Beleidskader toezicht huisvesting vergunninghouders

College van Gedeputeerde Staten

 

Gelet op:

  • Artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht

BESLUITEN:

Vast te stellen de hiernavolgende Beleidskader toezicht huisvesting vergunninghouders

 

1. Inleiding

Voor u ligt het geactualiseerde beleidskader voor het interbestuurlijk toezicht op de huisvesting van vergunninghouders in de provincie Groningen. Dit beleidskader vervangt het in 2015 vastgestelde kader.

 

Sinds de vaststelling van het eerdere beleidskader hebben zich ontwikkelingen voorgedaan in wet- en regelgeving en in de uitvoeringspraktijk van het interbestuurlijk toezicht. Daarnaast is in de praktijk gebleken dat op onderdelen behoefte bestaat aan verduidelijking van de werkwijze van de provincie, in het bijzonder ten aanzien van de fasering van het toezichtproces en de toepassing van de rekenmethodiek.

 

Met dit beleidskader wordt beoogd een helder, actueel en eenduidig kader te bieden voor de wijze waarop Gedeputeerde Staten invulling geven aan hun toezichthoudende rol. Het beleidskader maakt inzichtelijk welke stappen worden doorlopen als een gemeente de taakstelling niet realiseert en welke verwachtingen daarbij gelden.

2. Wettelijk kader en verantwoordelijkheden

Gemeenten zijn op grond van de Huisvestingswet 2014 belast met de zorg voor de huisvesting van vergunninghouders, overeenkomstig de voor de gemeente geldende taakstelling. Deze taakstelling wordt halfjaarlijks door het Rijk vastgesteld en aan gemeenten opgelegd.

 

Burgemeester en wethouders zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van deze taak en leggen hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

 

Gedeputeerde Staten houden toezicht op de uitvoering van deze wettelijke taak op grond van artikel 124 van de Gemeentewet. Indien burgemeester en wethouders deze taak niet of niet naar behoren uitvoeren, kunnen Gedeputeerde Staten voorzien in de uitvoering van deze taak door middel van indeplaatsstelling.

 

Dit beleidskader geeft inzicht in op welke manier invulling wordt gegeven aan het interbestuurlijk toezicht, zoals bepaald in artikel 124 van de Gemeentewet ten aanzien van het de huisvesting van vergunninghouders (vluchtelingen met een verblijfsvergunning). Het wettelijk kader voor het invullen van de algemene toezichttaak die de provincie kent is de Wet revitalisering generiek toezicht (Wrgt). Het voorliggende document is een specifieke invulling van het reeds bestaande Beleidskader Toezicht huisvesting vergunninghouders 2015 en is in lijn met het Algemeen beleidskader indeplaatsstelling bij taakverwaarlozing.

3. Uitgangspunten toezicht

Bij de uitvoering van het toezicht hanteert de provincie Groningen de volgende uitgangspunten.

 

Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor het realiseren van de taakstelling en leggen hierover verantwoording af binnen het stelsel van horizontale verantwoording, in het bijzonder aan de gemeenteraad.

 

Gemeenten krijgen in beginsel de ruimte om binnen de eigen verantwoordelijkheid invulling te geven aan de uitvoering van de taakstelling. De provincie houdt toezicht op deze taakuitvoering.

 

Het toezicht is transparant en voorspelbaar ingericht, zodat voor gemeenten duidelijk is welke stappen worden gezet indien sprake is van een achterstand.

 

De provincie hanteert een vaste werkwijze waarin achtereenvolgens de stappen van signalering, informatieverzameling, herstel en (indien noodzakelijk) juridische interventie worden doorlopen. Deze stappen worden in samenhang toegepast, waarbij ruimte blijft voor maatwerk.

4. Toezichtproces

4.1 Algemeen

Gedeputeerde Staten zien erop toe dat gemeenten de taakstelling voor de huisvesting van vergunninghouders realiseren.

 

Gedeputeerde Staten gaan uit van het realiseren van de taakstelling binnen de daarvoor geldende termijn. Deze taakstelling vloeit voort uit de Huisvestingswet 2014 en heeft een dwingend karakter. Gemeenten dienen de aan hen opgelegde taakstelling daadwerkelijk te realiseren. Het niet tijdig realiseren van de taakstelling leidt tot een achterstand en kan aanleiding geven tot het inzetten van toezichtinstrumenten.

 

Als een gemeente de taakstelling niet realiseert, ontstaat een achterstand en wordt het toezicht geïntensiveerd.

