Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Groene Metropool

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen, Zevenaar en het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, hierna te noemen de deelnemers, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

 

Overwegende dat:

 

de deelnemers bevoegdheden uitoefenen op grond van onder andere de Omgevingswet, waaronder bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen, het houden van toezicht en het beslissen over bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften.

 

de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Arnhem in werking is getreden op 14 november 2012.

 

de Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Regio Nijmegen in werking is getreden op 7 november 2012.

 

de Algemene Besturen van de gemeenschappelijke regelingen Omgevingsdienst Regio Arnhem en Omgevingsdienst regio Nijmegen in oktober 2024 gezamenlijk de wens hebben uitgesproken de verkenning naar een juridische fusie af te ronden.

 

de Algemene Besturen van de gemeenschappelijke regelingen Omgevingsdienst Regio Arnhem en Omgevingsdienst Regio Nijmegen vanwege de versterking van het VTH-stelsel in de Regio Arnhem en Nijmegen op 6 mei 2025 hebben uitgesproken de beide diensten onder te willen brengen in een nieuw te vormen Omgevingsdienst voor de regio Arnhem en Nijmegen.

 

de op te richten omgevingsdienst de vorm van een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen krijgt;

 

op grond van artikel 51, derde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen zienswijzen van de raden van de gemeenten Arnhem, Berg en Dal, Beuningen, Doesburg, Druten, Duiven, Heumen, Lingewaard, Nijmegen, Overbetuwe, Renkum, Rheden, Rozendaal, Westervoort, Wijchen, Zevenaar en Provinciale staten van de provincie Gelderland ontvangen zijn;

 

de gemeenteraden van de deelnemers en Provinciale Staten hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 51, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

Gelet op:

de Wet gemeenschappelijke regelingen, in verbinding met de Provinciewet en de Gemeentewet;

 

Besluiten:

de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen:

Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Groene Metropool

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      actualisatie van de begroting: hiervan is sprake als het Algemeen Bestuur de begroting van het openbaar lichaam wijzigt zonder gevolgen voor de bijdrage per deelnemer. Er mag wel sprake zijn van aanpassingen in de programma’s of andere aanpassingen mits er geen sprake is van nieuwe uitgangspunten die nog niet eerder onder de aandacht zijn gebracht van gemeenteraden en Provinciale Staten;

    • b.

      basistaken: taken als bedoeld in artikel 13.12 van het Omgevingsbesluit;

    • c.

      bovenregionale taken: taken die ten behoeve van de deelnemers en van deelnemers aan andere omgevingsdiensten worden verricht, niet zijnde complexe taken;

    • d.

      complexe taken: basistaken ten aanzien van complexe activiteiten zijnde:

      • vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die zijn of worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009; of

      • milieubelastende activiteiten waarop de Richtlijn industriële emissies van toepassing is;

      • overige milieubelastende activiteiten die vallen onder provinciaal bevoegd gezag;

    • e.

      deelnemers: bestuursorganen die deze gemeenschappelijke regeling hebben getroffen;

    • f.

      directeur: directeur van het openbaar lichaam;

    • g.

      Gedeputeerde Staten: Gedeputeerde Staten van Gelderland;

    • h.

      gemeenteraden: raden van de deelnemende gemeenten;

    • i.

      de minister: minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

    • j.

      openbaar lichaam: openbaar lichaam Omgevingsdienst Groene Metropool;

    • k.

      Provinciale Staten: Provinciale Staten van Gelderland;

    • l.

      regeling: gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Groene Metropool;

    • m.

      Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

    • n.

      wijziging van de begroting: er is sprake van een wijziging van de begroting op het moment dat het Algemeen Bestuur wijzigingen doorvoert waardoor de bijdrage van de deelnemers wijzigt. Het moet gaan om items die niet eerder aan de orde zijn geweest in de begroting en om die reden ook nog niet onder de aandacht zijn gebracht bij de gemeenteraden en Provinciale Staten.

  • 2.

    Uitgezonderd van de complexe taken zijn de volgende vergunningplichtige milieubelastende activiteiten die zijn of worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009:

    • het exploiteren van een ippc-installatie voor het houden van pluimvee of varkens als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies categorie 6.6;

    • activiteiten ten behoeve van cultuur, sport en recreatie (SBI 9321, 931.1 t/m 931.10, 931.B t/m 931.D en 93299);

    • het exploiteren van een rangeerterrein (SBI 491, 492.2);

    • activiteiten ten behoeve van trafostations (SBI 35.C4 en 35.C5) en de schakelstations van het 380 KV hoogspanningsnet;

    • agrarische activiteiten waarbij mest wordt verwerkt als nevenactiviteit, waarbij die mest uitsluitend afkomstig is uit de eigen activiteiten;

    • activiteiten met een helikopterstandplaats als nevenactiviteit (SBI 5223.B);

    • activiteiten met betrekking tot betonmortel en -waren (SBI 23611, 2363, 2364, 2365 en 2369), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie;

    • activiteiten met betrekking tot rioolwaterzuiveringen (SBI 3700), voor zover er geen sprake is van een ippc-installatie

Artikel 2. Belang

De regeling is ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van de belangen van de deelnemers ter zake van vergunningverlening, toezicht, handhaving en advisering in het kader van het omgevingsrecht. Onder de belangen van de deelnemers wordt tevens begrepen het belang van een goede samenwerking tussen de omgevingsdiensten in Gelderland.

Artikel 3. Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, genaamd Omgevingsdienst Groene Metropool, afgekort ODGM.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is statutair gevestigd in Arnhem. De statutaire vestigingsplaats is niet per definitie de feitelijke vestigingsplaats.

  • 3.

    Het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit een Algemeen Bestuur, een Dagelijks Bestuur en een voorzitter.

Hoofdstuk 2. Taken, bevoegdheden en bijdragen

Artikel 4. Basistaken

  • 1.

    Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam.

  • 2.

    Tot de basistaken kunnen behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken ten behoeve van de basistaken.

  • 3.

    Over het uitvoeren van de basistaken worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen een deelnemer en het openbaar lichaam.

Artikel 5. Overige taken in het omgevingsrecht

  • 1.

    Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 kunnen de deelnemers de uitvoering van overige taken in het omgevingsrecht onderbrengen bij het openbaar lichaam.

  • 2.

    Overige taken zijn in ieder geval de Omgevingswet-taken voor zover niet behorend tot de in artikel 4 bedoelde basistaken, zoals taken betreffende de Huisvestingswet, de Leegstandswet, de Algemene Plaatselijke Verordening dan wel de daarvoor in de plaats getreden regelgeving.

  • 3.

    Tot de taken bedoeld in de eerste twee leden kunnen in ieder geval behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken in verband met die taken.

  • 4.

    Over het uitvoeren van de overige taken bedoeld in het eerste lid worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen een deelnemer en het openbaar lichaam.

Artikel 6. Incidentele taken

  • 1.

    Op verzoek van een deelnemer kan het openbaar lichaam incidentele taken in het omgevingsrecht uitvoeren.

  • 2.

    Over de uitvoering van de incidentele taken worden afzonderlijke opdrachten verstrekt door de deelnemer aan het openbaar lichaam.

Artikel 7. Bovenregionale taken en complexe taken

  • 1.

    Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die niet kunnen worden uitgevoerd door het openbaar lichaam in overeenstemming met de VTH geldende kwaliteitscriteria laten uitvoeren door andere Gelderse omgevingsdiensten die de taken aan zich hebben getrokken.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die het openbaar lichaam aan zich heeft getrokken, uit te voeren voor andere omgevingsdiensten in Gelderland.

  • 3.

    De taken worden uitgevoerd tegen vergoeding van de tussen de Gelderse omgevingsdiensten overeengekomen kosten.

  • 4.

    Over de uitvoering van bovenregionale en complexe taken kunnen overeenkomsten worden gesloten tussen het openbaar lichaam en andere Gelderse omgevingsdiensten.

  • 5.

    Over de uitvoering van bovenregionale en complexe taken kunnen voor in het bijzonder aangewezen gevallen samenwerkingsovereenkomsten worden gesloten tussen een omgevingsdienst en andere publiekrechtelijke rechtspersonen.

Artikel 8. Bevoegdheden

  • 1.

    De deelnemers dragen geen publiekrechtelijke bevoegdheden over aan het openbaar lichaam.

  • 2.

    De deelnemers beslissen ieder afzonderlijk over de verlening van mandaat, volmacht en machtiging aan het openbaar lichaam, waarbij zoveel mogelijk uniformiteit wordt nagestreefd.

Artikel 9. Beperking privaatrechtelijke bevoegdheden

Het openbaar lichaam is behoudens instemming van de deelnemers niet bevoegd tot:

  • a.

    het vestigen van opstal-, pand- en hypotheekrechten;

  • b.

    het afgeven van garanties of andere waarborgen;

  • c.

    het in erfpacht aannemen of uitgeven van roerende of onroerende zaken;

  • d.

    het in eigendom aannemen of uitgeven van onroerende zaken;

  • e.

    commerciële dienstverlening aan private partijen.

Artikel 10 Bijdragen

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt tegelijk met de begroting de producten en diensten catalogus voor dat jaar vast inclusief de tarieven betreffende dat jaar.

  • 2.

    In de begroting staat een overzicht met de begrote bijdrage voor elke deelnemer, gebaseerd op het concept werkprogramma waarin het aantal af te nemen producten en diensten en tarieven voor dat betreffende jaar staan opgenomen.

  • 3.

    De deelnemers betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 16 januari, vóór 16 april, vóór 16 juli en vóór 16 oktober telkens een kwart van de in het tweede lid bedoelde bijdrage. Jaarlijks, in januari na afloop van het betreffende jaar, worden de voorschotten afgerekend op basis van de werkelijk afgenomen producten en diensten.

  • 4.

    Betaling van taken die aanvullend op de begroting worden overeengekomen tussen het openbaar lichaam en een deelnemer geschiedt naar algemeen gehanteerde betaaltermijnen van dertig dagen na factuur.

  • 5.

    Deelnemers dragen er zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende liquide middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen. Inhoudende dat de deelnemers gezamenlijk garant staan voor de juiste betaling van investeringen en de daaruit voortvloeiende rente, aflossing, boeten en kosten.

Hoofdstuk 3. Algemeen Bestuur

Artikel 11. Samenstelling en stemverhouding

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur bestaat uit 17 personen, waaronder de voorzitter.

  • 2.

    Elke deelnemer wijst uit zijn midden een lid van het Algemeen Bestuur aan.

  • 3.

    Elke deelnemer wijst uit zijn midden een plaatsvervangend lid van het Algemeen Bestuur aan.

  • 4.

    Een lid van het Algemeen Bestuur kan niet tevens medewerker in dienst van of op grond van een overeenkomst van opdracht werkzaam zijn voor het samenwerkingsverband dan wel in dienst van de provincie Gelderland.

  • 5.

    Het aantal stemmen van een deelnemer is gerelateerd aan diens bijdrage in de begroting van de omgevingsdienst voor de taken bedoeld in de artikelen 4 en 5 van de regeling.

    Bijdrage in euro’s:

    Aantal stemmen:

    < 1 miljoen

    1

    1 – 2,2 miljoen

    2

    2,2 – 4,4 miljoen

    3

    4,4 – 6,6 miljoen

    4

    6,6 – 8,8 miljoen

    5

    8,8 – 13,2 miljoen

    6

    13,2 – 22 miljoen

    7

    > 22 miljoen

    8

  • 6.

    Het aantal stemmen per deelnemer wordt jaarlijks vastgesteld in de vergadering waarin ook de begroting voor het navolgende jaar definitief wordt vastgesteld. De stemverhouding gaat in, op 1 januari van het nieuwe begrotingsjaar voor het eerst op 1 januari 2026. Bij grote wijzigingen in de bijdragen van deelnemers kan eerder tot herziening worden besloten door het Algemeen Bestuur.

  • 7.

    Besluiten worden genomen met minimaal twee derde meerderheid uitgebracht door minimaal 9 leden van het Algemeen Bestuur, tenzij de Wet of de regeling anders bepalen.

Artikel 12. Aanwijzing, schorsing en ontslag leden Algemeen Bestuur

  • 1.

    Als tussentijds een vacature in het Algemeen Bestuur ontstaat, wijst de deelnemer in de eerstvolgende vergadering of zo snel mogelijk na die vergadering een nieuw lid aan.

  • 2.

    Een lid van het Algemeen Bestuur kan door de deelnemer die hem heeft aangewezen ontslag worden verleend of worden geschorst als dit lid het vertrouwen van die deelnemer niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

  • 3.

    Van elke aanwijzing, schorsing of ontslag geeft de deelnemer die het aangaat terstond kennis aan de voorzitter.

  • 4.

    Een lid van het Algemeen Bestuur kan ontslag nemen. Hij stelt de voorzitter en de deelnemer die hem heeft aangewezen hiervan tijdig op de hoogte. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

  • 5.

    Het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt van rechtswege zodra het lid geen lid meer is van de deelnemer die hem heeft aangewezen of zodra de deelnemer die hem heeft aangewezen uittreedt.

  • 6.

    Het eerste tot en met het vijfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden.

Artikel 13. Werkwijze

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dat nodig oordeelt of twee leden van het Algemeen Bestuur daarom verzoeken, alsmede indien het Dagelijks Bestuur daarom verzoekt, doch ten minste twee maal per jaar.

  • 2.

    In de vergadering van het Algemeen Bestuur kan alleen worden beraadslaagd en besloten als ten minste 9 leden aanwezig zijn

  • 3.

    Als het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop het tweede lid en artikel 11, zevende lid, niet van toepassing zijn. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag.

  • 4.

    In een vergadering als bedoeld in het derde lid is artikel 11, zevende lid, van toepassing op besluiten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd.

  • 5.

    Het Algemeen Bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden.

Artikel 14. Bevoegdheden

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt de begroting en de jaarrekening vast.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur kan besluiten tot oprichting van en deelneming in rechtspersonen met inachtneming van het bepaalde in artikel 55a van de Wet.

  • 3.

    Besluiten van het Algemeen Bestuur worden voor zienswijze aan de gemeenteraden van de deelnemers en Provinciale Staten voorgelegd als het besluiten – naast de wettelijke verplichte – van groot financieel en politiek belang betreft.

  • 4.

