Besluit van het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht van d.d: 16 december 2025 nr: UTSP-255965938-16177 houdende de verlening van mandaat en machtiging aan de directeur van de Omgevingsdienst Utrecht (Mandaatbesluit Omgevingsdienst Utrecht – provincie Utrecht)

Het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht;

gelet op de artikelen 158, het bepaalde in afdeling 10.1.1. van de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Utrecht;

 

besluiten:

 

vast te stellen het Mandaatbesluit Omgevingsdienst Utrecht – provincie Utrecht

Artikel 1: Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • -

    college: college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht;

  • -

    directeur: directeur van de Omgevingsdienst Utrecht;

  • -

    machtiging: bevoegdheid om in naam van het college feitelijke handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn;

  • -

    mandaat: bevoegdheid om in naam van het college besluiten, in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, te nemen;

  • -

    mandaatgever: bestuursorgaan dat met dit besluit mandaat verleent aan de directeur

  • -

    omgevingsdienst: openbaar lichaam Omgevingsdienst Utrecht;

  • -

    ondermachtiging: door de gemachtigde op zijn beurt verlenen van machtiging aan een ander;

  • -

    ondermandaat: door de gemandateerde op zijn beurt verlenen van mandaat aan een ander;

  • -

    provinciale staten: provinciale staten van de provincie Utrecht.

Artikel 2 : Mandaat en machtiging

  • 1.

    Het college verleent:

    • a.

      mandaat aan de directeur voor het uitoefenen van de bevoegdheden en

    • b.

      machtiging aan de directeur voor het verrichten van feitelijke handelingen, voor zover de bevoegdheid of handeling is genoemd in de bijlage bij dit besluit en de uitoefening daarvan noodzakelijk is voor het verrichten van de taken van de omgevingsdienst, op grond van de dienstverleningsovereenkomst het bijbehorende uitvoeringsprogramma en aanvullende opdrachten.

  • 2.

    De bevoegdheden bedoeld in het eerste lid, behelzen niet de bevoegdheid te beslissen op bezwaarschriften, bedoeld in afdeling 7.2 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3.

    De bevoegdheden bedoeld in het eerste lid, behelzen niet de bevoegdheid te besluiten tot de intrekking van een vergunning overeenkomstig artikel 18.10 Omgevingswet.

  • 4.

    De directeur kan voor de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en voor de handelingen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, alleen schriftelijk ondermandaat en ondermachtiging verlenen aan functionarissen die werkzaam zijn voor de omgevingsdienst.

  • 5.

    Wat in dit besluit is bepaald met betrekking tot mandaat is van overeenkomstige toepassing op machtiging en op ondermandaat en ondermachtiging.

  • 6.

    Uit de ondertekening van besluiten en stukken, op basis van het eerste lid, moet blijken dat het betreffende besluit of het stuk namens het college is genomen of is vastgesteld.

Artikel 3: Wettelijke kaders en beleid

  • 1.

    De directeur oefent de gemandateerde bevoegdheden uit binnen de kaders van daarvoor geldende regelgeving en vastgesteld beleid.

  • 2.

    Indien regelgeving en beleid als bedoeld in het eerste lid wordt vastgesteld of gewijzigd door mandaatgever, dan wordt over het voornemen daartoe overlegd met de directeur.

  • 3.

    De mandaatgever zorgt ervoor dat de omgevingsdienst beschikt over het beleid als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 4: Instructies

Instructies van de mandaatgever aan de directeur worden schriftelijk en tijdig gegeven.

Artikel 5: Informeren en afstemmen

  • 1.

    Voordat een bevoegdheid, bedoeld in artikel 2 wordt uitgeoefend, wordt overlegd met de mandaatgever, wanneer die uitoefening:

    • a.

      afwijkt van een door de mandaatgever gegeven instructie;

    • b.

      naar verwachting belangrijke financiële of juridische gevolgen heeft, politiek-bestuurlijk gevoelig is of de publieke aandacht kan trekken, of

  • 2.

