Regeling van Gedeputeerde Staten van de provincie Noord-Brabant van 16 december 2025 tot vaststelling van een subsidieregeling voor de versterking van de biodiversiteit in het landelijk gebied (Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0)
Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant,
Besluiten vast te stellen de volgende regeling:
Gelet op artikel 2 van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;
Overwegende dat de Adviescommissie Catalogus Groenblauwe Diensten bij besluit van 20 november 2025 heeft geoordeeld dat de subsidieregeling voldoet aan de criteria van Catalogus Groenblauwe Diensten;
Overwegende dat Gedeputeerde Staten met het vaststellen van deze subsidieregeling groenblauwe dooradering van het Brabantse landschap wil bevorderen om zo, door de vergroting van het aantal landschapselementen, de biodiversiteit en landschapskwaliteit duurzaam te behouden en versterken, en Brabanders te verbinden met de natuur;
Overwegende dat Gedeputeerde Staten tevens tot doel hebben daarbij samen te werken met de gemeenten en waterschappen in de provincie Noord-Brabant en dat deze samenwerking bestaat uit de inzet van financiële middelen door zowel de provincie Noord-Brabant als de gemeenten en waterschappen;
Overwegende dat het beschikbaar te stellen budget en de thema’s waarvoor dit budget beschikbaar is, keuzes zijn die gemeenten en waterschappen op grond van hun autonomie maken;
Artikel1 Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
actieve landbouwer: natuurlijke of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke of rechtspersonen die ten minste een minimumniveau aan landbouwactiviteit verrichten, als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, van Verordening 2021/2115 en nader gedefinieerd in het Strategisch GLB-plan onder 4.1.4.;
agrarische grond: grond met een agrarische bestemming die gebruikt wordt als gras-, tuinbouw- of akkerbouwland en waar wordt beweid met vee of waar gewassen worden geoogst of grond met een natuur bestemming die agrarisch wordt gebruikt;
Asv: Algemene subsidieverordening Noord-Brabant;
bebouwde kom: gebied als bedoeld in artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;
beheertypenkaart: kaart als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, van de Subsidieregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Brabant 2016;
Catalogus Groenblauwe Diensten: set van steunmaatregelen waaraan de Europese Commissie met het goedkeuringsbesluit SA.44848 goedkeuring heeft verleend;
EVZ: ecologische verbindingszone, zijnde een gebied waarbinnen natuur- en landschapselementen zijn of worden gerealiseerd, gericht op het verbinden van natuurgebieden, en dat is aangewezen en begrensd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant;
functiewijziging: het wijzigen van de functie van de grond van agrarische grond naar natuur ten behoeve van een landschapselement;
geopackage: één bestand dat een database vormt voor geografische informatie;
grasland: perceel met de aanduiding ‘blijvend grasland’ in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland;
groenblauwe dooradering: netwerk van natuurlijke landschapselementen in het landelijk gebied;
grote onderneming: onderneming waar minstens 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR overschrijdt, zoals bepaald in artikel 2, bijlage I, van Verordening(EU) 2022/2472, PBEU 2022 L327;
inrichtingsplan: plan dat tenminste bevat de locatieaanduiding van het project, een schaalgrote van maximaal 1:2.000, een legenda, een topografische ondergrond en een kadastrale aanduiding;
Kaderrichtlijn Water: Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PbEU 2000, L 327);
landbouwgrond: grond waarop enige vorm van landbouw wordt of onmiddellijk kan worden uitgeoefend;
landschapselement: natuurelement in het landschap met een natuurwetenschappelijke of landschappelijke betekenis;
natuurbeheertype: soort natuur als beschreven in de Index Natuur en Landschap, te raadplegen via de website https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/;
NNN; Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in artikel 2.44, vierde lid, van de Omgevingswet, zijnde een samenhangend netwerk van natuurgebieden, dat van nationaal en internationaal belang is en het veiligstellen van ecosystemen als doel heeft, als aangewezen en begrensd in de Omgevingsverordening Noord-Brabant;
realisatie: eenmalige initiële werkzaamheden;
veldcoördinator Stimuleringsregeling Landschap: op het gebied van natuur- en landschapsinrichting deskundig contactpersoon, verbonden aan het Coördinatiepunt Landschapsbeheer, die (potentiële) aanvragers begeleidt bij het doen van een aanvraag;
verordening 2021/2116: Verordening (EU) 2021/2116 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 1306/2013 (PbEU 2021, L 4350;
verordening 2021/2115: Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013 (PbEU 2021, L 435).
Artikel2 Doelgroep
1.
Subsidie op grond van deze regeling kan worden aangevraagd door:
a.
een terreinbeherende organisatie, zijnde een privaatrechtelijke rechtspersoon, die eigenaar, pachter of erfpachter is van grond;
b.
een particuliere grondbeheerder, zijnde een natuurlijk persoon, die eigenaar, pachter of erfpachter is van grond;
c.
een samenwerkingsverband van terreinbeherende organisaties en particuliere grondbeheerders als bedoeld onder a en b.
2.
Indien een samenwerkingsverband als bedoeld in het eerste lid, onder c, geen rechtspersoonlijkheid bezit:
a.
wordt subsidie aangevraagd door een deelnemer van het samenwerkingsverband; en
b.
draagt het project de instemming van alle deelnemers van het samenwerkingsverband, blijkend uit een samenwerkingsverklaring.
Artikel3 Subsidievorm
Gedeputeerde Staten verstrekken op grond van deze regeling projectsubsidies in de vorm van een geldbedrag.
Artikel4 Subsidiabele activiteiten
Subsidie kan worden verstrekt voor projecten gericht op:
a.
het realiseren en beheren van nieuwe landschapselementen;
b.
het beheren van bestaande landschapselementen;
c.
inkomstenderving op grond voor landbouwkundig gebruik, in combinatie met een of meer activiteiten als bedoeld onder a en b;
d.
functiewijziging van agrarische grond, in combinatie met het realiseren of beheren van nieuwe landschapselementen als bedoeld onder a en e;
e.
het realiseren van nieuwe landschapselementen.
Artikel5 Weigeringsgronden
Subsidie wordt geweigerd indien:
a.
het project wordt uitgevoerd op grond gelegen binnen het NNN met uitzondering van grond:
1°.
gelegen in EVZ’s; of
2°.
die op de beheertypenkaart is aangeduid met natuurbeheertype N00.01 en waar sprake is van de realisatie van een wandelpad over boerenland;
b.
op de grond waarop het project wordt uitgevoerd krachtens het geldende omgevingsplan de functie bouwvlak of de functie wonen rust;
c.
het project betrekking heeft op de realisatie en het beheer van een tuin, park, danwel een vijver die hier deel van uitmaakt, voor privégebruik of in de publieke ruimte, beplant met gecultiveerde soorten;
d.
het project betrekking heeft op het realiseren van nieuwe landschapselementen en er reeds subsidie is verstrekt op grond van deze of een andere regeling voor de realisatie van dezelfde nieuwe landschapselementen;
e.
het aangevraagde bedrag meer bedraagt dan de maximale subsidiehoogte, opgenomen in deze regeling;
f.
op de grond waarop het project betrekking heeft verplichtingen rusten op grond van deze regeling of enige andere regeling op basis waarvan een subsidie is verstrekt met betrekking tot agrarisch natuurbeheer of natuurbeheer;
g.
reeds voor indiening van de aanvraag begonnen is met de uitvoering van het project;
h.
het project reeds uitgevoerd dient te worden op grond van verplichtingen op basis van wetgeving, regelgeving, een convenant of andere afspraken;
i.
de subsidieaanvrager een grote onderneming is;
j.
de subsidieaanvrager niet aan de relevante Europese of nationale wet- en regelgeving voldoet, zoals wet- en regelgeving met betrekking tot dieren, planten, volksgezondheid, sanitair, ethiek of milieu, en op basis daarvan de productie hoe dan ook moet stopzetten;
k.
de subsidieaanvrager een onderneming in financiële moeilijkheden is als bedoeld in de Communautaire richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (PbEU, 2014/ C 249/01);
l.
ten aanzien van de subsidieaanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard;
m.
de aangevraagde subsidie minder bedraagt dan:
1°.
€ 1.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder b, of wanneer sprake is van (zaai) randen;
2°.
€ 3.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder a, c en e, met uitzondering van (zaai) randen;
3°.
€ 4.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder d.
Artikel6 Subsidievereisten
1.
Om voor subsidie in aanmerking te komen, wordt voldaan aan de volgende vereisten:
a.
het project wordt uitgevoerd in de provincie Noord-Brabant;
b.
het project wordt uitgevoerd op een locatie die op het tijdstip van indiening van de aanvraag buiten de bebouwde kom ligt;
c.
de in het project opgenomen landschapselementen passen voor ten minste 50% binnen de daarvoor aangewezen landschapstypen als vermeld op de kaart, opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling, of de in het project opgenomen landschapselementen zijn historisch aantoonbaar afwijkend;
d.
de in het project opgenomen landschapselementen passen binnen de daarvoor aangewezen gebieden als vermeld op de kaart, opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling;
e.
de in het project opgenomen landschapselementen voldoen aan de beschrijving en vereisten, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling;
f.
de subsidieaanvrager heeft voor minimaal zes jaar het gebruiksrecht over de grond waarop het project betrekking heeft, te rekenen vanaf de ingangsdatum van het beheer van nieuwe en bestaande landschapselementen;
g.
het project wordt uitgevoerd op grond, waarop overeenkomstig het geldende omgevingsplan, de functie rust:
1°.
agrarisch of agrarisch met waarden, niet zijnde een agrarisch bedrijf;
2°.
groen;
3°.
natuur; of
4°.
verkeer of dijken, voor zover het project betrekking heeft op landbouwgrond binnen deze bestemming;
h.
de subsidieaanvrager overlegt:
1°.
een advies van de veldcoördinator Stimuleringsregeling Landschap;
2°.
een projectplan dat voldoet aan de vereisten, opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling en tenminste bevat:
i.
een omschrijving van de desbetreffende landschapselementen, corresponderend met het inrichtingsplan;
ii.
de locatieaanduiding van het project;
iii.
een foto van de actuele situatie, met daarop eventueel reeds aanwezige landschapselementen;
3°.
een geopackage met daarin tenminste de omvang van de desbetreffende landschapselementen uitgedrukt in stuks, strekkende meters, vierkante meters of hectaren;
4°.
een plantekening met daarin tenminste:
i.
de omvang van de desbetreffende landschapselementen uitgedrukt in stuks, strekkende meters, vierkante meters of hectaren;
ii.
topografische ondergrond;
iii.
legenda;
iv.
schaal;
v.
noordpijl;
vi.
datum;
5°.
een begroting met gebruikmaking van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde format;
i.
het project draagt bij aan de doelstellingen die Gedeputeerde Staten beogen met deze regeling.
2.
Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de realisatie en het beheer van een of meer van de landschapselementen opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling.
3.
Onverminderd het eerste lid wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op het beheer van een of meer van de landschapselementen opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling.
4.
Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder c, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:
a.
het project is gericht op het beheer van een of meer van de landschapselementen opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling; en
b.
de grond waarop het project betrekking heeft, is ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik geweest, blijkend uit een registratiesysteem.
5.
Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, in aanmerking te komen, voldaan aan de volgende vereisten:
a.
de subsidieaanvrager beschikt over het volle eigendom van de grond waarop het project betrekking heeft;
b.
de functie van de grond wordt gewijzigd van landbouwgrond naar natuur ten behoeve van een of meer van de te realiseren en te beheren landschapselementen;
c.
eventuele betrokken agrarische activiteiten worden definitief beëindigd of de locatie waar betrokken agrarische activiteiten plaatsvinden wordt onomkeerbaar volledig gesloten;
d.
de grond waarop het project betrekking heeft:
1°.
is ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik, blijkend uit een registratiesysteem; of
2°.
is gelegen binnen een EVZ; of
3°.
wordt gebruikt voor de realisatie van een wandelpad over boerenland, die op de beheertypenkaart is aangeduid met natuurbeheertype N00.01, zoals opgenomen in het vigerende Natuurbeheerplan.
6.
Onverminderd het eerste lid, wordt om voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder e, in aanmerking te komen, voldaan aan het vereiste dat het project gericht is op de realisatie van een of meer van de landschapselementen opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling.
Artikel7 Subsidiabele kosten
1.
Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a, in aanmerking:
a.
voor realisatie en beheer op basis van de vaste bedragen, opgenomen in bijlage 5 en 6 bij deze regeling;
b.
legeskosten tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000;
c.
bodemkundig of archeologisch onderzoek, voor zover wettelijk verplicht voor het project tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 15.000;
2.
De vergoeding voor kosten als bedoeld in het eerste lid, onder b en c, bedraagt nooit meer dan de werkelijk gemaakte kosten.
3.
Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, komen de vaste bedragen, genoemd in bijlage 6 bij deze regeling, in aanmerking.
4.
Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder c, komen de vaste bedragen, genoemd in bijlage 6 bij deze regeling, in aanmerking.
5.
Voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, komt de waardevermindering van de grond, welke wordt vastgesteld op maximaal 85% van de regioprijs van de grond zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling, in aanmerking.
6.
Voor zover noodzakelijk en adequaat in relatie tot het doel van de subsidie komen de volgende kosten voor subsidie als bedoeld in artikel 4, onder e, in aanmerking:
a.
voor realisatie op basis van de vaste bedragen, opgenomen in bijlage 5 en 6 bij deze regeling;
b.
legeskosten tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 10.000;
c.
bodemkundig of archeologisch onderzoek, voor zover wettelijk verplicht voor het project tot een hoogte van maximaal 20% van de subsidiabele kosten tot een maximum van € 15.000.
Artikel8 Niet subsidiabele kosten
In afwijking van artikel 7 komen kosten voor het voldoen aan verplichtingen op basis van wetgeving, regelgeving, een convenant of andere afspraken niet voor subsidie in aanmerking.
Artikel9 Aanvraagtijdvak
Subsidieaanvragen worden ingediend van 15 januari 2026 tot en met 30 juni 2027.
Artikel10 Subsidieplafond
1.
Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met d, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op:
a.
€ 36.000, voor projecten in de gemeente Alphen Chaam;
b.
€ 52.500, voor projecten in de gemeente Altena;
c.
€ 54.000, voor projecten in de gemeente Asten;
d.
€ 28.008, voor projecten in de gemeente Baarle-Nassau;
e.
€ 15.000, voor projecten in de gemeente Bergeijk;
f.
€ 90.000, voor projecten in de gemeente Bergen op Zoom;
g.
€ 45.000, voor projecten in de gemeente Bernheze;
h.
€ 90.000, voor projecten in de gemeente Best;
i.
€ 22.500, voor projecten in de gemeente Bladel;
j.
€ 18.000, voor projecten in de gemeente Boekel;
k.
€ 18.000, voor projecten in de gemeente Boxtel;
l.
€ 36.000, voor projecten in de gemeente Breda;
m.
€ 27.000, voor projecten in de gemeente Cranendonck;
n.
€ 90.000, voor projecten in de gemeente Deurne;
o.
€ 14.400, voor projecten in de gemeente Dongen;
p.
€ 18.000, voor projecten in de gemeente Drimmelen;
q.
€ 45.000, voor projecten in de gemeente Eersel;
r.
€ 40.500, voor projecten in de gemeente Eindhoven;
s.
€ 54.000, voor projecten in de gemeente Etten-Leur;
t.
€ 18.000, voor projecten in de gemeente Geldrop-Mierlo;
u.
€ 90.000, voor projecten in de gemeente Gemert-Bakel;
v.
€ 45.000, voor projecten in de gemeente Gilze en Rijen;
w.
