Provinciaal blad van Zeeland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2025, 21967 | gemeenschappelijke regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Zeeland | Provinciaal blad 2025, 21967 | gemeenschappelijke regeling |
Gemeenschappelijke Regeling Publiek Vervoer Zeeland
Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Hulst, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen,
Het openbaar lichaam behartigt de belangen van de provincie en de gemeenten op het gebied van:
Artikel 4 Taken en bevoegdheden
Het openbaar lichaam is belast met de volgende taken en bevoegdheden van publiek vervoer in Zeeland:
Het dagelijks bestuur stemt slechts in met het verrichten van een aanvullende taak, als vooraf verzekerd is dat tussen de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland en de deelnemer(s) waarvoor de aanvullende taak zal worden verricht, in een te sluiten dienstverleningsovereenkomst wordt vastgelegd:
Artikel 7 Bevoegdheden algemeen bestuur
Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in Hoofdstuk VA, Provinciewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd.
Uit de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het algemeen bestuur)
Om de gemeenteraden en de Provinciale Staten van de deelnemers in staat te stellen tijdig hun zienswijzen over besluiten als bedoeld in het zesde lid te geven worden de concepten daarvan aangeboden tenminste twaalf weken voordat over deze besluiten in het algemeen bestuur wordt beraadslaagd of besloten.
Artikel 10 Inlichtingen en verantwoording
Een lid van het algemeen bestuur geeft aan de gemeenteraad, de Provinciale Staten en aan het college dat hem heeft aangewezen, op de in die deelnemer gebruikelijke wijze alle inlichtingen die door het college, de gemeenteraad, Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten of een of meer leden daarvan, worden verlangd.
Een lid van het algemeen bestuur kan door de gemeenteraad, de Provinciale Staten of door het college dat hem heeft aangewezen, op de in die deelnemer gebruikelijke wijze, ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop dat lid de gemeente of de Provincie Zeeland in het algemeen bestuur heeft vertegenwoordigd.
Artikel 11 Samenstelling dagelijks bestuur
Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 14 Bevoegdheden dagelijks bestuur
Voor zover niet bij of krachtens de Wgr of deze regeling anders is bepaald, is het dagelijks bestuur bevoegd tot:
te besluiten namens gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;
Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het vierde lid dan nadat de gemeenteraden en Provinciale Staten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.
Hoofdstuk 8 Financiële bepalingen
Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting, met daarin opgenomen de algemene financiële en beleidsmatige kadernota voor het betreffende begrotingsjaar evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), voor 30 april voorafgaande aan het jaar waarvoor deze begroting dient aan de gemeenteraden en Provinciale Staten. Het bepaalde in artikel 194 lid 1 van de Provinciewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).
Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden en Provinciale Staten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming.
Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden. De artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet zijn op de procedure met betrekking tot de vaststelling van de jaarrekening van overeenkomstige toepassing.
Het algemeen bestuur kan bij unaniem besluit een bijdrageregeling vaststellen waarin onder andere de afspraken en de verdeelsleutel voor de bijdragen van de deelnemers staan. De gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen hun zienswijze binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de concept bijdrageregeling ter kennis brengen aan het dagelijks bestuur.
Indien het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet deze onverwijld aan het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet respectievelijk aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 Provinciewet.
Hoofdstuk 9 Toetreden, uittreden, wijzigen en opheffen
Toetreding van het college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente of college van Gedeputeerde Staten van een andere provincie tot de regeling is mogelijk voor zover dit niet in strijd is met het bij of krachtens enige wettelijke regeling bepaalde en alle deelnemers, na verkregen toestemming op verzoek tot wijziging van de regeling, hiermee hebben ingestemd.
De regeling en de plaats van vestiging en huisvesting van het openbaar lichaam en de Mobiliteitscentrale Zeeland b.v. kan worden gewijzigd bij een daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van alle deelnemende colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten, met inachtneming van artikel 51, tweede en derde lid, van de Wgr.
In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende diensten, taken en bevoegdheden afnemen hebben gedelegeerd of gemandateerd met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd of gemandateerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel.
Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt, als bedoeld in artikel 29, lid 4, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom.
De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op:
Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
Het openbaar lichaam alsmede de uittredende deelnemer is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.
Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het algemeen bestuur, voor specifieke onderdelen van het uittredingsplan andere deskundigen inschakelen.
Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het algemeen bestuur.
Ten minste negen maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 29, derde lid en op de vastgestelde jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar.
Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 29, derde lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding.
Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende deelnemer kiest voor betaling in termijnen kan het algemeen bestuur een rentevergoeding in rekening brengen.
Artikel 32 Verplichtingen uittreder
De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam (en eventueel onderliggende kapitaalvennootschappen) die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.
Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden en Provinciale Staten.
Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam.
Artikel 36 Archiefbewaarplaats
Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Zeeuws Archief.
Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Provincie Zeeland.
Artikel 39 Terbeschikkingstelling
De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd.
Hoofdstuk 11 Geschillen, overgangs- en slotbepalingen
Besluiten van het bestuur van het openbaar lichaam die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht worden bekendgemaakt in het publicatieblad van het openbaar lichaam. Het publicatieblad is toegankelijk via een bij regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgeschreven algemeen toegankelijk elektronisch medium.
De regeling wordt voor het eerst in 2028 en daarna elke vier jaar geëvalueerd. Het dagelijks bestuur initieert deze evaluatie en legt de uitkomsten van de evaluatie ter beoordeling van de hieraan te verbinden consequenties voor aan het algemeen bestuur. De gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen hun zienswijze binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de ontwerpevaluatie ter kennis brengen aan het dagelijks bestuur.
De regeling wordt aangehaald als gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland.
Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 16 december 2025.
Drs. M.C.J. Franken, secretaris
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
I.M.M. Jense-van Haarst, voorzitter
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
C.G. Jansen op de Haar, voorzitter
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Middelburg op 19 december 2025,
mr. Y.P. van Mastrigt, voorzitter
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Noord-Beveland op 23 december 2025,
drs. G.L. Meeuwisse, voorzitter
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Reimerswaal op 23 december 2025,
mr. F.L.A.R. Marquinie MBA, secretaris
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Schouwen-Duiveland op 24 december 2025,
J. Chr. van der Hoek, voorzitter
J.M.M. van den Dries, loco-secretaris
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
S.I. de Kievit-Minnaert, secretaris
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Terneuzen op 16 december 2025,
H.J.A. van Merrienboer, voorzitter
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
L.A. de Visser, loco-burgemeester
Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente
Vlissingen op 18 december 2025,
dhr. drs. A.R.B. van den Tillaar, voorzitter
Bijlage 1 Toelichting gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland
1.1.1 Wat is de oorsprong van de regeling?
1.1.2 Regionale Mobiliteitsstrategie
1.6 Financiële afspraken komende jaren
1.1.1. Wat is de oorsprong van de regeling?
Het is geen nieuwe gemeenschappelijke regeling. De gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland (GR Publiek Vervoer Zeeland) is een wijziging van de gemeenschappelijke regeling Collectief Vervoer Zeeuws-Vlaanderen (GR CVV). De GR CCV had als deelnemers de colleges en raden van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen.
Gelijktijdig met de wijziging op 01-01-2026 van de GR CCV naar de GR Publiek Vervoer Zeeland zijn Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen, Veere en Vlissingen toegetreden.
Daarmee zijn alle colleges van alle Zeeuwse gemeenten en de Provincie Zeeland eigenaar van en deelnemer in de GR Publiek Vervoer Zeeland.
1.1.2. Regionale Mobiliteitsstrategie
De wijziging van deze gemeenschappelijke regeling is onderdeel de realisatie van de Regionale Mobiliteitsstrategie (RMS). De 13 Zeeuwse gemeenten en de Provincie Zeeland hebben in 2022 samen een Regionale Mobiliteitsstrategie vastgesteld. De GR CVV wordt daarmee omgevormd tot de basis voor een Zeeland brede gemeenschappelijke regeling, de GR Publiek Vervoer Zeeland. De GR Publiek Vervoer Zeeland is een van de stappen in het realiseren van de ambitie zoals geformuleerd in de Regionale Mobiliteitsstrategie om met een nieuwe insteek de stap te maken naar een slim en duurzaam mobiliteitssysteem: publiek vervoer. Hierbij wordt het aanbod afgestemd op de vraag naar mobiliteit.
In dit publiek vervoer systeem speelt de in de Regionale Mobiliteitsstrategie genoemde mobiliteitscentrale een belangrijke rol. Voor de invulling hiervan is de GR Publiek Vervoer Zeeland opgezet. Deze gemeenschappelijke regeling bouwt voort op het succes van de huidige Gemeentelijke Vervoercentrale Zeeland (GVZ BV).
1.1.3. Samenwerkende overheden
De deelnemende overheden werken vrijwillig samen in de GR Publiek Vervoer Zeeland. Er zijn geen wettelijke vereisten die op de taken van publiek vervoer Zeeland samenwerking vereisen dan wel een specifieke schaal vereisen. Ook het samenwerken in een gemeenschappelijke regeling kent geen wettelijke verplichtingen. Overigens laat het feit dat deze samenwerking vrijwillig is aangegaan onverlet dat deelnemers verplicht zijn hun medewerking te geven aan de uitvoering van de besluiten die het bestuur van het samenwerkingsverband neemt (artikel 10a, eerste lid, Wet gemeenschappelijke regelingen). Onderliggend doel van de samenwerking is het organiseren van publiek vervoer en doelgroepenvervoer in Zeeland.
