Provinciaal blad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2026, 10861 | gemeenschappelijke regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2026, 10861 | gemeenschappelijke regeling |
Gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe
Het college van gedeputeerde staten van Groningen, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Groningen, Eemsdelta, Het Hogeland, Oldambt, Midden-Groningen, Westerkwartier, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerwolde, Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld, de dagelijks besturen van de waterschappen Hunze en Aa’s en Noorderzijlvest;
het kabinet en de deelnemers overleg hebben gevoerd en blijven voeren over de aspecten die van belang zijn voor Groningen en Noord-Drenthe om de brede welvaart te vergroten en de concretisering van de Economische Agenda in tussendoelen, streefwaarden, randvoorwaarden en de verdeling van taken en verantwoordelijkheden (uitvoeringsprogramma Rijk);
besluiten de gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe te treffen waarbij de bepalingen als volgt luiden:
HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN
In deze regeling wordt verstaan onder:
deelnemers: college van gedeputeerde staten van Groningen, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Groningen, Eemsdelta, Het Hogeland, Oldambt, Midden-Groningen, Westerkwartier, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerwolde, Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld, de dagelijks besturen van de waterschappen Hunze en Aa’s en Noorderzijlvest;
volksvertegenwoordigingen: provinciale staten van Groningen, gemeenteraden van de gemeenten Groningen, Eemsdelta, Het Hogeland, Oldambt, Midden-Groningen, Westerkwartier, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerwolde, Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld, de algemeen besturen van de waterschappen Hunze en Aa’s en Noorderzijlvest.
HOOFDSTUK 2 – BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN
De gemeenschappelijke regeling wordt getroffen om de provincie Groningen en Noord-Drenthe perspectief te bieden door samen met andere betrokken partijen in ieder geval welvaartsverbetering te realiseren op economische gebied zodat het niveau van de brede welvaart in het gebied uiterlijk in 2055 op ten minste het landelijk niveau is gebracht.
Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en daarnaast uit:
één lid afkomstig uit de gemeenten Het Hogeland, Oldambt, Eemsdelta;
één lid afkomstig uit de gemeenten Westerkwartier en Midden-Groningen;
één lid afkomstig uit de gemeente Groningen;
één lid afkomstig uit de gemeenten Westerwolde, Pekela, Veendam en Stadskanaal;
één lid afkomstig uit de gemeenten Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld;
Artikel 13 Taken en bevoegdheden dagelijks bestuur
Op basis van advies van de stichting voor de Economische Agenda legt het dagelijks bestuur voorstellen van de stichting voor het uitvoeringsprogramma regio, de meerjarige uitvoeringsplannen en de jaarplannen ter advisering voor aan de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid en – na ontvangst van het advies – ter besluitvorming aan het algemeen bestuur.
HOOFDSTUK 7 OVERIGE EN SLOTBEPALINGEN
Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor archiefbescheiden overeenkomstig en volgens een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening ingevolge artikel 40 Archiefwet.
Artikel 28 Onvoorziene gevallen
Het algemeen bestuur beslist in alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet.
Artikel 29 De duur van de regeling
Deze regeling wordt getroffen voor bepaalde tijd en eindigt, onverminderd het bepaalde in artikel 24, van rechtswege op 1 januari 2057.
Groningen, 16 juni 2026
Hoogachtend,
Gedeputeerde Staten van Groningen,
René Paas, voorzitter
Hans Schrikkema, secretaris
Toelichting gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe
De gemeenschappelijk regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe wordt getroffen ter uitvoering van de Economische Agenda. De Economische Agenda is een maatregel uit de kabinetsreactie ‘Nij Begun – op weg naar erkenning, herstel en perspectief’ waarmee het kabinet reageert op de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie.
De Economische Agenda is in juni 2025 vastgesteld door de regionale overheden en de Ministerraad. Gezamenlijk stelden zij vast hoe zij Groningen en Noord-Drenthe economisch perspectief willen geven nadat zestig jaar gaswinning veel leed veroorzaakte in het gebied. Het hoofddoel is om samen met de Sociale Agenda de brede welvaart in het gebied te bevorderen.
In de Economische Agenda is ook de uitvoeringsstructuur vastgelegd: een openbaar lichaam van de regionale overheden met een stichting waarin bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden samenwerken.
A. SAMENVATTING UITVOERINGSSTRUCTUUR
De colleges en dagelijks besturen van de regionale overheden richten een openbaar lichaam op door het treffen van de gemeenschappelijke regeling (GR). Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam richt de stichting op.
Het openbaar lichaam en de stichting moeten de doelen in de Economische Agenda concretiseren en realiseren. Dat moet – met de realisatie van de Sociale Agenda – leiden tot het verbeteren van de brede welvaart in de regio. Het betreft een publiek belang en het verdelen van publieke middelen. Democratische legitimatie is dan ook randvoorwaardelijk.
Het openbaar lichaam vormt de basis voor de constructie. Het algemeen bestuur stelt de kaders vast en verdeelt de middelen die haar ter beschikking zijn gesteld. Leden van het algemeen bestuur leggen verantwoording af aan het college of volksvertegenwoordiging van de betreffende deelnemer. Het dagelijks bestuur is in beginsel uitvoerend en legt verantwoording af aan het algemeen bestuur. Middelen worden gealloceerd op basis van meerjarige uitvoeringsplannen en jaarplannen. Er is sprake van accountantscontrole etc.
De stichting is nodig voor de inhoudelijke expertise om de doelen te realiseren. De stichting zorgt voor de bundeling van deskundigheid en draagvlak van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen. De stichting adviseert, bereidt voor en voert in opdracht of onder mandaat van het openbaar lichaam uit. De stichting maakt in ieder geval voorstellen voor het meerjarig uitvoeringsplan, het uitvoeringsprogramma regio en het jaarplan. Dit wordt vastgelegd in de statuten van de stichting.
Het openbaar lichaam kan de uitvoering van de Economische Agenda opdragen of mandateren aan de stichting of andere instanties. De uitvoering moet passen binnen de uitvoeringsprogramma’s, meerjarenplannen, jaarplannen en alle andere door het openbaar lichaam opgelegde voorwaarden. Dit wordt vastgelegd in de statuten van de stichting, in de opdrachtverlening of in de mandateringsregeling.
