Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2025, 7858 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2025, 7858 | ander besluit van algemene strekking |
Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland houdende GLB/NSP openstelling en vaststelling subsidieplafond Samenwerking voor innovatie in het kader van EIP Zeeland 2025
Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 13 mei 2025, kenmerk 677593, houdende openstelling en vaststelling subsidieplafond Samenwerking voor innovatie in het kader van EIP Zeeland 2025.
Gedeputeerde Staten van Zeeland,
Overwegende dat voor verstrekking van subsidie in het kader van hoofdstuk 2, paragraaf 5 ‘Samenwerking voor innovatie in het kader van EIP’ van de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Zeeland een openstellingsperiode en een subsidieplafond dient te worden vastgesteld en nadere regels kunnen worden gesteld;
Vast te stellen dat aanvragen voor het verstrekken van subsidie in het kader van hoofdstuk 2, paragraaf 5 ‘Samenwerking voor innovatie in het kader van EIP’ van de Verordening Europese Landbouwsubsidies 2023-2027 Zeeland (hierna: de Verordening) kunnen worden ingediend met ingang van 17 juni 2025, 09.00 uur, tot en met 15 oktober 2025, 17.00 uur.
Vast te stellen dat de vaststelling van de begroting door Provinciale Staten kan leiden tot een verlaging van het subsidieplafond en te besluiten dat, indien de binnen de openstellingsperiode ingediende volledige subsidieaanvragen het verlaagde subsidieplafond te boven gaan, het beschikbare bedrag wordt verdeeld op volgorde van puntenaantal beginnend bij de aanvraag met de meeste punten, en indien daarbij het plafond wordt overschreden er wordt verdeeld door middel van loting;
In aansluiting op de artikelen 1 en 2.5.1. van de Verordening wordt in dit openstellingsbesluit verstaan onder:
Bedrijfsmiddelen: Bedrijfsmiddelen zijn zaken die worden gebruikt in een onderneming en die niet bestemd zijn voor verkoop. Deze middelen zijn nodig in de onderneming om producten te kunnen maken of diensten te kunnen verlenen. Denk aan machines, transportmiddelen, gereedschappen, inventaris en dergelijke;
GVE: grootvee-eenheden volgens de vereenvoudigde omzettingscoëfficiënten bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2021/2290 van de Commissie van 21 december 2021 tot vaststelling van regels voor de berekeningsmethoden voor de gemeenschappelijke output- en resultaatindicatoren die zijn opgenomen in bijlage I bij Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 458).
Landbouwer: een natuurlijke of rechtspersoon of een groep natuurlijke of rechtspersonen die landbouwproducten produceert als bedoeld in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, bijlage I, met uitzondering van visserijproducten, alsmede hakhout met korte omlooptijd of die landbouwareaal in een staat houdt die begrazing of teelt mogelijk maakt zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die verder gaan dan activiteiten op basis van de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines;
Penvoerder: partij bij een samenwerkingsovereenkomst, die door partijen bij die overeenkomst is aangewezen als de penvoerder van het project waarvoor de subsidie is aangevraagd en die zal optreden als de indiener van de subsidieaanvraag en als rechtsgeldige vertegenwoordiger van de samenwerkende partijen in het samenwerkingsverband;
Samenwerkingsverband: verband dat geen rechtspersoonlijkheid bezit, niet zijnde een vennootschap, bestaand uit ten minste twee niet in een groep verbonden deelnemers, dat is opgericht ten behoeve van de uitvoering van activiteiten. In het kader van dit openstellingsbesluit wordt daarbij bedoelt; samenwerkingsverbanden zonder rechtspersoonlijkheid;
waarvan de deelnemers natuurlijke personen of rechtspersonen, ieder met een andere eigenaar en niet in eigendom van een deelnemende natuurlijke persoon, zijn, en die voldoen aan de concurrentieregels zoals die gelden krachtens de artikelen 206 tot en met 210 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad.
Artikel 2 Subsidiabele activiteit
Overeenkomstig artikel 2.5.2 van de Verordening kan subsidie worden verstrekt voor het uitvoeren van een innovatief samenwerkingsproject dat zich richt op het ontwikkelen, doorontwikkelen of praktijkrijp maken van nieuwe concepten, producten of diensten die bijdragen aan de transitie naar een duurzame en toekomstbestendige landbouw en de uitwisseling van kennis hierover.
