1e wijziging Omgevingsvisie provincie Utrecht

Besluit van Gedeputeerde Staten van 16 december 2025 tot vaststelling van Ontwerp wijziging Omgevingsvisie provincie Utrecht

Gelet op:

Artikel 3.1 Omgevingswet;

Besluiten:

Artikel I

De Ontwerp wijziging Omgevingsvisie provincie Utrecht vast te stellen,

zoals is aangegeven in Bijlage A.

Artikel II

De Ontwerp wijziging Omgevingsvisie provincie Utrecht ter inzage te leggen.

Aldus besloten op 16 december 2025

Voorzitter,

Secretaris,

Bijlage A

Omgevingsvisie provincie Utrecht

Voorwoord

Een nieuwe woonwijk, natuurverbinding, vervoersknooppunt of hoogspanningsstation – een omgevingsvisie moet tastbaar worden en richting geven aan het snelgroeiend aantal inwoners in onze provincie. Ook zij willen hier straks prettig en gezond wonen, werken en recreëren.    



En dat er meer mensen naar onze centraal gelegen provincie komen is niet vreemd. Ons groene landschap is veelzijdig, onze cultuurhistorie groot en onze steden zijn aantrekkelijk en innovatief. Maar voor het behoud en versterking van deze eigenschappen, moeten we nú de grote uitdagingen aanpakken. En de urgentie is hoog. Want waar onze natuur herstel nodig heeft, hebben onze inwoners huizen nodig. En ook hoe we straks boeren, energie opwekken of ons wapenen tegen klimaatextremen: het vereist aanpassingsvermogen, schaarse ruimte én het maken van lastige keuzes.  



In de Omgevingsvisie maken we deze keuzes. Toekomstgerichte keuzes, gemaakt omdat we onze bestuurlijke verantwoordelijk nemen en ons geen stilstand kunnen veroorloven. Keuzes gemaakt in nauwe samenwerking met partners, die we hard nodig hebben bij de uitvoering ervan. Ik ben dan ook dankbaar voor het meedenken en -werken van overheden, ondernemers, inwoners, instellingen en organisaties én jongeren zoals bij Jong Utrecht aan Zet. Door verschillende belangen een stem te geven, hebben zij ervoor gezorgd dat deze Omgevingsvisie is verbeterd en zich heeft ontwikkeld in lijn met veranderende prioriteiten, nieuwe inzichten en actuele ontwikkelingen.  



Zo zijn natuurherstel, woningbouw en de aanpak van netcongestie nú broodnodig. En omdat juist ons buitengebied hierbij een sleutelrol speelt, bundelen we onze aanpak daarvoor in het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG). Maar ruimte voor ontwikkeling maken we ook in onze bruisende steden en dorpen. Door te kiezen voor groen in en om de stad, voorzieningen op fiets- of loopafstand en het ondersteunen van vernieuwende ondernemers en jong talent. Zo zetten we onze regio wereldwijd op de kaart als dé regio voor ‘life sciences, health and sustainability’.  



Door onze natuur te herstellen en onze landbouw te verduurzamen, creëren we een robuust watersysteem dat bodemdaling, wateroverlast en droogte het hoofd biedt. En door ons energienetwerk uit te breiden, faciliteren we woningbouw, innovatieve bedrijvigheid en schone mobiliteit en leveren we onze bijdrage aan de klimaataanpak.  



Meer nog dan voorheen kiezen we met deze Omgevingsvisie voor diversiteit als kracht. Elk gebied in Utrecht heeft iets eigens te bieden, en juist die verscheidenheid helpt ons om uitdagingen op te pakken en kansen te benutten. Zo zijn onze steden het meest geschikt voor grootschalige woningbouw en nieuwe OV-knooppunten, terwijl we in het Groene Hart en Eemland juist goed bodemdaling kunnen remmen. En waar we in het Kromme Rijngebied de vruchtbare landbouwgronden koesteren, gaan we op zowel de Utrechtse Heuvelrug als in de Gelderse Vallei aan de slag met natuurherstel en recreatieontwikkeling.  



We maken met deze vernieuwde Omgevingsvisie dus werk van maatwerk, door slim te combineren en concentreren. Want het is uiteindelijk op lokaal niveau dat je energie opwekt en huizen bouwt. Waar je water opslaat en natuurgebieden verbindt. Op lokaal niveau werken en leven we in Utrecht samen. In de meest bruisende, groene en aantrekkelijkste regio van Europa. Ook in de toekomst.  



Huib van Essen   

Gedeputeerde Ruimtelijke Ontwikkeling, Coördinatie Omgevingsbeleid, Energietransitie, Milieu en Bestuur 

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 1. College van Gedeputeerde Staten provincie Utrecht (bron: provincie Utrecht, 2023)

Samenvatting

De eerste Omgevingsvisie provincie Utrecht verscheen op 1 april 2021. Destijds schreven we in de inleiding dat het woord omgevingsvisie abstract klinkt, maar eigenlijk concreet is: Het gaat over een heel eenvoudige vraag: hoe willen we dat onze provincie er in 2050 uitziet? Vier jaar later hebben we ons antwoord op die vraag geactualiseerd.



In deze gewijzigde Omgevingsvisie staat hoe de provincie Utrecht tussen nu en 2050 ruimte maakt in de leefomgeving voor verschillende functies: water, bodem, klimaat, natuur, landbouw, energie, circulariteit, bereikbaarheid, wonen, werken, recreatie, gezondheid, erfgoed en cultuur.



Niet alles kan tegelijkertijd en niet alles kan overal. Daarom hanteren we bij onze keuzes concentreren, combineren en prioriteren als centrale uitgangspunten. We gaan zorgvuldig om met de schaarse ruimte en waar mogelijk landen meerdere functies op één plek. We kiezen per gebied voor integrale oplossingen die op de toekomst van mens, omgeving en welvaart gericht zijn. Ook houden we rekening met wat er lokaal speelt. Daarbij behouden en versterken we de bestaande Utrechtse ‘kwaliteiten’. Dat zijn elementen die van grote waarde zijn voor onze provincie, zoals de natuurwaarden op de Utrechtse Heuvelrug en in onze Natura-2000 gebieden, het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en de bel met zuiver zoetwater onder de Utrechtse Heuvelrug. 



Voor nu én later

Onze veelzijdige landschappen en natuurgebieden, ons prachtige cultuurhistorische erfgoed en onze leefbare steden en dorpen maken onze provincie aantrekkelijk om in te wonen, te werken, te ontmoeten en te ontspannen. Dat willen we zo houden en versterken: Utrecht moet ook in 2050 een gezonde, veilige en toekomstbestendige provincie zijn. Daarvoor is het nodig dat we een aantal uitdagingen nú aangaan. Deze opgaven worden beschreven per thema en per gebied.



Samenwerking

We gaan in samenwerking met andere partijen aan de slag met deze opgaven. Daarbij bieden we ruimte voor ontwikkelingen die passen bij de Utrechtse kwaliteiten, vanuit de gedachte ‘lokaal wat kan, provinciaal wat moet’. Deze gewijzigde Omgevingsvisie is dan ook tot stand gekomen in overleg met gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties, ondernemers en inwoners. Zij zijn in een vroeg stadium betrokken. Net als bij de eerste Omgevingsvisie zijn we ook specifiek met jongeren in gesprek gegaan.



Zeven thema’s

We onderscheiden zeven beleidsthema’s:

  • Klimaatbestendig en waterrobuust - In 2050 is en blijft de provincie klimaatbestendig en waterveilig door het bodem- en watersysteem te versterken en de (gebouwde) omgeving klimaatrobuust in te richten (dat noemen we “water en bodem sturend”). Het toenemende zoetwatertekort als gevolg van klimaatverandering hebben we kunnen beperken. Ook is het grond- en oppervlaktewater van goede kwaliteit en zijn er voldoende schone bronnen voor drinkwater.

  • Toekomstbestendige natuur en landbouw - Natuur en biodiversiteit in het landelijk gebied en in de stad zijn hersteld door condities te verbeteren, de gebieden te verbinden en de gebieden te vergroten. De agrarische sector schakelt over naar rendabele kringlooplandbouw en is in 2050 rendabel en ‘natuurinclusief’. Als provincie ondersteunen we deze transitie naar een duurzame landbouw.

  • Duurzame energie en circulaire samenleving - In 2040 is de energievoorziening klimaatneutraal en in 2050 wekken we voldoende duurzame energie op om in elk geval te kunnen voorzien in de behoefte van de gebouwde omgeving. Netcongestie is opgelost door het versterken en uitbreiden van de energie-infrastructuur, het stimuleren van netbewust bouwen en duurzame opwek van energie. Het energiesysteem is in alle facetten op orde en toekomstbestendig en we zijn in 2050 een circulaire samenleving. 

  • Goede bereikbaarheid - In 2050 is er een samenhangend netwerk van fiets-, ov- en wegverbindingen. Steeds meer inwoners lopen en fietsen, gebruiken het ov of kiezen voor een deelauto. Samen met de nabijheid van functies zorgt dit voor een duurzame, gezonde en veilige bereikbaarheid in de hele provincie, ondanks de toegenomen drukte door groei. 

  • Vitale steden en dorpen - We kunnen alle inwoners voldoende, betaalbare, passende en toekomstbestendige woonruimte bieden, in een leefomgeving waarin het fijn wonen en leven is. Ook zorgen we voor voldoende toekomstbestendige werklocaties. De woon- en werklocaties zijn goed bereikbaar, hebben voldoende (recreatief) groen in de omgeving en zijn circulair en klimaatbestendig.

  • Gezonde omgeving en vrije tijd - In 2050 is de kwaliteit van de leefomgeving gezond en veilig. Daarvoor willen we de milieukwaliteit verbeteren en de blootstelling aan een minder goede milieukwaliteit beperken. We zorgen ook voor een aantrekkelijke omgeving. We behouden en versterken goede en aantrekkelijke recreatieve voorzieningen, leggen nieuwe groene recreatiegebieden aan en zorgen dat de omgeving uitnodigt tot bewegen.

  • Levend landschap, erfgoed en cultuur - Ons landschap is ook over vijfentwintig jaar aantrekkelijk en gevarieerd. We koesteren, beschermen en benutten ons erfgoed en de cultuurhistorische waarden. We dragen bij aan een sterke en toegankelijke cultuursector en laten cultuur meegroeien met de bevolkingsgroei. 

Zes gebieden

‘Gebiedsgericht samenwerken’ (met partijen kijken wat in een gebied nodig is en actie ondernemen) en oog voor lokaal maatwerk zijn belangrijk. De uitvoering van ons omgevingsbeleid vindt in verschillende samenwerkingsverbanden plaats binnen zes gebieden in de provincie. Meer nog dan voorheen kiezen we voor diversiteit als kracht. Elk gebied in Utrecht heeft andere kenmerken, kwaliteiten en opgaven. Juist die verscheidenheid helpt om gezamenlijk ambities gebiedsgericht te realiseren, kansen te benutten en met spanningen om te gaan. In deze Omgevingsvisie geven we per gebied aan wat de samenhangende opgaven zijn die we met voorrang willen oppakken, zoals:

  • Stedelijk netwerk Utrecht: realiseren van woningen, werkplekken en voorzieningen; zorgen voor bereikbaarheid, elektriciteit en drinkwater; en mee laten groeien van groen en water.

  • Groene Hart: afremmen van bodemdaling in combinatie met stimuleren van rendabele kringlooplandbouw; versterken van natuur- en weidevogelleefgebieden; en bieden van ruimte voor een duurzaam energiesysteem. 

  • Kromme Rijngebied en Schalkwijk: koesteren van vruchtbare en goede landbouwgronden; versterken van recreatieve verbindingen; en benutten van mogelijkheden voor stedelijke ontwikkeling.

  • Utrechtse Heuvelrug: beperken van droogte en wateroverlast; versterken van natuur, landschap en cultuurhistorisch erfgoed; en vergroten van recreatiemogelijkheden.

  • Eemland: versterken van weidevogelleefgebieden in combinatie met agrarisch natuurbeheer; versterken van recreatieve verbindingen; en zorgvuldig ruimtelijk inpassen van energie-infrastructuur en stedelijke ontwikkeling. 

  • Gelderse Vallei: herstellen van beekdalen; verbeteren van natuur en bevorderen van een gezonde leefomgeving in combinatie met extensiveren en verduurzamen van (niet) grondgebonden veehouderij; en realiseren van woningen, werkplekken en voorzieningen.

Hoofdstuk 1. Inleiding

Paragraaf 1.1 Introductie

De toekomst laat zich niet exact voorspellen. Eén ding is echter zeker: Utrecht ziet er in 2050 anders uit dan nu. De komende 30 jaar pakken we omvangrijke, complexe en urgente opgaven aan. Er is veel ruimte nodig voor duurzame ontwikkeling van diverse functies, zoals wonen, werken, mobiliteit, energie, recreatie, natuur en landbouw. Tegelijkertijd is het onze ambitie om de bestaande Utrechtse kwaliteiten verder te versterken. Het is belangrijk om nu al na te denken over de juiste balans tussen de verschillende opgaven en Utrechtse kwaliteiten en keuzes te maken die daarvoor nodig zijn. Wij hebben hiervoor deze Omgevingsvisie vastgesteld. 



De fysieke leefomgeving is de omgeving waarin we leven, wonen, werken en recreëren. Die zal in de provincie Utrecht in de periode tot 2050 behoorlijk veranderen. Qua inrichting van de leefomgeving is er veel ruimte nodig voor het beperken van de gevolgen van klimaatverandering en het aanpakken van de oorzaken daarvan. Het herstellen en versterken van de natuur vraagt ook ruimte, evenals de overstap op duurzame energiebronnen, de bouw van voldoende en betaalbare woningen en de aanleg van toekomstbestendige werklocaties. De provincie Utrecht is relatief klein. Binnen die beperkte oppervlakte spelen soms tegengestelde belangen. Dat vraagt om zorgvuldige, afgewogen keuzes met zoveel mogelijk behoud en verdere versterking van de Utrechtse kwaliteiten. ‘Kwaliteiten’ zijn elementen die de kwaliteit van de leefomgeving in de provincie vergroten en die we koesteren. Bijvoorbeeld de grondwaterbel met zuiver zoetwater onder de Utrechtse Heuvelrug, die wordt gebruikt voor de natuur, de landbouw en de drinkwatervoorziening. Of de aanwezigheid van het gezondheidscluster in de Metropoolregio Utrecht met toonaangevende kenniscentra, innovatielocaties en bedrijven binnen het (inter)nationale gezondheidsecosysteem.



We leggen in deze Omgevingsvisie de integrale langetermijnambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving vast. Dat betekent dat we steeds zoeken naar samenhang als we plannen maken voor alle onderwerpen die spelen (bodem, water, klimaat, natuur, landbouw, energie, circulariteit, bereikbaarheid, wonen, economie, milieu, recreatie, landschap, cultuur en erfgoed). In deze Omgevingsvisie staat welke afwegingen we maken en tot welke keuzes en prioriteiten we zijn gekomen. Het vastleggen van ambities en doelen moet bijdragen aan een aantrekkelijke provincie en het behoud van een gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving. Daar horen ook sociale aspecten bij, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. Onze werkwijze is gebiedsspecifiek. Dat betekent dat maatregelen zijn afgestemd op de geografische, ecologische en maatschappelijke omstandigheden binnen de provincie.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 2. Luchtfoto binnenstad Utrecht (bron: Utrecht Beeldbank, foto Joram Letwory)

Samenwerking

De provincie werkt samen met andere overheden en met de samenleving als geheel; dat is een voorwaarde om de opgaven succesvol aan te kunnen gaan (zie kaart 1: Provincie Utrecht 2025). We nemen deel aan diverse trajecten waarin bestuurlijke afspraken tot stand komen. Binnen de provincie Utrecht doen we dat samen met gemeenten, waterschappen en andere partijen, en buiten de provincie met het Rijk en andere provincies. Bijvoorbeeld in het Ruimtelijk Arrangement, in vier NOVEX-gebieden (Groene Hart, Utrecht-Amersfoort, Arnhem-Nijmegen-Foodvalley en de Schipholregio), in drie bestuurlijke regio’s op thema’s als ruimte, wonen, energie en economie (regio’s U10, Amersfoort en Foodvalley), in het programma U Ned, Deltaregio Centraal Holland, het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug en vele andere samenwerkingen.

Vertrouwen en verantwoordelijk

De Omgevingsvisie is een instrument uit de Omgevingswet; de inhoud hangt samen met wat in de Omgevingsverordening en de beleidsprogramma’s staat. De Omgevingsvisie is zelfbindend, wat betekent dat ze alleen voor de provincie Utrecht verplichtingen schept. Bij het opstellen van de Omgevingsvisie wordt wel rekening gehouden met het beleid van andere overheden (het Rijk, onze buurprovincies, de gemeenten en waterschappen) en met het feit dat andere overheden waar mogelijk de Omgevingsvisie wel meenemen in hun visievorming en beleid. De Omgevingsvisie werkt dus niet rechtstreeks door in de omgevingsvisies van gemeenten en waterschappen. Voor de regels en normen in de Omgevingsverordening ligt dat anders; daar zijn andere overheden, maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen, bedrijven en inwoners wél aan gebonden.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 1. Provincie Utrecht 2025 (bron: BVR adviseurs Ruimtelijke Ontwikkeling)

Paragraaf 1.2 Leeswijzer Omgevingsvisie

In Hoofdstuk 2. Visie gaan we in op de Utrechtse kwaliteiten, de positionering binnen Nederland en Europa en het toekomstperspectief voor 2050, met een doorkijk naar 2100. Hoofdstuk 3. Basis bevat onze sturingsfilosofie, de provinciale belangen en de uitgangspunten voor het beleid. In Hoofdstuk 4. Beleid wordt via leidende principes een toelichting gegeven op de kern van het omgevingsbeleid: het bijdragen aan een gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving. Verderop in dat hoofdstuk zijn opgaven, ambities en beleidskeuzes uitgewerkt voor zeven beleidsthema’s.

In Hoofdstuk 5. Gebieden brengen we de Utrechtse kwaliteiten, opgaven en ambities ‘gebiedsgericht’ samen. Dat betekent dat we de specifieke omstandigheden in een gebied uitdrukkelijk meenemen. Ook geven we aan wat dat betekent voor prioriteiten en keuzes in dat gebied. De gebieden zijn Groene Hart, Kromme Rijngebied en Schalkwijk, Utrechtse Heuvelrug, Eemland en Gelderse Vallei. En de deels overlappende samenhangende ruimtelijke structuur van het Stedelijk Netwerk Utrecht.

In Hoofdstuk 6. Uitvoering geven we aan hoe we uitvoering willen geven aan deze Omgevingsvisie; dat gebeurt via programma’s, samenwerkingen, door middel van regionaal programmeren, door participatie, vanuit de Omgevingsverordening en met andere instrumenten. De daadwerkelijke uitvoering vindt plaats in de deelgebieden, in nauwe samenwerking met de gebiedspartners. Hoofdstuk 7 Participatie en onderzoek bevat een verantwoording over hoe participatie, de milieueffectrapportage en ontwerpend onderzoek gebruikt zijn bij het opstellen van de Omgevingsvisie.

De Omgevingsvisie bevat meerdere kaarten. In Hoofdstuk 2. Visie geven ze informatie over de Utrechtse kwaliteiten, de positionering van Utrecht in Midden-Nederland en de hoofdlijnen van de provinciale visie op de ontwikkeling tot 2050. In Hoofdstuk 4. Beleid staan opgavenkaarten en beleidskaarten. De opgavenkaarten brengen de belangrijkste ruimtelijke opgaven per thema indicatief in beeld. Op de beleidskaarten is een meer gedetailleerde uitwerking van het beleid zoveel mogelijk precies op de kaart weergegeven. Per thema zijn in hoofdstuk 4 ook collages opgenomen die een impressie geven van de beoogde ontwikkelingen. In hoofdstuk 5 staan illustraties van kwaliteiten en prioriteiten per gebied.

Door de gehele Omgevingsvisie heen zijn ter inspiratie illustratieve tekstboxen opgenomen. In de bijlagen zijn overzichten met achtergrondinformatie opgenomen. Bijlage I Overzicht informatieobjecten bevat de locatiegegevens behorende bij de beleidskaarten. Bijlage II Overzicht kaarten, tegels en collages bevat een overzicht van de kaarten en verbeeldingen in de Omgevingsvise. Bijlage III Verklarende woordenlijst bevat een Verklarende woordenlijst en in Bijlage IV Gebiedsontwikkeling Rijnenburg de uitgangspunten voor de gebiedsontwikkeling van Rijnenburg.



afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 3. Verbeelding leeswijzer (bron: provincie Utrecht)

Hoofdstuk 2. Visie

We willen dat de provincie Utrecht ook richting 2050 het duurzame, groene, gezonde en ondernemende middelpunt van Nederland blijft. Hierbij staan we voor flinke uitdagingen. Ons grondgebied is te klein om alle 'ruimtevragers’ los van elkaar een plek te bieden. Onze grootste opgave is dan ook om verschillende functies op één locatie te combineren, met behoud van de bestaande kwaliteiten. Maar niet alles kan altijd en overal. Daarom maken we keuzes en stellen we prioriteiten. Een goede, integrale afweging van belangen draagt bij aan de gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving die we willen behouden.



Onze uitdagingen zijn fors: omgaan met de gevolgen van klimaatverandering, verbetering van de waterkwaliteit, herstel van natuur en biodiversiteit, omschakeling naar een rendabele, natuurinclusieve kringlooplandbouw, overgaan naar een duurzame energievoorziening, zorg voor goede bereikbaarheid, voldoende toekomstbestendige werklocaties, voldoende betaalbare en passende woningen, meer en beter kwalitatief (recreatief) groen en een gezonde leefomgeving. Deze uitdagingen worden er niet minder op als het aantal inwoners blijft groeien, zowel in Utrecht als in heel Nederland.



In dit hoofdstuk brengen we op hoofdlijnen de kwaliteiten van de provincie in beeld en positioneren we onze provincie binnen Nederland en Europa (Paragraaf 2.1 Utrechtse kwaliteiten en positionering). Vervolgens schetsen we in Paragraaf 2.2 Toekomstperspectief: provincie Utrecht in 2050 hoe in onze visie Utrecht eruit zal zien in 2050.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 4. Leidsche Rijn Centrum, Utrecht (bron: Provincie Utrecht, foto Willem Mes

Paragraaf 2.1 Utrechtse kwaliteiten en positionering

Als je vanuit de lucht naar de provincie Utrecht kijkt, valt de grote variatie aan ruimtelijke functies op. Deze functies zorgen samen met andere kwaliteiten voor een breed palet aan Utrechtse kwaliteiten. Door de eeuwen heen is er een divers en veelkleurig landschap ontstaan. Rivieren, natuurgebieden, landbouwgronden, energievoorzieningen, wegen en paden, steden, dorpen en recreatieterreinen wisselen elkaar af. Minder zichtbaar, maar net zo goed van belang is de (diepe) ondergrond en de lucht. Deze bevatten een groot aantal ruimtelijke functies, bijvoorbeeld grondwaterwinning voor drinkwater en warmte-koudeopslag. Maar ook aardwarmte voor de energievoorziening, archeologisch erfgoed en vliegroutes. Het ruimtegebruik is telkens aangepast aan en meegegroeid met de wensen van die tijd. Met respect voor de bestaande Utrechtse kwaliteiten moeten we ook de komende tijd weer een antwoord vinden op omvangrijke, complexe en urgente opgaven (zie kaart 2: Utrechtse kwaliteiten).



De provincie Utrecht is uniek door de centrale ligging, de mix van diverse economische sectoren, de hoogwaardige onderwijs- en kennisinstellingen, de cruciale verkeersknooppunten, historische steden en dorpen, de gevarieerde landschappen en natuurgebieden en alle cultuurhistorische erfgoederen die zich op korte afstand van elkaar bevinden (zie kaart 3: Positionering provincie Utrecht).

afbeelding binnen de regeling

Kaart 2. Satellietbeeld van de provincie Utrecht met de Utrechtse kwaliteiten van bovenaf (bewerkt door BVR Adviseurs Ruimtelijke Ontwikkeling)

Positionering van Utrecht in de grote Nederlandse landschappen

Het Utrechtse watersysteem maakt onderdeel uit van het Nederlandse Deltalandschap. Het is gevarieerd en bepalend voor het karakter van de Utrechtse landschappen: de polders en sloten in de lage delen, de beken op de hogere zandgronden en de kanalen en rivieren die door de provincie lopen. Ons watersysteem heeft een belangrijke functie in de nationale wateraanvoer en -afvoer en de waterveiligheid. Zo maakt de Klimaatbestendige Wateraanvoer (een systeem dat bestaat uit gemalen, watergangen en stuwen) het mogelijk om bij droogte extra zoetwater vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal en de Lek naar West-Nederland aan te voeren. Het vele regenwater dat op de Utrechtse Heuvelrug doordringt tot diep in de bodem en ondergrond, is een belangrijke bron voor de drinkwaterwinning, de (levensmiddelen)industrie en de natuur- en landbouwgebieden. De Lekdijk en de Grebbedijk beschermen een groot deel van Midden- en West-Nederland tegen overstromingen.

Onze provincie ligt op de overgang van hoog naar laag, van droog naar nat en van zand naar klei en veen. In het westen is er het cultuurhistorisch landschap van het Groene Hart, in het midden en oosten het natuurlijke systeem van de hogere zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug en de Gelderse Vallei. Je hebt het Kromme Rijngebied, Schalkwijk en Eemland. Aan de noordkant grenzen we aan het IJsselmeergebied, een spil in de Nederlandse waterhuishouding. De uiterwaarden en de dijken langs de Nederrijn en Lek aan de zuidkant zijn onderdeel van een uniek rivierenlandschap (Deltalandschap Rivierengebied). Verder lopen door Utrecht vier grote voormalige waterlinies. Allereerst het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, bestaande uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. En de Oude Hollandse Waterlinie en de Grebbelinie. Ook het archeologisch erfgoed van de Neder-Germaanse Limes is UNESCO Werelderfgoed.

De provincie Utrecht heeft een netwerk van robuuste natuur dat zowel binnen Europa als Nederland een cruciale schakel is doordat het verbindingen mogelijk maakt tussen grote natuurgebieden. In het netwerk liggen vier verschillende grote systemen: het Rivierengebied, het Veenweidegebied, de Eemvallei en de Utrechtse Heuvelrug. Dit netwerk maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland met daarin verschillende Natura 2000-gebieden. Het vormt de overgang van bossen en heidevelden naar polders en waterrijke omgevingen. Daarnaast is er de landbouw, die zorgt voor voedsel. Boeren zijn een belangrijke beheerder van ons landschap. De landbouw in onze provincie bestaat voornamelijk uit melkveehouderijen en fruitteelt. Agrarische gebieden in het Groene Hart en Eemland zijn ook belangrijke plekken voor weidevogels en overwinterende ganzen.

Positionering van Utrecht in het Stedelijk netwerk Nederland

De provincie Utrecht wordt omgeven door andere provincies met eigen landschappen, steden, economische toplocaties en kenniscentra. Utrecht is een gewilde provincie om te wonen, te werken en te leven. De grotere steden Utrecht, Amersfoort en Veenendaal en steden als Nieuwegein, Zeist, Woerden en Houten zijn populaire vestigingsplaatsen voor zowel inwoners als bedrijven en groeien snel. Het stedelijk netwerk kent verschillende toplocaties en zorgt voor een samenhangende ontwikkeling van woningbouw, werklocaties en voorzieningen. Behalve de aantrekkingskracht van de steden is Utrecht ook gewild door haar kleinschaligheid. Landelijk gelegen dorpskernen bieden een aantrekkelijke, vriendelijke leefomgeving.



Utrecht is door de Europese Commissie beoordeeld als één van de meest competitieve regio’s van Europa. In en rond onze provincie liggen economische clusters van kenniscentra, innovatielocaties en bedrijven die nationaal en internationaal samenwerken. Het gaat daarbij om de economische clusters Life Sciences & Health, Earth Valley, New Digital Society en Agrifood. Die kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van innovatie op het gebied van zorg, gezondheid, verduurzaming, digitalisering, geowetenschappen, klimaat, gezonde voeding en de circulaire economie. Het Utrecht Science Park en de satellieten in Bilthoven en Zeist hebben zich ontwikkeld tot het hart van life sciences, health and sustainability in Nederland, een economie met internationale aantrekkingskracht. De provincie Utrecht heeft per saldo de schoonste economie van Nederland, vanwege het dienstverlenende karakter met relatief weinig vervuilende bedrijven. Dat betekent echter ook dat er een grote nationale en internationale afhankelijkheid is en dat onze economie weinig zelfvoorzienend is. Behalve de kennis- en dienstensector zijn ook het midden- en kleinbedrijf en de maakindustrie belangrijk. Zij zorgen voor werkgelegenheid en innovatieve kracht, vormen het fundament van onze economie en dragen bij aan een veerkrachtige arbeidsmarkt. Er zijn goede verbindingen: Schiphol is vlakbij, er zijn directe ov-verbindingen naar Frankfurt en Berlijn en er is infrastructuur beschikbaar voor auto’s, vrachtwagens, treinen en binnenvaartschepen. De provinciale weg- en ov-verbindingen zijn onderdeel van een netwerk van rijkswegen en gemeentelijke wegen en het nationale spoornetwerk. Mede dankzij de centrale ligging en de goede bereikbaarheid is provincie Utrecht dé ontmoetingsplek bij uitstek. Zo’n acht miljoen mensen zijn in staat om binnen 45 ov-minuten de best bereikbare plek van Nederland te bereiken: Utrecht Centraal.