    Ingezetenen van de deelnemende provincies en gemeenten en belanghebbenden worden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid betrokken op een bij de deelnemende provincie en gemeenten gebruikelijke wijze. In dat geval is afdeling 3.4. van de Algemene wet bestuursrecht, niet meer van toepassing op de participatie.

    Het Algemeen Bestuur kan een andere procedure voor de participatie voorschijven.

  • 5.

    Het Algemeen Bestuur kan bevoegdheden overdragen aan het Dagelijks Bestuur met uitzondering van de bevoegdheden tot het vaststellen van de begroting en wijziging en actualisatie daarvan, de vaststelling van de jaarrekening en het besluit tot oprichting van en deelneming in rechtspersonen.

  • 6.

    Het Algemeen Bestuur kan instructies geven voor de werkwijze van het Dagelijks Bestuur.

  • 7.

    Het Algemeen Bestuur beslist over alle andere aangelegenheden waarvoor de bevoegdheid niet op grond van de Wet of deze regeling aan het Dagelijks Bestuur of aan de voorzitter toekomt.

Hoofdstuk 4. Dagelijks Bestuur

Artikel 15. Samenstelling en stemverhouding

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur bestaat uit een oneven aantal, bestaande uit de voorzitter en maximaal zes andere leden. Waarvan drie geborgde zetels voor de gemeente Nijmegen, gemeente Arnhem en de provincie Gelderland.

  • 2.

    De aanwijzing van de leden van het Dagelijks Bestuur geschiedt op basis van gezamenlijke voordrachten uit de leden van het Algemeen Bestuur.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid doet de deelnemer als bedoeld in het tweede lid waaruit de voorzitter afkomstig is geen voordracht.

  • 4.

    De leden van het Dagelijks Bestuur hebben ieder een stem. Bij het staken van de uitgebrachte stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.

Artikel 16. Aanwijzing, schorsing en ontslag leden Dagelijks Bestuur

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur wijst in beginsel uit zijn midden de andere leden van het Dagelijks Bestuur als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aan.

  • 2.

    Het lidmaatschap van het Dagelijks Bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur eindigt of wanneer een ontslag uit het Dagelijks Bestuur ingaat.

  • 3.

    Als tussentijds een vacature in het Dagelijks Bestuur ontstaat, wijst het Algemeen Bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna een nieuw lid aan.

  • 4.

    Een lid van het Dagelijks Bestuur, niet zijnde de voorzitter, kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het Algemeen Bestuur. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

  • 5.

    Het Algemeen Bestuur kan een lid van het Dagelijks Bestuur, niet zijnde de voorzitter, ontslag verlenen of schorsen als dat lid het vertrouwen van het Algemeen Bestuur niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

Artikel 17. Werkwijze

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of een lid van het Dagelijks Bestuur hierom verzoekt.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen.

  • 3.

    In de vergadering van het Dagelijks Bestuur kan alleen worden beraadslaagd en besloten als meer dan de helft van de leden aanwezig is.

  • 4.

    Als het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop het derde lid niet van toepassing is. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag.

  • 5.

    In een vergadering als bedoeld in het derde lid kan alleen worden beraadslaagd en besloten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd als meer dan de helft van het totaal aantal leden aanwezig is.

  • 6.

    De vergaderingen van het Dagelijks Bestuur zijn niet openbaar, tenzij de vigerende wet- en regelgeving openbaarmaking verplicht stelt.

Artikel 18. Bevoegdheden

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met en bevoegd tot het voeren van het Dagelijks Bestuur, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

    • a.

      het voorbereiden van al hetgeen aan het Algemeen Bestuur ter beraadslaging en besluitvorming wordt voorgelegd;

    • b.

      het uitvoeren van de besluiten van het Algemeen Bestuur;

    • c.

      het voorstaan van de belangen van de regeling en het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen en diensten waarmee, of personen met wie contact met het Dagelijks Bestuur van belang is;

    • d.

      het beheer van activa en passiva van het openbaar lichaam;

    • e.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht en bezit;

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur bepaalt de wijze waarop de directeur bij verhindering of ontstentenis wordt vervangen.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur stelt voor de directeur een instructie vast die in ieder geval de taken van de directeur en de aansturing van het personeel betreft.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met het aangaan van arbeidsovereenkomsten naar burgerlijk recht, het ontslaan en schorsen van het personeel, waaronder begrepen de directeur.

  • 5.

    De arbeidsvoorwaardenregelingen voor de directeur en voor het overige personeel van het openbaar lichaam worden door het Dagelijks Bestuur vastgesteld.

  • 6.

    Het Dagelijks Bestuur is bevoegd tot het aangaan van privaatrechtelijke overeenkomsten met uitzondering van privaatrechtelijke handelingen als bedoeld in artikel 55a van de Wet en artikel 9 van de regeling.

  • 7.

    Het Dagelijks Bestuur is bevoegd tot het voeren van rechtsgedingen namens het openbaar lichaam, tenzij het Algemeen Bestuur in bepaalde gevallen anders beslist.

Hoofdstuk 5. Voorzitter

Artikel 19. Voorzitter

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden de voorzitter aan.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan die de voorzitter vervangt bij diens verhindering of ontstentenis.

  • 3.

    De voorzitter kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het Algemeen Bestuur. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

  • 4.

    Als tussentijds de functie van de voorzitter vacant wordt, wijst het Algemeen Bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna de nieuwe voorzitter aan.

  • 5.

    De voorzitter is lid van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur.

Artikel 20. Bevoegdheden

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur.

  • 2.

    De voorzitter en de secretaris ondertekenen gezamenlijk de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan.

  • 3.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

Hoofdstuk 6. Informatie en verantwoording

Artikel 21. Dagelijks Bestuur en voorzitter ten opzichte van het Algemeen Bestuur

  • 1.

    De leden van het Dagelijks Bestuur zijn tezamen en ieder afzonderlijk aan het Algemeen Bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het Algemeen Bestuur digitaal alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het Dagelijks Bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

  • 3.

    Zij geven tezamen en ieder afzonderlijk inlichtingen aan het Algemeen Bestuur wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt.

Artikel 22. Algemeen en Dagelijks Bestuur ten opzichte van de gemeenteraden en Provinciale Staten

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter geven aan de gemeenteraden en Provinciale Staten gevraagd en ongevraagd digitaal alle en dezelfde inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter verstrekken aan de gemeenteraden en Provinciale Staten digitaal alle en dezelfde inlichtingen waarom is gevraagd door een of meer leden van die gemeenteraden of Provinciale Staten.

  • 3.

    Een lid van het Algemeen Bestuur geeft digitaal alle inlichtingen waarom is gevraagd door een of meer leden van de gemeenteraad van de deelnemer die hem heeft aangewezen, respectievelijk een of meer leden van Provinciale Staten in het geval het lid is aangewezen door Gedeputeerde Staten. Hij is bovendien aan de gemeenteraad of Provinciale Staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 4.

    Het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter stellen, ieder voor zover bevoegd, in gezamenlijkheid een informatieprotocol vast.

Artikel 23. Leden Algemeen Bestuur ten opzichte van deelnemers

  • 1.

    Een lid van het Algemeen Bestuur verschaft de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen digitaal alle inlichtingen die door die deelnemer of door een of meer leden van die deelnemer zijn gevraagd.

  • 2.

