Provinciaal blad van Limburg
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Limburg | Provinciaal blad 2026, 11502 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Limburg | Provinciaal blad 2026, 11502 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Financiële Verordening Provincie Limburg 2026
In deze verordening wordt verstaan onder:
Netto schuldquote: de netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de Provincie ten opzichte van de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Dit is daarmee een indicatie van de mate waarin de Provincie op korte termijn in staat is haar verplichtingen te voldoen.
SiS: het strategische en uitvoeringskader Sturing in samenwerking (SiS).
Het strategisch kader beschrijft het afwegingskader om te komen tot de inzet van het juiste provinciale instrument waarmee uitvoering kan worden gegeven aan het provinciaal beleid. Het uitvoeringkader beschrijft de meest gebruikte instrumenten voor samenwerking. Het biedt inzicht in de inhoud van het gekozen instrument, de vereisten die in acht moeten worden genomen, richtlijnen, de relevante financiële, fiscale en juridische aandachtspunten en hoe good governance, informatievoorziening en risicomanagement rondom het gekozen instrument kan worden ingericht.
Artikel 2. Planning- en controlcyclus
De planning- en controlcyclus bestaat uit een jaarlijkse cyclus.
Voor aanvang van een begrotingsjaar stelt de Controlecommissie, op voorstel van de griffier na afstemming met het college, een overzicht vast m.b.t. de jaarlijkse P&C-cyclus. Hierin zijn in elk geval de data opgenomen voor het aanbieden aan Provinciale Staten door Gedeputeerde Staten van de Jaarstukken, de Voorjaarsnota, de Najaarsnota en de begroting met de bijhorende meerjarenraming.
Gedeputeerde Staten leggen voor ieder beleidsinhoudelijk begrotingsprogramma een geactualiseerd beleidskader voor aan Provinciale Staten ter vaststelling, uiterlijk één jaar na installatie van een nieuwe Staten. Zolang er geen geactualiseerd of nieuw beleidskader is vastgesteld, blijft het bestaande kader gelden, tenzij anders wordt besloten.
Gedeputeerde Staten dragen zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de maatschappelijke opgaven, doelstellingen, beoogde resultaten en geleverde goederen en diensten, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door Provinciale Staten, kunnen worden getoetst.
Gedeputeerde Staten leggen verantwoording af over de uitvoering van de programma's en hoe de resultaten zich verhouden tot de in de begroting gestelde doelen. Relevante afwijkingen worden toegelicht en hebben betrekking op de verschillen tussen de begroting en realisatie uit de (gewijzigde) programmabegroting op begrotingsprogrammaniveau.
Artikel 7 Paragrafen in de Programmabegroting en Jaarstukken.
In de Programmabegroting en Jaarstukken worden in afzonderlijke paragrafen de beleidslijnen vastgelegd met betrekking tot relevante beheersmatige aspecten, alsmede tot de provinciale heffingen. In de paragrafen wordt tenminste opgenomen datgene dat nader bepaald is in de artikelen 10 tot en met 15 van het Besluit Begroting en Verantwoording. Aanvullend hierop:
Artikel 9 Investeringen regionale bereikbaarheid
Het college is gemandateerd om binnen de kaders van de begroting en de investeringsplanning, volgend uit de Nota Infrastructurele Kapitaalgoederen, projecten te prioriteren en te faseren. Indien de wijzigingen in een P&C product per saldo leiden tot additionele kapitaallasten in de begroting van meer dan € 0,5 mln. per jaar wordt de oorzaak expliciet toegelicht en benoemd of er bijsturingsmaatregelen nodig zijn.
Artikel 11 Wensen en bedenkingen
In het kader van de actieve informatieplicht moeten in onderstaande situaties Provinciale Staten wensen en bedenkingen uiten, voordat door GS hierover een besluit kan worden genomen:
Bij het stapelen van directe provinciale financiële instrumenten. Onder het stapelen van provinciale financiële instrument wordt verstaan: het combineren van de instrumenten leningen, erfpacht, borgstellingen en/of agiokapitaal, waarbij de totale investering (met de gecombineerde inzet van deze instrumenten) meer dan € 1 mln. bedraagt.
Procedure van wensen en bedenkingen
Alvorens een formeel voorstel aan PS voor te leggen belegt GS een sonderende bespreking van een voorstel op hoofdlijnen in de betreffende Statencommissie. Dit voorstel omvat minimaal informatie over het publieke doel, het beoogde maatschappelijke effect, de exit strategie, de financiële impact, de risico's en het voorgenomen instrumentarium. Provinciale Staten worden daarbij in de gelegenheid gesteld voorstellen tot wijziging/aanvulling/verdieping voor te stellen;
Artikel 12 Grond- en vastgoedbeleid
Op basis van het vastgestelde Statenvoorstel anticiperende aankopen (G-25-010 d.d. 19 september 2025) wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen anticiperende aankopen, elk met een eigen 100% revolverend krediet en kredietkenmerken:
Offensieve anticiperende aankopen ten behoeve van de overige beleidsvelden, met de volgende kredietkenmerken:
Bij vervreemding: de boekwaarde valt volledig vrij binnen het revolverend krediet. Positieve verkoopresultaten komen ten bate van de algemene middelen; Negatieve (verkoop)resultaten komen ten laste van de ingestelde risicoreserve Offensieve anticiperende aankopen, of indien ontoereikend ten laste van de algemene middelen.
De verantwoording over het grond- en vastgoedbeleid en de inzet van het krediet (klassieke) anticiperende aankopen, het krediet offensieve anticiperende aankopen en de risicoreserve Offensieve anticiperende aankopen, vindt op hoofdlijnen plaats via de paragraaf Grondbeleid van de programmabegroting en in de jaarstukken. Aanvullend verstrekken Gedeputeerde Staten jaarlijks een Notitie Grond- en vastgoedportefeuille aan Provinciale Staten.
Artikel 14 Doelstelling investeringsbeleid
Doelstelling van het investeringsbeleid van de Provincie Limburg is het voeren van een duurzaam financieel beleid door het behalen van een maximaal reëel lange-termijn financieel en maatschappelijk rendement ten behoeve van de inwoners in Limburg met als uitgangspunt dat het (toekomstig) provinciaal vermogen in stand wordt gehouden.
Artikel 15 Strategisch investeringsbeleidskader
Het strategisch investeringsbeleidskader bevat de belangrijkste investeringskeuzes die PS moet maken onderverdeeld naar drie pijlers, te weten:
De gewenste vermogenssamenstelling (‘strategische allocatie’) van de Provincie naar investeringscategorieën. Het risicoprofiel van deze vermogenssamenstelling wordt geanalyseerd in het licht van alle ontwikkelingen op individueel instrumentniveau, zowel op korte als lange termijn. Nader uitgewerkt in artikel 18 en artikel 21 en in de toelichting hierop.
Artikel 16 Investeringsprincipes
De onderstaande investeringsprincipes zijn leidend en gelden altijd voor provinciale investeringen (financieringen, verbonden partijen, offensieve anticiperende grondaankopen en erfpacht):
Met “We” wordt Gedeputeerde Staten bedoeld, als uitvoerend orgaan van de Provincie.
Artikel 17 Rendementsdoelstelling
De investeringsstrategie zorgt ervoor dat met het totale portfolio aan SiS-investeringen – meerjarig bezien – een optimaal rendement behaald wordt met als minimum de streefinflatie van 2% die gehanteerd wordt door de ECB. Let wel, dit betekent dat ook na eventuele wanbetaling of afwaarderingen de koopkracht van de SiS-portfolio (ook wel ‘SiS-investeringsportefeuille’) behouden moet blijven. Individuele instrumenten zullen derhalve op basis van hun risicoprofiel aan een hogere (dan de CPI - inflatie) rendementseis moeten voldoen.
Artikel 18 Vermogenssamenstelling
De maximale SiS investeringsportefeuille (boekwaarde per ultimo boekjaar) is gedefinieerd als het totaal van het vrij besteedbare deel van de algemene reserve plus risicoreserve SiS plus voorzieningen die zijn gevormd voor en samenhangen met de financiële vaste activa minus de risico’s waarvoor geen voorziening of reserve is voor getroffen minus aftrek van eventuele meerjarige begrotingstekorten volgens de laatste door PS vastgestelde programmabegroting.
De investeringsstrategie zorgt ervoor dat de financiële risico’s niet geconcentreerd (> 30%) zijn in één bepaalde sector (bijv. Zorg, Onderwijs) of bepaalde markt (bijv. commercieel vastgoed). De verdeling over de sectoren is opgenomen in de verplichte paragraaf portfoliomanagement bij de jaarrekening.
Artikel 19 Investeringshorizon
De investeringsstrategie kent een lange termijn horizon, maar behoudt 10% van haar totale portefeuille (SiS-portefeuille en treasury portefeuille tezamen) liquide en zorgt ervoor dat de looptijd aansluit bij de investeringsopgave.
Artikel 20 Portfoliobeheersing
Inzet van instrumenten dient te worden afgewogen in het licht van de investeringsstrategie op SiS portfolio niveau met het oog op het realiseren van een optimale spreiding. Deze strategie is beschreven in paragraaf 4 van deze Financiële Verordening. Borging verloopt via de investeringsprincipes (artikel 16) en de investeringsrichtlijnen (artikelen 17, 18, 19) .
Het behaalde totale rendement op SiS-portfolioniveau onder aftrek van eventuele afwaarderingen resulteert in koopkrachtbehoud. Daar waar individuele projecten geen bijdrage leveren aan deze doelstelling dient dit door andere projecten gecompenseerd te worden. In de paragraaf Portfoliomanagement van de jaarrekening wordt het gerealiseerde rendement over het afgelopen boekjaar verantwoord.
De impact wordt bepaald aan de hand van de afweging van de impact van de investering op basis van DESTEP-analyse (Demografische-, Economische-, Sociale-, Technologische-, Ecologische- en Politieke impact). Bij het bepalen van de impact van een investering wordt ook het maatschappelijk rendement meegewogen welke bijvoorbeeld door middel van een Maatschappelijke Kosten Baten analyse (MKBA) in beeld kan worden gebracht, als dit past bij de aard en omvang van het project.
Voor de beoogde strategische investeringsmix en rendementsdoelen wordt vanuit risicobeheersingsperspectief aangehaakt op bovenstaande kwadrantindeling. Op basis van de beoogde investeringsmix is in onderstaande figuur een maximale weging en beoogd financieel rendement op portefeuille niveau schematisch weergegeven in het risicokwadrant.
PS kunnen, via de vaststelling van de jaarrekening, besluiten de feitelijke investeringsportefeuille (tijdelijk) te laten afwijken van bovenstaande gewenste strategische portefeuille voor zover de Provincie – ondanks de afwijkingen – blijft voldoen aan de investeringsrichtlijnen in artikel 14 t/m 19.