 

4.2 Signalering

Gedeputeerde Staten baseren zich bij de beoordeling van de voortgang in ieder geval op gegevens van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA).

 

Daarnaast kunnen signalen afkomstig zijn van betrokken partijen.

 

De voortgang wordt beoordeeld aan de hand van de halfjaarlijkse taakstellingen, met als peildata 1 januari en 1 juli. Op deze momenten wordt vastgesteld in hoeverre gemeenten aan hun taakstelling hebben voldaan en of sprake is van een achterstand.

 

4.3 Informatie opvragen en valideren

Als op basis van signalering aanleiding bestaat, vragen Gedeputeerde Staten nadere informatie op bij burgemeester en wethouders en, indien nodig, bij het COA.

 

Doel hiervan is het verkrijgen van inzicht in:

  • De omvang van de achterstand;

  • De oorzaken daarvan;

  • De reeds getroffen maatregelen.

In deze fase vindt, indien nodig, regelmatig ambtelijk overleg plaats om de voortgang te monitoren.

 

4.4 Afspraken over acties en termijnen

Als blijkt dat een gemeente een achterstand heeft, stellen Gedeputeerde Staten burgemeester en wethouders in de gelegenheid om deze achterstand binnen een extra termijn van maximaal zes maanden alsnog zelf in te lopen. Deze termijn is bedoeld om de gemeente in staat te stellen onder eigen regie de taakstelling te realiseren.

 

Gedurende deze periode vindt ambtelijk overleg plaats over de voortgang.

 

Na afloop van deze termijn beoordelen Gedeputeerde Staten of de taakstelling, inclusief de ontstane achterstand, is gerealiseerd.

5. Juridische interventie

5.1 Voornemen tot indeplaatsstelling

Indien burgemeester en wethouders er niet in slagen om binnen de gestelde termijn de achterstand in te lopen, kondigen Gedeputeerde Staten een voornemen tot indeplaatsstelling aan.

 

Een besluit tot indeplaatsstelling wordt niet genomen dan nadat dit voornemen is aangekondigd en besproken in een bestuurlijk overleg met burgemeester en wethouders, dan wel met een vertegenwoordiging van het college, zoals de verantwoordelijk portefeuillehouder.

 

In deze fase worden burgemeester en wethouders verzocht om een bestuurlijk vastgesteld plan van aanpak, gericht op het alsnog realiseren van de taakstelling.

 

Dit plan van aanpak vormt de basis voor het bestuurlijk overleg, waarin de aanpak en de haalbaarheid van het alsnog realiseren van de taakstelling worden besproken.

 

De voorbereiding van dit plan vindt plaats op ambtelijk niveau, waarna het plan door burgemeester en wethouders moet worden vastgesteld.

 

Dit verzoek heeft het karakter van een informatieverzoek en herstelmaatregel in het kader van het toezicht en heeft als doel inzicht te verkrijgen in de wijze waarop de gemeente de achterstand wil inlopen.

 

Als de situatie daartoe aanleiding geeft, kan een dergelijk plan van aanpak ook eerder in het proces worden opgevraagd.

 

Het voornemen tot indeplaatsstelling wordt aan burgemeester en wethouders schriftelijk kenbaar gemaakt. De gemeenteraad ontvangt hiervan een afschrift. Het voornemen wordt overeenkomstig de geldende wettelijke voorschriften openbaar bekendgemaakt.

 

5.2 Besluit tot indeplaatsstelling

Na het bestuurlijk overleg nemen Gedeputeerde Staten een besluit tot indeplaatsstelling op grond van artikel 124, eerste lid, van de Gemeentewet.

 

In het besluit wordt vastgesteld welke verplichting burgemeester en wethouders alsnog dienen na te komen en binnen welke termijn dit dient te gebeuren.

 

Ook wordt bepaald dat Gedeputeerde Staten in de uitvoering van de taakstelling zullen voorzien indien burgemeester en wethouders niet binnen deze termijn aan hun verplichtingen voldoen.

 

Voordat Gedeputeerde Staten daadwerkelijk overgaan tot het treffen van een voorziening, worden burgemeester en wethouders in het besluit nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om binnen een in het besluit gestelde termijn alsnog zelf in de uitvoering van de taakstelling te voorzien.

 

De lengte en invulling van deze termijn worden afgestemd op de uitkomsten van het bestuurlijk overleg en het door burgemeester en wethouders opgestelde plan van aanpak.