    Alvorens de gevraagde inlichtingen zoals bedoeld in het eerste lid te verstrekken, kan het lid zich daarover laten adviseren door het Dagelijks Bestuur.

  • 3.

    Een lid van het Algemeen Bestuur is de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het Algemeen Bestuur gevoerde beleid. Op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die deelnemer aangegeven wijze.

Hoofdstuk 7. Directeur

Artikel 24. Directeur

  • 1.

    De directeur is hoofd van de ambtelijke organisatie.

  • 2.

    De directeur is ambtelijk secretaris van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur. De directeur staat het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter bij de uitoefening van hun taak terzijde.

  • 3.

    De directeur is tijdens de vergadering van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur aanwezig.

  • 4.

    De directeur ondertekent als ambtelijk secretaris mede de stukken die van het Algemeen Bestuur en het Dagelijks Bestuur uitgaan.

Hoofdstuk 8 Samenwerking Omgevingsdiensten

Artikel 25 Samenwerking Omgevingsdiensten

  • 1.

    De voorzitter heeft regelmatig overleg met de voorzitters van de besturen van de andere omgevingsdiensten in Gelderland en daar waar nodig in andere regio’s.

  • 2.

    De directeur heeft regelmatig overleg met de directeuren van de andere omgevingsdiensten in Gelderland en andere regio’s.

  • 3.

    De overleggen hebben als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de diensten.

Hoofdstuk 9. Financiële bepalingen

Artikel 26. Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur zendt twaalf weken vóór vaststelling door het Algemeen Bestuur de ontwerpbegroting vergezeld van een toelichting voor zienswijze rechtstreeks aan de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten.

  • 2.

    Het Algemeen Bestuur stelt de ontwerpbegroting vast op een jaarlijks vast te stellen vergadermoment met inachtneming van de wettelijke doorlooptijden.

  • 3.

    Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na vaststelling en in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop deze ziet aan de minister.

  • 4.

    In de begroting wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar verwachte verschuldigde bedrag opgenomen.

  • 5.

    Het Dagelijks Bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Daarnaast wordt rekening gehouden met de opgestelde begrotingsrichtlijnen.

  • 6.

    De ontwerpbegroting wordt door het Dagelijks Bestuur en de deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld.

  • 7.

    Provinciale Staten en de gemeenteraden vergaderen niet eerder over de ontwerpbegroting dan twee weken na de openbare kennisgeving. Zij kunnen bij het Dagelijks Bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen.

  • 8.

    Het Dagelijks Bestuur reageert schriftelijk en gemotiveerd op de zienswijzen van de gemeenteraden en Provinciale Staten en geeft aan welke conclusie het daaraan verbindt, voordat het Algemeen Bestuur de begroting vaststelt.

  • 9.

    Als aanpassing van de begroting gedurende het jaar nodig is, stelt het Algemeen Bestuur vast of er sprake is van een wijziging of actualisering.

  • 10.

    Een actualisatie van de begroting wordt door het Algemeen Bestuur vastgesteld en ter informatie verstuurd naar de gemeenteraden en Provinciale Staten.

  • 11.

    Bij wijzigingen van de begroting wordt de procedure voor vaststelling van de begroting gevolgd.

Artikel 27. Jaarrekening

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast, vóór 15 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur zendt vóór 30 april van het jaar volgend op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft de voorlopige jaarrekening aan de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten en aan Provinciale Staten.

  • 3.

    De raden van de gemeenten kunnen bij het Dagelijks Bestuur hun zienswijze over de voorlopige jaarrekening naar voren brengen. Hiervoor geldt een termijn van acht weken.

  • 4.

    Het Dagelijks Bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling doch in ieder geval vóór 15 juli aan de minister.

  • 5.

    Vaststelling van de jaarrekening strekt het Dagelijks Bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

  • 6.

    In de jaarrekening wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.

  • 7.

    Verrekening van het verschil tussen de begrote bijdrage, als bedoeld in artikel 10 van deze regeling, en het werkelijk verschuldigde bedrag volgens de jaarrekening gebeurt zo spoedig mogelijk na vaststelling van de jaarrekening.

Artikel 28. Verdeling saldo

  • 1.

    Het maximum van het totaal aan (bestemmings)reserves wordt bepaald door de weerstandsratio. De weerstandsratio moet minimaal 0,8 zijn. De weerstandsratio is de optelsom van de reserves en de post onvoorzien in de begroting, gedeeld door het totaal aan operationele gekwantificeerde risico’s voor de reguliere bedrijfsvoering.

  • 2.

    De weerstandscapaciteit wordt jaarlijks vastgesteld in de begroting en in de jaarrekening.

  • 3.

    Batige saldi kan worden toegevoegd aan het eigen vermogen tot aan de grens van de weerstandsratio. Als het batig saldo de grens overschrijdt beslist, op voordracht van de directie aan het DB, het Algemeen Bestuur of:

    • a.

      het batig saldo wordt toegevoegd aan de algemene reserve;

    • b.

      een bestemmingsreserve wordt ingesteld voor specifieke doeleinden;

    • c.

      het batig saldo wordt uitgekeerd naar rato van de stemverhouding; of

    • d.

      een combinatie van de genoemde mogelijkheden.

  • 4.

    Als er sprake is van een nadelig saldo, beslist het Algemeen Bestuur of dit geheel of gedeeltelijk ten laste wordt gebracht van:

    • a.

      de bestaande reserves; of

    • b.

      de deelnemers naar rato van hun stemverhouding.

Hoofdstuk 10. Archief

Artikel 29. Zorg en beheer archief

  • 1.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam overeenkomstig een door het Algemeen Bestuur, vast te stellen regeling.

  • 2.

    De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van het openbaar lichaam.

  • 3.

    Voor de bewaring van de over te brengen archiefbescheiden wijst het Algemeen Bestuur een archiefbewaarplaats aan en voor het beheer daarvan een archivaris.

  • 4.

    De archivaris oefent overeenkomstig de regeling, bedoeld in het eerste lid, toezicht uit op het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats.

  • 5.

    Met het toezicht op het beheer van de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemers gemandateerde taken is belast de archivaris van de desbetreffende deelnemer.

  • 6.

    Bij opheffing van de gemeenschappelijke regeling wordt ten aanzien van de archiefbescheiden een voorziening getroffen zoals in de Archiefwet bepaald.

  • 7.

    De zorg voor de archiefbescheiden die ontstaan uit hoofde van de door de deelnemende overheidsorganisaties gemandateerde taken berust bij deze overheden.

Hoofdstuk 11. Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 30. Toetreding

  • 1.

    De deelnemers zijn bevoegd te beslissen over toetreding van nieuwe deelnemers tot de regeling.

  • 2.

    De deelnemers regelen de voorwaarden voor toetreding.

Artikel 31. Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer.

  • 2.

    Voor uittreding geldt een termijn van anderhalf jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is alleen mogelijk met ingang van 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar na de genoemde termijn.

  • 3.

    Het Algemeen Bestuur inventariseert binnen zes maanden na het besluit tot uittreden de gevolgen van uittreding na overleg met de deelnemers in een uittredingsplan waartoe in ieder geval behoren:

    • a.

      de gevolgen voor het personeel zoals de toewijzing, terugname of overname van medewerkers;

    • b.

      de financiële gevolgen, waaronder de betaling ineens of de afbouw van de bijdrage;

    • c.

      de juridische en organisatorische consequenties en de kosten daarvan die direct het gevolg zijn van de uittreding.