Een belangrijke rol is weggelegd voor de portefeuillehouders Economische zaken. Zij zijn bij de regionale overheden een belangrijk aanspreekpunt voor de volksvertegenwoordiging. De portefeuillehouders vormen een adviescommissie aan het algemeen bestuur en adviseren over het vaststellen van het meerjarig uitvoeringsplan, het jaarplan en het uitvoeringsprogramma regio. Dit ligt vast in de gemeenschappelijke regeling.
In deze constructie zijn openbaar lichaam, stichting en adviescommissie verbonden door hetzelfde doel: het uitvoeren van de Economische Agenda, het bieden van economische perspectief in de regio. De stichting moet daarvoor ruimte en vertrouwen krijgen en dat vertrouwen ook waarmaken. Het openbaar lichaam en de adviescommissie hebben geduld nodig, vertrouwen in de expertise van de stichting en moeten een mate van afstand betrachten.
Deelnemers zijn de colleges van de gemeenten in de provincie Groningen, de colleges van Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze, gedeputeerde staten van Groningen en de dagelijks besturen van de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa's.
De hoofdconclusie van de parlementaire enquêtecommissie in ‘Groningers boven gas’ is dat de belangen van Groningers structureel zijn genegeerd. Nederland heeft een ereschuld en het kabinet moet dat inlossen.1 In de kabinetsreactie ‘Nij begun – op weg naar erkenning, herstel en perspectief’ (Nij Begun) erkent het kabinet dat het een ereschuld moet inlossen en presenteert het 50 maatregelen die het kabinet daarom neemt.2
Maatregel 35 Nij Begun is gericht op het bieden van economisch perspectief voor Groningen en Noord-Drenthe en is een reactie op de aanbeveling van de enquêtecommissie om Groningen netjes achter te laten als de gaswinning in Groningen stopt.3 Daartoe komt er een Economische Agenda dat de doelen bevat die in dertig jaar gerealiseerd moeten zijn en stelt het kabinet éénmalig € 250 miljoen en vanaf 2026 gedurende dertig jaar € 100 miljoen per jaar beschikbaar.
De Economische Agenda schetst het inzetten van een instrumentenmix om de doelen te realiseren en bepaalt dat er thematische en generieke investeringen worden gedaan, op welke onderwerpen, onder welke voorwaarden en wanneer niet wordt geïnvesteerd.
|
|
|
|
|
Voorwaarden 5 Om de doelen te bereiken investeert de Economische Agenda:
|
|
3 De concretisering van de Economische Agenda
De Economische Agenda bevat op hoofdlijnen doelen die in 2055 gerealiseerd moeten zijn. Er is een concretisering nodig en een verdeling van taken en bevoegdheden.
De Economische Agenda is door de regionale overheden en de Ministerraad vastgesteld.
De Economische Agenda wordt elke vijf jaar geconcretiseerd in het meerjarig uitvoeringsplan. Het plan betreft de inhoudelijke concretisering van de Economische Agenda. De stichting doet in samenwerking met betrokken partijen een voorstel voor het plan. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam en het kabinet stellen dit plan vast.
De minister moet de zorgplicht brede welvaart formeel concretiseren in het uitvoeringsprogramma Rijk. Dit programma bevat de inhoudelijke concretisering, het hiervoor genoemde meerjarig uitvoeringsplan, aangevuld met randvoorwaarden en de verdeling van taken en bevoegdheden. Het uitvoeringsprogramma Rijk is de basis voor de SvGND en de verantwoording van het kabinet aan de Tweede Kamer.
De minister van BZK vraagt de regionale overheden ook om de inspanning die zij doen voor de uitvoering van de economische agenda vast te leggen. Zo ontstaat vooraf een verdeling van taken en bevoegdheden. Dit is het uitvoeringsprogramma regio dat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam wordt vastgesteld.
Uit het meerjarig uitvoeringsplan, in combinatie met de uitvoeringsprogramma’s, blijkt wie welke onderdelen uitvoert. Voor zover de stichting (onderdelen van) het meerjarig uitvoeringsplan moet uitvoeren, geeft het dagelijks bestuur de stichting daartoe een opdracht.
De stichting maakt een voorstel voor een jaarplan en legt dat voor aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur stelt het jaarplan vast. De stichting of een andere entiteit voert (onderdelen van) het jaarplan uit in opdracht of onder mandaat van het dagelijks bestuur.
De totstandkomingsgeschiedenis is weergegeven in bijlage 1, onderdeel A.
3.1 Meerjarig uitvoeringsplan en jaarplan
Zoals hiervoor uiteengezet wordt de Economische Agenda elke vijf jaar geconcretiseerd in het meerjarig uitvoeringsplan: de inhoudelijke concretisering van de Economische Agenda. De stichting doet in samenwerking met betrokken partijen een voorstel voor het plan. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam en het kabinet stellen dit plan vast.
Het meerjarig uitvoeringsplan dient als:
Het uitvoeringsprogramma Rijk is het meerjarig uitvoeringsplan aangevuld met een verdeling van taken en bevoegdheden en randvoorwaarden. Dat is de basis voor de monitor en op basis daarvan de verantwoording van het kabinet aan de Tweede Kamer.
Weergave cyclus Staat van Groningen en Noord-Drenthe
De stichting werkt het meerjarig uitvoeringsplan uit in voorstellen voor jaarplannen. Het algemeen bestuur stelt de jaarplannen vast.
4. De verhouding tussen het openbaar lichaam en de stichting
De Wgr maakt het mogelijk dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam een stichting opricht. Inhoudelijke voorwaarde is dat het ‘in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang’. Procedurele voorwaarden zijn dat in de GR de bevoegdheid moet zijn opgenomen en dat volksvertegenwoordigingen wensen en bedenkingen kunnen indienen over een ontwerpbesluit.6
De constructie van een openbaar lichaam met een daaraan gekoppelde stichting is geadviseerd door Berenschot.7 Dit advies is overgenomen in de Economische Agenda.
Om de Economische Agenda tot een succes te maken is expertise nodig op het gebied van economische ontwikkelingen. Het gaat echter om publiek belang en de verdeling van publieke middelen. Waar ligt het zwaartepunt en wie doet wat?