    Als de directeur het verleende mandaat in een bepaald geval niet wenst uit te oefenen, of de mandaatgever het gegeven mandaat in een bepaald geval intrekt, informeert de mandaatgever de provinciale staten hierover.

Artikel 6: Intrekking Mandaatbesluit RUD Utrecht – provincie Utrecht 2024

Het Mandaatbesluit RUD Utrecht – provincie Utrecht 2024 wordt ingetrokken.

Artikel 7: Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 8: Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Mandaatbesluit Omgevingsdienst Utrecht – provincie Utrecht.

Aldus besloten in de vergadering van het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht d.d. 16 december 2025

Voorzitter

mr. J.H. Oosters

Secretaris,

mr. drs. A.G. Knol-van Leeuwen

Aldus mee ingestemd door: H. Jungen

directeur van de Omgevingsdienst Utrecht

Bijlage bij artikel 2 van het Mandaatbesluit Omgevingsdienst Utrecht – provincie Utrecht

Artikel 1: Begripsbepalingen en afkortingen

  • 1.

    Bal: Besluit activiteiten leefomgeving;

  • 2.

    Bbl: Besluit bouwwerken leefomgeving;

  • 3.

    Bkl: Besluit kwaliteit leefomgeving;

  • 4.

    Ob: Omgevingsbesluit;

  • 5.

    Ow: Omgevingswet;

  • 6.

    Wet Bibob: Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

  • 7.

    Woo: Wet open overheid;

  • 8.

    Who: Wet hergebruik overheidsinformatie;

  • 9.

    Wm: Wet milieubeheer.

Artikel 2: Proceslijn

Indien in artikel 3 en 4 van deze bijlage een bevoegdheid wordt gemandateerd tot het nemen van een besluit, dan wordt daarmee de proceslijn met betrekking tot dat besluit gemandateerd, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald. Onder de ‘proceslijn’ worden de bevoegdheden in artikel 2.1 t/m 2.7 verstaan.

 

Taak/bevoegdheid

Proceslijn - Het voorbereiden en nemen van besluiten

Proceslijn - Toezicht en handhaving

2.2. Het uitoefenen van toezicht op de naleving van hetgeen waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend alsmede regelgeving, vergunningen en ontheffingen met betrekking tot flora- en fauna-activiteiten en Natura 2000-activiteiten.

2.3. Het aanwijzen van personen in dienst van de omgevingsdienst, belast met het houden van toezicht, als bedoeld in artikel 18.6 lid 1 van de Omgevingswet.

2.4. Het nemen van handhavingsbesluiten en bijbehorende besluitvorming, zoals bedoeld in hoofdstuk 4 en 5 Awb en titel 18.1.1 Ow, ter handhaving van de taken en bevoegdheden waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend.

Proceslijn - Het voeren van procedures

2.5. Het in rechte vertegenwoordigen van het bestuursorgaan, in afstemming met de mandaatgever, daaronder begrepen het verrichten van de noodzakelijke handelingen en het nemen van besluiten inzake procedures over besluiten waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend.

Hieronder vallen:

  • a.

    het indienen van processtukken in het kader van bezwaar, beroep of hoger beroep;

  • b.

    het voeren van verweer en het indienen van verweerschriften;

  • c.

    het indienen van verzoeken om geheimhouding (artikel 8:29 Awb);

  • d.

    handelingen in het kader van een tussenuitspraak of bestuurlijke lus (artikelen 8:51a, 8:51b, 8:51c, 8:80a en 8:80b Awb) na afstemming met en goedkeuring van de mandaatgever;

  • e.

    het vragen van uitstel van de behandeling van een bezwaar- of beroepschrift en het verrichten van andere proceshandelingen;

  • f.

    het verlenen van een eenmalige of doorlopende machtiging voor het voeren van het woord ter zitting;

  • g.

    het voeren van het woord als derde belanghebbende ter zitting.

Proceslijn - Overig

2.6. Het verrichten van feitelijke handelingen ter uitvoering van hetgeen waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat verleend is.