De centrale ligging en de aanwezigheid van de doorgaande ‘goederenvervoercorridors’ voor vrachtauto, trein en binnenvaartschip maken de provincie Utrecht ook aantrekkelijk voor circulaire ketens. Dit biedt mogelijkheden voor de opslag, verwerking en distributie van hergebruikte grondstoffen en reparatiefaciliteiten. De grootste industriële clusters en havengebieden liggen echter buiten de provincie, waardoor de uitstoot van broeikasgassen en milieuhinder vanuit deze sectoren relatief beperkt is. Bij Breukelen-Kortrijk is onze provincie aangesloten op het landelijke 380 kV-hoogspanningsnetwerk.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 3: Positionering provincie Utrecht

Paragraaf 2.2 Toekomstperspectief: provincie Utrecht in 2050

In 2050 is Utrecht een gezonde, veilige en toekomstbestendige provincie die:

  • klimaatbestendig en waterrobuust is, waardoor de gevolgen van klimaatverandering (extreme droogte, wateroverlast en hittestress) beperkt worden en we klimaatneutraal worden;

  • toekomstbestendige natuur en landbouw heeft;

  • duurzame energie aanbiedt en gebruikt, en een circulaire samenleving is;

  • goed bereikbaar is;

  • vitale steden en dorpen heeft;

  • een gezonde omgeving biedt die uitnodigt tot bewegen;

  • een aantrekkelijk en gevarieerd landschap kent en haar erfgoed koestert, beschermt en benut.

Zie voor een visuele weergave kaart 4: toekomstperspectief provincie Utrecht 2050.



Keuzes maken en prioriteiten stellen doen we op drie manieren: door te faseren (niet alles tegelijk doen), door voorwaarden te stellen aan de uitvoering of simpelweg door zaken niet te doen. Want niet alles kan altijd en overal. We zoeken altijd naar meervoudig ruimtegebruik. Als functies met elkaar in strijd zijn gaat de voorkeur uit naar activiteiten en ontwikkelingen die bijdragen aan de brede welvaart. Naast materiële welvaart gaat het daarbij ook om zaken als gezondheid, onderwijs, milieu en leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en (on)veiligheid. Bovendien betreft het niet alleen de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’, maar ook de effecten van onze manier van leven op het welzijn van mensen ‘elders’ (buiten de provincie) en ‘later’ (toekomstige generaties). Een effectieve en daadkrachtige klimaataanpak heeft daarom hoge prioriteit.

Watersysteem en ondergrond

Het bodem- en watersysteem is in 2050 de basis van het landschap en van alle functies. Het belang van water en de bodem wordt nadrukkelijk meegenomen bij de inrichting van de fysieke leefomgeving (‘water en bodem sturend’) en het grondwater en het oppervlaktewater (rivieren, meren, sloten, et cetera) moeten van goede kwaliteit blijven. De provincie is zoveel mogelijk klimaatbestendig én waterveilig ingericht. Bij te veel water door langdurige en/of hevige neerslag kunnen we bijvoorbeeld terugvallen op grootschalige waterbergingslocaties, met name in het Groene Hart. Waterbergingen zijn mooie toevoegingen aan het landschap en zijn goed te combineren met andere functies, zoals een natuurinclusieve kringlooplandbouw en de opwekking van duurzame energie. Tegelijkertijd kunnen ze ook voor een beperking van functies zorgen.

Op de Utrechtse Heuvelrug infiltreert het regenwater, waarna het in de bodem wordt vastgehouden. Er zijn voldoende schone bronnen voor drinkwater aanwezig. Door het vasthouden van kwel is het gebied rondom de Langbroekerwetering natter en is de daarbij passende natuur verder ontwikkeld. Door een mix aan maatregelen, zoals het verhogen van grondwaterstanden en slootpeilen en meer plas-drasgebieden (percelen die tijdelijk onder water staan) is bodemdaling in de veenweidegebieden van het Groene Hart en Eemland afgeremd en is de uitstoot van broeikasgassen sterk verminderd. Behalve de natuur is nu ook de landbouw in deze gebieden erop toegerust om met een nattere grond om te gaan. De landbouwsector is bij deze transitie goed begeleid.

Elk gebied heeft een duurzaam, klimaatbestendig toekomstperspectief met functies die daarbij passen. Onze dijken zijn toekomstbestendig gemaakt en we zijn continu bezig om dit zo te houden. Doordat we met het Rijk, waterschappen, gemeenten en gebruikers scherpere keuzes hebben gemaakt over de zoetwaterverdeling en het verminderen van de zoetwatervraag, hebben we het toenemende zoetwatertekort als gevolg van klimaatverandering kunnen beperken. Dat neemt niet weg dat het verminderde aanbod van zoetwater invloed heeft gehad op enkele functies in het gebied. Als we vooruitkijken naar 2100 zien we dat tekorten aan zoetwater zullen blijven en een beperking kunnen zijn voor economische en woningbouwontwikkelingen. Ook heeft een tekort aan zoetwater effect op de landbouw en op natuurontwikkeling.

Netwerk

In 2050 zijn we nog steeds overal nabij. Woon- en werklocaties en sociaal-recreatieve voorzieningen zijn op korte afstand van elkaar en op een duurzame, gezonde en veilige manier bereikbaar. Zo dragen ze bij aan een gunstig vestigingsklimaat. Er zijn goede wandel-, fiets-, ov-, weg- en vaarverbindingen. Steeds meer inwoners lopen en fietsen, gebruiken het openbaar vervoer of kiezen voor een deelauto. Verschillende manieren van vervoer sluiten goed op elkaar aan, zodat je naadloos kunt overstappen. De bereikbaarheid is nooit op elke plek hetzelfde. Op veel plekken zijn alle functies nabij. Maar niet overal kan alles even nabij zijn. Uitgaande van de kenmerken van een gebied, is er differentiatie en wordt gekeken naar de balans tussen openbaar vervoer en eigen vervoer. Het mobiliteitssysteem is in 2050 klimaatneutraal en ook het goederenvervoer is duurzaam. Vaarwegen en het spoor worden op een efficiënte manier gebruikt. Er zijn voldoende overslagpunten en hubs, ook voor stedelijke logistiek. Dit draagt bij aan de circulaire samenleving.

Door isolatie en het verminderen van de energievraag wordt er ondanks de groei van het aantal inwoners minder energie gebruikt in de provincie Utrecht. De energie die we gebruiken komt voornamelijk uit lokale warmtenetten (gevoed door aardwarmte, aquathermie, of elektriciteit) en uit zonne- en windenergie of andere duurzame bronnen. Door energie op te slaan, is het beschikbaar op de momenten dat het nodig is. Door de inzet van lokale energiebronnen zijn we minder afhankelijk en blijft de druk op het nationale elektriciteitsnet beheersbaar. Die elektriciteitsinfrastructuur en -opslag is echter ook fors uitgebreid en versterkt. Ook is er een aftakking van de nationale waterstof backbone. Elektriciteitsstations, energieopslag, windturbines, zonnevelden en andere opwekmogelijkheden zijn op de meest geschikte plekken gerealiseerd en zorgvuldig ingepast.

De biodiversiteit is hersteld in natuurgebieden (waaronder de Natura 2000-gebieden), agrarische gebieden en stedelijke gebieden. Er is een robuust en klimaatbestendig natuurnetwerk van voldoende omvang en van hoge kwaliteit en met veel biodiversiteit. De Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland zijn onderling verbonden. Samen met een natuurinclusieve stad en het buitengebied is er zo één samenhangend groot natuursysteem. Robuuste ecologische structuren zoals de Utrechtse Heuvelrug, het veenweidegebied en het rivierengebied zijn grote aaneengesloten eenheden van natuur. Waar er sprake was van barrières of ontbrekende schakels, is dat opgelost. Met een groenblauwe dooradering (aanleg van bomen en heggen en ook sloten en beken) zijn de ecologische verbindingen door het landelijk gebied versterkt. Dat betekent dat de verplaatsing, verspreiding en genetische uitwisseling van planten en dieren gemakkelijker gaat dan voorheen. Dit is onder andere gedaan door de aanleg van natuurvriendelijke oevers, ecologisch bermbeheer en de aanleg van kleine landschapselementen.

Inrichting en gebruik

In 2050 is het gezond, veilig en aantrekkelijk leven in de provincie Utrecht. Er is een samenleving gerealiseerd waarin natuur, welvaart en gezondheid structureel met elkaar in balans zijn. Leidend hierbij is het terugdringen van de broeikasgasuitstoot; in 2050 stoten we niet méér broeikasgassen uit dan op natuurlijke wijze kan worden opgeslagen of worden geneutraliseerd. Daarmee zijn we in de provincie Utrecht klimaatneutraal geworden. Doordat er de afgelopen jaren hard gewerkt is aan het nemen van maatregelen en het terugdringen van hinder is er weinig hinder door geluid, licht en geur. De lucht is schoon; schone energiebronnen, schone mobiliteit en een schone veehouderij dragen daaraan bij. Het groen is meegegroeid met de verstedelijking is er voldoende kwalitatief groen en water in en rond de steden en dorpen. Hierdoor zijn rust en stilte bereikbaar en zijn er voldoende ontspannings- en ontmoetingsmogelijkheden. De woon-, werk- en leefgebieden nodigen uit tot sporten en bewegen. Meer mensen wandelen of pakken de fiets. De grote aantallen bezoekers en inwoners die bij de goed toegankelijke recreatiegebieden komen hebben positieve gevolgen voor de bestedingen, de werkgelegenheid en de voorzieningen bij recreatiegebieden. Voor een duurzame mobiliteit zijn op deze locaties het openbaar vervoer en de mogelijkheden voor publieke mobiliteit verbeterd. De recreatief-toeristische druk is in balans met de draagkracht van de omgeving. Maar toch blijft de druk hoog: de vele inwoners en bezoekers maken dat rust en ruimte continue onder spanning staan.



Dat het aantal inwoners toeneemt, betekent ook dat er meer behoefte is aan woningen, werkplekken, energie, schoon drinkwater, bereikbaarheid en recreatiemogelijkheden. In 2050 hebben de inwoners van de provincie een fijn en passend huis, het woningtekort is tot de wenselijke 2% gedaald. Mensen wonen in toekomstbestendige woningen en woonwijken die voor iedereen toegankelijk zijn. Omdat water en bodem sturend een van de uitgangspunten is, zijn woonwijken gebouwd in gebieden met een daarvoor geschikte bodem en een goed watersysteem. In minder geschikte gebieden zijn maatregelen genomen, onder het motto: hoe kan het wél?



Utrecht is in 2050 nog steeds een gewilde provincie voor bedrijven. Zij jagen innovaties aan in de provincie, waardoor het bedrijfsleven het kloppend hart van de samenleving blijft. De economie is competitief, gezond en circulair. Er is ook nog steeds ruimte beschikbaar voor defensie, waaronder het Opleidings- en Trainingscommando (OTCO) in Amersfoort. Inwoners en bezoekers weten het landschap, het erfgoed en de cultuur in de provincie te waarderen. De vele historische buitenplaatsen en landgoederen, zoals de gordels langs de Vecht en de Stichtse Lustwarande, hebben een duurzame toekomst. De Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes trekken veel bezoekers.



Er is voldoende beleefbare natuur ontwikkeld en de biodiversiteit is op niveau, mede door het op orde brengen van de water- en bodemcondities en minder uitstoot van stikstof. Er is een gezonde populatie weidevogels, vooral de grutto doet het goed. Het behoud van het open karakter van het Eemland maakt dat dit gebied is uitgegroeid tot hét weidevogelgebied van Nederland. De Basiskwaliteit Natuur is versterkt; dat is een minimumniveau van ‘ecologische voorwaarden’ die nodig zijn om te zorgen dat algemene soorten niet bijzonder worden, maar algemeen blijven of weer algemeen kunnen worden. Ook is er meer natuur in de directe woon- en werkomgeving.



Natuurinclusieve kringlooplandbouw speelt in 2050 een belangrijke rol in de verbinding tussen landbouw en natuur. Utrechtse boeren produceren duurzaam en gezond voedsel en beheren het landschap. Ze leveren ook voorzieningen voor recreatie, klimaatmitigatie (tegengaan van verdere klimaatverandering) en klimaatadaptatie (aanpassen aan klimaatverandering). In het Utrechtse deel van de Gelderse Vallei is in 2050 de intensieve veeteelt sterk verminderd, met als gevolg verbetering van de water-, lucht- en natuurkwaliteit. Een steeds groter deel van de landbouwbedrijven is biologisch en er worden geen schadelijke gewasbeschermingsmiddelen meer gebruikt. De agrarische bedrijven zijn duurzaam, natuurinclusief en economisch rendabel. Als agrarische bedrijven stoppen, wordt eerst gekeken of het gebied behouden kan blijven voor de landbouw. Zo niet, dan wordt de locatie en bebouwing gebruikt voor woningen of bedrijven. Het overgrote deel van de landbouwgronden in 2025 zijn ook in 2050 beschikbaar voor de landbouw. Afhankelijk van de plek, is dat soms in combinatie met agrarisch natuurbeheer, energie-opwek of recreatie.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 4: Toekomstperspectief provincie Utrecht 2050

Box Doorkijk naar 2100

De box is hier te lezen: Box Doorkijk naar 2100

Hoofdstuk 3. Basis

Onze grootste opgave, het ruimtelijk combineren van de verschillende functies die een plek zoeken in onze provincie, pakken wij aan vanuit onze sturingsfilosofie en onze uitgangspunten voor omgevingsbeleid. Want de optelsom van opgaven schuurt soms, waardoor keuzes nodig zijn. Onze sturingsfilosofie geeft aan op welke wijze wij ons beleid willen realiseren. Dit biedt een kader voor onze provinciale belangen, ons beleid, de inzet van ons instrumentarium en de wijze waarop we willen samenwerken. Onze uitgangspunten geven aan hoe wij de grootste opgaven op willen pakken. We kiezen daarbij voor een gebiedsgerichte, integrale aanpak waarbij we kwaliteiten en ontwikkelingen bij elkaar brengen in geconcentreerde en gecombineerde vorm. We prioriteren ontwikkelingen en houden oog voor lokale behoeften. Dit alles doen we in nauwe samenwerking met onze partners.

De provincie Utrecht werkt aan haar omgevingsbeleid vanuit een sturingsfilosofie (zie Paragraaf 3.1 Sturingsfilosofie) en een aantal uitgangspunten, die we in Paragraaf 3.2 Uitgangspunten uitleggen. De omgevingskwaliteit en onze rol daarbij komen in Paragraaf 3.3 Omgevingskwaliteitaan bod. Instrumenten uit de Omgevingswet kunnen we alleen inzetten als we duidelijk kunnen maken waarom we een onderwerp op provinciaal niveau oppakken. Deze motivering noemt de wetgever het provinciaal belang. Meer daarover in Paragraaf 3.4 Provinciale belangen.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 5. Fort de Batterijen, Nieuwegein (bron: provincie Utrecht, foto Jessica de korte)

Paragraaf 3.1 Sturingsfilosofie

Bij het vinden van ruimte voor verschillende functies en ontwikkelingen, is het probleem vaak dat die functies en ontwikkelingen elkaar in de weg zitten. Onze sturingsfilosofie helpt hierbij, dat zijn waarden en normen waarmee we ons beleid realiseren.



Onze sturingsfilosofie:

We bieden ruimte voor ontwikkelingen die passen bij de Utrechtse kwaliteiten, met het principe ‘lokaal wat kan, provinciaal wat moet’ als basis en met de nadrukkelijke wens de doelen in samenwerking te halen.



Alleen als we gebruik maken van ieders toegevoegde waarde in kennis, ervaring en creativiteit komen we tot een goede aanpak van de maatschappelijke opgaven. De provincie vertrouwt erop dat iedereen zich, net als wij, verantwoordelijk voelt voor de fysieke leefomgeving. Toch zorgen we waar nodig ook voor ‘waarborgen’; die kunnen van pas komen als belangen elkaar in de weg zitten en er een keuze gemaakt moet worden of als bescherming nodig is tegen denken en handelen vanuit de korte termijn. Bij het vinden van ruimte voor functies (bijvoorbeeld wonen) en ontwikkelingen vinden we aanpassingsvermogen belangrijk. Doelen haal je door mee te bewegen, door bij te sturen of juist door te intensiveren (ruimte doelmatiger en efficiënter inrichten). En we monitoren, zodat we weten wat de effecten zijn van ons beleid en wanneer we ons beleid of de uitvoering daarvan aan moeten passen.

Afhankelijk van de opgave vervult de provincie Utrecht de volgende rollen:

  • Stimuleren: leveren van expertise en capaciteit, subsidiëren en motiveren. In deze rol ondersteunen we andere partijen bij het samenwerken en bij het uitvoeren van projecten.

  • Participeren: coördineren, ontwikkelen en het zijn van een partner, netwerker, samenwerker of deelnemer. In deze rol werken we samen met vooral andere overheden en maatschappelijke organisaties aan onze eigen opgaven of aan opgaven van de andere partijen, bijvoorbeeld in integrale ontwerpaanpakken, gebiedsonderzoeken en gebiedsontwikkelingen.

  • Realiseren: we zijn de opdrachtgever, trekker of regisseur. In deze rol zijn we leidend, ondernemend en aansturend. Ook maken we prestatieafspraken en zorgen we voor provinciaal programmeren.

  • Reguleren: we komen met regelgeving voor het provinciaal belang en de provinciale wettelijke taken. In deze rol nemen we in de Omgevingsverordening, als dit doelmatig en doeltreffend is, (instructie)regels op over het Omgevingsplan en de waterschapsverordening. Waar nodig komen er ook regels voor burgers en bedrijven.

Bij veel opgaven vervullen we een mix van deze rollen en werken we samen met diverse partijen.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 6. Rollen van de provincie Utrecht in samenwerking (bron: provincie Utrecht)

Paragraaf 3.2 Uitgangspunten

We gaan aan de slag met de opgaven die er zijn. In ons omgevingsbeleid hanteren we drie centrale uitgangspunten:

  • We concentreren, combineren en geven prioriteit aan nieuwe ontwikkelingen, om zorgvuldig om te gaan met de schaarse ruimte en kwaliteiten.

  • We kiezen gebiedsgericht voor integrale, toekomstgerichte oplossingen, met ruimte voor lokale opgaven.

  • We vinden de balans tussen opgaven en kwaliteiten en behouden of versterken die Utrechtse kwaliteiten, waar nodig met compenserende maatregelen.



Concentreren, combineren en prioriteren

Voor sommige grote opgaven is veel ruimte nodig, zoals natuurontwikkeling, de energietransitie, verstedelijking en klimaatadaptatie. We kiezen ervoor de schaarse ruimte efficiënt te benutten en functies slim te combineren. Feit blijft dat het een uitdaging is om de vele opgaven een plek te geven en dat het vinden van ruimte voor ‘nieuwe’ functies impact heeft op de omgeving. Het principe dat we hanteren is: inbreiding gaat voor uitbreiding. Hiermee wordt bedoeld dat bij een ontwikkeling eerst gekeken wordt naar gebieden die een vergelijkbare functie hebben, voordat we ‘nieuwe’ gebieden aanwijzen. Bij uitbreiding zoeken we naar grootschalige locaties met relatief hoge dichtheden, waar we ontwikkelingen kunnen concentreren en combineren.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 7. Uitgangspunten Omgevingsbeleid provincie Utrecht (bron: provincie Utrecht)

De gebieden binnen de provincie Utrecht zijn zeer verschillend. Per gebied stellen we prioriteiten, niet alles kan overal. We zorgen dat de prioriteiten passen bij het water- en bodemsysteem, bij de netwerken en bij de bestaande functies. Hiermee geven we aan welke opgave prevaleert en dragen we er ook aan bij dat het onderscheid tussen bestaande bebouwde gebieden en de onbebouwde groene omgeving scherp blijft. En dat er aandacht is voor een kwalitatief goede overgang tussen stad en land. Prioriteiten stellen helpt ook bij het behoud en de ontwikkeling van aantrekkelijke landschappen, het cultureel erfgoed en de biodiversiteit.

Gebiedsgerichte, integrale en toekomstgerichte oplossingen

Deze Omgevingsvisie bevat algemeen geldend beleid en specifiek beleid voor de verschillende delen van de provincie Utrecht. Het algemeen geldend beleid staat beschreven in Hoofdstuk 4. Beleid, het gebiedsgerichte beleid in Hoofdstuk 5. Gebieden.

We zetten gebiedsgerichte samenwerking in bij gebiedsopgaven waarin meerdere belangen samenkomen. Hier zijn samenhangende keuzes nodig. Waar dit het lokale schaalniveau overstijgt, kan de provincie een regierol vervullen  (“lokaal wat kan, provinciaal wat moet”). Dit doen we door samen met onze partners te werken aan integrale ontwerpaanpakken, gebiedsonderzoeken en gebiedsontwikkelingen.  



Bij gebiedsgerichte programmering, uitwerkingen en keuzes is ruimte voor lokaal maatwerk. We zorgen dat alle relevante belangen worden meegenomen en afgewogen. Keuzes die we maken zijn toekomstgericht en toekomstbestendig. Dat komt ten goede aan de inrichting van de fysieke leefomgeving en draagt bij aan het verbeteren van de ‘brede welvaart’ (het welzijn van mensen). Het doorschuiven van problemen naar volgende generaties of andere plekken (‘afwenteling’) willen we voorkomen.

Utrechtse kwaliteiten behouden, versterken en ontwikkelen

In Hoofdstuk 2. Visie legden we al uit wat de ‘Utrechtse kwaliteiten’ zijn. We onderscheiden:

  • groene kwaliteiten: natuur, landschap, rust en ruimte en cultureel erfgoed;

  • blauwe kwaliteiten: water, bodem en lucht;

  • rode kwaliteiten: een vitaal bebouwd gebied, economische ontwikkeling, bereikbaarheid en energie;

  • sociale kwaliteiten: voorzieningen, sociale samenhang, recreatiemogelijkheden en cultureel aanbod.

De ambitie is om het fijne woon-, werk- en leefklimaat in de provincie te behouden terwijl we keuzes maken over de inrichting van de fysieke leefomgeving. De opgaven waar we voor staan (bijvoorbeeld het bouwen van voldoende woningen) kunnen leiden tot aantasting van bepaalde kwaliteiten. Dat vraagt om een mate van compensatie die dan weer ten goede komt aan die kwaliteiten. Het zijn plussen en minnen, waarbij de ambitie natuurlijk is dat ons beleid leidt tot kwaliteitsverbetering.

Box Omgevingsdata en toepassingen: wij werken samen

De box is hier te lezen: Box Omgevingsdata en toepassingen: wij werken samen

Paragraaf 3.3 Omgevingskwaliteit

Bij de uitvoering van het omgevingsbeleid is het vormgeven van de omgevingskwaliteit een belangrijke voorwaarde. Het komt in deze hele Omgevingsvisie aan de orde. Het gaat om het bevorderen van de:

  • ruimtelijke kwaliteit en dan specifiek de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde;

  • milieukwaliteit en dan vooral duurzaamheid, gezondheid en veiligheid;

  • maatschappelijke waarden, waaronder sociale samenhang en economische vitaliteit.

Op het gebied van omgevingskwaliteit spelen onder andere deze onderwerpen:

  • Behouden van bestaande kwaliteiten en het versterken ervan. Dit geldt zowel op het schaalniveau van de gebiedskenmerken als op dat van samenhangende ensembles, zoals landgoederenzones, waterlinies en in historische stads- en dorpsgezichten.

  • Samenhang en continuïteit herstellen, ontbrekende schakels toevoegen en versnipperde onderdelen samenvoegen. Bijvoorbeeld: het herstellen van landschappelijke samenhang, het verbinden van natuurgebieden en het creëren van goede stad-landverbindingen.

  • Diversiteit vergroten. Bijvoorbeeld: functiemenging in stedelijk gebied, woningdifferentiatie en meer aanbod van recreatiemogelijkheden.

  • Robuustheid vergroten, bijvoorbeeld die van natuurgebieden.

  • ‘Beleefbaar’ en toegankelijk maken. De waarde van bijzondere wijken, landschappen en cultuurhistorische objecten wordt verhoogd als mensen ze kunnen zien en kunnen komen bewonderen.

Wij zien per gebied een andere rol en een andere bijdrage aan de omgevingskwaliteit. De omgevingskwaliteit van het stedelijk gebied vinden we belangrijk, maar dit is een primaire verantwoordelijkheid van de gemeente. Hier is onze rol meer het deelnemen aan projecten. Ook als het gaat om de kwaliteit van de kernrandzone (tussen stedelijk en landelijk gebied) ligt de primaire verantwoordelijkheid bij de gemeente. Hiervoor hebben we een stimulerende instructieregel opgenomen die het mogelijk maakt groene en rode investeringen aan elkaar te verbinden. In het landelijk gebied heeft de provincie een grotere rol, onder andere gericht op thematische en gebiedsgerichte kwaliteitsverbetering.



Voor verschillende soorten projecten is er vanuit de provincie ondersteuning mogelijk. Op basis van ontwerpend onderzoek, creatieve verbeeldingskracht en innovatief ondernemerschap worden innovatieve oplossingen verkend. Met ‘ruimtelijk ontwerp’ wordt verbinding gezocht tussen opgaven en kansen en tussen sectoren. Hier gaat het om de inrichting van de fysieke leefomgeving met aandacht voor de wisselwerking tussen mens, beleving en ‘functie’. Bij grootschalige projecten kan een kwaliteitsteam worden geformeerd, bij kleinschalige projecten kunnen ‘ervenconsulenten’ (van MooiSticht, voorheen de Provinciale Utrechtse Welstandscommissie) en landschapscoördinatoren (van Landschap Erfgoed Utrecht) worden ingezet. Er zijn ook diverse handreikingen en kwaliteitsgidsen die kunnen ondersteunen, zoals de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen, de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht, milieukwaliteitsprofielen en handreikingen voor ’ruimte voor ruimte’ en buitenplaatsen. Ook voor de ontwikkeling van programma’s voor realisatie van de Omgevingsvisie kan ruimtelijke ontwerp een rol spelen. Daarbij kan de samenwerking worden gezocht met ontwerpers van andere overheden en kennisinstituten en in de markt.



Utrecht Advies, de adviesraad voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht, kan hierbij adviseren. Utrecht Advies geeft gevraagd en ongevraagd advies aan de provincie over de fysieke leefomgeving, zoals ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid, en brengen daarbij wetenschappelijke, maatschappelijke en politiek-bestuurlijke inzichten samen.

Paragraaf 3.4 Provinciale belangen

In onderstaande tabellen staan de onderwerpen die wij van ‘provinciaal belang’ achten, met daarbij de toelichting waaróm dat zo is.

Gezonde, veilige en toekomstbestendige provincie

Provinciaal belang

Toelichting

Bereiken en in stand houden van een gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving voor inwoners

Als provincie houden we bij het vormgeven aan alle opgaven in het landelijk en stedelijk gebied rekening met gezondheid, veiligheid en toekomstbestendigheid.



Bevorderen van een goede omgevingskwaliteit

Een goede omgevingskwaliteit draagt bij aan de gezondheid en het welzijn van mensen, nu en in de toekomst.



Bevorderen van een inclusieve samenleving

De provincie kan voorwaarden scheppen voor een inclusieve samenleving, bijvoorbeeld op het gebied van openbaar vervoer, energievoorziening, de arbeidsmarkt, of de woningmarkt. De sociale samenhang wordt versterkt als iedereen mee kan doen in de maatschappij.



Klimaatbestendig en waterrobuust

Provinciaal belang

Toelichting

Ontwikkelen van een robuust en duurzaam bodem- en watersysteem

De provincie heeft wettelijke taken op het gebied van de bodem- en watersystemen (zowel grond- als oppervlaktewater), schoon en gezond water (waterkwaliteit) en omgang met teveel en te weinig water. Toekomstige veranderingen en ontwikkelingen vragen om het behoud van een duurzaam evenwicht tussen benutten en beschermen, op provinciaal niveau. Het regionale bodem- en watersysteem ‘draagt’ de bovengrondse ruimtelijke ontwikkelingen. Het systeem stopt niet bij gemeentelijke grenzen en vraagt om regionale keuzes. Hierbij houdt de provincie rekening met gebiedsspecifieke belangen en opgaven.

Bijdragen aan het afremmen van bodemdaling en aan CO₂-reductie in veenweidegebieden

Afremmen van bodemdaling vergt een regionale en ‘bovenregionale’ aanpak.

Duurzaam veiligstellen van de openbare drinkwatervoorziening

De provincie heeft een zorgplicht voor drinkwater en heeft wettelijke taken op het gebied van het aanwijzen van beschermingszones ten behoeve van de openbare drinkwaterwinning. Provinciale betrokkenheid is nodig om de in samenwerking de leveringszekerheid van schoon en voldoende drinkwater blijvend veilig te stellen.

Toekomstbestendige natuur en landbouw

Provinciaal belang

T oelichting

Behouden en versterken van de biodiversiteit

De provincie heeft een wettelijke taak voor het behouden of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde en bedreigde plantensoorten en diersoorten en hun leefomgeving. Hetzelfde geldt voor het onder controle krijgen van de aanwezigheid van invasieve uitheemse soorten. Daarnaast heeft de provincie een zorgplicht voor het behouden en versterken van de biodiversiteit.

Ontwikkelen, versterken en in stand houden van een robuust netwerk van natuurgebieden van hoge kwaliteit

De provincie heeft een wettelijke taak voor de totstandkoming en instandhouding van het Europees en Nationaal Natuurnetwerk.

Behouden en versterken van ‘natuurwaarden’ voor de mens

Een groene en biodiverse leefomgeving en het kunnen recreëren in de natuur dragen bij aan de fysieke en mentale gezondheid. De provincie bevordert de betrokkenheid bij en de beleving van natuur. Als mensen zich betrokken voelen bij de natuur, is er meer draagvlak voor de bescherming ervan.

Uitbreiden, revitaliseren en beschermen van houtopstanden

De provincie heeft een wettelijke en bovenregionale taak voor behouden en beschermen van ‘houtopstanden’ (bossen en bomen). Vanuit het Klimaatakkoord heeft de provincie samen met andere partijen de opdracht tot het vergroten van het oppervlak bos en bomen in de provincie.

Bevorderen van een duurzame en economisch rendabele landbouw die dicht bij de inwoners staat en bijdraagt aan een vitaal landelijk gebied

De agrarische sector beheert ongeveer de helft van het grondgebied in de provincie Utrecht. Het is belangrijk dat de sector economisch vitaal blijft en deze rol kan blijven vervullen. De provincie biedt mogelijkheden voor een transitie naar een circulaire, natuurinclusieve, klimaatneutrale en diervriendelijke landbouw (kringlooplandbouw), met behoud van gebiedskwaliteiten en een gezonde leefomgeving.

Bevorderen van een duurzame consumptie van lokaal geproduceerd voedsel en gezonde voeding

De provincie stimuleert dat er meer aanbod is van lokaal geproduceerd voedsel en dat inwoners gezond eten.