€ 22.500, voor projecten in de gemeente Goirle;
x.
€ 27.000, voor projecten in de gemeente Halderberge;
y.
€ 24.195, voor projecten in de gemeente Heeze-Leende;
z.
€ 36.000, voor projecten in de gemeente Helmond;
aa.
€ 45.000, voor projecten in de gemeente ‘s-Hertogenbosch;
bb.
€ 34.200, voor projecten in de gemeente Heusden;
cc.
€ 39.600, voor projecten in de gemeente Hilvarenbeek;
dd.
€ 28.578, voor projecten in de gemeente Laarbeek;
ee.
€ 270.000, voor projecten in de gemeente Land van Cuijk;
ff.
€ 320.000, voor projecten in de gemeente Maashorst;
gg.
€ 108.000, voor projecten in de gemeente Meierijstad;
hh.
€ 9.000, voor projecten in de gemeente Moerdijk;
ii.
€ 36.000, voor projecten in de gemeente Nuenen;
jj.
€ 18.000, voor projecten in de gemeente Oirschot;
kk.
€ 36.000, voor projecten in de gemeente Oisterwijk;
ll.
€ 22.500, voor projecten in de gemeente Oosterhout;
mm.
€ 90.000, voor projecten in de gemeente Oss;
nn.
€ 90.000, voor projecten in de gemeente Roosendaal;
oo.
€ 51.000, voor projecten in de gemeente Rucphen;
pp.
€ 54.000, voor projecten in de gemeente Sint Michielsgestel;
qq.
€ 72.000, voor projecten in de gemeente Someren;
rr.
€ 18.000, voor projecten in de gemeente Son en Breugel;
ss.
€ 72.000, voor projecten in de gemeente Steenbergen;
tt.
€ 90.000, voor projecten in de gemeente Tilburg;
uu.
€ 54.000, voor projecten in de gemeente Waalre;
vv.
€ 54.000, voor projecten in de gemeente Waalwijk;
ww.
€ 29.900, voor projecten in de gemeente Woensdrecht;
xx.
€ 54.000, voor projecten in de gemeente Zundert.
2.
Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met d, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op:
a.
€ 180.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Aa en Maas;
b.
€ 135.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap Brabantse Delta;
c.
€ 36.000, voor projecten binnen het werkingsgebied van waterschap De Dommel.
3.
Gedeputeerde Staten stellen het subsidieplafond voor subsidies als bedoeld in artikel 4, onder e, voor de periode, genoemd in artikel 9, vast op € 4.000.000.
Artikel11 Subsidiehoogte
1.
De hoogte van de subsidie bedraagt 100% van de begrote subsidiabele kosten tot een maximum van € 100.000.
2.
In het geval dat subsidie onder de Catalogus Groenblauwe Diensten met andere subsidie voor dezelfde in aanmerking komende kosten wordt gecumuleerd, worden de krachtens deze regeling toe te kennen bedragen zodanig beperkt dat het totale subsidiebedrag niet hoger is dan de werkelijk gemaakte subsidiabele kosten, het maximale subsidiebedrag uit deze regeling, de maximale steunintensiteiten en het maximale steunbedrag op grond van de toepasselijke Europese voorschriften.
3.
De subsidie wordt niet verstrekt indien toepassing van het eerste en tweede lid tot gevolg heeft dat de subsidie minder bedraagt dan:
a.
€ 1.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder b, of wanneer sprake is van (zaai) randen;
b.
€ 3.000 voor de activiteit bedoeld in artikel 4, onder a, c en e, met uitzondering van (zaai) randen;
c.
€ 4.000 voor de activiteit, bedoeld in artikel 4, onder d.
Artikel12 Verdelingswijzen
1.
Subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de subsidieaanvragen.
2.
Indien een aanvraag nog niet volledig is, geldt voor het bepalen van de onderlinge rangschikking voor de verdeling van de subsidie de dag waarop de aanvraag volledig is als datum van binnenkomst.
3.
Dreigt het subsidieplafond op enige dag te worden overschreden, dan vindt rangschikking van de op die dag binnengekomen volledige subsidieaanvragen plaats door middel van loting, in aanwezigheid van een notaris en ten minste twee onafhankelijke waarnemers.
4.
De trekking wordt schriftelijk vastgelegd door de notaris, waarbij de aanvragen worden gerangschikt op volgorde van trekking en de eerst getrokken aanvraag als eerstvolgende in aanmerking komt voor subsidie en de laatst getrokken aanvraag als laatste.
5.
De subsidie wordt verdeeld over aanvragen die:
a.
opeenvolgend zijn in de rangschikking; en
b.
die volledig gehonoreerd kunnen worden.
Artikel13 Subsidieverlening
1.
Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat tussen de provincie Noord-Brabant en de subsidieontvanger binnen 24 maanden na verlening van de subsidie een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 252 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek wordt gevestigd, waarin in ieder geval wordt opgenomen dat degene die het terrein toebehoort, beheert of degene die beschikt over het recht van erfpacht:
a.
de desbetreffende grond na aanvang van de realisatie van de landschapselementen niet gebruikt of doet gebruiken als landbouwgrond;
b.
de met subsidie gerealiseerde landschapselementen beheert overeenkomstig de voorschriften opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling.
2.
Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder a tot en met c, wordt verleend voor een periode van zes aaneengesloten kalenderjaren.
3.
Subsidie als bedoeld in artikel 4, onder e, wordt verleend voor een periode van één jaar.
Artikel14 Verplichtingen van de subsidieontvanger
1.
De subsidieontvanger:
a.
realiseert de landschapselementen binnen een jaar na verlening van de subsidie;
b.
verleent medewerking ten aanzien van de uitvoering van controles; en
c.
voert het project uit overeenkomstig de voorschriften opgenomen in bijlage 3 bij deze regeling.
2.
Onverminderd het eerste lid, heeft de subsidieontvanger van subsidie als bedoeld in artikel 4, onder d, de volgende verplichtingen:
a.
de subsidieontvanger wijzigt de functie van de grond waarop het project betrekking heeft binnen vierentwintig maanden na verlening van de subsidie en wel zodanig dat nadelige milieueffecten worden voorkomen; en
b.
de subsidieontvanger houdt de cultuurgrond in een goede landbouw- en milieuconditie overeenkomstig artikel 13 van Verordening 2021/2115 en de toepasselijke uitvoeringsbepalingen tot het moment dat de cultuurgrond in natuur wordt omgezet, waarbij in ieder geval:
1°.
landschapselementen in stand worden gelaten, inclusief, in voorkomend geval, heggen, vijvers, greppels, bomenrijen, bomengroepen of geïsoleerde bomen, akkerranden en terrassen;
2°.
het snoeien van heggen en bomen verboden is in de vogelbroedperiode.
3.
Indien het project wegens onvoorziene omstandigheden niet kan worden afgerond binnen de termijn, genoemd in het eerste lid, onder a, en de subsidieontvanger verlenging van die termijn wenselijk acht, kan de subsidieontvanger uiterlijk de dag voor het verstrijken van die termijn schriftelijk een gemotiveerd verzoek indienen bij Gedeputeerde Staten tot verlenging met maximaal 12 maanden.
4.
Voor zover het project betrekking heeft op de realisatie van een landschapselement, doet de subsidieontvanger binnen dertien weken na realisatie een gereedmelding en overlegt daarbij een overzicht van de gemaakte kosten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder b en c.
5.
In afwijking van het vierde lid, doet de subsidieontvanger geen gereedmelding bij een subsidie als bedoeld in artikel 4, onder b, indien sprake is van een project dat de realisatie van een botanische hooilandrand of een wilde bijenrand op grasland betreft.
6.
In aanvulling op artikel 16, eerste lid, onder b, van de Asv, neemt de subsidieontvanger een instandhoudingstermijn in acht van 6 jaar na realisering van een landschapselement.
Artikel15 Actieve landbouwer
Voor de subsidieontvanger die een actieve landbouwer is gelden de volgende aanvullende bepalingen:
a.
indien de subsidie afhankelijk is van een aantal hectaren, dient de subsidieontvanger de volgende voorschriften, inzake areaal gerelateerde betalingen, na te leven:
1°.
indien hetzij het onder een verbintenis vallende volledige areaal, of een deel ervan, hetzij het gehele bedrijf aan een andere persoon wordt overgedragen gedurende de looptijd van die verbintenis, kan de verbintenis of het deel ervan dat met de areaaloverdracht overeenstemt, voor de resterende looptijd door die andere persoon worden overgenomen of kan zij vervallen, en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen;
2°.
indien een begunstigde een aangegane verbintenis niet verder kan nakomen omdat zijn bedrijf of een deel daarvan wordt herverkaveld of binnen een ruilverkaveling van overheidswege of een door de bevoegde autoriteiten goedgekeurde ruilverkaveling valt, nemen Gedeputeerde Staten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de verbintenis aan de nieuwe bedrijfssituatie worden aangepast;
3°.
indien de aanpassing genoemd onder 1° en 2° onmogelijk is, eindigt de verbintenis en wordt geen terugbetaling verlangd voor de periode waarin de verbintenis daadwerkelijk is nagekomen;
b.
enkel in gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 3 van verordening 2021/2116 stellen Gedeputeerde Staten, overeenkomstig artikel 4:46, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de subsidie niet lager vast en hoeft de subsidieontvanger de ontvangen subsidie derhalve niet terug te betalen;
c.
de uitzonderlijke omstandigheden bedoeld onder b zijn:
1°.
de begunstigde is overleden;
2°.
de begunstigde is langdurig arbeidsongeschikt geworden;
3°.
het bedrijf is zwaar getroffen door een ernstige natuurramp of extreme weersomstandigdheden;
4°.
de veehouderijgebouwen op het bedrijf zijn door een ongeluk verloren gegaan;
5°.
al het vee of alle landbouwgewassen van de begunstigde of een gedeelte ervan zijn getroffen door respectievelijk een epizoötie of een plantenziekte;
6°.
het volledige bedrijf of een groot deel daarvan is onteigend, indien deze onteigening op de dag van indiening van de aanvraag niet was te voorzien;
d.
Gedeputeerde Staten wijzigen de beschikking tot verlening van subsidie indien de volgende wet- en regelgeving wijzigt:
1°.
de krachtens artikel 12, 13 en bijlage III, van verordening 2021/2115 vastgestelde toepasselijke dwingende normen, uitgewerkt in bijlage 3 en 4 bij de Uitvoeringsregeling GLB 2023;
2°.
de krachtens artikel 4, tweede lid, van verordening 2021/2115 vastgestelde toepasselijke criteria en minimumactiviteiten en nader gedefinieerd in het Strategisch GLB-plan onder 4.1.1;
3°.
de toepasselijke minimumvereisten voor het gebruik van meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen en andere toepasselijke dwingende voorschriften;
e.
indien de subsidiebeschikking de programmeringsperiode voor het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027 overschrijdt, wijzigen Gedeputeerde Staten de beschikking overeenkomstig het voor de volgende programmeringsperiode geldende rechtskader;
f.
Gedeputeerde Staten trekken de beschikking ambtshalve in zodra de subsidieontvanger de in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen niet aanvaardt. De subsidie wordt ambtshalve verlaagd tot het bedrag dat overeenstemt met de periode tot het einde van de looptijd van de beschikking.
Artikel16 Verantwoording
1.
Bij subsidies tot €25.000 toont de subsidieontvanger desgevraagd aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan.
2.
Bij subsidies van € 25.000 tot € 100.000 toont de subsidieontvanger bij de aanvraag tot subsidievaststelling aan dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en aan de subsidie verbonden verplichtingen is voldaan door middel van foto- of videomateriaal van de situatie na afronding van het project.
Artikel17 Bevoorschotting en betaling
1.
Gedeputeerde Staten verstrekken een voorschot van 100% van het verleende subsidiebedrag.
2.
Het voorschot met betrekking tot subsidie voor realisatie van nieuwe landschapselementen, wordt in één keer betaald.
3.
Het voorschot met betrekking tot subsidie voor beheer van landschapselementen, wordt betaald in twee gelijke gedeelten en twee gelijke termijnen, gedurende de looptijd van het project. Gedeputeerde Staten bepalen bij verlening van de subsidie op welke tijdstippen het voorschot wordt betaald.
4.
In afwijking van het derde lid, wordt het voorschot met betrekking tot subsidie voor cyclisch beheer van landschapselementen betaald in het kalenderjaar waarin het beheer wordt uitgevoerd.
5.
Het voorschot met betrekking tot subsidie voor functiewijziging wordt in één keer betaald nadat de subsidieaanvrager een notariële akte heeft overgelegd waaruit blijkt dat de kwalitatieve verplichting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, is gevestigd.
Artikel18 Subsidievaststelling
Subsidies tot € 25.000 worden op grond van artikel 20, eerste lid, onder b, van de Asv ambtshalve vastgesteld op basis van prestaties en normbedragen per eenheid of daadwerkelijk gemaakte kosten.
Artikel19 Evaluatie
Gedeputeerde Staten zenden in 2028 en vervolgens telkens na twee jaar aan Provinciale Staten een verslag over de effecten en de doeltreffendheid van deze regeling in de praktijk.
Artikel20 Intrekking
De Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant wordt ingetrokken.
Artikel21 Overgangsrecht
Op subsidieaanvragen als bedoeld in de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant waarop op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling nog niet onherroepelijk is beslist, blijft de Subsidieregeling stimuleringsregeling landschap Noord-Brabant zoals die luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, van toepassing.
Artikel22 Inwerkingtreding
Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.
Artikel23 Citeertitel
Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0.
’s-Hertogenbosch, 16 december 2025
Gedeputeerde Staten voornoemd,
de voorzitter,
mr. I.R. Adema
de secretaris,
drs. G.H.E. Derks MPA
Bijlage1 behorende bij artikel 6, eerste lid, onder c, van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0
Bijlage2 behorende bij artikel , eerste lid, onder d, van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0
Bijlage3, als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder e en h, tweede, derde, vierde en zesde lid, artikel 13, eerste lid onder b, artikel 14, eerste lid onder c, artikel 15 onder d, van de Subsidieregeling Stimulering Landschap Noord-Brabant 2.0
Begripsbepaling
Afgezet: het terugsnoeien of laag afzagen van een houtig element tot laag bij de grond.
Bouwland: perceel met een aanduiding, niet zijnde ‘blijvend grasland’, in de Basisregistratie
Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
Diameter: de doorsnee van een boom of struik gemeten door de omtrek van de boom op één meter boven het maaiveld te meten en te delen door π (3,14).
Grasland: perceel met de aanduiding ‘blijvend grasland’ in de Basisregistratie Gewaspercelen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.
GVE: Groot Vee eenheid
Omschrijving
GVE
Stieren, koeien en andere runderen ouder dan 2 jaar
1,00
Paardachtigen ouder dan 6 maanden
1,00
Runderen vanaf 6 maanden maar niet ouder dan 2 jaar
0,60
Runderen jonger dan 6 maanden
0,40
Schapen, lammeren en geiten
0,15
Indicatorsoorten: botanische soorten zoals opgenomen onder de kop ‘Indicator soorten’.
Kleigrond: gronden in de landschapstypen; Zeekleigebied, Komgebied, Oeverwal en Uiterwaarden, Dijken en Open beemdengebied.
Landbouwkundig gebruik: grond welke ten minste 5 jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag aantoonbaar landbouwkundig in gebruik is blijkend uit de Basisregistratie Gewaspercelen.
Maaiveld: is bovenkant van niet afgegraven bodem.
Natte oppervlakte of laagte: oppervlakte van zichtbaar water.
