Gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe

Het college van gedeputeerde staten van Groningen, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Groningen, Eemsdelta, Het Hogeland, Oldambt, Midden-Groningen, Westerkwartier, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerwolde, Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld, de dagelijks besturen van de waterschappen Hunze en Aa’s en Noorderzijlvest;

 

Gelet op:

  • -

    de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • -

    de Waterschapswet;

  • -

    de Provinciewet;

  • -

    de Gemeentewet;

  • -

    de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    de Archiefwet;

  • -

    de toestemming van provinciale staten van Groningen;

  • -

    de toestemming van de gemeenteraden van de hiervoor genoemde deelnemende gemeenten;

  • -

    de toestemming van de algemeen besturen van de hiervoor genoemde deelnemende waterschappen;

Overwegende dat:

  • -

    het kabinet in ‘Nij begun – op weg naar erkenning, herstel en perspectief’ (Nij Begun) reageert op de bevindingen van de parlementaire enquêtecommissie in het rapport ‘Groningers boven gas’;

  • -

    de hoofdconclusies van de parlementaire enquêtecommissie zijn dat de belangen van Groningers structureel zijn genegeerd, Nederland een ereschuld heeft en het kabinet dat moet inlossen;

  • -

    het doel van Nij Begun onder meer is om de brede welvaart in het gebied van de deelnemende gemeenten binnen één generatie (dertig jaar) op tenminste het landelijk gemiddelde te brengen;

  • -

    de Economische Agenda (maatregel 35 Nij Begun) daaraan bijdraagt en het beleidsmatige kader is voor het realiseren van maatregelen en doelstellingen, waaronder de verdeling van financiële middelen die door het kabinet beschikbaar worden gesteld;

  • -

    het kabinet in Nij Begun toezegt een generatielang (dertig jaar), jaarlijks middelen beschikbaar te stellen voor de Economische Agenda en deze middelen ook dienen om de uitvoeringskosten te dekken;

  • -

    de middelen worden geïndexeerd overeenkomstig artikel 14a Wet Groningen;

  • -

    de deelnemers de Economische Agenda op 10 juni 2025 hebben vastgesteld;

  • -

    de Ministerraad de Economische Agenda op 13 juni 2025 heeft vastgesteld;

  • -

    de Economische Agenda ook de richting voor de uitvoeringsstructuur bevat, namelijk een openbaar lichaam met een daaraan gekoppelde stichting;

  • -

    het kabinet en de deelnemers overleg hebben gevoerd en blijven voeren over de aspecten die van belang zijn voor Groningen en Noord-Drenthe om de brede welvaart te vergroten en de concretisering van de Economische Agenda in tussendoelen, streefwaarden, randvoorwaarden en de verdeling van taken en verantwoordelijkheden (uitvoeringsprogramma Rijk);

  • -

    de deelnemers op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties beschrijven welke inspanningen zij verrichten om de doelen uit de Economische Agenda te realiseren (uitvoeringsprogramma regio);

  • -

    de deelnemers gezamenlijk taken willen uitvoeren en bevoegdheden willen overdragen om de doelen in de Economische Agenda te realiseren;

  • -

    de deelnemers daarom een openbaar lichaam oprichten;

besluiten de gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe te treffen waarbij de bepalingen als volgt luiden:

 

HOOFDSTUK 1 – ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het bestuur zoals bedoeld in artikel 5;

  • b.

    dagelijks bestuur: het bestuur zoals bedoeld in artikel 12;

  • c.

    deelnemers: college van gedeputeerde staten van Groningen, de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Groningen, Eemsdelta, Het Hogeland, Oldambt, Midden-Groningen, Westerkwartier, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerwolde, Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld, de dagelijks besturen van de waterschappen Hunze en Aa’s en Noorderzijlvest;

  • d.

    Economische Agenda: de Economische Agenda zoals bedoeld in ‘Nij Begun – op weg naar erkenning, herstel en perspectief’ die de deelnemers op 10 juni 2025 hebben vastgesteld;

  • e.

    jaarplan: de jaarlijkse uitwerking van het meerjarig uitvoeringsplan;

  • f.

    meerjarig uitvoeringsplan: het plan dat tenminste elke vijf jaar wordt vastgesteld en de concretisering van de Economische Agenda bevat;

  • g.

    kassier: de deelnemer die Rijksmiddelen van het desbetreffende ministerie ontvangt voor de uitvoering van de Economische Agenda en deze middelen moet overmaken aan het openbaar lichaam;

  • h.

    Minister: de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

  • i.

    Nij Begun: de kabinetsreactie van 25 april 2023 op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie Aardgaswinning Groningen ‘Groningers boven gas’ (brief aan de Tweede Kamer, Kamerstukken II 2022/23, 35561, nr. 17);

  • j.

    stichting voor de Economische Agenda: de stichting zoals bedoeld in artikel 16;

  • k.

    uitvoeringsprogramma Rijk: het programma zoals bedoeld in artikel 13q Wet Groningen;

  • l.

    uitvoeringsprogramma regio: het document waarin de deelnemers bepalen welke inspanningen zij verrichten om de tussentijdse doelen, streefwaarden en voorgenomen maatregelen zoals opgenomen in het meerjarig uitvoeringsplan te realiseren;

  • m.

    volksvertegenwoordigingen: provinciale staten van Groningen, gemeenteraden van de gemeenten Groningen, Eemsdelta, Het Hogeland, Oldambt, Midden-Groningen, Westerkwartier, Pekela, Stadskanaal, Veendam, Westerwolde, Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld, de algemeen besturen van de waterschappen Hunze en Aa’s en Noorderzijlvest.

Artikel 2 Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, genaamd Perspectief Groningen en Noord-Drenthe.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gevestigd te Groningen.

HOOFDSTUK 2 – BELANG, TAKEN EN BEVOEGDHEDEN

Artikel 3 Belang

  • 1.

    De gemeenschappelijke regeling wordt getroffen om de provincie Groningen en Noord-Drenthe perspectief te bieden door samen met andere betrokken partijen in ieder geval welvaartsverbetering te realiseren op economische gebied zodat het niveau van de brede welvaart in het gebied uiterlijk in 2055 op ten minste het landelijk niveau is gebracht.

  • 2.

    De Economische Agenda bevat de hoofddoelen die bereikt moeten worden, namelijk:

    • a.

      toekomstbestendige economie in een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving;

    • b.

      verdienvermogen regio en ondernemerschap;

    • c.

      talent ontwikkelen, benutten en behouden;

    • d.

      kennis uit de regio verzilveren;

    • e.

      regionaal zelfbewustzijn en imago;

  • 3.

    De Economische Agenda vormt samen met het meerjarig uitvoeringsplan, het uitvoeringsprogramma Rijk en het uitvoeringsprogramma regio het kader voor het openbaar lichaam.

Artikel 4 Taken en bevoegdheden

Het openbaar lichaam:

  • a.

    concretiseert de Economische Agenda periodiek in meerjarige uitvoeringsplannen en jaarplannen;

  • b.

    is verantwoordelijk voor het vaststellen en uitvoeren van de meerjarige uitvoeringsplannen en de jaarplannen overeenkomstig de taakverdeling in het uitvoeringsprogramma regio;

  • c.

    richt een stichting voor de Economische Agenda op en belast die stichting met het maken van voorstellen voor de meerjarige uitvoeringsplannen, de jaarplannen en – voor zover het openbaar lichaam daartoe de opdracht geeft of het mandaat verleent – de uitvoering daarvan.

HOOFDSTUK 3 – BESTUUR

Paragraaf 1 Algemeen bestuur

Artikel 5 Algemeen

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit zestien leden, namelijk de commissaris van de Koning in de provincie Groningen, de burgemeesters van de deelnemende gemeenten en de dijkgraven van de deelnemende waterschappen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur legt in het reglement van orde vast hoe de vervanging plaatsvindt bij verhindering of ontstentenis van een lid van het algemeen bestuur met dien verstande dat de vervanger geen lid mag zijn van de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid.

Artikel 6 Taken en bevoegdheden algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur is ter uitvoering van Economische Agenda en de concretisering daarvan in meerjarige uitvoeringsplannen en jaarplannen bevoegd tot:

    • a.

      het doen van generieke en thematische investeringen of het inzetten van andere instrumenten zoals bedoeld in de Economische Agenda;

    • b.

      het vaststellen van subsidieregelingen;

    • c.

      het oprichten van en deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur heeft tot taak:

    • a.

      het vaststellen van het uitvoeringsprogramma regio, meerjarige uitvoeringsplannen en jaarplannen;

    • b.

      samenwerken en bevorderen van samenwerking met andere partijen ten behoeve van de uitvoering van het meerjarig uitvoeringsplan en het realiseren van de doelen van de Economische Agenda.

Artikel 7 Meerjarig uitvoeringsplan, uitvoeringsprogramma regio en jaarplan

  • 1.

    Het meerjarig uitvoeringsplan bevat in ieder geval:

    • a.

      de relevante aspecten van brede welvaart;

    • b.

      de uitwerking van tussentijdse doelen;

    • c.

      streefwaarden en voorgenomen maatregelen.

  • 2.

    Het jaarplan bevat in ieder geval voor het eerstvolgende jaar:

    • a.

      concrete doelen, resultaten en activiteiten;

    • b.

      verdeling van verantwoordelijkheden en taken;

    • c.

      de begroting, waaronder middelen die nodig zijn voor de bedrijfsvoering van de stichting.

  • 3.

    De stichting voor de Economische Agenda doet een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan, het uitvoeringsprogramma regio en het jaarplan en biedt het ter besluitvorming aan.

  • 4.

    Het vaststellen van het uitvoeringsprogramma regio en het meerjarig uitvoeringsplan vindt plaats in overleg met de Minister.