Duurzame energie en circulaire samenleving

Provinciaal belang

Toelichting

Bijdragen aan het verminderen van energiegebruik

De provincie stimuleert energiebesparing, ook om de impact van de energietransitie te verminderen. Want als de energievraag afneemt, wordt de druk op de ruimte voor het realiseren van duurzame energie kleiner.

Bevorderen van en voldoende ruimte bieden aan de realisatie van duurzame energiebronnen

Voldoende duurzame energie is van belang voor wonen, economische ontwikkeling, verduurzaming en weerbaarheid. Het is een essentieel onderdeel van klimaataanpak vanwege de grote bijdrage van energie aan broeikasgasuitstoot. Ook om afwenteling naar andere plekken of later te voorkomen.

Het heeft bovenlokale effecten en integrale sturing op provinciaal niveau nodig om te zorgen dat vraag, aanbod, opslag en transport van verschillende energiedragers in balans blijf

Bevorderen van een duurzaam, robuust en betaalbaar energiesysteem voor het opwekken, opslaan, distribueren en omzetten van energie

De energievoorziening overstijgt lokale en regionale grenzen. Het is belangrijk om het energiesysteem zo optimaal en zo duurzaam mogelijk te realiseren en af te stemmen met andere ‘ruimtelijke ontwikkelingen’. Dit zorgt voor een betere balans van vraag en aanbod en ook voor een efficiënter energiegebruik.

Beschermen strategische locaties voor de circulaire samenleving

De aanwezigheid van clusters van circulaire bedrijven voor iedere regio noodzakelijk. De locaties vervullen een bovenregionale functie.

Deze locaties zijn echter schaars en nieuw aanbod creëren is zeer complex. Het is van belang om de bestaande locaties te behouden, en zo optimaal mogelijk te benutten en ontwikkeling, behoud en gebruik (boven)regionaal af te stemmen.

Goede bereikbaarheid

Provinciaal belang

Toelichting

Zorgdragen voor en voldoende ruimte bieden aan goede, duurzame en veilige bereikbaarheid van woon-, werk- en vrijetijdslocaties

Mobiliteit gaat voorbij lokale en regionale grenzen. Ruimtelijke ontwikkelingen en mobiliteit moeten op elkaar worden afgestemd, vraag en aanbod moeten op elkaar worden afgestemd en verschillende manieren van vervoer en netwerken moeten verder met elkaar geïntegreerd worden.

Zorgdragen voor de instandhouding van de provinciale wegen, vaarwegen, de fiets- en wandelinfrastructuur en de traminfrastructuur

De provincie heeft een wettelijke verantwoordelijkheid voor het instandhouden van de provinciale infrastructuur.

Zorgdragen voor een adequaat provinciaal ov-netwerk

De provincie heeft als decentrale ov-autoriteit een wettelijke verantwoordelijkheid voor het instandhouden van het regionale openbaar vervoer.

Vitale steden en dorpen

Provinciaal belang

Toelichting

Bevorderen van een zorgvuldig en efficiënt ruimtegebruik in de stad

Regionale afstemming en het creëren van een gelijk speelveld in alle gemeenten is nodig. De markten voor woon- en werk- en kantoorlocaties functioneren regionaal. Ook de invloed van binnenstedelijke ontwikkelingen (transformatie, herstructurering en het aanpakken van leegstand) gaan soms voorbij de gemeentegrens.

Bevorderen van en voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woon(zorg)voorzieningen

Er is een regionale woningmarkt die vraagt om provinciale programmering en afstemming per regio. Het gaat om een aanbod dat op regionaal niveau in kwantitatieve en kwalitatieve zin is afgestemd op de (toekomstige) behoefte en de vraag van alle woningzoekenden (inclusief aandachtsgroepen). Dan gaat het om zowel het type woningen als de betaalbaarheid ervan.

Bevorderen van en voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale, circulaire en innovatieve regionale economie

De markten voor kantoren en bedrijventerreinen hebben een regionale functie. Dit vraagt dus om een provinciale aanpak die aansluit bij de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte. Ook de ontwikkelingen van en op innovatielocaties en op defensieterreinen spelen bovengemeentelijk.

Ruimte bieden voor behoud en versterking van een aantrekkelijk voorzieningenniveau in centrumgebieden

Gevarieerde en bereikbare voorzieningen bepalen mede de kwaliteit van de binnenstad en het ‘woonmilieu’ (de woning en de omgeving ervan). Ontwikkelingen in de ene gemeente kunnen gevolgen hebben voor de het voorzieningenniveau in de andere gemeente.

Gezonde omgeving en vrije tijd

Provinciaal belang

Toelichting

Bevorderen van een gezonde leefomgeving

De provincie heeft wettelijke regionale en bovenregionale taken op het gebied van geluid, stilte, de luchtkwaliteit, geur, trillingen en de bodem- en waterkwaliteit. De belasting van het milieu moet beperkt worden, in het belang van de natuur zelf en dat van de inwoners. De provincie houdt bij keuzes voor ruimtelijke ontwikkelingen en gebruik rekening met het bevorderen van gezond gedrag, met sociale veiligheid en met inclusiviteit van de leefomgeving.

Bevorderen van een veilige inrichting van de leefomgeving

De provincie heeft wettelijke regionale en bovenregionale taken op het gebied van waterveiligheid, externe veiligheid en verkeersveiligheid op en rond de provinciale infrastructuur.

Versterken van de onderlinge relatie tussen stedelijk en landelijk gebied

De zones die de verbinding zijn tussen stedelijk en landelijk gebied hebben invloed op de kwaliteit en uitstraling van de steden en dorpen en van het landelijk gebied. Het tegengaan van leegstand en verrommeling draagt bij aan de kwaliteit van die zones. Groene verbindingen voor lopen en fietsen tussen stedelijke omgeving en landelijk gebied bevorderen meer bewegen en ontspannen.

Behouden en versterken van goede en aantrekkelijke recreatieve voorzieningen

De zorg voor fiets- en wandelpaden, routenetwerken, waterwegen, recreatieterreinen, accommodaties en schoon zwemwater gaat voorbij de grenzen van gemeenten of de provincie. Doel is een evenwichtige spreiding van recreanten en toeristen over stad en landelijk gebied, een op de vraag aansluitend aanbod en zorg voor behoud van stilte voor de rustzoekende mens. Om dat voor elkaar te krijgen wordt onder andere gekeken naar zonering.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

Provinciaal belang

Toelichting

Richting geven aan behoud en ontwikkeling van kernkwaliteiten van het landschap en aardkundige waarden

De structuur en de kwaliteiten van landschappen gaan voorbij de grenzen van gemeenten. ‘Aardkundige waarden’ (bijvoorbeeld stuwwallen) zijn deel van de landschappelijke kwaliteiten.

Beschermen, benutten en beleven van de cultuurhistorische waarden

De cultuurhistorische hoofdstructuur van Utrecht gaat voorbij de grenzen van gemeenten en soms ook van de provincie zelf. De provincie zorgt voor een eenduidige aanpak, zowel als het gaat om het gebruik van de gebieden als het beschermen en benutten ervan.

Beschermen en benutten van de uitzonderlijke universele waarde van UNESCO Werelderfgoed

De provincie heeft een wettelijke taak om ervoor te zorgen dat de kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes en de Hollandse Waterlinies als UNESCO Werelderfgoed niet worden aangetast.

Bijdragen aan een sterke en toegankelijke cultuursector

De provincie bevordert het restaureren van rijksmonumenten, het beheren van archeologische vondsten (wettelijke taak), het in stand houden van molens en kasteelmusea, het organiseren van festivals, het aanbieden van cultuur- en erfgoededucatie via het onderwijs en het faciliteren van het bibliotheeknetwerk (wettelijke taak). Hiermee dragen wij bij aan een sterke en toegankelijke cultuursector, zodat zoveel mogelijk mensen cultuur kunnen beoefenen, beleven en ervaren.

Hoofdstuk 4. Beleid

In dit hoofdstuk beschrijven we aan de hand van zeven thema’s ons beleid voor een gezonde, veilige en toekomstbestendige leefomgeving. Wij werken met dit beleid aan een provincie die klimaatneutraal, klimaatbestendig en waterrobuust is, die een toekomstbestendige natuur en landbouw heeft, waarin plek is voor duurzame energie en een circulaire samenleving, met goede bereikbaarheid voor vitale steden en dorpen, waarin inwoners kunnen leven in een gezonde omgeving met voldoende vrijetijdsmogelijkheden en de kwaliteiten van landschap, erfgoed en cultuur levend worden gehouden. Acht leidende principes geven richting aan de beleidsthema’s en geven ook randvoorwaarden mee.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 8. Amsterdam-Rijnkanaal, Maarssen (bron: provincie Utrecht, foto Wijnanda Pijper)

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 9. Wiel met daarin de 7 thema's (bron: Provincie Utrecht)

Paragraaf 4.1 Leidende principes

We werken met acht leidende principes. Ze komen op diverse plekken terug in de beschrijvingen van de beleidsthema’s. Ze sluiten aan op het doel van meer brede welvaart. Het gaat om meer dan materiële en economische welvaart. Het gaat om wat bijdraagt aan de kwaliteit van leven, zoals: gezondheid, onderwijs en opleiding, leefomgeving, persoonlijke ontplooiing en veiligheid. Bovendien gaat het niet alleen om de kwaliteit van leven in het ‘hier en nu’, maar ook om de effecten van onze manier van leven op het welzijn van mensen ‘elders’ (buiten onze provincie) en ‘later’ (toekomstige generaties). We streven hierbij naar het zoveel mogelijk voorkomen van afwenteling. Dit betekent een transitie naar een duurzame, klimaatneutrale, circulaire en inclusieve samenleving. Tegelijkertijd kunnen we als provincie niet in alles zelfvoorzienend worden. We streven ernaar om de toekomstige effecten van ons beleid in beeld te hebben, maar kunnen ze niet allemaal nu al voorzien.

Gezondheid en veiligheid

Elementen in de fysieke leefomgeving hebben effect op de gezondheid en veiligheid van mensen. Bijvoorbeeld woningen en woonmilieus en de aanwezigheid en goede bereikbaarheid van verschillende voorzieningen: winkels, het ov, scholen en zorginstellingen. Groen en water dragen in grote mate bij aan de gezondheid van mensen. We willen dat de inrichting van de omgeving bevordert dat mensen gezondere keuzes maken, zoals vaker de fiets pakken of lopen en meer sporten. Slechte milieukwaliteit is een belangrijke veroorzaker van gezondheidsverlies (Volksgezondheidstoekomstverkenning, RIVM, 2024). Vooral als gevolg van de huidige luchtkwaliteit en geluidbelasting. De kans op incidenten moet beperkt worden voor de veiligheid van onze inwoners. Klimaatverandering brengt meer en grotere weersextremen, die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid, veiligheid, welzijn en de economie. Behalve de fysieke leefomgeving is de sociale omgeving belangrijk voor de gezondheid en veiligheid. Mensen moeten zich thuis kunnen voelen, andere mensen kunnen ontmoeten en zich veilig voelen, zowel sociaal als in het verkeer. Wij bepalen in grote lijnen waar stedelijke ontwikkelingen plaats kunnen vinden en daarmee deels ook de mogelijkheden voor een gezonde en veilige leefomgeving.

Box Werken aan een gezonde en veilige leefomgeving

De box is hier te lezen: Box Werken aan een gezonde en veilige leefomgeving

Kwaliteit en aantrekkelijkheid

De kwaliteit en aantrekkelijkheid van de leefomgeving zijn erg belangrijk voor de inwoners, gebruikers en bezoekers van onze provincie. Denk aan cultuur en erfgoed, aan landschappen en natuurgebieden en aan de diversiteit van bebouwing en functies in het stedelijk gebied. Dit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke woon-, werk- en leefomgeving en daarmee aan de kwaliteit van leven. Met beleid proberen we de kwaliteit en aantrekkelijkheid steeds meer te verhogen, ook door inwoners meer bij de inrichting van de omgeving te betrekken en door de creatieve verbeeldingskracht van kunstenaars en vormgevers in te zetten (onder andere via ontwerpend onderzoek). We kijken daarbij zowel naar de gebiedseigenheid als naar de functionaliteit en de toekomstbestendigheid. In Paragraaf 3.3 Omgevingskwaliteit was al meer te lezen over de kwaliteit van de leefomgeving.

Welzijn

De inrichting van de leefomgeving moet bijdragen aan het algemene welzijn van inwoners en bezoekers. Zo stimuleert de provincie Utrecht een inclusieve samenleving waarin iedereen betrokken is en mee kan doen, ongeacht iemands beperking, gender, geaardheid, culturele of etnische achtergrond, religie, leer- of werkniveau of financiële situatie. Ons beleid is mensgericht, gebruikersgericht en inclusief. Bij de inrichting van de leefomgeving is van belang dat die toegankelijk is voor verschillende doelgroepen. We kijken hoe inwoners een gebied beleven en nemen drempels weg, zowel letterlijk (voor mensen met een fysieke beperking) als figuurlijk (bijvoorbeeld voor prikkelgevoelige mensen). We ondersteunen de ontwikkeling van noodzakelijke basisvaardigheden voor deelname aan de digitale samenleving. En we stimuleren de sociale cohesie in de samenleving: het ‘wij-gevoel’.

Klimaatmitigatie en klimaatadaptatie

De nationale klimaatdoelen voor 2030, 2040 en 2050 zijn alleen te halen als CO2-reductie bij de bron en CO2-verwijdering uit de atmosfeer hand in hand gaan en we landelijk bereid zijn om middelen en ruimte hiervoor vrij te maken. Ook onze provincie staat hiermee voor een aantal grote maatschappelijke opgaven die gekoppeld zijn aan klimaatverandering. Volgens de klimaatscenario’s van het KNMI wordt het warmer, natter in de winter en droger in de zomer. Bovendien stijgt de zeespiegel en neemt de biodiversiteit af. Deze veranderingen hebben grote gevolgen voor de leefomgeving, de natuur, de landbouw en de infrastructuur. Om het tempo van de klimaatverandering te remmen, zetten we in op het zuinig en zorgvuldig omgaan met energie, grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen. Voor Utrecht betekent dit dat het energiegebruik omlaag moet, er meer duurzame energie moet worden opgewekt, koolstof met name in landbouwgrond, gewassen en in hout(bouw) langdurig en meetbaar kan worden ‘vastgelegd’, en dat het vervoer en de gebouwde omgeving moeten verduurzamen. Om ons aan te passen aan klimaatverandering gaan we slimmer om met water, maken we meer ruimte voor biodivers groen en schaduwplekken, versterken we het natuurlijke bodem- en watersysteem, houden we de provincie veilig tegen overstromingen, beperken we de wateroverlast en de gevolgen van droogte, houden we Utrecht brandveilig en bouwen we met oog voor de toekomst. Daarbij nemen we de eerste maatregelen op de plekken waar klimaatadaptatie het hardste nodig is (bijvoorbeeld vanwege de kwetsbaarheid van de plek zelf of van de inwoners van de plek). Door het sterk veranderende klimaat is klimaatadaptatie erg belangrijk om de omgeving leefbaar te houden en schade te voorkomen.

Water en bodem sturend

We laten het bodem- en watersysteem leidend zijn voor (land)gebruik en nieuwe ontwikkelingen. Bij ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld woningbouw, houden we dus rekening met de kwaliteit en eigenschappen van de bodem, het reliëf van het landschap en het ‘watersysteem’ (het oppervlaktewater, zoals meren en rivieren, en het grondwater). De grote regionale verschillen in ons bodem- en watersysteem geven ons een gevarieerd landschap. Dit is in het verleden bepalend geweest voor de natuurkwaliteit, het (grond)gebruik en de inrichting van onze provincie. Dit is ook van belang voor de toekomst. We nemen de lange termijn (2100 en verder) mee in de keuzes die we op korte termijn maken.

Box Klimaatverkenning Utrecht 2050

De box is hier te lezen: Box Klimaatverkenning Utrecht 2050

Natuurinclusief

We streven naar een natuurinclusieve samenleving. Hierin is biodiversiteit meer sturend en wordt biodiversiteit expliciet meegenomen bij alle ruimtelijke keuzes. Maatschappelijke en economische activiteiten worden verweven met de natuur en met biodiversiteit. De natuur in de provincie wordt sterker, robuuster en veerkrachtiger, zowel in de natuurgebieden als daarbuiten. We streven naar een ‘Basiskwaliteit Natuur’ in de stad en in het agrarisch gebied, wat betekent dat de omstandigheden voor planten, dieren en mensen zo zijn dat ze gezond kunnen leven. Met onder andere het Convenant Toekomstbestendig Bouwen zorgen we ervoor dat bij ontwikkelingen natuurinclusief gewerkt wordt. In het landelijk gebied zorgen we voor herstel van de biodiversiteit, onder andere door het stimuleren van natuurinclusieve landbouw.

Verdienvermogen

Een sterke provincie heeft een sterke economie nodig. We versterken het verdienvermogen van Utrecht. Samen met ondernemers, kennisinstellingen en andere overheden leggen we focus op innovatie, de aanwezigheid van voldoende en toekomstbestendige werklocaties, goed opgeleide mensen en een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Een gezond verdienvermogen maakt de provincie Utrecht weerbaar en versterkt onze economische autonomie. Het zorgt voor middelen om te investeren in leefbaarheid, duurzaamheid en maatschappelijke doelen. Utrecht bouwt aan een duurzame, circulaire economie waarin kennisintensieve diensten, het mkb en de maakindustrie elkaar versterken en samen bijdragen aan de brede welvaart van onze inwoners. De kennis, diensten en producten die worden ontwikkeld dragen bij aan het verdienvermogen van onze provincie en aan de noodzakelijke transities binnen andere thema’s zoals klimaat, landbouw, gezondheid en circulair.

Innovatie

De provincie Utrecht stimuleert ondernemerschap en innovaties die bijdragen aan maatschappelijke transities en een duurzaam, toekomstgericht economisch perspectief. Nieuwe technologieën, digitalisering en circulaire ketens (gericht op het hergebruik van materialen en het verminderen van energiegebruik) bieden kansen om onze economie schoner, slimmer en concurrerender te maken. We zetten in op samenwerking tussen bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke partners om innovatieve oplossingen te ontwikkelen voor de volgende sectoren: gezondheid, energie, mobiliteit, klimaatadaptatie, circulariteit, bouw en voedsel. Innovatie vraagt ruimte om te experimenteren en te leren en om investeringen in medewerkers, startups en het mkb. Daarom maken we initiatieven mogelijk die creativiteit, innovatie en ondernemerschap verbinden aan maatschappelijke uitdagingen. Zo zorgen we dat Utrecht een aantrekkelijke regio blijft om in te werken en te ondernemen.

Paragraaf 4.2 Klimaatbestendig en waterrobuust

Het bodem- en watersysteem in de provincie Utrecht maakt onderdeel uit van de grote Rijn-Maasdelta en wordt gekenmerkt door een grote diversiteit en kwaliteiten. Het laaggelegen veenweidegebied in het westen (Groene Hart) en noordoosten (Eemland) van de provincie heeft overwegend venige en kleiige bodems. In delen is het veen ontgonnen voor turfwinning; soms zijn daarbij plassen achtergebleven. Ook moerasgebieden zijn kenmerkend voor dit landschap. Het waterbeheer wordt in deze polderlandschappen via de slootpeilen geregeld door de waterschappen. Ook voeren de waterschappen water aan uit de grote rivieren om de gebieden in droge periodes van voldoende water te voorzien. De bodem is hier door eeuwenlange ontwatering voor landbouwkundig gebruik sterk gedaald. De bodem langs de grote rivieren en in het Kromme Rijngebied bestaat hoofdzakelijk uit klei en is daarmee vruchtbare landbouwgrond. De rivieren en kanalen zelf zijn van belang vanwege de aan- en afvoer van water en voor de scheepvaart. Langs de rivieren ligt een netwerk aan dijken en keringen om het achterland te beschermen tegen overstromingen. De ondergrond van de Utrechtse Heuvelrug en de flanken bestaat uit zandgrond. Regenwater infiltreert goed in deze zandgronden. De Utrechtse Heuvelrug bevat een belangrijke grondwatervoorraad voor onder andere drinkwater, natuur en landbouw. Het grondwater komt als kwelwater omhoog in de flanken van de Heuvelrug en voedt diverse sprengen en watergangen. Ook wordt kwelwater aan de oppervlakte afgevoerd via beekdalen in de Gelderse vallei.

Het bodem- en watersysteem is letterlijk de basis van veel van onze provinciale doelen en maatschappelijke opgaven. De doorsnede van het bodem- en watersysteem provincie Utrecht in afbeelding 10 visualiseert de globale werking en de belangrijkste processen van het bodem- en watersysteem van de provincie Utrecht. Schaal, grootte en oriëntatie zijn soms vereenvoudigd of uitvergroot om de werking te verhelderen.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 10. Doorsnede van het bodem en watersysteem Utrecht anno 2025 (bron: flux, 2025)

Een goede bodem- en waterkwaliteit draagt bij aan een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving voor mens, plant en dier. Het bodem- en watersysteem faciliteert functies en gebruik (onder andere draagkracht om te wonen, schoon water voor drinkwater en natuur, duurzame energieproductie en voedingsbodem voor landbouw). Het helpt ons bovendien om beter om te gaan met extreme neerslagsituaties en perioden van droogte.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 11. Collage met sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema Klimaatbestendig en waterrobuust (bron: BVR i.s.m. provincie Utrecht, 2025)

Opgaven

De grenzen van de maakbaarheid zijn bereikt en door toenemend gebruik en de gevolgen van een veranderend klimaat staat het bodem- en watersysteem onder druk. De gevolgen van klimaatverandering zijn niet langer abstracte toekomstscenario’s, maar in toenemende mate dagelijkse realiteit: extreme hoeveelheden neerslag in korte tijd en langdurige perioden van droogte en hitte. Extreme neerslag kan leiden tot (maatschappij-ontwrichtende) wateroverlast en de kans op overstromingen vergroten. Langdurige droogte betekent ook dat er in het voorjaar en zomer steeds vaker onvoldoende zoetwater beschikbaar is en dat er een groter risico is op natuurbranden. Deze droogte en toenemende hitte hebben negatieve gevolgen v00r de gezondheid van mens, plant en dier. Dit brengt diverse bodem- en wateropgaven met zich mee, die zijn uitgelicht en weergegeven op kaart 5: Opgavekaart Bodem, water en klimaatadaptatie.



Om maatschappelijke ontwrichting door wateroverlast en risico’s op overstromingen te beperken, werken we met andere partijen aan een combinatie van opgaven op verschillende schaalniveaus. De belangrijkste opgaven zijn: het behouden en ontwikkelen van robuuste watersystemen (inclusief keringen) en het zoeken naar ruimte voor waterberging en het vasthouden van water. Met een robuust bodem- en watersysteem bedoelen we een systeem dat is opgewassen tegen extremen (te nat en te droog) als gevolg van klimaatverandering. In de beekdalen ligt er daarnaast ook een opgave op het gebied van de waterkwaliteit. Deze is onderdeel van een opgave voor de hele provincie om de kwaliteit van het water (waaronder het grondwater) en ook de kwantiteit van het oppervlaktewater (volgens de Europese Kaderrichtlijn Water, KRW) te verbeteren. Rondom de Natura 2000-gebieden ligt er, ook vanuit de KRW, een opgave om de waterhuishouding in deze gebieden op orde te brengen. Uiterwaarden van de grote rivieren (Lek en Nederrijn) dienen als ruimte voor water bij hoogwater en zullen daardoor regelmatig overstromen. Daarom wordt bouwen in de uiterwaarden niet meer toegestaan. Groenblauwe dooradering en een betere kwaliteit en vitaliteit van de bodem in landelijke en stedelijke gebieden dragen bij aan het opvangen van extreme weersituaties, een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving, het verbeteren van de biodiversiteit en een sterkere natuur. We zetten ons daarbij ook in op het beperken van de negatieve gezondheidseffecten door langdurige hitte, zoals hittestress, in stedelijk en landelijk gebied.



We moeten ons voorbereiden op minder zoetwater via het hoofdwatersysteem en een steeds groter wordend neerslagtekort bij een veranderend klimaat. Om toekomstige zoetwatertekorten tegen te gaan zullen we anders moeten omgaan met ons water: van zo snel mogelijk afvoeren naar veel meer vasthouden en infiltreren van (regen)water. Dit alleen zal echter niet genoeg zijn om het gehele tekort aan zoetwater op te lossen. Daarom zal de provincie Utrecht ook weerbaarder tegen droogte moeten worden. Bij tekorten komen er keuzes op tafel: welke ‘functie’ wordt nog wel voorzien van water en welke niet? We zullen iets moeten doen aan het beperken van de vraag naar water en mogelijk ook aan het landgebruik. Het beperken van grondwateroverlast is in de flanken van de Heuvelrug een extra opgave geworden, mede door langdurige neerslagperioden. In het westelijk deel van de provincie is voldoende zoetwater nodig om de CO₂-uitstoot uit veenbodems tegen te gaan, de bodemdaling te remmen en verzilting in het westen van Nederland tegen te gaan. In hetzelfde gebied als waar verzilting optreedt, ligt ook een opgave om opbarsting tegen te gaan (scheurvorming in de bovenste grondlaag). Het toekomstbestendig en waterrobuust maken van droogmakerijen (zoals polder Groot Mijdrecht) zal in combinatie met de andere opgaven opgepakt moeten worden. Die andere opgaven zijn onder andere: het tegengaan van bodemdaling, verzilting, de zoetwaterbeschikbaarheid en wateroverlast.



Willen we ook in de toekomst voldoende en schoon drinkwater, dan moeten er nieuwe waterwinningen komen. Doordat de ondergrond óók steeds meer wordt gebruikt voor duurzame warmte- en koudevoorziening, is duurzaam en veilig gebruik van de ondergrond een belangrijke opgave.

Ambities
  • 2027: we voldoen aan de vereisten van de Kaderrichtlijn Water (KRW), ook na 2027, en blijven ons maximaal inzetten om de KRW-doelen te realiseren.

  • 2035: in het landelijk veenweidegebied is de CO₂-uitstoot uit veenbodems met 50% afgenomen en de bodemdaling met gemiddeld 50% geremd.

  • 2050: het bodem- en watersysteem (zowel grondwater als oppervlaktewater) is blijvend robuust bij een veranderend klimaat en kan veerkrachtiger omgaan met grote hoeveelheden neerslag en droogte.

  • 2050: ruimtelijke ontwikkeling, inrichting en gebruik zijn gebaseerd op het (natuurlijk) bodem- en watersysteem (water en bodem zijn sturend) en zijn voorbereid op het veranderende klimaat, waarbij de juiste functie en het juiste gebruik op de juiste plek liggen.

  • 2050: de ondergrond wordt duurzaam gebruikt en in samenhang met bovengrondse opgaven.

  • 2050: de duurzame energie die het bodem- en watersysteem levert wordt zo optimaal mogelijk en op een veilige en verantwoorde manier benut.

  • 2050: de kwaliteit van de bodem, het grondwater en het oppervlaktewater is sterk verbeterd ten opzichte van 2025. Nog niet genormeerde schadelijke stoffen als medicijnresten, microplastics en PFAS staan een duurzaam bodem- en watersysteem niet in de weg. Ook dragen ze niet bij aan een verdere verslechtering van de grondwaterkwaliteit. Het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen is maximaal teruggedrongen, zodat het past bij een gezonde en veilige leefomgeving voor mens, dier en plant.

  • 2050: er zijn voldoende schone bronnen voor drinkwater. Om dat te bereiken zijn nieuwe bronnen nodig, moet er zuiniger worden omgesprongen met drinkwater en moet verspilling van grondwater worden voorkomen.

  • 2050: de provincie is en blijft klimaatbestendig en waterveilig ingericht en bij de inrichting wordt rekening gehouden met voldoende ruimte voor water en groen om wateroverlast, overstromingen en overlast door hitte en droogte zoveel mogelijk te voorkomen.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 5. Opgavekaart Bodem, water en klimaatadaptatie, thema Klimaatbestendig en waterrobuust. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van water en bodem. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid
Duurzaam en robuust bodem- en watersysteem

Het integrale, samenhangende bodem- en watersysteem vormt van nature de basis voor onze leefomgeving. De grenzen van de maakbaarheid zijn bereikt en door toenemend gebruik en de gevolgen van een veranderend klimaat staat het bodem- en watersysteem onder druk. Om hiermee om te gaan en de provincie Utrecht beter voor te bereiden op de toekomst zetten wij erop in om het bodem- en watersysteem meer sturend te laten zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent onder andere dat we niet steeds maar zoeken naar technologische oplossingen en meer uitgaan van natuurlijke processen. Als we het natuurlijke bodem- en watersysteem versterken, worden het bufferend vermogen en de flexibiliteit van het systeem groter en daarmee zijn we beter voorbereid op toenemende weersextremen als gevolg van klimaatverandering (zie afbeelding Klimaatadaptatiepiramide). ‘Water en bodem sturend’ betekent ook dat functies als wonen, landbouw en energiewinning op sommige plekken in de toekomst niet meer mogelijk zijn. Of het moet op een andere manier, bijvoorbeeld drijvend bouwen of bouwen op palen.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 12. Klimaatadaptatiepiramide (bron: CAS)

We maken gebruik van de kwaliteiten van het bodem- en watersysteem en zetten in op een duurzaam gebruik van de ondergrond. Met behulp van een gebiedsgerichte 3D-systematiek wordt ondergronds ruimtegebruik afgestemd op de kenmerken van de ondergrond en ook op de maatschappelijke opgaven in een gebied. Dit helpt om een balans te vinden tussen beschermen en benutten, en bijvoorbeeld het gebruik van de ondergrond voor energiewinning en drinkwaterwinning.

We werken samen met waterbeheerders, gemeenten, drinkwaterbedrijven en andere partners aan een duurzaam en robuust bodem- en watersysteem (zowel grondwater als oppervlaktewater), bijvoorbeeld in de Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug (zie box Blauwe Agenda).

Versterken van het bestaande bodemsysteem

We versterken het bestaande bodemsysteem en zetten in op een vitale bodem. Een vitale bodem zorgt voor voldoende voedsel van goede kwaliteit, zuivert en beschermt ons drinkwater, versterkt de biodiversiteit, kan water infiltreren en vasthouden en koolstof vastleggen.