Samenwerking in een gemeenschappelijke regeling is te beschrijven als verlengd lokaal bestuur. Met deze samenwerking dragen de colleges – met toestemming van de gemeenteraden en Provinciale Staten – de uitvoering van taken voor publiek vervoer over of op aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. Daarmee liggen deze beslissingsbevoegdheden over deze uitvoering (dus) niet meer bij de individuele colleges of collegeleden. Artikel 4 werkt deze bevoegdheden uit en benoemt waar er sprake is van delegatie (overdragen bevoegdheden) of mandaat (opgedragen bevoegdheden).
Het algemeen bestuur en dagelijks bestuur van de GR Publiek Vervoer Zeeland besluiten op basis van in de gemeenschappelijke regeling vastgelegde stemverhoudingen. Deze overdracht betekent dat het algemeen bestuur en dagelijks bestuur als collegiaal bestuursorgaan beslissingen nemen. In artikel 12 komt het collegiale karakter van het dagelijks bestuur tot uitdrukking in het streven naar consensus.
Zoals gezegd is deze samenwerking een samenwerking tussen colleges. Dat noemen we een collegeregeling. Dit betekent dat de gemeenteraden en Provinciale Staten hun krachtens artikel 13 en artikel 57 Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) toekomende bevoegdheid behouden tot het vaststellen van beleid (kaderstellende rol). Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de bevoegdheden van de gemeenteraad op grond van artikel 2.1.2 Wmo 2015. Daarin staat dat gemeenteraden periodiek een plan vaststellen voor het door het gemeentebestuur te voeren beleid voor maatschappelijke ondersteuning. De gemeenteraden behouden ook de bevoegdheden om bij verordening regels vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de voornoemde taken en te verrichten handelingen.
Met inachtneming van voornoemde kaders hebben de gemeenteraden en Provinciale Staten vervolgens ook de specifieke (jaarlijks uit te oefenen) bevoegdheid tot het inbrengen van zienswijzen op de begroting van de GR Publiek Vervoer Zeeland. De wijziging van de Wgr in 2022 maakt het mogelijk dat meerdere onderwerpen verplicht aan de gemeenteraden en Provinciale Staten moeten worden voorgelegd voor een zienswijze. Die procedure voor het besluit om een zienswijze aan de raden en Provinciale Staten te vragen door het algemeen bestuur staat in artikel 9, zesde lid van de GR Publiek Vervoer Zeeland. Voor de GR Publiek Vervoer Zeeland zijn enkele verplichte onderwerpen opgenomen. Namelijk bij de resultaatsbestemming (zie artikel 24 derde lid), de concept bijdrageregeling (zie artikel 25 eerste lid) en de evaluatie in artikel 44.
Het openbaar lichaam heeft als hoofdtaak het organiseren van publiek vervoer in Zeeland en het organiseren van doelgroepenvervoer en leerlingenvervoer in Zeeland.
Het openbaar lichaam is de zwaarste variant van samenwerking, omdat hier volledige rechtspersoonlijkheid aan toekomt en hij een geleed bestuur kent. Dat laatste wil zeggen dat er meerdere bestuursorganen zijn, waarbij het ‘hoogste’ orgaan de andere controleert. In dit geval zijn er het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.
Aan het openbaar lichaam kunnen in beginsel alle bevoegdheden ‘tot regeling en bestuur’ worden opgedragen of overgedragen. Een openbaar lichaam heeft voor de wet een eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, kan bezittingen en schulden hebben, personeel in dienst nemen, contracten sluiten, rechtszaken aanspannen of zelf aangeklaagd worden.
De vorm van samenwerking tussen colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten noemen we een collegeregeling. Het samenwerkingsverband is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr).
Dit betekent ook dat er van rechtswege geen andere bevoegdheden kunnen worden overgedragen of opgedragen dan bevoegdheden van de colleges. In deze regeling zijn de bevoegdheden ook alleen collegebevoegdheden op het gebied van uitvoering van de taak tot het organiseren van publiek vervoer in Zeeland.
