Gemeenschappelijke Regeling Publiek Vervoer Zeeland

Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Hulst, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen,

 

OVERWEGENDE DAT DE COLLEGES

  • wensen samen te werken op het gebied van busvervoer volgens een dienstregeling met vastgestelde haltes en routes, flex vervoer en doelgroepenvervoer teneinde de kwaliteit en beschikbaarheid van vervoer voor de reiziger in Zeeland te waarborgen en te verbeteren;

  • de Regionale Mobiliteitsstrategie hebben omarmd en daarmee gezamenlijk de stap te maken naar het realiseren van de ambitie tot één systeem voor publiek vervoer in Zeeland;

  • de Intentieovereenkomst hebben bekrachtigd om samen de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland te vormen;

  • het aanbod van publiek vervoer willen afstemmen op de vraag naar mobiliteit, waarbij het perspectief van de reiziger uitgangspunt is; reiziger centraal en niet het denken vanuit verschillende overheden in losse systemen;

  • voor het samenbrengen van deze drie vormen van publiek vervoer overgaan naar één organisatie met een eenduidig besturingsmodel;

GELET OP

  • -

    DE WET GEMEENSCHAPPELIJKE REGELINGEN

  • -

    DE WET MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING 2015

  • -

    DE JEUGDWET

  • -

    DE WET PRIMAIR ONDERWIJS

  • -

    DE WET VOORTGEZET ONDERWIJS

  • -

    DE PARTICIPATIEWET

  • -

    DE WET PERSONENVERVOER 2000

BESLUITEN

  • de gemeenteraden van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen de gemeenschappelijke regeling Collectief Vervoer Zeeuws-Vlaanderen te wijzigen zodat deze als volgt komt te luiden;

  • de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen, na verkregen toestemming van de gemeenteraden, de huidige gemeenschappelijke regeling Collectief Vervoer Zeeuws-Vlaanderen te wijzigen zodat deze als volgt komt te luiden;

  • het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland, na verkregen toestemming van Provinciale Staten, toe te treden tot de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland welke als volgt luidt;

  • de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen, Veere en Vlissingen, na verkregen toestemming van de gemeenteraden, toe te treden tot de gemeenschappelijke regeling welke als volgt luidt:

Gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland

 

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    deelnemer: Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Hulst, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen.

  • b.

    doelgroepenvervoer: verzorgen van vervoer voor bepaalde groepen reizigers die vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer zelfstandig kunnen reizen.

  • c.

    leerlingenvervoer: verzorgen van vervoer voor leerlingen die niet zelfstandig naar school kunnen reizen of leerlingen die ver moeten reizen naar een school die bij hun religie of levensbeschouwing past.

  • d.

    gemeenten: de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Hulst, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen.

  • e.

    openbaar lichaam: gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland.

  • f.

    provincie: de Provincie Zeeland.

  • g.

    publiek vervoer: gezamenlijk systeem van busvervoer volgens een dienstregeling met vastgestelde haltes en routes, doelgroepenvervoer, flex vervoer en andere vormen van deelmobiliteit.

  • h.

    Wgr : de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 2 Artikel met leden en opsommingen

  • 1.

    Er is een Openbaar Lichaam, genaamd Publiek Vervoer Zeeland.

  • 2.

    Het Openbaar Lichaam houdt in stand:

    • a.

      Mobiliteitscentrale Zeeland b.v.

  • 3.

    Het openbaar lichaam is een samenwerkingsverband van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Hulst, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Sluis, Terneuzen, Tholen, Veere en Vlissingen.

  • 4.

    Het openbaar lichaam en de Mobiliteitscentrale Zeeland b.v. zijn gevestigd en gehuisvest in Terneuzen.

Hoofdstuk 2 Belangen en taken

Artikel 3 Belangen

Het openbaar lichaam behartigt de belangen van de provincie en de gemeenten op het gebied van:

  • a.

    het organiseren van publiek vervoer in Zeeland;

  • b.

    het organiseren van doelgroepenvervoer in Zeeland.

Artikel 4 Taken en bevoegdheden

Het openbaar lichaam is belast met de volgende taken en bevoegdheden van publiek vervoer in Zeeland:

  • 1.

    Een optimaal werkend systeem van publiek vervoer voor inwoners en bezoekers van de provincie Zeeland, inclusief loket- en klantenservicefuncties, overgedragen door de Provincie en gemeenten.

  • 2.

    Vraaggestuurd doelgroepenvervoer Wmo en jeugdzorg (Flex), overgedragen door de gemeenten. Hieronder valt niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies/contracten.

  • 3.

    Routegebonden leerlingenvervoer, dagbestedingsvervoer en jeugdzorgvervoer, in opdracht gegeven door de gemeenten. Hieronder valt niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies/contracten.

  • 4.

    Contractmanagement, coördinatie en afstemming van busvervoer volgens een dienstregeling met vaste haltes en routes, in opdracht gegeven door de Provincie. Hieronder valt niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies.

  • 5.

    Flexibel vraagafhankelijk vervoer (Flex). Het gaat om vervoer zonder dienstregeling en zonder vaste routes met vastgestelde opstappunten, overgedragen door de Provincie. Hieronder valt niet de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies/contracten.

  • 6.

    Een goed werkend boeking-, plannings- en betaalsysteem (behalve betaalsysteem voor busvervoer) voor inwoners en bezoekers van het publiek vervoer, overgedragen door de Provincie en gemeenten.

  • 7.

    Regievoering en contractbeheer contracten deelnemers, overgedragen door de gemeenten.

  • 8.

    Ondersteuning van beleidsvoorbereiding door deelnemers overgedragen door de Provincie en gemeenten.

Artikel 5 Aanvullende taken

  • 1.

    De gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland kan, ter behartiging van de in artikel 3 genoemde belangen, naast de in artikel 4 genoemde taken, aanvullende taken verrichten voor één of meer deelnemers, als deze daarom verzoeken.

  • 2.

    De deelnemer(s) waarvoor de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland een aanvullende taak verricht draagt alle kosten voor de aanvullende taak.

  • 3.

    Gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland kan, binnen het belang en het doel van de regeling als bedoeld in artikel 3, ook aanvullende taken verrichten voor anderen dan de deelnemers, met dien verstande dat:

    • a.

      de omvang van deze taken niet meer mag bedragen dan toelaatbaar is op basis van de criteria volgens het geldende aanbestedingsregime;

    • b.

      de taken voor anderen dan de deelnemers tenminste kostendekkend zijn;

    • c.

      de uitvoering van taken voor anderen dan de deelnemers niet ten koste gaat van de uitvoering van de taken voor deelnemers.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur legt een verzoek tot het verrichten van een aanvullende taak voor instemming voor aan het algemeen bestuur wanneer dit leidt tot een voorstel tot wijziging van de begroting.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur stemt slechts in met het verrichten van een aanvullende taak, als vooraf verzekerd is dat tussen de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland en de deelnemer(s) waarvoor de aanvullende taak zal worden verricht, in een te sluiten dienstverleningsovereenkomst wordt vastgelegd:

    • a.

      op welke wijze de kosten van de aanvullende taak worden verdeeld tussen de deelnemers waarvoor de aanvullende taak zal worden verricht;

    • b.

      dat de kosten die optreden als gevolg van de uitvoering en de beëindiging van een aanvullende taak volledig ten laste komen van de deelnemers waarvoor de aanvullende taak zal worden verricht.

Hoofdstuk 3 Algemeen bestuur

Artikel 6 Samenstelling algemeen bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit veertien leden, inclusief de voorzitter.

  • 2.

    Het college van iedere deelnemer wijst uit zijn midden één lid en één plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met een dienstverband bij het openbaar lichaam dan wel bij een van de deelnemers.

  • 3.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt zodra het lid ophoudt gedeputeerde, wethouder of burgemeester van de betreffende deelnemer te zijn.

  • 4.

    Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij geeft daarvan schriftelijk kennis aan de voorzitter en aan het college dat hem heeft aangewezen.

  • 5.

    Een lid van het algemeen bestuur dat het vertrouwen van het college dat hem heeft aangewezen niet meer bezit, kan door dat college worden ontslagen. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

  • 6.

    In een tussentijds ontstane vacature wordt zo spoedig mogelijk voorzien door de aanwijzing van een nieuw lid door het college van de desbetreffende deelnemer.

Artikel 7 Bevoegdheden algemeen bestuur

  • 1.

    Aan het algemeen bestuur komen in het kader van deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen. Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur is bevoegd tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien dit in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.

  • 3.

    De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar:

    • a.

      het aanwijzen van een voorzitter en diens plaatsvervanger en de overige leden van het dagelijks bestuur;

    • b.

      het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de jaarstukken;

    • c.

      het vaststellen van een reglement van orde van het algemeen bestuur;

    • d.

      het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening;

    • e.

      het vaststellen van een verordening tot instelling van een commissie ex artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht, en de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;

    • f.

      het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling;

    • g.

      het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wgr;

    • h.

      aanwijzen van de accountant.