Hoe we ons inspannen voor een vitale bodem is uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma Bodem en Ondergrond Provincie Utrecht 2025-2027. In dit uitvoeringsprogramma gaat het ook over hoe we samenwerken met andere overheden bij bodem- en grondwaterverontreinigingen en bodemsaneringen. De provincie sluit aan bij landelijke ontwikkelingen, onder andere de implementatie van de Europese bodemmonitoringsrichtlijn.



Verbeteren van de grondwaterkwaliteit

We willen dat het grondwater in onze provincie schoon is en daar waar nodig beter van kwaliteit wordt. We beschermen de kwaliteit door het stellen van regels in de Omgevingsverordening en door het nemen van ‘KRW-maatregelen’. De maatregelen staan in ons Bodem- en waterprogramma en in het Uitvoeringsprogramma Impuls Kaderrichtlijn Water 2025-2027 Provincie Utrecht. In grondwaterbeschermingsgebieden is behoud van de kwaliteit van het grondwater een minimum; liever nog zien we een verbetering. Dat doen we door het gebruik van het gebied zo te veranderen dat het bijdraagt aan een betere kwaliteit van het grondwater.



Behouden en uitbreiden van bestaande locaties voor drinkwaterwinningen en ontwikkelingen nieuwe drinkwaterwinningen

Drinkwaterbedrijven en overheden hebben samen een ‘zorgplicht drinkwater’. Voor de bescherming van de bestaande drinkwaterwinningen en van de strategische grondwatervoorraad zijn de beschermingszone drinkwaterwinning ingesteld. Het beschermingsbeleid is erop gericht om die zo goed mogelijk te beschermen tegen bedreigingen door activiteiten aan het maaiveld of in de ondergrond.

Onze inzet moet ervoor zorgen dat er in 2035 en daarna geen drinkwatertekorten ontstaan. Vanwege de bevolkingsgroei en de toenemende bedrijvigheid hebben we extra drinkwater nodig, wat uit het oppervlakte- en grondwater wordt gehaald. Hiervoor werken we (samen met de drinkwaterbedrijven, de waterschappen en de gemeenten) in de Drinkwaterraad aan mogelijkheden voor nieuwe locaties waar drinkwater kan worden gewonnen (inclusief alternatieve bronnen). Ook wordt gekeken naar uitbreidingen van bestaande grond-, oever- en oppervlaktewaterwinningen. Deze keuzes worden onderdeel van een drinkwaterstrategie.

Een nieuwe winning bij Schalkwijk en uitbreiding van de winning Eemdijk zien we als kansrijk; beide locaties zijn aangewezen als Zoekgebied drinkwaterwinning. Het drinkwaterbedrijf onderzoekt of de realisatie van een winning hier mogelijk is.

De door ons aangewezen strategische grondwatervoorraad (in de landelijke Structuurvisie Ondergrond ‘aanvullende strategische voorraad’ genoemd) heeft als doel om de groei van de vraag naar drinkwater op te kunnen vangen, ook op de langere termijn en in extreme situaties. Zoals bij een extra sterke bevolkingsgroei of in het geval van calamiteiten. Deze strategische grondwatervoorraad mag indien noodzakelijk worden aangesproken, maar niet worden uitgeput.



De door ons aangewezen strategische grondwatervoorraad (in de landelijke Structuurvisie Ondergrond ‘aanvullende strategische voorraad’ genoemd) heeft als doel om de groei van de vraag naar drinkwater op te kunnen vangen, ook op de langere termijn en in extreme situaties. Zoals bij een extra sterke bevolkingsgroei of in het geval van calamiteiten. Deze strategische grondwatervoorraad mag indien noodzakelijk worden aangesproken, maar niet worden uitgeput.



Het Rijk heeft een nationale grondwaterreserve voor de lange termijn (na 2050) en voor calamiteiten aangewezen en gaat de begrenzing aanpassen. Er komt ook nationaal beleid om deze voorraad te beschermen. Dit kan mogelijk gevolgen hebben voor onze strategische grondwatervoorraad.



Samen met de drinkwaterbedrijven en andere stakeholders stimuleren we waterbesparing. We sluiten aan bij het landelijke doel om het gebruik te verlagen naar 100 liter per persoon per dag. Dit doel gaat verder dan het gebruik van drinkwater beperken; we gaan ook laagwaardig gebruik van drinkwater ontmoedigen (bijvoorbeeld: niet je tuin ermee besproeien) en verspilling van grondwater voorkomen. We streven naar circulaire watersystemen.



Verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit

We werken hard aan het verbeteren van de oppervlaktewaterkwaliteit. In het Bodem- en waterprogramma hanteren we drie sporen: maximaal inzetten op het bereiken van de doelen, voldoen aan de vereisten van de KRW en het verankeren en realiseren van de doelen voor de ‘overige wateren’. Op de kortere termijn ronden we het Uitvoeringsprogramma Impuls Kaderrichtlijn Water 2025-2027 Provincie Utrecht in 2027 af. Uit landelijk onderzoek en uit metingen blijkt dat er met name extra maatregelen nodig zijn met betrekking tot ‘nutriënten’ (voedingsstoffen in het water), gewasbeschermingsmiddelen en ‘invasieve exoten’ als de Amerikaanse rivierkreeften. Dit met het doel om de ecologische KRW-doelen te halen. De aanwezigheid van meststoffen in het landelijk gebied wordt aangepakt via rijksbeleid en in het Utrechts Programma landelijk gebied (UPLG), in combinatie met andere opgaven.



Vanaf eind 2027 worden doelen voor de ecologie en de ‘chemie’ (de samenstelling) voor KRW-waterlichamen in het vierde stroomgebiedbeheerplan vastgelegd in het Bodem- en waterprogramma 2028-2033. Met name de waterbeheerders voeren maatregelen uit om deze doelen te bereiken. Gemeenten zijn formeel niet verplicht om bij te dragen aan de ‘verbeteropgave’ vanuit de KRW, maar kunnen niettemin een bijdrage leveren via de omgevingsplannen en met name via vergunningverlening voor indirecte lozingen. Voor wateren die niet als KRW-waterlichaam zijn aangewezen, stellen we nieuwe ecologische doelen vast. Nieuw Europees beleid en regelgeving ten aanzien van schadelijke stoffen en microplastics maken we onderdeel van ons water- en milieubeleid.

Veilig en verantwoord meer energie uit bodem- en watersysteem halen

Als onderdeel van de energietransitie wordt steeds meer gebruik gemaakt van duurzame warmte- en koudebronnen en opslag van warmte en koude in het bodem- en watersysteem, inclusief de diepe ondergrond. Het gaat daarbij om aquathermie, ondiepe bodemenergie en aardwarmte. We zetten ons ervoor in om meer duurzame energie uit het bodem- en watersysteem te halen, op een voor mens, bodem, water, milieu en natuur veilige en verantwoorde wijze. We stimuleren onderzoek, innovatie en de inzet van nieuwe technieken en maken waar mogelijk ruimte voor ondiepe bodemenergiesystemen (zie ook paragraaf 4.4.1 Duurzame energie). De samenhang met andere functies en belangen in de boven- en ondergrond is belangrijk.



Vanuit de Mijnbouwwet heeft de provincie een wettelijke adviesrol bij vergunningaanvragen voor mijnbouwactiviteiten. Bijvoorbeeld voor de winning van aardwarmte. Een advies aan het Rijk hierover geven we na overleg met gemeenten, waterbeheerders en drinkwaterbedrijven, zodat regionale en lokale belangen worden meegenomen in de vergunningverlening en in de uitvoering van aardwarmteprojecten in de provincie Utrecht. Mijnbouw, anders dan de winning van aardwarmte, wordt zoveel mogelijk geweerd. Dit past niet in een duurzaam bodem- en watersysteem en ook niet bij een duurzame energievoorziening.



De provincie is bevoegd gezag voor open bodemenergiesystemen (ook wel warmte-/koudeopslag: WKO). Deze leveren een bijdrage aan de warmtetransitie, maar gebruik van de ondergrond voor bodemenergie moet worden afgewogen tegen ander gebruik en bescherming van de ondergrond en het grondwater. Waar nodig passen we functiescheiding toe: zo staan we in grondwaterbeschermingsgebieden (een deel van de beschermingszone drinkwaterwinning) geen bodemenergiesystemen toe.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 6. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van een duurzaam en robuust bodem- en watersysteem (bron: provincie Utrecht)

Uitvoering geven aan beleid voor een duurzaam en robuust bodem- en watersysteem

Stimuleren

  • Subsidies en kennisdeling (onder andere het Nationaal Strategisch Plan als Nederlandse invulling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid).

  • Versnellen maatregelen dreigend drinkwatertekort in de Drinkwaterraad.

Participeren

  • Nationaal Programma Bodem en Ondergrond en Nationaal Waterprogramma.

Realiseren

  • Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027.

  • Opstellen Beleidsprogramma Bodem en Water 2028-2033 provincie Utrecht.

  • Uitvoeringsprogramma’s Bodem en Ondergrond 2025-2027, Impuls Kaderrichtlijn Water 2025-2027 Drinkwater 2021-2027; en Bewustwording drinkwaterbronnen provincie Utrecht.

  • Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026-2035.

  • Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug.

Reguleren

  • Regels voor duurzaam gebruik van ondergrond, bescherming van grondwaterlichamen en drinkwaterwinningen, zoekgebieden voor drinkwaterwinningen, bescherming van het (toekomstig) grondwater en oppervlaktewater voor de productie van drinkwater, en Kaderrichtlijn Water/ waterkwaliteit.

Klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving

Klimaatbestendig en waterveilig

Met ons beleid en ons handelen dragen we bij aan het opvangen van de effecten van klimaatverandering. Aanpassen aan de gevolgen van het veranderd klimaat, klimaatadaptatie, is een voorwaarde voor een gezonde en veilige leefomgeving, vitale steden en dorpen, robuuste natuur, duurzame landbouw en toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling. We werken gebiedsgericht samen met andere overheden en partijen aan klimaatadaptatie. Dit doen we onder ander via het Bodem- en waterprogramma en het Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie. Ook doen we mee aan het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 van het Rijk.



Aan waterveiligheid werken we volgens de principes van meerlaagsveiligheid, waarbij voor de provincie Utrecht in de komende jaren vooral preventie, gevolgbeperking en waterbewustzijn aandacht zullen vragen.

Verder werken we een klimaatbestendige en waterveilige provincie door het uitvoeren van (regionale) stresstesten, het houden van risicodialogen en het opstellen van adaptatiestrategieën en uitvoeringsagenda’s (zie kader). In die uitvoeringsagenda’s staan maatregelen waarmee het risico op maatschappelijke ontwrichting door wateroverlast wordt verkleind, zowel in de regio als daarbuiten.

Stresstesten, risicodialogen, adaptiestrategieën en uitvoeringsagenda

Na de zomer van 2021 (toen Limburg werd getroffen door extreme wateroverlast) is de nationale Beleidstafel wateroverlast en hoogwater opgericht. Die onderzocht hoe Nederland beter voorbereid kan worden op perioden van extreme neerslag. In het eindadvies uit 2022 wordt aan onder meer provincies gevraagd om in samenwerking met medeoverheden ‘bovenregionale stresstesten’ uit te voeren: een manier om te beoordelen wat de effecten zijn van extreme neerslag en hoe we ons daar beter tegen kunnen wapenen. In de provincie Utrecht zijn in de deelgebieden Centraal Holland, Vallei en Veluwe en Rivierengebied de eerste analysefase uitgevoerd. In 2026 volgt een impactanalyse en een risicodialoog: een gesprek tussen provincie, gemeenten, waterschappen en andere belanghebbenden over de gevolgen van klimaatverandering en de kwetsbaarheden van de regio.

Samen met de waterschappen, aangrenzende provincies, gemeenten en het Rijk ambiëren we om het watersysteem toekomstbestendig te maken. Belangrijk is om de inrichting en het beheer van de wateren te verbinden met onderwerpen als ruimtelijke ordening, bodemdaling, de landbouw en natuurbeheer (zie kader ‘samenwerken aan water en ruimte in deltaregio Centraal Holland’).

Het beperken van wateroverlast

Klimaatverandering zorgt onder andere voor meer en hevigere neerslag. Dit kan resulteren in water op straten, in huizen of op het land en mogelijke schade. De hoeveelheid neerslag is in de afgelopen honderd jaar met 30% toegenomen; steeds vaker valt een grote hoeveelheid neerslag in korte tijd (piekbelasting). De huidige inrichting van de fysieke leefomgeving levert het probleem op dat water niet opgevangen kan worden op de plek waar het valt en voor overlast kan zorgen. We zien dat de grootste problemen zich voordoen in (diepe) polders, de lage delen van de Gelderse Vallei en aan de flanken van de Utrechtse Heuvelrug, zowel in stedelijk als landelijk gebied.

De opgave om wateroverlast te beperken is erg groot en de te nemen maatregelen verschillen per gebied. In een aantal gebieden zit het watersysteem al aan zijn grenzen. Daar waar dat kan maken we samen met onze partners het bodem- en watersysteem robuuster. Dat doen we door maatregelen in het hoofdwatersysteem en in het regionale watersysteem, door het beperken van ‘afstroming’ en door het (tijdelijk) opvangen van water in (water)bergingsgebieden en door andere maatregelen (zie box Centraal Holland).



In de flanken van de Utrechtse Heuvelrug is als gevolg van de extreme neerslag van 2023-2024 grondwateroverlast opgetreden. Deze situatie wordt als uitzonderlijk beschouwd, maar is wel aanleiding om het risico voor grondwateroverlast als gevolg van klimaatverandering te onderzoeken. Binnen de verantwoordelijkheden van de overheden bekijken we wat we kunnen bijdragen aan het beperken van de overlast of aan de mogelijkheden voor adaptatie. Dit kan echter niet alle overlast voorkomen; ook perceel- en woningeigenaren moeten maatregelen nemen of zich aanpassen aan de nieuwe omstandigheden.



De provincie Utrecht wijst in samenwerking met de waterbeheerders zoekgebied waterberging aan. In de komende jaren worden mogelijk (na een integrale afweging) daarin waterbergingslocaties aangewezen. Bij deze afweging wordt ook gekeken naar mogelijke functiecombinaties. Waterberging kan plaatsvinden op verschillende niveaus, zoals ter ontlasting van het hoofdwatersysteem (met name het Amsterdam-Rijnkanaal), regionaal (bijvoorbeeld voor het voorkomen van wateroverlast in meerdere polders) en lokaal (bijvoorbeeld in de diepste delen van een polder).



In het westelijk deel van Utrecht gaat het daarbij om een aantal regionale piekbergingen, maar vooral om noodoverloopgebieden nabij het Amsterdam-Rijnkanaal. Bij waterberging in noodoverloopgebieden wordt water vanuit het hoofdwatersysteem (het Amsterdam-Rijnkanaal) en/of de boezem in de polder gebracht. In geval van (regionale) piekberging gaat het om de tijdelijke opslag van lokaal water voordat het wordt afgevoerd richting het boezem- en hoofdwatersysteem.

In het gebied van waterschap Vallei en Veluwe wordt vooral in de beekdalen naar ruimte voor water gezocht. Hier wordt geen waterbergingsgebied aangelegd, maar wordt water na extreme neerslag geborgen via natuurlijke inundatie, wat betekent dat land tijdelijk onder water komt.



Van belang is dat in de hierboven beschreven gebieden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die het in de toekomst moeilijker maken om ze voor waterberging te gebruiken.

In alle polders zal er rekening mee gehouden moeten worden dat bij extreme neerslag in de diepere delen vaker water op het maaiveld komt te staan. Hiermee zal in de ruimtelijke plannen rekening gehouden moeten worden.

Voor een aantal gebieden zal de wateroverlastnormering (zoals opgenomen in de Omgevingsverordening) aangepast moeten worden. Die normering geeft aan hoe vaak een gebied door wateroverlast vanuit het regionale watersysteem mag worden getroffen. In de komende periode wordt door een landelijke werkgroep gewerkt aan een manier om risico’s nadrukkelijker mee te nemen bij het vaststellen van de wateroverlastnormering. De provincie Utrecht is hier nauw bij betrokken; na 2027 passen we de normeringen naar verwachting aan. Die zal met name veranderen voor het veenweidegebied en de beekdalen, want door het veranderende klimaat en de maatregelen die genomen moeten worden is de huidige normering niet meer te handhaven.



In stedelijk gebied kan wateroverlast na extreme regenval worden tegengegaan door minder te verharden, zodat water in de bodem kan infiltreren. Sowieso moet water ook in de stad de ruimte krijgen om tijdelijk te worden opgevangen. Bij nieuwbouw en bij de ontwikkeling of herinrichting van gebieden wordt aangestuurd op meer groen, meer water, meer klimaatadaptieve elementen (bijvoorbeeld: schaduwplekken) en meer biodiversiteit. Ook vergroten we de sponswerking van de bodem, om water beter te laten infiltreren. Een klimaatadaptievere inrichting van de leefomgeving stimuleren we via de in 2021 vastgestelde Afspraken klimaatadaptief bouwen en met het convenant Toekomstbestendig Bouwen (zie Paragraaf 4.6 Vitale steden en dorpen). Gemeenten en waterschappen zijn samen verantwoordelijk voor voldoende bergings- en afvoercapaciteit van de riolering en het regionaal watersysteem.

Het beperken van de effecten van overstromingen

In de Europese Richtlijn Overstromingsrisico's (ROR) hebben de Europese lidstaten afspraken gemaakt om de overstromingsrisico’s te beperken. De provincie zorgt voor de overstromingsgevaar- en risicokaarten; die zijn te vinden op www.risicokaart.nl. In de provincie Utrecht zorgen we er samen met de waterbeheerders voor dat de dijken (de primaire keringen en de regionale keringen) op orde zijn, zodat wordt voorkomen dat rivieren, randmeren, kanalen en regionale wateren overstromen. De normen voor primaire keringen zijn door het Rijk vastgelegd. De omgevingswaarden regionale keringen hebben we zelf vastgelegd in de Omgevingsverordening. Om ruimte vrij te houden voor toekomstige dijkverbeteringen hebben we in de Omgevingsverordening vrijwaringszones voor regionale keringen opgenomen. Ook hebben de waterbeheerders langs de primaire waterkeringen profielen van vrije ruimte vastgelegd in de waterschapsverordening. Voor 31 december 2029 toetsen en actualiseren de waterbeheerders de profielen van vrije ruimte. Voor de huidige profielen van die vrije ruimte verwijzen we naar de waterbeheerders. De provincie neemt deel aan het onderzoeksprogramma Ontwikkeling Regionale Keringen (ORK).



Als het ondanks de waterveiligheidsmaatregelen toch misgaat, willen we voorbereid zijn. We gaan de gevolgen van overstromingen beperken door woningen, bedrijven en wegen beter bestand te maken tegen overstromingen. Daarnaast zorgen we voor een goede rampenbestrijding en crisisbeheersing. Gemeenten werken samen in werkregio’s om het beleid wat dit aangaat vorm te geven. De gevolgbeperking bij overstromingen voor de vitale en kwetsbare functies, zoals de energie- en drinkwatervoorziening, zijn belangrijk. In de Omgevingsverordening is een aangescherpte regel voor overstroombaar gebied opgenomen. In de gebieden met het hoogste risico op een overstroming moet bij bouwen rekening gehouden worden met deze risico’s. In de uiterwaarden van de Lek en Nederrijn staan we geen nieuwe ontwikkelingen toe voor wonen en werken. Uiterwaarden van de grote rivieren dienen namelijk als ruimte om overtollig water heen te laten stromen en overstroming van de primaire waterkeringen te voorkomen.



Vanuit hun wettelijke taak toetsen provincies de plannen voor dijkversterkingen van de primaire keringen langs de Nederrijn en Lek. De Nederrijn-Lekdijk beschermt een groot deel van Midden- en West-Nederland tegen overstromingen. Als hij doorbreekt, kan, afhankelijk van de locatie van de doorbraak, een groot deel van de Randstad, de Gelderse Vallei of Alblasserwaard overstromen. Samen met de waterbeheerders en gemeenten werken wij daarom aan veilige dijken.



We zetten bij versterkingen van de primaire en regionale waterkeringen in op een integrale aanpak. Dat betekent dat behoud en verbetering van landschappelijke waarden, natuur, cultuurhistorie, verkeer en recreatie allemaal worden meegenomen. De dijk en het landschap eromheen dragen bij aan de identiteit en kwaliteit van het Utrechtse landschap. Belangrijke dijkversterkingsprojecten zijn de Sterke Lekdijk van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, de dijkversterking bij Vianen en het project SAFE (Streefkerk-Ameide-Fort Everdingen) van waterschap Rivierenland en de Grebbedijk van waterschap Vallei en Veluwe.

Box Hoe extreem kan het worden?

De box is hier te lezen: Box Hoe extreem kan het worden?

Het beperken van de effecten van droogte, (grond)watertekort en zoetwaterbeschikbaarheid

Het vaker voorkomen van langdurige perioden van droogte zorgt voor lage waterstanden in de rivieren, watertekorten op het land, een afname van kwelwater, verzilting van het grond- en oppervlaktewater en minder aanvulling van het grondwater. In droge perioden komt de zoetwaterbeschikbaarheid steeds meer onder druk te staan en in de toekomst zal er niet genoeg water zijn voor alle functies. Ook wordt de kans op (veen)dijkdoorbraken en versnelde bodemdaling groter; hetzelfde geldt voor de kans op natuurbranden en schade aan funderingen en archeologische resten. Voldoende zoetwater is essentieel voor onder andere de natuur, de drinkwatervoorziening, de landbouw en de scheepvaart. Het beperken van de effecten van droogte kan door voldoende wateraanvoer in droge perioden en voldoende infiltreren en vasthouden van water in natte periodes. Het verminderen van de vraag helpt natuurlijk ook.



Het Rijk, de regio en gebruikers zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het beperken van tekorten aan zoetwater. In het Deltaprogramma Zoetwater wordt samengewerkt aan het toekomstbestendig maken van het hoofdwatersysteem en het regionaal watersysteem, waaronder het gebied rond het Amsterdam-Rijnkanaal, het Merwedekanaal, het Valleikanaal en de wateraanvoer naar het veenweidegebied. Om verdroging op de Utrechtse Heuvelrug tegen te gaan, werken we in de Blauwe Agenda samen met gemeenten, waterschappen, drinkwaterbedrijven en terreinbeherende organisaties (waaronder Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten) aan integrale wateroplossingen.



Samen met partners werkt de provincie Utrecht aan een zoetwaterstrategie die aansluit op het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) en ook op trajecten buiten de regio. In Noordwest-Nederland wordt samengewerkt in ‘Centraal Holland’ (zie box). De focus ligt daarbij op de relatie van watertekorten met de inrichting van de fysieke leefomgeving en het landgebruik. Binnen het Deltaprogramma moet in de komende jaren een keuze gemaakt worden over de afvoerverdeling (hoe water wordt verdeeld over de verschillende riviertakken). Daarnaast wordt de noodzaak steeds groter om de vraag naar water te verminderen.



Beschouwd vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water en ook vanuit het Natuurnetwerk Nederland (het netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden) is het belangrijk dat beken in tijden van droogte ‘watervoerend’ blijven (niet droogvallen); dit met het oog op de ecologie. Bovendien is het belangrijk dat de Natura 2000-gebieden (aangewezen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn), die ook verdrogingsgevoelig zijn, voldoende (kwel)water hebben. Dit nemen we mee als we aan de slag gaan met de uitvoering van de gebiedsgerichte aanpak in het landelijk gebied.



Ook werken we samen met waterschappen en het Rijk aan een beter overzicht en een betere registratie van alle ‘onttrekkingen’ (water uit de bodem halen, waarvoor in veel gevallen een vergunning nodig is). Het Rijk heeft een handreiking voor een grondwateronttrekkingenplafond laten opstellen, die wij gebruiken bij het opstellen van een provinciaal grondwateronttrekkingenplafond. Het doel hiervan is om het totaal aan grondwateronttrekkingen en de impact hiervan op functies in beeld te brengen. Op basis van het grondwateronttrekkingenplafond kan in de toekomst een ‘voorkeursvolgorde’ worden bepaald, waarin bijvoorbeeld kan staan dat bij grondwatertekorten bij beregening voor landbouwgewassen eerst water uit het oppervlaktewater wordt gebruikt, als alternatief voor grondwater.



In tijden van extreme droogte treedt de regionale verdringingsreeks in werking (er zijn er meerdere in de provincie Utrecht); deze zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving en in de Omgevingsverordening. In ons Bodem- en waterprogramma staat meer over die reeks, die duidelijk maakt welke groepen of functies in tijden van droogte en zoetwatertekorten voorrang krijgen. Samen met de Veiligheidsregio, negen gemeenten en met terreinbeheerders op de Utrechtse Heuvelrug, verkennen we mogelijkheden voor het nemen van preventieve maatregelen om het risico op een onbeheersbare natuurbrand terug te dringen.

Het beperken van de effecten van hitte

Door klimaatverandering zijn er vaker langdurige perioden van hitte met hogere temperaturen. Met name in het stedelijk gebied zorgt langdurige hitte voor achteruitgang van de kwaliteit van leven en voor negatieve gezondheidseffecten voor diverse kwetsbare bevolkingsgroepen, zoals hittestress. Hierbij worden vooral mensen geraakt die in ‘versteende’ wijken wonen, waarin het minder makkelijk is om de koelte op te zoeken. Tijdens hittegolven is het aantal vroegtijdige sterftegevallen vaak hoger. Ook is er een grote kans op toename van luchtverontreiniging, op het verslechteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en op een toename van ziekteverwekkers in onder andere zwemwater (Zwemlocatie). Tegelijkertijd stijgt de vraag naar water (om te drinken, te verkoelen en mee te sproeien) juist als de beschikbaarheid van water afneemt. Daarnaast gaat hitte vaak gepaard met een langere droge periode, waarbij er risico is op natuur- en bermbranden. Ook heeft hitte negatieve effecten op onze infrastructuur, doordat bijvoorbeeld de kans op bermbranden toeneemt, bruggen uitzetten waardoor ze vaker niet meer open kunnen en het wegdek kan smelten. Daarom zetten we in op het klimaatbestendig maken van de infrastructuur (zie paragraaf 4.5 Goede Bereikbaarheid). Ten slotte heeft hitte ook invloed op het welzijn van dieren. De kwaliteit van leven neemt af en ze kunnen makkelijker ziek worden. Ook gaat door hitte de productie van gehouden dieren achteruit (zie paragraaf 4.3 Toekomstbestendige natuur en landbouw).



We gaan de negatieve effecten van hitte in het stedelijk gebied verminderen door de aanleg van groenblauwe structuren (groen en water) door de steden en dorpen te stimuleren. Die bieden ruimte voor koelte. Met de waterschappen en gemeenten werken we aan het verminderen van verharding en aan meer groen (planten, bomen, geveltuinen en groene daken). Natuur, groen en recreatievoorzieningen zoals zwemwater worden tijdens perioden van hitte vaker gebruikt voor het zoeken van koelte. De provincie houdt toezicht op de waterkwaliteit en de veiligheid van de bestaande zwemlocaties en stimuleert gemeenten, terreinbeherende organisaties en anderen om meer zwemlocaties aan te bieden (zie Paragraaf 4.7 Gezonde omgeving en vrije tijd).

Box Hitte: een urgent en onderbelicht thema

De box is hier te lezen: Box Hitte: een urgent en onderbelicht thema

Klimaatbestendig en waterrobuust ontwikkelen van woon- en werklocaties

Om een klimaatbestendige, veilige, aantrekkelijke en gezonde leefomgeving voor inwoners te bereiken en in stand te houden, vinden wij het belangrijk om bestaande en nieuwe woon- en werklocaties klimaatbestendig en waterrobuust te ontwikkelen. Deze ontwikkelingen vragen om een integrale afweging tussen de verschillende thema's van toekomstbestendig bouwen.



Wij vinden het belangrijk dat nieuwe woon- en werklocaties worden ontwikkeld op geschikte plekken (water en bodem sturend). In gebieden die qua water en bodem ongeschikt zijn voor verstedelijking staan we geen nieuwbouw toe, tenzij er geen alternatief is. Naast het beleid en de regels die er al zijn, gebruiken we hier ook de watergeschiktheidskaart voor nieuwe woon- en werklocaties voor. Die is gemaakt door de Utrechtse Waterpartners: de waterschappen, drinkwaterbedrijven en Rijkswaterstaat Midden-Nederland (zie ook de box watergeschiktheidskaart voor nieuwe woon- en werklocaties in Paragraaf 4.6 Vitale steden en dorpen). Met deze kaart kunnen ruimtelijke ontwikkelingen (bijvoorbeeld plannen voor nieuwbouw) vroegtijdig worden beoordeeld aan de hand van wat het bodem- en watersysteem aankan. De geschiktheidskaart geeft vroegtijdig inzicht over eventuele uitdagingen vanuit het bodem- en watersysteem bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit helpt bij het maken van toekomstbestendige keuzes voor nieuwe woon- en werklocaties. Ook helpt de kaart om deze locaties en de omgeving klimaatadaptief te ontwikkelen en toekomstige schade en overlast te beperken.



We faciliteren en stimuleren gemeenten bij het klimaatbestendig ontwikkelen van locaties aan de hand van de thema’s van toekomstbestendig bouwen (zie Paragraaf 4.6 Vitale steden en dorpen). In de Omgevingsverordening nemen we een motiveringsplicht op in artikel 9.15 en 9.17: gemeenten moeten bij nieuwe ontwikkelingen motiveren hoe ze de thema’s van toekomstbestendig bouwen hebben toegepast. Ook richten we ons op de klimaatbestendige inrichting van bestaand bebouwd gebied. We faciliteren en stimuleren gemeenten bij het klimaatbestendig herinrichten en herontwikkelen van bestaand bebouwd gebied, volgens de Afspraken Klimaatadaptief Bouwen Utrecht.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 7. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van een klimaatbestendig en waterveilige leefomgeving

Uitvoering geven aan beleid voor klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving

Stimuleren

  • Aandachtspunten en randvoorwaarden meegeven bij (gebieds)ontwikkelingen, onder meer via de watergeschiktheidskaart.