Periodiek beheer: beheer dat volgens een bepaalde regelmaat uitgevoerd moet worden om de verschijningsvorm van het landschapselement in stand te houden. Tot cyclisch beheer behoren onder meer: het knotten van knotbomen, het afzetten van een hout-/elzensingel, het opschonen van een poel.
Vrij liggend:
1.
Als 75% of meer van de randlengte van het element grenst aan bouw- of grasland1.
Of
2.
Er een afstand tussen elementen is van tenminste 5 meter.
Of
3.
Het een knip- en scheerheg (L7) naast een bomenrij of laan (L8) of knotboom (L9) betreft.
Zandgrond: gronden in de landschapstypen Oude zandontginning, Jonge zand- en/of veenontginning en Langstraatontginning.
Subsidiabele activiteiten per landschapselement
Code
Element
Realisatie
Beheer
Inkomsten- derving
Functie-
wijziging
L1
Houtwal en houtsingel
x
x
x
L2
Elzensingel
x
x
x
L3
Bossingel en bosje
x
x
x
L4
Hakhoutbosje
x
L5
Griendje
x
L6
Struweelhaag en patrijzenhaag
x
x
x
L7
Knip- of scheerheg
x
x
x
L8
Bomenrij en solitaire boom
x
x
x
L9
Knotboom
x
x
x
L10
Hoogstamfruitboomgaard
x
x
L11
Struweelrand
x
x
x
L12
Poel en klein historisch water
x
x
x
L13
Natuurvriendelijke oever
x
x
x
L14
Waterbergingsvoorziening
x
x
x
G1
Extensief weidebeheer op dijken
x
x
G2
Kruidenrijke graslandrand
x
x
x
x*
G3
Wilde bijenrand op grasland
x
x
x
x*
B1
Wintervoedselrand op bouwland
x
x
B2
Wilde bijenrand op bouwland
x
x
B3
Patrijzenrand op bouwland
x
x
B4
Bloemblok voor akkervogels op bouwland
x
x
W1
Wandelpad op boerenland
x**
x
x
x*
*In combinatie met een L-element
**In combinatie met realisatie of bestaand L-, G- of B-element
Algemene beheerverplichtingen
Voor alle elementen die worden aangevraagd gelden de volgende beheerverplichtingen:
•
Werkzaamheden mogen niet leiden tot het aantasten van een element.
•
Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.
•
Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van Japanse duizendknoop.
•
Grondbewerking van aanliggende landbouwgrond mag niet leiden tot schade aan het element.
•
Branden in de beheereenheid of in de directe omgeving daarvan is niet toegestaan.
•
Bemesting in de beheereenheid is niet toegestaan, uitgezond zijn hoogstamboomgaarden.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in het element. Uitzondering voor slootmaaisel en bagger zijn de natuurvriendelijke oevers.
•
Exoten binnen het beheerelement worden bestreden en afgevoerd volgens de daarvoor geldende eisen (o.a. Japanse Duizendknoop (div. soorten), watercrassula, reuze balsemien).
L1 Hakhoutsingel of houtwal
Omschrijving
Een hakhoutsingel of houtwal is kenmerkend in een cultuurlandschap. Deze staan vaak aan de randen van kavels en vormen daarmee een scheiding tussen twee percelen. Ze bestaan uit hoofdzakelijk inheemse bomen en struiken. Bij een houtwal is de beplanting op een aardewal aangeplant.
Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde door het element als hakhout te beheren en het periodiek afzetten van het element (periodiek beheer). De cyclus varieert tussen de 10 en 25 jaar.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Dijken
○
Oeverwal
○
Langstraatontginning
•
Een hakhoutsingel of houtwal is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten element.
•
Een hakhoutsingel of houtwal bestaat uit een menging van inheemse2 bomen en/of struiken.
•
Een hakhoutsingel of houtwal heeft een breedte van minimaal 2,5 meter en maximaal 20 meter breed.
•
Een hakhoutsingel of houtwal wordt beheerd met hakhoutbeheer.
•
Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L1: realisatie.
•
L1 + L1a: realisatie met jaarlijks beheer.
•
L1a: jaarlijks beheer, jaarlijks het element snoeien.
•
L1b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer: element eenmalig afzetten in de contractperiode, elementen langer dan 100 m worden bij voorkeur in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen.
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).
•
Plantverband van minimaal 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.
•
Raster minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij indien perceel beweid wordt.
Beheerverplichtingen
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).
•
Er mag maximaal één overstaander per 100m2 worden behouden.
•
Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.
•
L1a: jaarlijks wordt minimaal 5% en maximaal 40% van de oppervlakte van het element gekapt, gesnoeid of gedund.
•
L1b: element eenmalig afzetten in de contractperiode, elementen langer dan 100 m worden bij voorkeur in minimaal twee fasen afgezet. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar afgezet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.
Beheeradvies
•
Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.
•
Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.
•
Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.
•
Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.
L2 Elzensingel
Omschrijving
Een elzensingel is een lijnvormig landschapselement en bestaat uit een enkele rij zwarte elzen. Een elzensingel komt vooral voor in het laagveen-, zand- of rivierengebied en wordt langs waterlopen, greppels of in (oude)laagtes aangeplant. Een elzensingel wordt niet op een wal aangeplant.
Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en natuurlijke waarde. Dit wordt bereikt door het element als hakhout te beheren en het periodiek af te zetten (periodiek beheer). De cyclus varieert tussen de 6 en 12 jaar.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Langstraatontginning
•
Een elzensingel is een vrijliggend lijnvormig en aaneengesloten element.
•
Een elzensingel bestaat uit één rij zwarte els (Alnus Glutinosa).
•
Een elzensingel wordt als hakhout beheerd.
•
Een elzensingel ligt naast een greppel of waterloop of op een plaats waar historisch (voor 1975) een greppel of waterloop heeft gelegen.
•
Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L2: realisatie
•
L2 + L2a realisatie met jaarlijks beheer.
•
L2a: jaarlijks beheer.
•
L2a: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer bij >75% bedekking: element eenmalig afzetten in de contractperiode (eindkap).
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Aanplant met 2- en/of 3-jarig zwarte els (Alnus Glutinosa).
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).
•
Plantafstand: in de rij minimaal 5 en maximaal 12,5 meter.
Beheerverplichtingen
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Ten minste 75% van de oppervlakte van het element wordt als hakhout beheerd. De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).
•
Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.
•
L2a: Minimaal 5% tot maximaal 100% van het element is gesnoeid.
•
L2b: een elzensingel wordt gedurende de contractperiode afgezet. Bij elementen langer dan 100 meter wordt beheer in twee fases afgezet: ca 50% van het element wordt het ene jaar afzet en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later afgezet.
Beheeradvies
•
Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.
•
Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.
•
Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.
•
Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.
•
Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.
L3 Bossingel
Omschrijving
Een bossingel is een vrijliggend, breed lijnvormig en aaneengesloten landschapselement. Een bossingel bestaat uit hoge bomen en struiken.
Het doel van het beheer van het element is het behoud van natuurlijke waarden en boskwaliteit. Dit kan worden bereikt door de buitenrand (pleksgewijs) periodiek af te zetten en te snoeien. Doel van het onderhoud is het behoud van het ecosysteem en indien nodig herstel hiervan.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Element past binnen landschapstype(n):
○
Oude zandontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Langstraatontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
•
Een bossingel is een aaneengesloten element.
•
Een bossingel is minimaal 2,5 meter en maximaal 20 meter breed.
•
Een bosssingel bestaat uit inheemse3 bomen en struiken.
•
Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L3: realisatie.
•
L3 + L3a: realisatie met jaarlijks beheer.
•
L3a: jaarlijks beheer.
•
L3b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer, 20% van oppervlakte afzetten in contractperiode.
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems gemengd bosplantsoen.
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).
•
Plantverband van minimaal 1,25 m x 1,25 meter, 1,50 m x 1,50 meter of 1,50 m x 1,00 meter en maximaal 2,00 m x 2,00 meter.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Een bossingel wordt voor maximaal 80% beheerd als bos met opgaande bomen.
•
Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.
•
L3a: minimaal 5% tot maximaal 40% van oppervlakte van het element is gesnoeid of gedund.
•
L3b: beheereenheid wordt gedurende de contractperiode voor 20% afgezet.
Beheeradvies
•
Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.
•
Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.
•
Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.
•
Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.
L4: Hakhoutbosje
Omschrijving
Een hakhoutbosje is een vrijliggend, vlakvormig landschapselement met inheemse bomen en struiken dat als hakhout beheerd wordt. Hierbij wordt het element periodiek afgezet. De periode van afzetten is afhankelijk van de soortsamenstelling Het element lijkt op een hakhoutsingel, maar heeft een vlakvormig karakter in plaats van lijnvormig.
Doel van het beheer van het element is het behoud van de traditionele hakhoutcultuur en ecologische waarde. Bij een hakhoutbosje met overwegend langzaam groeiende soorten wordt dit gedaan door om de 15 tot 25 jaar het element af te zetten (periodiek beheer). Bij een hakhoutbosje met overwegend snelgroeiende soorten wordt dit gedaan door om de 10 tot 20 jaar het element af te zetten (periodiek beheer). Met langzaam groeiende soorten wordt bedoeld dat de zomereik dominant is. Met snelgroeiende soorten wordt bedoeld dat zwarte els en/of gewone es dominant zijn.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Element past binnen landschapstype(n):
○
Oude zandontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Langstraatontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Oeverwal
•
Een hakhoutbosje is vlakvormig en is vrijliggend in het landschap
•
Een hakhoutbosje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2.
•
Een hakhoutbosje bestaat uit inheemse4 bomen en/of struiken.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L4a: jaarlijks beheer.
•
L4b: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer langzaam groeiende soorten, element afzetten in contractperiode.
•
L4c: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer snelgroeiende soorten, element afzetten in contractperiode.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Minimaal 80% van het bosje wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet.
•
De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).
•
Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.
•
L4a: jaarlijks wordt minimaal 5% en maximaal 40% van de oppervlakte van het element gekapt, gesnoeid of gedund.
•
L4b: hakhoutbosje met langzaam groeiende soorten 1 keer per 15-25 jaar afzetten.
•
L4c: hakhoutbosje met snel groeiende soorten 1 keer per 10-15 jaar afzetten.
Beheeradvies
•
Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.
•
Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.
•
Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.
•
Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.
L5: Griendje
Omschrijving
Een griendje is een vrijliggend, vlakvormig landschapselement met inheemse wilgensoorten. Een griendje wordt als hakhout beheerd met een beheercyclus van 5 tot 6 jaar.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Element past binnen landschapstype(n):
○
Beekdal en broekontginning
○
Oeverwal
○
Komgebied
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
○
Zeekleigebied
•
Een griendje is vlakvormig.
•
Een griendje bestaat uit inheemse wilgensoorten.
•
Het griendje is minimaal 100 m2 en maximaal 5.000 m2 groot.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L5a: jaarlijks beheer.
•
L5b: jaarlijks beheer en eenmalig periodiek beheer, element afzetten in contractperiode.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Het element bestaat uit inheemse wilgensoorten en wordt geheel als hakhout beheerd en afgezet in een cyclus van tenminste éénmaal per 5 jaar en maximaal éénmaal per 3 jaar.
•
L5a: Jaarlijks minimaal 5% tot maximaal 40% afzetten d.m.v. knotten, snoeien of dunnen.
•
L5b: de beheereenheid wordt gedurende contractperiode volledig afgezet.
Beheeradvies
•
Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.
•
Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.
•
Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.
•
Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.
L6: Struweelhaag of patrijzenhaag
Omschrijving
Een struweel- en patrijzenhaag is een doorndragende inheemse haag, die van oorsprong als veekering werd gebruikt. Een struweelhaag groeit vrij uit en wordt om de 3 tot 6 jaar gesnoeid of teruggezet. Struweel- en patrijzenhagen zijn robuust, breder en hoger dan knip- en scheerheggen. Vogelsoorten gebruiken de haag als nestgelegenheid en voedsel.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Oeverwal
○
Langstraatontginning
○
Uiterwaarden
○
Jonge zand- en/of veenontginning
•
Een struweel- en patrijzenhaag bestaat uit een menging van inheemse soorten, waarvan gemiddeld 50% doorndragend is.
•
Een struweel- en patrijzenhaag is vlakvormig en aaneengesloten.
•
Het struweel- en patrijzenhaag is vrijliggend in het landschap.
•
Een struweelhaag is gemiddeld 3 meter breed.
•
Een patrijzenhaag is gemiddeld 1,5 meter breed.
•
Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L6: realisatie
•
L6 + L6a: realisatie en jaarlijks beheer.
•
L6a: jaarlijks beheer
•
L6b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer, één of twee keer snoeien in contractperiode (cyclus 5-7 jaar).
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichting
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Aanplant met 2- en/of 3 jarig inheems bosplantsoen, waarvan 50% bestaat uit doorndragende struiken, uitgezonderd meidoorn in bufferzones bacterievuur.
•
In het gebied van de ‘Maasheggen’ dient minimaal 70% te bestaan uit meidoorn (één- en tweestijlige) eventueel aangevuld met andere gebiedseigen soorten.
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).
•
Aanplant in één of twee rijen.
•
Plantafstand in de rij bij 1 rij: minimaal 0,25 meter en maximaal 0,40 meter en bij twee rijen.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Overhangende takken aan de zijkanten mogen maximaal 1 maal per 3 jaar worden teruggesnoeid.
•
Het gebruik van een klepelmaaier is niet toegestaan, uitgezonderd voor het snoeiwerk van zijkanten.
•
Het element mag niet worden beschadigd door vee. Een raster ter bescherming mag niet aan het houtgewas bevestigd worden.
•
L6a: jaarlijks snoeien van minimaal 5 % tot maximaal 35 % van element.
•
L6b: jaarlijks snoeien en eenmalig of tweemaal in de contractperiode (6 jaar) periodiek beheer, waarbij element wordt afgezet. Hiervoor gelden de volgende beheerverplichtingen:
Struweelhaag
○
Struweelhagen langer dan 100 meter worden in minimaal twee fasen beheerd. Ca. 50% van het element wordt het ene jaar beheerd en ca. 50% wordt minimaal 2 jaar later beheerd.
○
Na het snoeien heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,8 meter.
○
Na het vlechten heeft de haag een hoogte van tenminste 1,00 meter en een breedte van tenminste 0,5 meter.
Patrijzenhaag
○
Eerste drie jaar worden geen snoeiwerkzaamheden uitgevoerd.
○
Na het snoeien heeft de haag een hoogte van één tot anderhalve meter.
○
Het vierde jaar: wordt enkel één zijde van de haag gesnoeid.
○
Het vijfde jaar: worden geen snoeiwerkzaamheden uitgevoerd.
○
Het zesde jaar: wordt de andere zijde van de haag gesnoeid.
•
L6c: jaarlijks snoeien en eenmalig in de contractperiode (6 jaar), waarbij de totale snoeicyclus 12 jaar bedraagt.
Beheeradvies
•
Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.
•
Takken die over aangrenzende percelen hangen mogen het hele jaar worden teruggesnoeid.
•
Snoeihout mag op stapels of rillen in het element verwerkt worden voor zover het de stoven die opnieuw uit moeten lopen niet schaadt. Als snoeihout versnipperd wordt mogen de snippers niet verwerkt worden in het element.
•
Ongewenste houtsoorten, zoals Amerikaanse vogelkers, Amerikaanse eik, robinia en ratelpopulier mogen mechanisch (uitgraven, afzagen, uitfrezen) worden bestreden.
L7: Knip- of scheerheg
Omschrijving
Een knip- of scheerheg is een heg die kort geschoren wordt en kenmerkend is rondom erven, boomgaarden en terrassen. De heg kenmerkt zich met een dichte structuur en kan ook gevlochten worden.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oeverwal
○
Uiterwaarden
○
Oude zandontginning.
