe, Assen.

Mars, A., 2006. Provinciaal archeologiebeleid Drenthe onder de loep, met aanvulling op Van geest naar letter (2004), Interne notitie Provincie Drenthe, Assen.

Mars, A., 2008. Richtlijnen voor het maken van een gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart (inhoud en proces), Assen.

Mars, A. (samenst.), Relevante parlementaire stukken met betrekking totstandkoming Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz), bedoeling wetsbepalingen, Assen.

Mars, A. & W.A.B. van der Sanden 2008. Notitie provinciaal archeologiebeleid Drenthe 2008: De ruggengraat van het Drents archeologisch erfgoed (Ambtelijk advies toekomstig beleid voor archeologie en ruimte), Assen.

Molema, J,. M. Dosker, J.H.N. Elerie, T. Spek, H.W. Veenstra & H.T. Waterbolk, 2004. Cultuurhistorische inventarisatie ten behoeve van Landschapsvisie Drentshe Aa: onderzoek in het kader van het Nationaal Beek- en Esdorpenlandschap Drentsche Aa. RAAP-rapport 969, Amsterdam.

Nationale onderzoeksagenda Archeologie (NoaA), versie 2020

Neefjes, J., H. Bleumink, G. van Duinhoven & S. Greeuw, 2006. Cultuurhistorie in natuurontwikkeling, Twaalf projecten onder de loep, Boxtel/Wageningen.

Nicolay, J.A.W. (red), 2008. opgravingen bij Midlaren: 5000 jaar wonen tussen Hondsrug en Hunzedal. Groningen Archaeological Studies 7/1 en 7/2, Groningen.

Nicolay, J.A.W. (red), 2018. Huisplaatsen in De Onlanden. De geschiedenis van een Drents veenweidegebied. Groningen.

Niekus, M.J.L.Th., F. de Vries & W. van der Wijk, 2013. In het spoor van Georgr Hendrik Voerman: Archeologie en landschap van het Holtingerveld, Diever.

Niekus, M.J.L.Th. & E. van Ginkel, 2019. Neanderthalers in Noord-Nederland: Leven aan de rand van de oerwereld, Assen.

Matien, R.H., 2013. De prehistorische veenbruggen van Smilde, in: Levend Verleden 2013 (1), p. 18-29.

Picardt, J., 1660. Annales Drenthiae. Amsterdam

Picardt, J., 1660. Korte Beschryvinge van eenige Vergetene en Verborgene Antiquiteten Der Provintien en Landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Amsterdam

Piët, S., 2004. De emotiemarkt: de toekomst van de beleveniseconomie, Rotterdam.

Popta, Y.T. van, & A.G.M. Spiekhout, 2016. Op zoek naar kastelen in het Hunzedal. Archeologisch booronderzoek nabij Zuidlaren. Grondsporen 22, Groningen.

Popta, Y.T., van, 2019. Grondsporen in het gebied Burgvoort bij de Groeve, gemeente Tynaarlo. Een archeologisch onderzoek: veldinspectie. RAAP-rapport 4145, Weesp.

Provincie Drenthe, 2005. Cultuurnota 2005 – 2008: De kunst van het combineren, Assen.

Provincie Drenthe, 2006. Richtlijnen voor archeologisch bureau- en veldonderzoek in de Provincie Drenthe, versie 1.0, 21 maart 2006, Assen.

Provincie Drenthe, 2006. Richtlijnen voor beekdalonderzoek in de Provincie Drenthe, versie 1.0, 21 maart 2006, Assen.

Provincie Drenthe, 2007. Collegeprogramma 2007 – 2011: Kiezen voor de kracht van Drenthe, Assen.

Provincie Drenthe, 2007. Beleidsbrief provinciaal archeologiebeleid Drenthe, Assen.

Provincie Drenthe, 2008. Cultuurnota 2009 – 2012, Assen

Provincie Drenthe, 2008. Notitie Invoering nieuwe Wro, Assen.

Provincie Drenthe, 2008. Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap Drentsche Aa: pMJP-Gebiedsopgave 2007-2013, Assen.

Provincie Drenthe, 2012. Cultuurnota 2013 – 2016: Oude wereld, Nieuwe mindset, Assen.

Provincie Drenthe, 2016. Cultuurnota 2017 – 2020: De verbeelding van Drenthe, Assen.

Provincie Drenthe, 2018. Omgevingsvisie Provincie Drenthe. Vastgesteld 03‑10‑2018, Assen.

Provincie Drenthe, 2019. Coalitieakkoord: Drenthe, mooi voor elkaar! 2019-2023, Assen.

Provincie Drenthe, 2020. Cultuurnota 2021 – 2024: Cultuur om te delen, Assen.

Provincie Noord-Brabant, 2000. Kookboek Cultuurhistorie: kwaliteit als grondslag, Cultuurhistorische waardenkaart Noord-Brabant, 's-Hertogenbosch.

Provincie Noord-Holland, 2004. Behoud en beheer van archeologische vindplaatsen in het Oer-IJ-gebied, Haarlem.

Rensink, E., 2008. Richtlijnen archeologisch onderzoek en verwachtingskaarten voor beekdalen in Pleistoceen Nederland, Amersfoort.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2019. Erfgoed van betekenis: Verkenning Herinneringserfgoed; een verkennend onderzoek naar de relatie tussen onroerend erfgoed en de herinnerings- en herdenkingscultuur in Nederland, Amersfoort.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2019. Op verkenning 2.0; Twee eeuwen militair erfgoed in het vizier, Rapportage Verkenning Militair Erfgoed, Amersfoort.

Roozenbeek, J., A. Voerman & T.J. ten Anscher, 2007. Hunebedden, een wereld te winnen: Handboek voor archeologie, inrichting en beheer.

Roymans, J., 2005. Een cultuurhistorisch verwachtingsmodel voor Brabantse beekdallandschappen: een mogelijke toekomst voor het verleden van beekdalen, Masterscriptie VU Amsterdam, Vakgroep Erfgoedstudies.

Sanden, W.A.B. van der, 1997. Aardewerk uit natte context in Drenthe: het vroeg- en laat-neolithicum en de vroege bronstijd, in: NDV 114, p. 127-141.

Sanden, W.A.B. van der, 1997. Wagens, wielen en wieldelen uit de Drentse venen: de late ijzertijd en de Romeinse tijd, in: NDV 114, p. 180-201.

Sanden, W.A.B. van der, 2002. Veenwegen in Drenthe: enkele nieuwe dateringen, in: NDV 119, p 101-112.

Sanden, W.A.B. van der, 2002. Runderhoorns, wagens en andere veenvondsten uit Drenthe, in: NDV 119, p. 128-168

Sanden, W.A.B. van der, 2002. Structuren in het Drentse veen, in: NDV 119, p. 186-216.

Sanden, W.A.B. van der, 2004: Veenwegen in Drenthe: stof voor discussie, in: NDV 121, p 142-160.

Sanden, W.A.B. van der, 2007. Projectvoorstel waardering offerveentjes Drenthe, Assen.

Sanden, W.A.B., 2018. Geschiedenis van Drenthe, dl 1: een archeologisch perspectief, Assen.

Sanden, W.A.B. van der, 2019. Where to and why? Thoughts on the meaning of the Valtherbrug bog trackway. In: S. Arnoldussen, A.A.G. Ball, J. van Dijk, E. Nord & N. de Vries (red.), in: Metaaltijden 6. Bijdragen in de studie van de metaaltijden, p. 259-281, Leiden.

Schutte, I.A., 2008. Het provinciaal archeologisch belang: naar een kader voor het opstellen van een structuurvisie, de toetsing van gemeentelijke plannen en verlenen van ontgrondingsvergunningen in de provincie Utrecht. RAAP-rapport 1642, Weesp.

Schutte, I.A. & B. van der Laan, 2015. Kamp Westerbork – van vluchtelingenkamp tot herinneringscentrum, gemeente Midden-Drenthe; een archeologische bronnen- en beleidskaart. RAAP-rapport 2909, Weesp.

SIKB, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1.

Smith, A.F., W.J. Tonnis & W.A. Casparie, 2003. Niet elke steenhoop is 'geheid' een Drentse keienweg. Een archeologische puzzel in het Exloose veen opnieuw bekeken, in: NDV 120, p. 158-171.

Spek, T., 1995. Archeologie en cultuurhistorie: Drentsche essen, Wageningen/Groningen.

Spek, T., & A. Ufkes, 1995. Archeologie en cultuurhistorie van essen in de provincie Drenthe: inventarisatie, waardering en aanbevelingen ten behoeve van het stimuleringsbeleid bodembeschermingsgebieden. Assen/Wageningen.

Spek, T., 2004. Het Drentse esdorpen landschap: een historisch geografische studie, 2 delen en kaartbijlage (diss.), Utrecht.

Spek, T., J. Buitenveld, P. Copini, R.P. Exaltus, B.J. Groenewoudt, W. Groenman-van Waateringe, A.G. Jong, F. van Kregten, N.C.M. Maes, A. Mars, J. den Ouden, C.J.A. Rövekamp, U.G.W. Sass & B.P. Speleers, 2005. Ouderdom en ontstaanswijze van cirkelvormige eikenstrubben in het natuurterrein “De wilde Kamp” bij Garderen (Noordwest-Veluwe), RAM 131, Amersfoort.

Staatsbosbeheer & Waterschap Hunze & Aa's, 2017. Inrichtingsvisie beekdalen Drentsche Aa.

Strootman Landschapsarchitecten & Novia Consult, 2004. Landschapsvisie Drentsche Aa, Amsterdam.

Strootman Landschapsarchitecten & Novia Consult, 2017. Landschapsvisie 2.0 Drentsche Aa, Amsterdam.

Steunpunt Erfgoed Drenthe (red.), 2019. Joodse begraafplaatsen in Drenthe: Een handreiking voor integraal beheer aan de hand van de Nieuwe Joodse Begraafplaats, Zuiderweg 56 te Hoogeveen, Assen.

Tijdschrift – Malta magazine, deel 1 t/m 11, 2002-2007.

Toebosch, T., 2004. Niks duurzamer dan een mooi gat: archeologie heen en weer geslingerd tussen cultuur en wetenschap, in: Boekman 58/59. p. 122-126.

Veen, S. van der & T.J. ten Anscher, 2018. Een actualisatie van de Drentse Celtic fields en een inventarisatie van Drentse karrensporen. RAAP-rapport 3554, Weesp.

Veen, S. van der & T.J. ten Anscher, 2019. Een inventarisatie van voordenlocaties in de provincie Drenthe. RAAP-rapport 3616, Weesp.

Verdiepingsslag IKAW Provincie Drenthe: Een bureauonderzoek naar beschikbare bronnen en kosten. RAAP-adviesdocument 296, 2008.

Verhagen, F. & A.A. Kerkhoven, 2017. Meppel, Engelgaarde. Gemeente Meppel (Dr). Een Archeologische Begeleiding (AB), conform protocol Opgraven (DO). Een IJzertijd brug in het beekdal van de Wold Aa. Transect-rapport 1522, Nieuwegein.

Verkenning van de knelpunten en oplossingsrichtingen van de archeologische monumentenzorg onder Malta, SIKB, 2007.

Vree, F. van & R. van der Laarse, 2009. De dynamiek van de herinnering: Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context, Amsterdam.

Wit, M.J.M. de, 2003. Een aanvullend Archeologisch onderzoek op De Spil te Dalen, gemeente Coevorden (Dr.), ARC-publicaties 72, Groningen.

Wit, M.J.M. de, 2016. Archeologisch proefsleuvenonderzoek op plangebied Molenakker II, fase 1, te Dalen, gemeente Coevorden (Dr.), MUG-publicatie 2016-11, Leek.

Wit, M.J.M. de, 2016. Archeologisch proefsleuvenonderzoek op plangebied Molenakker II, fasen 2 & 3, te Dalen, gemeente Coevorden (Dr.), MUG-publicatie 2016-12, Leek.

BIJLAGEN

Bijlage 1

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage 2

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage 3

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage 4

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage 5

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Bijlage 6

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

PP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage 2 Onderbouwing Detailhandelsbeleid

QQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Onderbouwing

1 Dienstenrichtlijn

1.1 Dienstenrichtlijn van toepassing op detailhandel

https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=celex:32006L0123

Met de uitspraak inzake het bestemmingsplan ‘Stad Appingedam’ is duidelijk geworden dat detailhandel en ruimtelijke voorschriften – nadere eisen voor het vestigen van detailhandel - onder de Dienstenrichtlijn vallen. Het betreft immers eisen die de toegang tot of het uitoefenen van een dienstenactiviteit reguleren, zoals een brancheringsregeling en/of een regeling over oppervlaktecriteria ten aanzien van detailhandel.

1.2 Toetsing aan de Dienstenrichtlijn

Voor het stellen van eisen voor het vestigen van detailhandel kent de Dienstenrichtlijn twee verschillende regimes.

Het eerste regime is neergelegd in artikel 14, aanhef en onder 5 Dienstenrichtlijn. Elke eis die een beperking inhoudt en waarmee uitsluitend economische doelen worden nagestreefd, is simpelweg verboden. Uit jurisprudentie blijkt dat het verbod van artikel 14 Dienstenrichtlijn niet geldt, indien in de onderbouwing en de motivering van de brancheringsregeling wordt gewezen op ruimtelijke belangen die daaraan ten grondslag hebben gelegen of indien wordt toegelicht dat aan de regeling geen economische doelen ten grondslag liggen. Gelet op artikel 1.1.2 Bro https://maxius.nl/besluit-ruimtelijke-ordening/artikel1.1.2 geldt in het Nederlandse ruimtelijke ordeningsrecht echter al de voorwaarde dat met ruimtelijke voorschriften geen economische doelen kunnen worden nagestreefd. Er moeten derhalve ruimtelijke motieven aanwezig zijn. Hiermee is dit binnen het Nederlandse recht al geregeld.Relevanter is het tweede in de Dienstenrichtlijn opgenomen regime, dat is neergelegd in artikel 15 lid 3. Die bepaling luidt als volgt: ‘De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:Discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel.Noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang.Evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.

De in deze bijlage opgenomen onderbouwing heeft betrekking op het onderbouwen van de nadere eisen die in de omgevingsverordening worden gesteld aan de vestigingsmogelijkheden voor detailhandel conform de toetsingseisen uit artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Hierbij ligt het accent op de noodzakelijkheid en de evenredigheid.

2 Discriminatieverbod

De eisen/maatregelen in de Omgevingsverordening maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel van de te vestigen winkels. Het betreft uitsluitend eisen die betrekking hebben op de omvang van de winkels, de aard van de producten of het verzorgingsgebied c.q. de impact op het regionale voorzieningenniveau en het betreft eisen van regionale afstemming.

Hiermee wordt in de Omgevingsvisie en –verordening Drenthe derhalve voldaan aan het discriminatieverbod.

3 Noodzakelijkheid

3.1 Dwingende reden van algemeen belang

Het noodzakelijkheidsvereiste betreft de vraag of de in een ruimtelijk voorschrift vastgelegde beperking binnen de mogelijkheden voor detailhandel (de eis c.q. de maatregel), is gerechtvaardigd vanwege een dwingende reden van algemeen belang. Oftewel zijn de doelen die met de maatregelen worden nagestreefd, dwingende maatregelen van algemeen belang.

Waarom zijn beperkingen voor detailhandel opgelegd? Prognoses voor de ontwikkeling van de detailhandel geven aan dat het totale fysieke winkelareaal naar verwachting gaat krimpen. De krimp wordt niet alleen veroorzaakt door de groei van internetaankopen, maar ook door een veranderend ruimtelijk koopgedrag en door de vergrijzing, die tot afnemende bestedingen per hoofd van de bevolking leidt. Tegen deze achtergrond is een zorgvuldig vormgegeven en effectief provinciaal (en gemeentelijk) beleid van grote waarde. Het is vanuit deze achtergrond noodzakelijk om beleid te voeren gericht op het beschermen en stimuleren van aantrekkelijke en leefbare centra met een zo compleet mogelijk brancheaanbod en het voorkomen van leegstand. Dit kan op basis van specifieke lokale data een onderbouwde vertaling krijgen in het gemeentelijk beleid.

De contouren van wat wordt bedoeld met “een dwingende reden van algemeen belang” zijn met name geschetst in de conclusie van de Advocaat-Generaal van het Europese Hof en in de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan Appingedam-centrum.

In de conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak Visser Vastgoed – Appingedam wordt hierover onder punt 147 het volgende aangegeven:

“De bescherming van het stedelijk milieu, die wordt aangevoerd als dwingende reden van algemeen belang, is erkend in artikel 4, punt 8, van richtlijn 2006/123(132), dat op dit punt eerdere rechtspraak over artikel 56 VWEU codificeert (133). Een gemeente kan er belang bij hebben om via een bestemmingsplan te bevorderen dat de binnenstad haar dynamiek en oorspronkelijke karakter behoudt. Regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels kan in algemene zin onderdeel zijn van een dergelijk beleid. Bovendien is het mogelijk dat een gemeente ook de hoeveelheid en doorstroming van het verkeer binnen en buiten de stad wil beïnvloeden. Daaraan moet worden toegevoegd dat de betrokken maatregel niet economisch is in de zin dat het doel en het gevolg ervan is dat bepaalde detailhandelaars gunstiger worden behandeld dan andere. Veeleer gaat het om een manier van leven in een stad en daarmee bijna om cultuurbeleid, dat ook als een dwingende reden van algemeen belang is erkend in artikel 4, punt 8, van richtlijn 2006/123. (134)”

In de uitspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan centrum Appingedam ECLI:NL:RVS:2019:2569 https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:2569 wordt hierover gesteld:

“Door middel van branchering in het perifere winkelgebied beoogt de raad een mix van winkels in het centrum te behouden of te bevorderen die is afgestemd op de behoefte en het koopgedrag van de consument. Daarmee wordt beoogd een aantrekkelijk centrum te bevorderen, om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen. De raad heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het nastreven van deze doelen nodig is vanuit een oogpunt van bescherming van het stedelijk milieu, temeer wanneer − zoals in Appingedam− sprake is van een verhoudingsgewijs hoog leegstandspercentage aan winkelruimte in het stadscentrum. Gelet hierop heeft de raad zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat het behoud van de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied, noodzakelijk zijn voor de bescherming van het stedelijk milieu en een dwingende reden van algemeen belang vormen die branchering in het perifere winkelgebied rechtvaardigt.”

In de uitspraken die hierop volgen wordt steeds op deze twee stukken teruggegrepen. Op basis hiervan en van de jurisprudentie die hierop is gevolgd geldt dat maatregelen worden opgelegd ten behoeve van het beschermen van het stedelijk milieu. Het beschermen van het stedelijk milieu kan worden geoperationaliseerd naar de volgende doelen:

behoud van dynamiek en oorspronkelijke karakter;het bevorderen van een aantrekkelijk centrum;het behouden van de leefbaarheid van het stadscentrum;behoud van een goede functiemix in stadscentra (en reguliere andere winkelcentra);behoud van voldoende aantrekkingskracht van bezoekers aan stadscentra en reguliere centra;het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied;het beïnvloeden van de hoeveelheid en doorstroming van het verkeer binnen en buiten de stad om onaanvaardbare ruimtelijke effecten van verkeer en parkeren op het stedelijk milieu en de leefbaarheid en veiligheid te voorkomen.

3.2 Provinciale doelen

Zoals is weergegeven in de toelichting van Artikel 3.20 komen de beleidsdoelen van de provincie Drenthe goed overeen met de inmiddels geaccepteerde ‘dwingende redenen van algemeen belang’ in het kader van de Noodzakelijkheidseis van de Dienstenrichtlijn. Samenvattend zijn deze doelen als volgt.

Het creëren van aantrekkelijke en vitale centrumgebieden van steden en dorpen, omdat deze belangrijk zijn voor de leefbaarheid van kernen en omdat deze een sociaal maatschappelijke functie hebben als belangrijk zijn als ontmoetingsplaats.Het voorkomen van een verdere toename van de leegstand in bestaande centrumgebieden.Het zorgen voor een concentratie van winkelvoorzieningen, waardoor combinatiebezoek wordt gestimuleerd en gefaciliteerd, dat het economisch functioneren van bedrijven ondersteund en resulteert in gemak, efficiëntie en minder mobiliteit (o.a. autobewegingen) voor de consument.Het streven naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en zorgvuldig ruimtegebruik.Het zorgen voor een vitaal platteland, waar recreatie een belangrijk element is en waar meerdere verdienmodellen mogelijk moeten zijn voor agrariërs.

In verband met deze doelen worden beperkingen opgelegd voor de vestigingsmogelijkheden van branches en soorten winkels die belangrijk zijn voor het functioneren van centrumgebieden c.q. belangrijk zijn voor een vitaal platteland. In feite wordt een goede regionale detailhandelsstructuur nagestreefd, waarbij wordt ingezet op de juiste functie op de juiste plek. Dit zijn allemaal doelen die passen binnen beschreven uitwerkingen van de dwingende reden van algemeen belang ten aanzien van het beschermen van het stedelijk milieu van de kernen c.q. het functioneren van centrumgebieden en het voorkomen van leegstand.

Hiermee wordt in de Omgevingsvisie en -verordening Drenthe derhalve voldaan aan noodzakelijkheidseis.

4 Evenredigheid

4.1 Inleiding

Het derde aspect van de toetsing aan de Dienstenrichtlijn betreft de evenredigheid. De eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.

Op basis van de actuele jurisprudentie kan dit vertaald worden naar de volgende vragen:

Handelt de provincie coherent en systematisch om het nagestreefde doel te bereiken? De zogenoemde hypocrisietest.Draagt het brede pakket aan maatregelen zinvol bij om de nagestreefde algemene doelen te bereiken?Gaan de maatregelen niet verder dan nodig om het nagestreefde doel te bereiken en zijn er (aantoonbaar) geen andere, minder beperkende maatregelen mogelijk?

Navolgend worden deze deelaspecten binnen de evenredigheidseis separaat doorgelopen. Waar nodig wordt verwezen naar de bijlage voor aanvullende specifieke analyses op basis van specifieke gegevens.

4.2 Coherent en systematisch

De vraag of het pakket maatregelen die in de omgevingsverordening zijn opgenomen coherent en systematisch wordt toegepast valt uit een in twee delen.

Is het beleid en de uitwerking in de verordening in overeenstemming met het algemene beleid in Nederland en zijn de aanpassingen die zijn gemaakt coherent en systematisch?Is het pakket maatregelen uit de Omgevingsverordening coherent en systematisch, dat wil zeggen worden er geen onlogische uitzonderingen gemaakt in de maatregelen of de toepassing?

De maatregelen in relatie tot het (voormalig) Rijksbeleid

Detailhandel buiten de reguliere tot de hoofdstructuur behorende winkelgebieden (binnenstad, stadsdeelcentrum en buurt- en wijkcentra) is in Nederland altijd een onderwerp geweest waar beleidsmakers zeer zorgvuldig mee om gaan, om negatieve effecten op de reguliere centra te voorkomen.

De eerste mogelijkheden ontstonden in de jaren ’70 en ’80 na de invoering van het voormalige PDV-beleid (Perifere Detailhandels Vestiging) van het Rijk. Dit beleid zorgde ervoor dat winkels die vanwege aard en omvang van de gevoerde artikelen (volumineus) zich mochten vestigen buiten de bestaande winkelcentra (bouwmarkten, tuincentra, woninginrichting en winkels in auto’s, boten en caravans).

In de jaren ’90 is daaraan het GDV-beleid (Grootschalige Detailshandels Vestigingen) toegevoegd, wat het mogelijk maakte grootschalige winkels zonder brancheringsbeperking groter dan 1.500 m² te realiseren op enkele stedelijke knooppunten in Nederland.

Later is het PDV/GDV-beleid opgeheven en is het ruimtelijke ordeningsbeleid gedecentraliseerd. Dit betekent dat provincies en gemeenten meer vrijheid kregen om zelf keuzes te maken, waarbij bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen nog wel de ladder voor duurzame verstedelijking verplicht is (aantonen van behoefte en ruimtelijk-functionele effecten).

De maatregelen in het provinciaal beleid bouwen voort op het voormalige Rijksbeleid

Al sinds het bestaan van het voormalige Rijksbeleid (PDV- en GDV-beleid) stuurt de provincie op concentratie van detailhandel binnen centra en worden beperkingen opgelegd voor detailhandel buiten de centra (binnen bestaand stedelijk gebied en het landelijk gebied).

De beleidslijn die Drenthe heeft vastgelegd in de Omgevingsvisie en in de uitwerking daarvan in de Omgevingsverordening is duidelijk en komt in Nederland relatief veel voor.

In principe moet detailhandel geconcentreerd zijn in bestaande centrumgebieden.Solitaire en verspreide vestigingen zijn beleidsmatig niet geheel uitgesloten en onder voorwaarden mogelijk.Het provinciaal beleid biedt ruimte voor specifieke vormen van detailhandel buiten centra, voor wat betreft branches en soorten winkels die niet essentieel zijn voor het functioneren van centrumgebieden (bestaande centrumgebieden) en/of voor winkels met een beperkte omvang die een vitaal platteland of het functioneren van trafficlocaties of toeristische voorzieningen ondersteunen.

De maatregelen zijn daarom coherent en systematisch ten aanzien van het algemene beleid in Nederland en bouwen coherent en systematisch voort op de beleidslijn uit het verleden. Dit wordt sinds het loslaten van het Rijksbeleid coherent en systematisch door de provincie uitgevoerd.

De opbouw van het pakket maatregelen

De maatregelen zijn gericht op het concentreren van detailhandel in bestaande centrumgebieden én op het sturen van de vestigingsmogelijkheden zodat de juiste functie op de juiste plek landt.

Ten aanzien van de vestiging binnen bestaand stedelijk gebied, maar buiten bestaande centrumgebieden worden de volgende uitzonderingen toegestaan:

Detailhandel gericht op dagelijkse behoeften in de vorm van supermarkten in kleine kernen, waar doorgaans slechts 1 supermarkt gevestigd is, waar niet echt sprake is van een concentratie van winkels in een centrumgebied én waar de supermarkt ruimtelijk niet goed inpasbaar is in dit centrumgebied. Dit teneinde de verzorging in dagelijkse behoeften (boodschappen) zo dicht mogelijk bij de consument mogelijk te maken. Dit sluit eveneens aan op het voormalige Rijksbeleid, met als uitgangspunt een fijnmazige en hiërarchische detailhandelsstructuur ten gunste van de eerste levensbehoefte en de leefbaarheid. Hiermee wordt ook de kans op duurzame ontwrichting voorkomen.Detailhandel gericht op niet-dagelijkse behoeften én in branches die niet essentieel zijn voor het functioneren van centrumgebieden, wanneer deze vanwege aard en omvang niet passen binnen de bestaande centrumgebieden (ínpassingscriterium). Deze beperkte mogelijkheden sluiten aan bij het voormalige Rijksbeleid wat sinds die tijd door de provincie coherent wordt uitgevoerd.Detailhandel in de dagelijkse en modische sector worden uitgesloten, omdat deze essentieel zijn voor het functioneren van de centrumgebieden (zie analyses hierna). Dit sluit ook aan op het gedachtegoed van het voormalige PDV- en GDV-beleid van het Rijk en de eerdere beleidslijn van de provincie Drenthe.Detailhandel met een beperkte omvang die gericht is op het ondersteunen van toeristische voorzieningen of specifieke trafficlocaties en kleinschalige detailhandel aan huis. Dit zijn vormen van detailhandel die geen invloed hebben op het functioneren van centrumgebieden.

