Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 30 juni 2026 tot wijziging van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 in verband met het ophogen van verschillende subsidieplafonds, enkele technische wijzigingen en het vervangen van bijlagen 2 en 3 (Eerste wijziging Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0)

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant;

 

Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;

 

Overwegende dat het wenselijk is de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 te wijzigen in verband met het ophogen van verschillende subsidieplafonds, enkele technische aanpassingen en het vervangen van bijlagen 2 en 3;

 

Besluiten vast te stellen de volgende regeling:

Artikel I Wijziging Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0

De Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

Artikel 10 komt te luiden:

Artikel 10 Subsidieplafond

  • 1.

    Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met d, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op:

    • a.

      € 87.117, voor projecten in de gemeente Alphen Chaam;

    • b.

      € 176.430, voor projecten in de gemeente Altena;

    • c.

      € 152.623, voor projecten in de gemeente Asten;

    • d.

      € 57.859, voor projecten in de gemeente Baarle-Nassau;

    • e.

      € 50.688, voor projecten in de gemeente Bergeijk;

    • f.

      € 90.000, voor projecten in de gemeente Bergen op Zoom;

    • g.

      € 45.978, voor projecten in de gemeente Bernheze;

    • h.

      € 130.500, voor projecten in de gemeente Best;

    • i.

      € 73.990, voor projecten in de gemeente Bladel;

    • j.

      € 63.260, voor projecten in de gemeente Boekel;

    • k.

      € 155.387, voor projecten in de gemeente Boxtel;

    • l.

      € 206.548, voor projecten in de gemeente Breda;

    • m.

      € 41.621, voor projecten in de gemeente Cranendonck;

    • n.

      € 168.665, voor projecten in de gemeente Deurne;

    • o.

      € 14.684, voor projecten in de gemeente Dongen;

    • p.

      € 19.016, voor projecten in de gemeente Drimmelen;

    • q.

      € 45.000, voor projecten in de gemeente Eersel;

    • r.

      € 59.228, voor projecten in de gemeente Eindhoven;

    • s.

      € 54.000, voor projecten in de gemeente Etten-Leur;

    • t.

      € 83.769, voor projecten in de gemeente Geldrop-Mierlo;

    • u.

      € 121.271, voor projecten in de gemeente Gemert-Bakel;

    • v.

      € 220.499, voor projecten in de gemeente Gilze en Rijen;

    • w.

      € 63.131, voor projecten in de gemeente Goirle;

    • x.

      € 135.748, voor projecten in de gemeente Halderberge;

    • y.

      € 24.421, voor projecten in de gemeente Heeze-Leende;

    • z.

      € 86.835, voor projecten in de gemeente Helmond;

    • aa.

      € 45.242, voor projecten in de gemeente ‘s-Hertogenbosch;

    • bb.

      € 34.200, voor projecten in de gemeente Heusden;

    • cc.

      € 158.856, voor projecten in de gemeente Hilvarenbeek;

    • dd.

      € 43.810, voor projecten in de gemeente Laarbeek;

    • ee.

      € 515.709, voor projecten in de gemeente Land van Cuijk;

    • ff.

      € 337.225, voor projecten in de gemeente Maashorst;

    • gg.

      € 115.760, voor projecten in de gemeente Meierijstad;

    • hh.

      € 25.337, voor projecten in de gemeente Moerdijk;

    • ii.

      € 82.927, voor projecten in de gemeente Nuenen;

    • jj.

      € 377.306, voor projecten in de gemeente Oirschot;

    • kk.

      € 55.226, voor projecten in de gemeente Oisterwijk;

    • ll.

      € 43.090, voor projecten in de gemeente Oosterhout;

    • mm.

      € 90.000, voor projecten in de gemeente Oss;

    • nn.

      € 82.919, voor projecten in de gemeente Reusel-de Mierden;

    • oo.

      € 125.766, voor projecten in de gemeente Roosendaal;

    • pp.

      € 86.566, voor projecten in de gemeente Rucphen;

    • qq.

      € 69.734, voor projecten in de gemeente Sint Michielsgestel;

    • rr.

      € 116.460, voor projecten in de gemeente Someren;

    • ss.

      € 18.000, voor projecten in de gemeente Son en Breugel;

    • tt.

      € 119.098, voor projecten in de gemeente Steenbergen;

    • uu.

      € 111.671, voor projecten in de gemeente Tilburg;

    • vv.

      € 17.063, voor projecten in de gemeente Vught;

    • ww.

      € 54.000, voor projecten in de gemeente Waalre;

    • xx.

      € 54.000, voor projecten in de gemeente Waalwijk;

    • yy.

      € 29.900, voor projecten in de gemeente Woensdrecht;

    • zz.

      € 54.263, voor projecten in de gemeente Zundert.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met d, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op:

    • a.

      € 180.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Aa en Maas;

    • b.

      € 242.639, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Brabantse Delta;

    • c.

      € 77.732, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap De Dommel;

    • d.

      € 295.650, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Rivierenland.

  • 3.

    Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder e, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op € 4.000.000.

B.

Artikel 18 komt te luiden:

Artikel 18 Subsidievaststelling

  • a.

    Bij subsidies tot € 25.000 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast, op basis van prestaties en normbedragen per eenheid of daadwerkelijk gemaakte kosten, op grond van artikel 20, eerste lid, onder b, van de Asv.

  • b.

    Bij subsidies van € 25.000 tot € 125.000 stellen Gedeputeerde Staten de subsidie op aanvraag vast op grond van artikel 21, negende lid, van de Asv.

C.

Bijlage 2 behorende bij de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 wordt vervangen door bijlage 1 bij deze regeling.

 

D.

Bijlage 3 behorende bij de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 wordt vervangen door bijlage 2 bij deze regeling.

 

E.

Bijlage 6 behorende bij de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 wordt vervangen door bijlage 3 bij deze regeling.

Artikel II Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

’s-Hertogenbosch, 30 juni 2026

Gedeputeerde Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA

Bijlage 1 behorende bij artikel I, onder C, van de Eerste wijziging Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0

 

Bijlage 2 behorende bij artikel 6, eerste lid, onder d, van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0

 

 

Bijlage 2 behorende bij artikel I, onder D, van de Eerste wijziging Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0

 

Bijlage 3 behorende bij artikel 6, eerste lid, onder e en h, tweede, derde, vierde en zesde lid, artikel 13, eerste lid, onder b, artikel 14, eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0

 

Beschrijving en vereisten landschapselementen

 

Begripsbepaling

 

Afgezet: het terugsnoeien of laag afzagen van een houtig element of knot, zodat deze weer kan uitgroeien.

 

Bouwland: perceel met een aanduiding, niet zijnde ‘blijvend grasland’, in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

 

Diameter: de doorsnee van een boom of struik gemeten door de omtrek van de boom op één meter boven het maaiveld te meten en te delen door π (3,14).

 

Grasland: perceel met de aanduiding ‘blijvend grasland’ in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

 

GVE: Groot Vee eenheid

 

Omschrijving

GVE

Stieren, koeien en andere runderen ouder dan 2 jaar

1,00

Paardachtigen ouder dan 6 maanden

1,00

Runderen vanaf 6 maanden maar niet ouder dan 2 jaar

0,60

Runderen jonger dan 6 maanden

0,40

Schapen, lammeren en geiten

0,15

 

Indicatorsoorten: botanische soorten zoals opgenomen onder de kop ‘Indicator soorten’.

 

Kleigrond: gronden in de landschapstypen; Zeekleigebied, Komgebied, Oeverwal en Uiterwaarden, Dijken en Open beemdengebied.

 

Landbouwkundig gebruik: grond welke ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik is blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen.

 

Maaiveld: is bovenkant van niet afgegraven bodem.

 

Natte oppervlakte of laagte: oppervlakte van zichtbaar water.

 

Periodiek beheer: beheer dat volgens een bepaalde regelmaat uitgevoerd moet worden om de verschijningsvorm van het landschapselement in stand te houden. Tot cyclisch beheer behoren onder meer: het knotten van knotbomen, het afzetten van een hout-/elzensingel, het opschonen van een poel.

 

Vrij liggend:

  • 1.

    Als 75% of meer van de randlengte van het element grenst aan bouw- of grasland1.

    Of

  • 2.

    Er een afstand tussen elementen is van tenminste 5 meter.

    Of

  • 3.

    Het een knip- en scheerheg (L7) naast een bomenrij of laan (L8) of knotboom (L9) betreft.

Zandgrond: gronden in de landschapstypen Oude zandontginning, Jonge zand- en/of veenontginning en Langstraatontginning.

 

Soortenlijst

 

Lijst inheemse soorten

 

Bosplantsoen bomen en struiken:

Een van de volgende soorten: Wilde appel(Malus sylvestris); Ruwe berk (Betula pendula); Zachte berk (Betula pubescens); Aalbes (Ribes rubrum); Zwarte bes (Ribes nigrum); Beuk (Fagus Sylvatica); Bosroos (Rosa arvensis); Eglantier(Rosa rubiginosa); Zomereik (Quercus robur); Wintereik (Quercus petrea); Zwarte els (Alnus glutinosa); Gelderse roos (Viburnum opulus); Haagbeuk (Carpinus betulus); Hazelaar (Corylus avellana); Heggeroos (Rosa corymbifera); Hondsroos (Rosa canina); Hulst (Ilex aquifolium); Steel iep (Ulmus laevis); Kardinaalsmuts (Euonymus europaeus); Tamme kastanje (Castanea sativa); Zoete kers (Prunus avium); Rode kornoelje (Cornus sanguinea); Gele kornoelje (Cornus mas); Kraagroos (Rosa agrestis); Wilde liguster (Ligustrum vulgare); Kleinbladige linde (Tilia cordata);Lijsterbes (Sorbus aucuparia); Eenstijlige Meidoorn (Crataegus monogyna);Tweestijlige Meidoorn (Crataegus laevigata);Mispel (Mespilus germanica);Wilde Peer (Pyrus pyraster);Sleedoorn (Prunus spinosa);Veldesdoorn (Acer campestre);Gewone Vlier (Sambucus nigra);Inheemse Vogelkers (Prunus padus);Vuilboom (Rhamnus frangula);Wegedoorn (Rhamnus catharticus); Boswilg (Salix caprea); Katwilg (Salix viminalis); Geoorde wilg (Salix aurita); Schietwilg (Salix alba)

 

Laanbomen:

Een van de volgende bomen: Zomereik (Quercus robur); Wintereik (Quercus petrea); Grauwe abeel (Populus canescens*); Ruwe berk (Betula pendula); Beuk (Fagus sylvatica); Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus*); Haagbeuk (Carpinus betulus); Iep, diverse klonen (Ulmus*); Tamme Kastanje (Castanea sativa); Zoete Kers (Prunus avium); Kleinbladige Linde (Tilia cordata*); Grootbladige Linde (Tilia platyphyllos); Noot (Juglans regia); Zwarte Populier (Populus nigra*); Populier‘Canadapopulier’ (Populus x canadensis*); Schietwilg (Salix alba); Inheemse Hoogstamfruitbomen

 

*Bij deze soorten worden de volgende cultivars als inheems aangemerkt: Populus canescens ‘De Moffart en Witte van Haamstede’; Acer pseudeplatanus ‘ Negenia en Rotterdam’Ulmus ‘Dodoens Clusius en Lobel’; Tilia cordata ‘ Erecta en Roelvo’; Tilia vulgaris ‘Pallida’; Populus x canadensis ‘div. cultivars’; Populus nigra ‘div. cultivars m.u.v. Italica’; Salix alba ‘ Liempde, Belders’.