Bij investeringen uit hoofde van de publieke taak, financieel revolverende inzet, wordt initieel geen beslag gelegd op beleidsmiddelen. Er bestaat echter wel het risico dat gedurende de looptijd van de investering als gevolg van afwaarderingen de begrotingsruimte geraakt wordt. Derhalve is het prudent, indien noodzakelijk, aan de voorkant een risicoreservering te vormen ter dekking.
Op basis van de business case en eventueel beschikbare zekerheden wordt per nieuw instrument aan de voorkant een risicoreservering gevormd uit de beleidsmiddelen van het inhoudelijk cluster, uitgedrukt in een percentage van de totale provinciale inbreng. Indien er geen beleidsinhoudelijk cluster is betrokken wordt de risicoreservering, indien noodzakelijk, gevoed vanuit de renteopbrengst van de financiering c.q. dividend vanuit de deelneming van het betreffende instrument:
Artikel 23 Rendement en risico
Het rendement op eigen vermogen wordt gebaseerd op het risicoprofiel van de investering. Dit rendement kan bestaan uit dividend, maar ook uit waardestijging van het kapitaalbelang. Omdat ingebracht eigen vermogen altijd achtergesteld is op ingebracht vreemd vermogen, is het risicoprofiel bij kapitaalinbreng per definitie hoger dan bij een financiering en moet het verwacht rendement hoger zijn.
Het rendement op vreemd vermogen (verstrekte geldlening of borgstelling) dient marktconform te zijn. Marktconformiteit ziet toe op het gehele pakket van voorwaarden (dus niet alleen op het rentetarief) en is in eerste instantie te definiëren als het rendement vereist door een onafhankelijke marktpartij onder gelijke omstandigheden (arm’s length).
Het rentetarief op de verstrekte geldlening mag niet negatief zijn.
Het maatschappelijke rendement is de niet-financiële impact van de investering voor de maatschappij. De provincie wil naast het financieel rendement een maatschappelijke impact ook wel SRI (Social return on investment) realiseren. De impact kan op verschillende aspecten teweeg worden gebracht: werkgelegenheid, verduurzamen, CO2 reductie, verbeteren leefgebied etc.
Artikel 24 Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording
Provinciale Staten stellen vast op welke wijze zij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de Jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, willen worden geïnformeerd over rechtmatigheid. Deze vaststelling gebeurt op basis van het normenkader rechtmatigheid, zoals opgenomen in artikel 25, lid 2.
Artikel 25 Voorwaardencriterium
Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als omschrijving van de doelgroep, heffings- en/of declaratiegrondslag, normbedragen, bevoegdheden, administratieve bepalingen, voeren van een administratie, het verkrijgen en bewaren van bewijsstukken, aan te houden termijnen besluitvorming, betaling, declaratie e.d. In lijn met de Kadernota rechtmatigheid alsook het vigerende Controleprotocol accountantscontrole worden de aspecten met betrekking tot recht, hoogte en duur betrokken in het rechtmatigheidsonderzoek.
Het college van Gedeputeerde Staten bieden Provinciale Staten jaarlijks uiterlijk in de laatste jaarvergadering van Provinciale Staten ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Het college van Gedeputeerde Staten operationaliseren dit normenkader –daar waar nodig- in een toetsingskader ten behoeve van de interne beheersing.
Artikel 26 Begrotingscriterium
Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door Provinciale Staten geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.
Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag op programmaniveau, zoals openomen in artikel 8 Budgettaire bevoegdheden. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.
Begrotingsonrechtmatigheden hebben primair betrekking op overschrijding van lasten en investeringskredieten. Over- en onderschrijdingen van baten of onderschrijdingen van lasten/investeringen kunnen onrechtmatig zijn als deze afwijkingen niet tijdig in de (bijgestelde) begroting zijn verwerkt c.q. niet tijdig aan PS zijn gemeld. Tijdig wordt hierbij gezien als binnen de termijnen van de vastgestelde P&C-cyclus, zoals opgenomen in paragraaf 2 van deze verordening. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:
Alle begrotingsoverschrijdingen –voor zover de verantwoordingsgrens is overschreden- worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Over- en onderschrijdingen van baten of onderschrijdingen van lasten/investeringen worden alleen meegenomen als begrotings-onrechtmatigheden in de rechtmatigheidsverantwoording indien deze niet (afdoende) zijn toegelicht in de jaarrekening bij het betreffende programma. In de rechtmatigheidsverantwoording wordt op basis van lid 2 aangegeven welke begrotingsonrechtmatigheden als acceptabel worden beschouwd. Deze begrotingsonrechtmatigheden worden toegelicht bij het betreffende programma. De dan nog resterende begrotingsonrechtmatigheden worden toegelicht in de rechtmatigheidsverantwoording.
Artikel 29 Kostprijsberekening
Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van producten en diensten van de Provincie wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostentoerekening worden naast de directe kosten alleen die indirecte kosten betrokken, die rechtstreeks samenhangen met de door de Provincie verleende diensten.
Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de in gebruik zijnde activa betrokken, evenals vervanging van de betrokken activa, de kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa betrokken voor rechten als bedoeld in artikel 223, eerste lid, provinciewet, de compensabele btw.
Artikel 31 Toerekening overhead
De wijze van toerekening van de werkelijke overheadlasten bij de Jaarstukken vindt plaats op basis van de voorgecalculeerde verdeelsleutel, zoals gehanteerd bij de begroting (na wijziging).
Artikel 32 Incidentele baten en lasten
Incidentele baten en lasten dienen op productniveau afzonderlijk te worden gespecificeerd in het overzicht incidentele baten en lasten behorende bij de programmabegroting en Jaarstukken.
Artikel 33 Beleidskader Sturing in samenwerking
Gedeputeerde Staten bieden tenminste eenmaal in de statenperiode een actueel beleidskader “Sturing in Samenwerking” aan.
Artikel 34 Financieringsfunctie
Gedeputeerde Staten nemen bij de uitvoering van de financieringsfunctie de volgende richtlijnen in acht:
bij het uitzetten van overtollige liquide middelen bij Nederlandse decentrale overheden dient dit zo optimaal mogelijk te worden gedaan, waarbij het rentepercentage op transactiedatum minimaal gelijk dient te zijn aan het rentepercentage op een staatsdeposito binnen schatkistbankieren met vergelijkbare looptijd;
Het verstrekken van leningen en borgstellingen anders dan aan Nederlandse decentrale overheden wordt uitsluitend gedaan uit hoofde van het publiek belang voor Limburg en binnen de door Provinciale Staten vastgestelde kaders van het vigerende beleidskader Sturing in Samenwerking zoals beschreven in artikel 33.
Gedeputeerde Staten stellen nadere uitvoeringsregels op ter uitvoering van het gestelde onder het eerste en tweede lid van dit artikel en leggen deze uitvoeringsregels, alsmede de taken, rollen en bevoegdheden vast in een Treasurystatuut. Het Treasurystatuut wordt ter kennisneming aan Provinciale Staten aangeboden.
Artikel 35 Registratie bezittingen, activa en vermogen
Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor, dat de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de Provincie systematisch worden gecontroleerd, met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de (debiteuren-) vorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de (crediteuren-)schulden, registergoederen en bedrijfsmiddelen jaarlijks worden gecontroleerd.
De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:
Artikel 38 Financiële organisatie
Gedeputeerde Staten dragen er zorg voor en leggen (in een besluit) vast:
Gedeputeerde Staten dragen ten behoeve van het getrouwe beeld en de rechtmatigheid van de jaarrekening zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking, en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen nemen Gedeputeerde Staten maatregelen tot herstel.
Maastricht, d.d. 18 juni 2026
Provinciale Staten voornoemd
de voorzitter,
de heer E.G.M. Roemer
de griffier,
de heer mr. A.O.J. Pregled
Uitgegeven: 8 juli 2026
De secretaris van Gedeputeerde Staten van Limburg,
De heer D.F. Timmer
Bijlage: Artikelsgewijze toelichting Financiële Verordening 2026
Paragraaf 1 Algemene bepalingen
In het kader van eenduidigheid van begrippen die in deze verordening voorkomen zijn de definities gebaseerd op de modelverordening van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten aangevuld met begrippen uit de Financiële verordening.
Paragraaf 2 Begroting en verantwoording
Planning- en control uitgangspunten
Deze sectie geeft inzicht in de werking van de cyclus en de bijhorende rapportages.
Artikel 2 Planning- en controlcyclus
Dit artikel geeft kort weer wat bedoeld wordt met de planning- en controlcyclus en beschrijft hoe de afspraken rondom de planning en behandeling van stukken is geregeld. De wettelijke termijnen zijn opgenomen in de provinciewet artikel 195 en 204. Nieuw is lid 5, waarmee het aanbieden van de P&C beleidsmonitor een vast onderdeel is van de cyclus.
De Voorjaarsnota gaat over het meerjarige budgettaire kader en de beleidsmatige ambities voor de rest van het lopende jaar en de nieuwe aanstaande begroting van het volgende dienstjaar. Hierbij hoort ook een terugblik op afgelopen dienstjaar. Op basis van deze informatie kunnen Provinciale Staten de uitvoering van de begroting volgen en besluiten of bijsturing nodig is in het lopende jaar of in de meerjarenraming.
De Voorjaarsnota heeft ook het karakter van een voortgangsrapportage om de consistentie tussen geld en inhoud te borgen. Dit gebeurt aan de hand van de variabelen Kwaliteit, Tijd en Geld. Het autorisatieniveau van Provinciale Staten ligt op programmaniveau. Bij dit budgettair kader hoort een zo actueel mogelijk financieel beeld. Ontwikkelingen over de eerste vier maanden kunnen in dit kader tot een bijstelling van de begroting leiden.
Dit artikel bevat een aantal bepalingen over de inrichting van de begroting waarin de kaderstellende functie van Provinciale Staten tot uiting komt. Provinciale Staten leggen een belangrijk deel van de infrastructuur van de begroting vast, evenals de indicatoren waarop Provinciale Staten willen sturen en controleren.
De Provincie bepaalt zelf het aantal en de inhoud van de programma's van de begroting en kan daardoor de begrotingsopzet aanpassen aan de eigen politiek-bestuurlijke wensen. Zo kan een Provincie programma's bijvoorbeeld indelen naar doelgroepen of indelen volgens de kerntaken van het IPO. De gehele programma-indeling is facultatief.
Daarnaast is de Provincie verplicht om zorg te dragen voor informatie voor derden (IV3). Deze informatie is gebaseerd op een verplichte indeling, maar levert alleen cijfermatige informatie. Deze wordt voornamelijk gebruikt voor statistische doeleinden.
