Besluit van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 3 juni 2025, nr. UTSP-8141755331-843 tot wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht

Gedeputeerde staten van Utrecht;

 

Gelet op het gestelde in de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022, de Beleidsregel exploitatiesubsidies, de Beleidsregel projectsubsidies en de Beleidsregel Toezicht en naleving subsidieverplichtingen provincie Utrecht;

 

Overwegende dat:

het gewenst is om het ondernemen van activiteiten die de leefgebieden van bedreigde soorten vergroten of verbeteren een extra stimulans te geven door de voorbereidingskosten om te komen tot een projectplan aan de subsidiabele kosten toe te voegen en het minimumbedrag te verlagen tot € 2500,- op grond van artikel 1.4, eerste lid van de Algemene subsidieverordening provincie Utrecht 2022;

 

het gewenst is om de huidige Subsidieregeling Verplaatsing landbouwbedrijven in te trekken en als hoofdstuk 8 op te nemen in de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht zoals vastgesteld op 10 december 2024;

 

het gewenst om in het onderdeel Innovatie en kennisontwikkeling van hoofdstuk 14 Beperking Bodemdaling Utrechtse Veenweiden het subsidieplafond op te hogen om meer aanvragen te kunnen honoreren;

 

het nodig is om ‘Aangewezen Leefgebied wolf’ te vervangen door ‘Aangewezen Subsidiegebied wolf’ omdat hiermee wordt aangesloten bij het Interprovinciaal Wolvenplan-addendum van 13 april 2023 van het IPO;

 

er een zinsnede was weggevallen bij de verwijzing naar het provinciale meerjarendoel voor Leefbaarheid in het landelijk gebied en kleine kernen;

 

Besluiten:

Artikel I  

De Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Artikel 3.4 lid a wordt gewijzigd in:

  • a.

    het aangevraagde subsidiebedrag minder bedraagt dan € 2500,-;

B.

 

Artikel 3.7 lid 1 wordt gewijzigd in:

  • 1.

    De subsidies bedragen minimaal € 2500,-.

C.

 

In artikel 3.8 Subsidiabele kosten worden de onderdelen a tot en met g verletterd tot b tot en met h en wordt een nieuw onderdeel a ingevoegd, luidende:

 

  • a.

    Voorbereidingskosten om te komen tot een projectplan, die tot maximaal 18 maanden voor het indienen van de aanvraag gemaakt zijn;

D.

 

Er wordt een hoofdstuk 8 ingevoegd dat als volgt luidt:

 

Hoofdstuk 8 Verplaatsing landbouwbedrijven

 

Artikel 8.1 Subsidiecriteria

  • 1.

    In het kader van de provinciale meerjarendoelen 2.1.1 “het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verder gerealiseerd (groter van oppervlakte)”, 2.1.2 “de Groene Contour is verder gerealiseerd” en 2.2.2 “de biodiversiteit in stad en platteland is verbeterd” kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteit: verplaatsing van een landbouwbedrijf waarvan de huidige locatie in de provincie Utrecht ligt.

  • 2.

    Subsidie wordt slechts verstrekt als de activiteit, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de volgende criteria:

    • a.

      de activiteit leidt tot of draagt bij aan stikstofreductie in een of meer voor stikstof gevoelige habitats in Natura-2000-gebieden; of

    • b.

      de activiteit leidt tot of draagt bij aan de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland; en

    • c.

      de activiteit hindert niet de uitvoering van de programma’s van de provincie Utrecht ten behoeve van:

      • i.

        stikstofreductie in een of meer voor stikstof gevoelige habitats in Natura-2000-gebieden;

      • ii.

        de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland;

      • iii.

        de reductie van uitstoot van CO2 vanwege bodemdaling;

      • iv.

        de reductie van de uitstoot van methaan;

      • v.

        het behalen van de waterkwaliteits- en kwantiteitsdoelstellingen;

      • vi.

        het behalen van de doelstellingen ten aanzien van klimaatadaptatie; en

      • vii.

        de transitie naar kringlooplandbouw, natuurinclusieve landbouw en extensieve veeteelt;

    • d.

      op de hervestigingslocatie wordt gebruik gemaakt van een bestaande natuurtoestemming in de zin van artikel 6, derde lid van de Habitatrichtlijn; en

    • e.

      de hervestigingslocatie bevindt zich:

      • i.

        op ten minste 50o meter afstand tot de dichtsbijzijnde stikstofgevoelige habitat in een Natura 2000-gebied;

      • ii.

        buiten het Natuurnetwerk Nederland; en

      • iii.

        buiten de Groene Contour.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid , aanhef en onder e, sub i kunnen Gedeputeerde Staten onder voorwaarden subsidie verstrekken voor een verplaatsing van een landbouwbedrijf naar een hervestigingslocatie op een afstand van ten minste 250 meter tot het dichtsbijzijnde stikstofgevoelige habitat in een Natura 2000-gebied.

