U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Wijziging Omgevingsverordening Noord-Brabant, regelwijzigingen 2

Provinciale Staten van Noord-Brabant,

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 23 september 2025, nr. 43/25 A, de Nota van Wijziging 43 / 25 E van Gedeputeerde Staten van 18 november 2025 en de tweede Nota van Wijziging 43 / 25 G van Gedeputeerde Staten van 2 december 2025;

Gelezen de Nota van inspraak en wijziging, nr. 6184851, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 23 september 2025 en de Aanvullende Nota van inspraak en wijziging, nr. 6217903, vastgesteld door Gedeputeerde Staten op 18 november 2025;

Gelet op het bepaalde in de Provinciewet, artikelen 2.18, eerste lid, onder g, onder 1, 4.1 en 4.6 van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelgeving;

Overwegende dat het vanwege het cyclische werken onder de Omgevingswet wenselijk is om periodiek te bezien of aanpassingen van de Omgevingsverordening Noord-Brabant nodig zijn, vanwege wijzigingen in wetgeving, wettelijke verplichtingen, nieuw beleid of vanwege de uitvoeringspraktijk;

Overwegende dat het vanwege de verplichting zoals opgenomen in artikel 6, tweede lid van de Habitatrichtlijn en artikel 2.18, eerste lid, onder g, onder 1 van de Omgevingswet noodzakelijk is maatregelen te treffen gericht op het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden, bedoeld in artikel 3.59 Besluit kwaliteit leefomgeving;

Dat het gelet op voorgaande nodig is om maatregelen treffen gericht op:

  • 1.

    een verplichting om de ammoniakemissie uit verouderde huisvestingssystemen van veehouderijen terug te brengen, en

  • 2.

    een handelingsverbod voor veehouderijen op te nemen om gebruik te maken van ruimte in een natuurtoestemming die gedurende een periode van drie jaar of langer niet is gebruikt;

Dat zij daarvoor maatwerkregels als bedoeld in artikel 11.7 Besluit activiteiten leefomgeving en maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 3.4, derde lid, van de Omgevingsverordening Noord-Brabant kunnen vaststellen;

besluiten:

Artikel I

De wijziging Omgevingsverordening Noord-Brabant, regelwijziging 2 zoals opgenomen in bijlage A vast te stellen.

Artikel II

Dat het besluit, bedoeld in artikel I, in werking treedt met ingang van de eerste dag na uitgifte van het Provinciaal blad waarin dit besluit is bekendgemaakt.

Artikel III

Het risico op nadeelcompensatie en schadevergoedingen als gevolg van de bijstelling van de aanpak ammoniakeisen als ‘pm (nader te bepalen)’ onder te brengen in de algemene risicoreserve. Dit vooruitlopend op en in afwachting van een meer precieze inschatting van de hoogte van het risico, op basis waarvan de storting in de algemene risicoreserve wordt gebaseerd.

Artikel IV

De post onvoorzien aan te wenden ten behoeve van juridische kosten naar aanleiding van de bijgestelde aanpak ammoniakeisen.

12 december 2025

Provinciale Staten van Noord-Brabant,

de voorzitter,

mr. I.R. adema

de griffier,

drs. G.J.P. van Soest

Bijlage A Omgevingsverordening Noord-Brabant

A

Het opschrift van artikel 3.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.3 Vergunningplicht Beoordelingsregels vergunningplicht

B

Artikel 3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.4 Meldplicht

  • 1

    Een melding wordt ten minste vier weken voordat de activiteit, waarop de melding betrekking heeft, wordt gestart, gedaan aan Gedeputeerde Staten en bevat:

    • a.

      een ondertekening;

    • b.

      de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

    • c.

      de dagtekening;

    • d.

      een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;

    • e.

      het adres en de kadastrale gegevens waar de activiteit wordt verricht, ook aangegeven op een of meer kaarten met een dusdanige schaal dat dit een duidelijk beeld geeft van de locatie;

    • f.

      de startdatum van de activiteit en de verwachte duur van de activiteit;

    • g.

      de naam en het adres van degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op de locatie;

    • h.

      de gegevens en bescheiden opgenomen in Bijlage III;

    • i.

      een onderbouwing dat wordt voldaan aan de algemene regels in dit hoofdstuk die gelden voor de activiteit.

  • 2

    Tenzij Gedeputeerde Staten aan indiener binnen vier weken na het doen van de melding hebben medegedeeld dat niet volstaan kan worden met de melding, wordt eerst aangevangen met het verrichten van de activiteit na afloop van de termijn van vier weken en op de in de melding aangegeven startdatum.

  • 3

    De mededeling bedoeld in het tweede lid kan maatwerkvoorschriften bevatten of aankondigen.

  • 4

    Ten minste twee weken voordat de startdatum voor het verrichten van de activiteit, bedoeld in het eerste lid, onder f, wijzigt, wordt de gewijzigde startdatum verstrekt aan Gedeputeerde Staten.

  • 5

    Als de activiteit op een andere manier wordt verricht dan aangegeven bij de melding wordt dit onverwijld aan Gedeputeerde Staten gemeld.

  • 6

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als door Gedeputeerde Staten over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden.

C

Na artikel 3.67 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.67a Informatieplicht beëindiging werkzaamheden

De beëindiging van de ontgrondings- en inrichtingswerkzaamheden wordt binnen 10 dagen na beëindiging van de activiteit gemeld.

D

Artikel 3.98 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.98 Maatwerkregels huisvestingssysteem bestaande stal Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie veehouderij

  • 1

    Vanaf 1 juli 2024 geldt dat:

    Vanwege de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden is het vanaf 1 juli 2026 op iedere veehouderij verplicht maatregelen te treffen als bedoeld in artikel 3.59 Besluit kwaliteit leefomgeving die ammoniakemissies verminderen zodat:

    • a.

      een veehouderij gemiddeld op bedrijfsniveau voldoet aan de eisen van Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem; of

      gemiddeld op bedrijfsniveau wordt voldaan aan de normen opgenomen in Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie; of

    • b.

      met elk huisvestingssysteem dat op een veehouderij wordt toegepast of in werking is, voldoetwordt voldaan aan de eisennormen uit Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteemMaatregelen ammoniakemissiereductie, behoudens in het geval dat het huisvestingssysteem is gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of een melding ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving die:

      • 1.

        voor de hoofdcategorie rundvee uit bijlage V van de Omgevingsregeling ten hoogste 20 jaar geleden onherroepelijk is geworden of, in het geval van een melding, uiterlijk 20 jaar geleden is ingediend; of

      • 2.

        voor alle andere diercategorieën uit bijlage V van de Omgevingsregeling ten hoogste 15 jaar geleden onherroepelijk is geworden of, in het geval van een melding, uiterlijk 15 jaar geleden is ingediend.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor een veehouderij die op 19 juli 2017 voor een hele hoofdcategorie niet voldeed aan de eisen uit het Besluit emissiearme huisvesting als datum 1 januari 2020.

    • a.

      1 januari 2020, voor een veehouderij die op 19 juli 2017 voor een hele hoofdcategorie niet voldeed aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting;

    • b.

      1 januari 2026, voor de diercategorieën HA1, HA2 en HA3, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling.

  • 3

    Een bestaand huisvestingssysteem voor een veehouderij hoeft niet te voldoen aan het eerste lid, onder a en b, als:

    • a.

      op de datum, bedoeld in het eerste lid, aanhef, of het tweede lid, onder b, binnen de bestaande diercategorie ten hoogste het aantal dieren wordt gehouden dat overeenkomt met de berekende emissie vanuit de stal waarvan sprake zou zijn geweest wanneer de toegepaste huisvestingssystemen zouden voldoen aan de vanaf 1 juli 2024 geldende emissiereductie eisen, zoals opgenomen in Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem; en

    • b.

      is geborgd dat in de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit op grond van de wet of bij gebreke daarvan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het aantal dieren is vastgelegd dat op grond van het eerste lid in de stal mag worden gehouden.

    Het is verboden de maatregel, bedoeld in het eerste lid, te verrichten zonder hiervoor een melding te doen als bedoeld in artikel 3.4.

  • 4

    Voor Bij de toepassing van het derdeeerste lid, onder a, geldt als referentiesituatie is geen wijziging toegestaan van de diercategorie enof het aantal dieren dat op 1 januari 2023 mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit op grond van de wet of bij gebreke daarvan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit ofrespectievelijk de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, die gelden op het moment van indienen van de melding, bedoeld in het derde lid.

  • 5

    Voor de toepassing van dit artikel geldt dat het in beperkte omvang en aantal houden van hobbydieren voor privé gebruikprivégebruik en zonder relatie met de bedrijfsvoering, niet betrokken hoeft te worden in de beoordeling of een veehouderij voldoet aan de eisennormen uit Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteemMaatregelen ammoniakemissiereductie.

E

Artikel 3.99 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.99 Maatwerkregels huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij Maatwerkregel toepassing technieken dierenverblijf

  • 1

    In aanvulling op artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving geldt dat in een nieuwe stal ieder huisvestingssysteem dat wordt toegepast, voldoet aan de eisen uit Bijlage VI, die gelden op het moment van besluitvorming op een vergunningaanvraag of het moment waarop de melding is ingediend, bij:

    • a.

      de omgevingsvergunning ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef onder e, van de wet;

    • b.

      de omgevingsvergunning ingevolge de wet of een ingevolge de wet vastgestelde algemene maatregel van bestuur, waarvoor op grond van artikel 4.25, eerste lid, onder e, van het Omgevingsbesluit advies met instemming is vereist door Gedeputeerde Staten; of

    • c.

      als onderdelen a. en b. niet van toepassing zijn:

      • 1.

        een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit ingevolge de wet en het Besluit activiteiten leefomgeving; of

      • 2.

        een melding ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving.

    Als voor het oprichten van een nieuw dierenverblijf of de toepassing van een techniek als bedoeld in artikel 3.102 een omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit, een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of een melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving nodig is, anders dan de maatregel, bedoeld in artikel 3.98, eerste lid, moet het huisvestingssysteem voldoen aan de normen uit Bijlage VI.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid geldt dat de nieuwe stal en de toepassing van ieder huisvestingssysteem voldoet aan de eisen zoals opgenomen in Bijlage VI die gelden op het moment van indiening, als de vergunningaanvraag uiterlijk 9 maanden voor de termijn, bedoeld in Artikel 3.98, eerste lid of Artikel 3.98, tweede lid, onder b, is ingediend.

    Voor de toepassing van dit artikel omvat een dierenverblijf ook de daaraan gekoppelde mestopslag of mestbewerkingstechniek waarvoor een emissiefactor is vastgesteld in de Omgevingsregeling

  • 3

    Onder nieuwe stal wordt verstaan:

    • a.

      een opgericht of gerenoveerd dierenverblijf,

      • 1.

        waarvoor op of na 25 mei 2010 een omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een bouwactiviteit en door de oprichting of renovatie een wijziging plaatsvindt van het in het dierenverblijf aanwezige huisvestingssysteem; of

      • 2.

        waarbij sprake is van het aanleggen, aankoppelen of installeren van een of meer van de systemen opgenomen in Artikel 3.102 Lijst met systemen, op het moment dat de daarvoor vereiste aanvraag om een vergunning is ingediend of de benodigde melding is gedaan, voor zover het aanleggen, aankoppelen of installeren van deze systemen betrekking heeft op de emissiereductie van stikstof;

    • b.

      een nieuw opgericht verplaatsbaar dierenverblijf; of

    • c.

      een gebouw dat als dierenverblijf wordt ingericht.

    Het bepaalde in artikel 3.98, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4

    Voor de toepassing van dit artikel omvat een dierenverblijf ook de daaraan gekoppelde mestopslag of mestbewerkingstechniek waarvoor een emissiefactor is vastgesteld in de Omgevingsregeling.

  • 5

    Het bepaalde in Artikel 3.98, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

F

Artikel 3.100 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.100 Uitzondering natuurinclusieve Natuurinclusieve veehouderij

G

Artikel 3.101 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.101 (gereserveerd) Minder dieren houden

[Gereserveerd]

  • 1

    Een veehouderij voldoet aan artikel 3.98, eerste lid, door op de datum, bedoeld in de aanhef van dat artikel, binnen de bestaande diercategorie ten hoogste het aantal dieren te houden dat overeenkomt met de berekende emissie vanuit het dierenverblijf waarvan sprake zou zijn geweest als de toegepaste huisvestingssystemen zouden voldoen aan de vanaf 1 januari 2026 geldende normen voor emissiereductie, zoals opgenomen in Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie.

  • 2

    Artikel 3.98, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt uitgegaan van de diercategorie en het aantal dieren dat mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit of de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit respectievelijk de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, die ten tijde van de indiening van de melding, bedoeld in artikel 3.98, derde lid, gelden.

H

Het opschrift van artikel 3.102 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.102 Lijst met systemenvan technieken

I

Artikel 3.103 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.103 (gereserveerd) Maatwerkregel Tijdelijk handelingsverbod veehouderijen

[Gereserveerd]

  • 1

    Vanaf 1 juli 2026 tot 1 januari 2032 is het verboden om op een veehouderij:

    • a.

      een dierenverblijf op te richten of bedrijfsmatig in gebruik te nemen, als gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar bedrijfsmatig geen landbouwhuisdieren op de locatie zijn gehouden; of

    • b.

      een dierenverblijf op te richten en bedrijfsmatig in gebruik te nemen, als gedurende drie jaar geen gebruik is gemaakt van een daarvoor verleende onherroepelijke natuurtoestemming.

  • 2

    Het tijdelijk handelingsverbod vervalt indien Gedeputeerde Staten op grond van artikel 8.103 Besluit kwaliteit leefomgeving hun afweging omtrent het intrekken van de omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit kenbaar hebben gemaakt of nadat zij een besluit tot wijziging van de omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit hebben genomen.

J

Artikel 3.104 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.104 (gereserveerd) Meldplicht Maatwerkregel forse stikstofreductie

[Gereserveerd]

Het is verboden toepassing te geven aan een maatregel als bedoeld in artikel 3.59 Besluit kwaliteit leefomgeving, die een forse reductie geeft van de emissie van stikstofverbindingen vanwege een milieubelastende activiteit als bedoeld in het Besluit activiteiten leefomgeving, zonder daarvoor een melding te doen als bedoeld in artikel 3.4.

K

Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 Algemene maatwerkbepaling

  • 1

    Een omgevingsplan kan in een specifiek geval, vanwege bijzondere omstandigheden, een ondergeschikte afwijking bevatten van de maten zoals in deze verordening genoemd, voor zover daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan het doel waarvoor de regel is gesteld.

  • 2

    Een omgevingsplan kan een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken buiten bestaand ruimtebeslag als dit vanuit het algemeen belang nodig is voor:

    • a.

      het transporteren en leveren van energie, gas of water;

    • b.

      het winnen en opslaan van warmte;

    • b c.

      communicatiedoeleinden; of

    • c d.

      de bouw van waterstaatswerken.

  • 3

    Bij de toepassing van het tweede lid wordt voor het overige toepassing gegeven aan de instructieregels van dit hoofdstuk en de specifieke regels die gelden voor de locatie waar de activiteit plaatsvindt.

L

Artikel 5.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

  • 1

    Zorgvuldig ruimtegebruik houdt in dat:

    • a.

      een ontwikkeling plaatsvindt binnen bestaand ruimtebeslag;

    • b.

      bij een ontwikkeling rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor intensivering van bestaand ruimtebeslag en meervoudig ruimtegebruik;

    • c.

      bij stedelijke ontwikkeling toepassing wordt gegeven aan de ladder voor duurzame verstedelijking, bedoeld in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d c.

      gebouwen, bijbehorende bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen een bouwperceel; en

    • e d.

      splitsing van een bestaand bouwperceel niet is toegestaan.

  • 2

    Als uit een zorgvuldige afweging blijkt dat een ontwikkeling niet binnen bestaand ruimtebeslag mogelijk is, is uitbreiding van ruimtebeslag mogelijk onder de in dit hoofdstuk opgenomen voorwaarden.

M

Artikel 5.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit

  • 1

    Een omgevingsplan kan voor een concreet initiatief een bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk maken als:

    • a.

      dat aantoonbaar bijdraagt aan het fysiek versterken van omgevingskwaliteit, zoals de sloop van bebouwing, de aanleg van natuur en bos, groenblauwe dooradering, het behoud of herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken, het terugdringen van emissie van milieuhinderlijke stoffen of de verbetering van het woon- en leefklimaat, doordat die bouw- of gebruiksactiviteit daarvoor de middelen genereert;

    • b.

      de realisering van de onder a. bedoelde versterking van omgevingskwaliteit niet op een andere wijze is verzekerd;

    • c.

      de onder a. bedoelde versterking van omgevingskwaliteit bijdraagt aan algemene belangen en juridisch is geborgd;

    • d.

      de bouw- of gebruiksactiviteit door meerwaardecreatie bijdraagt aan algemene belangen zoals energietransitie, klimaat, circulariteit en verduurzaming;

    • e.

      zowel de activiteit als de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12;

    • f.

      is onderbouwd dat de activiteit volhoudbaar is naar de toekomst, vanuit duurzaamheid en economisch oogpunt;

    • g.

      zowel de activiteit als de versterking van omgevingskwaliteit passen binnen de uitgangspunten, belangen en doelen die deze verordening beoogt te beschermen; en

    • h.

      bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

  • 2

    In het geval dat de fysieke versterking van omgevingskwaliteit is gericht op sanering van een milieubelastende activiteit, omvat de juridische borging in ieder geval dat alle voor die activiteit op de locatie rustende rechten en toestemmingen, waaronder verleende vergunningen, zijn ingetrokken.

  • 3

    In aanvulling op het eerste lid worden bij de hierna genoemde gevallen tenminste de volgende aspecten in acht genomen:

    • a.

      als de activiteit de toevoeging van een woning betreft:

      • 1.

        wordt de woning gerealiseerd op een passende locatie;

      • 2.

        staat de omvang van de fysieke tegenprestatie gericht op het versterken van omgevingskwaliteit in verhouding tot de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavel; en

        staat de omvang van de fysieke tegenprestatie voor omgevingskwaliteit in verhouding tot het oprichten van een woonfunctie, zoals uitgewerkt in een beleidsregel van Gedeputeerde Staten;

      • 3.

        is in overleg met de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte onderzocht of de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavel tot de mogelijkheden behoort;

    • b.

      als de activiteit de ontwikkeling van een nieuw landgoed betreft:

      • 1.

        heeft het landgoed ten minste een omvang van10 hectare;

      • 2.

        is de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht op de ontwikkeling van natuur die bijdraagt aan de samenhang en kwaliteit van het Natuur Netwerk Brabant;

      • 3.

        bestaat 50% van het gerealiseerde landgoed uit aangelegde natuur binnen het Natuur Netwerk Brabant;

      • 4.

        wordt bebouwing buiten het Natuur Netwerk Brabant gesitueerd en zo veel mogelijk geconcentreerd opgericht;

      • 5.

        is de bebouwing van allure en qua omvang passend bij de uitstraling van het landgoed;

      • 6.

        zijn naast landgoedwoningen ook andere bij een landgoed passende bouw- of gebruiksactiviteiten mogelijk, waaronder zorg; en

      • 7.

        is de openbaarheid van het landgoed verzekerd;

    • c.

      als de ontwikkeling is gericht op het behoud van een bestaand landgoed is de toevoeging van een woning of een andere bouw- of gebruiksactiviteit mogelijk op het bestaande landgoed als:

      • 1.

        het landgoed niet is aangewezen als complex cultuurhistorisch waardevol complexbelang; en

      • 2.

        waar mogelijk toepassing wordt gegeven aan het bepaalde onder b;

    • d.

      als de ontwikkeling tot doel heeft om de cultuurhistorische waarden en kenmerken te behouden of te herstellen van een rijks- of gemeentelijk monument of een complex cultuurhistorisch waardevol complexbelang, zoals beschreven op de Cultuurhistorische waardenkaart, is de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gericht op het behoud of herstel van de aanwezige waarden en kenmerken.

  • 4

    Er is sprake van een passende locatie voor de toevoeging van een woning als:

  • 5

    Bij de toepassing van dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:

N

Artikel 5.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.15 Ruimte-voor-ruimtekavel

  • 1

    Een omgevingsplan kan voorzien in een of meerdere ruimte-voor-ruimtekavels in Stedelijk gebied of Landelijk gebied als deze ontwikkeling:

  • 2

    Als uit door Gedeputeerde Staten bijgehouden gegevens blijkt dat de in het verleden gedane investering in omgevingskwaliteit is terugverdiend, is het eerste lid niet meer van toepassing.

    Het eerste lid vervalt op 1 januari 2030.

  • 3

    Bij de toepassing dit artikel zijn de volgende bepalingen niet van toepassing:

O

Het opschrift van paragraaf 5.2.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.2.5 Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000-gebied

P

Artikel 5.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.30 Bescherming Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000-gebied

  • 1

    Een omgevingsplan van toepassing op Natuur Netwerk Brabant:

  • 2

    Als ecologische waarden en kenmerken gelden de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan.

    Als ecologische waarden en kenmerken gelden:

    • a.

      de natuurbeheertypen zoals vastgelegd op de beheertypenkaart en de ambitiekaart van het natuurbeheerplan; of

    • b.

      een ecologisch gezien gunstiger natuurtype dan bedoeld onder a als daarover overeenstemming is met een ecologisch deskundige werkzaam bij de provincie Noord-Brabant;

  • 3

    Als de inrichting en het beheer van het Natuur Netwerk Brabant binnen een gebied is verzekerd, stelt de gemeente binnen negen maanden een omgevingsplan vast overeenkomstig het eerste lid.

  • 4

    Een omgevingsplan van toepassing op Natura 2000-gebied: 

    • a.

      strekt tot behoud en herstel van de waarden waarvoor het gebied is aangewezen;

    • b.

      bevat regels die de aanwezige waarden beschermen en houdt daarbij ook rekening met andere aanwezige waarden en kenmerken, zoals rust, stilte, cultuurhistorische waarden en kenmerken; en 

    • c.

      staat alleen bestaande bebouwing en bestaande gebruiksactiviteiten toe.

Q

Artikel 5.57 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.57 Maatwerk in Bebouwd gebied

  • 1

    Een omgevingsplan ter plaatse van Bebouwd gebied kan een nieuwe bouw- of gebruiksactiviteit toedelen als:

    • a.

      dit past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12, en bij de omliggende functies;

    • b.

      dat aantoonbaar bijdraagt aan het fysiek versterken van de omgevingskwaliteit van het gebied, zoals door sloop van bebouwingontwikkeling van landschapskwaliteit, sanering van een milieuhinderlijke activiteit of behoud en herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken;

    • c.

      het versterken van de omgevingskwaliteit wordt geborgd;

    • d.

      de fysieke tegenprestatie gericht op het versterken van omgevingskwaliteit bij de toedeling van een nieuwe woonfunctie qua omvangstaat in verhouding staat tot het effect van de tegenprestatie voor een ruimte-voor-ruimtekavelontwikkeling op de omgeving;

    • e.

      de activiteit vanuit een bij de omgeving passende rood-groenverhouding van het gebied, die wordt vastgelegd in het omgevingsplan, aanvaardbaar is;

    • f.

      voor zover van toepassing is voldaan aan de bepalingen uit Paragraaf 5.2.5 of Paragraaf 5.2.6; en

    • g.

      bij de uitwerking van het plan deskundigen worden betrokken op het gebied van omgevingskwaliteit, onder wie een deskundige die bij de provincie Noord-Brabant werkzaam is.

  • 2

    In het geval dat een toegelaten bouw- of gebruiksactiviteit in of aansluitend op Bebouwd gebied leidt tot een stedelijke ontwikkeling, is Artikel 5.56 van overeenkomstige toepassing en wordt de omvang van de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit mede bepaald op grond van de voor het gebied te bereiken doelen.

R

Artikel 5.65 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.65 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij

  • 1

    Een omgevingsplan ter plaatse van Beperkingen veehouderij bepaalt in afwijking van Artikel 5.63 dat:

    • a.

      vestiging van, omschakeling naar of uitbreiding van een veehouderij is uitgesloten; en

    • b.

      een toename van de bestaande oppervlakte van bouwwerken, met uitzondering van de bestaande bedrijfswoning, is uitgesloten.

  • 2

    Als bestaande oppervlakte van een bouwwerk geldt de oppervlakte die:

    • a.

      op 21 september 2013 legaal aanwezig of in uitvoering was; of

    • b.

      gebouwd mag worden op grond van een vóór 21 september 2013 verleende omgevingsvergunning.

  • 3

    Het eerste lid is niet van toepassing op een veehouderij die voldoet aan één van de volgende criteria:

    • a.

      de veebezetting bedraagt niet meer dan 2.75 GVE /ha, berekend over de grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie;

    • b.

      ten minste 75% van de op het bedrijf geproduceerde mest, uitgedrukt in fosfaat, wordt aangewend op grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie;

    • c.

      via een jaarlijkse rapportage uit BEX is aangetoond dat de veehouderij:

      • 1.

        ten minste 95% van het ruwvoer, zoals gras en mais, uitgedrukt in fosfaat, wordt gewonnen op grond die volgens de gecombineerde opgave voor de veehouderij in gebruik is voor gewassen die overwegend voor de eigen bedrijfsvoering worden geteeld, voor zover gelegen binnen 15 km van de bedrijfslocatie; en

      • 2.

        ten minste 50% van het fosfaat in het rantsoen afkomstig is uit ruwvoer, zoals gras en mais;

    • d.

      de dieren worden uitsluitend of in hoofdzaak gehouden ten behoeve van natuurbeheer.

  • 4

    Het eerste lid onder b blijft buiten toepassing voor zover een bouwwerk wordt opgericht om te voldoen aan een wettelijke verplichting om maatregelen te treffen die emissies beperken en is aangetoond dat het treffen van die voorziening feitelijk niet mogelijk is door het saneren van een aanwezig bouwwerk of door de voorziening inpandig te realiseren.

S

Artikel 5.72 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.72 Glastuinbouwconcentratiegebied

  • 1

    Een omgevingsplan ter plaatse van Glastuinbouwconcentratiegebied:

    • a.

      bepaalt welke ontwikkeling van glastuinbouw binnen het gebied is toegestaan;

    • b.

      kan in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a en e, nieuwvestiging van een glastuinbouwfunctie mogelijk maken; en

    • c.

      onderbouwt dat de ontwikkeling van andere gebruiksactiviteiten binnen een bestaand bouwperceel de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de glastuinbouw niet belemmeren.

  • 2

    Artikel 5.71 is niet van toepassing op dit artikel.

T

Artikel 5.74 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.74 Agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch-verwant bedrijf

U

Artikel 5.76 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.76 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf

  • 1

    Een omgevingsplan ter plaatse van een Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf voorziet in de toedeling van een passende functie of gebruiksactiviteit op de locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast:

    • a.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf RBV: Regeling beëindiging veehouderijtakken (RBV);

    • b.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf BIV: Subsidieregeling beëindiging intensieve veehouderijen Noord-Brabant (BIV);

    • c.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie GTB: Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden Noord-Brabant (GTB);

    • d.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf VIV: Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderij (VIV);

    • e.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf SUN: Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016 (SUN);

    • f.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf Srv: Subsidieregeling sanering varkenshouderijen;

    • g.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf MGA: Maatregel Gerichte Aankoop;

    • h.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf LbvMGBLandelijke beëindigingsregeling veehouderijlocatiesMaatregel Gebiedsgerichte Beëindiging;

    • i.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf Lbv-plus: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties-plus;

    • j.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf Lbv kleinere sectoren: Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, kleinere sectoren;

    • k.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf MGB: Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging;

    • l i.

      Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf LVVP: Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting. 

  • 2

    Een omgevingsplan ter plaatse van een Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf voorziet in de toedeling van een passende functie of gebruiksactiviteit op de locaties waar de volgende regelingen zijn toegepast:

    • a.

      Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv); 

    • b.

      Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties-plus (Lbv-plus); 

    • c.

      Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, kleinere sectoren (Lbv kleinere sectoren);

  • 2 3

    Het omgevingsplan waarin een passende functie of gebruiksactiviteit wordt toebedeeld aan een agrarisch bedrijf als bedoeld in het eerste en tweede lid, voorkomt dat op de slooplocatie nieuwe bebouwing wordt opgericht door het bouwperceel aan te verkleinenpassen tot een bij die functie of gebruiksactiviteit passende omvang.

V

Artikel 5.79 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.79 Vrijetijdsvoorziening

  • 1

    ln aanvulling op Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit kan een omgevingsplan dat van toepassing is op Landelijk gebied een vrijetijdsvoorziening mogelijk maken met meer dan 1 ha bebouwing als:

    • a.

      dat past binnen de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in artikel 5.12; en

    • b.

      de ontwikkeling in samenhang met andere doelen voor het gebied en de directe omgeving wordt uitgevoerd, waarbij ook kwaliteitswinst voor andere functies, waaronder landschap en natuur, wordt bereikt.

  • 2

    Als de ontwikkeling van de vrijetijdsvoorziening leidt tot bovenlokale effecten of een grote publieksaantrekkende werking, geldt in aanvulling op het eerste lid dat:

    • a.

      de ontwikkeling draagvlak heeft in de regio;

    • b.

      is voorzien in een goede ontsluiting van de voorziening; en

    • c.

      het initiatief niet wordt gerealiseerd binnen de Nieuwe Hollandse WaterlinieWaterlinies.

  • 3

    Een omgevingsplan dat de ontwikkeling van verblijfsrecreatie mogelijk maakt, waaronder de bouw van een recreatiewoning, borgt dat:

    • a.

      het terrein en de recreatiewoningen bedrijfsmatig worden beheerd; en

    • b.

      permanente bewoning is uitgesloten.

  • 4

    Een omgevingsplan kan in afwijking van Artikel 5.8, eerste lid, onder a, voorzien in de ontwikkeling van een watergebonden vrijetijdsvoorziening als:

    • a.

      dat past in de ontwikkelingsrichting van het gebied, bedoeld in Artikel 5.12;

    • b.

      ter plaatse of in de directe omgeving geen mogelijkheid aanwezig is binnen bestaand ruimtebeslag; en

    • c.

      elders feitelijk en juridisch een gelijkwaardige oppervlakte aan gebouwen is gesloopt.

W

Artikel 6.20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.20 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteit

  • 1

    De waterschapsverordening stelt aan een wateronttrekkingsactiviteit waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist op grond van de waterschapsverordening, de voorwaarde dat de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.1 van de bruidsschat waterschapsverordening, worden verstrekt.

  • 2

    De waterschapsverordening bepaalt in ieder geval dat degene die:

    • a.

      grondwater onttrekt door een daarvoor bestemde voorziening; of

    • b.

      water in de bodem brengt, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater, door een daarvoor bestemde voorziening;

    de in elk kwartaal onttrokken hoeveelheid grondwater of geïnfiltreerd water meet met een nauwkeurigheid van ten minste 95%

  • 3

    De waterschapsverordening bepaalt in ieder geval dat uiterlijk op 31 januari van elk jaar of in het geval dat de onttrekking of infiltratie is beëindigd, binnen een maand na het tijdstip van beëindiging, de volgende gegevens aan het dagelijks bestuur van het waterschap worden verstrekt:

    • a.

      de in het voorgaande kalenderjaar gemeten hoeveelheden onttrokken grondwater en geïnfiltreerd water; en 

    • b.

      de kwaliteit van het geïnfiltreerde water.

  • 4

    Het waterschap verstrekt aan Gedeputeerde Staten uiterlijk op 31 mei van elk jaar of bij beëindiging van de onttrekking of infiltratie, binnen vier maanden na die beëindiging:

    • a.

      de gegevens die op grond van dit artikel zijn verkregen; en

    • b.

      een overzicht van de verleende omgevingsvergunningen en ontvangen meldingen gericht op het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water.

X

Artikel 7.17 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.17 Advisering huisvestingssysteem veehouderij

[Vervallen]

Y

Artikel 7.18 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.18 Advisering zorgvuldige veehouderij

[Vervallen]

Z

Artikel 7.21 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.21 Monitoring N-depositie

  • 1

    Gedeputeerde Staten doen jaarlijks verslag van de ontwikkeling van de N-depositie op Natura 2000-gebied.

  • 2

    Bij de verslaggeving wordt in ieder geval aandacht gegeven aan:

    • a.

      de volumeontwikkeling in de veehouderij;

    • b.

      de mate van toepassing van emissiearme stalsystemenhuisvestingssystemen;

    • c.

      de mate waarin de beleidsdoelstelling met betrekking tot de depositieafname bereikt wordt.

AA

Artikel 10.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.4 Overgangsrecht gesloten bodemenergiesysteem

[Vervallen]

BB

Artikel 10.8 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.8 Overgangsrecht gerealiseerde nieuwe stallenaanvragen technieken dierenverblijf

  • 1

    Voor nieuwe stallen waarvoor op 25 mei 2010 reeds een melding krachtens het Besluit landbouw milieubeheer is gedaan, een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wet milieubeheer, de Woningwet, dan wel de Natuurbeschermingswet 1998 in behandeling is genomen, treedt de technische uitvoering volgens die vergunningaanvraag of melding, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem.

    Op een vergunningsaanvraag voor het toepassen van een techniek of het oprichten van een nieuw dierenverblijf als bedoeld in artikel 3.99 die is ingediend voor 1 oktober 2023 of 1 oktober 2025 voor de diercategorieën HA1, HA2 en HA3, bedoeld in bijlage V van de Omgevingsregeling, blijven de eisen uit bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie van toepassing zoals die golden op het moment van indiening, tenzij de normen in die bijlage ten tijde van besluitvorming van de vergunningaanvraag minder streng zijn.

  • 2

    In aanvulling op het eerste lid, treedt de technische uitvoering volgens de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, voor zover relevant voor de emissiesituatie, in de plaats van de eisen, bedoeld in Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in het geval dat de ingediende vergunningaanvraag is omgezet naar een melding als bedoeld in artikel 3.98, derde lid.

  • 3

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, is ingetrokken;

    • b.

      de beschikking op de aanvraag, bedoeld in het eerste lid, een algehele weigering inhoudt; of,

    • c.

      het bevoegde gezag heeft medegedeeld dat het Besluit landbouw milieubeheer niet op de veehouderij van toepassing is.

CC

Artikel 10.9 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.9 Overgangsrecht huisvestingssysteem nieuwe stallen

[Vervallen]

DD

Artikel 10.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.12 Overgangsrecht omgevingsplan

  • 1

    De bepalingen in Hoofdstuk 5 Instructieregels voor het omgevingsplan gemeenten zijn van toepassing op de vaststelling van een wijziging van een omgevingsplan dat na de inwerkingtreding van deze verordening wordt vastgesteld.

  • 2

    Een omgevingsplan verwerkt de instructieregels zoals opgenomen in deze verordening bij het eerst volgende besluit tot vaststelling van een wijziging van een omgevingsplan voor een gebied of onderwerp waarover deze verordening instructieregels bevat.

  • 3

    Initiatieven die op basis van door de provincie verstrekte informatie aantonen dat is voldaan aan de Ruimte voor ruimteregeling, zoals die tot 15 april 2022 gold, worden geacht een voldoende fysieke tegenprestatie te leveren in het versterken van omgevingskwaliteit, als bedoeld in Artikel 5.14, derde lid, onder a.

  • 4

    Op een besluit tot vaststelling van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit dat is gericht op de ontwikkeling van een zonnepark in Landelijk gebied en dat voor 1 juli 2025 is genomen, blijft het recht van toepassing zoals dat gold op 1 januari 2024. Gedeputeerde Staten zijn bevoegd om op verzoek van het gemeentebestuur de termijn eenmalig te verlengen met ten hoogste zes maanden voor een concreet initiatief, als naar hun oordeel sprake is van gegronde redenen waardoor besluitvorming voor 1 juli 2025 niet mogelijk was. 

  • 5

    De bepalingen van Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen blijven buiten toepassing voor zover Gedeputeerde Staten een ontheffing hebben verleend ingevolge de Verordening ruimte Noord-Brabant, en waarbij aan de ontheffing de voorwaarde is verbonden dat er elders dierenverblijf is gesloopt, tot ten hoogste de omvang die feitelijk gesloopt is.