 

Hoogstamfruitbomen:

Diverse soorten appels, peren, pruimen en kersen

 

Indicatorsoorten

 

Indicatorsoorten voor de beheerpakketten botanische weiderand, botanische hooilandrand en wilde bijenrand op grasland

Duizendblad; Madeliefje; Pinksterbloem; Knoopkruid; Hoornbloemsoorten (o.a. gewone hoornbloem); Cichorei; Kale jonker; Streepzaadsoorten; Wilde peen; Walstrosoorten; Ooievaarsbeksoorten; Hertshooisoorten; Gewoon biggenkruid; Leeuwentandsoorten (o.a. herfstleeuwetand); Gewone margriet; Rolklaversoorten (o.a. gewone rolklaver en moerasrolklaver); Echte koekoeksbloem; Wederiksoorten; Smalle weegbree; Potentilla soorten; Brunel; Boterbloemsoorten (m.u.v. blaartrekkende boterbloem); Zuringsoorten (m.u.v. Ridderzuring); Grasmuur; Boerenwormkruid; Paardenbloem; Klaversoorten (o.a. witte en rode klaver); Ereprijssoorten; Wikkesoorten (m.u.v voederwikke)

 

Zaadmengsels

 

Botanische weiderand

Roodzwenk gras en/of veldbeemdgras( Festuca rubra rubra) 45,0%, Witte klaver (Trifolium repens) 20%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 30%, Duizendblad (Achillea millefolium) 5% met een zaaidichtheid van 12 kg/ha

 

Botanische hooilandrand:

Eenjarige kruiden: Boekweit (Fagopyrum esculentum) 7,5%, Bernagie (Borago officinalis) 7,5%, Korenbloem (Centaurea cyanus) 2,5%, Gele ganzenbloem (Chrysanthemum segetum) 2,5%,

 

Meerjarige kruiden: Gewone margriet (Leucanthemum vulgare) 10%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 20%, Wilde peen (Daucus carota) 10%, Duizendblad (Achillea millefolium) 7%, Witte klaver (Trifolium repens) 10%, Rode klaver (Trifolium pratense) 10%, Groot streepzaad (Crepis biennies) 5%, Knoopkruid (Centaurea jacea) 3%, Cichorei (Cichorium intybus) 5,0%

 

met een zaaidichtheid van 15kg/ ha

 

Wintervoedselrand op bouwland:

Zomertarwe (korte soort) (Triticum aestivum) 20%, Zomerhaver (Avena sativa) 10%, Zomergerst (korte soort) (Hordeum distochon) 20%, Zomer Triticale (Triticale x triticale) 20%, Boekweit (Fagopyrum esculentum) 10%, Zonnebloem (Helianthus annuus) 12%, Vlas (Linum usitatissimum) 5%, Phacelia (Phacelia tanacetifolia) 1%, Gele ganzenbloem (Chrysantemum segetum) 1%, Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum) 1%

 

Met een zaaidichtheid van 125 kg/ha

 

Patrijzenrand op bouwland:

Bloemen: Roodzwenk gras en/of veldbeemdgras (Festuca rubra rubra) 45%,

 

Witte klaver (Trifolium repens) 20%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 30%,

 

Duizendblad (Achillea millefolium) 5% met een zaaidichtheid van 15 kg/ha.

 

Wintervoedselstrook: Zomertarwe (korte soort)(Triticum aestivum) 20%, Zomerhaver (Avena sativa) 10%, Zomergerst (korte soort) (Hordeum distochon) 20%, Zomer Triticale (Triticale x triticale) 20%, Boekweit (Fagopyrum esculentum) 10%, Zonnebloem (Helianthus annuus) 12%, Vlas (Linum usitatissimum) 5%, Phacelia (Phacelia tanacetifolia) 1%, Gele ganzenbloem ( Chrysantemum segetum) 1%, Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum) 1%

 

Met en zaaidichtheid van 125 kg/ha.

 

Bijenrand

Eenjarige kruiden: Boekweit (Fagopyrum esculentum) 7,5%, Bernagie (Borago officinalis) 7,5%, Korenbloem (Centaurea cyanus) 2,5%, Gele ganzenbloem (Chrysanthemum segetum) 2,5%,

 

Meerjarige kruiden: Gewone margriet (Leucanthemum vulgare) 10%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 15%, Wilde peen (Daucus carota) 10%, Duizendblad (Achillea millefolium) 7%, Gewone pastinaak (Pastinaca sativa) 5%, Witte klaver (Trifolium repens) 5%, Rode klaver (Trifolium pratense) 5%, Venkel (Foeniculum vulgare) 5%, Groot streepzaad (Crepis biennies) 5%, Knoopkruid (Centaurea jacea) 3%, Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) 2,5%, Muskuskaasjeskruid (Malva moschata) 3%, Gewone berenklauw (Heracleum sphondylium) 2,5%, Cichorei (Cichorium intybus) 2,0%

 

met een zaaidichtheid van 12 kg/ ha

 

Bloemenblok

Triticale (Triticale x triticale)20%, Oude rogge (Secale multicaule) 20%, Haver (Avena sativa)20%, Quinoa / gierstmelde (Chenopodium quinoa) 10%, Mergstamkool (Brassica oleracea) 4%, Voederwikke (Vicia sativa) 3%, Venkel (Foeniculum vulgare) 3%, Luzerne (Medicago sativa) 2%, Bladrammenas (Raphanus sativus) 2%, Gele mosterd (Sinapis alba) 2%, Esparcette (Onobrychis viciifolia) 2%, Cichorei (Cichorium intybus) 2%, Groot streepzaad (Crepis biennis) 1%, Wilde peen (wild)(Daucus carota) 1%, Groot kaasjeskruid (Malva sylvestris) 1%, Knoopkruid (Centaurea thuillieri) 1%, Boerenwormkruid (Tanacetum vulgare) 1%, Grote kaardebol (Dipsacus fullonum) 1%, Incarnaatklaver (Trifolium incarnatum) 2%, Margriet (wild)(Leucanthemum vulgare) 1%, Gewone rolklaver (Lotus corniculatus) 1%

 

met en zaaidichtheid van 10 kg/ha. Op zandgronden en 7 kg/ha. op kleigronden.

 

Subsidiabele activiteiten per landschapselement

 

Subsidieregeling Stimulering Landschap

Code

Element

Realisatie

Beheer

Inkomstenderving

Functiewijziging

L1

Houtwal en houtsingel

x

x

 

x

L2

Elzensingel

x

x

 

x

L3

Bossingel en bosje

x

x

 

x

L4

Hakhoutbosje

 

x

 

 

L5

Griendje

 

x

 

 

L6

Struweelhaag en patrijzenhaag

x

x

 

x

L7

Knip- of scheerheg

x

x

 

x

L8

Bomenrij en solitaire boom

x

x

 

x

L9

Knotboom

x

x

 

x

L10

Hoogstamfruitboomgaard

x

x

 

 

L11

Struweelrand

x

x

 

x

L12

Poel en klein historisch water

x

x

 

x

L13

Natuurvriendelijke oever

x

x

 

x

L14

Waterbergingsvoorziening

x

x

 

x

G1

Extensief weidebeheer op dijken

x

x

 

 

G2

Kruidenrijke graslandrand

x

x

x

x*

G3

Wilde bijenrand op grasland

x

x

x

x*

B1

Wintervoedselrand op bouwland

 

x

x

 

B2

Wilde bijenrand op bouwland

 

x

x

 

B3

Patrijzenrand op bouwland

 

x

x

 

B4

Bloemblok voor akkervogels op bouwland

 

x

x

 

W1

Wandelpad op boerenland

x**

x

x

x*

*In combinatie met een L-element

**In combinatie met realisatie of bestaand L-, G- of B-element

 

Algemene beheerverplichtingen

Voor alle elementen die worden aangevraagd gelden de volgende beheerverplichtingen:

 

  • Werkzaamheden mogen niet leiden tot het aantasten van een element.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.

  • Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.

  • Branden in de beheereenheid of in de directe omgeving daarvan is niet toegestaan.

  • Bemesting in de beheereenheid is niet toegestaan, uitgezonderd zijn hoogstamboomgaarden.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element. Uitzondering voor slootmaaisel en bagger zijn de natuurvriendelijke oevers.

  • Exoten binnen het beheerelement worden bestreden en afgevoerd volgens de daarvoor geldende eisen (o.a. Japanse Duizendknoop (div. soorten), watercrassula, reuze balsemien).

L1 Hakhoutsingel of houtwal

 

Omschrijving

Een hakhoutsingel of houtwal is kenmerkend in een cultuurlandschap. Deze staan vaak aan de randen van kavels en vormen daarmee een scheiding tussen twee percelen. Ze bestaan uit hoofdzakelijk inheemse bomen en struiken. Bij een houtwal is de beplanting op een aardewal aangeplant.

 

Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde door het element als hakhout te beheren en het periodiek afzetten van het element (periodiek beheer). De cyclus varieert tussen de 10 en 25 jaar.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Dijken

    • Oeverwal

    • Langstraatontginning

  • Een hakhoutsingel of houtwal is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten element.

  • Een hakhoutsingel of houtwal bestaat uit een menging van inheemse2 bomen en/of struiken.

  • Een hakhoutsingel of houtwal heeft een breedte van minimaal 2,5 meter en maximaal 20 meter breed.

  • Een hakhoutsingel of houtwal wordt beheerd met hakhoutbeheer.

  • Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L1: realisatie.

  • L1 + L1a: realisatie met jaarlijks beheer.

  • L1a: jaarlijks beheer, jaarlijks het element snoeien.

  • L1b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer: element eenmalig afzetten in de contractperiode, elementen langer dan 100 m worden bij voorkeur in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Aanplant met 2- en/of 3-jarig gemengd bosplantsoen uit de soortenlijst

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).

  • Plantverband van 1.25 m x 1.25 m, 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

  • Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.

Beheerverplichtingen

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

  • Er mag maximaal één overstaander per 100m2 worden behouden.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.

  • L1a: taken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid.

  • L1b: element eenmalig afzetten in de contractperiode, elementen langer dan 100 m worden bij voorkeur in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.

Beheeradvies

 

  • Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 september t/m 14 maart , buiten het broedvogelseizoen.

    • Een houtwal of houtsingel kan het beste beheerd worden tussen november en maart.

  • Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

L2 Elzensingel

 

Omschrijving

Een elzensingel is een lijnvormig landschapselement en bestaat uit een enkele rij zwarte elzen. Een elzensingel komt vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en wordt langs waterlopen, greppels of in (oude)laagtes aangeplant. Een elzensingel wordt niet op een wal aangeplant.

 

Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde. Dit wordt bereikt door het element als hakhout te beheren en het periodiek af te zetten (periodiek beheer). De cyclus varieert tussen de 6 en 12 jaar.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Langstraatontginning

  • Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten element.

  • Een elzensingel bestaat uit één rij, dan wel zigzaggend, zwarte els (Alnus Glutinosa).

  • Een elzensingel is maximaal 3 meter breed.

  • Een elzensingel ligt naast een greppel of waterloop of op een plaats waar historisch (voor 1975) een greppel of waterloop heeft gelegen.

  • Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L2: realisatie

  • L2 + L2a realisatie met jaarlijks beheer.

  • L2a: jaarlijks beheer.

  • L2a: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer bij >75% bedekking: element eenmalig afzetten in de contractperiode.

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Aanplant met 2- en/of 3-jarig zwarte els (Alnus Glutinosa).

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).

  • Plantafstand: minimaal 100 stuks planten per 100 meter elzensingel.

Beheerverplichtingen

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.

  • L2a: takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid.

  • L2b: een elzensingel wordt gedurende de contractperiode afgezet. Bij elementen langer dan 100 meter wordt beheer in twee fases afgezet: ca 50% van het element wordt het ene jaar afzet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.

Beheeradvies

 

  • Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 september t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.

    • Een elzensingel kan het beste beheerd worden tussen november en maart.

  • Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

L3 Bossingel of bosje

 

Omschrijving

Een bossingel is een vrijliggend, breed lijnvormig en aaneengesloten landschapselement. Een bossingel bestaat uit hoge bomen en struiken.