Artikel 8 Werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast en brengt dit ter kennis van de deelnemers.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks tenminste tweemaal en voorts zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dat nodig oordeelt, dan wel tenminste drie leden van het algemeen bestuur daarom verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen).

  • 3.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in Hoofdstuk VA, Provinciewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd.

  • 4.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer ten minste een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

  • 5.

    Uit de Provinciewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen) en artikel 33 (ambtelijke bijstand leden van het algemeen bestuur)

Artikel 9 Besluitvorming

  • 1.

    Het aantal stemmen dat een lid in de vergadering kan uitbrengen is als volgt bepaald:

    • a.

      gemeenten A: 2 stemmen;

    • b.

      gemeenten B: 4 stemmen;

    • c.

      Provincie Zeeland: 14 stemmen.

  • 2.

    Onder gemeenten A worden gerekend alle gemeenten met minder dan 35.000 inwoners.

  • 3.

    Onder gemeenten B worden gerekend alle gemeenten met 35.000 inwoners of meer.

  • 4.

    Het stemgewicht van elke gemeente wordt vanaf 2026 elke vier jaar vastgesteld op basis van het inwonertal op 1 januari van het voorafgaande jaar, zoals dat is opgenomen in de bevolkingsstatistiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek.

  • 5.

    Tenzij in deze regeling anders is bepaald, worden besluiten met gewone meerderheid van het aantal uitgebrachte stemmen genomen.

  • 6.

    Het algemeen bestuur kan bepalen dat naast de in de Wgr en deze regeling genoemde besluiten ook andere besluiten worden onderworpen aan de zienswijzenprocedure.

  • 7.

    Om de gemeenteraden en de Provinciale Staten van de deelnemers in staat te stellen tijdig hun zienswijzen over besluiten als bedoeld in het zesde lid te geven worden de concepten daarvan aangeboden tenminste twaalf weken voordat over deze besluiten in het algemeen bestuur wordt beraadslaagd of besloten.

  • 8.

    De gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen bij het dagelijks bestuur een zienswijze indienen. Het dagelijks bestuur zendt de zienswijzen aan het algemeen bestuur, waarbij het dagelijks bestuur een advies over de zienswijzen toevoegt.

  • 9.

    Het dagelijks bestuur stelt de gemeenteraden en de Provinciale Staten voorafgaande aan definitieve besluitvorming door het algemeen bestuur schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze.

Artikel 10 Inlichtingen en verantwoording

  • 1.

    Het algemeen bestuur geeft aan de gemeenteraden, de Provinciale Staten en de colleges gevraagd en ongevraagd alle informatie die nodig is voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid.

  • 2.

    Deze informatie wordt mondeling of schriftelijk verstrekt.

  • 3.

    Het algemeen bestuur verstrekt aan de gemeenteraden en Provinciale Staten alle inlichtingen die door één of meer leden van die gemeenteraden en Provinciale Staten worden verlangd. Die informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de overige raden en/of Provinciale Staten.

  • 4.

    Een lid van het algemeen bestuur geeft aan de gemeenteraad, de Provinciale Staten en aan het college dat hem heeft aangewezen, op de in die deelnemer gebruikelijke wijze alle inlichtingen die door het college, de gemeenteraad, Gedeputeerde Staten, Provinciale Staten of een of meer leden daarvan, worden verlangd.

  • 5.

    Een lid van het algemeen bestuur kan door de gemeenteraad, de Provinciale Staten of door het college dat hem heeft aangewezen, op de in die deelnemer gebruikelijke wijze, ter verantwoording worden geroepen voor de wijze waarop dat lid de gemeente of de Provincie Zeeland in het algemeen bestuur heeft vertegenwoordigd.

  • 6.

    Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten ter informatie.

Hoofdstuk 4 Dagelijks bestuur

Artikel 11 Samenstelling dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en drie leden. Daarbij geldt dat:

    • a.

      Het lid van het algemeen bestuur dat door het college van Gedeputeerde Staten is aangewezen, in ieder geval deel uitmaakt van het dagelijks bestuur;

    • b.

      Eén lid wordt aangewezen vanuit de gemeenten van Hulst, Sluis en Terneuzen;

    • c.

      Eén lid wordt aangewezen vanuit de Oosterschelderegio, te weten de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Tholen en Schouwen-Duiveland;

    • d.

      Eén lid wordt aangewezen vanuit de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur heeft nooit meer dan de helft van het aantal stemmen in het algemeen bestuur.

  • 3.

    De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur na het begin van een nieuwe zittingsperiode.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur stelt in de eerste vergadering na zijn aanwijzing een portefeuilleverdeling vast. Het deelt zijn besluit hierover mee aan het algemeen bestuur.

  • 5.

    De leden van het dagelijks bestuur kunnen te allen tijde ontslag nemen. Zij geven daarvan schriftelijk kennis aan de voorzitter.

  • 6.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Provinciewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 7.

    Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

  • 8.

    In een tussentijdse vacature in het dagelijks bestuur wordt voorzien in de eerstvolgende vergadering van het algemeen bestuur.

Artikel 12 Besluitvorming dagelijks bestuur

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur hebben ieder één stem.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur besluit bij gewone meerderheid van uitgebrachte stemmen en streeft hierbij naar consensus.

  • 3.

    Bij staking van stemmen wordt opnieuw gestemd.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur vergadert en besluit slechts indien meer dan de helft van het aantal leden van het dagelijks bestuur aanwezig is.

  • 5.

    Indien het vereiste aantal leden als bedoeld in het vierde lid niet aanwezig is bij een vergadering, kan de voorzitter een nieuwe vergadering beleggen, welke binnen twee weken dient plaats te vinden. Het gestelde in het vierde lid is dan niet van toepassing.

Artikel 13 Werkwijze dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stelt een Reglement van Orde vast voor zijn vergaderingen dat ter informatie naar het algemeen bestuur wordt gestuurd.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur vergadert minimaal viermaal per jaar en verder zo dikwijls naar gelang de voorzitter of tenminste twee andere leden dit nodig achten met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is binnengekomen.

  • 3.

    De agenda en de daarbij behorende vergaderstukken worden, spoedeisende gevallen uitgezonderd, tenminste tien dagen voor het houden van de vergadering, aan de leden van het dagelijks bestuur verzonden.

  • 4.

    De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn besloten. Het dagelijks bestuur kan besluiten een openbare vergadering te houden.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur publiceert zijn agenda en besluitenlijst na afloop van de vergadering op de website van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland.

  • 6.

    Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het dagelijks bestuur middels een tussentijdse rapportage tijdig naar de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten ter informatie.

Artikel 14 Bevoegdheden dagelijks bestuur

  • 1.

    Voor zover niet bij of krachtens de Wgr of deze regeling anders is bepaald, is het dagelijks bestuur bevoegd tot:

    • a.

      het voeren van het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam;

    • b.

      het voorbereiden van al hetgeen in het algemeen bestuur ter beraadslaging en ter beslissing moet worden gebracht;

    • c.

      het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

    • d.

      besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen, met uitzondering van de handelingen als bedoeld in artikel 7, tweede lid van de regeling;

    • e.

      het vervullen van het aandeelhouderschap van de Mobiliteitscentrale Zeeland b.v.;

    • f.

      Het vaststellen van nadere regels, voor zover het de in artikel 4 aan het bestuur gedelegeerde bevoegdheden betreft;

    • g.

      het nemen van besluiten als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht, waaronder het verlenen en vaststellen van subsidies en het aanvragen van subsidies;

    • h.

      het in behandeling nemen en afdoen van verzoeken op grond van de Wet open overheid;

    • i.

      het in behandeling nemen en afdoen van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.

    • j.

      hetzij op verzoek, hetzij uit eigen beweging, advies uitbrengen aan het algemeen bestuur, aan de colleges en aan de gemeenteraden en Provinciale Staten over zaken betreffende gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland;

    • k.

      het nemen van conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen wat nodig is ter voorkoming van verlies of verjaring van recht of bezit;

    • l.

      het beheren van de inkomsten en de uitgaven van gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland, voor zover dit niet bij of krachtens deze regeling aan anderen is opgedragen;

    • m.

      de zorg, voor zover niet aan anderen opgedragen, voor de controle op het geldelijk beheer en de administratie;

    • n.

      besluiten tot het indienstneming schorsen en ontslaan van personeel, met dien verstande dat de bevoegdheid tot indienstneming, schorsing en ontslag van de secretaris niet aan anderen kan worden op- of overgedragen;

    • o.

      het afkondigen van de besluiten waarvan de afkondiging bij deze regeling of bij besluit van het algemeen bestuur is voorgeschreven;

    • p.

      het voorstaan van de belangen van gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland bij andere overheden, instellingen of personen, waarmee contact voor de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland van belang is;

    • q.

      te besluiten namens gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist;

    • r.

      het zorgdragen voor de archiefbescheiden van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland, als bedoeld in artikelen 34 tot en met 39 van de regeling.