2.7. Het beheer van de archiefbescheiden, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats.

 

Artikel 3: Bevoegdheden ter uitvoering van de standaardtaken

 

Taak/bevoegdheid

3.1. Beslissingen op aanvragen om omgevingsvergunningen en het toepassen van paragraaf 5.1.5 Ow, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI van het Ob, zoals aangeduid in artikel 13.12 lid 1 onder a van het Ob.

3.2. Het beoordelen van meldingen als bedoeld in artikel 4.4 lid 1 Ow en beschikken op aanvragen om toestemming tot het treffen van een gelijkwaardige maatregel voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI van het Ob, zoals aangeduid in artikel 13.12 lid 1 onder b van het Ob.

3.3. Het stellen van maatwerkvoorschriften voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI van het Ob, zoals aangeduid in artikel 13.12 lid 1 onder c van het Ob.

3.4. Het houden van toezicht op de naleving van:

  • a.

    de verboden, bedoeld in de artikelen 5.1, 5.4, 5.5 en 5.6 Ow, voor activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI van het Ob, zoals aangeduid in artikel 13.12 lid 1 onderdeel d, onder 1 van het Ob; en

  • b.

    de regels gesteld bij of krachtens de Ow en de Wm, over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI van het Ob, zoals aangeduid in artikel 13.12 lid 1 onderdeel d, onder 2 van het Ob.

3.5. Het houden van ketentoezicht op de regels over activiteiten die zijn aangewezen in bijlage VI van het Ob, zoals aangeduid in artikel 13.12 lid 1 onder e van het Ob.

3.6. Bestuurlijke sancties ter handhaving van de verboden en regels, bedoeld onder 3.4 en 3.5.

 

Artikel 4: Bevoegdheden ter uitvoering van aanvullende taken

 

Taak/bevoegdheid

Aanvullende taken - Vergunningverlening

4.1. Het nemen van besluiten als bedoeld in afdeling 5.1 Ow, anders dan genoemd in artikel 3, voor een:

een ontgrondingsactiviteit; bouwactiviteit;

  • a.

    milieubelastende activiteit;

  • b.

    lozingsactiviteit;

  • c.

    wateronttrekkingsactiviteit;

  • d.

    een omgevingsverordening activiteit;

  • e.

    actualisering omgevingsvergunning(voorschriften);

  • f.

    wijziging voorschriften omgevingsvergunning;

  • g.

    revisievergunning

4.2. Het beoordelen van meldingen (artikel 4.4 Ow).

4.3. Het stellen van maatwerkvoorschriften (artikel 4.5 Ow).

4.4. Het besluiten over het treffen van gelijkwaardige maatregelen (artikel 4.7 lid 1 Ow).

Aanvullende taken – Omgevingswet

4.5. Het opleggen van gedoogplichten, na afstemming met de mandaatgever (afdeling 10.3 Ow).

4.6. Het verplichten maatregelen te nemen en het geven van aanwijzingen bij een ongewoon voorval (artikel 19.4 Ow), het treffen van maatregelen en het op schrift stellen van de beslissing tot het treffen van die maatregelen (artikel 19.5 Ow) en het verhalen van de kosten die daarbij worden gemaakt op de veroorzaker (artikel 19.6 Ow)

4.7. Het verplichten maatregelen te nemen bij een toevalsvondst van verontreiniging op of in de bodem (artikel 19.9a Ow), het treffen van maatregelen en het op schrift stellen van de beslissing tot het treffen van die maatregelen (artikel 19.9c Ow) en het verhalen van de kosten die daarbij worden gemaakt op de veroorzaker (artikel 19.9d Ow)

4.8. Het besluiten over geluidwerende maatregelen (afdeling 3.5 Bkl)

4.9. Besluiten inzake het beoordelen van PRTR-verslagen en het verrichten van werkzaamheden in het kader van de PRTR-verordening als bedoeld in paragraaf 11.2.6 Bkl en paragraaf 10.8.6 Ob.