Het innovatieve samenwerkingsproject heeft betrekking op één of meerdere van de volgende thema’s:
inspelen op de maatschappelijke verwachtingen inzake voedsel en gezondheid, onder meer wat betreft hoogkwalitatief, veilig en voedzaam voedsel dat op duurzame wijze is geproduceerd, en voorts vermindering van de voedselverspilling, verbetering van het dierenwelzijn, of bestrijding van antimicrobiële resistentie.
Overeenkomstig artikel 1.3, in samenhang met artikel 2.5.3 van de Verordening, kan subsidie als bedoeld in artikel 2.5.2 van de Verordening uitsluitend worden verstrekt aan samenwerkingsverbanden,
Onverminderd artikel 2.5.4. van de Verordening en in aanvulling op de artikelen 1.3 en 1.6 van de Verordening worden aanvragen ingediend via het online portaal van RVO.
In afwijking van artikel 1.8 van de Verordening komen alleen kosten als bedoeld in artikel 1.8, onder a, b en e, voor subsidie in aanmerking, voor zover deze betrekking hebben op de operationele kosten van het samenwerkingsverband en direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten:
Artikel 6 Niet subsidiabele kosten
De kosten als opgenomen in de artikelen 1.10 en 2.5.6 van de Verordening komen niet voor subsidie in aanmerking.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.5 en 2.5.8 van de Verordening wordt subsidie geweigerd indien de te beschikken subsidie bij verlening van het project lager is dan € 25.000.
Subsidieaanvragen die voldoen aan de subsidievereisten en waarop geen weigeringsgronden van toepassing zijn, worden overeenkomstig artikel 2.5.9 van de Verordening door een adviescommissie als bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening beoordeeld en gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria:
1. Effectiviteit van de activiteit
Met dit criterium wordt er gekeken naar de bijdrage die het project, waarvoor subsidie wordt gevraagd, levert aan de NSP doelen van de interventie en de beleidsdoelstelling. De NSP-adviescommissie beoordeelt in het kader van de in artikel 2 genoemde thema’s in welke mate het project bijdraagt aan doelen die staan weergeven in paragrafen 3.1.1 t/m 3.1.9 van het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030 van de Provincie Zeeland (‘wat voegt dit project toe’).
In samenhang worden de volgende aspecten bezien:
Meerwaarde van de beoogde innovatie en in welke mate het project bijdraagt aan minimaal één van de doelen uit artikel 2 van die Openstellingsbesluit en de paragrafen 3.1.1 t/m 3.1.9 van het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030 van de Provincie Zeeland voor het bevorderen van de transitie naar een volhoudbare landbouw.
Voorbeeldwerking van het innovatieproject in breder verband; bij samenwerkingsprojecten gaat het niet alleen om het (potentiële)effect van de innovatie zelf maar ook om de meerwaarde van het samenwerkingsproces op regionaal, nationaal of eventueel mondiaal niveau. Naast de reikwijdte van dergelijke verbanden wordt ook het ontstaan van nieuwe innovatie-verbindingen (zoals cross-overs tussen meerdere sectoren) en nieuw samenspel tussen ketenpartijen positief beoordeeld.
2. De haalbaarheid van de activiteit
Bij projecten binnen deze openstelling wordt de “kans op succes” gedefinieerd als de kans dat de partijen er in slagen het innovatie-idee uit te werken. Dit betekent niet dat het innovatieproject ook moet slagen. Het samenwerkingsverband bestaat al en heeft een haalbare innovatie geïdentificeerd. Activiteiten betreffen uitwerking naar technische specificaties, bouwen, uitwerken businessplan, proefopstelling. Ook onderdelen die betrekking hebben op inrichting van een demonstratie-inrichting en/of activiteiten kennisoverdracht en/of marktintroductie (eerste uitrol) kunnen onderdeel zijn van de aanvraag. De aanvrager levert een goed onderbouwd Plan van Aanpak hiervoor. In de fase “ontwikkelen innovatie” mag men resultaten van voorwerk verwachten, bij een gecombineerde aanvraag is aan te raden in de openstelling te eisen dat de aanvraag een go – no go moment bevat voor de ontwikkelfase.