Ten aanzien van de vestiging buiten stedelijk gebied (in het landelijk gebied) worden de volgende uitzonderingen toegestaan:

Detailhandel die niet essentieel is voor het functioneren van de bestaande winkelgebieden (dus niet zijnde in de branchegroepen dagelijks en mode & luxe), waarvan aantoonbaar is dat deze naar aard en omvang van de winkel niet inpasbaar is in stedelijk gebied. Deze beperkte mogelijkheden sluiten aan bij het voormalige Rijksbeleid wat sinds die tijd door de provincie coherent wordt uitgevoerd.Detailhandel in de dagelijkse en modische sector worden uitgesloten, omdat deze essentieel zijn voor het functioneren van de centrumgebieden (zie analyses hierna). Dit sluit ook aan op het gedachtegoed van het voormalige PDV- en GDV-beleid van het Rijk en de eerdere beleidslijn van de provincie Drenthe.Detailhandel met een beperkte omvang die gericht is op het ondersteunen van toeristische voorzieningen of specifieke trafficlocaties en kleinschalige detailhandel waarbij de aard van de verkochte goederen in verband staat met de hoofdactiviteit van dat (veelal agrarisch) bedrijf. Dit zijn vormen van detailhandel die geen invloed hebben op het functioneren van centrumgebieden en die de leefbaarheid en vitaliteit van het landelijke gebied ondersteunen.

Gelet op de nagestreefde doelen is dit pakket aan maatregelen voor het beperken van de vestigingsmogelijkheden buiten de bestaande centrumgebieden coherent en systematisch.

Conclusie

Sinds het bestaan van het provinciale detailhandelsbeleid zijn de hoofdlijnen van het beleid niet gewijzigd. Detailhandel dient geconcentreerd te worden in bestaande centrumgebieden, waarbij voor detailhandel die niet essentieel voor het functioneren van bestaande centrumgebieden en die qua aard en omvang niet inpasbaar is in bestaande centrumgebieden onder voorwaarden maatwerk mogelijk is. Het beleid van de provincie Drenthe en meer specifiek de beperkingen hierin, worden coherent en systematisch uitgevoerd.

De maatregelen uit de Omgevingsverordening Drenthe zijn derhalve coherent en systematisch en doorstaan de hypocrisietest.

4.3 Geschiktheid

Bij het beantwoorden van de vraag of het brede pakket aan maatregelen een zinvolle bijdrage levert om de nagestreefde algemene doelen te bereiken zijn op basis van de recente jurisprudentie de volgende aspecten van belang:

Het is vaste rechtspraak van het Europese Hof dat een maatregel al voor de evenredigheidstoets slaagt indien hij kan bijdragen aan de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling. De maatregel hoeft niet noodzakelijkerwijs zelfstandig deze doelstelling te verwezenlijken. (De Afdeling verwijst naar het arrest van het Hof van 13 juni 2018, Deutscher Naturschutzring, ECLI:EU:C:2018:433, punt 49). https://www.navigator.nl/document/id69612afcfcb645f5af618cfd67557c35?anchor=id-314abb86-31ad-494a-85c8-58aad5491065In de uitspraak Decathlon Schiedam/Den Haag (ECLI:NL: RVS:2019:965) https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:965 wordt dit door de Raad van State nader uitgewerkt. Men stelt dat niet voor elke specifieke beperking die uit de regeling volgt aannemelijk te maken is dat deze er op zichzelf toe leidt dat de nagestreefde doelen worden bereikt en dat het achterwege laten daarvan er op zichzelf toe leidt dat de nagestreefde doelen niet worden bereikt. Aannemelijk moet worden dat de specifieke beperking een zinvolle bijdrage levert aan het bereiken van de met de regeling nagestreefde doelen.

Bij het aannemelijk maken van deze bijdrage kan in twee stappen worden gewerkt (zie uitspraak Appingedam ECLI:NL:RVS:2019:2569): https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:2569

Stap 1: kan in het algemeen, op basis van de resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van ruimtelijk detailhandelsbeleid op landelijk, provinciaal of lokaal niveau, of gegevens ontleend aan koopstromenonderzoek aannemelijk worden gemaakt dat de maatregelen in het algemeen effectief zijn c.q. een zinvolle bijdrage levert aan het behalen van de doelen.Stap 2: Kan aannemelijk worden gemaakt dat dat de situatie in Drenthe niet zo bijzonder of afwijkend is dat die toepasbaarheid in het algemeen zich niet voordoet c.q. dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing zou zijn.

Stap 1: Leveren de maatregelen in het algemeen een zinvolle bijdrage aan het bereiken van de doelen

Algemeen Nederland en buitenland

De maatregelen betreffen het beperken van de vestigingsmogelijkheden buiten de bestaande centrumgebieden voor detailhandel in vooral de branches die essentieel zijn voor het functioneren van de centrumgebieden (dagelijkse en mode & luxe artikelen).In algemene zin kan gesteld worden dat de vestigingsbeperkingen die het Nederlandse detailhandelsbeleid kenmerken (met name voor dagelijkse goederen en mode & luxe artikelen), hebben bijgedragen aan een fijnmazige en relatief goed functionerende detail-handelsstructuur met vitale, aantrekkelijke en leefbare centra. Complete centra zijn aantrekkelijker voor de consument, kennen meer bezoekers, een hogere koopkrachtbinding een grotere koopkrachttoevloeiing, een lagere leegstand en een beperkter leegstandsrisico dan centra met een suboptimaal branche-aanbod. Andersom gesteld: centrumgebieden die concurrentie ondervinden van locaties buiten de centrumgebieden, kampen vaker met lagere bezoekersaantallen, een lagere binding, een kleinere toevloeiing en hogere leegstand(srisico’s).Een vergelijking van de Nederlandse detailhandelsstructuur met die van België – waar de beleidsvoering meer ruimte liet en pas recent een kentering gaande is – kan dat illustreren (zie ook de nadere onderbouwing in hoofdstuk 6). Zo is het aandeel centrumbranches dat buiten de centrumgebieden is gevestigd, in Nederland substantieel lager dan in België.

afbeelding binnen de regeling

Uit onderzoek van Locatus naar winkelleegstand in Nederland en België blijkt dat de leegstand in België hoger is en zich, sterker dan in Nederland, manifesteert in de centrumgebieden.

afbeelding binnen de regeling

Deze redenering wordt min of meer gedeeld door de Advocaat-Generaal van het Europese hof in zijn conclusie in de zaak Appingedam (148).

“Winkelcentra buiten de binnenstad hebben een zichzelf versterkend effect. Wanneer bepaalde winkels zich eenmaal buiten de stadskern bevinden en de inwoners daar met de auto heen gaan, wordt die locatie ook aantrekkelijker voor andere winkels die tot dusverre in de binnenstad waren gevestigd. De enige manier om de negatieve gevolgen van een verkeerstoename en een lege binnenstad te vermijden is dus om de mogelijkheden voor dienstverrichters om zich buiten de binnenstad te vestigen, te beperken.”

In de onderbouwing voor de vestigingsbeperking op het meubelplein in Appingedam (ECLI:NL:RVS:2019:2569) https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:2569 wordt met data onderbouwd dat de kwaliteit van een centrumgebied samenhangt met de omvang en het aandeel centrumbranches. Wanneer dit af neemt – door de mogelijkheden om zich ook buiten het centrum te vestigen- neemt het aantal passanten af, is de gemiddelde huurprijs lager, zijn de omzetten gemiddeld lager en neemt de kans op leegstand toe.

Ook in de uitspraak Decathlon Schiedam/Den Haag ECLI:NL:RVS:2019:965) https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2019:965 wordt door de Raad van State aangegeven dat, op basis van het aangeleverde onderzoek in deze zaak, brancheringmaatregelen uit de verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland, die een vergelijkbare werking hebben voor de mogelijkheden voor vestiging buiten de bestaande centrumgebieden als de brancheringmaatregelen in de Omgevingsverordening Drenthe, effectief zijn.

Algemeen provincie Drenthe

De voorgaande (inmiddels) algemeen geaccepteerde conclusies gelden ook voor de provincie Drenthe. Op basis van het recent uitgevoerde koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 is voor de gemeenten in Drenthe onderzocht hoe gemeenten en centra zich de afgelopen jaren hebben ontwikkeld. Als we inzoomen op de HEMA-steden (Hoogeveen, Emmen, Meppel, Assen) en RoBeCo-steden (Roden, Beilen, Coevorden) kan worden geconcludeerd dat ook in Drenthe het belang van maatregelen voor detailhandelsvestigingen buiten centra belangrijk is.

Binnen het gehele onderzoeksgebied van het koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 (waarbinnen ook Drenthe valt) is het marktaandeel van de hoofdcentra van kernen sinds 2015 toegenomen van gemiddeld 0,51% naar gemiddeld 0,68% per centrum in de niet-dagelijkse sector.Tegelijkertijd is in diezelfde periode het marktaandeel van grootschalige concentraties, zoals perifere woonboulevards en retailparken afgenomen van 0,75% gemiddeld per locatie in 2015 naar 0,61% gemiddeld per locatie in 2019 in de niet-dagelijkse sector.Het marktaandeel van een winkelgebied staat gelijk aan het totaal aantal bestedingen dat dit winkelgebied (of winkelgebiedstype) aantrekt ten opzichte van de totale bestedingen in Oost-Nederland. Het bovenstaande toont aan dat de hoofdcentra (waar beleidsmatig op wordt ingezet) aan marktaandeel hebben gewonnen, terwijl de perifere winkelconcentratie in marktaandeel hebben ingeleverd. Dit is een indicatie van de effectiviteit van het provinciaal beleid en de provinciale verordening, wat is doorgevoerd in gemeentelijk beleid en bestemmingsplannen. In bijlage 1 is dit voor enkele centra nader uitgewerkt.Opgemerkt moet worden dat in de hoofdcentra in Drenthe in tegenstelling tot andere centra in Oost-Nederland (Overijssel en delen van Gelderland) ook sprake is van een sterke afname van het marktaandeel in centra, namelijk van gemiddeld 0,89% in 2015 naar 0,85% in 2019 voor dagelijkse artikelen en 1,90% in 2015 en 1,58% in 2019 voor niet-dagelijkse artikelen. Tegelijkertijd neemt ook het marktaandeel in de perifere concentraties af van 0,35% in 2015 naar 0,31% in 2019 voor niet-dagelijkse artikelen.Het feit dat de marktaandelen van alle type centrumgebieden in Drenthe afnemen betekent niet dat het provinciaal beleid niet effectief is. Zoals in tabel 1 is aangetoond heeft Drenthe te maken met een aantal trends die zich sterker negatief manifesteren dan elders in Nederland, denk aan de sterkere bevolkingskrimp. De cijfers onderstrepen het belang van het opleggen van beperkingen voor plancapaciteit voor detailhandel buiten centra ten gunste van de algemene doelen.Verder blijkt dat er een verband bestaat tussen het leegstandspercentage (Locatus) in centra en de beoordeling van deze centra. Indien het leegstandspercentage laag is, scoren centra in de beoordeling beter met een hoger rapportcijfers (KSO Oost-Nederland).

Stap 2: Is de situatie in Drenthe niet bijzonder of afwijkend t.o.v. landelijk gemiddelde dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing is?

Op basis van de uitspraken Schijndel en Maastricht wordt duidelijk welke indicatoren bruikbaar zijn om de situatie in Drenthe te vergelijken met die in Nederland om te bepalen of de situatie in Drenthe niet zodanig bijzonder of afwijkend t.o.v. landelijk gemiddelde dat de dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing zou zijn. Het betreft onder andere:

demografische structuur/bevolkingsprognose;kenmerken van het winkelaanbod;leegstand;kenmerken van de verzorgingsstructuur.

In tabel 1 worden de provincie Drenthe en Nederland vergeleken op deze indicatoren.

In Drenthe is sprake van een beperkte bevolkingskrimp, terwijl er in Nederland sprake is van bevolkingsgroei. De krimp betekent extra druk op het bestedingspotentieel en daarmee het economisch draagvlak voor detailhandelsvoorzieningen. Dit onderstreept daarmee het belang van het opleggen van maatregelen ten gunste van de leefbaarheid en vitaliteit van de reguliere centra.Het dagelijks en niet-dagelijks winkelaanbod in m² wvo per 1.000 inwoners ligt in Drenthe boven het landelijk gemiddelde, wat mede wordt verklaard door de aanwezigheid van toerisme. Anderzijds is het een mogelijke indicatie van overaanbod van detailhandel. Ook dit onderstreept het belang van het opleggen van maatregelen.In Drenthe is ten opzichte van Nederland minder dagelijks winkelaanbod in de periferie aanwezig. Hieruit blijkt het effect van de maatregelen om dagelijkse artikelen primair in de centra te faciliteren. Het niet-dagelijkse aanbod in de periferie ligt in Drenthe iets boven-gemiddeld, maar dat is waarschijnlijk een groot aandeel volumineuze artikelen waarvoor uitzonderingen gelden. Er zijn in Drenthe ook iets meer grootschalige concentratiegebieden. Daarnaast is Drenthe minder stedelijk dan andere delen van Nederland, waardoor detailhandel vanwege het inpassingscriterium van oudsher een plek heeft buiten de centra.Het leegstandspercentage (leegstand afgezet tegen het publieksgerichte aanbod) ligt in Drenthe rond het landelijk gemiddelde. Het leegstandspercentage van het aantal wvo is echter iets lager in Drenthe, wat mogelijk een indicatie is van de effectiviteit van de maatregelen. Ook op basis van andere parameters, zoals het afnemende marktaandeel en bevolkingskrimp zou je in Drenthe een hogere leegstand verwachten. Naast de maatregelen (juridisch) zet de provincie ook sterk in op transformatie naar niet-winkelfuncties via subsidies.De detailhandelsstructuur en –hiërarchie in Drenthe is vergelijkbaar met het landelijk gemiddelde. Er is in met name de grotere steden sprake van fijnmazigheid van type winkelgebieden, met hoofdcentra, buurt- en wijkcentra en grootschalige concentraties. Wel heeft Drenthe gemiddeld meer hoofdcentra dan landelijk. Dit zijn de hoofdcentra of binnensteden in de steden en dorpen. Een verklaring hiervoor is het feit dat in Drenthe relatief veel dorpen en kleine steden aanwezig zijn, met ieder (van oudsher) een centrumgebied.Per saldo kan gesteld worden dat de situatie Drenthe niet zodanig substantieel af wijkt van de Nederlandse situatie dat trends en ontwikkelingen die op Nederland van toepassing zijn niet ook in Drenthe gelden. En dus dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing zou zijn.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

4.4 Maatregelen gaan niet verder dan nodig

Algemeen

Om de doelen van het provinciaal detailhandelsbeleid te bereiken wordt ingezet op het vitaal houden van de bestaande centrumgebieden en detailhandelsstructuur, op het ondersteunen van de vitaliteit van het landelijk gebied en op het voorkomen van onaanvaardbare effecten. Dit gebeurt door het enerzijds versterken van deze structuur via ‘zachte’ maatregelen en anderzijds door juridische borging om te voorkomen dat onaanvaardbare vestiging of uitbreiding van detailhandel op ongewenste locaties kan plaatsvinden. Het opleggen van vestigingsbeperkingen voor specifieke branches buiten de bestaande centrumgebieden is hiervoor de gebruikelijke aanpak.

Het bestemmingsplan is op gemeenteniveau het enige instrument dat effectief stuurt op gebruik van gronden. Voor de provincie is gekoppeld hieraan de Omgevingsverordening het meest passend om de geformuleerde algemene doelen (uit de Omgevingsvisie) te bereiken. De verordening is voor de provincie het enige instrument waarmee bindend kan worden afgedwongen dat gemeenten de beleidslijn van de provincie volgen, waarbij Drenthe kiest voor voldoende flexibiliteit om nadere keuzes te maken op gemeenteniveau.

Wat betreft de ‘zachte’ maatregelen stimuleert Drenthe vanuit verschillende provinciale fondsen de gemeenten om het beleid tot uitvoering te brengen. Denk hierbij aan subsidies om de leegstand in centra terug te dringen en transformatie en herstructurering te stimuleren.

De combinatie van harde en zachte maatregelen zorgen tezamen voor de gewenste hoofdstructuur. Indien uitsluitend wordt ingezet op ‘zachte’ niet-bindende maatregelen, kan niet worden voorkomen dat er alsnog onaanvaardbare ontwikkelingen in de periferie plaatsvinden. Het risico bestaat dat veel energie, geld en tijd wordt gestoken in acties en maatregelen om de structuur te versterken, terwijl winkels vanwege prijsvoordelen, betere bereikbaarheidssituaties en fysiek-ruimtelijke mogelijkheden zich op ongewenste c.q. structuur verstorende locaties vestigen (bedrijventerrein). Hierdoor kan het evenwicht in de hoofdwinkelstructuur uit balans worden gebracht, met onaanvaardbare effecten als gevolg.

Ook uit jurisprudentie (o.a. Schijndel 201600624 /2/R3) https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RVS:2020:972 komt naar voren dat men zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat alternatieven zoals verruiming van planologische mogelijkheden in het centrum, city-management, transformatie naar woningen, investeringen in het openbaar gebied en de infrastructuur, het vaststellen van een leegstandsverordening of het invoeren van leegstandsbelasting of leegstandsboetes, niet toereikend zijn voor het bereiken van de met brancheringsmaatregelen beoogde doelen.

De Raad van State geeft aan dat men daarom redelijkerwijs kan concluderen dat regelingen met betrekking tot het beperken van vestigingsmogelijkheden voor detailhandel buiten de aangewezen bestaande centrumgebieden niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

afbeelding binnen de regeling

Conclusie

Op basis van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de maatregelen uit de verordening niet verder gaan dan nodig, omdat uitsluitend op hoofdlijnen wordt gestuurd. Bovendien biedt de Omgevingsverordening voldoende ruimte voor lokaal maatwerk.Er zijn geen andere minder beperkende maatregelen denkbaar die hetzelfde doel bereiken.

5 Conclusie

Met de hoofddoelen uit de provinciale Omgevingsvisie en de uitwerking hiervan doelen en maatregelen in de Omgevingsverordening handelt de provincie Drenthe coherent en systematisch en in relatie tot het landelijke beleid. De provincie Drenthe voert de hoofdlijnen van het huidige beleid al uit sinds het bestaan van provinciaal (decentraal) detailhandelsbeleid. Het pakket maatregelen is coherent en wordt coherent en systematisch uitgevoerd.

De maatregelen in de provinciale Omgevingsverordening zijn aantoonbaar geschikt om de algemene doelen te bereiken. De maatregelen zijn op hoofdlijnen vergelijkbaar met de maatregelen die elders in Nederland effectief zijn gebleken en onderbouwd. De situatie in Drenthe is daarnaast aantoonbaar is niet zo bijzonder of afwijkend dat de algemene werking van maatregelen niet ook hier van toepassing zou zijn.

Bovendien blijkt uit specifieke koopstromen, aanbod en leegstandcijfers dat het provinciaalbeleid effectief is om de algemene doelen te bereiken.

Maatregelen gaan niet verder dan nodig en er zijn bovendien geen andere minder beperkende maatregelen geschikt die hetzelfde doel bereiken.

Op basis van het voorgaande moet geconcludeerd worden dat de provinciale Omgevingsvisie en –verordening voldoet aan de evenredigheidseis van de Dienstenrichtlijn.

6 Algemene analyses effectiviteit brancherings- en maatvoeringsbeperkingen

6.1 Buitenlandse effecten van detailhandelsbeleid

België voert in tegenstelling tot Nederland veel minder streng detailhandelsbeleid ten aanzien van vestiging buiten de centra en branchebeperkingen. Goede voorbeelden zijn de ‘baanwinkels’ en shoppingcenters net buiten de binnensteden (vaak aan ringwegen). Het soepele detailhandelsbeleid van Belgische overheden heeft ertoe geleid dat de leegstand in de binnensteden/centra (veel) hoger is dan in Nederland en bovendien al jaren sterk toeneemt. Op basis van Locatus (2017), blijkt deze leegstand ook vooral hardnekkig te zijn in de hoofdwinkelgebieden en de kernverzorgende centra met 17% en 16%. Dit betekent dat ongeveer 1 op de 6 winkelpanden in deze centra leegstaat. De leegstand in Belgische hoofdcentra ligt daardoor veel hoger dan het landelijk Nederlandse gemiddelde (7% à 8% in Nederland). In de grootschalige concentraties en solitaire winkelpanden in België is de leegstand ‘slechts’ rond de 6% à 7%.

Inmiddels is in België de urgentie van branchebeperking doorgedrongen, aangezien de effecten van de leegstand onaanvaardbaar zijn voor de leefbaarheid en aantrekkelijkheid van de centra. Navolgend zijn enkele passages ter onderbouwing van het bovenstaande uiteengezet:

“Uit de ruimtelijke spreiding van de winkels blijkt dat het Vlaams Gewest gekenmerkt wordt door een sterke verspreide bewinkeling. Slechts 28 % van de totale winkeloppervlakte is gesitueerd in het centrale winkelgebied. 44 % is verspreide bewinkeling. [...] Zo nam het aanbod in de periferie toe met 1,5 miljoen vierkante meter, in tegenstelling tot een afname van maar liefst 114.000 vierkante meter in de kernen. Daarbij komt nog dat het effectieve gebruik van de panden daalde met 6,8 procent en dat de winkelleegstand steeg van 4,9 tot 7,2 procent.” (Unizo 2014)."De toenemende leegstand in onze centra is vooral het gevolg van steeds meer shoppingcenters en baanwinkels buiten de kern en te weinig investeringen in de aantrekkelijkheid van de kern zelf. Als dit zo blijft voortduren, dan tekenen we voor de ondergang van onze gezellige winkelkernen in het hart van een stad of gemeente. Voorbeelden van dergelijke steden zijn er jammer genoeg meer en meer.” (Unizo 2015).“In theorie is het een prioriteit voor alle overheden in ons land. In de praktijk blijven de 'baanwinkels' en shoppingcentra buiten de steden terrein winnen.” (Knack 2017).

Net als in België wordt een vergelijkbare urgentie uitgesproken over de situatie in Frankrijk:

“Afgelopen januari luidde de Franse detailhandelsfederatie Procos, die 260 bekende Franse winkelmerken verenigt, de noodklok: opnieuw was de leegstand verder opgelopen. Stond in 2001 nog 6,3 procent van de winkels in de Franse binnensteden leeg, in 2014 was dat 8,5 procent. Dat komt niet zozeer door failliete ketens, zoals in Nederland, maar door kleine middenstanders die uit de markt geprijsd worden door internethandel en de steeds grotere centre commerciaux aan de rand van de stad.” (NRC 2016).“Zo zit Frankrijk met de hypermarchés in zijn maag, die vanuit het stadscentrum naar de rand van de stad zijn verhuisd en die de binnensteden hebben leeggetrokken.” (Retailtrends 2018)".

Het bovenstaande toont aan op basis van ‘specifieke gegevens’ dat het loslaten van brancheringsbeperkingen wel degelijk zal leiden tot onaanvaardbare leegstandseffecten in binnensteden/centra. Uit leegstandcijfers in onder andere België en Frankrijk blijkt dit.

6.2 Effectiviteit beleid: marktaandelen winkelgebieden

In de navolgende tabellen is de ontwikkeling van de marktaandelen van de belangrijkste winkelgebieden in Drenthe naar type op basis van Koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 (I&O Research) weergegeven. Hierin is een vergelijking gemaakt tussen 2015 en 2019.

Het winkelaanbod in hoofdcentra van steden in Drenthe staan onder druk als gevolg van afnemende bestedingen. Dit blijkt uit het afgenomen marktaandeel sinds 2015 van de grootste binnensteden in Drenthe. Dit wordt voor een deel verklaard door de toename van internetaankopen. In sommige steden wordt dit ook deels verklaard door de toenemende bestedingen op grootschalige locaties, zoals in Assen.Indien de provincie het concentratiebeleid voor winkels in de hoofdcentra zou loslaten, zou het effect op het marktaandeel aanzienlijk groter zijn, wat negatief is voor het functioneren van het aanbod in de hoofdcentra.De buurt- en wijkcentra in Drenthe hebben het marktaandeel sinds 2015 over het algemeen weten te behouden. Dit betekent dat de bestedingen in verhouding tot andere winkelgebieden stabiel is gebleven, ondanks het feit dat de bestedingen via online zijn toegenomen. Het beleidsmatig inzetten op concentratie in buurt- en wijkcentra heeft er de afgelopen jaren toe geleid dat het marktaandeel niet verder is afgenomen. Dit is een indicatie dat het beleid op dit onderdeel effectief is.De ontwikkeling van het marktaandeel van grootschalige concentraties in Drenthe wisselt sterk per winkelgebied. Met name in gemeenten waar relatief veel aanbod in de periferie aanwezig is en een brede branchering bestaat in de vorm van een retailpark, blijft het marktaandeel op peil of neemt deze toe. Indien het toeneemt, gaat dit veelal wel ten koste van het marktaandeel van het centrum. Ook hieruit blijkt de effectiviteit van beleid.

afbeelding binnen de regeling

Tabel 2: Marktaandeel dagelijkse en niet-dagelijkse sector hoofdcentra Drenthe

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Tabel 3: Marktaandeel dagelijkse en niet-dagelijkse sector buurt- en wijkcentra Drenthe

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Tabel 4: Marktaandeel dagelijkse en niet-dagelijkse sector grootschalige concentraties Drenthe

Effectiviteit beleid: ontwikkeling aanbod en leegstand

Op basis van de leegstandsanalyse in de verschillende winkelgebiedstypen in Drenthe moet het volgende worden geconcludeerd:

De leegstand is sinds 2010 in de centrale winkelgebieden en ondersteunende winkelgebieden toegenomen van 292 panden met 47.555 m² wvo in 2010 tot 441 panden met 78.792 m² wvo in 2021. De provinciale doelen richten zich primair op het versterken van deze type winkelgebieden. De toename van de leegstand in deze winkelgebieden zegt niet zozeer iets over de effectiviteit van het beleid, maar meer over het belang van duidelijke maatregelen.Opgemerkt moet worden dat landelijk ook sprake is van een toename van de leegstand in de reguliere centra sinds 2010. In Nederland is landelijk sprake van een toename van de leegstandsomvang in m² wvo van bijna 40% sinds 2010. In Drenthe ligt deze toename op circa 65%. Dit betekent dat de leegstandsproblematiek in Drenthe bovengemiddeld groot is, wat maatrelen onderstreept. Wel is in Drenthe sinds 2016 een afname van de leegstand zichtbaar.Het dagelijks winkelaanbod is in de centra van Drenthe relatief op peil gebleven of neemt zelfs toe, terwijl met name het niet-dagelijkse aanbod fors afnam (met name in de hoofdwinkelgebieden). Hoewel dit voor een deel wordt bepaald door autonome trends, heeft ook het beleid van de provincie Drenthe (en gemeenten) hier invloed op. Door te blijven inzetten op concentratie van dagelijkse voorzieningen in de reguliere centra, kan de leefbaarheid worden bewaard en kunnen ondernemers van elkaars aantrekkingskracht profiteren. Ook voor de consument is dit positief, omdat hierdoor gemak en efficiëntie ontstaat.

Conclusie

Op basis van de uitgevoerde analyses moet geconcludeerd worden dat de effectiviteit van maatregelen die Drenthe stelt in haar Omgevingsverordening in vergelijkbare mate geschikt zijn als landelijk is aangetoond.