4.1 De stichting: zwaartepunt expertise
Niet alleen de expertise van de overheden is nodig, maar ook volwaardig en gelijkwaardig van bedrijfsleven en kennisinstellingen. Dat kan alleen door een private constructie te creëren, in dit geval een stichting. Daarmee is ook een mate van onafhankelijkheid gegeven. De expertise wordt vergaard en omgezet in voorstellen op afstand van de politiek-bestuurlijke besluitvorming. Het draait in de stichting om de expertise.
De stichting werkt echter niet solistisch, maar met alle partijen die van belang zijn. Dat zijn ook de regionale overheden, het openbaar lichaam en de betrokken ministeries.
De stichting werkt alleen ter uitvoering van de Economische Agenda en alleen in opdracht of mandaat van het openbaar lichaam.
Een overzicht van de taken van de stichting is weergegeven in bijlage 1, onderdeel B.
4.2 Het openbaar lichaam: zwaartepunt besluitvorming
De expertise van de stichting wordt ingezet om de Economische Agenda uit te voeren. De Economische Agenda is er voor het publiek belang waarvoor publieke middelen worden ingezet. Het kabinet heeft een ereschuld, moet daarom economisch perspectief bieden en de regionale overheden zijn bereid hierin verantwoordelijkheid te nemen. De regionale inzet betekent daarom ook verantwoording afleggen over de uitvoering van de Economische Agenda en de besteding van middelen.
Bij het openbaar lichaam draait het daarom om de besluitvorming. Het gaat om besluitvorming over de concretisering van de Economische Agenda en over de verdeling van middelen en over afwegingskaders daarvoor.
De stichting adviseert, bereidt voor en voert in opdracht of onder mandaat van het openbaar lichaam uit. Het openbaar lichaam besluit. Het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan worden voor advies voorgelegd aan de adviescommissie van portefeuillehouders. In een goed werkend systeem, zijn de portefeuillehouders al betrokken bij het voorstel van de stichting. De stichting moet namelijk met alle betrokken partijen samenwerken en daarmee afstemmen.
Een overzicht van de taken van het openbaar lichaam is weergegeven in bijlage 1, onderdeel C.
De verdeling van middelen vindt plaats op verschillende niveaus.
1) van Rijk naar één van de deelnemers (DU)
Het Rijk reserveert de middelen voor de uitvoering van de Economische Agenda op basis van het meerjarig uitvoeringsplan en maakt de middelen via één van de deelnemers naar het openbaar lichaam over op basis van het jaarplan.
2) van de deelnemer naar het openbaar lichaam
De deelnemer die de DU ontvangt, maakt de middelen over aan het openbaar lichaam op basis van het vastgestelde jaarplan.
Het openbaar lichaam heeft een deel van de middelen nodig voor de eigen organisatie en taken. Wanneer uit het jaarplan bijvoorbeeld volgt dat het openbaar lichaam een subsidieregeling moet vaststellen en uitvoeren, dan heeft het openbaar lichaam daarvoor de middelen nodig.
3) van het openbaar lichaam naar de stichting
Het openbaar lichaam geeft de stichting de opdracht om taken uit te voeren en stelt daarvoor middelen beschikbaar. De stichting moet in ieder geval elke vijf jaar een voorstel voor een meerjarig uitvoeringsplan maken en dat elk jaar uitwerken in een jaarplan. De stichting zal in opdracht van het openbaar lichaam de economische ontwikkeling volgen, monitoren en aanjagen. Hiervoor krijgt de stichting middelen.
Uit het jaarplan kan blijken dat een bepaalde taak door de stichting wordt uitgevoerd. Dan krijgt de stichting ook daarvoor de opdracht en de middelen.
4) naar een uitvoeringsinstantie
Het kan zijn dat een andere organisatie een maatregel het beste kan uitvoeren. Het openbaar lichaam stelt de middelen beschikbaar aan de uitvoeringsorganisatie. Het kan ook zijn dat wordt besloten dat één van de deelnemers of een ministerie dit het beste kan doen.
In het meerjarig uitvoeringsplan of in het jaarplan kunnen middelen op maatregelniveau worden verdeeld. Het openbaar lichaam besluit hierover.
De uitvoeringsorganisatie die daarvoor opdracht heeft gekregen, beslist in concrete gevallen. Dat vindt plaats op basis van mandaat door het openbaar lichaam.
4.4 Het oprichten van en deelnemen in andere private organisaties
Het kan wenselijk zijn om ter uitvoering van de Economische Agenda andere private organisaties op te richten of daarin deel te nemen. Bijvoorbeeld om financieel risico te spreiden. Of dit een goede oplossing is, vraagt expertise. Het voorstel daartoe kan de stichting doen. Het besluit daarover ligt bij het openbaar lichaam. Het is daarmee publiek en meer transparant wat er gebeurt en waarom.
Een openbaar lichaam met een daaraan gekoppelde stichting is misschien niet doorsnee, maar legitiem. De deelnemers nemen in de GR op dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam een stichting mag oprichten. Volksvertegenwoordigingen bepalen of zij het hiermee eens zijn. Dat maken zij kenbaar door zienswijzen in te dienen op de ontwerp-GR of toestemming te geven of te onthouden aan de definitieve GR. Daarnaast kunnen zij wensen en bedenkingen indienen tegen het ontwerpbesluit om een stichting op te richten.
Wanneer de constructie is gerealiseerd zijn er de gebruikelijke instrumenten voor informatie en verantwoording om invloed uit te oefenen.
Om de betrokkenheid van de volksvertegenwoordigingen te vergroten, staat er in de GR voor het meerjarig uitvoeringsplan een zienswijzeverplichting. De volksvertegenwoordigingen krijgen daarmee de gelegenheid om vóór de besluitvorming door het bestuur van het openbaar lichaam zienswijzen in te dienen. Het meerjarig uitvoeringsplan wordt eens in de vijf jaar vastgesteld. Deze actieve betrokkenheid van volksvertegenwoordigingen zou daarmee niet een belemmering hoeven te zijn in slagvaardigheid.
De Staat van Groningen en Noord-Drenthe monitort onder meer de effecten van de maatregelen uit het uitvoeringsprogramma Rijk. Op basis van de monitor vindt er overleg plaats tussen het kabinet en een vertegenwoordiging van de regionale overheden en verantwoordt het kabinet zich aan de Tweede Kamer. In dit geval nemen de regionale overheden echter taken en verantwoordelijkheid voor hun rekening. Alhoewel de Groningenwet (en maatregel 1 over de jaarlijkse monitor) dat niet beoogt, is het effect wel dat ook de deelnemers zich moeten verantwoorden en de verantwoording van het kabinet mogelijk beperkt is tot het beschikbaar stellen van middelen en systeemverantwoordelijkheid.
