Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland tot wijziging van de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022

Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 7 juli 2026, kenmerk: 821176 houdende wijziging van de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022.

 

Gedeputeerde staten van Zeeland,

 

overwegende

  • -

    dat in de beleidsregels voor intern en extern salderen twee verschrijvingen aangepast dienen te worden en een artikel over salderen bij plannen verduidelijkt dient te worden;

  • -

    dat voor tijdelijke natuur een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten nodig kan zijn;

  • -

    dat het wenselijk is om te verhelderen hoe gedeputeerde staten aanvragen van een omgevingsvergunning voor tijdelijke natuur beoordelen;

  • -

    dat het nodig is om te verduidelijken van welke vogelsoorten de nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd zijn in Zeeland.

gelet op

  • -

    de artikelen 4:81, eerste lid, 4:83 en 1:3, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de artikelen 11.37, 11.46, 11.54 en 11.61 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 5.1, tweede lid sub g, van de Omgevingswet.

besluiten vast te stellen de navolgende wijziging van de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022:

Artikel I Wijziging Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022

De beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022 worden als volgt gewijzigd:

 

A

Artikel 2.1 Toepassingsbereik komt te luiden:

 

Artikel 2.1 Toepassingsbereik

Gedeputeerde Staten hanteren deze beleidsregels bij het beoordelen van een aanvraag voor een natuurvergunning, waarbij gebruik is gemaakt van salderen voor projecten die een effect kunnen hebben op N-depositie op relevante hexagonen in Natura 2000-gebieden.

 

B

Artikel 2.2 Natuurvergunning komt te luiden:

 

Artikel 2.2 Natuurvergunning

Gedeputeerde Staten verlenen een natuurvergunning in gevallen waarin bij de aanvraag gebruik is gemaakt van salderen uitsluitend indien wordt voldaan aan de in deze beleidsregels opgenomen voorwaarden.

 

C

Artikel 2.7 Plannen komt te luiden:

 

Artikel 2.7 Plannen

Indien reeds is gesaldeerd voor een plan als bedoeld in artikel 16.53c van de Wet, dan wel als gevolg van het plan activiteiten met stikstofemissie(s) worden beëindigd, kan deze saldering dan wel dit planeffect tevens worden ingezet voor een aanvraag voor een natuurvergunning ter invulling van dit plan.

 

D

Na afdeling 3.3 worden twee nieuwe afdelingen toegevoegd, luidende:

 

Afdeling 3.4 Tijdelijke natuur

 

Artikel 3.12 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    Beschermde soorten: soorten als bedoeld in de artikelen 11.37, 11.46 en 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • 2.

    Bestemming: de officieel vastgelegde functie of het toegestane gebruik van een stuk grond, zoals vastgelegd in het omgevingsplan (bijv. wonen, landbouw, of bedrijvigheid).

  • 3.

    Tijdelijke Natuur: natuur die zich voor een beperkt aantal jaren spontaan ontwikkelt, al dan niet na eenmalige inrichtingsmaatregelen en onder extensief beheer, op gronden die wachten op realisatie van ruimtelijke bestemmingen zoals industrie, of op gronden die tijdelijk niet gebruikt worden als landbouwgrond.

  • 4.

    Nulmeting: inventarisatie van de soorten die in een gebied aanwezig zijn, door middel van een quickscan en, indien nodig, een aanvullend ecologisch (veld)onderzoek.

Artikel 3.13 Reikwijdte

  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op aanvragen om vergunning als bedoeld in de artikelen 11.37 lid 1 sub b tot en met d ,11.46 lid 1 sub b tot en met e, 11.54 lid 1 sub b en c en 11.61, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor het verwijderen van Tijdelijke Natuur.

  • 2.

    Deze afdeling is van toepassing op aanvragen om vergunning als bedoeld in het eerste lid die zijn aangevraagd door:

    • a.

      een individuele grondeigenaar;

    • b.

      een groep van grondeigenaren;

    • c.

      een ander dan de grondeigenaar, mits deze schriftelijke toestemming van de grondeigenaar heeft.

Artikel 3.14 Indieningsvereisten

Een volledige vergunningaanvraag voor Tijdelijke Natuur bevat tenminste de volgende onderdelen:

  • 1.