Drenthe is op basis diverse relevante indicatoren niet bijzonder of afwijkend van het landelijk gemiddelde. Wel wijkt Drenthe op diverse parameters af die juist het belang van duidelijke maatregelen, ofwel beperkingen, onderstrepen. In Drenthe zijn landelijke trends zoals een afname van het (niet-dagelijkse) aanbod, bevolkingskrimp en een toename van de leegstand relatief sterk aanwezig en bovengemiddeld.Op basis van het Koopstromenonderzoek Oost-Nederland 2019 en aanbod- en vraagcijfers, blijkt dat brancherings- en maatvoeringsbeperkingen in Drenthe effectief zijn om de algemene doelen te bereiken.De omgevingsverordening is de basis voor het ‘brede pakket’ aan maatregelen dat in Drenthe gevoerd wordt. Gemeenten voeren dit uit via bestemmingsplannen, die beschouwd kunnen worden als de specifieke onderdelen uit het brede pakket. Met deze analyse is aangetoond dat het brede pakket effectief is en daarmee een zinvolle bijdrage levert aan de algemene doelen (noodzakelijkheid).

Op basis van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat de gestelde regels in de Omgevingsverordening ten aanzien van detailhandel in het kader van de Dienstenrichtlijn geschikt zijn.

RR

Na sectie 3.1 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.2 Kernkwaliteit Cultuurhistorie

Dit artikel ziet toe op de bescherming van de Kernkwaliteit Cultuurhistorie. Met de bescherming van de Kernkwaliteit Cultuurhistorie wordt de lijn die is ingezet in de beleidsvisie Cultuurhistorisch Kompas Drenthe van 2009 en geactualiseerd in 2024, en de omgevingsverordening van 2018 voortgezet. Het artikel is opgebouwd aan de hand van vier verschillende beschermingsniveaus (in acht nemen, rekening houden met, betrekken bij, zorgplicht) en 10 gebieden/gebiedsbeschrijvingen.  

Lid 1 verwijst naar de bijlage waarin de Kernkwaliteit Cultuurhistorie uiteen is gezet. Hierin staan relevante passages op basis waarvan het provinciaal belang Cultuurhistorie wordt getoetst bij planontwikkelingen. De passages zijn afkomstig van de in december 2024 vastgestelde geactualiseerde beleidsvisie Het Cultuurhistorisch Kompas Drenthe. 

Lid 2 geeft aan dat een omgevingsplan de aanwezige kernkwaliteiten en ambities ‘in acht neemt’. In deze gebieden is de cultuurhistorische samenhang zéér groot en bevinden zich elementen van hoge waarde. Binnen dit werkingsgebied wordt de cultuurhistorische samenhang ingezet als dé drager voor planontwikkelingen. Als provincie willen we de planontwikkelingen kunnen (bij)sturen zodat wordt voorgebouwd op de bestaande cultuurhistorische samenhang.  

Lid 3 geeft aan dat een omgevingsplan ‘rekening houdt’ met de aanwezige kernkwaliteiten en ambities. Dit sturingsniveau is toegewezen aan structuren en elementen waar de samenhang of stapeling van verschillende tijdslagen groot is. Binnen dit werkingsgebied wordt de cultuurhistorische samenhang ingezet als randvoorwaarde voor planontwikkelingen. Als provincie zetten wij in op/zijn we beschikbaar voor begeleiding van het planvormingsproces waarbij de kansen vanuit de cultuurhistorische samenhang uitgangspunt zijn.  

Lid 4 geeft aan dat een omgevingsplan de aanwezige kernkwaliteiten en ambities ‘betrekt bij’ een planontwikkeling. Bij planontwikkelingen ligt de inzet op het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om de cultuurhistorische samenhang als inspiratiebron te gebruiken.  

Lid 5 betreft een zorgplicht om in gebieden buiten de hoofdstructuur oog te hebben voor mogelijk cultuurhistorisch waardevolle elementen en structuren. Initiatiefnemer maakt aannemelijk dat de activiteit in overeenstemming is met het belang van het behoud van het cultuurlandschap en houdt rekening met cultuurhistorische waarden die mogelijk aanwezig zijn Omgevingsplannen bevatten daarom een uiteenzetting van de cultuurhistorische ontwikkeling, samenhang en karakteristieken van het plangebied en de wijze waarop de planontwikkeling daarmee al dan niet rekening houdt.

SS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.3 Kernkwaliteit Archeologie

Dit artikel ziet toe op de bescherming van de Kernkwaliteit Archeologie binnen de provincie Drenthe. Met de bescherming van de kernkwaliteit wordt de lijn als ingezet in de omgevingsverordening van 2018 voortgezet. Wel zijn er verduidelijkingen aangebracht om helderder te kunnen maken wat waar precies van de initiatiefnemer wordt verwacht. Dit is gedaan naar aanleiding van de gedachte in de Omgevingswet waarbij de burger met één druk op de knop moet kunnen achterhalen welke regel waar precies geldt. Een stelsel van verwijzingen naar diverse beleidsstukken verhoudt zich slecht met dit uitgangspunt. Hierdoor is het artikel weliswaar groter in omvang dan voorheen, maar wordt hiermee niet een beleidswijziging beoogd.

Het artikel is opgebouwd aan de hand van de verschillende archeologische waarden en verwachtingen en de drie verschillende beschermingszones die hiertoe in deze verordening zijn aangewezen. Dit volgt uit lid 1. In lid 2 worden vervolgens enkele normen gegeven die in alle beschermingszones gelden. Allereerst wordt hiertoe een generieke norm gegeven waaruit volgt dat een omgevingsplan te allen tijde rekening houdt met de aanwezige archeologische waarden. Deze norm kent doorwerking in alle aangewezen gebieden, maar wordt zo nodig aangevuld door specifiekere normen in de navolgende leden. Voorts geldt in alle aangewezen archeologische zones dat hier archeologisch onderzoek volgens de beroepsstandaarden moet worden verricht en dat regels ter bescherming van de aanwezige archeologische waarden worden opgenomen.

Lid 3 stelt enkele specifieke regels voor de archeologische waarden die zijn terug te vinden binnen het werkingsgebied Waarde Archeologie -1. In aanvulling op hetgeen wordt geregeld in lid 2, geldt op grond van sub a dat archeologische waarden in situ worden behouden. In situ houdt in dat de archeologische waarden in de grond zelf bewaard moeten blijven. Om te verzekeren dat archeologische waarden behouden blijven, bepaalt sub b daarnaast dat rekening moet worden gehouden met een buffer van 50 meter.

Lid 4 geeft een uitzondering op het derde lid voor erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog. De eis dat het erfgoed in situ wordt behouden, geldt niet onverkort voor monumenten uit deze periode. Wel is vereist dat het behoud ex situ niet ten koste gaat van de specifieke archeologische waarden. Dit aspect dient te worden gemotiveerd in het omgevingsplan. Tevens vindt hierover afstemming plaats met de ambtelijke diensten van de provincie. 

Lid 5

In lid 45 worden de archeologische waarden beschermd die vallen binnen het werkingsgebied Waarde-Archeologie-2. Aanwezige archeologische waarden moeten ook binnen Waarde Archeologie -2 in situ worden behouden. Wel is er een mogelijkheid de archeologische waarden op te graven (ex situ), indien er geen reële mogelijkheid is de waarden in de grond te behouden. Deze onmogelijkheid dient dan echter wel te worden aangetoond door middel van een daartoe strekkende onderbouwing. Ook wordt verwacht dat hierover vroegtijdig wordt afgestemd.

Lid 56

In lid 56 worden enkele vrijstellingen gegeven met betrekking tot de in lid 2 omschreven onderzoeksplicht. Voor Waarde Archeologie-2 wordt in sub a geregeld dat dit onderzoek achterwege kan blijven voor zover een omgevingsplan niet voorziet in grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 50 m² en een diepte van meer dan 10 centimeter. Voor Waarde Archeologie-3 is de generieke vrijstelling vastgelegd op een oppervlakte van maximaal 1000 m² en een diepte van 30 centimeter, zijnde de gemiddelde dikte van de bouwvoor in Drenthe.. Op dit uitgangspunt zijn drie uitzonderingen. De eerste uitzondering doet zich voor wanneer ter plaatse geen bouwvoor aanwezig is. Dit is het geval in natuurgebieden die niet eerder in agrarisch gebruik zijn geweest. Of een bouwvoor aanwezig is kan - zo nodig - worden bepaald aan de hand van een verkennend booronderzoek maar is in de regel goed bekend bij de betreffende terrein beherende organisatie. Wanneer geen bouwvoor aanwezig is, kan geen aanspraak worden gemaakt op de onderzoeksvrijstelling van 30 cm.

De tweede uitzondering betreft de archeologie in agrarische gebieden. De provincie Drenthe, de Drentse gemeenten en LTO Noord afdeling Drenthe hebben in 2011 een Convenant gesloten dat betrekking heeft op het effectief beschermen van het archeologisch bodemarchief. Partijen zijn overeengekomen dat een aantal grondbewerkingen, ondanks dat ze dieper gaan dan 30 cm, niet of nauwelijks van invloed zijn op de instandhouding van het eventueel aanwezige archeologische bodemarchief. Het gaat hierbij met name om niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur tot maximaal 10 cm onder bouwvoor van 30 cm (30 +10 cm). De provincie en de gemeenten hebben de inhoud van het Convenant uitgewerkt in de Provinciale Omgevingsvisie en -verordening, de gemeentelijke archeologiekaarten en bestemmingsplannen.

De derde uitzondering zijn de voordenzones. Een voordenzone is een gebied waarbinnen doorwaadbare plekken in een waterloop verwacht worden. Vaak zijn deze voorden versterkt met constructies van hout en/of veldkeien en hebben ze een aanzienlijke ouderdom. Voor zover een omgevingsplan betrekking heeft op een voordenzone geldt een oppervlaktevrijstelling van 500 m² en een diepte van 10 centimeter.  

TT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling

Onderstaand worden de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de provinciale omgevingsverordening Drenthe 2018 toegelicht. De gelegenheid wordt daarnaast aangegrepen om een correcte toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling nader toe te lichten. Op die manier wordt voor de praktijk helder waar de grenzen liggen en waar de ruimte zit. Allereerst worden de belangrijkste wijzigingen besproken. 

  • De regeling is niet langer uitsluitend toepasbaar op landschapsontsierende ‘agrarische’ bebouwing, maar op alle landschapsontsierende bebouwing die zijn functie heeft verloren. Deze wijziging is uitgewerkt in de begripsomschrijving (zie ook onderdeel A). 

  • Een gebouw dat is gebouwd voor 2014 kan in aanmerking komen. Deze voorwaarde is verwerkt in lid 3, sub a van het artikel. 

  • Tot slot is een belangrijke wijziging dat het aantal compensatiewoningen niet meer wordt gemaximeerd op twee. In plaats daarvan wordt het mogelijk gemaakt om maximaal 6 compensatiewoningen mogelijk te maken. Deze wijziging is aangebracht in lid 1 van het artikel. Samengevat worden de volgende sloopnormen gehanteerd. 

  • Wanneer bebouwing van 750 m² wordt gesloopt, mag hiervoor één compensatiewoning worden gebouwd. 

  • Wanneer 2.000 m² aan bebouwing wordt gesloopt, mogen hiervoor 2 compensatiewoningen worden gebouwd. Voor 3.000 m² mogen er drie worden gebouwd, voor 4.000 m² vier, voor 5.000 m² vijf en voor 6.000 m² zes. 

  • Tot slot wordt er een mogelijkheid geboden om meer dan 2 woningen te bouwen bij de sloop van 2.000 m² aan bebouwing die zijn functie heeft verloren. De totale oppervlakte van de te bouwen woningen mag niet meer zijn dan 500 m². Voorts mag het totale aantal niet meer zijn dan 4. Deze voorziening is bedoeld om meer maatwerk te kunnen bieden. Deze mogelijkheid ontstaat wanneer 2.000 m² wordt gesloopt. Wanneer meer wordt gesloopt ontstaan niet nóg meer mogelijkheden. Tegelijkertijd zij erop gewezen dat ook deze route moet leiden tot een vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar plan. In het bijzonder zal daarnaast aandacht moeten zijn voor de woonvisie. De voorwaarden van lid 3 zijn onverkort van toepassing. Op deze manier wordt verzekerd dat de ontwikkeling passend is binnen het woonbeleid van de betrokken gemeente.

Het is mogelijk te salderen om te komen tot een bepaalde sloopnorm. In de praktijk blijkt dat het niet altijd duidelijk is welke bebouwing wel en niet kan worden ‘meegeteld’. De ruimte-voor-ruimte regeling legt een relatie tussen sloop en bouw. Hiermee wordt ook samenhang verondersteld. Om die reden is van belang dat deze samenhang wordt aangetoond op het moment dat wordt gesaldeerd. Deze samenhang kan blijken uit een daartoe gesloten overeenkomst. Tevens is van belang dat in de toelichting goed wordt vastgelegd welke sloopmeters worden gebruikt. Op die manier wordt voorkomen dat dezelfde sloopmeters voor meerdere ontwikkelingen worden ingezet. Gemeenten hebben de vrijheid om, binnen de voorwaarden van de omgevingsverordening, eigen voorwaarden te stellen aan toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling. In die zin behouden de Drentse gemeenten de ruimte om te komen tot een eigen afweging. Wat betreft de locatie om de compensatiewoningen te realiseren wordt in de praktijk meestal de locatie van de te slopen bebouwing als uitgangspunt genomen. Ondanks dat hierbij wat betreft ruimtelijke kwaliteit een meerwaarde kan worden bereikt kan het de voorkeur hebben om te kiezen voor een andere locatie. Met betrekking tot de afweging voor de locatie om de woningen terug te bouwen zijn de provinciale belangen leidend. Daarnaast zal de afweging gemaakt moeten worden of het realiseren van compensatiewoningen geen invloed heeft op ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven. Bij het realiseren van compensatiewoningen in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling moet het gaan om grondgebonden woningen. Omdat de Ruimte-voor-ruimte regeling primair is bedoeld om te komen tot een verbetering van de landschappelijke kwaliteit, blijft het van groot belang dat het plan vergezeld gaat van een landschappelijk inpassingsplan dat is opgesteld door een landschapsarchitect. Waar een landschappelijk inpassingsplan aan moet voldoen staat omschreven in de begripsomschrijving van de omgevingsverordening. Gezien het feit dat de mogelijkheden voor woningbouw in het buitengebied worden verruimd door deze wijziging wat zowel kwalitatieve als kwantitatieve consequenties kan hebben stellen wij voor om de regeling jaarlijks te monitoren bij de jaarlijkse herziening van de POV. 

De ruimte voor ruimte regeling maakt het onder voorwaarden mogelijk compensatiewoningen te bouwen als landschapsontsierende bebouwing in het landelijk gebied wordt verwijderd. De regeling is niet alleen toepasbaar op landschapsontsierende ‘agrarische’ bebouwing, maar op alle landschapsontsierende bebouwing in het landelijk gebied die zijn functie heeft verloren. 

Wanneer bebouwing van 750 m² wordt gesloopt, mag hiervoor één compensatiewoning worden gebouwd. Wanneer 2.000 m² aan bebouwing wordt gesloopt, mogen hiervoor twee compensatiewoningen worden gebouwd. Voor 3.000 m² mogen er drie worden gebouwd, voor 4.000 m² vier, voor 5.000 m² vijf en voor 6.000 m² zes. Tot slot wordt er een mogelijkheid geboden om meer dan twee woningen te bouwen bij de sloop van 2.000 m² aan bebouwing die zijn functie heeft verloren. De totale oppervlakte van de te bouwen woningen (exclusief eventuele bijgebouwen/bijbehorende bouwwerken) mag niet meer zijn dan 500 m². Voorts mag het totale aantal niet meer zijn dan vier. Deze voorziening is bedoeld om meer maatwerk te kunnen bieden. Deze mogelijkheid ontstaat wanneer 2.000 m² wordt gesloopt. Wanneer meer wordt gesloopt ontstaan niet nóg meer mogelijkheden. Tegelijkertijd zijn/wordt erop gewezen dat ook deze route moet leiden tot een vanuit landschappelijk oogpunt aanvaardbaar plan. In het bijzonder zal daarnaast aandacht moeten zijn voor de woonvisie. De voorwaarden van lid 3 zijn onverkort van toepassing. Op deze manier wordt verzekerd dat de ontwikkeling passend is binnen het woonbeleid van de betrokken gemeente. 

Bebouwing dat op 1 januari 2014 legaal en feitelijk aanwezig is komt in aanmerking voor de regeling. Deze voorwaarde is verwerkt in lid 3, sub a van het artikel. Landschapsontsierende bebouwing zijn onder andere opslagloodsen, werktuigenberging, stallen en mestsilo’s, hiertoe worden niet gerekend sleufsilo's, mestplaten of mestkelders.

Het is mogelijk te salderen om te komen tot een bepaalde sloopnorm. De ruimte-voor-ruimte regeling legt een relatie tussen sloop en bouw. Om die reden is van belang dat deze samenhang wordt aangetoond op het moment dat wordt gesaldeerd. Deze samenhang kan blijken uit een daartoe gesloten overeenkomst. Tevens is van belang dat in de toelichting goed wordt vastgelegd welke sloopmeters worden gebruikt. Op die manier wordt voorkomen dat dezelfde sloopmeters voor meerdere ontwikkelingen worden ingezet. 

Gemeenten hebben de vrijheid om, binnen de voorwaarden van de omgevingsverordening, eigen voorwaarden te stellen aan toepassing van de ruimte-voor-ruimte regeling. In die zin behouden de Drentse gemeenten de ruimte om te komen tot een eigen afweging. Wat betreft de locatie om de compensatiewoningen te realiseren wordt in de praktijk meestal de locatie van de te slopen bebouwing als uitgangspunt genomen. Ondanks dat hierbij wat betreft ruimtelijke kwaliteit een meerwaarde kan worden bereikt kan het de voorkeur hebben om te kiezen voor een andere locatie. Met betrekking tot de afweging voor de locatie om de woningen terug te bouwen zijn de provinciale belangen leidend. Bij de locatie van de compensatiewoning dient rekening te worden gehouden met de kernkwaliteiten, zoals verwoord zijn in Hoofdstuk 3.

Daarnaast zal de afweging gemaakt moeten worden of het realiseren van compensatiewoningen geen invloed heeft op ontwikkelingsmogelijkheden van omringende agrarische bedrijven. Bij het realiseren van compensatiewoningen in het kader van de ruimte-voor-ruimte regeling moet het gaan om grondgebonden woningen. Omdat de Ruimte-voor-ruimte regeling primair is bedoeld om te komen tot een verbetering van de landschappelijke kwaliteit, blijft het van groot belang dat het plan vergezeld gaat van een landschappelijk inpassingsplan dat is opgesteld door een landschapsarchitect. Waar een landschappelijk inpassingsplan aan moet voldoen staat omschreven in de begripsomschrijving van de omgevingsverordening. 

UU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.16 Woningbouw

Met de bepalingen voor woningbouw wil de provincie dat gemeenten gelegen in eenzelfde woonregio hun plannen voor woningbouwontwikkeling op dit gebied onderling afstemmen, strategisch beleid voeren op het handhaven van een passende woningvoorraad op de lange termijn en met de gebiedspartners afspraken maken over onder andere de programmering. De basis daarvoor is de gemeentelijke woonvisie. Dorpen, steden en het landelijk gebied functioneren binnen de woningmarkt als aanvulling op elkaar of soms als concurrerend, de provincie beoogt met de bepalingen een gezonde woningmarkt in stand te houden met ruimte voor regionale verschillen. De opzet van dit artikel is anders dan onder de Wet ruimtelijke ordening. Dit komt met name doordat het vormgeven van artikelen met werkingsgebieden een andere benadering vraagt. Het is niet meer mogelijk om te stellen dat een regel juist buiten een aangegeven werkingsgebied geldt. Voor dit type regels geldt dat ook hiervan een werkingsgebied moet worden gemaakt. Overal waar voorheen werd gesproken van 'buiten bestaand stedelijk gebied' wordt daarom gesproken van 'landelijk gebied'. Het artikel kent veel gewicht toe aan de woonvisie bij de beantwoording van de vraag of een woningbouwontwikkeling in overeenstemming is met het provinciaal belang.

Lid 1: aangrenzend aan het bestaand stedelijk gebied is woningbouw mogelijk wanneer deze voldoet aanpast binnen de gemeentelijke woonvisie. Hierbij dient in ogenschouw te worden genomen dat het wel moet gaan om een woonvisie die de voorwaarden als genoemd in sub a tot en met e betrekt. Specifiek kan bij dit type ontwikkeling sprake zijn van een provinciaal belang bij de stads- en dorpranden. Zie hiervoor de kernkwaliteit landschap als opgenomen onder artikel 3.1 van deze omgevingsverordening.

Lid 2: voor specifieke doeleinden is het mogelijk een extra woning te bouwen in het landelijk gebied. Deze doeleinden worden in dit lid opgesomd. Ook bepaalt dit lid dat het splitsen van een bestaande woning of boerderij in meerdere woningen is toegestaan. 

Lid 3: het derde lid van het artikel is bedoeld voor de gevallen waarbij een enkele woning een gat kan opvullen in een bestaand cluster van bebouwing of bebouwingslint. Deze voorwaarde vloeit voort uit uit lid 3 sub a, van de bepaling. De overige eisen bewerkstelligen dat de ruimtelijke kwaliteit verbetert en dat rekening wordt gehouden met de woonvisie.

Lid 4: deze voorziening is alleen mogelijk voor gebouwen die niet landschapsontsierend zijn. Het gaat hier in het bijzonder om bebouwing waarvan het wenselijk is dat er geen sloop plaatsvindt. Bijvoorbeeld omwille van het beeldbepalende karakter van het gebouw of het anderszins ontbreken van een meerwaarde van sloop. Voor die gevallen zou het niet wenselijk zijn dat een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling wordt doorlopen. Tegelijkertijd zou het juist voor dit type bebouwing moeilijker zijn om ze te hergebruiken voor een andere functie. Om dat te voorkomen is een extra voorziening bij artikel 3.16 gevoegd. Of in een concreet geval sprake is van een bouwwerk dat behoudenswaardig is, moet worden onderbouwd in het omgevingsplan. Inhoudelijk dient voor de functiewijziging te worden voldaan aan soortgelijke voorwaarden als bij een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling. Dit kan ook inhouden dat er aanvullende landschappelijke maatregelen moeten worden getroffen. Ook bij een functiewijziging blijft het uitgangspunt overeind dat deze moet leiden tot een verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit volgt uit sub b van het toegevoegde onderdeel. Omdat uit de omgevingsvisie volgt dat het woonbeleid is gericht op concentratie in de bestaande woonkernen, wordt het maximaal aantal te realiseren woningen gemaximeerd op 6. Voor zover sprake is van een plan waarbij sprake is van een toevoeging van bebouwing, kan geen gebruik worden gemaakt van deze voorziening. Tevens kan geen sprake zijn van een combinatie met een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling. Dit wordt geregeld in sub c van het onderdeel. Op die manier wordt voorkomen dat het maximum van 6 woningen wordt omzeild.

Lid 45: wat betreft bijzondere woonmilieus beogen provinciale staten te faciliteren in de behoefte om in zeer bijzondere gevallen recht te kunnen doen aan ruimtelijke kwaliteit en speciefieke woonwensen. De term 'woonmilieu' impliceert dat sprake moet zijn van meer dan één woning. Met woonmilieu wordt derhalve gedoeld op de woonomstandigheden die de meerdere woningen in gezamenlijkheid bewerkstelligen. Het lid is niet bedoeld om een enkele woning in het buitengebied mogelijk te maken. Daartoe geeft lid 3 het toetsingskader.Tegelijkertijdtoetsingskader. Tegelijkertijd is een belangrijke eis van de regeling dat sprake moet zijn van kleinschaligheid. Of sprake is van kleinschaligheid, kan blijken uit zowel de ruimtelijke uitstraling van de ontwikkeling als de toename van het planologisch beslag. Beide aspecten dienen in onderlinge samenhang met elkaar te worden beschouwd. Het vertrekpunt is dat het bijzondere woonmilieu de kwaliteit van het buitengebied en bebouwingsstructuur versterkt. Hoe groter de ruimtelijke uitstraling en het planologisch beslag van het plan, hoe minder snel hiervan sprake kan zijn. Ook wanneer op basis van, bijvoorbeeld, onbenutte plancapaciteit kan worden betoogd dat sprake is van een kleine vergroting van het planologisch beslag, kan de ontwikkeling toch niet kleinschalig zijn wanneer deze ontwikkeling desondanks gepaard gaat met een forse ruimtelijke uitstraling. Dit zou een reden kunnen zijn om deze ontwikkeling niet aan te merken als bijzonder woonmilieu.Subwoonmilieu. Sub b van lid 4 brengt tot uitdrukking dat de ontwikkeling moet aansluiten bij de woonwensen en levensstijl van een specifieke groep mensen. De behoefte van deze groep mensen moet dusdanig specifiek zijn dat hiervoor aantoonbaar geen plek bestaat binnen het reguliere woningaanbod. Bij de ontwikkeling van een bijzonder woonmilieu is het essentieel dat de aanwezige kernkwaliteiten worden betrokken en dat deze nader worden versterkt. Hoe dit wordt gedaan moet worden onderbouwd in het omgevingsplan of de omgevingsvergunning die in de ontwikkeling voorziet. Tevens dient te worden geborgd dat de aspecten die deze versterking bewerkstelligen juridisch worden geborgd middels het stellen van daartoe strekkende regels in het omgevingsplan of voorschriften in de omgevingsvergunning. Deze regels of voorschriften zien in ieder geval op instandhouding van de aspecten die een woonmilieu in voorkomende gevallen bijzonder maken. 

Lid 5: Deze voorziening is alleen mogelijk voor gebouwen die niet landschapsontsierend zijn. Het gaat hier in het bijzonder om bebouwing waarvan het wenselijk is dat er geen sloop plaatsvindt. Bijvoorbeeld omwille van het beeldbepalende karakter van het gebouw of het anderszins ontbreken van een meerwaarde van sloop. Voor die gevallen zou het niet wenselijk zijn dat een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling wordt doorlopen. Tegelijkertijd zou het juist voor dit type bebouwing moeilijker zijn om ze te hergebruiken voor een andere functie. Om dat te voorkomen is een extra voorziening bij artikel 3.16 gevoegd. Of in een concreet geval sprake is van een bouwwerk dat behoudenswaardig is, moet worden onderbouwd in het omgevingsplan. Inhoudelijk dient voor de functiewijziging te worden voldaan aan soortgelijke voorwaarden als bij een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling. Dit kan ook inhouden dat er aanvullende landschappelijke maatregelen moeten worden getroffen. Ook bij een functiewijziging blijft het uitgangspunt overeind dat deze moet leiden tot een verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Dit volgt uit sub b van het toegevoegde onderdeel. Omdat uit de omgevingsvisie volgt dat het woonbeleid is gericht op concentratie in de bestaande woonkernen, wordt het maximaal aantal te realiseren woningen gemaximeerd op 6. Voor zover sprake is van een plan waarbij sprake is van een toevoeging van bebouwing, kan geen gebruik worden gemaakt van deze voorziening. Tevens kan geen sprake zijn van een combinatie met een reguliere ruimte-voor-ruimte regeling. Dit wordt geregeld in sub c van het onderdeel. Op die manier wordt voorkomen dat het maximum van 6 woningen wordt omzeild. 