 

Het doel van het beheer van het element is het behoud van natuurlijke waarden en boskwaliteit. Dit kan worden bereikt door de buitenrand (pleksgewijs) periodiek af te zetten en te snoeien. Doel van het onderhoud is het behoud van het ecosysteem en indien nodig herstel hiervan.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

  • Element past binnen landschapstype(n):

    • Oude zandontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Langstraatontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Een bossingel is een aaneengesloten element.

  • Een bossingel is minimaal 2,5 meter en maximaal 20 meter breed.

  • Een bosssingel bestaat uit inheemse3 bomen en struiken.

  • Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L3: realisatie.

  • L3 + L3a: realisatie met jaarlijks beheer.

  • L3a: jaarlijks beheer.

  • L3b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer, 20% van oppervlakte afzetten in contractperiode.

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems gemengd bosplantsoen uit de soortenlijst.

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).

  • Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter, 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Een bossingel wordt voor maximaal 80% beheerd als bos met opgaande bomen.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.

  • L3a: minimaal 5% tot maximaal 40% van oppervlakte van het element is gesnoeid of gedund.

  • L3b: beheereenheid wordt gedurende de contractperiode voor 20% afgezet.

Beheeradvies

 

  • Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 september t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.

    • Een bossingel of bosje kan het beste beheerd worden tussen november en maart.

  • Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

L4: Hakhoutbosje

 

Omschrijving

Een hakhoutbosje is een vrijliggend, vlakvormig landschapselement met inheemse bomen en struiken dat als hakhout beheerd wordt. Hierbij wordt het element periodiek afgezet. De periode van afzetten is afhankelijk van de soortsamenstelling Het element lijkt op een hakhoutsingel, maar heeft een vlakvormig karakter in plaats van lijnvormig.

 

Doel van het beheer van het element is het behoud van de traditionele hakhoutcultuur en ecologische waarde. Bij een hakhoutbosje met overwegend langzaam groeiende soorten wordt dit gedaan door om de 15 tot 25 jaar het element af te zetten (periodiek beheer). Bij een hakhoutbosje met overwegend snelgroeiende soorten wordt dit gedaan door om de 10 tot 20 jaar het element af te zetten (periodiek beheer). Met langzaam groeiende soorten wordt bedoeld dat de zomereik dominant is. Met snelgroeiende soorten wordt bedoeld dat zwarte els en/of gewone es dominant zijn.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Element past binnen landschapstype(n):

    • Oude zandontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Langstraatontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Oeverwal

  • Een hakhoutbosje is vlakvormig en is vrijliggend in het landschap

  • Een hakhoutbosje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2.

  • Een hakhoutbosje bestaat uit inheemse4 bomen en/of struiken.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L4a: jaarlijks beheer.

  • L4b: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer langzaam groeiende soorten, element afzetten in contractperiode.

  • L4c: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer snelgroeiende soorten, element afzetten in contractperiode.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Minimaal 80% van het bosje wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet.

  • De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.

  • L4a: takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid.

  • L4b: hakhoutbosje met langzaam groeiende soorten 1 keer per 15-25 jaar afzetten.

  • L4c: hakhoutbosje met snel groeiende soorten 1 keer per 10-15 jaar afzetten.

Beheeradvies

 

  • Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 september t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.

    • Een hakhoutbosje kan het beste beheerd worden tussen november en maart.

  • Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

L5: Griendje

 

Omschrijving

Een griendje is een vrijliggend, vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten. Een griendje wordt als hakhout beheerd met een beheercyclus van 5 tot 6 jaar.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

  • Element past binnen landschapstype(n):

    • Beekdal en broekontginning

    • Oeverwal

    • Komgebied

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

    • Zeekleigebied

  • Een griendje is vlakvormig.

  • Een griendje bestaat uit inheemse wilgensoorten.

  • Het griendje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2 groot.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L5a: jaarlijks beheer.

  • L5b: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer, element afzetten in contractperiode.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar en maximaal éénmaal per 3 jaar.

  • L5a: takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid.

  • L5b: de beheereenheid wordt gedurende contractperiode volledig afgezet.

Beheeradvies

 

  • Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 september t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.

  • Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

L6: Struweelhaag of patrijzenhaag

 

Omschrijving

Een struweel- en patrijzenhaag is een doorndragende inheemse haag, die van oorsprong als veekering werd gebruikt. Een struweelhaag groeit vrij uit en wordt om de 3 tot 6 jaar gesnoeid of teruggezet. Struweel- en patrijzenhagen zijn robuust, breder en hoger dan knip- en scheerheggen. Vogelsoorten gebruiken de haag als nestgelegenheid en voedsel.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Oeverwal

    • Langstraatontginning

    • Uiterwaarden

    • Jonge zand- en/of veenontginning

  • Een struweel- en patrijzenhaag bestaat uit een menging van inheemse soorten, waarvan gemiddeld 50% doorndragend is.

  • Een struweel- en patrijzenhaag is vlakvormig en aaneengesloten.

  • Het struweel- en patrijzenhaag is vrijliggend in het landschap.

  • Een struweelhaag is gemiddeld 3 meter breed.

  • Een patrijzenhaag is gemiddeld 1,5 meter breed.

  • Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L6: realisatie

  • L6 + L6a: realisatie en jaarlijks beheer.

  • L6a: jaarlijks beheer

  • L6b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer, één of twee keer snoeien in contractperiode (cyclus 5-7 jaar).

  • L6c: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer, snoeien in contractperiode (cyclus > 12 jaar).5

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichting

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Aanplant met 2- en/of 3 jarig gemengd bosplantsoen uit de soortenlijst, waarvan 50% bestaat uit doorndragende struiken, uitgezonderd meidoorn in bufferzones bacterievuur.

    • In het gebied van de ‘Maasheggen’ dient minimaal 70% te bestaan uit meidoorn (één- en tweestijlige) eventueel aangevuld met andere gebiedseigen soorten.

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).

  • Aanplant in één of twee rijen.

    • Plantafstand in de rij bij 1 rij minimaal 0,25 meter.

    • Plantafstand bij 2 rijen minimaal 50 cm in de rij en tussen de rijen minimaal 50 cm tot maximaal 1 meter.

    • Plantafstand in de rij minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter en afstand tussen rijen minimaal 0,50 m en maximaal 1,00 meter.

Beheerverplichting

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Overhangende takken aan de zijkanten mogen maximaal 1 maal per 3 jaar worden teruggesnoeid.

  • Het gebruik van een klepelmaaier is niet toegestaan, uitgezonderd voor het snoeiwerk van zijkanten.

  • Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.

  • L6a: takken en bramen die over aangrenzende percelen hangen mogen worden teruggesnoeid. L6b: jaarlijks snoeien en eenmalig of tweemaal in de contractperiode (6 jaar) periodiek beheer, waarbij element wordt afgezet. Hiervoor gelden de volgende beheerverplichtingen:

    • Struweelhaag

      • Struweelhagen langer dan 100 meter worden in minimaal twee fasen beheerd. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar beheerd en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later beheerd.

      • Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter.

      • Na het vlechten heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,5 meter.

    • Patrijzenhaag

      • Eerste drie jaar worden geen snoeiwerkzaamheden uitgevoerd.

      • Na het snoeien heeft de haag een hoogte van één tot anderhalve meter.

      • Het vierde jaar: wordt enkel één zijde van de haag gesnoeid.

      • Het vijfde jaar: worden geen snoeiwerkzaamheden uitgevoerd.

      • Het zesde jaar: wordt de andere zijde van de haag gesnoeid.

  • L6c: jaarlijks snoeien en eenmalig in de contractperiode (6 jaar), waarbij de totale snoeicyclus 12 jaar bedraagt.

Beheeradvies

 

  • Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 september t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.

    • Een struweelhaag of patrijzen kan het beste gesnoeid worden tussen november en maart.

  • Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.

  • Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.

  • Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.

L7: Knip- of scheerheg

 

Omschrijving

Een knip- of scheerheg is een heg die kort geschoren wordt en kenmerkend is rondom erven, boomgaarden en terrassen. De heg kenmerkt zich met een dichte structuur en kan ook gevlochten worden.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oeverwal

    • Uiterwaarden

    • Oude zandontginning.

    • Jonge zand- en/of veenontginning.

    • Beekdal en broekontginning.

  • Een knip- en scheerheg ligt binnen6 100 meter van een bouwblok of bestemming/functie wonen of rondom een hoogstamboomgaard.

    • Uitgezonderd is het UNESCO begrensde Maasheggengebied.

  • Een knip- of scheerheg is vrij-liggend, echter:

    • Het element is toegestaan naast of tussen bomen of knotbomen.

  • Een knip- of scheerheg is minimaal 0,8 meter breed.

  • Een knip- en scheerheg bestaat uit één of twee rijen.

  • Een knip- of scheerheg is maximaal 3 meter hoog.

  • Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L7: realisatie.

  • L7 + L7a: realisatie en jaarlijks beheer.

  • L7a: jaarlijks beheer.

  • L7b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer tweemaal scheren in contractperiode.

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Aanplant met 2- en/of 3-jarig bosplantsoen uit de soortenlijst.

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).

  • Aanplant in één rij.

  • Plantafstand: 4 stuks per meter.

Beheerverplichting

 

  • Algemene verplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • De stammen van het element mogen niet worden beschadigd door vee.

  • L7a: de beheereenheid wordt jaarlijks minimaal één keer per jaar volledig geschoren of geknipt:

    • De beheereenheid wordt 100% jaarlijks geknipt/geschoren. Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,8 meter.

  • L7b: de beheereenheid wordt jaarlijks beperkt geschoren of geknipt, waarbij de gehele heg gefaseerd twee keer volledig is geknipt of geschoren binnen de contractperiode.

    • De beheereenheid wordt jaarlijks beperkt geknipt of geschoren, minimaal 20% tot maximaal 50% van de oppervlakte van de beheereenheid. Eén keer per 2-3 jaar is daarmee de heg geheel geschoren of geknipt. Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,8 meter. De heg wordt dus nooit in één onderhoudsronde geheel geknipt of geschoren.

Beheeradvies

 

  • Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 15 juli t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.

    • Een knip- en scheerheg kan het beste in augustus/september geknipt of geschoren worden. Indien er twee keer per jaar geknipt of geschoren wordt, vind de eerste knip- of scheerbeurt eind mei/medio juni plaats. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het broedvogelseizoen.

L8: Bomenrij en solitaire boom

 

Omschrijving

Een bomenrij of solitaire boom staan in een rij, boomgroep of solitair in het landschap. Bomenrijen staan vooral langs lanen, wegen en landbouwpercelen. Solitaire bomen en boomgroepen staan vrij in het landschap en vervullen een belangrijke functie voor de biodiversiteit. Het betreffen inheemse bomen die in een groter formaat worden aangeplant dan singels, heggen en bossen.

 

Bestaande bomenrijen en solitaire bomen mogen worden omgevormd naar een nieuw element, zoals een bossingel of haag met boomdragers. Knotbomen, boomweides en windsingels om boomgaarden en kwekerijen vallen niet onder dit beheertypen.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Dijken

    • Oeverwal

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

    • Zeekleigebied

  • Een bomenrij of solitaire boom is vrijliggend in het landschap, maar mag onderdeel zijn van of naast een knip- en scheerheg (L7) liggen.

  • Een bomenrij is minimaal 50 meter lang.

  • Een bestaande bomenrij bestaat uit minimaal 8 en maximaal 20 bomen per 100 meter die voor subsidie in aanmerking komen

  • Een solitaire boom bestaat uit een cluster van minimaal één en maximaal 10 bomen.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L8: realisatie.

  • L8 + L8a: realisatie en periodiek beheer voor bomen met een diameter <20 cm.

  • L8a: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter <20 cm.

  • L8b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter 20-60 cm.

  • L8c: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter >60 cm.

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • De aanplant bestaat uit inheemse laanbomen, met een minimale maat van 10-12 cm.

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).

  • Plantafstand in de rij of boomgroep: minimaal 8 meter en maximaal 12,5 meter.