Omdat er een politiek-bestuurlijke keuze ten grondslag ligt aan de indeling van de programma's, stellen Provinciale Staten de indeling vast. Meestal zal die vaststelling voor enkele jaren gelden, bijvoorbeeld voor een gehele statenperiode. Indien daartoe aanleiding is, kunnen Provinciale Staten de indeling wijzigen. In de praktijk leidde dit in het verleden tot compleet nieuwe opzetten bij iedere wisseling van Staten of coalitie. Omdat dit leidt tot een moeilijke vergelijkbaarheid wordt nu het uitgangspunt gehanteerd dat de structuur van de begroting zoveel mogelijk hetzelfde blijft om de politiek-bestuurlijke herkenbaarheid zo veel mogelijk intact te houden. Hiervoor verwijzen wij naar de benchmark Jaarstukken 2019, Uitkomsten werkgroep Benchmark Jaarstukken 2019 en methode Duisenberg, brief Controlecommissie van 21-4-2021 (PS 2021-10854) Limburg - iBabs RIS (bestuurlijkeinformatie.nl)
Een begrotingsprogramma bestaat bij de Provincie Limburg uit tenminste één doelstelling. Een begrotingsprogramma is gebaseerd op de drie w-vragen: wat willen we bereiken, wat gaan we daarvoor doen en wat mag dat kosten? Het systeem van de drie W-vragen is een direct gevolg van de introductie van het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (Staatsblad 2003, 27, gepubliceerd 23-01-2003) en daarmee wettelijk verplicht en geen keuze. Deze drie W-vragen zijn aangevuld met indicatoren per begrotingsprogramma. Aan de hand van de drie W-vragen en indicatoren kunnen Provinciale Staten hun kaderstellende functie vervullen. Ook dienen zij om Provinciale Staten de gelegenheid te bieden hun controlerende functie in te vullen door de uitkomsten en resultaten van de programma's te beoordelen. Een uitzondering op bovenstaande is het programma waarin de algemene dekkingsmiddelen en overhead zijn opgenomen.
In het artikel is ook aandacht voor meetbaarheid van beleid en aansluiting bij de doelenboomsystematiek. We nemen indicatoren voor de doelstellingen op in de begrotingsprogramma’s, geen indicatoren m.b.t. de te leveren goederen en diensten (dit zouden meer procesindicatoren zijn). GS draagt ook zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de maatschappelijke opgaven en activiteiten.
Publicatie van de provinciale begroting vindt meestal plaats voordat de septembercirculaire van het provinciefonds is gepubliceerd. Vanwege het actuele financiële inzicht worden de effecten van de septembercirculaire bij de behandeling van de begroting betrokken.
De Najaarsnota is een voortgangsrapportage over het lopende jaar. Resultaten worden gemonitord op basis van de variabelen Kwaliteit, Tijd en Geld. Daarnaast biedt deze rapportage om zowel het financieel als inhoudelijk perspectief te actualiseren. Dit kan op basis van zowel autonome ontwikkelingen als eigen besluitvorming door de Provincie. Het financieel perspectief van de Najaarsnota is congruent met de meerjarenraming van het voorstel programmabegroting voor het volgende jaar. Behandeling van deze nota vindt daarom samen plaats met de behandeling van de programmabegroting.
Publicatie van de Najaarsnota vindt meestal plaats voordat de septembercirculaire van het provinciefonds is gepubliceerd. Vanwege het actuele financiële inzicht worden de effecten van de septembercirculaire bij de behandeling van deze Najaarsnota betrokken.
Artikel 6 is het sluitstuk van de begrotingscyclus, de verantwoording over de begrotingsuitvoering door het College, c.q. de controle van Provinciale Staten daarop. De indeling van de Jaarstukken volgt de indeling van de programmabegroting.
Artikel 7 Paragrafen in programmabegroting en jaarstukken.
Naast de verplichte paragrafen (BBV) worden de volgende extra paragrafen aangeboden:
Paragraaf 2 Budgettair mandaat
Artikel 8 Budgettaire bevoegdheden
In deze verordening is specifiek toegelicht hoe de budgettaire bevoegdheden geregeld zijn. Hiermee wordt beoogd meer duidelijkheid te verschaffen in de verordening in plaats van afzonderlijke spelregels in de begroting.
Er wordt in dit artikel niet gesproken over termen zoals binnen of buiten kader. Het gaat over mandaat en de opdracht die Gedeputeerde Staten hebben meegekregen van Provinciale Staten. Met dit artikel wordt de opdracht van Provinciale Staten in budgettaire zin expliciet gemaakt:
Lid 3 legt expliciet vast hoe Provinciale Staten bij het vaststellen van de financiële positie, de investeringskredieten autoriseren. N.a.v. de reactie van de directie op het rapport reconstructie Maaslijn, brief aan Provinciale Staten d.d. 24-5-2019, kenmerk 2019/39717 zijn de aanbevelingen vertaald naar een toevoeging op de beleidsregel rondom de investeringsbesluiten. Om te voorkomen dat budgetten een eigen leven gaan leiden en een zekere “hardheid” oproepen, ook wel snel, taakstellend genoemd, moet ervoor gekozen worden dat, zoals in het rapport aangegeven, kredieten pas worden vrijgegeven per fase waarin het project zich bevindt en afhankelijk van de mate waarin de onzekerheid afneemt. Hiermee is een fasegewijze kredietbesluitvorming geïntroduceerd. Dit is gewaarborgd in de Leidraad Kostenbegrotingssystematiek en het uitvoeringskader Zo Werken Wij! Infrastructurele projecten. De fasen sluiten daarmee aan op de fases zoals die zijn onderscheiden in de vastgestelde Limburg Standaard (initiatief, haalbaarheid, planvorming, uitvoering, en beheer).
In lid 4 en 5 lichten wij toe wanneer er afgeweken kan worden van de regel waarbij het uitgangspunt is dat PS vooraf toestemming geeft over het budget. Mede gelet op de aard van de middelen (geld van het rijk), de beïnvloedbaarheid ervan (specifieke doelen, niet vrij besteedbaar) en de beoogde effecten voor Limburg (in lijn met onze eigen doelen) vragen wij uw Staten om het college van Gedeputeerde Staten te mandateren tot bestedingen van specifieke uitkeringen van het rijk en EU-subsidies. Wij merken op dat het aandeel van EU-subsidies beperkt is in de totale inkomsten van de provincie.
Op deze wijze kan de uitvoeringskracht worden vergroot, zonder risico op begrotingsonrechtmatigheden.
Lid 6 beoogt ruimte om procesmiddelen vrij te maken in de fase tussen de uitwerking van het coalitieakkoord en het eerstvolgende P&C document, zonder goedkeuring van PS vooraf. Omdat een coalitieakkoord geen formeel door uw Staten vastgesteld kader is, is deze regel in de Financiële verordening opgenomen, zodat dit mandaat ook geldt bij de start van de nieuwe Statenperiode.
Artikel 9 Investeringen regionale bereikbaarheid
Dit artikel is in de Financiële verordening 2026 aangepast om de rolverdeling tussen PS en GS te verduidelijken met voldoende mandaat om uitvoering te geven aan beleid met inachtneming voor financiële grenzen.
De rolverdeling tussen PS en GS
Investeringskredieten worden bij besluitvorming gerubriceerd in twee categorieën:
Binnen kader GS: dit betreft levensduurverlenging van bestaand areaal of wijzigingen aan bestaand areaal, zoals opgenomen in het Beleidskader inzake mobiliteit en de Nota Infrastructurele Kapitaalgoederen. Besluitvorming door PS vindt plaats binnen de reguliere P&C cyclus, middels een expliciet beslispunt in het Statenvoorstel bij het betreffende P&C product.
Buiten kader GS: dit betreft nieuwe infrastructuur (nog niet bestaand areaal), het afstoten van wegen of investeringen die leiden tot kapitaalvernietiging van huidige infrastructuur. Besluitvorming door PS vindt plaats door middel van een separaat Statenvoorstel.
Deze besluiten hebben immers financiële effecten:
Om de termen “Binnen en Buiten kader GS” nader te duiden hebben wij onderstaande tabel opgezet waarin praktijksituaties zijn opgenomen. ‘Binnen kader’ gaat over de uitvoering van de door PS vastgestelde kaders door GS. Bij de instandhouding en het beheer van het bestaande areaal is er een continu dynamiek van plannen en uitvoering. Dit op basis van kwaliteitsbeelden. De investeringsplanning wordt hierbij jaarlijks geactualiseerd en de benodigde investeringskredieten worden via de reguliere P&C cyclus aan PS ter besluitvorming voorgelegd. De kapitaallasten zijn meerjarig verwerkt in de programmabegroting.
Als gewerkt wordt met de bovenstaande werkwijze dan kan PS op de volgende momenten haar kaderstellende en controlerende rol uitoefenen:
Op basis van artikel 10 uit de Financiële verordening 2024 hebben PS een kapitaallastenplafond ingesteld. Wij constateren hier het volgende:
Wij onderschrijven het belang om het structureel evenwicht van de begroting te monitoren. Wij doen dat echter via het verplichte BBV-kengetal Structurele exploitatieruimte en niet via het kapitaallastenplafond. Indien er nieuwe opgaven “Buiten kader GS” aan uw Staten worden voorgelegd, meten wij deze af aan de ruimte die de programmabegroting biedt en niet aan het kapitaallastenplafond.
Het kapitaallastenplafond is statisch (eenmaal in de vier jaar instellen) en vloeit voort uit het bestaande areaal (Binnen kader GS), het door PS vastgestelde kwaliteitsniveau en de leidraad kostenbegrotingssystematiek. De praktijk is dynamisch. Actuele planningen worden door vertaald in de begroting en daarmee kunnen afwijkingen ontstaan ten opzichte van het statische plafond. Kritisch bezien:
Omdat het hier om uitvoering van beleid gaat zou het college gemandateerd moeten zijn om binnen de kaders van de begroting en de investeringsplanning, volgend uit het beleidskader Mobiliteit en de Nota Infrastructurele Kapitaalgoederen, projecten te prioriteren en te faseren.
Het financieel belang voor PS is dat dat binnen gestelde marges van de begroting zal blijven. Daarom stellen wij voor dat indien de wijzigingen in een P&C product per saldo leiden tot additionele kapitaallasten in de begroting van meer dan € 0,5 mln. per jaar (herkenbaar bedrag) wordt de oorzaak expliciet toegelicht en benoemd of er bijsturingsmaatregelen nodig zijn. Ter illustratie: de totale omvang van het programma “Een bereikbaar en toegankelijk Limburg” stand Programmabegroting 2026 bedraagt € 186 mln. De grens van € 0,5 mln. is een kleine afwijking op programmaniveau en zeker op de totale begroting. Met bovenstaande aanpassingen wordt het kapitaallastenplafond feitelijk gelijk getrokken met de kapitaallasten in de begroting. Wij merken daarbij op dat het IPML (Integraal Programma Mobiliteitsopgaven) een belangrijk strategisch document vormt, omdat daar een meerjarige doorrekening is opgenomen die ver over de meerjarenraming van de begroting heen gaat (15 jaar). Deze levert daarmee ook een belangrijke signaalfunctie naar de toekomst en of er rekening moet worden gehouden met extra ruimtebeslag op de programmabegroting in de toekomst. Een kapitaallastenplafond in het NIK kan gebruikt worden als een referentiewaarde vanuit de startpositie van het NIK en input leveren bij een nieuw kaderstellend moment.
