Provinciaal blad van Utrecht
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 9805 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Utrecht | Provinciaal blad 2025, 9805 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 3 juni 2025, nr. UTSP-8141755331-843 tot wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht
Gedeputeerde staten van Utrecht;
Gelet op het gestelde in de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022, de Beleidsregel exploitatiesubsidies, de Beleidsregel projectsubsidies en de Beleidsregel Toezicht en naleving subsidieverplichtingen provincie Utrecht;
het gewenst is om het ondernemen van activiteiten die de leefgebieden van bedreigde soorten vergroten of verbeteren een extra stimulans te geven door de voorbereidingskosten om te komen tot een projectplan aan de subsidiabele kosten toe te voegen en het minimumbedrag te verlagen tot € 2500,- op grond van artikel 1.4, eerste lid van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022;
het gewenst is om de huidige Subsidieregeling Verplaatsing landbouwbedrijven in te trekken en als hoofdstuk 8 op te nemen in de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht zoals vastgesteld op 10 december 2024;
het gewenst om in het onderdeel Innovatie en kennisontwikkeling van hoofdstuk 14 Beperking Bodemdaling Utrechtse Veenweiden het subsidieplafond op te hogen om meer aanvragen te kunnen honoreren;
het nodig is om ‘Aangewezen Leefgebied wolf’ te vervangen door ‘Aangewezen Subsidiegebied wolf’ omdat hiermee wordt aangesloten bij het Interprovinciaal Wolvenplan-addendum van 13 april 2023 van het IPO;
er een zinsnede was weggevallen bij de verwijzing naar het provinciale meerjarendoel voor Leefbaarheid in het landelijk gebied en kleine kernen;
De Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt als volgt gewijzigd:
Artikel 3.4 lid a wordt gewijzigd in:
Artikel 3.7 lid 1 wordt gewijzigd in:
In artikel 3.8 Subsidiabele kosten worden de onderdelen a tot en met g verletterd tot b tot en met h en wordt een nieuw onderdeel a ingevoegd, luidende:
Er wordt een hoofdstuk 8 ingevoegd dat als volgt luidt:
Hoofdstuk 8 Verplaatsing landbouwbedrijven
In het kader van de provinciale meerjarendoelen 2.1.1 “het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verder gerealiseerd (groter van oppervlakte)”, 2.1.2 “de Groene Contour is verder gerealiseerd” en 2.2.2 “de biodiversiteit in stad en platteland is verbeterd” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteit: verplaatsing van een landbouwbedrijf waarvan de huidige locatie in de provincie Utrecht ligt.
In afwijking van het tweede lid , aanhef en onder e, sub i kunnen Gedeputeerde Staten onder voorwaarden subsidie verstrekken voor een verplaatsing van een landbouwbedrijf naar een hervestigingslocatie op een afstand van ten minste 250 meter tot het dichtsbijzijnde stikstofgevoelige habitat in een Natura 2000-gebied.
Artikel 8.2 Subsidieontvangers (doelgroep)
Subsidie als bedoeld in artikel 8.1 kan uitsluitend worden verstrekt aan de eigenaar of gebruiksgerechtigde van een landbouwbedrijf.
Voor zover een aanvraag voor subsidieverlening niet wordt ingediend door de eigenaar, gaat de aanvraag, vergezeld van een ondertekende en gedagtekende verklaring van de eigenaar van geen bezwaar over het intrekken van de natuurtoestemming, het wijzigen van het omgevingsplan, de eigendomsoverdracht of het vestigen van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, aanhef en onder b.
De subsidieontvanger is verplicht:
het daartoe bevoegde gezag te verzoeken de natuurtoestemming, bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, aanhef en onder d voor de landbouwactiviteit van het te verplaatsen landbouwbedrijf op de bestaande locatie in te trekken, waarbij Gedeputeerde Staten vrij zijn te beschikken over de vrijgekomen stikstofdepositieruimte;
In aanvulling op het eerste lid kunnen de subsidieontvanger de volgende verplichtingen worden opgelegd:
ten laste van de gronden van het te verplaatsen landbouwbedrijf een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek te laten vestigen ten gunste van de provincie Utrecht in overeenstemming met één of beide doelen genoemd in artikel 8.1, tweede lid aanhef en onder a en b.
Het subsidieplafond bedraagt voor 2025 € 1.250.000,-.