  • Plantafstand tussen twee rijen: minimaal 6 meter.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • De stammen van het element mogen niet worden beschadigd door vee.

  • L8a, L8b en L8c: de beheereenheid wordt minimaal één keer per contactperiode gesnoeid:

    • Na het snoeien beslaat de kroon minimaal 50% van de lengte van de boom.

Beheeradvies

 

  • Beheerwerkzaamheden vinden zoveel mogelijk plaats tussen de periode 1 september t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.

    • Snelgroeiende soorten kunnen het beste in de periode juli/augustus gesnoeid worden. Hierbij dient rekening gehouden te worden met het broedvogelseizoen.

    • Langzaamgroeiende soorten kunnen het beste tussen november tot maart gesnoeid worden.

L9: Knotboom

 

Omschrijving

Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,5 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). Ze staan vooral tussen akkers en weilanden, langs waterlopen en poelen.

 

Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke eigenschap van het element. Ten behoeve daarvan worden de knotboom cyclisch geknot. De knotcyclus varieert tussen de 3 en 5 jaar voor wilg en populier en 7-15 jaar voor eik, es, els, haagbeuk, veldesdoorn en berk.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Dijken

    • Zeekleigebied

    • Oeverwal

    • Komgebied

    • Uiterwaarden

    • Langstraat ontginning

    • Open beemdengebied

  • Een knotboom is vrijliggend in het landschap, maar mag onderdeel zijn van of naast een knip- en scheerheg (L7) liggen.

  • Een knotboom staat solitair, in rijen of kleine groep.

  • Een groep knotbomen bestaat maximaal uit 20 bomen.

  • Knotbomen in een rij of kleine groep hebben een plantafstand van 5 tot 12,5 meter.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L9: realisatie.

  • L9 + L9a: realisatie en periodiek beheer voor knotboom met een diameter <20 cm.

  • L9a: periodiek beheer voor knotboom met een diameter <20 cm.

  • L9b: periodiek beheer voor knotboom met een diameter 20-60 cm.

  • L9c: periodiek beheer voor knotboom met een diameter >60 cm.

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Knotbomen worden aangeplant met inheemse soorten die als knotboom beheerd kunnen worden:

    • Schietwilg (Salix alba)

    • Gewone es (Fraxinus excelsior)

    • Zwarte els (Alnus glutinosa)

    • Populier (div. cultivars)

    • Haagbeuk (Betula pendula)

    • Veldesdoorn (Acer campestre)

    • Inlandse eik (Quercus robur)

    • Berk (Betula pendula)

  • Aanplant van schietwilg: een 3 jarige onbewortelde stek met een lengte van ca. 2,5 meter of laanboom.

  • Aanplant andere soorten: veren (150-250 cm)

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart).

  • Plantafstand: minimaal 5 meter tot maximaal 12,5 meter.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Knotwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 november en 14 maart;

    • veldesdoorn en berk alleen tussen 1 november en 1 december.

  • De stam van een knotboom wordt minimaal op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld afgezet (geknot).

    L9a, L9b en L9c: Gedurende de contractperiode wordt de knotboom minimaal éénmaal geknot.

    • Geadviseerd wordt om knotbomen in een rij of groep gefaseerd te beheren: de helft van de knotbomenrij of groep het ene jaar (jaar 3) en minimaal 2 jaar later de andere helft (jaar 6).

L10: Hoogstamboomgaard

 

Omschrijving

Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog, waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een (kruidenrijk) gras of de ontwikkeling hiervan wordt gestimuleerd (geen gazon). In de een hoogstamboomgaard kunnen notenbomen voorkomen.

 

Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en ecologische waarde. Dit wordt bereikt door onderhouds- en vormsnoei uit te voeren.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Oeverwal

    • Jonge zand- en/of veenontginning, aanplant enkel binnen 100 meter van bebouwing.

    • Beekdal en broekontginning, aanplant enkel binnen 100 meter van bebouwing.

  • Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 8 fruitbomen.

  • De bomen hebben minimaal een stam van 1,5 meter hoog.

  • Een hoogstamboomgaard heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare.

  • Een hoogstamboomgaard heeft een oppervlakte van maximaal 0,25 hectare.

  • Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.

  • Minimale afstand tussen boomgaarden van aanvrager bedraagt 100 meter.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L10: realisatie.

  • L10 + L10a: realisatie en periodiek beheer.

  • L10a: periodiek beheer.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Aanplant inheemse fruitbomen met stam van minimale 8-10 cm omtrek.

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart).

  • Aanplant binnen jonge zand- en/of veenontginning en beekdal en broekontginning binnen 100 meter van bebouwing, hierbij hoeft niet de gehele boomgaard binnen 100 meter te liggen.

  • Plantafstand: minimaal 10 x 10 meter en maximaal 15 x 15 meter.

  • Bij beweiding wordt de boom beschermd door een boomkorf.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing

  • Uitgezonderd hierop is het verbod op bemesting: Bemesting met ruige mest van rundvee en bekalking is toegestaan, mits het ten behoeve van de instandhouding van element wordt toegepast.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Bij bemesten van de boomgaard, grondbewerking en maaiwerkzaamheden worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd.

  • L10a: hoogstam fruitbomen en notenbomen worden periodiek beheerd:

    • Appel en perenbomen: eenmaal in de contractperiode snoeien in de periode 1 juli tot 15 maart.

    • Andere soorten: vorm- en onderhoudsnoei voor behoud van element.

  • De boomgaard wordt extensief beweid of wordt minimaal één keer en maximaal twee keer per jaar gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd, voor de ontwikkeling van kruidenrijk gras.

L11: Struweelrand

 

Omschrijving

Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel en ruigte. Het struweel bestaat vooral uit struiken, zoals meidoorn en braam. De bedekking van bomen en struiken is maximaal 50% van het oppervlak. Door extensief beheer en spontane ontwikkeling ontstaat er een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden.

 

Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en ecologische waarde. Dit wordt bereikt door onderhoud te plegen zoals het maaien, snoeien, uitdunnen en kappen van bomen.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Dijken

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

    • Zeekleigebied

  • Een struweelrand is lijnvormig (dan wel glooiend) en aaneengesloten.

  • Een struweelrand is minimaal 20 meter lang7.

  • Een struweelrand is minimaal 3 en maximaal 12 meter breed.

  • Een struweelrand ligt naast een bosrand, landschapselement of vrij in het veld (bijvoorbeeld een perceelrand).

  • Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken.

  • Een struweel rand bestaat uit een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van grassen en (inheemse) kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L11: realisatie.

  • L11 + L11a: realisatie en jaarlijks beheer.

  • L11a: jaarlijks beheer.

  • L11b: jaarlijks en periodiek beheer.

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Struweelrand kan zich spontaan ontwikkelen als landbouwgrond uit productie wordt genomen, maar de aanleg mag ook gestimuleerd worden door:

    • Rand kan ingezaaid worden met kruidenmengsel en

    • 20% van de oppervlakte kan beplant worden met inheemse struiken.

  • Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart).

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.

  • L11a: jaarlijks beheer, waarbij

    • Dominante/ongewenste kruiden (bijv. ridderzuring, brandnetel, Jacob kruiskruid) kunnen worden ingeperkt (uitmijnen) door plaatselijk beheer.

      • Maaisel wordt afgevoerd.

  • L11b: jaarlijks en periodiek beheer, waarbij:

    • 1% tot 40% van de houtige elementen (o.a. opschot) worden jaarlijks gesnoeid.

      • Snoeiafval mag worden verwerkt in rillen of worden afgevoerd.

    • De rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden periodiek gemaaid wordt, waarbij de gehele eenheid éénmaal per 5 jaar geheel gemaaid is.

      • Dit wordt uitgevoerd door gefaseerd maaien, waarbij jaarlijks een deel blijft staan.

      • Maaisel wordt afgevoerd of op een ruiter gelegd.

L12: Poel en klein historisch water

 

Omschrijving

Een poel en klein historisch water zijn doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door kwel, regenwater, grondwater of afstromend water. De bodem is een afgesloten laagte.

 

Poelen worden doorgaans aangelegd op plaatsen die laag gelegen zijn in het landschap, waarbij het grondwater niet te diep zit. Het is belangrijk dat de poel voldoende lang water houdt en niet te vaak droogvalt.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veen ontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Open beemdengebied

    • Zeekleigebied

    • Oeverwal

    • Komgebied

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

  • Een bestaande poel of klein historisch water heeft een oppervlakte van minimaal 100 en maximaal 2000 m2.

  • Alleen een poel groter dan 200 m2 mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert en ‘geen afwatering’ een risico voor omgeving kan veroorzaken. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.

  • Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd. Bij schapenbeweiding is het (gedeeltelijk) uitrasteren van een poel niet nodig.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L12: realisatie

  • L12 + 12a of c: realisatie met jaarlijks beheer

  • L12a: jaarlijks beheer voor poelen <175 m2

  • L12b: jaarlijks beheer en eenmalig grootschalig onderhoud8 voor poelen <175 m2

    • Indien het een beheercontractverlenging betreft: achterstallig onderhoud wat voorkomen had kunnen worden, komt niet in aanmerking voor dit beheerpakket.

  • L12c: jaarlijks beheer voor poelen >175 m2

  • L12d: jaarlijks beheer en eenmalig grootschalig onderhoud14 voor poelen >175 m2

    • Indien het een beheercontractverlenging betreft: achterstallig onderhoud9 wat voorkomen had kunnen worden, komt niet in aanmerking voor dit beheerpakket.

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • De poel wordt aangelegd op een locatie waarbij deze een ecologische functie kan vervullen:

    • Binnen een straal van 100 m van een bestaande houtopstand/bos of moeras van minimaal 0,5 hectare of;

    • Binnen een ecologische verbindingszone of stapstenen of;

    • Binnen 300 meter van een poel waarin een of meerdere soorten amfibieën voorkomen of;

    • Er onderbouwd kan worden met goedkeuring van gemeente, waterschap of Provincie dat een poel van ecologische meerwaarde is op de projectlocatie.

  • De laagste grondwaterstand (GLG) grondwaterstand is niet dieper dan 1,20 m onder het maaiveld.

  • De oppervlakte van de poel gemeten vanaf de insteek talud met maaiveld is maximaal 500 m2. Oppervlakte inclusief landbiotoop is maximaal 700 m2.

    • Rondom de poel kan een kruidenrijke rand worden aangelegd, die groter mag zijn dan de 200 m2 landbiotoop.

  • Het talud wordt aangelegd met een verhouding van minstens 1:3, maar bij voorkeur flauwer.

  • Voor poelen (‘basisbiotoop’) die aangelegd worden t.b.v. de boomkikker10 geldt maximaal 2000 m², een diepte van maximaal 1,5 meter en taludverhoudingen van 1:8 tot 1: 10.

  • Diepte van de poel tot 0,5 – 1 meter beneden de laagste grondwaterstand (GLG), maar maximaal 1.70 m onder het maaiveld.

    • Grondboring kan noodzakelijk zijn om de diepte van (mogelijk) aanwezige leemlaag te bepalen.

  • Poel wordt aangelegd met natuurlijke materialen, waarbij folie niet is toegestaan. Enkel afdichting met klei of leem indien dit nodig is.

  • Landbiotoop rond poel en droog gedeelte van de oevers mag ingezaaid worden met mengsel met inheemse kruiden of voorzien van kruidenrijk hooi/maaisel.

  • Het kan noodzakelijk zijn om vooraf akkoord te hebben van het waterschap. Dit wordt geregeld met een veldcoördinator.

Vergunning

Voor het graven van poelen geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende kosten voor onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde.

 

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Maaiwerkzaamheden vinden plaats in de droge periode tussen 15 augustus – 15 oktober:

    • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot beschadiging van de poel en bodem.

  • L12a, L12c: jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen.

  • L12b: Het beheer bestaat uit periodiek opschonen of baggeren en jaarlijks beheer:

    • jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen.