○
Jonge zand- en/of veenontginning.
○
Beekdal en broekontginning.
•
Een knip- en scheerheg ligt binnen 100 meter van een bouwblok en/of woonerf of rondom een hoogstamboomgaard.
○
Uitgezonderd:
▪︎
In het UNESCO begrensde Maasheggengebied.
▪︎
Gebieden waar aangetoond6 de sleedoornpage voorkomt.
•
Een knip- of scheerhegis vrij-liggend, echter:
○
Het element is toegestaan naast of tussen bomen of knotbomen.
•
Een knip- of scheerheg is minimaal 0,8 meter breed.
•
Een knip- en scheerheg bestaat uit één of twee rijen.
•
Een knip- of scheerheg is maximaal 3 meter hoog.
•
Op de locatie van de realisatie zijn in de afgelopen 5 jaar geen houtopstanden aanwezig geweest.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L7: realisatie.
•
L7 + L7a: realisatie en jaarlijks beheer.
•
L7a: jaarlijks beheer.
•
L7b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer tweemaal scheren in contractperiode.
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Subsidiecriteria zijn van toepassing
•
Aanplant met 2- en/of 3-jarig inheems bosplantsoen.
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).
•
Aanplant in één rij.
•
Plantafstand: 4 stuks per meter.
Beheerverplichting
•
Algemene verplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
De stammen van het element mogen niet worden beschadigd door vee.
•
L7a: de beheereenheid wordt jaarlijks één keer per jaar volledig geschoren of geknipt:
○
De beheereenheid wordt 100% jaarlijks geknipt/geschoren. Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,8 meter.
•
L7b: de beheereenheid wordt jaarlijks beperkt geschoren of geknipt, waarbij de gehele heg gefaseerd twee keer volledig is geknipt of geschoren binnen de contractperiode.
○
De beheereenheid wordt jaarlijks beperkt geknipt of geschoren, minimaal 20% tot maximaal 50% van de oppervlakte van de beheereenheid. Eén keer per 2-3 jaar is daarmee de heg geheel geschoren of geknipt. Na het knippen of scheren heeft de heg een minimale hoogte van 0,8 meter. De heg wordt dus nooit in één onderhoudsronde geheel geknipt of geschoren.
Beheeradvies
•
Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.
L8: Bomenrij en solitaire boom
Omschrijving
Een bomenrij of solitaire boom staan in een rij, boomgroep of solitair in het landschap. Bomenrijen staan vooral langs lanen, wegen en landbouwpercelen. Solitaire bomen en boomgroepen staan vrij in het landschap en vervullen een belangrijke functie voor de biodiversiteit. Het betreffen inheemse bomen die in een groter formaat worden aangeplant dan singels, heggen en bossen.
Bestaande bomenrijen en solitaire bomen mogen worden omgevormd naar een nieuw element, zoals een bossingel of haag met boomdragers. Knotbomen, boomweides en windsingels om boomgaarden en kwekerijen vallen niet onder dit beheertypen.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Dijken
○
Oeverwal
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
○
Zeekleigebied
•
Een bomenrij of solitaire boom is vrijliggend in het landschap, maar mag onderdeel zijn van of naast een knip- en scheerheg (L7) liggen.
•
Een bomenrij is minimaal 50 meter lang.
•
Een bestaande bomenrij bestaat uit minimaal 8 en maximaal 20 bomen per 100 meter die voor subsidie in aanmerking komen (plantafstand tussen de 5 en 12,5 meter).
•
Een solitaire boom bestaat uit een cluster van minimaal één en maximaal 10 bomen.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L8: realisatie.
•
L8 + L8a: realisatie en periodiek beheer voor bomen met een diameter <20 cm.
•
L8a: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter <20 cm.
•
L8b: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter 20-60 cm.
•
L8c: periodiek beheer inclusief jaarlijks beheer voor bomen met een diameter >60 cm.
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
De aanplant bestaat uit inheemse laanbomen, met een minimale maat van 10-12 cm.
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden(oktober-maart).
•
Plantafstand in de rij of boomgroep: minimaal 8 meter en maximaal 12,5 meter.
•
Plantafstand tussen twee rijen: minimaal 6 meter.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
De stammen van het element mogen niet worden beschadigd door vee.
•
L8a, L8b en L8c: de beheereenheid wordt minimaal één keer per contactperiode gesnoeid:
•
Na het snoeien beslaat de kroon minimaal 50% van de lengte van de boom.
•
Beheeradvies
○
Beheerwerkzaamheden vinden plaats tussen de periode 1 oktober t/m 14 maart, buiten het broedvogelseizoen.
L9: Knotboom
Omschrijving
Een knotboom is een inheemse loofboom, waarvan de stam periodiek op een hoogte van minimaal 1,5 meter boven maaiveld wordt afgezet (geknot). Ze staan vooral tussen akkers en weilanden, langs waterlopen en poelen.
Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke eigenschap van het element. Ten behoeve daarvan worden de knotboom cyclisch geknot. De knotcyclus varieert tussen de 3 en 5 jaar voor wilg en populier en 7-15 jaar voor eik, es, els, haagbeuk, veldesdoorn en berk.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Dijken
○
Zeekleigebied
○
Oeverwal
○
Komgebied
○
Uiterwaarden
○
Langstraat ontginning
○
Open beemdengebied
•
Een knotboom is vrijliggend in het landschap, maar mag onderdeel zijn van of naast een knip- en scheerheg (L7) liggen.
•
Een knotboom staat solitair, in rijen of kleine groep.
•
Een groep knotbomen bestaat maximaal uit 20 bomen.
•
Knotbomen in een rij of kleine groep hebben een plantafstand van 5 tot 12,5 meter.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L9: realisatie.
•
L9 + L9a: realisatie en periodiek beheer voor knotboom met een diameter <20 cm.
•
L9a: periodiek beheer voor knotboom met een diameter <20 cm.
•
L9b: periodiek beheer voor knotboom met een diameter 20-60 cm.
•
L9c: periodiek beheer voor knotboom met een diameter >60 cm.
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Knotbomen worden aangeplant met inheemse soorten die als knotboom beheerd kunnen worden:
○
Schietwilg (Salix alba)
○
Gewone es (Fraxinus excelsior)
○
Zwarte els (Alnus glutinosa)
○
Populier (div. cultivars)
○
Haagbeuk (Betula pendula)
○
Veldesdoorn (Acer campestre)
○
Inlandse eik (Quercus robur)
○
Berk (Betula pendula)
•
Aanplant van schietwilg: een 3 jarige onbewortelde stek met een lengte van ca. 2,5 meter of laanboom.
•
Aanplant andere soorten: laanboom met minimale maat 10-12 cm.
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart).
•
Plantafstand: minimaal 5 meter tot maximaal 12,5 meter.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Knotwerkzaamheden worden verricht in de periode tussen 1 november en 14 maart; veldesdoorn en berk alleen tussen 1 november en 1 december.
•
De stam van een knotboom wordt minimaal op een hoogte van 1,5 meter boven maaiveld afgezet (geknot).
•
L9a, L9b en L9c: Gedurende de contractperiode wordt de knotboom minimaal éénmaal geknot.
○
Geadviseerd wordt om knotbomen in een rij of groep gefaseerd te beheren: de helft van de knotbomenrij of groep het ene jaar (jaar 3) en minimaal 2 jaar later de andere helft (jaar 6).
L10: Hoogstamboomgaard
Omschrijving
Een hoogstamboomgaard is een verzameling van fruitbomen, met een stam van minimaal 1,5 meter hoog, waarvan de onderbegroeiing bestaat uit een (kruidenrijk) gras of de ontwikkeling hiervan wordt gestimuleerd (geen gazon). In de een hoogstamboomgaard kunnen notenbomen voorkomen.
Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en ecologische waarde. Dit wordt bereikt door onderhouds- en vormsnoei uit te voeren.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Oeverwal
○
Jonge zand- en/of veenontginning, aanplant enkel binnen 100 meter van bebouwing.
○
Beekdal en broekontginning, aanplant enkel binnen 100 meter van bebouwing.
•
Een hoogstamboomgaard bestaat uit minimaal 8 fruitbomen.
•
De bomen hebben minimaal een stam van 1,5 meter hoog.
•
Een hoogstamboomgaard heeft een dichtheid van minimaal 50 en maximaal 150 bomen per hectare.
•
Een hoogstamboomgaard heeft een oppervlakte van maximaal 0,25 hectare.
•
Maximaal 10% van de bomen bestaat uit walnoten.
•
Minimale afstand tussen boomgaarden van aanvrager bedraagt 100 meter.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L10: realisatie.
•
L10 + L10a: realisatie en periodiek beheer.
•
L10a: periodiek beheer.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Aanplant inheemse fruitbomen met stam van minimale 8-10 cm omtrek.
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart).
•
Aanplant binnen jonge zand- en/of veenontginning en beekdal en broekontginning binnen 100 meter van bebouwing, hierbij hoeft niet de gehele boomgaard binnen 100 meter te liggen.
•
Plantafstand: minimaal 10 x 10 meter en maximaal 15 x 15 meter.
•
Bij beweiding wordt de boom beschermd door een boomkorf.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing
•
Uitgezonderd hierop is het verbod op bemesting: Bemesting met ruige mest van rundvee en bekalking is toegestaan, mits het ten behoeve van de instandhouding van element wordt toegepast.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Bij bemesten van de boomgaard, grondbewerking en maaiwerkzaamheden worden de fruitbomen en wortels niet beschadigd.
•
L10a: hoogstam fruitbomen en notenbomen worden periodiek beheerd:
○
Appel en perenbomen: eenmaal in de contractperiode snoeien in de periode 1 juli tot 15 maart.
○
Andere soorten: vorm- en onderhoudsnoei voor behoud van element.
•
De boomgaard wordt extensief beweid of wordt minimaal één keer en maximaal twee keer per jaar gemaaid, waarbij het maaisel wordt afgevoerd, voor de ontwikkeling van kruidenrijk gras.
L11: Struweelrand
Omschrijving
Een struweelrand is een aaneengesloten rand met een mozaïek van struweel en ruigte. Het struweel bestaat vooral uit struiken, zoals meidoorn en braam. De bedekking van bomen en struiken is maximaal 50% van het oppervlak. Door extensief beheer en spontane ontwikkeling ontstaat er een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden.
Het doel van het beheer van het element is het behoud van de karakteristieke uitstraling en ecologische waarde. Dit wordt bereikt door onderhoud te plegen zoals het maaien, snoeien, uitdunnen en kappen van bomen.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Dijken
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
○
Zeekleigebied
•
Een struweelrand is lijnvormig (dan wel glooiend) en aaneengesloten.
Een struweelrand is minimaal 3 en maximaal 12 meter breed.
•
Een struweelrand ligt naast een bosrand, landschapselement of vrij in het veld (bijvoorbeeld een perceelrand).
•
Maximaal 50% van de oppervlakte van de rand wordt ingenomen door inheemse bomen en/of struiken.
•
Een struweel rand bestaat uit een mozaïek van struweel (bramen en/of andere inheemse bomen of struiken) en een kruidachtige begroeiing van grassen en (inheemse) kruiden die zich spontaan kan ontwikkelen.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L11: realisatie.
•
L11 + L11a: realisatie en jaarlijks beheer.
•
L11a: jaarlijks beheer.
•
L11b: jaarlijks en periodiek beheer.
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Struweelrand kan zich spontaan ontwikkelen als landbouwgrond uit productie wordt genomen, maar de aanleg mag ook gestimuleerd worden door:
○
Rand kan ingezaaid worden met kruidenmengsel en
○
20% van de oppervlakte kan beplant worden met inheemse struiken.
•
Aanplant wordt uitgevoerd in de winterperiode, met geschikte weersomstandigheden (oktober-maart).
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Slootmaaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.
•
L11a: jaarlijks beheer, waarbij
○
Dominante/ongewenste kruiden (bijv. ridderzuring, brandnetel, Jacob kruiskruid) kunnen worden ingeperkt (uitmijnen) door plaatselijk beheer.
▪︎
Maaisel wordt afgevoerd.
•
L11b: jaarlijks en periodiek beheer, waarbij:
○
1% tot 40% van de houtige elementen (o.a. opschot) worden jaarlijks gesnoeid.
▪︎
Snoeiafval mag worden verwerkt in rillen of worden afgevoerd.
○
De rand bestaande uit een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden periodiek gemaaid wordt, waarbij de gehele eenheid éénmaal per 5 jaar geheel gemaaid is.
▪︎
Dit wordt uitgevoerd door gefaseerd maaien, waarbij jaarlijks een deel blijft staan.
▪︎
Maaisel wordt afgevoerd of op een ruiter gelegd.
L12: Poel en klein historisch water
Omschrijving
Een poel en klein historisch water zijn doorgaans een geïsoleerd stilstaand water dat gevoed wordt door kwel, regenwater, grondwater of afstromend water. De bodem is een afgesloten laagte.
Poelen worden doorgaans aangelegd op plaatsen die laag gelegen zijn in het landschap, waarbij het grondwater niet te diep zit. Het is belangrijk dat de poel voldoende lang water houdt en niet te vaak droogvalt.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veen ontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Open beemdengebied
○
Zeekleigebied
○
Oeverwal
○
Komgebied
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
•
Een bestaande poel of klein historisch water heeft een oppervlakte van minimaal 100 en maximaal 2000 m2.
•
Alleen een poel groter dan 200 m2 mag in verbinding staan met sloten of greppels wanneer sprake is van een natuurlijke eenheid die vrij afwatert en ‘geen afwatering’ een risico voor omgeving kan veroorzaken. Veenputten mogen in verbinding staan met het slotenstelsel in het gebied.
•
Bij het gebruik als veedrinkpoel is minimaal de helft van de oeverlengte uitgerasterd. Bij schapenbeweiding is het (gedeeltelijk) uitrasteren van een poel niet nodig.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L12: realisatie
•
L12 + 12a of c: realisatie met jaarlijks beheer
•
L12a: jaarlijks beheer voor poelen <175 m2
•
L12b: jaarlijks beheer en eenmalig grootschalig onderhoud8 voor poelen <175 m2
○
Indien het een beheercontractverlenging betreft: achterstallig onderhoud9 wat voorkomen had kunnen worden, komt niet in aanmerking voor dit beheerpakket.
•
L12c: jaarlijks beheer voor poelen >175 m2
•
L12d: jaarlijks beheer en eenmalig grootschalig onderhoud14 voor poelen >175 m2
○
Indien het een beheercontractverlenging betreft: achterstallig onderhoud wat voorkomen had kunnen worden, komt niet in aanmerking voor dit beheerpakket.
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
De poel wordt aangelegd op een locatie waarbij deze een ecologische functie kan vervullen:
○
Binnen een straal van 100 m van een bestaande houtopstand/bos of moeras van minimaal 0,5 hectare of;
○
Binnen een ecologische verbindingszone of stapstenen of;
○
Binnen 300 meter van een poel waarin een of meerdere soorten amfibieën voorkomen of;
○
Er onderbouwd kan worden met goedkeuring van gemeente, waterschap of Provincie dat een poel van ecologische meerwaarde is op de projectlocatie.
•
De laagste grondwaterstand (GLG) grondwaterstand is niet dieper dan 1,20 m onder het maaiveld.
•
De oppervlakte van de poel gemeten vanaf de insteek talud met maaiveld is maximaal 500 m2. Oppervlakte inclusief landbiotoop is maximaal 700 m2.
○
Rondom de poel kan een kruidenrijke rand worden aangelegd, die groter mag zijn dan de 200 m2 landbiotoop.