  • Kennisdelen op www.provincie-utrecht.nl/klimaatadaptatie

  • Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht

Participeren

  • Opstellen regionale adaptatiestrategieën.

  • Programma veilige en mooie dijken.

  • Deltaprogramma’s zoetwater en ruimtelijke adaptatie.

  • Deltaregio Centraal Holland.

  • Ontwikkelingsprogramma Regionale waterkeringen

Realiseren

  • Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027.

  • Opstellen Beleidsprogramma Bodem en Water 2028-2033 provincie Utrecht.

  • Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie 2025-2028.

  • Blauwe agenda Utrechtse Heuvelrug

Reguleren

  • Regels voor waterbergingsgebied, overstroombaar gebied, zwemwaterlocaties, klimaatadaptief bouwen, wateroverlast en regionale waterkeringen.

Tegengaan van CO2-uitstoot en remmen van bodemdaling in veenweidegebieden

In het veenweidegebied stoten de veengronden veel CO2 uit en komt vaak bodemdaling voor. Bodemdaling heeft grote maatschappelijke gevolgen; het leidt tot schade aan gebouwen en infrastructuur en tot steeds hogere onderhoudskosten, ook in het landelijk gebied. De hoogteverschillen in het landschap die ontstaan door bodemdaling maken het voor waterschappen steeds kostbaarder en technisch lastiger om gebruik van dat land mogelijk te maken. Ook in het licht van klimaatverandering en zeespiegelstijging is bodemdaling een zorgelijke ontwikkeling (zie beleidskaart 8: Tegengaan bodemdaling en CO2-uitstoot landelijk gebied ).



Aandachtsgebied CO2-uitstoot en bodemdaling landelijk gebied

In het veenweidegebied ligt de focus op aanpassingen in het bodem- en watersysteem om de uitstoot van broeikasgassen uit veenbodems te verminderen, bodemdaling te remmen, de natuur te herstellen (met name Natura 2000-gebieden), weidevogelgebieden uit te breiden, de waterkwaliteit te verbeteren en beter om te gaan met te veel en te weinig water als gevolg van grotere weersextremen. Die aanpassingen gaan zoveel mogelijk samen met de cultuurhistorische kwaliteiten van het gebied.

De CO₂-uitstoot in veenweidegebied ontstaat voornamelijk door het ‘ontwateren’ van de grond ten behoeve van de functie (vooral landbouw). In het Klimaatakkoord is afgesproken dat voor veenweide een nationale reductiedoelstelling van de CO₂-uitstoot geldt van 1 megaton (Mton) CO₂-equivalenten.



We verminderen de uitstoot van broeikasgassen en remmen de bodemdaling door grondwaterstanden te verhogen. Dat gebeurt door middel van een vrijwillige aanleg van waterinfiltratiesystemen en door te streven naar, zoals dat technisch heet, een drooglegging van zomerhalfjaargemiddeld 40 centimeter, onder andere met hulp van ruimtelijk instrumentarium’. Het verhogen van de grondwaterstanden betekent dat het onvermijdelijk is dat boeren in veenweidegebieden met nattere omstandigheden te maken krijgen.



We gaan voor kleinere droogleggingen en streven naar een sterkere sturing via het omgevingsbeleid. Ook introduceren we een nieuwe functie: ‘veenweidelandbouw’. Dat is een vorm van landbouw waarbij gewerkt wordt met hogere grondwaterstanden. Met deze nieuwe landbouwfunctie kunnen waterschappen bij het nemen van een peilbesluit het belang van het remmen van bodemdaling en het beperken van CO2-uitstoot volwaardig meenemen.



In ongeveer een tiende van het veenweidegebied gaan we uit van een verdere vernatting, een drooglegging van zomerhalfjaargemiddeld tot ongeveer 20 centimeter. Dat leidt tot ander grondgebruik. We doen dit op ‘slimme plekken’, namelijk sterk dalende en/of natte gebieden. Op die plekken kijken we ook naar combinaties met andere opgaven, zoals het aanpakken van stikstof in N2000-gebieden en weidevogelgebieden ontwikkelen.



Door vernatting groeien we in de provincie Utrecht toe naar veenweidegebieden met daarin een natuurinclusieve, extensievere landbouw, bij hogere grondwaterstanden en met meer natuurgebieden. Met hogere grondwaterstanden in veenweidegebieden wordt bijgedragen aan de doelen voor onder andere stikstofreductie en biodiversiteit, waaronder weidevogels. Bij het verkleinen van de droogleggingen zal goed naar de effecten op de waterkwaliteit gekeken moeten worden. Met een verhoging van ongeveer 2 centimeter per jaar en compenserende maatregelen, zoals de aanleg van natuurvriendelijke oevers, voorkomen we dat peilverhogingen negatieve effecten hebben op de waterkwaliteit. Ook kunnen er mogelijk combinaties worden gemaakt met andere opgaven zoals waterberging of energietransitie.



In landbouwgebieden met veengronden die kwetsbaar zijn voor oxidatie (inklinken) als de bodem wordt bewerkt, verbieden we bodembewerkingen die tot gevolg hebben dat veen aan de oppervlakte wordt gebracht. Het onderhoud van permanent grasland is wel toegestaan, evenals een overgang naar 'natte teelten’. De gemeenten moeten op basis van de Omgevingsverordening beperken bodembewerking regelen in de omgevingsplannen. Ook grondeigenaren hebben een verantwoordelijkheid voor het verminderen van bodemdaling.



De aanpak en uitgangspunten zijn uitgewerkt in het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) en beleidsuitwerking zal ook plaatsvinden in het Bodem- en waterprogramma 2028-2033. Voor het veenweidedossier hebben we in 2025 een bestuurlijke Taskforce Veenweiden voor de provincie Utrecht opgericht. Daar wordt besproken over welke gebieden dit precies gaat, welke verschillende instrumenten door de verschillende overheden ingezet moeten worden om dit te bereiken en hoe dit proces moet worden vormgegeven. Uiteindelijk komt de aanpak in de volgende wijziging van de Omgevingsvisie te staan (en eventueel in de Omgevingsverordening), in de gemeentelijke omgevingsplannen en in de peilbesluiten van de waterschappen. De bedoeling is dat alle peilbesluiten uiterlijk 2035 zijn aangepast.

Het westelijk veenweidegebied stopt overigens niet bij de provinciegrens. Ook in Groene Hart-verband nemen we deel aan werkgroepen rond laagveen, vanuit de NOVEX-samenwerking. Daarnaast participeren we in het Nationaal Programma Veenweide en binnen het Interprovinciaal Overleg voor de veenweidegebieden van Nederland.

In 2050 wordt het veenweidelandschap gekenmerkt door hogere grondwaterstanden. Dit was nodig om zowel de bodemdaling tegen te gaan als de CO2-uitstoot uit de veenbodems te verminderen. Peilverhogingen en de inzet van waterinfiltratiesystemen hebben het mogelijk gemaakt dat grondwaterstanden konden worden verhoogd. Het resultaat is dat de uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodems sterk is verminderd en de bodemdaling sterk is afgeremd. Functies hebben zich hier geleidelijk op aangepast.

Aandachtsgebied bodemdaling stedelijk gebied

De voornaamste oorzaak voor bodemdaling in stedelijk gebied is ‘zetting’. Dat woord betekent: inklinking en daling van de bodem door het gewicht van bebouwing, wegen, ophoogmateriaal en zwaar verkeer. De bodemdaling in stedelijk gebied door zetting kan oplopen tot enkele centimeters per jaar; de gevolgen moeten worden aangepakt met een mix van maatregelen (zie beleidskaart 8: aandachtsgebied bodemdaling - stedelijk gebied).



In nieuw te ontwikkelen stedelijk gebied verwachten we van de gemeenten dat ze anders gaan bouwen, bijvoorbeeld drijvend of op palen of terpen. Ook het bouwen van woningen zonder kruipruimte gaat helpen. Het beleid van de provincie voor bodemdaling in het stedelijk gebied is vooral gericht op het ondersteunen van gemeenten en particulieren.



Funderingen en funderingsschade door bodemdaling

Voor zowel het landelijk als stedelijk gebied geldt dat funderingsschade door bodemdaling kan optreden. Hoewel de verantwoordelijkheid hiervoor in eerste instantie bij de eigenaar ligt, kunnen overheden gebiedsgericht wel oplossingen bieden en maatregelen nemen. Ook is er het Fonds Duurzaam Funderingsherstel; dit landelijke fonds helpt particulieren die geen marktconforme lening kunnen krijgen met noodzakelijk herstel van hun fundering. Bij de inrichting van de fysieke leefomgeving moet de impact op funderingen meegewogen worden. Decentrale overheden werken intensief samen, de Omgevingswet biedt juridische ruimte. De komende tijd zullen wij onze rol ten aanzien van funderingsschade verder gaan onderzoeken en invullen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 8. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van het tegengaan van CO2-uitstoot en remmen van bodemdaling in veenweidegebieden

Uitvoering geven aan beleid voor tegengaan CO2-uistoot en remmen bodemdaling in veenweidegebieden

Stimuleren

  • Taskforce Veenweide.

  • Samenwerkingsverband klimaatslim boeren Groene Hart.

  • Samenwerking IPO veenweideprovincies.

  • Kennisdeling en -ontwikkeling met verschillende partijen, nationaal, regionaal en lokaal (onder meer Veenweide Innovatie Programma NL, Veenweide Innovatie Centrum en Nationaal Onderzoekprogramma Veenweide).

Participeren

  • Nationaal Programma Veenweide (NPV)

Realiseren

  • Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027.

  • Opstellen van een Beleidsprogramma Bodem en Water 2028-2033 provincie Utrecht.

  • Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026-2035.

Reguleren

  • Regels voor het beperken van bodembewerking en om rekening te houden met de effecten van bodemdaling bij nieuwbouwplannen.

  • Regels en instrumenten voor het sturen op verkleining van droogleggingen.

Paragraaf 4.3 Toekomstbestendige natuur en landbouw

Natuur en landbouw zijn de twee grootste ‘ruimtegebruikers’ in het landelijk gebied. Ze leveren een belangrijke bijdrage aan de maatschappij. De provincie Utrecht draagt zorg voor het behoud en de verdere ontwikkeling van de natuur en ondersteunt de transitie naar een duurzame landbouw.



In de provincie hebben we het bos- en heidegebied van de Utrechtse Heuvelrug, maar ook het rivierengebied, het Veenweidegebied, de Eemvallei en het stedelijk gebied. Door de verscheidenheid aan natuursystemen zijn de natuurwaarden en biodiversiteit hoog en komen er in onze provincie veel bijzondere plant- en diersoorten voor. Tegelijkertijd staat de biodiversiteit onder druk.



Natuur biedt mogelijkheden voor recreatie, rust en verkoeling, zorgt voor zuivering van water en lucht en kan water bergen bij intensieve neerslag en hoogwater. De nabijheid van natuur trekt ook bedrijven aan. Voor de landbouw draagt een hoge biodiversiteit bij aan een rijk bodemleven, een goede bodemstructuur en aan de bestuiving van gewassen. De biodiversiteit staat echter door intensieve landbouw onder druk.



De landbouw heeft maatschappelijke waarde als voedselproducent en als beheerder van het landschap. Daarnaast biedt de landbouw mogelijkheden voor recreatie en zorg. Er is in onze provincie vooral ‘grondgebonden’ landbouw, zoals melkveehouderij en fruitteelt. De ‘opgaven’ waar we voor staan, hebben te maken met de natuur (waaronder stikstof), klimaatmitigatie, -adaptatie, de bodem, het water en het milieu. Landbouw kan niet meer overal, vaak zijn er voorwaarden aan het landgebruik gekoppeld. De provincie Utrecht pakt opgaven integraal en gebiedsgericht aan. Wij werken richting 2050 samen met onze partners toe naar een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en dierwaardig zijn, en die dicht bij de inwoners staan.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 13. Collage met sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema toekomstbestendige natuur en landbouw (bron: BVR i.s.m. provincie Utrecht, 2025)

Paragraaf 4.3.1 Rijke en veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving
Opgaven

Een rijke en veerkrachtige natuur is niet alleen van belang voor de natuur zelf, maar ook voor de samenleving. In een ‘natuurinclusieve’ samenleving genieten mensen van de natuur en houden ze ook rekening met de natuur. De biodiversiteit en de functies van het natuurlijk ecosysteem staan al langere tijd onder druk. Stikstofverbindingen en andere ‘nutriënten’ zorgen voor verzuring van de bodem en/of verhogen de voedselrijkdom. Dat leidt tot het verdwijnen van plantensoorten en daarvan afhankelijke diersoorten. De verontreiniging van bodem, water en lucht door onder andere gewasbeschermingsmiddelen leidt tot achteruitgang van de plant- en diersoorten. De natuur is verder versnipperd geraakt, de kwaliteit van bestaande natuurgebieden gaat achteruit en buiten de natuurgebieden is minder plek voor wilde dieren en planten.



Door intensief ruimtegebruik en door bijvoorbeeld woningbouw en de aanleg van bedrijventerreinen komt de natuur verder in de verdrukking. Droogte door klimaatverandering en wateronttrekkingen leidt vooral op de hogere delen van de Utrechtse Heuvelrug tot problemen. Daarnaast leiden ingrepen in de waterhuishouding tot verdroging van veengebieden en de flanken van de Utrechtse Heuvelrug. Ook verdringen invasieve exoten inheemse soorten. Daarbij is de behoefte aan recreatie en dus de druk op natuurgebieden toegenomen en kunnen evenementen leiden tot piekdrukte en tijdelijke verstoring van de natuur. Ook hierdoor neemt de biodiversiteit af en verdwijnen planten en dieren.



Het voorgaande betekent dat er grote opgaven liggen om de staat van de natuur te herstellen (zie kaart 9: Opgavekaart Rijke en veerkrachtige natuur en natuurinclusieve samenleving). In het bijzonder gaat het om de soorten en habitats (leefgebieden) die zijn aangewezen in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (VHR). Daarvan is in de Europese Natuurherstelverordening vastgelegd wanneer herstelmaatregelen moeten zijn genomen. Dit betekent onder andere dat Natura 2000-gebieden niet mogen verslechteren en dat er herstelmaatregelen in en buiten Natura 2000-gebieden getroffen moeten worden. Ook is er een forse, verplichte opgave voor extra natuur en meer agrarisch natuurbeheer. Het gaat hierbij onder meer om bepaalde bostypen, moeras en weidevogelgraslanden.



De realisatie en versterking van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en van robuuste ecologische structuren, ecologische verbindingszones en groenblauwe dooradering is nodig voor het bereiken van onze doelstellingen. Op plekken waar deze verbindingen infrastructuur kruisen, kunnen knelpunten ontstaan die door middel van faunapassages kunnen worden opgelost. Ook buiten natuurgebieden zal de biodiversiteit moeten worden hersteld om te zorgen voor een gunstige staat van instandhouding van van nature in het wild voorkomende soorten. Op basis van het klimaatakkoord hebben we een opgave voor het revitaliseren en uitbreiden van bos. Deze opgave kan ook bijdragen aan de doelstellingen op het gebied van biodiversiteit.



De vraag naar meer groen en meer natuur stijgt; het aantal bezoeken aan de natuur neemt in de komende jaren naar verwachting verder toe. Niet alleen doordat het aantal inwoners stijgt, maar ook door meer bezoekers uit binnen- en buitenland. Dit zorgt voor kansen voor de bewustwording van natuur en natuureducatie, maar legt ook een druk op de natuur.

Ambities
  • 2050: de biodiversiteit is ten opzichte van 1990 toegenomen. In overeenstemming met de nationaal- en internationaalrechtelijke verplichtingen zijn dier- en plantensoorten die van nature in Utrecht in het wild voorkomen behouden en hersteld. Dit geldt ook voor hun biotopen en habitats zowel in landelijk als stedelijk gebied.

  • 2050: we voldoen aan de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura 2000-gebieden gelegen in de provincie Utrecht.

  • 2030: verslechtering van de Natura 2000-gebieden is gestopt en herstelmaatregelen voor de Natura 2000-gebieden zijn met prioriteit uitgevoerd, met name voor de meest stikstofgevoelige natuur.

  • 2050: de provincie Utrecht heeft een robuust, klimaatbestendig natuurnetwerk van hoge kwaliteit. De kwaliteit van het NNN is hersteld.

  • 2030: alle nieuwe natuur die al van functie is veranderd is met hoogwaardige natuur ingericht.

  • 2035: alle nieuwe natuur die nog nodig is voor het NNN heeft de functie natuur en is met hoogwaardige natuur ingericht. We zetten ons maximaal in op eerdere realisatie.

  • 2040: in totaal is 3.000 hectare natuur in de ‘Groene contour’ gerealiseerd en toegevoegd aan het NNN.

  • 2050: natuurgebieden zijn verbonden door robuuste ecologische structuren, ecologische verbindingen en faunavoorzieningen. 10% van het landelijk gebied bestaat uit groenblauwe dooradering.

  • 2030: 5% van het landelijk gebied bestaat uit groenblauwe dooradering.

  • 2050: bossen zijn uitgebreid, vitaal, toekomstbestendig, beschermd en maatschappelijk gewaardeerd.

  • 2040: bossen zijn uitgebreid met 1500 hectare in het NNN, de Groene contour of ook daarbuiten (vanaf 2020) en zijn vitaal.

  • 2050: de provincie Utrecht heeft een natuurinclusieve samenleving en er is een grote maatschappelijke betrokkenheid bij natuur. De natuur heeft een hoge belevingswaarde.

Onze overkoepelende ambitie is een rijke veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving. Dit doel bereiken we als provincie niet alleen, maar samen met onze partners, waaronder het Rijk. Waarbij we afhankelijk zijn van randvoorwaarden en condities van anderen, waaronder de beschikbare middelen. Voor natuur komt een groot deel van onze ambities direct voort uit (inter)nationale afspraken en wettelijke kaders, waaronder de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn, de Europese Natuurherstelverordening en de Omgevingswet. Deze ambities hebben we niet alleen om zorg te dragen voor de natuur zelf, maar ook voor een gezonde leefomgeving voor de inwoners, nu en voor de toekomstige generaties. In de box Europese natuurherstelverordening is een samenvatting van de doelen uit de in 2024 vastgestelde Natuurherstelverordening opgenomen.

Box Europese natuurherstelverordening

De box is hier te lezen: Box Europese natuurherstelverordening

afbeelding binnen de regeling

Kaart 9. Opgavekaart Rijke en veerkrachtige natuur en natuurinclusieve samenleving, thema Toekomstbestendige natuur en landbouw. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van natuur. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Biodiversiteit in onze provincie Utrecht

De kern van ons natuurbeleid is het behouden en herstellen van de biodiversiteit, het beschermen en ontwikkelen van beleefbare natuur en het stimuleren van een natuurinclusieve samenleving. Biodiversiteit gaat over alle van nature in het wild voorkomende dier- en plantsoorten, maar ook over andere organismen, zoals paddenstoelen. Veel bijzondere en beschermde plant- en diersoorten komen alleen voor in natuurgebieden, maar er zijn ook veel soorten waarvan een belangrijk deel van het leefgebied in de stad of in het agrarisch gebied ligt. Voor het voortbestaan van soorten is het essentieel dat hun leefgebieden met elkaar verbonden zijn.

Voor herstel van de natuur en de biodiversiteit is het op orde brengen van de water- en bodemcondities en het omlaag brengen van ‘drukfactoren’ een voorwaarde. Het natuurbeleid is in belangrijke mate verweven met het klimaat-, bodem-, water-, landbouw- en milieubeleid. Het natuurbeleid richt zich zowel op de natuurgebieden als op de gebieden daarbuiten.

Natuurgebieden en -verbindingen

We werken aan het beschermen, verder ontwikkelen en onderling verbinden van natuurgebieden.



Natura 2000-gebieden

We zetten ons beleid allereerst in om verdere verslechtering van de Natura 2000-gebieden te voorkomen en waar nodig beschermde soorten en habitats te herstellen. Herstelmaatregelen baseren we op de Natuurdoelanalyses (NDA’s), de beoordeling van die analyses door de Ecologische Autoriteit en de op basis daarvan vastgestelde Natura 2000-beheerplannen. Om de natuur in de Natura 2000-gebieden te herstellen, worden zowel in als in een zone rondom de Natura 2000-gebieden maatregelen genomen. In deze overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebieden worden essentiële percelen ingericht als natuur, komt hydrologisch systeemherstel tot stand (terugbrengen van een watersysteem naar een natuurlijkere staat) en wordt de verbinding met andere natuurgebieden verbeterd. In de directe nabijheid van stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden komen stikstofzones waar nog maar zeer beperkt dierlijke mest en geen kunstmest mag worden uitgereden. Ook stimuleren we daar extensievere en natuurinclusieve landbouw. Binnen Natura 2000-gebieden moet het uitrijden van mest vrijwel helemaal stoppen. In de hele provincie dringen we de uitstoot van ammoniak terug (zie paragraaf 4.2.2). Hiervoor nemen we regels op in de Omgevingsverordening. We blijven in het kader van het (landelijke) Verbeterprogramma VHR-Monitoring monitoren wat nodig is voor natuurherstel en passen waar nodig ons beleid aan.



Natuurnetwerk Nederland

We werken aan een klimaatbestendig en robuust Natuurnetwerk Nederland (NNN). We beschermen onze natuurgebieden en zorgen voor voldoende omvang, kwaliteit en samenhang. We werken aan een hoge natuurkwaliteit. Dit doen we met passend natuurbeheer en door de abiotische omstandigheden te verbeteren. Daarnaast pakken we belangrijke drukfactoren aan, zoals waterkwaliteit, beschikbaarheid van water, stikstof, nutriënten uit meststoffen, schadelijke gewasbeschermingsmiddelen en invasieve exoten. Door middel van functieverandering en inrichting gaan we onverminderd door met het realiseren van de nog resterende hectares uit het natuurpact. Deze hectares worden ingericht met hoogwaardige natuur die bijdraagt aan (inter)nationale verplichtingen op het gebied van biodiversiteit, zoals het herstel van Natura 2000-gebieden of van soorten en habitats van de Vogel- en Habitatrichtlijn. We geven aan welke percelen essentieel zijn en passen indien nodig de begrenzing aan. In de Omgevingsverordening is de meest actuele begrenzing opgenomen.



In de Omgevingsverordening zijn regels opgenomen om het Natuurnetwerk Nederland (NNN) te beschermen en zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN vastgelegd. Zoals in de Omgevingswet is vastgelegd, moeten de oppervlakte, samenhang en kwaliteit behouden en verbeterd worden. We zetten in op het voorkomen van aantasting. Hieronder vallen ook tijdelijke aantastingen, bijvoorbeeld door evenementen. Hierop zijn alleen onder strenge voorwaarden uitzonderingen mogelijk, bijvoorbeeld als een ontwikkeling een aantoonbare meerwaarde heeft voor de natuur.



Cultuurhistorische waarden en natuurwaarden hangen sterk samen. Het binnen het NNN gelegen erfgoed, zoals de historische buitenplaatsen, cultuurlandschappen en het militaire erfgoed, zijn zowel historisch van belang als voor de natuur. Dat biedt kansen voor een gezamenlijke aanpak.



Binnen het NNN ligt niet alleen natuurgebied; er zijn ook terreinen met een andere functie, zoals agrarisch gebied, vakantieparken, zorginstellingen en defensieterreinen. Het behoud van een groene inrichting van deze terreinen draagt bij aan de kwaliteit van het NNN.



Het gebied waar de militaire terreinen Leusderheide en Vlasakkers liggen, kunnen we niet aanwijzen als NNN, maar wel als ‘ Militair oefenterrein met bijzondere natuurwaarden ’. We houden contact over het behoud van die bijzondere waarden en op het moment dat het militaire gebruik eindigt, voegen we beide terreinen toe aan het NNN.



Met name op de Utrechtse Heuvelrug is er sprake van een verhoogd risico op onbeheersbare natuurbranden. Door klimaatverandering, met langere periodes met droogte, neemt het risico op natuurbranden toe. De provincie werkt, mede vanuit dit natuurbelang, aan preventieve maatregelen, samen met de Veiligheidsregio Utrecht, gemeenten, terreinbeheerders en beheerders van infrastructuur.



Groene contour

De Groene contour helpt om het NNN voldoende robuust te maken en het leefgebied voor planten en dieren te versterken. We onderzoeken of binnen de Groene contour (en de nog te realiseren natuur binnen NNN) meer natuuropgaven, zoals de opgaven voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten en herstel Natura 2000-gebieden, gerealiseerd kunnen worden. We gaan hierbij na welke natuuropgaven gecombineerd moeten of kunnen worden en of daar de begrenzing op moet worden aangepast. In het Akkoord van Utrecht is afgesproken om 3.000 hectare Groene contour te realiseren. Een deel is in de Omgevingsverordening nog niet op de kaart gezet. Deze hectares zetten we ook in voor 'natuuropgaven’. In de Omgevingsverordening is de bescherming van de Groene contour uitgewerkt.



Bossen, bomen en houtopstanden

Het versterken van de veerkracht en vitaliteit van onze bossen is nodig omdat bossen onder druk staan, onder andere door verzuring, vermesting en klimaatverandering. Een langetermijnvisie is noodzakelijk, omdat maatregelen soms pas over twintig, vijftig of zelfs honderd jaar zichtbaar zijn. Uitbreiding van bos en bomen en houtopstanden vindt zowel binnen als buiten het NNN en de Groene contour plaats. In het agrarisch gebied maken bomen onderdeel uit van de groenblauwe dooradering. Boeren kunnen ook meer bomen planten (‘agroforestry’) en er moet meer bos komen in en rondom steden en dorpen, onder andere in het kader van het project Groen Groeit Mee.

Gezien de opgaven voor klimaatneutraliteit en duurzaamheid en de vraag naar duurzame producten, is het gewenst om meer gebruik te maken van lokaal geproduceerd hout. De provincie Utrecht ambieert een lichte toename van de houtoogst voor duurzaam gebruik en hoogwaardige toepassingen.

De bossen en bomen die geen onderdeel uitmaken van wat heet 'de gemeentelijke begrenzing houtkap’, vallen in de categorie 'houtopstanden’. Houtopstanden zijn beschermd onder de Omgevingswet, waaraan de provincie invulling geeft met behulp van vergunningverlening en handhaving. Waardevolle houtopstanden, oude bosgroeiplaatsen en waardevolle kleine landschapselementen beschermen we extra in de Omgevingsverordening. Dit vanwege hun bijzondere waarden voor de natuur, cultuurhistorie en het landschap.

Natuurverbindingen

Voor het functioneren van het NNN zijn natuurverbindingen nodig waarlangs planten en dieren zich makkelijk kunnen verplaatsen. Dit is ook van belang voor de uitwisseling van genetisch materiaal tussen verschillende populaties, waardoor de planten en dieren gezond en veerkrachtig blijven. Verbindingen dragen bij aan herstel van natuurgebieden (waaronder de Natura 2000-gebieden). Ook zorgen verbindingen ervoor dat soorten flexibel zijn als leefomstandigheden veranderen. Door verbindingen kunnen soorten voldoende voedsel vinden en zich voortplanten. Dit onderwerp is alleen maar belangrijker geworden door de klimaatverandering. Het is belangrijk om versnippering te voorkomen. Daarnaast zetten we in op het realiseren en verbeteren van robuuste ecologische structuren, ecologische verbindingen en groenblauwe dooradering (zie box Natuurverbindingen). Bij knelpunten met infrastructuur zijn faunavoorzieningen (zoals een ecoduct of een tunnel) nodig. Groenblauwe dooradering draagt ook bij aan de ‘connectiviteit’. We beheren bermen en sloten langs de wegen en watervaarwegen op een ecologisch verantwoorde manier en stimuleren partners om natuurvriendelijke oevers en kleine landschapselementen aan te leggen. We werken in het beleidsprogramma Natuur de natuurverbindingen inclusief de oplossingen voor knelpunten met infrastructuur verder uit.

Box Natuurverbindingen

De box is hier te lezen: Box Natuurverbindingen

Planten en dieren

Als provincie zijn we verantwoordelijk voor het behoud en herstel van de van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Onder andere het beleid zoals beschreven onder ‘natuurgebieden en verbindingen’ en onder ‘bodem en water’ (Paragraaf 4.2 Klimaatbestendig en waterrobuust) draagt hieraan bij.



Beschermde- en bedreigde soorten

De verantwoordelijkheid van de provincie wordt extra groot als het gaat om soorten die zijn opgenomen in de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en voor bedreigde soorten die op een ‘rode lijst’ staan. Deze soorten moeten we in een gunstige staat van instandhouding brengen. Indien nodig wordt een leefgebied verbeterd en/of vergroot. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om het inrichten van extra moeras of open natuur, maar we kiezen er ook voor om agrarische en stedelijke natuur een stimulans te geven.



Voor de beschermde soorten voorkomen we verslechtering onder meer via vergunningverlening en handhaving onder de Omgevingswet. Wie iets wil in de fysieke leefomgeving moet rekening houden met natuurwetgeving; we willen dat dit in een vroeg stadium gebeurt. We stimuleren het werken met 'soortmanagementplannen’ en werken aan het beheersen dan wel uitroeien van invasieve exoten ter bescherming van de inheemse flora en fauna.



Weidevogels

Voor het voortbestaan van diverse weidevogels, en vooral de grutto, heeft Nederland in internationaal verband een grote verantwoordelijkheid. Deze soorten zijn beschermd onder de Vogelrichtlijn. In het NNN ligt een aantal natuurgebieden waar veel weidevogels voorkomen. Ook de agrarische open graslanden zijn voor die vogels van belang. In de agrarische weidevogelkerngebieden stimuleren we verbetering van de kwaliteit van het gebied, onder andere via agrarisch natuurbeheer. Om aan internationale doelen te voldoen, moet het leefgebied van weidevogels verbeterd en uitgebreid worden. Dat kan in de weidevogelkerngebieden en in omliggende gebieden. We werken het beleid verder uit en passen zo nodig via de Omgevingsverordening de begrenzingen aan.



Naast een goed beheer zijn in weidevogelleefgebied belangrijk: openheid van het landschap, rust en een hoog grondwaterpeil voor weidevogels. We beschermen weidevogelkerngebieden met in de Omgevingsverordening opgenomen instructieregels. De stand van de weidevogels wordt in de gaten gehouden; zo nodig wordt de begrenzing van de weidevogelkerngebieden aangepast.