  • 5.

    Het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan wordt niet eerder vastgesteld dan nadat de commissie zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid in de gelegenheid is gesteld om te adviseren. Het algemeen bestuur motiveert het wanneer wordt afgeweken van het advies van de commissie.

Artikel 8 Vergaderingen van het algemeen bestuur1

  • 1.

    Het algemeen bestuur vergadert ten minste tweemaal per jaar en zoveel vaker als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig vindt of tenminste een vijfde van het aantal leden dit onder opgaaf van redenen schriftelijk aan de voorzitter verzoekt.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan alleen vergaderen en besluiten nemen indien tenminste twee derde van het aantal leden aanwezig is.

  • 3.

    Elk lid heeft één stem. Een besluit is genomen bij meerderheid van stemmen van het aantal aanwezige leden.

  • 4.

    De Minister en de commissaris van de Koning in Drenthe zijn agendalid. Dit betekent dat zij de agendastukken ontvangen en worden uitgenodigd voor de vergaderingen van het algemeen bestuur. Zij hebben geen stemrecht.

Artikel 9 Inlichtingen- en verantwoordingsplicht algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur geeft aan volksvertegenwoordigingen of deelnemers de door dat bestuursorgaan gevraagde of ongevraagde inlichtingen over het door het bestuur gevoerde beleid, op de wijze die door dat bestuursorgaan is bepaald.

  • 2.

    De deelnemers worden in ieder geval actief geïnformeerd over het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur geeft aan de deelnemer waaruit het afkomstig is of de betreffende volksvertegenwoordiging gevraagde of ongevraagde inlichtingen over het door dit lid gevoerde beleid, op de wijze die door dat bestuursorgaan is bepaald.

  • 4.

    Een lid van het algemeen bestuur kan door de deelnemer waaruit het afkomstig is of de desbetreffende volksvertegenwoordiging ter verantwoording worden geroepen voor het door dit lid gevoerde beleid, op de wijze die door dat bestuursorgaan is bepaald.

Artikel 10 Zienswijzen

  • 1.

    Aanvullend op wat de Wet gemeenschappelijke regelingen verplicht, stelt het algemeen bestuur de volksvertegenwoordigingen in ieder geval in de gelegenheid om vooraf zienswijzen in te dienen op het meerjarig uitvoeringsplan en de evaluatie zoals bedoeld in artikel 25.

  • 2.

    De termijn voor het indienen van zienswijzen is twaalf weken na toezending van het ontwerpbesluit.

Artikel 11 Participatie

Het algemeen bestuur bepaalt in afstemming met de stichting voor de Economische Agenda wanneer en op welke wijze inwoners van de deelnemende gemeenten of belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld hun mening te geven over het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan.

 

Paragraaf 2 Dagelijks bestuur

Artikel 12 Algemeen

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en daarnaast uit:

    één lid afkomstig uit de gemeenten Het Hogeland, Oldambt, Eemsdelta;

    één lid afkomstig uit de gemeenten Westerkwartier en Midden-Groningen;

    één lid afkomstig uit de gemeente Groningen;

    één lid afkomstig uit de gemeenten Westerwolde, Pekela, Veendam en Stadskanaal;

    één lid afkomstig uit de gemeenten Aa en Hunze, Tynaarlo en Noordenveld;

    één lid afkomstig uit de waterschappen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur legt in het reglement van orde vast hoe de vervanging en roulatie van de leden van het dagelijks bestuur plaatsvindt met dien verstande dat de vervanger geen lid mag zijn van de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid.

Artikel 13 Taken en bevoegdheden dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stelt regels vast voor de ambtelijke organisatie van het openbaar lichaam met dien verstande dat op de ambtelijke organisatie dezelfde arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de bestuursleden van de stichting voor de Economische Agenda op voordracht van overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen. Het dagelijks bestuur bepaalt nader hoe de voordracht plaatsvindt.

  • 3.

    Op basis van advies van de stichting voor de Economische Agenda legt het dagelijks bestuur voorstellen van de stichting voor het uitvoeringsprogramma regio, de meerjarige uitvoeringsplannen en de jaarplannen ter advisering voor aan de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 17, tweede lid en – na ontvangst van het advies – ter besluitvorming aan het algemeen bestuur.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur zendt het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan naar de Minister.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur voert de meerjarige uitvoeringsplannen en de jaarplannen met inachtneming van het uitvoeringsprogramma regio uit.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur kan derden, waaronder de stichting voor de Economische Agenda, de opdracht geven of het mandaat verlenen om de taak zoals bedoeld in het vijfde lid uit te voeren.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur levert gegevens aan de deelnemers ten behoeve van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe.

Artikel 14 Vergaderingen van het dagelijks bestuur

  • 1.

    De vergaderingen van het dagelijks bestuur worden met gesloten deuren gehouden, tenzij in het reglement van orde anders is bepaald of het dagelijks bestuur anders bepaalt.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan alleen vergaderen en besluiten nemen indien ten minste twee derde van het aantal leden aanwezig is.

  • 3.

    Elk lid heeft één stem. Een besluit is genomen bij meerderheid van stemmen van het aantal aanwezige leden. Bij het staken van de stemmen wordt opnieuw gestemd. Staken de stemmen opnieuw over hetzelfde voorstel dan beslist de stem van de voorzitter.

 

Paragraaf 3 De voorzitter

Artikel 15 De voorzitter

  • 1.

    De commissaris van de Koning in de provincie Groningen is voorzitter.

  • 2.

    Uit en door het algemeen bestuur wordt de plaatsvervangend voorzitter aangewezen.

  • 3.

    De voorzitter ondertekent met de secretaris-directeur zoals bedoeld in artikel 18 stukken die van het algemeen bestuur of van het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 4.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte.

  • 5.

    De voorzitter kan de vertegenwoordiging bedoeld in het vijfde lid aan een door hem aan te wijzen persoon opdragen.

 

Paragraaf 4 Stichting voor de Economische Agenda en adviescommissies

Artikel 16 Stichting voor de Economische Agenda

Het algemeen bestuur richt in ieder geval een stichting op met als doel:

  • a.

    het algemeen bestuur te adviseren over het realiseren van de doelen uit de Economische Agenda;

  • b.

    het maken van voorstellen voor meerjarige uitvoeringsplannen en jaarplannen;

  • c.

    het maken van voorstellen voor het uitvoeringsprogramma regio;

  • d.

    de uitvoering van taken voor zover het algemeen bestuur haar daartoe de opdracht geeft of mandaat verleent.

Artikel 17 Adviescommissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kunnen adviescommissies instellen die hun adviseren bij de uitvoering van hun taak in de breedste zin van het woord.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt in ieder geval een adviescommissie in bestaande uit portefeuillehouders economie van de colleges en vertegenwoordigers van de dagelijks besturen van de deelnemers.

  • 3.

    Wanneer een lid van het algemeen bestuur óók economie in de portefeuille heeft, neemt een ander collegelid plaats in de adviescommissie. Een dijkgraaf van het waterschap kan geen lid zijn van de adviescommissie.

  • 4.

    De adviescommissie bedoeld in tweede lid adviseert over voorstellen van de stichting voor de Economische Agenda over het meerjarig uitvoeringsplan, het jaarplan en het uitvoeringsprogramma regio.

HOOFDSTUK 4 ORGANISATIE

Artikel 18 Secretaris-directeur

  • 1.

    Het openbaar lichaam heeft een secretaris-directeur.

  • 2.

    De secretaris-directeur heeft de algehele leiding over de ambtelijke organisatie en coördineert de dagelijkse gang van zaken.

  • 3.

    De secretaris-directeur is ambtelijk secretaris van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

HOOFDSTUK 5 FINANCIELE BEPALINGEN

Artikel 19 Begroting en jaarrekening

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt jaarlijks de begroting en de jaarrekening vast volgens de bepalingen van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2.

    De bepalingen van artikel 81, eerste, derde en vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn niet van toepassing op wijzigingen van de begroting, indien deze wijzigingen niet leiden tot een verhoging van de verschuldigde deelnemersbijdrage.

  • 3.

    De ramingen van de begroting worden voorzien van het jaarplan.

  • 4.

    Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten vast voor het financieel beleid en voor het financiële beheer en voor de inrichting van de organisatie. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

Artikel 20 De kassier

  • 1.

    Eén van de deelnemers is kassier.

  • 2.

    De kassier ontvangt middelen van het desbetreffende ministerie ten behoeve van de Economische Agenda en maakt deze middelen zonder inhoudelijke toets over aan het openbaar lichaam.

  • 3.

    De deelnemers maken hier nadere afspraken over.

Artikel 21 Deelnemersbijdrage

  • 1.

    Behoudens het bepaalde in artikel 20 is de kassier geen bijdrage verschuldigd aan het openbaar lichaam.

  • 2.

    De deelnemers die geen kassier zijn, zijn geen bijdrage verschuldigd aan het openbaar lichaam.

  • 3.

    De uitvoering van de Economische Agenda dient plaats te vinden binnen de beschikbare Rijksmiddelen. Bij een dreigend exploitatietekort overlegt het algemeen bestuur met de Minister en de deelnemers over de wijze waarop het tekort wordt voorkomen of wordt gedragen.

HOOFDSTUK 6 TOETREDING, UITTREDING, WIJZIGING EN OPHEFFING

Artikel 22 Toetreding

  • 1.

    Toetreding tot de regeling is alleen mogelijk voor de overheidsorganen die zijn genoemd in artikel 13o en 13q, eerste lid van de Wet Groningen.

  • 2.

    Het overheidsorgaan dat wil toetreden tot de regeling, maakt dit schriftelijk kenbaar bij het algemeen bestuur.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan een verzoek tot toetreding doen aan de deelnemers.

  • 4.