4.10. Het besluiten over milieueffectrapportages voor projecten als bedoeld in paragraaf 16.4.2

Ow

4.11. Het stellen van maatwerkvoorschriften of het verlenen van toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen bij activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 11 Bal (natuur, flora en fauna)

4.12. Het stellen van maatwerkvoorschriften of het verlenen van toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen bij activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 15 Bal (zwemwater)

Aanvullende taken – Milieu overig

4.13. Het uitvoeren van taken, afdoen van meldingen en nemen van besluiten bij of krachtens hoofdstukken 10, 18 en 19 Wm1

Aanvullende taken - Overig

4.14. Het uitoefenen van bevoegdheden (waaronder besluiten op verzoeken) op grond van de Woo en de Who, waarvoor in artikel 3 en 4 mandaat is verleend

4.15. Het beslissen op aanvragen en het doen van meldingen als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming, na overleg met de Functionaris Gegevensbescherming van de mandaatgever

4.16. Het uitoefenen van de bevoegdheden op grond van de Wet Bibob.

Hieronder valt in ieder geval het vragen van advies aan het Landelijk Bureau Bibob

4.17. Het nemen van besluiten op grond van hetgeen is bepaald bij of krachtens het Vuurwerkbesluit.

 

Toelichting bij het Mandaatbesluit Omgevingsdienst Utrecht

Algemeen

De Omgevingsdienst Utrecht (ODU) is een gemeenschappelijke regeling van de provincie Utrecht en alle 26 gemeenten in de provincie Utrecht. De ODU voert als een professionele uitvoeringsorganisatie diverse omgevingstaken uit op het gebied van de fysieke leefomgeving, waaronder vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).

 

Om de ODU in staat te stellen de opgedragen taken uit te voeren, geven de deelnemende gemeenten en de provincie mandaat om namens het relevante bestuursorgaan besluiten te nemen en een machtiging om feitelijke handelingen te verrichten.

 

Uniformiteit

Het voorliggende Mandaatbesluit is deels gebaseerd op het uniform model mandaatbesluit dat in het kader van het Interbestuurlijk programma Versterking Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (IBP-VTH) is ontwikkeld voor de omgevingsdiensten. Het IBP-VTH is opgezet naar aanleiding van de aanbeveling van de adviescommissie VTH (ook wel de commissie Van Aartsen genoemd) om te zorgen voor een versterking van de positie van omgevingsdiensten door een uniform mandaat. Met het voorliggende Mandaatbesluit, deels gebaseerd op het ontwikkelde uniform model mandaatbesluit, wordt de bedoelde uniformiteit en de slagvaardigheid van de omgevingsdienst gewaarborgd. Dit strookt met het door de commissie Van Aartsen geformuleerde doel om de governance te versterken.

 

Reikwijdte en beperking mandaat

Het juridisch kader voor mandaat vindt zijn grondslag in afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder mandaat wordt verstaan: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Een door de ODU genomen besluit, binnen de grenzen van zijn bevoegdheid, blijft gelden als een besluit van het college (hierna: de mandaatgever). De mandaatgever blijft uiteindelijk te allen tijde bevoegd om de aan de ODU gemandateerde bevoegdheid uit te oefenen. Daarbij past dat de mandaatgever het mandaat op grond van artikel 10:8 Awb ook weer te allen tijde kan intrekken.

 

Uitgangspunten mandaat

De volgende uitgangspunten liggen aan dit mandaatbesluit ten grondslag:

  • Gesloten regeling. Dit mandaatbesluit betreft een zogenoemde gesloten regeling. De omgevingsdienst krijgt alleen de bevoegdheden waar specifiek mandaat of een machtiging voor wordt verleend. Bij dit mandaatbesluit is een lijst gevoegd als bijlage met daarin de vermelding van de bevoegdheden die worden gemandateerd ter uitvoering van de taken van de omgevingsdienst. Het gaat in dit geval om de overeengekomen taken op grond van de dienstverleningsovereenkomst (DVO) tussen de ODU en de deelnemers; daaronder vallen ook de wettelijke basistaken.