Bestuivers

Bestuivers waaronder bijen en andere insecten nemen af in onze provincie. Hoe we die trend proberen te keren en het aantal ‘bestuivers’ weer willen zien groeien, beschrijven we in het Beleidsprogramma Natuur.



Algemene soorten/ Basiskwaliteit Natuur

We zetten ons samen met onze partners in voor het behouden en versterken van de Basiskwaliteit Natuur.

Basiskwaliteit Natuur is een minimumniveau van ecologische voorwaarden die nodig zijn om algemene soorten algemeen te houden en ecosystemen duurzaam in stand te houden, met name buiten natuurgebieden.



Schadebestrijding

Samen met de Faunabeheereenheid Utrecht zetten we in op het voorkomen van schade veroorzaakt door in het wild levende dieren en het voorkomen van aanrijdingen met in het wild levende dieren. Indien schadebestrijding onafwendbaar is, stimuleren we via het Omgevingsprogramma Faunabeleid en Monitoring de diervriendelijkste methode hiervoor.



Ganzen

In ganzenrustgebieden geven wij ruimte aan overwinterende ganzen. In deze gebieden geldt dat ganzen in bepaalde periodes niet verontrust en bejaagd mogen worden en wordt de foerageerfunctie (het feit dat ganzen hier voedsel kunnen vinden) beschermd. Buiten deze gebieden zijn meer mogelijkheden voor verjaging. We onderzoeken hoe we de bescherming in deze gebieden meer in balans kunnen brengen met andere ontwikkelingen die bijdragen aan onze provinciale belangen.

Natuurinclusieve samenleving

Beleving

Beleving van de natuur draagt bij aan de brede welvaart van de mens. Daarom moet natuurgebied zoveel mogelijk worden opengesteld. Hierbij onderzoeken wij of zonering en het aanwijzen van rustgebieden bij kan dragen aan een balans tussen recreatie en natuur (zie box Paragraaf 4.7.2 Recreatie en toerisme). Gebieden voor dagrecreatie in het NNN zijn bedoeld voor recreatie, maar ook om recreanten beter te spreiden in een gebied. Door onder andere onze inzet op Groen Groeit Mee, groenblauwe dooradering en natuurinclusieve landbouw kan het landelijke gebied aantrekkelijker en toegankelijker worden voor recreanten. Dit helpt om een betere balans te bereiken tussen natuur en recreatie.



Natuur in het agrarisch gebied

Voor het herstel van de biodiversiteit in het landelijk gebied is natuurinclusieve landbouw van groot belang (zie ook Paragraaf 4.3.2 Duurzame landbouw). Daarnaast streven we ook in het agrarisch gebied naar een Basiskwaliteit Natuur. Hieraan dragen een groenblauwe dooradering van het landschap en agrarisch natuurbeheer bij.



Natuur in de stad

We werken samen met onze partners aan het creëren van stadsnatuur. Dat doen we onder andere door het stimuleren van ‘natuurinclusief ontwikkelen’, waarbij zaken als groene daken, gevelbeplanting en nestkasten voor vogels en vleermuizen onderdeel worden van een bouwplan. Ook de ‘groenbeleving’ in de stad willen we aanwakkeren: meer natuur in de buurt en meer groene buurtprojecten. Vrijwilligerswerk stimuleren en meer natuureducatie helpt ook en dit alles draagt bij aan een grotere sociale samenhang in een buurt. Voor maximale impact focussen we in het begin op de meest ‘versteende’ wijken (zie paragraaf 4.8 Gezonde omgeving en vrije tijd).



Natuurinclusief ontwikkelen

Natuurinclusief ontwikkelen, met aandacht voor de specifieke eisen voor beschermde en niet beschermde soorten, heeft een positief effect op de staat van instandhouding van deze soorten en leidt tot versterking van de biodiversiteit en de ontwikkeling en het behoud van een Basiskwaliteit Natuur. Tegelijkertijd levert het een bijdrage aan een prettige leefomgeving, aan de mogelijkheden voor natuurbeleving in de stad en in het landelijk gebied en daarmee ook aan het welzijn en de gezondheid van mensen. We nemen natuurinclusief als uitgangspunt bij alle ruimtelijke ontwikkelingen en we stimuleren en ondersteunen gemeenten, woningcorporaties, projectontwikkelaars en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van natuurinclusieve maatregelen bij nieuwbouw, energietransitie, renovatie en/of het natuurinclusief (her-)inrichten van de openbare ruimte.



Maatschappelijke betrokkenheid

De provincie ondersteunt organisaties binnen en buiten de stad die met vrijwilligers werken en groene activiteiten voor inwoners organiseren. Vrijwilligers zijn onmisbaar in de monitoring en het beheer van natuur. Samen met maatschappelijke partners ondersteunen we innovatieve projecten die de binding tussen natuur en de inwoners en bedrijven versterken. Dit draagt bij aan de waardering van natuur en vergroot daarmee het draagvlak voor (investeringen in) natuurbeheer en natuurontwikkeling.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 10. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van een veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving

Uitvoering geven aan beleid voor veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving

Stimuleren

  • Subsidies voor natuurherstel en natuurbeheer

Participeren

  • Programma Groen Groeit Mee.

  • Platform groenblauwe dooradering.

  • Gebiedsontwikkeling Hart van de Heuvelrug.

Realiseren

  • Strategisch bosbeleid ‘Meer en beter bos voor Utrecht’.

  • Landschapsuitvoeringsplan.

  • Opstellen beleidsprogramma Natuur (vervangt Natuurvisie en beleidskader Wet natuurbescherming).

  • Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026-2029.

  • Beleidsprogramma Faunabeleid en monitoring.

Reguleren

  • Instructieregels voor bescherming van Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000-gebieden, Groene contour gebieden, weidevogelkerngebieden en waardevolle houtopstanden oude bosgroeiplaatsen.

  • Activiteitenregels voor bescherming van Natura 2000-gebieden, ganzenrustgebieden, kleine landschapselementen en houtopstanden.

Paragraaf 4.3.2 Duurzame landbouw
Opgaven

In het landelijk gebied moet veel gebeuren met betrekking tot stikstof (afname van de uitstoot en vergunningverlening), de natuur, klimaatmitigatie en -adaptatie, de bodem en het water en de volksgezondheid. Al deze opgaven en de aanpassingen die dit vraagt hebben invloed op de bedrijfsvoering van de agrariërs in onze provincie. Voorbeelden van maatregelen zijn: het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen verlagen, zorgen voor groenblauwe dooradering en meer ‘agroforestry’, meer biologisch areaal realiseren en agrarisch natuurbeheer (zie kaart 11: Opgavekaart Duurzame landbouw). Een transitie van de landbouwbedrijven is aanstaande en dat vraagt om aanpassingen van de agrarische bedrijfsvoering die van invloed zijn op het financieel-economisch perspectief van de sector. Dat perspectief moet er wel zijn en dus is het tijd voor duidelijk beleid van de overheid.



Bijna de helft (46%) van het grondgebied van de provincie Utrecht wordt gebruikt voor landbouwdoeleinden. Ook is de agrarische sector is beheerder van ons aantrekkelijke cultuurlandschap. Twee op de drie Utrechtse landbouwbedrijven hebben nevenactiviteiten, zoals agrarisch natuurbeheer, agrotoerisme, zorg, educatie of de verwerking en verkoop van landbouwproducten. Daarnaast zien we een opkomst van lokale gemeenschapslandbouw; dat gaat om burgers die collectief voedsel inkopen bij de agrariër of zich voor langere tijd aan een agrarisch bedrijf verbinden.



Er zijn veel agrarische bedrijven in de provincie die stoppen; tot 2030 komt ongeveer 1,3 miljoen vierkante meter aan agrarische bebouwing vrij. Voorkomen moet worden dat er leegstand of ondermijnend gebruik plaatsvindt of dat het landschap wordt aangetast.

Ambities
  • 2050: een landbouwsector met economisch rendabele bedrijven die circulair, natuurinclusief, klimaatneutraal en dierwaardig zijn (kringlooplandbouw) en dicht bij de inwoners staan.

  • 2030: minimaal 50% van de grondgebonden bedrijven heeft een natuurinclusieve bedrijfsvoering.

  • 2030: de nutriëntenkringlopen zijn op het laagst mogelijke niveau gesloten (kringlooplandbouw). Daarnaast is de sector een rol gaan spelen in de productie en opslag van duurzame energie. De provincie Utrecht is een voorbeeld voor andere gebieden in de verbinding stad-land en heeft een vitale, duurzame landbouwsector. Die is met name gericht op voedselproductie, met bijbehorend verdienmodel. De provincie heeft een agrarisch cultuurlandschap dat toegankelijk en aantrekkelijk is om in te recreëren.

  • 2030: op minimaal 15% van het landbouwareaal wordt een biologische bedrijfsvoering toegepast, in lijn met de landelijke doelstellingen. We willen deze ontwikkeling voortzetten richting 2050.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 11. Opgavekaart Duurzame landbouw, thema Toekomstbestendige natuur en landbouw. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van landbouw. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Op weg naar een kringlooplandbouw

Het sluiten van kringlopen binnen agrarische ondernemingen moet op een zo laag mogelijk niveau gebeuren. Dit betekent dat stoffen als koolstof en stikstof continu worden hergebruikt, waarbij er geen stoffen verloren gaan of worden toegevoegd.



Onder kringlooplandbouw verstaan we: agrarische biomassa en de daarin opgeslagen voedingsstoffen worden vastgehouden in het voedselsysteem. Er wordt rekening gehouden met het opbrengend vermogen van de bodem. Door zuinig om te gaan met schaarse grondstoffen en minder biomassa te verspillen, hoeven minder voedingsstoffen van elders te worden aangevoerd in de vorm van bijvoorbeeld kunstmest en geïmporteerd veevoer.



De landbouw in de provincie Utrecht bestaat voor een groot deel uit veehouderij. Daarom willen we op het gebied van kringlooplandbouw samenwerken met gebieden die meer akkerbouw hebben, zoals Flevoland. Door uitwisseling van mest en gewassen kunnen bedrijven hun afvalstoffen hergebruiken, wat leidt tot minder afval en een efficiënter gebruik van grondstoffen.



De Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw (UMDL) biedt melkveehouders en fruittelers inzicht in Kritische Prestatie Indicatoren (KPI's) van het eigen bedrijf. Met behulp van die KPI’s kunnen doelen worden gesteld voor onder andere water, de bodem, de natuur en klimaatmitigatie. Kennisuitwisseling is ook een belangrijk onderdeel van de UMDL, waarmee we natuurinclusieve kringlooplandbouw willen stimuleren



Naast het sluiten van kringlopen is het voorkomen van voedselverspilling belangrijk. Waar dat niet mogelijk is, moet voedsel worden verwerkt tot nieuwe grondstoffen voor veevoer of voor hoogwaardige materialen. Het composteren of verbranden van voedsel zijn de minst wenselijke opties.

Natuurinclusieve landbouw

Onder natuurinclusieve landbouw verstaan we: een vorm van duurzame landbouw die optimaal gebruik maakt van de natuurlijke omgeving en die integreert in de bedrijfsvoering. Natuurinclusieve landbouw bestaat uit drie onderdelen:

  • Het inzetten van natuurlijke processen als alternatief voor externe ‘inputs’, zoals kunstmest en chemische gewasbeschermingsmiddelen ('benutten').

  • Het verminderen van de impact van ongewenste emissies op de natuur ('sparen').

  • Het zorgen voor de natuur, biodiversiteit en het landschap door het nemen van maatregelen gericht op specifieke soorten of landschapselementen (‘verrijken’).

De landbouw wordt natuurinclusiever door agrarisch natuurbeheer, waardoor boerenlandvogels weer talrijk aanwezig zijn en sloten rijk zijn aan biodiversiteit. Ook kunnen boeren kleine landschapselementen creëren of samenwerken met terreinbeherende organisaties bij het beheer van bepaalde natuurtypen. Ook agroforestry kan een belangrijke rol spelen in de verbinding tussen landbouw en natuur. Voedselbossen zien wij ook als een vorm van agroforestry, waarmee Utrechtse boeren voedsel kunnen produceren, de agrarische productie kunnen ondersteunen en een bijdrage kunnen leveren aan onder andere het landschap, de recreatiemogelijkheden en klimaatmitigatie en -adaptatie.



Een gezonde en vitale landbouwbodem:

  • is een belangrijke basis voor goede voedselproductie;

  • helpt bij het verwerken van overtollig water bij zware regenval;

  • helpt tegen uitspoeling van nutriënten (waaronder stikstof en fosfor) naar het grond- en oppervlaktewater;

  • bevat veel biodiversiteit;

  • heeft geen ‘verdichte’ lagen (samengedrukt, waardoor gewassen minder goed hun wortels kwijt kunnen);

  • heeft een organisch stofgehalte (percentage plantaardig en dierlijk materiaal dat is afgebroken) dat op peil blijft of zelfs toeneemt.

  • De provincie ondersteunt de kennisontwikkeling die nodig is en het uitrollen van bewezen maatregelen.

Natuurinclusieve landbouw vraagt om ‘teeltsystemen’ die tegen een stootje kunnen. Ter bescherming wordt bij het bestrijden van plagen zoveel mogelijk gebruik gemaakt van natuurlijke vijanden (zoals roofmijten en sluipwespen) om het natuurlijk systeem te herstellen. Dit draagt bij aan de vermindering van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen. Als provincie willen we het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen maximaal terugdringen. We gaan een integraal provinciaal uitvoeringsprogramma voor gewasbeschermingsmiddelen uitwerken, dat de impact en het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen minimaliseert.



In de Omgevingsverordening verbieden we op percelen de omschakeling naar sierteelt op volle grond. Onder sierteelt verstaan we bollenteelt, bloemen, bomen en vaste planten, omdat bij de teelt van deze gewassen relatief veel chemische gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Deze middelen hebben een negatief effect op de waterkwaliteit en volksgezondheid. Een uitzondering wordt gemaakt voor sierteelt die geen gebruik maakt van die middelen.



Manieren voor de landbouwsector om klimaatneutraal te zijn: energiebesparing, energieproductie (voor het eigen bedrijf en/of voor anderen), koolstofopslag in de bodem, in gewassen en in hout, en het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen (CO₂, lachgas en methaan).

Klimaatmitigatie

Klimaatmitigatie vormt een essentieel onderdeel van een toekomstbestendige Utrechtse landbouw. Verdere opwarming van onze leefomgeving heeft namelijk directe gevolgen voor de bodemkwaliteit, waterbeschikbaarheid en biodiversiteit in de provincie. Door gericht maatregelen te nemen kan de landbouwsector niet alleen zijn eigen kwetsbaarheid verminderen, maar ook actief bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering. Het toepassen van klimaatvriendelijke teeltmethoden, het verlagen van (methaan)emissies uit veehouderij en bodem, het vergroten van koolstofvastlegging via bodembeheer en in biobased bouwmaterialen, en het stimuleren van circulaire en natuurinclusieve bedrijfsvoering zijn hierbij cruciaal.

Stikstof

De depositie van stikstof (stikstofverbindingen die vanuit de lucht op de bodem, in het water of op de gewassen neerkomen) is in de provincie Utrecht een belangrijke oorzaak voor het niet halen van de Natura 2000-doelstellingen. Vermindering ervan is nodig om de achteruitgang van kwetsbare natuurgebieden een halt toe te roepen en natuurherstel mogelijk te maken. Dit is ook noodzakelijk om tot houdbare en duurzame vergunningverlening te kunnen komen. Daarvoor moeten we maatregelen nemen die gericht zijn op het herstel van natuur en het kunnen onderbouwen van additionaliteit. Het ‘additionaliteitsvereiste’ stelt dat vrijkomende stikstofdepositieruimte alleen mag worden gebruikt voor de verlening van vergunningen, als vaststaat dat die stikstofdepositieruimte niet nodig is om verslechtering van Natura 2000-gebieden te voorkomen en perspectief te houden op herstel. Anders gezegd, de stikstofreductie moet extra zijn ten opzichte van wat er nodig is om verslechtering van de natuur te voorkomen én te kunnen zorgen dat de natuur zich kan herstellen.



De provincie Utrecht is vanuit de Omgevingswet ‘bevoegd gezag’ voor het verlenen van natuurvergunningen, bijvoorbeeld voor de agrarische sector, woningbouwbedrijven, energiebedrijven en aanbieders van mobiliteitsoplossingen. Momenteel verloopt vergunningverlening moeizaam, omdat de additionaliteit, moeilijk onderbouwd kan worden, omdat veel natuur achteruitgaat. Om vergunningverlening op termijn (regionaal) weer mogelijk te maken is het zaak dat er juridisch geborgde plannen opgesteld worden die voldoende zekerheid bieden dat natuurherstel met deze plannen gaat optreden. Met ‘borging’ wordt in dit kader bedoeld dat het behalen van de doelen in wet- en regelgeving onontkoombaar wordt gemaakt. Om tot houdbare en duurzame vergunningverlening te kunnen komen, moeten we maatregelen nemen die gericht zijn op het herstel van natuur en het kunnen onderbouwen van additionaliteit. Als provincie zijn we in onze aanpak voor stikstofreductie sterk afhankelijk van het Rijk, want het stikstofbeleid van de provincies is aanvullend op het beleid van het Rijk.



In de gehele provincie willen we in 2035 de ammoniakemissie met 46% hebben teruggebracht ten opzichte van 2019. Dit willen we bereiken via twee sporen, een generiek en gebiedsspecifiek spoor. De generieke aanpak betreft het provinciebreed terugdringen van ammoniakuitstoot. Dat moet worden bereikt door de autonome ontwikkeling, landelijke opkoopregelingen en door het stoppen van ‘derogatie’, waardoor agrariërs minder mest mogen uitrijden op hun percelen. Als provincie zetten we voor de grondgebonden veehouderij in op reducties door voer- en managementmaatregelen (zoals minder eiwitrijk voeren en vee meer uren in de wei laten staan), geborgd via een emissieplafond per hectare. Niet-grondgebonden veehouderij is niet functioneel gebonden aan een locatie in het landelijk gebied en draagt minder bij aan het beheer daarvan. Het voer wordt meestal vanaf een andere plek aangevoerd en de mest wordt afgevoerd. Voor de niet-grondgebonden veehouderij zetten we in op stalinnovaties (met als uitgangspunt: toepassing van de beste beschikbare technieken) en managementmaatregelen om de emissies te reduceren. De reducties willen we via de Omgevingsverordening borgen middels een emissieplafond per hectare voor de grondgebonden landbouw en een emissieplafond per gerealiseerde dierplaats voor niet grondgebonden veehouderij, met als doeljaar 2035.

Gebiedsgericht worden ook maatregelen getroffen. Zo mag binnen N2000-gebieden geen bemesting meer plaatsvinden. Ook rondom zes van onze stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zorgen we voor een reductie van stikstofemissie en -depositie, namelijk middels een stikstofzone van 250 meter rondom de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden (het Habitatrichtlijn deel daarvan) met binnen deze zone beperkte mestaanwending. Voor alle negen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden geldt bovendien een maatwerkaanpak stalemissies. Bedrijven met grote stallen en veel vee zullen hun uitstoot verder moeten verlagen. Dit kan ook buiten de stikstofzone van 250 meter het geval zijn. Hoe sterker we hier de emissies weten te beperken, des te meer ruimte we kunnen bieden aan de rest van het landelijk gebied. We blijven als provincie de staat van de natuur monitoren en indien nodig passen we ons beleid hierop aan.

Dierenwelzijn en volksgezondheid

We streven in onze provincie naar een dierwaardige veehouderij. Daarmee sluiten we aan bij het rijksbeleid en de regelgeving voor dierenwelzijn. We vinden het belangrijk dat de veehouderij voldoet aan de zes principes van ‘dierwaardigheid’, zoals geformuleerd door de Raad voor Dieraangelegenheden (RDA). In deze principes staan het welzijn en de gezondheid van dieren centraal. De provincie stimuleert de sector om verder te gaan dan wat wetgeving vereist en heeft om dat voor elkaar te krijgen onder andere subsidies ter beschikking. In gebiedsprocessen is aandacht voor dierenwelzijn, bijvoorbeeld bij het nemen van emissiereducerende maatregelen. In de provinciale Omgevingsverordening is verbetering van dierenwelzijn opgenomen als voorwaarde bij vergroting van het bouwvlak.

Hitte en droogte (als gevolg van klimaatverandering) hebben invloed op het welzijn van dieren. Bij het voorkomen van hittestress hebben natuurlijke oplossingen de voorkeur, zoals een groenblauwe dooradering van weilanden en agroforestry.

Emissiereducerende maatregelen in de stal, op het bedrijf en in het gebied zijn verweven met verbetering van luchtkwaliteit en hebben ook positieve invloed op de humane gezondheid. Met betrekking tot de geitenhouderij hebben we momenteel de zogeheten ‘geitenstop’. Vestiging en uitbreiding van geitenhouderij zijn momenteel niet toegestaan. De uitkomst van lopend onderzoek naar gezondheidseffecten en de risico’s wordt hiervoor afgewacht.

Verdienmodel met ruimte voor ondernemerschap

De provincie Utrecht biedt agrarische ondernemers steeds minder vaak ‘middelsturing’ aan: een methode waarbij bepaalde maatregelen worden opgelegd om een doel te bereiken. Steeds vaker gaan we voor ‘doelsturing’, waarbij de focus meer op de uitkomsten ligt. Dit geeft veel meer ruimte voor ondernemers om zelf te bepalen hoe ze aan doelen gaan voldoen.

We ondersteunen agrariërs bij het duurzaam en economisch toekomstbestendig maken van hun bedrijf. Zo kunnen andere teelten bijdragen aan het verdienmodel. Agroforestry kan bijvoorbeeld een interessante nieuwe activiteit zijn, net als de teelt van eiwitrijke gewassen.



Agrariërs kunnen verdienen aan CO₂-opslag door koolstof vast te leggen in de bodem, door biobased materialen te verbouwen (denk aan hout, wilgentenen, hennep, vlas of miscanthus) te leveren voor de bouwopgave of aan grond-, weg- en waterbouwprojecten. Wanneer deze materialen worden verkocht aan bouwpartners, ontstaat een waardevolle extra inkomstenstroom. Daarnaast bieden sommige projecten verkoopbare certificaten of vergoedingen voor de aantoonbare hoeveelheid CO₂ die hiermee langdurig wordt opgeslagen. Vezelgewassen dragen ook bij aan een circulaire economie. Bij het overgaan op andere teelten wordt ook gekeken naar het belang van de cultuurhistorie en het landschap.



De provincie Utrecht ziet biologische landbouw als een belangrijke richting binnen de bredere verduurzaming van de sector. Die vorm van landbouw biedt bovendien perspectief op een toekomstbestendig verdienmodel. We streven naar een aandeel van minimaal 15% biologisch landbouwareaal in 2030, wat in lijn is met de landelijke doelstellingen. De haalbaarheid is afhankelijk van de ontwikkeling van de vraag uit de markt en van de inzet van het Rijk.



Veel agrariërs in Utrecht hebben activiteiten naast de agrarische activiteiten, voor extra inkomsten. Het gaat bijvoorbeeld om recreatiemogelijkheden, het geven van educatie en het produceren van energie. Deze ‘multifunctionele’ vorm van landbouw zorgt ook voor meer verbinding tussen boer en burger. Voor het bevorderen van het ‘verbreden’ van de bedrijfsvoering en voor multifunctionele landbouw maken we meer ruimte in de provinciale Omgevingsverordening. In de zogeheten transitiegebieden (zie Paragraaf 4.4.1 Duurzame energie) bieden we op basis van onze regelgeving de mogelijkheid om tijdelijk zonnevelden te realiseren als dat bijdraagt aan de gebiedsopgaven. Dit kan ook bijdragen aan het verdienmodel van de agrariër.



We willen de beoogde transitie naar een circulaire en natuurinclusieve landbouw stimuleren. We vinden het belangrijk dat niet-grondgebonden bedrijven opereren binnen de voorwaarden die gelden voor het klimaatbeleid, het bodem- en waterbeleid, het milieubeleid en dierwaardigheid. Systeeminnovaties en technische innovaties kunnen helpen om de bodem-, lucht- en waterkwaliteit goed te houden, hinder door stank te verminderen en het dierenwelzijn te verbeteren. Die innovaties ondersteunen we dus ook, door pilots te organiseren, kennis te delen en subsidies te verstrekken. Het sluiten van kringlopen is ook hier relevant: restproducten van de voedingsmiddelenindustrie kunnen bijvoorbeeld gebruikt worden als grondstof voor het produceren van veevoer. Omdat er binnen de provincie Utrecht weinig ruimte is en de belasting voor het milieu niet mag toenemen, zijn we terughoudend in het beleid voor vestigings- en groeimogelijkheden voor de niet-grondgebonden veehouderij.

Grond en landbouwstructuur

Een goede landbouwstructuur is een belangrijke basis voor een grondgebonden agrarisch bedrijf. Melkveehouderijbedrijven worden steeds meer grondgebonden: de bedrijven hebben meer grond bij het bedrijf, zodat de dieren meer in de wei kunnen lopen en meer eigen voer beschikbaar is. Daarmee wordt de ammoniakemissie verkleind en de hoeveelheid transport verminderd. Duurzamer landgebruik wordt verder gestimuleerd door vrijwillige en wettelijke kavelruil en de aanleg van een daarbij passende infrastructuur.



De grondgebonden landbouw is voor voedselproductie op basis van een duurzame en economisch gezonde bedrijfsvoering afhankelijk van voldoende grond. Met het bestaande areaal landbouwgrond, waar een deel van vrijkomt door agrariërs die stoppen, moet zorgvuldig worden omgegaan: de schaarse ruimte moet efficiënt worden gebruikt en ‘functies’ moeten slim worden gecombineerd. Het belang van de landbouw kan daarbij meer worden meegenomen. Juist gebieden die mogelijk zeer geschikt zijn voor voedselproductie willen we zoveel mogelijk behouden als landbouwgrond. Het gaat met name om kleigronden en klei-op-veengronden in het Kromme Rijngebied, delen van de Gelderse Vallei en delen van het Groene Hart. Dat betekent overigens niet dat er geen functiewijziging meer plaats kan vinden.

Stimuleren van de consumptie van duurzaam en gezond voedsel

Om bij te dragen aan de voedselzekerheid en klimaat- en duurzaamheidsdoelen te halen, moeten mensen plantaardiger gaan eten en moet er minder voedsel verspild worden. Het eten van lokaal en duurzaam geproduceerd voedsel maakt voedselproductie zichtbaarder voor inwoners en draagt eraan bij dat de boer een betere prijs krijgt voor zijn producten. De catering in het Provinciehuis en tijdens evenementen is zoveel mogelijk lokaal en duurzaam, want goed voorbeeld doet volgen.

Er ontstaan meer mogelijkheden voor lokale gemeenschapslandbouw: coöperaties van burgers en kleine agrarische bedrijven die zich richten op biodiversiteit en diversificatie van producten (onder andere: meer plantaardig) in ‘korte ketens’. Het gaat om familiebedrijven en ook om herenboeren, oogsttuinen (Community Supported Agriculture) en voedselcoöperaties.

Ook in de stad kunnen plekken zijn waar voedsel geproduceerd wordt in combinatie met sociale en recreatieve functies en gemeenschappen. Voorbeelden van zulke 'voedsel-verbindingsplekken' zijn stadsboerderijen en gemeenschapstuinen.

Agrarische bouwpercelen en ruimtelijke ontwikkelingen voor de landbouw

Om de landbouw een blijvend economisch perspectief te bieden in het Landbouwgebied , staan we ondernemingen ‘in algemene zin’ toe om door te groeien tot een bouwperceel van maximaal 1,5 hectare. Voor de grondgebonden veehouderij is doorgroei naar een bouwperceel van 2,5 hectare mogelijk. Dan moet de activiteit wel in het landschap passen, moet het dierenwelzijn verbeteren, de belasting van het milieu verminderen, de impact op volksgezondheid verbeteren en de groenblauwe dooradering toenemen. Dat willen we in de toekomst meten op basis van KPI’s die al gebruikt worden in de Utrechtse Monitor Duurzame Landbouw.



Nieuwvestiging van landbouwbedrijven staan we in principe niet toe. Dit omdat door de voortgaande schaalvergroting voldoende bouwkavels van stoppende bedrijven beschikbaar komen. De provincie Utrecht wil verstening en aantasting van het landschap voorkomen. Voor nieuwe duurzame voedselinitiatieven (zoals Community Supported Agriculture en ‘herenboeren’: coöperatieve boerderijen) met sociale impact wordt een uitzondering gemaakt. Zij mogen zich vestigen op een vrijkomend agrarisch bedrijf of op een locatie die in het verleden agrarisch bedrijf was.



De provincie Utrecht maakt specifiek beleid voor een aantal gebieden en soorten landbouw:

  • Er is ‘ Landbouwstabiliseringsgebied ’, bedoeld om de functie natuur of wonen te beschermen tegen de invloeden van niet-grondgebonden veehouderij. Uitbreiding of vestiging van niet-grondgebonden veehouderij is hier niet mogelijk.

  • Ook is er ‘ Landbouwontwikkelingsgebied ’, waarin niet-grondgebonden veehouderijen onder voorwaarden kunnen doorgroeien naar een bouwperceel van maximaal 2,5 hectare.

  • Glastuinbouw concentreren we in twee ‘concentratiegebied glastuinbouw’, in de Harmelerwaard en in de polder Derde Bedijking in De Ronde Venen. Het samengaan van glastuinbouwbedrijven vinden we uit landschappelijk oogpunt gewenst en levert economische en milieutechnische voordelen op, bijvoorbeeld door samenwerking op het vlak van duurzame energie. Zo is de winning van aardwarmte efficiënter bij grotere hoeveelheden. De toekomst van de glastuinbouw staat in beide gebieden onder druk; daarom proberen we per gebied afspraken te maken over een meer duurzame bedrijfsvoering.

  • De vestiging en uitbreiding van geitenhouderijen staan we niet toe. Dit met het oog op de negatieve impact van die bedrijven op de volksgezondheid. Als er wat dat betreft nieuwe ontwikkelingen zijn, gaan we ervan uit dat het Rijk gepaste maatregelen neemt.