Artikel 15 Verantwoording en inlichtingen

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven ongevraagd aan het algemeen bestuur alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

  • 3.

    Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen.

Hoofdstuk 5 Voorzitter

Artikel 16 Aanwijzing en vervanging voorzitter

  • 1.

    Het algemeen bestuur kiest uit zijn midden een voorzitter en één of meerdere plaatsvervangers.

    • a.

      Bij aanvang van de regeling wordt de eerste zes jaren de voorzitter vanuit Zeeuws- Vlaanderen voorgedragen.

    • b.

      Daarna rouleert het voorzitterschap elke vier jaar tussen:

      • i.

        de Provincie Zeeland;

      • ii.

        een van de gemeenten.

  • 2.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 3.

    Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

  • 4.

    Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een deelnemer, die partij is in een geding waarbij de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland is betrokken, wordt de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland door de plaatsvervanger vertegenwoordigd.

Artikel 17 Taken en bevoegdheden voorzitter

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur en draagt er zorg voor, dat de besluiten van het algemeen en het dagelijks bestuur naar behoren worden uitgevoerd.

  • 2.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. Hij kan de in de eerste volzin bedoelde vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

  • 3.

    De stukken die van het algemeen bestuur of het dagelijks bestuur uitgaan, worden door de voorzitter en de secretaris ondertekend. De voorzitter kan die ondertekening opdragen aan een ander lid van het dagelijks bestuur.

Hoofdstuk 6 Ambtelijke organisatie

Artikel 18 De secretaris

  • 1.

    De secretaris van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland is secretaris van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De secretaris vervult zijn functie met inachtneming van een door het dagelijks bestuur vast te stellen instructie, die de taken (waaronder aansturing van de beleidstaken die onder de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland vallen) en bevoegdheden van de secretaris regelt.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur beslist over de indienstneming, de schorsing en het ontslag van de secretaris.

  • 4.

    De secretaris staat het algemeen en dagelijks bestuur, de voorzitter en de commissie(s) bij, in alles wat de hen opgedragen taak aangaat.

  • 5.

    De secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de vergaderingen van het algemeen en dagelijks bestuur.

  • 6.

    De secretaris ondertekent samen met de voorzitter alle stukken, welke van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan.

Hoofdstuk 7 Commissies

Artikel 19 Commissies

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan commissies van advies instellen. Het regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 2.

    De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter en de regeling van haar bevoegdheden en samenstelling geschieden door het algemeen bestuur op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk van de voorzitter.

  • 3.

    Andere commissies van advies aan het dagelijks bestuur of aan de voorzitter worden door het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter ingesteld.

  • 4.

    Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam kan commissies instellen met het oog op de behartiging van bepaalde belangen. Het algemeen bestuur regelt de bevoegdheden en de samenstelling.

  • 5.

    Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van een commissie als bedoeld in het vierde lid dan nadat de gemeenteraden en Provinciale Staten van dit voornemen op de hoogte zijn gesteld en in de gelegenheid zijn gesteld hun wensen en bedenkingen ter kennis van het algemeen bestuur te brengen.

  • 6.

    Op grond van artikel 24a Wgr is de instelling van een gemeenschappelijke adviescommissie mogelijk.

Hoofdstuk 8 Financiële bepalingen

Artikel 20 Financieel Statuut

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van de Provinciewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten, voorschriften vast met betrekking tot het financiële beheer, waarin onder meer regels worden opgenomen ten aanzien van:

    • a.

      De wijze, waarop de invordering van alle inkomsten en ontvangsten plaats heeft en de wijze waarop alle betalingen geschieden;

    • b.

      De inrichting van de financiële administratie;

    • c.

      De controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

    • d.

      De aanwijzing van een buiten de regeling staande deskundige, die belast is met de onder c. bedoelde controle;

    • e.

      De wijze van fraudeverzekering.

Artikel 21 Reserve

  • 1.

    De gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland kan een reserve vormen ten laste van de bijdragen van de deelnemers aan de uitvoeringskosten op basis van door het algemeen bestuur vastgesteld reservebeleid waarbij de Zeeuwse richtlijn reservevorming uitgangspunt is.

  • 2.

    Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op verzoeken van de deelnemers hierover past het dagelijks bestuur de afspraken tussen de deelnemers over de te vormen reserve toe.

Artikel 22 Begroting

  • 1.

    De begroting van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland is onderverdeeld in één of meerdere programma’s.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting, met daarin opgenomen de algemene financiële en beleidsmatige kadernota voor het betreffende begrotingsjaar evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), voor 30 april voorafgaande aan het jaar waarvoor deze begroting dient aan de gemeenteraden en Provinciale Staten. Het bepaalde in artikel 194 lid 1 van de Provinciewet is van toepassing evenals het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV).

  • 3.

    De gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen hun zienswijze binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de ontwerpbegroting ter kennis brengen aan het dagelijks bestuur.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur besluit op basis van consensus over de ontwerpbegroting, die het dagelijks bestuur op grond van het tweede lid aanbiedt aan de gemeenteraden en Provinciale Staten.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur brengt deze zienswijzen bij aanbieding van de ontwerpbegroting ter kennis van het algemeen bestuur en stelt met consensus een oordeel en conclusies over de zienswijzen vast.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur stelt de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en de Provinciale Staten van de deelnemende provincie schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na vaststelling doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaand aan dat waarvoor de begroting dient naar onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Artikel 23 Wijziging begroting

  • 1.

    Het bepaalde in artikel 22 is mede van toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het algemeen bestuur wordt vastgesteld.

  • 2.

    Het algemeen bestuur mag zonder zienswijzen van gemeenteraden en Provinciale Staten begrotingswijzigingen vaststellen als de deelnemersbijdragen niet omhooggaan. Als het algemeen bestuur zo’n begrotingswijziging vaststelt, stuurt hij deze ter kennisname naar de deelnemers.

Artikel 24 Jaarstukken

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemers te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant.

  • 2.

    De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden en Provinciale Staten toegezonden.

  • 3.

    Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden en Provinciale Staten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming.

  • 4.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt de jaarstukken en de resultaatbestemming vast.

  • 5.

    De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezonden, maar vóór 15 juli.

  • 6.

    Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden. De artikelen 190 tot en met 219 van de Provinciewet zijn op de procedure met betrekking tot de vaststelling van de jaarrekening van overeenkomstige toepassing.

Artikel 25 Bijdrageregeling

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan bij unaniem besluit een bijdrageregeling vaststellen waarin onder andere de afspraken en de verdeelsleutel voor de bijdragen van de deelnemers staan. De gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen hun zienswijze binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de concept bijdrageregeling ter kennis brengen aan het dagelijks bestuur.

  • 2.

    In de begroting staat welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor de uitvoering van de taken van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland.

  • 3.

    De deelnemers zullen er steeds voor zorgdragen dat de regeling te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

  • 4.

    De deelnemers betalen bij wijze van voorschot op de vijftiende dag van de maand een/twaalfde deel van de bedoelde bijdrage.

  • 5.

    Indien het algemeen bestuur blijkt dat een deelnemer weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet deze onverwijld aan het college van Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 Gemeentewet respectievelijk aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 198 en 199 Provinciewet.

Hoofdstuk 9 Toetreden, uittreden, wijzigen en opheffen

Artikel 26 Toetreding

  • 1.

    Een college dat wenst toe te treden, richt het verzoek hiertoe aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Toetreding van het college van burgemeester en wethouders van een andere gemeente of college van Gedeputeerde Staten van een andere provincie tot de regeling is mogelijk voor zover dit niet in strijd is met het bij of krachtens enige wettelijke regeling bepaalde en alle deelnemers, na verkregen toestemming op verzoek tot wijziging van de regeling, hiermee hebben ingestemd.

  • 3.

    Toetreding dient te geschieden per 1 januari van enig jaar.

  • 4.

    Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de toetreding en kan voorwaarden verbinden aan de toetreding, waarbij de belangen van alle deelnemers worden gewogen.

Artikel 27 Wijziging

  • 1.

    Zowel het algemeen bestuur, op voorstel van het dagelijks bestuur, als de colleges van tenminste zeven van veertien deelnemers kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling.

  • 2.

    De regeling en de plaats van vestiging en huisvesting van het openbaar lichaam en de Mobiliteitscentrale Zeeland b.v. kan worden gewijzigd bij een daartoe strekkende gelijkluidende besluiten van alle deelnemende colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten, met inachtneming van artikel 51, tweede en derde lid, van de Wgr.

Artikel 28 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan geheel uit de regeling treden door een daartoe strekkend besluit van het betreffende college en na verkregen toestemming van de betreffende raad, respectievelijk Provinciale Staten.

  • 2.

    In het geval diensten, taken en bevoegdheden door alle colleges die de betreffende diensten, taken en bevoegdheden afnemen hebben gedelegeerd of gemandateerd met ingang van dezelfde datum niet langer worden afgenomen c.q. niet langer worden gedelegeerd of gemandateerd, stellen de colleges met elkaar een plan op waarin alle aspecten en gevolgen daarvan worden geregeld, zodat er geen sprake is van achterblijvende kosten en achterblijvend personeel.