    Een heldere afbakening op een kaart van het terrein waar Tijdelijke Natuur ontwikkeld wordt en een omschrijving van de bestemming, het huidige gebruik en het huidige beheer van het terrein;

  • 2.

    Een deugdelijke inventarisatie (nulmeting) van de reeds in het gebied voorkomende beschermde soorten;

  • 3.

    De nulmeting wordt uitgevoerd door gebruik te maken van actuele onderzoeksprotocollen voor soorten of soortgroepen, voor zover beschikbaar;

  • 4.

    Een motivering van het wettelijk belang, zoals ter bescherming van flora en fauna, inclusief omschrijving van de soorten of soortgroepen die naar verwachting zullen profiteren van de Tijdelijke Natuur;

  • 5.

    Een concrete omschrijving van eventuele inrichtingsmaatregelen. Dit bevat een overzicht van de soorten of soortgroepen die daarmee gestimuleerd worden en van de reeds gevestigde soorten die er eventueel nadeel van zullen ondervinden;

  • 6.

    Als het terrein beheerd gaat worden, dan bevat de aanvraag een plan van aanpak waaruit blijkt dat het gaat om extensief beheer met als doel om het terrein ecologisch functioneel te houden; en

  • 7.

    Een plan van aanpak voor het verwijderen van de Tijdelijke Natuur. Inclusief een realistische beschrijving van hoe bij realisatie van de bestemming schade aan de spontaan gevestigde, beschermde soorten zal worden voorkomen, beperkt of eventueel gecompenseerd.

Artikel 3.15 Beoordelingskader

Gedeputeerde staten hanteren bij de beoordeling van de vergunningaanvraag de volgende voorwaarden:

  • 1.

    De uiteindelijke ruimtelijke bestemming van het terrein ligt vast, dan wel de bestemming ervan is duidelijk;

  • 2.

    De ruimtelijke bestemming is nog niet gerealiseerd;

  • 3.

    De ruimtelijke bestemming is in de regel niet natuur;

  • 4.

    Er is sprake van Tijdelijke Natuur zoals bedoeld in artikel 3.12, eerste lid, vanaf het moment dat vergunning is verleend tot het moment van de daadwerkelijke realisatie van de uiteindelijke bestemming;

  • 5.

    De Tijdelijke Natuur krijgt minimaal één jaar de tijd om zich te ontwikkelen;

  • 6.

    Het uitgangspunt van Tijdelijke Natuur is spontane ontwikkeling. Om dit mogelijk te maken moet een deel van het oppervlak van het terrein waar Tijdelijke Natuur ontwikkeld wordt, onbeheerd blijven.

  • 7.

    Eventueel beheer van Tijdelijke Natuur is extensief en vindt plaats om inrichtingsmaatregelen als poelen en keverbanken ecologisch functioneel te houden, of om invasieve exoten te bestrijden; en

  • 8.

    Bij realisatie van de bestemming wordt schade aan spontaan gevestigde beschermde soorten zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of eventueel gecompenseerd.

Artikel 3.16 Vergunningvoorschriften

Gedeputeerde staten verbinden aan een vergunning Tijdelijke Natuur in ieder geval de volgende voorschriften:

  • 1.

    Eventueel beheer van de Tijdelijke Natuur is extensief en vindt uitsluitend plaats ten behoeve van de ecologische functionaliteit van eventuele inrichtingsmaatregelen, zoals poelen en keverbanken;

  • 2.

    Uitgevoerde beheermaatregelen worden in een logboek bijgehouden en zijn te allen tijde in te zien door het bevoegd gezag;

  • 3.

    Er wordt in het jaar voorafgaand aan de voorgenomen realisatie van de bestemming een inventarisatie en monitoringsverslag van aanwezige beschermde soorten gedeeld met het bevoegd gezag;

  • 4.

    Minimaal twee weken voordat begonnen wordt met de werkzaamheden om de bestemming te realiseren, stuurt u een ecologisch werkprotocol naar de RUD Zeeland;

  • 5.

    De realisatie van de uiteindelijke bestemming van het terrein en het ongedaan maken van de Tijdelijke Natuur dient op zorgvuldige wijze plaats te vinden., Zodanig dat schade aan planten en dieren redelijkerwijs zoveel mogelijk wordt voorkomen, beperkt of eventueel gecompenseerd;

  • 6.