  • 6

    In gevallen dat Gedeputeerde Staten ontheffing hebben verleend van een instructieregel uit de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant, de Verordening ruimte Noord-Brabant of de Verordening ruimte 2014, geldt die ontheffing voor een periode van ten hoogste drie jaar, gerekend vanaf de dag van besluitvorming over die ontheffing, ook als ontheffing van deze verordening.

EE

Artikel 10.13 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.13 Overgangsrecht omgevingsvergunning inhoudende afwijking van het bestemmingsplan met gefaseerde verlening

[Vervallen]

FF

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Begripsbepalingen

aanduiding

opschrift, aankondiging of afbeelding op een bord, vlag, banner, spandoek of constructie, niet zijnde een verkeersbord als bedoeld in artikel 4 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

aardkundig waardevolle gebiedenkaart

instrument dat door Gedeputeerde Staten als beleid is vastgesteld en waarin de aardkundige waarden en kenmerken van provinciaal belang zijn beschreven;

aardkundige waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied die vanwege geologische, geomorfologische, bodemkundige en (geo)hydrologische verschijnselen en processen en vanwege de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van de bodem van belang zijn; 

aardpen

veiligheidsmaatregel die voorziet in een verbinding van het elektriciteitsnet met de aarde;

agrarisch bedrijf

bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen of door het houden van dieren, zijnde: een teeltbedrijf, een veehouderij, een glastuinbouwbedrijf of een overig-agrarisch bedrijf;

agrarisch-technisch hulpbedrijf

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het leveren van goederen en diensten aan agrarische bedrijven of dat agrarische producten bewerkt, vervoert of verhandelt, waaronder loonwerkbedrijven, bedrijven voor mestopslag en handel, veetransport en veehandel, met uitzondering van mestbehandeling of mestbewerking;

agrarisch-verwant bedrijf

bedrijf dat geheel of in overwegende mate gericht is op het verlenen van diensten aan particulieren of niet-agrarische bedrijven waarbij gebruik gemaakt wordt van het telen van gewassen, het houden van dieren of het toepassen van andere land-, bos- of natuurbouwkundige methoden, met uitzondering van mestbehandeling of mestbewerking;

agroforestry

teeltsysteem waarbij akkerbouw of veehouderij wordt gecombineerd met de aanplant van een houtopstand, waaronder mede begrepen voedselbos;

ambitiekaart

kaart opgenomen in het Natuurbeheerplan waarop de begrenzing is vastgelegd van alle bestaande en nog te realiseren natuur met daarbij de aanwijzing van de beoogde ambitie per natuurbeheertype of landschapselement;

archeologisch monument

archeologisch terrein dat op de Cultuurhistorische Waardenkaart staat afgebeeld en waaraan een monumentnummer is toegekend;

bebouwde kom

bebouwde kom als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

bebouwing

bouwwerken

bebouwingscluster

vlakvormige verzameling van bebouwing die geheel of gedeeltelijk in Landelijk gebied ligt;

bebouwingsconcentratie

kernrandzone, bebouwingslint of bebouwingscluster;

bebouwingslint

min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg, die geheel of gedeeltelijk in Landelijk gebied ligt;

bedrijfswaterplan

plan met waterconserverende of waterbesparende maatregelen, dat is opgesteld door degene die de onttrekkingsactiviteit verricht, overeenkomstig een door het bestuur van het waterschap vastgesteld model;

bedrijventerrein

aaneengesloten terrein met een bruto oppervlakte van ten minste één hectare voor de bedrijfsmatige uitoefening van industriële, logistieke, ambachtelijke en dienstverlenende activiteiten en groothandel met de daarbij behorende voorzieningen, bedoeld voor de vestiging van meerdere bedrijven; 

bestaand bouwperceel

bouwperceel waarbinnen het geldende omgevingsplan het bouwen van gebouwen en bijbehorende bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van meer dan 100 m2 toestaat;

BEX

Bedrijfsspecifieke Excretie (BEX) is een instrument voor melkveehouders die af willen wijken van de excretieforfaits voor melkvee in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet;

biologische veehouderij

veehouderij die producten vervaardigt die gecertificeerd zijn volgens de geldende regelgeving voor biologische productie;

boorput

met daarvoor geschikte werktuigen aangebrachte put, daaronder begrepen een in de grond gecontroleerd en mechanisch aangebrachte sondering;

boskern

aaneengesloten complex van houtopstanden met een gezamenlijke oppervlakte van ten minste 5 hectare;

bouwlaag

doorlopend gedeelte van een gebouw dat is begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen;

bouwperceel

aaneengesloten virtueel of aangeduid vlak, waarop functioneel bij elkaar behorende bebouwing en voorzieningen worden geconcentreerd, en dat bestaat uit een bouwvlak, waarbinnen de gebouwen zijn toegelaten, met de direct daaraan grenzende gronden waar ook bouwwerken geen gebouwen zijnde en vergunningvrije bouwwerken zijn toegestaan;

bouwvlak

geometrisch bepaald vlak, waar gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

bouwwerk

Constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende bouwwerkgebonden installaties anders dan een schip dat wordt gebruikt voor verblijf van personen en dat is bestemd en wordt gebruikt voor de vaart;

Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij

instrument dat door Gedeputeerde Staten als beleid is vastgesteld en dat maatregelen benoemt voor individuele bedrijven die de transitie naar zorgvuldige veehouderij bevorderen;

bronaanpak

sanering gericht op het beheren, beperken of ongedaan maken van de inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit het vaste deel van de bodem, in zowel de onverzadigde als verzadigde zone, naar het grondwater, overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving in samenhang met de maatwerkregel, bedoeld in artikel 4.23 van deze verordening;

BRTN

Basisvisie Recreatie Tourvaartnet;

buisleiding

holle buis voor het transport van gas, olie of chemicaliën alsmede voor het transport van elektriciteit als dit wordt gekoeld met olie of chemicaliën, uitgezonderd het transport van aardgas;

CEMT

Conferentie van Europese Ministers van Transport;

circulatievloeistof

vloeistof die in gesloten bodemenergiesystemen gebruikt wordt om warmte uit de bodem op te nemen en aan de bodem af te geven

compartimenteringskering

regionale waterkering die als zodanig geen directe waterkerende functie heeft, tenzij in geval van doorbraak of overstroming van de primaire waterkering

cultuurhistorische waarden en kenmerken

waarden en kenmerken van een gebied of daar aanwezige zaken, verband houdend met het bouwkundig erfgoed, het stedenbouwkundig erfgoed, de historische groenwaarden, het historisch-geografisch erfgoed en de bekende en verwachte archeologische waarden;

Cultuurhistorische waardenkaart

instrument dat door Gedeputeerde Staten als beleid is vastgesteld en waarin de cultuurhistorische waarden en kenmerken van provinciaal belang zijn beschreven;

detailhandel

bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

dierenverblijf

gebouw dat gebruikt mag worden voor het houden van landbouwhuisdieren krachtens een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.201 of artikel 3.202 Besluit activiteiten leefomgeving, of de melding, bedoeld in artikel 4.808 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

ecologische verbindingszone

groene schakels die natuurgebieden in het Natuurnetwerk Brabant (NNB) verbinden;

ecologische waarden en kenmerken

aanwezige en potentiële waarden, gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied, waartoe behoren natuurdoelen en natuurkwaliteit, geomorfologische processen, waterhuishouding, kwaliteit van bodem, water en lucht, rust, mate van stilte, donkerte, openheid, landschapsstructuur en belevingswaarde;

equivalent A-gewogen niveau

geluidmaat uitgedrukt in LAeq waarbij over een periode variërende geluidniveaus zijn gemiddeld tot één waarde;

erftoegangsweg

weg met een verblijfsfunctie en waarop ontsluiting van percelen kan plaatsvinden;

evenement

openbaar toegankelijke, verplaatsbare activiteit van vermaak, gericht op het aantrekken van bezoekers, met uitzondering van weekmarkten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder g, van de Gemeentewet, betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

extensieve recreatie

openlucht recreatie waarbij de beleving van rust belangrijk is en het aantal recreanten per hectare beperkt is;

gebiedskwaliteit

gemiddelde gehalte PFAS uit de desbetreffende bodemkwaliteitszone;

gebiedsontsluitingsweg

weg die de verbindingsschakel vormt tussen een stroomweg en een erftoegangsweg;

gebruiksoppervlakte

bruikbare oppervlakte van bebouwing en gronden, geschikt voor het beoogde gebruik, berekend op grond van NEN 2580;

gecombineerde opgave

jaarlijkse opgave die agrarische ondernemers doen aan het ministerie van Economische Zaken;

gedenkteken

niet aard- en nagelvast voorwerp zonder verkeersfunctie op de provinciale weg dat dient ter nagedachtenis aan één of meerdere dodelijke slachtoffers van een verkeersongeval dat op de weg heeft plaatsgevonden;

geluidluwe plek

plek waar de cumulatieve geluidbelasting maximaal 50 dB bedraagt;

geluidluwe zijde

zijde waar de cumulatieve geluidbelasting maximaal 50 dB bedraagt;

gesloten stortplaats

gesloten stortplaats als bedoeld in artikel 8.47, eerste lid, onder b, van de wet milieubeheer;

gesloten verharding

asfalt, beton, open verharding met cementgebonden funderingen, klinkers met voegvulling, menggranulaat als puinverharding ten behoeve van de bovenliggende gesloten verharding en belemmerende ondergrondse voorzieningen;

gevaarlijke verontreinigende stoffen

stoffen als bedoeld in bijlage 1 van de wet, die behoren tot de families of groepen verontreinigende stoffen genoemd in bijlage VIII, Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327), punten 1 tot en met 9;

gezonde leefomgeving

omgeving die de fysieke en psychische gezondheid beschermt en bevordert;

glastuinbouwbedrijf

agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in kassen plaatsvindt;

grond- of funderingswerken

werk in de bodem, daaronder begrepen het plaatsen of verwijderen van palen, damwanden of folies, met uitzondering van werken of handelingen waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, zoals het toepassen van een bodemenergiesysteem;

grootschalige logistiek

gebruik van gronden of bouwwerken op een perceel van 3 hectare of groter, waarop grootschalige bebouwing staat en dat in hoofdzaak in gebruik is voor logistieke- of distributieactiviteiten, met een door de aard en schaal van de activiteiten hoge verkeersaantrekkende werking en impact op de omgevingskwaliteit;

GVE

groot vee-eenheid, waarmee de fosfaatproductie van landbouwhuisdieren wordt uitgedrukt en waarbij 1 GVE overeenkomt met de fosfaatproductie van één melkkoe;

hokdieren

landbouwhuisdieren met uitzondering van nertsen, melkrundvee en schapen;

kas

agrarisch bedrijfsgebouw waarvan de wanden en het dek voornamelijk bestaan uit glas of een ander lichtdoorlatend materiaal voor de productie van gewassen onder geconditioneerde klimaatomstandigheden waaronder mede begrepen een schuurkas of een permanente tunnel- of boogkas hoger dan 1,5 m;

kernrandzone

overgangszone van stedelijk gebied naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies;

kunstobject

aard- en nagelvaste constructie dat dient ter uiting van enige vorm van kunst;

kunstwerk

civielbouwkundige constructie die onderdeel is van de weg bij kruising met een andere weg, spoorweg, waterweg of terreinverdieping;

kwaliteitsklasse landbouw/natuur

kwaliteitsklasse landbouw/natuur als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

kwaliteitsklasse licht verontreinigd

kwaliteitsklasse licht verontreinigd als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

kwaliteitsklasse niet verontreinigd

kwaliteitsklasse niet verontreinigd als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

kwaliteitsklasse wonen

kwaliteitsklasse wonen als bedoeld in artikel 25d van het Besluit bodemkwaliteit;

LAeq

Equivalent A-gewogen niveau of geluidmaat waarbij over een periode variërende geluidniveaus zijn gemiddeld tot één waarde;

LAeq, 24 uur

geluidmaat waarbij alle geluidniveaus over de periode van een etmaal zijn gemiddeld tot één waarde;

landbouw

akkerbouw, weidebouw, veehouderij, tuinbouw, waaronder begrepen fruitteelt en het kweken van bomen, bloemen en bloembollen, en elke andere vorm van bodemcultuur;

landgoed

ruimtelijk-functionele eenheid bestaande uit bos of overige natuur, al dan niet in combinatie met agrarische gronden, met daarin een geconcentreerde vorm van karakteristieke woon- en andere bebouwing;

landschappelijke waarden

gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van het landschap, gericht op ruimtelijke, ecologische, cultuurhistorische en recreatieve aspecten;

lawaaisport

voorziening voor sportactiviteiten waarbij motorisch of mechanisch geluid wordt geproduceerd, waaronder in ieder geval begrepen de rallysport, de motorsport en de modelvliegsport;

locatie

digitaal vastgelegd gebied waaraan regels zijn gekoppeld;

maatregelenkaart

provinciale kaart met maatregelen voor behoud en herstel van biodiversiteit en leefgebieden, opgenomen als bijlage bij de Subsidieregeling natuur Noord-Brabant;

mestbehandeling

activiteit waarbij mest met een relatief eenvoudige techniek wordt bewerkt, zoals aanrijking met stro, opslaan, rijpen, composteren, tot een capaciteit van 25.000 m3 mest per jaar;

activiteit waarbij mest wordt behandeld tot een capaciteit van 25.000 m3 mest per jaar, inclusief het vergisten van mest;

mestbewerking

activiteit waarbij mest met een industriële techniek wordt bewerkt in een mestbewerkingsinstallatie, zoals scheiden, indikken, drogen, vergisten, concentreren, composteren, hygiëniseren, met een capaciteit van meer dan 25.000 m3 mest per jaar;

activiteit waarbij meer dan 25.000 m3 mest per jaar wordt behandeld, inclusief het vergisten van mest;

mestvergisting

omzetten van mest, al dan niet in combinatie met co-producten, in biogas en digestaat

mobiele verontreinigingssituatie

situatie waarbij de in de bodem aanwezige verontreinigende stoffen zich hebben verspreid naar het grondwater en aanleiding geven tot het uitvoeren van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit;

motorrijtuigen

motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede motorvoertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

N-depositie

neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een habitat, waarbij de belasting op een punt binnen het habitat uitgedrukt wordt in mol, per ha, per jaar en de belasting op het habitat als geheel in mol, per jaar;

N-emissie

stikstofverbindingen die direct of indirect vanuit een bron in de lucht worden gebracht, uitgedrukt in N kg/jaar;

natuurbeheerplan

provinciaal plandocument waarin de overeengekomen doelen op het gebied van natuur- en landschapsbeheer en agrarisch natuur- en landschapsbeheer zijn vastgelegd;

natuurinclusieve bedrijfsvoering

economisch rendabel en grondgebonden landbouwsysteem dat voedsel en gewassen produceert, in balans is met de natuurlijke omgeving, natuurlijke hulpbronnen integreert in de bedrijfsvoering en zorg draagt voor de biodiversiteit op en rond het bedrijf, zoals bedoeld in de Subsidieregeling transitie veehouderijen Noord-Brabant;

natuurontwikkelingsproject

project dat tot doel heeft de natuurlijke gesteldheid van een terrein te herstellen, te versterken of te ontwikkelen en dat een omvorming van bestaande natuur of het ontwikkelen van nieuwe, gebiedseigen natuur tot gevolg heeft;

natuurtoestemming

Natuurtoestemming:

  • onherroepelijke omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit op grond van de wet;

  • Onherroepelijke omgevingsvergunning of geldende melding voor een milieubelastende activiteit;

  • een activiteit waarvoor voor 1 januari 2024 geen natuurvergunningplicht was opgenomen, maar die wel voldeed aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; 

  • een activiteit als bedoeld in artikel 9.4, achtste lid van de Wet natuurbescherming; of

  • een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die niet is vervallen of geëxpireerd;

netto glas

aantal m2 kasoppervlakte;

nieuwvestiging

vestiging op een locatie waar ingevolge het geldende omgevingsplan geen bebouwing of bedrijfsfunctie is toegestaan;

omgevingskwaliteit

de kwaliteit van een plek of gebied die bepaald wordt door een goed samenspel van herkomstwaarde, belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde;

omschakeling

geheel of gedeeltelijk overstappen van de ene agrarische bedrijfsvorm naar de andere agrarische bedrijfsvorm; 

onconventionele winning van koolwaterstoffen

winningsmethode, waarbij via verticale en horizontale boringen en hydraulisch kraken schaliegas en schalie-olie uit de diepe ondergrond vrij wordt gemaakt door water, zand en chemicaliën onder hoge druk in een boorput te pompen en zo scheurtjes te creëren in het brongesteente waar het gas in opgesloten zit;

ontgronding

activiteit, gericht op het permanent dan wel tijdelijk verlagen van de hoogteligging van het maaiveld of het verdiepen van de waterbodem;

ontwikkeling

mogelijk maken van een functie of activiteit die op grond van het vigerende omgevingsplan niet is toegelaten;

Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte

entiteit gericht op de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimtekavels vanwege in het verleden behaalde milieu - en ruimtelijke kwaliteitswinstruimte-kavels;

overig-agrarisch bedrijf

agrarisch bedrijf dat niet binnen de begripsbepaling van veehouderij, teeltbedrijf of glastuinbouwbedrijf valt;

parkeerterrein

aaneengesloten terrein dat wordt gebruikt voor het bieden van parkeergelegenheid aan vier motorvoertuigen of meer;

PAS

Programma Aanpak Stikstof;

permanente teeltondersteunende voorzieningen

teeltondersteunende voorziening die voor onbepaalde tijd wordt gebruikt, niet zijnde een kas;

PFAS

poly- en perfluoralkylstoffen

PFOA

perfluoroctaanzuur;

profiel van vrije ruimte

ruimte ter weerszijden van en boven een primaire en regionale waterkering die naar het oordeel van de beheerder nodig is voor een toekomstige versterking van de waterkering;

provinciale weg

openbare weg waarvan het onderhoud ingevolge artikel 15 van de Wegenwet bij de provincie berust, waarvoor de provincie de belangen ingevolge artikel 2 van de Wegenverkeerswet 1994 beschermt en waartoe in ieder geval behoren rijbanen, fiets- en voetpaden, parkeer-, carpool- bus-, en halteplaatsen, vlucht- en andere stroken, bermen, glooiingen, grondkeringen, bermsloten, alsmede de tot de weg behorende verkeersvoorzieningen;

recreatiewoning

woning of enig ander bouwwerk, ten behoeve van tijdelijk recreatief nachtverblijf;

regionale meerwaarde

mate van regionale binding aan en economische meerwaarde van eenhet bedrijf in de regio, gelet op de herkomst van het bedrijf, werkgelegenheid, arbeidsmarkt, kennisinfrastructuur, plaats in regionale waardeketens, ruimtelijk economisch profiel van deeen regio, gebruik van regionale infrastructuur en afzetmarkt, in combinatie met de meerwaarde die het bedrijf heeft vanwege de bijdrage aan maatschappelijke opgaven, zoals de klimaatopgave, energietransitie, duurzaamheid, duurzaam ruimtegebruik, circulaire economie;

regionale waterkering

waterkering, niet zijnde een primaire waterkering als bedoeld in de wet, die beveiliging biedt tegen overstroming;

risicobeoordeling grondwaterkwaliteit

beoordeling van de mate van gevaar voor het grondwater van een bodemverontreiniging bij een mobiele verontreinigingssituatie om vast te stellen of, en zo ja, welke maatregelen noodzakelijk zijn;

sondering

het bepalen van het draagvermogen van de grond door een staaf in de grond te drukken en daarbij de mechanische weerstand van de grond te meten;

splitsing

het mogelijk maken van een nieuw bouwperceel door opdeling van een bestaand bouwperceel;

Stowa

Stichting toegepast onderzoek waterbeheer

stroomweg

weg, met een nationale of internationale functie voor het langeafstandsverkeer, die een snelle verbinding vormt tussen steden, landsdelen of landen;

teeltbedrijf

agrarisch bedrijf in de land- en tuinbouwsector dat zich richt op het veredelen, vermeerderen of telen van gewassen met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt;

teeltondersteunende voorzieningen

ondersteunende voorzieningen die een onderdeel zijn van de bedrijfsvoering van een teeltbedrijf of een glastuinbouwbedrijf;

toevalsvondst van verontreiniging van het grondwater

onverwachte vondst van verontreiniging van het grondwater, al dan niet indirect door verontreiniging op of in de bodem, met onaanvaardbare risico’s voor het grondwater en het gebruik dat afhangt van het grondwater;

tuincentrum

bedrijf, geheel of in overwegende mate gericht op detailhandel van boomkwekerijproducten, planten, bloembollen, bloemen, kamerplanten, artikelen voor de aanleg en het onderhoud van de tuinen alsmede tuininrichtingsartikelen en aanverwante artikelen;

uitbreiding

vergroting van een bestaand bouwperceel of bestaand bestemmingsvlak;

uitweg

ontsluitingsmogelijkheid van één of meerdere percelen naar de provinciale weg;

vaarwegbeheer

overheidszorg gericht op de instandhouding, bruikbaarheid en bescherming van een vaarweg en bijbehorende werken;

veehouderij

milieubelastende activiteit, gericht op het houden van landbouwhuisdieren, als bedoeld in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving, met uitzondering van paarden;

veiligheidsvest

oranjerood vest als bedoeld in de norm NEN-EN 471:2003+A1:2008;

veldwerk

boorput of sondering

verbeteren van de bodemgesteldheid

verandering van de samenstelling of structuur van de bodem om deze meer geschikt te maken voor de functie van de bodem;

vergisting

het omzetten van koolhydraten door micro-organismen door middel van een anaeroob dissimilatieproces, waarbij biogas wordt geproduceerd;

verkeersregelaar

verkeersregelaar als bedoeld in de Regeling verkeersregelaars 2009;

verkeersvoorziening

element met een verkeersfunctie die door de bevoegde wegbeheerder in het kader van diens zorgplicht voor wegen is geplaatst of aangebracht op of aan de weg;

verkoopvloeroppervlak

voorkomende hoeveelheid bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van de uitstalling ten verkoop, het verkopen of leveren van goederen of het verlenen van aanverwante diensten; 

vestiging

mogelijk maken van een ruimtelijke ontwikkeling, die op grond van het geldende planologische regime niet is toegelaten, op een bestaand bouwperceel binnen het deel waar het oprichten van gebouwen is toegestaan;

voertuigen

voertuigen als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 alsmede voertuigen als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

voorjaars- en urenverbod

verbod op beregenen van grasland in de maanden april en mei, alsmede in juni en juli tussen 11.00 en 17.00 uur;

voorkeurswaarde grondwater

concentratie aan verontreinigende stof waarboven er sprake is van verontreiniging van het grondwater;

voorzieningen

faciliteit op het gebied van onderwijs, medische zorg, winkels, sport en ontspanning.

vrijetijdsvoorziening

bedrijfsmatige uitoefening van diensten op het gebied van dag- of verblijfsrecreatie, met de daarbij behorende voorzieningen;

vrijloopstal

huisvestingssysteem voor melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar zonder ligboxen en voorzien van een zachte, vochtdoorlatende of absorberende bodem, waarbij het totale oppervlak ten minste het aantal dieren maal 10 vierkante meter bedraagt;

watergebonden vrijetijdsvoorziening

voorziening die onlosmakelijk is verbonden met waterrecreatie en watersport, uitgezonderd woonfuncties en watergebonden bedrijvigheid;

wedstrijd

activiteit gericht op prestatievergelijkingen tussen de deelnemers waarbij een prijs, beloning of aandenken in het vooruitzicht wordt gesteld;

weg gerelateerde voorziening

voorziening die direct aansluitend aan de weg ligt en die ten behoeve van weggebruikers ter plaatse gevestigd is, waaronder een motorbrandstoffenverkooppunt;

werkingsgebied

gebied waar de regels van een artikel gelden;

wet

Omgevingswet;

windturbines

bouwwerk bestaande uit een mast met bijbehorende fundering en de rotor, bedoeld voor het opwekken van elektriciteit door middel van windenergie;

zijwegaansluiting

aansluiting van een weg van het Rijk, een gemeente of een waterschap op de provinciale weg;

zonnepark

opstelling van zonnepanelen of zonnecollectoren voor de opwek van elektriciteit of warmte, of een combinatie daarvan;

zorgvuldige veehouderij

veehouderij die door het treffen van maatregelen, onder andere gericht op landschap, het verder sluiten van kringlopen op lokaal niveau, emissiebeperking en gezondheid voor mens en dier, ruimtelijk en maatschappelijk optimaal is ingepast in zijn omgeving.

één-op-één beheermethode

methode waarbij één persoon dieren opzettelijk verontrust met het oogmerk deze dieren binnen het schootsveld van één geweerdrager te drijven, opdat deze de dieren kan doden, en waarbij geen hond wordt ingezet;

GG

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Overzicht Informatieobjecten

Aansluiting primaire waterkering

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_ff0b70865d0246228a94180753493dc8/nld@2025‑08‑07;1

Aardkundige waarden

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_0e0acbdd50aa40b4bc5c8c04b45b3490/nld@2025‑08‑07;1

Afwijkende norm wateroverlast buiten stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_156897a973f448fabe169d481523a777/nld@2025‑09‑16;2

Afwijkende norm wateroverlast stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_ae7ce3100a5c4caaa9bc7d50ab36f025/nld@2025‑09‑16;2

Attentiezone geluid provinciale weg

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5e26c521f4164946a285124c39ac5632/nld@2025‑08‑07;1

Attentiezone stiltegebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10d2534ddd9847329d62f389c6096285/nld@2025‑08‑07;1

Attentiezone waterhuishouding

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_4ef93107bdb74faf829e78a0fe552b65/nld@2025‑09‑16;2

Bebouwd gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e8bb56861a1d46e1b3a60c39747dcb9f/nld@2025‑09‑16;2

Behoud en herstel van watersystemen

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_cc5cca8359d54cdea63cd108e77dc30c/nld@2025‑08‑07;1

Beperking grootschalige logistiek

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e9c957ab7d044eb98521d416c9a94b1c/nld@2025‑08‑07;1

Beperkingen veehouderij

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f900597c1c564b61aa22bda5cfbadc81/nld@2025‑09‑16;2

Beschermingszone rivierwaterwinning

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_2c405141f62749d3a696daf63b2a54ff/nld@2025‑08‑07;1

Bijlage_V.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_V/nld@2025‑09‑16;1

Bijlage_VI_Maatregelen_ammoniakemissiereductie.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_VI_Maatregelen_ammoniakemissiereductie/nld@2025‑12‑12;1

Bijlage_VI.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_VI/nld@2025‑09‑16;1

Bijlage_VIII.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_VIII/nld@2025‑09‑16;1

Bijlage_X.pdf

/join/id/regdata/pv30/2025/Bijlage_X/nld@2025‑09‑16;3

Boringsvrije zone

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_fa35416d285c49118cd4c1f11951a92d/nld@2025‑08‑07;1

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_fa35416d285c49118cd4c1f11951a92d/nld@2025‑12‑12;2

Compartimenteringskering

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_d1a1bb8182bd45d7ab27d69b2f8970ae/nld@2025‑08‑07;1

Cultuurhistorische waarden

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e108d7013dc443349ac08d3c8eaddbf2/nld@2025‑08‑07;1

Diep grondwaterlichaam

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_c2bc60f8f2d44fd0b1951e4c6c58d94b/nld@2025‑08‑07;1

Geen attentiezone waterhuishouding

/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_fd78d62051be4499bbd7181d5da603f9/nld@2025‑09‑16;2

Gemiddelde overschrijdingskans regionale waterkering

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_8f9b723fb5144460b46f73940b87e710/nld@2025‑08‑07;1

Gesloten stortplaats

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_42c56e61b0814fc1aa2a5d4603e1fabc/nld@2025‑08‑07;1

Glastuinbouwconcentratiegebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_74894dc13d0c4a54a25f63493f1b2de6/nld@2025‑08‑07;1

Groenblauwe waarden

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_a862978f2a5442aca91aee69948dd112/nld@2025‑09‑16;2

Grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_bcbc9c1bced348f9a80b449c5930a16b/nld@2025‑08‑07;1

Grondwatermeetpunt

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b602bb7612b345cba74e9790bbeabe99/nld@2025‑08‑07;1

Hollandse Waterlinies

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e0f0afe58ea54b18ae8339a377298815/nld@2025‑08‑07;1

Landelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_f91b46e62ca4438ea6312fb67238c623/nld@2025‑09‑16;2

Maximum boordiepte

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_225138fa3a2043148c2a1f41a9f76a43/nld@2025‑08‑07;1

Maximum boordiepte grondwaterbeschermingsgebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_f4d7eaf069d643de9c572bff1ce010ec/nld@2025‑08‑07;1

Natura 2000-gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_91a6a5fa18a247e3a82dc9e88b0d773b/nld@2025‑08‑07;1

Natuur Netwerk Brabant

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_55a4044671a84397ae1c4823bb2fad5e/nld@2025‑09‑16;2

Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5283fd7aeecc4cc8890a84e38be9f863/nld@2025‑08‑07;1

Natuurnetwerk Nederland

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b891d074edcc4db68d61bd511aa5b88c/nld@2025‑09‑16;2

Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_a1fb7d673fd0423c9afa3ff0c1fc5f0f/nld@2025‑09‑16;2

Norm wateroverlast buiten stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_325c00e0bd8b407f85dcaa692b7d818a/nld@2025‑09‑16;2

Norm wateroverlast stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_d02157d6323944fdaf6430dc4205fe3e/nld@2025‑09‑16;2

Normvrij gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_95f89d0177b94d6bb7613739a60fae63/nld@2025‑09‑16;2

Peilbesluitgebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_ea958b1dc94448c98286aa981d01611d/nld@2025‑08‑07;1

Overgangsrecht gesloten bodemenergiesystemen

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_a1d3f87d6676462899c851712ccaa5e6/nld@2025‑08‑07;1

Provinciale vaarweg

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5d88485d27ad4a8f91819e8049221405/nld@2025‑09‑16;2

Provinciale weg

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_96b9608443ec454ea71f8ed17e2b31b0/nld@2025‑08‑07;1

Regionale waterberging

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_dc8f7c53395f4c978a5a32f13b702cd8/nld@2025‑08‑07;1

Regionale waterkering

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9217cd4cb7e44e1caff8ab1f5bfc705c/nld@2025‑08‑07;1

Reservering waterberging

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_797ad88d02c14802aea73e2b7464f037/nld@2025‑08‑07;1

Rivierbed

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_5409b6c6a19647d3874dc3e548b87aba/nld@2025‑08‑07;1

Rust- en foerageergebied voor ganzen en smienten

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_588f2af2023944999301febaeecf6f3d/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_28cbb86cc7b0494aa9a1e529ab551794/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf BIV

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_225dc92d7dad4ee2ab15f38541a04384/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf RBV

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_8616c8f2499e43e5a75191a00d36392b/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf SUN

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_8e2302ca3cde4f4183093cd9084a9958/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf VIV

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_0fa69bc0f9ff468689cdf4a01395941c/nld@2025‑08‑07;1

Sanerings- en verplaatsingslocatie GTB

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_9e5a5e1f295843f4837c352710d32777/nld@2025‑08‑07;1

Scheepvaartklasse BRTN

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_aafb0de18eaf47f0b47e244195940687/nld@2025‑09‑16;2

Scheepvaartklasse CEMT

/join/id/regdata/pv30/2025/norm_cc06cee536fe4857a0b752388f4a4a5e/nld@2025‑09‑16;2

Stalderingsgebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_10735dbaa9e844d58a6d33f4aecf0d0f/nld@2025‑08‑07;1

Stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_39d187064da444728d890615a8432797/nld@2025‑09‑16;2

Stiltegebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_e7ea6d632b784b70b8c9b020e9d27ac5/nld@2025‑08‑07;1

Teeltgebied Zundert

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_6c45b9559e2a4257aa06cc21dec87d5a/nld@2025‑08‑07;1

Vaarweg beheer gemeente

/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_e47663638efd4b87aa14474054643c70/nld@2025‑09‑16;2

Vaarweg beheer provincie

/join/id/regdata/pv30/2025/locatiegroep_4da54be7c7f24392ad6465faa561e9d0/nld@2025‑09‑16;2

Waterwingebied

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_7914e4a3b41544ff9b19d80b25515224/nld@2025‑08‑07;1

Waterwinning voor menselijke consumptie

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b0a6b19bab0142b9833dfc6f1120ffc1/nld@2025‑08‑07;1

/join/id/regdata/pv30/2025/gebiedsaanwijzing_b0a6b19bab0142b9833dfc6f1120ffc1/nld@2025‑12‑12;2

HH

Binnen bijlage III wordt de volgende sectie op de aangegeven wijze gewijzigd:

B. Aanvullende gegevens en bescheiden voor het doen van een melding

In de hierna vermelde gevallen worden aanvullend op Artikel 3.4 van deze verordening bij het doen van een melding de in deze bijlage opgenomen gegevens en bescheiden verstrekt. Het niet of niet volledig overleggen van de vereiste bijlagen dan wel het niet of onvoldoende verstrekken van de gevraagde gegevens kan leiden tot het buiten behandeling laten van de aanvraag.

Artikel 3.27 en Artikel 3.28 Meldplicht Waterwingebied

  • a.

    Een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;

  • b.

    Een verantwoording dat activiteit geen schade toebrengt aan bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • c.

    De aanwezige voorzieningen/maatregelen tijdens de werkzaamheden opdat bij eventuele lekkages van motorvoertuigen/werktuigen e.d. geen verontreinigende stoffen in de bodem kunnen komen noch anderszins een risico optreedt voor de kwaliteit van het grondwater;

  • d.

    Bij het verstrekken van de gegevens en bescheiden onder a tot en met c wordt bij de hierna genoemde activiteiten, voor zover van toepassing, ingegaan op de hierna genoemde aspecten:

    • 1.

      Bij de aanleg van een (on)verhard pad: het soort werkzaamheden, de diepte van de werkzaamheden, de bodemopbouw over deze diepte, wijze waarop afsluitende lagen hersteld worden, de gebruikte materialen voor het pad en de uitloogbaarheid hiervan;

    • 2.

      Bij werkzaamheden gericht op behoud/ontwikkeling van de natuurfunctie of extensieve recreatie: een beschrijving van de concrete werkzaamheden die in de bodem plaatsvinden en tot welke diepte, de bodemopbouw over deze diepte, de wijze waarop afsluitende lagen hersteld worden, de gebruikte materialen en de uitloogbaarheid hiervan (voor zover van toepassing);

    • 3.

      Bij civiel- en bouwtechnische werkzaamheden vanwege regulier onderhoud: een verantwoording waarom sprake is van regulier beheer en onderhoud (en geen renovatie/nieuwbouw), een beschrijving van alle concrete werkzaamheden en voor zover die in de bodem plaatsvinden: tot welke diepte, de bodemopbouw over deze diepte, de wijze waarop afsluitende lagen hersteld worden, de bij het regulier beheer en onderhoud gebruikte materialen en de uitloogbaarheid hiervan;

    • 4.

      Bij de aanleg van kabels en leidingen: een onderzoek waaruit blijkt dat er geen realistische alternatieven zijn voor de aanleg van kabels en leidingen buiten het waterwingebied, soort werkzaamheden, diepte werkzaamheden, de bodemopbouw over deze diepte, wijze waarop afsluitende lagen hersteld worden, de gebruikte materialen en de uitloogbaarheid hiervan;

    • 5.

      Bij de toepassing van grond of baggerspecie: de hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie, de dikte van de op te brengen laag grond of baggerspecie, de milieuverklaring bodemkwaliteit voor de toe te passen grond of baggerspecie, de partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM, voor de toe te passen grond of baggerspecie, de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie en de partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM, voor de af te voeren grond of baggerspecie.

Artikel 3.32 Meldplicht Grondwaterbeschermingsgebied Aanleg buisleiding

  • a.