Artikel 10 Beleid rondom programmareserves
In dit artikel worden in lid 1 en 2 de regels gesteld rondom de reserves. De nieuwe regel in de verordening dat het instellen, wijzigen of opheffen van een reserve een bevoegdheid van PS is en een expliciet beslispunt in een Statenvoorstel vormt is niet nieuw, maar was voorheen opgenomen in het beleidskader Sturing in samenwerking.
In lid 3 wordt het uitgangspunt benoemd om te werken met programmareserves.
Artikel 11 Wensen en bedenkingen
Onder het uiten van wensen en bedenkingen wordt verstaan richtinggevende uitspraken en suggesties van PS die door GS betrokken worden bij besluitvorming. Wensen en bedenkingen zijn geen vraag om instemming van PS. GS behouden hun eigen verantwoordelijkheid.
Wij lichten lid 1 uitgebreid toe. Omdat investering in deelnemingen of het verstrekken van leningen in theorie het budget niet raken, heeft de wetgever besluiten hieromtrent niet bij het budgetrecht van PS betrokken. De lening wordt immers terugbetaald en de deelneming behoudt haar waarde en wordt eventueel te gelde gemaakt bij liquidatie. Het zijn dus enkel balansmutaties. De posities brengen echter risico's met zich mee, dus dit theoretisch uitgangspunt is niet altijd werkelijkheid. Bovendien worden deze instrumenten ingezet voor het realiseren van beleid. Dit is de reden waarom wij deze instrumenten toetsen en beheersen aan de hand van het door PS vastgestelde kader Sturing in Samenwerking. Hierdoor wordt op voorhand het risico van een instrument ingeschat en vanuit het betrokken beleidscluster een bijdrage dotatie aan de risicoreserve vereist. Deze valt wél binnen het budgetrecht, maar kan vaak gedekt worden binnen de scope van bestaande budgetten (bijvoorbeeld intensiveringsmiddelen) en trekt dus niet alle investeringen in de besluitvormende sfeer. Een alternatief is om op al onze uitzettingen een 100% risicoreserve te vormen en daarmee wel alle deelnemingen en leningen in de besluitvormende sfeer te betrekken. Dit achten wij echter een te conservatieve methode, die een veel te zwaar (en onterecht) beslag legt op de budgetruimte. Wij schatten dit per instrument in. Bij investeringen die voldoen aan het beleidskader Sturing in Samenwerking en waar een bijdrage aan de risicoreserve wordt gedaan, sluiten goed aan bij de provinciewet en houden rekening met het budgetrecht. Ook bij andere provincies zien wij deze lijn terug.
Dit lid is gebaseerd op het 3e gewijzigde Amendement 232 (PS 19 juni 2026)
In het dictum zijn de volgende overwegingen opgenomen: :
In lid 2c is bepaald dat het Statenvoorstel over het verkrijgen van wensen en bedenkingen, als bedoeld in artikel 11 lid 2b, alle informatie bevat die Provinciale Staten op grond van het vigerende SiS dienen te ontvangen. Tot deze informatie behoort tevens het voorstel aan Provinciale Staten ter verkrijging van goedkeuring in verband met een eventueel budgetrecht, zoals nader uitgewerkt in artikel 8 (budgettaire bevoegdheden).
Onverminderd de in artikel 11 van de Financiële verordening benoemde situaties waarin wensen en bedenkingen worden gevraagd, blijven de wettelijke bepalingen uit de Provinciewet onverkort van toepassing op grond waarvan (andere) voorgenomen besluiten met ingrijpende gevolgen voor de Provincie en/of het aangaan van verbonden partijen aan Provinciale Staten wordt voorgelegd voor het verkrijgen van wensen en bedenkingen (artikel 167, vierde lid 4 Provinciewet en artikel 158, tweede lid Provinciewet).
Artikel 12 Grond- en vastgoedbeleid
Dit artikel is toegevoegd ter centrale borging van het aan Gedeputeerde Staten verleende mandaat terzake de revolverende kredieten voor anticiperende aankopen bij Besluit Provinciale Staten van Limburg nummer G-25-010 d.d. 19 september 2025.
De door Provinciale Staten beschikbaar gestelde (twee) kredieten voor anticiperende aankopen zijn 100% revolverend en (tot nieuwe besluitvorming volgt) ongelimiteerd in tijd. Daarmee blijven deze kredieten structureel beschikbaar totdat Provinciale Staten een nieuw besluit hieromtrent neemt. Provinciale Staten hebben ten aanzien van deze twee kredieten een in financiële omvang specifiek mandaat aan Gedeputeerde Staten verstrekt en specifieke beleidsmatige en financiële kaders meegegeven. Om de kaders en het mandaat van het Statenbesluit duurzaam te borgen zijn deze vanaf versie 2026 aan de Financiële verordening toegevoegd.
Artikel 13 Uitvoering begroting
Met Lid 1 leggen Provinciale Staten het College een aantal eisen op die voor een goede uitvoering van de begroting noodzakelijk zijn. In het eerste lid wordt bepaald dat het college de rechtmatigheid, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de uitvoering dient te waarborgen. Dit gebeurt in de praktijk aan de hand van bijvoorbeeld GS-besluitvorming, mandaatregelingen, budgethoudersregeling, beleidskaders, begrotingsregels, Sturing in Samenwerking en de regeling grote projecten.
Lid 2 stelt eisen voor de onderwerpen die van belang zijn voor de opstelling van de producten behorende tot de begrotingsprogramma’s.
Lid 3 doet hetzelfde voor de uitvoering van de programma's van de begroting. In het duale stelsel geven Provinciale Staten geen nadere uitvoeringsregels om aan de prestatie-eis te voldoen. Deze uitvoeringsregels zijn aan het College.
Paragraaf 4 Strategisch investeringsbeleid Sturing in Samenwerking (SiS)
Artikel 14 Doelstelling investeringsbeleid
In dit artikel geven Provinciale Staten richting aan het investeringsbeleid voor de SiS investeringsportefeuille. Vanuit financieel perspectief geldt de overkoepelende hoofddoelstelling: het voeren van een duurzaam financieel beleid. Dit duurzame beleid moet zijn weerslag vinden in de verhouding tussen de risico’s die de Provincie neemt en het rendement dat wordt gerealiseerd. Het rendement valt uiteen in drie categorieën:
Teneinde duurzaam financieel beleid te voeren dienen deze vormen van rendement in lijn te zijn met het gelopen risico. In geval niet aan de rendementseis op eigen of vreemd vermogen kan worden voldaan, dient dit te worden gecompenseerd door het behaalde maatschappelijk rendement. Dit is niet altijd goed te kwantificeren, maar laat onverlet dat het een scherpe overweging dient te zijn in het besluitvormingstraject.
De financiële impact dient hierbij duidelijk omschreven te worden samen met de overwegingen die leidend zijn in het besluit alsnog te investeren. Ingeval een project middels een samenstelling van instrumenten wordt gerealiseerd, moet het rendement op het gehele project in ogenschouw worden genomen.
Vanuit bovenstaande context zet de Provincie in op de volgende subdoelen voor de investeringsstrategie:
Artikel 15 Strategisch investeringsbeleidskader
Het strategisch investeringsbeleidskader bevat de belangrijkste investeringskeuzes die de Provincie moet maken, onderverdeeld naar 3 pijlers te weten:
Deze pijlers zijn onder andere gebaseerd op een uitgevoerde benchmark naar het strategische investeringsbeleid bij pensioenfondsen.
Artikel 16 Investeringsprincipes
De onderstaande investeringsprincipes zijn leidend en gelden altijd voor provinciale SiS investeringen (financieringen, verbonden partijen en eigendom). In onderstaande investeringsprincipes wordt met “we” bedoeld Gedeputeerde Staten, zijnde het uitvoerend orgaan van de Provincie.
1. We hanteren een integrale benadering gebaseerd op het beleid en publiek belang
Bij het beoordelen en uitvoeren van investeringsvoorstellen wordt daarbij altijd de verbinding gezocht tussen de verschillende programma’s, producten en activiteiten om te komen tot een optimale investering. Integraal betekent ook dat verschillende disciplines (juristen, financieel expert etc.) hun expertise inzetten om het beste investeringsresultaat te behalen. Tevens betekent dit dat er integraal naar een project wordt gekeken, ook als het een combinatie van instrumenten betreft. Voor alle investeringsvoorstellen geldt als uitgangspunt dat er een publiek belang dient te zijn
(Zie ook hoofdstuk 7 Strategisch kader ‘Publiek en provinciaal belang’). Zonder duidelijk publiek belang zal de aanvraag niet verder in behandeling worden genomen.
2. Zonder risico geen rendement
Investeren betekent ook financiële risico’s nemen. Deze financiële risico’s kunnen worden onderverdeeld in marktkrediet- en liquiditeitsrisico’s. De Provincie hanteert een integraal risicomanagementbeleid waarin beleidsmatige uitgangspunten en kaders alsmede de totstandkoming van de risicohouding en de inrichting van de organisatie worden beschreven met als doel risico’s adequaat te kunnen monitoren en te kunnen beheersen.
3. Risicodiversificatie is essentieel
Concentratie van risico’s is ongewenst. Daarbij kan worden gedacht aan concentratie van risico’s op instrumentniveau, maar kan ook worden gedacht aan concentratie van risico’s in bepaalde sectoren (bijvoorbeeld Healthcare of Logistiek) of bij bepaalde samenwerkingspartners (bijv. bepaalde kennis-as instellingen). In het integraal risicobeleid zijn spelregels opgenomen hoe wij omgaan met concentratie van risico’s.
4. We zijn kostenbewust en zoeken naar toegevoegde waarde
Bij de uitvoering van de investeringsstrategie maakt de Provincie Limburg geen andere kosten dan die welke redelijk zijn in relatie tot de omvang en de samenstelling van het geïnvesteerd vermogen en de doelstellingen van de Provincie en maakt daarbij gebruik van de aanwezige schaalvoordelen.
5. We hebben een lange termijn horizon
Bij het beoordelen van investeringsvoorstellen maken we gebruik van onze positie om lange termijn beslissingen te nemen. Wij gaan niet voor korte termijn winst, maar voor lange termijn rendement zowel financieel als maatschappelijk. Bij onze investeringsbeslissingen beogen we een duurzame verankering van het project in de Limburgse economie en samenleving hetgeen betekent dat het project na verloop van tijd op ‘eigen benen’ kan staan en de Provincie zich met een gerust hart kan terugtrekken voor wat betreft haar financieel commitment. Deze lange termijn horizon is noodzakelijk om het marktfalen op te kunnen vangen, dat is ontstaan mede als gevolg van solvabiliteitseisen uit hoofde van wet- en regelgeving als Basel-III of Solvency-II.