    Het ongedaan maken van de Tijdelijke Natuur vindt plaats onder begeleiding van een deskundig ecoloog op het gebied van de beschermde soorten die zijn aangetroffen; en

  • 7.

    Als invasieve exoten bestreden moeten worden, dan wordt hierbij rekening gehouden met de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit Activiteiten Leefomgeving, en wordt in ieder geval geen gebruik gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen.

Artikel 3.17 Looptijd en verlenging

  • 1.

    Gedeputeerde staten verlenen de vergunning, bedoeld in artikel 3.13, voor een looptijd van maximaal 10 jaar.

  • 2.

    De vergunning, zoals bedoeld in het eerste lid, kan op aanvraag worden verlengd. Een verlenging heeft een looptijd van maximaal 10 jaar.

  • 3.

    Gedeputeerde staten nemen een aanvraag voor verlenging van de looptijd, bedoeld in het tweede lid, in behandeling indien:

    • a.

      de aanvraag vóór het aflopen van de looptijd is ingediend;

    • b.

      de aanvraag aantoont hoe is voldaan aan de voorschriften in de vergunning;

    • c.

      het logboek van beheermaatregelen wordt als bijlage toegevoegd aan de aanvraag; en

    • d.

      de aanvraag maakt duidelijk of en hoe de omstandigheden en bestemming van de grond zijn veranderd.

Afdeling 3.5 Jaarrond beschermde vogelnesten

 

Artikel 3.18 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    Balts: balts bij vogels verwijst naar het paringsgedrag waarbij mannelijke vogels verschillende rituelen en gedragingen vertonen om vrouwtjes aan te trekken en te imponeren. Dit kan onder andere bestaan uit zang, dans, verenpronk, baltsvlucht en andere vormen van gedrag om de aandacht van een partner te trekken.

  • 2.

    Nestplaats: het specifiek afgebakende locatie waar vogels hun eieren uitbroeden en hun jongen grootbrengen.

  • 3.

    Rustplaatsen: ieder gebied dat een vogel of een groep vogels rust en bescherming biedt tijdens een bepaalde levenscyclusfase is een rustplaats. Een rustplaats kan daarom worden gedefinieerd als een locatie die voldoet aan specifieke ecologische eisen en waar vogels succesvol kunnen rusten in een bepaalde levenscyclusfase.

  • 4.

    Jaarrond beschermde nesten: nesten van vogelsoorten zoals genoemd in Bijlage 5.

  • 5.

    Jaarrond beschermde rustplaatsen: rustplaatsen van vogelsoorten, zoals genoemd in Bijlage 6.

  • 6.

    Kunstmatige nestgelegenheid: een kunstmatige nestkast van bijvoorbeeld een gierzwaluw, kerkuil, steenuil, huismus, ringmus, huiszwaluw, boerenzwaluw of slechtvalk binnen of aan een schuur of ander gebouw. Ook nestpalen voor bijvoorbeeld visarenden worden als kunstmatige nestgelegenheid gezien.

Artikel 3.19 Algemene nestbescherming en rustplaatsen

  • 1.

    Het verbod als bedoeld in artikel 11.37 lid 1 onder b van het van het Besluit activiteiten leefomgeving, is van toepassing vanaf balts en nestbouw tot en met het moment dat de jongen uitvliegen.

  • 2.

    Er is sprake van het vernielen en beschadigen van nesten zoals bedoeld in artikel 11.37 lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving, als het nest op een zodanige wijze verstoord of aangetast wordt dat het nest definitief verlaten wordt of tijdelijk wordt verlaten, zodat het voortplantingssucces vermindert.

Artikel 3.20 Jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen

  • 1.

    In afwijking van artikel 3.19 is het verbod in artikel 11.37 lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving jaarrond van toepassing op de nesten van vogelsoorten opgenomen in bijlage 5 van de Beleidsregel Natuurbescherming.

  • 2.

    In afwijking van artikel 3.19 is het verbod in artikel 11.37 lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving jaarrond van toepassing op de rustplaatsen van vogelsoorten opgenomen in bijlage 6 van de Beleidsregel Natuurbescherming.