De praktijk moet uitwijzen hoe het gaat, maar een verantwoording aan volksvertegenwoordigingen in de cyclus SvGND lijkt wel voor de hand te liggen.
Betrokkenheid hoeft echter niet beperkt te blijven tot formele momenten. Actieve gesprekken, uitleg en informatie-uitwisseling tussen de deelnemers en de volksvertegenwoordigingen – bijvoorbeeld via het Regioberaad – bieden een grotere betrokkenheid. Dan gaat het veel meer om het doel van deze GR: samen Groningen en Noord-Drenthe economisch perspectief geven.
4.6 Staatssteun- en aanbestedingsrecht
Bij de verdeling van publieke middelen door de overheid spelen staatssteun- en aanbestedingsrecht een grote rol. De stichting is weliswaar een private organisatie, maar werkt alleen in opdracht van het openbaar lichaam en ter uitvoering van de Economische Agenda dat een publiek belang dient en waarvoor publieke middelen worden ingezet.
Er zal dus steeds beoordeeld moeten worden hoe een besluit zich verhoudt tot staatssteun- en aanbestedingsrecht. Dit is aan de orde bij het maken van het voorstel, het besluiten daarover en het uitvoeren daarvan. Het openbaar lichaam en de stichting moeten expertise op dit gebied hebben.
Het oprichten van een adviescommissie is een bevoegdheid die er op grond van de Wgr is en daarom niet opgenomen hoeft te worden in de GR.
In dit geval wordt voor de duidelijkheid in de GR opgenomen dat het algemeen bestuur in ieder geval een adviescommissie zal instellen bestaande uit portefeuillehouders Economie van de deelnemers. De portefeuillehouders adviseren over het economische beleid. Dat betreft in ieder geval het adviseren van het algemeen bestuur over
De stichting doet een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan, het jaarplan en uitvoeringsprogramma regio. De adviescommissie laat zich dus uit over deze voorstellen.
De adviescommissie dient het gemeenschappelijk belang, dat wil zeggen dat het advies betrekking heeft op het realiseren van de doelen van de Economische Agenda: door economische structuurversterking wordt de brede welvaart uiterlijk in 2055 naar ten minste het landelijk gemiddelde ontwikkeld.
Het algemeen bestuur motiveert het wanneer wordt afgeweken van het advies van de commissie.
Wanneer een lid van het algemeen bestuur óók economie in de portefeuille heeft, komt de bestuurder in een dubbelrol: adviseur (vanuit de commissie) en beslisser (vanuit het bestuur). Het betreffende college of dagelijks bestuur waar de bestuurder vandaan komt, moet dan een ander collegelid laten plaatsnemen in de adviescommissie.
5 Niet in de gemeenschappelijke regeling
Het uitgangspunt is dat de regeling zo eenvoudig mogelijk is. Een aantal zaken wordt daarom niet expliciet in de GR geregeld, waaronder
De Nationale ombudsman is bevoegd om klachten af te handelen tenzij een gemeente, provincie of waterschap zelf een ombudsman of ombudscommissie heeft benoemd.8 De gemeenschappelijke regeling kan in zo’n geval aangeven dat de ombudsman of ombudscommissie van een van de deelnemers bevoegd is klachten af te handelen.9
In dit geval wordt in de GR niets geregeld en is de Nationale ombudsman bevoegd om klachten af te handelen.
Artikel 23 in combinatie met artikel 74 Wgr bepaalt hoe geheimhouding kan worden opgelegd en op welke gronden. Omdat de Wgr dit al regelt, is er geen aanvullende bepaling in de GR opgenomen.
3) Mandaat aan stichting voor de Economische Agenda
Dit volgt uit artikel 33b Wgr in combinatie met de Awb.
In deze bepaling zijn de begripsomschrijvingen opgenomen die doorwerken in de gemeenschappelijke regeling.
Voor een aantal begrippen wordt verwezen naar de Wet Groningen zoals die komt te luiden indien het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen’ ongewijzigd in werking treedt.10 Op het moment dat de gemeenschappelijke regeling is opgesteld, is het wetsvoorstel ter behandeling aangeboden aan de Tweede Kamer.
Overeenkomstig de Economische Agenda wordt een openbaar lichaam ingesteld. Het openbaar lichaam heet Perspectief Groningen en Noord-Drenthe.
De gemeenschappelijke regeling moet de vestigingsplaats bepalen (artikel 10, derde lid in combinatie met artikel 74, eerste lid Wgr). De vestigingsplaats is Groningen.
De regeling moet het belang vermelden waarvan zij is getroffen (artikel 10, eerste lid in combinatie met artikel 74, eerste lid Wgr.).
Artikel 4 Taken en bevoegdheden
In deze bepaling is bepaald wat het openbaar lichaam tot taak heeft. Zie ook het algemene deel voor een beschrijving.
Het betreft geen wettelijke taken, maar taken die de deelnemers aan zich trekken. Zij willen gezamenlijk bijdragen aan het realiseren van de doelen uit de Economische Agenda.
Artikel 5 Algemeen bestuur - algemeen
De deelnemers hebben bij het vaststellen van de Economische Agenda besloten dat het algemeen bestuur wordt gevormd door de kroonbenoemden: de commissaris van de Koning, burgemeesters en dijkgraven.11 Het algemeen bestuur bestaat dus uit zestien leden.
In het reglement van orde bepaalt het algemeen bestuur hoe de vervanging plaatsvindt. Het is echter niet mogelijk dat de vervanger óók lid is van de adviescommissie die bestaat uit portefeuillehouders economie om te voorkomen dat de bestuurder over hetzelfde onderwerp zowel adviseert als besluit.
Artikel 6 Taken en bevoegdheden algemeen bestuur
De taken die in deze bepaling zijn opgenomen, zijn door de deelnemers aan zich getrokken. De deelnemers krijgen daarmee een actieve rol en verantwoordelijkheid in de uitvoering van de Economische Agenda, besluiten over de concretisering van de Economische Agenda, zetten de instrumenten in die de Economische Agenda benoemt en richten de stichting op.