6. Goede processen zijn voorwaarde voor het bereiken van resultaat
De Provincie stelt het ‘investeringsproces’ centraal in haar investeringsstrategie. Onder het investeringsproces wordt verstaan het geheel van regels dat ziet op de voorbereiding (due diligence) en uitvoering van de investeringsstrategie en het beheer van het ingezette vermogen. Door de 50%-eis van cofinanciering en de eis van inbreng van eigen vermogen bij leningen (zie paragraaf 4.5, SiS Uitvoeringskader) wordt het investeringsproces versterkt. Deze partijen hebben immers hun eigen ‘due diligence’ onderzoeken uitgevoerd om vast te stellen of het een verantwoorde investering is. Aan Gedeputeerde Staten wordt gevraagd erop toe te zien dat gehandeld wordt in overeenstemming met de regels van het investeringsproces. Het college kan deze verantwoordelijkheid middels een mandaat delegeren aan de directie.
7. Vereiste deskundigheid is beschikbaar
De Provincie Limburg draagt er zorg voor dat zij in alle fasen van het investeringsproces beschikt over of toegang heeft tot de deskundigheid die vereist is voor:
8. Goed bestuur en maatschappelijk verantwoord ondernemen zijn belangrijk
Maatschappelijk verantwoord investeren vormt een belangrijk onderdeel van het investeringsbeleid van de Provincie vanuit de overtuiging dat het mee laten wegen van factoren op het gebied van milieu, maatschappij en goed bestuur (‘Good Governance’) de financiële prestaties op de lange termijn positief beïnvloeden. Provincie Limburg legt – als lange termijn investeerder – de aandacht op de lange termijn doelstelling waarin zij investeert in termen van duurzame economische groei en betrekt relevante informatie hierover bij haar analyses.
De Provincie Limburg hecht bovendien groot belang aan de naleving van vigerende wet- en regelgeving. Provincie Limburg investeert daarom niet in projecten of ondernemingen die direct of indirect betrokken zijn bij de vervaardiging van producten die verboden zijn als gevolg van Nederlandse of internationale wetgeving of waarvan te verwachten is dat ze in de nabije toekomst verboden zullen worden. Tevens investeert Provincie Limburg niet in projecten of ondernemingen die in aanzienlijke mate betrokken zijn bij de levering van producten of diensten die in brede kringen in Nederland als verwerpelijk worden beschouwd.
Bij de uitvoering van de investeringsstrategie wordt continu gewaakt voor (de schijn van) belangenverstrengeling tussen projecten, programma’s, portfolio’s, medewerkers en bestuurders. Daar waar noodzakelijk worden belangen gescheiden. Met het oog daarop zijn het bestuur en medewerkers van de Provincie gebonden aan een gedragscode en beroepseed. Bij het beoordelen van investeringen wordt rekening gehouden met de belangen van andere investeringen die reeds in uitvoering zijn. Provinciale medewerkers die betrokken zijn bij de beoordeling van voorstellen van een wederpartij hebben bijvoorbeeld op geen enkele wijze een opdrachtgever/opdrachtnemer-relatie met deze wederpartij.
10. We zijn transparant en leggen daarom verantwoording af.
Wij zijn ons bewust van de maatschappelijk rol die wij als investeerder vervullen. Die rol dwingt ons tot zorgvuldig handelen. De Provincie is te allen tijde bereid verantwoording af te leggen over haar investeringsgedrag en de gevolgen die dit heeft voor de samenleving.
Periodiek wordt verantwoording afgelegd aan PS over de wijze waarop de investeringsstrategie wordt uitgevoerd en van de behaalde investeringsresultaten (financieel en maatschappelijk rendement).
Het college van Gedeputeerde Staten legt ieder jaar in de programmabegroting en in de jaarrekening verantwoording af over het door hun gevoerde beheer van het provinciaal vermogen en geeft inzicht in de actuele stand van het geïnvesteerde provinciaal vermogen.
Artikel 17 Rendementsdoelstelling
Door dit uitgangspunt te hanteren beogen we ons provinciaal vermogen en de koopkracht daarvan in stand te houden. Het gevolg van dit uitgangspunt is dat de werkelijke inflatiepercentages hoger kunnen uitvallen dan de begrote ECB doelstelling van 2% en daardoor het provinciaal vermogen tijdelijk inteert. Conform de langjarige financiële beleidsverwachting van de ECB zal de tijdelijke hogere werkelijke inflatiepercentages op lange termijn zich uitmiddelen rond de 2%.
Voor alle majeure investeringen wordt nagegaan wat de impact is op de meerjarige begrotingssaldi van de Provincie Limburg. Het totale portfolio aan investeringen dient ervoor te zorgen dat de provinciale begroting meerjarig structureel in evenwicht blijft.
Artikel 18 Vermogenssamenstelling
De Wet financiering decentrale overheden (Wet fido) stelt geen directe grenzen voor het uitzetten van middelen die worden ingezet voor de publieke taak. De wet stelt wél grenzen aan het gebruik van overtollige liquide middelen die niet voor de publieke taak nodig zijn. Die moeten in principe worden ondergebracht in de schatkist bij het ministerie van Financiën, tenzij er sprake is van onderlinge uitlening tussen decentrale overheden onder strikte voorwaarden. De uitzettingen voor de publieke taak hebben over het algemeen een hoger risicoprofiel dan de uitzettingen bij de schatkist of andere decentrale overheden.
Met dit artikel wordt vanuit financiële risicobeleidsoverwegingen de omvang van de SiS-investeringsportefeuille begrensd tot een maximale omvang. Dit om te voorkomen dat externe leningen aangetrokken dienen te worden om de SiS-portefeuille te kunnen financieren en om te zorgen dat voldoende treasury middelen beschikbaar blijven om aan de verplichtingen op de korte termijn te kunnen blijven voldoen. De berekening is gebaseerd op het uitgangspunt dat een eventuele afwaardering van de volledige SiS-portefeuille én de gekwantificeerde risico’s uit het weerstandsvermogen financieel opgevangen kunnen worden door het totaal van de algemene reserve en de risicoreserve.
De solvabiliteitsratio geeft aan in hoeverre de Provincie in staat is aan haar verplichtingen op lange termijn te kunnen voldoen.
De netto schuldquote weerspiegelt het niveau van de schuldenlast van de Provincie ten opzichte van de eigen middelen en geeft een indicatie van de druk van de rentelasten en de aflossingen op de exploitatie. Dit is daarmee een indicatie van de mate waarin de Provincie op kortere termijn in staat is aan haar verplichtingen te voldoen. Zonder hier een norm aan te koppelen, zal de netto schuld tevens per inwoner gepresenteerd worden.
De weerstandscapaciteit betreft het vermogen om financiële tegenvallers op te vangen, zonder dat dit invloed heeft op de voortzetting van de bestaande taken. Dit ‘vermogen’ is het geheel van middelen en mogelijkheden binnen de financiële positie van de Provincie Limburg, die als ‘vrij aanwendbaar’ wordt aangemerkt. Het gaat dus om vrij aanwendbare middelen waar geen enkele verplichting tegenover mag staan en mogelijk nog te genereren (onbenutte) inkomsten. In overeenstemming met het Besluit begroting en verantwoording wordt bij de opbouw en samenstelling van de weerstandscapaciteit onderscheid gemaakt tussen incidentele en structurele componenten.
Onder incidentele risico’s wordt van verstaan risico’s welke een éénmalige last tot gevolg kunnen hebben.
Onder structurele risico’s wordt verstaan risico’s welke leiden tot structurele lasten (meerdere boekjaren). Onder incidentele weerstandscapaciteit wordt verstaan de middelen en mogelijkheden die éénmalig kunnen worden ingezet.
Onder structurele weerstandscapaciteit wordt verstaan de middelen en mogelijkheden welke structureel (meerdere boekjaren) kunnen worden ingezet.
Als onderdeel van verplichte paragraaf Portfoliomanagement in de jaarrekening van de Provincie wordt jaarlijks een analyse gemaakt van het portfolio aan gedane investeringen. Daarbij wordt het portfolio naar verschillende inzichten in beeld gebracht. Te denken valt aan een verdeling van de investeringen naar type instrument, kredietrating, naar sectoren en markten, naar de verschillende kennis-as instituten, naar gemobiliseerde private investeringen (multipliereffect van de provinciale investering), Europese (co)financieringen, naar risicoprofiel en gerealiseerde/begrote rendementen etc.
Bij deze analyse wordt bij investeringen in verbonden partijen ook door de vennootschappen heen gekeken, oftewel waar investeert de verbonden partij haar verkregen middelen in. Een goede classificering van de investering en vastlegging hiervan is belangrijk. Een voorbeeld hiervan is Chemelot Campus Vastgoed CV, waarbij de vennootschap heeft geïnvesteerd in het Centrecourt (vastgoed object).
Artikel 19 Investeringshorizon
De Provincie hanteert als uitgangspunt dat een deel van haar vermogenspositie liquide wordt aangehouden teneinde in te kunnen spelen op benodigde kasstromen, onvoorziene uitgaven en strategische kansen. Het aanhouden van liquide middelen draagt bij aan een solide treasuryfunctie en borgt de financiële wendbaarheid van de Provincie. Hierbij wordt gestreefd naar een optimale balans tussen beschikbaarheid, rendement en risico, conform het kasbeheerprincipe van de Wet Fido.
De hoogte van de aan te houden liquide middelen wordt periodiek geëvalueerd aan de hand van kasstroomprognoses, meerjaren investeringsplanning en de seizoenspatronen in uitgaven en inkomsten. Indien middelen tijdelijk overtollig zijn en niet binnen de publieke taak vallen, worden deze overeenkomstig de kaders van schatkistbankieren bij het Rijk ondergebracht.
De looptijd van de portefeuille alsook het deel dat gehouden wordt in liquide posities geeft aan in hoeverre de Provincie in staat is aan haar verplichtingen op korte termijn te voldoen.
Paragraaf 5 Portfoliobeheer, rendement en risico
Artikel 20 Portfoliobeheersing
De Provincie heeft een investeringsportefeuille opgebouwd, samengesteld uit de diverse individuele investeringen middels deelnemingen en financieringen. Dit biedt voordelen met name uit hoofde van risicospreiding. Als gevolg van spreiding in de portefeuille wordt het rendement van de portefeuille minder gevoelig voor tegenslagen van een bepaalde sector of instrument. Er zijn dan immers andere investeringen die hierdoor niet geraakt worden. Dit houdt tevens in dat bij het investeringsbesluit van een individueel instrument gekeken moet worden naar de samenstelling van de gehele portefeuille. Concreet resulteert dit in twee leidende principes:
Inzet van instrumenten dient te worden afgewogen in het licht van de investeringsstrategie op portfolio niveau met het oog op het realiseren van een optimale spreiding. Deze strategie wordt beschreven in artikelen 15 tot en met 19. Borging verloopt via de investeringsprincipes en de investeringsrichtlijnen.