Dat het hier gaat om verlengd lokaal bestuur maakt dat het bestuur van de GR Publiek Vervoer Zeeland bijzondere verplichtingen voor gevraagde en ongevraagde informatieverstrekking en het afleggen van verantwoording kent. Om de belangen van de deelnemers verder te borgen, bevat de gemeenschappelijke regeling – in aanvulling op wat de Wet gemeenschappelijke regelingen voorschrijft – afspraken over de gewenste stemverhoudingen (waaronder het uitgangspunt van consensus, en in bepaalde gevallen de mogelijkheid van afwijking daarvan) voor besluitvorming in het bestuur voor bepaalde belangrijke besluiten.
De deelnemende colleges van burgemeester en wethouders dragen de zorg voor het doelgroepenvervoer zoals bedoeld in de Wmo 2015 over aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. De kaderstellende bevoegdheden blijven bij de gemeenteraden liggen.
Gedeputeerde Staten heeft in de Wet Personenvervoer de taak gekregen om de coördinatie en afstemming van het openbaar vervoer in de provincie te voeren en ook concessies te verlenen, wijzigen of in te trekken voor openbaar vervoer, niet zijnde trein. Gedeputeerde Staten draagt deze bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies niet over aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. Het gaat vooral om het afstemmen en coördineren met andere vormen van vervoer wat door GR Publiek Vervoer Zeeland in de breedte wordt gedaan, ook met andere vormen van vervoer zoals doelgroepenvervoer en flexvervoer.
Elk college van burgemeester en wethouders heeft in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (vervoer), Leerlingenvervoer en de Jeugdwet taken om de coördinatie en afstemming van het doelgroepenvervoer en leerlingenvervoer in de eigen gemeente te voeren en daarvoor ook concessies te verlenen, wijzigen of in te trekken. Het college draagt deze bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies niet over aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. Het gaat vooral om het afstemmen en coördineren met andere vormen van vervoer wat door GR Publiek Vervoer Zeeland in de breedte wordt gedaan, ook met andere vormen van vervoer zoals openbaar vervoer en flexvervoer.
De gemeenteraden en Provinciale Staten behouden hun zeggenschap en mogelijkheden tot kaderstelling. Dat de afzonderlijke gemeenteraden bevoegd blijven deze algemene kaders vast te stellen, vergt dat de gemeenteraden – omwille van efficiency en effectiviteit – ernaar streven dat deze algemene kaders zo veel mogelijk een uniforme inhoud hebben. Dit impliceert dus actieve bestuurlijke afstemming vooraf, voor zover het gaat om de taken van de GR Publiek Vervoer Zeeland.
De taken die deelnemers bij aanvang van de GR Publiek Vervoer beleggen zijn:
Uitwerken en implementeren van (vastgesteld) beleid om de toegankelijkheid van publiek vervoer voor alle burgers te bieden. Dit betekent onder andere dat vervoer aansluit bij de indicatie en er beleid is voor reisproducten voor minima. Andersom moet geborgd worden dat reizen met publiek vervoer ook aansluit bij het (keukentafel)gesprek van de WMO consulent.
Uitwerken en implementeren van (vastgesteld) beleid om de bereikbaarheid van voorzieningen te versterken/optimaliseren. Hierbij gaat het om beleidsadvisering over een juiste inzet van vervoer die door de Vervoercentrale wordt aangestuurd. Dit optimaliseren richt zich daarbij ook op kosteneffectiviteit. In deze rol geeft de Vervoercentrale/GR ook gevraagd en ongevraagd beleidsondersteunend advies aan de gemeenten en Provincie Zeeland.
Uitwerken en implementeren van betaal- en boekingsproducten publiek vervoer. Hierbij gaat het om betaalproducten voor bepaalde reizigersgroepen en koppeling van dienstverleners met op zichzelf staande proposities (zoals de zogenaamde MaaS dienstverleners), met reisadvies op maat bij het plannen, boeken en betalen van al het mogelijke vervoer via apps.
*Voor Flex geldt het volgende. Volgens de Regionale Mobiliteitsstrategie gaat het om een verantwoordelijkheid van de Provincie en de gemeenten. Bij de start legt de Provincie budget in. De gemeenten doen dit door ongebruikte capaciteit in het vraaggestuurd doelgroepenvervoer in te leggen. In de toekomst kan het gebeuren dat het gebruik veel groter wordt dan verwacht. Dan zijn er twee mogelijkheden:
Bij uitbreiding van Flex moet het algemeen bestuur bespreken hoe de kosten verdeeld worden over provincie en gemeenten.
De GR Publiek Vervoer Zeeland kent drie bestuursorganen:
Hieronder volgt meer uitleg over deze drie bestuursorganen en hun werking.
Het algemeen bestuur is een collegiaal bestuur bestaande uit 14 leden. Ieder deelnemend college mag uit zijn midden een lid aanwijzen, met de mogelijkheid van plaatsvervanging.