Bij dit criterium wordt in samenhang gekeken naar de volgende aspecten:
Kwaliteit procesplan voor samenwerking en/of projectplan voor de ontwikkeling van de beoogde innovatie; de kwaliteit van een project- en/of procesplan wordt beoordeeld aan de hand van de beschrijving van het probleem en onderbouwing van de aanpak van activiteiten. Daarnaast dient een proces/projectplan een heldere omschrijving van de beheersmatige aspecten zoals tijdsplanning, kosten, menskracht, organisatie, en risico’s te bevatten.
Blijk van oriëntatie op (technische) haalbaarheid op basis van de kennis die voor handen ligt; hieruit moet blijken of het samenwerkingsverband zich in voldoende mate heeft georiënteerd of gaat oriënteren op bestaande kennis, bestaande praktijken, aanbevelingen en dergelijke rond het beoogde innovatiedoel.
Blijk van oriëntatie op businessmodel en marktpotentieel; hieruit moet blijken of het samenwerkingsverband zich in voldoende mate heeft georiënteerd op het businessmodel achter de innovatie. Daarin spelen de aspecten die bepalen of de toekomstige aanbieder of leverancier een business case heeft voor de innovatie. Het gaat daarbij om zaken zoals het beoogde marktsegment, klantenrelaties, waarde propositie, kostenstructuur en marktprijs.
Bereidheid tot kennisdeling; in hoeverre zegt het samenwerkingsverband toe kennis uit te wisselen met het EIP-netwerk en is er blijk van een actieve opstelling hierbij, bijvoorbeeld is er de bereidheid een buitenlandse presentatie te verzorgen of een buitenlandse groep belangstellenden te ontvangen?
3. De mate van efficiëntie van uitvoering van de activiteit
De efficiëntie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de redelijkheid van kosten - staat de begroting (uren en tarieven) in een reële verhouding tot de geplande prestatie? Hoe is dit aannemelijk gemaakt? Hierbij wordt gelet op:
Met innovatie kan hierbij gedoeld worden op het samenwerkingsproces als zodanig, op het onderwerp van de samenwerking of op beide.
Bij de beoordeling van de innovatie van het samenwerkingsproces wordt gekeken in hoeverre de voorgestelde samenwerking NIEUWE verbanden / verbintenissen tot stand brengt. Hoe meer gangbaar de samenwerking tussen de partijen is, hoe minder punten er zullen worden toegekend.
Voor de beoordeling van het onderwerp van de samenwerking / de beoogde innovatie zelf geldt: het gaat om de meerwaarde die de innovatie heeft, in de zin dat het gaat om het verschil dat het product zelf te weeg kan brengen. Betreft de beoogde innovatie slechts een zeer geringe aanpassing van een bestaand product (of dienst, proces, procedé enz.), dan wordt er geen punt toegekend. Betreft de beoogde innovatie bijvoorbeeld een geheel of vrijwel geheel nieuw product, dan zullen vier of vijf punten toegekend worden.
In samenhang worden de volgende aspecten bezien:
Technisch of sociaal grensverleggend karakter van de innovatie; dit is de beoordeling op het feitelijke vernieuwende van het idee dat tot ontwikkeling wordt gebracht. Behalve, de puur landbouw technische kanten van het idee kan het daarbij ook gaan om de sociale en financiële aspecten daarbij. Daarbij kan gedacht worden aan meer consumentenvertrouwen, nieuwe financieringsvormen of betere arbeidsomstandigheden.
Transitiekarakter van de innovatie; met dit aspect beoordelen we de innovatie naar de bijdrage die het kan leveren aan een structurele verandering naar een toekomstbestendige “duurzame landbouw”. De innovatie wordt daarin in samenhang met maatschappelijke ontwikkelingen en institutionele veranderingen (bijvoorbeeld regelgeving) beschouwd.
Innovatieve waarde van het samenwerkingsverband; op basis van dit aspect wordt gekeken naar de partijen in het samenwerkingsverband. Partijen die nog niet eerder hebben samengewerkt, of partijen die uit andere sectoren (niet landbouw) deelnemen aan de samenwerking maken dat het verband op zich al vernieuwend kan zijn.