Artikel 8.7 Hoogte van de subsidie
Artikel 8.8 Subsidiabele kosten
Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 8.1 zijn de volgende kosten subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies:
kosten voor investeringen. Deze worden berekend als het verschil tussen de kosten van de koopsom en eventueel (aanvullende) investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie minus de getaxeerde waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie. Uitgangspunt hierbij is een gelijke bedrijfsomvang, uitgedrukt in aantal stuks productief vee of bij akkerbouwbedrijven; in inhoud opstallen exclusief bedrijfswoning. Wanneer er sprake is van bedrijfsuitbreiding, worden de kosten verbonden aan de uitbreiding buiten de subsidie gehouden. Investeringskosten dienen te worden onderbouwd met offertes;
Als sprake is van staatssteun, wordt subsidie verleend met inachtneming van hoofdstuk I en artikel 14 en 16 van de landbouwvrijstellingsverordening.
In artikel 14.1.6 Subsidieplafond wordt ‘€ 700.000,-’ vervangen door: € 1.663.000,- .
In artikel 15.1.1 wordt ‘leefgebied’ vervangen door: subsidiegebied.
In artikel 15.1.2 onder a, wordt ‘leefgebied’ vervangen door: subsidiegebied.
In artikel 15.2 Subsidieontvangers (doelgroep), wordt ‘leefgebied’ vervangen door: subsidiegebied.
Artikel 16.1 Subsidiecriteria, de aanhef van het eerste lid komt te luiden:
In de bijlage bij hoofdstuk 1, artikel 1.1 wordt het begrip ‘aangewezen leefgebied wolf’ vervangen door: aangewezen subsidiegebied wolf: door gedeputeerde staten van Utrecht vastgesteld gebied waarbinnen het voorkomen van wolven regelmatig te verwachten is, en waarvan de begrenzing opgenomen is in de bijlage bij hoofdstuk 15 van deze regeling.
In bijlage bij hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters wordt ‘Aangewezen leefgebied wolf’ vervangen door ‘Aangewezen subsidiegebied wolf’.
Het onderschrift bij de kaart komt te luiden:
Op deze kaart is de begrenzing vastgesteld van het gebied waarbinnen subsidie kan worden aangevraagd, te weten ‘De Utrechtse Heuvelrug’, ruim begrensd via de buitengrenzen van de gemeenten: Amersfoort, Soest, Baarn, De Bilt, Bunnik, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede, Woudenberg, Rhenen, Renswoude, Houten en Leusden (het Aangewezen subsidiegebied wolf).
De toelichting wordt als volgt gewijzigd:
Hoofdstuk 8 Verplaatsing landbouwbedrijven Utrecht
Hoofdstuk 8 Verplaatsing landbouwbedrijven Utrecht
Met dit hoofdstuk kan subsidie verleend worden voor de verplaatsing van een landbouwbedrijf als daarmee een bijdrage wordt geleverd aan reductie van de stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied en/of uitbreiding van het Natuurnetwerk. De maximale hoogte van de subsidie wordt bepaald op grond van de mate waarin de verplaatsing bijdraagt aan deze doelen.
Zowel een kwalitatieve verplichting tot extensieve landbouw als een kwalitatieve verplichting tot het realiseren van natuurdoelen is mogelijk.
In de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn regels met betrekking tot de zogenoemde herinvesteringsreserve (HIR) opgenomen. Door middel van de HIR kunnen – kort gezegd – onder voorwaarden boekwinsten die worden behaald bij de vervreemding van bedrijfsmiddelen, worden gereserveerd waardoor deze boekwinsten voor de inkomstenbelasting (onderscheidenlijk voor de vennootschapsbelasting) niet direct tot de winst worden gerekend. Bij herinvestering in een ander bedrijfsmiddel kan de HIR vervolgens worden afgeboekt op de te activeren aanschaffings- of voortbrengingskosten van het nieuwe bedrijfsmiddel. Bij bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven of waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, geldt dat afboeking van de HIR slechts plaatsvindt voor zover de HIR is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte of voortgebrachte bedrijfsmiddelen. Indien sprake is van een vervreemding als gevolg van overheidsingrijpen geldt de voorwaarde van «eenzelfde economische functie» echter niet. Er is onder andere sprake van overheidsingrijpen voor de toepassing van de HIR als een regeling is aangewezen als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak. Deze aanwijzing vindt plaats in het UBIB 2001.
Door deze provinciale regeling aan te wijzen als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak, is de vorming een HIR in het kader van voornoemde regelingen op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel of de bedrijfsmiddelen waarin wordt geherinvesteerd die niet eenzelfde economische functie hebben, mogelijk. Aan de overige voorwaarden van de HIR moet uiteraard wel worden voldaan.