Artikel 3.21 Uitzondering jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen

Het verbod als bedoeld in artikel 11.37 lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt niet geacht te zijn overtreden bij de verplaatsing van een kunstmatige nestgelegenheid van een beschermde vogelsoort met een jaarrond beschermd nest of rustplaats, als bedoeld in bijlage 5 en 6, als:

  • a.

    de kunstmatige nestgelegenheid zijn ecologische functionaliteit effectief blijft behouden ondanks de verplaatsing; en

  • b.

    deze verplaatsing plaats vindt binnen of aan hetzelfde perceel of in het geval van nestpalen binnen hetzelfde natuurgebied plaatsvinden.

Artikel II Wijziging bijlagen bij de Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022

De bijlagen worden als volgt gewijzigd:

 

A

Lid pp. van bijlage 1 Begripsbepalingen komt te luiden:

  • pp.

    referentiesituatie: toestemming als bedoeld in sub ddd, onder 1°, 2°, 4° en 5, of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in sub ddd, onder 3° en 6 waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt.

B

Na bijlage 4 worden twee bijlagen toegevoegd, luidende:

 

Bijlage 5 Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn

  • Aalscholver

  • Blauwe kiekendief

  • Blauwe reiger

  • Boerenzwaluw

  • Bontbekplevier

  • Boomvalk

  • Bosuil

  • Brilduiker

  • Bruine Kiekendief

  • Buidelmees

  • Draaihals

  • Dwergstern

  • Eider

  • Huiszwaluw

  • IJsvogel

  • Kerkuil

  • Kleine Zilverreiger

  • Kleinst Waterhoen

  • Kluut

  • Kortsnavelboomkruiper

  • Kraanvogel

  • Kramsvogel

  • Kuifmees

  • Kwak

  • Raaf

  • Ransuil

  • Ringmus

  • Rode Wouw

  • Roek

  • Roerdomp

  • Roodhalsfuut

  • Slechtvalk

  • Sperwer

  • Steenuil

  • Strandplevier

  • Tapuit

Bijlage 6 Vogelsoorten waarvan de rustplaatsen jaarrond beschermd zijn

  • Boerenzwaluw

  • Bruine Kiekendief

  • Dwerggans

  • Frater

  • Geelgors

  • Grote Zilverreiger

  • Grutto

  • Huismus

  • Keep

  • Kemphaan

  • Kleine Mantelmeeuw

  • Kleine Rietgans

  • Kleine Zilverreiger

  • Kleine Zwaan

  • Kokmeeuw

  • Kraanvogel

  • Lachstern

  • Oeverzwaluw

  • Purperreiger

  • Ransuil

  • Regenwulp

  • Reuzenstern

  • Ringmus

  • Roek

  • Scholekster

  • Smelleken

  • Spreeuw

  • Steenuil

  • Stormmeeuw

  • Velduil

  • Wilde Zwaan

  • Wulp

  • Zeearend

  • Zilvermeeuw

  • Zwarte Stern

  • Zwartkopmeeuw

Artikel III Wijziging toelichting Beleidsregels Natuurbescherming Zeeland 2022

De artikelsgewijze toelichting wordt als volgt gewijzigd:

 

A

Na de toelichting op afdeling 3.1 wordt een toelichting op afdeling 3.4 en afdeling 3.5 toegevoegd, luidende:

 

Afdeling 3.4, Tijdelijke natuur

 

Algemeen

Op braakliggende terreinen met een ruimtelijke bestemming die nog niet is gerealiseerd, kunnen leefomstandigheden ontstaan of gecreëerd worden voor planten- en diersoorten. Op deze manier kunnen deze terreinen een waardevolle bijdrage leveren aan biodiversiteit van Zeeland, ook wanneer de bestemming van deze terreinen op termijn gerealiseerd wordt. De keuze van een grondeigenaar om ruimte te bieden aan tijdelijke natuur, in plaats van het kaal maken en houden van terreinen, is een goede stap op weg naar een natuurinclusieve economie.

 

Tijdelijke natuur maakt het mogelijk de ruimtelijke bestemming te realiseren, ook wanneer zich in de tussentijd beschermde soorten hebben gevestigd. De ontwikkelaar van de grond kan hier vooraf een omgevingsvergunning voor krijgen, wanneer voldaan wordt aan een aantal eisen die de zorgvuldige omgang met de beschermde natuur garanderen.