Het behaalde totale rendement op portfolio niveau onder aftrek van eventuele afwaarderingen resulteert in koopkrachtbehoud. Daar waar individuele projecten geen bijdrage leveren aan deze doelstelling dient dit door andere projecten gecompenseerd te worden. Dit is verwerkt in de rendementsdoelstelling onderdeel van de investeringsrichtlijnen.
Door deze indeling wordt het mogelijk om de risico’s binnen de investeringsportefeuille te clusteren en te spreiden. In lid 4 zijn eisen opgenomen met betrekking tot de spreiding van de investeringscategorieën in de totale portefeuille.
De ratings in het schema zijn naar analogie van de methodiek die kredietbeoordelaars zoals Moody’s, Standards & Poor’s hanteren bepaald. Het risicoprofiel van de investering neemt af naar mate de zekerheid die wordt verkregen sterker is (bijv. 1e hypotheek op gronden of vastgoedobject).
Vanuit risicobeleidsoogpunt worden in dit artikel eisen en richtlijnen gesteld voor de beoogde investeringsmix en rendementsdoelen per investeringscategorie.
Met dit artikel wordt beoogd ervoor te zorgen dat PS (tijdelijk) kunnen besluiten om de werkelijke investeringsmix te laten afwijken van de beoogde investeringsmix (ingestelde maxima die als signaalfunctie fungeert). Dit kan op twee momenten:
Achteraf: als gevolg van bijvoorbeeld afwaarderingen, aflossingen, terugbetalingen van agio kan de werkelijke investeringsmix per ultimo boekjaar afwijken van de beoogde investeringsmix. In dat geval wordt de werkelijke afwijking conform lid 5 van dit artikel gerapporteerd in de paragraaf Portfoliomanagement. Met het vaststellen van de jaarrekening stemmen PS impliciet ook in met de feitelijke afwijking van de investeringsmix per ultimo boekjaar.
Bij investeringen uit hoofde van de publieke taak, financieel revolverende inzet, wordt initieel geen beslag gelegd op beleidsmiddelen. Er bestaat echter wel het risico dat gedurende de looptijd van de investering als gevolg van afwaarderingen de begrotingsruimte geraakt wordt. Derhalve is het prudent, indien noodzakelijk, aan de voorkant een risicoreservering te vormen ter dekking.
De systematiek van risicoreservering bestaat uit twee aspecten:
Dit beleid draagt eraan bij dat het inhoudelijk cluster mededrager van de risico’s is, maar stelt het cluster desalniettemin in staat haar doelen te bereiken met een beperktere inzet van beleidsmiddelen.
Daarnaast wordt hiermee duidelijk(er) in beeld gebracht dat risicovoller investeren impact kan hebben op enerzijds de verwachte opbrengsten uit deze investeringen en anderzijds ook impact heeft op de algemene reserve in geval van afboeking van een uitzetting uit hoofde van de publieke taak. Om deze transparantie te bevorderen wordt gestreefd naar één dekkende risicoreserve op portfolio niveau, ten opzichte van diverse afzonderlijke risicoreserveringen op projectbasis.
In dit artikel wordt toegelicht dat gedurende het jaar het risicoprofiel van alle investeringen op individueel en op SiS-portfolioniveau wordt gemonitord. Indien het risicoprofiel is gewijzigd of het risico waarvoor de risicoreserve is ingesteld doet zich voor (bijv. faillissement) wordt de risicoreserve bijgesteld aan de hand van een dotatie, vrijval of afboeking.
Bij de bepaling van het risico op wordt gesteund op twee gangbare kengegevens, de kredietrating en de loss-given default (LGD).
De loss-given default drukt in een percentage uit hoeveel van de uitstaande hoofdsom ingeval van faillissement niet kan worden teruggevorderd middels uitwinnen van de zekerheden. Bij een achtergestelde financiering zonder zekerheden of bij eigen vermogen bedraagt dit 100%. Bij een hypothecaire lening waarbij de executiewaarde van het onderpand de uitstaande schuld overstijgt, kan dit teruglopen tot 0%.
Deze methodiek sluit aan bij de grondslag voor de staatssteuntabel. Een voordeel van het hanteren van deze methodiek is dat deze aansluit bij de praktijk in de markt. Als gevolg hiervan rapporteren gespecialiseerde bureaus (zoals bijvoorbeeld Graydon) over de kredietwaardigheid van een veelheid aan bedrijven.
Door aan ieder financieel instrument een credit rating en een loss given default (LGD) te koppelen, kan op basis van werkelijke historische gegevens1 over faillissementen per categorie een inschatting gemaakt worden van de toekomstige afwaarderingen in de portefeuille als gevolg van faillissement of wanbetaling. Een praktische complexiteit bij de toepassing van deze methodiek is dat met name voor Provinciale financieringen en deelnemingen vaak geen kredietrating voorhanden is.
Vervolgens zal de Provincie zelf via een scoremodel2 een eigen inschatting maken van de kredietwaardigheid van de onderneming. De volgende financiële ratio’s worden hierbij gehanteerd: Debt / EBITA, Debt / (Debt + Equity), EBITA Margin (EBITA / Net Revenu) en EBITA / Average Assets, DSCR3 = EBITA / (Debt service) en niet kwantitatieve indicatoren zoals management. De indicatoren en financiële ratio’s kunnen echter aangepast worden op de business en sector.
De hoogte van de risicoreservering per instrument wordt bepaald met de formule:
Risicoreservering = (PD% + Bijstelling%) x LGD% x boekwaarde Provincie.
De variabele PD% is de kans op wanbetaling (PD = Probability of Default). De kans op wanbetaling wordt bepaald op basis van een inschatting van het kredietrisico en komt tot uitdrukking in een kredietrating en hierbij wordt de schaalindeling van kredietratingbureau Standard & Poors gehanteerd, die loopt van AAA, AA, A, BBB tot D.
De risicoreserve op portefeuilleniveau is de optelsom van de individuele risicoreserveringen van de SIS-instrumenten.
Artikel 23 Rendement en risico
Om een duurzaam financieel beleid uit te voeren dient het rendement een passende verhouding te hebben tot het risico dat wordt gelopen. Het rendement op eigen vermogen (deelnemingen) wordt in de vorm van dividend uitgekeerd of bij een eventuele exit uit de deelneming door het verschil tussen de opbrengstwaarde van de aandelen die de Provincie verkoopt en het geïnvesteerde kapitaal (aandelenkapitaal en/of agiostortingen).
Het rendement op vreemd vermogen (verstrekte geldleningen en borgstellingen) wordt in de vorm van een rente of een borgstellingsprovisie uitgekeerd.
Het maatschappelijke rendement zijn de niet financiële effecten van de ingezette middelen en kan bijvoorbeeld door een MKBA of economische effectenanalyse in beeld worden gebracht.
Om te voldoen aan staatsteunregels dient het rendement op vreemd vermogen marktconform te zijn. De opbouw van het rentetarief voor het instrument geldlening (rendement op vreemd vermogen) is een basisrente en (krediet)opslagen en dit tarief moet dus marktconform zijn. Een rentetarief is marktconform indien aan één van beide onderstaande punten wordt voldaan:
Het rentetarief is bepaald met de gepubliceerde staatssteuntabel (mededeling van de Europese Commissie 92008/C14/02) en het tarief dat daaruit volgt minimaal wordt gehanteerd. Hierbij zijn drie aspecten die de hoogte van het rentepercentage bepalen: de basisrente, de kredietwaardigheid/rating van de aanvragende partij en de gestelde zekerheden.
Indien niet aan de rendementseis op eigen of vreemd vermogen kan worden voldaan, dient dit gecompenseerd te worden met het te behalen maatschappelijk rendement.
Paragraaf 6 Rechtmatigheidsverantwoording
Artikel 24 Uitgangspunten rechtmatigheidsverantwoording
Bij de verantwoording over rechtmatigheid wordt gekeken naar negen criteria. Het college van Gedeputeerde Staten legt verantwoording af over alle negen criteria in de jaarrekening.
De eerste zes criteria zijn niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording. Deze betreffen verantwoording met betrekking tot de getrouwheid die in het kader van de jaarrekeningcontrole worden beoordeeld door de accountant. Ze komen tot uitdrukking in de balans en het overzicht van baten en lasten.
Daarnaast zijn er een drietal aanvullende criteria waarbij de verantwoording specifiek gaat over rechtmatigheid. Deze komen wel tot uitdrukking in de rechtmatigheidsverantwoording:
In relatie tot de invoering van de rechtmatigheidsverantwoording is in het eerste lid opgenomen dat Provinciale Staten ten minste één maal in de 4 jaar vaststelt op welke wijze zij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de Jaarstukken geïnformeerd willen worden over rechtmatigheid.
In het tweede lid stellen Provinciale Staten de verantwoordingsgrens vast, waarboven het college van Gedeputeerde Staten moeten rapporteren aan Provinciale Staten. Deze grens moet tussen 0 en 2% liggen van de totale lasten van de Provincie, exclusief de dotaties aan de reserves. De verantwoordingsgrens betekent dat rechtsmatigheidsfouten en onduidelijkheden pas in de rechtmatigheidsverantwoording worden opgenomen en toegelicht, wanneer deze boven het door Provinciale Staten vastgestelde percentage komen. Voor iedere Provincie (ongeacht de schaalgrootte) geldt dat Provinciale Staten een afweging moet maken tussen enerzijds de hoogte van de verantwoordingsgrens en anderzijds de inspanningen die voor het ambtelijk apparaat verbonden zijn, aan het controleren en rapporteren van de rechtmatigheidsfouten en onduidelijkheden.
De opgenomen rapportagegrens is gerelateerd aan de materialiteit van de begroting.
Artikel 25 Voorwaardencriterium
In het eerste lid wordt de definitie weergegeven van het voorwaardencriterium, het zogenaamde “normenkader”.
Artikel 24 geeft aan dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de rechtmatigheidsverantwoording door Provinciale Staten moet worden vastgesteld en voor een bepaalde datum aan Provinciale Staten moet worden aangeboden.
Artikel 26 Begrotingscriterium
Artikel 26 gaat expliciet in op de begrotingsrechtmatigheid. In het eerste lid wordt het begrip begrotingsrechtmatigheid gedefinieerd.
De baten en lasten moeten zich bewegen binnen de door Provinciale Staten goedgekeurde en vastgestelde budgetplafonds. Indien er een overschrijding plaatsvindt is er in principe sprake van een begrotingsonrechtmatigheid. Dat is geregeld in het tweede lid. Onderbestedingen kunnen, met inachtneming van de toleranties uit het normenkader rechtmatigheid, als onrechtmatig worden beschouwd indien deze niet tijdig zijn gemeld.