  • 3.

    Een college zendt het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het algemeen bestuur het besluit heeft ontvangen.

  • 4.

    Tenzij het algemeen bestuur een kortere termijn bepaalt, kan de uittreding niet eerder plaatsvinden dan twee volle kalenderjaren na de in het derde lid bedoelde ontvangstdatum.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur zendt een besluit tot uittreding van een deelnemer aan overige deelnemers.

  • 6.

    Tot het moment van de eerste evaluatie, zoals opgenomen in artikel 44 van deze regeling, is toe- of uittreden niet mogelijk.

Artikel 29 Uittredingsplan

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een uittredingsplan vast. Het uittredingsplan regelt de gevolgen van de uittreding.

  • 2.

    Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding voor het openbaar lichaam en de onderliggende kapitaalvennootschappen.

  • 3.

    Het uittredingsplan volgt de systematiek voor berekening van de financiële consequenties van uittreding.

  • 4.

    De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten als bedoeld in artikel 29, lid 5 en 6, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt.

  • 5.

    Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.

  • 6.

    Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig, te maken dan wel te dragen door het openbaar lichaam die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.

  • 7.

    Het openbaar lichaam brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten en de waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt, als bedoeld in artikel 29, lid 4, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom.

  • 8.

    Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.

  • 9.

    De in het derde lid bedoelde systematiek wordt gebaseerd op:

    • a.

      Relevante regelgeving;

    • b.

      Relevante jurisprudentie;

    • c.

      Feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

  • 10.

    Het openbaar lichaam alsmede de uittredende deelnemer is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het algemeen bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

  • 11.

    Bij de berekening van de voorlopige uittreedsom zoals bedoeld in het vierde lid wordt een risico-opslag van tien procent toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen.

  • 12.

    Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

  • 13.

    De uittredende partij betaalt de definitieve uittreedsom binnen drie maanden nadat het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom heeft vastgesteld.

Artikel 30 Externe deskundige

  • 1.

    Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De onafhankelijke deskundige kan, in overleg met het algemeen bestuur, voor specifieke onderdelen van het uittredingsplan andere deskundigen inschakelen.

  • 2.

    De kosten voor het inschakelen van de onafhankelijke externe deskundige en overige ingeschakelde deskundigen voor het opstellen van het uittredingsplan, vallen onder de frictiekosten als bedoeld in artikel 29, vijfde lid.

  • 3.

    Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van meerderheid van stemmen in het algemeen bestuur.

Artikel 31 Uittreedsom

  • 1.

    Ten minste negen maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 29, derde lid en op de vastgestelde jaarrekening van het openbaar lichaam over het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 2.

    Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het algemeen bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 29, derde lid en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding.

  • 3.

    Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het algemeen bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Als de uittredende deelnemer kiest voor betaling in termijnen kan het algemeen bestuur een rentevergoeding in rekening brengen.

Artikel 32 Verplichtingen uittreder

  • 1.

    De uittredende deelnemer is gehouden zich in te spannen om de formatie van het openbaar lichaam (en eventueel onderliggende kapitaalvennootschappen) die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende deelnemer overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel 33 Opheffing

  • 1.

    De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 Wgr, bij een daartoe strekkend besluit van de colleges van tenminste twee derde van de deelnemers.

  • 2.

    Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden en Provinciale Staten.

  • 3.

    Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in de personele, financiële en juridische gevolgen voor het openbaar lichaam en onderliggende juridische entiteiten.

  • 4.

    Zo nodig blijven de organen van het openbaar lichaam ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 10 Archief

Artikel 34 Archiefzorg

Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam.

 

Artikel 35 Archiefbeheer

  • 1.

    De secretaris is belast met het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur stelt voorschriften vast voor het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet naar de archiefbewaarplaats zijn overgebracht.

Artikel 36 Archiefbewaarplaats

Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam wordt aangewezen de archiefbewaarplaats van het Zeeuws Archief.

 

Artikel 37 Toezicht

Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, voor zover deze niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats, is belast de archivaris van Provincie Zeeland.

 

Artikel 38 Verantwoording

  • 1.

    De archivaris van het Zeeuws Archief brengt tweejaarlijks aan het dagelijks bestuur verslag uit over het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam, die nog niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur brengt tweejaarlijks verslag uit aan het algemeen bestuur over de uitoefening van de aan hen opgedragen zorg voor de archiefbescheiden en de uitvoering van het archiefbeheer van de organen van het openbaar lichaam.

Artikel 39 Terbeschikkingstelling

  • 1.

    De deelnemers aan de regeling stellen tijdig aan het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam de archiefbescheiden beschikbaar, die nodig zijn voor de uitvoering van de overgedragen taken. In een verklaring van terbeschikkingstelling worden de periode van terbeschikkingstelling en het toezicht op het beheer van de ter beschikking gestelde archiefbescheiden vastgelegd.

  • 2.

    In de verklaring kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de terbeschikkingstelling.

Hoofdstuk 11 Geschillen, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 40 Geschillen

  • 1.

    De deelnemers aan deze regeling en de bestuursorganen van deze regeling zullen hun onderlinge geschillen zo veel mogelijk in der minne schikken.

  • 2.

    Voordat het algemeen bestuur een besluit over het geschil neemt, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een daartoe in te stellen commissie van wijzen.

  • 3.

    De commissie van wijzen bestaat uit vertegenwoordigers aangewezen door elk van de bij het geschil betrokken partijen en een door deze vertegenwoordigers gezamenlijk aangewezen onafhankelijke voorzitter, eventueel aangevuld met deskundigen.

  • 4.

    De commissie van wijzen brengt aan het algemeen bestuur advies uit over de wijze waarop het geschil kan worden opgelost.

Artikel 41 Informatieveiligheid

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die hij onder zich heeft.

  • 2.

    Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemers moeten voldoen.

Artikel 42 Inwerkingtreding

  • 1.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2.

    Zij treedt in werking op 1 januari 2026. Indien de regeling later dan 1 januari 2026 bekend wordt gemaakt, treedt de regeling de dag na bekendmaking in werking.

Artikel 43 Publicatieblad

Besluiten van het bestuur van het openbaar lichaam die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht worden bekendgemaakt in het publicatieblad van het openbaar lichaam. Het publicatieblad is toegankelijk via een bij regeling van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voorgeschreven algemeen toegankelijk elektronisch medium.

Artikel 44 Evaluatie

  • 1.

    De regeling wordt voor het eerst in 2028 en daarna elke vier jaar geëvalueerd. Het dagelijks bestuur initieert deze evaluatie en legt de uitkomsten van de evaluatie ter beoordeling van de hieraan te verbinden consequenties voor aan het algemeen bestuur. De gemeenteraden en Provinciale Staten kunnen hun zienswijze binnen twaalf weken na de datum van ontvangst van de ontwerpevaluatie ter kennis brengen aan het dagelijks bestuur.

  • 2.

    In de evaluatie die in 2028 of zoveel eerder als wenselijk plaatsvindt worden in ieder geval de financiële afspraken, de stemverhoudingen, de ontwikkeling van de belangrijkste kengetallen onderzocht en de kwaliteit van het vervoerssysteem publiek vervoer.

  • 3.

    Het algemeen bestuur bepaalt voorafgaand aan de uitvoering van de evaluatie het doel, de reikwijdte en de wijze van evaluatie.

Artikel 45 Participatie

  • 1.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid.

  • 2.

    Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken:

    • a.

      bij ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;

    • b.

      indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • c.

      indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • d.

      inzake de tarieven voor dienstverlening;

    • e.

      indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht;

    • f.

      indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving.

  • 3.

    Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.

Artikel 46 Citeertitel

De regeling wordt aangehaald als gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van Gedeputeerde Staten van 16 december 2025.