Lid 2, onderdeel c. Voorwaarde is dat de verplaatsing de uitvoering van de Omgevingswetprogramma's die bijdragen aan de genoemde doelen niet hindert. Hiermee is geborgd dat de verplaatsing past in het bredere kader dat met het oog op de lange termijn is opgesteld en is afgestemd op de andere doelstellingen voor het landelijk gebied van de provincie, zodat de activiteiten van het landbouwbedrijf op de nieuwe locatie niet andere belangen of projecten van de provincie in de weg zitten.
Lid 2, onderdeel d. Door de eis te stellen dat op de hervestigingslocatie gebruik wordt gemaakt van een bestaande toestemming (vergunning), is gewaarborgd dat de stikstofemissie op de nieuwe locatie niet toeneemt. Het woord `gebruik maken’ is gebruikt, om bijvoorbeeld intern salderen met de stikstofdepositieruimte niet uit te sluiten.
Lid 2, onderdeel e. Om te voldoen aan de omgevingswaarde voor de stikstofdepositie in artikel 2.15 a, eerste lid van de Omgevingswet wordt voor de hervestigingslocatie als regel een afstand tot de stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied van 500 meter gehanteerd.
Lid 3. Gedeputeerde Staten kunnen onder voorwaarde subsidie verlenen voor een verplaatsing naar een nieuwe locatie op een kortere afstand dan 500 meter, maar met een minimum van 250 meter afstand tot het dichtsbijzijnde stikstofgevoelige habitat in een Natura 2000-gebied. Bijna altijd zal pas op een afstand van meer dan 500 meter een nieuwe locatie voor een veehouder een goed toekomstperspectief bieden en een belangrijke verbetering opleveren voor de natuur. Soms zal langer wachten op een betere locatie alleen het hele gebiedsproces maar ophouden, terwijl bijvoorbeeld verplaatsing van de oude locatie een onmisbare schakel oplevert in de verbinding van twee Natura 2000-gebieden. Gedeputeerde Staten kunnen met dit derde lid voorwaarden verbinden aan bijvoorbeeld het aantal Grootvee-eenheden (GVE) op de nieuwe locatie.
In dit artikel is verduidelijkt dat niet voor het hele project de instemming van de grondeigenaar noodzakelijk is, maar alleen voor de kwalitatieve verplichtingen, de eigendomsoverdracht en de intrekking van de natuurvergunning. De grondeigenaar hoeft niet in te stemmen met de nieuwe locatie.
Lid 2. geeft Gedeputeerde Staten de vrijheid een kwalitatieve verplichting op te leggen ten behoeve van een of beide doelen van dit hoofdstuk. Het artikel verplicht niet tot een kwalitatieve verplichting die landbouw geheel uitsluit. Om de overblijvende grondgebonden veehouderijen in een gebied een rendabele bedrijfsomvang of een huiskavel van voldoende omvang te geven, kan soms niet alle grond of niet dezelfde grond voor of natuur of extensieve landbouw worden gebruikt.
Gedeputeerde Staten kunnen afzien van een kwalitatieve verplichting, wanneer bijvoorbeeld de voorwaarden als voorschriften in het omgevingsplan worden opgelegd.
Artikel 8.7 Hoogte van de subsidie
De verwoording van het derde lid, onderdeel a, onder iii, laat ruimte voor Gedeputeerde Staten om hectares mee te rekenen, die geruild kunnen worden tegen grond binnen de NNN of de groene contour.
Het derde lid, onderdeel b stelt voor elke reductie van 1 mol een maximumvergoeding van € 30.000 vast. Dit bedrag is gebaseerd het ervaringsgegeven dat een reductie van 1 mol gerealiseerd wordt door de verplaatsing van een stal met ongeveer 30 melkkoeien op een afstand van 500 meter of minder van een Natura 2000-gebied. De gemiddelde kosten van de verplaatsing van een stal worden geraamd op € 1000 per melkkoe of GrootVeeEenheid (GVE).
Er is aangesloten bij de Landbouwvrijstellingsverordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 (LW), waardoor er bij subsidieverstrekking op basis van dit hoofdstuk sprake is van een geoorloofde vorm van staatssteun. Hierbij is gebruik gemaakt van de artikelen 14 en 16 LW. De doelen van deze subsidieregeling sluiten aan bij artikel 14, lid 3 onderdeel d van de LW, namelijk de verwezenlijking van agromilieuklimaat doelstellingen, waaronder die in verband met de staat van instandhouding van de biodiversiteit van soorten en habitats, en de vergroting van de maatschappelijke belevingswaarde van een Natura 2000-gebied of van andere systemen met hoge natuurwaarden, als bepaald in de nationale of regionale plattelands-ontwikkelingsprogramma's van de lidstaten.
In de Toelichting op Hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters wordt ’leefgebied’ vervangen door: subsidiegebied.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-9805.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.