De deelnemers hebben met het vaststellen van de Economische Agenda ook vastgesteld dat er een stichting wordt opgericht. Dat kan alleen wanneer de GR die mogelijkheid biedt (artikel 77a Wgr). Het oprichten van en deelnemen aan een stichting wordt dan ook als bevoegdheid van het algemeen bestuur opgenomen in de GR. In de GR worden de rechtsvormen die artikel 77a Wgr noemt, overgenomen.
De Economische Agenda wordt door verschillende partijen uitgevoerd en heeft raakvlakken met thema's waar andere partijen bij betrokken zijn. Het kan gaan om de deelnemers, het Rijk, de provincie Drenthe, maatschappelijke organisaties, bedrijven en anderen. Het gaat om een regionale economische ontwikkeling met een internationale positionering van de regio. Het openbaar lichaam moet dan ook samenwerken met deze partijen of de samenwerking met andere partijen bevorderen.
Artikel 7 Meerjarig uitvoeringsplan, uitvoeringsprogramma regio en jaarplan
Deze bepaling beschrijft wat het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan in ieder geval moet bevatten en wie welke verantwoordelijkheid draagt:
Het meerjarig uitvoeringsplan wordt ook vastgesteld door het kabinet. Daarom vindt overleg plaats met de Minister.
Zie verder de toelichting in het algemene deel.
Artikel 8 Vergaderingen van het algemeen bestuur
De deelnemers hebben bij het vaststellen van de Economische Agenda besloten dat elk lid van het algemeen bestuur één stem heeft, dat elke stem gelijk is, dat besluitvorming plaats vindt door meerderheidsbesluiten en dat het Rijk en de provincie Drenthe agendalid zijn.
“Agendalidmaatschap houdt in dat de vergaderstukken worden toegezonden en dat de leden worden uitgenodigd voor vergaderingen.”12
Dit is ook zo opgenomen in de GR. Het agendalidmaatschap is concreter ingevuld met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), vanuit de zorgplicht die in de Wet Groningen is vastgelegd en de commissaris van de Koning in Drenthe als kroonbenoemde van de provincie Drenthe. De agendaleden hebben geen stemrecht.
Daarnaast bepaalt de GR dat het algemeen bestuur minstens tweemaal per jaar vergadert en hoe het oproepen voor vergaderingen zal gaan.
Artikel 9 Inlichtingen- verantwoordingsplicht algemeen bestuur
Deze bepaling legt de inlichtingen- en verantwoordingsplicht van het algemeen bestuur en de afzonderlijke leden vast. De deelnemers worden in ieder geval actief geïnformeerd over het meerjarig uitvoeringsplan en de uitwerking daarvan in het jaarplan.
Het algemeen bestuur stelt de volksvertegenwoordigingen in ieder geval in de gelegenheid om zienswijzen in te dienen op het meerjarig uitvoeringsplan vóórdat de besluitvorming daarover plaatsvindt en de evaluatie.
Het algemeen bestuur bepaalt in afstemming met de stichting voor de Economische Agenda wanneer en hoe inwoners van de deelnemende gemeenten hun mening kunnen geven over het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan. Uit de Economische Agenda volgt dat de stichting ook een taak heeft in participatie.
Artikel 12 Dagelijks bestuur – algemeen
In artikel 12 is bepaald hoe het dagelijks bestuur is vormgegeven. Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn dat naast de voorzitter minimaal twee leden en maximaal zeven (artikel 14 in combinatie met artikel 74 Wgr).
Vervanging en roulatie wordt in het reglement van orde geregeld met dien verstande dat de plaatsvervanger niet ook lid mag zijn van de adviescommissie.
Artikel 13 Taken en bevoegdheden dagelijks bestuur
Het is niet verplicht om in de GR te bepalen welke cao geldt voor het personeel van het openbaar lichaam. In de GR is vastgelegd dat het dagelijks bestuur bevoegd is de rechtspositieregeling vast te stellen met dien verstande dat er niet verschillende CAO’s naast elkaar moeten bestaan.
Gelet op de samenwerking die ontstaat tussen gemeenten, provincie en waterschappen komen de volgende cao’s in beeld:
→ CAO Provincies (provinciale sector)
→ CAO Werken voor Waterschappen
→ CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties
Verschillende afwegingen zijn hierin mogelijk, bijvoorbeeld kijken naar de organisatie waar de meeste medewerkers vandaan komen of kijken naar de organisatie die de bedrijfsvoeringstaken uitvoert.
Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de bestuursleden van de stichting voor de Economische Agenda op voordracht van overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen. Het algemeen bestuur doet de voordracht van de overheden. Voor het bedrijfsleven en de kennisinstellingen wordt dat nader ingevuld. Gelet op de belangrijke adviserende rol van de stichting, wordt het dagelijks bestuur voorgesteld criteria als objectiviteit en onafhankelijkheid in de profielschetsen op te nemen.
Het dagelijks bestuur moet de meerjarige uitvoeringsplannen en de jaarplannen uitvoeren voor zover is vastgelegd dat dit tot de inspanningen van het openbaar lichaam behoort. Het dagelijks bestuur kan de uitvoering of onderdelen daarvan door derden laten uitvoeren, waaronder de stichting voor de Economische Agenda.
Zie verder de toelichting in het algemene deel.
Het aanleveren van gegevens ten behoeve van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe vloeit rechtstreeks uit de Wet Groningen voort. Voor zover het openbaar lichaam de Economische Agenda uitvoert, moet het ook gegevens aanleveren voor de monitoring.
Het openbaar lichaam krijgt niet de taak om de overleggen in de cyclus de SvGND te voeren. Deze taak blijft bij de colleges en de dagelijks besturen. Het reageren op de SvGND vraagt namelijk integraliteit en samenhang. De SvGND gaat niet alleen over de Economische Agenda, maar ook over schadeafhandeling, versterking, de Sociale Agenda en Isolatie-aanpak en een betere overheid. Het openbaar lichaam wordt daar wel bij betrokken, er zal om inbreng worden gevraagd. Het openbaar lichaam zorgt ervoor en ziet erop toe dat de stichting de gegevens (tijdig) aanlevert die nodig zijn.