    Het algemeen bestuur kan aan de toetreding nadere voorwaarden verbinden.

Artikel 23 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer die wil uittreden uit de regeling maakt het voornemen daartoe kenbaar aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur voert overleg met de Minister over het voornemen tot uittreding en de financiële en overige gevolgen daarvan.

  • 3.

    Het algemeen bestuur bepaalt de financiële en overige gevolgen van de uittreding.

  • 4.

    De deelnemer kan vervolgens besluiten tot uittreding.

  • 5.

    De uittreding gaat in op 1 januari van het eerste jaar na het jaar van opzegging.

  • 6.

    De uittredende deelnemer heeft bij en na uittreding geen recht op afkoop, uitbetaling of uitkoop van enige activa, eigen vermogen en stille reserves.

  • 7.

    Wanneer feiten en omstandigheden het vereisen, kan het algemeen bestuur afwijken van de bepalingen in dit artikel.

Artikel 24 Wijziging of opheffing

  • 1.

    Een voorstel tot wijziging van deze regeling kan worden gedaan door het algemeen bestuur of door één of meer deelnemers.

  • 2.

    De regeling wordt gewijzigd of opgeheven indien de deelnemers daartoe eensluidend besluiten.

  • 3.

    Ingeval van opheffing van deze regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regelen.

  • 4.

    Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur vastgesteld nadat volksvertegenwoordigingen hun zienswijze hebben kunnen inbrengen.

  • 5.

    Het liquidatieplan maakt de gevolgen inzichtelijk, inclusief de gevolgen voor het personeel.

  • 6.

    Het liquidatieplan geeft regels voor de wijze waarop de deelnemers, voor zover het saldo ontoereikend is, zorg dragen voor de nakoming van aangegane verplichtingen.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 8.

    De regeling blijft ook na zijn ontbinding voortbestaan voor zover dit tot vereffening van zijn vermogen nodig is.

  • 9.

    Na opheffing worden de archiefbescheiden overgebracht naar de archiefbewaarplaats van de provincie Groningen.

HOOFDSTUK 7 OVERIGE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 25 Evaluatie

  • 1.

    De regeling wordt geëvalueerd ten tijde van of direct na het vaststellen van elk meerjarig uitvoeringsplan.

  • 2.

    Voorafgaand aan de evaluatie worden de volksvertegenwoordigingen uitgenodigd een zienswijze te geven op het functioneren van de regeling.

  • 3.

    De termijn voor geven van zienswijzen is twaalf weken na het verzenden van de uitnodiging.

Artikel 26 Geschillen

  • 1.

    Indien er verschil van inzicht is over de toepassing van deze regeling en overleg geen oplossing heeft geboden, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een door de deelnemers in te stellen geschillencommissie of aan te wijzen mediator.

  • 2.

    De geschillencommissie bestaat uit vertegenwoordigers die worden aangewezen door de partijen die bij het geschil zijn betrokken. De vertegenwoordigers wijzen een onafhankelijk voorzitter aan.

  • 3.

    De geschillencommissie of mediator hoort de partijen die bij het geschil zijn betrokken en adviseert het algemeen bestuur over de oplossing van het geschil.

Artikel 27 Archief

Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor archiefbescheiden overeenkomstig en volgens een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening ingevolge artikel 40 Archiefwet.

Artikel 28 Onvoorziene gevallen

Het algemeen bestuur beslist in alle gevallen waarin deze regeling niet voorziet.

Artikel 29 De duur van de regeling

Deze regeling wordt getroffen voor bepaalde tijd en eindigt, onverminderd het bepaalde in artikel 24, van rechtswege op 1 januari 2057.

Artikel 30 Bekendmaking en inwerkingtreding

  • 1.

    Gedeputeerde Staten zorgen voor de bekendmaking van besluiten tot vaststellen, wijzigen, verlengen of opheffen van de regeling. Bekendmaking vindt plaats in het Provinciaal blad.

  • 2.

    De regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 31 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als ‘Perspectief Groningen en Noord-Drenthe’.

Groningen, 16 juni 2026

Hoogachtend,

Gedeputeerde Staten van Groningen,

René Paas, voorzitter

Hans Schrikkema, secretaris

Toelichting gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe

De gemeenschappelijk regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe wordt getroffen ter uitvoering van de Economische Agenda. De Economische Agenda is een maatregel uit de kabinetsreactie ‘Nij Begun – op weg naar erkenning, herstel en perspectief’ waarmee het kabinet reageert op de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie.

 

De Economische Agenda is in juni 2025 vastgesteld door de regionale overheden en de Ministerraad. Gezamenlijk stelden zij vast hoe zij Groningen en Noord-Drenthe economisch perspectief willen geven nadat zestig jaar gaswinning veel leed veroorzaakte in het gebied. Het hoofddoel is om samen met de Sociale Agenda de brede welvaart in het gebied te bevorderen.

 

In de Economische Agenda is ook de uitvoeringsstructuur vastgelegd: een openbaar lichaam van de regionale overheden met een stichting waarin bedrijfsleven, kennisinstellingen en overheden samenwerken.

 

A. SAMENVATTING UITVOERINGSSTRUCTUUR

De colleges en dagelijks besturen van de regionale overheden richten een openbaar lichaam op door het treffen van de gemeenschappelijke regeling (GR). Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam richt de stichting op.

 

Het openbaar lichaam en de stichting moeten de doelen in de Economische Agenda concretiseren en realiseren. Dat moet – met de realisatie van de Sociale Agenda – leiden tot het verbeteren van de brede welvaart in de regio. Het betreft een publiek belang en het verdelen van publieke middelen. Democratische legitimatie is dan ook randvoorwaardelijk.

 

Het openbaar lichaam vormt de basis voor de constructie. Het algemeen bestuur stelt de kaders vast en verdeelt de middelen die haar ter beschikking zijn gesteld. Leden van het algemeen bestuur leggen verantwoording af aan het college of volksvertegenwoordiging van de betreffende deelnemer. Het dagelijks bestuur is in beginsel uitvoerend en legt verantwoording af aan het algemeen bestuur. Middelen worden gealloceerd op basis van meerjarige uitvoeringsplannen en jaarplannen. Er is sprake van accountantscontrole etc.

 

De stichting is nodig voor de inhoudelijke expertise om de doelen te realiseren. De stichting zorgt voor de bundeling van deskundigheid en draagvlak van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen. De stichting adviseert, bereidt voor en voert in opdracht of onder mandaat van het openbaar lichaam uit. De stichting maakt in ieder geval voorstellen voor het meerjarig uitvoeringsplan, het uitvoeringsprogramma regio en het jaarplan. Dit wordt vastgelegd in de statuten van de stichting.

 

Het openbaar lichaam kan de uitvoering van de Economische Agenda opdragen of mandateren aan de stichting of andere instanties. De uitvoering moet passen binnen de uitvoeringsprogramma’s, meerjarenplannen, jaarplannen en alle andere door het openbaar lichaam opgelegde voorwaarden. Dit wordt vastgelegd in de statuten van de stichting, in de opdrachtverlening of in de mandateringsregeling.

 

Een belangrijke rol is weggelegd voor de portefeuillehouders Economische zaken. Zij zijn bij de regionale overheden een belangrijk aanspreekpunt voor de volksvertegenwoordiging. De portefeuillehouders vormen een adviescommissie aan het algemeen bestuur en adviseren over het vaststellen van het meerjarig uitvoeringsplan, het jaarplan en het uitvoeringsprogramma regio. Dit ligt vast in de gemeenschappelijke regeling.

 

In deze constructie zijn openbaar lichaam, stichting en adviescommissie verbonden door hetzelfde doel: het uitvoeren van de Economische Agenda, het bieden van economische perspectief in de regio. De stichting moet daarvoor ruimte en vertrouwen krijgen en dat vertrouwen ook waarmaken. Het openbaar lichaam en de adviescommissie hebben geduld nodig, vertrouwen in de expertise van de stichting en moeten een mate van afstand betrachten.

 

B. ALGEMEEN DEEL

1. Deelnemers

Deelnemers zijn de colleges van de gemeenten in de provincie Groningen, de colleges van Tynaarlo, Noordenveld en Aa en Hunze, gedeputeerde staten van Groningen en de dagelijks besturen van de waterschappen Noorderzijlvest en Hunze en Aa's.

 

2 Achtergrond

De hoofdconclusie van de parlementaire enquêtecommissie in ‘Groningers boven gas’ is dat de belangen van Groningers structureel zijn genegeerd. Nederland heeft een ereschuld en het kabinet moet dat inlossen.1 In de kabinetsreactie ‘Nij begun – op weg naar erkenning, herstel en perspectief’ (Nij Begun) erkent het kabinet dat het een ereschuld moet inlossen en presenteert het 50 maatregelen die het kabinet daarom neemt.2

 

Maatregel 35 Nij Begun is gericht op het bieden van economisch perspectief voor Groningen en Noord-Drenthe en is een reactie op de aanbeveling van de enquêtecommissie om Groningen netjes achter te laten als de gaswinning in Groningen stopt.3 Daartoe komt er een Economische Agenda dat de doelen bevat die in dertig jaar gerealiseerd moeten zijn en stelt het kabinet éénmalig € 250 miljoen en vanaf 2026 gedurende dertig jaar € 100 miljoen per jaar beschikbaar.

 

De Economische Agenda heeft als hoofddoelen:

  • 1.

    Toekomstbestendige economie in een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving;

  • 2.

    Verdienvermogen regio en ondernemerschap;

  • 3.

    Talent: ontwikkelen, benutten, behouden;

  • 4.

    Kennis uit de regio verzilveren;

  • 5.

    Regionaal zelfbewustzijn en imago.