Artikel 8.2 Subsidieontvangers (doelgroep)

Subsidie als bedoeld in artikel 8.1 kan uitsluitend worden verstrekt aan de eigenaar of gebruiksgerechtigde van een landbouwbedrijf.

 

Artikel 8.3 Aanvraag

  • 1.

    Subsidieaanvragen kunnen het gehele jaar worden ingediend.

  • 2.

    De verdeling van het beschikbare budget vindt plaats op basis van volgorde van ontvangst met inachtneming van artikel 2.2 AsvpU.

  • 3.

    Voor zover een aanvraag voor subsidieverlening niet wordt ingediend door de eigenaar, gaat de aanvraag, vergezeld van een ondertekende en gedagtekende verklaring van de eigenaar van geen bezwaar over het intrekken van de natuurtoestemming, het wijzigen van het omgevingsplan, de eigendomsoverdracht of het vestigen van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 8.5, tweede lid, aanhef en onder b.

Artikel 8.4 Weigeringsgronden

Subsidie wordt geweigerd als:

  • a.

    op de bedrijfskavel, of daarbij behorende grond, juridisch planologisch is voorzien in woningbouw, tenzij de ruimte-voor-ruimte regeling als bedoeld in artikel 9.11 van de Omgevingsverordening van toepassing is;

  • b.

    aan de aanvrager voor de betreffende bedrijfsgebouwen en gronden een schadeloosstelling is betaald op grond van de Onteigeningswet;

  • c.

    de kosten voor bedrijfsverplaatsing uit anderen hoofde worden of kunnen worden vergoed;

  • d.

    de subsidieaanvrager een onderneming is die in financiële moeilijkheden verkeert, als bedoeld in de richtsnoeren inzake staatssteun voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU 2014/C 249/01);

  • e.

    ten tijde van de indiening van de aanvraag de koopovereenkomst al is gesloten of de kwalitatieve verplichting al is gevestigd zonder ontbindende voorwaarden gerelateerd aan de subsidieverlening, tenzij de provincie partij is bij deze overeenkomst;

  • f.

    het aangevraagde subsidiebedrag minder dan € 25.000,- bedraagt.

Artikel 8.5 Verplichtingen

  • 1.

    De subsidieontvanger is verplicht:

    • a.

      het daartoe bevoegde gezag te verzoeken de natuurtoestemming, bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, aanhef en onder d voor de landbouwactiviteit van het te verplaatsen landbouwbedrijf op de bestaande locatie in te trekken, waarbij Gedeputeerde Staten vrij zijn te beschikken over de vrijgekomen stikstofdepositieruimte;

    • b.

      de hervestiging van een volwaardig landbouwbedrijf op de hervestigingslocatie binnen 24 maanden na de datum van het besluit tot subsidieverlening te realiseren.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kunnen de subsidieontvanger de volgende verplichtingen worden opgelegd:

    • a.

      de gronden waarop het te verplaatsen landbouwbedrijf wordt uitgeoefend te verkopen en in eigendom over te dragen aan de provincie Utrecht; of

    • b.

      ten laste van de gronden van het te verplaatsen landbouwbedrijf een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 6:252 van het Burgerlijk Wetboek te laten vestigen ten gunste van de provincie Utrecht in overeenstemming met één of beide doelen genoemd in artikel 8.1, tweede lid aanhef en onder a en b.

  • 3.

    De kwalitatieve verplichting, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder b, wordt bij notariële akte opgemaakt en ingeschreven in de openbare registers.

  • 4.

    De subsidie kan worden verleend onder de opschortende voorwaarde van :

    • a.

      ondertekening door de provincie Utrecht en de eigenaar van de landbouwgronden van een overeenkomst van koop en verkoop van de gronden, dan wel een overeenkomst tot vestiging van een kwalitatieve verplichting ten laste van deze gronden; of

    • b.

      toedeling van de gronden aan de provincie Utrecht op grond van een vrijwillige kavelruilovereenkomst of in een inrichtingsbesluit als bedoeld in artikel 12.7 van de Omgevingswet.

Artikel 8.6 Subsidieplafond

Het subsidieplafond bedraagt voor 2025 € 1.250.000,-.

