Verordening grondwaterheffing Noord-Brabant 2026

Provinciale Staten van Noord-Brabant;

 

Gelezen het voorstel van Gedeputeerde Staten van 16 september 2025, nr. 31/25A;

 

Gelet op artikel 13.4b van de Omgevingswet en de artikelen 105 en 143 van de Provinciewet;

 

Overwegende dat Provinciale Staten het wenselijk achten de Verordening grondwaterheffing Noord-Brabant 2023 te wijzigen zodat alle grondwateronttrekkingen, behalve degenen die onder de vrijstelling vallen, heffingplichtig worden;

 

Overwegende dat dit een zodanig ingrijpende wijziging is dat het wenselijk is de Verordening grondwaterheffing Noord-Brabant 2023 in te trekken en een nieuwe verordening vast te stellen;

 

Besluiten:

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

heffing: grondwateronttrekkingsheffing als bedoeld in artikel 13.4b van de wet;

heffingplichtige: degene, bedoeld in artikel 13.4b, tweede lid, onder a en b, van de wet;

wet: Omgevingswet.

Artikel 2 Heffing

  • 1.

    De heffing wordt verschuldigd op het moment van het onttrekken van grondwater.

  • 2.

    De heffing wordt achteraf geheven over de in het heffingstijdvak onttrokken hoeveelheid grondwater, gemeten in kubieke meters.

  • 3.

    Het heffingstijdvak is gelijk aan het kalenderjaar of, bij beëindiging van een onttrekking, het verstreken deel van het kalenderjaar waarin de beëindiging plaatsvindt.

  • 4.

    Bij het bepalen van de hoeveelheid grondwater, bedoeld in het tweede lid, wordt de hoeveelheid water die op grond van vergunningvoorschriften in de bodem wordt gebracht, in mindering gebracht.

  • 5.

    Bij de invordering van de heffing wordt geen kwijtschelding verleend als bedoeld in artikel 26 van de Invorderingswet 1990.

Artikel 3 Wijze van heffing

De heffing wordt opgelegd bij wijze van een aanslag.

Artikel 4 Vrijstelling

Van de heffing zijn vrijgesteld grondwateronttrekkingsactiviteiten:

  • a.

    van minder dan 50.000 m3 per jaar en met een pompcapaciteit niet groter dan 10 m³ per uur; of

  • b.

    die niet het gebruik van water als doel hebben.

Artikel 5 Tarief

  • 1.

    De heffing bedraagt € 0,039 per belastbare kubieke meter (basis 2025).

  • 2.

    Aanslagen die minder bedragen dan €10,- worden niet opgelegd.

  • 3.

    Het tarief wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de CBS consumentenprijsindex van de maand mei in het voorafgaande jaar.

Artikel 6 Opgave

  • 1.

    De heffingplichtige doet in de maand januari of, bij beëindiging van de onttrekking binnen een maand na die beëindiging, bij het voor die grondwateronttrekkingsactiviteit bevoegde gezag opgave van de hoeveelheid onttrokken grondwater.

  • 2.

    Bij het uitblijven van de opgave of bij twijfels over de juistheid van de opgave, bedoeld in het eerste lid, leggen Gedeputeerde Staten ambtshalve een aanslag op.

Artikel 7 Intrekking

De Verordening grondwaterheffing Noord-Brabant 2023 wordt ingetrokken.

Artikel 8 Overgangsrecht

Op heffingen over grondwateronttrekkingen opgelegd voor de inwerkingtreding van deze verordening, blijft de Verordening grondwaterheffing Noord-Brabant 2023, zoals die luidde de dag voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening, van toepassing.

Artikel 9 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2026.

Artikel 10 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening grondwaterheffing Noord-Brabant 2026.

’s-Hertogenbosch, 12 december 2025

Provinciale Staten voornoemd,

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

de griffier,

drs. G.J.P. van Soest

Toelichting behorende bij de Verordening grondwaterheffing Noord-Brabant 2026

 

  • I.

    Algemeen

De grondwaterheffing is een doelheffing, die gebruikt kan worden voor wettelijk bepaalde bestedingsmogelijkheden. Het betreft structurele activiteiten ten behoeve van het grondwaterbeheer zoals onderzoek en monitoring en maatregelen om de grondwaterbalans die verstoord is als gevolg van grondwateronttrekkingen te herstellen.

In motie 74A-2021 hebben Provinciale Staten Gedeputeerde Staten verzocht om onderzoek te doen naar het verbreden van het heffingsbereik met betrekking tot grondwateronttrekkingen. De aanleiding hiervoor is de toenemende druk op het grondwatersysteem in Noord-Brabant. Zonder ingrijpen zal de grondwaterwinning blijven toenemen, wat leidt tot overbenutting en een afname van de robuustheid van het systeem.