 

H.M. de Jonge, voorzitter

Drs. M.C.J. Franken, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Borsele op 18 december 2025,

 

G.M. Dijksterhuis, voorzitter

J.M. Jansen, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Goes op 19 december 2025,

 

C. van den Bos,voorzitter

H. Schild, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Hulst op 19 december 2025,

 

I.M.M. Jense-van Haarst, voorzitter

C. Pieters, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Kapelle op 16 december 2025,

 

C.G. Jansen op de Haar, voorzitter

F.W. Leijnse, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Middelburg op 19 december 2025,

 

mr. Y.P. van Mastrigt, voorzitter

G. Kolhorn, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Noord-Beveland op 23 december 2025,

 

drs. G.L. Meeuwisse, voorzitter

mr. B.C.C. Melis, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Reimerswaal op 23 december 2025,

 

J.J. Luteijn, voorzitter

mr. F.L.A.R. Marquinie MBA, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Schouwen-Duiveland op 24 december 2025,

 

J. Chr. van der Hoek, voorzitter

J.M.M. van den Dries, loco-secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Sluis op 18 december 2025,

 

mr. M.M.D. Vermue, voorzitter

S.I. de Kievit-Minnaert, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Terneuzen op 16 december 2025,

 

H.J.A. van Merrienboer, voorzitter

S.I.L. de Waal, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Tholen op 16 december 2025,

 

M.L.P. Sijbers, voorzitter

J.K. Fraanje, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Veere op 23 december 2025,

 

L.A. de Visser, loco-burgemeester

E.T. Israël, secretaris

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente

Vlissingen op 18 december 2025,

 

dhr. drs. A.R.B. van den Tillaar, voorzitter

dhr. drs. R.D.A. Wiskerke, secretaris

 

 

 

Bijlage 1 Toelichting gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland

Inhoudsopgave

 

Algemeen

 

1.1 Inleiding

1.1.1 Wat is de oorsprong van de regeling?

1.1.2 Regionale Mobiliteitsstrategie

1.1.3 Samenwerkende overheden

1.1.4 Structuur

 

1.2 Verhoudingen

1.2.1 GR tot de eigenaren

1.2.2 Collegeregeling

1.2.3 Verlengd lokaal bestuur

 

1.3 Taak

 

1.4 Bestuur

1.4.1 Algemeen bestuur

1.4.2 Dagelijks bestuur

1.4.3 Voorzitter

 

1.5 Ambtenaren

 

1.6 Financiële afspraken komende jaren

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Algemeen

 

1.1. Inleiding

 

1.1.1. Wat is de oorsprong van de regeling?

Het is geen nieuwe gemeenschappelijke regeling. De gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland (GR Publiek Vervoer Zeeland) is een wijziging van de gemeenschappelijke regeling Collectief Vervoer Zeeuws-Vlaanderen (GR CVV). De GR CCV had als deelnemers de colleges en raden van de gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen.

Gelijktijdig met de wijziging op 01-01-2026 van de GR CCV naar de GR Publiek Vervoer Zeeland zijn Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Middelburg, Noord-Beveland, Reimerswaal, Schouwen-Duiveland, Tholen, Veere en Vlissingen toegetreden.

Daarmee zijn alle colleges van alle Zeeuwse gemeenten en de Provincie Zeeland eigenaar van en deelnemer in de GR Publiek Vervoer Zeeland.

 

1.1.2. Regionale Mobiliteitsstrategie

De wijziging van deze gemeenschappelijke regeling is onderdeel de realisatie van de Regionale Mobiliteitsstrategie (RMS). De 13 Zeeuwse gemeenten en de Provincie Zeeland hebben in 2022 samen een Regionale Mobiliteitsstrategie vastgesteld. De GR CVV wordt daarmee omgevormd tot de basis voor een Zeeland brede gemeenschappelijke regeling, de GR Publiek Vervoer Zeeland. De GR Publiek Vervoer Zeeland is een van de stappen in het realiseren van de ambitie zoals geformuleerd in de Regionale Mobiliteitsstrategie om met een nieuwe insteek de stap te maken naar een slim en duurzaam mobiliteitssysteem: publiek vervoer. Hierbij wordt het aanbod afgestemd op de vraag naar mobiliteit.

In dit publiek vervoer systeem speelt de in de Regionale Mobiliteitsstrategie genoemde mobiliteitscentrale een belangrijke rol. Voor de invulling hiervan is de GR Publiek Vervoer Zeeland opgezet. Deze gemeenschappelijke regeling bouwt voort op het succes van de huidige Gemeentelijke Vervoercentrale Zeeland (GVZ BV).

 

1.1.3. Samenwerkende overheden

De deelnemende overheden werken vrijwillig samen in de GR Publiek Vervoer Zeeland. Er zijn geen wettelijke vereisten die op de taken van publiek vervoer Zeeland samenwerking vereisen dan wel een specifieke schaal vereisen. Ook het samenwerken in een gemeenschappelijke regeling kent geen wettelijke verplichtingen. Overigens laat het feit dat deze samenwerking vrijwillig is aangegaan onverlet dat deelnemers verplicht zijn hun medewerking te geven aan de uitvoering van de besluiten die het bestuur van het samenwerkingsverband neemt (artikel 10a, eerste lid, Wet gemeenschappelijke regelingen). Onderliggend doel van de samenwerking is het organiseren van publiek vervoer en doelgroepenvervoer in Zeeland.

Samenwerking in een gemeenschappelijke regeling is te beschrijven als verlengd lokaal bestuur. Met deze samenwerking dragen de colleges – met toestemming van de gemeenteraden en Provinciale Staten – de uitvoering van taken voor publiek vervoer over of op aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. Daarmee liggen deze beslissingsbevoegdheden over deze uitvoering (dus) niet meer bij de individuele colleges of collegeleden. Artikel 4 werkt deze bevoegdheden uit en benoemt waar er sprake is van delegatie (overdragen bevoegdheden) of mandaat (opgedragen bevoegdheden).

Het algemeen bestuur en dagelijks bestuur van de GR Publiek Vervoer Zeeland besluiten op basis van in de gemeenschappelijke regeling vastgelegde stemverhoudingen. Deze overdracht betekent dat het algemeen bestuur en dagelijks bestuur als collegiaal bestuursorgaan beslissingen nemen. In artikel 12 komt het collegiale karakter van het dagelijks bestuur tot uitdrukking in het streven naar consensus.

Zoals gezegd is deze samenwerking een samenwerking tussen colleges. Dat noemen we een collegeregeling. Dit betekent dat de gemeenteraden en Provinciale Staten hun krachtens artikel 13 en artikel 57 Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) toekomende bevoegdheid behouden tot het vaststellen van beleid (kaderstellende rol). Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de bevoegdheden van de gemeenteraad op grond van artikel 2.1.2 Wmo 2015. Daarin staat dat gemeenteraden periodiek een plan vaststellen voor het door het gemeentebestuur te voeren beleid voor maatschappelijke ondersteuning. De gemeenteraden behouden ook de bevoegdheden om bij verordening regels vast te stellen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de voornoemde taken en te verrichten handelingen.

Met inachtneming van voornoemde kaders hebben de gemeenteraden en Provinciale Staten vervolgens ook de specifieke (jaarlijks uit te oefenen) bevoegdheid tot het inbrengen van zienswijzen op de begroting van de GR Publiek Vervoer Zeeland. De wijziging van de Wgr in 2022 maakt het mogelijk dat meerdere onderwerpen verplicht aan de gemeenteraden en Provinciale Staten moeten worden voorgelegd voor een zienswijze. Die procedure voor het besluit om een zienswijze aan de raden en Provinciale Staten te vragen door het algemeen bestuur staat in artikel 9, zesde lid van de GR Publiek Vervoer Zeeland. Voor de GR Publiek Vervoer Zeeland zijn enkele verplichte onderwerpen opgenomen. Namelijk bij de resultaatsbestemming (zie artikel 24 derde lid), de concept bijdrageregeling (zie artikel 25 eerste lid) en de evaluatie in artikel 44.

 

1.1.4. Structuur

Het openbaar lichaam heeft als hoofdtaak het organiseren van publiek vervoer in Zeeland en het organiseren van doelgroepenvervoer en leerlingenvervoer in Zeeland.

 

1.2. Verhoudingen

 

1.2.1. GR tot de eigenaren

Het openbaar lichaam is de zwaarste variant van samenwerking, omdat hier volledige rechtspersoonlijkheid aan toekomt en hij een geleed bestuur kent. Dat laatste wil zeggen dat er meerdere bestuursorganen zijn, waarbij het ‘hoogste’ orgaan de andere controleert. In dit geval zijn er het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Aan het openbaar lichaam kunnen in beginsel alle bevoegdheden ‘tot regeling en bestuur’ worden opgedragen of overgedragen. Een openbaar lichaam heeft voor de wet een eigen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, kan bezittingen en schulden hebben, personeel in dienst nemen, contracten sluiten, rechtszaken aanspannen of zelf aangeklaagd worden.

 

1.2.2. Collegeregeling

De vorm van samenwerking tussen colleges van burgemeester en wethouders en Gedeputeerde Staten noemen we een collegeregeling. Het samenwerkingsverband is een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen (hierna: Wgr).

Dit betekent ook dat er van rechtswege geen andere bevoegdheden kunnen worden overgedragen of opgedragen dan bevoegdheden van de colleges. In deze regeling zijn de bevoegdheden ook alleen collegebevoegdheden op het gebied van uitvoering van de taak tot het organiseren van publiek vervoer in Zeeland.

 

1.2.3 Verlengd lokaal bestuur

Dat het hier gaat om verlengd lokaal bestuur maakt dat het bestuur van de GR Publiek Vervoer Zeeland bijzondere verplichtingen voor gevraagde en ongevraagde informatieverstrekking en het afleggen van verantwoording kent. Om de belangen van de deelnemers verder te borgen, bevat de gemeenschappelijke regeling – in aanvulling op wat de Wet gemeenschappelijke regelingen voorschrijft – afspraken over de gewenste stemverhoudingen (waaronder het uitgangspunt van consensus, en in bepaalde gevallen de mogelijkheid van afwijking daarvan) voor besluitvorming in het bestuur voor bepaalde belangrijke besluiten.