    • Iedere 5 jaar wordt de poel gebaggerd en/of opgeschoond om voldoende diepte en open water te behouden.

  • L12d: Het beheer bestaat uit periodiek opschonen of baggeren en jaarlijks beheer:

    • jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen.

    • Iedere 10 jaar wordt de poel gebaggerd en/of opgeschoond om voldoende diepte en open water te behouden.

  • Minimaal de helft van het natte oppervlak van de poel bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water.

  • Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november.

  • Maximaal 20% van de oeverlengte bestaat uit opslag van bomen of struiken. Het teveel aan opslag wordt verwijderd.

  • Er mogen geen vissen worden uitgezet of gekweekt.

  • Er mogen geen gedomesticeerde watervogels in de poel worden gehouden.

  • Er mogen geen uitheemse waterplanten in de poel worden aangeplant.

  • De poel wordt niet gebruikt voor hemelwateropvang van daken en erven.

Beheeradvies

 

  • Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen.

  • De poel wordt niet gebruikt voor hemelwateropvang van daken en erven.

  • Maaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.

  • Er vindt geen wateronttrekking plaats, behalve ten behoeve van het drenken van vee op aangrenzende percelen.

L13: Natuurvriendelijke oever

 

Omschrijving

Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande watervoerende waterloop, in de vorm van een drasberm, plasberm of flauw talud (minimaal 1:3), met een begroeiing van inheemse kruidachtige planten. De oeverbegroeiing kan overwegend uit riet bestaan (rietoever) of uit diverse grassen en kruiden (graskruidenoever).

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Beekdal en broekontginning

    • Open beemdengebied

    • Zeekleigebied

    • Komgebied

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Oude zandontginning

  • Een natuurvriendelijke oever is lijnvormig en aaneengesloten.

  • Een natuurvriendelijke oever ligt langs een bestaande watervoerende waterloop.

  • Een natuurvriendelijke oever is minimaal 3 meter en maximaal 10 meter breed.

  • Een natuurvriendelijke oever bestaat uit een drasberm, plasberm of flauw talud met minimaal ratio 1:3.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L13: realisatie

  • L13 + L13a of b: realisatie en jaarlijks beheer van een graskruidoever

  • L13a: jaarlijks beheer van een graskruidoever

  • L13b: tweejaarlijks beheer van een rietoever

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Voor een natuurvriendelijke oever aan A- en B-Watergangen is vooraf afstemming geweest met het Waterschap, zodat deze voldoet aan de eisen van waterschap.

    • Indien een schouw- of onderhoudspad noodzakelijk is, kan dit in overleg met de gebiedscoördinator.

  • Een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm, plasberm of een flauw talud met minimaal ratio 1:3.

  • Bij peilgestuurde gebieden wordt de plasberm ontgraven tot 50 cm onder en tot 10 cm boven het zomerpeil en een drasberm wordt ontgraven tot 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil. Bij afwezigheid van een plas-dras oever is een flauw talud minimaal 1:3 of flauwer. Het talud wordt ontgraven vanaf de slootbodem tot het maaiveld.

  • Bij vrij afwaterende gebieden: ligt de bodem van de oever boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil).

  • Het kan noodzakelijk zijn om vooraf akkoord te hebben van het waterschap. Dit wordt geregeld met een veldcoördinator.

Vergunning

Voor het graven van natuurvriendelijke oevers geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde.

 

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Een natuurvriendelijke oever wordt gefaseerd gemaaid, waarbij minimaal 1/3 jaarlijks blijft staan.

  • Maaisel wordt afgevoerd binnen één week na de werkzaamheden of worden op een ruiter geplaatst.

  • Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen half augustus en eind oktober, bij droge omstandigheden

  • Een natuurvriendelijke oever bestaat voor maximaal 20% uit struweel, overige struweel wordt verwijderd en afgevoerd.

  • Er mogen geen wijzigingen aangebracht worden in het profiel van de natuurvriendelijke oever.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in en natuurvriendelijke oever.

  • L13a: jaarlijks beheer van een graskruidoever. De natuurvriendelijke oever wordt minimaal éénmaal per jaar gefaseerd gemaaid.

  • L13b: tweejaarlijks beheer van een rietoever. De natuurvriendelijke oever wordt minimaal één keer per 2 jaar gefaseerd gemaaid.

Beheeradvies

 

  • Een natuurvriendelijke oever mag maximaal 2 weken beweid worden met schapen, in de periode half augustus tot 1 maart.

L14: Waterberging

 

Omschrijving

Een waterbergingsvoorziening is een laagte met een kruidachtige begroeiing of broekbos of een ondiepe plas die ten tijde van hoge waterstanden extra water kan bergen.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Beekdal en broekontginning

    • Open beemdengebied

    • Zeekleigebied

    • Oeverwal

    • Komgebied

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Oude zandontginning

  • Een waterbergingsvoorziening is een laagte met kruidachtige begroeiing, broekbos of ondiepe plas, die droogvalt.

  • Een waterbergingsvoorzienig heeft een oppervlakte maximaal 5000 m2.

  • Een waterbergingsvoorziening mag geen nadelige gevolgen hebben voor aangrenzende percelen van andere eigenaren.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • L14: Realisatie van een natte laagte, ondiepe plas of broekbos/wilgenstruweel

  • L14 + L14a/b/c: realisatie met specifiek beheer

  • L14a: jaarlijks beheer van een natte laagte

  • L14b: jaarlijks beheer van een ondiepe plas

  • L14c: periodiek beheer van een broekbos of wilgenstruweel

  • Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een waterbergingsvoorziening wordt aangelegd in de vorm van:

    • een natte laagte die na enige tijd droogvalt.

    • een ondiepe plas met permanent water.

    • Een natte laagte met broekbos of wilgenstruweel.

      • Broekbos wordt niet aangeplant, maar ontstaat door natuurlijke opslag van inheemse bomen en struiken.

  • Eisen voor peilgestuurde gebieden: Bij een natte laagte of broekbos ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening van 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil. Bij een ondiepe plas ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening tot 100 cm onder het zomerpeil.

  • Eisen voor vrij afwaterende gebieden: Bij een natte laagte of broekbos in vrij afwaterende gebieden ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening op minimaal 50 cm onder maaiveldhoogte en niet onder de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil).

  • Om waterbergingsmogelijkheden te maximaliseren kunnen kunstwerken11 (stuw, knijpduiker) toegepast worden. Een kunstwerk is noodzakelijk als afwatering plaatsvindt naar een sloot of waterloop.

  • De waterbergingsvoorziening kan worden voorzien van een schouw-/onderhoud rand met kruidenrijk gras.

    • Een schouw-/ onderhoud rand langs een waterbergingsvoorziening is maximaal 4 meter breed en beslaat niet meer dan 20% van het oppervlak.

Vergunning

Voor het graven van waterbergingsvoorziening geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde.

 

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Een waterbergingsvoorziening wordt niet beweid.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel, tuinafval of andere vormen van lozingen (niet organische stoffen) mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

  • L14a: jaarlijks beheer van een natte laagte. De laagte wordt éénmaal per jaar gemaaid.

    • Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen half augustus en eind oktober, bij droge omstandigheden12.

    • Het maaisel wordt afgevoerd.

  • L14b: jaarlijks beheer van de oevers van een ondiepe plas. Het beheer moet bestaan uit de volgende uitgangspunten:

    • Jaarlijks maaibeheer van de oevers tussen half augustus en eind oktober12.

    • Minimaal de helft van het natte oppervlak van de plas bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water.

    • Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november.

    • Maximaal 20% van de oppervlakte van de oevers bestaat uit opslag van bomen of struiken.

  • L14c: periodiek beheer van een broekbos/wilgenstruweel in een laagte. Het beheer moet bestaan uit de volgende uitgangspunten:

    • Het broekbos of wilgenstruweel wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet in de periode half augustus tot 1 maart.

      • De gehele eenheid moet in de contractperiode (gefaseerd) worden afgezet.

    • De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).

    • Snoeihout moet afgevoerd worden uit de beheereenheid.

Beheeradvies

 

  • Een waterberging mag maximaal 2 weken beweid worden met schapen, in de periode half augustus tot 1 maart.

G1: Extensief beweid grasland voor bijen op dijken

 

Omschrijving

Een extensief beweid grasland op dijken is een graslandstrook die met een lage dichtheid wordt begraasd om kruidenrijkdom te vergroten. Extensief beweid grasland is grasland dat extensief beweid wordt en niet wordt bemest (behoudens mest van het weidende vee).

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in het landschapstypen:

    • Dijken

  • Een extensief beweid grasland wordt extensief beweid.

  • Een extensief beweid grasland wordt niet bemest (behoudens mest van het weidende vee).

  • Het extensief beweid grasland bestaat uit grasland.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • G1: realisatie, indien indicatorsoorten ontbreken.

  • G1a: Beheer van extensief jaarlijks beweid grasland in de periode 1 mei tot 1 september (1 tot 1,5 GVE/ha).

  • Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element.

Aanlegverplichting

Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Indien in de rand 4 indicatorsoorten aanwezig zijn, kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

  • Indien er geen 4 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder omschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

    • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober13.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Het grasland wordt niet bemest (behoudens mest van weidend vee).

  • Het grasland wordt extensief beweid van 1 mei tot 1 september met minimaal 1 en maximaal 1,5 GVE per hectare.

  • Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.

  • Chemische en/of mechanische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid. Een kenmerkende soort van dijken zoals de kruisdistel mag niet worden bestreden.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.

Voorgeschreven mengsel

 

 

G2: Kruidenrijke graslandrand

 

Omschrijving

Een kruidenrijke rand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld of door vee wordt beweid. Ze worden éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. In de rand komen minimaal 8 indicatorsoorten voor in het groeiseizoen. De randen worden niet bemest, gescheurd of diep geploegd. Kruidenrijke randen vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Kruidenrijk randen liggen aan de buitenzijde van een perceel.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Open beemdengebied

    • Zeekleigebied

    • Dijken

    • Oeverwal

    • Uiterwaarden

    • Komgebied

    • Langstraatontginning

  • Een kruidenrijke graslandrand is minimaal 25 lang.

  • Een kruidenrijke graslandrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 6 meter breed, met uitzondering van:

    • Randen op dijken of binnen ecologische verbindingszones hebben een breedte van minimaal 3 meter en maximaal 25 meter.

  • Een kruidenrijke graslandrand ligt op een grasland:

    • Aan de rand van een perceel of

    • Naast een L-element.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van:

    • Langstraatontginning.

    • Dijken in Zeekleigebied.

    • EVZ (hierin mogen G-randen naast elkaar grenzen).

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • G2: realisatie, indien indicatorsoorten ontbreken, gecombineerd met G2a of G2b.

  • G2a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • G2b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik.

  • Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Indien in de rand 8 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

  • Indien er geen 8 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder omschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

    • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober14.

Aanleg advies grondwaardedaling

 

  • In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met het voorgeschreven zaadmengsel.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Een kruidenrijke graslandrand wordt gefaseerd gemaaid, waarbij minimaal 20% per maaibeurt blijft staan:

    • Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen 15 juli en 1 maart;

    • Het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

    • Het eerste jaar kunnen ongewenste dominante soorten voorkomen. Na afstemming met de gebiedscoördinator kan eenmalig eerder worden gemaaid.

  • Een kruidenrijke graslandrand wordt niet beweid.

  • Een kruidenrijke graslandrand wordt niet bemest.

  • Een kruidenrijke graslandrand wordt niet gescheurd of gefreesd.

    • Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Voorgeschreven mengsel

 

Eenjarige kruiden

Meerjarige kruiden

NL-naam

Latijnse naam

Percentage

NL-naam

Latijnse naam

Percentage

Boekweit

Fagopyrum esculentum

7,5%

Gewone margriet

Leucanthemum vulgare

10%

Bernagie

Borago officinalis

7,5%

Gewone rolklaver

Lotus corniculatus

20%

Korenbloem

Centaurea cyanus

2,5%

Wilde peen

Daucus carota

10%

Gele ganzenbloem

Chrysanthemum segetum

2,5%

Duizendblad

Achillea millefolium

7%

 

 

 

Witte klaver

Trifolium repens

10%

 

 

 

Rode klaver

Trifolium pratense

10%

 

 

 

Groot streepzaad

Crepis biennies

5%

 

 

 

Knoopkruid

Centaurea jacea

3%

Zaaidichtheid 15 kg/ha

 

Cichorei

Cichorium intybus

5%

 

G3: Wilde bijenrand op grasland

 

Omschrijving

Een wilde bijenrand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld of door vee wordt beweid. Deze wordt éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. De randen worden extensief en gefaseerd beheerd om variatie te creëren.

 

In de rand komen minimaal 8 indicatorsoorten voor in het groeiseizoen. De randen worden niet bemest, gescheurd of diep geploegd. Wilde bijenranden vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Wilde bijenranden liggen aan de buitenzijde van een perceel.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Open beemdengebied

    • Zeekleigebied

    • Dijken

    • Oeverwal

    • Komgebied

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

  • Een wilde bijenrand is minimaal 25 lang.

  • Een wilde bijenrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed, met uitzondering van:

    • Randen op dijken of binnen ecologische verbindingszones hebben een breedte van minimaal 3 meter en maximaal 25 meter.

  • Een wilde bijenrand ligt op grasland:

    • Aan de rand van een perceel of

    • Naast een L-element.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. uitzondering van:

    • Langstraatontginning.

    • Dijken in Zeekleigebied.

    • EVZ (hierin mogen G-randen naast elkaar grenzen).

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • G3: realisatie, indien indicatorsoorten ontbreken, gecombineerd met G3a of G3b.

  • G3a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • G3b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik.

  • Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een wilde bijenrand op grasland wordt éénmalig ingezaaid met voorgeschreven mengsel13. Dit is enkel nodig indien 8 indicatorsoorten ontbreken of kruidenrijkdom onvoldoende is:

    • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober15.

  • Indien in de rand 8 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.

Aanleg advies grondwaardedaling

 

  • In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met het voorgeschreven zaadmengsel.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Een wilde bijenrand wordt gefaseerd gemaaid, jaarlijks wordt 50% van de rand gemaaid. Het volgende jaar wordt de rand de overgebleven 50% gemaaid. De rand is daarmee in twee fases geheel gemaaid per 2 jaar.

    • Maaiwerkzaamheden vinden plaatsen tussen 15 september en 1 januari.

    • Maaisel wordt binnen 14 dagen na maaien afgevoerd.

    • Het eerste jaar kunnen ongewenste dominante soorten voorkomen. Na afstemming met de gebiedscoördinator kan eenmalig eerder worden gemaaid.

  • Een wilde bijenrand wordt niet beweid en bemest.

  • Een wilde bijenrand wordt niet gescheurd of gefreesd.

    • Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Voorgeschreven mengsel

Eenjarige kruiden

Meerjarige kruiden

NL-naam

Latijnsenaam

Percentage

NL-naam

Latijnsenaam

Percentage

Boekweit

Fagopyrum esculentum

7,5%

Gewone margriet

Leucanthemum vulgare

10%

Bernagie

Borago officinalis

7,5%

Gewone rolklaver

Lotus corniculatus

15%

Korenbloem

Centaurea cyanus

2,5%

Wilde peen

Daucus carota

10%

Gele ganzenbloem

Chrysanthemum segetum

2,5%

Duizendblad

Achillea millefolium

7%

 

 

 

Gewone pastinaak

Pastinaca sativa

5%

 

 

 

Witte klaver

Trifolium repens

5%

 

 

 

Rode klaver

Trifolium pratense

5%

 

 

 

Venkel

Foeniculum vulgare

5%

 

 

 

Groot streepzaad

Crepis biennies

5%

 

 

 

Knoopkruid

Centaurea jacea

3%

 

 

 

Boerenwormkruid

Tanacetum vulgare

3%

 

 

 

Muskuskaasjeskruid

Malva moschata

3%

 

 

 

Gewone berenklauw

Heracleum sphondylium

3%

Zaaidichtheid 12 kg/ha

 

Cichorei

Cichorium intybus

2%

 

B1:Wintervoedselrand op bouwland

 

Omschrijving

Een wintervoedselrand op bouwland is een strook waar granen en zaaddragende planten staan. De rand bestaat voor 90% uit granen en wordt jaarlijks opnieuw ingezaaid. De rand wordt niet geoogst, waardoor deze voedsel biedt voor vogels en andere fauna.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Zeekleigebied

    • Komgebied

    • Oeverwal

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

    • Beekdal en broekontginning

  • Een wintervoedselrand is minimaal 25 lang.

  • Een wintervoedselrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed.

  • Een wintervoedselrand blijft in de winter overstaan.

  • Een wintervoedselrand ligt op een akker/bouwland.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van:

    • Langstraatontginning.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • B1a: jaarlijks inzaaien en beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • B1b: jaarlijks inzaaien en beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • B1c: jaarlijks inzaaien en beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.

Aanlegverplichting

Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een wintervoedselrand wordt jaarlijks tussen 16 maart en 30 april ingezaaid met het voorschreven zaadmengsel en zaaidichtheid16.

  • Er wordt ingezaaid met niet ontsmet zaad.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Er wordt een rustperiode in acht genomen in de periode 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden er geen beheerwerkzaamheden en bewerkingen plaats.

    • Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.

  • Een wintervoedselrand wordt jaarlijks opnieuw ingezaaid in de periode 16 maart tot 30 april.

  • Een wintervoedselrand mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad.

  • Een wintervoedselrand mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.

Voorgeschreven mengsel

 

Wintervoedsel NL-naam

Latijnse naam

Percentage

Zomertarwe (korte soort)

Triticum aestivum

20%

Zomerhaver

Avena sativa

10%

Zomergerst (korte soort)

Hordeum distochon

20%

Zomer Triticale

Triticale x triticale

20%

Boekweit

Fagopyrum esculentum

10%

Zonnebloem

Helianthus annuus

12%

Vlas

Linum usitatissimum

5%

Phacelia

Phacelia tanacetifolia

1%

Gele ganzenbloem

Chrysantemum segetum

1%

Incarnaatklaver

Trifolium incarnatum

1%

Zaaidichtheid 125 kg/ha

 

 

 

B2: Wilde bijenrand op bouwland

 

Omschrijving

Een wilde bijenrand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld. Ze worden éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. De randen worden extensief en gefaseerd beheerd om variatie te creëren.

 

Wilde bijenranden vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Wilde bijenranden liggen aan de buitenzijde van een perceel.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Zeekleigebied

    • Oeverwal

    • Komgebied

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Open beemdengebied

  • Een wilde bijenrand ligt op bouwland.

  • Een wilde bijenrand is minimaal 25 lang.

  • Een wilde bijenrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed, met uitzondering van:

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van:

    • Langstraatontginning.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • B2a: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • B2b: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • B2c: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.

Aanlegverplichting

Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een wilde bijenrand op bouwland wordt eenmalig in de contractperiode ingezaaid met het voorgeschreven zaagmengsel17 en zaaidichtheid.

  • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober of in het voorjaar

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Een wilde bijenrand op bouwland wordt jaarlijks in twee fases gemaaid, waarbij bij elke maaibeurt 50% blijft staan:

    • Eerste maaibeurt: 1 juli – 1 augustus, 50% van de rand maaien en 50% blijft overstaan.

    • Tweede maaibeurt: 15 september – 15 november, de overgebleven 50% van de voorgaande maaibeurt wordt gemaaid. De andere 50% blijft overstaan.

    • Maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

    • Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.

  • Een wilde bijenrand wordt niet beweid en bemest.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

  • Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator.

Voorgeschreven mengsel

 

Eenjarige kruiden

Meerjarige kruiden

NL-naam

Latijnsenaam

Percentage

NL-naam

Latijnsenaam

Percentage

Boekweit

Fagopyrum esculentum

7,5%

Gewone margriet

Leucanthemum vulgare

10%

Bernagie

Borago officinalis

7,5%

Gewone rolklaver

Lotus corniculatus

15%

Korenbloem

Centaurea cyanus

2,5%

Wilde peen

Daucus carota

10%

Gele ganzenbloem

Chrysanthemum segetum

2,5%

Duizendblad

Achillea millefolium

7%

 

 

 

Gewone pastinaak

Pastinaca sativa

5%

 

 

 

Witte klaver

Trifolium repens

5%

 

 

 

Rode klaver

Trifolium pratense

5%

 

 

 

Venkel

Foeniculum vulgare

5%

 

 

 

Groot streepzaad

Crepis biennies

5%

 

 

 

Knoopkruid

Centaurea jacea

3%

 

 

 

Boerenwormkruid

Tanacetum vulgare

3%

 

 

 

Muskuskaasjeskruid

Malva moschata

3%

 

 

 

Gewone berenklauw

Heracleum sphondylium

3%

Zaaidichtheid 12 kg/ha

 

Cichorei

Cichorium intybus

2%

 

B3: Patrijzenrand op bouwland

 

Omschrijving

Een patrijzenrand ligt op bouwland en bestaat uit drie randen, namelijk uit één strook met meerjarig laagblijvend graskruidenmengsel, één strook met wintervoedsel en één strook groene braak. De combinatie van randen zorgt voor broedsucces en kuiken overleving van patrijzen. De stroken wintervoedselstrook en braakstrook mogen jaarlijks wisselen.

 

Figuur 1 Voorbeeld van een patrijzenrand (Bron: Poldernatuur Zeeland – patrijzenrand)

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Zeekleigebied

    • Komgebied

    • Oeverwal

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

  • Een patrijzenrand ligt op bouwland.

  • Een patrijzenrand bestaat uit drie stroken:

    • 1.

      meerjarig laagblijvend graskruidenmengsel (50% van de totale breedte minus de braakstrook)

    • 2.

      wintervoedselmengsel (50% van de totale breedte minus de braakstrook).

    • 3.

      braakstrook van 3 meter.

  • Een patrijzenrand is minimaal 25 meter lang.

  • Een patrijzenrand is minimaal 9 meter en maximaal 18 meter breed.

  • De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • B3a: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • B3b: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • B3c: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.

Aanlegverplichting

Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een patrijzenrand op bouwland bestaat uit drie stroken:

    • Graskruidenstrook

      • 50% van de totale breedte van de rand minus de braakstrook

      • Eenmalig inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

    • Wintervoedselstrook

      • 50% van de totale breedte van de rand minus de braakstrook

      • Jaarlijks inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.

    • Braakstrook

      • 3 meter brede strook.

      • Jaarlijks ploegen, waarbij de strook braak blijft liggen.

  • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Minimaal 90% van de oppervlakte bestaat van 1 juni tot 15 augustus uit een combinatie van ingezaaide granen (niet zijnde maïs of graanstoppel) en kruiden met een strook van maximaal 3 meter groene braak.

  • De rand wordt niet beweid.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Graskruidenstrook:

    • De strook wordt minimaal één keer per jaar en maximaal 2 keer per jaar gemaaid. Indien de vegetatie korter is dan 15 cm wordt er geen maaibeurt uitgevoerd. De maaibeurten vinden plaats in de volgende periode:

      • Eerste maaibeurt: 1 maart – 15 april,

      • Tweede maaibeurt: 1 tot 15 september.

    • Het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.

    • Deze strook wordt niet bemest.

    • Deze strook wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

    • Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.

    • Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator.

  • Wintervoedselstrook

    • De strook wintervoedsel wordt jaarlijks ingezaaid en niet geoogst.

    • Er wordt een rustperiode in acht genomen van 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden in de beheereenheid geen bewerkingen plaats.

    • Deze strook wordt niet gebruikt als pad.