 

De Economische Agenda schetst het inzetten van een instrumentenmix om de doelen te realiseren en bepaalt dat er thematische en generieke investeringen worden gedaan, op welke onderwerpen, onder welke voorwaarden en wanneer niet wordt geïnvesteerd.

 

Economische Agenda: waar wel en niet in wordt geïnvesteerd

Generieke investeringen:

  • 1.

    onderwijs, kennis en arbeidsmarkt

  • 2.

    ruimte voor bedrijvigheid

  • 3.

    digitalisering

  • 4.

    profilering

Maar niet:

  • 1.

    enkelvoudige onderwijshuisvesting4

  • 2.

    ontwikkeling van bedrijventerreinen

  • 3.

    commerciële datacenters

  • 4.

    eenmalige of individuele campagnes

Thematische investeringen:

  • 1.

    duurzame energie

  • 2.

    gezondheid

  • 3.

    landbouw

  • 4.

    industrie

  • 5.

    Vrijetijdseconomie

Maar niet:

  • 1.

    energie of bedrijfsleven buiten de regio

  • 2.

    reguliere zorg of wettelijke taken gemeenten

  • 3.

    primaire landbouw en individuele bedrijfsvoering, inrichten natuur(gebieden) of taken Rijk

  • 4.

    single-stakeholdersinitiatieven zonder aansluiting bij de regio of zonder aantoonbaar schonere of duurzamere productie

  • 5.

    single-stakeholdersinitiatieven, structurele exploitatie beheer en onderhoud of begrotingstekorten

Voorwaarden 5

Om de doelen te bereiken investeert de Economische Agenda:

  • -

    in economische projecten, initiatieven en programma’s die de gezondheid, duurzaamheid en de ruimtelijke kwaliteit bevorderen

  • -

    in samenwerkingen, projecten, initiatieven en programma’s die ervoor zorgen dat het geld hier verdiend wordt

  • -

    alleen in samenwerkingen met regionale partijen

  • -

    in initiatieven, projecten en programma’s die ervoor zorgen dat kennis aan bedrijfsleven wordt gekoppeld en andersom

  • -

    in de internationale positie van de regio

 

3 De concretisering van de Economische Agenda

De Economische Agenda bevat op hoofdlijnen doelen die in 2055 gerealiseerd moeten zijn. Er is een concretisering nodig en een verdeling van taken en bevoegdheden.

 

De Economische Agenda is door de regionale overheden en de Ministerraad vastgesteld.

 

De Economische Agenda wordt elke vijf jaar geconcretiseerd in het meerjarig uitvoeringsplan. Het plan betreft de inhoudelijke concretisering van de Economische Agenda. De stichting doet in samenwerking met betrokken partijen een voorstel voor het plan. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam en het kabinet stellen dit plan vast.

 

De minister moet de zorgplicht brede welvaart formeel concretiseren in het uitvoeringsprogramma Rijk. Dit programma bevat de inhoudelijke concretisering, het hiervoor genoemde meerjarig uitvoeringsplan, aangevuld met randvoorwaarden en de verdeling van taken en bevoegdheden. Het uitvoeringsprogramma Rijk is de basis voor de SvGND en de verantwoording van het kabinet aan de Tweede Kamer.

De minister van BZK vraagt de regionale overheden ook om de inspanning die zij doen voor de uitvoering van de economische agenda vast te leggen. Zo ontstaat vooraf een verdeling van taken en bevoegdheden. Dit is het uitvoeringsprogramma regio dat door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam wordt vastgesteld.

 

Uit het meerjarig uitvoeringsplan, in combinatie met de uitvoeringsprogramma’s, blijkt wie welke onderdelen uitvoert. Voor zover de stichting (onderdelen van) het meerjarig uitvoeringsplan moet uitvoeren, geeft het dagelijks bestuur de stichting daartoe een opdracht.

De stichting maakt een voorstel voor een jaarplan en legt dat voor aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur stelt het jaarplan vast. De stichting of een andere entiteit voert (onderdelen van) het jaarplan uit in opdracht of onder mandaat van het dagelijks bestuur.

 

De totstandkomingsgeschiedenis is weergegeven in bijlage 1, onderdeel A.

 

3.1 Meerjarig uitvoeringsplan en jaarplan

Zoals hiervoor uiteengezet wordt de Economische Agenda elke vijf jaar geconcretiseerd in het meerjarig uitvoeringsplan: de inhoudelijke concretisering van de Economische Agenda. De stichting doet in samenwerking met betrokken partijen een voorstel voor het plan. Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam en het kabinet stellen dit plan vast.

 

Het meerjarig uitvoeringsplan dient als:

  • 1)

    basis voor de verdere uitwerking in jaarplannen;

  • 2)

    onderbouwing van de opdrachten van het openbaar lichaam aan de stichting;

  • 3)

    basis voor het uitvoeringsprogramma Rijk (concretisering naar maatregelen);

  • 4)

    basis voor het uitvoeringsprogramma regio.

Het uitvoeringsprogramma Rijk is het meerjarig uitvoeringsplan aangevuld met een verdeling van taken en bevoegdheden en randvoorwaarden. Dat is de basis voor de monitor en op basis daarvan de verantwoording van het kabinet aan de Tweede Kamer.

 

Weergave cyclus Staat van Groningen en Noord-Drenthe

 

De stichting werkt het meerjarig uitvoeringsplan uit in voorstellen voor jaarplannen. Het algemeen bestuur stelt de jaarplannen vast.

 

4. De verhouding tussen het openbaar lichaam en de stichting

De Wgr maakt het mogelijk dat het algemeen bestuur van een openbaar lichaam een stichting opricht. Inhoudelijke voorwaarde is dat het ‘in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang’. Procedurele voorwaarden zijn dat in de GR de bevoegdheid moet zijn opgenomen en dat volksvertegenwoordigingen wensen en bedenkingen kunnen indienen over een ontwerpbesluit.6

 

De constructie van een openbaar lichaam met een daaraan gekoppelde stichting is geadviseerd door Berenschot.7 Dit advies is overgenomen in de Economische Agenda.

 

Om de Economische Agenda tot een succes te maken is expertise nodig op het gebied van economische ontwikkelingen. Het gaat echter om publiek belang en de verdeling van publieke middelen. Waar ligt het zwaartepunt en wie doet wat?

 

4.1 De stichting: zwaartepunt expertise

Niet alleen de expertise van de overheden is nodig, maar ook volwaardig en gelijkwaardig van bedrijfsleven en kennisinstellingen. Dat kan alleen door een private constructie te creëren, in dit geval een stichting. Daarmee is ook een mate van onafhankelijkheid gegeven. De expertise wordt vergaard en omgezet in voorstellen op afstand van de politiek-bestuurlijke besluitvorming. Het draait in de stichting om de expertise.

 

De stichting werkt echter niet solistisch, maar met alle partijen die van belang zijn. Dat zijn ook de regionale overheden, het openbaar lichaam en de betrokken ministeries.

 

De stichting werkt alleen ter uitvoering van de Economische Agenda en alleen in opdracht of mandaat van het openbaar lichaam.

 

Een overzicht van de taken van de stichting is weergegeven in bijlage 1, onderdeel B.

 

4.2 Het openbaar lichaam: zwaartepunt besluitvorming

De expertise van de stichting wordt ingezet om de Economische Agenda uit te voeren. De Economische Agenda is er voor het publiek belang waarvoor publieke middelen worden ingezet. Het kabinet heeft een ereschuld, moet daarom economisch perspectief bieden en de regionale overheden zijn bereid hierin verantwoordelijkheid te nemen. De regionale inzet betekent daarom ook verantwoording afleggen over de uitvoering van de Economische Agenda en de besteding van middelen.

 

Bij het openbaar lichaam draait het daarom om de besluitvorming. Het gaat om besluitvorming over de concretisering van de Economische Agenda en over de verdeling van middelen en over afwegingskaders daarvoor.

 

De stichting adviseert, bereidt voor en voert in opdracht of onder mandaat van het openbaar lichaam uit. Het openbaar lichaam besluit. Het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan worden voor advies voorgelegd aan de adviescommissie van portefeuillehouders. In een goed werkend systeem, zijn de portefeuillehouders al betrokken bij het voorstel van de stichting. De stichting moet namelijk met alle betrokken partijen samenwerken en daarmee afstemmen.

 

Een overzicht van de taken van het openbaar lichaam is weergegeven in bijlage 1, onderdeel C.

 

Geen reguliere taken in de GR

Dit openbaar lichaam dient een bijzonder doel en (raakt misschien wel, maar) betreft geen reguliere taken. Reguliere taken en het maken van beleid blijven bij de deelnemers zelf. ‘Beleid’ is in deze GR dan ook geen reguliere taak van volksvertegenwoordigingen, maar een concretisering van de Economische Agenda waar de colleges en dagelijks besturen een rol in hebben. Wanneer de concretisering het beleid van gemeenten raakt, bijvoorbeeld wanneer een omgevingsplan gewijzigd moet worden, is dit een reguliere taak van de gemeente.

 

4.3 De verdeling van middelen

De verdeling van middelen vindt plaats op verschillende niveaus.

 

1) van Rijk naar één van de deelnemers (DU)

Het Rijk reserveert de middelen voor de uitvoering van de Economische Agenda op basis van het meerjarig uitvoeringsplan en maakt de middelen via één van de deelnemers naar het openbaar lichaam over op basis van het jaarplan.

 

2) van de deelnemer naar het openbaar lichaam

De deelnemer die de DU ontvangt, maakt de middelen over aan het openbaar lichaam op basis van het vastgestelde jaarplan.

Het openbaar lichaam heeft een deel van de middelen nodig voor de eigen organisatie en taken. Wanneer uit het jaarplan bijvoorbeeld volgt dat het openbaar lichaam een subsidieregeling moet vaststellen en uitvoeren, dan heeft het openbaar lichaam daarvoor de middelen nodig.