VV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.17 Regionale werklocatiesbedrijventerreinen

Regionale werklocaties zijn de bedrijventerreinen waar bedrijvigheid met een regionale uitstraling is toegestaan. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van deze bedrijventerreinen en gelet op de doelstellingen wat betreft duurzaam ruimtegebruik, is het wenselijk dat een en ander regionaal wordt afgestemd. Lid 1 omschrijft de voorwaarden op grond waarvan een regionale werklocatie kan worden mogelijk gemaakt. Lid 2 maakt duidelijk dat een omgevingsplan dat voorziet in een nieuwe regionale werklocatie vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan. Deze bepaling moet ruim worden gelezen. Waar het om gaat is het resultaat dat het omgevingsplan de beeldkwaliteit zodanig reguleert dat deze aanvaardbaar is gelet op het provinciale belang dat aan de orde is. Of dit gebeurt middels een separaat beeldkwaliteitsplan zoals gebruikelijk onder de Wet ruimtelijke ordening, of op andere wijze is niet doorslaggevend. 

Regionale werklocaties zijn de bedrijventerreinen van regionaal economisch belang die overwegend plaats bieden aan middelgrote tot grote bedrijven met bovenlokale oriëntatie. Gelet op de ruimtelijke uitstraling van deze bedrijventerreinen en gelet op de doelstellingen wat betreft duurzaam ruimtegebruik, is het wenselijk dat de (her)ontwikkeling van deze bedrijventerreinen regionaal wordt afgestemd. Lid 1 maakt onderscheid op basis van milieuzonering. Bedrijven van milieucategorie 4 of hoger conform de VNG publicatie 'Handreiking Bedrijven en Milieuzonering’ moeten op een regionaal bedrijventerrein, Lid 2 maakt duidelijk dat een omgevingsplan dat voorziet in een nieuw regionaa bedrijventerrein vergezeld gaat van een beeldkwaliteitsplan. Deze bepaling moet ruim worden gelezen. Waar het om gaat is het resultaat dat het omgevingsplan de beeldkwaliteit zodanig reguleert dat deze aanvaardbaar is gelet op het provinciale belang dat aan de orde is. Of dit gebeurt middels een separaat beeldkwaliteitsplan zoals gebruikelijk onder de Omgevingswet, of op andere wijze is niet doorslaggevend. Lid 3 gaat in op de afstemmingsverplichting voor het (her)ontwikkelen van regionale bedrijventerreinen gelet op de bovenlokale effecten hiervan op de bedrijfsruimtemarkt. De regionale programmeringsafspraken dienen gebaseerd te zijn op een provinciale of gemeentelijke prognose c.q. raming voor de planning van regionale bedrijventerreinen. Deze behoefteraming dient actueel te zijn en wordt ten minste om iedere vier jaar of eens per bestuursperiode geactualiseerd. De programmeringsafspraken omvatten: De toekomstbestendigheid van de bestaande voorraad; Het profiel van de bestaande bedrijventerreinen zijnde lokaal of regionaal; De toekomstige vraag, rekening houdend met trends en bestaande knelpunten bij bedrijven, zowel kwalitatief als kwantitatief, en; De verhouding tussen vraag en aanbod, zowel kwalitatief als kwantitatief.

WW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.18 Lokale werklocatiesbedrijventerreinen

XX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.19 Bedrijfsvestiging buiten een werklocatiebedrijventerrein

Waar Artikel 3.17 en Artikel 3.18 vooral zien op de vestiging van bedrijven op regionale of lokale werklocaties, betreft Artikel 3.19 de vestiging van de bedrijven de mogelijke uitzonderingen hierop. Het eerste lid betreft de integratie van de nadere regel die op basis van de vorige omgevingsverordening is gesteld door gedeputeerde staten. Onder de Omgevingswet is het behoudens zeer specifieke uitzonderingen niet meer mogelijk om nadere regels vast te stellen die losstaan van de omgevingsverordening. Waar bevoegdheden worden gedelegeerd aan GS houden deze in dat zij bevoegd worden delen van de omgevingsverordening zelf aan te passen en niet om een nadere regel te stellen. Dit volgt uit artikel 2.8 van de Omgevingswet. Gelet op het feit dat het wel de bedoeling is de vastgestelde nadere regel voort te zetten, is deze opgenomen in het eerste lid. Deze uitzondering is alleen aan de orde voor solitaire bedrijven. 

Met het tweede lid wordt het mogelijk gemaakt één solitair bedrijf te vestigen dat behoort tot milieucategorie 4, 5 of 6. Dit is een mogelijkheid die in de Omgevingsvisie en de toelichting op de Provinciale Omgevingsverordening 2018 wel wordt beschreven, maar per abuis nooit is opgenomen in de regeling zelf. Het lid is met name bedoeld voor zeer grote spelers met een aan te tonen positieve invloed op de werkgelegenheid. Het gaat om situaties waarbij het gelet op het tijdsbestek niet mogelijk is om het proces te doorlopen als beschreven in Artikel 3.17. Wel dienen de effecten worden aangetoond. Aantonen duidt in deze context op onderzoek waaruit dit blijkt. Van belang is dat met toepassing dit lid niet alsnog een regionale werklocatie ontstaat. Een omgevingsplan dat een beroep doet op deze bepaling bevat daarom voorzieningen die de mogelijkheid dat alsnog een werklocatie ontstaat duurzaam uitsluit. Uitsluitend wordt voorzien in een maatoplossing om tegemoet te komen aan belangstelling door een grote speler.

Waar Artikel 3.17 en Artikel 3.18 vooral zien op de vestiging van bedrijven op regionale of lokale werklocaties, betreft Artikel 3.19 de vestiging van de bedrijven de mogelijke uitzonderingen hierop. Het eerste lid betreft de integratie van de nadere regel die op basis van de vorige omgevingsverordening is gesteld door gedeputeerde staten. Onder de Omgevingswet is het behoudens zeer specifieke uitzonderingen niet meer mogelijk om nadere regels vast te stellen die losstaan van de omgevingsverordening. Waar bevoegdheden worden gedelegeerd aan GS houden deze in dat zij bevoegd worden delen van de omgevingsverordening zelf aan te passen en niet om een nadere regel te stellen. Dit volgt uit artikel 2.8 van de Omgevingswet. Gelet op het feit dat het wel de bedoeling is de vastgestelde nadere regel voort te zetten, is deze opgenomen in het eerste lid. Deze uitzondering is alleen aan de orde voor solitaire bedrijven. Het eerste lid somt gevallen op waarbij uitbreiding of vestiging van een solitair bedrijf mogelijk is. Het gaat hier dus om een alternatieve opsomming van gevallen en niet een om cumulatieve opsomming van eisen. Met het tweede lid wordt het mogelijk gemaakt één solitair bedrijf te vestigen dat behoort tot milieucategorie 4, 5 of 6. Dit is een mogelijkheid die in de Omgevingsvisie en de toelichting op de Provinciale Omgevingsverordening 2018 wel wordt beschreven, maar per abuis nooit is opgenomen in de regeling zelf. Het lid is met name bedoeld voor zeer grote spelers met een aan te tonen positieve invloed op de werkgelegenheid. Het gaat om situaties waarbij het gelet op het tijdsbestek niet mogelijk is om het proces te doorlopen als beschreven in Artikel 3.17. Wel dienen de effecten worden aangetoond. Aantonen duidt in deze context op onderzoek waaruit dit blijkt. Van belang is dat met toepassing dit lid niet alsnog een regionale werklocatie ontstaat. Een omgevingsplan dat een beroep doet op deze bepaling bevat daarom voorzieningen die de mogelijkheid dat alsnog een werklocatie ontstaat duurzaam uitsluit. Uitsluitend wordt voorzien in een maatoplossing om tegemoet te komen aan belangstelling door een grote speler.

YY

Na sectie 3.26 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.26a Energieopslag

Door onbalans in de energieopwek en energievraag ontstaan er problemen op de regionale elektriciteitsinfrastructuur, waardoor nieuwe ontwikkelingen niet aangesloten kunnen worden op het electriciteitsnetwerk en hierdoor vertraging oplopen. Voor de balans van de regionale elektriciteitsinfrastructuur spelen de locatie en omvang van de energievraag en -productie van nieuwe ontwikkelingen een grote rol. Evenals de mate waarin er sprake is van maatregelen om de belasting van de elektriciteitsinfrastructuur tegen te gaan en pieken in de opwek – en vraag van elektriciteit te voorkomen. De opslag van energie wordt daarom als een provinciaal belang gezien met een sterke ruimtelijke component.

Eerste lid

Dit lid bevat een instructieregel die van toepassing is bij een wijziging van het omgevingsplan. Het stelt twee cumulatieve voorwaarden waaraan moet worden voldaan om energieopslag mogelijk te maken:

Effect op het elektriciteitsnetwerk

De energieopslag mag geen negatief effect hebben op het elektriciteitsnetwerk en moet een balancerend effect realiseren. Hiermee wordt geborgd dat pieken van zonne- en windenergie worden opgevangen en de balancering van het energiesysteem, daarmee draagt de opslag bij aan de stabiliteit en betrouwbaarheid van het net. 

Ruimtelijke inpassing 

Ter bescherming van het kwetsbare landschap worden specifieke landschapseisen gesteld. Daarnaast gelden kwaliteitseisen voor het landschappelijke inpassingsplan. Dit plan moet onder meer voorzien in hoogopgaande beplanting, aansluiten bij de bestaande landschapsstructuur en wordt een combinatie gemaakt met andere maatschappelijke opgaven. Het landschappelijke inpassingsplan dient te worden opgesteld door een bureau dat is geregistreerd in het architectenregister.

Tweede lid 

Dit lid bevat aanvullende eisen voor energieopslag in het landelijk gebied. Deze extra voorwaarden zijn noodzakelijk om het open en kwetsbare landschap te beschermen tegen verrommeling en om te voorkomen dat solitaire energieopslaginstallaties ontstaan. Daarnaast dragen de voorwaarden bij aan een evenwichtige energietransitie: ze zorgen ervoor dat energieopslag niet leidt tot een onevenredige uitbreiding van het totale vermogen en dat installaties tijdelijk van aard blijven.

Artikel 3.26b Energietoets

Door onbalans in de energieopwek en energievraag ontstaan er problemen op de regionale elektriciteitsinfrastructuur, waardoor nieuwe ontwikkelingen niet aangesloten kunnen worden op het elektriciteitsnetwerk en hierdoor vertraging oplopen. Voor de balans van de regionale elektriciteitsinfrastructuur spelen de locatie en omvang van de energievraag/-productie van nieuwe ontwikkelingen een grote rol, evenals de mate waarin er sprake is van maatregelen om de belasting van de elektriciteitsinfrastructuur tegen te gaan en pieken in de opwek- en vraag van elektriciteit te voorkomen. Daarbij kunnen alternatieve energiedragers zoals warmte, groen gas en waterstof een belangrijke rol spelen in het verminderen van de druk op het elektriciteitsnet. Door slimme combinaties van elektriciteit, warmte en gas kunnen piekbelastingen worden afgevlakt en de flexibiliteit van het energiesysteem vergroot worden. 

Omdat het van regionaal belang is dat bij nieuwe ontwikkelingen in een vroeg stadium van het ontwerp aandacht is voor het behoud en de ontwikkeling van een duurzame energie-infrastructuur, wordt bij nieuwe omgevingsplannen voor ontwikkelingen waarbij er sprake is van een vermogen van 1 MW of meer aan energieproductie of -vraag gekeken naar de mogelijkheden voor integratie van andere energievormen. De energietoets geeft overheden inzicht in de te verwachten belasting van de elektriciteitsinfrastructuur van nieuwe ontwikkelingen en stimuleert de inzet van alternatieve energiebronnen zoals warmte, groen gas en waterstof om de energievraag en -opslag beter te verdelen. 

Ontwikkelingen met een vermogen vanaf 1 MW kunnen een significant effect hebben op het behoud en de ontwikkeling van een duurzame energie-infrastructuur. Denk daarbij aan een zonne- of windpark, de realisatie van grote batterijen ten behoeve van energieopslag, een nieuwbouwproject van een significant aantal woningen, of grootschalige bedrijvigheid. Daarnaast kunnen grootschalige warmteprojecten, waterstofproductie en de inzet van groen gas bijdragen aan een robuuster en flexibeler energiesysteem dat minder afhankelijk is van het elektriciteitsnet.

De energietoets bestaat uit een energieparagraaf behorend bij de motivering van een omgevingsplan. De energieparagraaf heeft als doel inzicht te geven hoe er rekening wordt gehouden met het behoud en de ontwikkeling van een duurzame elektriciteitsinfrastructuur. Onderdeel van de energieparagraaf is een verslag van een overleg tussen de initiatiefnemer en de netbeheerder. Uit de energieparagraaf moet in ieder geval blijken wat de omvang in vermogen van het project is, hoe en waar de ontwikkeling zal worden aangesloten, en hoe verstoring op het elektriciteitsnet wordt voorkomen middels passende contractvormen met de netbeheerder. In het geval van omgevingsplannen voor de opslag van energie en de realisatie van een zonnepark op landbouwgrond onder de uitzonderingsmogelijkheid die er geld voor netbalancering geeft de energieparagraaf ook aan hoe de ontwikkeling een bijdrage levert aan de balancering van het elektriciteitsnet Het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMiek) van de provincie Drenthe is een instrument om te komen tot een betere afstemming met netbeheerders en gemeenten over de wijze waarop, wanneer en waar energie-infrastructuur wordt gerealiseerd binnen de provincie. Het pMiek bevat een overzicht van projecten en ontwikkelingen in Drenthe en wanneer zij geprogrammeerd zijn voor aansluiting op het net. Het pMiek zal betrokken worden bij de beoordeling of er rekening gehouden wordt met het behoud en de ontwikkeling van een duurzame elektriciteitsinfrastructuur. Daarnaast ligt er bij de lokale overheden ook de verplichting om projecten met een pMIEK status te monitoren en te voorkomen dat er vertragingen ontstaan in de realisatie van deze projecten.

ZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.28 Koloniën van Weldadigheid

Met artikel 3.28 verankert de provincie de voorschriften uit het Besluit Kwaliteit Leefomgeving met betrekking tot de bescherming van UNESCO Werelderfgoed. In het eerste en tweede lid is bepaald dat binnen de begrenzing van het UNESCO Werelderfgoed Koloniën van Weldadigheid regels gelden en is erop gericht dat de provincie en de betrokken gemeenten besluiten nemen om de unieke kenmerken van dit werelderfgoed te beschermen of te versterken, zodat het ook voor toekomstige generaties behouden blijft. Voor gemeenten betekent dit dat zij in hun omgevingsplan regels laten opnemen die hierop gericht zijn. Er is een verbod op alles wat de unieke waarden van dit erfgoed zou kunnen verstoren. 

In het eerstederde lid is bepaald dat het werelderfgoed Koloniën van Weldadigheid een begrenzing kent waarbinnen bepaalde regels gelden. De regels zijn ervoor om de betrokken gemeenten in hun omgevingsplan regels te laten opnemen die erop gericht zijn om de unieke kenmerken van dit werelderfgoed te beschermen of te versterken, zodat het ook voor toekomstige generaties behouden blijft. Er is een verbod op alles wat de unieke waarden van dit erfgoed zou kunnen verstoren. In het tweede lid wordt voor de beschrijving van de kernkwaliteiten van dehet UNESCO Werelderfgoed Koloniën van Weldadigheid verwezen naar de bijlage van deze verordening. Hierin staan de kernkwaliteiten nader toegelicht en uitgewerkt. Indien de effecten van beoogde ontwikkelingen op de unieke waarden van het erfgoed onvoldoende duidelijk zijn, kan het specifiek voor werelderfgoed beschikbare instrument van een Heritage Impact Assessment (HIA) worden ingezet. Dit geeft inzicht in de effecten van de beoogde ontwikkelingen.Voorontwikkelingen voordat hierop een besluit wordt genomen. Voor de Koloniën van Weldadigheid maken we onderscheid tussen het UNESCO Werelderfgoed en het – iets ruimere - kolonielandschap dat niet binnen het Werelderfgoed valt. Het totale gebied bevat kernkwaliteiten (betreffende het provinciaal belang cultuurhistorie (artikel 3.2) en provinciaal belang landschap (artikel 3.1), en de redengevende omschrijving van provinciaal belangde aanwijzing tot rijksbeschermd dorpsgezicht, waarmee tevens rekening moet worden gehouden bij ruimtelijke ontwikkelingen. 

AAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.30 Bescherming Natuurnetwerk Nederland

Lid 1

De wezenlijke kenmerken en waarden worden beschreven in een rapport dat als bijlage 19 Wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN bij de Omgevingsverordening is gevoegd. Het gaat om een beschrijving van de actuele en potentiële natuurwaarden, gebaseerd op de natuurdoelen, van de verschillende deelgebieden van de NNN en de daarvoor vereiste bodem- en watercondities. In deze bijlage zit een kaart waarop de verschillende deelgebieden zijn aangegeven. Met deze beschrijving van de wezenlijke kenmerken en waarden voldoen wij aan de eis die op dit punt in het Bkl wordt gesteld.  De informatie uit het rapport is ook op een gebruiksvriendelijke manier beschikbaar op de website van de provincie Drenthe. 

Lid 2 en 3

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een landelijk netwerk van natuur- en agrarischegebieden met een speciale natuurkwaliteit. We streven naar een goed werkend robuust natuursysteem dat zorgt dat de kwaliteit van natuur zich duurzaam verbetert. Het NNN bestaat zowel uit afzonderlijke natuurgebieden als uit ecologische verbindingen die deze natuurgebieden met elkaar verbinden. Ecologische verbindingen vormen een waardevol onderdeel van het NNN. Via bermen, natuurstroken langs watergangen en ecoducten zoals die over de A28 kunnen dieren van het ene gebied naar het andere trekken. Dat komt ten goede aan de kwaliteit van de natuurgebieden. Bovendien vormen deze verbindingen een belangrijk onderdeel van de groene dooradering van onze provincie.

De grote boswachterijen, de uitgestrekte heidevelden en de oude hoogveenkernen maken deel uit van het NNN. De 14 Drentse Natura 2000-gebieden vormen een belangrijk onderdeel van de bestaande natuur. Het behalen van Europese natuurdoelen voor deze gebieden vormen de belangrijkste natuuropgave voor het NNN.

Dit artikel is relevant voor de vaststellingsprocedure van het NNN en de doorwerking daarvan in omgevingsplannen of projectbesluiten.

De provincie past bij het ontwikkelen van het NNN de 'Spelregels Ecologische Hoofdstructuur', zoals doorRuimtelijke bescherming van het Natuunetwerk Nederland (NNN) onder de provincies en het Rijk gezamenlijk zijn overeengekomen,Omgevingswet, een gereedschapskist voor provincies' toe.

Lid 4

Hoewel uit de definitie van natuurbegraafplaats lijkt te volgen dat een dergelijke begraafplaats ook ten goede van de natuur komt, zijn natuurbegraafplaatsen niet passend binnen de begrenzing van het NNN. Een natuurbegraafplaats heeft naar zijn aard negatieve effecten op gronden binnen het NNN, zowel binnen bestaande natuur als natuur die nog in ontwikkeling is. Dat staat de ontwikkeling van de aanwezige (potentiële) natuurwaarden in de weg. 

De negatieve effecten komen voort uit verschillende oorzaken. Een natuurbegraafplaats stelt specifieke eisen aan de grondwaterstanden, wat beperkend kan zijn voor de (ontwikkeling van) natuur. Het delven van de graven leidt daarnaast tot significante aantasting van de bodemstructuur. Natuurbegraven gaat verder gepaard met frequente activiteit binnen het NNN, zoals begrafenissen, ceremonies en bezoekers. De graafwerkzaamheden, geluiden en menselijke aanwezigheid veroorzaken verstoring van de aanwezige natuurwaarden, zoals vogels en zoogdieren. Bij een natuurbegraafplaats is tot slot sprake van eeuwigdurende grafrust. Dat leidt tot een onomkeerbare belemmering van een optimale ontwikkeling van de aanwezige (potentiële) natuurwaarden. 

De instructieregel zorgt ervoor dat natuurbegraafplaatsen binnen NNN niet meer mogelijk zijn. Dit verbod beoogt ten eerste dat een omgevingsplan dat betrekking heeft op het Natuurnetwerk Nederland deze functie niet toestaat. Ten tweede wordt er geen projectbesluit dat betrekking heeft op Natuurnetwerk Nederland vastgesteld voor een activiteit als dat een natuurbegraafplaats mogelijk maakt.

Lid 5

Tot slot is het niet mogelijk om een nieuw landgoed in het Natuurnetwerk Nederland te realiseren. De reden hiervoor is dat een nieuw landgoed naar zijn aard negatieve effecten heeft op gronden binnen het NNN, zowel binnen bestaande natuur als natuur die nog in ontwikkeling is. De aantasting wordt met name veroorzaakt door oppervlakteverlies als gevolg van realisatie van het landgoed. Maar ook verstoring door menselijke aanwezigheid, licht en geluidsuitstraling, toename van verkeer of (loslopende) huisdieren leidt tot aantasting. Dat staat de ontwikkeling van de aanwezige (potentiële) natuurwaarden in de weg. Wel is het mogelijk om een gedeelte van een nieuw landgoed binnen het NNN te ontwikkelen. Het moet dan gaan om gronden die uitsluitend gebruikt zullen worden voor het behoud of ontwikkeling van natuur, zoals bos of heide. Als hiervan sprake is moet het omgevingsplan alsnog worden getoetst aan het twee en derde lid van dit artikel. Regels die activiteiten als bebouwing of recreatief en agrarisch (mede)gebruik toelaten zijn uitdrukkelijk niet toegestaan. 

BBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.31 Afwijking Natuurnetwerk Nederland

Dit artikel dient een tweeledig doel. Lid 1 is van toepassing op grootschalige ingrepen waarbij sprake is van compensatie. Lid 2 is bestemd voor omgevingsplannen of projectbesluiten die leiden tot verbetering van de kwaliteiten van het NNN waardoor er geen sprake is van compensatie.

Lid 1 sub c Compensatie

De instructieregel uit paragraaf 7.3.1 van het Bkl bepaalt dat nadelige gevolgen tijdig worden gecompenseerd, zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.

In het algemeen vindt de compensatie buiten het NNN plaats en aansluitend aan het bestaande NNN in Drenthe. Op deze manier wordt een robuust natuurnetwerk ontwikkeld dan wel in standgehouden.

Binnen het NNN is beperkte ruimte voor compensatie aangezien daar vaak al sprake is van de functie natuur. Bij compensatie binnen het NNN kan het bijvoorbeeld gaan over recreatieterreinen, landbouwgronden en parkeerplaatsen.

Of compensatie tijdig is, is afhankelijk van de aanwezige natuurwaarden binnen een NNN-gebied en dient per geval bekeken te worden. In sommige gevallen kan het bijvoorbeeld vereist zijn om binnen een jaar de compensatie uitgevoerd te hebben. Tijdig betekent in ieder geval niet later dan twee jaar.

Lid 1 sub d Borging compensatie

Het is van belang dat de compensatie ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd. Om dat te borgen kan het bijvoorbeeld verplicht zijn om een compensatieovereenkomst te sluiten tussen de terreinbeheerder, de provincie, de gemeente en, indien van toepassing, de initiatiefnemer (niet zijnde een overheid). Ook is het noodzakelijk dat de locatie en vereisten omtrent de compensatie uiteindelijk juridisch verankerd worden in het omgevingsplan, zowel op de plankaart als in de planregels.

CCC

Na sectie 3.31 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.31a Instructieregel voor verzuring gevoelige gebieden

De regeling betreft een opvolger van de Wet ammoniak en veehouderij en de regeling over de bescherming van voor verzuring gevoelige gebieden in paragraaf 3.4.6 (mestbassins) en 3.5.8 (dierenverblijven) van het Activiteitenbesluit. Het betreft een beleidsneutrale omzetting van een regeling die overigens al dateert van ruim voor de Wet ammoniak en veehouderij (de Interimwet ammoniak en veehouderij (verder: Iav) dateert al van 1994).  

Vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet werden in de Wet ammoniak en veehouderij (hierna Wav) kaders gesteld voor het beoordelen van de gevolgen van de ammoniakemissie vanuit dierenverblijven voor zeer kwetsbare gebieden. Met deze wet werd gekozen voor een meer emissiegerichte benadering. Er werd uitgegaan van een emissiebeleid voor heel Nederland met aanvullend een zoneringsbeleid voor kwetsbare gebieden. Veehouderijbedrijven zijn een belangrijke bron van ammoniak. Om die reden golden er beperkingen voor uitbreiding van de veehouderijbedrijven die binnen 250 meter van de zeer kwetsbare gebieden liggen. Volgens de Wav was een beoordeling van de gevolgen van de emissie van ammoniak niet nodig als een veehouderij op meer dan 250 meter van een zeer kwetsbaar gebied was gelegen. De Wav ging voor het bepalen van de kwetsbare gebieden uit van die gebieden die op grond van de Iav in de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij (Uav) als voor verzuring gevoelig waren aangewezen en die binnen de door de provincie bij besluit vastgestelde Ecologische Hoofdstructuur (EHS) lagen. Gebieden die op het moment van vervallen van de Iav voor verzuring gevoelig waren worden als kwetsbaar aangemerkt. De gebieden die onder de Iav en de Uav voor verzuring gevoelig waren, waren ook kwetsbare gebieden in de zin van de Wav. 

In de Wav was geregeld dat Provinciale Staten gebieden aanwijzen die als zeer kwetsbaar worden aangemerkt. Alleen voor verzuring gevoelige gebieden of delen daarvan die zijn gelegen in de ecologische hoofdstructuur (huidig Natuurnetwerk Nederland) kunnen als zeer kwetsbaar worden aangemerkt. Provinciale staten wijzen ook, onverminderd het eerdergenoemde, alle voor verzuring gevoelige gebieden binnen een Natura 2000 gebied of een bijzonder nationaal natuurgebied als bedoeld in de Omgevingswet aan als zeer kwetsbaar gebied. 

De Wav is vervallen met de komst van de Omgevingswet op 1 januari 2024. De Omgevingswet geeft de mogelijkheid om de bescherming van deze gebieden voort te zetten. Omdat er is gekozen voor een beleidsneutrale omzetting van de Omgevingsverordening Drenthe blijven deze gebieden aangewezen. De provincie Drenthe heeft deze aangewezen op de kaart Wav. Eén begrenzing op de huidige kaart Wav is aangepast zodat er weer voor gezorgd wordt dat deze gebieden binnen het NNN vallen. De status van de kaart blijft ongewijzigd en inhoudelijk verandert er niets. 

Het gaat in de kern om een verbod om in en vlak naast een voor verzuring gevoelig gebied dierenverblijven en mestbassins op te richten. Net als in de eerdere regeling wordt voorzien in een vrij grote hoeveelheid uitzonderingen op het verbod, bijvoorbeeld voor bedrijven die al ter plaatse waren gevestigd voordat een gebied werd aangewezen, maar ook voor kleinere mestbassins en andere specifieke situaties (zie uitgebreid de toelichting op de artikelen 1 tot en met 4). 

Om de regeling te laten passen in de systematiek van de Omgevingswet is de regeling (wederom beleidsneutraal) op een drietal punten aangepast. Dit betreft:

  • a.

    De algemene systematiek;

  • b.

     Het werkingsgebied;

  • c.

    De wijziging van het begrip landbouwhuisdieren. 

Ad 1 De algemene systematiek 

Eerder werden voor verzuring gevoelige gebieden aangewezen door middel van een provinciale verordening. Daarmee werd in en rondom deze gebieden het toetsingskader van de Wet ammoniak en veehouderij van toepassing (voor vergunningplichtige bedrijven) en het toetsingskader van het Activiteitenbesluit voor bedrijven die onder algemene regels vielen. 