•
Het talud wordt aangelegd met een verhouding van minstens 1:3, maar bij voorkeur flauwer.
•
Voor poelen (‘basisbiotoop’) die aangelegd worden t.b.v. de boomkikker10 geldt maximaal 2000 m², een diepte van maximaal 1,5 meter en taludverhoudingen van 1:8 tot 1: 10.
•
Diepte van de poel tot 0,5 – 1 meter beneden de laagste grondwaterstand (GLG), maar maximaal 1.70 m onder het maaiveld.
○
Grondboring kan noodzakelijk zijn om de diepte van (mogelijk) aanwezige leemlaag te bepalen.
•
Poel wordt aangelegd met natuurlijke materialen, waarbij folie niet is toegestaan. Enkel afdichting met klei of leem indien dit nodig is.
•
Landbiotoop rond poel en droog gedeelte van de oevers mag ingezaaid worden met mengsel met inheemse kruiden of voorzien van kruidenrijk hooi/maaisel.
•
Het kan noodzakelijk zijn om vooraf akkoord te hebben van het waterschap. Dit wordt geregeld met een veldcoördinator.
Vergunning
Voor het graven van poelen geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende kosten voor onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Maaiwerkzaamheden vinden plaats in de droge periode tussen 15 augustus – 15 oktober:
○
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot beschadiging van de poel en bodem.
•
L12a, L12c: jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen.
•
L12b: Het beheer bestaat uit periodiek opschonen of baggeren en jaarlijks beheer:
○
jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen.
○
Iedere 5 jaar wordt de poel gebaggerd en/of opgeschoond om voldoende diepte en open water te behouden.
•
L12d: Het beheer bestaat uit periodiek opschonen of baggeren en jaarlijks beheer:
○
jaarlijks worden de oevers gemaaid of tijdelijk beweid door schapen om opslag van bomen en struiken te voorkomen.
○
Iedere 10 jaar wordt de poel gebaggerd en/of opgeschoond om voldoende diepte en open water te behouden.
•
Minimaal de helft van het natte oppervlak van de poel bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water.
•
De waterdiepte van de diepste delen van de poel is minimaal 0,5 m in de periode tussen 1 oktober en 1 april.
•
Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november.
•
Maximaal 20% van de oeverlengte bestaat uit opslag van bomen of struiken. Het teveel aan opslag wordt verwijderd.
•
Er mogen geen vissen worden uitgezet of gekweekt.
•
Er mogen geen gedomesticeerde watervogels in de poel worden gehouden.
•
Er mogen geen uitheemse waterplanten in de poel worden aangeplant.
•
De poel wordt niet gebruikt voor hemelwateropvang van daken en erven.
Beheeradvies
•
Vertrapping van de oevers bij het gebruik van het element als veedrinkpoel wordt voorkomen.
•
De poel wordt niet gebruikt voor hemelwateropvang van daken en erven.
•
Maaisel of bagger mag niet verwerkt worden in het element.
•
Er vindt geen wateronttrekking plaats, behalve ten behoeve van het drenken van vee op aangrenzende percelen.
L13: Natuurvriendelijke oever
Omschrijving
Een natuurvriendelijke oever is een aaneengesloten oever langs een bestaande watervoerende waterloop, in de vorm van een drasberm, plasberm of flauw talud (minimaal 1:3), met een begroeiing van inheemse kruidachtige planten. De oeverbegroeiing kan overwegend uit riet bestaan (rietoever) of uit diverse grassen en kruiden (graskruidenoever).
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Beekdal en broekontginning
○
Open beemdengebied
○
Zeekleigebied
○
Komgebied
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Oude zandontginning
•
Een natuurvriendelijke oever is lijnvormig en aaneengesloten.
•
Een natuurvriendelijke oever ligt langs een bestaande watervoerende waterloop.
•
Een natuurvriendelijke oever is minimaal 3 meter en maximaal 10 meter breed.
•
Een natuurvriendelijke oever bestaat uit een drasberm, plasberm of flauw talud met minimaal ratio 1:3.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L13: realisatie
•
L13 + L13a of b: realisatie en jaarlijks beheer van een graskruidoever
•
L13a: jaarlijks beheer van een graskruidoever
•
L13b: tweejaarlijks beheer van een rietoever
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Voor een natuurvriendelijke oever aan A- en B-Watergangen is vooraf afstemming geweest met het Waterschap, zodat deze voldoet aan de eisen van waterschap.
○
Indien een schouw- of onderhoudspad noodzakelijk is, kan dit in overleg met de gebiedscoördinator.
•
Een natuurvriendelijke oever wordt aangelegd in de vorm van een drasberm, plasberm of een flauw talud met minimaal ratio 1:3.
•
Bij peilgestuurde gebieden wordt de plasberm ontgraven tot 50 cm onder en tot 10 cm boven het zomerpeil en een drasberm wordt ontgraven tot 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil. Bij afwezigheid van een plas-dras oever is een flauw talud minimaal 1:3 of flauwer. Het talud wordt ontgraven vanaf de slootbodem tot het maaiveld.
•
Bij vrij afwaterende gebieden: ligt de bodem van de oever boven de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil).
•
Het kan noodzakelijk zijn om vooraf akkoord te hebben van het waterschap. Dit wordt geregeld met een veldcoördinator.
Vergunning
Voor het graven van natuurvriendelijke oevers geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Een natuurvriendelijke oever wordt gefaseerd gemaaid, waarbij minimaal 1/3 jaarlijks blijft staan.
•
Maaisel wordt afgevoerd binnen één week na de werkzaamheden of worden op een ruiter geplaatst.
•
Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen half augustus en eind oktober, bij droge omstandigheden
•
Een natuurvriendelijke oever bestaat voor maximaal 20% uit struweel, overige struweel wordt verwijderd en afgevoerd.
•
Er mogen geen wijzigingen aangebracht worden in het profiel van de natuurvriendelijke oever.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in en natuurvriendelijke oever.
•
L13a: jaarlijks beheer van een graskruidoever. De natuurvriendelijke oever wordt minimaal éénmaal per jaar gefaseerd gemaaid.
•
L13b: tweejaarlijks beheer van een rietoever. De natuurvriendelijke oever wordt minimaal één keer per 2 jaar gefaseerd gemaaid.
Beheeradvies
•
Een natuurvriendelijke oever mag maximaal 2 weken beweid worden met schapen, in de periode half augustus tot 1 maart.
L14: Waterberging
Omschrijving
Een waterbergingsvoorziening is een laagte met een kruidachtige begroeiing of broekbos of een ondiepe plas die ten tijde van hoge waterstanden extra water kan bergen.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Beekdal en broekontginning
○
Open beemdengebied
○
Zeekleigebied
○
Oeverwal
○
Komgebied
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Oude zandontginning
•
Een waterbergingsvoorziening is een laagte met kruidachtige begroeiing, broekbos of ondiepe plas, die droogvalt.
•
Een waterbergingsvoorzienig heeft een oppervlakte maximaal 5000 m2.
•
Een waterbergingsvoorziening heeft een inhoud van minimaal 500 m3.
•
Een waterbergingsvoorziening mag geen nadelige gevolgen hebben voor aangrenzende percelen van andere eigenaren.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
L15: Realisatie van een natte laagte, ondiepe plas of broekbos/wilgenstruweel
•
L15 + L15a/b/c: realisatie met specifiek beheer
•
L15a: jaarlijks beheer van een natte laagte
•
L15b: jaarlijks beheer van een ondiepe plas
•
L15c: periodiek beheer van een broekbos of wilgenstruweel
•
Functiewijzing: in combinatie met realiseren van het element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een waterbergingsvoorziening wordt aangelegd in de vorm van:
○
een natte laagte die na enige tijd droogvalt.
○
een ondiepe plas met permanent water.
○
Een natte laagte met broekbos of wilgenstruweel.
▪︎
Broekbos wordt niet aangeplant, maar ontstaat door natuurlijke opslag van inheemse bomen en struiken.
•
Eisen voor peilgestuurde gebieden: Bij een natte laagte of broekbos ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening van 10 cm onder tot 10 cm boven het zomerpeil. Bij een ondiepe plas ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening tot 100 cm onder het zomerpeil.
•
Eisen voor vrij afwaterende gebieden: Bij een natte laagte of broekbos in vrij afwaterende gebieden ligt de bodem van de waterbergingsvoorziening op minimaal 50 cm onder maaiveldhoogte en niet onder de GHG (gemiddeld hoogste grondwaterpeil).
•
Om waterbergingsmogelijkheden te maximaliseren kunnen kunstwerken11 (stuw, knijpduiker) toegepast worden. Een kunstwerk is noodzakelijk als afwatering plaatsvindt naar een sloot of waterloop.
•
De waterbergingsvoorziening kan worden voorzien van een schouw-/onderhoud rand met kruidenrijk gras.
○
Een schouw-/ onderhoud rand langs een waterbergingsvoorziening is maximaal 4 meter breed en beslaat niet meer dan 20% van het oppervlak.
Vergunning
Voor het graven van waterbergingsvoorziening geldt doorgaans een vergunningplicht. Hierbij dient men alert te zijn op eventuele bijkomende onderzoek voor archeologie en/of bodemkunde.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Een waterbergingsvoorziening wordt niet beweid.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel, tuinafval of andere vormen van lozingen (niet organische stoffen) mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.
•
L15a: jaarlijks beheer van een natte laagte. De laagte wordt éénmaal per jaar gemaaid.
○
Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen half augustus en eind oktober, bij droge omstandigheden12.
○
Het maaisel wordt afgevoerd.
•
L15b: jaarlijks beheer van de oevers van een ondiepe plas. Het beheer moet bestaan uit de volgende uitgangspunten:
○
Jaarlijks maaibeheer van de oevers tussen half augustus en eind oktober12.
○
Minimaal de helft van het natte oppervlak van de plas bestaat in de periode 15 maart tot 15 juni uit open water.
○
Een incidentele droogval is toegestaan in de periode 15 juni tot 15 november.
○
Maximaal 20% van de oppervlakte van de oevers bestaat uit opslag van bomen of struiken.
•
L15c: periodiek beheer van een broekbos/wilgenstruweel in een laagte. Het beheer moet bestaan uit de volgende uitgangspunten:
○
Het broekbos of wilgenstruweel wordt als hakhout beheerd en periodiek afgezet in de periode half augustus tot 1 maart.
▪︎
De gehele eenheid moet in de contractperiode (gefaseerd) worden afgezet.
○
De gemiddelde diameter van het hakhout, behoudens de eventuele overstaanders, is maximaal 15 cm op 1 m boven de hakhoutstoof (beheereenheden met grotere dikte dienen afgezet te worden).
○
Snoeihout moet afgevoerd worden uit de beheereenheid.
Beheeradvies
•
Een waterberging mag maximaal 2 weken beweid worden met schapen, in de periode half augustus tot 1 maart.
G1: Extensief beweid grasland voor bijen op dijken
Omschrijving
Een extensief beweid grasland op dijken is een graslandstrook die met een lage dichtheid wordt begraasd om kruidenrijkdom te vergroten. Extensief beweid grasland is grasland dat extensief beweid wordt en niet wordt bemest (behoudens mest van het weidende vee).
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in het landschapstypen:
○
Dijken
•
Een extensief beweid grasland wordt extensief beweid.
•
Een extensief beweid grasland wordt niet bemest (behoudens mest van het weidende vee).
•
Het extensief beweid grasland bestaat uit grasland.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
G1a: Beheer van extensief jaarlijks beweid grasland in de periode 1 mei tot 1 september (1 tot 1,5 GVE/ha).
•
Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element.
Aanlegverplichting
Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Indien in de rand 4 indicatorsoorten aanwezig zijn, kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.
•
Indien er geen 4 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder omschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.
○
Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober13.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Het grasland wordt niet bemest (behoudens mest van weidend vee).
•
Het grasland wordt extensief beweid van 1 mei tot 1 september met minimaal 1 en maximaal 1,5 GVE per hectare.
•
Het grasland mag niet worden gescheurd, gefreesd of heringezaaid.
•
Chemische en/of mechanische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid. Een kenmerkende soort van dijken zoals de kruisdistel mag niet worden bestreden.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de beheereenheid.
Voorgeschreven mengsel
G2: Kruidenrijke graslandrand
Omschrijving
Een kruidenrijke rand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld of door vee wordt beweid. Ze worden éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. In de rand komen minimaal 8 indicatorsoorten voor in het groeiseizoen. De randen worden niet bemest, gescheurd of diep geploegd. Kruidenrijke randen vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Kruidenrijk randen liggen aan de buitenzijde van een perceel.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Open beemdengebied
○
Zeekleigebied
○
Dijken
○
Oeverwal
○
Uiterwaarden
○
Komgebied
○
Langstraatontginning
•
Een kruidenrijke graslandrand is minimaal 25 lang.
•
Een kruidenrijke graslandrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 6 meter breed, met uitzondering van:
○
Randen op dijken of binnen ecologische verbindingszones hebben een breedte van minimaal 3 meter en maximaal 25 meter.
•
Een kruidenrijke graslandrand ligt op een grasland:
○
Aan de rand van een perceel of
○
Naast een L-element.
•
De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van:
○
Langstraatontginning.
○
Dijken in Zeekleigebied.
○
EVZ (hierin mogen G-randen naast elkaar grenzen).
•
De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
G2: realisatie, indien indicatorsoorten ontbreken, gecombineerd met G2a of G2b.
•
G2a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
G2b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik.
•
Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Indien in de rand 8 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.
•
Indien er geen 8 indicatorsoorten in de rand voorkomen wordt de rand eenmalig ingezaaid met een hieronder omschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.
○
Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober14.
Aanleg advies grondwaardedaling
•
In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met het voorgeschreven zaadmengsel.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Een kruidenrijke graslandrand wordt gefaseerd gemaaid, waarbij minimaal 20% per maaibeurt blijft staan:
○
Maaiwerkzaamheden vinden plaats tussen 15 juli en 1 maart;
○
Het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.
○
Het eerste jaar kunnen ongewenste dominante soorten voorkomen. Na afstemming met de gebiedscoördinator kan eenmalig eerder worden gemaaid.
•
Een kruidenrijke graslandrand wordt niet beweid.
•
Een kruidenrijke graslandrand wordt niet bemest.
•
Een kruidenrijke graslandrand wordt niet gescheurd of gefreesd.
○
Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.
•
Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
Voorgeschreven mengsel
NL-naam
Latijnse naam
Percentage
NL-naam
Latijnse naam
Percentage
Boekweit
Fagopyrum esculentum
7,5%
Gewone margriet
Leucanthemum vulgare
10%
Bernagie
Borago officinalis
7,5%
Gewone rolklaver
Lotus corniculatus
20%
Korenbloem
Centaurea cyanus
2,5%
Wilde peen
Daucus carota
10%
Gele ganzenbloem
Chrysanthemum segetum
2,5%
Duizendblad
Achillea millefolium
7%
Witte klaver
Trifolium repens
10%
Rode klaver
Trifolium pratense
10%
Groot streepzaad
Crepis biennies
5%
Knoopkruid
Centaurea jacea
3%
Zaaidichtheid 15 kg/ha
Cichorei
Cichorium intybus
5%
G3: Wilde bijenrand op grasland
Omschrijving
Een wilde bijenrand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld of door vee wordt beweid. Deze wordt éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. De randen worden extensief en gefaseerd beheerd om variatie te creëren.
In de rand komen minimaal 8 indicatorsoorten voor in het groeiseizoen. De randen worden niet bemest, gescheurd of diep geploegd. Wilde bijenranden vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Wilde bijenranden liggen aan de buitenzijde van een perceel.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Open beemdengebied
○
Zeekleigebied
○
Dijken
○
Oeverwal
○
Komgebied
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
•
Een wilde bijenrand is minimaal 25 lang.