  • De omschakeling naar sierteelt (inclusief bloembollen, bloemen, bomen en vaste planten) en ook de verpachting van grond ten behoeve van sierteelt staan we niet toe, omdat in deze teelten veel schadelijke gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Een uitzondering geldt voor situaties waarin van het gebruik van chemisch-synthetische gewasbeschermingsmiddelen wordt afgezien.

Nieuwe functies voor stoppende agrarische bedrijven

Er zijn veel agrarische bedrijven die stoppen. Wanneer het bouwperceel gunstig is gelegen ten opzichte van goede landbouwgrond, en niet gelegen is in NNN of Groene Contour, dan heeft het behoud van het bouwperceel voor landbouwdoeleinden de voorkeur. Wanneer dit niet het geval is, kan de locatie gebruikt worden voor een andersoortig bedrijf of voor de functie wonen, wat kan betekenen dat de vitaliteit van het gebied behouden blijft. Vrijkomende bebouwing kan worden benut voor wonen en passende sociale en economische functies. Passend wil zeggen dat de vitaliteit van het buitengebied wordt bevorderd, hinder voor de omgeving wordt voorkomen, de nieuwe functie kleinschalig van aard is en optimaal in het landschap wordt ingepast. Waar nodig vragen we een passende tegenprestatie om compensatie te bieden voor het feit dat er stedelijke functies in het buitengebied worden gevestigd. Sloop van overtollig geworden agrarische bedrijfsbebouwing blijft overigens het uitgangspunt.



Als de agrarische functie vervalt, zijn er drie mogelijkheden:

  • De bedrijfswoning krijgt een woonfunctie, overtollig geworden bedrijfsgebouwen worden gesloopt en het erf wordt duurzaam heringericht.

  • Er komt een andere bedrijfsfunctie, waarvoor de agrarische bedrijfsbebouwing deels wordt hergebruikt, of er komt nieuwe ‘bedrijfsbebouwing', maar wel minder, in de plaats van de agrarische bedrijfsbebouwing.

  • De bedrijfswoning krijgt een woonfunctie, overtollig geworden bedrijfsgebouwen worden gesloopt en in plaats daarvan worden één of meerdere woningen gebouwd.

Combinaties zijn mogelijk, al is de combinatie van een agrarisch bedrijf met meerdere woningen (‘wonen bij de boer’) met het oog op overlast en milieurisico's in veel gevallen ongewenst.



Als de functie op een locatie verandert, moet dat beperkt blijven tot het bestaande erf. De verandering moet bovendien leiden tot verbetering van de omgevingskwaliteit. Dat kan worden bereikt door een overtollig geworden gebouw te slopen.

Een gemeentelijke sloopmetersystematiek kan bij ‘functieveranderingen’ van pas komen. Die systematiek biedt erfeigenaren de keuze of zij zelf een andere bedrijfsfunctie of extra woningen realiseren, of dat hun sloopmeters (door anderen) op een andere locatie worden ingezet.

Hanteert een gemeente geen sloopmetersystematiek, dan wordt een sloopnorm gehanteerd:

  • Bij functieverandering naar wonen: 2 m2 sloop in ruil voor 1 m3 woonvolume

  • Bij functieverandering naar een bedrijfsfunctie: 50% van de agrarische bedrijfsbebouwing. 

Als sloop wordt gecombineerd met de bouw van woningen, moeten die wel passen bij de plannen van de gemeente om te voorzien in de woningbehoefte. Daarom wordt het aantal woningen niet beperkt, alleen het (totale) woonvolume. Dan kunnen meer kleinere woningen in eenzelfde volume worden gerealiseerd. De gerealiseerde woningen worden meegeteld in het Provinciaal Programma Wonen en Werken (PPWW).



Gemeenten kunnen binnen de provinciale instructieregels ‘ruimtelijk beleid’ of een programma vaststellen voor voormalige agrarische locaties die een nieuwe functie krijgen. In combinatie met de sloopmeterystematiek biedt dit veel flexibiliteit en veel mogelijkheden voor erfeigenaren, mits de kwaliteiten van het landelijk gebied behouden blijven of versterkt worden. De provincie ondersteunt gemeenten bij het laten bijdragen van functieveranderingen aan de ontwikkeling naar een toekomstbestendig landelijk gebied. Ook stimuleren we samenwerking tussen gemeenten bij het aanpakken van leegstand van agrarische bebouwing. Uitgangspunt is wel dat de grond die om de agrarische bebouwing heen ligt bestemd blijft voor agrarisch gebruik, tenzij functiewijziging wenselijk is voor andere opgaven, ook als onderdeel van een gebiedsproces.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 12. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van duurzame landbouw

Uitvoering geven aan beleid voor duurzame landbouw

Stimuleren

  • Subsidies voor agrarisch natuurbeheer en aanleg en herstel kleine landschapselementen.

  • Ondernemersprogramma met subsidies, persoonlijke ondersteuning (‘Vraagbaak Landbouw’ en plattelandscoaches) en een kennisprogramma.

  • Bevorderen gemeentelijke regels die bijdragen aan het behouden van goed gesitueerde agrarische bouwpercelen en landbouwgrond.

Realiseren

  • Utrechts Programma Landelijk Gebied 2026-2035.

  • Toekomstbeeld Landbouw en Voedsel 2050.

  • Uitvoeringsprogramma Landbouw en Voedsel 2026-2029.

  • Uitvoeringsprogramma Agenda Natuurinclusief 2026-2029.

  • Aanpak Vrijkomende Agrarische Bebouwing: Erven met Perspectief.

Reguleren

  • Instructieregels voor agrarische bedrijven en agrarische bedrijfspercelen, nevenactiviteiten, omschakeling naar sierteelt, nieuwvestiging, geitenhouderijen en glastuinbouw.

  • Regels voor stikstof

Paragraaf 4.4 Duurzame energie en circulaire samenleving

De provincie Utrecht werkt hard aan een circulaire samenleving en een duurzaam, klimaatneutraal, robuust en betaalbaar energiesysteem voor alle inwoners. ‘Robuust’ betekent in dit geval: veerkrachtig, stabiel, betrouwbaar en bestand tegen storingen en schommelingen. Kenmerkend voor onze provincie is dat veel inwoners openstaan voor innovaties op het gebied van energie en dat veel bedrijven energie gespreid inkopen (waardoor ze profiteren van prijsdalingen, risico's spreiden en flexibiliteit creëren). Een derde kenmerk is dat er veel druk is op de ruimte en veel beperkingen zijn voor energieproductie, energietransport en energieopslag door andere functies. De diensteneconomie in de provincie Utrecht is groot en kan op het gebied van kennisontwikkeling en innovatie bijdragen aan de circulaire samenleving. De centrale ligging en de aanwezigheid van logistieke assen zoals het Amsterdam-Rijnkanaal maken de regio interessant en aantrekkelijk voor circulaire ketens. De provincie kenmerkt zich door weinig industrie, wat betekent dat veel van de energievraag voortkomt uit de gebouwde omgeving en de mobiliteitsvraag.



De concentratie van het stedelijk gebied en de grote open ruimten bieden kansen voor het verlagen van de broeikasgasuitstoot. In steden wonen meer mensen op een kleinere oppervlakte, waardoor er minder energie per persoon nodig is voor verwarming, waterbeheer en mobiliteit. Door kleinere reisafstanden is er minder afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en kan geïnvesteerd worden in efficiënte, duurzame ov-netwerken en wandelmogelijkheden en kan het gebruik van de fiets worden gestimuleerd. Het landelijk gebied en de natuur bieden kansen om CO₂ en koolstof langdurig in de bodem op te slaan. Materialen (hout en gewassen) kunnen worden toegepast en hergebruikt in ‘biobased (ver)bouwketens om zo de levensduur van producten en materialen te verlengen.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 14. Collage met een sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema duurzame energie en circulaire samenleving (bron: BVR i.s.m. provincie Utrecht, 2025)

Paragraaf 4.4.1 Duurzame energie
Opgaven

De uitstoot van broeikasgassen en luchtvervuiling door fossiele brandstoffen zorgen voor klimaatverandering en een ongezonde leefomgeving. Om daar iets aan te doen is het belangrijk de energietransitie te versnellen. De huidige afhankelijkheid van fossiele brandstoffen geeft ook economische onzekerheid; we zijn afhankelijk van andere landen voor de levering. Tegelijkertijd leidt minder afhankelijkheid van fossiele brandstoffen tot een groei van de elektriciteitsvraag en het aanbod. Dit zorgt voor ‘netcongestie’: het elektriciteitsnet raakt overbelast omdat het aanbod en de vraag niet altijd in balans zijn. Ook heeft het net op veel plekken onvoldoende capaciteit om pieken op te vangen. Dit belemmert nieuwe aansluitingen voor woningen en bedrijven en uitbreiding van duurzame initiatieven.



Doel van de energietransitie in de provincie Utrecht is de ontwikkeling naar een klimaatneutraal en duurzaam energiesysteem, passend bij de toekomstige ontwikkelingen. ‘Klimaatneutraal’ wil zeggen dat de netto-uitstoot van broeikasgassen nul is. Bij dit doel horen uitdagingen die te maken hebben met de inrichting van de fysieke leefomgeving. Voorbeelden van die ‘ruimtelijke opgaven’ zijn: het uitbreiden van en zoeken naar nieuwe locaties voor hoogspanningsstations, het aanleggen van nieuwe hoogspanningstracés, het ontwikkelen van warmtenetten, warmteopslag en -winning uit bodem en water en het realiseren van voldoende opwekking van wind- en zonne-energie (zie kaart 13: opgavekaart Duurzame energie). Dit vereist een geïntegreerde aanpak, met aandacht voor alle bovengenoemde belangen. We werken aan de opgaven terwijl we ook kijken naar andere opgaven, bijvoorbeeld op het gebied van klimaatmitigatie en –adaptatie en mobiliteit.

Ook is het van belang dat de transitie ‘inclusief’ verloopt, wat betekent dat we betaalbaarheid en het voorkomen van energiearmoede belangrijk vinden.

Ambities
  • 2030: 1,5% energie besparen per inwoner per jaar.

  • 2030: 55% aandeel hernieuwbare elektriciteit op het eigen grondgebied opgewekt.

  • 2030: behalen opwekdoelstellingen voor duurzame elektriciteit met grootschalige zon- en windprojecten van 2,4 TWh (doel gesteld vanuit de Regionale Energiestrategieën).

  • 2040: klimaatneutrale energievoorziening.

  • 2050: voldoende opwek voor energiebehoefte gebouwde omgeving.

  • 2050: de provincie Utrecht is zo spoedig mogelijk en uiterlijk in 2050 klimaatneutraal.

  • 2050: voor nieuwe elektriciteitsopwekking en warmtenetten lokaal zeggenschap borgen met een minimum van 50% lokaal of publiek eigendom

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 13. Opgavekaart Duurzame energie, thema Duurzame energie en circulaire samenleving. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van duurzame energie. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

De provincie Utrecht wil in 2040 een klimaatneutrale energievoorziening hebben en zo spoedig mogelijk, uiterlijk in 2050, een klimaatneutrale provincie zijn. We maken het energiesysteem toekomstbestendig door de vraag naar en het aanbod van energie, zowel in tijd als locatie, dichter bij elkaar te brengen.

Het toekomstige energiesysteem zal bestaan uit vier energieketens: elektriciteit, warmte, koolstof en waterstof. Het systeem zal zowel centraal als decentraal zijn ingericht, het laatste om minder afhankelijk te zijn van het nationale en internationale elektriciteitsnet. Lokaal zal in de provincie Utrecht energie worden opgewekt uit zon en wind, aangevuld met warmte en koude uit bodem, water en lucht. Het verwarmen van gebouwen en mobiliteit zijn de grootste energievragers van de provincie; elektriciteit is een belangrijke duurzame energiebron. Om overbelasting van het elektriciteitsnet te voorkomen, streven we ernaar om waar dat kan met collectieve warmtenetten of lokale duurzame warmtebronnen te verwarmen. Slimme netwerken zorgen ervoor dat vraag en aanbod continu op elkaar afgestemd blijven. Daarvoor is het van belang de momenten waarop er veel vraag naar energie is flexibel te maken én de energieopslag te maximaliseren. Dit is ook vastgelegd in de Energievisie 2024-2050.

Verduurzamen woningen, bedrijven en organisaties

In de toekomst willen we in de provincie Utrecht geen gebruik meer maken van aardgas. Een van de voorwaarden hiervoor is dat de vraag naar warmte omlaag gaat. We voorzien huiseigenaren en bewoners van kennis en financiële ondersteuning om energiebesparende maatregelen te nemen.

Gemeenten nemen het initiatief voor isolatieprojecten in slecht geïsoleerde woningen. Dit verlaagt het energieverbruik en helpt ook bij de strijd tegen ‘energiearmoede’ (laag inkomen, hoge energielasten). Er wordt ingezet op isolatiemethoden waarbij het gebruik van biobased isolatiemateriaal (bijvoorbeeld hennep of stro) wordt gestimuleerd en waarbij rekening wordt gehouden met aanwezige diersoorten zoals vleermuizen. Dit draagt bij aan een duurzamere aanpak van de isolatieopgave. Investeren in isolatie verlaagt energierekeningen voor bewoners en draagt bij aan een comfortabel binnenklimaat. Provincie en gemeenten werken hier samen aan. De provincie stimuleert ook passieve en actieve koeling.



Voor bedrijven en maatschappelijke organisaties geldt de energiebesparingsplicht. Dat betekent dat voor het betreffende bedrijfs- of maatschappelijk gebouw alle van toepassing zijnde energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van maximaal vijf jaar moeten worden uitgevoerd. Deze staan in de Erkende maatregelenlijst (EML) van de rijksoverheid. De omgevingsdiensten houden hier toezicht op. Daarnaast helpen we bedrijven en maatschappelijke organisaties met het treffen van andere verduurzamingsmaatregelen zoals extra energiebesparingsmaatregelen, het overstappen naar duurzame energiebronnen, het installeren van warmtepompen of warmte-koude installaties en het opslaan van energie. Ondersteuning en stimulering is er via het landelijk programma voor verduurzaming van bedrijventerreinen en de landelijke ontzorgingsprogramma's voor maatschappelijk vastgoed en het midden- en kleinbedrijf. Om te zorgen voor effectieve en efficiënte maatregelen willen we de komende jaren intensief samenwerken met gemeenten, maatschappelijke organisaties en ondernemers.

Gebruik van duurzame warmte- en koudebronnen

Voor de energietransitie is het belangrijk dat er gebruik wordt gemaakt van lokale warmte- en koudebronnen, zoals:

  • aquathermie (uit oppervlaktewater, rioolwater of drinkwater);

  • bodemenergie/aardwarmte (uit warmte en koude uit de ondergrond, waarbij aardwarmte uit de diepe ondergrond komt (doorgaans dieper dan 500 meter);

  • restwarmte van bedrijven.

Met warmtenetten kan collectief van warmtebronnen gebruik worden gemaakt, kunnen die bronnen beter worden ingezet en kan warmte ook worden opgeslagen. Daarom vragen we gemeenten om waar mogelijk voor warmtenetten te kiezen.

Daarbij heeft het de voorkeur om als warmtebron voor warmtenetten zo min mogelijk gebruik te maken van ‘systeemenergiebronnen’, zoals gas en elektriciteit. In volgorde van wenselijkheid zien we bij voorkeur:

  • warmte uit restwarmte;

  • warmte uit aardwarmte/geothermie of zonthermie;

  • warmte uit aquathermie;

  • warmte uit overige bronnen (elektrische boiler/warmtepomp of biomassa).

Waar warmtenetten niet mogelijk zijn, hebben netbewuste warmtepompen onze voorkeur. Tot 2030 kunnen dit hybride warmtepompen zijn, die flexibel met de vraag naar stroom omgaan en automatisch naar gas kunnen overschakelen.



Met het oog op de ‘warmtetransitie’ bereidt de provincie zich voor op nieuwe wettelijke rollen en bevoegdheden. De nieuwe Wet collectieve warmte (Wcw) treedt naar verwachting in 2027 in werking en geeft de provincie een adviesrecht op het moment dat een collectieve warmtevoorziening betrekking heeft op het grondgebied van meerdere gemeenten. Hetzelfde geldt voor een situatie waarin een warmtebron meerdere gemeenten van warmte kan voorzien. De provincie wil vooral vooraf in overleg met de regio’s tot afspraken komen over het verdelen van warmte uit oppervlaktewater en andere schaarse bronnen. We willen een actieve bijdrage leveren aan de ontwikkeling van geothermiebronnen. Uitgangspunt is: per buurt maximaal twee ‘energiedragers’. Waarbij aangetekend dat de rol van gas bij het verwarmen van huizen en gebouwen zeer beperkt zal zijn. De voorkeur gaat uit naar de maatschappelijk meest kosteneffectieve energiesystemen, die zorgen voor zorgvuldig ruimtegebruik en gebruik van de ondergrond. We zullen gemeenten daarom ondersteunen bij het opstellen- en uitvoering van de warmteprogramma's.

Duurzame elektriciteitsopwekking

De provincie ondersteunt en stimuleert gemeenten bij het maken van plannen voor duurzame elektriciteitsopwekking met zonne- en windenergie. In de Regionale Energie Strategieën (RES’en) is afgesproken om in 2030 2,4 TWh in de provincie op te wekken. Samen met kleinschalige opwek zou dat aan 55% van de elektriciteitsvraag moeten voldoen. Met de verwachte groei van de elektriciteitsvraag is het niet zeker meer dat die 55% in 2030 wordt gehaald. Dit hangt deels af van de verdere groei van de kleinschalige opwek van zonne-energie op daken.



De provincie neemt haar verantwoordelijkheid om bij te dragen aan het behalen van de RES-doelstellingen. Voor windenergie in de provincie is een PlanMer opgesteld: dat is een rapport met daarin de verwachte gevolgen voor het milieu. Daaruit zijn de meest kansrijke gebieden voor windturbines in de provincie vastgesteld. Met een provinciaal projectbesluit maken wij in een aantal van deze kansrijke gebieden de ontwikkeling van windturbines planologisch mogelijk. De komende tijd zal de provincie mogelijk op meer plekken deze projectbesluiten nemen.

In 2023 zijn landelijk bestuurlijke afspraken gemaakt over de ‘voorkeursvolgorde’ voor zonne-energie. De voorkeursvolgorde voor zonne-energie betekent in grote lijnen dat zonne-energie zoveel mogelijk op daken van woningen, bedrijven en maatschappelijke voorzieningen opgewekt wordt. En dat opwek van zonne-energie op land te maken heeft met uitzonderingsregels.

De komende jaren worden nieuwe afspraken gemaakt over duurzame elektriciteitsopwekking voor de periode na 2030; die afspraken zijn onderdeel van een bredere programmering van het energiesysteem van de toekomst. We gaan uit van (in totaal) 7,5 TWh duurzame opwek tot 2050. Met de huidige techniek zijn hiervoor nodig: ruim 4.200 hectare aan zon op daken en op land en ongeveer vijftig windturbines. Hoe de verdeling van energiebronnen precies zal zijn, hangt van veel factoren af en zal in de komende tijd duidelijker worden. Duurzame opwekking van energie heeft relatief veel ruimte nodig. Die willen we ook bieden, maar wel zoveel mogelijk met ‘meervoudig ruimtegebruik’ (meerdere functies op één plek heeft de voorkeur) en rekening houdend met andere opgaven. Dus zonnepanelen op daken van (nieuwe) huizen, bedrijven, et cetera. Ook het verduurzamen van bedrijventerreinen kan samengaan met het plaatsen van zonnepanelen. En we koppelen het opwekken van zonne-energie bij voorkeur aan een gebiedsgerichte aanpak in het landelijk gebied, waarbij ook thema’s als stikstofreductie, klimaatadaptatie, natuurontwikkeling, de waterkwaliteit en de agrarische sector worden meegenomen. In de komende periode wijzen we zogeheten transitiegebieden aan; dit zijn gebieden die nu nog een agrarische bestemming hebben. Via bestuurlijk bindende afspraken of als onderdeel van een gebiedsproces zullen die op termijn van functie veranderen. Het worden dan natuur-of recreatiegebieden of ze worden gebruikt voor wonen of werken. Ook kan het zijn dat door de bodemkwaliteit (bodemdaling, vernatting, verzilting) een gebied structureel minder geschikt is of wordt voor landbouw. In bijvoorbeeld bufferzones rond Natura 2000-gebieden of bodemdalingsgebieden in veenweidelandschappen kan dan zonne-energie worden opgewekt als het bijdraagt aan de gebiedsopgaven, past in de natuur en het landschap en kan worden aangesloten op het elektriciteitsnetwerk.

Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden voor ‘cablepooling’: dat is het delen van elektriciteitskabels met verschillende vormen van opwek. Ook volgen we de ontwikkeling van Small Modulair Reactors (kleine kerncentrales). Daarbij worden de technische en financiële haalbaarheid en de risico’s en effecten voor de leefomgeving nadrukkelijk meegenomen. Afhankelijk van de uitkomst daarvan kan later worden afgewogen of toepassing in onze provincie in de toekomst haalbaar en wenselijk is.

Energietransitie participatie

Energie wordt niet alleen duurzaam geproduceerd, maar ook eerlijk verdeeld. Bewoners en bedrijven participeren in de energietransitie door mede-eigenaar te worden van lokale energieprojecten. Dit zorgt voor zeggenschap, draagvlak en betrokkenheid. We streven naar minimaal 50% lokaal eigenaarschap bij nieuwe elektriciteitsopwekking en warmtenetten.



De provincie ondersteunt energiecoöperaties bij het starten van coöperatieve energieprojecten. Hiervoor is een servicepunt voor lokale energiecoöperaties opgezet, in samenwerking met koepelcoöperatie Energie van Utrecht en de Natuur en Milieufederatie Utrecht.



Energiecoöperaties en energiegemeenschappen kunnen een belangrijke rol spelen in de gebouwde omgeving door kleinschalige opwek van energie te organiseren, lokale warmteoplossingen tot stand te brengen en te helpen bij het isoleren van woningen en gebouwen. In toenemende mate zullen energiecoöperaties ook een rol gaan spelen in collectieve warmteoplossingen.



Als we vanuit de Energiewet, provinciaal belang of op verzoek van een gemeente optreden als ‘bevoegd gezag’ is de provincie verantwoordelijk voor het bevorderen van lokaal eigendom en bredere participatie voor windenergieprojecten. Dit wordt ingevuld in het Beleidskader Lokaal Eigendom en Participatie. Bij grootschalige zonne-energieprojecten zijn gemeenten bevoegd gezag en helpt de provincie bij het vormgeven van lokaal participatiebeleid.

Een toekomstbestendig energiesysteem

Voor een samenhangend en duurzaam energiesysteem is lokale sturing nodig, opdat de vraag naar en het aanbod van energie goed op elkaar aansluiten. De energievraag moet flexibeler worden, zodat energie goed gebruikt en opgeslagen wordt op momenten dat er veel van beschikbaar is. Slimme laadpalen gaan bijvoorbeeld laden op gunstige momenten, wat er ook voor zorgt dat energie goedkoper wordt.



Het energiesysteem van de toekomst vraagt om ruimte in de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld voor de opslag van energie, warmtenetten en aardwarmtewinning. Die ruimte kan het best in de nabijheid van transformatorstations worden gecreëerd, of bij duurzame opwek-locaties of bedrijventerreinen. Daarbij moet ook aandacht zijn voor andere belangen, zoals de bodem- en waterkwaliteit.



Met het opstellen van een provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (p-MIEK) krijgt de provincie invloed op de planning van de uitbreiding van de infrastructuur van het Utrechtse energiesysteem. In p-MIEK-projecten zal de inzet van de provincie groter zijn dan gebruikelijk. Bestaande hoogspanningsstations worden uitgebreid en nieuwe stations worden ontwikkeld. In de komende periode willen we de p-MIEK door ontwikkelen tot het integraal programma van het energiesysteem: de productie, conversie, gebruik, transport en oplsag van elektriciteit, warmte en duurzame brandstoffen zoals waterstof. Daarmee willen we onder andere de planning van nieuwe woonwijken en bedrijventerreinen en de verwachte ontwikkeling van het energiesysteem beter op elkaar afstemmen. Om het energiesysteem toekomstbestendig te maken, moet energie een prominente rol krijgen bij het plannen van veranderingen van de inrichting van de leefomgeving ('energieplanologie’). Het gaat dan zowel om gevolgen voor de ruimtelijke ordening door noodzakelijke uitbreiding van energie-infrastructuur als om een beeld krijgen van de maximale vraag naar energie als gevolg van bijvoorbeeld de bouw van een woonwijk. Daarbij wordt gekeken hoe die ‘piekvraag’ kan worden begrensd, omdat de capaciteit van het elektriciteitsnet niet steeds uitgebreid kan worden om maar aan de vraag te blijven voldoen. Nieuwe activiteiten waarvan een grote vraag naar warmte wordt verwacht, proberen we in de buurt van een bron van waterstof of aardwarmte te vestigen. Ook brengen we in beeld waar restwarmte ingezet kan worden, bijvoorbeeld de restwarmte die vrijkomt bij de productie van waterstof. Op deze wijze werken we toe naar het programmeren van het energiesysteem van de toekomst.

Box Energiesysteem van de toekomst

De box is hier te lezen: Box Energiesysteem van de toekomst

Netcongestie en elektriciteitsinfrastructuur

In de provincie Utrecht is sprake van netcongestie: op piekmomenten kan de vraag naar elektriciteit groter zijn dan het netwerk aankan. Gevolg is dat bijvoorbeeld nieuwe bedrijven niet op tijd een aansluiting op het elektriciteitsnet kunnen krijgen.



Om hier wat aan te doen, investeert de provincie samen met netbeheerders in het versterken en uitbreiden van de elektriciteitsinfrastructuur. Nieuwe transformatorstations, verbindingen, warmtenetten, zwaardere kabels en slimme oplossingen zorgen ervoor dat duurzame energie betrouwbaar getransporteerd kan worden, nu en in de toekomst. We zijn bereid om waar nodig de rol van bevoegd gezag op ons te nemen om ruimte voor noodzakelijke uitbreidingen mogelijk te maken. Daarnaast zetten we ons ervoor in om het energiesysteem slimmer te gebruiken (meer gebruik buiten de piekmomenten), zodat de noodzaak voor uitbreidingen van het netwerk kleiner wordt. Slim gebruik van het energiesysteem combineert op lokale schaal vraag, opslag en aanbod en stuurt via digitale middelen het gebruik. Dat vraagt standaardisatie, gegevensuitwisseling, innovatie en nieuwe regelgeving. Daarnaast gaan we netbewust bouwen: een manier van ontwerpen en bouwen waarbij rekening wordt gehouden met de beperkte capaciteit van het elektriciteitsnet. Een energietoets en netbudgetten zijn middelen om ervoor te zorgen dat nieuwe ontwikkelingen ‘netbewust’ worden vormgegeven.

Innovatie

De provincie ondersteunt innovaties voor de ontwikkeling van het energiesysteem. Dat kan gaan om technische innovaties, maar ook om innovatieve samenwerkingsvormen, contractvormen en verdienmodellen. Bijvoorbeeld met ‘energiehubs’, waarbij een groep deelnemers de opwek en het gebruik van energie deelt. Voor de langere termijn kijken we naar ‘Multi-Commodity Energy Hubs’, waarbij meerdere soorten energie worden gebruikt. Dit biedt extra voordelen op het gebied van duurzaamheid, betaalbaarheid en betrouwbaarheid.

Nieuwe datastandaarden en gegevensuitwisseling moeten zorgen voor een betere integratie van het energiesysteem. Om het energiesysteem goed aan te kunnen sturen, zijn slimme algoritmes en simulaties belangrijk. De inzet van digitale modellen kan het gebruik van energie en de energie-infrastructuur efficiënter maken.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 14. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van duurzame energie

Uitvoering geven aan beleid voor duurzame energie

Stimuleren

  • Vraag en aanbod van energie en plaats dichter bij elkaar brengen.

  • Ondersteunen van gemeenten in hun plannen voor opwek van zonne- en windenergie.

  • Bevorderen innovatieve samenwerkingsvormen, contractvormen en verdienmodellen en technische innovaties.

  • Ontwikkelen van warmtebronnen en opstellen van warmteprogramma’s.

  • Ondersteuningsprogramma’s, voorlichting en subsidies voor verduurzaming van woningen, bedrijven en maatschappelijk vastgoed.

  • Ondersteunen van energiecoöperaties en bewonersinitatieven.

Participeren

  • RES-regio's U16, Amersfoort en Foodvalley.

  • Energiefonds (SETU).

  • Utrechts Warmte Ondersteuningsbedrijf (in oprichting).

  • Aandeelhouder Stedin.

  • Via gebiedsgerichte aanpak (UPLG) duurzame opwek uit zon in het landelijk gebied mogelijk maken.

Realiseren

  • Energievisie provincie Utrecht 2024-2050.

  • Beleidsprogramma Energietransitie 2026-2030.

  • Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur, Energie en Klimaat 2.0.

Reguleren

  • Regels voor windenergie, zonne-energie, energie uit biomassa, behoud van energienetwerk, voor energieopslag, energietransformatie, energietransport en weging van het energiebelang bij nieuwe functies (energietoets).

  • Afwegingskader P-MIEK 2.0.

  • Provinciaal projectbesluit voor windenergie en uitbreiding van elektriciteitsinfrastructuur.

Paragraaf 4.4.2 Circulaire samenleving
Opgaven

De economie en de maatschappij lopen vast als we niets doen aan de toenemende schaarste aan grondstoffen die nodig zijn voor ‘publieke belangen’, zoals de gezondheidszorg, de vitale infrastructuur en defensie. Ook draagt het grondstoffengebruik bij aan hedendaagse duurzaamheidsproblemen, zoals lokale milieuvervuiling, CO₂-uitstoot, afname van de biodiversiteit en een groeiende afvalberg. Voor de energietransitie en de digitale transitie is de beschikbaarheid van grondstoffen ook onontbeerlijk. Conflicten in de wereld maken de kwestie niet makkelijk: los van het menselijk leed laat de oorlog in Oekraïne ons ook de kwetsbaarheid van toeleveringsketens zien. En wat dat betekent voor de economische stabiliteit. Het is dus noodzakelijk om minder afhankelijk te worden.



