Provinciaal blad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2025, 6778 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Provinciaal blad 2025, 6778 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Subsidieregeling ketenontwikkeling waterstof provincie Groningen 2025
In deze regeling wordt verstaan onder:
AGVV: verordening EU 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014, waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, laatstelijk gewijzigd bij Verordening EU 2023/1315 van de Commissie van 23 juni 2023.,
Innovatie: het ontwikkelen of toepassen van nieuwe ideeën, technologieën, processen of producten die een significante verbetering of doorbraak vertegenwoordigen ten opzichte van de bestaande situatie; innovatie wordt geassocieerd met projecten die bijdragen aan de technologische vooruitgang en opschaling binnen de waterstofketen;
Samenwerkingsverband: overeengekomen samenwerking die geen rechtspersoonlijkheid bezit, bestaand uit ten minste drie niet in een groep verbonden partijen, die is opgericht ten behoeve van de uitvoering van projectactiviteiten. Twee derde van de partijen moet binnen de provinciegrenzen van Groningen zijn gevestigd.
Waterstofsector: de sector die zich bezighoudt met de productie, opslag, transport en toepassing van waterstof als energiedrager of grondstof, inclusief de ontwikkeling en implementatie van ondersteunende infrastructuur en technologieën. Voor deze regeling omvat de waterstofsector bedrijven, samenwerkingsverbanden, kennisinstellingen en consortia die actief bijdragen aan het opschalen en verduurzamen van waterstoftoepassingen.
De regeling heeft als doel de ontwikkeling en versterking van een duurzame Waterstofketen in de provincie Groningen te stimuleren.
Subsidie kan worden aangevraagd door een Samenwerkingsverband die een Waterstofketen ontwikkelt. De aanvraag wordt ingediend door een deelnemer van het Samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid, en het project draagt aantoonbaar de instemming van alle deelnemers van het Samenwerkingsverband.
Onverminderd de artikelen 4:25 en 4:35 Awb en de artikelen 2.5 en 2.6 van de Procedureregeling wordt de subsidie in ieder geval geweigerd indien:
het project niet past binnen de beleidsdoelstellingen van de provincie zoals weergegeven in de Economische visie en de Klimaatagenda 2030 van de provincie Groningen;
Om voor subsidie als bedoeld in artikel 5 in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:
Artikel 8 Beoordelingscriteria
Subsidieaanvragen worden beoordeeld op basis van de criteria opgenomen in bijlage II. Bijlage II maakt om die reden integraal onderdeel uit van deze subsidieregeling. De aanvraag krijgt een positieve beoordeling bij het behalen van 80 punten of meer en het voldoen aan de knock-out criteria.
Technische en organisatorische haalbaarheid: de aanvrager moet aantonen dat het project technisch, indien van toepassing, uitvoerbaar is, met een duidelijke beschrijving van de (technische) aanpak en gebruikte methodes of technologieën. Organisatorisch moet de aanvrager inzicht geven in de projectstructuur, inclusief de rolverdeling en verantwoordelijkheden van projectpartners.
Risicobeheersing: de aanvraag dient een gedetailleerde risicoanalyse te bevatten, waarin de belangrijkste projectrisico’s worden geïdentificeerd. De risico’s moeten worden gekoppeld aan mitigerende maatregelen.
Realistisch implementatieplan: voor de realisatiefase dient een planning te worden opgenomen met mijlpalen en concrete tijdslijnen, waarmee de haalbaarheid van de implementatie wordt onderbouwd. Het onderdeel realistisch implementatieplan is alleen van toepassing op activiteiten uit artikel 5, derde en vierde lid.
Kostenraming en prijs-kwaliteitverhouding: de aanvraag moet een gedetailleerde kostenraming bevatten, waaruit blijkt dat de kosten realistisch en proportioneel zijn ten opzichte van de verwachte resultaten. Er moet onderbouwd worden hoe de kosten zijn opgebouwd en uurtarieven moeten voorzien zijn van een onderbouwing waaruit blijkt dat deze marktconform zijn.