 

3) van het openbaar lichaam naar de stichting

Het openbaar lichaam geeft de stichting de opdracht om taken uit te voeren en stelt daarvoor middelen beschikbaar. De stichting moet in ieder geval elke vijf jaar een voorstel voor een meerjarig uitvoeringsplan maken en dat elk jaar uitwerken in een jaarplan. De stichting zal in opdracht van het openbaar lichaam de economische ontwikkeling volgen, monitoren en aanjagen. Hiervoor krijgt de stichting middelen.

 

Uit het jaarplan kan blijken dat een bepaalde taak door de stichting wordt uitgevoerd. Dan krijgt de stichting ook daarvoor de opdracht en de middelen.

 

4) naar een uitvoeringsinstantie

Het kan zijn dat een andere organisatie een maatregel het beste kan uitvoeren. Het openbaar lichaam stelt de middelen beschikbaar aan de uitvoeringsorganisatie. Het kan ook zijn dat wordt besloten dat één van de deelnemers of een ministerie dit het beste kan doen.

 

4) op maatregelniveau

In het meerjarig uitvoeringsplan of in het jaarplan kunnen middelen op maatregelniveau worden verdeeld. Het openbaar lichaam besluit hierover.

 

5) in een concreet geval

De uitvoeringsorganisatie die daarvoor opdracht heeft gekregen, beslist in concrete gevallen. Dat vindt plaats op basis van mandaat door het openbaar lichaam.

 

4.4 Het oprichten van en deelnemen in andere private organisaties

Het kan wenselijk zijn om ter uitvoering van de Economische Agenda andere private organisaties op te richten of daarin deel te nemen. Bijvoorbeeld om financieel risico te spreiden. Of dit een goede oplossing is, vraagt expertise. Het voorstel daartoe kan de stichting doen. Het besluit daarover ligt bij het openbaar lichaam. Het is daarmee publiek en meer transparant wat er gebeurt en waarom.

 

4.5 Democratische legitimatie

Een openbaar lichaam met een daaraan gekoppelde stichting is misschien niet doorsnee, maar legitiem. De deelnemers nemen in de GR op dat het algemeen bestuur van het openbaar lichaam een stichting mag oprichten. Volksvertegenwoordigingen bepalen of zij het hiermee eens zijn. Dat maken zij kenbaar door zienswijzen in te dienen op de ontwerp-GR of toestemming te geven of te onthouden aan de definitieve GR. Daarnaast kunnen zij wensen en bedenkingen indienen tegen het ontwerpbesluit om een stichting op te richten.

Wanneer de constructie is gerealiseerd zijn er de gebruikelijke instrumenten voor informatie en verantwoording om invloed uit te oefenen.

 

Om de betrokkenheid van de volksvertegenwoordigingen te vergroten, staat er in de GR voor het meerjarig uitvoeringsplan een zienswijzeverplichting. De volksvertegenwoordigingen krijgen daarmee de gelegenheid om vóór de besluitvorming door het bestuur van het openbaar lichaam zienswijzen in te dienen. Het meerjarig uitvoeringsplan wordt eens in de vijf jaar vastgesteld. Deze actieve betrokkenheid van volksvertegenwoordigingen zou daarmee niet een belemmering hoeven te zijn in slagvaardigheid.

 

De Staat van Groningen en Noord-Drenthe monitort onder meer de effecten van de maatregelen uit het uitvoeringsprogramma Rijk. Op basis van de monitor vindt er overleg plaats tussen het kabinet en een vertegenwoordiging van de regionale overheden en verantwoordt het kabinet zich aan de Tweede Kamer. In dit geval nemen de regionale overheden echter taken en verantwoordelijkheid voor hun rekening. Alhoewel de Groningenwet (en maatregel 1 over de jaarlijkse monitor) dat niet beoogt, is het effect wel dat ook de deelnemers zich moeten verantwoorden en de verantwoording van het kabinet mogelijk beperkt is tot het beschikbaar stellen van middelen en systeemverantwoordelijkheid.

De praktijk moet uitwijzen hoe het gaat, maar een verantwoording aan volksvertegenwoordigingen in de cyclus SvGND lijkt wel voor de hand te liggen.

 

Betrokkenheid hoeft echter niet beperkt te blijven tot formele momenten. Actieve gesprekken, uitleg en informatie-uitwisseling tussen de deelnemers en de volksvertegenwoordigingen – bijvoorbeeld via het Regioberaad – bieden een grotere betrokkenheid. Dan gaat het veel meer om het doel van deze GR: samen Groningen en Noord-Drenthe economisch perspectief geven.

 

4.6 Staatssteun- en aanbestedingsrecht

Bij de verdeling van publieke middelen door de overheid spelen staatssteun- en aanbestedingsrecht een grote rol. De stichting is weliswaar een private organisatie, maar werkt alleen in opdracht van het openbaar lichaam en ter uitvoering van de Economische Agenda dat een publiek belang dient en waarvoor publieke middelen worden ingezet.

Er zal dus steeds beoordeeld moeten worden hoe een besluit zich verhoudt tot staatssteun- en aanbestedingsrecht. Dit is aan de orde bij het maken van het voorstel, het besluiten daarover en het uitvoeren daarvan. Het openbaar lichaam en de stichting moeten expertise op dit gebied hebben.

 

4.7 Adviescommissie

Het oprichten van een adviescommissie is een bevoegdheid die er op grond van de Wgr is en daarom niet opgenomen hoeft te worden in de GR.

 

In dit geval wordt voor de duidelijkheid in de GR opgenomen dat het algemeen bestuur in ieder geval een adviescommissie zal instellen bestaande uit portefeuillehouders Economie van de deelnemers. De portefeuillehouders adviseren over het economische beleid. Dat betreft in ieder geval het adviseren van het algemeen bestuur over

  • 1)

    het vaststellen van het meerjarig uitvoeringsplan;

  • 2)

    het vaststellen van het jaarplan (als uitwerking van het meerjarig uitvoeringsplan);

  • 3)

    het vaststellen van het uitvoeringsprogramma regio.

De stichting doet een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan, het jaarplan en uitvoeringsprogramma regio. De adviescommissie laat zich dus uit over deze voorstellen.

 

De adviescommissie dient het gemeenschappelijk belang, dat wil zeggen dat het advies betrekking heeft op het realiseren van de doelen van de Economische Agenda: door economische structuurversterking wordt de brede welvaart uiterlijk in 2055 naar ten minste het landelijk gemiddelde ontwikkeld.

 

Het algemeen bestuur motiveert het wanneer wordt afgeweken van het advies van de commissie.

 

Wanneer een lid van het algemeen bestuur óók economie in de portefeuille heeft, komt de bestuurder in een dubbelrol: adviseur (vanuit de commissie) en beslisser (vanuit het bestuur). Het betreffende college of dagelijks bestuur waar de bestuurder vandaan komt, moet dan een ander collegelid laten plaatsnemen in de adviescommissie.

 

5 Niet in de gemeenschappelijke regeling

Het uitgangspunt is dat de regeling zo eenvoudig mogelijk is. Een aantal zaken wordt daarom niet expliciet in de GR geregeld, waaronder

 

1) Ombudsman of -functie

De Nationale ombudsman is bevoegd om klachten af te handelen tenzij een gemeente, provincie of waterschap zelf een ombudsman of ombudscommissie heeft benoemd.8 De gemeenschappelijke regeling kan in zo’n geval aangeven dat de ombudsman of ombudscommissie van een van de deelnemers bevoegd is klachten af te handelen.9

 

In dit geval wordt in de GR niets geregeld en is de Nationale ombudsman bevoegd om klachten af te handelen.

 

2) Geheimhouding

Artikel 23 in combinatie met artikel 74 Wgr bepaalt hoe geheimhouding kan worden opgelegd en op welke gronden. Omdat de Wgr dit al regelt, is er geen aanvullende bepaling in de GR opgenomen.

 

3) Mandaat aan stichting voor de Economische Agenda

Dit volgt uit artikel 33b Wgr in combinatie met de Awb.

 

C ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

 

Artikel 1 Definities

In deze bepaling zijn de begripsomschrijvingen opgenomen die doorwerken in de gemeenschappelijke regeling.

 

Voor een aantal begrippen wordt verwezen naar de Wet Groningen zoals die komt te luiden indien het wetsvoorstel ‘Wijziging van de Tijdelijke wet Groningen en de Mijnbouwwet in verband met de uitvoering van diverse maatregelen uit de kabinetsreactie op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen’ ongewijzigd in werking treedt.10 Op het moment dat de gemeenschappelijke regeling is opgesteld, is het wetsvoorstel ter behandeling aangeboden aan de Tweede Kamer.

 

Artikel 2 Openbaar lichaam

Overeenkomstig de Economische Agenda wordt een openbaar lichaam ingesteld. Het openbaar lichaam heet Perspectief Groningen en Noord-Drenthe.

 

De gemeenschappelijke regeling moet de vestigingsplaats bepalen (artikel 10, derde lid in combinatie met artikel 74, eerste lid Wgr). De vestigingsplaats is Groningen.

 

Artikel 3 Belang

De regeling moet het belang vermelden waarvan zij is getroffen (artikel 10, eerste lid in combinatie met artikel 74, eerste lid Wgr.).

 

Artikel 4 Taken en bevoegdheden

In deze bepaling is bepaald wat het openbaar lichaam tot taak heeft. Zie ook het algemene deel voor een beschrijving.

 

Het betreft geen wettelijke taken, maar taken die de deelnemers aan zich trekken. Zij willen gezamenlijk bijdragen aan het realiseren van de doelen uit de Economische Agenda.