  • Proceslijn. Wanneer uit de lijst volgt dat de directeur voor een bevoegdheid mandaat wordt verleend, geldt dat de directeur voor die bevoegdheid de beslisbevoegdheid toekomt, tenzij anders is aangeduid. Dit uitgangspunt is neergelegd in artikel 2 van de lijst. Onder de proceslijn wordt verstaan: het voorbereiden en nemen van besluiten (artikel 2.1 van de lijst), het houden van toezicht en het handhaven (artikelen 2.2 t/m 2.4 van de lijst) en het voeren van procedures (artikel 2.5 van de lijst). Dit betekent dat de omgevingsdienst – wanneer een taak wordt gemandateerd – in beginsel bevoegd is om de besluitvorming voor te bereiden, op de aanvraag te beslissen, het besluit te handhaven en over dit alles zo nodig te procederen. Het mandaatbesluit voorziet in de noodzakelijke bevoegdheden voor het gehele proces (van besluitvorming, toezicht tot en met het onherroepelijk worden van het besluit en de invordering van eventuele bestuursrechtelijke geldschulden).

  • Standaardtaken en aanvullende taken. In het mandaatbesluit wordt onderscheid gemaakt tussen standaardtaken (artikel 3 van de lijst) en aanvullende taken (artikel 4 van de lijst).

    Standaardtaken. Artikel 18.22 Omgevingswet in combinatie met 13.12 van het Omgevingsbesluit (Ob) schrijft wettelijk voor dat de ‘basistaken’ door gemeenten en provincies in ieder geval aan omgevingsdiensten gemandateerd moeten worden. Tot de basistaken behoren onder meer de voorbereiding van een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu, het beoordelen van meldingen en het nemen van beschikkingen met maatwerkvoorschriften of gelijkwaardige maatregelen. Ook behoren tot de basistaken het toezicht op de naleving van die omgevingsvergunningen en van algemene milieuregels en het voorbereiden van handhavingsbeschikkingen voor deze activiteiten. De taken laten zich zeer specifiek omschrijven en luisteren nauw. Om die reden – en om zo nauw mogelijk bij de wettekst aan te sluiten – is ervoor gekozen de basistaken 'beleidsneutraal' uit het Ob in de mandaatlijst over te nemen. Het is belangrijk om hier te vermelden dat is voorzien in de beslisbevoegdheid voor de basistaken. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Een wettelijke basistaak is het voorbereiden van de beslissing op een aanvraag voor de milieubelastende activiteit. In het mandaatbesluit (zie artikel 3 in samenhang met artikel 2 van de lijst) wordt ook voorzien in de bevoegdheid om op die aanvraag te beslissen. Dit is een bewuste keuze.

    Aanvullende taken. Tot de aanvullende taken (artikel 4 van de lijst) behoren de taken de provincie aan de omgevingsdienst kunnen overdragen.

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1 – Begripsbepalingen

Dit artikel bevat een omschrijving van de begrippen die in het mandaatbesluit worden gebruikt. In dit mandaatbesluit wordt niets geregeld wat al in de Awb is geregeld (of gedefinieerd), dan wel vanzelfsprekend is. Definities, maar ook onverenigbaarheden, die dus volgen uit de Awb worden niet opgenomen in het mandaatbesluit zelf. Indien nodig volgen verwijzingen naar de Awb uit deze toelichting.

 

Artikel 2 – Mandaat en machtiging

Volgens deze bepaling wordt aan de directeur mandaat verleend voor het uitoefenen van de bevoegdheden genoemd in de als bijlage bij dit besluit opgenomen lijst, voor zover de uitoefening van die bevoegdheden noodzakelijk is voor het verrichten van de taken van de omgevingsdienst. Het gaat in dit geval om de overeengekomen taken op grond van de dienstverleningsovereenkomst (DVO) tussen de ODU en de deelnemers, zoals de wettelijke basistaken en de overige (aanvullende) taken. Hieronder vallen ook de aanvullende opdrachten en projecten ingevolge de gesloten dienstverleningsovereenkomst.