Het algemeen bestuur wijst de leden van het dagelijks bestuur aan. Het algemeen bestuur moet ook een plaatsvervangend voorzitter aanwijzen. Het ligt voor de hand dat het algemeen bestuur hiervoor een van de andere aan te wijzen leden van het dagelijks bestuur aanwijst.
Het algemeen bestuur stelt de algemene kaders voor de uitvoering en het vaststellen van de begroting en jaarrekening. Het algemeen bestuur kent een gewogen stemverhouding, dat wil zeggen naar rato van het inwonertal van de deelnemende gemeente. Voor de Provincie Zeeland is een vast aantal stemmen vastgesteld in artikel 9. In artikel 9 worden de gemeenten in twee categorieën ingedeeld, te weten A en B. De stemgewichten zijn per categorie ingedeeld. Iedere gemeente met minder dan 35.000 inwoners heeft 2 stemmen (A). Gemeenten B met een inwonersaantal van 35.000 of meer hebben ieder 4 stemmen in het algemeen bestuur.
Een concreet voorbeeld. Een gemeente valt bij het begin van de regeling in categorie A, met 34.215 inwoners. Door het bijbouwen van een wijk krijgt deze gemeente 37.481 inwoners. Dat betekent dat deze gemeente, op het moment dat de stemverhoudingen worden aangepast (eens in de 4 jaar), in de categorie B valt en dus 4 stemmen in het algemeen bestuur krijgt. Daarmee is de stemverhouding toekomstbestendig.
Besluitvorming en stemming in het algemeen bestuur geschiedt bij meerderheid van stemmen, tenzij voor een bijzonder onderwerp daarvoor in de GR een uitzondering is gemaakt. Beraadslaging in het algemeen bestuur gebeurt in het openbaar. Artikel 22 lid 3 tot en met 5 Wgr regelen deze openbaarheid en de mogelijkheid om deuren te sluiten als een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter dat beslist. Als dat het geval is, beslist het algemeen bestuur of achter gesloten deuren wordt vergaderd. Zie ook artikel 8, vierde lid, van de regeling.
Op grond van artikel 23 Wgr kan in een besloten vergadering van het algemeen bestuur geheimhouding worden opgelegd over het in die vergadering besprokene. Dit artikel bevat ook bepalingen voor het weer opheffen van die geheimhouding. Is deze geheimhouding niet opgeheven, dan zijn de leden van het algemeen bestuur daaraan ook gehouden bij het afleggen van verantwoording aan hun colleges van burgemeester en wethouders, raden en Staten.
Het dagelijks bestuur voert het dagelijks bestuur over de gemeenschappelijke regeling. Ook het dagelijks bestuur is een collegiaal bestuur. Het dagelijks bestuur bestaat uit vier leden, inbegrepen de voorzitter. In de regeling staat een dwingende samenstelling van het dagelijks bestuur. Hiervoor is gekozen om alle deelnemers dichtbij vertegenwoordigd te kunnen laten zijn. Gekozen is voor samenstelling van het dagelijks bestuur te laten bestaan uit één bestuurslid vanuit de Provincie Zeeland, één bestuurslid uit Zeeuws-Vlaanderen, één bestuurslid uit de Oosterschelderegio (dus uit de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Tholen en Schouwen-Duiveland) en tot slot één lid uit de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen.
In artikel 11 staat dat het dagelijks bestuur nooit de meerderheid mag uitmaken in het algemeen bestuur. Dit staat ook in de Wgr in artikel 14, derde lid. In dit geval wordt niet alleen getalsmatig (dus minder dan de helft van het aantal AB-leden) bedoeld. Ook moet het dagelijks bestuur een minderheid qua stemmen hebben in het algemeen bestuur. Daarbij wordt uitgegaan van een voltallig aanwezig algemeen bestuur.
In het dagelijks bestuur wordt gestreefd naar besluitvorming bij consensus. Het streven naar consensus moet bijdragen aan het goed afwegen van belangen en zoeken naar gezamenlijk gedragen besluiten. Het verplichten van consensus werkt als het geven van vetorechten aan ieder lid van het dagelijks bestuur. Dat is niet wenselijk en komt de wijze van besluiten in potentie niet ten goede. Daarom wordt gestreefd naar consensus maar besluit het dagelijks bestuur bij gewone meerderheid. Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. Dit betekent dat wanneer alle leden van het dagelijks bestuur deelnemen aan de vergadering tenminste drie leden moeten instemmen om hieraan te voldoen.
Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden zijn voorzitter aan. De voorzitter van het algemeen bestuur is automatisch (op grond van bepalingen in de Wgr) voorzitter van het dagelijks bestuur. In de eerste zes jaren na inwerkingtreding van de regeling wordt een van de leden van het uit Zeeuws-Vlaanderen aangewezen als voorzitter. De GR Publiek Vervoer Zeeland komt voort uit de GR CVV. Na verloop van deze zes jaren rouleert iedere vier jaar het voorzitterschap tussen de Provincie Zeeland en de deelnemende gemeenten.
Het algemeen bestuur is verplicht om een plaatsvervangend voorzitter te kiezen. Deze plaatsvervangend voorzitter moet ook lid zijn van het dagelijks bestuur.
De regeling geeft de mogelijkheid om te werken met eigen personeel. In de regeling is de bevoegdheid, in lijn met de Wgr, neergelegd bij het dagelijks bestuur om personeel aan te nemen, te schorsen en te ontslaan. De GR Publiek Vervoer Zeeland start alleen met een secretaris.
1.6. Financiële afspraken komende jaren
Voor de eerste vier jaren – met een evaluatie in 2028 – worden de budgetten van het doelgroepenvervoer en het openbaar vervoer gefixeerd. Dit geldt vanaf 1 januari 2026. Met het fixeren wordt voor een periode van vier jaren zekerheid over de hoogte van het budget en de kosten gegeven.
Fixeren betekent dat de kosten voor het doelgroepenvervoer voor een langere tijd worden vastgezet. Dat betekent dat de kosten van het doelgroepenvervoer niet stijgen maar ook dat deze niet dalen tijdens de looptijd. Na afloop van de periode van fixatie worden de afspraken in samenspraak herijkt. Tussentijds vindt er in 2028 een evaluatie plaats. De enige uitzondering hierop zijn de kosten van vraagafhankelijk jeugdzorgvervoer, omdat de kosten van dit vervoer door de jaren heen sterk schommelen. Hiervoor is er elk jaar een evaluatie.
Het fixeren van budgetten is gedaan om ruimte te bieden om samen met de gemeenten en de Provincie Zeeland te komen tot een optimaal vervoerssysteem voor de reizigers in Zeeland. Zonder allerlei moeilijke vraagstukken over kostenverrekening. Op deze manier kan stap voor stap gewerkt worden aan het inregelen van het publiek vervoer met telkens de reiziger centraal zoals dat ook in de Regionale Mobiliteitsstrategie bedoeld is.
Er wordt daarmee ruimte gegeven om voorstellen te doen om beleidskeuzes te maken (of voor te bereiden) die passend zijn voor de specifieke omgeving: ruimte voor initiatieven, ruimte voor projecten en experimenten. Dat is nodig omdat een dergelijk publiek vervoerssysteem nog nergens in Nederland bestaat. En omdat elke situatie toch weer net iets anders zal vragen. Zo kan binnen een flexibel systeem maatwerk voor een regio, gemeente of gebied worden ontwikkeld. Dat betekent dat de reiziger altijd voorop staat.
Hiermee krijgen we ook ruimte om beleidsvoorstellen uit te denken, uit te proberen en mogelijk aan te passen. De verwachting is namelijk niet dat op basis van een blauwdruk het gehele vervoersysteem in een keer kan worden ingeregeld. Dat vraagt focus en aandacht om stap voor stap te komen tot het optimaal inregelen. Dat vraagt ook om voor een langere periode duidelijkheid over de financiering te hebben zodat daarmee ook de operationele ruimte blijft bestaan.
De verwachting is dat met het optimaal inrichten van het publiek vervoer meer bereikbaarheid voor de reiziger kan worden geboden. Maar in eerste instantie staat de leefbaarheid in Zeeland voorop. Dat kan worden verbeterd door bijvoorbeeld meer op- en uitstapplaatsen te maken of de spelregels (bijvoorbeeld de tijden) aan te passen.
Als beleidstaken (onderdeel midoffice) worden uitgebreid dan is dit een besluit van het algemeen bestuur en worden deze voor 30% toebedeeld aan gemeenten en 70% aan Provincie Zeeland.
2. Artikelsgewijze toelichting
Hierin staan enkele definities van meerdere keren gebruikte begrippen.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
De uitvoering vindt plaats binnen de Mobiliteitscentrale Zeeland b.v.
Artikel 10 Wgr schrijft voor dat een regeling het belang of de belangen waarvoor zij is aangegaan vermeldt. Onder ´belang´ wordt verstaan het beleidsterrein, of de beleidsterreinen waarop wordt samengewerkt. Met het vastleggen van de belangen wordt het werkterrein van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland afgebakend.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. De bevoegdheden van de GR Publiek Vervoer Zeeland zijn onder meer de activiteiten die worden ontplooid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Wet personenvervoer 2000. Het vervoer van leerlingen vindt de wettelijke basis in de Wmo, Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs.