De gezamenlijke reactie vanuit de regio ligt bij de colleges en de dagelijks besturen. Het overleg tussen een vertegenwoordiging van de regionale overheden en een vertegenwoordiging van het kabinet vindt plaats in het Bestuurlijk Overleg Groningen.13
Dit wil overigens niet zeggen dat het openbaar lichaam geen overleg voert met ministeries over de voortgang van de Economische Agenda. Dat zal zeker plaatsvinden. Echter niet de formele overleggen in de cyclus SvGND.
Artikel 14 Vergaderingen van het dagelijks bestuur
Naar analogie van de stemverhouding in het algemeen bestuur is ook voor het dagelijks bestuur vastgelegd dat elk lid één stem heeft en dat er sprake is van meerderheidsbesluitvorming.
De commissaris van de Koning in Groningen is de voorzitter.
Artikel 16 Stichting voor de Economische Agenda
Het algemeen bestuur moet in ieder geval de stichting voor de Economische Agenda oprichten. Dit is niet de naam van de stichting, maar verwijst naar de Economische Agenda waarin is vastgesteld dat er een stichting komt.
Zie verder de toelichting in het algemene deel.
Het algemeen en het dagelijks bestuur kunnen een adviescommissie instellen. Het algemeen bestuur stelt in ieder geval de adviescommissie in die bestaat uit portefeuillehouders economie en vertegenwoordigers van de waterschappen.
Zie verder de toelichting in het algemene deel.
Artikel 18 Secretaris -directeur
In hoofdstuk 7.1 van de Economische Agenda is onder meer vastgesteld dat het openbaar lichaam een secretaris-directeur heeft met een achtergrond bij de overheid.
‘‘Die is verantwoordelijk voor topambtelijke afstemming met de besturen en voor het goed laten functioneren van de governance’’.
In de GR is opgenomen dat het dagelijks bestuur de secretaris-directeur aanstelt, dat de secretaris-directeur de algehele leiding heeft en de dagelijks gang van zaken coördineert.
Artikel 19 Begroting en jaarrekening
Alhoewel strikt gezien niet nodig, is vastgelegd dat voor het vaststellen van de begroting en de jaarrekening de bepalingen gelden uit de Wgr.
Aanvullend is opgenomen dat de begroting moet worden voorzien van het jaarplan. Op die manier is geborgd dat volksvertegenwoordigingen kennis kunnen nemen van het jaarplan.
In deze bepaling is tot slot geregeld dat er een financiële verordening moet worden vastgesteld.
Het Rijk maakt middelen over aan één van de deelnemers, de kassier. De kassier moet middelen zonder inhoudelijke toets overmaken aan het openbaar lichaam. Partijen maken hier nadere afspraken over.
De middelen ter uitvoering van de Economische Agenda worden door het Rijk verstrekt. Op grond van artikel 14a Wet Groningen moeten de middelen worden begroot en geïndexeerd volgens de van toepassing zijnde systematiek. De middelen zijn inclusief uitvoeringskosten.
Er is daarmee geen sprake van een deelnemersbijdrage, behoudens van de deelnemer die de Rijksmiddelen ontvangt en moet overmaken aan het openbaar lichaam. In het geval het openbaar lichaam zelf verantwoordelijk is voor een exploitatietekort, bijvoorbeeld door financieel wanbeleid, vindt overleg plaats over het voorkomen of dragen van het tekort.
Deze bepaling regelt de toetreding door andere deelnemers. Omdat het een bijzondere samenwerking betreft met een bijzondere achtergrond is het niet goed denkbaar dat andere partijen dan die in de Wet Groningen genoemd (artikel 13o en artikel 13q) deelnemer zijn. Het gaat om de regionale deelnemers die de GR treffen en de Ministers die het aangaat. Zij hebben een taak als het gaat om brede welvaart in de zin van de Wet Groningen.
De uittredingsbepaling bevat de verplichting voor het algemeen bestuur om met de Minister van BZK te overleggen over het voornemen tot uittreding. Dit heeft te maken met de bijzondere samenwerking en de bijzondere achtergrond. Het Rijk stemt ermee in dat de regionale overheden de Economische Agenda gezamenlijk uitvoeren. Wanneer er niet langer sprake zou zijn van gezamenlijkheid omdat een deelnemer uittreedt, ontstaat een bijzondere situatie die om overleg over de gevolgen met de Minister van BZK vraagt.
Artikel 24 Wijziging of opheffing
Deze bepaling regelt de wijziging en opheffing van de regeling.
De deelnemers gaan zelf over de wijze waarop en hoe vaak de regeling geëvalueerd moet worden. De evaluatie gaat om het functioneren van de regeling.
In de GR is bepaald dat de regeling wordt geëvalueerd ten tijde van of direct na het vaststellen van het meerjarig uitvoeringsplan. De evaluatie kent daarmee een cyclus van vijf jaren, met dien verstande dat het eerste meerjarig uitvoeringsplan een kortere looptijd zal hebben, namelijk drie jaren. De eerste evaluatie is daarmee ook na drie jaren.
Raden, Provinciale Staten en algemeen besturen worden uitgenodigd om zienswijzen te geven op het functioneren van de regeling.
De bepaling regelt hoe er met een geschil wordt omgegaan als overleg niet tot een oplossing leidt.
Op de organen van het openbaar lichaam zijn de regels uit de Archiefwet van toepassing voor archiefbescheiden (artikel 40 Archiefwet). Het algemeen bestuur moet daarom een archiefverordening vaststellen en het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden.
Artikel 28 Onvoorziene gevallen
De bepaling regelt dat het algemeen bestuur beslist in onvoorziene gevallen.
Artikel 29 De duur van de regeling
In de GR is opgenomen dat de regeling voor bepaalde tijd wordt aangegaan tot 1 januari 2057. Deze termijn volgt uit de Wet Groningen dat vastlegt dat de brede welvaart uiterlijk in 2055 in de gemeenten op ten minste het landelijk niveau moet zijn. De Economische Agenda vormt samen met de Sociale Agenda de invulling daarvan.
Hieruit volgt dat 2055 het laatste jaar is waarin taken worden uitgevoerd. Vervolgens moet daarover nog worden gerapporteerd, uiterlijk in 2056. Daarom wordt 1 januari 2057 als eindmoment opgenomen.
Artikel 30 Bekendmaking en inwerkingtreding
Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor de bekendmaking van de regeling of de wijziging daarvan.