In het bestuursakkoord ‘Samen maken we Brabant’ (p. 37) is de verbreding van de grondwaterheffing aangekondigd. In samenspraak tussen Gedeputeerde Staten en de waterschappen zijn randvoorwaarden overeengekomen om tot een uitvoerbare grondwaterheffing te komen, waaronder een verlaging van de heffingsvrije voet naar 50.000 m3/jaar en een continuering van de vrijstelling voor onttrekkingen waar het grondwater geen doel dient.

In het 3e jaar van de uitvoering (2028) evalueren provincie en waterschappen deze verbreding van de grondwaterheffing. Na de evaluatie besluiten Gedeputeerde Staten na afstemming met de waterschappen of een verdere verlaging van de drempel wenselijk en uitvoerbaar is.

 

  • II.

    Artikelsgewijs

Artikel 1 Begripsbepalingen

Voor de begripsbepalingen wordt aangesloten bij de Omgevingswet.

 

Artikel 2 Heffing

In de meeste gevallen is het heffingstijdvak gelijk aan het kalenderjaar. Bij beëindiging van een grondwateronttrekking betreft het heffingstijdvak de periode van het tot de beëindiging van de onttrekking verstreken gedeelte van het jaar.

Voor de onttrokken hoeveelheid water wordt uitgegaan van de netto onttrokken hoeveelheid. Datgene wat actief in de bodem wordt gebracht wordt volledig in mindering gebracht op de onttrokken hoeveelheid. Hiermee wordt invulling gegeven aan art. 13.4b, derde lid, van de wet waarin is aangegeven dat voor de in mindering te brengen hoeveelheid regels worden gesteld bij provinciale verordening.

 

Artikel 4 Vrijstelling

In dit artikel is de heffingplicht beperkt tot grondwateronttrekkingen die het gebruik van water tot doel hebben. Activiteiten zoals bronbemalingen, waarbij grondwater wordt opgepompt en wordt afgevoerd om de grondwaterspiegel te verlagen, zijn dus niet heffingsplichtig. Daarnaast geldt een heffingsvrije voet van 50.000 m3 per jaar. Na evaluatie zal worden bekeken of de verordening op dit punt dient te worden aangepast.

Ook in de wet zelf zijn al bepaalde grondwateronttrekkingsactiviteiten vrijgesteld van heffing: grondwatersaneringen en open bodemenergiesystemen (artikel 8.3 van het Omgevingsbesluit).

 

Artikel 5 Tarief

Het tarief van de heffing bedraagt € 0,039 per belastbare kubieke meter.

Hierop vindt een jaarlijkse indexatie plaats. Voor de indexering wordt aangesloten bij consumentenprijsindex van het CBS. Het hefbedrag wordt elk jaar verhoogd met het percentage van de consumentenprijsindex van het CBS van de maand mei. Het dan geldende hefbedrag wordt met dit percentage verhoogd. De verschillende stakeholders worden jaarlijks in oktober over het nieuwe hefbedrag op de hoogte gesteld.

Door jaarlijkse indexatie blijven de mogelijkheden voor het uitvoeren van gewenste maatregelen gelijk, ook als er inflatie optreedt. Dat maakt dat vaste kosten, zoals de kosten voor monitoring, mee kunnen groeien zonder een groter deel van het beschikbare budget uit te gaan maken.

 

Artikel 6 Opgave

De opgave dient te worden gedaan bij het voor de grondwateronttrekking bevoegde gezag: Gedeputeerde Staten voor grondwateronttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening en voor industriële onttrekkingen > 150.000 m3 per jaar, het Dagelijks Bestuur van het waterschap voor alle andere grondwateronttrekkingen. Provincie en waterschappen hebben afspraken gemaakt over het onderling doorleveren van deze gegevens. In de Omgevingsverordening Noord-Brabant, is een informatieplicht voor de waterschappen ingevoerd voor een meld-, meet- en registratieverplichting voor grondwateronttrekkers, en voor doorlevering van de verkregen gegevens door de waterschappen aan Gedeputeerde Staten.

 

Een ieder die grondwater onttrekt is in beginsel heffingplichtig. Uit de gedane opgave blijkt of diegene onder een vrijstelling valt en of er door Gedeputeerde Staten een aanslag wordt opgelegd.

Gedeputeerde Staten zijn, naast het opleggen van een aanslag bij het uitblijven van de opgave, ook bevoegd om ambtshalve een aanslag op te leggen van de onttrokken en weer in de bodem gebrachte hoeveelheden water indien uit de opgave blijkt dat geen adequate registratie heeft plaatsgevonden of er twijfels bestaan over de juistheid van de opgave.

Provinciale Staten van Noord-Brabant,

 

de voorzitter,

mr. I.R. Adema

 

de griffier,

drs. G.J.P. van Soest

Naar boven