 

1.3. Taak

De deelnemende colleges van burgemeester en wethouders dragen de zorg voor het doelgroepenvervoer zoals bedoeld in de Wmo 2015 over aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. De kaderstellende bevoegdheden blijven bij de gemeenteraden liggen.

Gedeputeerde Staten heeft in de Wet Personenvervoer de taak gekregen om de coördinatie en afstemming van het openbaar vervoer in de provincie te voeren en ook concessies te verlenen, wijzigen of in te trekken voor openbaar vervoer, niet zijnde trein. Gedeputeerde Staten draagt deze bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies niet over aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. Het gaat vooral om het afstemmen en coördineren met andere vormen van vervoer wat door GR Publiek Vervoer Zeeland in de breedte wordt gedaan, ook met andere vormen van vervoer zoals doelgroepenvervoer en flexvervoer.

Elk college van burgemeester en wethouders heeft in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (vervoer), Leerlingenvervoer en de Jeugdwet taken om de coördinatie en afstemming van het doelgroepenvervoer en leerlingenvervoer in de eigen gemeente te voeren en daarvoor ook concessies te verlenen, wijzigen of in te trekken. Het college draagt deze bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van de concessies niet over aan de GR Publiek Vervoer Zeeland. Het gaat vooral om het afstemmen en coördineren met andere vormen van vervoer wat door GR Publiek Vervoer Zeeland in de breedte wordt gedaan, ook met andere vormen van vervoer zoals openbaar vervoer en flexvervoer.

De gemeenteraden en Provinciale Staten behouden hun zeggenschap en mogelijkheden tot kaderstelling. Dat de afzonderlijke gemeenteraden bevoegd blijven deze algemene kaders vast te stellen, vergt dat de gemeenteraden – omwille van efficiency en effectiviteit – ernaar streven dat deze algemene kaders zo veel mogelijk een uniforme inhoud hebben. Dit impliceert dus actieve bestuurlijke afstemming vooraf, voor zover het gaat om de taken van de GR Publiek Vervoer Zeeland.

De taken die deelnemers bij aanvang van de GR Publiek Vervoer beleggen zijn:

  • Regievoeren inclusief contractbeheer over OV concessie, Flex en contracten doelgroepen vervoer (inclusief jeugdzorg en leerlingenvervoer).

  • Regievoeren is inclusief regievoeren over de financiële administratie voor de uitvoering van deze contracten (inclusief jeugdzorg en leerlingenvervoer). Dit betekent dat de GR Publiek Vervoer Zeeland zorgt voor rechtmatige betalingen voor gemeenten en de Provincie Zeeland.

  • Front office functie naar de reiziger. Dit betekent klantenservice en klachtenafhandeling.

  • Beheer van WMO registratie software.

  • Operationeel aansturen (operators en planners) van vervoerscontracten waarover de Vervoercentrale regie voert (zoals Flex en doelgroepenvervoer).

  • Datamanagement, monitoring en evaluatie zodat gestuurd kan worden op kritieke prestatie-indicatoren (KPI’s).

  • Uitwerken en implementeren van (vastgesteld) beleid om de toegankelijkheid van publiek vervoer voor alle burgers te bieden. Dit betekent onder andere dat vervoer aansluit bij de indicatie en er beleid is voor reisproducten voor minima. Andersom moet geborgd worden dat reizen met publiek vervoer ook aansluit bij het (keukentafel)gesprek van de WMO consulent.

  • Uitwerken en implementeren van (vastgesteld) beleid om de bereikbaarheid van voorzieningen te versterken/optimaliseren. Hierbij gaat het om beleidsadvisering over een juiste inzet van vervoer die door de Vervoercentrale wordt aangestuurd. Dit optimaliseren richt zich daarbij ook op kosteneffectiviteit. In deze rol geeft de Vervoercentrale/GR ook gevraagd en ongevraagd beleidsondersteunend advies aan de gemeenten en Provincie Zeeland.

  • Uitwerken en implementeren van betaal- en boekingsproducten publiek vervoer. Hierbij gaat het om betaalproducten voor bepaalde reizigersgroepen en koppeling van dienstverleners met op zichzelf staande proposities (zoals de zogenaamde MaaS dienstverleners), met reisadvies op maat bij het plannen, boeken en betalen van al het mogelijke vervoer via apps.

  • Uitwerken en implementeren van beleid om binnen publiek vervoer de aansluiting met bewonersinitiatieven, bedrijventerreinen, toeristensector en onderwijs te ondersteunen en versterken.

  • Publiekscommunicatie en communicatie met klanten over publiek vervoer. De vervoerscentrale zorgt voor een eenduidige communicatie over alle zaken die de primaire dienstverlening publiek vervoer aangaan.

     

Taak / Dienst

Verantwoor-delijkheid

Uitvoering

Wie betaalt

Opmerkingen / relatie ‘in opdracht geven’ vs ‘overdragen’

OV-busconcessie

Provincie

GR adviseert en voert regie contract

Provincie

‘In opdracht geven’: Provincie blijft verantwoordelijk.

Flexibel vraagafhankelijk vervoer (Flex)

GR

GR beslist en voert regie contract

Provincie*

‘Overdragen’: GR krijgt uitvoerende en beleidsmatige verantwoordelijkheid binnen afgesproken kaders

Vraaggestuurd doelgroepenvervoer Wmo / Jeugdzorg (Flex)

GR

GR beslist en voert regie contract

Gemeenten*

‘Overdragen’: GR krijgt uitvoerende en beleidsmatige verantwoordelijkheid binnen afgesproken kaders

Routegebonden leerlingenvervoer / dagbestedings-vervoer / jeugdzorgvervoer

 

Gemeenten

GR adviseert en voert regie contract

Gemeenten

‘In opdracht geven’: Gemeente blijft verantwoordelijk.

 

*Voor Flex geldt het volgende. Volgens de Regionale Mobiliteitsstrategie gaat het om een verantwoordelijkheid van de Provincie en de gemeenten. Bij de start legt de Provincie budget in. De gemeenten doen dit door ongebruikte capaciteit in het vraaggestuurd doelgroepenvervoer in te leggen. In de toekomst kan het gebeuren dat het gebruik veel groter wordt dan verwacht. Dan zijn er twee mogelijkheden:

  • De spelregels aanpassen om daarmee op het gebruik te sturen.

  • Extra budget inleggen. Dit is dan een gezamenlijke overweging en inbreng van de Provincie en de gemeenten.

Bij uitbreiding van Flex moet het algemeen bestuur bespreken hoe de kosten verdeeld worden over provincie en gemeenten.

 

1.4. Bestuur

De GR Publiek Vervoer Zeeland kent drie bestuursorganen:

  • 1)

    een algemeen bestuur

  • 2)

    een dagelijks bestuur

  • 3)

    een voorzitter

Hieronder volgt meer uitleg over deze drie bestuursorganen en hun werking.

 

1.4.1. Algemeen bestuur

Het algemeen bestuur is een collegiaal bestuur bestaande uit 14 leden. Ieder deelnemend college mag uit zijn midden een lid aanwijzen, met de mogelijkheid van plaatsvervanging.

Het algemeen bestuur wijst de leden van het dagelijks bestuur aan. Het algemeen bestuur moet ook een plaatsvervangend voorzitter aanwijzen. Het ligt voor de hand dat het algemeen bestuur hiervoor een van de andere aan te wijzen leden van het dagelijks bestuur aanwijst.

Het algemeen bestuur stelt de algemene kaders voor de uitvoering en het vaststellen van de begroting en jaarrekening. Het algemeen bestuur kent een gewogen stemverhouding, dat wil zeggen naar rato van het inwonertal van de deelnemende gemeente. Voor de Provincie Zeeland is een vast aantal stemmen vastgesteld in artikel 9. In artikel 9 worden de gemeenten in twee categorieën ingedeeld, te weten A en B. De stemgewichten zijn per categorie ingedeeld. Iedere gemeente met minder dan 35.000 inwoners heeft 2 stemmen (A). Gemeenten B met een inwonersaantal van 35.000 of meer hebben ieder 4 stemmen in het algemeen bestuur.

Een concreet voorbeeld. Een gemeente valt bij het begin van de regeling in categorie A, met 34.215 inwoners. Door het bijbouwen van een wijk krijgt deze gemeente 37.481 inwoners. Dat betekent dat deze gemeente, op het moment dat de stemverhoudingen worden aangepast (eens in de 4 jaar), in de categorie B valt en dus 4 stemmen in het algemeen bestuur krijgt. Daarmee is de stemverhouding toekomstbestendig.

Besluitvorming en stemming in het algemeen bestuur geschiedt bij meerderheid van stemmen, tenzij voor een bijzonder onderwerp daarvoor in de GR een uitzondering is gemaakt. Beraadslaging in het algemeen bestuur gebeurt in het openbaar. Artikel 22 lid 3 tot en met 5 Wgr regelen deze openbaarheid en de mogelijkheid om deuren te sluiten als een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter dat beslist. Als dat het geval is, beslist het algemeen bestuur of achter gesloten deuren wordt vergaderd. Zie ook artikel 8, vierde lid, van de regeling.