Op basis van de geactualiseerd kadernota rechtmatigheid waarbij ook onderbesteding kan worden gezien als een onrechtmatigheid, is dit artikel uitgebreid waarbij ook deze onderbesteding in de verordening wordt gepositioneerd.
Tijdigheid speelt hierbij een belangrijke rol. De termijnen van de P&C-cyclus zijn leidend. In de signalering van afwijkingen ten opzichte van de begroting wordt de interne procesplanning als uitgangspunt gehanteerd. Dat is in de regel enkele weken voor publicatiedatum.
Afwijkingen die na de termijn van de Najaarsnota kunnen ontstaan zijn bijvoorbeeld:
Verder lichten wij verder toe welke begrotingsoverschrijdingen als onrechtmatig worden aangemerkt en welke niet.
De volgende begrotingsoverschrijdingen worden als onrechtmatig aangemerkt:
Kostenoverschrijdingen inzake activiteiten die niet passen binnen het bestaande beleid en waarvoor men tegen beter weten in geen voorstel tot begrotingsaanpassing heeft ingediend. Bijvoorbeeld de doelgroep c.q. de activiteiten zijn in de praktijk aantoonbaar ruimer geïnterpreteerd dan in regelgeving (subsidieregeling, -verordening) was gedefinieerd.
Kostenoverschrijdingen die passen binnen het bestaande beleid, maar waarbij ondubbelzinnig is vastgesteld dat die ten onrechte niet tijdig zijn gesignaleerd. Bijvoorbeeld: de verwachte kostenoverschrijding op jaarbasis was via tussentijdse informatie al wel bekend, maar men heeft geen voorstel tot begrotingsaanpassing ingediend en dit is in strijd met de budgetregels zoals afgesproken met PS.
De volgende begrotingsoverschrijdingen worden niet als onrechtmatig aangemerkt:
Gelet op de huidige opvattingen over input, output en outcome-gegevens en het ontbreken van normen worden kosten die in financiële zin binnen de begroting blijven, maar waarbij (aanzienlijk) minder prestaties zijn geleverd of activiteiten ontplooid dan in de begroting als doelstelling was aangegeven niet in het rechtmatigheidoordeel betrokken.
Kostenoverschrijdingen waarbij achteraf wordt geconstateerd dat deze als onrechtmatig moeten worden beschouwd omdat dit bijvoorbeeld bij nader onderzoek van de subsidieverstrekker, belastingdienst of een toezichthouder blijkt (bijvoorbeeld een belastingnaheffing). Het zal hier in de praktijk vaak gaan om interpretatieverschillen bij de uitleg van wet- en regelgeving die na het verantwoordingsjaar aan het licht komen. Er zijn dan geen rechtmatigheidgevolgen voor dat verantwoordingsjaar. Wel zal de Provincie er voor moeten zorgen dat de overschrijdingen getrouw in de jaarrekening worden weergegeven.
Alle overschrijdingen als onderschrijdingen van lasten, investeringen en baten die nadien bekend zijn worden gemeld en toegelicht in de Jaarstukken bij het betreffende programma. Tijdig melden betekent de facto dat binnen de door PS vastgestelde P&C-cyclus de Najaarsnota het laatste moment van bijstelling is en dat afwijkingen ten opzichte van deze raming in de Jaarstukken worden toegelicht. Voor investeringsbudgetten is afgesproken dat deze eenmaal per jaar -bij de behandeling van de begroting- worden bijgesteld. Aan de begroting wordt een actuele investeringsplanning toegevoegd.
Artikel 27 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
Dit artikel voorziet in het zogenaamde “misbruik en oneigenlijk gebruik criterium”. In het eerste lid wordt het criterium gedefinieerd. Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen. Van oneigenlijk gebruik is sprake indien bij het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is.
Aan het college van Gedeputeerde Staten wordt opgedragen om regels op stellen voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van provinciale regelingen en eigendommen.
Artikel 28 Waardering en afschrijving vaste activa
Voor investeringen met een beperkte omvang kan het om praktische redenen (beperking administratieve werkzaamheden en inzichtelijkheid verslaglegging) wenselijk zijn om deze niet te activeren, maar in één keer ten laste van de exploitatie te brengen. Dit is op grond van algemeen aanvaarde bedrijfseconomische beginselen toegestaan. Ingaande de Verordening 2016 wordt voor investeringen met een bedrijfseconomisch nut een grensbedrag voor verplichte activering gehanteerd van € 50.000, met uitzondering van infrastructurele werken. Een project kan hierbij soms worden opgeknipt in deelprojecten, waardoor de afzonderlijke componenten dan onbedoeld niet geactiveerd worden. Zelfstandige investeringen met een lagere vervaardigings- of verkrijgingsprijs worden niet geactiveerd maar in één keer ten laste van de exploitatie verantwoord.
De BBV onderkent twee soorten immateriële activa, te weten: de kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen en het saldo van agio en disagio én de kosten van onderzoek en ontwikkeling. De BBV adviseert om eerstgenoemde uitgaven, zeker als deze van relatief geringe omvang zijn, niet te activeren maar volledig als lasten te verantwoorden in het jaar van sluiten van de lening. In het geval dit soort kosten zich aandienen, conformeren wij ons aan het advies van de BBV.
In lijn met het BBV (Nota Materiële Activa 2017) wordt het uitgangspunt gehanteerd om de afschrijvingen te richten op de levensduur van activa, waarbij de gebruiker er profijt van heeft.
Waardevermindering van vaste activa wordt door middel van afschrijving tot uitdrukking gebracht. De wijze waarop afschrijving plaatsvindt heeft grote invloed op de exploitatiebegroting en -rekening en op de vermogenspositie. Onjuiste afschrijvingsmethoden en -termijnen kunnen grote risico's met zich meebrengen. De Provincie Limburg kiest onveranderd voor de lineaire afschrijvingsmethodiek.
De lineaire afschrijvingsmethodiek is een keuze en heeft ook gevolgen voor de lastneming. In het bedrijfsleven zijn er investeringen die in het “pieken” en aan het eind van hun levensduur een veel lagere economische waarde hebben. Hier onderscheiden de lagere overheden zich van het bedrijfsleven en organisaties die hun verslaglegging doen op basis van Burgerlijk Wetboek 2. Hier speelt de actuele waarde van activa een belangrijke rol bij de presentatie op de balans. Dit is van belang voor het financiële inzicht van de economische waarde van dergelijke organisaties. En wat bijvoorbeeld de waarde zou zijn bij liquidatie van de onderneming. Andere afschrijvingsmethodieken zoals de annuïtaire methode kunnen dan passend zijn.
Het Besluit Begroting en Verantwoording gaat echter uit van de historische kostprijs of vervaardigingsprijs waarbij het profijt voor de burger centraal staat. De actuele waarde van een weg is in dit kader minder financieel relevant omdat er geen intenties zijn dit soort activa te verkopen. Onze activa heeft vooral een maatschappelijke functie en is niet gericht op economisch nut.
Annuïtair afschrijven bijvoorbeeld zou ook betekenen dat er in het begin van de levensduur van een actief minder wordt afgeschreven en later meer. Daarmee worden de toekomstige begrotingen extra belast en niet evenredig zoals bij de lineaire methodiek. Daarom is de bestendige gedragslijn van de Provincie steeds geweest om lineair af te schrijven, op basis van de verwachte levensduur, op alle materiële vaste activa. Het hanteren van dezelfde methode voor alle activa is bovendien transparant.
De afschrijvingstermijn dient zo goed mogelijk aan te sluiten op de feitelijke waardedaling dan wel het feitelijke gebruik van het actief. Bij deze waardedaling moet rekening gehouden worden met de technische en economische levensduur (of gebruiksduur). De technische levensduur is de periode dat de activa technisch in staat zijn om te worden gebruikt. De economische levensduur is de periode waarbij naar schatting de totale kosten van gebruik van het actief het laagste zijn (dus kapitaallasten en onderhoudskosten).
Op grond van artikel 64, lid 3 BBV, dient op vaste activa met een beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven te worden volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De gebruiksduur is gelijk aan de verwachte economische of technische levensduur.
De algemene gedragslijn in Limburg is dat gestart wordt met afschrijven in het jaar volgend op de datum van ingebruikname van een actief. Voor de 'ingebruikname' wordt onderscheid gemaakt tussen activa met economisch nut én activa in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut.
Wat betreft de eerste groep activa start de afschrijving na een beoordeling van de gereed melding van dat specifieke actief. Dit kan betekenen, indien de realisatie van dat actief zich over meerdere jaren uitstrekt, dat er gedurende de jaren voorafgaand aan de gereed melding niet wordt afgeschreven. In geval van op zichzelf staande deelprojecten bij deze categorie activa worden de afzonderlijke deelprojecten op hun gereed melding getoetst.
Bij activa met een maatschappelijk nut is de ingebruikname van dat actief niét relevant maar start de afschrijving in het jaar nadat de uitgaven zijn gedaan. Voor investeringen die zich over meerdere jaren uitstrekken betekent dit dat de uitgaven in elke jaarschijf worden behandeld met een eerste afschrijving in het jaar volgend op die uitgaven.
De BBV bepaalt dat afschrijven onafhankelijk geschiedt van het resultaat van het boekjaar, dat wil zeggen: géén extra afschrijving.
Binnen de categorie financiële vaste activa maakt het BBV onderscheid tussen kapitaalverstrekkingen, leningen, uitzettingen en bijdragen aan activa in eigendom van derden.
Volgens de Wet fido vallen kapitaalverstrekkingen en leningen ook onder de uitzettingen. De commissie BBV geeft de voorkeur aan het nominaal waarderen van leningen u/g, obligatieleningen en gelijksoortige vastrentende producten. Aangezien de hoofdsom gegarandeerd is zoals voorgeschreven in de Wet fido is er geen sprake van duurzame waardevermindering. In dat geval hoeft niet te worden afgewaardeerd en geldt de nominale waarde. Indien bij aanschaf de waarde boven de nominale waarde (ergo de gegarandeerde hoofdsom) ligt dan is sprake van een duurzame waardevermindering, omdat aan het einde van de looptijd niet meer dan de nominale waarde wordt vergoed. Deze activa dienen daarom tot het niveau van de gegarandeerde hoofdsom te worden afgewaardeerd.
Duurzame waardevermindering financiële vaste activa
Voor alle relevante vaste activa (o.a. Verbonden partijen en uitgezette leningen) wordt aan de hand van uitgewerkte revisiedocumenten jaarlijks beoordeeld of er sprake is van een duurzame waardevermindering. Dit is onderdeel van het proces van de Jaarstukken. Dekking van een eventuele duurzame waardevermindering van Verbonden partijen c.q. uitgezette leningen vindt in eerste instantie plaats aan de hand van de hiervoor gevormde Risicoreserve Financieel Instrumentarium Sturing in Samenwerking.