    Een beschrijving van de activiteit waarop de melding betrekking heeft;

  • b.

    Een verantwoording dat activiteit geen schade toebrengt aan bodem en het zich daarin bevindende grondwater:

    • 1.

      welke maatregelen worden getroffen om de risico's voor het grondwater te beperken;

    • 2.

      de aanwezige voorzieningen/maatregelen tijdens de werkzaamheden opdat bij eventuele lekkages van motorvoertuigen/werktuigen e.d. geen verontreinigende stoffen in de bodem kunnen komen noch anderszins een risico optreedt voor de kwaliteit van het grondwater.

Artikel 3.33 Meldplicht aanleg of vervanging kunstgrasveld

  • a.

    Een beschrijving welke technische maatregelen bij de aanleg of vervanging worden getroffen;

  • b.

    Een onderhoudsplan waarin is beschreven welke maatregelen worden getroffen die uitloging gedurende het gebruik en uitloging vanwege het instrooien van materiaal voorkomen;

  • c.

    Een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater.

Artikel 3.34 Meldplicht lozen afstomend hemelwater van gebouwen / Artikel 3.35 Meldplicht lozen afstromend hemelwater van wegen / Artikel 3.37 Meldplicht aanleg parkeerterrein voor 100 voertuigen of meer /Artikel 3.38 Meldplicht lozen overig afvalwater

  • a.

    Een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • b.

    De wijze waarop de voorzieningen worden beheerd waardoor de zuiverende werking naar de toekomst toe behouden blijft;

  • c.

    De wijze waarop de gevolgen voor het milieu worden gemonitord.

Artikel 3.40 Meldplicht toepassen grond of baggerspecie

  • a.

    Een verantwoording dat de activiteit geen schade toebrengt aan de bodem en het zich daarin bevindende grondwater;

  • b.

    De hoeveelheid toe te passen grond of baggerspecie, de dikte van de op te brengen laag grond of baggerspecie, de milieuverklaring bodemkwaliteit voor de toe te passen grond of baggerspecie, de partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM, voor de toe te passen grond of baggerspecie, de hoeveelheid af te voeren grond of baggerspecie en de partijkeuring op de stoffen, opgenomen in de advieslijst PFAS van het RIVM, voor de af te voeren grond of baggerspecie.

Artikel 3.53 Meldplicht Grondwatersanering

  • a.

    Kaarten (niet ouder dan drie maanden):

    • 1.

      Kadastrale kaart waarop de begrenzing van de saneringslocatie waarop de activiteit wordt verricht is aangegeven;

    • 2.

      Kaarten met zowel de horizontale als de verticale contouren van de verontreinigingen in de het grondwater en eventueel in de grond worden aangegeven;

    • 3.

      Dwarsdoorsnede van de grondwaterverontreiniging in de bodem;

  • b.

    De onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving voor zover deze nog niet in het bezit zijn van de Provincie Noord-Brabant of de Omgevingsdienst:

    • 1.

      Een vooronderzoek bodem conform NEN 5725;

    • 2.

      Een verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740 uitgevoerd conform waarbij het veldwerk is uitgevoerd door een persoon en een onderneming met erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000, het laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit heeft voor AS SIKB 2000 en de laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000;

    • 3.

      Een nader bodemonderzoek verricht conform NTA-5755 waarbij het veldwerk is uitgevoerd door een onderneming en persoon met erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000, het laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit heeft voor AS SIKB 2000 en de laboratoriumanalyse wordt verricht door een laboratorium of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS 3000;

  • c.

    Geef aan of er een bron van (mobiele) verontreiniging in de grond aanwezig is;

  • d.

    Rapportage en conclusies van de uitgevoerde risicobeoordeling grondwaterkwaliteit zoals opgenomen in Paragraaf 3.4.2 van deze verordening;

  • e.

    Duidelijke omschrijving van de saneringsaanpak, waaronder een omschrijving van de werkzaamheden, waaronder ten minste het maximale volume van bodem, grond en grondwater waarin de werkzaamheden plaatsvinden, de methode die wordt gebruikt om de verontreiniging in het grondwater te verminderen en de maximale hoeveelheid te onttrekken grondwater;

  • f.

    De omvang van de grondwaterverontreiniging voor de start van de grondwatersanering zowel in oppervlakte in m2 als in bodemvolume in m3;

  • g.

    De kwaliteit van het grondwater zowel bij aanvang de einddoelstelling per verontreinigende stof;

  • h.

    Een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die zijn of worden getroffen om de negatieve gevolgen en effecten van de grondwatersanering naar de omgeving te voorkomen of te beperken;

  • i.

    De lozingsroutes en bestemming wanneer er afvalwater vrijkomt;

  • j.

    De verwachte duur van de grondwatersanering;

  • k.

    Aangeven welke milieubelastende activiteiten ten behoeve van het saneren van het grondwater nog meer uitgevoerd zullen worden zoals bijvoorbeeld ontgraven herschikken, opslag onttrekkingen en lozingen;

  • l.

    Een beschrijving van contacten over de activiteit(en) met andere (bestuurlijke) instanties, belangengroeperingen, derden;

  • m.

    Een beschouwing van de vraag of voor de uitvoering van de activiteit nog andere vergunningen nodig zijn;

  • n.

    Naam, adres en nummer van het erkenningscertificaat bodemkwaliteit van de milieukundig begeleider;

  • o.

    Naam, adres en nummer van het erkenningscertificaat bodemkwaliteit van de onderneming die de sanering uitvoert.

Artikel 3.67 Meldplicht Ontgrondingsactiviteit

  • a.

    Tekening met locatie aanduiding van de ontgronding op een topografische ondergrond (schaal 1:25.000);

  • b.

    Tekening met kadastrale aanduiding van het te ontgronden terrein en de daaraan grenzende percelen, waarop met duidelijke markering het te ontgronden perceel/de percelen zijn aangegeven. Met verschillende arceringen of duidelijk te onderscheiden kleuren moet aangegeven worden:

    • 1.

      het te ontgronden gebied vanaf de insteek; 

    • 2.

      het opnieuw in te richten gebied; 

    • 3.

      of het in verband met de ontgronding eventueel aan te passen gebied;

  • c.

    Lijst van kadastrale percelen met eigenaren (bij meer dan 10 secties);

  • d.

    Tekening van het te ontgronden terrein, met gegevens van een actuele hoogtemeting. Op de tekening de hoogtepunten aangeven t.o.v. NAP, gemeten in een raster van maximaal 50 x 50 meter (vierkantennet), dan wel gebruik maken van de Algemene Hoogtecijfers Nederland (AHN). Rondom het te ontgronden terrein moet een strook ter breedte van minimaal 30 meter bij de hoogtemeting worden betrokken. Met verschillende arceringen of duidelijk te onderscheiden kleuren moet aangegeven worden:

    • 1.

      Het te ontgronden gebied vanaf de insteek;

    • 2.

      Het opnieuw in te richten gebied; 

    • 3.

      Het in verband met de ontgronding eventueel aan te passen gebied; of

    • 4.

      Een GIS-bestand waarmee digitaal de contouren van de ontgronding zijn aangegeven.

  • e.

    Tekening van de ontgronding waarop door middel van dwarsprofielen de insteeklijnen, de taludhellingen en de bodemdiepten van de ontgronding ten opzichte van NAP zijn aangegeven;

  • f.

    Inrichtingstekening waarop de herinrichting van het te ontgronden terrein met de omgeving is aangegeven met de nieuwe hoogtes van het maaiveld ten opzichte van NAP, al dan niet met een inrichtingsplan (oa bij specifieke projecten en natuurprojecten). Met verschillende arceringen of duidelijk te onderscheiden kleuren moet aangegeven worden:

    • 1.

      Het te ontgronden gebied vanaf de insteek;

    • 2.

      het opnieuw in te richten gebied; of

    • 3.

      Het in verband met de ontgronding eventueel aan te passen gebied;

  • g.

    Een werkplan, dat naar gelang de omvang van de ontgronding, ingaat op:

    • 1.

      beschrijving van de bestaande situatie;

    • 2.

      reden van de ontgronding;

    • 3.

      gevolgen voor het milieu (met name natuur en landschap);

    • 4.

      gevolgen voor (geo)hydrologie;

    • 5.

      wijze waarop de ontgronding wordt uitgevoerd;

    • 6.

      fasering van de uitvoering;

    • 7.

      (eind-)bestemming na ontgronding;

    • 8.

      inrichtingsmaatregelen;

    • 9.

      toekomstig beheer van het ontgronde terrein met omgeving;

    • 10.

      de (tijdelijke) aanpassing van de infrastructuur (wegen, waterlopen, kabels, leidingen e.d.);

    • 11.

      de situering en inrichting van het werkterrein met parkeerplaatsen, aanlegsteigers, loodsen;

    • 12.

      aanvang en duur van de ontgronding, de werkdagen en werktijden;

    • 13.

      de situering en beheer van het zanddepot;

    • 14.

      de logistieke aspecten van de afvoer van de gewonnen oppervlaktedelfstoffen;

    • 15.

      de veiligheids- c.q. beveiligingsmaatregelen;

    • 16.

      de informatie naar c.q. communicatie met de bewoners in de omgeving van de ontgronding;

  • h.

    Uittreksel van het omgevingsplan met daarin aangegeven welke bepalingen van toepassing zijn op het gebied met eventueel een verwijzing naar de url waar het omgevingsplan kan worden gevonden;

  • i.

    Als het te ontgronden gebied valt in een gebied met een hoge of middelhoge indicatieve archeologische waarde: een archeologisch onderzoeksrapport volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie waarin de resultaten van het onderzoek naar de omvang, aard en kwaliteit van de aanwezige archeologische waarden zijn opgenomen;

  • j.

    Als het te ontgronden gebied valt in een gebied met een hoge aardkundige waarde: een aardkundig onderzoeksrapport, opgesteld door een gespecialiseerd deskundige op het gebied van aardkundige waarden, waarin de resultaten van het onderzoek naar de omvang, aard en kwaliteit van de aanwezige aardkundige waarden zijn opgenomen;

  • k.

    Als het te ontgronden gebied valt in een gebied met een hoge cultuurhistorische waarde: een onderzoeksrapport waarin is aangetoond dat de ontgronding de cultuurhistorische waarde versterkt/verbetert;

  • l.

    In het geval van een ontgronding die is gericht op een landbouwkundige-/cultuurtechnische verbetering, wordt er overeenkomstig de Uitvoeringsregeling Ontgrondingen en bouwgrondstoffen Provincie Noord-Brabant, een landbouwkundig onderzoeksrapport ingediend dat bestaat uit:

    • 1.

      een waterhuishoudkundig onderzoek waarin opgenomen:

      • I.

        actuele grondwaterstanden en de daaraan gerelateerde grondwatertrap op het perceel zelf;

      • II.

        gegevens over het oppervlaktewaterstelsel voor en na ontgronding (situatieschets, waterpeilen/stuwpeilen), inclusief eventuele drainageaanleg; en

      • III.

        als er sprake is van een ontgronding ter voorkoming van verdroging, een indicatie van de grondwaterstand over de afgelopen 10 jaar op basis van langjarige metingen op relevante TNO-meetbuizen in de omgeving;

    • 2.

      een bodemkundig onderzoek waarbij o.a. de bouwvoordikte wordt bepaald in een raster van 50 x 50 meter (vierkantennet);

    • 3.

      bedrijfseconomisch onderzoek naar de gevolgen van de ontgronding;

    • 4.

      eventuele alternatieve mogelijkheden op omgevings- en perceel niveau, waarmee eenzelfde effect als van de ontgronding bereikt kan worden (N.B. hiervoor dient eerst de waterbeheerder om advies gevraagd te worden);

  • m.

    Hydrologische onderbouwing;

  • n.

    Een machtigingsformulier als er namens de grondeigenaar/initiatiefnemer een aanvraag wordt ingediend.

Artikel 3.77 Meldplicht activiteit ten behoeve van algemeen nut Stiltegebied

  • a.

    Een tekening met de situatie waar geluidbronnen zijn gesitueerd;

  • b.

    Een beschrijving van de inzet van het materieel;

  • c.

    Een akoestische onderbouwing/berekening waaruit blijkt dat aan de gestelde normering wordt voldaan;

  • d.

    Inzicht in de samenhangende benodigde vergunningen, ontheffingen of meldingen.

Artikel 3.78 en Artikel 3.79 Meldplicht (mobiel) evenement Stiltegebied

  • a.

    Een tekening met de route en aantallen van de verkeersbewegingen;

  • b.

    Een tekening met de situatie waar geluidbronnen zijn gesitueerd;

  • c.

    Een beschrijving van de inzet van het materieel;

  • d.

    Een beschrijving van de bronsterkte van het materieel of geluidproducerende activiteiten;

  • e.

    Een tekening met daarop de ligging van de tijdelijke parkeerplaatsen;

  • f.

    Een toelichting waarom het betreffende (mobiele) evenement niet elders buiten het stiltegebied kan plaatsvinden;

  • g.

    Inzicht in de samenhangende benodigde vergunningen, ontheffingen of meldingen;

  • h.

    Een akoestische onderbouwing waaruit blijkt dat aan de in artikel 3.78 eerste lid of artikel 3.79 eerste lid genoemde norm wordt voldaan. De akoestische onderbouwing kan bestaan uit een akoestisch rapport of een inschatting van de geluidbelastingen op basis van de beschrijving van de locatie, de inzet en de geluidemissie van de geluidproducerende activiteiten. Hierbij kan naast bovenstaande tekeningen en beschrijving van de geluidbronnen binnen het (mobiele) evenement o.a. worden gebruik gemaakt onderstaande tabellen:

Bronsterkte

Type activiteit

Maximale bedrijfsduur

75-85

achtergrondmuziek

12 uur

90

solo-instrument (onversterkt)

10 uur

95

muziekgroep (onversterkt)

3 uur

afbeelding binnen de regeling

Indien het vrachtwagens betreft of gelijkwaardige voertuigen, kan voor een indicatie de geluidbelasting met 10 dB worden verhoogd. Voor de uurintensiteit moet worden uitgegaan van het maatgevende uur.

Artikel 3.96 Meldplicht velling houtopstand

  • a.

    een toelichting waarom het vellen van de houtopstand nodig is;

  • b.

    de oppervlakte van de te kappen houtopstand in vierkante meters, of in geval van rijbeplanting, het aantal te vellen bomen, met daarbij aangegeven de onderlinge plantafstand in meters;

  • c.

    een specificatie van:

    • 1.

      het aantal te kappen bomen;

    • 2.

      de soortaanduiding van de bomen;

    • 3.

      de leeftijd van de bomen;

  • d.

    een plan hoe aan de plicht tot herbeplanting, bedoeld in artikel 11.129 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voldaan wordt met ten minste de volgende gegevens:

    • 1.

      de oppervlakte van de te herbeplanten houtopstand in m2 of, als sprake is van rijbeplanting, het aantal te planten bomen, met daarbij aangegeven de plantafstand in meters;

    • 2.

      een specificatie van:

      • I.

        het aantal te herbeplanten bomen, in geval van rijbeplanting;

      • II.

        de soortaanduiding van de te herbeplante bomen;

      • III.

        de kwaliteit van de te herbeplanten bomen met bij een bosplantsoen lengte plantmateriaal en diameter wortelhals en bij laanbomen stamomtrek gemeten op 1 meter en lengte boom;

    • 3.

      een toelichting over de geplande uitvoering van de herplanting met in elk geval een aanduiding van het plantseizoen;

  • e.

    als velling van de houtopstand gewenst is in afwijking van artikel 11.126, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, de reden hiervan;

  • f.

    Als herbeplanting in afwijking artikel 11.129, eerste lid van het Besluit activiteiten gewenst is:

    • 1.

      de reden hiervan;

    • 2.

      als herbeplanting op andere grond dan de grond, bedoeld in artikel 11.129, eerste lid, gewenst is: een schriftelijke verklaring dat de eigenaar van het perceel waar de herbeplanting op plaatsvindt akkoord gaat met de herbeplanting;

    • 3.

      een kadastrale omschrijving van het perceel waar de herbeplanting op plaatsvindt en de omvang van de herbeplanting welke hier gaat plaatsvinden. 

Artikel 3.98artikel 3.100, artikel 3.101 Meldplicht Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie veehouderij

  • a.

    Overzicht en afschriften milieu, bouw en natuurtoestemmingen

    Er dient een overzicht en afschriften van de relevante ingediende/verleende milieu - en natuurvergunning(en)/melding(en) op en vanaf 25 mei 2010 van de uitgangssituatie inclusief plattegrondtekening(en) aangeleverd te worden (afschriften die al eerder aangeleverd zijn aan provincie Noord-Brabant hoeven niet toegevoegd te worden);

  • b.

    Een beschrijving van de wijze waarop wordt voldaan aan de ammoniakemissie-normen opgenomen in bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie, door/op basis van

  • c.

    Afstand tot de drie dichtstbijzijnde gelegen Natura 2000-gebieden, inclusief welke gebieden dat zijn;

  • d.

    Bij een beroep op het voldoen met een natuurinclusieve veehouderij worden de volgende bescheiden overlegd:

    • 1.

      een (uitgebreidere) onderbouwing met bewijs dat er sprake is van een natuurinclusieve bedrijfsvoering;

    • 2.

      een onderbouwing met bewijs waarmee aangetoond wordt dat het bedrijf blijvend beschikt over voldoende grond voor een veebezetting van 2 grootvee eenheden (GVE) per hectare grond of minder;

    • 3.

      een onderbouwing waarmee aangetoond wordt dat, door het treffen van aanvullende maatregelen, de gemiddelde emissie op bedrijfslocatieniveau gelijk is aan de normen in bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie voor een niet-natuurinclusieve bedrijfsvoering.

  • e.

    Bij het voldoen met minder dieren:

    • 1.

      Overzicht van het maximaal aantal te houden dieren per diercategorie en per huisvestingssysteem;

    • 2.

      Berekening dat met het aantal dieren wordt voldaan aan de voor die diercategorie op de verplichte datum geldende normen uit bijlage VI.

  • f.

    Beoogde situatie:

    • 1.

      een omschrijving van de beoogde situatie, die onder andere de volgende onderdelen bevat:

      • I.

        te nemen maatregel uit bijlage VI (met OV-code) en norm;

      • II.

        diertabellen van de vergunde situatie, de feitelijke situatie ten tijde van de melding en de beoogde situatie waarbij aan de eisen uit de OV wordt voldaan, inclusief stalnummers, dieraantallen, diercategorieën en aangehouden emissiefactoren;

      • III.

        een totaaloverzicht van de vergunde emissie, de feitelijke emissie en de beoogde emissie;

      • IV.

        bewijs van realisatie van de bestaande situatie via luchtfoto en foto van de stalinrichting per stal;

    • 2.

      AERIUS-verschilberekening (originele pdf) van de stalemissies in de feitelijke situatie ten tijde van de melding en de stalemissies in de beoogde situatie waarbij aan de eisen van de OV wordt voldaan, inclusief onderbouwing van de invoergegevens (x- en y-coördinaten emissiepunten, emissiepunthoogten, uittreedsnelheden etc.);

    • 3.

      indien aan de orde: een systeembeschrijving van het betreffende emissiearme huisvestingssysteem (indien van toepassing);

    • 4.

      een plattegrondtekening van de beoogde situatie.

Artikel 3.104 Meldplicht Maatwerkregel Forse stikstofreductie

  • a.

    Overzicht en afschriften milieu, bouw en natuurtoestemmingen: Er dient een overzicht en afschriften van de relevante ingediende/verleende milieu - en natuurvergunning(en)/melding(en) van de uitgangssituatie inclusief plattegrondtekening(en) aangeleverd te worden (afschriften die al eerder aangeleverd zijn aan provincie Noord-Brabant hoeven niet toegevoegd te worden);

  • b.

    Een beschrijving op welke wijze de reductie van stikstofemissies wordt gerealiseerd;

  • c.

    Afstand tot de drie dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden, inclusief welke gebieden dat zijn;

  • d.

    In geval van een veehouderij, de gegevens en bescheiden zoals opgenomen bij artikel 3.98 Meldplicht Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie;

  • e.

    Beoogde situatie in andere gevallen dan onder d: 

    • 1.

      AERIUS-verschilberekening (orgiginele pdf) van de bestaande en beoogde situatie inclusief onderbouwing van de invoergegevens en GML-bestand;

    • 2.

      een plattegrondtekening van de beoogde situatie.

Artikel 3.113 Meldplicht gedenkteken

  • a.

    toezending van de gegevens van de zakelijk gerechtigde, bedoeld in Artikel 3.4, eerste lid, onder g, is niet van toepassing;

  • b.

    het wegnummer van de provinciale weg;

  • c.

    de kilometrering van de locatie van het gedenkteken;

  • d.

    de ligging van het gedenkteken uitgevoerd op een topografische kaart met een schaal niet kleiner dan 1:100.000.



II

Bijlage VI wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem Maatregelen ammoniakemissiereductie

JJ

Bijlage VII wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage VII Vervallen

[Vervallen]

[Vervallen]

Vervallen

[Vervallen]

KK

Bijlage IX wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage IX Maximale boordiepte

[Vervallen]

[Vervallen]

[Vervallen]

LL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

13 Overzicht wijzigingsbesluiten omgevingsverordening Noord-Brabant

Overzicht wijzigingsbesluiten Omgevingsverordening Noord-Brabant

Naam besluit

Datum besluit

Datum inwerkingtreding

Hoofdonderwerpen

Omgevingsverordening Noord-Brabant (initieel)

11‑03‑22

01‑01‑24

Eerste complete versie

Wijziging Omgevingsverordening, veegronde

27‑10‑23





01‑01‑24





 Beperking grootschalige logistiek

Bebouwd gebied aanpassing locaties

Vereenvoudiging stalderingsregeling

Aanpassing compensatie NNB

Overgangsrecht gesloten bodemenergiesystemen

Aanpassing regeling inpandig toevoegen woningen in beeldbepalende- en cultuurhistorisch waardevolle bebouwing

Vergunningplicht beschilderingen kunstwerk behorende tot provinciale weg

TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant



05‑12‑23





01‑01‑24





Geometrie update naar aanleiding van alle kaartwijzigingsbesluiten van de Interim omgevingsverordening Noord-Brabant en de Omgevingsverordening plus de geconsolideerde tekst

TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2024





17‑09‑24



27‑09‑24





Kaartwijzigingen in verband met:

- natuurbeheerplan wijzigingen (NNB, voornamelijk ecologische redenen)

- verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)

- actualisaties en correcties (o.a. diverse ecologische verbindingszones en Stedelijk gebied)

TAM Ogevingsverordening - regelwijziging 1





13‑12‑24





01‑01‑25





Toevoegen locatie Boordieptes grondwaterbeschermingsgebied

Vervallen Varend ontgassen (afdeling en locatie)

Toevoegen locatie en regels grondwatermeetpunten

Toevoegen locatie Natuurnetwerk Nederland

Aanpassing compensatie NNB

Aanpassing zonneparken en overgangsrecht

Toevoegen agrarische beëindigingsregelingen

TAM-omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2025 -1

25‑02‑2025

11‑03‑25

Kaartwijzigingen in verband met:

- verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)

- actualisaties en correcties (o.a. Regionale waterberging en Reservering waterberging en NNB).

Omgevingsverordening Noord-Brabant

 01‑07‑2025

 12‑08‑2025

Omzetting naar STOP/TPOD standaard: kleine tekstuele wijzigingen, o.a. bij omgevingswaarden en normen;

vervanging van pdfkaart bijlage IX door normen

Omgevingsverordening Noord-Brabant - kaartaanpassingen 2025 -2

 16‑09‑25

 dd-mm-2025

Kaartwijzigingen in verband met:- natuurbeheerplan wijzigingen (NNB, voornamelijk ecologische redenen)- verzoeken om herbegrenzing gemeentelijke plannen (o.a. Stedelijk gebied en NNB)- actualisaties en correcties

Omgevingsverordening Noord-Brabant – regelwijziging 2

 12‑12‑25

 

-toevoegen boringsvrije zones (drinkwaterreservering) 

-verduidelijking meldplicht en toevoegen informatieplicht ontgrondingen

-invoeren maatregel Vermindering ammoniakemissies uit veehouderijen, inclusief aanpassing van de datum en wijziging van bijlage VI

- nieuw artikel Tijdelijk handelingsverbod veehouderijen

- toevoegen van de aanleg van warmtesystemen aan algemeen belang

- ladder voor duurzame verstedelijking verwijderd

- aanpassing vanwege aflopen Ruimte voor ruimte

- bescherming N2000

- enkele correcties bij agrarische activiteiten

- informatieplicht waterschappen

- aanpassing definities

- aanpassingen vanuit de uitvoeringspraktijk en herstel van enkele omissies

MM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.13 Maatwerkregels gesloten bodemenergiesysteem

De provincie kan in de omgevingsverordening op grond van artikel 2.12 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) aanvullende regels stellen voor activiteiten die in het Besluit activiteiten leefomgeving zijn gereguleerd als dit vanwege provinciale belangen nodig is en het niet doelmatig of doeltreffend is dat gemeenten dit in het omgevingsplan doen.

De provincie is op grond van artikel 2.18 van de Omgevingswet verantwoordelijk voor de kwaliteit en bescherming van het grondwater en op grond van artikel 3.8 van de wet evenals voor het behalen van de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelen in grondwaterlichamen. De bescherming van grondwater en grondwaterlichamen is gemeentegrens overstijgend. Het is een provinciaal belang om het grondwater in de vier Brabantse grondwaterlichamen met de maatschappelijke functie drinkwateronttrekking op eenzelfde wijze te beschermen. Daarom bevat de omgevingsverordening diverse regels ter bescherming van het grondwater.

In het kader van de energietransitie worden op steeds grotere schaal gesloten bodemenergiesystemen in de Brabantse bodem geïnstalleerd. Op plaatsen waar deze systemen tot in de diepere grondwaterlagen reiken, ontstaan risico's voor de kwaliteit van het drinkwater voor nu en de langere termijn. Het betreft directe vervuiling bij lekkage van circulatievloeistoffen en het doorsijpelen van vervuilingen uit ondiepe grondwaterpakketten naar de drinkwaterpakketten door beschadiging van de beschermende kleilaag. De actuele en te verwachten aantallen gesloten bodemenergiesystemen maken dat het risico (kans x frequentie) te groot wordt om de grondwaterkwaliteit in de diepe grondwatervoorraden te waarborgen. Daarom kiest de provincie voor het voorzorgprincipe, en zijn in dit artikel aanvullend op paragraaf 4.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving maatwerkregels gesteld voor gesloten bodemenergiesystemen. Alle gesloten bodemenergiesystemen zijn op grond van artikel 4.1136 en artikel 4.1138 meldings- en registratieplichtig.

De gemeente is het bevoegd gezag voor de melding op grond van het Bal en de regels die in paragraaf 4.111 Bal zijn opgenomen. Dat blijft zo. De provincie heeft gekozen voor provinciale maatwerkregels, aanvullend op het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor toezicht en handhaving op (uitsluitend) deze maatwerkregels. Een gemeente hoeft zelf geen regels in het omgevingsplan op te nemen over de aanvullende regels, nu de provincie dat al heeft gedaan. Een gemeente kan vanuit een ander oogmerk, zoals het tegengaan van verplaatsing van vervuilingen die in de ondergrond aanwezig zijn, wél aanvullende regels in het omgevingsplan opnemen. De maatwerkregels zijn overal gelijk en worden gekoppeld aan de locatie (diepte). De initiatiefnemer moet de maatwerkregels rechtstreeks in acht nemen.

De maatwerkregels hebben betrekking op:

  • a.

    de diepte van boringen voor gesloten bodemenergiesystemen: boren is toegestaan tot de beschermende kleilaag en tot de diepte ter plaatse van Maximum boordiepte bepaalde waarde onder maaiveld.  Op grond van Protocol 11001, is het verplicht dat het buismateriaal van de bodemwarmtewisselaar voldoet aan BRL5219. Voor het doorboren van de klei- en leemlagen boven de aangegeven diepte geldt onverminderd dat boorgaten laagsgewijs moeten worden afgedicht of volledig afgedicht (gegrout) volgens SIKB protocol 2101. Het doorboren van de beschermende kleilaag ten behoeve van gesloten bodemenergiesystemen is niet toegestaan.

  • b.

    gebruik van circulatievloeistof: uitgangspunt bij het gebruik van circulatievloeistoffen is dat het onwenselijk is dat vervuilingen het diepe grondwater bereiken. Alleen water, kaliumcarbonaat en monopropyleenglycol worden als circulatievloeistof geaccepteerd omdat dit volgens het RIVM de minst schadelijke circulatiestoffen zijn. Additieven zijn niet toegestaan.

  • c.

    registratieverplichting: in het Landelijk Grondwater Register (LGR) worden alle vergunningen en meldingen voor grondwateronttrekkingen, infiltraties en open bodem energiesystemen in Nederland geregistreerd. Het LGR wordt gebruikt voor de ondersteuning van de processen vergunningverlening, handhaving en heffingen door provincies, waterschappen, gemeenten en Rijkswaterstaat. Daarnaast is het LGR een bron voor het samenstellen van beleidsinformatie en publieke informatie. Het LGR wordt al enige tijd gebruikt voor de registratie van gesloten bodemenergiesystemen, maar het aanleveren van gegevens over deze systemen is niet verplicht. Dit is wel wenselijk, om de kwaliteit van de gegevens in het LGR te waarborgen. Daarom is in de verordening als voorwaarde opgenomen dat alle meldingen van gesloten bodemenergiesystemen worden opgenomen in het LGR. Dit betreft een informatieplicht van gemeenten gebaseerd op artikel 20.6 Omgevingswet in verband met de provinciale taken voor grondwater en watersystemen. Het is hierbij ook gewenst dat er extra informatie wordt opgenomen in het LGR inzake de gebruikte circulatievloeistof en de manier van afdichten (conform SIKB protocol 2101). De informatie over de manier van afdichten betreft of er sprake is van volledig afdichten (grouten) of laagsgewijs afdichten, en welk afdichtingsmateriaal gebruikt is. Deze informatieplicht is in Artikel 9.1 Registratie gesloten bodemenergiesysteem van deze verordening opgenomen. Het LGR gaat over in de Basis Registratie Ondergrond (BRO).

Overgangsregeling gesloten bodemenergiesystemen

In Artikel 10.4 Overgangsrecht gesloten bodemenergiesysteem is een overgangsregeling opgenomen voor bouw- en renovatieprojecten die in een zo ver gevorderd stadium zijn dat omschakeling naar een alternatief waarvoor de kleilaag niet doorboord hoeft te worden, niet meer reëel haalbaar is. Met de overgangsregeling wordt voorkomen dat bouwprojecten als gevolg van de nieuwe regels ernstige vertragingen op lopen of te maken krijgen met een disproportionele toename van de kosten.

NN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.66 Aanwijzing vergunningvrije gevallen

De vrijstelling van de vergunningplicht in dit artikel geldt altijd en overal, tenzij in het omgevingsplan regels zijn gesteld door de gemeente. Het is een absolute vrijstelling, wat betekent dat er ook geen meldplicht is. Dit laat onverlet dat voordat de geplande activiteit uitgevoerd kan worden, wel alle andere vergunningen die vereist zijn, op grond van de Omgevingswet of andere wetgeving, verkregen moeten zijn. Starten met de in het kader van de Omgevingswet toegestane ontgrondingswerkzaamheden, maar zonder een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, een omgevingsvergunning voor een natura-2000 activiteit of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, houdt in dat er handhavend kan worden opgetreden in het kader van de overtreden wetgeving. Bovendien kunnen er ook elders in deze omgevingsverordening specifieke bepalingen staan die van belang zijn voor de ontgrondingenactiviteit. Binnen de gebieden die zijn aangewezen voor Waterwinning voor menselijke consumptie gelden bijvoorbeeld vanuit het belang van de bescherming van het drinkwater regels over het verrichten van activiteiten in of op de bodem.

Categorie a: De in deze categorie bedoelde activiteiten vinden onder andere plaats in het kader van archeologisch vooronderzoek, onderzoek naar de bodemkwaliteit e.d. Deze activiteiten worden veelal uitgevoerd conform een geldend protocol, zoals vastgelegd in SKB-, BRL- of NEN-normen. De activiteiten maken slechts marginaal inbreuk op de bodem. Bij de activiteiten komen doorgaans geen grondstoffen vrij. Na boring, sondering of aanleggen van een proefsleuf wordt de grond in principe weer teruggebracht. Deze vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7 Besluit activiteiten leefomgeving.

Categorie b : De voorwerpen die bedoeld worden in deze categorie van “het plaatsen, onderhouden, vervangen en opruimen van in de grond aan te brengen of aangebrachte voorwerpen” zijn onder meer kabels en (buis-)leidingen met toebehoren, palen, lantaarnpalen, verkeerslichten, e.d., bomen, planten en andere gewassen, brandstoftanks, septic tanks en Tweede WO-bommen. Hierbij gaat het om kleine ingrepen en worden de uitgegraven grondstoffen niet verwijderd, maar op de oorspronkelijke plaats teruggestort. Voor de aanleg van kabels en leidingen bestaat ook vaak de plicht tot het accepteren van aanleg en onderhoud bijvoorbeeld op grond van hoofdstuk 10 van de Omgevingswet en andere wetgeving. De vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7, onder e en f, en zo nodig een afwijking van onderdeel h, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Categorie c: Onder een normale uitoefening van land-, tuin- en bosbouw worden regelmatig terugkerende (seizoensgebonden) activiteiten verstaan, zoals:

  • a.

    periodiek terugkerende cultuurmaatregelen met geringe invloed op de maaiveldligging als: ploegen, scheuren van grasland, frezen, eggen, rollen, spitten, zaaibedbereiding, inzaaien en het rooien van producten;

  • b.

    het inkuilen van producten (gras, mais, aardappels) door afdekking met bodem uit de directe omgeving van de kuilhoop en het weghalen van boomstronken.

Het kilveren wordt hierbij nadrukkelijk niet genoemd aangezien het begrip kilveren geen onderscheidend vermogen heeft. De ene keer gaat het slechts om zaaibedbereiding, terwijl er de andere keer sprake is van egaliseren. In het eerste geval valt kilveren onder de absolute vergunning vrije activiteiten. In het andere geval is vrijstelling alleen mogelijk als is voldaan aan de voorwaarden: minder dan 2000m2, minder diep dan 3 m –mv en minder dan 10.000mgrond/zand verzet.

De laatste jaren zijn er ook vragen over de ontgrondingsmogelijkheden/wetgeving in relatie tot de aanleg van peil gestuurde drainage. Wijzigende klimaatomstandigheden brengen nieuwe ontwikkelingen in de landbouw met zich mee. Gezien de behoefte om meer grip te krijgen op de steeds vaker voorkomende wateroverlast en verdroging en daarmee samenhangend de behoefte aan een snelle afvoer bij wateroverlast en het vasthouden van het water bij droogte wordt er steeds vaker gewerkt met een peil gestuurde drainage. Een eerste vereiste voor een optimale werking, en in lijn daarmee een optimale bodemopbouw (optimaal is in deze: minder bemesting en besproeiing noodzakelijk), van een peil gestuurde drainage is een vlakke zandbank waarop een gelijkmatige teelaarde laag wordt aangebracht. Om deze bodemopbouw te verkrijgen en een peil gestuurde drainage aan te leggen is het niet nodig en niet wenselijk om de gehele teelaarde laag van het perceel te ontgraven, het zandpakket uit te vlakken en vervolgens weer terug te brengen. Buiten een maximale verstoring van het perceel is deze werkwijze een aanslag op het milieu qua uitstoot van gassen door de gebruikte machines.

In het geval dat er sprake is van een normale diepploeg bewerking plus/minus 0,65 m –mv en men het zand hiermee kan bovenkrijgen is het toegestaan door kilveren het perceel vlak te schrapen en vervolgens weer om te ploegen. Bij zo'n bewerking vindt een normale afweging in het kader van de Ontgrondingenwet en de Omgevingsverordening plaats. Bij een hoeveelheid van minder dan 10.000 m3 te verplaatsen grond/zand na het diepploegen, is deze activiteit meldingsplichtig. Bij een grotere hoeveelheid te verplaatsen grond na het diepploegen is deze bewerking vergunningplichtig en dient daarvoor een aanvraag te worden gedaan.