Kosten-batenanalyse: de aanvrager moet aantonen dat de financiële investering opweegt tegen de baten, zoals economische groei, versterking van de waterstofketen en duurzaamheidseffecten.
Bijdrage aan regionale ketensamenwerking: in de aanvraag dient te worden beschreven hoe het project een sterke verbinding legt tussen ketenpartners in Groningen en hoe het regionale ecosysteem wordt versterkt.
Economische en technologische voordelen: in de aanvraag moeten concrete voordelen voor de regio beschreven worden, zoals werkgelegenheid, technologische ontwikkeling of versterking van infrastructuur.
Ervaring en complementariteit van partners: in de aanvraag moet worden aangetoond dat alle consortiumleden beschikken over relevante ervaring en expertise. De complementariteit van de partners moet duidelijk zijn en bijdragen aan het succes van het project.
Formele samenwerking: er moet sprake zijn van een vastgelegde samenwerkingsovereenkomst, waarin de rollen en verantwoordelijkheden van de partners zijn uitgewerkt.
Milieueffecten en CO₂-reductie: de aanvrager moet een onderbouwen aanleveren dat het project een significante bijdrage levert aan CO₂-reductie of andere duurzame doelen, zoals het gebruik van hernieuwbare energiebronnen of minimalisatie van afvalstromen.
Duurzame integratie in de keten: de aanvrager moet een onderbouwing aanleveren hoe duurzaamheid structureel wordt verankerd in de waterstofketen, bijvoorbeeld door circulaire processen of energie-efficiëntie.
Nieuwheid van technologieën of processen: de aanvraag moet aantonen dat het project gebruik maakt van innovatieve technologieën, methodieken of processen. Dit kan gaan om nieuwe toepassingen in de waterstofketen, unieke technische oplossingen of baanbrekende samenwerkingen.
Vergroting van de concurrentiekracht: het project moet bijdragen aan de concurrentiepositie van de waterstofsector, zowel regionaal als nationaal. In de aanvraag moet worden toegelicht hoe de innovatie een duurzame meerwaarde creëert.
Betrokkenheid van kennisinstellingen: uit de aanvraag moet blijken dat kennisinstellingen actief betrokken zijn bij het project, bijvoorbeeld door het leveren van specifieke expertise of bijdragen aan onderzoek en ontwikkeling.
Kennisdeling en onderwijs: in de aanvraag moet aangegeven worden hoe het project bijdraagt aan kennisoverdracht, bijvoorbeeld via publicaties, workshops of onderwijsprogramma’s. Stageplaatsen en samenwerking met opleidingen worden hierin meegenomen.
Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie in aanmerking:
Artikel 10 Niet subsidiabele kosten
Onverminderd artikel 1.5 van de Procedureregeling komen de volgende kosten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking:
Artikel 11 Indieningsvereisten
Een subsidieaanvraag kan met ingang van 29 april 2025 worden ingediend bij het Samenwerkingsverband Noord-Nederland via www.snn.nl en is voorzien van een projectplan en alle op de website benoemde bijlagen.
Artikel 17 Verplichtingen van de subsidieontvanger
De subsidieontvanger heeft in aanvulling op artikel 2.10 van de Procedureregeling ieder geval de volgende verplichtingen:
Artikel 18 Bevoorschotting en betaling
Gedeputeerde Staten kunnen onderbouwd afwijken van de in het tweede lid genoemde verstrekking van het voorschot. In ieder geval wordt geen voorschot verleend wanneer de verleningsbeschikking een of meer opschortende of ontbindende voorwaarden bevat. Dit is altijd het geval als de financiering niet zeker is gesteld.
Gedeputeerde Staten verstrekken op aanvraag opvolgende voorschotten op basis van gemaakte en betaalde kosten. Het voorschot bedraagt de in de rapportage verantwoorde gemaakte en betaalde subsidiabele kosten, vermenigvuldigd met het toegestane subsidiepercentage, bedoeld in artikel 14 derde en vierde lid.