•
Een wilde bijenrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed, met uitzondering van:
○
Randen op dijken of binnen ecologische verbindingszones hebben een breedte van minimaal 3 meter en maximaal 25 meter.
•
Een wilde bijenrand ligt op grasland:
○
Aan de rand van een perceel of
○
Naast een L-element.
•
De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. uitzondering van:
○
Langstraatontginning.
○
Dijken in Zeekleigebied.
○
EVZ (hierin mogen G-randen naast elkaar grenzen).
•
De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
G3: realisatie, indien indicatorsoorten ontbreken, gecombineerd met G3a of G3b.
•
G3a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
G3b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik.
•
Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een wilde bijenrand op grasland wordt éénmalig ingezaaid met voorgeschreven mengsel13. Dit is enkel nodig indien 8 indicatorsoorten ontbreken of kruidenrijkdom onvoldoende is:
○
Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober15.
•
Indien in de rand 8 indicatorsoorten aanwezig zijn kan vanuit deze uitgangssituatie het beheer gestart worden.
Aanleg advies grondwaardedaling
•
In geval van een bijdrage voor grondwaardedaling kan de rand worden geplagd. Na plaggen kan kruidenrijk maaisel worden opgebracht of worden ingezaaid met het voorgeschreven zaadmengsel.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Een wilde bijenrand wordt gefaseerd gemaaid, jaarlijks wordt 50% van de rand gemaaid. Het volgende jaar wordt de rand de overgebleven 50% gemaaid. De rand is daarmee in twee fases geheel gemaaid per 2 jaar.
○
Maaiwerkzaamheden vinden plaatsen tussen 15 september en 1 januari.
○
Maaisel wordt binnen 14 dagen na maaien afgevoerd.
○
Het eerste jaar kunnen ongewenste dominante soorten voorkomen. Na afstemming met de gebiedscoördinator kan eenmalig eerder worden gemaaid.
•
Een wilde bijenrand wordt niet beweid en bemest.
•
Een wilde bijenrand wordt niet gescheurd of gefreesd.
○
Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.
•
Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
Voorgeschreven mengsel
Eenjarige kruiden
Meerjarige kruiden
NL-naam
Latijnse naam
Percentage
NL-naam
Latijnse naam
Percentage
Boekweit
Fagopyrum esculentum
7,5%
Gewone margriet
Leucanthemum vulgare
10%
Bernagie
Borago officinalis
7,5%
Gewone rolklaver
Lotus corniculatus
15%
Korenbloem
Centaurea cyanus
2,5%
Wilde peen
Daucus carota
10%
Gele ganzenbloem
Chrysanthemum segetum
2,5%
Duizendblad
Achillea millefolium
7%
Gewone pastinaak
Pastinaca sativa
5%
Witte klaver
Trifolium repens
5%
Rode klaver
Trifolium pratense
5%
Venkel
Foeniculum vulgare
5%
Groot streepzaad
Crepis biennies
5%
Knoopkruid
Centaurea jacea
3%
Boerenwormkruid
Tanacetum vulgare
3%
Muskuskaasjeskruid
Malva moschata
3%
Gewone berenklauw
Heracleum sphondylium
3%
Zaaidichtheid 12 kg/ha
Cichorei
Cichorium intybus
2%
B1: Wintervoedselrand op bouwland
Omschrijving
Een wintervoedselrand op bouwland is een strook waar granen en zaaddragende planten staan. De rand bestaat voor 90% uit granen en wordt jaarlijks opnieuw ingezaaid. De rand wordt niet geoogst, waardoor deze voedsel biedt voor vogels en andere fauna.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Zeekleigebied
○
Komgebied
○
Oeverwal
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
○
Beekdal en broekontginning
•
Een wintervoedselrand is minimaal 25 lang.
•
Een wintervoedselrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed.
•
Een wintervoedselrand blijft in de winter overstaan.
•
Een wintervoedselrand ligt op een akker/bouwland.
•
De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van:
○
Langstraatontginning.
•
De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
B1a: jaarlijks inzaaien en beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
B1b: jaarlijks inzaaien en beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
B1c: jaarlijks inzaaien en beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.
Aanlegverplichting
Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een wintervoedselrand wordt jaarlijks tussen 16 maart en 30 april ingezaaid met het voorschreven zaadmengsel en zaaidichtheid16.
•
Er wordt ingezaaid met niet ontsmet zaad.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Er wordt een rustperiode in acht genomen in de periode 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden er geen beheerwerkzaamheden en bewerkingen plaats.
○
Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.
•
Een wintervoedselrand wordt jaarlijks opnieuw ingezaaid in de periode 16 maart tot 30 april.
•
Een wintervoedselrand mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.
•
Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad.
•
Een wintervoedselrand mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.
Voorgeschreven mengsel
Wintervoedsel
NL-naam
Latijnse naam
Percentage
Zomertarwe (korte soort)
Triticum aestivum
20%
Zomerhaver
Avena sativa
10%
Zomergerst (korte soort)
Hordeum distochon
20%
Zomer Triticale
Triticale x triticale
20%
Boekweit
Fagopyrum esculentum
10%
Zonnebloem
Helianthus annuus
12%
Vlas
Linum usitatissimum
5%
Phacelia
Phacelia tanacetifolia
1%
Gele ganzenbloem
Chrysantemum segetum
1%
Incarnaatklaver
Trifolium incarnatum
1%
Zaaidichtheid 125 kg/ha
B2: Wilde bijenrand op bouwland
Omschrijving
Een wilde bijenrand bestaat uit inheemse bloemen en kruiden, waarop geen gewassen worden geteeld. Ze worden éénmalig ingezaaid met een mengsel van eenjarige en meerjarige kruiden. De randen worden extensief en gefaseerd beheerd om variatie te creëren.
Wilde bijenranden vervullen een functie als bufferzone en het verhogen van de kruidenrijkdom. Wilde bijenranden liggen aan de buitenzijde van een perceel.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Zeekleigebied
○
Oeverwal
○
Komgebied
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Open beemdengebied
•
Een wilde bijenrand ligt op bouwland.
•
Een wilde bijenrand is minimaal 25 lang.
•
Een wilde bijenrand is minimaal 3 meter en maximaal gemiddeld 12 meter breed, met uitzondering van:
•
De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element. De onderlinge afstand bedraagt minimaal 50 meter. Met uitzondering van:
○
Langstraatontginning.
•
De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
B2a: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
B2b: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
B2c: eenmalig inzaaien en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.
Aanlegverplichting
Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een wilde bijenrand op bouwland wordt eenmalig in de contractperiode ingezaaid met het voorgeschreven zaagmengsel17 en zaaidichtheid.
•
Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Een wilde bijenrand op bouwland wordt jaarlijks in twee fases gemaaid, waarbij bij elke maaibeurt 50% blijft staan:
○
Eerste maaibeurt: 1 juli – 1 augustus, 50% van de rand maaien en 50% blijft overstaan.
○
Tweede maaibeurt: 15 september – 15 november, de overgebleven 50% van de voorgaande maaibeurt wordt gemaaid. De andere 50% blijft overstaan.
○
Maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.
○
Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.
•
Een wilde bijenrand wordt niet beweid en bemest.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.
•
Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop. Mits niet in strijd met geldende wet- en regelgeving.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
•
Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator.
Voorgeschreven mengsel
Eenjarige kruiden
Meerjarige kruiden
NL-naam
Latijnsenaam
Percentage
NL-naam
Latijnsenaam
Percentage
Boekweit
Fagopyrum esculentum
7,5%
Gewone margriet
Leucanthemum vulgare
10%
Bernagie
Borago officinalis
7,5%
Gewone rolklaver
Lotus corniculatus
15%
Korenbloem
Centaurea cyanus
2,5%
Wilde peen
Daucus carota
10%
Gele ganzenbloem
Chrysanthemum segetum
2,5%
Duizendblad
Achillea millefolium
7%
Gewone pastinaak
Pastinaca sativa
5%
Witte klaver
Trifolium repens
5%
Rode klaver
Trifolium pratense
5%
Venkel
Foeniculum vulgare
5%
Groot streepzaad
Crepis biennies
5%
Knoopkruid
Centaurea jacea
3%
Boerenwormkruid
Tanacetum vulgare
3%
Muskuskaasjeskruid
Malva moschata
3%
Gewone berenklauw
Heracleum sphondylium
3%
Zaaidichtheid 12 kg/ha
Cichorei
Cichorium intybus
2%
B3: Patrijzenrand op bouwland
Omschrijving
Een patrijzenrand ligt op bouwland en bestaat uit drie randen, namelijk uit één strook met meerjarig laagblijvend graskruidenmengsel, één strook met wintervoedsel en één strook groene braak. De combinatie van randen zorgt voor broedsucces en kuiken overleving van patrijzen. De stroken wintervoedselstrook en braakstrook mogen jaarlijks wisselen.
Figuur 1 Voorbeeld van een patrijzenrand (Bron: Poldernatuur Zeeland – patrijzenrand)
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Zeekleigebied
○
Komgebied
○
Oeverwal
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
•
Een patrijzenrand ligt op bouwland.
•
Een patrijzenrand bestaat uit drie stroken:
1.
meerjarig laagblijvend graskruidenmengsel (50% van de totale breedte minus de braakstrook)
2.
wintervoedselmengsel (50% van de totale breedte minus de braakstrook).
3.
braakstrook van 3 meter.
•
Een patrijzenrand is minimaal 25 meter lang.
•
Een patrijzenrand is minimaal 9 meter en maximaal 18 meter breed.
•
De rand is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.
•
De rand wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
B3a: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
B3b: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
B3c: eenmalig inzaaien kruidenstrook, jaarlijks inzaaien wintervoedselstrook en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.
Aanlegverplichting
Bij het aanleggen van een rand dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een patrijzenrand op bouwland bestaat uit drie stroken:
○
Graskruidenstrook
○
50% van de totale breedte van de rand minus de braakstrook
○
Eenmalig inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.
○
Wintervoedselstrook
○
50% van de totale breedte van de rand minus de braakstrook
○
Jaarlijks inzaaien met een in de subsidieregeling voorgeschreven zaadmengsel en zaaidichtheid.
○
Braakstrook
○
3 meter brede strook.
○
Jaarlijks ploegen, waarbij de strook braak blijft liggen.
•
Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Minimaal 90% van de oppervlakte bestaat van 1 juni tot 15 augustus uit een combinatie van ingezaaide granen (niet zijnde maïs of graanstoppel) en kruiden met een strook van maximaal 3 meter groene braak.
•
De rand wordt niet beweid.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.
•
Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.
•
Graskruidenstrook:
○
De strook wordt minimaal één keer per jaar en maximaal 2 keer per jaar gemaaid. Indien de vegetatie korter is dan 15 cm wordt er geen maaibeurt uitgevoerd. De maaibeurten vinden plaats in de volgende periode:
▪︎
Eerste maaibeurt: 1 maart – 15 april,
▪︎
Tweede maaibeurt: 1 tot 15 september.
○
Het maaisel wordt binnen 14 dagen afgevoerd.
○
Deze strook wordt niet bemest.
○
Deze strook wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
○
Indien er massaal ongewenste woekerende soorten in de rand opkomen, kan na overleg en advies van de veldcoördinator, specifiek beheer worden uitgevoerd om kruidenrijkdom te vergroten.
○
Opnieuw doorzaaien of herinzaaien is mogelijk op eigen initiatief, na overleg of advies van de veldcoördinator.
•
Wintervoedselstrook
○
De strook wintervoedsel wordt jaarlijks ingezaaid en niet geoogst.
○
Er wordt een rustperiode in acht genomen van 15 mei tot 1 maart van het daaropvolgende jaar. In de rustperiode vinden in de beheereenheid geen bewerkingen plaats.
○
Deze strook wordt niet gebruikt als pad.
○
Deze strook mag om de 2 jaar bemest worden met vaste/ruige rundermest.
•
Braakstrook
○
De strook wordt jaarlijks bewerkt tot een braakstrook.
○
Deze strook wordt niet bemest.
○
Deze strook wordt niet gebruikt als pad, behoudens voor het schonen van aanliggende sloot.
○
Deze mag bewerkt worden met een cultivator of schoffelmachine voor het bewerkstelligen van zwarte braak.
Voorgeschreven mengsel
Graskruidenstrook
Wintervoedselstrook
NL-naam
Latijnse naam
Percentage
NL-naam
Latijnse naam
Percentage
Roodzwenk gras en/of veldbeemdgras
Festuca rubra rubra
45%
Zomertarwe (korte soort)
Triticum aestivum
20%
Witte klaver
Trifolium repens
20%
Zomerhaver
Avena sativa
10%
Gewone rolklaver
Lotus corniculatus
30%
Zomergerst (korte soort)
Hordeum distochon
20%
Duizendblad
Achillea millefolium
5%
Zomer Triticale
Triticale x triticale
20%
Boekweit
Fagopyrum esculentum
10%
Zaaidichtheid 15 kg/ha
Zonnebloem
Helianthus annuus
12%
Vlas
Linum usitatissimum
5%
Phacelia
Phacelia tanacetifolia
1%
Gele ganzenbloem
Chrysantemum segetum
1%
Incarnaatklaver
Trifolium incarnatum
1%
Zaaidichtheid 125 kg/ha
B4: Bloemblok voor akkervogels op bouwland
Omschrijving
Een bloemblok op bouwland is een vlakdekkend element met meerjarige kruiden en granen. Een bloemblok wordt minimaal twee keer per contractperiode ingezaaid. Het vervult een belangrijke functie voor voedsel, rust en veiligheid voor (broed)vogels en insecten.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Zeekleigebied
○
Komgebied
○
Oeverwal
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
•
Een bloemblok ligt op bouwland.
•
Een bloemblok is minimaal 25 meter lang.
•
Een bloemblok is minimaal 18 meter breed.
•
Een bloembok is maximaal 0,5 hectare groot.
•
Het bloemblok is zongericht en zon beschenen en wordt overdag minimaal 50% van het dagdeel niet beschaduwd.
•
De beheereenheid mag niet direct grenzen aan een andere beheereenheid met een G- of B-element.
•
Een bloemblok mag niet onderbroken worden.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van één van de volgende subsidiepakketten:
•
B4a: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op kleigronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
B4b: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op zandgronden met landbouwkundig gebruik waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
B4c: periodiek inzaaien en jaarlijks beheer op zand- en kleigronden zonder landbouwkundig gebruik.
Aanlegverplichting
Bij het aanleggen van een bloemblok dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een bloemblok op bouwland wordt drie keer in de contractperiode ingezaaid met het voorgeschreven zaagmengsel18 en zaaidichtheid:
○
Eerste jaar volledige blok wordt gezaaid.
○
Opvolgende jaren 50% van het blok opnieuw wordt ingezaaid.
•
Inzaaien vindt plaats in het najaar voor de vorstperiode, tussen augustus t/m oktober of in maart/april waarbij gestart wordt met een vals zaaibed.
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Minimaal 90% van de oppervlakte bestaat van 1 juni tot 15 augustus uit ingezaaide kruiden of kruiden in combinatie met granen.
•
Een bloemblok wordt na het eerste jaar jaarlijks voor de helft opnieuw ingezaaid, waarbij:
○
In het tweede: 50% van het bloemblok wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid.
○
In het derde jaar: de andere 50% wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid.
○
In het vierde jaar: 25% van het bloemblok van het tweede jaar en 25% van het bloemblok van het derde jaar wordt onderwerkt en opnieuw ingezaaid. Hiermee wordt een dambord patroon ontwikkeld.