De vergunningplicht geldt ook als niet voldaan wordt aan onderstaande voorwaarden:

  • de grondbewerking mag ter plaatsen maar één keer plaatsvinden;

  • er mag geen zand of grond van het te bewerken perceel worden afgevoerd;

  • het diepploegen mag tot een diepte van maximaal tot 0,65 m-mv ter plaatse plaatsvinden;

  • het hoogteverschil van de zandlaag mag maximaal 40 cm bedragen;

  • er mag geen sprake zijn van een bolle akker of een ander soort aardkundig waardevol gebied.

Categorie d: Onderhoud behoort volgens normaal spraakgebruik meestal niet onder een ontgronding. Dat is in het maatschappelijk verkeer volledig geaccepteerd. Onder normaal onderhoud wordt bijvoorbeeld verstaan het afplaggen van natuurterreinen, waarbij uitsluitend organisch materiaal wordt verwijderd, om de natuurwaarden in stand te houden (natuurbeheerwerkzaamheden). Ook het onderhoud aan waterlopen en zandvangers alsmede het uitbaggeren van een vaarweg om op vaardiepte te houden is vrijgesteld. Het baggeren met het oogmerk om (extra) grondstoffen te winnen valt daarentegen niet onder de vrijstellingsregeling. Er is daarbij geen sprake van normaal onderhoud. De vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7, onder e, f, i en j, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

categorie e: Voor de realisering van infrastructurele werken (zoals wegen, spoor- en waterwegen, havens, kunstwerken, vliegvelden, waterkeringen en geleidingsdammen) moet veelal ontgrond worden. BijHet gaat hierbij strikt om de aanleg van (spoor)wegen kan gedacht worden aaninfrastructurele werken met direct daarbij horende voorzieningen. Een project of activiteit dat in de noodzaak van funderingen,directe nabijheid wordt gerealiseerd maar niet noodzakelijk is voor het bouwrijp maken, zetting en stabiliteitinfrastructurele werk valt hier niet onder. Ontgrondingen, die uitsluitend worden verricht voor het aanleggen, onderhouden, wijzigen of opruimen van deze werken worden via onderhavige bepaling vrijgesteld van de vergunningplicht. Ook de aanleg of verbreding van een vaarweg valt onder deze vrijstelling. De vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7, onder g, en zo nodig een afwijking van onderdeel h en j, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

categorie f: Werkzaamheden, gericht op de verbetering van de bodemgesteldheid, moeten betrekking hebben op het verbeteren van de samenstelling en structuur van de grond, bv. het vervangen van slecht doorlatende zanden door grovere zand om zo de waterdoorlatendheid van de grond te verbeteren. Het (ontgraven voor het) verbeteren van de bodemgesteldheid voor het realiseren van diverse werken, is vrijgesteld van de vergunningplicht, omdat hierbij veelal sprake is van een kortstondige ingreep in de bodem die niet van invloed is op de hoogteligging van het maaiveld. Het afgraven van grond waardoor open water ontstaat, is niet aan te merken als verbetering van de bodemgesteldheid en valt nadrukkelijk niet onder deze vrijstelling. De vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7, onder g, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

categorie g : Gedeputeerde Staten hebben bij besluit van 22 juni 2004 de nota “Hergebruik van stortplaatsen” vastgesteld. In deze nota is het ontginnen en afgraven van voormalige en gesloten stortplaatsen betrokken. In Afdeling 3.5 Gesloten stortplaats zijn regels opgenomen voor Gesloten stortplaatsen waarvoor Gedeputeerde Staten bevoegd gezag zijn. In het verleden waren Gedeputeerde Staten ook bevoegd gezag voor voormalige stortplaatsen. Deze vrijstelling geldt ten aanzien van voormalige stortplaatsen daarom alleen voor de in het verleden afgegeven ontheffingen door Gedeputeerde Staten.

Een initiatiefnemer voor het ontginnen van een gesloten stortplaats moet op basis van deze regeling een aanvraag voor omgevingsvergunning indienen. De aanvraag om een vergunning gaat ondermeer vergezeld van een door de initiatiefnemer opgesteld hergebruikplan. In het kader van de aanvraag worden ook de milieu- en ruimtelijke aspecten van het hergebruiken van de gesloten stortplaats afgewogen. Daarbij worden ook de bij de ontginning betrokken belangen in ogenschouw genomen. Voor het ontginnen en afgraven van een gesloten stortplaatsen is dus al een afwegingskader voorhanden. Het doel van de onderhavige vrijstelling is om procedurele doublures te voorkomen. Overigens beperkt deze vrijstelling zich tot het afgraven binnen de contouren van de gesloten stortplaats. Als de stortplaats buiten de contouren wordt afgegraven is er in zijn totaliteit sprake van een ontgronding waarvoor een ontgrondingsvergunning is vereist.

Deze vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7, en zo nodig een afwijking van onderdeel h, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

categorie h: In paragraaf 3.2.23 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt reeds een volledige belangenafweging gemaakt waarbij aan het belang van het milieu tot sanering van de bodem een prominente rol is weggelegd. Een vergunningenprocedure voor een ontgrondingsactiviteit voegt hier niet veel meer aan toe en kan ook vanwege het milieubelang geen ander gewicht aan zaken toe kennen. Voor het afgraven van licht verontreinigde grond, dat niet plaats vindt binnen de kaders van de bodemverontreiniging, kan in voorkomende gevallen wel een ontgrondingsvergunning nodig zijn. Deze vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7, en zo nodig een afwijking van onderdeel h, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

categorie i: Tot slot is een algemene vrijstelling opgenomen voor functionele ontgrondingen, die niet in één van bovenstaande categorieën vallen, en die niet groter zijn dan 2.000 m² en waarbij niet dieper dan 3,00 m beneden maaiveld wordt ontgrond. De vrijstelling is een aanvulling op artikel 16.7 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

OO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.98 Maatwerkregels huisvestingssysteem bestaande stal Maatwerkregel verminderen ammoniakemissie veehouderij

Algemeen

Algemeen

Om de aantasting van biodiversiteit te keren zijn op Europees niveau natuurdoelen geformuleerd. De lidstaten moeten deze natuurdoelen realiseren ten behoeve van een Europees natuurnetwerk: Natura 2000. Een overmaat aan stikstof is met stip het grootste knelpunt bij Natura 2000-gebieden.

De agrarische sector is door de emissie van ammoniak uit stallendierenverblijven een belangrijke bron van stikstof. De provincie heeft daarom in 2010, op grond van de Natuurbeschermingswet 1998, de Verordening stikstof en Natura2000Natura 2000 vastgesteld om de emissies uit stallendierenverblijven te beperken en daarmee een verslechtering van de kwaliteit van de voor stikstofgevoelige habitats in een Natura 2000-gebied te voorkomen. De bepalingen vloeiden voort uit het Convenant Stikstof en Natura 2000 dat de provincie in 2009 gesloten heeft met diverse partners. De doelstelling van dit convenant is om de ammoniakbelasting op de N2000-gebieden substantieel te verminderen en de vergunningverlening voor veehouderijbedrijven rond N2000-gebieden weer vlot te trekken.

Na inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming zijn die bepalingen opgenomen in Paragraaf 1 “Natura 2000-gebieden” van de Verordening natuurbescherming Noord-Brabant. De regeling voorzag in de borging van een blijvende daling van de ammoniakbelasting in de N2000-gebieden door een vermindering van de ammoniakemissie uit veehouderijen. De grondslag hiervoor was opgenomen in artikel 2.4, derde lid, van de Wet natuurbescherming.

Uit diverse signalen bleek dat de ammoniakbelasting op de N2000-gebieden niet is verminderd en dat de daling van de ammoniakemissies vanuit de landbouw niet substantieel doorzet of zelfs stagneert. Hiervoor wordt verwezen naar o.a. resultaten van het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden (MAN) en het Landelijk Meetnet Luchtkwaliteit (LML), Balans van de leefomgeving 2016 en referentieraming van emissies naar lucht uit de landbouw tot 2030 (achtergronddocument bij de Nationale Energieverkenning 2015). De doelstelling van het Convenant stond hiermee onder druk.

De provincie zet sterk in op een verlaging van de emissies uit veehouderijen. Dit is ook opgenomen in het bestuursakkoord 2023-2027 ‘Samen maken we Brabant’ en het beleid van de provincie.  Om haar doelstellingen te behalen alsmede zekerheid te creëren dat ook de doelstelling (en de bijbehorende randvoorwaarden) van het convenant worden gehaald, is op 7 juli 2017 besloten tot aanpassing van regels. Sindsdien zijn de regels nog enkele malen op onderdelen herzien.

Het uitgangspunt van de regeling in dit artikel is dat de systematiek aansluit op het investeringsritme van de veehouderijen. Vaak in combinatie met een uitbreiding, investeert een veehouder in nieuwe stallen of in belangrijke renovaties van bestaande stallen. Op die momenten kan de investering worden benut voor ammoniakemissie reducerende systemen die voldoen aan Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem van deze verordening. Deze bijlage met ammoniakemissie-eisen wordt periodiek aangescherpt aan de stand der techniek.

Lid 1 Hoofdregel: Eisen huisvestingssysteem bestaande stal

Vanaf 1 juli 2024 geldt dat toegepaste of in werking zijnde huisvestingssysteem op veehouderijen moeten voldoen aan de ammoniakemissie-eisen neergelegd in deze verordening en Bijlage VI. In die bijlage zijn ammoniakemissie-eisen opgenomen die periodiek worden aangescherpt aan de stand der techniek. Voor nieuwe stallen zijn de voorwaarden opgenomen in Artikel 3.99, eerste lid. Daarin is bepaald dat bij een nieuwe stal, een uitbreiding of renovatie van een stal het toe te passen huisvestingssysteem op dierplaatsniveau moet voldoen aan de op dat moment geldende eisen.

Voor alle duidelijkheid geldt dat als in deze paragraaf wordt gesproken over huisvestingssysteem dat het dan gaat over een huisvestingssysteem, met inbegrip van een aanvullende techniek.

Om met bestaande stalsystemen te voldoen aan de ammoniakemissie-eisen uit Bijlage VI biedt de verordening de keuze uit twee opties:

  • de veehouderij en alle daarbinnen toegepaste huisvestingssystemen voldoen gemiddeld op bedrijfs(locatie)niveau aan de eisen zoals opgenomen in Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem. Het gaat hierbij om de stallen die op 1 locatie bij elkaar staan, binnen het voor die locatie toegekende bouwperceel. Deze regeling biedt ruimte aan ondernemers om de investeringen in schonere systemen te spreiden. Hierbij is het de verantwoordelijkheid van de ondernemer om rekening te houden met de omstandigheid dat de ammoniakemissie-eisen in Bijlage VI periodiek worden aangescherpt en dat het bedrijf gemiddeld aan de gestelde eisen blijft voldoen.

  • elk huisvestingssysteem binnen een bestaande stal voldoet individueel aan de eisen uit Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem. Voor stalsystemen die korter dan 20 jaar (bij rundvee) of 15 jaar (bij de overige diercategorieën) geleden zijn toegepast, geldt een uitzondering. Die systemen mogen gedurende die periode, gerekend vanaf het moment dat de vergunning onherroepelijk is geworden of de melding is gedaan, nog toegepast worden. Als die periode is verlopen, geldt automatisch dat de stalsystemen moeten worden aangepast aan de dan geldende eisen.

Lid 2 Uitzonderingen

In dit lid zijn twee uitzonderingen opgenomen met een afwijkende datum waarop stalsystemen moeten voldoen aan de ammoniakemissie-eisen in Bijlage VI:

Bedrijven die onder de stoppersregeling ammoniak vallen

Eind 2025 is een volgende grote wijziging vastgesteld. Hierbij is de werkwijze zo aangepast dat het aanpassen van verouderde huisvestingssystemen in alle gevallen gepaard moet gaan met verminderen van de ammoniakemissie uit dierenverblijven. Om dat te borgen is het binnen die maatregel niet langer mogelijk om een wijziging door te voeren van het aantal dieren of de diercategorie die wordt gehouden in het dierenverblijf waarin het verouderde huisvestingssysteem zich bevindt.

De gestelde normen voor ammoniakemissies kwalificeren daardoor als passende maatregel in de zin van artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn. Deze maatregelen dragen bij aan een daling van de stikstofdepositie in de overbelaste Brabantse Natura 2000-gebieden. In de eerste plaats zien de gestelde normen op het voorkomen van verdere verslechtering, en kwalificeren daarmee als passende maatregel. Uiteindelijk dragen passende maatregelen eveneens bij aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Instandhoudingsdoelstellingen kunnen immers alleen behaald worden als verslechtering van natuurwaarden wordt voorkomen. Daarmee kwalificeren de maatregelen eveneens als instandhoudingsmaatregel in de zin van artikel 6, eerste lid, van de Habitatrichtlijn. 

De grondslag voor het stellen van maatwerkregels voor ammoniakemissies uit dierenverblijven is gelegen in artikel 4.6 lid 2 en 4.3 van de Omgevingswet, in samenhang met artikel 11.7 van het Bal.

Lid1

Op grond van artikel 2.18, eerste lid, onder g van de Omgevingswet draagt het provinciebestuur zorg voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied door het treffen van instandhoudings- of passende maatregelen als bedoeld in artikel 3.59 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Om deze reden geldt vanaf 1 juli 2026 voor iedere veehouderij een verplichting om ammoniakemissies te verminderen. De normen waaraan een veehouderij moet voldoen, zijn opgenomen in bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie. De normering gaat zo veel mogelijk uit van technische- en economische haalbaarheid en wordt periodiek geactualiseerd op basis van innovatie. In bijlage VI zijn daarvoor maatregelen en systemen opgenomen waarvan op basis van wetenschappelijke consensus aannemelijk is dat daarmee aan de gestelde norm voldaan kan worden. Ondernemers hebben keuzevrijheid met welke maatregel uit bijlage VI zij voldoen aan de normen. Dat kan door het treffen van voer- of management maatregelen of het toepassen van een huisvestingssysteem zoals opgenomen in bijlage VI, een natuurinclusieve bedrijfsvoering of het houden van minder dieren. 

De verplichting voor een veehouderij om te voldoen aan het eerste lid, onder b, geldt alleen voor veehouderijen met huisvestingssystemen die 20 jaar (voor rundvee) of 15 jaar (voor de overige diercategorieën) oud is.

Lid 2

Tot 1 januari 2020 was het op basis van het landelijk afgesproken gedoogbeleid, vastgelegd in de Stoppersregeling onder het Actieplan ammoniak, toegestaan dat stallen dierenverblijven niet voldeden aan de landelijke emissie-eisen van het Besluit emissiearme huisvesting. Die bedrijven dienden op 1 januari 2020 gestopt te zijn, óf, als ze toch zouden doorgaan, uiterlijk op die datum te voldoen aan het Besluit emissiearme huisvesting. Deze regeling betekendeIn dit lid is geregeld dat deze bedrijven op 1 januari 2020 verplicht hun stallen moesten aanpassen. De regeling in deze verordening sluit daarbij aan. Veehoudersdie veehouderijen eveneens moeten bij doorgaan na 1 januari 2020 niet alleen aan de eisen van het Besluit emissiearme huisvesting voldoen maar ook aan de vereistennormen van Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem van deze verordening Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie.

Daarom is in het tweede lid een afwijkende regeling opgenomen voor bedrijven, die deelnemen aan de Stoppersregeling. Deze bedrijven zijn al geruime tijd op de hoogte dat zij hun bedrijf per 1 januari 2020 moesten aanpassen. Voor deze bedrijven geldt dat zij nu ook de keuze krijgen om vanaf 1 januari 2020 gemiddeld op bedrijfsniveau te voldoen aan Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem van deze verordening.

Melkrundveehouderijen en kalverenhouderijen

In het bestuursakkoord 2023-2027 is aangegeven dat voor deze diercategorieën als datum 1 januari 2026 wordt gehanteerd omdat deze diercategorieën veelal gehuisvest zijn in open stalsystemen waarvoor op dit moment geen bewezen systemen, technieken en maatregelen beschikbaar zijn. Hiervoor is een regeling opgenomen in het tweede lid onder b.

Lid 3 en 4 Voldoen met het houden van minder dieren

Het derde lid bevat een mogelijkheid om met het houden van minder dieren te voldoen aan de ammoniakreductie-eisen waaraan huisvestingsystemen op grond van het eerste lid moeten voldoen. Hierbij wordt uitgegaan van de diercategorie en het aantal dieren dat legaal mag worden gehouden binnen feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de vergunning(en) of melding Activiteitenbesluit die op 1 januari 2023 gold.

Lid 3

De ammoniakemissie-normen kwalificeren als instandhoudings- of passende maatregel, gericht op stikstofreductie, waarbij op grond van het vierde lid geen uitbreiding in productiecapaciteit of wijziging van diercategoriëen mag plaatsvinden. Om te voldoen aan de verplichting om ammoniakemissies te verminderen, worden in bijlage VI limitatief de systemen en maatregelen opgenomen waarmee aan de normen voldaan kan worden. Omdat het gaat om een instandhoudings- of passende maatregel (artikel 3.59 Besluit kwaliteit leefomgeving) geldt er geen vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit. De wijze waarop een veehouderij voldoet aan de normen uit bijlage VI wordt op basis van de melding vastgelegd in een maatwerkbesluit. In het geval de veehouderij beschikt over een natuurvergunning, wordt het maatwerkbesluit op grond van artikel 3.4 zesde lid van deze verordening via een wijziging van de vergunningvoorschriften opgenomen. De grondslag voor het stellen van een maatwerkvoorschrift is gelegen in artikel 3.4, derde lid, van de Omgevingsverordening, in samenhang met artikel 4.5 Omgevingswet.

Lid 4

Om als instandhoudings- of passende maatregel aangemerkt te worden is het nodig dat zeker is dat de verplichting om verouderde huisvestingssystemen aan te passen leidt tot een substantiële reductie van ammoniakemissie uit veehouderijen en vermindering van ammoniakdepositie op Natura 2000-gebieden. Het moet daarbij in voldoende mate vaststaan dat deze verplichting op locatieniveau altijd leidt tot substantiële reductie van ammoniakemissies. Dit betekent dat er geen ruimte bestaat voor uitbreiding van productiecapaciteit (opvulling) of het wijzigen van diercategorie. Hier blijft een omgevingsvergunning voor nodig. Het aantal dieren en de bestaande diercategorie wordt bepaald op grond van de op het moment van indiening geldende omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit of de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit respectievelijk de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Het kan hierbij alleen gaan om de feitelijk gerealiseerde situatie, die legaal (op grond van alle vigerende omgevingsvergunningen en/of meldingen) gerealiseerd is. Er wordt dus uitgegaan van de meest beperkende toestemming. Wat feitelijk gerealiseerd is, wordt gebaseerd op de geldende natuurtoestemming. Als er geen natuurtoestemming is, is de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit bepalend. 

Bij feitelijk gerealiseerde capaciteit gaan wij uitwordt uitgegaan van de op het moment van indienen van de aanvraag melding op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit. Wij sluiten hiermee aan op de begripsbepaling zoals die in de beleidsregel Omgevingsrecht voor extern salderen is opgenomen.

Om gebruik te maken van de mogelijkheid om met minder dieren aan de ammoniakemissie-eisen te voldoen, is een aanpassing/ gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit of bij gebreke daarvan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, vereist. De intrekking van stikstofruimte kan niet worden ingezet ten behoeve van extern salderen.

In het vierde lid is de referentiesituatie vastgelegd waarbij wordt uitgegaan van de situatie op 1 januari 2023. Deze datum is gekozen om te voorkomen dat na vaststelling van de mogelijkheid om met het houden van minder dieren aan de ammoniakemissie-eisen te voldoen (maart 2023) nog meldingen of vergunningaanvragen gericht op toename van dieren zouden worden aangevraagd.

Lid 5 Hobbydieren

Als een veehouder wel wil uitbreiden of wisselen van diercategorie of een nieuwe activiteit op het bedrijf wil opstarten, geldt onverkort de verplichting om een omgevingsvergunning aan te vragen voor de Natura 2000-activiteit. Het kan hierbij alleen gaan om de feitelijk gerealiseerde situatie, die legaal (op grond van alle vigerende omgevingsvergunningen en/of meldingen) gerealiseerd is. Er wordt dus uitgegaan van de meest beperkende toestemming. Wat feitelijk gerealiseerd is, wordt gebaseerd op de geldende natuurtoestemming. Als er geen natuurtoestemming is, is de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit bepalend.

Lid 5

In de praktijk is gebleken dat het houden van hobbydieren op een veehouderij tot niet bedoelde situaties kan leiden en bij het beoordelen of voldaan wordt aan de eisen van Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem Bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie wordt betrokken. Daarom wordt nu in de regels nadrukkelijk bepaald dat de behuizing waarin hobbydieren worden gehouden, niet meetelt bij de beoordeling of aan de ammoniakemissie-eisen normen wordt voldaan. Er is alleen sprake van hobbydieren als het houden van geringe aantallen dieren op geen enkele wijze als bedrijfsmatig beoordeeld kan worden. Wanneer daarvan sprake is, kan per geval verschillen. Hierover is veel jurisprudentie. Voor meer informatie verwijzen wij naar informatie daarover op de landelijke informatiepagina van Infomilhet Informatiepunt Leefomgeving. 

Als het houden van geringe aantallen dieren is gerelateerd aan de bedrijfsvoering of als het houden daarvan direct is gerelateerd aan de hoofdcategorie, zoals mannelijke nakomelingen bij melk- of zoogkoeien, is er geen sprake van hobbydieren in de zin van deze regeling. In sommige gevallen zijn de aantallen bedrijfsmatig te houden dieren dermate beperkt in aantal dat het disproportioneel is om investeringen te vragen in huisvestingssystemen. Voor die gevallen is in Bijlage VI Technische eisen huisvestingssysteem  Bijlage VI een regeling opgenomen.

Bijlage VI

De in Bijlage VI opgenomen ammoniakemissie-eisen voor huisvestingssystemen worden regelmatig aangepast aan de stand der techniek. Wijziging is aan de orde zodra er nieuwe ammoniakemissie reducerende systemen worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Er zijn ook situaties denkbaar dat technieken nog niet opgenomen zijn in de Omgevingsregeling, maar wel perspectiefrijk zijn. In dergelijke gevallen kan de door Gedeputeerde Staten ingestelde Commissie van deskundigen adviseren om deze ammoniakemissie reducerende systemen op te nemen in Bijlage VI van de verordening.

PP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.99 Maatwerkregels huisvestingssysteem nieuwe stal veehouderij Maatwerkregel toepassing technieken dierenverblijf

Eerste lid 

Dit artikel waarborgt dat de achtergrond stikstofdepositie, voor zover deze veroorzaakt wordt door stalemissies, op de gewenste manier afneemt. Op de ondernemer rust de verplichting om er zorg voor te dragen dat nieuwe stallen voldoen aan de ammoniakemissie-eisen uit deze verordening.

Bij het realiseren van een nieuwe stal moet deze op dierplaatsniveau voldoen aan de eisen van Bijlage VI. Vanwege het regelmatig aanpassen hiervan is het voor een ondernemer van belang om te weten aan welke versie van die bijlage voldaan moet worden op het moment dat een nieuwe stal wordt gerealiseerd. In Bijlage X is een overzicht opgenomen (welke versie van) welke verordening in welke periode van kracht was, zodat daaruit voor een ieder is af te leiden waartoe hij verplicht is.

Toepasselijk recht

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat voor de beoordeling van een aanvraag voor omgevingsvergunning wordt aangesloten bij de hoofdregel uit de Omgevingswet dat het moment van besluitvorming bepalend is voor aan welke eisen uit Bijlage VI moet worden voldaan. Met dit systeem wordt de verantwoordelijkheid van de ondernemer voor het tijdig indienen van een complete aanvraag versterkt. Voor een melding geldt dat de ammoniakemissie-eisen gelden op het moment van indiening. Ingevolge de wet moet de veehouderij op het moment van indiening voldoen aan de gestelde eisen.

Lid 2

Om een redelijke overgangstermijn te bieden aan ondernemers is dit tweede lid opgenomen. Voor vergunningaanvragen of meldingen die 9 maanden voor 1 juli 2024 (dus 1 oktober 2023) of ingeval van melkrundvee en kalveren 9 maanden voor 1 januari 2026 zijn ingediend, blijft het moment van indiening als beoordelingscriterium gelden voor de ammoniakemissie-eisen die in Bijlage VI zijn opgenomen.

Ondernemers die de keuze maken later een aanvraag in te dienen, nemen een risico dat er strengere ammoniakemissie-eisen gelden op het moment van besluitvorming.

Nieuwe stal, derde lid

Dit onderdeel definieert waarin er sprake is van een nieuwe stal.

Onderdeel a: Er zijn twee situaties waarin er sprake is van een opgericht of gerenoveerd dierenverblijf:

onder 1: Voor de definitie van nieuwe stal wordt aangesloten op belangrijke en grote investeringsmomenten van een veehouderij. Dit zijn de momenten waarop de bedrijfsontwikkeling leidt tot de bouw van nieuwe stallen en/of het renoveren van bestaande stallen waarbij geïnvesteerd kan worden in het toepassen van emissiereducerende systemen. Daarbij is een koppeling gelegd met de bouwactiviteit. Als voor de nieuwbouw of renovatie van stallen een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit nodig is, dan moet deze betreffende nieuwe stal voldoen aan Bijlage VI.

Het omgekeerde is ook van toepassing: wanneer er een renovatie van een bestaande stal plaatsvindt waar al dan niet een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit nodig is (bijv. bij het vervangen van de kap na schade), maar waarbij hierdoor geen wijziging in de Omgevingsregeling-code en/of nummer systeembeschrijving Omgevingswet plaatsvindt, dan valt deze renovatie niet onder de definitie van nieuwe stal. Ook onderhoud van huisvestingssystemen (al dan niet door het vervangen of vernieuwen van onderdelen) valt niet onder de definitie van nieuwe stal als dit binnen de technische beschrijving van het huisvestingssysteem blijft waarvoor vergunning is verleend of melding is gedaan.

onder 2: Bepaalde voor de stikstofreductie relevante nieuwbouw en renovaties zijn, conform het uitgangspunt van de verordening, onder de definitie nieuwe stal gebracht. Deze systemen, die zijn opgenomen in Artikel 3.102 Lijst met systemen, kunnen dusdanige gevolgen hebben voor de stikstofreductie dat, deze ook zonder bouwvergunning moeten voldoen aan de ammoniakemissie-eisen uit de verordening. Ook het aanleggen, aankoppelen of installeren van zo'n systeem aan een bestaande stal leidt met deze verordening tot het beoordelen van deze stal als nieuwe stal. In aanvulling kan worden opgemerkt, dat waar hier wordt gesproken over de vereiste aanvraag voor een vergunning of de benodigde melding, wordt gedoeld op de aanvraag of melding als vermeld in het eerste lid.

Onderdeel b: Ook de nieuwe verplaatsbare dierenverblijven (zoals iglo's) vallen onder de werking van de ammoniakemissie-eisen opgenomen in Bijlage VI.

Onderdeel c: Bestaande gebouwen waarin tot nu toe nog geen dieren werden gehouden, kunnen vaak vergunningvrij worden ingericht voor het houden van dieren. Met het oog op de te behalen ammoniakemissiereductie moet vergunningvrije nieuwbouw of renovatie van bestaande gebouwen met als doel om dieren te houden, ook voldoen aan de ammoniakemissie-eisen opgenomen in Bijlage VI en valt daarom onder de werkingssfeer van het begrip nieuwe stal.

Lid 1

Bij het oprichten van een nieuw dierenverblijf of het toepassen van een techniek in een bestaand dierenverblijf zoals opgenomen in artikel 3.102 Lijst van technieken, moet worden voldaan aan de normen uit Bijlage VI in het geval voor die toepassing:

  • een omgevingsvergunning voor de Natura 2000-activiteit wordt aangevraagd. Dit omvat ook de situaties waarin een meervoudige aanvraag voor omgevingsvergunning is gedaan en waarvoor advies met instemming geldt door Gedeputeerde Staten op grond van artikel 4.25 Omgevingsbesluit;

  • een omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding ingevolge het Besluit activiteiten leefomgeving nodig is.

Het gaat hier om situaties die niet onder de maatregel vallen als bedoeld in artikel 3.98, zoals:

  • situaties waarbij sprake is van het oprichten van een nieuw dierenverblijf, 

  • een uitbreiding van productiecapaciteit of wijziging van diercategorie,

  • situaties waarbij vanuit de voortoets geen N2000-vergunning vereist is, of 

  • situaties waarin een ondernemer eerder dan de 15 of 20 jaarstermijn uit artikel 3.98 maatregelen treft. Als een ondernemer in dit geval tevens voldoet aan de voorwaarden van artikel 3.98 (de matregel is opgenomen in bijlage VI en is geen vergroting van productiecapaciteit of wijziging van diercategorie) dan kan hij de maatregel treffen door een melding te doen als bedoeld in artikel 3.98, derde lid.

Bijlage VI

Bijlage VI

De in Bijlage VI opgenomen normen voor ammoniakemissie-eisen voor huisvestingssystemendierenverblijven worden regelmatig aangepast aan de stand der techniek. Wijziging is aan de orde zodra er nieuwe emissiereducerende systemenmaatregelen worden opgenomen in de Omgevingsregeling. Er zijn ook situaties denkbaar dat technieken nog niet opgenomen zijn in de Omgevingsregeling, maar wel perspectiefrijk zijn. In dergelijke gevallen kan de door Gedeputeerde Staten ingestelde Commissie van deskundigen adviserenverzocht worden om deze emissiereducerende systemen op te nemen in Bijlage VI van de verordening.

QQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.100 Uitzondering natuurinclusieve Natuurinclusieve veehouderij

Gezien de brede voordelen van natuurinclusieve veehouderij wil de provincie omschakeling naar deze vorm van landbouw stimuleren. Daarom is een uitzondering opgenomenkan ook op deze manier voldaan worden aan de normen uit bijlage VI. 

Eerste lid

Dit lid bevat de uitzondering voor bestaande stallen.

Eerste lid

Natuurinclusieve bedrijfsvoering

De eerste voorwaarde waaraan moet worden voldaan is dat sprake is van een natuurinclusieve bedrijfsvoering. Dit begrip staat gedefinieerd in de begrippen.  Bij het beantwoorden van de vraag of sprake is van een natuurinclusieve bedrijfsvoering kijkt de provincie Noord-Brabant naar de Subsidieregeling transitie veehouderij Noord-Brabant. De subsidieregeling fungeert op dit onderdeel als referentiekader, ook als geen sprake is van subsidieverstrekking ingevolge die subsidieregeling.

In bijlage 3 van de Subsidieregeling staan de vereisten van een businessplan voor de natuurinclusieve veehouderij. De provincie gaat ervan uit dat er sprake is van een natuurinclusieve bedrijfsvoering als er tenminste zes substantiële maatregelen worden uitgewerkt op de thema’s bodem/ water (2), landschap (2) en natuur (2). De Maatregelentabel natuurinclusieve landbouw (bijlage 9 van de Subsidieregeling) is hierbij behulpzaam. Per thema moeten er dus tenminste 2 maatregelen worden getroffen. In geval een maatregel positief uitpakt voor zowel natuur als voor landschap, dan mag deze voor beide thema's worden opgevoerd.

Veel bedrijven maken gebruik van stro(oisel)stallen. Er zijn drie gangbare types stro(oisel)stallen, namelijk potstallen, hellingstallen en vrijloopstallen met strooisel. Deze strooiselstallen hebben veelal gedeeltelijk een rooster- of dichte vloer bij het voerhek. In de verschillende Handboeken per sector zijn voor strooiselstallen karakteristieken gegeven. De provincie sluit zich hierbij aan om te bepalen of er sprake is van een strooiselstal.

Grondgebondenheid

De tweede voorwaarde is dat de veehouderij een veebezetting heeft van ten hoogste 2 GVE per hectare en blijvend beschikt over voldoende grond. Het streven van de provincie is er op gericht kringlopen zo veel mogelijk te sluiten; dergelijke bedrijven voldoen daaraan. Het aantal GVE op een bedrijf dient te worden afgeleid uit de bijlage met GVE normen per dier gebaseerd op RVO- en WUM-fosfaatexcreties uit de meest actuele versie van het rapport “Rekenregels van de Kringloopwijzer” van Wageningen Research (WUR). Indien het genoemde rapport niet in normen voorziet wordt het aantal GVE afgeleid uit bijlage 1 uit de verordening EU2018/1091 van het Europees Parlement en de Raad. Wat betreft de hoeveelheid grond moet worden uitgegaan van de grond waarover het bedrijf langdurig beschikt of kan beschikken. Voor de bepaling hiervan geldt het aantal GVE per hectare grond die, behalve voor biologische veehouderijen, gelegen is binnen een straal van 15 km van de veehouderij en waarover het bedrijf langdurig beschikt of kan beschikken, berekend op basis van grond in eigendom, erfpacht of langdurige pacht, alsmede de minimale oppervlakte overige grond zoals over de drie meest recente, achtereenvolgende jaren gerapporteerd in de gecombineerde opgave van de RVO.

Aanvullende maatregelen en monitoring

Een natuurinclusieve veehouderij treft aanvullende maatregelen om de gehele bedrijfsvoering te verduurzamen, verliezen of emissies zo veel mogelijk te beperken en kringlopen te sluiten. De stalHet dierenverblijf c.q. huisvestingssysteem maakt hiervan onderdeel uit. Door de combinatie van maatregelen en de extensieve bedrijfsvoering is de inschatting dat de belasting van een totale natuurinclusieve bedrijfsvoering (ook met traditionele huisvesting) lager (zeker niet hoger) is dan bij een gangbare bedrijfsvoering met emissiearme huisvesting die aan deze verordening voldoet. Het treffen van dit soort aanvullende maatregelen is maatwerk per bedrijf. De ondernemer moet aannemelijk maken dat op bedrijfsniveau zoveel mogelijk aan de emissiereductieammoniakemissie-eisennormen uit deze verordening wordt voldaan. Hiertoe is ook een monitoringsverplichting opgenomen.

Handreiking natuurinclusieve melkveehouderij

Gedeputeerde Staten hebben een handreiking Natuurinclusieve melkveehouderij vastgesteld, waarin een methodiek is beschreven en maatregelen zijn benoemd waarmee in ieder geval aan deze algemene regel wordt voldaan. Het gebruik van deze handreiking is vrijwillig. Een ondernemer kan er ook voor kiezen om op andere wijze aan te tonen dat hij aan de algemene regels voldoet. In dat geval moet de ondernemer ten alle tijde kunnen aantonen en onderbouwen dat het bedrijf voldoet aan de voorwaarden van dit artikel.

Tweede lid

Tweede lid

Dit lid bevat een uitzonderingsregel voor een nieuwe stalmogelijkheid om te voldoen aan de maatregel vermindering ammoniakemissie uit artikel 3.98 bij natuurinclusieve veehouderijen. Hierbij is aangesloten bij de uitzondering uit het Besluit activiteiten leefomgeving voor vrijloopstallen voor melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar. Deze uitzondering wordt expliciet gegeven voor vrijloopstallen als onderdeel van een natuurinclusieve veehouderij in tegenstelling tot een generieke uitzondering zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Vrijloopstallen voldoen niet aan de emissie-eisen zoals opgenomen in Bijlage VI van deze verordening maar door de voorwaarden die aan een natuurinclusief bedrijf worden gesteld wordt op bedrijfsniveau voldaan en de beoogde reductiedoelen. Bijkomend aspect is dat dit in lijn is met de lange termijn doelstelling van de Dierenbescherming om melkvee op deze wijze te huisvesten. Voor de overige huisvestingssystemen voor melkvee en overige diercategorieën is een dergelijkdergelijke uitzondering voor nieuwe stallen niet opgenomen in het Besluit emissiearme huisvestingactiviteiten leefomgeving.