  • 4.

    Bij de bepaling van de financiële gevolgen worden zowel variabele, vaste kosten alsmede het aan de uittredende deelnemer toe te rekenen aandeel in reserves en voorzieningen in aanmerking genomen.

    Bij de bepaling van de vergoeding voor vaste kosten wordt een termijn van vijf jaar vanaf datum uittreding in acht genomen.

  • 5.

    De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die gelden op het moment van de daadwerkelijke uittreding. Beleidswijzigingen, wijziging van economische omstandigheden en wijziging van inzichten die zich voordoen of opkomen na het moment van de daadwerkelijke uittreding kunnen niet worden betrokken bij de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.

  • 6.

    Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om (direct nadat het besluit van de deelnemer is ontvangen) de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande behoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het Algemeen Bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

  • 7.

    Het Algemeen Bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het Dagelijks Bestuur. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

  • 8.

    De onafhankelijke externe deskundige stelt de uittreedsom vast. Het Algemeen Bestuur en de uittredende deelnemer komen tot een akkoord op basis van dit vastgestelde bedrag.

  • 9.

    Kunnen het Algemeen Bestuur en de uittredende deelnemer niet tot een akkoord komen op basis van het in lid 8 vastgestelde bedrag, dan zal een andere onafhankelijke externe deskundige (aangewezen op de in lid 7 van dit artikel bedoelde wijze) een voor betrokkenen bindend besluit nemen.

  • 10.

    De financiële gevolgen die het gevolg zijn van de uittreding worden door de uittredende deelnemer gedragen.

  • 11.

    De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom binnen een half jaar nadat de definitieve uittreedsom is vastgesteld.

  • 12.

    Het Dagelijks Bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen.

Artikel 32. Wijziging en opheffing

  • 1.

    De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven als ten minste 12 deelnemers hiertoe besluiten.

  • 2.

    Deelnemers en het Algemeen Bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de deelnemers in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het Dagelijks Bestuur zendt het voorstel van het Algemeen Bestuur toe aan de deelnemers.

  • 4.

    Bij opheffing van de regeling stelt het Algemeen Bestuur vooraf, na overleg met de deelnemers, een liquidatieplan vast waarin in ieder geval wordt aangegeven wat de gevolgen zijn die de beëindiging heeft voor het personeel en de wijze waarop het positieve of negatieve saldo van het openbaar lichaam over de deelnemers wordt verdeeld.

  • 5.

    Het Dagelijks Bestuur is belast met de vereffening van de financiële verplichtingen.

  • 6.

    De organen van de regeling blijven in functie totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 12. Klachten

Artikel 33. Klachtenregeling

Het Algemeen Bestuur stelt, met inachtneming van hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtenregeling vast.

Hoofdstuk 13. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 34. Evaluatie

  • 1.

    Het Algemeen Bestuur draagt zorg voor de evaluatie van in ieder geval het algemeen functioneren en de werkwijze van de Omgevingsdienst Groene Metropool.

  • 2.

    De evaluatie vindt in ieder geval eenmaal in de vier jaar plaats en is afgerond twaalf maanden voorafgaand aan de reguliere gemeenteraadsverkiezingen.

Artikel 35. Informatievoorziening

  • 1.

    Het openbaar lichaam zorgt ervoor dat de deelnemers op ieder moment kunnen beschikken over informatie met betrekking tot de in hoofdstuk 2 van deze regeling genoemde taken waarvoor zij het bevoegde bestuursorgaan zijn.

  • 2.

    Ten aanzien van de taken, bedoeld in hoofdstuk 2 van deze regeling, geldt dat de wijze van benadering en ontsluiting van de op die taken betrekking hebbende informatie door het openbaar lichaam is afgestemd met die van de andere regionale omgevingsdiensten in Gelderland.

Artikel 36. Inwerkingtreding en bekendmaking

  • 1.

    De regeling treedt in werking op 1 januari 2026 nadat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de bekendmaking van de geconsolideerde tekst in het Provinciaal blad van Gelderland.

  • 3.

    Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging of opheffing van de regeling.

Artikel 37. Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 38. Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst Groene Metropool.

Algemene toelichting

Op 1 januari 2026 zijn de Omgevingsdienst Regio Arnhem en de Omgevingsdienst Regio Nijmegen gefuseerd. Daarmee is de Omgevingsdienst Groene Metropool op operationeel geworden.

 

De tekst van de regeling volgt het algemene stramien van de Wet gemeenschappelijke regelingen maar dan toegespitst op het specifieke belang en taak van de omgevingsdienst in deze regio.

 

Het ministerie van VROM heeft in 2009 aangedrongen op de vorming van omgevingsdiensten op regionale schaal en de provincie verzocht een proces te organiseren waarin dat gestalte krijgt. In 2012-2013 zijn regionale Omgevingsdiensten opgericht voor de uitvoering van een bepaald minimum takenpakket op het gebied van Vergunning, Toezicht Handhaving en Milieu (hierna: VTH milieustelsel).

 

In de evaluatie “Om de Leefomgeving” (2021) concludeerde de commissie Van Aartsen dat het stelsel van omgevingsdiensten in Nederland op onderdelen niet goed functioneert. De conclusies van de commissie Van Aartsen benadrukten de urgente behoefte om het VTH-stelsel te versterken. Omgevingsdiensten moeten in staat zijn om complexe vraagstukken effectief aan te pakken en hoogwaardige, aansluitende dienstverlening te bieden. Naar aanleiding van het rapport is een landelijk verbetertraject gestart, het Interbestuurlijk Programma (IBP) waarin alle landelijke partijen samenwerking om het VTH milieustelsel te verbeteren.

 

De bevindingen en landelijke ontwikkelingen hebben begin 2023 geleid tot een verkennend onderzoek naar een intensievere samenwerking tussen ODRN en ODRA. De resultaten van deze eerste verkenning tonen aan dat het bundelen van krachten tussen beide organisaties een logische stap is om het VTH-stelsel in de regio te versterken. De uitkomsten van dit onderzoek hebben in de bredere context van het Gelders Stelsel geleid tot provinciale bezinning over de toekomstige ontwikkeling van de omgevingsdiensten in Gelderland. Dankzij deze heroverweging eind 2023 is in het najaar van 2024 het inzicht ontstaan dat een fusie tussen ODRN en ODRA een essentiële eerste stap is, ook in de doorontwikkeling van het Gelders Stelsel.

 

De ODGM is opgericht vanwege de versterking van het VTH-stelsel in de Regio Arnhem en Nijmegen.

 

ODGM is onderdeel van een samenwerkingsverband met verschillende Gelderse Omgevingsdiensten. De complexe handhaving en complexe vergunningverlening is belegd bij deze dienst. In dat kader voert de dienst complexe handhaving en vergunningverlening uit voor regio’s die niet robuust zijn. ODGM is een geaccrediteerde meetdienst, waarvan er maar 2 in Nederland zijn. En een Seveso-dienst voor het landsdeel Oost (de Provincie Gelderland en Overijssel).

 

ODGM heeft die de juridische vorm heeft van een openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Zij is daarmee rechtspersoon en kan zelfstandig rechten en verplichtingen aangaan.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1

 

Hier worden begrippen nader toegelicht.