Groningen, 15 april 2025
Gedeputeerde Staten van Groningen:
René Paas, voorzitter
Hans Schrikkema, secretaris
Toelichting behorende bij de Subsidieregeling ketenontwikkeling waterstof provincie Groningen 2025
Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Kaderverordening en de Procedureregeling. Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Kaderverordening en Procedureregeling.
Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Kaderverordening en Procedureregeling noodzakelijk. Ook de Awb bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.
In de Klimaatagenda van de provincie Groningen is aangegeven dat de provincie Groningen waterstof ziet als cruciaal onderdeel van de energietransitie en daarom initiatieven op het gebied van waterstof wil ondersteunen. Dit is nader uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma Energie, waarin is vastgesteld dat we als provincie een waterstofecosysteem willen faciliteren waarin voldoende blauwe en groene waterstof beschikbaar is om de Groningse industrie te verduurzamen. Om dit doel te bereiken is het noodzakelijk dat er waterstofketens worden ontwikkeld, zodat er vraag en aanbod van waterstof ontstaat. Daarbij is ook nieuwe kennis en innovatie nodig om nieuwe ontwikkelingen op het gebied van waterstof te faciliteren.
Ook in de Economische Visie van de provincie Groningen wordt herkend dat onze provincie aantrekkelijk is als vestgingslocatie voor een waterstofecosysteem. Ook is het perspectief voor 2035 dat er een sterke integratie is van de industriële sector met de energiesector. Met name op het gebied van CO2 vrije waterstof, die een groene en circulaire industrie mogelijk maakt, en het gebruik van restwarmte door andere bedrijven en huishoudens. Deze regeling is bedoeld om deze ontwikkeling mede mogelijk te maken.
Artikel 5: Subsidiabele activiteiten
De volgende activiteiten komen in aanmerking voor subsidie:
Omschrijving van Activiteit 1 (Fase 1): Haalbaarheidsonderzoek
Haalbaarheidsstudies richten zich op het verkennen van de mogelijkheden en randvoorwaarden voor de ontwikkeling van een waterstofketen of een onderdeel daarvan. Deze activiteit omvat een onderzoek naar de technische, economische en organisatorische aspecten van het project. Daarbij kunnen de volgende elementen worden onderzocht:
Het resultaat van een haalbaarheidsstudie is een rapport dat inzicht biedt in de haalbaarheid van het project en de belangrijkste vervolgstappen. Het doel is om een solide basis te leggen voor eventuele verdere uitwerking of investeringsbeslissingen. Er wordt ruimte gelaten voor een brede interpretatie van wat haalbaarheid betekent, afhankelijk van de aard en schaal van het project.
Omschrijving van Activiteit 2 (Fase 2): Implementatie klaar ontwerp
Bij een implementatieklaar ontwerp wordt een project verder uitgewerkt naar een niveau waarbij directe uitvoering of investeringsbeslissingen mogelijk worden. Dit omvat het opstellen van een concreet plan voor realisatie, inclusief de belangrijkste technische, organisatorische en financiële aspecten. Onderwerpen die aan bod kunnen komen zijn:
Het doel van deze activiteit is om een project naar een concreet en uitvoerbaar niveau te brengen, zodat investeringen met vertrouwen kunnen worden gedaan. Het biedt aanvragers enige ruimte om de mate van detail en diepgang af te stemmen op de omvang en complexiteit van het project.
Verschil tussen Haalbaarheidsstudies en Implementatieklare Ontwerpen
Hoewel beide activiteiten bij moeten dragen aan de ontwikkeling van een waterstofketen, is er een verschil in focus:
Samengevat: haalbaarheidsstudies zijn verkennend, terwijl implementatieklare ontwerpen concreet en uitvoeringsgericht zijn. Beide activiteiten laten voldoende ruimte voor projecten van verschillende omvang en complexiteit om in aanmerking te komen voor subsidie.