Bijlage 1 bij de toelichting gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe
A. UITLEG CONCRETISERING - TOTSTANDKOMINGSGESCHEDENIS
De Economische Agenda vloeit voort uit de ereschuld die het kabinet moet inlossen en valt onder de zorgplicht van de betrokken ministers. Het kabinet heeft in Nij Begun resultaten beloofd, zowel inhoudelijk als financieel.
Daarbij waren echter twee zaken ook duidelijk: 1) het kabinet gaat niet zelfstandig bepalen wat de ontwikkeling in de regio moet zijn en werkt daarom samen met de regionale overheden bij het bepalen van de inhoud van de Economische Agenda en 2) de Economische Agenda zelf zal nader uitgewerkt moeten worden.
“Het behalen van deze doelstellingen vraagt een gezamenlijke inzet van meerdere partijen. Zonder gemeenten en maatschappelijke partijen geen sociaal herstel, zonder bedrijven geen economische groei.” 14
De zorgplicht van de minister(s) wordt daarom uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma Rijk.15
De regionale overheden hebben in hun consultatiereactie op het wetsvoorstel naar voren gebracht dat in de wet een resultaatsverplichting voor het kabinet moet worden vastgesteld. Uit het consultatieverslag blijkt dat het kabinet geen resultaatsverplichting wil vastleggen, maar dat het kabinet in het vijfjaarlijkse uitvoeringsprogramma Rijk de zorgplichten zal concretiseren.
“Het voorstel voor het opnemen van juridische resultaatsverplichtingen is niet overgenomen, omdat het kabinet voor zijn eigen bijdrage verantwoordelijkheid neemt, maar geen verplichtingen kan aangaan voor de inzet van andere partijen (zoals decentrale overheden) die noodzakelijk zijn voor het realiseren van doelen op het gebied van brede welvaart en verduurzaming.
Dat neemt niet weg dat dit wetsvoorstel het kabinet wel verplicht om de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming in Groningen en Noord-Drenthe te concretiseren. Het wetsvoorstel verplicht de bewindspersoon om ten minste iedere vijf jaar in het uitvoeringsprogramma Rijk (voorheen: uitvoeringsplan) de tussentijdse doelen, streefwaarden, randvoorwaarden en de voorgenomen maatregelen voor brede welvaart en verduurzaming vast te leggen, en met de Staat van Groningen hierover jaarlijks verantwoording af te leggen aan het parlement. Naar aanleiding van de reacties uit de internetconsultatie is in het derde lid van het voorgestelde artikel 13s toegevoegd dat – indien de Staat van Groningen, danwel het gevoerde overleg met decentrale overheden, daartoe aanleiding geeft – het kabinet in de reactie op de Staat van Groningen moet aangeven welke maatregelen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna ‘de minister’) en de ministers die het aangaan nemen om de streefwaarden en doelen uit het uitvoeringsprogramma van het Rijk te bereiken”.
“De precisering van het begrip brede welvaart zal worden gegeven in het uitvoeringsprogramma Rijk.” 16
De regionale overheden hebben in hun consultatiereactie op het wetsvoorstel Groningenwet aangegeven dat de ontwikkeling van brede welvaart verschillen binnen en tussen gemeenten niet moet verdiepen en er niet toe moet leiden dat goede resultaten slechte resultaten maskeren. In het consultatieverslag is aangegeven dat het wetsvoorstel wordt aangepast zodat onderscheid mogelijk is.
“Deze reacties zijn verwerkt door in artikel 13q een derde lid in te voegen, waarin wordt voorgesteld dat in het uitvoeringsprogramma Rijk zo nodig onderscheid kan worden gemaakt in de streefwaarden, doelen en maatregelen ten aanzien van individuele gemeenten of delen daarvan als het gaat om brede welvaart en verduurzaming.“
Het uitvoeringsprogramma Rijk bevat dus een concretisering van de Economische Agenda, waarbij zo nodig onderscheid kan worden gemaakt naar (delen van een) gemeente en van de doelen uit de Economische Agenda. Wanneer daartoe aanleiding is neemt het kabinet maatregelen op in de kabinetsreactie op de SvGND om ervoor te zorgen dat het uitvoeringsprogramma Rijk uitgevoerd kan worden: maatregelen om de maatregelen te realiseren.
De regionale overheden wezen er in hun consultatiereactie ook op dat het wetsvoorstel lijkt te worstelen met de verantwoordelijkheid van de bevoegde minister, andere ministers en derden. In het consultatieverslag wordt hierop ingegaan. De regionale overheden moeten op verzoek van de minister van BZK vastleggen welke inspanningen zij verrichten.
“Om die reden is verduidelijkt dat de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming weliswaar op de bevoegde minister rusten, maar dat de taken die uit deze zorgplichten voortvloeien in samenwerking met derden worden uitgevoerd. Om meer duidelijkheid te creëren over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de verschillende overheden, is in de memorie van toelichting toegevoegd dat de minister de decentrale overheden zal verzoeken om de inspanningen die zij doen in verband met de uitvoering van de sociale en economische agenda’s (en daarmee de brede welvaartsontwikkeling) en de verduurzamingsaanpak ook vast te leggen.”
De Economische Agenda wordt dus gepreciseerd in het uitvoeringsprogramma Rijk, maar vraagt vervolgens nog duidelijkheid over wie welke inspanningen verricht. Of anders gezegd: welke partij waarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Het wetsvoorstel gaat uit van een ‘verdeling van taken en verantwoordelijkheden’ waarbij de regio zelf vastlegt welke inspanningen het zal verrichten. Het document waarin de regionale overheden hun inspanningen vastleggen wordt uitvoeringsprogramma regio genoemd.
Voor de tekst van het wetsvoorstel, zie bijlage 1.
Uit de Economische Agenda volgt hoe Rijk, regionale overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen tot de uitvoeringsprogramma’s komen, namelijk door samen eerst een meerjarig uitvoeringsplan op te stellen.17
“De hier genoemde thema’s werken we in 2025 met ondernemers, kennisinstellingen en overheden uit in een eerste uitvoeringsplan.”
“Het uitvoeringsplan wordt in de toekomst herijkt onder leiding van de stichting in de uitvoeringsstructuur. Het openbaar lichaam neemt vervolgens besluiten over deze meerjarenprogramma's.” 18
ONDERDEEL B – TAKEN VAN DE STICHTING VOOR DE ECONOMISCHE AGENDA
De stichting maakt een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan en legt dit ter besluitvorming voor aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam. Het meerjarig uitvoeringsplan moet ook een voorstel voor de benodigde financiering bevatten.