Toepassingsgerichtheid van de innovatie; indien de innovatie al in concept al is uitgewerkt, er is bijvoorbeeld al een prototype of model ontwikkeld, maar die wordt nog niet toegepast, dan wordt de innovatie beoordeeld op het oplossend vermogen van het samenwerkingsproject en of men in staat is belemmeringen voor verdere uitrol of marktintroductie weg te nemen.
Bij het criterium innovatie worden de scores conform voorgaande als volgt bezien:
Artikel 11 Wegingsfactoren en rangschikking
Na sluiting van de openstellingstermijn worden aanvragen beoordeeld op basis van de in artikel 10 genoemde selectiecriteria en gerangschikt op volgorde van het aantal toegekende punten, waarbij:
Indien de subsidiabele activiteit wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, en de subsidieontvanger verlenging van die termijn wenselijk acht, kan hij tot uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij gedeputeerde staten tot verlenging van de termijn tot en met uiterlijk 31 december 2028.
In aanvulling op artikel 1.15 van de Verordening is de subsidieontvanger overeenkomstig artikel 2.5.10 van de Verordening verplicht de opgedane kennis en resultaten van het project gedurende de uitvoering van het project openbaar te maken via het Nationale en Europese EIP-netwerk en andere geëigende netwerken.
In aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.16, 1.18, 1.20 en 1.21 van de Verordening gelden overeenkomstig de artikelen 2.5.11 en 2.5.12 van de Verordening de volgende verplichtingen;
Bij voortgangsverslagen en verzoeken tot deelbetalingen en vaststelling van de subsidie geldt de verplichting te rapporteren over:
Het gerealiseerde en eventueel nog te verwachten aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan het samenwerkingsverband heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren;
Aldus vastgesteld in de vergadering van gedeputeerde staten van Zeeland van 13 mei 2025.
H.M. de Jonge, voorzitter
Drs. M.C.J. Franken, secretaris
Bijlage 1: Toelichting bij het Openstellingsbesluit “Samenwerken voor innovatie in het kader van EIP Zeeland 2025”
Voorliggend openstellingsbesluit moet in samenhang gelezen worden met de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027 van de provincie Zeeland .
Met dit openstellingsbesluit wordt paragraaf 5 uit hoofdstuk 2 van de Verordening – de interventie Samenwerking voor innovatie in het kader van EIP – opengesteld. De artikelen 2.5.1 tot en met 2.5.12 van paragraaf 5 uit hoofdstuk 2 van de Verordening moeten tezamen gelezen worden met de artikelen in dit openstellingsbesluit. Daarnaast zijn de algemene bepalingen uit hoofdstuk 1 en slotbepalingen uit hoofdstuk 3 van de Verordening ook van toepassing op een aanvraag.
Deze interventie is gericht op het stimuleren van ondernemersgedreven innovaties door het (door)ontwikkelen, praktijkrijp maken en communiceren van ideeën en ontwikkelingen uit de praktijk via slimme samenwerkingsverbanden (operationele groepen). Innovaties zijn cruciaal voor de Nederlandse landbouw om te verduurzamen, om de GLB-doelen te behalen en om in te kunnen spelen op de meeste geprioriteerde behoeften van onderwerpen die in de komende jaren aanpak behoeven. Daarbij dienen de technische en sociale aspecten van innovaties vaak hand in hand te gaan om effectief steun te verlenen aan het gewenste veranderingsproces in de landbouw. Zo hebben innovaties die enkel zijn gericht op efficiëntieverhoging en kostenbesparing minder duurzaamheidseffect als ze niet tevens bijdragen aan bijvoorbeeld een sterkere positie van de primaire producent in de voedselketen. De voorkeur ligt daarom op innovaties die landbouwers prikkelen om te verduurzamen vanuit de markt of die het ontstaan van nieuwe verdienmodellen stimuleert. De gedachte is dat daarmee tevens de afhankelijkheid van de landbouw van grote hoeveelheden publieke middelen om te verduurzamen op de langere termijn geleidelijk afneemt.
Met behulp van deze openstelling kunnen samenwerkingsprojecten worden gefinancierd die bijdragen aan de transitie naar een duurzame, toekomstbestendige landbouw.