Omschrijving van activiteit 3 (Fase 3): Realisatie van de waterstofketen
De realisatie van de waterstofketen richt zich op het daadwerkelijk implementeren van fysieke infrastructuur, installaties, of andere middelen die nodig zijn voor de productie, het transport en de toepassing van groene of blauwe waterstof. De activiteit omvat de bouw of implementatie van technologieën die in eerdere fasen (implementatieklare ontwerpen) zijn voorbereid. Mogelijke (maar niet uitsluitende) onderdelen van deze activiteit zijn:
Deze activiteit richt zich op projecten die direct bijdragen aan de fysieke verwezenlijking van de waterstofketen in de provincie Groningen. Aanvragers moeten aantonen dat de voorgestelde investeringen technisch haalbaar, economisch verantwoord en in lijn met de beleidsdoelen zijn.
Omschrijving van Activiteit 4 (Fase 3): Investering in installaties voor de toepassing van waterstof
Deze activiteit richt zich specifiek op investeringen in het ombouwen of aanpassen van bestaande installaties die momenteel werken op fossiele brandstoffen, zodat deze geschikt worden gemaakt voor de toepassing van waterstof. Dit betreft uitsluitend de transitie van fossiele brandstof naar het gebruik van blauwe waterstof, zoals gedefinieerd in artikel 36, eerste lid, van de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (AGVV). De subsidie is bedoeld om bedrijven die onderdeel zijn van de waterstofketen te ondersteunen bij het verduurzamen door deze klaar te maken voor waterstofgebruik. De focus ligt hierbij op technische aanpassingen aan installaties die omgebouwd worden van Fossiel naar (Blauwe)waterstof.
Mogelijke Onderdelen van de Activiteit:
Afwijkingen van Activiteit 3: In tegenstelling tot Activiteit 3, waarbij de nadruk ligt op de gehele waterstofketen (productie, transport en opslag), richt deze activiteit zich specifiek op de toepassing van waterstof binnen bestaande installaties. Investeringen in de productie- of transportinfrastructuur voor blauwe waterstof vallen niet onder deze activiteit vanwege de beperkingen vanuit de staatssteunregels.
Begripsomschrijving randvoorwaarden van duurzaamheid en innovatie: in de context van deze regeling verwijzen naar de minimale eisen waaraan projecten moeten voldoen om bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van de waterstofketen in de provincie Groningen. Deze voorwaarden zijn gericht op het waarborgen van milieu- en klimaatdoelen en het ondersteunen van de energietransitie. De randvoorwaarden omvatten de volgende aspecten:
De maximale subsidie per project is afhankelijk van de activiteit en bedraagt:
In alle bovenstaande gevallen kan door staatsteunregels de maximaal toegestane steunintensiteit lager uitvallen op basis van de uitzonderingsregels zoals beschreven in de AGVV. De AGVV is hierin altijd leidend. Alle financieringsbronnen die gebonden zijn aan staatsteunregels tellen mee bij de berekening van de steunintensiteit. De steunintensiteit kan niet hoger uitvallen dan het maximale percentage aangegeven in deze regeling.
Artikel 36 Investeringssteun voor milieubescherming, met inbegrip van decarbonisatie
Investeringssteun ten behoeve van milieubescherming, daaronder begrepen steun voor de reductie en verwijdering van broeikasgasemissies, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
Dit artikel is niet van toepassing op maatregelen waarvoor specifiekere regels in artikel 36 bis, artikel 36 ter en de artikelen 38 tot en met 48 zijn vastgesteld. Dit artikel is evenmin van toepassing op investeringen in uitrusting, machines en industriële productiefaciliteiten die van fossiele brandstoffen gebruikmaken, met inbegrip van die welke van aardgas gebruikmaken. Dit laat de mogelijkheid onverlet steun te verlenen voor de installatie van uitbreidingen die het niveau van milieubescherming van bestaande uitrusting, machines en industriële productie-installaties verbeteren, in welk geval de investering niet mag leiden tot een uitbreiding van de productiecapaciteit noch tot een hoger verbruik van fossiele brandstoffen.
Dit artikel is ook van toepassing op investeringen in uitrusting, machines en infrastructuur die waterstof gebruiken of vervoeren, voor zover de gebruikte of vervoerde waterstof als hernieuwbare waterstof kwalificeert. Het is eveneens van toepassing op investeringen in uitrusting en machines die brandstoffen op basis van waterstof gebruiken waarvan de energie-inhoud afkomstig is van andere hernieuwbare bronnen dan biomassa en die zijn geproduceerd overeenkomstig de methoden voor hernieuwbare vloeibare en gasvormige vervoersbrandstoffen van niet-biologische oorsprong van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen ervan.