 

In het mandaatbesluit wordt niet alleen voorzien in een mandaat, maar ook in een machtiging. Onder machtiging wordt de bevoegdheid begrepen tot het verrichten van de feitelijke handelingen welke niet onder de definitie van mandaat vallen.

 

In artikel 2 lid 2 is mandaat uitgesloten als het gaat om het beslissen op een bezwaarschrift. Deze bevoegdheid tot het beslissen op bezwaar wordt niet gemandateerd aan de ODU maar blijft voorbehouden aan de mandaatgever. Verder is mandaat in artikel 2 lid 3 eveneens uitgesloten als het gaat om het intrekken van een vergunning of beschikking overeenkomstig artikel 18.10 Omgevingswet.

 

Artikel 2, lid 4, bepaalt dat de directeur bevoegd is voor de aangelegenheden in het eerste lid schriftelijk ondermandaat en ondermachtiging te verlenen aan functionarissen die werkzaam zijn voor de omgevingsdienst. Het mandaatbesluit voorziet niet in voorschriften over hoe en wanneer de directeur kan ondermandateren (of ondermachtiging) kan verlenen. Het is aan de directeur hoe hij de taak of bevoegdheid binnen de omgevingsdienst door anderen laat uitoefenen en de bevoegdheid wenst vorm te geven.

Tot slot wordt in het laatste artikellid de wijze van ondertekening geregeld van besluiten en overige stukken namens de mandaatgever. Uit het besluit of het stuk, dat al dan niet via de digitale weg tot stand is gekomen, moet blijken dat het namens de mandaatgever is genomen.

 

Artikel 3 – Wettelijke kaders en beleid

Het vaststellen van beleidskaders en beleidsregels wordt voorbehouden aan de bestuursorganen van de provincie. Artikel 3, lid 1, van het mandaatbesluit bepaalt dat de directeur bij de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheden het met betrekking tot die bevoegdheden vastgestelde regelgeving en beleid betrekt. Hierbij kan het gaan om beleid, maar ook om handhavingsstrategieën en relevante wijzigingen in provinciale regelingen of verordeningen. Al deze regels kunnen relevant zijn voor de in mandaat uit te oefenen taak of bevoegdheid. Indien regelgeving en beleid als bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld of gewijzigd door mandaatgever, dan geldt op grond van artikel 3, lid 2, dat het voornemen daartoe eerst met de directeur wordt overlegd. Het college zorgt er vervolgens voor dat de directeur beschikt over het beleid als bedoeld in het eerste lid.

 

Artikel 4 – Instructies

Een eenmaal verleend mandaat kan worden begrensd door de instructiebevoegdheid uit artikel 10:6 Awb. Op grond hiervan kan de mandaatgever de gemandateerde per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van de gemandateerde bevoegdheid. Artikel 4 van het mandaatbesluit bepaalt dat instructies van de mandaatgever aan de directeur op schrift worden gesteld en tijdig worden gegeven.

 

Artikel 5 – Informeren en afstemmen

Artikel 5, lid 1, van het mandaatbesluit bepaalt dat voorafgaand aan de uitoefening van een bevoegdheid waarvoor in dit besluit mandaat is verleend, in bepaalde gevallen eerst overleg wordt gepleegd met het college. Hierbij kan het gaan om drie gevallen. Het eerste geval betreft indien de uitoefening afwijkt van een door de mandaatgever gegeven instructie (sub a). Het tweede geval wanneer de uitoefening naar verwachting politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben (sub b). Het derde geval is wanneer voorzien wordt dat de uitoefening tot aansprakelijkstelling van de provincie zal leiden (sub c). Het overleg is gericht op het bereiken van overeenstemming.

 

Het college treedt op grond van artikel 5, lid 2, in overleg met de directeur indien de mandaatgever het voornemen heeft om anders te besluiten dan het voorgenomen besluit van de omgevingsdienst. Indien dit overleg niet leidt tot het afzien van het voornemen van de mandaatgever, dan informeert het college Provinciale Staten over het advies van de omgevingsdienst. Het is aan het college om te bepalen hoe het Provinciale Staten informeert.