 

Tot 1 januari 2024 was er sprake van een landelijke gedragscode onder de Wet Natuurbescherming voor tijdelijke natuur. Sinds de overgang van de Wet Natuurbescherming naar de Omgevingswet, op 1 januari 2024, kan tijdelijke natuur verwijderd worden op basis van een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten. Provincies zijn hiervoor het bevoegd gezag. Om duidelijkheid te verschaffen over wat gedeputeerde staten verstaan onder tijdelijke natuur, en aan welke vereisten een vergunningaanvraag moet voldoen, zijn deze beleidsregels opgesteld.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 3.14 Indieningsvereisten

Met de quickscan en nulmeting (lid 2) wordt vastgesteld welke beschermde soorten aan het begin van het project in het gebied voorkomen. Deze soorten zullen geen deel uitmaken van de omgevingsvergunning. Bij tijdelijke natuur gaat het nadrukkelijk om soorten die zich nieuw vestigen in het gebied. Voor soorten die bij de start al aanwezig zijn is een aparte omgevingsvergunning nodig zodra de bestemming van het terrein gerealiseerd wordt.

 

De soorten waarvoor het plan van aanpak (lid 7) voor verwijdering van tijdelijke natuur geschreven wordt, zijn de plant- en diersoorten die zich sinds de nulmeting nieuw hebben gevestigd. In dit plan wordt met aandacht voor de specifieke soorten omschreven hoe het terrein ongeschikt gemaakt wordt met de minst mogelijke schade aan de individuele dieren of planten. Dit moet per soort omschreven worden. Het verdient de aanbeveling om in het plan van aanpak ook rekening te houden met niet-beschermde soorten, vanwege de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die ook geldt voor niet-beschermde soorten.

 

Afdeling 3.5, Jaarrond beschermde vogelnesten

 

Algemeen

Deze afdeling is toegevoegd om duidelijk te maken van welke vogelsoorten de nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd zijn in Zeeland.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 3.18 Begripsbepalingen

Voorbeelden van nestplaatsen zijn: een nestholte, een boom met een nest erin en een broedeiland.

 

Rustplaatsen van vogels zijn ruim gedefinieerd en kunnen sterk verschillen per soort. De relevantie is dat rust bij vogels noodzakelijk is voor het onderhouden van een gezonde fysiologie. Een beschermde rustplaats is een locatie die essentieel is voor een soort om daar geregeld te verblijven en succesvol te rusten. Rusten is daarbij gedefinieerd als gedrag van vogels die niet actief zijn, behalve het vertonen van alertheid. Hierbij kan gedacht worden aan slaapplaatsen, hoogwatervluchtplaatsen of plekken om te schuilen of te ruien.

 

Het gaat hier om locaties die niet continu gebruikt worden, maar waar wel jaarlijks (in een specifiek seizoen) naar teruggekeerd wordt (of in ieder geval de kans daarop groot is). Rustplaatsen zijn e onder specifieke omstandigheden essentieel. Dit betekent dat er geen uitwijkmogelijkheden voor zijn. Wanneer een rustplaats op dat moment door een soort ook wordt benut als broedlocatie, dan wordt die locatie beschouwd als nestplaats en niet als rustplaats.

 

Voorbeelden van rustplaatsen zijn zandplaten op de Oosterschelde en Westerschelde (denk aan de Roggenplaat of Hooge Platen), waar grote groepen vogels gezamenlijk rusten, bijvoorbeeld tijdens hoogwater. Deze rustplaatsen zijn van essentieel belang voor deze vogelsoorten om bijvoorbeeld tot rust te komen alvorens de trek aan te vangen/ voort te zetten richting de overwinteringsgebieden of broedgebieden.

 

Vogelsoorten met jaarrond beschermde rustplaatsen staan weergegeven in Bijlage 6. Deze rustplaatsen genieten dezelfde bescherming als de vogelsoorten van Bijlage 5 jaarrond beschermde nestplaatsen.

 

Artikel 3.19 Algemene nestbescherming en rustplaatsen

Het eerste lid van dit artikel geeft aan dat het verbod van het vernielen van nesten zoals bedoeld in artikel 11.37 lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt vanaf balts en nestbouw tot en met het moment dat de jongen uitvliegen. Hiervoor kan het broedseizoen als uitgangspunt aangehouden worden. Als broedseizoen kan in algemene zin hierbij de periode vanaf 1 maart tot en met 15 augustus daaropvolgend worden aangehouden, maar ook eerdere of latere broedgevallen moeten worden beschermd.