 

Artikel 8.7 Hoogte van de subsidie

  • 1.

    De subsidie bedraagt minimaal € 25.000,- en maximaal € 500.000,-.

  • 2.

    De hoogte van de subsidie bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van de subsidiabele kosten, genoemd in artikel 8.8, aanhef en onder a;

    • b.

      100% van de subsidiabele kosten, genoemd in artikel 8.8, aanhef en onder b;

    • c.

      65% van de subsidiabele kosten, genoemd in artikel 8.8, aanhef en onder c;

    • d.

      voor jonge landbouwers maximaal 80% van de subsidiabele kosten, genoemd in artikel 8.8, aanhef en onder c.

  • 3.

    De hoogte van de subsidie bedraagt € 20.000,- voor elke, door de bedrijfsverplaatsing en ten behoeve van natuurontwikkeling vrijkomende hectare, die:

    • a.

      binnen het NNN of de Groene Contour ligt;

    • b.

      naar het oordeel van de Gedeputeerde Staten geschikt is om te worden (her)begrensd als NNN; of

    • c.

      naar het oordeel van Gedeputeerde Staten kan worden geruild tegen grond, die ligt binnen het NNN of de Groene Contour, dan wel geschikt is om te worden herbegrensd als NNN.

  • 4.

    Het bedrag dat volgt uit het derde lid wordt vermeerderd met € 30.000,- voor elke door de bedrijfsverplaatsing gerealiseerde reductie van 1 mol stikstof per hectare per jaar op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden.

  • 5.

    Gedeputeerde Staten gaan bij de beoordeling van de stikstofdepositie uit van de op het moment van beslissing op de subsidieaanvraag meest recente versie van AERIUS Calculator, zoals beschikbaar op AERIUS.nl.

Artikel 8.8 Subsidiabele kosten

Voor de activiteiten, bedoeld in artikel 8.1 zijn de volgende kosten subsidiabel, mits deze aantoonbaar zijn en voldoen aan artikel 4.8 van de AsvpU en de Beleidsregel projectsubsidies:

  • a.

    kosten voor voorbereiding, waaronder in ieder geval notaris-, kadastrale, makelaars- en advieskosten voor het opstellen van het financieel plan met een begroting inclusief accountantsverklaringen;

  • b.

    kosten van het demonteren, verhuizen en weer opbouwen van bestaande installaties en faciliteiten;

  • c.

    kosten voor investeringen. Deze worden berekend als het verschil tussen de kosten van de koopsom en eventueel (aanvullende) investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie minus de getaxeerde waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie. Uitgangspunt hierbij is een gelijke bedrijfsomvang, uitgedrukt in aantal stuks productief vee of bij akkerbouwbedrijven; in inhoud opstallen exclusief bedrijfswoning. Wanneer er sprake is van bedrijfsuitbreiding, worden de kosten verbonden aan de uitbreiding buiten de subsidie gehouden. Investeringskosten dienen te worden onderbouwd met offertes;

  • d.

    in het geval de te verlaten bedrijfskavel in (erf)pacht is, wordt, in afwijking van het gestelde onder c, voor het berekenen van de kosten voor investeringen niet de koopsom gehanteerd, maar de door een beëdigd taxateur bepaalde agrarische gebruikswaarde in het economisch verkeer.

Artikel 8.9 Staatssteun

Als sprake is van staatssteun, wordt subsidie verleend met inachtneming van hoofdstuk I en artikel 14 en 16 van de landbouwvrijstellingsverordening.

 

E.

 

In artikel 14.1.6 Subsidieplafond wordt ‘€ 700.000,-’ vervangen door: € 1.663.000,- .

 

F.

 

In artikel 15.1.1 wordt ‘leefgebied’ vervangen door: subsidiegebied.

In artikel 15.1.2 onder a, wordt ‘leefgebied’ vervangen door: subsidiegebied.

In artikel 15.2 Subsidieontvangers (doelgroep), wordt ‘leefgebied’ vervangen door: subsidiegebied.

 

G.

 

Artikel 16.1 Subsidiecriteria, de aanhef van het eerste lid komt te luiden:

  • 1.

    In het kader van het provinciale meerjarendoel 2.5.1 ‘de leefbaarheid van het landelijk gebied en de kleine kernen is beter’ kan subsidie worden verstrekt voor de volgende activiteiten:

H.

 

In de bijlage bij hoofdstuk 1, artikel 1.1 wordt het begrip ‘aangewezen leefgebied wolf’ vervangen door: aangewezen subsidiegebied wolf: door gedeputeerde staten van Utrecht vastgesteld gebied waarbinnen het voorkomen van wolven regelmatig te verwachten is, en waarvan de begrenzing opgenomen is in de bijlage bij hoofdstuk 15 van deze regeling.