De landelijk vastgestelde innovatiethema’s zijn o.a.:
In artikel 2 van dit openstellingsbesluit is bepaald dat het samenwerkingsproject betrekking dient te hebben op tenminste één van de daarin genoemde thema’s. Als invulling van deze doelen wordt er door de NSP-adviescommissie beoordeeld in welke mate het project bijdraagt aan de doelen uit de paragrafen 3.1.1 t/m 3.1.9 van het Uitvoeringsprogramma Landelijk Gebied 2021-2030 van de Provincie Zeeland voor het bevorderen van de transitie naar een volhoudbare landbouw.
Aanvraag procedure en benodigde documenten
Om in aanmerking te komen voor subsidie op basis van dit openstellingsbesluit moet er een subsidie aanvraag worden ingediend via het online portal van RVO. De link naar het online aanvraagportal wordt enkele dagen voor de openstelling bekend gemaakt via de website van de provincie Zeeland. Om uw aanvraag te kunnen doen is E-herkenning 3 benodigd.
Bij de aanvraag moeten verschillende verplichte bijlagen worden meegestuurd, waaronder het volledig ingevulde format projectplan, een volledig ingevuld format begroting en een onderbouwing van de kosten. Daarnaast kunnen er ook nog één of meerdere bijlagen verplicht zijn in uw situatie, zoals een volledig ingevulde MKB verklaring, een de-minimis steunverklaring of een vergunning, indien deze noodzakelijk is voor het uitvoeren van het project.
Indien de uitvoering van het project langer duurt dan één jaar is het verplicht om een jaarlijks voortgangsverslag in te dienen. Daarbij geldt de verplichting om te rapporteren over het gerealiseerde en eventueel nog te verwachten aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de EIP groep heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren en indien van toepassing; het gerealiseerde en eventueel nog te verwachten aandeel GVE’s vallend onder ondersteunde acties ter verbetering van dierenwelzijn. Daarnaast is het ook mogelijk om maximaal één deelbetalingsverzoek per jaar in te dienen. Na afronding van het project is er 13 weken de tijd om een vaststellingsverzoek in te dienen in het online portal, welke eisen daaraan worden gesteld is afhankelijk van het toegekende subsidie bedrag. De mogelijke arrangementen staan in de toelichting van artikel 5 uitgewerkt.
Het EIP AGRI werkt met Operationele Groepen en bestaat uit boeren, onderzoekers, adviseurs, bedrijven, milieuorganisaties, consumenten belangengroepen en andere NGO's. De Operationele Groepen stellen een plan op voor het ontwikkelen, testen, aanpassen of uitvoeren van het innovatieve project met betrekking tot landbouw. Meer informatie is te vinden op: Externe link: https://www.netwerkplatteland.nl/samenwerken/europese-netwerkpartners/eip-agri
De subsidiabele kosten worden berekend op basis van artikel 1.9a of 1.9b van de Verordening.
Indien gebruik gemaakt wordt van artikel 1.9a van de Verordening, worden de kosten voor eigen arbeid berekend door het aantal aan het project bestede uren te vermenigvuldigen met een uurtarief van € 50. In het geval van loonkosten worden de kosten berekend door, een per medewerker bepaald individueel uurtarief, overeenkomstig het tweede lid, van artikel 1.9a van de Verordening, te vermenigvuldigen met het aantal door de medewerker aan het project bestede uren, waarna dat bedrag met 15% wordt vermeerderd voor overhead. De overige subsidiabele kosten worden vastgesteld op basis van een factuur of een document met gelijkwaardige bewijskracht.
Indien gebruik gemaakt wordt van artikel 1.9b van de Verordening worden de loonkosten en kosten eigen arbeid als bedoeld in artikel 1.8 uit de Verordening, onder a en b, berekend door de overige subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met 0,23%. De overige subsidiabele kosten worden vastgesteld op basis van een factuur of een document met gelijkwaardige bewijskracht.