Dit artikel is tevens van toepassing op steun voor investeringen in installaties, uitrusting en machines die waterstof op basis van elektriciteit produceren of gebruiken, en in specifieke infrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 130, laatste zin, voor het vervoer daarvan en die niet als hernieuwbare waterstof kwalificeert, voor zover kan worden aangetoond dat de waterstof op basis van elektriciteit die wordt geproduceerd, gebruikt of vervoerd, over de levenscyclus broeikasgasemissiereducties behaalt van ten minste 70 % in vergelijking met een fossiele referentiebrandstof van 94 g CO2eq/MJ. Om de broeikasgasemissiereducties over de levenscyclus overeenkomstig deze alinea te bepalen, worden de broeikasgasemissies in verband met de productie van elektriciteit die wordt gebruikt om waterstof te produceren, bepaald door de marginale centrale-eenheid in de biedzone waar de elektrolyse-installatie is gevestigd tijdens perioden van onbalansverrekening waarin de elektrolyse-installatie elektriciteit van het net verbruikt.
In de in de eerste en tweede alinea bedoelde gevallen wordt gedurende de gehele levensduur van de investering uitsluitend waterstof gebruikt, vervoerd of — in voorkomend geval — geproduceerd die aan de in die alinea’s gestelde voorwaarden voldoet. De lidstaat dient een verbintenis in die zin aan te gaan.
De investering voldoet aan een van de volgende voorwaarden:
zij maakt het mogelijk een project uit te voeren dat ertoe leidt dat de begunstigde in staat is het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen door verder te gaan dan de van kracht zijnde Unienormen, ongeacht of er verplichte nationale normen bestaan die strenger zijn dan de Unienormen; voor projecten die verband houden met of betrekking hebben op de in artikel 2, punt 130, laatste zin, bedoelde specifieke infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2, of die een verbinding met energie-infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2 omvatten, kan de toename van het niveau van milieubescherming ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen;
zij maakt het mogelijk een project uit te voeren dat ertoe leidt dat de begunstigde in staat is om bij ontstentenis van Unienormen het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen; voor projecten die verband houden met of betrekking hebben op de in artikel 2, punt 130, laatste zin, bedoelde specifieke infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2, of die een verbinding met energie-infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2 omvatten, kan de toename van het niveau van milieubescherming ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen;
zij maakt het mogelijk een project uit te voeren dat ertoe leidt dat de begunstigde in staat is het uit zijn activiteiten voortvloeiende niveau van milieubescherming te verhogen teneinde te voldoen aan Unie[1]normen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn; voor projecten die verband houden met of betrekking hebben op de in artikel 2, punt 130, laatste zin, bedoelde specifieke infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2, of die een verbinding met energie-infrastructuur voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2 omvatten, kan de toename van het niveau van milieubescherming ook het gevolg zijn van de activiteiten van een andere entiteit in de infrastructuurketen.
Investeringen in CO2-afvang en -vervoer moeten voldoen aan elk van de volgende voorwaarden:
de in aanmerking komende kosten zijn uitsluitend de extra investeringskosten die voortvloeien uit het afvangen van CO2 uit een CO2 uitstotende installatie (industriële installatie of energiecentrale) of rechtstreeks uit de omgevingslucht, alsook uit de bufferopslag en het vervoer van afgevangen CO2-emissies.
Wanneer de steun gericht is op het verminderen of vermijden van directe emissies, mag hij niet louter dienen om deze emissies van de ene sector naar de andere te verschuiven, maar moet hij deze emissies in hun geheel verminderen; met name, wanneer de steun gericht is op het verminderen van broeikasgasemissies, mag hij niet louter dienen om de emissies van de ene sector naar de andere te verschuiven, maar moet hij deze in hun geheel verminderen.