 

Artikel 3.20 Jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen

Dit artikel geeft aan van welke vogelsoorten de nesten en/of rustplaatsen jaarrond beschermd zijn. Voor deze soorten geldt het verbod van het vernielen van nesten zoals bedoeld in artikel 11.37 lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving het gehele jaar, dus niet alleen vanaf balts en nestbouw zoals staat in artikel 3.19 van de beleidsregels. Voor deze vogelsoorten is het ecologisch nodig, om het nest buiten het broedseizoen te beschermen. Een aantal van deze vogelsoorten gebruikt het nest niet jaarrond, bijvoorbeeld omdat deze vogelsoorten buiten het broedseizoen wegtrekken of andere delen van het leefgebied gebruiken. Het is echter wel belangrijk om te zorgen dat het broedgebied in stand blijft, zodat de vogel het jaar daarna deze plek opnieuw kan gebruiken als nest. Het verbod als bedoeld in artikel 11.37 lid 1 onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt echter niet geacht te zijn overtreden als:

  • Het schilderen van boeiboorden/overstekken buiten het broedseizoen voor de huiszwaluw en de boerenzwaluw. Als broedseizoen voor zwaluwen kan de periode 1 mei tot 31 augustus worden aangehouden.

  • Het maaien van riet buiten het broedseizoen van in het riet broedende vogels, zoals bijvoorbeeld de bruine kiekendief, de roodhalsfuut, de roerdomp en de zomertaling. Voor deze soorten kan de periode van 1 april tot en met 31 juni daaropvolgend als broedseizoen worden aangehouden. Indien er een gedragscode van toepassing is, dan dient de gedragscode gevolgd te worden.

  • Tijdelijke verstoring buiten het broedseizoen, op de plekken waar nesten van de strandplevier en de bontbekplevier aanwezig zijn, tenzij deze plek beperkt toegankelijk is (Toegangsbeperkingsbesluit). De verstoring mag niet langer dan één dag duren. Voor deze soorten kan de periode van 15 maart tot en met 15 augustus daaropvolgend als broedseizoen worden aangehouden. Hierbij valt te denken aan het houden van een evenement of op de dijk of strand waar plevieren broeden.

  • Tijdelijk ruimtebeslag buiten het broedseizoen waarbij het broedgebied niet verloren gaat. Het ruimtebeslag mag niet langer dan één dag duren.

Het tweede lid van dit artikel geeft aan dat er sprake is van het vernielen van nesten, als het nest op een zodanige wijze verstoord wordt dat het nest definitief verlaten wordt of tijdelijk wordt verlaten, zodat het voortplantingssucces vermindert. Hier is in elk geval sprake van wanneer:

  • Er sprake is van permanent ruimtebeslag waarbij het broedgebied of rustplaats definitief onbruikbaar is. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het aanleggen van een nieuwe woonwijk of een nieuw bedrijven-/industrieterrein.

  • Er sprake is van tijdelijk ruimtebeslag waarbij het nest zodanig lang wordt verlaten, dat de eieren niet meer zullen uitkomen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een evenement waarbij een broedende vogel zodanig verstoord wordt, waardoor deze urenlang het nest verlaat. De eieren zullen dan te koud of juist te warm zijn geworden, waardoor deze niet meer zullen uitkomen.

Artikel 3.21 Uitzondering jaarrond beschermde nesten en rustplaatsen

In uitzondering op artikel 3.20 kan een kunstmatige nestgelegenheid van een beschermde vogelsoort met een jaarrond beschermd nest of rustplaats verplaatst worden onder twee voorwaarden. Verplaatsing van een kunstmatige nestgelegenheid kan namelijk nodig zijn in het geval van bijvoorbeeld bouwactiviteiten en onderhoudswerkzaamheden.

Artikel IV Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na uitgifte van het Provinciaal Blad waarin het wordt geplaatst.

Aldus vastgesteld door gedeputeerde staten van de provincie Zeeland in de vergadering van 7 juli 2026.

H.M. de Jonge, voorzitter

Drs. M.C.J. Franken, secretaris

Naar boven