 

Artikel 5 Algemeen bestuur - algemeen

De deelnemers hebben bij het vaststellen van de Economische Agenda besloten dat het algemeen bestuur wordt gevormd door de kroonbenoemden: de commissaris van de Koning, burgemeesters en dijkgraven.11 Het algemeen bestuur bestaat dus uit zestien leden.

 

In het reglement van orde bepaalt het algemeen bestuur hoe de vervanging plaatsvindt. Het is echter niet mogelijk dat de vervanger óók lid is van de adviescommissie die bestaat uit portefeuillehouders economie om te voorkomen dat de bestuurder over hetzelfde onderwerp zowel adviseert als besluit.

 

Artikel 6 Taken en bevoegdheden algemeen bestuur

De taken die in deze bepaling zijn opgenomen, zijn door de deelnemers aan zich getrokken. De deelnemers krijgen daarmee een actieve rol en verantwoordelijkheid in de uitvoering van de Economische Agenda, besluiten over de concretisering van de Economische Agenda, zetten de instrumenten in die de Economische Agenda benoemt en richten de stichting op.

 

De deelnemers hebben met het vaststellen van de Economische Agenda ook vastgesteld dat er een stichting wordt opgericht. Dat kan alleen wanneer de GR die mogelijkheid biedt (artikel 77a Wgr). Het oprichten van en deelnemen aan een stichting wordt dan ook als bevoegdheid van het algemeen bestuur opgenomen in de GR. In de GR worden de rechtsvormen die artikel 77a Wgr noemt, overgenomen.

 

De Economische Agenda wordt door verschillende partijen uitgevoerd en heeft raakvlakken met thema's waar andere partijen bij betrokken zijn. Het kan gaan om de deelnemers, het Rijk, de provincie Drenthe, maatschappelijke organisaties, bedrijven en anderen. Het gaat om een regionale economische ontwikkeling met een internationale positionering van de regio. Het openbaar lichaam moet dan ook samenwerken met deze partijen of de samenwerking met andere partijen bevorderen.

 

Artikel 7 Meerjarig uitvoeringsplan, uitvoeringsprogramma regio en jaarplan

Deze bepaling beschrijft wat het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan in ieder geval moet bevatten en wie welke verantwoordelijkheid draagt:

  • -

    de stichting doet het voorstel;

  • -

    de adviescommissie adviseert daarover;

  • -

    het algemeen bestuur stelt vast.

Het meerjarig uitvoeringsplan wordt ook vastgesteld door het kabinet. Daarom vindt overleg plaats met de Minister.

 

Zie verder de toelichting in het algemene deel.

 

Artikel 8 Vergaderingen van het algemeen bestuur

De deelnemers hebben bij het vaststellen van de Economische Agenda besloten dat elk lid van het algemeen bestuur één stem heeft, dat elke stem gelijk is, dat besluitvorming plaats vindt door meerderheidsbesluiten en dat het Rijk en de provincie Drenthe agendalid zijn.

 

“Agendalidmaatschap houdt in dat de vergaderstukken worden toegezonden en dat de leden worden uitgenodigd voor vergaderingen.”12

 

Dit is ook zo opgenomen in de GR. Het agendalidmaatschap is concreter ingevuld met de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), vanuit de zorgplicht die in de Wet Groningen is vastgelegd en de commissaris van de Koning in Drenthe als kroonbenoemde van de provincie Drenthe. De agendaleden hebben geen stemrecht.

 

Daarnaast bepaalt de GR dat het algemeen bestuur minstens tweemaal per jaar vergadert en hoe het oproepen voor vergaderingen zal gaan.

 

Artikel 9 Inlichtingen- verantwoordingsplicht algemeen bestuur

Deze bepaling legt de inlichtingen- en verantwoordingsplicht van het algemeen bestuur en de afzonderlijke leden vast. De deelnemers worden in ieder geval actief geïnformeerd over het meerjarig uitvoeringsplan en de uitwerking daarvan in het jaarplan.

 

Artikel 10 Zienswijzen

Het algemeen bestuur stelt de volksvertegenwoordigingen in ieder geval in de gelegenheid om zienswijzen in te dienen op het meerjarig uitvoeringsplan vóórdat de besluitvorming daarover plaatsvindt en de evaluatie.

 

Artikel 11 Participatie

Het algemeen bestuur bepaalt in afstemming met de stichting voor de Economische Agenda wanneer en hoe inwoners van de deelnemende gemeenten hun mening kunnen geven over het meerjarig uitvoeringsplan en het jaarplan. Uit de Economische Agenda volgt dat de stichting ook een taak heeft in participatie.

 

Artikel 12 Dagelijks bestuur – algemeen

In artikel 12 is bepaald hoe het dagelijks bestuur is vormgegeven. Op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn dat naast de voorzitter minimaal twee leden en maximaal zeven (artikel 14 in combinatie met artikel 74 Wgr).

 

Vervanging en roulatie wordt in het reglement van orde geregeld met dien verstande dat de plaatsvervanger niet ook lid mag zijn van de adviescommissie.

 

Artikel 13 Taken en bevoegdheden dagelijks bestuur

Het is niet verplicht om in de GR te bepalen welke cao geldt voor het personeel van het openbaar lichaam. In de GR is vastgelegd dat het dagelijks bestuur bevoegd is de rechtspositieregeling vast te stellen met dien verstande dat er niet verschillende CAO’s naast elkaar moeten bestaan.

 

Gelet op de samenwerking die ontstaat tussen gemeenten, provincie en waterschappen komen de volgende cao’s in beeld:

→ CAO Gemeenten

→ CAO Provincies (provinciale sector)

→ CAO Werken voor Waterschappen

→ CAO Samenwerkende Gemeentelijke Organisaties

 

Verschillende afwegingen zijn hierin mogelijk, bijvoorbeeld kijken naar de organisatie waar de meeste medewerkers vandaan komen of kijken naar de organisatie die de bedrijfsvoeringstaken uitvoert.

 

Het dagelijks bestuur benoemt, schorst en ontslaat de bestuursleden van de stichting voor de Economische Agenda op voordracht van overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen. Het algemeen bestuur doet de voordracht van de overheden. Voor het bedrijfsleven en de kennisinstellingen wordt dat nader ingevuld. Gelet op de belangrijke adviserende rol van de stichting, wordt het dagelijks bestuur voorgesteld criteria als objectiviteit en onafhankelijkheid in de profielschetsen op te nemen.

 

Het dagelijks bestuur moet de meerjarige uitvoeringsplannen en de jaarplannen uitvoeren voor zover is vastgelegd dat dit tot de inspanningen van het openbaar lichaam behoort. Het dagelijks bestuur kan de uitvoering of onderdelen daarvan door derden laten uitvoeren, waaronder de stichting voor de Economische Agenda.

 

Zie verder de toelichting in het algemene deel.

 

Het aanleveren van gegevens ten behoeve van de Staat van Groningen en Noord-Drenthe vloeit rechtstreeks uit de Wet Groningen voort. Voor zover het openbaar lichaam de Economische Agenda uitvoert, moet het ook gegevens aanleveren voor de monitoring.

 

Het openbaar lichaam krijgt niet de taak om de overleggen in de cyclus de SvGND te voeren. Deze taak blijft bij de colleges en de dagelijks besturen. Het reageren op de SvGND vraagt namelijk integraliteit en samenhang. De SvGND gaat niet alleen over de Economische Agenda, maar ook over schadeafhandeling, versterking, de Sociale Agenda en Isolatie-aanpak en een betere overheid. Het openbaar lichaam wordt daar wel bij betrokken, er zal om inbreng worden gevraagd. Het openbaar lichaam zorgt ervoor en ziet erop toe dat de stichting de gegevens (tijdig) aanlevert die nodig zijn.

De gezamenlijke reactie vanuit de regio ligt bij de colleges en de dagelijks besturen. Het overleg tussen een vertegenwoordiging van de regionale overheden en een vertegenwoordiging van het kabinet vindt plaats in het Bestuurlijk Overleg Groningen.13

 

Dit wil overigens niet zeggen dat het openbaar lichaam geen overleg voert met ministeries over de voortgang van de Economische Agenda. Dat zal zeker plaatsvinden. Echter niet de formele overleggen in de cyclus SvGND.

 

Artikel 14 Vergaderingen van het dagelijks bestuur

Naar analogie van de stemverhouding in het algemeen bestuur is ook voor het dagelijks bestuur vastgelegd dat elk lid één stem heeft en dat er sprake is van meerderheidsbesluitvorming.

 

Artikel 15 De voorzitter

De commissaris van de Koning in Groningen is de voorzitter.

 

Artikel 16 Stichting voor de Economische Agenda

Het algemeen bestuur moet in ieder geval de stichting voor de Economische Agenda oprichten. Dit is niet de naam van de stichting, maar verwijst naar de Economische Agenda waarin is vastgesteld dat er een stichting komt.

 

Zie verder de toelichting in het algemene deel.

 

Artikel 17 Adviescommissies

Het algemeen en het dagelijks bestuur kunnen een adviescommissie instellen. Het algemeen bestuur stelt in ieder geval de adviescommissie in die bestaat uit portefeuillehouders economie en vertegenwoordigers van de waterschappen.

 

Zie verder de toelichting in het algemene deel.

 

Artikel 18 Secretaris -directeur

In hoofdstuk 7.1 van de Economische Agenda is onder meer vastgesteld dat het openbaar lichaam een secretaris-directeur heeft met een achtergrond bij de overheid.

 

‘‘Die is verantwoordelijk voor topambtelijke afstemming met de besturen en voor het goed laten functioneren van de governance’’.

 

In de GR is opgenomen dat het dagelijks bestuur de secretaris-directeur aanstelt, dat de secretaris-directeur de algehele leiding heeft en de dagelijks gang van zaken coördineert.