Artikel 6 Niet subsidiabele kosten
Op grond van de artikelen 1.10 en 2.5.6 van de Verordening komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
kosten van rente, debetrente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, juridische advisering of bijstand ten behoeve van gerechtelijke procedures, boetes en sancties, fooien en geschenken. Personeelsactiviteiten, overboekingen en annuleringen, gratificaties en bonussen, outplacementtrajecten en representatiekosten en -vergoedingen;
de aankoop van niet-bebouwde en bebouwde grond voor een bedrag van meer dan 10% van de totale subsidiabele uitgaven van de betrokken verrichting, met uitzondering van aankoop van land ten behoeve van milieubehoud en het behoud van koolstofrijke bodems tot een maximum van 30% van de totale subsidiabele uitgaven van de betrokken verrichting
investeringen in grootschalige infrastructuur die geen deel uitmaken van de strategieën voor vanuit de gemeenschap geleide lokale ontwikkeling beschreven in artikel 32 van verordening 2021/1060, met uitzondering van investeringen in breedbandinfrastructuur en van preventieve acties tegen overstromingen ter bescherming van de kust, die gericht zijn op inperking van de gevolgen van mogelijke natuurrampen, ongunstige weersomstandigheden of rampzalige gebeurtenissen;
Binnen dit openstellingsbesluit zijn de operationele kosten van het samenwerkingsverband, die direct verbonden zijn met de uitvoering van de subsidiabele activiteiten, subsidiabel gesteld. Operationele kosten van het samenwerkingsverband kennen een subsidiepercentage van 100%, dit betreft alle kosten die te maken hebben met het uitvoeren van het project, met uitzondering van voor het project benodigde investeringen in bedrijfsmiddelen. Onder de operationele kosten valt onder andere het projectmanagement, coördinatie van het samenwerkingsverband, uitvoeren van onderzoek, verbruikskosten gedurende de projectperiode (zoals brandstof), het ontwikkelen van prototypes of modellen, de arbeidskosten besteed aan de uitvoering van het project en tevens het verspreiden van de opgedane kennis. Advies aan agrariërs in de vorm van trainingen en workshops is binnen deze paragraaf niet subsidiabel.
Voor investeringen die benodigd zijn voor het uitvoeren van het innovatieproject kan maximaal 40% subsidie worden verleend. Investeringen in bedrijfsmiddelen zijn vaste activa die voor de bedrijfsvoering worden gebruikt en die behoren tot het ondernemingsvermogen. Het zijn bezittingen die voor langere tijd aan het landbouwbedrijf gebonden zijn die gebruikt worden voor de bedrijfsvoering. Voorbeelden van bedrijfsmiddelen zijn gebouwen, machines en inventaris. Ook software is een bedrijfsmiddel. In het kader van dit openstellingsbesluit zijn investeringen in bedrijfsmiddelen subsidiabel voor de duur van het project. Dit betekent dat wanneer een bedrijfsmiddel van bijvoorbeeld € 100.000 wordt aangeschaft ten behoeve van het innovatieproject en dit bedrijfsmiddel wordt in 5 jaar afgeschreven en het project duurt 3 jaar, dan is € 60.000 van de investering in het bedrijfsmiddel subsidiabel waarover 40% subsidie kan worden verstrekt.
De weigeringsgronden zoals beschreven in artikel 1.5 en 2.5.8 van de Verordening zijn hier van toepassing en onverminderd het bepaalde in artikel 4:25 en 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt subsidie geheel of gedeeltelijk geweigerd indien:
de activiteiten een voorziene negatieve uitwerking hebben op het dierenwelzijn van landbouwhuisdieren, te weten dieren die in het kader van de uitoefening van een landbouwbedrijf worden gehouden in verband met de productie van bijvoorbeeld melk, vlees, wol, veren of eieren of in verband met het berijden van dieren;
Voorts wordt subsidie geweigerd indien de te beschikken subsidie bij verlening minder bedraagt dan € 25.000. Dit volgt uit artikel 2.5.7, eerste lid, van de Verordening.
Voor de verlening en vaststelling van de subsidie gelden afhankelijk van het subsidiebedrag verschillende arrangementen. Zie hiervoor de artikelen 1.7, 1.20 en 1.21 van de Verordening.
Op grond van artikel 1.20 van de Verordening geldt het volgende:
Op grond van artikel 1.21 van de Verordening geldt het volgende:
Naast de verplichtingen die in artikel 12 worden genoemd, gelden ook de algemene verplichtingen uit artikel 1.15 van de Verordening. Dit betreft de navolgende verplichtingen:
De subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband de penvoerder, doet onverwijld schriftelijk mededeling aan Gedeputeerde Staten van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband op een deelnemer aan het samenwerkingsverband, van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, of tot verlening van surseance van betaling aan de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband aan een deelnemer in het samenwerkingsverband, of tot faillietverklaring van de subsidieontvanger, of in geval van een samenwerkingsverband van een deelnemer in het samenwerkingsverband.