Op grond van artikel 23 Wgr kan in een besloten vergadering van het algemeen bestuur geheimhouding worden opgelegd over het in die vergadering besprokene. Dit artikel bevat ook bepalingen voor het weer opheffen van die geheimhouding. Is deze geheimhouding niet opgeheven, dan zijn de leden van het algemeen bestuur daaraan ook gehouden bij het afleggen van verantwoording aan hun colleges van burgemeester en wethouders, raden en Staten.

 

1.4.2. Dagelijks bestuur

Het dagelijks bestuur voert het dagelijks bestuur over de gemeenschappelijke regeling. Ook het dagelijks bestuur is een collegiaal bestuur. Het dagelijks bestuur bestaat uit vier leden, inbegrepen de voorzitter. In de regeling staat een dwingende samenstelling van het dagelijks bestuur. Hiervoor is gekozen om alle deelnemers dichtbij vertegenwoordigd te kunnen laten zijn. Gekozen is voor samenstelling van het dagelijks bestuur te laten bestaan uit één bestuurslid vanuit de Provincie Zeeland, één bestuurslid uit Zeeuws-Vlaanderen, één bestuurslid uit de Oosterschelderegio (dus uit de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Tholen en Schouwen-Duiveland) en tot slot één lid uit de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen.

In artikel 11 staat dat het dagelijks bestuur nooit de meerderheid mag uitmaken in het algemeen bestuur. Dit staat ook in de Wgr in artikel 14, derde lid. In dit geval wordt niet alleen getalsmatig (dus minder dan de helft van het aantal AB-leden) bedoeld. Ook moet het dagelijks bestuur een minderheid qua stemmen hebben in het algemeen bestuur. Daarbij wordt uitgegaan van een voltallig aanwezig algemeen bestuur.

In het dagelijks bestuur wordt gestreefd naar besluitvorming bij consensus. Het streven naar consensus moet bijdragen aan het goed afwegen van belangen en zoeken naar gezamenlijk gedragen besluiten. Het verplichten van consensus werkt als het geven van vetorechten aan ieder lid van het dagelijks bestuur. Dat is niet wenselijk en komt de wijze van besluiten in potentie niet ten goede. Daarom wordt gestreefd naar consensus maar besluit het dagelijks bestuur bij gewone meerderheid. Ieder lid van het dagelijks bestuur heeft één stem. Dit betekent dat wanneer alle leden van het dagelijks bestuur deelnemen aan de vergadering tenminste drie leden moeten instemmen om hieraan te voldoen.

 

1.4.3. Voorzitter

Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden zijn voorzitter aan. De voorzitter van het algemeen bestuur is automatisch (op grond van bepalingen in de Wgr) voorzitter van het dagelijks bestuur. In de eerste zes jaren na inwerkingtreding van de regeling wordt een van de leden van het uit Zeeuws-Vlaanderen aangewezen als voorzitter. De GR Publiek Vervoer Zeeland komt voort uit de GR CVV. Na verloop van deze zes jaren rouleert iedere vier jaar het voorzitterschap tussen de Provincie Zeeland en de deelnemende gemeenten.

Het algemeen bestuur is verplicht om een plaatsvervangend voorzitter te kiezen. Deze plaatsvervangend voorzitter moet ook lid zijn van het dagelijks bestuur.

 

1.5. Ambtenaren

De regeling geeft de mogelijkheid om te werken met eigen personeel. In de regeling is de bevoegdheid, in lijn met de Wgr, neergelegd bij het dagelijks bestuur om personeel aan te nemen, te schorsen en te ontslaan. De GR Publiek Vervoer Zeeland start alleen met een secretaris.

 

1.6. Financiële afspraken komende jaren

Voor de eerste vier jaren – met een evaluatie in 2028 – worden de budgetten van het doelgroepenvervoer en het openbaar vervoer gefixeerd. Dit geldt vanaf 1 januari 2026. Met het fixeren wordt voor een periode van vier jaren zekerheid over de hoogte van het budget en de kosten gegeven.

 

Fixeren betekent dat de kosten voor het doelgroepenvervoer voor een langere tijd worden vastgezet. Dat betekent dat de kosten van het doelgroepenvervoer niet stijgen maar ook dat deze niet dalen tijdens de looptijd. Na afloop van de periode van fixatie worden de afspraken in samenspraak herijkt. Tussentijds vindt er in 2028 een evaluatie plaats. De enige uitzondering hierop zijn de kosten van vraagafhankelijk jeugdzorgvervoer, omdat de kosten van dit vervoer door de jaren heen sterk schommelen. Hiervoor is er elk jaar een evaluatie.

 

Het fixeren van budgetten is gedaan om ruimte te bieden om samen met de gemeenten en de Provincie Zeeland te komen tot een optimaal vervoerssysteem voor de reizigers in Zeeland. Zonder allerlei moeilijke vraagstukken over kostenverrekening. Op deze manier kan stap voor stap gewerkt worden aan het inregelen van het publiek vervoer met telkens de reiziger centraal zoals dat ook in de Regionale Mobiliteitsstrategie bedoeld is.

 

Er wordt daarmee ruimte gegeven om voorstellen te doen om beleidskeuzes te maken (of voor te bereiden) die passend zijn voor de specifieke omgeving: ruimte voor initiatieven, ruimte voor projecten en experimenten. Dat is nodig omdat een dergelijk publiek vervoerssysteem nog nergens in Nederland bestaat. En omdat elke situatie toch weer net iets anders zal vragen. Zo kan binnen een flexibel systeem maatwerk voor een regio, gemeente of gebied worden ontwikkeld. Dat betekent dat de reiziger altijd voorop staat.

 

Hiermee krijgen we ook ruimte om beleidsvoorstellen uit te denken, uit te proberen en mogelijk aan te passen. De verwachting is namelijk niet dat op basis van een blauwdruk het gehele vervoersysteem in een keer kan worden ingeregeld. Dat vraagt focus en aandacht om stap voor stap te komen tot het optimaal inregelen. Dat vraagt ook om voor een langere periode duidelijkheid over de financiering te hebben zodat daarmee ook de operationele ruimte blijft bestaan.

 

De verwachting is dat met het optimaal inrichten van het publiek vervoer meer bereikbaarheid voor de reiziger kan worden geboden. Maar in eerste instantie staat de leefbaarheid in Zeeland voorop. Dat kan worden verbeterd door bijvoorbeeld meer op- en uitstapplaatsen te maken of de spelregels (bijvoorbeeld de tijden) aan te passen.

 

Als beleidstaken (onderdeel midoffice) worden uitgebreid dan is dit een besluit van het algemeen bestuur en worden deze voor 30% toebedeeld aan gemeenten en 70% aan Provincie Zeeland.

 

2. Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1

Hierin staan enkele definities van meerdere keren gebruikte begrippen.

 

Artikel 2

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.

De uitvoering vindt plaats binnen de Mobiliteitscentrale Zeeland b.v.

 

Artikel 3

Artikel 10 Wgr schrijft voor dat een regeling het belang of de belangen waarvoor zij is aangegaan vermeldt. Onder ´belang´ wordt verstaan het beleidsterrein, of de beleidsterreinen waarop wordt samengewerkt. Met het vastleggen van de belangen wordt het werkterrein van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland afgebakend.

 

Artikel 4

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. De bevoegdheden van de GR Publiek Vervoer Zeeland zijn onder meer de activiteiten die worden ontplooid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Wet personenvervoer 2000. Het vervoer van leerlingen vindt de wettelijke basis in de Wmo, Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs.

 

Artikel 5

Dit artikel geeft weer aan welke voorwaarden moet worden voldaan als een deelnemer de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland vraagt om een aanvullende taak uit te voeren. Doel van dit artikel en het daarin beschreven proces is dat andere deelnemers en de primaire taakuitvoering geen hinder ondervinden van een aanvullende taak.

Verder staat in artikel 5 dat de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland ook voor niet deelnemers taken mag verrichten en onder welke voorwaarden dat kan. Bij aangaan van de regeling is in ieder geval voor de gemeente Goeree Overflakkee sprake van het uitvoeren van een aanvullende taak voor een niet-deelnemer.

 

Artikel 6

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.

 

Artikel 7

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.

 

Artikel 8

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.

 

Artikel 9

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. Bij het begin van de regeling zijn de inwonersaantallen en de stemverhoudingen als volgt:

Dit zijn de inwoneraantallen per 1 januari 2023. De inwoneraantallen per 1 januari 2025 hebben geen invloed op de stemverhouding.

 

Artikel 10

Dit artikel geeft duiding aan de informatieplicht van het algemeen bestuur en zijn leden afzonderlijk. Aangezien de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer datagedreven gaat werken en daarvoor ook veel bedrijfsgevoelige data zal verwerken, zal aan de voorkant worden aangegeven of informatie openbaar kan worden verstrekt of onder een plicht van geheimhouding.