RR

Na sectie 3.100 wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.101 Minder dieren houden

Dit artikel bevat een mogelijkheid om met het houden van minder dieren te voldoen aan de normen uit bijlage VI Maatregelen ammoniakemissiereductie. Hierbij wordt uitgegaan van de diercategorie en het aantal dieren dat legaal mag worden gehouden binnen de feitelijk gerealiseerde capaciteit op grond van de omgevingsvergunning voor de natura 2000-activiteit of de omgevingsvergunning respectievelijk de melding voor de milieubelastende activiteit.

  • Bij feitelijk gerealiseerde capaciteit wordt uitgegaan van de op het moment van indienen van de melding op grond van een toestemming volledig opgerichte installaties en gebouwen, of gerealiseerde infrastructuur en overige voorzieningen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de activiteit.

  • Om gebruik te maken van de mogelijkheid om met minder dieren aan de normen uit bijlage VI te voldoen, is een aanpassing/ gedeeltelijke intrekking van de omgevingsvergunning voor de N2000-activiteit of bij gebreke daarvan de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit of de melding op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, vereist. De intrekking van stikstofruimte kan niet worden ingezet ten behoeve van extern salderen.

SS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.102 Lijst met systemenvan technieken

Dit artikel geeft invulling aan welke systementechnieken in Artikel 3.99 worden bedoeld.

TT

Na sectie 3.102 worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 3.103 Maatwerkregel Tijdelijk handelingsverbod veehouderijen

Algemene inleiding

Uit de Natuurdoelanalyses en de conclusies van de Ecologische Autoriteit daarover, blijkt dat veel stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden in Noord-Brabant overbelast zijn door stikstofdepositie. De stikstofdepositie moet omlaag om behoud van stikstofgevoelige habitattypen te borgen. 

In het Bestuursakkoord 'Samen maken we Brabant' is afgesproken dat de vergunningverlening zo snel mogelijk (gefaseerd) weer op gang moet worden gebracht. De provincie wil dat realiseren met een breed maatregelpakket gericht op het versterken van de natuur, het verminderen van de stikstofuitstoot en het versnellen van de innovatie. Om een toename van ammoniakemissies te voorkomen, is ook gewerkt aan een intrekkingsbeleid van de stikstofruimte in natuurtoestemmingen. Dit beleid is in december 2024 vastgesteld en op 27 december 2024 bekendgemaakt in het provinciaal blad (prb-2024-19890). 

Beperking van latente ruimte voorkomt de feitelijke toename van de stikstofdepositie en daarmee een verslechtering van Natura 2000-gebied en dat het effect van andere maatregelen die tot een daling van stikstofdepositie leiden, via een andere weg weer teniet worden gedaan. 

Het beleid voor beide sectoren, veehouderijen en industrie, is gebaseerd op:

  • het voorziene effect van vermindering van de latente ruimte;

  • het uitgangspunt dat we alleen de latente ruimte inperken, die ondernemers al langere tijd niet gebruiken; 

  • de uitvoerbaarheid van de maatregelen.

Het voorkomen dat latente ruimte bij veehouderijen die gedurende een periode van drie jaar of meer wordt benut, wordt vormgegeven met algemene maatwerkregels in deze Omgevingsverordening in combinatie met maatwerk per vergunning, bij industriële bedrijven alleen door maatwerk per vergunning. 

Deze maatwerkregels zijn gebaseerd op artikel 4.6 van de Omgevingswet in samenhang met artikelen 11.7 en 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zij geven een nadere invulling aan de zorgplicht uit artikel 11.6 Bal. 

Voor veehouderijen worden twee situaties onderscheiden, te weten de niet meer in werking zijnde veehouderijen (slapende vergunningen) en veehouderijen waar een deel van de in de natuurtoestemming opgenomen dierenverblijven niet is gerealiseerd. Het gaat hierbij altijd om latente ruimte die langere tijd, gedurende een periode van drie jaar, niet gebruikt is. Deze termijn sluit aan bij de systematiek zoals opgenomen in artikel 15.6 van de Omgevingswet en voormalige wetgeving dat een niet gebruikte milieuvergunning na drie jaar kan worden ingetrokken. 

De regeling treedt op 1 juli 2026 in werking. Vanaf de aankondiging van de maatregel op 27 december 2024 ligt een termijn van anderhalf jaar. Deze termijn biedt ondernemers afdoende gelegenheid om in actie te komen en alsnog de in de natuurtoestemming opgenomen activiteiten te realiseren. Een termijn van anderhalf jaar is gebruikelijk en wordt ook gehanteerd in jurisprudentie.

Tijdelijk handelingsverbod

Gelet op het stelsel voor gebiedsbescherming worden de maatwerkregels aangemerkt als een passende maatregel, gericht op het tegengaan van verslechtering van Natura 2000-gebied. De maatwerkregels zijn daarbij gebaseerd op artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn waarin de verplichting voor het bevoegd gezag is opgenomen om verslechtering van Natura 2000-gebieden tegen te gaan. Dit betreft een andere verplichting dan die in het eerste lid van voornoemd artikel staat en waarin de verplichting is opgenomen om instandhoudingsmaatregelen te treffen voor Natura 2000-gebieden. Het benutten van latente ruimte kan feitelijk een toename van stikstofemissies geven waardoor een verslechtering van Natura 2000-gebied kan optreden. 

De maatwerkregels richten zich op een verbod voor veehouderijen om een handeling te verrichten, namelijk het oprichten of in gebruik nemen van een dierenverblijf als de daarvoor verleende natuurtoestemming gedurende een periode van drie jaar niet is gebruikt. 

In aanvulling op het handelingsverbod gaan wij over tot het individueel benaderen van veehouders waarvoor het handelingsverbod van toepassing is. Via individuele besluitvorming worden de natuurtoestemmingen aangepast. Omdat wij de regeling vanuit een gelijke behandeling voor alle veehouders gelijktijdig willen laten ingaan, zijn maatwerkregels nodig in aanvulling op die individuele benadering. 

Het handelingsverbod is daarbij ingesteld voor een periode van ruim vijf jaar. Wij verwachten dat die termijn ons voldoende ruimte geeft om uitvoering te geven aan ons voornemen om de niet gerealiseerde of benutte ruimte in natuurtoestemmingen via individuele besluitvorming af te wegen. Met het tijdelijke handelingsverbod gaan wij er van uit dat de referentiesituatie gehandhaafd blijft tot het individuele besluit is genomen. 

Niet meer in werking zijnde veehouderijen 

Dit betreft veehouderijen die gedurende een aaneengesloten periode van drie jaar of langer geen gebruik maken van de natuurtoestemming voor het exploiteren van een veehouderij, dan wel die nooit begonnen zijn. Het gaat dan specifiek over veehouderijen waar gedurende een onafgebroken periode van drie jaar bedrijfsmatig geen dieren zijn gehouden. Vanaf 1 juli 2026 is het voor deze bedrijven verboden een dierenverblijf op te richten of in gebruik te nemen. Nog aanwezige dierenverblijven mogen niet meer gevuld worden. In het geval dat het dierenverblijf nog niet gebouwd is of is gesloopt, mag deze niet worden opgericht. Naar schatting betreft dit zo'n 200-300 bedrijven. Voor een groot deel van deze bedrijven geldt dat als zij voornemens hebben opnieuw dieren te gaan houden of als zij een andere vervolgactiviteit willen ontplooien, dat zij vanwege de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:4909/4929) daarvoor een natuurvergunning moeten aanvragen. Voor die situaties stellen wij beleidsregels vast welke uitgangspunten en randvoorwaarden wij hanteren bij de beoordeling van die aanvragen.

In werking zijnde veehouderijen

Uit onderzoek is gebleken dat op circa 300-400 veehouderijen een deel van de dierenverblijven waarvoor een natuurtoestemming is verleend, feitelijk niet gerealiseerd zijn. Met de regeling zoals opgenomen in dit artikel wordt het alsnog realiseren en in gebruik nemen van de nog niet gerealiseerde dierenverblijven vanaf 1 juli 2026 verboden, in de gevallen waarbij de natuurtoestemming drie jaar geleden (of langer) onherroepelijk is geworden. Zoals in de algemene toelichting op de paragraaf is aangegeven is deze maatregel anderhalf jaar voor de inwerkingtreding aangekondigd. Hierdoor hebben ondernemers anderhalf jaar de tijd om in actie te komen en alsnog het dierenverblijf op te richten en bedrijfsmatig in gebruik te nemen. In de natuurwetgeving vormen de bouw- en gebruiksfase één onlosmakelijk geheel. Dat betekent dat niet alleen de bouw van het dierenverblijf maar ook het bedrijfsmatig gebruik van het dierenverblijf voor 1 juli 2026 moet hebben plaatsgehad. Het handelingsverbod heeft geen relatie met de bouwwetgeving; de omgevingsvergunning bouwen wordt niet geraakt maar kan feitelijk niet meer gerealiseerd worden. 

Bedrijfsmatig houden van dieren

Voor de beoordeling wanneer er sprake is van het bedrijfsmatig houden van dieren, hanteert de rechter een samenspel van factoren. Uit de jurisprudentie volgt dat daar niet één criterium voor geldt, maar dat het afhankelijk is van bijvoorbeeld de locatie en de gehouden dieren. Het is daarom niet mogelijk dit begrip te definiëren. Er zijn wel indicaties voor wanneer iets als bedrijfsmatig wordt gezien vanuit de vergunningenplicht die is gedefinieerd in het Bal en de richtlijnen zoals opgenomen in bijlage VI van deze omgevingsverordening.

Artikel 3.104 Meldplicht Maatwerkregel forse stikstofreductie

Voor maatregelen die kwalificeren als instandhoudings- of passende maatregel geldt geen vergunningplicht voor de Natura 2000-activiteit. Voor zover deze maatregelen worden uitgevoerd, en deze zien op een forse reductie van stikstofemissies, geldt op grond van dit artikel een meldplicht. De wijze waarop de reductie van stikstofemissies gerealiseerd wordt, wordt vastgelegd in een maatwerkbesluit. In het geval het bedrijf beschikt over een natuurvergunning, wordt het maatwerkbesluit als vergunningvoorschrift opgenomen.

UU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 Algemene maatwerkbepaling

Voor veel regels geldt dat een beperkte afwijking van de daarin opgenomen maatvoering, in beginsel geen effect heeft voor de achterliggende doelen. Het gaat daarbij om relatief kleine afwijkingen. Er wordt hierbij een motivering gevraagd dat de afwijking geen afbreuk doet aan de doelen van de regeling en het achterliggende provinciaal belang.

Het tweede lid biedt voor enkele maatschappelijke ontwikkelingen van algemeen belang de mogelijkheid om buiten bestaand ruimtebeslag functies en activiteiten toe te delen (nieuwvestiging).

Onderdeel b (winnen en opslaan van warmte) betreft het winnen en opslaan van (aard)warmte op een diepte van 500 m-mv of dieper, waarvoor een vergunning op grond van de Mijnbouwwet vereist is. Voor de winning en opslag van warmte in ondiepere lagen (bodemenergie tot maximaal 500 m-mv) zijn algemene regels opgenomen in artikel 3.13 en 3.14 van deze verordening. Die ontwikkeling is onder voorwaarden mogelijk tot aan de beschermende kleilaag en opgenomen maximale boordiepte. Bodemenergiesystemen worden in het algemeen toegepast binnen bestaand ruimtebeslag. Ingeval van nieuwvestiging voor een planontwikkeling waarbij bodemenergie wordt voorzien, wordt bodemenergie niet zelfstandig ontwikkeld maar is dat onderdeel van het plan.

VV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.8 Zorgvuldig ruimtegebruik

Eerste lid

Het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is al geruime tijd in het provinciaal beleid verankerd en omvat diverse aspecten. Doel is om bestaand bebouwd gebied zo goed mogelijk te benutten. Het optimaal benutten van de bestaande bebouwde omgeving draagt bij aan het behoud van de openheid en kwaliteit van het buitengebied en aan hergebruik van leegkomende of bebouwde locaties in zowel stedelijk als landelijk gebied.

Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied is een belangrijk uitgangspunt. Dit beleid wordt gecontinueerd. Mede gelet op de leegstand van agrarisch vastgoed is nieuw ruimtebeslag in het landelijk gebied niet nodig of wenselijk. Hierop bestaan wel uitzonderingen, bijvoorbeeld bij de verplaatsing van een bedrijf in het kader van een openbaar belang of in het geval van functies die vanuit het borgen van een goede en veilige leefomgeving niet in de directe omgeving van kwetsbare functies mogelijk zijn, zoals windturbines. In het algemeen geldt dat het oprichten van bebouwing buiten bestaand ruimtebeslag gepaard gaat met sanering van leegstaande bebouwing elders.

Om het zorgvuldig ruimtegebruik binnen bestaand ruimtebeslag te bevorderen is onder b. opgenomen dat bij ontwikkelingen rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor intensivering van gebruik binnen bestaand ruimtebeslag (bijvoorbeeld door verticale bouw) en meervoudig ruimtegebruik. In de terminologie van de Omgevingswet betekent 'rekening houden met' dat alleen vanwege zwaarwegende redenen en gemotiveerd afgeweken kan worden van deze instructieregel. Intensivering en meervoudig ruimtegebruik is in het algemeen van belang, maar speelt zeker een rol bij grootschalige bebouwing die voor grootschalige logistiek wordt gebruikt. Door kantoren boven de distributieruimte te plaatsen, parkeren en energieopwekking op daken te realiseren of door stadslandbouw op daken te ontwikkelen, wordt schaarse ruimte efficiënter benut en kan nieuw ruimtebeslag worden beperkt. Met deze instructieregel wordt verplicht dat alvorens er uitbreiding van ruimtebeslag plaatsvindt eerst de mogelijkheden voor intensivering en meervoudig ruimtebeslag in beeld te brengen en te benutten.

Het voorkomen van onnodig nieuw ruimtebeslag krijgt vorm door eerst de mogelijkheden binnen bestaande bebouwde omgeving optimaal te benutten. Dat betekent niet dat alle fysieke ruimte benut moet worden voordat nieuw ruimtebeslag mogelijk is. Binnen steden en dorpen is vanuit klimaat- en kwaliteitsdoelen bijvoorbeeld ook ruimte nodig voor groenvoorzieningen en voldoende opvang van water. Een verbijzondering voor stedelijke ontwikkeling is dat er toepassing gegeven moet zijn aan de ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze voorwaarde geldt rechtstreeks vanuit de nationale wetgeving. Omdat de toepassing van de ladder vanuit provinciale beleid essentieel is, is deze in de verordening opgenomen. Er zijn daarbij geen extra eisen gesteld.

Zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik speelt ook een rol bij de ontwikkeling van zonneparken. Daarvoor geldt de zonneladder. Die is opgenomen en nader toegelicht in Artikel 5.54 Zonneparken in Landelijk gebied.

Een ander aspect van zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt dat gebouwen, bouwwerken en andere permanente voorzieningen worden geconcentreerd binnen het bouwperceel. Het is niet wenselijk dat overal 'los' in het landelijk gebied dergelijke voorzieningen worden opgericht. Juist daarom kent de verordening het begrip bouwperceel. Dit biedt ruimte aan de gemeente om binnen een bouwperceel onderscheid te maken in bijvoorbeeld een gedeelte waar alleen bouwwerken zijn toegestaan, zoals permanente teeltondersteunende voorzieningen, en een gedeelte waar het bouwvlak ligt ten behoeve van het oprichten van gebouwen. Overigens zijn in veel gevallen de omvang van het bouwperceel en het bouwvlak gelijk. Met name in de land- en tuinbouw of bij sommige recreatiebedrijven waar alleen op een beperkt deel van een bouwperceel gebouwen staan, kan het wenselijk zijn om onderscheid te maken.

Onder e. is een verbod op splitsing van het bouwperceel opgenomen. Dit voorkomt de mogelijkheid dat een omgevingsplan een nieuw bouwperceel toekent. Vanuit het principe van zorgvuldig ruimtegebruik is het niet wenselijk dat door splitsing overal in het landelijk gebied nieuwe bouwpercelen ontstaan met daarbij behorende bebouwings- en uitbreidingsmogelijkheden. Mede gelet op de nog steeds toenemende leegstand op bouwpercelen, is het primair de wens dat ontwikkelingen juist op die leegkomende bouwpercelen worden ontwikkeld. Uiteraard als dat past binnen de gewenste ontwikkelingsrichting van het gebied.

Wij benadrukken dat het binnen 1 bouwperceel wel mogelijk is meerdere BV's te vestigen, bijvoorbeeld een bedrijfsverzamelgebouw of meerdere kleinschalige functies, zoals een recreatie bedrijf en een zorgfunctie. Het omgevingsplan kan het toelaten van meerdere gebruiksactiviteiten, functies of BV's op eenvoudige wijze mogelijk maken door verschillende gebruiksactiviteiten of functies aan 1 bouwperceel toe te delen. De verordening staat daaraan niet in de weg. Uiteraard binnen de kaders die in deze verordening zijn gesteld. Bijvoorbeeld aan de omvang van een bouwperceel. Het mogelijk maken van meerdere activiteiten binnen een bouwperceel, betekent niet dat de maximaal toelaatbare omvang van ieder van die activiteiten bij elkaar kan worden opgeteld. Artikel 5.3 staat daaraan in de weg. Vanwege het streven naar zorgvuldig ruimtegebruik en de kaders die daarvoor in dit artikel zijn opgenomen, is het ook niet mogelijk (of wenselijk) dat voor iedere gebruiksactiviteit, functie of BV een zelfstandig bouwperceel wordt opgenomen. Om de afzonderlijke activiteiten of functies te reguleren kan desgewenst binnen het bouwperceel met aanduidingen worden gewerkt.

Binnen Paragraaf 5.1.3 Versterken van omgevingskwaliteit zijn overigens diverse maatwerkmogelijkheden opgenomen, die voor specifieke situaties mogelijkheden bieden.

Tweede lid

Als na zorgvuldige afweging blijkt dat de mogelijkheden voor de gewenste ontwikkeling binnen bestaand ruimtebeslag niet mogelijk zijn, kan een omgevingsplan voorzien in een uitbreiding (en voorkomende gevallen nieuwvestiging) als dat past binnen de voorwaarden die voor die ontwikkeling in dit hoofdstuk zijn opgenomen. Uitbreiding is ook gelijktijdig met de vestiging van een functie of activiteit mogelijk op een bestaand bouwperceel dat te klein is voor de gewenste ontwikkeling.

In het geval er toepassing wordt gegeven aan dit lid, wordt overeenkomstig toepassing gegeven aan de uitgangspunten van het eerste lid. Dat betekent dat bij de ontwikkeling zo zorgvuldig als mogelijk omgaat met het ruimtebeslag door optimaal invulling te geven aan de mogelijkheden voor intensivering van het beoogde ruimtebeslag en dat er toepassing wordt gegeven aan meervoudig ruimtegebruik.

WW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.9 Toepassing van de lagenbenadering

De toepassing van de lagenbenadering is een hulpmiddel voor het maken van een goede afweging over ontwikkelingen. Met een juiste toepassing worden de effecten van een ontwikkeling op de verschillende lagen in beeld gebracht en maatregelen om optredende negatieve effecten te voorkomen. Het gaat daarbij om het effect op de lagen in wisselwerking met elkaar waarbij de factor tijd actief wordt benut. De lagenbenadering is niet nieuw. De eigenschappen van de ondergrond, het landschap, de infrastructuur en de mate van verstedelijking verschillen sterk binnen Brabant. Hierdoor kan een ingreep in het oosten van Brabant heel anders uitpakken dan in West-Brabant. Daarom is het van belang om te weten hoe de omgeving in elkaar steekt en te kijken naar alle lagen: de ondergrond, de netwerklaag, de bovenlaag en de tijdsdimensie. Tussen deze lagen bestaat een wisselwerking. Iedere laag kent zijn eigen dynamiek, verschillende veranderingssnelheid en mate van omkeerbaarheid bij ingrepen.

Bepaalde ingrepen kunnen verstrekkende effecten hebben waardoor elders problemen ontstaan. Beleidsmatig is het daarom belangrijk dat het water- en bodemsysteem sturend is voor ontwikkelingen. Voor het (kunnen) maken van een goede afweging is veel informatie beschikbaar. 

Diep kijken uit de Omgevingsvisie

Het 'diep' kijken, vraagt dat er rekening wordt gehouden met de laagdynamische ondergrond, maar ook met de effecten op de andere lagen en met toekomstige effecten. Dat wil niet zeggen dat er geen effecten op andere lagen mogelijk zijn. Bij afwegingen gaat het behoud van de levenskwaliteit in het hier en nu in economisch, sociaal en ecologische opzicht niet ten koste van de levenskwaliteit elders en later. Uiteraard kan daarbij alleen rekening worden gehouden met ontwikkelingen die bij de gemeente bekend zijn. Dat kunnen ook aspecten zijn die nog geen vastgesteld beleid betreffen.

Met de lagenbenadering wordt ook toepassing gegeven aan het principe van water en bodem sturend. Kiezen voor water en bodem sturend betekent dat het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk wordt hersteld én zoveel mogelijk leidend is in ruimtelijke inrichting en grondgebruik voor natuur, landbouw, wonen, werken, energieopwekking, recreatie, etc. Hierdoor wordt afwenteling van water- en bodemgerelateerde problemen naar andere gebieden, naar volgende generaties en van privaat naar publiek voorkomen. Uitgangspunt hierbij is dat een systeemgerichte aanpak nodig is, oftewel herstel van de systeemwerking. Het grondwater, het oppervlaktewater en de bodem vormen één groot samenhangend geheel. Keuzes die bovenstrooms gemaakt worden, hebben direct gevolgen voor de situatie benedenstrooms. Snelle ontwatering en afwatering in hoger gelegen gebieden kan tot wateroverlast in lagergelegen gebieden leiden.

Door het samenhangend water- en bodemsysteem sturend te laten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd (klimaat, natuur, waterbeheer, landbouw, verstedelijking) toekomstbestendig worden vorm gegeven. Het water- en bodemsysteem bepaalt de randvoorwaarden en het gebruik wordt daarop aangepast. Daarnaast wordt het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk hersteld.

In het (addendum op het) Regionaal Water- en bodemprogramma (RWP) is het provinciale beleid voor water en bodem sturend nader geconcretiseerd. Het water- en bodemsysteem wordt gekarakteriseerd door watersysteemeenheden: ruggen, flanken, beekdalen, polders en rivierbed. Deze eenheden hangen met elkaar samen en vormen zo een natuurlijk werkend water- en bodensysteem. Ieder hebben ze hun eigen hydrologische kenmerken en eigen accenten voor de benodigde ontwikkelrichting en gewenste maatregelen. Ze vormen daarmee de basis voor de uitwerking van Water en bodem sturend. Er is ook een streefbeeld met ontwikkelrichtingen voor de watersysteemeenheden opgesteld en als bijlage aan (het addendum van) het RWP toegevoegd. De provincie verwacht dat deze concretisering van het beleid voor Water en bodem sturend bij de toepassing van de lagenbenadering wordt betrokken.

Door het samenhangend water- en bodemsysteem sturend te laten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen, kunnen de grote maatschappelijke opgaven van deze tijd (klimaat, natuur, waterbeheer, landbouw, verstedelijking) toekomstbestendig worden vorm gegeven. Het water- en bodemsysteem bepaalt de randvoorwaarden en het gebruik wordt daarop aangepast. Daarnaast wordt het natuurlijk functioneren van het water- en bodemsysteem zoveel mogelijk hersteld.

Bij de afweging gaat het niet alleen om de effecten op de omliggende functies in het gebied maar ook op effecten van een ontwikkeling elders. Niet alleen de effecten nu maar ook de effecten naar de toekomst. Past een functie binnen de toekomstige (gewenste) ontwikkelingsrichting van een gebied; bijvoorbeeld een toekomstige woonwijk of juist een gebied waar behoud van natuur of een primaat voor de agrarische functie wordt nagestreefd. Wat zijn de effecten van de ontwikkeling op een veilige en gezonde leefomgeving? Is de functie toekomstbestendig of betreft het een tijdelijke functie? Zo kan er bijvoorbeeld ruimte zijn voor tijdelijke functies in de nog niet ingerichte delen van het Natuurnetwerk Brabant als dat geen afbreuk doet aan de realisatie van het natuurnetwerk maar bestaat die ruimte niet voor permanente functies. Een ander aspect betreft de onomkeerbaarheid. Als een functie onomkeerbare effecten heeft op een te beschermen belang, bijvoorbeeld een ernstige verontreiniging van het grondwater of de aantasting van niet vervangbare aardkundige waarden kan dat een reden zijn om zo'n ontwikkeling niet op die plek toe te laten maar een andere plek.

De intensiteit van de afweging hangt af van het gebied en de ontwikkeling. Naarmate een ontwikkeling minder inbreuk maakt op de leefomgeving of de omgevingskwaliteit, is ook de afweging minder indringend. Gemeenten hebben derhalve een bepaalde vrijheid hier invulling aan te geven.

Beschikbare informatie

Voor een aantal aspecten die bij de lagenbenadering betrokken worden, bevat deze verordening specifieke regels, zoals het Natuur Netwerk Brabant, de groenblauwe waarden, cultuurhistorische- en aardkundige waarden, stiltegebied en delen van het watersysteem. Voor diverse aspecten stelt de provincie ook aanvullende informatie beschikbaar die benut kan worden bij de toepassing van de lagenbenadering, zoals: natuurgegevens, het gebiedspaspoort Brabant via www.brabant.nl/gebiedspaspoort, de Aardkundige waardenkaart en de Cultuurhistorische waardenkaart, de bodemwijzer, de wateratlas, gezondheidsrisicokaarten, de atlas van de leefomgeving etc.

Vanuit water- en bodemsturend hebben overheden (Rijk, provincies, waterschappen en stedelijke regio's) gezamenlijk gewerkt aan een watersignaleringskaart. De kaart is gemaakt om het gesprek te starten over nieuwe stedelijke ontwikkelingen in relatie tot klimaatrobuust ontwikkelen. De watersignaleringskaart kunt u digitaal raadplegen via www.klimaatadaptatiebrabant.nl/hulpmiddelen.

Daarnaast wordt ook door andere instanties informatie beschikbaar gesteld, zoals de Brabantse omgevingsscan (BrOS ter beschikking gesteld door de GGD) en de Handreiking veehouderij en volksgezondheid (kennisplatform veehouderij).

De provincie heeft de datahub Brabant Schakelt ontwikkeld. Dit is een tool die kan helpen bij de toepassing van de lagenbenadering. Veel van de hierboven benoemde informatie is ook via de datahub beschikbaar op www.brabant.nl/brabantschakelt

De datahub ontsluit een schat aan geografische data over de provincie. Met analyses van de huidige situatie, de ruimtelijke impact van vastgesteld beleid én mogelijke toekomstige ontwikkelingen. Daarnaast bevat de datahub het herijkte gebiedspaspoort Brabant met daarin het verhaal over het landschap van Brabant. Het gebiedspaspoort duidt de essentiële ruimtelijke kenmerken die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van Brabant. Door te begrijpen waarom Brabant is geworden wat het nu is, kunnen de juiste keuzes worden gemaakt voor de toekomst. De datahub helpt om alle informatie te verkrijgen voor het maken van een integrale ruimtelijke afweging.

XX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit

Algemeen

In het verleden bestonden er diverse regelingen die vanuit een rood-voor-groen benadering ontwikkelingen mogelijk maakte:

  • de individuele ruimte-voor-ruimte regeling voor varkens- en kippenhouderijen;

  • de landgoederenregeling;

  • de regeling kwaliteitsverbetering bebouwingsconcentraties;

  • nieuwe functies en activiteiten bij complexen van cultuurhistorisch belang;

  • splitsing van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of beeldbepalende woonboerderijen.

Rood voor groen betekent dat een ontwikkeling plaatsvindt vanuit de wens om een 'groen' doel te realiseren. Groen vanuit een brede betekenis, zoals de sloop van leegstaande gebouwen, de aanleg van natuur of landschapselementen, behoud van cultuurhistorisch waardevol landschap en gebouwen of de aanleg van extensieve recreatieve voorzieningen. Om het groene doel te realiseren, wordt de ontwikkeling van een rode functie ingezet. Met de opbrengst van die rode ontwikkeling in het Landelijk gebied (bijvoorbeeld de bouw van een woning of de ontwikkeling van een recreatieve of niet-agrarische functie), wordt dan het groene doel gerealiseerd.

De meeste van bovenstaande regelingen stammen uit de jaren 2000-2005. De voorwaarden voor toepassing van de regeling passen daarom niet altijd meer bij de uitgangspunten van deze tijd. Bijvoorbeeld bij ruimte voor ruimte kunnen alleen varkens- en pluimveebedrijven meedoen in voormalige reconstructiegebieden. De regeling is gebaseerd op de problematiek begin deze eeuw terwijl de huidige problematiek ook melkveehouders en bedrijven buiten de voormalige reconstructiegebieden betreft. En de landgoederenregeling was erg gedetailleerd waardoor creativiteit en afweging naar specifieke gebiedskenmerken steeds vaker achterwege bleef. Bijvoorbeeld: bij de landgoederenregeling werd in het verleden per wooneenheid van 750 mals tegenprestatie de aanleg van 2,5 hectare natuur gevraagd. Er werden daarbij geen eisen gesteld aan wat voor natuur of de locatie van de nieuwe natuur. Hierdoor ontstonden losliggende natuurgebiedjes die vanuit de kwaliteit en samenhang van het Natuur Netwerk Brabant slechts weinig bijdroegen. Bovendien stuitte de regeling soms op problemen in geval van een zorglandgoed.

Daarom is vanwege de opstelling van de omgevingsverordening aan Brabant Advies gevraagd advies te geven over een nieuwe regeling. Dit heeft geleid tot het op 10 juli 2020 uitgebrachte rapport 'Een nieuwe aanpak voor rood en groen'. Brabant Advies beveelt een nieuwe aanpak aan waarbij de gemeente als eerste aan zet is maar met een stevige rol voor de provincie om kennisontwikkeling, eenheid van beleid en het versterken van omgevingskwaliteit te ondersteunen. Gebaseerd op dit advies en ervaringen uit de praktijk, zijn in deze omgevingsverordening de oude regelingen samengevoegd. Doordat de doelen van de eerdere regelingen zijn gehandhaafd, zijn de basisuitgangspunten niet veranderd maar wel algemener geformuleerd. Daardoor biedt de regeling meer mogelijkheden voor nieuwe ontwikkelingen en het combineren van opgaven. Bijvoorbeeld door te voorzien in een vraag voor de ontwikkeling van (tijdelijke) tiny houses. Vanuit de oude regeling was dat niet mogelijk. Met de nieuwe regeling kan meer maatwerk geleverd worden.

Algemene voorwaarden lid 1

De nieuwe regeling biedt meer mogelijkheden voor ontwikkelingen in het landelijk gebied, zolang deze als doel hebben de omgevingskwaliteit te versterken. Belangrijkste voorwaarde is dat een initiatief de realisering van de 'groene ontwikkeling' als doel heeft. De rode ontwikkeling (de toe te laten gebruiks- of bouwactiviteit) staat ten dienste van dat groene doel en wordt daarvoor volledig ingezet. Daarom is opgenomen dat de rode ontwikkeling tot doel heeft om de omgevingskwaliteit te versterken en daarvoor de middelen biedt.

De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit gaat altijd om feitelijk nog te realiseren omgevingskwaliteit. Het is daarom niet mogelijk om in het verleden gerealiseerde kwaliteitswinst in te brengen. Er moet daarom een directe koppeling liggen tussen de toe te laten activiteit en de fysieke tegenprestatie in versterken omgevingskwaliteit. Vanuit de uitvoerbaarheid van de regeling kan er soms een beperkte tijd liggen tussen beide ontwikkelingen. Dat is uiteraard wel mogelijk.

'Groen' heeft in de rood-voor-groen benadering een brede betekenis: het versterken van omgevingskwaliteit. Dat impliceert dat de inzet (mede) is gericht op algemene belangen en dat het niet alleen een individueel belang betreft. Het kan bijvoorbeeld gaan om de aanleg van natuur en landschapselementen, sloop van leegstaande gebouwen, behoud en versterking van cultuurhistorische waarden en kenmerken, klimaatmaatregelen maar ook het verminderen van emissies van milieuhinderlijke stoffen. Uiteraard rekening houdend met de specifieke kenmerken, waarden en functies in een gebied. Wij benadrukken dat de opgenomen invulling van versterken van omgevingskwaliteit geen limitatieve opsomming betreft. Uitgangspunt van de regeling is wel dat de versterking van omgevingskwaliteit is gericht op de fysieke leefomgeving van het landelijk gebied.

Er geldt voorts een anti-dubbeltelbepaling. Als het versterken van de omgevingskwaliteit al is verzekerd vanwege een wettelijke verplichting of vanwege deelname aan een regeling, dan kan die versterking niet (nogmaals) ingebracht worden voor de toepassing van deze regeling. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een regeling waarbij een bedrijf een sloopverplichting heeft vanwege deelname. Of een subsidie die is ontvangen voor de aanleg van natuur.

De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit moet juridisch zijn geborgd. Het is aan gemeente en initiatiefnemer om hieraan concreet invulling te geven. Denkbaar is dat gewerkt wordt met voorwaarden die het beoogde gebruik of het mogen verrichten van de gebruiksactiviteit koppelen aan de voorwaarde dat de fysieke tegenprestatie is gerealiseerd en dat die ook in stand wordt gehouden. Daarnaast wordt een op de activiteit en fysieke versterking van omgevingskwaliteit gerichte regeling in het omgevingsplan verwacht. In sommige gevallen is het ook denkbaar dat wordt gewerkt met kwalitatieve verplichtingen. De borging moet op zo'n wijze zijn vorm gegeven dat die juridisch handhaafbaar en afdwingbaar is.

Een andere algemene voorwaarde gaat over de volhoudbaarheid van de ontwikkeling. Is er met de kennis van nu, ook richting de toekomst behoefte aan de ontwikkeling of gaat het om een tijdelijke functie? Het is ongewenst om nu nieuwe ontwikkelingen mogelijk te maken waardoor de leegstand van de toekomst ontstaat. Maar ook of een initiatief economisch levensvatbaar is: is er een goede bedrijfseconomische onderbouwing van het initiatief? De te ontwikkelen gebruiks- of bouwactiviteit moet verder uiteraard passen binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied (artikel 5.12).

Bij het mogelijk maken van de gebruiks- of bouwactiviteit wordt toepassing gegeven aan meerwaardecreatie (artikel 5.10); dat betekent bijvoorbeeld dat er aandacht is voor energietransitie, klimaatmaatregelen, duurzaam bouwen, leefbaarheid etc.

De activiteit en de beoogde fysieke tegenprestatie moeten voorts uiteraard passen binnen algemene uitgangspunten van deze verordening. Daaronder valt ook dat de nieuwe bouw- of gebruiksactiviteit op zorgvuldige wijze landschappelijk wordt ingepast.

Overleg

Toepassing van deze regeling vraagt om maatwerk per geval. Daarom is geen concrete regeling uitgewerkt voor de tegenprestatie. De tegenprestatie wordt in breed overleg met betrokken partijen, waaronder de provincie, ingevuld. Het is een nieuwe regeling en daarom is het, zeker in het begin, belangrijk dat binnen de provincie op een gelijke manier met de regeling wordt omgegaan. Daarom is opgenomen dat een deskundige op het gebied van omgevingskwaliteit vanuit de provincie bij de ontwikkeling van het plan wordt betrokken.

Beleidsregel

Gedeputeerde Staten hebben een beleidsregel vastgesteld die invulling geeft aan de minimale omvang van de fysieke tegenprestatie die verwacht wordt bij het toevoegen van een woning (lid 3, onderdeel a). In de beleidsregel zijn de uitgangspunten opgenomen die Gedeputeerde Staten hanteren voor de kosten van sloop, aanleg van natuur en landschapselementen of het inleveren van stikstofruimte. De beleidsregel bevordert een gelijke toepassing binnen de provincie.