    • Deze strook mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.

  • Braakstrook

    • De strook wordt jaarlijks bewerkt tot een braakstrook.

    • Deze strook wordt niet bemest.

    • Deze strook wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.

    • Deze mag bewerkt worden met een cultivator of schoffelmachine voor het bewerkstelligen van zwarte braak.

Voorgeschreven mengsel

 

Graskruidenstrook

Wintervoedselstrook

NL-naam

Latijnse naam

Percentage

NL-naam

Latijnse naam

Percentage

Roodzwenk gras en/of veldbeemdgras

Festuca rubra rubra

45%

Zomertarwe (korte soort)

Triticum aestivum

20%

Witte klaver

Trifolium repens

20%

Zomerhaver

Avena sativa

10%

Gewone rolklaver

Lotus corniculatus

30%

Zomergerst (korte soort)

Hordeum distochon

20%

Duizendblad

Achillea millefolium

5%

Zomer Triticale

Triticale x triticale

20%

 

 

 

Boekweit

Fagopyrum esculentum

10%

Zaaidichtheid 15 kg/ha

Zonnebloem

Helianthus annuus

12%

 

 

 

Vlas

Linum usitatissimum

5%

 

 

 

Phacelia

Phacelia tanacetifolia

1%

 

 

 

Gele ganzenbloem

Chrysantemum segetum

1%

 

 

 

Incarnaatklaver

Trifolium incarnatum

1%

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zaaidichtheid 125 kg/ha

 

B4: Bloemblok voor akkervogels op bouwland

 

Omschrijving

Een bloemblok op bouwland is een vlakdekkend element met meerjarige kruiden en granen. Een bloemblok wordt minimaal twee keer per contractperiode ingezaaid. Het vervult een belangrijke functie voor voedsel, rust en veiligheid voor (broed)vogels en insecten.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Zeekleigebied

    • Komgebied

    • Oeverwal

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

  • Een bloemblok ligt op bouwland.

  • Een bloemblok is minimaal 25 meter lang.

  • Een bloemblok is minimaal 18 meter breed.

  • Een bloembok is maximaal 0,5 hectare groot.

  • Het bloemblok is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.

  • De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element.

  • Een bloemblok mag niet onderbroken worden.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:

 

  • B4a: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • B4b: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • B4c: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.

Aanlegverplichting

Bij het aanleggen van een bloemblok dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een bloemblok op bouwland wordt drie keer in de contractperiode ingezaaid met het voorgeschreven zaagmengsel18 en zaaidichtheid:

    • Eerste jaar volledige blok wordt gezaaid.

    • Opvolgende jaren 50% van het blok opnieuw wordt ingezaaid.

  • Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober of in maart/april waarbij gestart wordt met een vals zaaibed.

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Minimaal 90% van de oppervlakte bestaat van 1 juni tot 15 augustus uit ingezaaide kruiden of kruiden in combinatie met granen.

  • Een bloemblok wordt na het eerste jaar jaarlijks voor de helft opnieuw ingezaaid, waarbij:

    • In het tweede: 50% van het bloemblok wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid.

    • In het derde jaar: de andere 50% wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid.

    • In het vierde jaar: 25% van het bloemblok van het tweede jaar en 25% van het bloemblok van het derde jaar wordt onderwerkt en opnieuw ingezaaid. Hiermee wordt een dambord patroon ontwikkeld.

    • In het vijfde jaar: de andere 50% wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid.

    • In het zesde jaar blijft de rand behouden en niet ondergewerkt.

  • Onderwerken en opnieuw inzaaien vindt plaats na

  • Een bloemblok wordt niet gemaaid of beweid.

  • Een bloemblok wordt niet bemest.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

  • Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.

Voorgeschreven mengsel

 

Bloemblok voor akkervogels

 

 

 

NL-naam

Latijnsenaam

Percentage

NL-naam

Latijnsenaam

Percentage

Zomer Triticale

Triticale x triticale

20%

Esparcette

Onobrychis viciifolia

2%

Oude rogge

Secale multicaule

20%

Cichorei

Cichorium intybus

2%

Zomerhaver

Avena sativa

20%

Groot streepzaad

Crepis biennis

1%

Quinoa/gierstmelde

Chenopodium quinoa

10%

Wilde peen (wild)

Daucus carota

1%

Mergstamkool

Brassica oleracea

4%

Groot kaasjeskruid

Malva sylvestris

1%

Voederwikke

Vicia sativa

3%

Grote kaardebol

Dipsacus fullonum

1%

Venkel

Foeniculum vulgare

3%

Incarnaatklaver

Trifolium incarnatum

2%

Luzerne

Medicago sativa

2%

Margriet (wild)

Leucanthemum vulgare

1%

Bladrammenas

Raphanus sativus

2%

Gewone rolklaver

Lotus corniculatus

1%

Gele mosterd

Sinapis alba

2%

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zandgronden: zaaidichtheid 10 kg/ha

 

 

 

Kleigronden: zaaidichtheid 7 kg/ha

 

 

 

 

W1: Wandelpad over boerenland

 

Omschrijving

Een wandelpad over boerenland is een toegankelijk pad voor wandelaars dat over landbouwgrond loopt.

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:

    • Oude zandontginning

    • Jonge zand- en/of veenontginning

    • Beekdal en broekontginning

    • Open beemdengebied

    • Zeekleigebied

    • Dijken

    • Oeverwal

    • Komgebied

    • Uiterwaarden

    • Langstraatontginning

  • Een wandelpad sluit aan op bestaande routestructuren en is onderdeel van een doorgaande wandelstructuur.

  • Een wandelpad ligt op landbouwgrond.

  • Een wandelpad ligt naast een bestaand of aan te leggen L-, G- of B-element.

  • Het wandelpad moet 364 dagen per jaar opengesteld zijn van zonsopgang tot zonsondergang.

  • Een wandelpad is minimaal 1 meter en maximaal 3 meter breed.

  • Het wandelpad wordt aangeduid met bewegwijzering en informatiebord.

Aan te vragen subsidiepakketten

Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van de volgende subsidiepakketten:

 

  • W1: realisatie op bouwland, te combineren met W1a, W1b en R-elementen.

  • W1a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik, waarop inkomstenderving van toepassing is.

  • W1b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik.

  • Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element.

Aanlegverplichtingen

Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een wandelpad op bouwland wordt eenmalig ingezaaid met een laagblijvend grasmengsel.

  • Een wandelpad wordt voorzien van een voorgeschreven openstellingsbord (R5).

Beheerverplichting

 

  • Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.

  • Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.

  • Het wandelpad bestaat uit gras en wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid gewaarborgd is.

  • De begroeiing is maximaal 20 cm hoog.

  • Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.

Bescherming van elementen

 

X1: Veeraster (rundvee of paard)

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Een veeraster wordt geplaatst in combinatie met de realisatie van een landschapselement L-, G- of B-element.

    • Het veeraster wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door rundvee of paard op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.

  • Het veeraster dient ter bescherming van vraat en betrapping door rundvee of paard.

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Afstand tussen palen maximaal 4 meter.

  • Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia19, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte palen minimaal 160 cm.

  • Op de palen worden minimaal 2 draden bevestigd; 2 draden of 1 draad i.c.m. 1 gladde draad (stroom boven).

  • Raster dient op minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij bij geplaatst te worden.

X2: Elektrisch veeraster (rundvee)

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Een veeraster wordt geplaatst in combinatie met de realisatie van een landschapselement L-, G- of B-element.

    • Het veeraster wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door rundvee op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.

  • Het veeraster dient ter bescherming van vraat en betrapping door rundvee.

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Afstand tussen palen maximaal 10 meter.

  • Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte palen minimaal 160 cm.

  • Op de palen worden isolatoren met minimaal 1 gladde draad bevestigd.

  • Op draden wordt stroom gezet.

  • Raster dient op minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij bij geplaatst te worden.

X3: Schapenraster

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Een schapenraster wordt geplaatst in combinatie met de realisatie van een landschapselement L-, G- of B-element.

    • Het schapenraster wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door schapen of geiten op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.

  • Het schapenraster dient ter bescherming van vraat en betrapping door schapen.

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Afstand tussen palen maximaal 3 meter.

  • Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 160 cm.

  • Op de palen wordt minimaal middelzwaar verzinkt schapengaas van 100 cm hoogte en een maaswijdte van maximaal 15 cm x 15 cm bevestigd.

  • Raster dient op minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij bij geplaatst te worden.

X4: Boomkorf; type schaap

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Een boomkorf schaap wordt geplaatst in combinatie met de realisatie L8, L9 of L10 element.

    • Een boomkorf wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door schapen of geiten op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.

  • De boomkorf dient ter bescherming van vraat en beschadiging door schapen of geiten.

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • De boomkorf heeft een degelijke uitvoering zodat schapen/geiten de stam van de boom niet kunnen aanvreten.

Aanlegadvies

 

  • De basisuitvoering bestaat minimaal 2 onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 180 cm.

  • Palen worden zo geplaatst dat de boom niet kan worden beschadigd door palen.

  • Rond de palen wordt minimaal middelzwaar verzinkt gaas van 150 cm hoogte en met een maaswijdte van maximaal 10 cm x 10 cm bevestigd.

Figuur 2 Voorbeeld boomkorf (bron: W. van den Boer, 2012).

 

X5: Boomkorf; type rund of paard

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Een boomkorf rundvee of paard wordt geplaatst in combinatie met de realisatie een L8, L9 of L10 element.

    • Een boomkorf wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door rundvee of paard op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.

  • De boomkorf dient ter bescherming van vraat en beschadiging door rundvee.

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • De boomkorf heeft een degelijke uitvoering zodat rundvee of paarden de stam van de boom niet kunnen aanvreten.

Aanlegadvies

 

  • De basisuitvoering bestaat minimaal uit 3 onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die in een driehoek rond de boom worden geplaatst.

  • Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 250 cm.

  • Palen worden zo geplaatst dat de boom niet kan worden beschadigd door palen.

  • Rond de palen wordt minimaal middelzwaar verzinkt gaas van 180 cm hoogte en met een maaswijdte van maximaal 10 cm x 10 cm bevestigd.

Recreatieve voorzieningen

 

Subsidiecriteria

Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:

 

  • Een R-element wordt geplaatst in combinatie met het pakket W1, W1a of W1b.

R1: Klaphekje

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Het klaphekje is minimaal 90 cm breed en minimaal 80 cm hoog en is gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Klaphekje bestaat uit 2 palen van minimaal 15 cm x 15 cm waarop een poort met scharnieren is bevestigd.

  • De palen worden zodanig geplaatst of voorzien van een spie waardoor de poort automatisch dicht gaat na opening.

  • De planken van de poort hebben een dikte van minimaal 2 cm.

R2: Tourniquet

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Tourniquet voor wandelaars bestaande uit een ijzeren paal (verticale as) met daarop een ijzeren en draaiende constructie die zorgt dat wandelaars het perceel kunnen betreden, maar het vee het perceel niet kan verlaten.

  • De tourniquet wordt tussen 2 palen geplaatst en verankerd in de grond d.m.v. een verharding rondom de as.

R3: Overstapje

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een overstapje wordt geplaatst op een locatie waar wandelaars een raster over moeten Een overstapje bestaat uit 2 palen waar een overstapplank op is bevestigd en voorzien is van 1 steunpaal (waar voetgangers zich bij oversteken raster aan vast kunnen houden).

  • De overstap wordt gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • De overstapplank is minimaal 80 cm lang, 20 cm breed en 3 cm dik.

  • De steunpaal heeft een lengte van minimaal 200 cm en een diameter van minimaal 10 cm of minimaal 10 cm x 10 cm.

R4: Markeringspaal route

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Paal van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) met een diameter van minimaal 10 cm of afmeting van 10 cmx10 cm.

  • De paal heeft een lengte van minimaal 160 cm.

  • Op de paal is een kleur of bordje aangebracht voor markering van een route.