In het huidige systeem worden - en zijn - de gebieden nog steeds door middel van de provinciale verordening aangewezen. Voor de vergunningplichtige bedrijven zijn de beoordelingsregels al opgenomen in afdeling 4.4.1 van de provinciale omgevingsverordening. Voor bedrijven die onder algemene regels vallen staan de regels op dit moment in het Voorbereidingsbesluit Ammoniak en Veehouderij. Omdat het de bedoeling is van de Omgevingswet om zo veel mogelijk regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving in het omgevingsplan op te nemen, wordt met de nu voorliggende instructieregels geregeld dat deze regeling in het omgevingsplan zelf moet worden opgenomen. 

De gemeenten hoeven de regels niet te “vertalen”. Het volstaat om de artikelen één op één over te nemen. 

Ad 2 Het werkingsgebied 

De oude systematiek bestond eruit dat er een voor verzuring gevoelig gebied werd aangewezen en dat in dat gebied en in een zone van 250 (en 150) meter rond dat gebied bepaalde regels van toepassing waren. 

Omdat de Omgevingswet werkt met digitaal te ontsluiten regels en kaartmateriaal zijn de regels nu gekoppeld aan een zogenaamd “werkingsgebied” waardoor het gebied en de zone(s) daaromheen samen vallen.  

In de Omgevingsverordening Drenthe (zie art. 4.28 lid 1 en de toelichting daarop) is het werkingsgebied beschreven. Het werkingsgebied (voor verzuring gevoelig gebied) bestaat uit het oorspronkelijk aangewezen zeer kwetsbare gebied en een zone van 250 meter daaromheen.  

Met het oorspronkelijk aangewezen zeer kwetsbare gebied worden de zeer kwetsbare gebieden bedoeld die zijn aangewezen door Provinciale Staten van Drenthe op de kaart Wet ammoniak en veehouderij. De zone van 250 meter daaromheen is een gevolg van die aanwijzing. In die zone gelden dezelfde regels als in het zeer kwetsbare gebied. Vanwege het digitale kaartsysteem van de Omgevingswet moet ook die 250 meter zone worden aangewezen. Omdat dezelfde regels gelden in zowel het zeer kwetsbare gebied als in de zone van 250 meter daaromheen is er gekozen voor 1 werkingsgebied: voor verzuring gevoelig gebied (zeer kwetsbaar gebied kaart Wav plus 250 meter daaromheen).  

Op de kaart is er dus een vlek te zien. “Achter de schermen” bestaat het werkingsgebied echter nog steeds uit twee kaartlagen; namelijk het zeer kwetsbare gebied (kaart Wav) en het gevolg van die aanwijzing: de zone van 250 meter daaromheen. Bij een aanpassing van de begrenzing is het zeer kwetsbare gebied leidend, niet het werkingsgebied verzuring gevoelig gebied. Immers het werkingsgebied bestaat ook nog uit de zone 250 meter. 

Vrijstellingszone X is de buitenste schil van het voor verzuring gevoelige gebied en vanaf daar gerekend 100 meter naar binnen. Deze zone is niet als apart werkingsgebied aangewezen. De 100 metergrens kan op het kaartmateriaal in het DSO worden uitgemeten. 

Afbeelding met cirkel, schermopname, diagram, Kleurrijkheid

Door AI gegenereerde inhoud is mogelijk onjuist.

Ad 3 De wijziging van het begrip landbouwhuisdieren 

In deze instructieregel wordt in het licht van de beoogde beleidsneutrale overgang een afwijkende term voor het begrip landbouwhuisdieren gebruikt door hier ook “paarden en pony’s voor het berijden” aan toe te voegen. Hiermee is aangesloten bij de definitie van het begrip landbouwhuisdier zoals dat voor 1 januari 2024 gold (zie de toelichting op art. 22.96 van de bruidsschat). Gelet op ECLI:NL:RVS:2010:BO7364 gaat het hierbij niet om de intentie waarmee de dieren in een specifiek geval worden gehouden. Bepalend voor de vraag of het dier onder de definitie valt is of het diertype in de regel voor de genoemde doeleinden wordt gehouden. 

Artikelsgewijze toelichting 

Dit artikel bevat de instructie om de inhoudelijke regels zoals eerder opgenomen in het Activiteitenbesluit, en vervolgens in het voorbereidingsbesluit, op te nemen in het omgevingsplan. 

Artikel 0 (Begripsbepalingen) 

Zoals eerder aangegeven is het voor een beleidsneutrale omzetting nodig om met een afwijkende definitie van het begrip landbouwhuisdier te werken. Dit werkt ook door in de definitie van het begrip dierenverblijf, vandaar dat op grond van de instructie deze twee afwijkende begrippen moeten worden opgenomen in het omgevingsplan. 

Artikel 1(toepassingsbereik / aanwijzing) 

Het toepassingsbereik is, net als in het Activiteitenbesluit en in art. 2.1 van het voorbereidingsbesluit beperkt tot bedrijven waar bedrijfsmatig de meer dan de genoemde aantallen dieren worden gehouden. 

In het tweede lid is de zogenaamde “vrijstellingszone X” gedefinieerd die nodig is bij het toepassen van de vrijstelling in artikel 2 lid 4 van de regeling. 

Artikel 2 (Grote en kleine mestbassins) 

Het eerste lid geeft de hoofdregel: een verbod om kleine en grote mestbassins in een voor verzuring gevoelig gebied (inclusief de zone van 250 meter om het eigenlijke gebied heen) op te richten. Het tweede lid geeft een uitzondering voor situaties waarin het mestbassin conform de regels zou zijn opgericht, maar het gebied op een later moment dichter bij komt te liggen. Het derde lid spreekt voor zich en zondert mestkelders uit. Voor het vierde lid is de vrijstellingszone X van belang (gedefinieerd in artikel 0). Binnen deze zone kunnen wel mestbassins worden opgericht mits de gezamenlijke oppervlakte op het gehele bedrijf (de locatie waar de milieubelastende activiteit plaatsvindt) niet meer dan 350 vierkante meter bedraagt. Het vijfde lid geldt voor bedrijven die op het moment dat de regeling in het verleden is ingevoerd, al bestonden. Deze bedrijven mogen bestaande mestbassins continueren en zelfs een nieuw mestbassin realiseren, op voorwaarde dat aan de oppervlakte-eis wordt voldaan en er (vrij vertaald) geen andere oplossing is. 

Artikel 3 (Dierenverblijf) 

Dit artikel bevat de hoofdregel voor dierenverblijven (art. 2.4 van het voorbereidingsbesluit): een verbod om dierenverblijven in een voor verzuring gevoelig gebied (inclusief de zone van 250 meter om het eigenlijke gebied heen) op te richten. Ter toelichting op de zinsnede “waar rechtmatig landbouwhuisdieren worden gehouden” is van belang dat hier niet aan voldaan wordt als een bedrijf op de betreffende locatie gestopt is en een (ander) bedrijf zich later op die locatie zou willen vestigen, zie RBNNE LEE 17/2472 d.d. 20 dec. 2018. De enige uitzondering hierop betreft nieuwe veehouderijen met dieren die in hoofdzaak ten behoeve van natuurbeheer worden gehouden. De reden voor deze uitzondering is dat beweiding essentieel kan zijn voor de instandhouding van natuurgebieden. 

Artikel 4 (Uitbreiding / wijzigen dierenverblijf) 

Dit artikel regelt de uitbreidings- en wijzigingsmogelijkheden voor bestaande veehouderijen. Bestaande veehouderijen binnen de zone hebben een emissieplafond (art. 4 lid 1 onder a). Binnen dit plafond mogen veehouders zelf weten welke en hoeveel dieren ze willen houden. Onder b is een soortgelijke regeling opgenomen specifiek voor melkveehouders. Dieren die vallen onder de categorieën c t/m e zijn vrijgesteld (mits de uitbreiding plaats vindt bij een bestaande veehouderij). Het tweede lid geeft regels over het wijzigen van stalsystemen. In het derde lid zijn rekenregels opgenomen voor het bepalen van het plafond, waarin bijvoorbeeld is geregeld dat de ammoniakemissie van “vrijgestelde diercategorieën” niet meetelt voor het berekenen van het plafond.

DDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.34 Landgoederen

In de Omgevingsvisie Drenthe is vastgelegd dat de provincie de ontwikkeling van nieuwe landgoederen als vorm van kleinschalige, nieuwe woonmilieus stimuleert. In deze verordening zijn de eisen uitgewerkt waaraan de ontwikkeling van landgoederen moet voldoen zodat een duurzame instandhouding gewaarborgd is. 

Onder huis van allure wordt een huis verstaan welke qua uitstraling en vormgeving past bij het gehele landgoed.

Het is niet mogelijk om een nieuw landgoed in het Natuurnetwerk Nederland te realiseren. Zie voor het verbod op het ontwikkelen van landgoederen binnen NNN artikel 3.30, vijfde lid, van deze Omgevingsverordening.

Lid 1 

Naast een wooneenheid van allure dat het hoofdgebouw van het landgoed vormt, zijn er maximaal twee bijgebouwen ten dienste van het landgoed toegestaan. De reden voor het opnemen van deze voorwaarde is om de bebouwing op het landgoed beperkt te houden.

De provincie gaat ervan uit dat een bos een onlosmakelijk onderdeel is van het landgoed. Er dient daarom op het landgoed een nieuw bos van minimaal 15 hectare aangeplant te worden en daarmee in stand moet blijvenworden gehouden. In de praktijk wordt de bestemmingfunctie landgoed vastgelegd in een omgevingsplan waarmee de instandhouding is gewaarborgd.

De karakteristieke verschijningsvorm brengt mee dat het landgoed een eenheid vormt en dat zijn samenstellende onderdelen een zekere samenhang vertonen. Mede daarom is bepaald dat de landschappelijke elementen op het terrein een aaneengesloten gebied vormen. Met aaneengesloten wordt bedoeld dat de aanwezige natuurwaarden en (de samenstellende delen van) het onroerend goed landschappelijk en functioneel een geheel vormen. Ook als terreinen en wateren worden gescheiden door wegen, spoorwegen, dijken, of waterlopen, kunnen deze worden aangemerkt als aaneengesloten gebied, voor zover er een landschappelijke en functionele samenhang is. In alle gevallen moet de landschappelijke en functionele samenhang herkenbaar aanwezig zijn.

Om te borgen dat het landgoed aansluit bij de verschillende Drentse kernkwaliteiten, moet de eigenaar van het landgoed ten eerste ervoor zorgen dat een landschapsontwerp aanwezig is voordat het nieuwe landgoed wordt gerealiseerd. Het landschapsontwerp moet in ieder geval inzichtelijk maken hoe het landgoed aansluit bij de voor dat gebied relevante landschapstypen en Kernkwaliteiten zoals opgenomen in deze omgevingsverordening. Daarom wordt als aanvullende voorwaarde gesteld dat het landschapsontwerp is opgesteld door een geregistreerd landschapsarchitect. Ten tweede moet, naast het landschapsontwerp, ook een beheerplan opgesteld zijn waarin wordt omschreven welke beheermaatregelen de komende tien jaar worden genomen om het landschap duurzaam in stand te houden. Continuering van het beheerplan na de eerste tien jaar is wenselijk.

Bij het vaststellen van het omgevingsplan moeten deze twee documenten als bijlage opgenomen zijn.

Lid 2

Om te verzekeren dat het landgoed ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd en in stand gehouden in overeenstemming met het landschapsontwerp en beheerplan is het vereist om in het omgevingsplan een gebod of voorwaardelijke verplichting op te nemen. Dit gebod of deze voorwaardelijke verplichting moet het onmogelijk maken om de betreffende percelen te gebruiken voor de functie landgoed als de feitelijke situatie afwijkt van het landschapsontwerp en het beheerplan.

EEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.35 Bosclustering

In de Omgevingsvisie Drenthe is vastgelegd dat de provincie de aanleg van nieuwe bossen en landgoederen stimuleert. Aangezien de aanleg van nieuwe bossen een middel is om grotere, aaneengesloten natuurgebieden en ecologische verbindingen te realiseren is in deze verordening ten eerste bepaald dat nieuwe bossen dienen aan te sluiten bij bestaande bos- en natuurgebieden. De provincie streeft naar robuuste natuur- en robuuste landbouwgebieden. De bosclustering is een middel om hieraan inhoud te geven. Versterking van een bosrijke omgeving is daarnaast ook goed mogelijk aan de randen van woongebieden en sportterreinen of grenzend aan industrie- en bedrijventerreinen. Daarmee worden reeds aanwezige groenelementen aan de rand van bebouwd gebied versterkt.

Sub Lid 1 sub a

Waardevolle bosgemeenschappen zijn bossen met zeldzame planten en dieren, landschappelijk waardevolle beplantingen en zeer fraaie bomen,. Het begrip verwijst naar de Drentse Bomen- en Bossenstrategie zoals aangegevenvastgesteld op 28 september 2022. De in dit artikel bedoelde waardevolle bosgemeenschappen zijn weergegeven en terug te vinden op de Bosfunctiekaart die als bijlage 2 is opgenomen in de Drentse Bomen- en Bossenstrategie (2022). 

Sub Lid 1 sub d

Een woonkern is de begrenzing van de bebouwde kom zoals bedoeld in de Wegenverkeerswet. Om nieuw bos ook aan de randen van industrie- en sportterreinen buiten de bebouwde kom mogelijk te maken zijn deze begrippen toegevoegd aan lid 1, onder d.

Lid 2

Het nieuw aan te leggen bos moet voldoen aan een aantal vereisten. Deze voorwaarden zijn opgenomen om zoveel mogelijk te borgen dat er een kwalitatieve, ecologisch verantwoorde en duurzame houtopstand ontstaat op de locatie van de bosclustering. Dat is mede van belang met het oog op het versterken van reeds aanwezige bos- en natuurgebieden of groenelementen aan de rand van bebouwd gebied.

Lid 2 sub b

Boomsoorten met rijkstrooisel leveren een positieve bijdrage aan de bosbodemontwikkeling en de vocht- en nutriëntenbeschikbaarheid. Onderzoek wijst uit dat vanaf een bijmenging met 30% van deze soorten het effect aantoonbaar wordt. Dit zijn boomsoorten met goed afbreekbaar blad, nutriënten die hierin zijn opgeslagen komen weer snel vrij en zijn daardoor beschikbaar voor de aanwezige vegetatie. Een deel van deze soorten (zoals linde en zoete kers) wortelen diep, waardoor ze uit diepere bodemlagen nutriënten en mineralen kunnen opnemen. Via hun goed afbreekbare blad kunnen deze nutriënten en mineralen weer in de bovenste bodemlaag beschikbaar komen. 

Hieronder zijn de rijk- en neutraal strooiselsoorten opgesomd die in ieder geval voor het Nederlandse bos relevant zijn.

Rijkstrooiselsoorten

Neutraal strooiselsoorten

Iep

Berk

Linde

Zilverspar

Zoete kers

Douglas

Els

 

Haagbeuk

 

Boomhazelaar

 

Elsbes

 

Esdoorn

 

Wilg

 

Populier

 

Europese vogelkers

 

Lijsterbes

 

Hazelaar

 

Lid 2 sub c

Om de (ecologische) kwaliteit van nieuw bos te waarborgen dient er uitsluitend gebruik te worden gemaakt van bosbouwkundig selectiemateriaal waarvan de herkomst is opgenomen in de meest actuele Rassenlijst Bomen, zoals opgesteld door het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN) in opdracht van de Raad voor plantenrassen. Deze rassenlijst is te vinden op https://www.rassenlijstbomen.nl/

Lid 2 sub e

In de teelt van bosplantsoen worden standaardmaten gehanteerd waar ook in artikel 4.24 naar wordt verwezen. Op basis van de maatvoering van het plantmateriaal wordt de minimale plantafstand en minimum hoeveelheid aan te planten stuks per hectare voorgeschreven. Dit zorgt ervoor dat onder normale weers- en groeiomstandigheden de aanplant binnen 3 jaar na aanplant in sluiting is en daarmee een nieuwe generatie bos kan worden gewaarborgd met inachtneming van duurzaamheid, kwaliteit en ecologie. 

Lid 3

De herkomst van een plantmateriaal is cruciaal. De groeiprestatie kan aan een herkomst worden gekoppeld. Aangezien het onzeker is of de huidige soorten en herkomsten die opgenomen zijn op de Rassenlijst Bomen het tempo van de klimaatverandering kunnen bijhouden dient hierop te worden geanticipeerd. Het is echter ook onzeker of soorten en herkomsten uit gebieden waar het huidige groeiklimaat vergelijkbaar is, hier een goede groei vertonen. Boomsoorten die niet op de Rassenlijst Bomen staan vermeld zijn in feite alle boomsoorten die niet als inheems of ingeburgerd worden beschouwd. Bij een keuze voor een nieuwe soort dient te worden geselecteerd op de volgende aspecten: groeiplaatseisen, droogtetolerantie, nachtvorsttolerantie, strooiselkwaliteit, wortelstelsel, gevoeligheid voor ziekten en plagen én risico op een invasief karakter. Soorten die op nationaal en internationaal erkende lijsten van invasieve soorten (Lijst van Invasive Alien Species van de Europese Unie & ‘Veldgids invasieve houtige planten in Nederland’ van de NVWA) staan zijn niet toegestaan bij aanplant. 

In het geval van bos dat wordt aangelegd aansluitend op bestaand bos met inheemse eigenschappen van 100 jaar of ouder, is het planten van uitheemse soorten bij wijze van experiment uitgesloten. Vanuit ecologisch oogpunt is het belangrijk dat het oude bos uitsluitend met autochtoon bomenmateriaal wordt uitgebreid.

FFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.5 Vergunningvrije gevallen schadesoorten

Lid 1

De aanwijzing van vergunningvrije gevallen waar het gaat om schadesoorten, wordt gecontinueerd. Dit betekent dat de soorten die in de op lid 1 gebaseerde bijlage worden aangewezen, dezelfde zijn als onder de vorige POV. De wettelijke basis, die voorheen was gelegen in artikel 3.15, derde lid, van de Wet natuurbescherming is nu gelegen in artikel 11.42 Bal in samenhang met artikel 8.74j, eerste lid, onder b. onder 3°, van het Bkl. Het gaat om soorten die niet al door het Rijk zijn aangewezen, die niet in hun voortbestaan worden bedreigd of gevaar lopen en die in hun provincie schade veroorzaken. Door het rijk zijn Canadese ganzen, houtduiven, kauwen, zwarte kraaien vrijgesteld in artikel 11.43 Bal, en konijnen en vossen in artikel 11.57 Bal. Deze soorten zijn zodoende niet opgenomen in de provinciale vrijstellingslijst voor schadesoorten.

Artikel 11.37, derde lid, Bal kent al een uitzondering op het verbod op het opzettelijk storen van Vogelrichtlijnsoorten. Voorwaarde hierbij is dat het opzettelijk storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Voor het aanwijzen van schadesoorten als bedoeld in artikel 11.45, tweede lid, aanhef en onder d., van het Bal geldt een minder zware eis. Hiervoor geldt immers dat de dieren niet in hun voortbestaan worden bedreigd. Om een discussie over de mate van de verstoring (is deze van wezenlijke invloed of niet?) in de praktijk te voorkomen, zijn de vogelrichtlijnsoorten uit bijlage VI van de vorige POV opnieuw aangewezen. Het gaat om de soorten: kolgans, grauwe gans, smient, brandgans, rietgans, knobbelzwaan, roek en spreeuw). In alle gevallen gaat het om soorten die niet in hun voortbestaan worden bedreigd en dat gevaar ook niet lopen. De vrijstelling zoals geregeld in het tweede lid geldt dus alleen in het geval dat het verbod van artikel 11.37, eerste lid, van het Bal van toepassing is. De provinciale vrijstelling geldt dus niet als de verstoring al is vrijgesteld op grond van de 11.37, derde lid, van het Bal.

Lid 2

Op grond van artikel 11.37, eerste lid, van het Bal is het verboden om opzettelijk vogels te verstoren. In juridische zin wordt gesproken over 'opzettelijk verstoren' terwijl in het normale taalgebruik het woord 'verjagen' hiervoor gebruikt wordt, waarbij het oogmerk is om de vogels naar een andere plek te laten vliegen. Dit verjagen wordt door deze vrijstelling vrijgesteld voor zover de handeling al niet op grond van artikel 11.37, derde lid, Bal is vrijgesteld. Zie voor meer hierover de toelichting bij eerste lid van dit artikel hierboven.

De wettelijke grondslag voor deze vrijstelling is gegeven in artikel 11.42 van het Bal. Hierin is bepaald dat Provinciale Staten vergunningvrije gevallen kunnen aanwijzen, gezien artikel 8.74j, eerste lid, onder b. onder 3°, van het Bkl onder meer voor de bestrijding van schadeveroorzakende vogels en dieren. Gezien artikel 11.45, tweede lid, van het Bal mag dit uitsluitend aan de grondgebruiker. Hiermee is ook duidelijk dat van de vrijstelling alleen gebruik mag worden gemaakt om een reële (dreigende) landbouwschade te voorkomen. De vrijstelling mag niet gebruikt worden om zonder doel ganzen te verstoren.

Voor de vrijstelling geldt daarnaast op grond van artikel 8.74j, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bkl het criterium dat geen andere bevredigende oplossing beschikbaar mag zijn in de vorm van effectieve middelen of methoden om de betrokken schade te voorkomen zonder overtreding van de verbodsbepalingen. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan effectieve middelen voor het weghouden of verjagen van de betrokken vogels en andere dieren. Aangezien de provinciale vrijstelling voor grondgebruikers alleen het opzettelijk verstoren van de aangewezen schadesoorten vrijstelt (en dus niet vangen of doden) kan gebruikmaking van deze vrijstelling als andere bevredigende oplossing worden beschouwd.

Lid 3

De verplichting voor een zogenoemde grondgebruikersverklaring is opgenomen voor de handhaafbaarheid van de bepaling. Een toezichthouder kan bij een vermeende overtreding vragen om een dergelijke verklaring waarmee direct duidelijk kan worden of wel of geen overtreding plaatsvindt.

Lid 4

De vrijstelling zoals geregeld in tweede lid is, volgens het vierde lid, niet van toepassing in de aangewezen rustgebieden. Deze uitzondering is opgenomen als gevolg van hetgeen hierover in het Flora- en faunabeleidsplan 2014 was geregeld. In dat beleidsplan is het rustgebied Leekstermeer al aangewezen. De opname van het rustgebied Leekstermeer in bijlage VIII is een formalisatie van dit bestaande beleid.Ter compensatie van de landbouwschade in dit rustgebied is in het Flora- en faunabeleidsplan bepaald dat de grondgebruiker in geval van schade 100% van zijn getaxeerde schade vergoed krijgt en geen taxatiekosten hoeft te betalen.

De vrijstelling zoals geregeld in tweede lid is, volgens het vierde lid, niet van toepassing in de aangewezen foerageergebieden. Ter compensatie van de landbouwschade in dit foerageergebied ontvangt de grondgebruiker in geval van schade 100% van zijn getaxeerde schade vergoed en hoeft geen taxatiekosten te betalen. In de provinciale omgevingsverordening was één rustgebied weergegeven, te weten: nabij het Leekstermeer. Dit gebied blijft aangewezen.

Lid 5

In artikel 11.44, vierde lid, aanhef en onder a., van het Bal is geregeld dat het verplicht is om bij verordening middelen aan te wijzen die mogen worden gebruikt ter uitvoering van het de vrijstelling voor de grondgebruiker. Daarbij is ook verplicht gesteld dat voor het bestrijden van vogels slechts middelen mogen worden aangewezen die nadelige gevolgen voor het welzijn van vogels voorkomen dan wel zo veel mogelijk beperken. Hiermee is rekening gehouden bij het vaststellen van de middelenlijst. Voor zover het gaat om preventieve middelen zal aan deze eis overigens snel zijn voldaan.

Lid 6

In dit lid wordt uitgelegd voor welke soort schade de in het tweede lid bedoelde vrijstelling geldt. Kortheidshalve is verwezen naar de wettelijke bepaling waarin de keuzemogelijkheden voor schade staan. Dit betreft feitelijk belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij, wateren.

GGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.24 Maatwerkregel herbeplanten op bosbouwkundig verantwoorde wijze

Gezien artikel 11.117, eerste en tweede lid, Bal kunnen wij bij omgevingsverordening maatwerkregels stellen over een bosbouwkundig verantwoorde wijze van herbeplanting zoals bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, van het Bal. De term 'bosbouwkundig' lijkt erop te wijzen dat houtproductie nog steeds het belangrijkste doel is van het bos. Veel Drentse bossen en beplantingen zijn echter ook belangrijk vanwege de waarden van natuur, cultuurhistorie en landschap. Om de waarden van natuur, landschap en cultuurhistorie onder bosbouwkundig verantwoord te laten vallen hebben wij het noodzakelijk geacht om de term 'bosbouwkundig verantwoord' verder uit te werken wat er wordt bedoeld met de eis van herbeplanting op bosbouwkundig verantwoorden wijze en dit vast te leggen in de omgevingsverordening.

Op oude landgoederen en landschappen zijn beplantingen de dragers van de ruimtelijke structuren. Gezien het grote maatschappelijke belang van de herkenbaarheid van deze structuren is het belangrijk dat bij de herbebossing hiermee rekening gehouden wordt. Bij landschappelijke en cultuurhistorische waarden van bossen en beplantingen valt de denken aan beeldbepalende laanbeplantingen in bossen, wegbeplantingen, houtwallen en groepen met oude bomen. Het kan noodzakelijk en gewenst zijn deze beplantingen te vellen vanwege ouderdom, sterfte of dat de beplanting gevaar oplevert in verband met windworp of doodhout. Wanneer deze beplantingen hoge landschappelijke waarden hebben, dan is het gewenst dat een herbebossing ook deze waarden weer voort kan brengen. Waar in dit artikel wordt gesproken over ‘plantsoen’ wordt gedoeld op jonge bomen en struiken die zijn gekweekt voor aanplant in bossen.

Opgenomen is dat de herbebossing binnen een termijn van 3 jaar 80% dient te zijn. Om dit te bereiken is het noodzakelijk dat voldoende plantmateriaal gebruikt wordt. Bij naaldhout zal dit in het algemeen minimaal 3500 st/ha zijn, bij loofhout 5000 st/ha en bij laanbeplantingen zal de plantafstand maximaal 4 meter zijn. Met natuurlijke verjonging zal het in het algemeen niet lukken op in de genoemde korte periode een hoge bedekkingsgraad te realiseren. Daarom is het mogelijk, wanneer het voldoende aannemelijk is dat de herbebossing voldaan kan worden, uitstel te krijgen voor bovengenoemde termijn.

Lid 2 sub b

Belangrijk is de voorwaarde dat de herplant plaatsvindt met boomsoorten die overeenkomen met de gekapte bomen te plaatse. Dit om te voorkomen dat er een geheel andere bosstructuur wordt aangelegd op bosbodems die daarvoor niet ontwikkeld zijn. Dit dient te worden afgewogen op basis van de criteria inheems of uitheems en naald- of loofbos. De tabel zoals opgenomen in bijlage […] dient te worden gebruikt om te bepalen binnen welke categorie de gevelde bomen vallen en dus welke soorten uit dezelfde categorie teruggebracht moeten worden.