Er wordt geen steun verleend wanneer de investeringen worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat ondernemingen gewoonweg voldoen aan van kracht zijnde Unienormen. Steun aan ondernemingen om te voldoen aan Unienormen die zijn vastgesteld maar nog niet van kracht zijn, kan op grond van dit artikel worden verleend mits de investering waarvoor de steun wordt toegekend, ten minste 18 maanden vóór de datum van inwerkingtreding van de betrokken norm is uitgevoerd en voltooid.
De in aanmerking komende kosten zijn de extra kosten voor investeringen die zijn bepaald door de investeringskosten af te zetten tegen die van een nulscenario dat zonder de steun zou plaatsvinden, en wel als volgt:
indien het nulscenario erin bestaat een minder milieuvriendelijke investering uit te voeren die overeenkomt met de gangbare zakelijke praktijk in de betrokken sector of voor de betrokken activiteit, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de kosten van de minder milieuvriendelijke investering;
indien het nulscenario erin bestaat dezelfde investering op een later tijdstip uit te voeren, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de netto contante waarde van de kosten van de latere investering, gedisconteerd naar het tijdstip dat de gesteunde investering zou worden verricht;
indien het nulscenario erin bestaat de bestaande installaties en uitrusting in bedrijf te houden, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil tussen de kosten van de investering waarvoor staatssteun wordt verleend en de netto contante waarde van de investeringen in het onderhoud, de reparatie en de modernisering van de bestaande installaties en uitrusting, gedisconteerd naar het tijdstip dat de gesteunde investering zou worden verricht;
in het geval van uitrusting die onder leasingovereenkomsten valt, bestaan de in aanmerking komende kosten uit het verschil in netto contante waarde tussen de leasing van de uitrusting waarvoor staatssteun wordt verleend en de leasing van de minder milieuvriendelijke uitrusting die zonder de steun zou worden geleased; de leasingkosten omvatten geen kosten met betrekking tot de exploitatie van de uitrusting of installatie (brandstofkosten, verzekering, onderhoud, andere verbruiksgoederen), ongeacht of deze deel uitmaken van het leasingcontract.
In alle in de eerste alinea, punten a) tot en met d) genoemde situaties komt het nulscenario overeen met een investering met een vergelijkbare outputcapaciteit en levensduur die voldoet aan reeds van kracht zijnde Unienormen. Het nulscenario is geloofwaardig in het licht van wettelijke vereisten, marktvoorwaarden en prikkels gegenereerd door het EU ETS-systeem.
Indien de investering waarvoor staatssteun wordt verleend, bestaat in de installatie van een uitbreidingscomponent van een reeds bestaande faciliteit waarvoor geen minder milieuvriendelijke investering in een nulscenario bestaat, zijn de in aanmerking komende kosten de totale investeringskosten.
Indien de investering waarvoor staatssteun wordt verleend, bestaat in de aanleg van specifieke infrastructuur als bedoeld in artikel 2, punt 130, laatste zin, voor waterstof in de zin van lid 1 ter, afvalwarmte of CO2 die noodzakelijk is om de in de leden 2 en 2 bis bedoelde verhoging van het niveau van milieubescherming mogelijk te maken, zijn de in aanmerking komende kosten de totale investeringskosten. Kosten voor het bouwen of upgraden van opslagvoorzieningen, met uitzondering van opslagvoorzieningen voor hernieuwbare waterstof en waterstof die onder lid 1 ter, tweede alinea, vallen, komen niet in aanmerking.
De kosten die niet rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, komen niet in aanmerking.
De steunintensiteit bedraagt ten hoogste 40 % van de in aanmerking komende kosten. Indien de investering, met uitzondering van investeringen die berusten op het gebruik van biomassa, resulteert in een vermindering met 100 % van de directe broeikasgasemissies, kan de steunintensiteit tot 50 % bedragen.
De steunintensiteit kan worden verhoogd met 15 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder a), van het Verdrag voldoen, en met 5 procentpunten voor investeringen in steungebieden die aan de voorwaarden van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag voldoen.