 

Artikel 2

 

Ter uitvoering van artikel 10, eerste lid, van de Wet wordt hier het belang vermeld ter behartiging waarvan de regeling is getroffen. Het begrip omgevingsrecht is in deze omschrijving ruim bedoeld en omvat wet- en regelgeving omtrent de leefomgeving. Naast het milieurecht, dus ook bouwrecht, water, ruimtelijke ordeningsrecht, natuurbeschermingsrecht en dergelijke.

 

Om incorporatie van MRA taken mogelijk te maken is het woord “advisering” opgenomen bij het belang. Ook doet dit recht aan enkele door de provincie Gelderland ingebrachte adviestaken.

 

Artikel 3

 

In het eerste lid is met het oog op artikel 8, eerste lid, van de Wet bepaald dat een openbaar lichaam wordt ingesteld. In het tweede lid is ter uitvoering van artikel 10, derde lid, van de Wet de vestigingsplaats vastgelegd. Het betreft hier de statutaire vestigingsplaats. Die moet worden onderscheiden van de feitelijke plaats waar het openbaar lichaam zijn taken uitvoert. Die plaats kan verschillen van de statutaire vestigingsplaats. De regeling verzet zich er bovendien niet tegen dat de taken op meerdere plaatsen worden uitgeoefend. Voor alle duidelijkheid wordt in het derde lid aangegeven dat het bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur en de voorzitter.

 

Artikel 4

 

De bestuurlijke eis van het Rijk is dat de uitvoering van ten minste de taken zoals opgenomen in het basistakenpakket worden belegd bij een omgevingsdienst. Artikel 4 komt aan die eis tegemoet door te bepalen dat de deelnemers ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 de uitvoering van de basistaken onderbrengen bij het openbaar lichaam. Het tweede lid bepaalt dat tot de basistaken kunnen behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken in verband met de basistaken. Daarbij kan worden gedacht aan interne advisering, documentondersteuning etc. De omschrijving is zo gekozen dat een ruime categorie van werkzaamheden daaronder kan worden verstaan. Door de formulering wordt bovendien duidelijk dat er geen verplichting bestaat om dergelijke taken onder te brengen bij de omgevingsdienst. Er kunnen tussen de omgevingsdienst en een deelnemer op basis van het derde lid overeenkomsten (dienstverleningsovereenkomsten) worden gesloten. Die bevatten nadere afspraken over de uitoefening van de taken die krachtens de regeling bij de omgevingsdienst is ondergebracht. Afspraken kunnen onder meer worden gemaakt over de inhoud en de kwaliteit van de taakuitoefening.

 

Artikel 5

 

Naast de basistaken als bedoeld in artikel 4 kunnen de deelnemers de uitoefening van overige taken in het omgevingsrecht aan de omgevingsdienst overlaten. Met in lid bedoelde Omgevingswet-taken wordt o.a. bedoeld de genoemde taken van Gemeente en Provincie in respectievelijk de artikelen 2.16 en 2.18 van de Omgevingswet.

 

Artikel 7

 

Dit artikel geeft een regeling voor de complexe taken die niet robuust kunnen worden uitgevoerd, alsmede de bovenregionale taken. Die begrippen zijn omschreven in artikel 1.

 

Artikel 8

 

De Wet schrijft in artikel 10 voor dat een regeling waarbij een openbaar lichaam wordt ingesteld, aangeeft welke bevoegdheden aan het bestuur van het openbaar lichaam worden overgedragen. Het is een uitgangspunt van de deelnemers om aan de omgevingsdienst geen bevoegdheden over te dragen. Dat is vastgelegd in het eerste lid. Dat neemt niet weg dat het doelmatig kan zijn om aan (een functionaris van) de omgevingsdienst vertegenwoordigingsbevoegdheid te verlenen met betrekking tot de bevoegdheden van de deelnemers. Daarbij kan het gaan om mandaat (voor publiekrechtelijke bevoegdheden), volmacht (voor privaatrechtelijke bevoegdheden) en machtiging (voor feitelijke handelingen). In het tweede lid is bepaald dat het aan de deelnemers is om daarover te beslissen. Het gaat daarbij voor de goede orde om vertegenwoordiging, niet om het overdragen van enige bevoegdheid. Een krachtens mandaat genomen besluit, als voorbeeld, geldt immers als een besluit van de mandaatgever.

 

Met oog op de aan en door het bestuur opgelegde doelstellingen van verhoging van de kwaliteit en de efficiëntie is meer uniformiteit een vereiste. Om het belang hiervan te benadrukken is dit toegevoegd aan het tweede lid van dit artikel.

 

Artikel 9

 

Het openbaar lichaam is krachtens de Wet een rechtspersoon en uit dien hoofde bevoegd tot het aangaan van privaatrechtelijke rechtshandelingen. De Wet gemeenschappelijke regelingen bepaalt in artikel 55 dat bij de regeling beperkingen kunnen worden aangebracht in de bevoegdheden die het openbaar lichaam van rechtswege bezit om aan het maatschappelijk verkeer deel te nemen. Artikel 9 bevat dergelijke beperkingen.

 

Daarbij is ervoor gekozen om de deelnemers de mogelijkheid te geven toestemming te verlenen voor privaatrechtelijke rechtshandelingen die op grond van de regeling anders niet zijn toegestaan. Onder e is bepaald dat het openbaar lichaam niet bevoegd is voor commerciële dienstverlening aan private partijen. De achtergrond daarvan is om te voorkomen dat de omgevingsdienst met inzet van publieke middelen marktverstorend werkt. De deelnemers zijn van opvatting dat de overheid, ook ingeval van samenwerking in een gemeenschappelijke regeling, zich daarvan zou moeten onthouden.

 

Artikel 10

 

In de begroting wordt bepaald wat elke deelnemer verschuldigd is aan ODGM betreffende dat jaar. Het vijfde lid heeft als achtergrond dat de deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling verplicht zijn een daarbij opgericht openbaar lichaam van middelen te voorzien waardoor het de taken waartoe het is opgericht naar behoren kan vervullen. Daartoe behoren ook de financiële verplichtingen die het openbaar lichaam ter uitvoering van die taken is aangegaan. Daarnaast behoren tot de verplichte uitgaven van een openbaar lichaam evenals voor waterschappen de aflossing van schulden en renten en andere opeisbare schulden. Dat is bevestigd in de Circulaire aansprakelijkheid voor schulden van openbare lichamen op grond van de Wet (Circulaire van 8 juli 1999). Het vijfde lid geeft zodoende een algemeen geldende rechtsplicht weer voor deelnemers aan een gemeenschappelijke regeling die de positie van derden jegens de omgevingsdienst beschermt. Het vijfde lid is bovendien noodzakelijk om in voorkomend geval tegen aanvaardbare tarieven geldleningen aan te kunnen gaan. Het heeft geen betekenis voor de verdeling van de kosten tussen de deelnemers. Daarvoor geldt de verhouding van het eerste lid.