○
In het vijfde jaar: de andere 50% wordt ondergewerkt en opnieuw ingezaaid.
○
In het zesde jaar blijft de rand behouden en niet ondergewerkt.
•
Onderwerken en opnieuw inzaaien vindt plaats na
•
Een bloemblok wordt niet gemaaid of beweid.
•
Een bloemblok wordt niet bemest.
•
Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.
•
Slootmaaisel, bagger, maaisel en tuinafval mogen niet verwerkt worden in de rand.
Voorgeschreven mengsel
Bloemblok voor akkervogels
NL-naam
Latijnsenaam
Percentage
NL-naam
Latijnsenaam
Percentage
Zomer Triticale
Triticale x triticale
20%
Esparcette
Onobrychis viciifolia
2%
Oude rogge
Secale multicaule
20%
Cichorei
Cichorium intybus
2%
Zomerhaver
Avena sativa
20%
Groot streepzaad
Crepis biennis
1%
Quinoa/gierstmelde
Chenopodium quinoa
10%
Wilde peen (wild)
Daucus carota
1%
Mergstamkool
Brassica oleracea
4%
Groot kaasjeskruid
Malva sylvestris
1%
Voederwikke
Vicia sativa
3%
Grote kaardebol
Dipsacus fullonum
1%
Venkel
Foeniculum vulgare
3%
Incarnaatklaver
Trifolium incarnatum
2%
Luzerne
Medicago sativa
2%
Margriet (wild)
Leucanthemum vulgare
1%
Bladrammenas
Raphanus sativus
2%
Gewone rolklaver
Lotus corniculatus
1%
Gele mosterd
Sinapis alba
2%
Zandgronden: zaaidichtheid 10 kg/ha
Kleigronden: zaaidichtheid 7 kg/ha
W1: Wandelpad over boerenland
Omschrijving
Een wandelpad over boerenland is een toegankelijk pad voor wandelaars dat over landbouwgrond loopt.
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het landschapselement te voldoen aan de volgende criteria:
•
Het element ligt in één van de volgende landschapstypen:
○
Oude zandontginning
○
Jonge zand- en/of veenontginning
○
Beekdal en broekontginning
○
Open beemdengebied
○
Zeekleigebied
○
Dijken
○
Oeverwal
○
Komgebied
○
Uiterwaarden
○
Langstraatontginning
•
Een wandelpad sluit aan op bestaande routestructuren en is onderdeel van een doorgaande wandelstructuur.
•
Een wandelpad ligt op landbouwgrond.
•
Een wandelpad ligt naast een bestaand of aan te leggen L-, G- of B-element.
•
Het wandelpad moet 364 dagen per jaar opengesteld zijn van zonsopgang tot zonsondergang.
•
Een wandelpad is minimaal 1 meter en maximaal 3 meter breed.
•
Het wandelpad wordt aangeduid met bewegwijzering en informatiebord.
Aan te vragen subsidiepakketten
Indien het element aan de criteria voldoet, kan gebruik worden gemaakt van de volgende subsidiepakketten:
•
W1: realisatie op bouwland, te combineren met W1a, W1b en R-elementen.
•
W1a: jaarlijks beheer op gronden met landbouwkundig gebruik, waarop inkomstenderving van toepassing is.
•
W1b: jaarlijks beheer op overige gronden zonder landbouwkundig gebruik.
•
Functiewijziging: enkel in combinatie met realisatie van een L-element.
Aanlegverplichtingen
Bij het aanleggen van landschapselementen dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een wandelpad op bouwland wordt eenmalig ingezaaid met een laagblijvend grasmengsel.
•
Een wandelpad wordt voorzien van een voorgeschreven openstellingsbord (R5).
Beheerverplichting
•
Algemene beheerverplichtingen zijn van toepassing.
•
Beheerwerkzaamheden mogen niet leiden tot verstoring van faunasoorten.
•
Het wandelpad bestaat uit gras en wordt zodanig beheerd dat een goede begaanbaarheid gewaarborgd is.
•
De begroeiing is maximaal 20 cm hoog.
•
Chemische onkruidbestrijding is niet toegestaan, m.u.v. pleksgewijze (max. 10% van de oppervlakte) en driftvrije bestrijding van akkerdistel, brandnetel, ridderzuring, jacobskruiskruid en Japanse duizendknoop.
Bescherming van elementen
X1: Veeraster (rundvee of paard)
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:
•
Een veeraster wordt geplaatst in combinatie met de realisatie van een landschapselement L-, G- of B-element.
○
Het veeraster wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door rundvee of paard op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.
•
Het veeraster dient ter bescherming van vraat en betrapping door rundvee of paard.
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Afstand tussen palen maximaal 4 meter.
•
Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia19, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Diameter kop palen 10-12 cm, lengte palen minimaal 160 cm.
•
Op de palen worden minimaal 2 draden bevestigd; 2 draden of 1 draad i.c.m. 1 gladde draad (stroom boven).
•
Raster dient op minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij bij geplaatst te worden.
X2: Elektrisch veeraster (rundvee)
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:
•
Een veeraster wordt geplaatst in combinatie met de realisatie van een landschapselement L-, G- of B-element.
○
Het veeraster wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door rundvee op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.
•
Het veeraster dient ter bescherming van vraat en betrapping door rundvee.
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Afstand tussen palen maximaal 10 meter.
•
Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Diameter kop palen 10-12 cm, lengte palen minimaal 160 cm.
•
Op de palen worden isolatoren met minimaal 1 gladde draad bevestigd.
•
Op draden wordt stroom gezet.
•
Raster dient op minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij bij geplaatst te worden.
X3: Schapenraster
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:
•
Een schapenraster wordt geplaatst in combinatie met de realisatie van een landschapselement L-, G- of B-element.
○
Het schapenraster wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door schapen of geiten op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.
•
Het schapenraster dient ter bescherming van vraat en betrapping door schapen.
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Afstand tussen palen maximaal 3 meter.
•
Palen zijn onbehandeld met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 160 cm.
•
Op de palen wordt minimaal middelzwaar verzinkt schapengaas van 100 cm hoogte en een maaswijdte van maximaal 15 cm x 15 cm bevestigd.
•
Raster dient op minimaal op 1 meter uit de voet van de buitenste rij bij geplaatst te worden.
X4: Boomkorf; type schaap
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:
•
Een boomkorf schaap wordt geplaatst in combinatie met de realisatie L8, L9 of L10 element.
○
Een boomkorf wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door schapen of geiten op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.
•
De boomkorf dient ter bescherming van vraat en beschadiging door schapen of geiten.
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
De boomkorf heeft een degelijke uitvoering zodat schapen/geiten de stam van de boom niet kunnen aanvreten.
Aanlegadvies
•
De basisuitvoering bestaat minimaal 2 onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 180 cm.
•
Palen worden zo geplaatst dat de boom niet kan worden beschadigd door palen.
•
Rond de palen wordt minimaal middelzwaar verzinkt gaas van 150 cm hoogte en met een maaswijdte van maximaal 10 cm x 10 cm bevestigd.
Figuur 2 Voorbeeld boomkorf (bron: W. van den Boer, 2012).
X5: Boomkorf; type rund of paard
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:
•
Een boomkorf rundvee of paard wordt geplaatst in combinatie met de realisatie een L8, L9 of L10 element.
○
Een boomkorf wordt geplaatst indien er sprake is van beweiding door rundvee of paard op het perceel waar het landschapselement wordt aangevraagd.
•
De boomkorf dient ter bescherming van vraat en beschadiging door rundvee.
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de subsidiecriteria, de volgende criteria te worden toegepast:
•
De boomkorf heeft een degelijke uitvoering zodat rundvee of paarden de stam van de boom niet kunnen aanvreten.
Aanlegadvies
•
De basisuitvoering bestaat minimaal uit 3 onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die in een driehoek rond de boom worden geplaatst.
•
Diameter kop palen 10-12 cm, lengte paal minimaal 250 cm.
•
Palen worden zo geplaatst dat de boom niet kan worden beschadigd door palen.
•
Rond de palen wordt minimaal middelzwaar verzinkt gaas van 180 cm hoogte en met een maaswijdte van maximaal 10 cm x 10 cm bevestigd.
Recreatieve voorzieningen
Subsidiecriteria
Om voor subsidie in aanmerking te komen dient het element te voldoen aan de volgende criteria:
•
Een R-element wordt geplaatst in combinatie met het pakket W1, W1a of W1b.
R1: Klaphekje
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Het klaphekje is minimaal 90 cm breed en minimaal 80 cm hoog en is gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Klaphekje bestaat uit 2 palen van minimaal 15 cm x 15 cm waarop een poort met scharnieren is bevestigd.
•
De palen worden zodanig geplaatst of voorzien van een spie waardoor de poort automatisch dicht gaat na opening.
•
De planken van de poort hebben een dikte van minimaal 2 cm.
R2: Tourniquet
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Tourniquet voor wandelaars bestaande uit een ijzeren paal (verticale as) met daarop een ijzeren en draaiende constructie die zorgt dat wandelaars het perceel kunnen betreden, maar het vee het perceel niet kan verlaten.
•
De tourniquet wordt tussen 2 palen geplaatst en verankerd in de grond d.m.v. een verharding rondom de as.
R3: Overstapje
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een overstapje wordt geplaatst op een locatie waar wandelaars een raster over moeten Een overstapje bestaat uit 2 palen waar een overstapplank op is bevestigd en voorzien is van 1 steunpaal (waar voetgangers zich bij oversteken raster aan vast kunnen houden).
•
De overstap wordt gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
De overstapplank is minimaal 80 cm lang, 20 cm breed en 3 cm dik.
•
De steunpaal heeft een lengte van minimaal 200 cm en een diameter van minimaal 10 cm of minimaal 10 cm x 10 cm.
R4: Markeringspaal route
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Paal van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) met een diameter van minimaal 10 cm of afmeting van 10 cmx10 cm.
•
De paal heeft een lengte van minimaal 160 cm.
•
Op de paal is een kleur of bordje aangebracht voor markering van een route.
R5: Openstellingsbord/klein informatiepaneel
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Er wordt gebruik gemaakt van het format openstellingsbord.
•
Openstellingsbord/informatiepaneel is gemaakt van weerbestendig materiaal en in minimaal twee kleuren vormgegeven.
•
Het bord wordt bevestigd op een paal van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Op het openstellingsbord zijn de regels voor openstelling opgenomen en op een informatiepaneel info over het project.
•
Op het openstellingbord zijn de logo’s van de financierende partners weergegeven.
•
Op het openstellingsbord is aangegeven dat het project gefinancierd wordt vanuit de Subsidieregeling Stimuleringsregeling Landschap Noord-Brabant (StiLa).
R6: Informatiepaneel groot
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Informatiepaneel is minimaal 0,25 m2 groot (oppervlakte A2 formaat), gemaakt van weerbestendig materiaal en full-colour vormgegeven.
•
Het informatiepaneel is opgesloten tussen twee onbehandelde palen met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) met diameter van minimaal 10 cm of afmeting van minimaal 10 cm x10 cm.
•
Op het openstellingbord zijn de logo’s van de financierende partners weergegeven.
•
Op het paneel is aangegeven dat het project gefinancierd wordt vanuit de Subsidieregeling Stimuleringsregeling Landschap Noord-Brabant (StiLa).
R7: Boomstambrug 3 meter
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd.
•
uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning.
•
De liggers hebben een lengte van 3 meter.
R8: Boomstambrug 5 meter
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd.
•
uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning.
•
De liggers hebben een lengte van 5 meter.
R9: Boomstambrug 7,5 meter
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd.
•
uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning.
•
De liggers hebben een lengte van 7,5 meter.
R10: Boomstambrug 10 meter
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Een boomstambrug bestaat uit 2 halfronde liggers, met een minimale dikte van 15 cm, gezaagd.
•
uit een boomstam van een soort met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
De breedte van de brug is minimaal 80 cm en de brug is aan een zijde voorzien van een leuning.
•
De liggers hebben een lengte van 10 meter.
R11: Zitbank met rugleuning
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Lengte bank minimaal 180 cm.
•
De zitting en de leuning zijn gemaakt van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Bank bestaat uit 2 palen van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 2-3, staal of beton die voorzien zijn van zitting en rugleuning met breedte van minimaal 30 cm.
•
De bank is middels palen in de grond verankerd.
R12: Plankenbrug 3 meter
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 15 cm x 8 cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm.
•
De liggers hebben een lengte van 3 meter.
R13: Plankenbrug 5 meter
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 20 cm x 10cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm.
•
De liggers hebben een lengte van 5 meter.
R14: Plankenbrug 7,5 meter
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 20 cm x 10cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm.
•
De liggers hebben een lengte van 7,5 meter.
R15: Plankenbrug 10 meter
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Brug bestaande uit 2 liggers van minimaal 15 cm x 25 cm van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik).
•
Liggers zijn voorzien van planken van onbehandeld hout met duurzaamheidsklasse 1-3 (robinia/acacia, tamme kastanje, inlandse eik) die dwars op de liggers zijn aangebracht en een minimale lengte hebben van 80 cm en minimale dikte van 3 cm.
•
De liggers hebben een lengte van 10 meter.
R16: Duiker tbv overgang over sloot t.b.v. wandelpad over boerenland
Aanlegvereisten
Bij het aanleggen van het element dienen, naast de algemene subsidiecriteria voor R-elementen, de volgende criteria te worden toegepast:
•
Lengte duiker minimaal 2 meter.
•
Diameter duiker minimaal 30 cm.
•
Duiker bestaat uit duurzaam materiaal o.a. kunststof of beton.
Bijlage4 behorende bij artikel 7, vijfde lid, van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0
Regioprijs 75% grens uit de grondtransacties in Noord-Brabant
in de periode 01-02-2023 t/m 31-12-2024
CBS landbouwgebied (zie kaartje)
Grondprijs
75% grens
3001
Noordwesthoek
€ 126.040,00
3002
Westelijke Langstraat
€ 105.254,00
3003
Biesbosch
€ 88.700,00
3004
Oostelijke Langstraat
€ 110.000,00
3005
Westelijke Zandgronden
€ 120.000,00
3006
Land van Breda
€ 114.025,00
3007
De Kempen
€ 107.664,00
3008
Midden-Noord-Brabant
€ 105.796,00
3009
Maaskant en Land van Cuijk
€ 100.000,00
3010
Westelijk Peelgebied
€ 114.167,00
De regioprijs is gebaseerd op door het Kadaster berekende kengetallen betreffende de agrarische grondmarkt in Noord-Brabant.
De methode om te komen tot de zogenaamde regioprijs bestaat uit drie stappen, te weten:
1.
De provincie Noord-Brabant wordt ingedeeld volgens de 10 CBS66 landbouwgebieden Noord-Brabant. Deze geografische indeling van het Centraal Bureau Statistieken is algemeen erkend in Nederland en wordt door het Kadaster gebruikt.
2.
Per landbouwgebied zijn door het Kadaster de bruikbare agrarische transacties uit de 2 voorafgaande gehele kalenderjaren gegroepeerd De berekende kengetallen beslaan de periode 01-01-2023 t/m 01-01-2024. Verder is door het Kadaster per landbouwgebied voor deze agrarische transacties een statistische spreiding uitgevoerd voor de grondprijs op basis van het totaal verhandelde oppervlak.
3.
Op basis van de gegevens van het Kadaster wordt geadviseerd om de waarde aan te houden welke gelijk staat aan 75% grens van deze statistische spreiding per landbouwgebied.