 

Artikel 19 Begroting en jaarrekening

Alhoewel strikt gezien niet nodig, is vastgelegd dat voor het vaststellen van de begroting en de jaarrekening de bepalingen gelden uit de Wgr.

 

Aanvullend is opgenomen dat de begroting moet worden voorzien van het jaarplan. Op die manier is geborgd dat volksvertegenwoordigingen kennis kunnen nemen van het jaarplan.

In deze bepaling is tot slot geregeld dat er een financiële verordening moet worden vastgesteld.

 

Artikel 20 De kassier

Het Rijk maakt middelen over aan één van de deelnemers, de kassier. De kassier moet middelen zonder inhoudelijke toets overmaken aan het openbaar lichaam. Partijen maken hier nadere afspraken over.

 

Artikel 21 Deelnemersbijdrage

De middelen ter uitvoering van de Economische Agenda worden door het Rijk verstrekt. Op grond van artikel 14a Wet Groningen moeten de middelen worden begroot en geïndexeerd volgens de van toepassing zijnde systematiek. De middelen zijn inclusief uitvoeringskosten.

 

Er is daarmee geen sprake van een deelnemersbijdrage, behoudens van de deelnemer die de Rijksmiddelen ontvangt en moet overmaken aan het openbaar lichaam. In het geval het openbaar lichaam zelf verantwoordelijk is voor een exploitatietekort, bijvoorbeeld door financieel wanbeleid, vindt overleg plaats over het voorkomen of dragen van het tekort.

 

Artikel 22 Toetreding

Deze bepaling regelt de toetreding door andere deelnemers. Omdat het een bijzondere samenwerking betreft met een bijzondere achtergrond is het niet goed denkbaar dat andere partijen dan die in de Wet Groningen genoemd (artikel 13o en artikel 13q) deelnemer zijn. Het gaat om de regionale deelnemers die de GR treffen en de Ministers die het aangaat. Zij hebben een taak als het gaat om brede welvaart in de zin van de Wet Groningen.

 

Artikel 23 Uittreding

De uittredingsbepaling bevat de verplichting voor het algemeen bestuur om met de Minister van BZK te overleggen over het voornemen tot uittreding. Dit heeft te maken met de bijzondere samenwerking en de bijzondere achtergrond. Het Rijk stemt ermee in dat de regionale overheden de Economische Agenda gezamenlijk uitvoeren. Wanneer er niet langer sprake zou zijn van gezamenlijkheid omdat een deelnemer uittreedt, ontstaat een bijzondere situatie die om overleg over de gevolgen met de Minister van BZK vraagt.

 

Artikel 24 Wijziging of opheffing

Deze bepaling regelt de wijziging en opheffing van de regeling.

 

Artikel 25 Evaluatie

De deelnemers gaan zelf over de wijze waarop en hoe vaak de regeling geëvalueerd moet worden. De evaluatie gaat om het functioneren van de regeling.

 

In de GR is bepaald dat de regeling wordt geëvalueerd ten tijde van of direct na het vaststellen van het meerjarig uitvoeringsplan. De evaluatie kent daarmee een cyclus van vijf jaren, met dien verstande dat het eerste meerjarig uitvoeringsplan een kortere looptijd zal hebben, namelijk drie jaren. De eerste evaluatie is daarmee ook na drie jaren.

 

Raden, Provinciale Staten en algemeen besturen worden uitgenodigd om zienswijzen te geven op het functioneren van de regeling.

 

Artikel 26 Geschillen

De bepaling regelt hoe er met een geschil wordt omgegaan als overleg niet tot een oplossing leidt.

 

Artikel 27 Archief

Op de organen van het openbaar lichaam zijn de regels uit de Archiefwet van toepassing voor archiefbescheiden (artikel 40 Archiefwet). Het algemeen bestuur moet daarom een archiefverordening vaststellen en het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden.

 

Artikel 28 Onvoorziene gevallen

De bepaling regelt dat het algemeen bestuur beslist in onvoorziene gevallen.

 

Artikel 29 De duur van de regeling

In de GR is opgenomen dat de regeling voor bepaalde tijd wordt aangegaan tot 1 januari 2057. Deze termijn volgt uit de Wet Groningen dat vastlegt dat de brede welvaart uiterlijk in 2055 in de gemeenten op ten minste het landelijk niveau moet zijn. De Economische Agenda vormt samen met de Sociale Agenda de invulling daarvan.

 

Hieruit volgt dat 2055 het laatste jaar is waarin taken worden uitgevoerd. Vervolgens moet daarover nog worden gerapporteerd, uiterlijk in 2056. Daarom wordt 1 januari 2057 als eindmoment opgenomen.

 

Artikel 30 Bekendmaking en inwerkingtreding

Gedeputeerde staten zijn verantwoordelijk voor de bekendmaking van de regeling of de wijziging daarvan.

 

Artikel 31 Citeertitel

De regeling heet Perspectief Groningen en Noord-Drenthe.

Bijlage 1 bij de toelichting gemeenschappelijke regeling Perspectief Groningen en Noord-Drenthe

 

A. UITLEG CONCRETISERING - TOTSTANDKOMINGSGESCHEDENIS

 

De Economische Agenda vloeit voort uit de ereschuld die het kabinet moet inlossen en valt onder de zorgplicht van de betrokken ministers. Het kabinet heeft in Nij Begun resultaten beloofd, zowel inhoudelijk als financieel.

 

Daarbij waren echter twee zaken ook duidelijk: 1) het kabinet gaat niet zelfstandig bepalen wat de ontwikkeling in de regio moet zijn en werkt daarom samen met de regionale overheden bij het bepalen van de inhoud van de Economische Agenda en 2) de Economische Agenda zelf zal nader uitgewerkt moeten worden.

 

“Het behalen van deze doelstellingen vraagt een gezamenlijke inzet van meerdere partijen. Zonder gemeenten en maatschappelijke partijen geen sociaal herstel, zonder bedrijven geen economische groei.” 14

 

De zorgplicht van de minister(s) wordt daarom uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma Rijk.15

 

De regionale overheden hebben in hun consultatiereactie op het wetsvoorstel naar voren gebracht dat in de wet een resultaatsverplichting voor het kabinet moet worden vastgesteld. Uit het consultatieverslag blijkt dat het kabinet geen resultaatsverplichting wil vastleggen, maar dat het kabinet in het vijfjaarlijkse uitvoeringsprogramma Rijk de zorgplichten zal concretiseren.

 

“Het voorstel voor het opnemen van juridische resultaatsverplichtingen is niet overgenomen, omdat het kabinet voor zijn eigen bijdrage verantwoordelijkheid neemt, maar geen verplichtingen kan aangaan voor de inzet van andere partijen (zoals decentrale overheden) die noodzakelijk zijn voor het realiseren van doelen op het gebied van brede welvaart en verduurzaming.

 

Dat neemt niet weg dat dit wetsvoorstel het kabinet wel verplicht om de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming in Groningen en Noord-Drenthe te concretiseren. Het wetsvoorstel verplicht de bewindspersoon om ten minste iedere vijf jaar in het uitvoeringsprogramma Rijk (voorheen: uitvoeringsplan) de tussentijdse doelen, streefwaarden, randvoorwaarden en de voorgenomen maatregelen voor brede welvaart en verduurzaming vast te leggen, en met de Staat van Groningen hierover jaarlijks verantwoording af te leggen aan het parlement. Naar aanleiding van de reacties uit de internetconsultatie is in het derde lid van het voorgestelde artikel 13s toegevoegd dat – indien de Staat van Groningen, danwel het gevoerde overleg met decentrale overheden, daartoe aanleiding geeft – het kabinet in de reactie op de Staat van Groningen moet aangeven welke maatregelen de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna ‘de minister’) en de ministers die het aangaan nemen om de streefwaarden en doelen uit het uitvoeringsprogramma van het Rijk te bereiken”.

 

“De precisering van het begrip brede welvaart zal worden gegeven in het uitvoeringsprogramma Rijk.” 16

 

De regionale overheden hebben in hun consultatiereactie op het wetsvoorstel Groningenwet aangegeven dat de ontwikkeling van brede welvaart verschillen binnen en tussen gemeenten niet moet verdiepen en er niet toe moet leiden dat goede resultaten slechte resultaten maskeren. In het consultatieverslag is aangegeven dat het wetsvoorstel wordt aangepast zodat onderscheid mogelijk is.

 

“Deze reacties zijn verwerkt door in artikel 13q een derde lid in te voegen, waarin wordt voorgesteld dat in het uitvoeringsprogramma Rijk zo nodig onderscheid kan worden gemaakt in de streefwaarden, doelen en maatregelen ten aanzien van individuele gemeenten of delen daarvan als het gaat om brede welvaart en verduurzaming.“

 

Het uitvoeringsprogramma Rijk bevat dus een concretisering van de Economische Agenda, waarbij zo nodig onderscheid kan worden gemaakt naar (delen van een) gemeente en van de doelen uit de Economische Agenda. Wanneer daartoe aanleiding is neemt het kabinet maatregelen op in de kabinetsreactie op de SvGND om ervoor te zorgen dat het uitvoeringsprogramma Rijk uitgevoerd kan worden: maatregelen om de maatregelen te realiseren.

 

De regionale overheden wezen er in hun consultatiereactie ook op dat het wetsvoorstel lijkt te worstelen met de verantwoordelijkheid van de bevoegde minister, andere ministers en derden. In het consultatieverslag wordt hierop ingegaan. De regionale overheden moeten op verzoek van de minister van BZK vastleggen welke inspanningen zij verrichten.