 

Artikel 11

Eerste lid. De samenstelling van het dagelijks bestuur borgt een verdeling tussen de deelnemers, waarbij één lid voortkomt uit Gedeputeerde Staten, één lid uit Zeeuws-Vlaanderen (ook de eerste jaren voorzitter), één lid komt voort uit de Oosterschelderegio en één lid komt voort uit de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen.

Tweede lid. In de Wgr is bepaald dat het dagelijks bestuur nimmer de meerderheid mag vormen in het algemeen bestuur. Wanneer dit wel het geval zou zijn, boet het algemeen bestuur sterk in op zijn toezichthoudende rol.

Wanneer in de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland een dagelijks bestuur wordt gekozen moet rekening worden gehouden dat bij aanvang niet alleen B gemeenten en de Provincie Zeeland in het dagelijks bestuur worden gekozen. Het aantal stemmen dat het dagelijks bestuur vertegenwoordigt moet 24 of minder zijn. Dit betekent, met de vertegenwoordiger van de Provincie Zeeland die 14 stemmen vertegenwoordigt in het algemeen bestuur, dat de drie overblijvende leden samen maximaal 10 stemmen kunnen vertegenwoordigen.

 

Artikel 12

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.

 

Artikel 13

Tweede lid. Met het vastleggen van een minimaal aantal vergaderingen van vier per kalenderjaar is richting gegeven aan de minimale frequentie. Hieraan wordt al voldaan als de Planning Control cyclus ontwerpbegroting, weging zienswijze, jaarrekening en rapportages worden geagendeerd.

Vijfde lid. Hiermee wordt richting gegeven aan de actieve informatieplicht van het dagelijks bestuur.

 

Artikel 14

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.

 

Artikel 15

Dit artikel beschrijft dat het dagelijks bestuur verantwoording aflegt aan het algemeen bestuur. Het is niet gebruikelijk dat het dagelijks bestuur zijn toezichthouder passeert in het afleggen van verantwoording aan de gemeenteraden en/of Provinciale Staten. Dit geschiedt uit de rol van algemeen bestuurslid.

 

Artikel 16 en 17

Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden zijn voorzitter aan; de voorzitter van het algemeen bestuur is automatisch (op grond van artikel 12 en artikel 13, negende lid Wgr) voorzitter van het dagelijks bestuur. In de eerste zes jaren na inwerkingtreding van de regeling wordt een van de algemeen bestuur leden uit Zeeuws-Vlaanderen aangewezen als voorzitter. De gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland komt voort uit de gemeenschappelijke regeling Collectief Vervoer Zeeuws-Vlaanderen. Na verloop van deze zes jaren rouleert iedere vier jaar het voorzitterschap tussen de Provincie Zeeland en de deelnemende gemeenten.

Het algemeen bestuur kiest een plaatsvervangend voorzitter. De plaatsvervangend voorzitter moet lid zijn van het dagelijks bestuur.

De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.

 

Artikel 18

Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.

 

Artikel 19

In artikel 19 staan de twee vormen van commissies die mogelijk zijn in een openbaar lichaam. Hierin zijn zowel de commissies ingevolge artikel 24 Wgr (commissies van advies) en artikel 25 (bestuurscommissie met bevoegdheden) beschreven.

Er is nog een derde mogelijkheid: de gemeenschappelijke adviescommissie (artikel 24a Wgr). Die staat in lid 6 van dit artikel. De Wgr regelt dit verder.

 

Artikel 20

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 21

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 22

Artikel 22 geeft het proces weer waarmee de begroting voor de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland tot stand komt. Dit proces is geheel in lijn met artikel 59 Wgr.

In het eerste lid van dit artikel staat dat de begroting van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland bestaat uit één of meerdere programma’s. Bij aanvang is dat het programma publiek vervoer dat onderverdeeld is in subprogramma’s. De uitvoeringskosten van de Mobiliteitscentrale b.v., waar de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland enig aandeelhouder van is, komen terug in de begroting van de gemeenschappelijke regeling.

In het vierde lid staat dat het dagelijks bestuur over de ontwerpbegroting met consensus moet besluiten. Deze verzwaring is in de regeling vastgelegd om het belang van alle deelnemers in de regeling zo goed mogelijk te borgen. Het dagelijks bestuur bestaat uit vier leden vanuit verschillende deelgebieden in Zeeland, een afspiegeling van de grootte van de gemeenten en de provincie.

De weging van de zienswijzen die de gemeenteraden en Provinciale Staten naar het dagelijks bestuur sturen in reactie op de ontwerpbegroting wordt met consensus vastgesteld. Daarna stuurt het dagelijks bestuur deze naar de gemeenteraden, Provinciale Staten en het algemeen bestuur.

 

Artikel 23

We starten in de begroting van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer met het programma publiek vervoer dat onderverdeeld is in subprogramma’s. Ook starten we met gefixeerde bijdragen. Daardoor zullen er weinig tot geen begrotingswijzigingen zijn.

Is er sprake van een begrotingswijziging die ervoor zorgt dat de bijdrage van de deelnemers hoger wordt? En dus het budgetrecht van gemeenteraden en Provinciale Staten raakt, dan kunnen gemeenteraden en Provinciale Staten hun zienswijze geven. Deze begrotingswijzigingen volgen de periodieke financiële rapportages.

Is er sprake van een begrotingswijziging zonder financiële gevolgen voor de deelnemers, bijvoorbeeld een verschuiving tussen de subprogramma’s, dan mag het algemeen bestuur deze begrotingswijziging vaststellen zonder een zienswijze van gemeenteraden en Provinciale Staten te vragen. Dit tast namelijk niet het budgetrecht van de deelnemers aan. In de eigen financiële verordeningen van de deelnemers kunnen bepalingen vastliggen hoe de raad of de Provinciale Staten omgaan met begrotingswijzigingen die gevolgen hebben voor meerdere interne budgetten, doelstellingen, of programma’s.

 

Artikel 24

Het aanbieden van de ontwerpjaarrekening wordt gelijktijdig gedaan met het aanbieden van de ontwerpbegroting. Door gelijktijdig aanbieden zijn de gemeenteraden en Provinciale Staten in staat om zowel terug te kijken als vooruit te kijken.

 

Artikel 25

In de bijdrageregeling worden nadere afspraken over de begroting van de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer gemaakt, alsmede over de verdeling van de gemeenschappelijke kosten over de deelnemers.

 

Artikel 26 en 27

Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.

 

Artikelen 28 tot en met 33

Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling moet bepalingen bevatten over wijziging, opheffing, toetreding en uittreding (artikel 9 Wgr). In de wijziging van de Wgr ingaand per 2022 staat dat de bepalingen over uittreden meer omvattend en verplichtend worden. De artikelen 28 tot en met 32 van deze regeling geven het proces dat moet worden doorlopen wanneer één of meerdere deelnemers geheel uit de regeling wensen te treden.

Met deze artikelen wordt niet alleen een gedegen proces vastgelegd. Ook wordt ervoor gezorgd dat een latende partij (de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer Zeeland) zo min mogelijk negatieve effecten ervaart (bijvoorbeeld financieel nadeel) van een uittreden. Als de gemeenschappelijke regeling Publiek Vervoer wel een financieel nadeel zou ondervinden, dan kan dit resulteren in een hogere bijdrage van de resterende deelnemers. De opgenomen procedure voorziet niet in een boeteclausule voor een vertrekkend deelnemer. Het proces is ingericht op reële kosten.

 

Artikelen 34, 35, 37 tot en met 44 en 46

Deze artikelen vergen geen nadere toelichting.

 

Artikel 36

In geval van gemandateerde taken worden met de desbetreffende deelnemer aanvullende afspraken gemaakt over het informatie- en archiefbeheer.

 

Artikel 45

Participatie is erg belangrijk. Het perspectief van de reiziger is niet voor niets het uitgangspunt bij deze systeemverandering. Betrokkenheid van de reiziger is dan ook essentieel om het systeem van publiek vervoer te optimaliseren.

Dit artikel biedt de mogelijkheid voor participatie.

Om participatie te bevorderen gaat er, zonder volledig te zijn, in ieder geval periodiek overleg plaatsvinden met:

  • het Overleg Platform Openbaar Vervoer Zeeland (OPOV). Het OPOV adviseert Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland (de concessieverlener) en de bus- en ferryvervoerders (beide concessiehouders) over beleid en uitvoering. Dit gebeurt gevraagd en ongevraagd.

  • een vertegenwoordiging van bewoners uit de verschillende Zeeuwse regio’s

  • verschillende maatschappelijke stakeholders zoals werkgevers, ouderenbonden, recreatiesector, onderwijs en zorginstellingen.

Binnen de Mobiliteitscentrale komt er een medewerker met als opdracht invulling te geven aan deze participatie en daarover elk jaar te rapporteren aan het algemeen bestuur. Ook doen we elk jaar een kwaliteitsonderzoek. We onderzoeken dan hoe de burgers publiek vervoer ervaren.

Naar boven