Voor de berekening van de grondprijscijfers worden de volgende selecties uitgevoerd:
•
koper exploiteert een landbouwbedrijf;
•
grasland (inclusief snijmais), bouwland;
•
zakelijk recht is volle eigendom;
•
geen opstallen;
•
geen reguliere pachtovereenkomst of erfpacht;
•
geen familierelatie;
•
oppervlak perceel groter dan 0,25 ha;
•
de koopsom is groter dan 1 euro.
Na toepassing van deze selecties, worden de verhandelde percelen met extreem hoge en lage prijzen volgens een statistische methodiek uitgesloten.
Bijlage5 behorende bij artikel 7, eerste lid, onder a, en zesde lid, onder a, van de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0
Aanleg beplantingen (incl. aankoop materiaal)
Normbedrag per eenheid exclusief BTW
Normbedrag per eenheid inclusief BTW
Eenheid
Laanboom en hoogstamfruitboom maat 10-12
€ 99,89
€ 114,29
stuks
Eenjarige bewortelde stek en 3 jarige wilgenpoten
€ 12,80
€ 15,06
stuks
Bosplantsoen; conventioneel geteeld en autochtone-herkomst (excl. (dijk)taluds)
€ 2,59
€ 2,97
stuks
Bosplantsoen; conventioneel geteeld en autochtone-herkomst op (dijk)taluds
€ 3,21
€ 3,69
stuks
Bosplantsoen; conventioneel geteeld en geen autochtone-herkomst(excl. (dijk)taluds)
€ 2,16
€ 2,49
stuks
Bosplantsoen; conventioneel geteeld en geen autochtone-herkomst op (dijk)taluds
€ 2,77
€ 3,22
stuks
Populier en wilg maat 10-12 en veren langzaamgroeiende soorten lengte 200-250 cm
€ 24,42
€ 27,98
stuks
Aanbrengen rasters ter bescherming van beplanting (incl. aankoop materiaal)
Normbedrag per eenheid exclusief BTW
Normbedrag per eenheid inclusief BTW
Eenheid
Plaatsen veeraster; palen op 4 meter afstand en 2 puntdraden
€ 6,28
€ 7,60
meter
Plaatsen elektrisch veeraster; palen op 10 meter afstand en 2 draden
€ 4,52
€ 5,47
meter
Plaatsen schapenraster; palen op 3 meter en zwaar gelijkmatig ursusgaas van 100 cm hoogte
Grondverzet ten behoeve van aanleg poel, natuurvriendelijke oever, infiltratiegreppel, waterbergingsvoorziening
Normbedrag per eenheid exclusief BTW
Normbedrag per eenheid inclusief BTW
Eenheid
ontgraven poel en infiltratiegreppel (ontgraven en verwerken grond)
€ 8,70
€ 10,53
m3
ontgraven natuurvriendelijke oever en waterbergingsvoorziening (ontgraven en verwerken grond)
€ 8,70
€ 10,53
m3
ontgraven bouwvoor t.b.v. ontwikkeling schraalland (ontgraven en verwerken grond)
€ 4,55
€ 5,51
m3
Inzaaien randen
Normbedrag per eenheid exclusief BTW
Normbedrag per eenheid inclusief BTW
Eenheid
Aankoop zaadmengsel en inzaaien zaadmengsel (G1, G2, G3)
€ 1.344,00
€ 1.626,24
hectare
Bijlage6, als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, derde lid, vierde lid en zesde lid onder a, van de Subsidieregeling Stimulering Landschap Noord-Brabant 2.0
Bloemblok voor akkervogels - natuurbeheer (excl. vergoeding gederfde inkomsten)
€ 1.026,22
ha.
p/jr
Toelichting behorende bij de Subsidieregeling stimulering landschap Noord-Brabant 2.0
I. Algemeen
Juridisch kader
Deze subsidieregeling is vastgesteld op grond van de Algemene subsidieverordening Noord-Brabant (Asv). Dit betekent dat een aantal aspecten van de verstrekking van subsidies niet in de subsidieregeling zijn vastgelegd, maar in de Asv. In de Asv staat onder meer waar de aanvraag moet worden ingediend, wat de beslistermijnen zijn voor Gedeputeerde Staten en ook bevat de Asv algemene verplichtingen voor de subsidieontvanger, zoals de meldingsplicht.
Voor een goed begrip van deze subsidieregeling is dus bestudering van de Asv noodzakelijk. Ook de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bevat algemene bepalingen die onverkort van toepassing zijn op subsidies, verstrekt op grond van deze subsidieregeling.
De projecten
Met deze regeling geven Gedeputeerde Staten blijk van waardering aan het belang van het landelijke gebied om zijn natuur, om zijn cultuurlandschap en als oase van rust en ruimte voor de burger, waarbij de natuur en het landschap niet alleen als productiefactor voor voedsel worden gezien, maar ook als een maatschappelijke dienst vanwege hun belevingswaarde en toekomstwaarde. Om deze reden willen Gedeputeerde Staten de kwaliteit van natuur en landschap onderhouden en verbeteren en daarbij een bovenwettelijke inspanning van grondeigenaren en –gebruikers stimuleren.
Samenwerking
De provincie wenst met deze regeling niet alleen de aanleg en het onderhoud van landschapselementen te stimuleren, maar wil ook de gemeenten en waterschappen uit de provincie hierbij betrekken. Door hen zelf middelen te laten inzetten, wil de provincie commitment krijgen. Of en hoeveel budget de gemeenten en waterschappen beschikbaar stellen zijn zaken waarover zij zelf beslissen, aansluitend bij de lokale omstandigheden. De provincie wil, door het bedrag te verdubbelen, de gemeenten en waterschappen een ‘incentive’ geven om bij te dragen en zo de betrokkenheid belonen en samenwerking bevorderen. Daarnaast voert de provincie de regeling uit, zodat de gemeenten en waterschappen administratief ontlast worden. Deze samenwerking is verder uitgewerkt in samenwerkingsovereenkomsten.
Staatssteun – Catalogus Groenblauwe Diensten
Deze regeling is gebaseerd op de Catalogus Groenblauwe Diensten 2018 (hierna: catalogus). De catalogus bevat een grote hoeveelheid mogelijke maatregelen met maximumvergoedingen. De catalogus is door de Europese Commissie goedgekeurd in het goedkeuringsbesluit referentienummer SA.44848 (2017/N). In het besluit geeft de Europese Commissie aan dat indien steun wordt verleend volgens de catalogus er geen sprake is van staatssteun. Dit goedkeuringsbesluit maakt integraal onderdeel uit van de catalogus. De toetsing of een regeling conform de catalogus is opgesteld wordt gedaan door de Adviescommissie Catalogus Groenblauwe Diensten. Door de goedkeuring van deze adviescommissie hoeft een regeling niet afzonderlijk gemeld te worden bij de Europese Commissie. De Adviescommissie Catalogus Groenblauwe Diensten heeft positief geoordeeld over deze regeling. Hierdoor valt deze regeling onder de catalogus en hoeft deze regeling niet afzonderlijk voor goedkeuring te worden aangemeld.
Om de goedkeuring te bemachtigen legt de Europese Commissie de subsidieverstrekker op om een aantal bepalingen in de regeling op te nemen. Dit zijn niet altijd bepalingen die opgelegd worden aan de subsidieontvanger maar dienen ertoe de Europese Commissie zekerheid te verschaffen dat aan het goedkeuringsbesluit wordt voldaan.
Op grond van deze subsidieregeling kan subsidie worden aangevraagd voor projecten zoals omschreven in artikel 4. Gelet op artikel 1 van de Asv wordt onder project verstaan een “activiteit of samenhangend geheel van activiteiten die afgebakend zijn in de tijd en gericht op een specifiek eindresultaat”. Een projectsubsidie is gelet op artikel 1 van de Asv een “subsidie in de vorm van een eenmalige aanspraak op financiële middelen, verleend voor een eenmalig project van een subsidieaanvrager, ten behoeve van de geheel of gedeeltelijke dekking van de begroting van dat project”. Verder blijkt uit artikel 9, eerst lid, onder b, van de Asv dat een aanvraag een eenmalig project betreft. Hieruit volgt ook dat de bedragen genoemd in artikel 11 gelden voor een aanvraag, dus voor een project.
II. Artikelsgewijs
Artikel 5 Weigeringsgrond
De weigeringsgronden in dit artikel komen in aanvulling op de weigeringsgronden uit artikel 4:25 en 4:35 Awb en de weigeringsgronden uit artikel 8 Asv.
Onder a
Indien de grond gelegen is in een EVZ dan wordt subsidie niet geweigerd. Ook als de grond de status heeft van NNN-EVZ wordt subsidie niet geweigerd.
Onder d en f
Uit de weigeringsgronden in onderdeel d en f blijkt dat niet tweemaal subsidie kan worden verstrekt voor hetzelfde project of voor twee verschillende projecten welke worden uitgevoerd op hetzelfde stuk grond. Indien een aanvrager meerdere stukken grond heeft en voor elk stuk grond een apart project heeft, dan kan aan dezelfde aanvrager meer dan eenmaal subsidie worden verstrekt.
Onder k
Deze weigeringsgrond is overeenkomstig randnummer 26 van het landbouwsteunkader waarin steun wordt beoordeeld overeenkomstig de richtsnoeren voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden.
Artikel 6 Subsidievereisten
De landschapstypenkaart, genoemd in artikel 6, eerste lid, onder c, is tot stand gekomen op basis van geomorfologische informatie met een handmatige verwerking en waar nodig op basis van gebiedsinformatie. Hierbij is de provincie geadviseerd door het Coördinatiepunt Landschapsbeheer Brabant. Deze kaart is te vinden in Bijlage 1.
De openstellingskaart, genoemd in artikel 6, eerste lid, onder d, is tot stand gekomen op basis van de door de provincie aangewezen gebieden, afgestemd met gemeenten en waterschappen.
Gemeenten en waterschappen verplichten zich tot het bijdragen aan de regeling voor de aangewezen gebieden. Dit is vastgelegd in samenwerkingsovereenkomsten met de desbetreffende gemeente en het desbetreffende waterschap. De openstellingskaarten zijn te vinden in bijlage 2.
Bij de vereisten uit artikel 6 wordt zichtbaar welke elementen, zoals omschreven in bijlage 3 van deze regeling, corresponderen met de landschapstypenkaart, opgenomen in bijlage 1 van deze regeling.
Uit artikel 6, vijfde lid, onder a, vloeit voort dat de subsidieontvanger de eigenaar is van de grond. De eigenaar is na het vestigen van de kwalitatieve verplichting verplicht om de kwalitatieve verplichtingen op te leggen aan een eventuele beheerder van de grond of de erfpachter
In het eerste lid, onder c van artikel 6 is sprake van in het project opgenomen landschapselementen die historisch aantoonbaar afwijkend zijn. Dit wordt aangetoond met een historische kaart op de website www.topotijdreis.nl.
Artikel 7 Subsidiabele kosten
Bij artikel 7, eerste lid, onder b en c, gaat het om legeskosten en kosten voor bodemkundig of archeologisch onderzoek. Deze kosten vallen gedeeltelijk onder de subsidiabele kosten. Alle overige subsidiabele kosten bestaan uit lumpsum bedragen en zijn opgenomen als normbedragen in bijlage 5 en 6 bij deze regeling.
In het vijfde lid van artikel 7 wordt bij functiewijziging de waardevermindering van de grond gesubsidieerd. Het gaat dan om grond die wordt omgezet naar natuur of grond met natuurfunctie, waarbij de waarde van de grond daalt. De subsidiabele kosten voor waardevermindering zijn opgenomen in bijlage 4 en zijn gebaseerd op een getaxeerde gemiddelde grondprijs per zone van de landbouwgebieden in de periode januari 2023 tot december 2024. Indien de waardevermindering minder blijkt te zijn dan 85% van de regioprijs van de grond zoals opgenomen in bijlage 4 bij deze regeling wordt het percentage lager vastgesteld.
Artikel 8 Niet subsidiabele kosten
BTW
Overeenkomstig artikel 11 Asv, is verrekenbare BTW niet subsidiabel.
Artikel 12 Verdelingswijzen
Voor het bepalen van de onderlinge rangschikking dient een aanvraag volledig te zijn. Voor het bepalen van het wel of niet in behandeling nemen van de aanvraag geldt de primaire aanvraagdatum.
Artikel 13 Subsidieverlening
In het eerste lid, van artikel 13, onder a en b, zijn aanvullende vereisten opgenomen ten aanzien van de kwalitatieve verplichting die binnen 24 maanden na subsidieverlening gevestigd moet worden. Dit is een opschortende voorwaarde waaronder de subsidie wordt verleend. In de kwalitatieve verplichting wordt in ieder geval opgenomen dat de subsidieaanvrager het desbetreffende terrein na aanvang van de aanleg van de elementen niet gebruikt, of doet gebruiken als landbouwgrond. Ook dient beheer plaats te vinden volgens de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 3.
Artikel 14 Verplichtingen van de subsidieontvanger
In artikel 14 het eerste lid, onder c, is de verplichting opgenomen voor subsidieontvangers om het project uit te voeren volgens de voorschriften die zijn opgenomen in bijlage 3. Deze verplichtingen zijn opgenomen ten behoeve van een goede landbouw- en milieuconditie van de cultuurgrond.
In het tweede lid, onder b, van artikel 14 is een aanvullende verplichting opgenomen voor het wijzigen van de functie van grond. Het is de bedoeling dat dit plaatsvindt binnen 24 maanden na verlening van de subsidie. Verder is het hierbij van belang dat nadelige milieueffecten worden voorkomen. Er valt te denken aan verlies van biodiversiteit, verspreiding van invasieve soorten en hydrologische verstoringen.
Artikel 15 Actieve landbouwer
In het geval van agromilieuklimaat-verbintenissen is er sneller sprake van staatssteun. Om deze reden legt de Europese Commissie voor actieve landbouwers een aantal aanvullende bepalingen op die de provincie Noord- Brabant moet uitvoeren.
Onder a
Deze bepaling geeft aan wanneer de provincie Noord-Brabant geen terugbetaling zal vorderen van subsidiegelden voor activiteiten die gedeeltelijk zijn nagekomen. Dit is het geval indien er sprake is van een bedrijfsovername of een herverkaveling en de beschikking over kan worden genomen door de nieuwe eigenaar van de grond
Onder b en c
In deze bepalingen wordt aangegeven hoe invulling wordt gegeven aan de discretionaire bevoegdheid op grond van art 4:46, tweede lid Awb om subsidie al dan niet lager vast te stellen indien verplichtingen niet worden nagekomen.
Op grond van artikel 17 Asv geldt dat als de subsidieontvanger de gesubsidieerde activiteit niet, niet geheel of niet tijdig volgens alle daaraan verbonden verplichtingen verricht, hij dit verplicht dient te melden bij Gedeputeerde Staten.
Onder d
Verordening (EU) 2021/2115 van het Europees Parlement en de Raad van 2 december 2021 tot vaststelling van voorschriften inzake steun voor de strategische plannen die de lidstaten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid opstellen (strategische GLB-plannen) en die uit het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) worden gefinancierd, en tot intrekking van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 en (EU) nr. 1307/2013) bepaalt dat betalingen voor ecoregelingen gespecificeerd in de strategische GLB-plannen van lidstaten, slechts mogen worden verleend voor verbintenissen die verder gaan dan de zogenoemde baseline. Artikel 31, vijfde lid, van verordening 2021/2115 biedt het kader om te bepalen wat de baseline is.
Dit artikel geeft aan dat indien vanuit Europa wijzigingen worden doorgevoerd waardoor de baseline wijzigt, dit gevolgen zal hebben voor afgegeven subsidies. Gedeputeerde Staten worden in die gevallen door Europa verplicht de beschikking aan te passen, zodanig dat de subsidie weer conform de baseline is.
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.