Dit artikel geeft weer aan welke voorwaarden moet worden voldaan als een deelnemer de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland vraagt om een aanvullende taak uit te voeren. Doel van dit artikel en het daarin beschreven proces is dat andere deelnemers en de primaire taakuitvoering geen hinder ondervinden van een aanvullende taak.
Verder staat in artikel 5 dat de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland ook voor niet deelnemers taken mag verrichten en onder welke voorwaarden dat kan. Bij aangaan van de regeling is in ieder geval voor de gemeente Goeree Overflakkee sprake van het uitvoeren van een aanvullende taak voor een niet-deelnemer.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. Bij het begin van de regeling zijn de inwonersaantallen en de stemverhoudingen als volgt:
Dit zijn de inwoneraantallen per 1 januari 2023. De inwoneraantallen per 1 januari 2025 hebben geen invloed op de stemverhouding.
Dit artikel geeft duiding aan de informatieplicht van het algemeen bestuur en zijn leden afzonderlijk. Aangezien de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer datagedreven gaat werken en daarvoor ook veel bedrijfsgevoelige data zal verwerken, zal aan de voorkant worden aangegeven of informatie openbaar kan worden verstrekt of onder een plicht van geheimhouding.
Eerste lid. De samenstelling van het dagelijks bestuur borgt een verdeling tussen de deelnemers, waarbij één lid voortkomt uit Gedeputeerde Staten, één lid uit Zeeuws-Vlaanderen (ook de eerste jaren voorzitter), één lid komt voort uit de Oosterschelderegio en één lid komt voort uit de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen.
Tweede lid. In de Wgr is bepaald dat het dagelijks bestuur nimmer de meerderheid mag vormen in het algemeen bestuur. Wanneer dit wel het geval zou zijn, boet het algemeen bestuur sterk in op zijn toezichthoudende rol.
Wanneer in de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland een dagelijks bestuur wordt gekozen moet rekening worden gehouden dat bij aanvang niet alleen B gemeenten en de Provincie Zeeland in het dagelijks bestuur worden gekozen. Het aantal stemmen dat het dagelijks bestuur vertegenwoordigt moet 24 of minder zijn. Dit betekent, met de vertegenwoordiger van de Provincie Zeeland die 14 stemmen vertegenwoordigt in het algemeen bestuur, dat de drie overblijvende leden samen maximaal 10 stemmen kunnen vertegenwoordigen.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
Tweede lid. Met het vastleggen van een minimaal aantal vergaderingen van vier per kalenderjaar is richting gegeven aan de minimale frequentie. Hieraan wordt al voldaan als de Planning Control cyclus ontwerpbegroting, weging zienswijze, jaarrekening en rapportages worden geagendeerd.
Vijfde lid. Hiermee wordt richting gegeven aan de actieve informatieplicht van het dagelijks bestuur.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
Dit artikel beschrijft dat het dagelijks bestuur verantwoording aflegt aan het algemeen bestuur. Het is niet gebruikelijk dat het dagelijks bestuur zijn toezichthouder passeert in het afleggen van verantwoording aan de gemeenteraden en/of Provinciale Staten. Dit geschiedt uit de rol van algemeen bestuurslid.
Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden zijn voorzitter aan; de voorzitter van het algemeen bestuur is automatisch (op grond van artikel 12 en artikel 13, negende lid Wgr) voorzitter van het dagelijks bestuur. In de eerste zes jaren na inwerkingtreding van de regeling wordt een van de algemeen bestuur leden uit Zeeuws-Vlaanderen aangewezen als voorzitter. De gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland komt voort uit de gemeenschappelijke regeling Collectief Vervoer Zeeuws-Vlaanderen. Na verloop van deze zes jaren rouleert iedere vier jaar het voorzitterschap tussen de Provincie Zeeland en de deelnemende gemeenten.
Het algemeen bestuur kiest een plaatsvervangend voorzitter. De plaatsvervangend voorzitter moet lid zijn van het dagelijks bestuur.
De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
In artikel 19 staan de twee vormen van commissies die mogelijk zijn in een openbaar lichaam. Hierin zijn zowel de commissies ingevolge artikel 24 Wgr (commissies van advies) en artikel 25 (bestuurscommissie met bevoegdheden) beschreven.
Er is nog een derde mogelijkheid: de gemeenschappelijke adviescommissie (artikel 24a Wgr). Die staat in lid 6 van dit artikel. De Wgr regelt dit verder.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 22 geeft het proces weer waarmee de begroting voor de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland tot stand komt. Dit proces is geheel in lijn met artikel 59 Wgr.