 

I.

 

In bijlage bij hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters wordt ‘Aangewezen leefgebied wolf’ vervangen door ‘Aangewezen subsidiegebied wolf’.

Het onderschrift bij de kaart komt te luiden:

Op deze kaart is de begrenzing vastgesteld van het gebied waarbinnen subsidie kan worden aangevraagd, te weten ‘De Utrechtse Heuvelrug’, ruim begrensd via de buitengrenzen van de gemeenten: Amersfoort, Soest, Baarn, De Bilt, Bunnik, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede, Woudenberg, Rhenen, Renswoude, Houten en Leusden (het Aangewezen subsidiegebied wolf).

 

J.

 

De toelichting wordt als volgt gewijzigd:

 

Hoofdstuk 8 Verplaatsing landbouwbedrijven Utrecht

[gereserveerd)

 

wordt vervangen door:

 

Hoofdstuk 8 Verplaatsing landbouwbedrijven Utrecht

Algemene toelichting

Met dit hoofdstuk kan subsidie verleend worden voor de verplaatsing van een landbouwbedrijf als daarmee een bijdrage wordt geleverd aan reductie van de stikstofdepositie op een stikstofgevoelig Natura 2000-gebied en/of uitbreiding van het Natuurnetwerk. De maximale hoogte van de subsidie wordt bepaald op grond van de mate waarin de verplaatsing bijdraagt aan deze doelen.

Zowel een kwalitatieve verplichting tot extensieve landbouw als een kwalitatieve verplichting tot het realiseren van natuurdoelen is mogelijk.

In de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn regels met betrekking tot de zogenoemde herinvesteringsreserve (HIR) opgenomen. Door middel van de HIR kunnen – kort gezegd – onder voorwaarden boekwinsten die worden behaald bij de vervreemding van bedrijfsmiddelen, worden gereserveerd waardoor deze boekwinsten voor de inkomstenbelasting (onderscheidenlijk voor de vennootschapsbelasting) niet direct tot de winst worden gerekend. Bij herinvestering in een ander bedrijfsmiddel kan de HIR vervolgens worden afgeboekt op de te activeren aanschaffings- of voortbrengingskosten van het nieuwe bedrijfsmiddel. Bij bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven of waarop in meer dan tien jaren pleegt te worden afgeschreven, geldt dat afboeking van de HIR slechts plaatsvindt voor zover de HIR is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte of voortgebrachte bedrijfsmiddelen. Indien sprake is van een vervreemding als gevolg van overheidsingrijpen geldt de voorwaarde van «eenzelfde economische functie» echter niet. Er is onder andere sprake van overheidsingrijpen voor de toepassing van de HIR als een regeling is aangewezen als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak. Deze aanwijzing vindt plaats in het UBIB 2001.

Door deze provinciale regeling aan te wijzen als nationale regelgeving die leidt tot herstructurering of beëindiging van een bedrijfstak, is de vorming een HIR in het kader van voornoemde regelingen op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van een bedrijfsmiddel of de bedrijfsmiddelen waarin wordt geherinvesteerd die niet eenzelfde economische functie hebben, mogelijk. Aan de overige voorwaarden van de HIR moet uiteraard wel worden voldaan.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 8.1 Subsidiecriteria.

Lid 2, onderdeel c. Voorwaarde is dat de verplaatsing de uitvoering van de Omgevingswetprogramma's die bijdragen aan de genoemde doelen niet hindert. Hiermee is geborgd dat de verplaatsing past in het bredere kader dat met het oog op de lange termijn is opgesteld en is afgestemd op de andere doelstellingen voor het landelijk gebied van de provincie, zodat de activiteiten van het landbouwbedrijf op de nieuwe locatie niet andere belangen of projecten van de provincie in de weg zitten.

 

Lid 2, onderdeel d. Door de eis te stellen dat op de hervestigingslocatie gebruik wordt gemaakt van een bestaande toestemming (vergunning), is gewaarborgd dat de stikstofemissie op de nieuwe locatie niet toeneemt. Het woord `gebruik maken’ is gebruikt, om bijvoorbeeld intern salderen met de stikstofdepositieruimte niet uit te sluiten.

 

Lid 2, onderdeel e. Om te voldoen aan de omgevingswaarde voor de stikstofdepositie in artikel 2.15 a, eerste lid van de Omgevingswet wordt voor de hervestigingslocatie als regel een afstand tot de stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied van 500 meter gehanteerd.