Lid 2 sub c

Plantsoen met een leeftijd jonger dan 2 jaar is ecologisch gezien kwetsbaar en heeft een lagere kans om uit te groeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand en levert een vertraging op in de bosontwikkeling. Om deze reden wordt plantsoen jonger dan 2 jaar uitgesloten voor bosbouwkundig verantwoorde herplant.

Lid 2 sub d

Om een volwaardige en duurzame houtopstand te bereiken is het noodzakelijk dat voldoende plantmateriaal gebruikt wordt. Daarom wordt in het tweede lid, onder c, aangesloten bij de voorwaarde voor het bepalen van het eindbeeld van het opgaande bos, zoals opgenomen in artikel 3.35, tweede lid, sub e, van deze verordening.

Lid 3

Ondanks dat het uitgangspunt is dat er plantsoen wordt gebruikt met een minimale leeftijd van 2 jaar zijn er situaties waarin uitzondering mogelijk is, zolang uitgroei tot een volwaardige en duurzame houtopstand aannemelijk is. Hierbij kan met name worden gedacht aan het in de professionele bosbouw veel gebruikte plugplantsoen. Het is aan degene waarop de herplantplicht rust om aannemelijk te maken en te onderbouwen dat het gebruikte plantsoen zal uitgroeien tot een volwaardige en duurzame houtopstand. De onderbouwing kan voorafgaand aan de herplant worden ingediend bij de afdeling Vergunningen, Toezicht en Handhaving van de provincie. Op die manier is voor zowel de initiatiefnemer als de provincie duidelijk of het beoogde plantsoen of plantmateriaal is toegestaan voordat de herplant wordt uitgevoerd. 

HHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.25 Maatwerkregel Maatwerkvoorschrift voorwaarden aanvraag ontheffing herbeplanting op andere grond

Het is op grond van art. 11.130, eerste lid Bal, mogelijk een maatwerkvoorschrift te geven met betrekking tot de aanvraag om een ontheffing tot herbeplanting op andere gronden. In dit maatwerkvoorschrift zijn de vereisten voor een aanvraag opgenomen. Hoewel het niet verplicht is om dit te regelen, vergemakkelijkt het vastleggen van deze vereisten zowel aanvragen als het beoordelen hiervan. 

De aanvraag voor een toestemming voor herplant op andere grond wordt afgewezen indien deze niet binnen vier weken na het indienen van de kapmelding is ingediend. Het gevolg daarvan is dat de herplant alsnog op dezelfde grond dient plaats te vinden conform artikel 11.129 van het Bal, of als dat niet mogelijk is, de kapmelding buiten behandeling wordt gesteld of bij maatwerkvoorschrift een kapverbod wordt opgelegd op grond van artikel 11.128 van het Bal.

III

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.26 Maatwerkvoorschrift voorwaarden herbeplanting op andere grond

Op grond van artikel 11.130, aanhef en onder a., van het Bal kunnen bij omgevingsverordening de eisen worden vastgelegd waaraan boscompensatie op andere grond moet voldoen. Het is wenselijk dat boscompensatie mogelijk blijft. De regeling onder de oude POV wordt voortgezet.

Uitgangspunt voor de provincie is dat het natuur- en bosareaal beschermd zijn. Daarom wil de provincie bij een omvorming van bos naar landbouwgrond alleen meewerken aan een ontheffing herplantplicht op andere gronden indien de compensatie op landbouwgrond wordt gerealiseerd (zie het tweede lid).

Daar waar reeds een verplichting tot aanplant geldt mag niet nogmaals gecompenseerd worden. Dit wordt aangemerkt als stapeling en is onwenselijk omdat daardoor minder natuur zou worden gecompenseerd (dit is vastgelegd in het vierde lid).

Op grond van artikel 11.130, aanhef en onder a., van het Bal kunnen bij omgevingsverordening de eisen worden vastgelegd waaraan boscompensatie op andere grond moet voldoen. Het is wenselijk dat boscompensatie mogelijk blijft. De regeling onder de oude POV wordt voortgezet.

Uitgangspunt voor de provincie is dat het natuur- en bosareaal beschermd zijn. Daarom wil de provincie bij een omvorming van bos naar landbouwgrond alleen meewerken aan een ontheffing herplantplicht op andere gronden indien de compensatie op landbouwgrond wordt gerealiseerd (zie het tweede lid).

Daar waar reeds een verplichting tot aanplant geldt mag niet nogmaals gecompenseerd worden. Dit wordt aangemerkt als stapeling en is onwenselijk omdat daardoor minder natuur zou worden gecompenseerd (dit is vastgelegd in het vierde lid).

In bepaalde gevallen is het wenselijk om bos op de betreffende locatie te behouden. Om in een dergelijk geval het verzoek om verplaatsing te kunnen weigeren is in lid 1 het bepaalde onder d. opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan voor vleermuizen belangrijke lijnbeplanting, bossen op oude groeiplaatsen of cultuurhistorische beplantingen, zoals lanen, esrandbeplantingen, beekdalbeplantingen, houtwallen, karakteristieke wegbeplantingen.

Verder moet de herplant op andere grond ook voldoen aan een bosbouwkundige verantwoorde wijze van herplant. Omdat bij herplant op andere grond sprake is van een nieuw bos zijn de kwalitatieve vereisten die aan een nieuw bos worden gesteld tevens van toepassing. Deze zijn opgenomen in artikel 3.35, tweede en derde lid van de verordening.

JJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.1 Zorgplichtbepaling

De zorgplichtbepaling is een uitwerking van de algemene zorgplichtbepaling voor de fysieke leefomgeving die is opgenomen in artikel 1.6 van de Omgevingswet. De uitzonderingenDaarnaast zijn in deartikel 6.1 van deze verordening uitzonderingen opgenomen, om te voorkomen dat de bepaling betrekking zou hebben op een onderwerp waarin een wet in formele zin al voorziet of in een onderwerp dat uitdrukkelijk voordoor de provinciale wetgever is uitgesloten. Indien deze beperkingen op de zorgplicht niet zouden worden opgenomen, bestaat het risico dat de bepalingzorgplichtbepaling in zijn geheel onverbindend is.

KKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Rond de plaatsen waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening zijn beschermingsgebieden gecreëerd. Binnen die gebieden gelden regels die ten doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming ligt niet in alle gebieden op eenzelfde niveau. Er is een nadere onderverdeling van de beschermingsgebieden ingesteld: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en verbodszones diepe boringen.

Rond de plaatsen waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening zijn beschermingsgebieden gecreëerd. Binnen die gebieden gelden regels die ten doel hebben de kwaliteit van het grondwater te beschermen. Die bescherming ligt niet in alle gebieden op eenzelfde niveau. Er is een nadere onderverdeling van de beschermingsgebieden ingesteld: waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en verbodszones diepe boringen. Waterwingebieden worden begrensd door de lijn van waaraf het grondwater ten minste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de winningsmiddelen (de pompputten) te bereiken. Deze 60 dagen zijn gekozen omdat wordt aangenomen dat een verblijftijd van het grondwater in de bodem van 60 dagen voldoende is voor een zodanige afbraak van ziekteverwekkende kiemen, dat er geen gevaar voor de volksgezondheid meer dreigt. De afstand van de grens van het waterwingebied tot de winningsmiddelen dient daarom minimaal 30 mmeter te bedragen. De grondwaterbeschermingsgebieden en overige beschermingszones liggen rondom de waterwingebieden. Hierbij wordt uitgegaan van het principe van maatwerk voor wat betreft de omvang van de beschermingsgebieden. Dit maatwerk is gerelateerd aan de mate van kwetsbaarheid van de winning en is afgeleid van de geohydrologische opbouw van de ondergrond en van de grondwaterkwaliteit. De toegepaste berekeningsmethode geeft naast inzicht in de ligging en omvang van de intrekgebieden ook informatie over verblijftijden van het opgepompte water en de bijbehorende volumepercentages. Met behulp van een 'responskarakteristiek' wordt daarmee een indruk verkregen van de kwetsbaarheid van de winning. Zo kenmerkt een kwetsbare winning zich door een groot volumepercentage (meer dan 80%) met een geringe leeftijd (minder dan 100 jaar), terwijl bij een niet-kwetsbare winning een groot deel van het opgepompte water verblijftijden kent van enkele honderden tot meer dan duizend jaren. Op basis van de berekeningsmethode zijn voor wat betreft de ligging van het intrekgebied en de mate van kwetsbaarheid 3 typen winningen onderscheiden. T

Type ype winningkwetsbaarheid

  • a.

    Het intrekgebied ligt aaneengesloten rondom het puttenveld: kwetsbaar.

  • b.

    Deel   van het intrekgebied ligt nabij de putten en een deel ligt ver weg: minder kwetsbaar. Deel van het intrekgebied ligt nabij de putten en een deel ligt ver weg: minder kwetsbaar.

  • c.

    Het intrekgebied ligt ver weg; grote verblijftijden door de aanwezigheid van slecht doorlatende kleilagen: niet kwetsbaar.

Bij kwetsbare winningen is ernaar gestreefd het gehele intrekgebied te beschermen en aan te wijzen als grondwaterbeschermingsgebied. Bij dergelijke (kwetsbare) winningen komt het intrekgebied praktisch overeen met de 100-jaarsverblijftijd, gerekend vanaf het maaiveld (horizontale en verticale reistijd). Een groot deel van de totale volumestroom wordt dan beschermd. Bij de niet-kwetsbare winningen, winningen onder goed afsluitende kleilagen, is de bescherming beperkt tot het puttenveld (het waterwingebied) vanwege de natuurlijke bescherming van de kleilagen. Daaromheen zijn verbodszones diepe boringen ingesteld; in deze gebieden is het verboden de kleilagen te doorboren. De grenzen van deze verbodszones zijn gebaseerd op de 25-jaarsverblijftijd in het watervoerend pakket (de horizontale reistijd onder de kleilagen). De overige regels en verbodsbepalingen zijn op deze gebieden niet van toepassing. Bij minder kwetsbare winningen ligt (meestal) een deel van het intrekgebied in de directe nabijheid van het puttenveld en een deel op grote(re) afstand met grote verblijftijden. De bescherming tegen diffuse verontreinigingen is beperkt tot het deel van het intrekgebied rondom het puttenveld met verblijftijden minder dan 100 jaar. Het deel van de volumestroom met een relatief snelle respons wordt dan beschermd. Voor potentiële puntverontreinigingen en fysische bodemaantastingen, die direct het diepere grondwater kunnen belasten, is vooral de horizontale grondwaterstroming in het watervoerend pakket van belang. Ter afbakening van de bescherming geldt een gebied, begrensd door de 25-jaarsverblijftijd in het watervoerend pakket.

LLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.2 Melding

Voor de handhaving van de in deze verordening gestelde regels over grondwaterbescherming is het van groot belang dat het bevoegd gezag tijdig informatie ontvangt over het voornemen om activiteiten uit te voeren die risico's voor de kwaliteit van het grondwater met zich mee brengen. Daarom is daarvoor een informatieverplichting in de verordening opgenomen. Hoewel ookOndanks dat het streven van de provincies er opprovincie is gerichtom zo min mogelijk administratieve lastendruk te veroorzaken, is het belang van een goede bewaking van de grondwaterkwaliteit zo zwaarwegend dat aan deze informatieverplichting niet valt te ontkomen. Bedacht moet worden dat al een geringe verontreiniging ernstige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater en daarmee voor de drinkwatervoorziening. Het kan zijn dat voor de activiteit waarvoor een melding moet worden gedaan, op grond van andere regelgeving al een melding moet worden gedaan. Het ligt voor de hand dat in een dergelijk geval de meldingen dan zoveel mogelijk tegelijkertijd worden gedaan. Wel zullen daarbij in ieder geval de termijnen en inhoudelijke eisen die in de verordening worden gesteld in acht moeten worden genomen. De regeling van de melding in de provinciale omgevingsverordening is als volgt.: De melding wordt uiterlijk negenvier weken voor de uitvoering van de activiteit gedaan. De melding bevat een beschrijving van de activiteit en de bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Na ontvangst van de melding wordt door het bevoegd gezag onverwijld een afschrift van de melding aan het drinkwaterbedrijf gezonden. Binnen zestwee weken na ontvangst stuurt het bestuursorgaan een brief waarin het aangeeft of het verwacht dat de activiteit waarvan melding wordt gedaan, gezien de ontvangen gegevens zal voldoen aan de gestelde regels. Het is onzeker of het geven van een dergelijke verwachting moet worden aangemerkt als het nemen van een besluit. Enerzijds kan de mededeling worden aangemerkt als een niet bindende beoordeling van de activiteit in vooroverleg. Anderzijds is er jurisprudentie dat de mededeling die een oordeel geeft over de aanvaardbaarheid van een activiteit, moet worden aangemerkt als een besluit, waartegen bezwaar en beroep open staat. Als de gegevens in de melding voor een beoordeling van de te nemen maatregelen onvoldoende zijn, kan met overeenkomstige toepassing van artikel 4:5 Awb om aanvullende gegevens worden gevraagd. De termijn waarbinnen het bestuursorgaan moet reageren, is zes weken. Bij overschrijding van de termijn wordt het oordeel van het bestuursorgaan geacht positief voor de melder te zijn. Als om aanvullende gegevens wordt gevraagd, wordt de termijn van zes weken opgeschort (artikel 4:15 Awb). Op grond van artikel 6.2, vierde lid moet de aanvang van de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden minimaal twee weken voor de uitvoering van de werkzaamheden schriftelijk aan het bestuursorgaan worden gemeld. Deze schriftelijke melding is ook toegestaan via een e-mail of fax.

MMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 6.2.2 Waterwingebieden

Artikel 6.3 Milieubelastende activiteiten in waterwingebieden

In waterwingebieden geldt een absoluut verbod voor het uitvoeren van een milieubelastende activiteit waarvoor een omgevingsvergunning vereist is op grond vandie in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving is aangewezen als milieubelastende activiteit. Het verbod voor het uitvoeren van een milieubelastende activiteit is in de praktijk minder ingrijpend dan het lijkt, omdat de meeste waterwingebieden in eigendom van de waterleidingbedrijven zijn en in die gebieden nagenoeg geen 'gewone'andere bedrijven aanwezig zijn. Bovendien kunnen de activiteitenActiviteiten die op het moment van inwerkingtreden van de bepaling voor waterwingebieden al aanwezig en in werking zijn overeenkomstig de daarvoor geldende regels, kunnen krachtens het overgangsrecht in werking blijven.

Artikel 6.4 Overige activiteiten in waterwingebieden

De regeling voor waterwingebieden beoogt een optimale bescherming zowel van het voor drinkwater bestemde grondwater als van de bodem waarvan het te winnen grondwater deel uitmaakt. Daarom is elke activiteit die ertoe kan leiden dat schadelijke stoffen die zijn bedoeld in het eerste lid, onder a, in het grondwater komen, verboden. In het tweede lid is een geen limitatieve opsomming van (potentieel) schadelijke stoffen opgenomen, omdat daarbij het gevaar bestaat dat nieuwe stoffen, die schadelijk (kunnen) zijn, niet onder de verbodsbepalingen vallen. De verordening zou dan telkens gewijzigd moeten worden. Om te bepalen of sprake is van een (potentieel) schadelijke stof is aansluiting gezocht bij landelijke regelgeving, te weten:deweten: de (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen, zoals vastgesteld door het RIVM; de stoffenlijst en afwegingsmethodiek behorende bij de Nederlandse richtlijn Bodembescherming 2012. Het verbod op het oprichten van bebouwing volgt uit het stand-still-beginsel, dat hier met zich meebrengtbrengt dat er geen toename van bebouwing in het waterwingebied dient temag zijn. Bestaande bebouwing valt overigens onder het overgangsrecht; herbouw is dus wel mogelijk. In het vierde lid zijn enkele activiteiten van het in het eerste lid opgenomen verbod uitgezonderd. De redenen daarvoor zijn divers. Sommige activiteiten zijn in een wingebied noodzakelijk voor de waterwinning. Dat geldt voor het oprichten van boorputten en controleputten. Andere activiteiten worden toegestaan omdat een verbod daarvan onevenredig grote nadelen met zich mee zou brengen, bijvoorbeeld het onderhoud van rioleringen en wegen, en gladheidbestrijding. Weer andere activiteiten kunnen worden toegelaten als sprake is van geringe hoeveelheden (kleinschalig gebruik van stoffen). Het begrip geringe hoeveelheid is afhankelijk van het gebruik ter plaatse. Er moet worden gedacht aan hoeveelheden die in elk huishouden aanwezig zijn. Verder moet de stof worden opgeslagen in een deugdelijke verpakking en zijn beschermd tegen weersinvloeden. Een deugdelijke verpakking is een verpakking die geschikt is om de stof te bevatten en voldoende bescherming biedt tegen verontreiniging van de bodem. Beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden betekent dat weersomstandigheden geen invloed op de stof of de verpakking mogen hebben waardoor de stof mogelijkerwijze in of op de bodem kan komen.

Artikel 6.5 Waterbeheerprogramma Beheerplan

Op grond van artikel 6.46.5 moeten de waterleidingmaatschappijen voor de bij hun in beheer zijnde waterwingebieden een waterbeheerprogrammabeheerplan opstellen. De verplichting was ook reeds in de vorige versie van de Omgevingsverordening opgenomen en inmiddels hebben alle waterleidingmaatschappijen hieraan voldaan. In het waterbeheerprogrammabeheerplan kunnen tevensook de activiteiten en handelingen worden opgenomen die zijn toegestaan in het waterwingebied ondanks het verbod dat is opgenomen in artikel 6.3. Omdat hiermee inbreuk wordt gemaakt op de verbodsbepalingen die door Provinciale Staten zijn opgesteld, is in het tweede lid de verplichting opgenomen dat Gedeputeerde Staten moeten instemmen met dit waterbeheerplan6.4 beheerplan.

NNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.6 Verboden

Een beperkt aantal activiteiten die schadelijk (kunnen) zijn voor de bodem en het grondwater zijn verboden. 

Schadelijke stoffen en milieubelastende activiteiten

Hoewel voor het gebruik en aanwezig hebben van (potentieel) schadelijke stoffen vanuit een doelbenadering in beginsel kan volstaan worden met het treffen van de hoogst mogelijke beschermingsmaatregelen, geldt hierop een uitzondering voor de (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen zoals vastgesteld door het RIVM: deze stoffen geven zeer ernstige risico's voor de gezondheid, zelfs bij zeer gering hoeveelheden daarvan in het drinkwater. Vanuit het belang van een veilige drinkwatervoorziening is het gerechtvaardigd deze stoffen niet te verbieden.Voor milieubelastende activiteiten die verboden zijn in grondwaterbeschermingsgebieden wordt verwezen naar artikelen in het Bal. 

Milieubelastende activiteiten

In Bijlage 18 van deze omgevingsverordening is een lijst opgenomen met milieubelastende activiteiten die zijn verboden binnen grondwaterbeschermingsgebieden. Het uitvoeren van dergelijke activiteiten levert een te groot risico op voor de kwaliteit van het grondwater dat ter plaatse wordt gebruikt voor de productie van drinkwater. In deze lijst is aansluiting gezocht bij de milieubelastende activiteiten zoals deze zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). 

Boorputten

Bij het uitvoeren van boringen kunnen in de bodem aanwezige afsluitende lagen worden verstoord. Verontreinigingen kunnen door middel van lekstromen in het diepere grondwater komen. Daarnaast is het van belang dat putten goed aan het maaiveld worden afgesloten. Bij beëindiging van de put moet er voor worden gezorgd dat boorgaten op een goede wijze weer worden opgevuld. Doorboring van afsluitende lagen moet worden hersteld. Het uitvoeren van boringen is dusdanig risicovol dat het verboden is een boring uit te voeren.

Grondwerken

Bij het roeren van de grond gaat het om het uitvoeren of doen uitvoeren van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken, boringen, grond- en funderingswerken en het plaatsen en verwijderen van damwanden, folies en heipalen. Het roeren van de grond in de eerste drie meter heeft weinig invloed op de kwaliteit van het grondwater en zal doorgaans geen gevaar opleveren. Daarom heeft het verbod alleen betrekking op activiteiten die drie meter of meer onder het maaiveld plaatsvinden. 

Bodemenergiesystemen

Warmtetoevoeging en warmteonttrekking aan bodem en grondwater vindt vooral plaats om te besparen op het gebruik van niet vernieuwbare energiebronnen. Gebouwen en processen kunnen op een energiezuinige manier van koeling en verwarming worden voorzien door gebruik te maken van ondergrondse energieopslag. Er wordt onderscheid gemaakt tussen open systemen (grondwatersystemen, KWO) en gesloten systemen (bodemwarmtewisselaars). In opensystemen wordt grondwater uit een watervoerend pakket op de ene locatie opgepompt, waarna het via een warmtewisselaar energie opneemt of afstaat, om vervolgens op een tweede locatie te worden geïnfiltreerd. Door het warme seizoen grondwater op de eerste locatie op te pompen en te gebruiken voor koeldoeleinden, en het daardoor opgewarmde grondwater op de tweede locatie te infiltreren ontstaat daar een "bel" van opgewarmd grondwater. Door omkering van de pompinrichting in het koude seizoen kan de opgeslagen warmte worden gebruikt voor verwarmingsdoelen. Er ontstaat dus een warme en een koude bron in de ondergrond die wisselend worden gebruikt voor koeling en verwarming.Een gesloten systeem werkt volgens hetzelfde principe, maar hier wordt via een in de ondergrond aangelegd gesloten systeem van (kunststof) slangen of buizen warmte aan de bodem toegevoegd in de zomer en onttrokken in de winter. Het gesloten systeem is gevuld met een vloeistof (bijv. glycol, water). De toepassing van deze systemen brengt risico's met zich mee voor de drinkwaterwinning. Opwarming van het grondwater kan leiden tot verandering van de chemische kwaliteit, er kan negatieve beïnvloeding optreden van de stromingsrichting van grondwater voor drinkwaterbereiding en daardoor mogelijk verplaatsen van (bekende of onbekende) verontreinigingen, en er kunnen zich calamiteiten voordoen bij gebruik van vloeistoffen in gesloten systemen. Ook het boren in de bodem kan een bedreiging opleveren. Deze systemen zijn daarom verboden in grondwaterbeschermingsgebied. 

Verhardingen en gebouwen

Verhardingen zoals wegen en parkeerplaatsen en gebouwen in grondwaterbeschermingsgebieden zijn tot nu toe aangemerkt als risico's en oorzaak van belasting van de bodem, zowel bij aanleg als gebruik. Echter: niet de aanwezigheid van verhardingen en gebouwen op zichzelf, maar de keuze van bouwmaterialen en het gebruik brengen risico's en mogelijk bodembelasting met zich mee. Het werkelijke risico wordt gevormd door het afstromend hemelwater. Hemelwater dat van nature schoon is, kan onderweg verontreinigingen opnemen van (bijvoorbeeld) uitlogende bouwmaterialen en van het verkeer. Het afstromend water van wegen bevat zware metalen, PAK's en minerale olie; in het afstromend hemelwater van gebouwen komen onder andere opgelost koper en zink voor. Bij een calamiteit op de weg kan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen in de berm komen. Bij ongecontroleerde infiltratie in de berm kan dit tot vervuiling van de bodem en het grondwater leiden. Generieke regelgeving beperkt dit risico onvoldoende, gelet op het bijzondere belang en de kwetsbaarheid van de drinkwatervoorziening. Het aanleggen van een snelweg of een intensief te gebruiken (auto)weg in een grondwaterbeschermingsgebied introduceert een relatief groot risico op calamiteiten met mogelijk grote gevolgen en is daarom in beginsel ongewenst. Een tracé buiten het grondwaterbeschermings¬gebiedgrondwaterbeschermingsgebied heeft de voorkeur, gezien vanuit het belang van de drinkwatervoorziening. Als dat niet mogelijk is, kan met adequate voorzieningen (best bestaande technieken) het risico van de weg tot verwaarloosbaar teruggebracht worden. Een absoluut verbod op het aanleggen van wegen is daarom niet proportioneel, evenals voor woonwijken, individuele gebouwen en dergelijke. Een dergelijk verbod zou in de praktijk kunnen leiden tot grote druk om een grondwaterwinning te sluiten om daarmee het verbod op te heffen. De grondwaterbescherming werkt dan averechts: in plaats van het beschermen van het grondwater wordt de winning gesloten. Daarmee zou dit middel zijn doel voorbijschieten. De Omgevingsverordening is er daarom op gericht de resterende risico's van verhardingen en gebouwen verwaarloosbaar te maken, onder meer door het tegengaan van infiltratie van vervuild water en bescherming van afsluitende grondlagen. Als handreiking aan de initiatiefnemer wordt hier verwezen naar het rapport 'Afstromend wegwater' (Commissie Integraal Waterbeheer, Den Haag, 2002), waarbij aangetekend wordt dat later nieuwe inzichten kunnen ontstaan waardoor dit rapport achterhaald wordt. De Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) komt - met het oog op de bodembescherming in het algemeen - tot een aantal maatregelen. Die komen onder andere neer op het gebruik van ZOAB, periodiek reinigen van de vluchtstrook en het gecontroleerd infiltreren in de berm of buiten het kwetsbare gebied. Dit 'gecontroleerd infiltreren' wordt in het rapport nader toegelicht. De CIW vervolgt dat het aan de provincies is om extra maatregelen te nemen met het oog op de bescherming van het drinkwater. De door de CIW voorgestelde maatregelen moeten als een minimum beschouwd worden.Voorworden. Voor intensief gebruikte wegen, zoals autosnelwegen en doorgaande (auto)wegen, met een relatief grote kans op incidenten, zijn zwaardere maatregelen nodig, zoals het gebruik van folies en afvoervoorzieningen in de wegbermen. Het opgevangen water wordt afgevoerd of met de best beschikbare technieken gezuiverd voordat het wordt geïnfiltreerd. Voor minder intensief bereden wegen zijn minder vergaande maatregelen nodig, mede afhankelijk van de kwetsbaarheid van het gebied. Voor kleine weggetjes is het uiteraard overbodig de bermen met folie in te pakken en het hemelwater op het riool af te voeren. De CIW-aanpak van gecontroleerd infiltreren is hier afdoende. Uiteindelijk beoordeelt het bestuursorgaan, aan wie de melding gedaan wordt, of de initiatiefnemer in die specifieke situatie voldoende maatregelen heeft getroffen. 

Toegestaan gebruik van de bodem, bijzondere zorgplicht

In deze Omgevingsverordening is afgezien van het opnemen van voorschriften die het 'normale', toegestane gebruik van de bodem (bijvoorbeeld bewoning) reguleren. Dit gebruik vormt een verwaarloosbaar risico, mits gebruikers 'met gezond verstand' en volgens de algemeen geldende regels met de bodem omgaan. De bijzondere zorgplicht van artikel 6.1 biedt voldoende mogelijkheden om eventuele uitwassen en de gevolgen daarvan aan te pakken. Daarom is afgezien van bijvoorbeeld het stellen van speciale regels aan bouwactiviteiten. Generieke regelgeving en de bijzondere zorgplicht zijn voldoende. Dit houdt ook in dat het bevoegde gezag bij vergunningverlening de initiatiefnemers op de risico's en de bijzondere zorgplicht wijst en zo nodig (aanvullende) voorschriften stelt zodat adequate bodembeschermende maatregelen worden getroffen. 