In het eerste lid van dit artikel staat dat de begroting van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland bestaat uit één of meerdere programma’s. Bij aanvang is dat het programma publiek vervoer dat onderverdeeld is in subprogramma’s. De uitvoeringskosten van de Mobiliteitscentrale b.v., waar de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland enig aandeelhouder van is, komen terug in de begroting van de gemeenschappelijke regeling.
In het vierde lid staat dat het dagelijks bestuur over de ontwerpbegroting met consensus moet besluiten. Deze verzwaring is in de regeling vastgelegd om het belang van alle deelnemers in de regeling zo goed mogelijk te borgen. Het dagelijks bestuur bestaat uit vier leden vanuit verschillende deelgebieden in Zeeland, een afspiegeling van de grootte van de gemeenten en de provincie.
De weging van de zienswijzen die de gemeenteraden en Provinciale Staten naar het dagelijks bestuur sturen in reactie op de ontwerpbegroting wordt met consensus vastgesteld. Daarna stuurt het dagelijks bestuur deze naar de gemeenteraden, Provinciale Staten en het algemeen bestuur.
We starten in de begroting van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer met het programma publiek vervoer dat onderverdeeld is in subprogramma’s. Ook starten we met gefixeerde bijdragen. Daardoor zullen er weinig tot geen begrotingswijzigingen zijn.
Is er sprake van een begrotingswijziging die ervoor zorgt dat de bijdrage van de deelnemers hoger wordt? En dus het budgetrecht van gemeenteraden en Provinciale Staten raakt, dan kunnen gemeenteraden en Provinciale Staten hun zienswijze geven. Deze begrotingswijzigingen volgen de periodieke financiële rapportages.
Is er sprake van een begrotingswijziging zonder financiële gevolgen voor de deelnemers, bijvoorbeeld een verschuiving tussen de subprogramma’s, dan mag het algemeen bestuur deze begrotingswijziging vaststellen zonder een zienswijze van gemeenteraden en Provinciale Staten te vragen. Dit tast namelijk niet het budgetrecht van de deelnemers aan. In de eigen financiële verordeningen van de deelnemers kunnen bepalingen vastliggen hoe de raad of de Provinciale Staten omgaan met begrotingswijzigingen die gevolgen hebben voor meerdere interne budgetten, doelstellingen, of programma’s.
Het aanbieden van de ontwerpjaarrekening wordt gelijktijdig gedaan met het aanbieden van de ontwerpbegroting. Door gelijktijdig aanbieden zijn de gemeenteraden en Provinciale Staten in staat om zowel terug te kijken als vooruit te kijken.
In de bijdrageregeling worden nadere afspraken over de begroting van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer gemaakt, alsmede over de verdeling van de gemeenschappelijke kosten over de deelnemers.
Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.
Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling moet bepalingen bevatten over wijziging, opheffing, toetreding en uittreding (artikel 9 Wgr). In de wijziging van de Wgr ingaand per 2022 staat dat de bepalingen over uittreden meer omvattend en verplichtend worden. De artikelen 28 tot en met 32 van deze regeling geven het proces dat moet worden doorlopen wanneer één of meerdere deelnemers geheel uit de regeling wensen te treden.
Met deze artikelen wordt niet alleen een gedegen proces vastgelegd. Ook wordt ervoor gezorgd dat een latende partij (de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland) zo min mogelijk negatieve effecten ervaart (bijvoorbeeld financieel nadeel) van een uittreden. Als de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer wel een financieel nadeel zou ondervinden, dan kan dit resulteren in een hogere bijdrage van de resterende deelnemers. De opgenomen procedure voorziet niet in een boeteclausule voor een vertrekkend deelnemer. Het proces is ingericht op reële kosten.
Artikelen 34, 35, 37 tot en met 44 en 46
Deze artikelen vergen geen nadere toelichting.
In geval van gemandateerde taken worden met de desbetreffende deelnemer aanvullende afspraken gemaakt over het informatie- en archiefbeheer.
Participatie is erg belangrijk. Het perspectief van de reiziger is niet voor niets het uitgangspunt bij deze systeemverandering. Betrokkenheid van de reiziger is dan ook essentieel om het systeem van publiek vervoer te optimaliseren.
Dit artikel biedt de mogelijkheid voor participatie.
Om participatie te bevorderen gaat er, zonder volledig te zijn, in ieder geval periodiek overleg plaatsvinden met:
Binnen de Mobiliteitscentrale komt er een medewerker met als opdracht invulling te geven aan deze participatie en daarover elk jaar te rapporteren aan het algemeen bestuur. Ook doen we elk jaar een kwaliteitsonderzoek. We onderzoeken dan hoe de burgers publiek vervoer ervaren.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2025-21967.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.