Om een voorstel voor het uitvoeringsplan te maken, moet de stichting
Het algemeen bestuur en het kabinet stellen het meerjarig uitvoeringsplan vast. Het algemeen bestuur vraagt eerst advies van de adviescommissie van portefeuillehouders economie.
De stichting voert (onderdelen van) het meerjarig uitvoeringsplan uit voor zover het daartoe de opdracht krijgt. Het dagelijks bestuur kan de stichting de opdracht geven om het meerjarig uitvoeringsplan of onderdelen daarvan uit te voeren (na vaststelling en verdeling van taken en verantwoordelijkheden).
Dat betekent in ieder geval dat de stichting het meerjarig uitvoeringsplan verder concretiseert naar jaarplannen. De jaarplannen worden vastgesteld door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam.
De stichting jaagt de ontwikkeling aan: coalities smeden, financieringsknelpunten inventariseren en voorstellen doen om die op te lossen, kennis ontwikkelen en benutten.
De stichting doet voorstellen voor de instrumenten(mix): welke (mix) van financieringsinstrumenten het best ingezet kan worden, welke voorwaarden daarbij gesteld moeten worden, voorstellen voor subsidieregelingen of fondsen, enz. Indien de stichting dat gewenst vindt, kan de stichting voorstellen doen voor het oprichten van of deelnemen in een private organisatie. Het openbaar lichaam besluit daarover.
De stichting kan, als daarvoor mandaat is verleend door het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, besluiten tot subsidieverstrekking, beheer en besteding van middelen die aan de stichting beschikbaar zijn gesteld of derden de opdracht hiertoe geven.
De stichting kan, als daarvoor de opdracht wordt gegeven, aanvullende middelen verkrijgen, zoals verkrijgen van privaat kapitaal, Europese fondsen, enz.
De stichting moet zich verantwoorden over de uitvoering van de jaarplannen en het meerjarig uitvoeringsplan. Het jaarverslag bevat financiële en beleidsmatige verantwoording, verantwoording over de bedrijfsvoering en over doelmatigheid en rechtmatigheid. De stichting levert gegevens ten behoeve van de (cyclus in het kader van de) Staat van Groningen en Noord-Drenthe.
De stichting adviseert het algemeen bestuur van het openbaar lichaam gevraagd en ongevraagd.
De stichting is werkgever voor het eigen personeel.
ONDERDEEL C – TAKEN VOOR HET OPENBAAR LICHAAM
Het openbaar lichaam krijgt algemene (of standaard)bevoegdheden. Het bestuur van het openbaar lichaam krijgt een aantal standaardbevoegdheden die volgen uit de Wgr. Zo is het dagelijks bestuur op grond van de Wgr bevoegd om regels te stellen voor de ambtelijke organisatie en is het algemeen bestuur bevoegd om de begroting van het openbaar lichaam vast te stellen.
Overeenkomstig hoofdstuk 7.1 van de Economische Agenda krijgt het openbaar lichaam de bevoegdheid om een stichting op te richten. Raden, provinciale staten en algemeen besturen krijgen het ontwerpbesluit en kunnen daarop wensen en bedenkingen indienen.19
Een belangrijke taak voor het openbaar lichaam is het vaststellen van meerjarig uitvoeringsplan en het uitvoeringsprogramma regio. De stichting maakt een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan en adviseert daarbij ook wat voor partij geschikt is om een maatregel of een onderdeel daarvan (bijvoorbeeld een subsidieregeling) uit te voeren of aan welke criteria een partij moet voldoen.
Het openbaar lichaam is opdrachtgever van de stichting of verleent de stichting mandaat.20 Het meerjarig uitvoeringsplan is – na vaststelling daarvoor door het algemeen bestuur – de opdracht aan de stichting voor zover de stichting belast wordt met de uitvoering. De stichting voert het meerjarig uitvoeringsplan niet per definitie als geheel uit. Het kan namelijk ook zijn dat het openbaar lichaam zelf een taak uitvoert, zoals het opstellen en vaststellen van een subsidieregeling. De opdracht of het mandaat zien dus op de onderdelen waar de stichting ‘iets mee moet’. Mandaat kan, ook in een concreet geval, ingetrokken worden of samengaan met instructies waar de stichting zich aan moet houden. Het bestuur van het openbaar lichaam blijft daarmee verantwoordelijk voor de genomen beslissingen.
De stichting mag alleen binnen de vastgestelde kaders middelen toewijzen en moet daarover verantwoording afleggen aan het openbaar lichaam.
Het openbaar lichaam voert zelf taken uit ter uitvoering van de Economische Agenda. Het gaat in ieder geval om het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften. Bijvoorbeeld het vaststellen van een subsidieregeling. Deze bevoegdheid kan niet worden overgedragen aan de stichting. Het kan ook zijn dat het openbaar lichaam andere taken uitvoert, bijvoorbeeld het uitvoeren van een subsidieregeling (aanvragen beoordelen en subsidies verlenen) of het adviseren over staatssteun.
Het openbaar lichaam kan adviescommissies instellen. Er komt in ieder geval een adviescommissie bestaande uit portefeuillehouders Economie van de deelnemers.
Het rapport is op 24 februari 2023 gepubliceerd. Voor het rapport zie Rapport parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen | Tweede Kamer der Staten-Generaal.
Kamerbrief van 25 april 2023, Kamerbrief over Nij begun: op weg naar erkenning, herstel en perspectief | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.
Het Bestuurlijk Overleg Groningen is een regulier overleg tussen een vertegenwoordiging van de regionale overheden (de bestuurlijk trekkers) en een vertegenwoordiging van het kabinet. Wanneer het overleg plaatsvindt in het kader van de SvGND wordt de regionale vertegenwoordiging versterkt met een vertegenwoordiger van de dagelijks besturen van de waterschappen.
Zie de Toelichting op de consultatieversie van de Groningenwet, vindbaar op Overheid.nl | Consultatie Wet uitvoering maatregelen parlementaire enquête aardgaswinning Groningen.
Zie voor het consultatieverslag Overheid.nl | Consultatie Wet uitvoering maatregelen parlementaire enquête aardgaswinning Groningen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2026-10861.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.