Diepinfiltratie

Bij diepinfiltratie wordt opgevangen hemelwater in watervoerende lagen gebracht, meestal enkele tientallen meters diep. Binnen de intrekgebieden van de drinkwatervoorziening vormt diepinfiltratie een groot risico, omdat het niet naleven van regels of het maken van fouten vergaande gevolgen heeft. Een eventuele verontreiniging kan immers zonder de reinigende werking (natuurlijke afbraak, adsorptie aan bodemdeeltjes) van een bodempassage direct in het watervoerende pakket doordringen. Een voorbeeld van een dergelijke fout is het verkeerd aansluiten van riolering of het lozen van vuil water op een hemelwaterkolk, waardoor vuil water in een hemelwaterriool terecht kan komen. Als dit water diep wordt geïnfiltreerd, kan dit een drinkwaterbron onbruikbaar maken. De regelgeving voor het grondwater in het algemeen (generieke regelgeving) is niet toereikend waar het gaat om de zorg voor de drinkwatervoorziening omdat deze wel regels stelt aan diepinfiltratie, maar het onvoldoende mogelijk maakt om in kwetsbare gebieden diepinfiltratie volledig uit te sluiten. In de verordening is daarom een absoluut verbod voor diepinfiltratie van afstromend water opgenomen. Ook andere, meer incidenteel, voorkomende vormen van diepinfiltratie zijn in het algemeen niet toelaatbaar. Dat volgt uit de algemene zorgplichtbepaling. 

Parkeren zonder aaneengesloten verharding

Het risico op lekkage en afspoelen van schadelijke stoffen van motorvoertuigen is bij de huidige stand der techniek beperkt, maar niet verwaarloosbaar. Parkeren op onverharde terreinen, dat wil zeggen: zonder aaneengesloten verharding, dus bijvoorbeeld op kale grond, gras, grind en steengranulaat, is ongewenst. Vaste parkeerplekken moeten daarom voorzien worden van een aaneengesloten verharding. Ook zijn er regels gesteld met betrekking tot afstromend water van verhardingen. Bij een aaneengesloten verharding, zoals asfalt en strak gelegde straatklinkers stroomt het merendeel of alle water af en kan dit worden opgevangen. Eventuele olielekkage wordt opgemerkt en opgevangen door de verharding en kan daarna kan worden opgevangen of uit het afstromend water worden gehaald. Het risico op bodemverontreiniging neemt toe met de intensiteit van het parkeren. Een permanente parkeervoorziening op niet verhard terrein is daarom niet toegestaan. Het risico van kleinere parkeergelegenheden voor privégebruik wordt als verwaarloosbaar beschouwd. Voor kleinschalig privé gebruik wordt daarom een uitzondering gemaakt. Voor grootschalig gebruik als parkeergelegenheid (bijvoorbeeld bij een evenemententerrein) zal een verharding (inclusief bijbehorende opvang en zuivering van afstromend water) moeten worden aangebracht. 

Buisleidingen

Transportleidingen vormen een belangrijke risicofactor vanwege potentiële lekkages. Er moet dus zoveel mogelijk worden voorkomen dat transportleidingen van (milieu)gevaarlijke stoffen een grondwaterbeschermingsgebied doorkruisen. Het verbod is niet op alle transportleidingen van toepassing. Het gaat om transportleidingen bestemd voor het transport van gas, olie of chemicaliën of leidingen voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën. Voor transportleidingen voor gas is tevens een uitzondering gemaakt voor die leidingen die zijn bestemd voor het transport van gas die dienen voor het plaatselijk transport van en naar particulieren en bedrijven. 

Begraafplaats of uitstrooiveld

Het is ongewenst dat dergelijke activiteiten plaatsvinden binnen de grondwaterbeschermingsgebieden.

IBC-bouwstof, grond en baggerspecie

Door het (her)gebruik van bouwstoffen, grond en bagger kan het grondwater dat wordt gebruikt voor de openbare drinkwaterwinning, worden verontreinigd. Landelijke gebruiksregels zijn als overgangsrecht opgenomen in het Aanvullingsbesluit bodem. In het Aanvullingsbesluit bodem worden voor diverse situaties 'standaardnormen' vastgesteld. Bij de normstelling is het risico van verspreiding van verontreinigingen naar het grondwater dat voor de drinkwaterwinning is bestemd, niet specifiek in aanmerking genomen. Dergelijke risico's zijn echter niet bij voorbaat uit te sluiten. Tussen verschillende locaties kunnen de risico's afwijken, afhankelijk van onder andere de kwetsbaarheid van een gebied, reeds aanwezige functies, bodemopbouw, bodemsamenstelling, kwaliteit van het te storten materiaal, mobiliteit van verontreinigingen, mate van doorlatendheid van de (water)bodem en van het toegepaste materiaal en wijzigingen in milieuomstandigheden (zuurgraad en zuurstof). Dit vraagt in bepaalde gevallen om een locatie specifieke benadering. In grondwaterbeschermingsgebieden is het beleid erop gericht om het bestaande beschermingsniveau minimaal in stand te laten (standstill) en zo mogelijk een verbetering van het beschermingsniveau te bereiken. Met het oog daarop geldt dat aanvoer van verontreinigende stoffen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied dient te worden voorkomen. Daarmee wordt bereikt dat geen toename van verontreinigingen in het grondwaterbeschermingsgebied plaatsvindt. 

Gelet op bovenstaande zijn in de Omgevingsverordening de volgende regels opgenomen voor toepassing van bouwstoffen, grond en bagger in de grondwaterbeschermingsgebieden, aanvullend op de regels in het Aanvullingsbesluit bodem.

Bodemenergiesystemen

Warmtetoevoeging en warmteonttrekking aan bodem en grondwater vindt vooral plaats om te besparen op het gebruik van niet vernieuwbare energiebronnen. Gebouwen en processen kunnen op een energiezuinige manier van koeling en verwarming worden voorzien door gebruik te maken van ondergrondse energieopslag. Er wordt onderscheid gemaakt tussen open systemen (grondwatersystemen, KWO) en gesloten systemen (bodemwarmtewisselaars). In opensystemen wordt grondwater uit een watervoerend pakket op de ene locatie opgepompt, waarna het via een warmtewisselaar energie opneemt of afstaat, om vervolgens op een tweede locatie te worden geïnfiltreerd. Door in het warme seizoen grondwater op de eerste locatie op te pompen en te gebruiken voor koeldoeleinden, en het daardoor opgewarmde grondwater op de tweede locatie te infiltreren, ontstaat daar een "bel" van opgewarmd grondwater. Door omkering van de pompinrichting in het koude seizoen kan de opgeslagen warmte worden gebruikt voor verwarmingsdoelen. Er ontstaat dus een warme en een koude bron in de ondergrond die wisselend worden gebruikt voor koeling en verwarming. Een gesloten systeem werkt volgens hetzelfde principe, maar hier wordt via een in de ondergrond aangelegd gesloten systeem van (kunststof) slangen of buizen warmte aan de bodem toegevoegd in de zomer en onttrokken in de winter. Het gesloten systeem is gevuld met een vloeistof (bijv. glycol, water). 

De toepassing van deze systemen brengt risico's met zich mee voor de drinkwaterwinning.

Opwarming van het grondwater kan leiden tot verandering van de chemische kwaliteit, er kan negatieve beïnvloeding optreden van de stromingsrichting van grondwater voor drinkwaterbereiding en daardoor mogelijk verplaatsen van (bekende of onbekende) verontreinigingen, en er kunnen zich calamiteiten voordoen bij gebruik van vloeistoffen in gesloten systemen. Ook het boren in de bodem kan een bedreiging opleveren. Deze systemen zijn daarom verboden in grondwaterbeschermingsgebied.

Schadelijke stoffen 

Hoewel voor het gebruik en aanwezig hebben van (potentieel) schadelijke stoffen vanuit een doelbenadering in beginsel kan volstaan worden met het treffen van de hoogst mogelijke beschermingsmaatregelen, geldt hierop een uitzondering voor de (potentieel) zeer zorgwekkende stoffen zoals vastgesteld door het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: RIVM): deze stoffen geven zeer ernstige risico's voor de gezondheid, zelfs bij zeer geringe hoeveelheden daarvan in het drinkwater. Vanuit het belang van een veilige drinkwatervoorziening is het gerechtvaardigd deze stoffen te verbieden.

Binnen grondwaterbeschermingsgebieden is het verboden schadelijke stoffen in of op de bodem te brengen. Het tweede lid van artikel 6.6 maakt duidelijk dat een stof die voorkomt op de lijst van zeer zorgwekkende stoffen van het RIVM in ieder geval wordt aangemerkt als schadelijke stof in de zin van artikel 6.6, eerste lid onder l. Wel is in artikel 6.6a een uitzondering opgenomen voor bepaalde gewasbeschermingsmiddelen en het particulier gebruik van schadelijke stoffen.; zie aldaar.

OOO

Na sectie 6.6 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 6.6a Uitzondering op gebruik schadelijke stof

Artikel 6.6A Uitzondering op gebruik schadelijke stof 

Het bepaalde in dit artikel is een nuancering van de regeling in artikel 6.6 over het op of in de bodem brengen van zeer schadelijke stoffen. Zeer schadelijke stoffen die als zodanig zijn geduid op de lijst van het RIVM, mogen niet op of in de bodem worden gebracht in grondwaterbeschermingsgebieden. Dit is opgenomen in het tweede lid van artikel 6.6. De in artikel 6.6a opgenomen uitzonderingen op dat verbod hebben betrekking op:  

  • 1.

    gewasbeschermingsmiddelen waarvan het gebruik binnen grondwaterbeschermingsgebieden door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) is toegestaan,

  • 2.

    het particulier gebruik van middelen die voor de consument vrij verkrijgbaar zijn in de winkel en die worden gebruikt waar ze voor bedoeld zijn. In concreto gaat het dan om producten als schoonmaakmiddelen, slakkenkorrels en dergelijke. Hiermee wordt voorkomen dat burgers in hun dagelijks handelen onnodig worden beperkt.

PPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.7 Uitzonderingen

Gelet op artikel 6.6 zijn in de Omgevingsverordening de volgende regels opgenomen voor toepassing van bouwstoffen, grond en bagger in de grondwaterbeschermingsgebieden, aanvullend op de regels in het het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

IBC-Bouwstoffen

IBC-Bouwstoffen

In het overgangsrecht in het Aanvullingsbesluit bodemBal wordt onderscheid gemaakt tussen vormgegeven bouwstoffen, niet-vormgegeven bouwstoffen en IBC- bouwstoffen. Vormgegeven bouwstoffen bestaan uit flinke brokken, bijvoorbeeld bakstenen, betonklinkers, asfaltbeton en heipalen. Voorbeelden van niet- vormgegeven bouwstoffen zijn assen en granulaten. Wanneer niet-vormgegeven bouwstoffen niet aan de norm voor ongeïsoleerde toepassing voldoen, dan kan de bouwstof mogelijk nog als IBC-bouwstof worden toegepast. IBC-bouwstoffen zijn niet-vormgegeven bouwstoffen die alleen mogen worden toegepast met isolatie-, beheers- en controle (IBC-)maatregelen, omdat het gebruik anders tot teveelte veel emissies naar het milieu kan leiden. De normen voor bouwstoffen bestaan uit maximale samenstellings- en emissiewaarden: samenstellingswaarden voor organische parameters en emissiewaarden voor anorganische parameters. De emissiewaarden zijn verschillend voor vormgegeven, niet-vormgegeven en IBC-bouwstoffen, vanwege de verschillen in uitloogeigenschappen. De samenstellingswaarden zijn voor de verschillende bouwstoffen gelijk. In grondwaterbeschermingsgebieden worden schone (primaire) bouwstoffen toegestaan en bouwstoffen die voldoen aan de emissie- en samenstellingsnormen voor ongeïsoleerde toepassing. Toepassing van zwaarder verontreinigde bouwstoffen (IBC- bouwstoffen) is in grondwaterbeschermingsgebieden niet toegestaan. Vanuit de optiek van de bescherming van de grondwaterkwaliteit zou het wellicht wenselijk zijn dat de aanvoer van verontreinigde bouwstoffen van buiten het grondwaterbeschermingsgebied geheel wordt verboden (standstill op gebiedsniveau). Omdat echter niet altijd voldoende schone bouwstoffen beschikbaar zijn - verhardingsmateriaal bijvoorbeeld bevat vaak lichte verontreinigingen - is dat niet realistisch. De toepassing van andere bouwstoffen dan IBC-bouwstoffen is derhalve onder de voorwaarden van het Aanvullingsbesluit bodemBal in grondwaterbeschermingsgebied wel toegestaan. 

Grond en baggerspecie (toepassingen tot 5.000 m3)

Op grond van het generieke beleid mag de toe te passen kwaliteit van grond of baggerspecie niet slechter zijn dan de kwaliteit van de ontvangende bodem. Onderscheiden worden de klassen Achtergrondwaarden, Wonen en Industrie voor landbodems en de klassen Achtergrondwaarden, klassen A en B en Niet toepasbaar voor waterbodems. Op basis van het gebiedsspecifieke kader van het Aanvullingsbesluit bodem kunnen gemeenten en waterschappen lokale normen vaststellen, die hoger of lager zijn dan op basis van het generieke kader is toegestaan tot maximaal de Interventiewaarden/Saneringscriterium. Wanneer hogere lokale normen worden vastgesteld, is het mogelijk om grond/bagger toe te passen met een kwaliteit die slechter is dan de kwaliteit van de ontvangende (water)bodem, mits het gaat om gebiedseigen grond (uit het totale beheergebied). In grondwaterbeschermingsgebieden is de toepassing van grond en baggerspecie met de kwaliteit Achtergrondwaarden (schoon) toegestaan en onder voorwaarden klasse Wonen/klasse A. Voor de toepassing van verontreinigde grond of baggerspecie van de klasse Wonen/klasse A, moet aan twee voorwaarden zijn voldaan. De eerste voorwaarde is dat de grond of baggerspecie afkomstig is uit hetzelfde grondwaterbeschermingsgebied om een toename van verontreinigingen op gebiedsniveau te voorkomen (standstill op gebiedsniveau). De tweede voorwaarde is dat geen verontreinigde grond (klasse Wonen/klasse A) op een schone (water)bodem (Achtergrondwaarden) mag worden toegepast (standstill op lokaal niveau). 

Grootschalige toepassing van grond en baggerspecie (meer dan 5.000 m3)

Het toetsingskader voor grootschalige toepassingen (minimale omvang van 5.000 m3 en een minimale laagdikte van 2 meter) kent naast de Achtergrondwaarden (schoon) ook Emissiewaarden en Emissietoetswaarden voor zware metalen. Bij grootschalige toepassing van grond en baggerspecie op landbodem mag de kwaliteitsklasse Industrie niet worden overschreden. Bij grootschalige toepassing van grond in oppervlaktewater mag de kwaliteitsklasse Industrie en de Interventiewaarden voor waterbodems niet worden overschreden en bij toepassingen van bagger mogen de Interventiewaarden voor waterbodems niet worden overschreden. Het toetsingskader voor grootschalige toepassingen is daarmee ruimer, soepeler dan het generiek en gebiedsspecifiek toetsingskader van het Aanvullingsbesluit bodemBal. Voor grootschalige toepassing in beschermingsgebieden voor de drinkwaterwinning is het toetsingskader voor grootschalige toepassingen in het Aanvullingsbesluit bodem niet geschikt. Juist bij toepassing van grote hoeveelheden grond en bagger, in soms diepe putten, is vanwege de risico's voor de kwaliteit van het grondwater een strikter toetsingskader noodzakelijk. Daarom is bepaald dat grootschalig toe te passen verontreinigde grond of baggerspecie de klasse Wonen/klasse A niet mag overschrijden en uit het gebied afkomstig moet zijn en dat door de wijze van toepassing en de te treffen voorzieningen en maatregelen de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwatervoorziening niet toenemen. Met name bij grootschalige toepassingen (voor onder water) kan ernstiger schade ontstaan als ernstig verontreinigd materiaal illegaal wordt gestort of zich calamiteiten voordoen. Er zal gedurende de duur van het project dan ook een grote handhavingsinspanning moeten worden geleverd om te voorkomen dat ernstig verontreinigde grond of baggerspecie wordt toegepast. Daarom wordt ook de aanvoer van grote hoeveelheden niet-schone grond van buitenaf verboden. Grootschalige toepassing in een grondwaterbeschermingsgebied dient niet alleen op grond van het Aanvullingsbesluit bodem te worden gemeld aan het meldpunt bodemkwaliteit, maar ook dient daarvan op grond van de regeling in de verordening een melding te worden gedaan. De melding moet de resultaten bevatten van locatiespecifiek onderzoek waarmee wordt aangetoond dat door de wijze van toepassing en de te treffen voorzieningen en maatregelen de risico's op verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwatervoorziening niet toenemen. Deze melding maakt preventief toezicht mogelijk. Op de melding zijn de procedureregels van artikel 6.# van toepassing. 

Grootschalige toepassing in een grondwaterbeschermingsgebied dient niet alleen op grond van het Aanvullingsbesluit bodem te worden gemeld aan het meldpunt bodemkwaliteit, maar ook dient daarvan op grond van de regeling in de verordening een melding te worden gedaan. De melding moet de resultaten bevatten van locatiespecifiek onderzoek waarmee wordt aangetoond dat door de wijze van toepassing en de te treffen voorzieningen en maatregelen de risico's op

verontreiniging van het grondwater voor de betreffende drinkwatervoorziening niet toenemen. Deze melding maakt preventief toezicht mogelijk. Op de melding zijn de procedureregels van artikel 6.2 van toepassing.

Verspreiding baggerspecie

Voor verspreiding van baggerspecie vanuit watergangen over aangrenzende percelen biedt het Aanvullingsbesluit bodemBal voldoende bescherming. Dit kan worden toegestaan in de grondwaterbeschermingsgebieden, conform de eisen van het Aanvullingsbesluit bodemBal.

QQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.10 Meldplicht grond-, sanerings- en funderingswerkzaamheden

RRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

In een verbodszone diepe boringen bevinden zich tussen het maaiveld en het watervoerende pakket waaraan het grondwater wordt onttrokken, zodanige beschermende bodemlagen dat met een beperkte regeling kan worden volstaan. Een verbod op de uitvoering van activiteiten die zich bovengronds afspelen is niet nodig omdat de generieke wetgeving, toepassing van de Nationale Richtlijn Bodem (NRB) en in aanvulling daarop de bijzondere zorgplicht voldoende bescherming bieden. Wel zijn er regels nodig om de scheidende lagen boven het watervoerende pakket van drinkwaterwinning zo min mogelijk te verstoren. Het gaat daarbij om regels voor boorputten en grond- of funderingswerken en om regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en - onttrekking). Deze regels gelden ook in grondwaterbeschermingsgebieden en worden in artikel #6.12 (bodemenergiesystemen) van toepassing verklaard voor de verbodszones diepe boringen. Daarbij is wel bepaald dat de verboden niet van toepassing zijn als deze niet dieper gaan dan de voor dat gebied op kaart aangegeven maximale diepte. Hiermee wordt voldoende voorkomen dat de afschermende kleilagen worden aangetast.

SSS

Voor sectie 6.14 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 6.13 Algemene meldplichten

In dit artikel is een aantal vrijstellingen opgenomen voor activiteiten waarvan verwacht mag worden dat deze onder de genoemde omstandigheden geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater.

Onder a: deze activiteit wordt uitgevoerd door of in opdracht van het waterleidingbedrijf. Van dit bedrijf mag verwacht worden dat zij de boringen zodanig (laten) uitvoeren dat er geen verontreiniging va het grondwater zal plaatsvinden

Onder b: het uitvoeren van saneringswerkzaamheden is al aan zodanige voorschriften verbonden dat een extra regeling niet noodzakelijk wordt geacht

Onder c: deze activiteit is noodzakelijk als voorbereiding voor het uitvoeren van vele bouwwerkzaamheden. Het verbinden van een vergunningplicht is onevenredig belastend voor de uitvoering. Hierbij moet echter wel worden voldaan aan de in dit voorschrift opgenomen voorwaarden.

Onder d: Deze uitzondering is opgenomen om de veehouderij in deze gebieden niet onnodig veel te beperken.

TTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.15 Meldplicht grond-, sonderings- en funderingswerkzaamheden

UUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.16 Spuitvrije zones en bescherming Drentsche Aa

Voor het grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa is in dit artikel een verbod opgenomen om oppervlaktewater in te nemen dat bestemd is voor het vullen en spoelen van machines voor het verspuiten van gewasbeschermingsmiddelen. In het tweede lid is het verbod opgenomen om binnen een afstand van 4 m vanaf de insteek van het oppervlaktewaterhet Grondwaterbeschermingsgebied Drentsche Aa - Spuitvrijezone gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Hiermee wordt voorkomen dat door dergelijke activiteiten het oppervlaktewater wordt verontreinigd. In het derde lid is om praktische redenen een uitzondering gemaakt van het in het tweede lid genoemde verbod voor het pleksgewijze behandelen van akkerdistel en dergelijke. Van een pleksgewijze behandeling is in deze verordening slechts sprake indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • geen volveldbespuiting, dus alleen daar spuiten waar akkerdistel, ridderzuring, brandnetel of jacobskruiskruid staat (de plekken op zich kunnen variëren van klein - bijvoorbeeld 1 m2 - tot grotere plekken); 

  • een curatieve bespuiting, geen preventieve;

  • een handmatige bespuiting, dus geen gebruik van een 'spuitboommachine'.

VVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.18 Omgevingsvergunning

De strikte regelgeving ter bescherming van de grondwaterkwaliteit kan ertoe leiden dat een activiteit met een groot maatschappelijk belang op grond van de verordening niet kan worden toegelaten. Onder bijzondere omstandigheden kan het gewenst zijn dat dat toch gebeurt als het algemeen belang dat met uitvoering van de activiteit is gediend zwaarder weegt dan het - naar mag worden aangenomen beperkte - risico op grondwaterverontreiniging. Voor deze bijzondere situaties is in de verordening een regeling opgenomen. Van een in de verordening opgenomen verbod kan een omgevingsvergunning worden verleend indien het algemeen belang de uitvoering van de activiteit waarop het verbod betrekking heeft, noodzakelijk maakt. Dat zal bijvoorbeeld het geval kunnen zijn als een voor de gemeenschap zeer belangrijke infrastructurele voorziening moet worden aangelegd en de bepalingen van de verordening daaraan in de weg staan. De mogelijkheid van de omgevingsvergunning is niet bedoeld om een afweging te maken tussen het enkele belang van een individuele aanvrager en het belang van de bescherming van de grondwaterkwaliteit. De omgevingsvergunning wordt verleend door gedeputeerde staten. Afdeling 3.4 van de Awb is van toepassing op de voorbereiding van de omgevingsvergunning. Voor de omgevingsvergunning geldt dat voorschriften moeten worden opgelegd die de hoogst mogelijke bescherming voor de kwaliteit van het grondwater bieden. Dat betekent dat de beste milieupraktijken en de best beschikbare technieken dienen te worden toegepast.  

Handhaving 

Overtreding van de rechtstreeks werkende bepalingen van de verordening is een economisch delict.



WWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 10 is van toepassing op de gebieden van de waterschappen Hunze en Aa's, Noorderzijlvest, Vechtstromen en Drents Overijsselse Delta, voorzover gelegen binnen het grondgebied van de provincie Drenthe. Voor het gebied van deze waterschappen buiten Drenthe gelden de verordeningen van de provincies Overijssel enFriesland, Groningen. In de voorbereiding is bij het opstellen gebruik gemaakt van een in IPO-verband ontwikkelde modelverordening of Overijssel.

XXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 10.1 Omgevingswaarden

Op grond van artikel 2.13 Omgevingswet moeten bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, omgevingswaarden worden vastgesteld. In afdeling 10.1 wordt daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van hun functie van regionale betekenis worden geacht. Regionale waterkeringen zijn waterkeringen die bescherming bieden tegen overstromingen vanuit de regionale rivieren en kanalen of een functie hebben bij het beperken van de gevolgen van overstromingen vanuit het hoofdwatersysteem of behouden moeten blijven vanwege een mogelijke toekomstige functie.

Op grond van artikel 2.13 Omgevingswet moeten bij provinciale verordening voor daarbij aan te wijzen andere dan primaire waterkeringen die in beheer zijn bij een andere beheerder dan het Rijk, omgevingswaarden worden vastgesteld. In afdeling 10.1 wordt daarin voorzien. Vastgelegd is wat het gewenste beschermingsniveau is van de waterkeringen die op grond van hun functie van regionale betekenis worden geacht. Regionale waterkeringen zijn waterkeringen die bescherming bieden tegen overstromingen vanuit de regionale rivieren en kanalen of een functie hebben bij het beperken van de gevolgen van overstromingen vanuit het hoofdwatersysteem of behouden moeten blijven vanwege een mogelijke toekomstige functie.

Voor de desbetreffende regionale waterkeringen is tevens voor elke waterkering een omgevingswaarde aangegeven. Het aanwijzen en vaststellen van de omgevingswaarde van een regionale kering gebeurt in samenspraak met het waterschap. De provincie stelt risicobeheersing centraal (meerlaagsveiligheid, overstromingsbestendige dijken). We gaan samen met onze partners de overstap naar overstromingskansen voor regionale keringen onderzoeken. Daarbij willen we het concept meerlaagsveiligheid verder uitwerken in een afwegingskader.

Door het stellen van omgevingswaarden geeft de provincie nader invulling aan de reglementair opgedragen taak van de waterschappen, te weten de waterstaatkundige verzorging van zijn gebied. Het waterschap is reglementair gehouden het watersysteem zo in te richten en te beheren dat het voldoet aan de in deze verordening gestelde omgevingswaarden. In verband hiermee is ervan afgezien in deze titel een specifieke beheersopdrachtbeheeropdracht op te nemen die inhoudt dat het waterschap er voor zorg draagt dat de regionale waterkeringen aan de gestelde omgevingswaarde voldoet. Hetzelfde geldt voor de omgevingswaarden bergings- en afvoercapaciteit (zie artikel 2.13 Omgevingswet). 

Voor regionale waterkeringen is de gemiddelde overschrijdingsfrequentie per jaar (kans van voorkomen van een bepaalde waterstand) de omgevingswaarde. Het wenselijke veiligheidsniveau is gerelateerd aan de economische schade die bij het falen van de waterkering kan optreden, en aan de fysieke schade –als een slachtoffer het niet overleeft. De omgevingswaarde is bepaald op basis van de mogelijk optredende schade. Voor elk van de regionale waterkeringen is de omgevingswaarde ook in het bedoelde werkingsgebied opgenomen.

Daarnaast zal voor regionale keringen de komende jaren samen met de beheerders de overstap wordtworden gemaakt naar overstromingskansen. Daarbij wordt aangesloten bij de gebiedsanalyse voor de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR). Het wenselijke veiligheidsniveau is gerelateerd aan de economische schade die bij het falen van de waterkering kan optreden. Daarbij wordt het concept van meerlaagsveiligheid verder uitgewerkt in een afwegingskader. De uitgangspunten voor de berekening van de schade en de vertaling naar de omgevingswaarde worden afgeleid binnen een landelijk programma van IPO, Unie van Waterschappen en het Rijk.

Op grond van artikel 2.13 Omgevingswet moeten bij provinciale verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren, omgevingswaarden worden gesteld met betrekking tot de gemiddelde overstromingskans per jaar van daarbij aan te wijzen gebieden. In deze afdeling wordt daarin voorzien.

Voor verschillende te onderscheiden gebieden worden normen gegeven waarbij de kans op wateroverlast door grote hoeveelheden neerslag is gerelateerd aan het landgebruik en de te verwachten schade. De normering bakent de zorgplicht en inspanningsverplichting af die de waterbeheerder heeft op het vlak van het voorkomen, dan wel beperken van ontoelaatbare wateroverlast door inundatie (overstroming) vanuit oppervlaktewater ten gevolge van neerslag. Deze normering geeft daarmee helderheid voor de burgers en de bedrijven over hun eigen risico en verantwoordelijkheid ten aanzien van roerende en onroerende zaken.