De steunintensiteit kan tot 100 % van de investeringskosten bedragen indien steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die naast de in artikel 2, punt 38, vastgestelde voorwaarden elk van de volgende voorwaarden vervult:
de steunverlening is gebaseerd op objectieve, heldere, transparante en niet-discriminerende criteria om in aanmerking te komen en selectiecriteria, die vooraf worden vastgesteld en ten minste zes weken vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van aanvragen worden bekendgemaakt, om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken;
tijdens de uitvoering van een regeling, in het geval van een biedprocedure waarbij alle bieders steun ontvangen, wordt de vormgeving van deze procedure gecorrigeerd om in de daaropvolgende biedprocedures een daadwerkelijke mededinging te herstellen, bijvoorbeeld door het budget of het volume te verlagen;
ten minste 70 % van de totale selectiecriteria die worden gehanteerd voor de rangschikking van biedingen en, uiteindelijk, voor de toewijzing van de steun in het kader van de concurrerende biedprocedure, wordt vastgesteld als steun in verhouding tot de bijdrage van het project aan de milieudoelstellingen van de maatregel, bijvoorbeeld de gevraagde steun per te leveren eenheid milieubescherming.
Als alternatief voor de leden 4 tot en met 9 is het steunbedrag niet hoger dan het verschil tussen de investeringskosten die rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming en de exploitatiewinst van de investering. De exploitatiewinst wordt op basis van redelijke projecties vooraf in mindering gebracht op de in aanmerking komende kosten en wordt achteraf geverifieerd door middel van een terugvorderingsmechanisme.
In afwijking van lid 4, eerste alinea, punten a) tot en met d), en de leden 9 en 10 kunnen de in aanmerking komende kosten worden bepaald zonder dat het nulscenario wordt vastgesteld en zonder dat er een concurrerende biedprocedure is. In dat geval zijn de in aanmerking komende kosten de investeringskosten die rechtstreeks verband houden met het behalen van een hoger niveau van milieubescherming, en worden de in de leden 5 tot en met8 vastgestelde toepasselijke steunintensiteiten en verhogingen met 50 % verlaagd
Artikel 41 AGVV Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, uit hernieuwbare waterstof en uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling
Investeringssteun ter bevordering van energie uit hernieuwbare bronnen, uit hernieuwbare waterstof en uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, met uitzondering van uit hernieuwbare waterstof geproduceerde elektriciteit, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld. 1 bis. Investeringssteun voor projecten voor elektriciteitsopslag op grond van dit artikel is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover deze wordt toegekend aan gecombineerde projecten voor hernieuwbare energie en opslag (achter de meter), waarbij beide elementen deel uitmaken van één investering of waarbij de opslag gekoppeld wordt aan een bestaande installatie voor de opwekking van hernieuwbare energie. De opslagcomponent haalt op jaarbasis ten minste 75 % van zijn energie uit rechtstreeks aangesloten installaties voor de opwekking van hernieuwbare energie. Bij verificatie van de naleving van de in artikel 4 genoemde drempelwaarden worden alle investeringscomponenten (opwekking en opslag) als één geïntegreerd project beschouwd. Dezelfde regels zijn van toepassing op thermische opslag die rechtstreeks is aangesloten op een installatie voor de productie van hernieuwbare energie.
Investeringssteun voor de productie en opslag van biobrandstof, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstof is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover de gesteunde brandstoffen voldoen aan de criteria inzake duurzaamheid en broeikasgasemissiereductie van Richtlijn (EU) 2018/2001 en de uitvoeringshandelingen of gedelegeerde handelingen ervan, en die worden geproduceerd uit de in bijlage IX bij die richtlijn genoemde grondstoffen. De opslagcomponent haalt op jaarbasis ten minste 75 % van zijn brandstofinhoud uit rechtstreeks aangesloten installaties voor de productie van biobrandstoffen, vloeibare biomassa, biogas (met inbegrip van biomethaan) en biomassabrandstoffen. Bij verificatie van de naleving van de in artikel 4 van deze verordening genoemde drempelwaarden worden alle investeringscomponenten (productie en opslag) als één geïntegreerd project beschouwd.