 

“Om die reden is verduidelijkt dat de zorgplichten voor brede welvaart en verduurzaming weliswaar op de bevoegde minister rusten, maar dat de taken die uit deze zorgplichten voortvloeien in samenwerking met derden worden uitgevoerd. Om meer duidelijkheid te creëren over de verdeling van taken en verantwoordelijkheden tussen de verschillende overheden, is in de memorie van toelichting toegevoegd dat de minister de decentrale overheden zal verzoeken om de inspanningen die zij doen in verband met de uitvoering van de sociale en economische agenda’s (en daarmee de brede welvaartsontwikkeling) en de verduurzamingsaanpak ook vast te leggen.”

 

De Economische Agenda wordt dus gepreciseerd in het uitvoeringsprogramma Rijk, maar vraagt vervolgens nog duidelijkheid over wie welke inspanningen verricht. Of anders gezegd: welke partij waarvoor verantwoordelijk kan worden gehouden. Het wetsvoorstel gaat uit van een ‘verdeling van taken en verantwoordelijkheden’ waarbij de regio zelf vastlegt welke inspanningen het zal verrichten. Het document waarin de regionale overheden hun inspanningen vastleggen wordt uitvoeringsprogramma regio genoemd.

 

Voor de tekst van het wetsvoorstel, zie bijlage 1.

 

Uit de Economische Agenda volgt hoe Rijk, regionale overheden, bedrijfsleven en kennisinstellingen tot de uitvoeringsprogramma’s komen, namelijk door samen eerst een meerjarig uitvoeringsplan op te stellen.17

 

“De hier genoemde thema’s werken we in 2025 met ondernemers, kennisinstellingen en overheden uit in een eerste uitvoeringsplan.”

 

“Het uitvoeringsplan wordt in de toekomst herijkt onder leiding van de stichting in de uitvoeringsstructuur. Het openbaar lichaam neemt vervolgens besluiten over deze meerjarenprogramma's.” 18

 

ONDERDEEL B – TAKEN VAN DE STICHTING VOOR DE ECONOMISCHE AGENDA

 

De stichting maakt een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan en legt dit ter besluitvorming voor aan het algemeen bestuur van het openbaar lichaam. Het meerjarig uitvoeringsplan moet ook een voorstel voor de benodigde financiering bevatten.

 

Om een voorstel voor het uitvoeringsplan te maken, moet de stichting

  • -

    markt- en beleidsontwikkelingen monitoren

  • -

    bedrijfsleven, kennisinstellingen, overheden, jongeren en maatschappelijke organisaties betrekken.

Het algemeen bestuur en het kabinet stellen het meerjarig uitvoeringsplan vast. Het algemeen bestuur vraagt eerst advies van de adviescommissie van portefeuillehouders economie.

 

De stichting voert (onderdelen van) het meerjarig uitvoeringsplan uit voor zover het daartoe de opdracht krijgt. Het dagelijks bestuur kan de stichting de opdracht geven om het meerjarig uitvoeringsplan of onderdelen daarvan uit te voeren (na vaststelling en verdeling van taken en verantwoordelijkheden).

 

Dat betekent in ieder geval dat de stichting het meerjarig uitvoeringsplan verder concretiseert naar jaarplannen. De jaarplannen worden vastgesteld door het algemeen bestuur van het openbaar lichaam.

 

De stichting jaagt de ontwikkeling aan: coalities smeden, financieringsknelpunten inventariseren en voorstellen doen om die op te lossen, kennis ontwikkelen en benutten.

 

De stichting doet voorstellen voor de instrumenten(mix): welke (mix) van financieringsinstrumenten het best ingezet kan worden, welke voorwaarden daarbij gesteld moeten worden, voorstellen voor subsidieregelingen of fondsen, enz. Indien de stichting dat gewenst vindt, kan de stichting voorstellen doen voor het oprichten van of deelnemen in een private organisatie. Het openbaar lichaam besluit daarover.

 

De stichting kan, als daarvoor mandaat is verleend door het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, besluiten tot subsidieverstrekking, beheer en besteding van middelen die aan de stichting beschikbaar zijn gesteld of derden de opdracht hiertoe geven.

 

De stichting kan, als daarvoor de opdracht wordt gegeven, aanvullende middelen verkrijgen, zoals verkrijgen van privaat kapitaal, Europese fondsen, enz.

 

De stichting moet zich verantwoorden over de uitvoering van de jaarplannen en het meerjarig uitvoeringsplan. Het jaarverslag bevat financiële en beleidsmatige verantwoording, verantwoording over de bedrijfsvoering en over doelmatigheid en rechtmatigheid. De stichting levert gegevens ten behoeve van de (cyclus in het kader van de) Staat van Groningen en Noord-Drenthe.

 

De stichting adviseert het algemeen bestuur van het openbaar lichaam gevraagd en ongevraagd.

 

De stichting is werkgever voor het eigen personeel.

 

ONDERDEEL C – TAKEN VOOR HET OPENBAAR LICHAAM

 

Het openbaar lichaam krijgt algemene (of standaard)bevoegdheden. Het bestuur van het openbaar lichaam krijgt een aantal standaardbevoegdheden die volgen uit de Wgr. Zo is het dagelijks bestuur op grond van de Wgr bevoegd om regels te stellen voor de ambtelijke organisatie en is het algemeen bestuur bevoegd om de begroting van het openbaar lichaam vast te stellen.

 

Overeenkomstig hoofdstuk 7.1 van de Economische Agenda krijgt het openbaar lichaam de bevoegdheid om een stichting op te richten. Raden, provinciale staten en algemeen besturen krijgen het ontwerpbesluit en kunnen daarop wensen en bedenkingen indienen.19

 

Een belangrijke taak voor het openbaar lichaam is het vaststellen van meerjarig uitvoeringsplan en het uitvoeringsprogramma regio. De stichting maakt een voorstel voor het meerjarig uitvoeringsplan en adviseert daarbij ook wat voor partij geschikt is om een maatregel of een onderdeel daarvan (bijvoorbeeld een subsidieregeling) uit te voeren of aan welke criteria een partij moet voldoen.

 

Het openbaar lichaam is opdrachtgever van de stichting of verleent de stichting mandaat.20 Het meerjarig uitvoeringsplan is – na vaststelling daarvoor door het algemeen bestuur – de opdracht aan de stichting voor zover de stichting belast wordt met de uitvoering. De stichting voert het meerjarig uitvoeringsplan niet per definitie als geheel uit. Het kan namelijk ook zijn dat het openbaar lichaam zelf een taak uitvoert, zoals het opstellen en vaststellen van een subsidieregeling. De opdracht of het mandaat zien dus op de onderdelen waar de stichting ‘iets mee moet’. Mandaat kan, ook in een concreet geval, ingetrokken worden of samengaan met instructies waar de stichting zich aan moet houden. Het bestuur van het openbaar lichaam blijft daarmee verantwoordelijk voor de genomen beslissingen.

De stichting mag alleen binnen de vastgestelde kaders middelen toewijzen en moet daarover verantwoording afleggen aan het openbaar lichaam.

 

Het openbaar lichaam voert zelf taken uit ter uitvoering van de Economische Agenda. Het gaat in ieder geval om het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften. Bijvoorbeeld het vaststellen van een subsidieregeling. Deze bevoegdheid kan niet worden overgedragen aan de stichting. Het kan ook zijn dat het openbaar lichaam andere taken uitvoert, bijvoorbeeld het uitvoeren van een subsidieregeling (aanvragen beoordelen en subsidies verlenen) of het adviseren over staatssteun.

 

Het openbaar lichaam kan adviescommissies instellen. Er komt in ieder geval een adviescommissie bestaande uit portefeuillehouders Economie van de deelnemers.

 

Het openbaar lichaam is werkgever voor het eigen personeel


1

Het rapport is op 24 februari 2023 gepubliceerd. Voor het rapport zie Rapport parlementaire enquêtecommissie aardgaswinning Groningen | Tweede Kamer der Staten-Generaal.

3

Zie bijlage 4 van Nij Begun: Overzicht van maatregelen in relatie tot de aanbevelingen van de enquêtecommissie.

4

Deze samenvatting is ontleend aan de Economische Agenda; de investeringen en de uitzonderingen moeten nader uitgewerkt worden.

5

De randvoorwaarden zijn opgenomen in hoofdstuk 6.1 van de Economische Agenda.

6

Artikel 31 Wgr.

8

Artikel 9:18, eerste lid Awb, in combinatie met Artikel 81p Gemeentewet, artikel 79q Provinciewet, artikel 51b Waterschapswet.

9

Artikel 10, vierde lid Wgr.

10

Kamerstukken 2025-2026, 36 836, nr. 2.

11

Hoofdstuk 7.1 Economische Agenda.

12

Hoofdstuk 7.1 Economische Agenda.

13

Het Bestuurlijk Overleg Groningen is een regulier overleg tussen een vertegenwoordiging van de regionale overheden (de bestuurlijk trekkers) en een vertegenwoordiging van het kabinet. Wanneer het overleg plaatsvindt in het kader van de SvGND wordt de regionale vertegenwoordiging versterkt met een vertegenwoordiger van de dagelijks besturen van de waterschappen.

14

Zie de Toelichting op de consultatieversie van de Groningenwet, vindbaar op Overheid.nl | Consultatie Wet uitvoering maatregelen parlementaire enquête aardgaswinning Groningen.

15

Artikel 13q in het wetsvoorstel Groningenwet, zie ook het kader in deze paragraaf.

17

Hoofdstuk 10 Economische Agenda. In de Economische Agenda wordt het meerjarig uitvoeringsplan ook wel uitvoeringsplan of meerjarenprogramma genoemd.

18

Hoofdstuk 10 Economische Agenda.

19

Dit is voorgeschreven in de Wgr.

20

Mandaat zoals bedoeld in hoofdstuk 10 van de Awb; het kan ook gaan om machtiging (feitelijke handelingen) of volmacht (voor privaatrechtelijke rechtshandelingen).

Naar boven