De subsidieontvanger is verplicht:
indien sprake is van een investering in infrastructuur of een productieve investering gedurende vijf jaar na de subsidievaststelling te voldoen aan de instandhoudingsverplichting als bedoeld in artikel 65 van verordening 2021/1060, tenzij sprake is van een investering door een mkb-onderneming of sprake is van een investering die leidt tot door een mkb-onderneming gecreëerde banen, in welk geval de instandhoudingsverplichting drie jaar bedraagt;
Aansluiting op het EIP-netwerk en andere innovatie- en kennisnetwerken dragen ertoe bij dat operationele groepen gedurende het gehele project gebruik kunnen maken van beschikbare kennis en ervaring voor een hogere effectiviteit. De ervaring laat zien dat de gang van praktijkrijpe innovaties in de landbouw naar een bredere toepassing ervan door de doelgroep vaak geen vanzelfsprekendheid is. Daarom wordt er bij deze interventie op gelet dat gedurende het innovatieproject voldoende aandacht is voor communicatie. De subsidie ontvanger is verplicht om de resultaten van het project te delen via de hiertoe geëigende netwerken.
Elk project wordt gemeld aan het nationale en Europese EIP netwerk. Het doel hiervan is dat het delen van de kennis die opgedaan wordt tijdens de projecten, door anderen gebruikt kan worden en daardoor bijdraagt aan het moderniseren van de landbouwsector in Nederland en in Europa. Daarnaast kunnen via de netwerken ook interacties ontstaan tussen de verschillende operationele groepen zodat deze elkaar kunnen versterken door een community te vormen. Met Groen Kennisnet, het kennisplatform van de groene sector, is een speciale samenwerking aangegaan. Nadat de subsidie is verleend aan een project maakt Groen Kennisnet voor elk project een pagina aan om de plannen en eindresultaten te delen. Ook tijdens uw project kunt u resultaten delen via Groen Kennisnet. Groen Kennisnet neemt hierover contact met u op.
Bij voorgangsverslagen, verzoeken tot deelbetaling en vaststelling gelden rapportageverplichtingen. Deze verplichtingen worden opgelegd omdat de lidstaten verplicht zijn dergelijke gegevens aan te leveren bij de Europese Commissie. In eerste instantie dient men te rapporteren over het aantal personen dat baat gehad heeft bij het innovatieproject en wordt als volgt in beeld gebracht: het gerealiseerde aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan de EIP groep heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren;
Indien het project betrekking heeft op het dierenwelzijn dan dient men te rapporteren over het gerealiseerde aandeel GVE vallend onder ondersteunde acties ter verbetering van dierenwelzijn, wat als volgt wordt bepaald:
Mogelijke toepassing BIBOB-onderzoek
Wanneer u subsidie aanvraagt kan de Provincie Zeeland gebruik maken van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Bibob). Deze wet dient te voorkomen dat de provincie criminele activiteit(en) faciliteert door subsidie te verlenen.
Wanneer het Bibob-onderzoek op u van toepassing is ontvangt u van ons een brief waarin het Bibob-onderzoek verder wordt uitgelegd. Het onderzoek bestaat uit een uitgebreide vragenlijst die u moet invullen.
https://www.zeeland.nl/bestuur/beleid-en-regelgeving/ondermijning
Op wie is het Bibob-onderzoek van toepassing?
Vraagt u een omgevingsvergunning of een subsidie aan, doet u mee met een overheidsopdracht, of sluit u een vastgoedtransactie met de Provincie Zeeland? Dan kan de Provincie Zeeland gebruikmaken van de Wet Bibob. Op de pagina Bibob beleid staat een lijst van activiteiten waarop wij vaak een Bibob-onderzoek toepassen. Wanneer het Bibob-onderzoek op u van toepassing is ontvangt u van ons een brief waarin het Bibob-onderzoek verder wordt uitgelegd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-7858.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.