Investeringssteun voor de productie van waterstof is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld wat betreft installaties die uitsluitend hernieuwbare waterstof produceren. Voor projecten met hernieuwbare waterstof die bestaan uit een elektrolyse-installatie en een of meer productie-eenheden voor hernieuwbare energie achter één netaansluitpunt, bedraagt het vermogen van de elektrolyse-installatie niet meer dan het gecombineerde vermogen van de productie-eenheden voor hernieuwbare energie. De investeringssteun kan gaan naar specifieke infrastructuur voor de transmissie of distributie van hernieuwbare waterstof, maar ook naar opslagvoorzieningen voor hernieuwbare waterstof.
Investeringssteun voor hoogrenderende wkk-eenheden is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover deze totale besparingen van primaire energie oplevert ten opzichte van de afzonderlijke productie van warmte en elektriciteit zoals bepaald door Richtlijn 2012/27/EU of latere wetgeving die deze handeling geheel of ten dele vervangt. Steun voor investeringen in projecten voor elektriciteits- en warmteopslag die rechtstreeks verbonden zijn met hoogrenderende warmtekrachtkoppeling op basis van hernieuwbare energiebronnen is onder de in lid 1 bis van dit artikel vastgestelde voorwaarden vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag.
Investeringssteun voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag alleen vrijgesteld voor zover deze niet bestemd is voor wkk-installaties op fossiele brandstof, met uitzondering van aardgas indien inachtneming van de klimaatdoelen voor 2030 en 2050 is gegarandeerd overeenkomstig afdeling 4.30 van bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/2139 van de Commissie (1).
De steunintensiteit kan tot 100 % van de in aanmerking komende kosten bedragen indien steun wordt toegekend via een concurrerende biedprocedure die naast de in artikel 2, punt 38, vastgestelde voorwaarden elk van de volgende voorwaarden vervult:
de steunverlening is gebaseerd op objectieve, heldere, transparante en niet-discriminerende criteria om in aanmerking te komen en selectiecriteria, die vooraf worden vastgesteld en ten minste zes weken vóór het verstrijken van de termijn voor het indienen van aanvragen worden bekendgemaakt, om daadwerkelijke mededinging mogelijk te maken;
tijdens de uitvoering van een regeling, in het geval van een biedprocedure waarbij alle bieders steun ontvangen, wordt de vormgeving van deze procedure gecorrigeerd om in de daaropvolgende biedprocedures een daadwerkelijke mededinging te herstellen, bijvoorbeeld door het budget of het volume te verlagen;
ten minste 70 % van de totale selectiecriteria die worden gehanteerd voor de rangschikking van biedingen en, uiteindelijk, voor de toewijzing van de steun in het kader van de concurrerende biedprocedure, wordt vastgesteld als steun per eenheid energiecapaciteit uit hernieuwbare bronnen of hoogrenderende warmtekrachtkoppeling.
Artikel 49 AGVV Steun voor studies of consultancydiensten inzake milieubescherming en energiethema’s
Steun voor studies of consultancydiensten, met inbegrip van energieaudits, die rechtstreeks verband houden met op grond van dit deel voor steun in aanmerking komende investeringen, is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, van het Verdrag en is van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld, mits de in dit artikel en in hoofdstuk I vastgestelde voorwaarden zijn vervuld.
Indien de volledige studie of consultancydienst investeringen betreft die op grond van dit deel voor steun in aanmerking komen, zijn de in aanmerking komende diensten de kosten van de studie of consultancydienst. Indien slechts een deel van de studie of de consultancydienst betrekking heeft op investeringen die op grond van dit deel voor steun in aanmerking komen, zijn de in aanmerking komende kosten de kosten van het deel van de studie of de consultancydienst dat met die investeringen verband houdt.
Bijlage II Beoordelingssystematiek
Fase 1: Identificatie van waterstofketens (activiteiten als bedoeld in artikel 5 eerste lid)
Fase 2: Uitwerken van een implementatie klaar ontwerp (activiteiten als bedoeld in artikel 5, tweede lid)
Fase 3: Realisatie van de waterstofketen (activiteiten als bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-6778.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.