 

Artikel 11

 

Met toepassing van artikel 13 van de Wet worden de leden van het Algemeen Bestuur door en uit de deelnemende colleges (van burgemeester en wethouders, en Gedeputeerde Staten) aangewezen. Verder schrijft artikel 13 van die wet voor dat de regeling het aantal leden van het Algemeen Bestuur bepaalt dat door de deelnemers wordt aangewezen. Het eerste en het tweede lid voorzien daarin door het aantal leden van het Algemeen Bestuur te vermelden, alsmede te bepalen dat elke deelnemer een lid in het Algemeen Bestuur benoemt. De aanwijzing van plaatsvervangende leden op grond van het derde lid voorziet in de behoefte van alle deelnemers, gezien de bevoegdheden van het Algemeen Bestuur, om vertegenwoordigd te zijn in het Algemeen Bestuur als een lid verhinderd is.

 

De bepalingen in het vijfde en zesde lid weerspiegelen de bestuurlijke afspraken die ter zake zijn gemaakt. Er is afgesproken bij de stemverhoudingen te werken met staffels, om een evenwichtige verdeling in stemmen te bereiken. We willen dit voor het eerst op 1 januari 2026 laten ingaan op basis van de begroting 2026.

 

Voor de duidelijkheid en de verandering dat het aantal stemmen niet meer in de regeling staat is het belangrijk een moment te bepalen wanneer de nieuwe stemmen worden vastgesteld. De stemverhouding wordt bij de vaststelling van de begroting vastgesteld voor het jaar daarop (zesde lid).

 

In het zevende lid van het artikel is een ondergrens opgenomen van benodigde stemmen, uitgebracht door minimaal 9 deelnemers, tenzij in de wet of de regeling hierover anders is opgenomen. Dit is in lijn met artikel 14 lid 3 Wgr en om te voorkomen dat een voorstel door te weinig deelnemers wordt gedragen.

 

Artikel 12

 

Het Algemeen Bestuur is het hoogste orgaan van het openbaar lichaam. In het Algemeen Bestuur zijn alle deelnemers vertegenwoordigd. Het is de verantwoordelijkheid van de deelnemers om te zorgen voor het aanwijzen van de leden van het Algemeen Bestuur volgens artikel 11 lid 2 en 3 en artikel 12 lid 1. Op grond van artikel 18 van de Wet, in verbinding met artikel 16, vijfde lid, van de Wet is in het tweede lid van artikel 12 opgenomen dat een deelnemer een lid dat hij in het Algemeen Bestuur heeft aangewezen, kan ontslaan indien dat lid het vertrouwen van de deelnemer niet langer bezit.

 

Artikel 13

 

Het eerste lid regelt in welke gevallen de voorzitter een vergadering van het Algemeen Bestuur uitschrijft. Het tweede lid bevat het quorum voor beraadslaging in en besluitvorming door het Algemeen Bestuur. Voor besluitvorming geldt de regeling in artikel 11, zevende lid: minimaal twee derde meerderheid en minimaal 9 leden van het Algemeen Bestuur zijn nodig om besluiten te kunnen nemen, tenzij de regeling of de wet anders bepaalt. Het kan voorkomen, bijvoorbeeld in vakantieperiodes, dat het quorum niet wordt gehaald terwijl een besluit van het Algemeen Bestuur geen uitstel duldt. Het derde lid voorziet daarin, door een nieuwe vergadering mogelijk te maken waarbij de quorumeis niet geldt, evenmin als de eisen van artikel 11, zevende lid, ten aanzien van besluitvorming. De situatie dat het quorum niet wordt gehaald zal zich alleen bij hoge uitzondering voordoen. Indien in de nieuwe vergadering onderwerpen aan de orde komen die niet waren geagendeerd voor de vergadering waarvoor het quorum niet werd gehaald, is besluitvorming daarover alleen mogelijk met inachtneming van de eisen van artikel 11, zevende lid, omtrent de benodigde stemmen.

 

Artikel 14

 

Dit artikel regelt de bevoegdheden van het Algemeen Bestuur.

 

In het tweede lid is opgenomen dat het Algemeen Bestuur het besluit kan nemen tot oprichting van of deelneming in een rechtspersoon met in achtneming van artikel 55a van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een dergelijk besluit mag alleen genomen worden ten behoeve van de belangen die de omgevingsdienst behartigt. De bevoegdheid ligt conform de wet bij het Algemeen Bestuur. In dat bestuur zijn in beginsel alle deelnemers vertegenwoordigd. Zij zijn dan ook allen betrokken bij de besluitvorming. Het besluit mag niet eerder worden genomen dan nadat de raden en staten in gelegenheid zijn gesteld om hun wensen en bedenkingen te uiten over het ontwerpbesluit.

 

Op basis van het derde lid dienen besluiten van het Algemeen Bestuur voor zienswijze aan de raden en staten te worden voorgelegd als het besluiten van groot financieel en politiek belang betreft (naast de wettelijke verplichte).

 

Met de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen van 1 juli 2022 is eveneens de verplichting geïntroduceerd om in de gemeenschappelijke regeling afspraken te maken over welke besluiten vooraf zienswijzen moeten worden gevraagd. Hiermee wordt bereikt dat raden en Staten hun opvatting kenbaar kunnen maken voordat het besluit is genomen. Artikel 14 lid 3 voorziet in deze zienswijzeprocedure voor raden en Staten. Voorafgaand aan het nemen van besluiten als bedoeld in het derde lid worden de raden en Staten van de deelnemers gedurende 8 weken in de gelegenheid gesteld om schriftelijk een zienswijze naar voren brengen. Als zienswijzen naar voren zijn gebracht, stelt het Dagelijks Bestuur voorafgaand aan het nemen van een besluit, de raden en Staten en, indien het een besluit van het Algemeen Bestuur betreft, het Algemeen Bestuur van het openbaar lichaam schriftelijk en gemotiveerd in kennis van het oordeel over de zienswijze, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt (volgende uit artikel 10 lid 6 Wgr).

 

Artikel 16

 

Het eerste lid voorziet in een spoedige aanwijzing van de andere leden van het Dagelijks Bestuur. Het Algemeen Bestuur kan daarbij met inachtneming van artikel 14, tweede lid, van de Wet leden van buiten de kring van het Algemeen Bestuur aanwijzen als lid van het Dagelijks Bestuur. Hierbij kan met name gedacht worden aan het aantrekken van bijzondere deskundigheid of aan betrokkenheid van rechtspersonen-niet-deelnemers. Bij de goedkeuring dient er nauwlettend op te worden toegezien, dat de omstandigheden inderdaad tot deze bestuurlijke constructie nopen.

 

Artikel 19

 

Op grond van de Wet is de voorzitter niet alleen voorzitter van het Algemeen Bestuur, maar ook van het Dagelijks Bestuur. Die beide voorzittersfuncties zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Besluiten over de voorzitter (bijvoorbeeld het benoemen van een nieuwe voorzitter) worden door het Algemeen Bestuur genomen. De plaatsvervangend voorzitter die op grond van het tweede lid wordt aangewezen, is plaatsvervangend ten aanzien van alle bevoegdheden, dus ook ten aanzien van het voorzitterschap van het Dagelijks Bestuur en de bevoegdheid tot vertegenwoordiging van het openbaar lichaam in en buiten rechte.

 

Artikel 22

 

In lid 4 wordt met gezamenlijkheid bedoeld dat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter één protocol opstellen en niet ieder een apart protocol.