R5: Openstellingsbord/klein informatiepaneel

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Er wordt gebruik gemaakt van het format openstellingsbord.

  • Openstellingsbord/informatiepaneel is gemaakt van weerbestendig materiaal en in minimaal twee kleuren vormgegeven.

  • Het bord wordt bevestigd op een paal van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Op het openstellingsbord zijn de regels voor openstelling opgenomen en op een informatiepaneel info over het project.

  • Op het openstellingbord zijn de logo’s van de financierende partners weergegeven.

  • Op het openstellingsbord is aangegeven dat het project gefinancierd wordt vanuit de Subsidieregeling Stimuleringsregeling Landschap Noord-Brabant (StiLa).

R6: Informatiepaneel groot

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Informatiepaneel is minimaal 0,25 m2 groot (oppervlakte A2 formaat), gemaakt van weerbestendig materiaal en full-colour vormgegeven.

  • Het informatiepaneel is opgesloten tussen twee onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) met diameter van minimaal 10 cm of afmeting van minimaal 10 cm x10 cm.

  • Op het openstellingbord zijn de logo’s van de financierende partners weergegeven.

  • Op het paneel is aangegeven dat het project gefinancierd wordt vanuit de Subsidieregeling Stimuleringsregeling Landschap Noord-Brabant (StiLa).

R7: Boomstambrug 3 meter

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd.

  • uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning.

  • De liggers hebben een lengte van 3 meter.

R8: Boomstambrug 5 meter

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd.

  • uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning.

  • De liggers hebben een lengte van 5 meter.

R9: Boomstambrug 7,5 meter

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd.

  • uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning.

  • De liggers hebben een lengte van 7,5 meter.

R10: Boomstambrug 10 meter

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd.

  • uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning.

  • De liggers hebben een lengte van 10 meter.

R11: Zitbank met rugleuning

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Lengte bank minimaal 180 cm.

  • De zitting en de leuning zijn gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Bank bestaat uit 2 palen van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 2-3, staal of beton die voorzien zijn van zitting en rugleuning met breedte van minimaal 30 cm.

  • De bank is middels palen in de grond verankerd.

R12: Plankenbrug 3 meter

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 15 cm x 8 cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm.

  • De liggers hebben een lengte van 3 meter.

R13: Plankenbrug 5 meter

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 20 cm x 10cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm.

  • De liggers hebben een lengte van 5 meter.

R14: Plankenbrug 7,5 meter

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 20 cm x 10cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm.

  • De liggers hebben een lengte van 7,5 meter.

R15: Plankenbrug 10 meter

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 15 cm x 25 cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).

  • Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm.

  • De liggers hebben een lengte van 10 meter.

R16: Duiker tbv overgang over sloot t.b.v. wandelpad over boerenland

 

Aanlegvereisten

Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:

 

  • Lengte duiker minimaal 2 meter.

  • Diameter duiker minimaal 30 cm.

  • Duiker bestaat uit duurzaam materiaal o.a. kunststof of beton.

Bijlage 3 behorende bij artikel I, onder E, van de Eerste wijziging Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0

 

Bijlage 6, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, derde lid, vierde lid en zesde lid onder a, van de Subsidieregeling Stimulering Landschap Noord-Brabant 2.0

 

Vergoedingen voor beheer vanaf 2026

 

Code

Naam beheerpakket

Vergoeding per eenheid

Eenheid

Betalingscyclus

L1a

Hakhoutsingel - jaarlijks beheer

€ 734,62

ha.

p/jr

L1b

Hakhoutsingel - cyclisch beheer

€ 36.605,27

ha.

per keer

L2a

Elzensingel - jaarlijks beheer

€ 0,84

meter

p/jr

L2b

Elzensingel - cyclisch beheer > 75% bedekking

€ 18,31

meter

per keer

L3a

Bossingel - jaarlijks beheer

€ 2.718,53

ha.

p/jr

L3b

Bossingel- cyclisch beheer

€ 22.028,88

ha.

per keer

L4a

Hakhoutbosje - jaarlijks beheer

€ 308,92

ha.

p/jr

L4b

Hakhoutbosje- cyclisch beheer langzaamgroeiende soorten

€ 32.608,97

ha.

per keer

L4c

Hakhoutbosje - cyclisch beheer snelgroeiende soorten

€ 24.908,84

ha.

per keer

L5a

Griendje - jaarlijks beheer

€ 397,23

ha.

p/jr

L5b

Griendje - cyclisch beheer

€ 25.565,02

ha.

per keer

L6a

Struweelhaag - jaarlijks beheer

€ 1,46

meter

p/jr

L6b

Struweelhaag - cyclisch beheer (cyclus 5-7 jaar)

€ 9,48

meter

per keer

L6c

Struweelhaag - cyclisch beheer (cyclus > 12 jaar)

€ 30,52

meter

per keer

L7a

Knip- of scheerheg - jaarlijks scheren/knippen

€ 5,11

meter

p/jr

L7b

Knip- of scheerheg - Tweemaal scheren

€ 7,86

meter

p/jr

L8a

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter < 20 cm

€ 37,92

stuks

per keer

L8b

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter 20-60 cm

€ 42,50

stuks

per keer

L8c

Bomenrij en solitaire boom - cyclisch beheer diameter > 60 cm

€ 98,74

stuks

per keer

L9a

Knotboom - cyclisch beheer diameter < 20 cm

€ 35,24

stuks

per keer

L9b

Knotboom - cyclisch beheer diameter 20-60 cm

€ 103,03

stuks

per keer

L9c

Knotboom - cyclisch beheer diameter > 60 cm

€ 137,14

stuks

per keer

L10a

Hoogstamboomgaard - cyclisch beheer

€ 80,71

stuks

per keer

L11a

Struweelrand - jaarlijks beheer

€ 0,00

ha.

p/jr

L11b

Struweelrand - cyclisch beheer

€ 15.712,78

ha.

per keer

L12a

Poel en klein historisch water - jaarlijks beheer < 175 m2

€ 79,02

stuks

p/jr

L12b

Poel en klein historisch water - cyclisch beheer < 175 m2

€ 841,99

stuks

per keer

L12c

Poel en klein historisch water - jaarlijks beheer > 175 m2

€ 43,79

stuks

p/jr

L12d

Poel en klein historisch water - cyclisch beheer > 175 m2

€ 2.148,24

stuks

per keer

L13a

Natuurvriendelijke oever - Graskruidenoever

€ 1,62

meter

p/jr

L13b

Natuurvriendelijke oever - Rietoever

€ 1,20

meter

p/jr

L14a

Waterbergingsvoorziening- natte laagte

€ 1.687,43

ha.

p/jr

L14b

Waterbergingsvoorziening- Ondiepe plas

€ 1.288,91

ha.

p/jr

L14c

Waterbergingsvoorziening- Broekbos

€ 24.723,28

ha.

per keer

W1a

Wandelpad over boerenland - jaarlijks beheer zonder inkomstenderving

€ 1,90

meter

p/jr

W1b

Wandelpad over boerenland - jaarlijks beheer met inkomstenderving

€ 2,92

meter

p/jr

G1a

Botanische weiderand - jaarlijks beheer

€ 1.615,33

ha.

p/jr

G2a

Botanische hooilandrand - agrarisch beheer

€ 1.845,02

ha.

p/jr

G2b

Botanische hooilandrand - natuurbeheer

€ 642,90

ha.

p/jr

G3a

Wilde bijenrand op grasland - agrarisch beheer

€ 1.845,02

ha.

p/jr

G3b

Wilde bijenrand op grasland - natuurbeheer (excl. vergoeding gederfde inkomsten)

€ 1.026,22

ha.

p/jr

B1a

Wintervoedsel - klei

€ 2.636,20

ha.

p/jr

B1b

Wintervoedsel - zand

€ 2.104,56

ha.

p/jr

B2a

Wilde bijenrand op bouwland - klei

€ 3.936,97

ha.

p/jr

B2b

Wilde bijenrand op bouwland - zand

€ 2.843,94

ha.

p/jr

B2c

Wilde bijenrand op bouwland - natuurbeheer (excl. vergoeding gederfde inkomsten)

€ 1.026,22

ha.

p/jr

B3a

Patrijzenrand - klei

€ 3.936,97

ha.

p/jr

B3b

Patrijzenrand - zand

€ 2.843,94

ha.

p/jr

B3c

Patrijzenrand - natuurbeheer (excl. vergoeding gederfde inkomsten)

€ 1.026,22

ha.

p/jr

B4a

Bloemblok voor akkervogels - klei

€ 3.962,85

ha.

p/jr

B4b

Bloemblok voor akkervogels - zand

€ 2.843,94

ha.

p/jr

B4c

Bloemblok voor akkervogels - natuurbeheer (excl. vergoeding gederfde inkomsten)

€ 1.026,22

ha.

p/jr

 

Toelichting behorende bij de Eerste wijziging Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0

I. Algemeen

 

De Eerste wijziging Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0 wijzigt artikel 10, 18 en bijlage 3 van deze subsidieregeling. Met de wijzigingsregeling zijn verschillende subsidieplafonds verhoogd in artikel 10, het artikel over de vaststelling is verduidelijkt en er zijn twee bijlagen vervangen voor een verbeterde versie waarin technische aanpassingen zijn gedaan.

 

II. Artikelsgewijs

 

Artikel I (Wijziging Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0)

 

Onder B (artikel 18)

De formulering van het artikel is verbeterd zodat voor beide arrangementen die in deze regeling van toepassing kunnen zijn, duidelijk is op welke wijze de subsidiewordt vastgesteld.

 

Onder C en D (bijlage 2 en 3)

Met deze wijziging zijn enkel omissies hersteld en formuleringen verbeterd.

 

Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

 

de secretaris,

drs. G.H.E. Derks MPA


1

De elementen G1 t/m G3, B1 t/m B4 en W1 van deze regeling behoren tot bouw- of grasland.

2

Volwassen exemplaren van Amerikaanse Eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) of acacia (robina pseudoacacia) worden tot een maximum van 20% in de houtwal gedoogd. Jonge exemplaren moet verwijderd worden.

3

Volwassen exemplaren van Amerikaanse Eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) of acacia (robina pseudoacacia) worden tot een maximum van 20% in de houtwal gedoogd. Jonge exemplaren moet verwijderd worden.

4

Volwassen exemplaren van Amerikaanse Eik (Quercus rubra), Amerikaanse vogelkers (Prunus serotina) of acacia (robina pseudoacacia) worden tot een maximum van 20% in de houtwal gedoogd. Jonge exemplaren moet verwijderd worden.

5

Enkel aan te vragen indien er in de laatste 6 jaar geen contract voor periodiek beheer (L6b of L6c) is afgesloten.

6

De start van de heg ligt binnen 100 meter van het bouwblok.

7

Indien een beheereenheid wordt doorsneden door een doorgang met een breedte van maximaal 5 meter, dan wordt de beheereenheid als één beschouwd.

8

Enkel aan te vragen indien grootschalig onderhoud noodzakelijk is. Grootschalig onderhoud omvat het baggeren of opschonen van de poel om verlanding of dichtgroeien (door riet) te voorkomen.

9

Achterstallig onderhoud betreft de aanwezigheid van houtig opschot, wat met jaarlijks beheer voorkomen had kunnen worden.

10

Deze poelen mogen alleen aangelegd worden in gebieden waar de boomkikker voorkomt en de poel kan functioneren als biotoop voor de boomkikker. Dit wordt altijd getoetst op basis van expert judgement.

11

Kunstwerken vallen niet onder de subsidieregeling waarvoor een subsidievergoeding wordt gegeven.

12

Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord. 

13

Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.

14

Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.

15

Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.

16

Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.

17

Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.

18

Hier mag alleen van afgeweken worden in overleg met gebiedscoördinator en schriftelijk akkoord.

19

Gebruik bij Robinia-acacia goed geschilde palen omdat de schors van Robinia giftig kan zijn voor paarden.

Naar boven