Monitor

Brabant Advies concludeert in zijn rapport ook de wenselijkheid om de effecten van de toepassing van rood-voor-groen beter te monitoren en te evalueren. Daarom is een jaarlijkse rapportageplicht opgenomen voor Gedeputeerde Staten. Zo'n rapportageplicht kan ook bijdragen aan kennisontwikkeling en kennisdeling door goede voorbeelden uit te dragen.

Sanering milieuhinderlijke activiteit (lid 2)

De voormalige Ruimte voor ruimte regeling had mede tot doel een aanzienlijk milieuwinst te realiseren. Ook deze regeling voorziet daarin. Het is daarbij van belang dat als een rode ontwikkeling wordt ingezet om de sanering van milieuhinder te bereiken, ook geborgd wordt dat daadwerkelijk een sanering en niet alleen een -al dan niet tijdelijke- vermindering van hinder aan de orde is. Dat betekent dat het omgevingsplan juridisch vastlegt dat de activiteit niet langer is toegestaan. Het betekent ook dat bij de sanering van een milieuhinderlijke activiteit, alle op de locatie rustende rechten en vergunningen voor die activiteit ingetrokken moeten worden. Dat omvat alle aspecten, zoals de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit, de Natura-2000 activiteit, de Flora- en fauna activiteit of een lozingsactiviteit. Dit betekent ook dat er geen mogelijkheden bestaan om de op de locatie rustende rechten of toestemmingen te verhandelen of in te zetten op een andere locatie. De regeling gaat ervan uit dat alle toestemmingen zijn ingetrokken.

Tot de inwerkingtreding van de Omgevingsverordening Noord-Brabant was het conform de oude RvR-regeling mogelijk om dierrechten voor varkens- en kippenhouderijen ter hoogte van 3500 kg fosfaat in te zetten als fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit. Het bestemmingsplan bevatte dan het bewijs dat deze verhandelbare rechten door de rvo zijn doorgehaald. Onder de Omgevingsverordening is deze mogelijkheid vervallen omdat deze dierrechten niet gekoppeld zijn aan de locatie. Het inleveren en intrekken van de omgevingsvergunning voor de Natura2000-activiteit kan als fysieke tegenprestatie worden ingebracht. Dit is in een beleidsregel uitgewerkt.

Specifieke voorwaarden lid 3

In het derde lid zijn een aantal randvoorwaarden uitgewerkt voor specifieke ontwikkelingen. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de oude regelingen maar meer algemeen geformuleerd. Dit artikel biedt daarbij de grondslag voor diverse initiatieven. Dit artikel gaat niet om de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimtekavels door de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte. Daarvoor is een grondslag opgenomen in artikel 5.15.

- Toevoegen woning  (onderdeel a)

Belangrijk aandachtspunt bij het toevoegen of bouwen van een woning met als doel de omgevingskwaliteit te versterken, is dat de tegenprestatie in omgevingskwaliteit in de verordening is vastgelegd. Hierbij is een koppeling gelegd met deeen tegenprestatie die geldt voorin verhouding staat tot de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavelwoonfunctieDit is gedaan om een gelijkwaardig speelveld te scheppen tussen gemeenten binnenDaarvoor hebben Gedeputeerde Staten de provincie maar ook met de verplichte inspanning van de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte bij de ontwikkeling van een ruimte-voor-ruimtekavelbeleidsregel Omgevingsrecht vastgesteld. De regeling in onderdeel a kan niet worden toegepast in geval van rijks- en gemeentelijke monumenten of cultuurhistorisch waardevolle complexen die op de Cultuurhistorisch waardenkaart zijn beschreven. Daarvoor is in onderdeel d een regeling opgenomen.

Wij vinden het vragen van een tegenprestatie met als doel het versterken van de omgevingskwaliteit redelijk omdat de regeling via maatwerk inbreuk maakt op basisprincipes van deze verordening, zoals het verbod op nieuwvestiging of het verbod op het toevoegen van individuele woningen in landelijk gebied. De omvang van de fysieke tegenprestatie is in een beleidsregel uitgewerkt. Vanuit de maatschappelijke behoefte zijn in die beleidsregel voor verschillende typen woningen uitgangspunten vastgelegd en maatwerktitels ontwikkeld door de Ontwikkelingsmaatschappij. Naast de klassiek grotere vrijstaande of twee-onder-een-kapwoningen, is er beleid ontwikkeld voor kleinere twee-onder-een-kapwoningen, kleinere wooneenheden in een bouwmassa van 1000 m3, tiny houses en inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing.

Wat onder karakteristieke bebouwing wordt verstaan, verschilt per geval. Karakteristieke bebouwing omvat de door gemeenten in het eigen erfgoedbeleid aangewezen bebouwing met cultuurhistorische waarden maar ook andere beeldbepalende bebouwing waarvan de gemeente behoud wenselijk vindt. In het geval dat bebouwing vanuit erfgoedbeleid niet is aangewezen, bevat het plan een onderbouwing waarom de bebouwing beeldbepalend is. Voorheen bevatte de verordening voor de splitsing van woonboerderijen of cultuurhistorische bebouwing een aparte regeling. Deze regeling werd als onduidelijk en rechtsongelijk ervaren omdat de toepassing voor splitsing van beeldbepalende woonboerderijen en cultuurhistorische bebouwing verschilde. De regeling is daarom aangepast en versoberd. De mogelijkheid voor het inpandig toevoegen van een woning (of meerdere wooneenheden) wordt met deze regeling voor alle situaties gelijk waardoor voor cultuurhistorisch waardevolle boerderijen, andere cultuurhistorisch waardevolle bebouwing, beeldbepalende woonboerderijen en overige beeldbepalende bebouwing gelijke uitgangspunten gelden. Vanuit het doel van de regeling -versterken en behouden omgevingskwaliteit- wordt in ruil voor de toevoeging van een woning gevraagd dat in het omgevingsplan de karakteristieke kenmerken worden beschreven en beschermd en dat uit- en aanbouwen worden tegengegaan.

Omdat er nog steeds een opgave ligt voor de ORR om in het verleden gedane investeringen terug te verdienen, vragen wij aan gemeenten om in overleg te treden met de ORR om te bezien of een ontwikkeling ook kan bijdragen aan die opgave.

Vanuit omgevingskwaliteit is de voorwaarde gesteld dat het toevoegen van een woning alleen op een passende locatie mogelijk is. Een toename van verspreid liggende bebouwing in het landelijk gebied is niet wenselijk, vanuit omgevingskwaliteit, toename van mobiliteit, verrommeling en de ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische functies. Voor inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing is een aparte bepaling opgenomen.

Onderdeel a biedt dus de mogelijkheid voor de bouw of toevoeging van een incidentele woning of als dat aanvaardbaar is in de omgeving enkele woningen, op passende plekken in het buitengebied. Deze regeling is niet bedoeld om grotere clusters van woningen te ontwikkelen of een stedelijke ontwikkeling. Daarvoor zijn regels opgenomen in Afdeling 5.5 Ontwikkeling van stedelijke functies en mobiliteit.

In het vierde lid is uitgewerkt wat onder een passende locatie wordt verstaan. Een passende locatie ligt in of aansluitend op een bebouwingsconcentratie, Bebouwd gebied of Stedelijk gebied. De invulling van wat in deze verordening onder een passende locatie wordt verstaan, laat onverlet dat de gemeente ook altijd de afweging moet maken of het toevoegen van een woning aanvaardbaar is vanuit de ontwikkelingsrichting van een gebied. Voor inpandige splitsing van karakteristieke bebouwing geldt dat die al op een bepaalde locatie aanwezig zijn zodat alleen de afweging vanuit de ontwikkelingsrichting vereist is.

Ontwikkeling van een nieuw landgoed (onderdeel b)

De landgoedregeling is bedoeld om meer natuur in het buitengebied te realiseren en om kwaliteit en allure aan het buitengebied toe te voegen. Het is daarom van belang om omgevingskwaliteit en de 'kwaliteit van het ontwerp' te betrekken. Onder de kwaliteit van het ontwerp wordt verstaan: eenheid tussen bebouwing en landgoed, eenheid in vorm/uitstraling van de aanwezige bebouwing, zoveel mogelijk concentratie van bebouwing en de wijze waarop gebruik is gemaakt van kenmerken van de omgeving. Hoewel van belang, is dit niet goed in formele regels te “vangen”.

De voorwaarden voor een landgoed zijn daarom tot enkele basisvoorwaarden teruggebracht.

Een landgoed is een ruimtelijke eenheid van aaneensluitende gronden met een omvang van ten minste 10 hectare. Reden hiervoor is dat een kleinere omvang tot gevolg heeft dat allerlei kleine initiatieven ontwikkeld kunnen worden die onvoldoende robuust zijn. Het landgoed kan bestaande woningen of bestaande agrarische bedrijven omvatten en gronden die binnen het Natuurnetwerk Brabant (NNB) liggen. Vanwege de natuurdoelen die voor het NNB gelden, is het niet gewenst dat de bebouwing voor het landgoed daarbinnen wordt gerealiseerd. De tegenprestatie voor het oprichten van landgoedwoningen wordt verplicht ingezet ten behoeve van bij het gebied passende natuurontwikkeling op het landgoed en behoud van de op het landgoed aanwezige waarden. Voor het type natuur dat passend is bij gebied kan in veel gevallen aansluiting worden gezocht bij het natuurbeheerplan. Het is aan te bevelen hierover tijdig in overleg te treden met de provincie. Een landgoed bestaat -nadat de ontwikkeling is afgerond- ten minste voor 50% uit gerealiseerde natuur. Hierbij is aansluiting gezocht bij de Natuurschoonwet. De 50% gerealiseerde natuur kan bestaan uit:

  • binnen het NNB gelegen bestaande gerealiseerde natuur;

  • binnen het NNB begrensde natuur die nog niet is gerealiseerd en die vanwege de landgoedontwikkeling wordt gerealiseerd;

  • nieuwe natuur die vanwege de landgoedontwikkeling als NNB begrensd wordt.

Natuurontwikkeling

  • de fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit wordt ingezet voor natuurontwikkeling, landschappelijke inpassing en het versterken van landschapsstructuren. De natuurtypen moeten passend zijn bij het gebied en NNB-waardig zijn.

  • kosten voor investeringen in natuur worden gebaseerd op de vergoedingen die worden toegepast in provinciale regelingen zoals de subsidieregeling Realisering Natuurnetwerk Noord-Brabant. Dat betekent dat:

    • kosten voor beheer en onderhoud voor 6 jaar meegenomen kunnen worden;

    • een vergoeding voor de afwaardering naar natuurgrond kan worden meegenomen;

    • plankosten niet kunnen worden opgevoerd.

  • nieuwe natuur die vanwege de realisatie van het landgoed als NNB wordt begrensd, wordt toegevoegd als bestaande natuur. Hierdoor kan voor de aanleg geen subsidie verstrekt worden.

  • Een kwaliteitsimpuls van bestaande natuur kan meegenomen worden, mits de uitvoering van de maatregelen ook geborgd wordt.

Voor de invulling van NNB-waardige natuur wordt kwalitatief bezien of de aan te leggen en aan het NNB toe te voegen natuur vanuit ecologische doelen daadwerkelijk NNB-waardig is. Het gaat bij de ontwikkeling van een nieuw landgoed dus niet alleen om de kwantiteit van het natuuroppervlak, maar juist ook om de bijdrage die de nieuwe natuur levert aan de kwaliteit en de ruimtelijke samenhang van het NNB. Inrichting (op korte termijn), beheer en ontwikkeling moeten daarbij duurzaam zijn geborgd. In de praktijk betekent dit dat de toe te voegen natuur wordt aangelegd op een perceel dat grenst aan het huidige NNB en dat voldoet aan een of meer van de volgende ecologische criteria:

  • het perceel is nodig om de hydrologie van het NNB op orde te brengen;

  • het te realiseren natuurdoeltype geeft een versterking van dit natuurdoeltype op deze locatie of het NNB in de omgeving;

  • het perceel verbetert de interne verbinding binnen het NNB; het perceel draagt bij aan een goede aansluiting met een EVZ;

  • de toevoeging van dit perceel betekent een belangrijke vermindering van ongewenste randlengte van het NNB.

Ruimtelijke inrichting van het landgoed

Op een onderschikt deel van het totale landgoed kan een 'rode' ontwikkeling plaatsvinden door nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten toe te laten. Het kan dan gaan om landgoedwoningen of een andere bij het landgoed passende functie. De 'rode' ontwikkeling moet in een evenredige verhouding staan tot de omvang en kwaliteit van de nieuwe natuur, waarvoor het landgoed wordt ontwikkeld. Een inrichtingsplan geeft inzicht in de oppervlakte, inhoud en hoogte van de te realiseren bebouwing (landgoedwoningen of andere functie). Vanuit de principes voor een evenredige toedeling van activiteiten en functies (paragraaf 5.1.2) biedt de onderbouwing van het omgevingsplan inzicht in de effecten van de gewenste ontwikkeling op omliggende waarden en functies, waaronder mobiliteit. Voor een goede ruimtelijke inrichting van het landgoed hanteren wij als uitgangspunt dat:

  • bebouwing buiten het NNB wordt gesitueerd en zoveel als mogelijk geconcentreerd wordt opgericht;

  • bebouwing van allure is en qua omvang passend bij de uitstraling van een landgoed. Er wordt een beeldkwaliteitsplan voor de bebouwing opgesteld;

  • behoud van omvang en uitstraling van de bebouwing worden in het omgevingsplan geborgd;

  • behoud en versterking van cultuurhistorische waarden op het landgoed wordt in het omgevingsplan verzekerd. Naast woonfuncties zijn ook andere bij een landgoed en ontwikkelingsrichting passende gebruiksactiviteiten mogelijk, zoals zorg en agrarische activiteiten;

  • het landgoed is zodanig openbaar toegankelijk dat het in z’n geheel beleefbaar is, met uitzondering van een gebied (0,5 tot 1 ha) rondom de bebouwing.

Ontwikkeling op een bestaand landgoed (onderdeel c)

De regeling in onderdeel b is opgenomen voor de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Op bestaande landgoederen is het vanwege instandhoudingsdoelen van zo'n landgoed soms ook gewenst ontwikkelingen mogelijk te maken. Bij een dergelijke ontwikkeling wordt waar mogelijk toepassing gegeven aan de bepalingen onder b. Het onverkort vasthouden aan alle uitgangspunten is daarbij niet altijd mogelijk. Vroegtijdig overleg met medewerkers van de provincie is gewenst.

Het gaat hier niet om landgoederen die als complex cultuurhistorisch waardevol complexbelang zijn opgenomen op de Cultuurhistorische waardenkaart. Daarvoor geldt onderdeel d.

Behoud en versterking van cultuurhistorische waarden en kenmerken (onderdeel d)

De mogelijkheid voor ontwikkeling richt zich behoud en herstel van cultuurhistorische waarden en kenmerken van provinciaal belang. De regeling biedt daartoe de mogelijkheid voor het toelaten van nieuwe bouw- of gebruiksactiviteiten, waaronder woonfuncties- in of bij:

  • rijks- en gemeentelijke monumenten: Het gaat hier om cultuurhistorisch waardevolle bebouwing die door Rijk of gemeenten is aangewezen als monument en die als zodanig is beschermd.

  • Ontwikkelingen binnen cultuurhistorisch waardevolle complexen: In het verleden bevatte de verordening een aparte aanduiding voor cultuurhistorisch waardevolle complexen. Deze complexen zijn in de Omgevingsverordening binnen de aangeduide locaties Cultuurhistorische waarden gebracht. Op de Cultuurhistorische waardenkaart zijn de kenmerken en waarden van deze gebieden en de daarbinnen gelegen complexen beschreven, alsmede de mogelijkheden voor ontwikkeling. Doel van de regeling is dat ontwikkelingen bijdragen aan behoud en versterking van de karakteristieke waarden en kenmerken van het complex. Nieuwe functies zijn vanwege het streven naar behoud van deze complexen mogelijk als ze bijdragen aan het behouden en versterken van de aanwezige cultuurhistorisch waardevolle bebouwing of aan andere aspecten van cultuurhistorisch belang in de directe omgeving van het complex, zoals herstel van cultuurhistorisch waardevolle landschapselementen.

Een concreet plan bevat de volgende elementen:

  • een onderbouwing waarom gebruikt wordt gemaakt van deze regeling (aantonen van de noodzaak);

  • een beschrijving en cartografische weergave van de actuele, aangetaste en verdwenen cultuurhistorische waarden van het complex;

  • een lijst en kaart met de (verdwenen) cultuurhistorische waarden die worden hersteld of worden versterkt;

  • bouwkundige tekeningen van de oorspronkelijke, huidige en gewenste situatie: dit omvat minimaal een plattegrond van alle verdiepingen, doorsneden, gevelaanzichten en een situatietekening op schaal;

  • hoe de geplande ontwikkeling een (landschap)architectonische meerwaarde betekent voor het complex;

  • hoe de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan het behoud van de historisch (landschap) architectonische kenmerkende stijl van het complex;

  • inzicht in de huidige en de toekomstige exploitatie van het complex;

  • hoe de cultuurhistorische waarden van het complex worden beschermd, behouden en versterkt in het omgevingsplan.

Naast de cultuurhistorische waarden en kenmerken van de locatie en directe omgeving bepalen ook andere in de omgeving aanwezige waarden de aanvaardbaarheid van de ontwikkeling. Een ligging in het Natuurnetwerk Brabant kan betekenen dat alleen kleinschalige, relatief extensieve nieuwe activiteiten aanvaardbaar zijn. In het algemeen geldt daarom dat bij toepassing van deze regeling de gemeente de voorgenomen functiewijziging afweegt in relatie tot de algemene visie op het gebied en het te voeren beleid. Bij het toelaten van nieuwe functies geldt binnen een aangeduid complex dat ook nieuwvestiging mogelijk is. Hierbij moet uiteraard ook ingegaan worden of de nieuwe functie inpasbaar is gelet op de aanwezige en/of verdwenen cultuurhistorische waarden.

Passende locatie (lid 4)

Deze regeling maakt de bouw van een woning mogelijk in Landelijk gebied binnen een bebouwingsconcentratie in Landelijk gebied of op locaties die ter afronding aansluiten op Stedelijk gebied, Bebouwd gebied of een bebouwingsconcentratie. Daarnaast is het mogelijk een woning te realiseren binnen bestaand ruimtebeslag van Stedelijk gebied, Bebouwd gebied (artikel 5.57) of inpandig bij karakteristieke bebouwing. Vanwege de omstandigheid dat in sommige gebieden al veel ruimte in de bebouwingsconcentraties is benut, is opgenomen dat een woning ook aansluitend op een bebouwingsconcentratie, bebouwd- en stedelijk gebied kan worden opgericht. Hiervoor geldt dat er in zo'n geval sprake moet zijn van een logische afronding van de aanwezige bebouwing.

In de begripsbepalingen is opgenomen wat onder bebouwingsconcentratie wordt verstaan. Het gaat daarbij altijd om een verzameling van meerdere bouwpercelen met daarop aanwezige hoofd- en bijgebouwen. Een verzameling gebouwen op 1 perceel ten behoeve van de daar toegelaten functie betreft een bouwperceel en is als zodanig ook in de Omgevingsverordening gedefinieerd. Hieronder is een schematische weergave opgenomen van een kernrandzone, bebouwingslint en bebouwingscluster:

afbeelding binnen de regeling

Niet iedere bebouwingsconcentratie is geschikt voor het toevoegen van een woning. Daarom geldt ook altijd dat de ontwikkeling moet passen binnen de ontwikkelingsrichting van een gebied en niet in strijd mag zijn met overige beleidsdoelen. Niet alle dorps- en stadsranden of bebouwingsconcentraties zijn dan geschikt. Een ontwikkelingsrichting houdt immers integraal rekening met de waarden en belangen vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, recreatie, landbouw en overige aspecten, zoals de aanwezige dorps- of stedelijke structuur, mobiliteit, energie etcetera. Als een dorpsgrens bijvoorbeeld duidelijk gemarkeerd wordt door een weg, kan het in zo'n situatie niet wenselijk zijn om een nieuwe aanzet voor verstedelijking aan de overzijde van de weg te ontwikkelen. Of als een bebouwingsconcentratie in een gebied ligt met een overwegende agrarische functie kunnen nieuwe ontwikkelingen belemmerend voor die functie zijn. Dat is per situatie uiteraard verschillend. Het is overigens een mogelijkheid om aansluitend op een bebouwingsconcentratie, bebouwd gebied of stedelijk gebied een woning toe te staan en nadrukkelijk geen verplichting.

In het vijfde lid is aangegeven dat als dit artikel wordt toegepast, de daar genoemde bepalingen niet gelden.

YY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.15 Ruimte-voor-ruimtekavel

De ontwikkeling van ruimte-voor-ruimte kavels door de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte (ORR) is gebaseerd op in het verleden behaalde aanzienlijke omgevingskwaliteitswinst in het landelijk gebied. Deze gerealiseerde kwaliteitswinst is in het verleden gefinancierd door de provincie. In eerste instantie kwam de behaalde omgevingskwaliteitswinst voort uit de toepassing van de Regeling beëindigingbeëindiging veehouderij (Rbv). Later is dit uitgebreid en is er door de provincie ingezet op het realiseren van omgevingskwaliteitswinst doormet een verbrede toepassing van het principe van ruimte voor ruimte met de regeling Ruimte voor ruimte verbreed (GS 2006). Deze in de meeste gevallen al gerealiseerde kwaliteitswinst is (voor)gefinancierd door de provincie. Dit wordt terugverdiend met de ontwikkeling van ruimte-voor-ruimtekavels door de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor ruimte (ORR)

.De ORR ontwikkeltontwikkelde niet in alle gevallen zelf de ruimte-voor-ruimtekavels. Het iswas ook mogelijk om een titel voor een ruimte-voor-ruimtekavel bij de ORR te kopen. De ORR geeftgaf daarvoor certificaten uit. In zo'n geval is er sprake van een ruimte-voor-ruimtekavel die 'vanwege de ORR' wordt ontwikkeld. 

Begin 2025 heeft de ORR de laatste titels uitgegeven of belegd in projecten. Ook zijn er nog diverse eerder uitgegeven titels in omloop. De plannen waarin deze titels belegd worden, moeten nog in procedure worden gebracht. Daarom blijft dit artikel inclusief de onderbouwing van de titels, - voorlopig - in de verordening opgenomen. Omdat het niet wenselijk is dat de titels langdurig niet worden ingezet, is in het tweede lid een termijn opgenomen tot wanneer nog gebruik gemaakt kan worden van dit artikel. Dat betekent dat nog van de regeling gebruik gemaakt kan worden indien voor 1 januari 2030 een omgevingsplan is vastgesteld dan wel een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is verleend

Regeling beëindiging veehouderij

Begin 2000 heeft het Rijk de Rbv ingevoerd. Dit beleid was ingezet om ondernemers in staat te stellen te stoppen met hun intensieve veehouderijbedrijf. Met de regeling werden zoveel mogelijk productierechten (mestrechten) uit de markt genomen om een evenwicht op de mestmarkt te bereiken. Naast het uit de markt nemen van mestrechten konden agrariërs in aanmerking komen voor een vergoeding voor de (op)stallen en een subsidie bij sloop van de stallendierenverblijven. Het meenemen van de sloop van stallen bij de Rbv was op aangeven van de provincies. De sloopcomponent van de Rbv is gefinancierd door de betrokken provincies, waaronder de provincie Noord-Brabant. Voor de sloop heeft de provincie € 166,1 miljoen betaald aan subsidies, waar uiteindelijk € 19 miljoen aan rentekosten bij zijn gekomen. Met het Rijk is afgesproken dat de investering in sloop terugverdiend kon worden met de ontwikkeling van woningbouwkavels (pact van Brakkenstein). Dit is bekend geworden als de ruimte voor ruimteregeling.

Ruimte voor Ruimte verbreed

In het verlengde van de Rbv heeft de provincie een verbrede aanpak ontwikkeld. Met deze verbrede aanpak is subsidie verleend voor de sanering van glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden, is geïnvesteerd in de sanering van voormalige militaire complexen en -terreinen, is een bijdrageregeling sloop ongewenste bebouwing in het buitengebied (SOBB) ingesteld, is een groot milieuhinderlijk bedrijf gesaneerd en hebben gemeenten stimuleringsbijdragen ontvangen gericht op het versterken van omgevingskwaliteit in die gemeente.

De stimuleringsbijdragen hebben daarbij onder andere als doel om in gemeenten waar veel ruimte voor ruimtewoningen zijn of worden gerealiseerd, ook omgevingskwaliteit toe te voegen in de directe omgeving van die rode ontwikkeling. Om te borgen dat de bijdragen worden ingezet voor omgevingskwaliteit zijn daartoe overeenkomsten afgesloten waarin die verplichting is neergelegd. Na uitkering van de bijdragen hebben gemeenten vijf jaar de tijd om aan die verplichting te voldoen.

Terugverdienopgave

Via de Rbv en de verbrede toepassing van ruimteRuimte voor ruimte is door de provincie €215,2 miljoen215,2miljoen geïnvesteerd in een verbetering van de omgevingskwaliteit van het landelijk gebied. De Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte is speciaal opgericht om die investeringen terug te verdienen. De ontwikkelingsmaatschappij doet dat door de ontwikkeling en verkoop van woningbouwkavels. Per woningbouwkavel die door de ontwikkelingsmaatschappij wordt verkocht, ontvangt de provincie een financiële afdracht die in mindering wordt gebracht op de terugverdienopgave. 

De Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte ontwikkeltORR ontwikkelde niet in alle gevallen zelf de ruimte-voor-ruimtekavels. Het iswas ook mogelijk om een titel voor een ruimte-voor-ruimtekavel bij de ontwikkelingsmaatschappijORR te kopen. De ontwikkelingsmaatschappij geeftORR gaf daarvoor certificaten uit. In zo'n geval is er sprake van een ruimte-voor-ruimtekavel die 'vanwege de ontwikkelingsmaatschappijORR' wordt ontwikkeld. Ook dezeDe kavels die met zo'n certificaat worden ontwikkeld zijn dusook gebaseerd op in het verleden behaalde aanzienlijke omgevingskwaliteitswinst, die de provincie heeft gefinancierd. Het certificaat geeft in zo'n geval het bewijs dat de vereiste omgevingskwaliteitswinst in het verleden isis (of binnen vijf jaar wordt) behaald.

Begin 2025 heeft de Ontwikkelingsmaatschappij bericht dat de laatste beschikbare titels zijn uitgegeven of belegd in projecten. De plannen voor de projecten waarin die titels worden ingezet, moeten nog in procedure worden gebracht. Daarnaast zijn er bij diverse gemeenten nog certificaten in omloop die nog niet voor een concreet project zijn ingezet. Daarom blijft dit artikel – voorlopig – in de verordening opgenomen. In het tweede lid is wel een eindtermijn opgenomen tot wanneer besluitvorming over een omgevingsplan (of omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) kan plaatsvinden. Deze eindtermijn is bepaald op 1 januari 2030. Daarmee hebben de Ontwikkelingsmaatschappij en andere initiatiefnemers circa 5 jaar de mogelijkheid om de certificaten te benutten. 

De provincie rapporteert jaarlijks over de stand van zaken rondom de terugverdienopgave in de jaarrekening. Dit betreft openbare informatie die deel uitmakenuitmaakt van de jaarrekening en die eenieder kan inzien. Eind 20202024 was €138,3 miljoen182,1miljoen terugverdiend. Het terugverdienen van de resterende investeringen in de omgevingskwaliteit, ongeveer €76,833,1 miljoen, is voorzien in de komende tienacht jaar (tot 2033).

Maatwerk ruimte voor ruimte-titels

Het is niet de bedoeling om enkel ruimte te bieden voor grote woningen in het buitengebied. De provincie wil in het buitengebied ook de mogelijkheid bieden om in te spelen op actuele ontwikkelingen op de woningmarkt, zoals de vraag naar woningen voor een- en tweepersoonshuishoudens of tiny houses. Daarbij is het niet redelijk en financieel haalbaar om bij dit type woningen een tegenprestatie te vragen die qua omvang ten minste gelijk is aan de tegenprestatie voor een 'reguliere' ruimte voor ruimtewoning (de grotere woningen). Gedeputeerde Staten werken beleid uit om duidelijkheid te bieden over de omvang van de 'volledige tegenprestatie' voor andere woningbouwtypen. In het verlengde hiervan ontwikkelt de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte 'maatwerk' ruimte voor ruimte-titels ten behoeve van de verkoop van een ruimte voor ruimte titel en geeft daarvoor certificaten uit.

Voorwaarden

De voorwaarden voor een individuele ruimte-voor-ruimtekavel of enkele kavels zijn vergelijkbaar met de voorwaarden die voor de ontwikkeling van een woning in Artikel 5.14 zijn opgenomen. Verschil is wel dat de fysieke tegenprestatie in het geval van een ruimte-voor-ruimtekavel een gegeven is omdat die al in het verleden heeft plaatsgevonden, zoals hierboven toegelicht. Daarom is in de regeling geen directe koppeling gelegd dat de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit in het omgevingsplan moet zijn geborgd.

De voorwaarden voor een individuele ruimte-voor-ruimtekavel of enkele kavels zijn vergelijkbaar met de voorwaarden die voor de ontwikkeling van een woning in Artikel 5.14 zijn opgenomen. Verschil is wel dat de fysieke tegenprestatie in het geval van een ruimte-voor-ruimtekavel een gegeven is omdat die voor de meeste ontwikkelingen al in het verleden heeft plaatsgevonden, zoals hierboven toegelicht. Voor de realisatie van omgevingskwaliteit gebaseerd op de stimuleringsbijdragen geldt dat die ook nog in de toekomst kan plaatsvinden, gelet op de afgesproken realisatietermijn van vijf jaar. Deze omgevingskwaliteit wordt onder verantwoordelijkheid van de gemeente gerealiseerd. Omdat die realisatie vaak al mogelijk is binnen de vigerende juridische kaders, is in de regeling geen directe koppeling gelegd dat de fysieke tegenprestatie in omgevingskwaliteit in het omgevingsplan voor de rode ontwikkeling moet zijn geborgd. Gelet op jurisprudentie van de Afdeling is wel vereist dat de raad onderbouwt in zijn besluit over de rode ontwikkeling dat de gerealiseerde omgevingskwaliteit voldoende is. In een voorkomend geval, beschikt de provincie over informatie die gemeenten daartoe kunnen benutten.

Stedelijke ontwikkeling is niet apart geregeld in dit artikel. Bij grotere ontwikkelingen, zoals de bouw van 12 woningen of meer, is sprake van een stedelijke ontwikkeling. Daarvoor kan de gemeente op grond van Artikel 5.56 Afwijkende regels stedelijke ontwikkeling gebieden aanwijzen. Binnen die gebieden kunnen uiteraard ook RvR-kavels ontwikkeld worden.

In uitzonderlijke gevallen kan op basis van dit artikel een groter woningbouwcluster ontwikkeld worden. Dit moet dan wel altijd op een aanvaardbare plek die past binnen de door de raad vastgestelde Omgevingsvisie of binnen een ontwikkelingsrichting. Hierbij wordt toepassing gegeven aan de diep-rond-breed benadering uit Paragraaf 5.1.2 Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies. Dat betekent dat ook aspecten als mobiliteit, klimaat, duurzame energie en zorgvuldig ruimtegebruik van toepassing zijn, waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking.

ZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.2.5 Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000-gebied

AAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.30 Bescherming Natuur Netwerk Brabant en Natura 2000-gebied

De instructieregels in dit artikel bevatten de kern voor de bescherming van het Natuur Netwerk Brabant (NNB). Bij het opstellen van een omgevingsplan zijn gemeenten verplicht aansluiting te zoeken bij de wezenlijke ecologische kenmerken en waarden die in het natuurbeheerplan zijn beschreven. Deze waarden en kenmerken zijn per gebied vastgelegd in een beheertypenkaart en in een ambitiekaart. Beide kaarten vormen de kern van het natuurbeheerplan. De beheertypenkaart brengt in beeld wat de actuele situatie is. De ambitiekaart geeft de gewenste eindsituatie (ambitie) aan. Zolang er geen sprake is van een significante aantasting, is er vanwege het NNB geen grond om de activiteit tegen te houden. Wel wordt de activiteit uiteraard nog getoetst aan ander beleid of regelgeving.

Op grond van onderdeel b. is het mogelijk om onderbouwd, in afwijking van het natuurbeheerplan, een op die plek ecologisch gezien gunstiger natuurtype te realiseren. Omdat de provincie bevoegd gezag is voor het bepalen welk natuurdoeltype wenselijk is, moet over een dergelijk voornemen overeenstemming zijn met een ecologisch deskundige van de provincie. Als toepassing wordt gegeven aan onderdeel b, wordt het natuurbeheerplan in de eerstvolgende ronde aangepast.

Naast behoud en ontwikkeling van ecologische waarden en kenmerken streeft de provincie binnen het NNB ook behoud na van cultuurhistorische waarden en andere wezenlijke kenmerken zoals rust en stilte. Op provinciaal niveau zijn de cultuurhistorische waarden en kenmerken vastgelegd op de Cultuurhistorische waardenkaart van Noord-Brabant en waar nodig vertaald in deze verordening.

Zolang de natuurdoelen in een gebied nog niet zijn gerealiseerd, kunnen bestaande functies en gebruiksactiviteiten worden voortgezet (eerbiedigende werking). Bestaand planologisch gebruik wordt gerespecteerd. Dit betekent dat de ontwikkelmogelijkheden van een agrarisch bedrijf, een recreatiewoning en een niet-agrarisch bedrijf die zijn opgenomen in een geldend omgevingsplan in stand blijven. Het betekent ook dat er geen nieuwe ontwikkelmogelijkheden geschapen mogen worden door een omgevingsplan te wijzigen of door de verlening van een omgevingsvergunning.

Als de realisering van de natuurbestemming is veiliggesteld doordat daarvoor een publiekrechtelijk besluit met financiering is vastgesteld, is de gemeente verplicht om binnen negen maanden een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen. Dit is het geval bij (juridische) verplichtingen van GS of van een waterschapsbestuur.

In enkele gevallen liggen er bestaande agrarische enclaves in Natura 2000-gebied, maar buiten het NNB. Deze enclaves zijn aangewezen vanuit het belang van die gebieden als foerageergebied van in het omliggende natuurgebied voorkomende soorten. Op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn is er de plicht dat deze enclaves hun huidige functie als foerageergebied blijven vervullen. Het is vanwege de aanwijzing als Natura 2000-gebied niet toegestaan om zonder een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit het huidige grondgebruik te wijzigen. Daarom is hiervoor een regeling in het vierde lid opgenomen.

BBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.32 Maatwerk ontwikkelingen in Natuur Netwerk Brabant

De provincie wil binnen wettelijk toegestane grenzen flexibiliteit bieden voor ontwikkelingen binnen het NNB. Daartoe zijn in dit artikel vier mogelijkheden benoemd waarmee onder afwijking van de beschermingsregels uit Artikel 5.30 Bescherming Natuur Netwerk Brabant het toelaten van nieuwe ontwikkelingen mogelijk is. Deze vier mogelijkheden zijn vervolgens in een apart artikel uitgewerkt.

Voor de Natura 2000 gebieden, aangewezen op grond van de Vogel- en Habitatrichtlijn, gelden deze afwijkingsmogelijkheden nietaanvullende (rijks)regelsVoor Natura 2000 geldt dat ontwikkelingenOntwikkelingen die de waarden en instandhoudingsdoelen van de gebieden aantasten, moeten voldoen aan het Besluit activiteiten leefomgevingzijn vergunningplichtig op grond van de Omgevingswet en uitvoeringsregelgeving. Omdat de begrenzing van Natura 2000-gebied op Europees niveau is vastgesteld, is (een verzoek tot) grenswijziging van het Natuur Netwerk Brabant of Natura 2000-gebied, vanwege strijd met hogere wet- en regelgeving ook niet mogelijk.

CCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.40 Natuur Netwerk Brabant - ecologische verbindingszone

Voor de ecologische verbindingszones (evz) geldt een beperkt beschermingsregime, gericht op het bieden van basisbescherming. Een ecologische verbindingszone wordt aangeduid met een concreet aangeduid (zoek-)gebied. Inrichting, beheer en bescherming op perceelsniveau worden nader in het omgevingsplan uitgewerkt.

In Stedelijk gebied geldt als uitgangspunt dat binnen het zoekgebied een beschermingszone met een breedte van 50 meter feitelijk als ecologische verbindingszone wordt aangewezen, ingericht en beschermd. In overige gebieden is de breedte vastgesteld op 25 meter. Het gaat hierbij over de aansluitende verbinding over land.

Na realisering van de evz wordt het gebied begrensd als Natuur Netwerk Brabant (NNB) en onder de werking gebracht van Artikel 5.30 Bescherming Natuur Netwerk Brabant. Een gerealiseerde ecologische verbindingszone zal in de praktijk niet altijd over de volle lengte een breedte hebben van 25 meter. Sommige onderdelen kunnen smaller zijn, zeker als met stapstenen wordt gewerkt. Dit is binnen de gestelde regels mogelijk mits in het omgevingsplan concrete begrenzing van de gerealiseerde ecologische verbindingszone wordt opgenomen met een daarbij passend beschermingsregime. Bij een ecologische verbindingszone gaat het namelijk niet alleen om de aanleg, maar ook om het behoud en beheer.

Vanwege de gewijzigde systematiek van kaartaanpassingen zijn het derde en vierde lid toegevoegd. Gemeenten kunnen in het omgevingsplan een activiteit of functie binnen de locatie NNB-ecologische verbindingszone mogelijk maken als een reëel alternatief ontbreekt. Voorwaarde daarbij is dat het functioneren van de ecologische verbindingszone niet wordt aangetast. Dit is maatwerk per situatie waarover in een vroegtijdig stadium in overleg getreden moet worden met deskundigen van de provincie. In een voorkomend geval kan het functioneren van de ecologische verbindingszone ook verzekerd worden doordat een vervangend gelijkwaardig alternatief voor de ecologische verbindingszone in het omgevingsplan wordt aangewezen en beschermd overeenkomstig artikel 5.30 Bescherming NNB. Dat is in het vierde lid uitgewerkt. In zo'n geval moet ook de feitelijke realisering van de ecologische verbindingszone geborgd zijn. Het is op grond van deze regeling niet mogelijk om opnieuw een zoekgebied voor de ecologische zone op te nemen. Wij willen uitstel van de realisering van de ecologische verbindingszones voorkomen. Het is essentieel dat voorafgaand aan de vaststelling van een omgevingsplan waarin de regeling uit het derde lid wordt toegepast, vroegtijdig overleg plaatsvindt met de provincie. 

DDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.55 Duurzame stedelijke ontwikkeling

Noord-Brabant heeft de ambitie tot de top van Europese kennis- en innovatie regio's te blijven behoren. Een aantrekkelijk leef-, woon- en vestigingsklimaat is hiervoor een essentiële voorwaarde. Dit zorgt ervoor dat bedrijven de weg naar Brabant weten te vinden, werknemers hier prettig wonen en innovaties sneller plaatsvinden. Daarom streven wij naar duurzame verstedelijking. Om te verduidelijken welke aspecten daarbij een rol spelen, zijn in het tweede lid een aantal aspecten benoemd die daarbij om aandacht vragen. Gebaseerd op de Brabantse omgevingsvisie en de daarop gebaseerde beleidskaders wordt aandacht gevraagd voor de opgaven vanuit omgevingskwaliteit en een veilige, gezonde leefomgeving, energietransitie, klimaatadaptatie, de ontwikkeling naar een circulaire economie en duurzame mobiliteit. Want een duurzame stedelijke ontwikkeling met een slimme inrichting draagt bij aan verschillende opgaven én het zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte.

Daarom worden deze aspecten specifiek benoemd in de regeling voor duurzame verstedelijking, zodat die van begin af aan bij de ontwikkeling van een plan betrokken worden. Idealiter worden aspecten daarbij in samenhang met elkaar afgewogen. Door bij de inrichting van een stedelijke ontwikkeling rekening te houden met een goede groen-blauwe inrichting en directe verbindingen naar voorzieningen voor voetgangers en fietsers, wordt een bijdrage geleverd aan biodiversiteit, klimaatadaptatie en het verminderen van hittestress. De aanleg van parken draagt ook bij aan beweging en sociale verbondenheid. Met rechtstreekse fietsverbindingen zijn voorzieningen goed bereikbaar, wordt autoverkeer voor kleine afstanden beperkt waardoor de lucht schoner wordt en wordt beweging gestimuleerd.

Voor een goede ruimtelijke inrichting die bijdraagt aan klimaatadaptatie hanteren wij de landelijke maatlat groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving. Deze maatlat is opgesteld voor nieuwbouw(locaties), maar is (deels) ook toepasbaar op het treffen van klimaatadaptieve maatregelen bij ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied. Wij verwachten van gemeenten dat zij bij het rekening houden met klimaatverandering, zoals opgenomen in artikel 5.55, tweede lid onder d, toepassing geven aan de maatlat en de daarin opgenomen maatregelen of minimaal vergelijkbare maatregelen treffen.

Vanuit een circulaire economie wordt aandacht gevraagd voor industrieel en demontabel bouwen met biobased materiaal. Industriële bouw draagt bij aan het verminderen van emissies en demontabel bouwen zorgt voor zorgvuldige omgang van grondstoffen en materialen. Bij de invulling van de voorwaarde voor duurzame en circulaire bouw, als bedoeld in het tweede lid onder f., hanteren wij als uitgangspunt Het Nieuwe Normaal, waarin gemeenten en sector gezamenlijke uitgangspunten hebben geformuleerd.

Een duurzame stedelijke ontwikkeling houdt ook rekening met duurzame mobiliteit. Om meer kennis over het integreren van mobiliteit en gebiedsontwikkeling te ontwikkelen, werkt de provincie samen met gemeenten en regio's aan een handreiking mobiliteit & gebiedsontwikkeling. Deze handreiking help bij het maken van goed doordachte mobiliteitsplannen. Meer informatie daarover is te vinden op de site van de provincie. 

Als hulpmiddel bij het natuurinclusief vormgeven van plannen kan gebruik gemaakt worden van de storyboard natuurinclusieve verstedelijking.

Kortom: een duurzame stedelijke ontwikkeling met een slimme inrichting draagt bij aan verschillende opgaven én het zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte.

Zorgvuldig ruimtegebruik

Zorgvuldig ruimtegebruik is als basisprincipe opgenomen vanuit de zorg voor een goede omgevingskwaliteit, is zorgvuldig en meervoudig ruimtegebruik uitgangspunt. Dat betekent dat een stedelijke ontwikkeling voor wonen, werken of voorzieningen in beginsel plaatsvindt binnen Stedelijk gebied en dat de ruimte binnen Stedelijk gebied zo goed als mogelijk wordt benut. Door de stedelijke ruimte meervoudig te benutten, kan nieuw ruimtebeslag worden beperkt. Denk aan intensiveren van wonen boven winkels, ondergronds parkeren, dienstverlenende functies in de plint van woonbebouwing. Meervoudig ruimtegebruik draagt daardoor ook bij aan functiemenging wat de leefbaarheid van stedelijk gebied versterkt. Bij zorgvuldig ruimtegebruik past ook dat er wordt gekeken naar eventuele hergebruiksmogelijkheden van leegstaand of leegkomend erfgoed, zoals industriële complexen, kloosters, verzorgingshuizen et cetera. Vanuit de ladder voor verstedelijking die in het besluit ruimtelijke ordening is opgenomen gelden dienaangaande ook voorwaarden.

Regionaal overleg

Omdat de stedelijke ontwikkeling van wonen, werken en voorzieningen ook bovengemeentelijke gevolgen kan hebben, worden hierover binnen het regionale overleg afspraken gemaakt. Het is belangrijk dat stedelijke ontwikkelingen op een juist niveau zijn afgestemd met andere initiatieven zowel vanuit kwantiteit als vanuit kwaliteit. In dit artikel wordt de koppeling met die afspraken gelegd, waardoor deze doorwerking krijgen bij de ontwikkeling van plannen.

Onderbouwing

De onderbouwing van een plan is maatwerk.

Bij woningbouw zijn omvang en ligging van de ontwikkeling belangrijke punten. De bouw van een enkele woning heeft andere gevolgen dan een grote herstructurerings- of inbreidingslocatie langs het spoor of drukke wegen. Bij woningbouw zijn omvang en ligging van de ontwikkeling belangrijke punten. Maar ook hoe met de inrichting gezondheid bevordert kan worden, bijvoorbeeld door een snelle fietsverbinding met voorzieningen of doordat een groene omgeving uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

De ontwikkeling van bedrijventerrein is belangrijk om ruimte te bieden aan bedrijven die vanwege hun bedrijfsvoering effect hebben op hun omgeving en daardoor overlast kunnen geven op hindergevoelige functies als wonen of zorgfuncties. Een bestemmingsplan moet inzicht bieden in de effecten op de omgeving maar zorgt ook dat een bedrijventerrein deze opvangfunctie blijvend kan vervullen.

Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik is het belangrijk dat een deel van de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen en kantorenlocaties wordt gerealiseerd door verouderde locaties te herstructureren en de ruimte op bestaande locaties beter te benutten Voorbeelden van mogelijkheden om ruimte intensiever en meervoudig te gebruiken zijn bijvoorbeeld de aanleg van ondergrondse of inpandige parkeervoorzieningen, het meer in de hoogte bouwen, het terugdringen van restruimte en gezamenlijk parkmanagement.

Onderdeel van zorgvuldig ruimtegebruik betreft ook:

  • Het opnemen van een bij het terrein passende kavelomvang: in geval van locaties in Landelijk gebied is het niet gewenst dat 1 of 2 bedrijven alle capaciteit opgebruiken. De bedrijventerreinen bij kernen in landelijk gebied zijn juist bedoeld voor de kleinere en middelzware bedrijven die bijdragen aan de vitaliteit van die kernen. Voor grote(re) bedrijven zijn ook in de landelijke regio's regionale terreinen beschikbaar.

  • Oneigenlijk gebruik van bedrijventerreinen door functies als wonen of detailhandel wordt beperkt. Vanuit provinciaal belang is het nodig dat er op de (middel) zware bedrijventerreinen ruimte is en blijft voor zwaardere bedrijvigheid met een zogenaamd NIMBY-profiel (Not In My Backyard), zoals afvalverwerkende bedrijven, mestbewerkingsinitiatieven en overige bedrijven die overlast naar hun omgeving (kunnen) geven. Door hindergevoelige functies verspreid op een terrein toe te laten, ontstaan er beperkingen voor die functies.

Het is belangrijk dat gemeenten passende kaders in het bestemmingsplan opnemen die zorgvuldig ruimtegebruik bevorderen.

Met het oog op de aantrekkelijkheid van Brabant is ook een vitale en toekomstbestendige detailhandelsstructuur van groot belang. Een detailhandelsstructuur waarin plaats is voor innovaties en die ruimte biedt aan 'crossovers' (verbindingen) met diverse andere economische en sociaal-maatschappelijke ontwikkelingen. De detailhandelsmarkt is onderhevig aan structurele veranderingen. Door een toenemende mobiliteit van de consument, een ruimer blikveld van de ondernemer, demografische ontwikkelingen en een toename van internetshoppen is er minder behoefte aan fysieke winkelruimte. Dit betekent dat ondernemers, ontwikkelaars, gemeenten en beleggers zorgvuldig moeten omgaan met het bijbouwen van nieuwe winkels. Iedere nieuwe detailhandelsontwikkeling heeft ook gevolgen voor de bestaande situatie, niet alleen in de betreffende gemeente maar ook in omliggende gemeenten. Vanwege de schaalvergroting is detailhandel niet meer uitsluitend een lokale, maar een bovenlokale of regionale aangelegenheid.

De voornaamste taak van de provincie is om (ruimtelijke) ontwikkelingen van detailhandelslocaties regionaal en bovenregionaal af te stemmen. De aanpak van de detailhandel is op eenzelfde wijze vormgegeven, zoals dat voor bedrijventerreinen, kantoren en woningbouw het geval is. In het regionaal overleg wil de provincie met gemeenten afspraken maken over welke detailhandelslocaties regionaal en bovenregionaal worden afgestemd. Voor detailhandelsontwikkelingen is ook een expertteam detailhandel ingesteld dat adviseert aan gemeenten en provincie.

EEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.57 Maatwerk in Bebouwd gebied

De locatie Bebouwd gebied is nieuw in de Omgevingsverordening. Dit zijn gebieden die in het Landelijk gebied liggen en waar al een grote hoeveelheid bebouwing aanwezig is. Sommige van deze gebieden werden in het verleden ook wel aangeduid als integratie stad-landgebied. Een reden om een uitloper van Stedelijk gebied op te nemen als Bebouwd gebied kan liggen in de afweging dat daardoor nog ontwikkelingsruimte wordt geboden aan veehouderijen die in het gebied gevestigd zijn. Binnen Stedelijk gebied, waar de keuze is gemaakt voor stedelijke ontwikkelingen, is de ontwikkeling van veehouderijen niet gewenst.

Binnen Bebouwd gebied is vanuit provinciaal belang en rekening houdend met aanwezige kwaliteiten en de omgeving, verdichting mogelijk. Het gaat dan in de meeste gevallen niet om grootschalige stedelijke ontwikkelingen. Hoofdregel is dat die plaatsvinden in of aansluitend op Stedelijk gebied.

Bebouwd gebied is een specifieke locatie die samen kan gaan met andere locaties, zoals het Natuur Netwerk Brabant of andere gebieden met een waarde-aanduiding. Bij het mogelijk maken van ontwikkelingen binnen Bebouwd gebied geldt uiteraard dat rekening gehouden wordt met de aanwezige waarden.

Dit artikel betreft een maatwerkregeling gericht op versterken van omgevingskwaliteit in en om het gebied. Gemeenten ontwikkelen hiervoor beleid. Het versterken van omgevingskwaliteit is mogelijk met inzet van de Ontwikkelingsmaatschappij ruimte voor ruimte door de ontwikkeling van ruimte voor ruimtekavels. Ook is inzet van een specifieke rood-voor-groen regeling mogelijk waarbij wordt ingezet op kwaliteitsverbetering van de gebieden of door met fondsvorming kwaliteitsverbetering elders te realiseren, bijvoorbeeld door sloop van leegstaand vastgoed. De regeling is zo ingericht dat er een gelijk speelveld binnen de provincie wordt geborgd. Zowel tussen gemeenten maar ook met de andere (maatwerk)mogelijkheden voor de ontwikkeling van een woning, zoals de ontwikkeling van een woning vanwege Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit of Artikel 5.15 Ruimte-voor-ruimtekavel. In alle gevallen vereist de toepassing van de regeling een investering in omgevingskwaliteit. Daarom is de omvang van de fysieke tegenprestatie aan het versterken van omgevingskwaliteit in dit artikel gelijk getrokken met de omvang van de tegenprestatie voor een woning in die artikelen. De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit moet geborgd worden. Voor een toelichting wordt verwezen naar Artikel 5.14.

Om een eenduidige werkwijze van deze regeling binnen de provincie te bevorderen, waarbij er natuurlijk wel verschillen mogelijk zijn vanuit een gebiedsgerichte aanpak, is een voorwaarde opgenomen dat bij de planontwikkeling deskundigen op het gebied van omgevingskwaliteit, waaronder ook een provinciaal medewerker, worden betrokken.

Dit artikel betreft een maatwerkregeling gericht op versterken van omgevingskwaliteit in en om gebieden waar al in bepaalde mate stedelijke functies aanwezig zijn. Gemeenten geven in een ontwikkelingsvisie aan welke omgevingskwaliteit zij willen bereiken en welke bouw- en gebruiksactiviteiten gelet daarop passend zijn in het gebied. Zij ontwikkelen hiervoor rood-voor-groen beleid. Het versterken van omgevingskwaliteit is daarbij mogelijk doordat de initiatiefnemer van de rode ontwikkeling de kwaliteitsverbetering fysiek in of rondom het gebied te realiseert of door te werken met een fonds voor kwaliteitsverbetering. Als een gemeente werkt met een fonds is het nodig dat de kwaliteitsverbetering in het gebied gelabeld wordt aan de rode ontwikkeling en dat die binnen een redelijke periode wordt gerealiseerd, bijvoorbeeld door de sloop van leegstaand vastgoed.

In het rood-voor-groen beleid legt de gemeente de omvang van de fysieke tegenprestatie vast en welke maatregelen daarvoor ingezet kunnen worden. Om een zo gelijk mogelijk speelveld te scheppen, verwacht de provincie dat aansluiting wordt gezocht bij al bestaand beleid, zoals de regeling Kwaliteitsverbetering landschap en de Maatwerkregeling Omgevingskwaliteit met bijbehorende beleidsregel. Het is immers niet wenselijk als er grote ongelijkheid ontstaat tussen de mogelijkheden binnen bebouwd gebied en overige locaties in het landelijk gebied. In alle gevallen vereist de toepassing van de regeling een investering in omgevingskwaliteit. De fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit moet ook juridisch geborgd worden. Voor een toelichting wat onder juridische borging wordt verstaan, wordt verwezen naar Artikel 5.14.

Om een eenduidige werkwijze van deze regeling binnen de provincie te bevorderen, waarbij er natuurlijk wel verschillen mogelijk zijn vanuit een gebiedsgerichte aanpak, is een voorwaarde opgenomen dat bij de planontwikkeling deskundigen op het gebied van omgevingskwaliteit, waaronder ook een provinciaal medewerker, worden betrokken.

Bebouwd gebied kan ook op een gebied gelegd worden om een bepaalde ontwikkeling mogelijk te maken. Als daarbij sprake is van een stedelijke ontwikkeling bevat het tweede lid een regeling. In zo'n geval is de afweging in Artikel 5.56 van overeenkomstige toepassing (waaronder de afweging van zorgvuldig ruimtegebruik). Ook bij een reguliere stedelijke ontwikkeling van een nieuwe woonwijk, kan het gelet op omliggende gebiedswaarden wenselijk zijn een aanduiding Bebouwd gebied op te nemen, bijvoorbeeld om een bepaalde rood-groenverhouding te borgen. Tot slot vragen wij aandacht voor jurisprudentie van de Afdeling; een salami-tactiek waarbij telkens losse ontwikkelingen in procedure worden gebracht, die net onder de grens van een stedelijke ontwikkeling blijven, is niet mogelijk. Wij verwachten op basis van een gebiedsvisie of omgevingsplan duidelijkheid over welke ontwikkelingen vanuit een passende rood-groenverhouding of vanuit inpassing in de omgeving aanvaardbaar zijn.

De tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit is in zo'n geval maatwerk en afhankelijk van de ontwikkeling.

Bebouwd gebied kan in een voorkomend geval dus op basis van een concrete ontwikkeling voor het gebied worden opgenomen. Daarvoor is een wijziging van de Omgevingsverordening nodig. Het is gewenst dat voorafgaand aan een verzoek overleg plaatsvindt met medewerkers van de provincie. Voor het opnemen als Bebouwd gebied gelden een aantal uitgangspunten:

  • het gaat (na realisatie van de ontwikkeling) om een groot aaneengesloten cluster van bebouwing met overwegend stedelijke functies;

  • in beginsel is geen (verdere) stedelijke ontwikkeling voorzien in of aansluitend op het gebied (zie ECLI:NL:RVS:2017:1724);

  • er is (na realisatie van de ontwikkeling) sprake van een menging van functies of een rood-groenverhouding waardoor een aanduiding Stedelijk gebied geen recht doet aan de situatie of belemmerend werkt voor de ontwikkeling van de aanwezige functies.

FFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.63 Veehouderij in Landelijk gebied

Vanuit het streven naar een sterke en maatschappelijk gewaardeerde veehouderij bevat dit artikel voorwaarden voor de ontwikkeling van een veehouderij. Deze voorwaarden zijn gebaseerd op de denklijn 'Ontwikkelruimte moet je verdienen en is niet onbegrensd'. Deze denklijn behelst drie principes of sporen:

  • ontwikkelruimte is alleen mogelijk als dit op bedrijfsniveau bijdraagt aan een verdere verduurzaming door het treffen van (extra) maatregelen;

  • de som van het effect van alle bedrijven in een gebied mag de draagkracht van een gebied niet te boven gaan;

  • door het bieden van een economisch perspectief aan de landbouw en agrofood door meer toegevoegde waarde van het product, transparantie en nieuwe verdienmodellen.

Zorgvuldige veehouderij

Om ontwikkelruimte te verdienen geldt dat er op bedrijfsniveau sprake is van (een ontwikkeling naar) een zorgvuldige veehouderij. Dit doet een ondernemer door maatregelen te treffen voor zijn veehouderij die deze ontwikkeling ondersteunen. Die maatregelen zijn uitgewerkt in de Brabantse Zorgvuldigheidsscore Veehouderij (BZV). De BZV stuurt, stimuleert en objectiveert de ontwikkeling naar zorgvuldige veehouderij. Het idee daarbij is dat een ondernemer punten verdient door maatregelen te treffen die de inpasbaarheid van het bedrijf in de omgeving verbeteren. De ondernemer heeft daarbij keuzevrijheid in welke maatregelen het beste passen bij zijn bedrijfsvoering of de wensen van de omgeving. Door de eisen periodiek aan te passen aan de meest moderne inzichten en mogelijkheden, wordt de transitie ondersteund.

Gebiedsnormen

Vanuit de draagkracht van het gebied zijn normen voor geur op gebiedsniveau opgenomen. Deze normen geven invulling aan de grenzen die vanuit gebiedsniveau aan individuele ontwikkelruimte gesteld worden.

De geurnormen zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat er op gebiedsniveau, geen nieuwe overbelastingen voor geurhinder ontstaan en om bij te dragen aan een afname van de belasting waar deze cumulatief te hoog is. Door voor het aspect geurhinder onder voorwaarde van een proportionele bijdrage aan de afname van geurhinder ontwikkelingen toe te staan neemt de overbelasting af. Maatregelen op het gebied van geurhinder hebben over het algemeen ook een verlagend effect op emissie van fijnstof.

Voor het bepalen van een Hoe de proportionele bijdrage aan de afname van de achtergrondbelasting wordt bepaald, in de situaties waarin deze reeds hoger is dan de daarvoor gegeven normen, is de ‘Nadere informatie over de proportionele bijdrage van een veehouderij aan de afname van een overbelasting’ vastgesteldnader uitgewerkt in deze toelichting. Veehouderijen die, bijvoorbeeld door de afstand tot een geurgevoelig gebouw, beperkt bijdragen aan een cumulatieve overbelasting (achtergrond) op dat gebouw worden hierdoor niet beperkt. Gemeenten kunnen hiervoor een zogenaamde afkapwaarde gebruiken.

Als er voor een diercategorie in de Omgevingsregeling en volgens de laatste milieutechnische inzichten geen geschikte geuremissiefactor beschikbaar is, wordt die diercategorie in de berekening van de geurbelasting buiten beschouwing gelaten.

De provincie wil met de regels rondom geur ingrijpen op de hoogte van de toetswaarde voor geur, maar treedt niet in de wijze waarop belastingen van geur op gevoelige en te beschermen gebouwen volgens de bestaande regels en jurisprudentie worden berekend. De regeling biedt beleidsvrijheid aan de gemeente om te bepalen hoe zij invulling geeft aan de juridische uitvoeringsaspecten van de regels, zoals de keuze voor geurgevoelige gebouwen binnen de mogelijkheden die de wet daarvoor biedt. Wij wijzen er daarbij op dat de rechter binnen het ruimtelijk spoor een ruimere interpretatie geeft aan het begrip geurgevoelig object uit de Wet geurhinder en veehouderij. Het is nog niet bekend hoe de rechter hiermee omgaat onder de Omgevingswet. Het is zinvol om die uitleg bij de planvorming te betrekken.

Wat is een substantiële bijdrage en wat is een proportionele afname?

In de praktijk zijn er bij een aanvraag vaak maar enkele veehouderijen die een substantiële bijdrage leveren aan een cumulatieve overbelasting (achtergrondbelasting) op een geurgevoelig gebouw. Dit zijn bijvoorbeeld de veehouderijen die samen ca. 80% of meer van deze geurbelasting veroorzaken. De bedrijven worden geselecteerd op afnemende bijdrage aan de overbelasting. De gemeente beoordeeld of de selectie correct is.

Als de veehouderij waarvoor een vergunning wordt aangevraagd een substantiële bijdrage levert aan de overbelasting, wordt van dit bedrijf gevraagd om minimaal de eigen bijdrage aan de overbelasting te compenseren. Bij de bepaling van deze eigen bijdrage aan de afname van de overbelasting wordt, voor zover aanwezig, rekening gehouden met de bijdrage van de andere substantieel bijdragende veehouderijen (proportioneel). De gevraagde afname is proportioneel in relatie tot de bijdrage van de andere substantieel bijdragende bedrijven.

één keer bijdragen aan de afname

De referentie voor de beoordeling is de vergunde situatie (omgevingsvergunning voor het bouwen) op 21 september 2013. Dit is de datum van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit zorgvuldige veehouderij. Wanneer alle substantieel bijdragende bedrijven zich, sinds de referentiedatum, een nieuwe vergunning hebben gekregen, wordt de provinciale geurnorm niet meer overschreden. Bij de gemeenten kan de informatie over veehouderijen ten tijde van de referentiesituatie worden opgevraagd. Het door de gemeenten bijgehouden Kernregistratie dierenverblijven is daarbij een hulpmiddel. Met behulp van de referentiesituatie wordt de benodigde bijdrage aan de afname van de geurbelasting van elke veehouderij bepaald. Op deze manier, uitgaand van de vergunning situatie ten tijde van de referentiedatum, hoeft een veehouderij maar één keer zijn bijdrage aan de afname van de overbelasting te leveren.

Als een verhoogde achtergrondbelasting niet binnen afzienbare tijd wordt opgelost, is het wenselijk om dit knelpunt actief op te lossen.

Mogelijke werkwijzen

Hieronder zijn mogelijke werkwijzen (Optie A en B) beschreven om te onderzoeken of wordt voldaan aan de regeling. Er zijn ook andere werkwijzen zijn denkbaar en toelaatbaar. Gemeenten zijn bevoegd gezag en bepalen zelf welke benadering zij kiezen.

  • a.

    Optie A: Gemeente brede- of gebiedsgerichte benadering

    Gemeenten voldoen aan de vereisten van de regeling als aangetoond wordt dat de eigen geurnormen voorkomen dat nieuwe overschrijdingen van de provinciale gebiedsnorm optreden én dat alle bestaande overschrijdingen worden weggenomen. Een nadere toetsing op geur is dan overbodig.

  • b.

    Optie B: Individuele benadering

    Bij de individuele benadering wordt door de aanvrager in eerste instantie onderzocht of en waar sprake is van overschrijding(en) van de provinciale gebiedsnormen (binnen en buiten de bebouwingscontour geur, zoals vastgelegd in het Omgevingsplan). Vervolgens wordt nagegaan of de bijdrage van de veehouderij substantieel is op deze overschrijding(en). Als de bijdrage van de veehouderij substantieel is dan wordt tot slot onderzocht welke verlaging nodig is om de bijdrage van de veehouderij aan de overschrijding(en) proportioneel te laten afnemen.

Meerlaags bouwen

Er zijn voorts regels opgenomen gericht op het tegen gaan van etage stallen en meerlaags bouwen. Deze bepaling vindt haar grondslag in het megastallen debat uit 2010. Dit artikel bevat een gebruiksbepaling dat dieren alleen op de grond gehouden mogen worden. Dit betekent dat het niet is toegestaan een verdieping van een gebouw te gebruiken voor het houden van dieren of hokken bovenop elkaar te stapelen. Doordat het houden van dieren is gekoppeld aan 'het houden op de grond', geldt dat er niet meer dieren gehouden mogen worden dan de vigerende regelgeving, waaronder het Besluit houders van dieren, toelaat gebaseerd op de grondoppervlakte waar de dieren worden gehouden.

Het is niet de bedoeling dat deze gebruiksbepaling het oprichten van voorzieningen ten behoeve van dierenwelzijn beperkt. Daarom is expliciet opgenomen dat dergelijke voorzieningen uiteraard opgericht kunnen worden. Het is niet mogelijk om deze voorzieningen vervolgens in te brengen om meer dieren te gaan houden omdat dat strijdig is met de gebruiksbepaling. Met andere woorden: het is mogelijk om dieren meer ruimte te bieden dan in de wet- en regelgeving is voorgeschreven door het aanbrengen van voorzieningen -zoals een plateau- maar het is niet mogelijk deze voorzieningen vervolgens mee te tellen als oppervlakte om meer dieren te houden.

Inpassing in de omgeving

Voor de inpassing van het bedrijf in de omgeving zijn voorwaarden gesteld aan de omvang van de veehouderij, een goede landschappelijke inpassing en wordt specifiek aandacht gevraagd voor een goede omgevingskwaliteit met een veilige en gezonde leefomgeving.

Omgevings dialoog

Nu het houden van een omgevingsdialoog rechtstreeks voortvloeit uit de wet is de voorwaarde van een zorgvuldige dialoog vervallen.

Mestbewerking

Op een bouwperceel voor een veehouderij is mestbewerking mogelijk van ter plaatse geproduceerde mest. De bewerking van ter plaatse geproduceerde mest maakt deel uit van de agrarische bedrijfsvoering. Om hierover geen misverstand te laten bestaan, is dit expliciet in de regels opgenomen. Het beleid gaat er vanuit dat mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest (mestbewerking voor derden) plaatsvindt op een daarvoor geschikt middelzwaar tot zwaar bedrijventerrein. Deze liggen in het algemeen bij de middelgrote en grotere gemeenten in Brabant. Op het perceel van veehouderijen is de mestbewerking van elders geproduceerde mest in beginsel niet mogelijk. Hierop zijn twee uitzonderingen:

  • a.

    voor de mestvergisting van samenwerkende melkrundveehouders tot een maximale capaciteit van 25.000 ton/jaar (derde lid): omdat het restproduct na vergisting vaak weer wordt uitgereden op het land, is het niet logisch om de mest eerst naar een bedrijventerrein te vervoeren en vervolgens weer terug naar het landelijk gebied. In de gevallen waarbij er een verdere bewerking van de mest plaatsvindt, moet worden voldaan aan het vereiste dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water teneinde vrachtbewegingen te beperken. Loosbaar water is water dat -binnen de daarvoor geldende normen en met de daarvoor benodigde vergunningen- kan worden geloosd op het oppervlaktewater. Uiteraard moet de ontwikkeling inpasbaar zijn in de omgeving.

  • b.

    als nevenfunctie op een veehouderij gevestigd in gemengd landelijk gebied: als op een bouwperceel een hoofdfunctie ontwikkeld kan worden, is die functie ook als nevenfunctie mogelijk. Artikel 5.75 Mestbewerking maakt onder voorwaarden de vestiging van een niet-agrarisch bedrijf voor mestbewerking mogelijk. De voorwaarden betreffen onder andere dat de mest met pijpleidingen wordt aangevoerd, dat ten minste 50% van het volume van de mest wordt omgezet in loosbaar water en dat de ontwikkeling inpasbaar moet zijn in de omgeving. Deze uitzondering geldt niet voor veehouderijen gevestigd binnen de locaties Groenblauwe waarden of Beperkingen Veehouderij.

In beide situaties geldt, om effecten naar de omgeving te beperken, een voorwaarde dat de op-, overslag en bewerking van producten niet in de buitenlucht mag plaatsvinden.

GGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.65 Afwijkende regels Beperkingen veehouderij

Als een veehouderij binnen Beperkingen veehouderij ligt, gelden er afwijkende regels. Voor de begrenzing van deze gebieden is aangesloten bij de grenzen van het extensiveringsgebied die op grond van de Reconstructiewet waren vastgesteld. Binnen extensiveringsgebied gold vanuit de wet dat geen uitbreiding van veehouderijen was toegestaan. In deze gebieden gelden sinds 1 oktober 2010 (vergaande) beperkingen voor intensieve veehouderijen, ook wel bekend als het 'slot op de muur'. Voor zover een veehouderij een bestaand gebouw binnen een bouwperceel wil gaan gebruiken voor het houden van dieren, moet voldaan worden aan Artikel 5.64 en Artikel 5.66.

Binnen beperkingen veehouderij geldt evenals voor veehouderijen in Stedelijk gebied een zogenaamd 'slot op de muur'. Dit betekent dat er geen toename kan plaatsvinden van de oppervlakte van bestaande bouwwerken. De term bouwwerk omvat zowel gebouwen als bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Derhalve wordt ook de ontwikkeling van een uitloop bij een dierenverblijf geraakt. Uitbreiding van de oppervlakte van bouwwerken is ook niet toegestaan voor het ontwikkelen van nevenfuncties of een agrarische neventak bij een gemengd bedrijf. Het vierde lid bepaalt dat er een uitzondering geldt voor bijvoorbeeld het realiseren van een luchtwasser voor zover dit vanwege een wettelijk voorschrift vereist is en dit feitelijk niet mogelijk is door het saneren van een aanwezig bouwwerk of door de voorziening inpandig te realiseren. Met 'feitelijk' wordt aangegeven dat de omstandigheid dat een inhoudelijke plaatsing ten koste kan gaan van dierplaatsen niet als doorslaggevend argument wordt beschouwd.

Om de werking van de eerder in de verordening opgenomen rechtstreeks werkende regels voort te zetten, zijn voorbeschermingsregels vastgesteld die in het tijdelijke regelingendeel van het gemeentelijke omgevingsplan zijn geplaatst. Als een omgevingsplan is vastgesteld conform de opgenomen instructieregels, vervallen de voorbeschermingsregels van rechtswege.

De regels binnen Beperkingen veehouderij gelden in tegenstelling tot de extensiveringsgebieden voor alle veehouderijen. Ook bij de melkrundveehouderij, die van oudsher als extensief werd aangemerkt, is er een tendens naar toenemende intensivering. Binnen het gebied wordt een uitzondering gemaakt voor extensieve veehouderijen; de voorwaarden die hieraan worden gesteld zijn voor alle veehouderijen gelijk. Het gaat hierbij in beginsel om melkrundveehouderijen met weidegang. Vanuit extensiveringsdoelen past een dergelijk bedrijf vaak goed in zones rondom natuurgebieden. Als de veehouderij is gevestigd in een zone rondom een woonkern, verwacht de provincie dat gemeenten een belangrijk gewicht toekennen aan de borging van een goed woon- en leefklimaat en de hierboven geschetste saneringsdoelstelling.

De invulling van wanneer er sprake is van een extensieve veehouderij is opgenomen in het derde lid. In Artikel 5.67 is een toelichting opgenomen hoe de GVE/hectare berekend wordt. Als een veehouderij voldoet aan de voorwaarde van 2,75 GVE/hectare zijn de overige regels voor de ontwikkeling van een veehouderij uiteraard gewoon van toepassing.

HHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen

Binnen Stalderingsgebied gelden extra voorwaarden voor de ontwikkeling van veehouderijen gericht op het voorkomen van een verdere regionale concentratie van vee en het tegengaan van (verdere) leegstand. De toename van de oppervlakte dierenverblijf binnen een bouwperceel is alleen mogelijk als er elders dierenverblijven verdwijnen; het zogenaamde stalderen. Er zijn twee belangrijke overwegingen om tot staldering over te gaan. Dit zijn:

  • Tegengaan van verdere regionale concentratie: De veehouderij, het sterkst de varkenshouderij, heeft zich de afgelopen jaren geconcentreerd in delen van Oost- en Midden-Brabant. Hierdoor is, ondanks de afgenomen emissies en overlast per dier, de druk op mens en natuur in deze delen van Brabant onvoldoende afgenomen. Om een verdere concentratie van de veehouderij tegen te gaan, is het nodig om op regionale schaal de omvang van de veestapel te begrenzen, zodat de inspanningen om te komen tot de gewenste transitie naar zorgvuldige veehouderij effectiever zijn. Het is in het belang van de veehouderij en van andere economische sectoren dat de impact op de omgeving van de veehouderij snel en effectief verlaagd wordt. Dan kan de maatschappelijke waardering terugkeren en ontstaat er fysieke en sociale ruimte voor ontwikkeling van bedrijven. Om dit proces te versnellen, is het wenselijk om meer dierenverblijven op te heffen dan er bij komen.