Artikel 29 Kostprijsberekening
In dit artikel is de grondslag voor de bepaling van heffingen en tarieven neergelegd. Kostprijzen laten zich op vele manieren berekenen. In dit artikel worden uitgangspunten voor de bepaling van de kostprijzen gegeven.
Lid 1 bepaalt, dat naast de direct aan een product toe te rekenen kosten ook de indirecte kosten die rechtstreeks samenhangen met de vervaardiging van het product, worden meegenomen voor de kostprijsbepaling.
In lid 2 is bepaald dat bijdragen aan bestemmingsreserves en voorzieningen voor noodzakelijke vervanging van de betrokken activa voor bepaling van de geraamde kostprijs en dus voor de bepaling van het tarief of de heffing mogen worden meegenomen.
Veel provincies hanteren daarnaast het mechanisme van rentetoerekening over de reserves en de voorzieningen aan in gebruik zijnde kapitaalgoederen. Artikel 29, lid 2 van de verordening bepaalt, dat deze beide kosten ook daadwerkelijk worden meegenomen voor de berekening van de geraamde kostprijs. Indien is gekozen voor het systeem van het toerekenen van bespaarde rente dan is het verplicht deze rente als lasten mee te nemen in de kostprijs.
Op grond van lid 2 moeten ook worden meegenomen de kosten van compensabele btw. De begroting en Jaarstukken zijn exclusief de compensabele btw. Voor de heffingen is echter in de wet bepaald dat ze wel meegenomen mogen worden in de kostprijsberekening, omdat de Provincie deze kosten wel heeft, ook al wordt de btw gecompenseerd.
De huidige praktijk is dat wij tot nog toe alleen de personele inzet, incl. de genoemde uitzonderingen, doorberekenen. Compensabele btw is in de huidige praktijk in de kostprijsberekening niet aan de orde. Indien compensabele btw zich voordoet, dan wordt hiermee rekening gehouden en wordt deze niet doorberekend aan burgers en bedrijven, Immers de Provincie wordt hiervoor gecompenseerd.
Artikel 30 Beleid rondom lastneming van subsidies
In dit artikel worden de regels gesteld ten aanzien van lastneming van subsidies. Het BBV beoogt toerekening van baten en lasten naar het jaar waar deze betrekking op hebben. Normaal gesproken worden de lasten genomen als de subsidie beschikt wordt. In het kader van uitvoerbaarheid regelt dit artikel hoe de lasten van subsidies worden verantwoord. Hiertoe is een grensbedrag ingesteld. Voor subsidies boven dit grensbedrag zal worden nagegaan of de prestaties rechtmatig aan het jaar kunnen worden toegerekend.
Artikel 31 Toerekening van overhead
Dit artikel is toegevoegd naar aanleiding van de BBV-Notitie Overhead.
Het uitgangspunt in de verslaggevingsregels van de BBV is dat de werkelijke kosten moeten worden toegerekend en niet een begroot bedrag. Voor de overhead betekent dit dat dus moet worden gerekend met de werkelijke overheadlasten. De verdeelsleutel die wordt gehanteerd behoeft binnen de BBV niet te worden nagecalculeerd. Dit betekent dat de voorgecalculeerde verhouding wordt gehanteerd en afgezet tegen de werkelijke kosten. De gekozen systematiek wordt in het kader van transparantie in de financiële verordening vastgelegd.
De wijze van toerekening van de werkelijke overheadlasten bij de Jaarstukken vindt plaats op basis van de voorgecalculeerde verdeelsleutel, zoals gehanteerd bij de begroting (na wijziging).
Artikel 32 Incidentele baten en lasten
Op basis van de BBV-notitie Structurele en incidentele baten en lasten (2018) is dit artikel toegevoegd. De commissie adviseert in de financiële verordening een grensbedrag op te nemen vanaf welke omvang incidentele lasten en baten afzonderlijk dienen te worden gespecificeerd. De commissie BBV adviseert dergelijke aanbevelingen te volgen, omdat het naar haar oordeel bijdraagt aan het inzicht in de financiële positie (transparantie).
In deze verordening gaan wij niet langer uit van een ondergrens van bijvoorbeeld € 100.000 op basis van een inschatting van de materialiteit van de begroting, maar van een specificatie op productniveau. Dat is een niveau dieper dan het autorisatieniveau waarop Provinciale Staten de programmabegroting vaststelt. Ook biedt deze aangepast regel de mogelijkheid om op begrotingsbasis zowel de incidentele als structurele middelen geautomatiseerd te presenteren in plaats van handmatig.
Artikel 33 Beleidskader Sturing in Samenwerking
Dit financiële kader is een belangrijke pijler in het financiële beleid en geeft met name aan hoe de Provincie omgaat met haar vermogen. Om de actualiteit te waarborgen wordt dit tenminste eenmaal in de vier jaar geactualiseerd.
Artikel 34 Financieringsfunctie
De financieringsfunctie (treasury) is een belangrijk onderdeel van het middelenbeheer. Gezien de operationele kwetsbaarheid van deze functie bevat artikel 216, provinciewet, het expliciete voorschrift dat de verordening een onderdeel over de financieringsfunctie heeft. In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan artikel 216, tweede lid onder c. Het gaat om de kaders voor het uitvoeren van de financieringsfunctie.
De uitvoering van de financieringsfunctie komt aan de orde in de paragraaf Financiering in de Programmabegroting en de Jaarstukken zoals die in het Besluit begroting en verantwoording is voorgeschreven. In dit artikel stellen Provinciale Staten de doelstellingen, richtlijnen en limieten die voor het College gelden. Het vierde lid van het artikel draagt het College op een Treasurystatuut op te stellen dat met name protocollen bevat voor de dagelijkse uitvoering. Onderwerpen die in zo'n besluit aan de orde komen, betreffen met name het derivatenbeheer (indien van toepassing), het liquiditeitenbeheer, het risicobeheer, de financiering, de interne controle en de administratieve organisatie. Onder het risicobeheer vallen het renterisicobeheer, het kredietrisicobeheer, het koersrisicobeheer, en het liquiditeitsrisicobeheer (indien van toepassing).
In het tweede lid onder a wordt vermeld dat de Wet fido, de Ruddo en de Regeling schatkistbankieren decentrale overheden leidend zijn voor de financieringsfunctie.
In lid 2 wordt verder gesproken over uitzettingen van overtollige middelen bij Nederlandse decentrale overheden. Deze uitzettingen zijn conform de Wet fido een alternatief voor het verplicht schatkistbankieren. De kasgeldlimiet en de renterisiconorm zijn wettelijk geregeld (Wet financiering decentrale overheden, artikel 3 en 4, respectievelijk 5 en 6). Indien de kasgeldlimiet in drie opeenvolgende kwartalen wordt overschreden, dan dient een plan van aanpak aan de toezichthouder (minister van BZK) te worden aangeboden om weer onder de limiet te komen. De minister neemt hierover een besluit en zou een overschrijding van de kasgeldlimiet tijdelijk kunnen toestaan (bijvoorbeeld als er een omvangrijke ontvangst en/of aflossing van een uitstaande geldlening in het vooruitzicht ligt). Verantwoording aan Provinciale Staten vindt plaats via de verplichte paragraaf Financiering in de begroting en Jaarstukken.
Lid 3 beschrijft de mogelijkheid tot uitzettingen uit hoofde van het publiek belang aan verbonden partijen en derde marktpartijen. In het kader Sturing in Samenwerking (SiS) worden de criteria ten aanzien van deze uitzettingen en ten aanzien van het portefeuillebeheer beschreven, Bij het aantrekken van geldleningen wordt dit proces met dossiervorming vastgelegd.
Artikel 35 Registratie bezittingen, activa en vermogen
Voor een goed beeld van de financiële positie is een volledige registratie van de provinciale bezittingen onontbeerlijk. Om te garanderen dat de registratie actueel en juist is, wordt in dit artikel het College opgedragen periodiek de registratie te controleren en bij afwijkingen maatregelen tot herstel te treffen.
Paragraaf 8 Financiële organisatie en administratie
Artikel 36 Financiële administratie
Een belangrijk onderdeel van de administratie is de financiële administratie. Bij algemene maatregel van bestuur stelt het Rijk eisen aan de verantwoordingsinformatie van provincies. In de BBV zijn onder andere waarderingsgrondslagen, balansindeling en verplicht op te leveren financiële gegevens vastgelegd. Vanuit de financiële administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële verantwoordingsinformatie aan Provinciale Staten, maar ook aan de minister van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties, in zijn rol als toezichthouder, het CBS etc.
In dit artikel worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties van de Provincie. In hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens moeten worden vastgelegd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Voor wat betreft de risico’s: in Sturing in Samenwerking wordt vooral ingegaan op het risicobeleid van de investeringsportefeuille. Naast risico’s ten aanzien van investeringen zijn er nog diverse andere processen binnen de Provincie die leiden tot risico’s en beheersmaatregelen om deze risico’s af te dekken.
Deze worden verantwoord in de verplichte paragraaf Weerstandsvermogen en risicobeheersing van zowel de Programmabegroting als de Jaarstukken. Ook voor de wijze van begroten van investeringen is in deze verordening stilgestaan bij grote projecten: er wordt uitgegaan van een fasegewijze kredietbesluitvorming met een probabilistische raming. Risico-afweging speelt daarbij een belangrijke rol.
Artikel 38 Financiële organisatie
In dit artikel worden uitgangspunten voor de inrichting van de financiële organisatie gegeven, waaraan het college bij het stellen van regels voor de ambtelijke organisatie invulling moet geven. De uitgangspunten vormen kaders voor het college, waaraan het zich moet houden. In de onderdelen 1 en 2 worden eisen gesteld aan de toedeling van taken aan organisatieonderdelen van de Provincie en de toewijzing van functies aan functionarissen. In onderdeel 3 worden eisen gesteld aan de budgettoedeling.
Provinciale Staten leggen in dit artikel enkele basiscondities vast voor de interne controle. Daarmee verkrijgen Provinciale Staten de zekerheid dat het college aan de eisen genoemd in met name artikel 39, eerste lid, zal kunnen voldoen.
De verordening geeft in het eerste lid aan het College de opdracht voor de inrichting van de financiële organisatie verschillende maatregelen te treffen op het gebied van interne controle, bijvoorbeeld een adequate functiescheiding. Daarnaast stellen Provinciale Staten in lid 2 kaders die ertoe dienen dat Gedeputeerde Staten regels stellen om misbruik van provinciale regelingen en voorzieningen te voorkomen via de 'beleidsregel integraal M&O beleid'. Deze beleidsregel wordt om de actualiteit van de regel te borgen tenminste 1x per 4 jaar geactualiseerd door het College van Gedeputeerde Staten.
Deze verordening treedt in de plaats van de Financiële Verordening 2024.
In dit artikel wordt de naam gegeven, waarmee men in de provinciale stukken naar deze verordening kan verwijzen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-11502.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.