 

Artikel 6 – Intrekking Mandaatbesluit RUD Utrecht - provincie Utrecht 2024

Artikel 6 bepaald dat het voorgaande mandaatbesluit aan de RUD wordt ingetrokken

 

Artikel 7 - Inwerkingtreding

Artikel 7 bepaalt wanneer het besluit in werking treedt. De ODU start als uitvoeringsorganisatie op 1 januari 2026.

 

Toelichting op lijst

 

De in de lijst vermelde bevoegdheden vloeien voort uit diverse wet- en regelgeving waaronder in ieder geval begrepen de Provinciewet, de in artikel 1 van de bijlage genoemde wet- en regelgeving en de daaruit voortvloeiende uitvoeringsregelgeving en provinciale regelgeving.

 

Omzetting basistaken naar standaardtaken

De basistaken uit artikel 13.12 van het Ob zijn overgenomen in artikel 3 van de mandaatlijst. Dit artikel wordt aangeduid met ‘bevoegdheden ter uitvoering van de standaardtaken’. De basistaken laten zich zeer specifiek omschrijven en luisteren nauw. Om die reden – en om zo nauw mogelijk bij de wettekst aan te sluiten – zijn de basistaken zoveel mogelijk ‘beleidsneutraal’ uit het Ob in de mandaatlijst overgenomen.

 

Aanvullende taken

De toelichting op het Ob vermeldt expliciet dat het vrijstaat om – buiten het basispakket van de omgevingsdiensten – meer taken aan de omgevingsdienst op te dragen. De aanvullende taken staan omschreven in artikel 4 van de lijst met de titel ‘bevoegdheden ter uitvoering van de aanvullende taken’. In de aanvullende taken wordt onderscheid gemaakt tussen de categorieën Vergunningverlening,

Omgevingswet, Milieu overig en Overig. Tot de categorie vergunningverlening behoren bijvoorbeeld het nemen van besluiten als bedoeld in afdeling 5.1 van de Ow, anders dan de milieubelastende activiteit (artikel 4.1 van de lijst). In feite vallen alle handelingen die horen bij het vergunningtraject met betrekking tot milieubelastende activiteiten binnen het basispakket. Hieronder vallen onder meer het verlenen, voorbereiden, actualiseren, wijzigen, intrekken, handhaven van de milieubelastende activiteit. De milieubelastende activiteit is aanvullend in artikel 4.1 opgenomen. Dit om er geen onduidelijkheid over te laten bestaan dat deze taak expliciet aan de omgevingsdienst wordt opgedragen. Voor de volledigheid en teneinde te voorkomen dat een klein deel van de milieubelastende activiteit tussen wal en schip raakt is de activiteit ook in artikel 4.1 opgenomen. Daarnaast kan het bijvoorbeeld gaan om een (buitenplanse) omgevingsplanactiviteit, [Hd14.1], voor zover het college bevoegd is ingevolge de Omgevingswet of de bouwactiviteit. Ook de meldingen (artikel 4.2 van de lijst), het stellen van maatwerkvoorschriften (artikel 4.3 van de lijst) en het stellen van gelijkwaardige maatregelen (artikel 4.3 van de lijst) behoren tot de gemandateerde bevoegdheden.

 

Tot aanvullende taken behoort ook het adviseren omtrent het voorbereiden van de totstandkoming van onder meer de omgevingsvisie, provinciale verordening of een programma in de zin van de Ow.