  • Tegengaan van leegstand: Uit het onderzoek 'Leegstand agrarisch vastgoed Noord-Brabant' (Alterra, maart 2016) blijkt dat de problematiek van leegstand zich de komende jaren vooral manifesteert in het oosten en zuiden van Brabant waar veel veehouderijen aanwezig zijn. Kansen en mogelijkheden voor hergebruik zijn daarbij beperkt. Het voorkomen en opheffen van leegstand is daarom belangrijk. Zowel uit oogpunt van landschappelijke kwaliteit als vanuit veiligheid (criminaliteit). Net als in andere economische sectoren is de sector daarvoor in eerste instantie zelf verantwoordelijk. Gelet op de omvang van de opgave, vinden wij het echter gewenst om het tegengaan van leegstand te ondersteunen. Vanuit zorgvuldig ruimtegebruik is het niet wenselijk om de bouw van nieuw agrarisch vastgoed onverminderd door te laten gaan. Aan de andere kant is agrarisch hergebruik van de vrijkomende opstallen vaak niet wenselijk omdat het oudere stalsystemenhuisvestingssystemen betreft of omdat de opstallen op minder gunstige locaties liggen. Daarom omhelst het voorstel dat niet meer functioneel vastgoed wordt gesaneerd. Met stalderen leggen wij in eerste instantie een koppeling tussen het oprichten van dierverblijven op de ene plek en de sloop op een andere plek. Dit vermindert toekomstige leegstand omdat het daarbij om dierverblijven gaat die nu nog in gebruik zijn.

De urgentie ligt vooral in Oost en Midden-Brabant. Staldering beperkt zich dan ook tot deze delen van de provincie, de gemeenten die onderdeel uitmaken van het Concentratiegebied Zuid uit de meststoffenwet, aangepast aan de actuele gemeentelijke grenzen.

Om de werking van de eerder in de verordening opgenomen rechtstreeks werkende regels voort te zetten, zijn voorbeschermingsregels vastgesteld die in het tijdelijke regelingdeel van het gemeentelijke omgevingsplan zijn geplaatst. Als een omgevingsplan is vastgesteld conform de opgenomen instructieregels, vervallen de voorbeschermingsregels van rechtswege. 

Er worden op regionale schaal zes Stalderingsgebieden onderscheiden. Hierbij is bewust gekozen voor sturing op regionale schaal. Sturing op gemeentelijke schaal betekent feitelijk dat er voor ondernemers weinig of soms zelfs geen ontwikkelingsruimte meer aanwezig is. Dat is niet wenselijk. Ontwikkelingsmogelijkheden op individuele bedrijven zijn nodig om de transitie naar zorgvuldige veehouderij te ondersteunen. Dit neemt niet weg dat op lokale schaal gebieden aangewezen kunnen worden waar een gemeente geen ontwikkelingsmogelijkheden wil bieden.

Dierenverblijf

Stalderen is vereist bij een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren op een bouwperceel. Er moet dan elders een oppervlakte dierenverblijf gesaneerd worden. Deze sanering is mogelijk doordat er elders een dierenverblijf wordt gesloopt of doordat het gebruik als dierenverblijf planologisch wordt verboden door herbestemming. Er gelden verschillende normen voor sloop en hergebruik.

Bij sloop geldt dat er tenminste 120% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen, moet zijn gesloopt.

Bij herbestemming moet er ten minste 200% van de oppervlakte die wordt opgericht of in gebruik wordt genomen, planologisch zijn herbestemd. Voor herbestemming is een hoger percentage vastgesteld omdat er geen kosten voor sloop gemaakt worden en de herbestemming een bepaalde waarde vertegenwoordigd.

Er is gekozen voor een differentiatie in de inbreng van stalderingsmeters bij stalderen omdat bij hergebruik de ondernemer geen sloopkosten hoeft te maken.

Onder sloop wordt verstaan het afbreken van de agrarische bedrijfsgebouwen, het afvoeren van puin en afval, het inventariseren en selectief verwijderen van asbesthoudende materialen, het verwijderen van putten en fundering en egalisering van het perceel. De sloop mag uitsluitend worden uitgevoerd als aan de daarvoor geldende regels is voldaan (veelal melding waaraan eventueel voorwaarden zijn verbonden).

De definitie van dierenverblijf is opgenomen in de begripsbepalingen. Essentie is dat er alleen sprake is van een dierenverblijf als het een gebouw is waarvoor een publiekrechtelijke toestemming is verleend voor het houden van dieren. Vanuit het streven naar een zo eenvoudig mogelijke en eenduidige regeling, is het niet gewenst om onderscheid te maken binnen een gebouw tussen delen waar wel en waar geen dieren worden gehouden. Daarom is in het tweede lid opgenomen dat het gaat om de oppervlakte van het gehele gebouw waarbinnen dieren gehouden mogen worden, dus inclusief de inpandige voorzieningen, zoals brijkeuken, ventilatiekanaal, opslagruimte, luchtwassers en dergelijke.

Hokdieren

De stalderingseis wordt in de regels alleen gesteld aan hokdierhouderijen. Dat is:

een veehouderij met uitzondering van nertsenhouderij, melkrundveehouderij en schapenhouderij. 

Onder melkrundveehouderij verstaan wij de volgende diercategorieën uit de Omgevingsregeling, met tussen haakjes de bijbehorende code:

  • melk- en kalfkoeien ouder dan 2 jaar (HA1)

  • vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (HA2)

  • dieren die worden gehouden uitsluitend of in hoofdzaak voor natuurbeheer

Melkveehouderijen zijn vooralsnog uitgezonderd omdat er momenteel landelijk een aantal maatregelen worden getroffen (Wet grondgebonden groei melkveehouderij, fosfaatrechten) die de intensiteit en omvang van deze sector sturen. Wij monitoren de ontwikkelingen in deze sector. Als blijkt dat de concentratie in deze gebieden ondanks de nationale maatregelen blijft toenemen, dan kan ook voor deze sector staldering worden ingesteld.

In de praktijk komt het steeds vaker voor dat er gespecialiseerde bedrijven ontstaan voor de opfok van jongvee. Voor jongvee ten behoeve van de melkrundveehouderij geldt dat ook zij gereguleerd worden door fosfaatrechten en het Stelsel verantwoorde groei melkveehouderij. Dat betekent dat er in geval van gespecialiseerde opfok van jongvee voor de melkrundveehouderij geen toepassing gegeven hoeft te worden aan staldering. Of daarvan sprake is blijkt uit de melding of omgevingsvergunning die de ondernemer nodig heeft. De ondernemer moet  blijvend beschikken over fosfaatrechten voor het houden van jongvee (het betreft categorieën 100, 101 en 102 in de meststoffenwet zonder vrijstelling als vleesveehouder).

In het niet ondenkbare geval dat een ondernemer na verloop van tijd ook andere dieren wil gaan houden dan alleen jongvee voor de melkveehouderij en als dat omschakeling betekent naar een hokdierbedrijf, geldt de stalderingseis echter onverkort. Als een ondernemer andere dieren wil houden moet hij daarvan melding doen of aanvraag omgevingsvergunning. Op het moment dat een bedrijf melding doet of een vergunning aanvraagt voor een andere diercategorie (die wel onder hokdieren valt zoals zoogkoeien of mestkalveren), dan is er bezien vanuit de verordening sprake van een toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren door gebruiksverandering van een bestaande opstal en zijn de rechtstreeks werkende regels uit de verordening van toepassing.

Nertsen mogen niet meer gehouden worden in Nederland. Zij zijn nog wel in de begripsbepaling van hokdieren uitgezonderd. 

Bestaand dierenverblijf

Staldering betekent dat een ondernemer die een dierenverblijf wil oprichten of die een bestaand gebouw als dierenverblijf in gebruik wil nemen, bewijs moet overleggen dat er elders bestaand dierenverblijf is gesaneerd door sloop of herbestemming. De regeling geldt in alle gevallen waarbij de oppervlakte dierenverblijf van de hokdierhouderij toeneemt, dus ook als een bestaande stal wordt vergroot qua oppervlakte of met een aanbouw.

Bij herbestemming geldt dat feitelijk en juridisch geborgd moet zijn dat er geen dieren meer gehouden kunnen worden in het gebouw. Dit betekent derhalve dat er geen veehouderij functie of activiteit meer is toegelaten op de locatie en in de gebouwen. Dit vergt dat de wijziging van het omgevingsplan doorlopen moet zijn waarin dit geborgd is. Het is niet voldoende dat een procedure tot herziening is gestart of dat is toegezegd dat de procedure doorlopen wordt.

In geval van sloop geldt dat het dierenverblijf daadwerkelijk gesloopt moet zijn. Het is niet voldoende als er een verklaring wordt afgegeven dat op termijn gesloopt wordt.

Voor de staldering kunnen alleen bestaande dierenverblijven worden ingezet. Als ook al reeds langer leegstaande stallen ingezet kunnen worden, blijft immers groei van de veestapel binnen een gebied mogelijk. Gedeputeerde Staten hebben in een beleidsregel uitgewerkt wat onder bestaand dierenverblijf valt. Die beleidsregel hanteren zij bij de uitgifte van het bewijs dat aan de stalderingsvoorwaarden is voldaan. Het moet gaan om dierenverblijven die ten minste drie jaar legaal en onafgebroken bedrijfsmatig zijn gebruikt voor het houden van hokdieren in een periode van vijf jaar voorafgaand aan de uitgifte van het stalderingsbewijs door Gedeputeerde Staten. Dit betekent niet dat er gedurende de drie jaar onafgebroken dieren zijn gehouden. Binnen normale bedrijfscycli komt het voor dat er perioden zijn dat er geen dieren op een bedrijf aanwezig zijn of dat er vanwege renovatie tijdelijk een periode geen dieren aanwezig waren. Voor het te stalderen dierenverblijf mag voorts geen sloopverplichting bestaan vanuit een subsidieregeling, waaraan het bedrijf heeft meegedaan.

Uitvoering stalderen

De uitvoering van staldering wordt ondersteund met:

  • een stalderingsloket: Gedeputeerde Staten stellen een stalderingsloket in. Dit loket geeft namens Gedeputeerde Staten het stalderingsbewijs uit. Voor de uitvoering van de regeling hebben Gedeputeerde Staten een beleidsregel vastgesteld. Het loket controleert en ziet toe op een correcte uitvoering van staldering. Op deze manier wordt de uitvoering voor de gemeenten aanzienlijk vereenvoudigd.

  • een registratiesysteem: Staldering vergt een goede administratie. Een dierenverblijf kan uiteraard maar 1 keer ingezet worden. Het stalderingsloket verzorgt deze registratie.

  • een investeringsfonds en ondersteuningsnetwerk transitie veehouderij: de provincie wil de transitie in de veehouderij via een breed, samenhangend pakket versnellen. Het stellen van regels voor staldering maakt daar deel vanuit. Het is daarbij gewenst de extra lasten die deze aanpassingen met zich meebrengen voor de veehouderijsector behapbaar te houden, zodat daadwerkelijk de dynamiek ontstaat die nodig is om tot de gewenste transitie te komen. Om die reden is een investeringsfonds ingesteld, dat samen met partijen uit de veehouderijsector via financiële arrangementen, veehouders ondersteunt. In samenhang daarmee is een ondersteuningsnetwerk ingericht dat stoppende veehouders -samen met andere partijen uit de sector en gemeenten- helpt bij onder andere sloop, asbestsanering, herbestemming van de locatie en het vinden van nieuwe economische functies.

  • een beleidsregel waarin Gedeputeerde Staten de werkwijze voor de afgifte van een stalderingsbewijs hebben vastgelegd.

III

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.74 Agrarisch-technisch hulpbedrijf of agrarisch-verwant bedrijf

Het is mogelijk een nieuw agrarisch technisch hulpbedrijf of agrarisch verwant bedrijf te vestigen op een bestaand bouwperceel in Landelijk gebied zonder waarden, of een redelijke uitbreiding te bieden aan een bestaand bedrijf.

Omdat dit soort bedrijven, met uitzondering van de paardenhouderij, vaak een intensief karakter hebben, is een ontwikkeling minder passend in gebieden met waarden, zoals opgenomen in Paragraaf 5.2.6 Aardkundige, cultuurhistorische en groenblauwe waarden. Voor bestaande bedrijven die gevestigd zijn in die gebieden is in het derde lid een specifiek maatwerk artikel opgenomen. Omdat deze maatwerkregeling, het behoud, herstel en bescherming van deze waarden raakt, is het nodig om een deskundige van de provincie hierbij te betrekken. Het is belangrijk te benadrukken dat het een maatwerk artikel betreft. Dat betekent dat ontwikkelingsmogelijkheden van een bestaand bedrijf afhankelijk zijn van de effecten op deze omliggende waarden, alsmede de inpassing binnen de ontwikkelingsrichting van de gemeente. Maatwerk kan ook als uitkomst hebben dat geen ontwikkeling mogelijk is.

Als er sprake is van een kleinschalige ontwikkeling die past in een gemengde omgeving en het karakter daarvan is ook geborgd, is de vestiging ook mogelijk binnen de kaders van Artikel 5.78 Niet-agrarische activiteit.

JJJ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.75 Mestbewerking

Voor de begrippen mestbehandeling en mestbewerking wordt aangesloten bij de regeling zoals opgenomen in artikelen 3.25 en 3.90 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dat betekent dat er sprake is van mestbehandeling in gevallen waarbij mest behandeld wordt tot een maximum van 25.000 m3 op jaarbasis. Meestal met een eenvoudige techniek, zoals aanrijking met stro, rijpen, composteren, drogen, vergisten of verbranden. Er is sprake van mestbewerking als de samenstelling van mest verandert met een capaciteit boven 25.000 m3 op jaarbasis De toegepaste techniek is daarbij niet relevant, het kan daarbij zowel gaan om eenvoudige technieken, vergisting als industriële mestbewerking.

Uitgangspunt van het provinciaal beleid is dat mestbewerking een industriële activiteit betreft die in beginsel gevestigd moet worden op een daarvoor geschikt bedrijventerrein. Onder stringente voorwaarden is de ontwikkeling van deze niet-agrarische functie mogelijk op een bestaand bouwperceel in Landelijk gebied. Dat kan als nevenfunctie op het bouwperceel van een agrarisch (technisch hulp)bedrijf maar ook als zelfstandige functie op een andere daarvoor geschikte locatie. Dit artikel bevat daarvoor voorwaarden.

In deze verordening wordt aangesloten bij de terminologie van de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Ook vormen van (co)vergisting van mest worden met de regeling in deze verordening gereguleerd. Mestopslag valt niet onder de werking van dit artikel.

In de nationale regelgeving wordt ook gesproken over mestverwerking. Mestverwerking betreft het afzetten van mest buiten de daarvoor beschikbare landbouwgrond. Hierbij is de term mestverwerking gericht op een beleidsmatige doelstelling en niet op de activiteit zelf. Om aan het doel voor mestverwerken te voldoen, is het nodig dat de mest wordt bewerkt. De verordening bevat daarvoor de voorwaarden.

Dit artikel gaat altijd over mestbewerking van niet ter plaatse geproduceerde mest (ook wel mest van derden of elders geproduceerde mest genoemd). De bewerking van ter plaatse van de gevestigde veehouderij geproduceerde mest (ook wel eigen mest genoemd) maakt deel uit van de agrarische bedrijfsvoering en is mogelijk binnen het voor de veehouderij toegestane bouwperceel. Dit sluit aan op het beleidsuitgangspunt dat het wenselijk is dat mest zo spoedig mogelijk een bewerking ondergaat zodat het in een stabiele vorm kan worden opgeslagen of aangewend, zodat de emissies en (gezondheids)risico's minder worden en het stalklimaat verbetert. Om iedere twijfel over de toepassing van dit artikel uit te sluiten is het derde lid opgenomen.

Mestbewerking op een grotere schaal is een industriële activiteit die, net zoals bijvoorbeeld de productie van veevoer of melkproducten, in beginsel thuishoort op een geschikt bedrijventerrein. Voor de ontwikkeling van mestbewerking op bedrijventerreinen bevat deze verordening geen specifieke regels. Mestbewerking is een vorm van afvalverwerking dat als reguliere activiteit op een bedrijventerrein ontwikkeld kan worden.

In Landelijk gebied is een uitzondering mogelijk als:

  • de mest met behulp van pijpleidingen wordt aangevoerd,

  • na bewerking tenminste 50 % van het volume van de mest is omgezet in loosbaar water, en

  • het perceel buiten een locatie Beperkingen veehouderij of Groenblauwe waarden ligt.

Hiervoor is gekozen om zo de transportbewegingen van en naar de mestbewerkingslocatie zoveel mogelijk te beperken. Met loosbaar water doelen wij op water dat -binnen de daarvoor geldende normen en met de daarvoor benodigde vergunningen- kan worden geloosd op het oppervlaktewater. Belangrijke randvoorwaarden zijn verder dat de mestbewerking geen overlast veroorzaakt naar de omgeving. Om effecten naar de omgeving te beperken is tevens als voorwaarde opgenomen dat de op-, overslag en bewerking van producten niet in de buitenlucht mag plaatsvinden.

Om de werking van de eerder in de verordening opgenomen rechtstreeks werkende regels voort te zetten, zijn voorbeschermingsregels vastgesteld die in het tijdelijke regelingdeel van het gemeentelijke omgevingsplan zijn geplaatst. Als een omgevingsplan is vastgesteld conform de opgenomen instructieregels, vervallen de voorbeschermingsregels van rechtswege.

KKK

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.76 Sanerings- en verplaatsingslocatie agrarisch bedrijf

Het gaat in deze regeling om gevallen waar subsidie is verleend voor de sanering van een bedrijf en waarbij de insteek is dat het omgevingsplan borgt dat die functie of activiteit niet meer op het perceel mogelijk is. Regelingen waarbij dit speelt zijn:

  • a.

    Regeling Beëindiging Veehouderijtakken (RBV)

  • b.

    Subsidieregeling Beëindiging Intensieve Veehouderijen (BIV)

  • c.

    Subsidieregeling sanering glastuinbouwbedrijven in kwetsbare gebieden (GTB)

  • d.

    Verplaatsingsregeling Intensieve Veehouderij (VIV)

  • e.

    Subsidieregeling urgentiegebieden Noord-Brabant 2016 (SUN)

  • f.

    Subsidieregeling sanering varkenshouderijen (Srv)

  • g.

    Maatregel Gerichte Aankoop (MGA)

  • h.

    Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Lbv)

  • i.

    Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties-plus (Lbv-plus)

  • j.

    Landelijke beëindigingsregeling veehouderijlocaties, kleine sectoren (Lbv kleinere sectoren)

  • k.

    Maatregel Gebiedsgerichte Beëindiging (MGB)

  • l.

    Landelijke verplaatsingsregeling veehouderijen met piekbelasting (LVVP)

Bij het verlenen van subsidie is in deze regelingen de voorwaarde opgenomen dat op de locatie een passende functie wordt gelegd die voorkomt dat de gesaneerde functie terugkomt.

De regelingen zijn gebaseerd op het -met overheidsgeld- aankopen en saneren van bebouwing. Vanuit die optiek is het niet gewenst dat er zo maar weer nieuwe bebouwing wordt opgericht. Daarom gaat de basisregeling ervan uit dat het bouwperceel wordt verkleind tot een bij de hergebruiksfunctie of gebruiksactiviteit passende omvang waarbij in beginsel de plek waar bebouwing is gesaneerd buiten het bouwperceel wordt gelegd.

Als het vanwege de ontwikkeling van de nieuwe gebruiksfunctie gewenst is dat er nieuwe bebouwing wordt opgericht, is dat mogelijk onder toepassing van de reguliere kaders die voor ontwikkelingen in deze verordening zijn opgenomen, waaronder ook de regeling Kwaliteitsverbetering landschap. Om de werking van de eerder in de verordening opgenomen rechtstreeks werkende regels voort te zetten, zijn voorbeschermingsregels vastgesteld die in het tijdelijke regelingdeel van het gemeentelijke omgevingsplan zijn geplaatst.

Nadat een omgevingsplan is vastgesteld conform de opgenomen instructieregels, vervallen de voorbeschermingsregels van rechtswege. De locaties waar de regelingen zijn toegepast, zijn met behulp van de basisadministratie adressen en gebouwen (BAG) op kaart gezet. In die gevallen waarbij het adres inmiddels niet meer bestaat, is de locatie zo nauwkeurig mogelijk bepaald. Die locaties zijn als stip, met een doorsnede van 50 meter op de kaart gezet.

Voor een aantal nieuwe regelingen (hierboven opgenomen onder f t/m l h, i en j) worden de locaties binnen het werkingsgebied opgenomen via een wijzigingsprocedure nadat gemeenten daartoe een verzoek hebben ingediend. Gekoppeld aan die wijziging bestaat tevens het voornemen om voor die locaties een voorbereidingsbesluit te nemen gericht op het omgevingsplan, met specifiek op die regelingen toegespitste voorbeschermingsregels. Deze nieuwe beëindigingsregelingen zijn in een apart tweede lid opgenomen. Dit is nodig omdat voor deze regelingen een exacte begrenzing van de deelnemende locaties in deze verordening is opgenomen. Dat hangt samen met de eisen vanuit de landelijke regeling.

LLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.4 Doorwerking omgevingswaarde waterveiligheid

Eerste lid

Voor waterschappen Aa en Maas en De Dommel geldt dat is afgesproken dat die al aan de veiligheidsnorm voldoen voordat deze omgevingsverordening inwerking treedt. Voor waterschap Rivierenland geldt dat die in de eerste toetsingsronde geen regionale keringen te toetsen had.

Tweede lid

Er is met de waterschappen gesproken over bepaling van een termijn wanneer aan de omgevingswaarde voldaan moet zijn voor de waterkeringen die zijn getoetst in voor de tweede toetsingsronde. Gezien de omvang van de opgave is 2030 een redelijke termijn.

Waterschap De Dommel had een beperkte verbeteringsopgave en heeft hier al aan voldaan. Voor waterschap Rivierenland geldt dat voor de kering langs de Afgedamde Maas, na het eerste veiligheidsoordeel dat uiterlijk 31 december 2024 moet worden aangeleverd, nog een datum wordt vastgesteld wanneer deze aan de omgevingswaarde moet voldoen.

Derde lid

Voor waterschap Rivierenland geldt dat voor de kering langs de Afgedamde Maas, na het volledige veiligheidsoordeel dat uiterlijk 31 december 2028 moet worden aangeleverd, nog een datum wordt vastgesteld wanneer deze aan de omgevingswaarde moet voldoen.

MMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 6.20 Gegevens en bescheiden vergunningvrije wateronttrekkingsactiviteit

Deze Het eerste lid van deze bepaling is opgenomen met het oog op het volledig ‘KRW-proof’ zijn van de omgevingsverordening.

De provincie verwacht dat de kleine, niet-vergunningplichtige grondwateronttrekkingen in geringe mate verontreinigingspluimen kunnen beïnvloeden en dat daarmee het effect op het watersysteem – en daarmee het voldoen aan KRW-doelen - beperkt blijft. De regels zoals opgenomen in de bruidsschat van de waterschapsverordening volstaan hiervoor. Het gaat hier om de wateronttrekkingsactiviteit gericht op het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening en de wateronttrekkingsactiviteit gericht op het in de bodem brengen van water, ter aanvulling van het grondwater, in samenhang met het onttrekken van grondwater door een daarvoor bedoelde voorziening.

De provincie vindt het wél van belang dat deze bruidsschatregels blijven voortbestaan. Dit met oog op bewustwording van de rol van het waterschap in het beoordelen van het effect van een onttrekking op de grondwaterkwaliteit met een mogelijke indirecte beïnvloeding van de verontreinigingspluim en milieu hygiënische effecten rondom een Gesloten stortplaats of voormalige stortplaats. Ook kunnen kleine, niet-vergunningplichtige grondwateronttrekkingen wel effect hebben op bestaande beheersingen/saneringen.

In de bruidsschat wordt een melding (de overlegging van gegevens en bescheiden) vereist voor niet-vergunningplichtige grondwateronttrekkingen. Hierbij dient de onttrekker aan te geven hoe mogelijke negatieve gevolgen worden voorkomen of beperkt. Bij eventuele cumulatieve effecten van onttrekkingen, kan het waterschap altijd een maatwerkvoorschrift opnemen.

De verordening bevat overigens géén instructieregels voor vergunningplichtige grondwateronttrekkingen die een verontreinigingspluim verminderen of verplaatsen. De beoordelingsregels voor wateractiviteiten waarvoor op grond van de waterschapsverordening een omgevingsvergunning vereist is en welke opgenomen zijn in de bruidsschat van de waterschapsverordening bieden, met de aanvulling zoals in deze omgevingsverordening opgenomen in Artikel 6.18 Beoordelingsregel omgevingsvergunning wateractiviteit voldoende bescherming voor het grondwater. Waterschappen houden hierdoor al voldoende rekening met het bodem- en watersysteem.

Het tweede tot en met vierde lid zijn opgenomen om een beter inzicht in de omvang van de grondwateronttrekkingen die onder bevoegdheid van de waterschappen vallen te krijgen. Deze informatie kan worden gebruikt voor beleidsvorming en voor het opleggen van grondwaterheffing.

De instructieregels hebben betrekking op:

  • a.

    een informatieverplichting voor het doorleveren van gegevens (de instructieregel creëert daarmee een wettelijke grondslag als bedoeld in de AVG); en 

  • b.

    het vastleggen van de meld-, meet- en registratieverplichting. Deze verplichting is ook opgenomen in de bruidsschat van de waterschapsverordening en de waterschappen hebben dergelijke bepalingen momenteel ook al in hun waterschapsverordening opgenomen. Door opname in de omgevingsverordening is geborgd dat dit ook in de toekomst zo blijft. De instructieregels bevatten de minimale vereisten, het staat de waterschappen vrij verdergaande eisen op te nemen in hun regels.

NNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.4 Overgangsrecht gesloten bodemenergiesysteem

Het overgangsrecht in artikel 10.4 voor de dieptebeperking voor gesloten bodemenergiesystemen is opgenomen om te voorkomen dat er onevenredige vertraging of kostenverhoging optreedt bij bouwprojecten (nieuwbouw of renovatie) die al in een vergevorderd stadium waren op het moment van besluitvorming over de Omgevingsverordening. Deze projecten kunnen niet zonder consequenties omschakelen naar een andere manier van duurzame warmtevoorziening. Het overgangsrecht houdt in dat de dieptebeperking voor gesloten bodemenergiesystemen in artikel 3.13 niet geldt tot 1 juli 2024.

De projecten waarvoor het overgangsrecht geldt, zijn op de kaart begrensd door deze op te nemen als locatie Overgangsrecht gesloten bodemenergiesysteem. Daarnaast is hieronder een projectenlijst opgenomen.

De bouwprojecten zijn geselecteerd op grond van door GS vastgestelde criteria wanneer sprake is van onevenredige vertraging of kostenverhoging bij bouwprojecten. Alleen op bouwprojecten die aan alle criteria voldoen, is het overgangsrecht van toepassing. De criteria zijn:

  • het bouwproject gaat voor de warmtevoorziening uit van een gesloten bodemenergiesysteem;

  • de kleilaag ligt ter plaatse op een diepte van minder dan 150 meter min maaiveld;

  • het bouwproject is op 1 augustus 2022 in de fase van definitief ontwerp (of een fase die daarop volgt zoals de verkoop is gestart, bestek is gereed of de bouw is al begonnen);

  • de planning van het bouwproject is gericht op aanleg van het gesloten bodemenergiesysteem voor 1 juli 2024;

  • inpassing van een alternatief voor een gesloten bodemenergiesysteem leidt tot significante vertraging (> 3 maanden) dan wel afstel van het project of een alternatief is niet wenselijk.

Gemeenten zijn in de gelegenheid gesteld om tot 1 augustus 2022 bouwprojecten aan te melden die voldoen aan bovenstaande criteria. Na beoordeling zijn de bouwprojecten die aan de criteria voldoen op deze lijst geplaatst.

Voor nieuwe projecten en projecten waarvoor de plannen nog zijn aan te passen, gelden de nieuwe regels, en zijn gesloten bodemenergiesystemen alleen toegestaan boven de beschermende kleilaag, dus tot de ter plaatse van Maximum boordiepte de maximaal toegestane boordiepte.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Vervallen

OOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.8 Overgangsrecht gerealiseerde nieuwe stallenaanvragen technieken dierenverblijf

Dit artikel regelt de status van aanvragen om een Nbw-vergunning, bouwvergunning, milieuvergunning en meldingen in het kader van de Wm (melding op grond van artikel 8.19 Wm) uit het verleden, die in behandeling waren op 25 mei 2010, het moment van inwerkingtreding van de Verordening stikstof en Natrura2000. Voor bedrijven die in de maanden vóór de inwerkingtreding van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant bezig waren om een nieuwe stal te realiseren is destijds een overgangsregeling opgenomen. Deze bepaling is  gehandhaafd met als aanvulling dat als er inmiddels beschikt is op de aanvraag, deze beschikking leidend is.

In de tot 1 januari 2026 geldende omgevingsverordening was een andere regeling rondom de ammoniakemissie-eisen opgenomen. Op grond van die regeling konden veehouders die tijdig een aanvraag voor een omgevingsvergunning hadden ingediend een beroep doen op de normeringen die golden ten tijde van het indienen van hun aanvraag. Een tijdige aanvraag was daarbij gedefinieerd als uiterlijk ingediend 9 maanden voor de datum die in het toenmalige artikel 3.98 was opgenomen. Concreet betekende dit dat veehouders die hun vergunningaanvraag hebben ingediend voor 1 oktober 2023 dan wel voor 1 oktober 2025 bij melkrundvee- en kalverenhouderijen, dat de normen uit bijlage VI blijven gelden op het moment van indiening van de aanvraag. In het eerste lid is overgangsrecht opgenomen voor die gevallen en is tevens een uitzondering geregeld voor gevallen dat de normen in bijlage VI ten tijde van besluitvorming minder streng zijn.

De keuze die de veehouder maakt geldt voor de gehele hoofdcategorie.

Met de wijziging van de aanpak rondom ammoniakemissies geldt geen vergunningplicht meer, maar een meldplicht. Veehouders krijgen daarom de mogelijkheid om hun vergunningaanvraag om te zetten in een melding als bedoeld in artikel 3.98, derde lid. Ook in die gevallen is het overgangsrecht uit het eerste lid van overeenkomstige toepassing. In de nieuwe bijlage VI Maatregelen ammoniakreductie die vanaf 1 januari 2026 geldt, zijn vanwege dit overgangsrecht de normen die voor 1 juli 2024 ongewijzigd opgenomen.

PPP

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.9 Overgangsrecht huisvestingssysteem nieuwe stallen

QQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 10.12 Overgangsrecht omgevingsplan

Deze verordening kent geen overgangsrecht voor bestemmingsplannen die nog op grond van de Wet ruimtelijke ordening, voor de inwerkingtreding van deze verordening in procedure zijn gebracht. De wet kent daarvoor reeds overgangsrecht: voor die plannen blijft het recht gelden, dat gold ten tijde van de tervisielegging van het ontwerp bestemmingsplan.

Voor alle overige plannen geldt dat die onder de Omgevingswet en het regiem van deze omgevingsverordening moeten worden vastgesteld. Deze verordening bevat voor het overgrote deel geen zwaarder rechtsregiem voor omgevingsplannen dan de Interim omgevingsverordening die voorheen gold. Waar nieuwe regels in deze verordening zijn opgenomen, bieden die meer ruimte voor ontwikkeling of geldt dat wordt voorgesteld om voor dat onderwerp voorbeschermingsregels op te nemen in het tijdelijke regeldeel van het omgevingsplan (grondwaterverontreiniging).

Gelet op de bepalingen van de Omgevingswet waarin gemeenten tot 2029 de tijd krijgen om de bestaande plannen om te zetten naar het omgevingsplan, is er verder voor gekozen om geen wettelijke termijn op te nemen waarbinnen de instructieregels in het omgevingsplan verwerkt moeten zijn. De instructieregels hoeven pas verwerkt te worden bij het eerstvolgende besluit tot vaststelling wijziging van het omgevingsplan of bij eneeen gefaseerde totstandkoming de wijziging van het omgevingsplan voor een onderwerp waarop de instructieregels van toepassing zijn. Dit ontlast gemeenten bij de noodzakelijke aanpassingen die vanwege de Omgevingswet in gang gezet moeten worden.

In deze Omgevingsverordening zijn ten opzichte van de Interim omgevingsverordening enkele wijzigingen doorgevoerd. Indien nodig is voor plannen die voldoen aan de oude regeling in de Interim omgevingsverordening overgangsrecht opgenomen.

Overgangsrecht Ruimte voor ruimte

Voor individuele deelnemers aan de ruimte voor ruimteregeling is overgangsrecht opgenomen. De vanwege die regeling verrichte fysieke tegenprestatie in het versterken van omgevingskwaliteit (1000 m2 sloop van stallen en het inleveren van 3500 kg fosfaat) wordt geacht een voldoende fysieke tegenprestatie te zijn voor de toepassing van Artikel 5.14 Maatwerk met als doel omgevingskwaliteit. Het is wel nodig dat het leveren van die fysieke tegenprestatie kan worden aangetoond met informatie die door de provincie is verstrekt.

Overgangsrecht zonneparken

Vanwege een aanscherping van de zonneladder is overgangsrecht opgenomen voor plannen die op het moment van inwerkingtreding van de gewijzigde regeling in een vergevorderd stadium verkeren. Op initiatieven waarover is besloten voor 1 juli 2025 blijft het recht van toepassing zoals dat gold op 1 januari 2024. Vanwege de complexiteit van besluitvorming kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van het gemeentebestuur voor een concreet initiatief deze termijn met een half jaar verlengen als het naar hun oordeel voldoende is aangetoond dat besluitvorming voor 1 juli 2025 niet mogelijk was. Het gaat dan bijvoorbeeld om plannen die aantoonbaar al in een vergevorderd stadium waren op het moment dat de ontwerp TAM-Omgevingsverordening - regelwijziging 1 in procedure is gebracht (31 mei 2024) maar waarover besluitvorming voor 1 juli 2025 niet mogelijk is omdat een onderzoek onverhoopt langere tijd in beslag neemt. Het gaat nadrukkelijk niet om plannen die pas in een laat stadium zijn ontwikkeld en daardoor niet aan de gestelde termijn kunnen voldoen.

Overgangsbepaling stalderen

Voor situaties waar in het verleden reeds sloop heeft plaatsgehad van opstallen vanwege een voorwaarde verbonden aan een door Gedeputeerde Staten verleende ontheffing, geldt een uitzondering op de stalderingsplicht. Er hoeft alleen gestaldeerd te worden voor zover de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren binnen het bouwperceel groter is dan destijds feitelijk is gesloopt vanwege de aan de ontheffing verbonden voorwaarde. Voor zover er feitelijk dierenverblijf is gesloopt, hoeft dus geen toepassing gegeven te worden aan de stalderingsregeling. Voor zover de toename van de oppervlakte dierenverblijf voor hokdieren meer bedraagt dan destijds is gesloopt, geldt de stalderingseis onverkort. Dus stel dat de veehouder destijds 1000 m² heeft gesloopt en nu 5000 m² dierenverblijf voor hokdieren in gebruik wil nemen dan geldt de stalderingseis voor 4000 m². Deze bepaling geldt ook als de sanering en ontwikkeling in verschillende stalderingsgebieden plaatsvindt.

Motivering

Motivering

Statenmededeling mei 2025

StatenMededeling20mei2025.pdf

Naar boven