 

In het besluit wordt in ieder geval opgenomen:

  • De constatering dat burgemeester en wethouders niet of niet naar behoren hebben voorzien in de uitvoering van de wettelijke taak;

  • De aard en omvang van de ontstane achterstand;

  • De stappen die in het kader van het toezicht reeds zijn doorlopen;

  • De termijn waarbinnen burgemeester en wethouders alsnog zelf in de uitvoering kunnen voorzien;

  • Dat Gedeputeerde Staten in de uitvoering van de taakstelling zullen voorzien indien burgemeester en wethouders niet binnen deze termijn aan hun verplichtingen voldoen.

Het besluit wordt bekendgemaakt aan burgemeester en wethouders. De gemeenteraad ontvangt een afschrift van dit besluit. Publicatie vindt plaats overeenkomstig de wettelijke voorschriften in het Gemeenteblad.

 

Indien burgemeester en wethouders niet binnen de in het besluit gestelde termijn aan hun verplichtingen voldoen, voorzien Gedeputeerde Staten in de uitvoering van de taakstelling.

 

De kosten van de uitvoering van deze taak komen voor rekening van de gemeente, nu het een wettelijke, gemeentelijke taak betreft waarin Gedeputeerde Staten bij wijze van indeplaatsstelling voorzien.

 

5.3 Uitvoering en beëindiging

Na afloop van de in het besluit tot indeplaatsstelling opgenomen termijn beoordelen Gedeputeerde Staten of burgemeester en wethouders de achterstand waarvoor het besluit tot indeplaatsstelling is genomen, hebben gerealiseerd.

 

Indien burgemeester en wethouders binnen de gestelde termijn aan hun verplichtingen hebben voldaan, zien Gedeputeerde Staten af van verdere toepassing van het besluit tot indeplaatsstelling.

 

Gedeputeerde Staten stellen burgemeester en wethouders en de gemeenteraad hiervan schriftelijk in kennis.

 

Indien burgemeester en wethouders niet binnen de gestelde termijn aan hun verplichtingen hebben voldaan, voorzien Gedeputeerde Staten in de uitvoering van de taakstelling.

6. Rekenmethodiek

De wijze waarop gerealiseerde huisvestingen worden toegerekend is afhankelijk van de fase waarin het toezicht zich bevindt. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de reguliere situatie, de situatie waarin sprake is van een achterstand zonder indeplaatsstelling en de situatie waarin een besluit tot indeplaatsstelling is genomen.

 

6.1 Geen achterstand (reguliere uitvoering)

Indien een gemeente geen achterstand heeft en de taakstelling binnen de daarvoor geldende termijn realiseert, worden gerealiseerde huisvestingen toegerekend aan de lopende taakstelling.

 

6.2 Achterstand zonder indeplaatsstelling

Indien een gemeente een achterstand heeft waarvoor door Gedeputeerde Staten een extra termijn van maximaal zes maanden is gegeven, worden gerealiseerde huisvestingen toegerekend aan de lopende taakstelling.

 

Pas nadat de lopende taakstelling volledig is gerealiseerd, worden plaatsingen toegerekend aan de achterstand waarvoor de extra termijn van zes maanden geldt.

 

Deze werkwijze voorkomt dat achterstanden verder oplopen en waarborgt dat gemeenten blijven voldoen aan de actuele taakstelling.

 

6.3 Na besluit tot indeplaatsstelling

Indien een besluit tot indeplaatsstelling is genomen, worden gerealiseerde huisvestingen eerst toegerekend aan de achterstand waarvoor het besluit tot indeplaatsstelling is genomen.

 

Pas nadat deze achterstand volledig is ingelopen, worden plaatsingen toegerekend aan de op dat moment geldende taakstelling.

 

6.4 Afstemming

Gelet op het belang van een juiste toepassing van deze systematiek, blijven provincie en gemeente zowel ambtelijk als bestuurlijk met elkaar in overleg over de voortgang en de toepassing van deze rekenmethodiek.

7. Ondersteuning

De provincie Groningen kan gemeenten ondersteunen bij het realiseren van hun taakstelling, onder meer door kennisdeling, overleg en het verbinden van partijen.

 

Deze ondersteuning laat de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten onverlet.

8. Slotbepaling

Dit beleidskader treedt in werking de dag na bekendmaking en onder gelijktijdige intrekking van het beleidskader toezicht huisvesting vergunninghouders 2015.

Groningen, 22 juni 2026

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Groningen,

René Paas, voorzitter

Hans Schrikkema, secretaris

Naar boven