 

Artikel 25

 

Om op bestuurlijk en ambtelijk niveau de samenwerking tussen de Gelderse omgevingsdiensten te waarborgen, is in de regeling (en alle andere gemeenschappelijke regelingen waarbij een omgevingsdienst in Gelderland is ingesteld) voorzien in een overleg tussen de voorzitters en een overleg tussen de directeuren. Beide gremia bepalen zelf wie dit voorzit.

 

Artikel 26

 

Binnen de wettelijke termijnen is ruimte om uniforme afspraken te maken die voor iedere partner hetzelfde zijn. Jaarlijks wordt een vergaderschema opgemaakt waarin rekening wordt gehouden met de wettelijke termijnen. Jaarlijks zullen dan ook met de partners afspraken gemaakt worden over de data van de zienswijzeprocedure en vaststelling.

 

In lid 5 wordt nadrukkelijk verwezen naar de Begrotingsrichtlijnen Regio Nijmegen (BRN-richtlijnen) die gelden voor het opstellen van de begroting zoals die bestaan in de regio Nijmegen. In de regeling is onderscheid gemaakt tussen het actualiseren en wijzigen van de begroting. Begripsomschrijvingen staan in artikel 1 lid 1 onder a en artikel 1 lid 1 onder p. Met het actualiseren van de begroting wordt het mogelijk om beperkte wijzigingen, die niet leiden tot een wijziging van de bedragen van de deelnemers of tot nieuw inzichten, binnen de begroting door het Algemeen Bestuur te laten vaststellen zonder de brede procedure van zienswijzen te volgen. Het actualiseren van de begroting gaat dus budgetneutraal, maar niet conform de posten zoals opgenomen in de begroting.

 

Artikel 28

 

In het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) wordt gesproken over weerstandsvermogen en weerstandsratio. Het Interbestuurlijk overleg (IBP) heeft met haar criteria de aansluiting hierop gezocht, en een criterium ‘weerstandscapaciteit ’ met een norm van 0,8 % als ondergrens gedefinieerd. Wij willen daarbij aansluiten. De weerstandscapaciteit houdt het volgende in: de middelen en mogelijkheden waarover de organisatie beschikt of kan beschikken om geïdentificeerde risico’s en/of niet begrote kosten te dekken. Er wordt vanuit het interbestuurlijk programma VTH aangegeven dat de weerstandscapaciteit (risico’s gedeeld door vermogen) minimaal 0,8 % dient te bedragen om te komen tot een robuuste omgevingsdienst. Dit zal in 2024 door de minister worden aangegeven. Wij vinden het belangrijk om daar aan te voldoen. Mocht de ODGM nog niet voldoen aan het criterium dan zal een plan van aanpak worden opgesteld met de deelnemers om daarnaartoe te werken.

 

Het uitgangspunt is dat de weerstandscapaciteit 0,8 % bedraagt. In dit artikel is beschreven welke keuzemogelijkheden het Algemeen Bestuur heeft wanneer de weerstandscapaciteit hoger is dan 0,8 %. Een combinatie van mogelijkheden is uiteraard ook toegestaan. Vervolgens wordt uitgewerkt welke mogelijkheden het Algemeen Bestuur heeft als er sprake is van een weerstandscapaciteit die lager is dan 0,8 %. Er is gekozen voor een verdeling naar rato van de stemverhouding en niet op basis van exploitatie, omdat de exploitatie in de tijd gezien te veel kan fluctueren. Stemverhouding geeft een meer stabiele situatie.

 

Artikel 29

 

De Archiefwet schrijft voor een regeling als bedoeld in de Wet een voorziening te treffen omtrent de zorg voor de archiefbescheiden van het openbaar lichaam.

 

Hieraan wordt invulling gegeven door opneming in de regeling van artikel 31. Het gaat hier om het archief rond algemene bedrijfsvoering. Voor de bedrijfsvoering van ODGM zijn eigen regelingen opgesteld. Door het Algemeen Bestuur is voor ODGM een Archiefverordening vastgesteld. Op grond daarvan door het Dagelijks Bestuur het Besluit informatiebeheer voor ODGM. Ook heeft het Algemeen Bestuur een archivaris en een archiefbewaarplaats aangewezen voor ODGM.

 

Artikelen 30 en 31

 

De wetswijziging noopt om in de regeling op te nemen wat de gevolgen zijn van uittreding.

 

Wettelijk is bepaald dat uittreden in principe niet kan (18.21 OW). Daarom is de uittreding kort gehouden met alleen het hoognodige erin. Essentie is dat in de GR het geregeld moet zijn door de deelnemers en niet door het AB. Daarom gekozen voor 'inventarisatie' door het AB.

 

Uittreding is een eenzijdig besluit en kan niet onder voorwaarde. Afspraken over de uittreding worden vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst.

 

Bij uittreden gaat het om terugnemen van de basistaken. Omdat de deelnemers wettelijk verplicht zijn die taken over te dragen aan een OD, zal dat niet snel voorkomen. Wel kan het bij een herindeling aan de orde zijn als een deelnemer hierdoor een andere OD toegewezen krijgt.

 

Voor uittreding geldt ten minste een opzeggingstermijn van anderhalf jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk met ingang van 1 januari van het eerstvolgende kalenderjaar na de genoemde opzeggingstermijn.

 

In het tweede lid van dit artikel is een opzegtermijn opgenomen. De opzegtermijn is minimaal anderhalf jaar. Stel een deelnemer wil op 1 januari 2028 uittreden, dan dient de deelnemer dus voor 1 juni 2026 op te zeggen. Eerder mag natuurlijk ook. Stel de deelnemer in dit voorbeeld zegt op 5 juni 2026 op, dan kan deze deelnemer op 1 januari 2029 uittreden.

 

De financiële gevolgen voor een OD kunnen ook groot zijn als een deelnemer taken (niet zijnde basistaken) terugneemt. Ook dan geldt eenzelfde procedure. Die wordt echter opgenomen in de overeenkomst tussen de deelnemer en de OD.

 

Voor het toe- en uittreden geldt de zienswijzeprocedure van artikel 51 van de wet gemeenschappelijke regelingen.

 

Artikel 32

 

Het wijzigen van de regeling is de bevoegdheid van de deelnemers en het Algemeen Bestuur OD ODGM.

 

Gaat het om opheffing van de regeling, dan zijn het vooral de personele en financiële gevolgen die geregeld moeten worden. Dat geschiedt op grond van het vierde lid in een liquidatieplan. Afhankelijk van de specifieke situatie kan dat plan bepalingen inhouden over het overnemen van personeel door deelnemers.

 

Artikel 33

 

De behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht kent twee fasen: de interne fase en de externe fase. Artikel 34 houdt de verplichting in om voor de interne fase een verordening vast te stellen, waartoe het Algemeen Bestuur bevoegd is. Voor de tweede fase geldt dat de Nationale ombudsman bevoegd is, tenzij een andere klachtadviesinstantie wordt aangewezen.

 

Artikel 34

 

Alvorens over te gaan tot het evalueren van het algemeen functioneren en de werkwijze van ODGM kan dit voor zienswijze aan de raden en staten worden voorgelegd.

 

Artikel 36

 

Iedere deelnemer maakt het eigen vaststellingsbesluit van de wijziging, verlenging of opheffing van de regeling bekend. De Provincie publiceert de geconsolideerde tekst van de wijziging verlenging of opheffing van de gemeenschappelijke regeling.

Naar boven