In het Nationaal Bestuursakkoord Water (2008) zijn werknormen opgenomen welke voor de verschillende vormen van landgebruik de hoogst toelaatbaar geachte kans op overstroming ofwel het wenselijk geachte beschermingsniveau uitdrukken. De vormen van landgebruik die worden onderscheiden zijn: bebouwd gebied, glastuinbouw, akkerbouw, grasland en natuur en open water. Deze werknormen zijn uitgangspunt geweest bij het bepalen van het definitief voor een gebied toepasselijke beschermingsniveau, de vast te stellen omgevingswaarden.

Voor specifieke gebieden kunnen door de waterbeheerder gemotiveerd andere omgevingswaarden worden aangehouden. Wanneer het een strengere norm betreft valt dit reeds binnen de bepaling (`niet vaker dan´). Voor bepaalde gebieden is het wenselijk lichtere omgevingswaarden aan te houden.

De waterbeheerder doet hiertoe een gemotiveerd voorstel aan Provinciale Staten. Indien deze het voorstel overnemen worden de afwijkende omgevingswaarden vastgesteld en opgenomen in de provinciale verordening en het waterbeheerplan van het waterschap. Om te bereiken dat de toetsing van de bergings- en afvoercapaciteit van de regionale wateren door de beheerders op uniforme wijze tot stand komt zijn Gedeputeerde Staten bevoegd nadere voorschriften te stellen. Om tijdig te kunnen waarnemen of watersystemen op orde blijven, is het noodzakelijk dat de toetsing van het watersysteem periodiek wordt herhaald. Dat wil zeggen, eens per 12 jaar een volledige toetsronde, met in het tussenliggende zesde jaar een herziening van de normering voor zover daar aanleiding voor is.

Artikel 10.5 Uitgangspunten omgevingswaarden wateroverlast

Voor verschillende gebieden is de omgevingswaarde voor wateroverlast vastgesteld. Hierbij is de kans op wateroverlast afkomstig uit waterlopen en watergangen (zogenaamde leggerwaterlopen) als gevolg van grote hoeveelheden neerslag gerelateerd aan de economische waarde van het landgebruik en de te verwachten schade hierbij. Basis voor de normering is het grondgebruik.

Voor grasland geldt een norm van 1:10, voor akkerbouw een norm van 1:25 en voor intensieve vormen van landbouw zoals glastuinbouw en boomteelt een norm van 1:50. Voor bestaand bebouwd gebied is een norm van 1:100 vastgesteld. Voor parken, plantsoenen en dergelijke, waarvoor een norm van 1:100 als onnodig zwaar wordt gezien, geldt een norm van 1:10 (zoals ook voor grasland). Voor natuurgebieden en open water geldt geen norm, omdat daarbinnen doorgaans geen sprake is van wateroverlast.

Deze normen zijn adviesnormen. Lokaal kan daarvan worden afgeweken. In het algemeen is uitgegaan van het overwegende grondgebruik. Dat wordt in het algemeen per peilvlak vastgesteld. Het waterschap bepaalt waar welke norm gewenst is en adviseert de provincie hierover. De basis voor de normering is vastgelegd in de provinciale omgevingsvisie.

Binnen stedelijk gebied geldt voor het grootste deel een norm van 1:100, echter met uitzondering van openbaar groen, daarvoor geldt een norm van 1:10.

Met de gronden die op de nominatie staan om aangewezen te worden als NNN maar nog niet zijn verworven dient terughoudend te worden omgegaan. Investeringen in deze gebieden kunnen zeer snel als onrendabel worden aangemerkt.

YYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 10.3 Rangorde bij waterschaarste

Artikel 10.11 Regionale verdringingsreeks

Het IJsselmeer is, samen met het Markermeer, de belangrijkste zoetwaterbuffer van Nederland. Vanuit het waterbeheer wordt bij droogte ingezet op het optimaal beheren van de buffervoorraden door het tijdig nemen van beheermaatregelen. Met de herziening van het peilbesluit IJsselmeergebied in 2018 (Protocol Operationaliseren Flexibel Peilbeheer, 2018) is de operationele marge van de buffervoorraad in het IJsselmeergebied vergroot. Daarnaast hebben de waterbeheerders in juli 2019 een eerste versie van handelingsperspectieven uitgewerkt. Doel hierbij is om zo lang mogelijk de situatie van watertekort te voorkomen. Hiertoe zijn redeneerlijnen (redeneerlijn watertekort, 2019) opgesteld.

Het kan echter voorkomen dat er een watertekort ontstaat in het IJsselmeergebied en dat beheermaatregelen niet meer afdoende zijn. Dan zal moeten worden gekort aan de hand van de verdringingsreeks. Inzet van de verdringingsreeks is echter uitzonderlijk en is als gevolg van een tekort in het IJsselmeergebied nog niet eerder voorgekomen.

Het is van belang dat in perioden van (dreigend) watertekort de waterverdeling over de vele gebruiksfuncties, de marges daarbinnen en de relatie met het peilbeheer goed onderbouwd worden vastgelegd. Het uitzonderlijk droge jaar 2018 heeft Rijkswaterstaat, de waterschappen en de provincies geleerd dat de Waterverdeling Noord-Nederland 2009 om een actualisatie vraagt. Enerzijds omdat de watervraagtabel verouderd bleek te zijn en anderzijds omdat het advies niet overal op dezelfde wijze was overgenomen. Daarnaast zijn vanuit de Beleidstafel Droogte (eindrapportage Beleidstafel Droogte, 2019) aanbevelingen gedaan om de regionale uitwerking van de verdringingsreeks te actualiseren en om de redeneerlijnen voor de regio IJsselmeergebied nader uit te werken.

De geactualiseerde verdringingsreeks en de redeneerlijnen voor de regio IJsselmeergebied zijn uitgewerkt in de Bestuursovereenkomst Waterverdeling regio IJsselmeergebied. Deze bestuursovereenkomst bevat afspraken tussen alle betrokken partijen in het IJsselmeergebied over hoe de regionale verdringingsreeks vastgesteld zal worden en de wijze waarop deze wordt opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordeningen. De provincie Drenthe heeft begin 2022 de Bestuursovereenkomst Waterverdeling regio IJsselmeergebied ondertekend. Daarom wordt de verdringingsreeks in de Provinciale Omgevingsverordening ook aangepast. 

Het gaat bij de regionale verdringingsreeks om onttrekkingen die afkomstig zijn uit het IJsselmeer. Dit kunnen rechtstreekse onttrekkingen uit het IJsselmeer zijn, maar ook onttrekkingen uit watersystemen die gevoeggevoed worden vanuit het IJsselmeer. Dit betreft voor Drenthe het overgrote deel van de provincie. Deze verdringingsreeks is afgestemd met de partijen die betrokken zijn bij het Bestuursakkoord Waterverdeling regio IJsselmeergebied.

Eerste lid, onder a 

Proceswater is de Aquo-standaard (Informatiehuis Water), door de waterbeheerders gedefinieerd als water dat gebruikt wordt bij iedere vorm van fabrieksproces en in direct contact komt met grondstoffen, hulpstoffen, halffabricaten en eindproducten. Het betreft hier proceswater voor kleinschalig hoogwaardig gebruik. 

Eerste lid, onder b Het betreft hier gewassen waarbij een totale mislukking van de oogst dreigt als gevolg van het watertekort, terwijl met een relatief kleine hoeveelheid water een schade van een dergelijke omvang kan worden voorkomen. Plaatsing in deze categorie geldt ook wanneer met relatief kleine hoeveelheden water relatief grote sociaaleconomische gevolgen als faillissementen te voorkomen zijn. In de bestuursovereenkomstBestuursovereenkomst Waterverdeling regio IJsselmeergebied is daar het volgende over afgesproken: “Subcategorie 3.2 [in de verordening artikel 10.11, eerste lid, onder b] is een verbijzondering van categorie 4 [in de verordening artikel 10.11, tweede lid]. Het betreft een reservering. Om economische en maatschappelijke schade te kunnen verminderen is onder subcategorie 3.2 een reservering opgenomen, die elke waterbeheerder mag inzetten onder de volgende voorwaarden: De reservering mag 30% van de watervraag van subcategorie 4.2 beslaan voor de betreffende waterbeheerder. De waterbeheerder moet handelen conform de toelichting op subcategorie 3.2, zoals opgenomen in de toelichting op het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit is ook van belang om verantwoording naar ingelanden af te kunnen leggen. De hoogte van de reservering van subcategorie 3.2 wordt over drie jaar geëvalueerd, waarbij het de intentie is om deze substantieel te verminderen.” 

Tweede lid, onder a 

Subcategorie 4.1 is bedoeld voor peilhandhaving in klei- en zandsloten, voor zover ze niet al meeliften in categorie 1. Ook de doorspoeling van niet kwetsbare natuurgebieden valt onder deze categorie. Dit zijn natuurgebieden die zijn aangemerkt als NNN (Natuurnetwerk Nederland) en niet onder de definitie van categorie 1.3 vallen. 

Tweede lid, onder b

 Grootschalig hoogwaardig watergebruik in landbouw is onderdeel van subcategorie 4.2. Indien de benodigde onttrekkingen niet om geringe hoeveelheden water gaan ten opzichte van de beschikbare waterhoeveelheid in het watersysteem of waterlichaam, valt deze watervraag in principe in categorie 4.2, omdat het dan grootschalig (al dan niet hoogwaardig) gebruik betreft. Ook structurele onttrekkingen voor beregening vallen in categorie 4.2. Onder deze subcategorie valt ook het doorspoelen om verzilting en verontreiniging tegen te gaan ten behoeve van de landbouw. In deze subcategorie kan een onderverdeling worden aangemaakt om een onderscheid te maken tussen akker- en tuinbouwgewassen, sportvelden en greens. 

Tweede lid, onder c 

Voor subcategorie 4.3 voor beregening van gras en maïs is gekozen vanwege de lagere rentabiliteit van graslandberegening ten opzichte van akkerbouw. 

Tweede lid, onder d 

Subcategorie 4.4 is bedoeld voor doorspoeling voor diverse doeleinden. Het gaat hier met name om verziltingsbestrijding. Daarnaast betreft het doorspoelen ten behoeve van de waterkwaliteit (bestrijding algen en botulisme). 

Tweede lid, onder e 

Naast de eerder genoemde belangen kunnen er ook overige andere belangen spelen die maatschappelijk economisch moeten worden afgewogen bij (dreigend) watertekort. Een ander voorbeeld is het behoud van cultureel erfgoed. Hierbij gaat het om (archeologische) monumenten, verdedigingswerken, werelderfgoed en bepaalde landgoederen, tuinen en parken. Onder subcategorie 4.5 vallen ook nutsvoorzieningen, visintrek, industrie en scheepvaart. − Afvoer van zoetwater op de Wadden- en Noordzee ten behoeve van visintrek. − Energiecentrale Noardburgum (de energiecentrale is niet gekoppeld aan de leveringszekerheid voor energie). − Scheepvaart: verminderen schutbewegingen van de beroepsvaart op buitenwater (Wadden en Noordzee). − Scheepvaart: verminderen schutbewegingen van de recreatievaart op buitenwater (Waddenen Noordzee). − Industrie: binnen de regio IJsselmeergebied is dit (voor zover nu bekend) niet of nauwelijks aan de orde. 

Artikel 10.12 Afwijking watersysteem Twentekanalen/Overijsselse Vecht

Er zijn een paar gebieden die rechtstreeks water inlaten vanuit het systeem Twentekanalen/ Overijsselse Vecht. Verder wordt water bij de Stieltjeskanaalsluis doorgevoerd. Hier mengt het zich met water vanuit de aanvoerroute IJsselmeergebied. Op dat momentIn 2025 is het Waterakkoord Twentekanalen Overijsselsche Vecht opnieuw vastgesteld en is de landelijke verdringingsreeks IJsselmeergebied (van toepassing, omdat deze aanvoerroutehet IJsselmeer) opgenomen in het grootst is en zeer waarschijnlijk het langste doorgaatWaterakkoord. Twentekanalen heeft daarmee geen afwijkende verdringingsreeks meer. 

Eerste lid, onder a, b en c

Zie toelichting bij artikel 10.12, eerste lid, onder a, b en c. 

Tweede lid, onder a

Algen en botulisme in zowel stedelijke als landelijke wateren worden veelal als overlast ervaren. De bestrijding hiervan door middel van doorspoeling valt onder de subcategorie genoemd onder f van dit lid. Alleen als de volksgezondheid in het geding is, is sprake van categorie a. 

Tweede lid, onder b

Op de Twentekanalen kan de functie scheepvaart een aanzienlijke hoeveelheid water vragen. Het kan dus voorkomen dat ook deze categorie gekort moet worden om aan de behoeften van andere zwaarwegender functies te kunnen voldoen. Het kan echter ook voorkomen dat door het schutten van schepen het schutverlies niet tot vermindering van de aanvoercapaciteit leidt. Een voorbeeld hiervan is het schutten bij Stieltjeskanaalsluis, waar de schutverliezen richting Vechtsysteem gaan. De sluis is de scheiding tussen de twee gebieden en eigenlijk behoort deze sluis tot het IJsselmeergebied. 

Tweede lid, onder c

Het gaat hierbij om beregening van alle akker- en tuinbouwgewassen, inclusief bloembollen, echter exclusief maïs. Ook sportvelden, greens en dergelijke vallen in deze categorie. 

Tweede lid, onder d

Voor het beperken van de beregening van gras en maïs in een vroeg stadium is gekozen vanwege de lage rentabiliteit van deze beregening. 

Tweede lid, onder e

Bij het opleggen van beperkingen komt eerst de peilhandhaving voor niet kwetsbare natuur te vervallen. 

Tweede lid, onder f

Het gaat hierbij om het voldoen aan de KRW-doelen. Tijdelijk kan daar niet aan voldaan worden (Kaderrichtlijn Water). Hierbij moet ook gedacht worden aan de tijdelijke stopzetting van de lokstroom bij vistrappen. Alleen voor soorten die in de desbetreffende periode trekken, heeft dat een tijdelijk effect op de visintrek. Van een onomkeerbaar effect is geen sprake.

ZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Algemeen 

Legger waterstaatswerken

Artikel 2.39 Omgevingswet bepaalt dat de beheerder zorgt voor de vaststelling van een legger die omschrijft waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. De Omgevingswet vermeldt de basisgegevens die deel uitmaken van de legger. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones worden aangegeven op overzichtskaarten. De beheerder zorg ervoor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden gecombineerd. De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waarin de vereiste toestand van de waterstaatswerken is aangegeven, te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast is de legger van belang voor de ruimtelijke reikwijdte van de verbods- en beheersbepalingen ingevolge de Omgevingswet of de waterschapsverordening (de werkingssfeer het vereiste van vergunningen of ontheffingen). Artikel 2.39 van de Omgevingswet bevat een vrijstellingsmogelijkheid voor het vermelden van ligging, vorm, afmeting en constructie van waterstaatswerken. Van deze mogelijkheid is in artikel 10.15 van deze verordening gebruikgemaakt, gelet op de aard en functie van de in dit lid aangewezen waterstaatswerken. Deze lenen zich niet voor het vastleggen van ligging, vorm, afmeting en constructie. Het vermelden van de ligging blijft wel verplicht omdat de legger de reikwijdte van de keur bepaald. 

Peilbesluiten

Op grond van artikel 2.41 van de Omgevingswetmoeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten kan vaststellen. In de desbetreffende artikelen is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Voor de gebieden waar geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, kan het waterschap streefpeilen hanteren. 

Artikel 2.39 Omgevingswet bepaalt dat de beheerder zorgt voor de vaststelling van een legger die omschrijft waaraan waterstaatswerken naar ligging, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. Dit artikel spreekt van ‘omschreven'. Dit heeft tot gevolg dat het bij de nadere eisen op grond van deze verordening ook gaat om omschrijvingen. Dit kan zijn een beschrijving van het dwarsprofiel of een verzameling van uitgangspunten (door het waterschap vast te stellen) op basis waarvan het dwarsprofiel wordt bepaald. 

De reguliere toetsing op wateroverlast zal plaatsvinden op basis van de omgevingswaardenkaart Wateroverlast (uitgangspunt), de kenmerken van het huidige klimaat (uitgangspunt) en de dimensies van de actuele watersystemen. 

De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden gecombineerd. Artikel 2.39 van de Omgevingswet bevat een vrijstellingsmogelijkheid voor het vermelden van ligging, vorm, afmeting en constructie van waterstaatswerken. Van deze mogelijkheid is in artikel 10.15 van deze verordening gebruikgemaakt, gelet op de aard en functie van de in dit lid aangewezen waterstaatswerken. Deze lenen zich niet voor het vastleggen van ligging, vorm, afmeting en constructie. 

AAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.15 Legger waterstaatswerken

Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de regionale waterkering (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde veiligheidsnorm en de voorschriften, bedoeld in artikel 10.2 van deze verordening. Met behulp van situatietekeningen en, waar mogelijk, dwarsprofielen wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van (de primaire en regionale) waterkering en de daaraan grenzende beschermingszones zijn. Voor de vast te leggen gegevens in de legger van de oppervlaktewaterlichamen en bergingsgebieden (en ondersteunende kunstwerken) zijn maatgevend de gestelde normen en de voorschriften, bedoeld in paragraaf 10.1 van deze verordening, met het oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop de regionale wateren moeten zijn ingericht (het voorkomen en tegengaan van wateroverlast). Met behulp van situatietekeningen (en waar mogelijk overige gegevens met betrekking tot de bergings- en afvoercapaciteit) wordt in de legger aangegeven wat de vereiste en te handhaven afmetingen van de te onderscheiden oppervlaktewaterlichamen of categorieën van oppervlaktewaterlichamen, de daaraan grenzende beschermingszones alsmede van de bergingsgebieden zijn. Omdat hieruit gevolgen kunnen voortvloeien voor belanghebbende eigenaren en gebruikers van onroerende zaken die nabij waterstaatswerken zijn gelegen ligt, ligt het in de rede dat bij de voorbereiding van de legger de procedure, bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb, wordt gevolgd. 

Peilbesluiten

Op grond van artikel 2.41 van de Omgevingswet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten kan vaststellen. In de desbetreffende artikelen is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Voor de gebieden waar geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, kan het waterschap streefpeilen hanteren.

BBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Algemeen

In lijn met het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' zijn in de Omgevingswet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, waterschappen en provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien. De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. Voor wat betreft onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, koude- en warmteopslagsystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar voor industriële toepassingen kan de provincie bij of krachtens verordening regels stellen. Het infiltreren van water voor deze toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van Gedeputeerde Staten. Onttrekkingen voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 2.33 van de Omgevingswet. In deze titel is daardoor een gedifferentieerd stelsel van regels vastgelegd. Deels hebben de regels betrekking op de specifieke categorieën van onttrekkingen en infiltraties die onder het bevoegd gezag van Gedeputeerde Staten vallen. Voor het overige deel zijn in deze titel instructiebepalingen opgenomen die mede sturend zijn voor de invulling van het verbodsstelsel bij de waterschappen en het grondwaterregister.

CCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.18 Registratieplicht

Eerste lid

In artikel 10.18 is de registratieplicht vastgelegd voor de categorieën van onttrekkingen die onder het bevoegd gezag vallen van Gedeputeerde Staten. De registratieplicht voor de overige categorieën is bij instructiebepaling geregeld. In het derde lid is de verplichting voor het algemeen bestuur van het waterschap opgenomen om bij verordening te regelen dat degene die water onttrekt uit een grondwaterlichaam en degene die water infiltreert in een grondwaterlichaam, de gegevens bedoeld in het eerste lid verstrekt aan het dagelijks bestuur. Artikel 5.12 van de Omgevingswet geeft een regeling voor die gevallen waarin er sprake is van samenloop van bevoegdheden. In een dergelijk geval kan op een aanvraag om vergunning voor het onttrekken van water aan een grondwaterlichaam worden beslist door een bestuursorgaan dat niet primair het bevoegd gezag heeft. Artikel 10.18 blijft in dergelijke gevallen van toepassing. Dit houdt in dat ook in die gevallen waarin een ander bestuursorgaan op de vergunningaanvraag beslist, gevolg moet worden gegeven aan de registratieplicht die in artikel 10.18 is opgenomen respectievelijk die in een waterschapsverordening is opgenomen. 

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten nadere regels kunnen vaststellen over de wijze van meting en registratie. De nadere regels kunnen in ieder geval betrekking hebben op de wijze en de plaats van meting, de toegestane afwijking van het meetresultaat (de vereiste nauwkeurigheid) en het meten van de kwaliteit van het te infiltreren water. Deze nadere regels gelden niet direct voor de onttrekkingen en infiltraties die onder het bevoegd gezag van het waterschap vallen. In het derde lid is daarom opgenomen dat de nadere regels in overleg met het dagelijks bestuur van het waterschap worden vastgesteld. Daarbij ligt het in de rede dat het waterschap in voorkomende gevallen de regels voor het meten en registreren eveneens vaststelt. 

Derde lid

Deze instructiebepaling hangt samen met het grondwaterregister (artikel 10.17) en wordt aan het waterschap opgelegd vanwege het grote provinciale belang bij registratie. Een betrouwbaar grondwaterregister is essentieel, zowel voor beleidsinhoudelijke beslissingen door provincie en waterschap (zoals belangenafweging bij vergunningverlening) als voor de provinciale grondwaterheffing. Een betrouwbaar grondwaterregister heeft vooral waarde indien zowel de grondwateronttrekkingen waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd zijn als de grondwateronttrekkingen waarvoor het dagelijks bestuur bevoegd is onder de registratieplicht vallen. Op die manier ontstaat een dekkend beeld van de belangrijkste grondwateronttrekkingen. Het betreft hier de voortzetting van het provinciale meldingenbeleid.

DDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.21 Open bodemenergiesystemen

In het eerste lid van dit artikel zijn de criteria opgenomen waar een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem aan wordt getoetst. Bij de aanvraag zal moeten worden aangetoond door middel van onderzoek dat wordt voldaan aan deze criteria. In de omgevingsvergunning kunnen met betrekking tot deze criteria nadere voorschriften worden opgenomen.

In het tweede lid is een harde voorwaarde opgenomen voor een specifieke vorm van een open bodemenergiesysteem: een temperatuur -opslag-systeem voor middelhoge of hoge temperatuur. Voor deze systemen is onttrekking of infiltratie op een diepte die is gelegen boven de zone "Formatie van Breda" verboden. Hiermee moet worden voorkomen dat de in deze zone liggende watervoerende lagen worden opgewarmd waardoor de kwaliteit en bruikbaarheid voor andere functies afneemt.  

EEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.23 Temperatuur opslagsysteem voor lage temperatuur

Bij deze vorm van bodemenergie wordt gebruik gemaakt van circulerend water dat doorgaans een temperatuur tot 30 graden heeft. Hierbij is het bij voorbaat niet de bedoeling om te streven naar een energiebalans. Het gaat veel meer om een overschot aan warmte dat tijdelijk in de bodem moet worden opgeslagen. Daarnaast is de temperatuur van het in de bodem gebrachte water ook vaak hoger dan de in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen maximum van 25 graden Celsius. Uiteindelijk is het wel de bedoeling (een gedeelte van) deze warmte weer te gaan gebruiken. Het toepassen van dergelijke systemen achten wij verantwoord in de eerste 25 meter gerekend vanaf maaiveld. Dit is een zone die al zeer intensief wordt gebruikt voor verschillende doeleinden waarbij een geringe opwarming geen onacceptabele gevolgen zal hebben.Vandaarhebben. Vandaar dat in dit artikel via een maatwerkregel de artikelen 4.1152 (maximale temperatuur) en 4.1154 (verplichte energiebalans) niet van toepassing zijn verklaard mits deze systemen niet dieper worden aangelegd dan 25 meter beneden maaiveld. In de zone gelegen tussen 25 meter beneden maaiveld en de Formatie van Breda is opwarming wel ongewenst en daarom is deze uitzondering dan ook in deze zone niet van toepassing. 

FFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.24 Intrekking vergunning

In dit artikel is de mogelijkheid opgenomen om de omgevingsvergunning geheel of gedeeltelijk in te trekken als het belang van de winning van grondwater voor de drinkwatervoorziening mogelijk in gevaar komt. Hoewel vooraf alle mogelijke gevolgen zo veel als mogelijk via onderzoek en berekening worden ingeschat, blijft er altijd een onzekere factor over. Het belang van een goede drinkwatervoorziening is zodanig groot dat in voorkomende gevallen het belang van het bodemenergiesysteem hiervoor moet wijken.

GGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 10.7 Financiële bepalingen grondwater

In artikel 15.1 van de Omgevingswet is bepaald dat degene die bij een vergunninghouder een vordering kan indienen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een onttrekking van grondwater of infiltratie krachtens een watervergunning, eerst Gedeputeerde Staten kan verzoeken een onderzoek in te stellen. Deze voorziening houdt verband met de gedoogplicht. Deze houdt in dat rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken waarin het grondwater invloed ondergaat door een onttrekking of infiltratie krachtens een watervergunning, verplicht zijn die onttrekking of infiltratie te gedogen. Het faciliteren van de burger die overweegt een schadeclaim in te dienen bij de vergunninghouder werd door de wetgever wenselijk geacht vanwege het complexe karakter van schadevragen die samenhangen met grondwateronttrekkingen, de voor het beoordelen daarvan benodigde specifieke kennis en de hoge kosten van het inhuren van dergelijke kennis voor de burger. De wetgever achtte het tevens wenselijk dat de vraag of er schade is en zo ja wat de omvang van die schade is door een onpartijdige partij werd vastgesteld. In verband daarmee was in de Grondwaterwet de bepaling opgenomen (artikel 37, tweede lid) dat Gedeputeerde Staten een verzoek tot het instellen van een onderzoek in handen stellen van een commissie van deskundigen die daarover advies uitbrengt aan de verzoeker. Ter uitvoering daarvan hebben Gedeputeerde Staten van de provincies in 1996 gezamenlijk één commissie ingesteld, de Commissie van Deskundigen Grondwaterwet. In de Omgevingswet ontbreekt de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen. HetDie onpartijdige partij is aan de provincies overgelaten om te bepalen op welke wijze zij verzoeken als bedoeld in artikel 10.15 van de Omgevingswet behandelenAdviescommissie Schade Grondwater. In IPO-verband is uitgesproken dat het wenselijk is vast te houden aan één landelijke, onafhankelijk opererende commissie vanwege het beperkte aantal verzoeken op jaarbasis, de complexiteit van de schadevragen, de wenselijkheid van bundeling van expertise voor het beoordelen van die schadevragen en voorts vanwege de voordelen van een landelijk toegepaste uniforme werkwijze bij de behandeling van verzoeken. In verband hiermee zijn in dit hoofdstuk de bepalingen uit de Grondwaterwet omtrent de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen en de werkwijze van die commissie overgenomen. Wel is de procedure qua termijnen en terminologie op enkele punten in overeenstemming gebracht met de Awb. Hierbij wordt nog opgemerkt dat artikel 15.1 van de Omgevingswet ook van toepassing kan zijn op verzoeken die betrekking hebben op grondwateronttrekkingen die zijn vergund door een waterschapsbestuur. Dat betekent dat de bepalingen van dit hoofdstuk ook op die verzoeken van toepassing zijn.

Naar boven