 

Lid 3. Gedeputeerde Staten kunnen onder voorwaarde subsidie verlenen voor een verplaatsing naar een nieuwe locatie op een kortere afstand dan 500 meter, maar met een minimum van 250 meter afstand tot het dichtsbijzijnde stikstofgevoelige habitat in een Natura 2000-gebied. Bijna altijd zal pas op een afstand van meer dan 500 meter een nieuwe locatie voor een veehouder een goed toekomstperspectief bieden en een belangrijke verbetering opleveren voor de natuur. Soms zal langer wachten op een betere locatie alleen het hele gebiedsproces maar ophouden, terwijl bijvoorbeeld verplaatsing van de oude locatie een onmisbare schakel oplevert in de verbinding van twee Natura 2000-gebieden. Gedeputeerde Staten kunnen met dit derde lid voorwaarden verbinden aan bijvoorbeeld het aantal Grootvee-eenheden (GVE) op de nieuwe locatie.

 

Artikel 8.4 Aanvraag

In dit artikel is verduidelijkt dat niet voor het hele project de instemming van de grondeigenaar noodzakelijk is, maar alleen voor de kwalitatieve verplichtingen, de eigendomsoverdracht en de intrekking van de natuurvergunning. De grondeigenaar hoeft niet in te stemmen met de nieuwe locatie.

 

Artikel 8.6 Verplichtingen

Lid 2. geeft Gedeputeerde Staten de vrijheid een kwalitatieve verplichting op te leggen ten behoeve van een of beide doelen van dit hoofdstuk. Het artikel verplicht niet tot een kwalitatieve verplichting die landbouw geheel uitsluit. Om de overblijvende grondgebonden veehouderijen in een gebied een rendabele bedrijfsomvang of een huiskavel van voldoende omvang te geven, kan soms niet alle grond of niet dezelfde grond voor of natuur of extensieve landbouw worden gebruikt.

Gedeputeerde Staten kunnen afzien van een kwalitatieve verplichting, wanneer bijvoorbeeld de voorwaarden als voorschriften in het omgevingsplan worden opgelegd.

 

Artikel 8.7 Hoogte van de subsidie

De verwoording van het derde lid, onderdeel a, onder iii, laat ruimte voor Gedeputeerde Staten om hectares mee te rekenen, die geruild kunnen worden tegen grond binnen de NNN of de groene contour.

Het derde lid, onderdeel b stelt voor elke reductie van 1 mol een maximumvergoeding van € 30.000 vast. Dit bedrag is gebaseerd het ervaringsgegeven dat een reductie van 1 mol gerealiseerd wordt door de verplaatsing van een stal met ongeveer 30 melkkoeien op een afstand van 500 meter of minder van een Natura 2000-gebied. De gemiddelde kosten van de verplaatsing van een stal worden geraamd op € 1000 per melkkoe of GrootVeeEenheid (GVE).

Artikel 8.9 Staatssteun

Er is aangesloten bij de Landbouwvrijstellingsverordening (EU) 2022/2472 van de Commissie van 14 december 2022 (LW), waardoor er bij subsidieverstrekking op basis van dit hoofdstuk sprake is van een geoorloofde vorm van staatssteun. Hierbij is gebruik gemaakt van de artikelen 14 en 16 LW. De doelen van deze subsidieregeling sluiten aan bij artikel 14, lid 3 onderdeel d van de LW, namelijk de verwezenlijking van agromilieuklimaat doelstellingen, waaronder die in verband met de staat van instandhouding van de biodiversiteit van soorten en habitats, en de vergroting van de maatschappelijke belevingswaarde van een Natura 2000-gebied of van andere systemen met hoge natuurwaarden, als bepaald in de nationale of regionale plattelands-ontwikkelingsprogramma's van de lidstaten.

In de Toelichting op Hoofdstuk 15 Wolfwerende rasters wordt ’leefgebied’ vervangen door: subsidiegebied.

Artikel II Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na de datum van uitgifte van het provinciaal blad waarin het wordt geplaatst.

Artikel III Intrekken

Met het in werking treden van deze wijziging van de Subsidieregeling Leefomgeving landelijk gebied provincie Utrecht wordt de “Subsidieregeling verplaatsing landbouwbedrijven Utrecht ”, van 9 maart 2023, nr. UTSP-1088738041- 9762 ingetrokken.

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van Utrecht van 3 juni 2025.

Voorzitter,

mr. J.H. Oosters

Secretaris,

mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen

Naar boven