 

Proceslijn

Voor zowel de standaardtaken (artikel 3 van de lijst) als de aanvullende taken (artikel 4 van de lijst) geldt het uitgangspunt van een proceslijn. Dit komt terug in artikel 2 van de lijst. Voor zover uit de lijst volgt dat de directeur voor een bevoegdheid mandaat wordt verleend, geldt dat de directeur voor die bevoegdheid beslisbevoegdheid toekomt, tenzij anders is aangeduid. Dit volgt uit artikel 2 uit de lijst (bijlage bij het mandaatbesluit). Onder de proceslijn wordt verstaan: het nemen van besluiten (artikel 2.1 van de lijst), toezicht en handhaving (artikelen 2.2 t/m 2.4 van de mandaatlijst) en het voeren van procedures (artikelen 2.5 van de lijst) en overige (artikel 2.6 en 2.7 van de lijst). Onder het voorbereiden en nemen van besluiten (artikel 2.1 van de lijst) valt zowel het beslissen op de aanvraag, als de voorbereiding van de besluitvorming, het verlengen van beslistermijnen, het horen, terinzagelegging en bekendmaking. Ook het actualiseren en reviseren van vergunningen, beslissen over wijzigingen en het intrekken van besluiten valt hieronder.

 

Bij de proceslijn voor toezicht en handhaving gaat het om het uitoefenen van toezicht (artikel 2.2 van de lijst), het aanwijzen van personen hiervoor (artikel 2.3 van de lijst) en het nemen van handhavingsbesluiten en bijbehorende besluitvorming, bedoeld in hoofdstuk 4 en 5 van de Awb (artikel 2.4 van de lijst). Onder deze laatste categorie vallen in ieder geval, maar niet uitsluitend het opleggen van handhavingsbesluiten (last onder bestuursdwang en last onder dwangsom), inclusief het ten uitvoer brengen van bestuursdwang en spoedeisende bestuursdwang, het besluiten over invordering en kostenverhaal (inclusief besluiten over uitstel van betaling of matiging), maar ook het intrekken van opgelegde lasten of intrekken van vergunning als sanctie en de besluiten als bedoeld in titel 4.4 Awb (bestuursrechtelijke geldschulden). Ook kan hieronder worden verstaan het besluiten op verzoeken van derden om bestuursrechtelijk handhavend op te treden. Dit is echter telkens gekoppeld aan hetgeen waarvoor in artikel 3 en 4 van de mandaatlijst mandaat verleend is.

 

Tot slot behoort tot de proceslijn de categorie voeren van procedures in afstemming met de mandaatgever (artikel 2.5 van de lijst). Hieronder vallen in ieder geval het indienen van stukken en verweerschriften. Ook behoren hiertoe de handelingen die nodig zijn na een tussenuitspraak of een bestuurlijke lus en het vragen om uitstel voor proceshandelingen. Daarnaast vallen het verlenen van de machtiging, het voeren van het woord ter zitting. Het besluiten tot het starten van procedures (het zogenoemde procesbesluit) ligt bij de mandaatgever. Het gaat hier alleen om proceshandelingen die nodig zijn om de gemandateerde taken van de omgevingsdienst te verrichten. Hieronder worden ook het verlenen van opdrachten aan derden tot het uitvoeren van onderzoeken verstaan.

In artikel 2.6 van de lijst is een vangnetbepaling opgenomen voor het verrichten van handelingen op grond van of krachtens de Awb en in artikel 2.7 voor het verrichten van feitelijke handelingen, ter uitvoering van hetgeen waarvoor mandaat verleend is.

 

Voor de volledigheid is in artikel 2.8 van de lijst de bevoegdheid opgenomen met betrekking tot het beheer van de archiefbescheiden van de mandaatgever die bij de ODU worden beheerd, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar de archiefbewaarplaats. Het beheer omvat onder andere het vervangen van archiefbescheiden door reproducties, het opmaken van verklaringen van vernietiging, vervanging en migratie. Verdere afstemming omtrent het beheer in de zin van dit artikellid wordt nader uitgewerkt in het zogenoemde DAP (Dossier Afspraken en Procedures). De mandaatgever behoudt de bevoegdheid om zelf besluiten te nemen of verklaringen op te maken, zoals het stellen van beperkingen aan de openbaarheid bij het overbrengen van blijvend te bewaren archiefbescheiden naar een archiefbewaarplaats.

Naar boven