Mede daarom zet de provincie Utrecht de transitie in naar een circulaire samenleving in 2050. In een circulaire samenleving wordt de hoeveelheid afval geminimaliseerd en vormen de producten van vandaag de grondstoffen van morgen. We kopen niet wat we niet nodig hebben en producten en materialen worden zo ontworpen en gebruikt dat ze kunnen worden hergebruikt, gerepareerd of gerecycled. Meer bedrijven gaan zich onder meer richten op reparatie, hergebruik en opslag, het telen van biobased grondstoffen, en het ontwikkelen van andere financieringsmodellen. Als provincie zien we het als opgave om hieraan bij te dragen. Ten bate van de circulaire economie zetten we ons in voor het behouden en beschermen van kadegebonden bedrijventerreinen en bedrijventerreinen. Ook werken we aan het efficiënt benutten van milieugebruiksruimte op bedrijventerreinen, het stimuleren van circulair bouwen en het circulair functioneren van verstedelijkingslocaties (zie kaart 15: opgavekaart Circulaire samenleving). ‘Milieugebruiksruimte’ staat voor de hoeveelheid milieubelasting, zoals geluid en geuren, die bedrijven mogen veroorzaken.



De transitie naar een circulaire samenleving vraagt behalve inspanningen van bedrijven en inwoners ook om fysieke ruimte. Bijvoorbeeld voor de inzameling van goederen en materialen, (retour)logistiek, opslag, productie, verwerking, reparatie en distributie. Het Planbureau voor de Leefomgeving concludeert dat er 40% meer ruimte nodig is voor de circulaire economie. Adviesbureau Stec Groep (2025) deed onderzoek naar de ruimtevraag door de circulaire transitie in de bouw, de kunststoffensector en de maakindustrie. De toename van het ‘ruimtebeslag’ voor de drie ketens komt gezamenlijk uit op zo’n 6 tot 13% tot 2050. Hierbij gaat het niet enkel om het effect van de circulaire economie, maar om het bredere ruimtelijk-economische perspectief, waarin factoren als robotisering ook zijn meegenomen. Deze ruimtevraag is overigens niet enkel aan de circulaire transitie toe te rekenen, hij hangt ook samen met andere transities en ontwikkelingen. Ook is de krimp van niet circulaire of fossiele sectoren nog onvoldoende in beeld. In de provincie Utrecht is de ruimte schaars, zowel kwantitatief (in oppervlakte) als kwalitatief (geschikt voor circulaire transitie).

Ambities
  • 2030: het gebruik van primaire abiotische grondstoffen (waaronder fossiele brandstoffen) in de provincie is gehalveerd ten opzichte van 2016, in lijn met de nationale doelstellingen.

  • 2050: een volledig circulaire economie, in lijn met de nationale doelstellingen. Minder milieudruk, meer leveringszekerheid en een toekomstgerichte regionale economie.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 15. Opgavekaart Circulaire samenleving, thema Duurzame energie en circulaire samenleving. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van circulaire samenleving. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Op Europees en nationaal niveau zijn er verschillende ontwikkelingen op het gebied van circulair beleid. De Europese Green Deal heeft als doel om Europa tegen 2050 klimaatneutraal te maken en tegelijkertijd een circulaire economie te bevorderen. Op nationaal niveau is in 2017 een grondstoffenakkoord gesloten. Het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE) heeft als doel: de overgang naar een circulaire economie versnellen. Het doel in dat programma is om in 2030 50% circulair te zijn en in 2050 volledig. Het NPCE en onze eigen Beleidsvisie Circulaire Samenleving 2050 zijn onze belangrijkste ‘beleidskaders’.



Ons hoofddoel is het vergroten van het welzijn van onze inwoners in alle opzichten, nu en in de toekomst. Vanuit het thema circulaire samenleving dragen we daaraan bij met drie beleidsdoelen:

  • Minder druk op het milieu. Door minder afhankelijk te zijn van het uitputten van de aarde en door lagere schadelijke uitstoot van onder andere CO₂.

  • Meer leveringszekerheid voor bedrijven en consumenten, doordat we minder afhankelijk van anderen zijn en meer hernieuwbare grondstoffen en spullen gebruiken.

  • Een toekomstgerichte regionale economie die zich voorbereidt op het schaarser worden van abiotische, primaire grondstoffen en de principes van brede welvaart onderschrijft (Beleidsvisie circulaire samenleving 2050).

Onze strategie om deze doelen te behalen is het vervangen van eindige, primaire, abiotische grondstoffen (zoals metalen, mineralen en fossiele brandstoffen) door herbruikbare en biobased alternatieven.

Hoog inzetten op de R-ladder

We richten ons op het verminderen van abiotische primaire grondstoffen met een groot volume en/of een hoge milieubelasting. Het is belangrijk om minder grondstoffen te gebruiken, producten langer in omloop te houden en materialen terug te winnen. De ‘R-ladder’ wordt gebruikt als leidraad. Strategieën die hoog op de R-ladder staan, vragen relatief weinig fysieke ruimte. Strategieën lager op de ladder, vergen juist meer ruimte (voor opslag, verwerking en logistiek). We streven specifiek naar bedrijvigheid die aansluit bij het economisch profiel van Utrecht, zoals hoog-innovatieve bedrijven. Dit biedt kansen voor het stimuleren van circulaire bedrijvigheid hoger op de R-ladder, zoals de circulariteitsstrategieën afwijzen, heroverwegen en verminderen. Bijvoorbeeld door circulaire innovaties, zoals digitale oplossingen en circulaire verdienmodellen.



De centrale ligging van de provincie Utrecht en de aanwezigheid van belangrijke logistieke verbindingen, zoals het Amsterdam-Rijnkanaal, maken de regio interessant en aantrekkelijk voor circulaire ketens. Dit biedt mogelijkheden voor de opslag, verwerkingen, distributie van ‘secundaire’ (herwonnen) grondstoffen en voor reparatiefaciliteiten. Zulke functies versterken circulaire ketens, ook buiten de regio, en maken Utrecht tot een slimme schakel in Nederland. Ook zijn er in het landelijk en stedelijk gebied kansen voor op grotere schaal circulair bouwen en ‘urban mining’ (terugwinnen van waardevolle grondstoffen uit stedelijk afval). De vraag waar je in de provincie wel of geen circulaire bedrijven wilt hebben, moet in een provincie met beperkte ruimte zorgvuldig worden afgewogen. In een ruimtelijk-economische strategie werken we uit welke circulaire functies passen bij de provincie en welke ruimtelijke impact deze schakels hebben.

Box R-ladder

De box is hier te lezen: Box R-ladder

Kringloop sluiten op het juiste schaalniveau

Voor een effectieve en efficiënte kringloop is het essentieel om per grondstof de juiste schaal te bepalen. Steeds is het idee: we doen de dingen zo lokaal mogelijk en zo regionaal, nationaal of internationaal als nodig. De schaalgrootte hangt af van de aard van de grondstof: soms kan iets op wijkniveau of op stedelijk niveau worden hergebruikt of verwerkt, terwijl andere stromen gebaat zijn bij verwerking in of buiten de regio. Belangrijk is om grondstoffen zoveel mogelijk in de buurt van de afzetmarkt te houden, zodat transportbewegingen en CO₂-uitstoot beperkt blijven en de economische waarde voor de regio behouden blijft. Ook kan het benodigde energiegebruik worden meegewogen. Met gemeenten en waterschappen zoeken we naar logische locaties voor bedrijven die afval opnieuw gebruiken (‘upcycle centers’), voor sorteercentra voor reststromen en voor depots. Binnen sectoren als de zorg en de bouw wordt al geëxperimenteerd met circulaire ketens; dit biedt kansen voor innovatie en vermindering van afvalstromen.

Voorzien in ruimtebehoefte

De leegstand op bedrijventerreinen in de provincie is zeer laag (circa 2% in 2024). De milieugebruiksruimte op bestaande bedrijventerreinen wordt niet volledig benut. Een deel van de bedrijven op bedrijventerreinen kunnen zich ook daarbuiten vestigen, in ‘gemengde gebieden’. Deze feiten geven ruimte voor het beter benutten van bestaande infrastructuur, het behoud van strategische locaties voor circulaire bedrijvigheid en het mogelijk maken van combinaties van functies. Om de transitie naar een circulaire samenleving te versnellen, moeten er wel (beleids-)voorbereidingen worden getroffen om de fysieke leefomgeving hierop in te richten. Door nu te handelen, kunnen we ons voorbereiden op een toekomst waarin circulariteit vanzelfsprekend is. Gedurende de transitie zal de precieze vraag naar ruimte steeds duidelijker worden.



Er is nu al een tekort aan fysieke ruimte voor circulaire functies, zoals opslag, verwerking en het hoogwaardig hergebruiken van grondstoffen. Het vermoeden is wel dat die vraag in 2050 zal afnemen, als de transitie naar een circulaire samenleving is voltooid. Tot die tijd bestaan lineaire en circulaire processen naast elkaar, wat dus extra transitieruimte inneemt. Het tijdig reserveren van strategische locaties voor circulaire bedrijvigheid is essentieel om te voorkomen dat deze locaties verdwijnen of een andere invulling krijgen, wat de transitie naar een circulaire samenleving belemmert.



Om de transitie naar een circulaire samenleving mogelijk te maken gaat het niet alleen om de hoeveelheid ruimte die nodig is, maar ook om de kwaliteit van die ruimte. Circulaire bedrijvigheid vraagt om

  • een goede logistiek en een goed transportsysteem. Circulaire processen brengen extra transportbewegingen met zich mee; dit vraagt om slimme combinaties van transport over weg, spoor en water;

  • water- en kadegebonden bedrijventerreinen. Die spelen een sleutelrol in het bulktransport van grondstoffen en vormen een essentiële schakel in nationale en internationale ketens. Daarnaast voorkomt vervoer over water drukte op de wegen;

  • een robuuste energie-infrastructuur. Met name processen lager op de R-ladder – zoals recycling of chemische verwerking – kennen een hoge energiebehoefte. Tegelijkertijd speelt netcongestie een beperkende rol. Voor de zoektocht naar ruimte voor circulaire energie-intensieve activiteiten kan ook het benodigde energiegebruik in worden afgewogen en dient rekening gehouden te worden met de nabijheid van energie-infrastructuur;

  • bedrijven in de hoge milieucategorie (HMC). Om een circulaire samenleving mogelijk te maken zijn er ook grootschalige industriële activiteiten nodig. Deze activiteiten kunnen overlast geven (geur, geluid, stof). Veel circulaire processen vallen in milieucategorieën 4 tot en met 6. Dit komt door de aard van activiteiten, zoals afvalverwerking, de opslag van secundaire grondstoffen en het gebruik van energie-intensieve of risicovolle technieken. HMC-locaties in de provincie zijn schaars. In de provincie Utrecht zijn er bedrijventerreinen met een milieucategorie 1 tot en met 5. Het behoud van terreinen met deze milieuruimte is cruciaal voor de circulaire transitie;

  • ecosystemen van strategisch samengevoegde bedrijven. Een fysieke nabijheid maakt de uitwisseling van grondstoffen, energie en kennis mogelijk, bevordert samenwerking in de keten en gedeeld gebruik van infrastructuur, en vereenvoudigt de vergunningstrajecten. Dit leidt tot schaalvoordelen, efficiëntie en innovatie en versterkt zo de toekomstbestendigheid van de economie.

Behouden en versterken circulaire schakels

We zetten gericht in op het behoud, de versterking en een slim gebruik van ‘ruimtelijke schakels, bijvoorbeeld materialendepots die cruciaal zijn voor de circulaire samenleving. Zowel in stedelijke als landelijke gebieden moet aandacht zijn voor strategische locaties, diverse vormen van circulaire bedrijvigheid en de integratie van circulariteit in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.



In ‘verstedelijkingslocaties’ wordt ingezet op circulair bouwen en renoveren met herbruikbare, biobased materialen en een modulair ontwerp. Dit is opgenomen in het convenant Toekomstbestendig Bouwen (zie Paragraaf 4.6 Vitale steden en dorpen). In metropool- en regiopoorten is plek voor voorzieningen die circulair gebruik ondersteunen, zoals reparatiediensten en deelconcepten. Daarnaast wordt gekeken naar winkelgebieden als mogelijke locaties voor reparatiemogelijkheden, wat ook bijdraagt aan de vitaliteit van dorpskernen. Dit soort bedrijvigheid vraagt om de nabijheid van consumenten. Bij grootschalige bouwprojecten worden ‘bouwhubs’ ingezet voor de tijdelijke opslag en verwerking van circulaire materialen, met het oog op efficiënt gebruik en minder transport. Het verstedelijkt gebied dient daarnaast ook als ‘urban mine’: een bron voor secundaire grondstoffen.



In het buitengebied biedt circulariteit kansen voor een andere rendabele bedrijfsvoering, namelijk het verbouwen van gewassen die kunnen worden gebruikt voor biobased toepassingen en de inzet van reststromen uit landbouw en bosbeheer. Agrarische bebouwing die vrijkomt kan interessant zijn voor circulaire opslag. In gebieden met grote transitieopgaven, zoals de veenweiden, kunnen circulaire verdienmodellen indirect bijdragen aan bodemherstel en de biodiversiteit.



We stimuleren dat circulaire principes vanaf de start in nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen en planvorming worden meegenomen. Dat kan al in de ontwikkelfase, door een ‘circulair profiel’ te hanteren, maar ook in de bouwfase, door hernieuwbare grondstoffen te gebruiken. Daarna, in de gebruiksfase, gaat het om het introduceren van deelmobiliteit, de aanleg van een gesloten watersysteem en een efficiënt energiesysteem, het hergebruiken en inzamelen van afval en het stimuleren van de lokale economie met bijvoorbeeld repairshops en deelwinkels.

Box Bedrijventerreinen als fundament voor de circulaire transitie

De box is hier te lezen: Box Bedrijventerreinen als fundament voor de circulaire transitie

Benutten en beschermen HMC en kadegebonden bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen met mogelijkheden voor bedrijven met relatief veel milieuhinder (HMC) en kadegebonden bedrijven (waaronder bedrijven gericht op de overslag van goederen) zijn cruciaal voor de transitie naar een circulaire economie en voor circulaire functies als recycling, productie en bulkverwerking. Maar ook voor de verduurzaming van het goederenvervoer en voor het economisch vestigingsklimaat van de provincie. Deze locaties zijn echter schaars en nieuw aanbod creëren is niet eenvoudig. Het is daarom van belang om deze locaties te ‘borgen’ en zo optimaal mogelijk te gebruiken. De rol van handhaving, om te zorgen dat bedrijven op de juiste plek zitten, is daarin belangrijk.



De bedrijventerreinen in de provincie met de grootste waarde voor de circulaire transitie en de verduurzaming van goederenvervoer zijn Laagraven-Liesbosch (Nieuwegein), Langshaven (Wijk bij Duurstede), Lage Weide (Utrecht), De Isselt (Amersfoort) en De Biezen (Vianen). Het is essentieel om deze terreinen te beschermen, zodat de huidige milieuruimte ook in de toekomst benut kan worden en bedrijven gebruik kunnen maken van een kade. We beschermen de bedrijventerreinen Langshaven, Lage Weide en De Biezen en hebben deze aangewezen als bedrijventerrein van strategisch belang voor de circulaire samenleving. Bedrijventerreinen De Isselt (Amersfoort) en Laagraven-Liesbosch (Nieuwegein) hebben ook de potentie om als strategische locatie circulaire samenleving te worden benoemd. Binnen het bedrijventerrein Laagraven-Liesbosch kan de aanwezige haven een belangrijke rol spelen in de circulaire transitie door te fungeren als stadsdistributie of als bouwhub. Ook op het bedrijventerreinen De Isselt zien we potentie voor een circulaire schakel als een bouwhub. Voor beide bedrijventerreinen geldt dat de locaties van belang zijn in verband met werkgelegenheid, vervoer over water en circulaire economie, maar dat hier ook andere opgaven spelen. We onderzoeken daarom hoe het beschermen van de bedrijventerreinen Laagraven-Liesbosch en De Isselt samen kan gaan met andere opgaven in het gebied.



Niet-watergebonden bedrijventerreinen met lagere milieucategorieën zijn geschikt voor lichtere vormen van circulaire bedrijvigheid, zoals reparatie, deelinitiatieven en biobased productie. Deze terreinen spelen een belangrijke rol voor het midden- en kleinbedrijf en vragen om voldoende betaalbare ruimte, vooral in de nabijheid van stedelijke gebieden. Daarom dient de ruimte op deze terreinen zo optimaal mogelijk ingevuld te worden met bedrijven die zich vanwege hun milieuhinder niet in gemengde gebieden kunnen vestigen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 16. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van een circulaire samenleving

Uitvoering geven aan beleid voor circulaire samenleving

Stimuleren

  • Bevorderen van circulaire principes in nieuwe ruimtelijke (gebieds)ontwikkelingen en planvorming.

Realiseren

  • Beleidsvisie Circulaire Samenleving 2050.

  • Middellange termijnstrategie Circulaire Samenleving 2025-2027.

  • Uitvoeringsagenda Circulaire Samenleving 2025-2027.

  • Opstellen ruimtelijk-economisch plan voor de circulaire samenleving.

  • Verkennen welke kadegebonden en HMC bedrijventerreinen we aanvullend willen beschermen.

Reguleren

  • Regels HMC en kadegebonden bedrijventereinnen beschermen.

Paragraaf 4.5 Goede bereikbaarheid

De provincie Utrecht omvat één van de snelst groeiende stedelijke regio’s van ons land. Hierdoor zijn er meer woningen, banen en vrijetijdsvoorzieningen nodig die allemaal goed bereikbaar moeten zijn. Ook neemt door de groei de drukte op de wegen, fietspaden en in het ov toe.



Dagelijks reizen vele honderdduizenden mensen uit heel Nederland via de nationale knooppunten en ‘mobiliteitsaders’ in de provincie Utrecht. Het gaat om Utrecht Centraal, Amersfoort Centraal, knooppunt Hoevelaken en de Ring Utrecht. Als het daar vastloopt, loopt het in een groot deel van Nederland ook vast.



De provinciale weg-, fiets- en ov-netwerken functioneren in een samenhangend netwerk met Rijkswegen, gemeentelijke wegen en spoorwegen. We werken nauw samen met het Rijk, gemeenten, vervoerders, reizigers en andere stakeholders om de bereikbaarheid van Nederland en de regionale bereikbaarheid te kunnen blijven garanderen.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 15. Collage met sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema goede bereikbaarheid (bron: BRV i.s.m. provincie Utrecht, 2025)

Opgaven

Voor iedereen is het essentieel dat werk, school, winkels, vrijetijdsvoorzieningen, ontmoeting en sport gemakkelijk vanuit huis bereikbaar zijn. Een goede bereikbaarheid is noodzakelijk voor een goed functionerende samenleving en biedt mensen de kans om zichzelf te ontplooien en te ontspannen. Bereikbaarheid gaat daarmee ook over gelijke kansen, inclusie en een gezonde leefomgeving. Zo versterken wij de sociale samenhang, dragen we bij aan de klimaatopgave en zorgen we dat iedereen in de provincie Utrecht mee kan doen. Door slimme ruimtelijke inrichting én door goede mobiliteitsvoorzieningen maakt de provincie Utrecht dit mogelijk.

Reizigers zijn daarin vrij om te kiezen tussen lopen, de fiets, het ov en de auto – of een combinatie daarvan. Als provincie verleiden we hen tot duurzame keuzes door samen met gemeenten, regio’s en Rijk in te zetten op actieve, gezonde en duurzame vormen van mobiliteit, zoals lopen en fietsen, gecombineerd met ov en deelmobiliteit. Ondanks onze beleidsinzet vraagt de groei in onze provincie in de toekomst ook maatregelen op de provinciale en Rijkswegen.



De provincie omvat een van de snelst groeiende stedelijke regio’s van ons land. In 2040 verwachten we dat het aantal inwoners met 8,8% is gegroeid ten opzichte van 2025 (PRIMOS Online, 2025) en dat de werkgelegenheid met 100.000 banen zal zijn toegenomen. Deze groei brengt uitdagingen met zich mee; zo moeten nieuwe woningen en banen goed bereikbaar zijn. Bovendien zien we nu al dat het drukker wordt op voetpaden, fietspaden, knooppunten, in het ov en op de weg. Dit leidt tot vertragingen, ongemak voor de reiziger en onveilige situaties.



De centrale ligging van de provincie Utrecht gaat gepaard met specifieke uitdagingen. Onze netwerken kunnen de sterke groei op termijn niet meer bijbenen, wat ook consequenties heeft voor de nationale bereikbaarheid. We werken daarom in nauwe samenwerking met het Rijk, gemeenten, vervoerders, reizigers en andere partijen om de bereikbaarheid van Nederland én de regionale bereikbaarheid te kunnen blijven garanderen. Dit doen we door de bestaande netwerken (auto, fiets, openbaar vervoer) zo efficiënt mogelijk in te zetten en uit te breiden.



In 2040 is het aantal reisbewegingen naar verwachting met 38% gestegen ten opzichte van 2015 (Mobiliteitsstrategie U Ned (2022)). Op meerdere plekken overschrijden het (provinciale) wegennet, het openbaar vervoer en het fietsnetwerk hun capaciteitsgrenzen. We werken daarom gezamenlijk aan het verbeteren van de bereikbaarheid in en rondom grote verstedelijkingslocaties. Ook bereiden we snelle tramlijnen (de Merwedelijn en Rijnenburglijn) voor, die noodzakelijk zijn voor het ontwikkelen van de woningbouwlocatie Groot Merwede en Rijnenburg. Op dit moment is daar nog geen ov beschikbaar. Om de Utrechtse kwaliteiten te behouden en een bereikbare, leefbare, gezonde en veilige provincie te blijven zetten we in op een mobiliteitstransitie naar gezonde en duurzame vervoerswijzen en ander reisgedrag.



We verkennen een hoogwaardig openbaar vervoer verbinding tussen Utrecht Science Park en Amersfoort en we dragen bij aan het verbeteren van de doorstroming en verkeersveiligheid op snelwegen (zie kaart 17: Opgavekaart Goede bereikbaarheid).

Ambities
  • 2040: alle belangrijke nieuwe en bestaande woon- en werklocaties, onderwijsinstellingen, en sociaal-recreatieve voorzieningen binnen de provincie Utrecht zijn bereikbaar. Daarbij is aandacht voor efficiënt ruimtegebruik, duurzaamheid, de volksgezondheid en veiligheid.

  • 2040/2050: samen met het Rijk en gemeenten werken we aan 'groeiopgaven’, waaronder:

    • realisatie van de Merwedelijn en de Rijnenburglijn voor de ontwikkeling van Groot Merwede en Rijnenburg;

    • realisatie van een goede doorstroming op de Ring Utrecht, inclusief een aanpak voor de Noordelijke Randweg Utrecht. Hierbij willen we met het Rijk een verkeersveilige invulling geven aan Ring Utrecht. Wij zien een oplossing voor ons waarbij het aantal rijstroken bij Amelisweerd wordt uitgebreid zonder dat daarvoor de bak hoeft te worden verbreed;

    • een gefaseerde aanpak van knooppunt Hoevelaken, in samenhang met knooppunt A1/A30 Barneveld.

  • 2050: de transitieopgaven woningbouw, werken, klimaatadaptatie, energie, mobiliteit, sociale inclusie en gezondheid-voor-iedereen zijn in onderlinge samenhang tot stand gebracht.

  • 2050: provinciale (vaar-)wegen, fietspaden, voetpaden en tram(infrastructuur) zijn beschikbaar voor een goede bereikbaarheid per auto, fiets, ov en ook te voet. We benutten de regionale mobiliteitsnetwerken beter, onder andere door toenemend gebruik van knooppunten en mobiliteitshubs.

  • 2050: Voor 50% van de ritten onder de 15 kilometer wordt de fiets als vervoermiddel gebruikt. De ‘Schaalsprong Fiets’ heeft plaatsgevonden en een hoogwaardig netwerk van doorfietsroutes is gerealiseerd.

  • 2050: er is een aantrekkelijk, volwaardig en samenhangend netwerk van ‘publieke mobiliteit’. Dat zijn collectieve vervoersmiddelen en/of diensten die op kostenefficiënte en klantvriendelijke wijze aan de mobiliteitsbehoefte van de reiziger voldoen. Belangrijke ov-verbindingen groeien en het publieke mobiliteitssysteem is meer toegankelijk. Ook in rustige gebieden met minder reizigers (zoals het landelijk gebied, natuur- en recreatieterreinen en bedrijventerreinen) is er ov beschikbaar.

  • 2040: er zijn minder verkeersdoden en minder ernstige verkeersgewonden ten opzichte van 2024.

  • 2030: het openbaar vervoer in onze provincie is ‘zero emissie’ en er is een impuls gegeven aan ander ‘zero emissie’-vervoer. Dat betekent dat het aantal laadpalen en waterstofvulpunten voldoende is om aan de toenemende vraag te voldoen.

  • 2030: werken aan de provinciale infrastructuur doen we waar mogelijk circulair en we streven naar 50% minder gebruik van primaire abiotische grondstoffen in 2030. In 2030 stoten we bij het werken aan de provinciale infrastructuur 55% minder CO2 uit ten opzichte van 1990.

  • 2035: gevaarlijke stoffen worden in beperkte mate vervoerd in de bebouwde kom. De toename van risico’s voor mensen in de meest risicovolle zone rond stationslocaties en langs wegen wordt zo klein mogelijk gehouden.

  • 2040: waar mogelijk willen we dat de geluids- en luchtbelasting als gevolg van ‘mobiliteit’ niet hoger is dan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

  • 2040: we streven zoveel mogelijk naar een klimaatneutraal mobiliteitssysteem. Dit betekent onder andere: terugdringen van het (fossiele) energieverbruik en van de CO₂-uitstoot.

  • 2050: het goederenvervoer is schoon, slim en duurzaam georganiseerd. Corridors, hubs, vaarwegen en spoor worden optimaal benut en er is voldoende ruimte voor overslagpunten, ook voor stedelijke logistiek.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 17. Opgavekaart Goede bereikbaarheid, thema Goede bereikbaarheid. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van bereikbaarheid. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid
Goede bereikbaarheid

Goede bereikbaarheid is méér dan de kwaliteit en capaciteit van de infrastructuur; het vraagt ook om slimme combinaties van wonen, werken en voorzieningen. Door woningen te bouwen in de nabijheid van werklocaties, functies in wijken te mengen (bijvoorbeeld woningen en winkels) en voorzieningen op buurt- of wijkniveau te behouden, wordt de leefkwaliteit verhoogd. Ook zijn reisafstanden korter, waardoor meer bestemmingen lopend en fietsend kunnen worden bereikt. Zo dragen we ook bij aan de klimaatopgave.



Integrale afweging

Niet overal kunnen dezelfde voorzieningen met gelijke bereikbaarheidskwaliteit worden aangeboden. In de integrale aanpak waar we voor kiezen is er aandacht voor ruimtelijke ordening, mobiliteit én de voorzieningen. Samen met gemeenten maken we gebiedsgerichte keuzes over de inrichting van routes en corridors, de verdeling van ruimte en de plek en functie van mobiliteitshubs (zoals P+R-faciliteiten).



Bij het zoeken naar gebieden voor woningbouw is bereikbaarheid een belangrijk onderwerp. In het Ontwikkelperspectief NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort 2040 'Gezond groeien in nabijheid' staat hoe we met het Rijk en gemeenten (binnen het programma U Ned) werken aan de ontwikkeling en bereikbaarheid van grote woningbouwlocaties. Voor kleinere woningbouwlocaties in het Provinciaal Programma Wonen en Werken voeren we een bereikbaarheidsanalyse uit. Hiermee zorgen we voor een goede kwaliteit van de bereikbaarheid in de regio en bewaken we de eisen die nood- en hulpdiensten stellen. De bereikbaarheidsanalyse is als instrument opgenomen in de Omgevingsverordening.

Ontwikkelperspectief bereikbaarheid

We werken aan de bereikbaarheid op basis van de onderstaande vier principes. Deze zijn opgesteld in samenspraak met het Rijk en gemeenten, vanuit een gezamenlijke mobiliteitsvisie (‘Gezond groeien in nabijheid’ - Ontwikkelperspectief 2040 NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort, september 2023).

  • Verstedelijkingslocaties zo kiezen dat werklocaties, voorzieningen en ov-knooppunten op tien à vijftien minuten lopen en fietsen bereikbaar zijn.

  • De vraag naar mobiliteit beïnvloeden door niet of anders reizen te stimuleren. Het verkeer wordt zowel in tijd gespreid (meer buiten de spits reizen) als qua netwerken (andere manier van vervoer, bijvoorbeeld fietsen of het ov). Ook gemeentelijk parkeerbeleid en andere vormen van betalen-naar-gebruik spelen mogelijk in de toekomst een rol in het voorkomen van ‘vermijdbare mobiliteit’.

  • We verbeteren de netwerken voor de fiets, het ov en de auto. We zetten in op een ‘schaalsprong’ voor de fiets en het ov. De fietsinfrastructuur wordt verbeterd en we investeren in hoogwaardige ov-infrastructuur, zoals ‘Bus Rapid Transit’ (een snelle, flexibele en hoogfrequente busservice), de Merwedelijn en de binnenstads-as. Bij groei van wonen en werken zijn ook investeringen in de bereikbaarheid per auto nodig. Wij richten ons in de eerste plaats op de ontsluiting van nieuwe woon- en werklocaties.

  • Soepel reizen van deur tot deur stimuleren met mobiliteitshubs: centrale locaties waar verschillende manieren van vervoer samenkomen.

Combinatie van vervoerwijzen

Onze ambitie is dat iedere inwoner en bezoeker de mogelijkheid heeft om per situatie de meest passende manier van reizen te kiezen. Hierbij wordt de kwaliteit van de bereikbaarheid bepaald door de beschikbaarheid, betrouwbaarheid en aantrekkelijkheid van de manier van reizen. Ook is het fijn als er slimme combinaties van vervoer kunnen worden gemaakt, afgestemd op het moment, het reisdoel en de locatie.



Voor korte afstanden en verplaatsingen binnen de bebouwde kom zijn lopen en fietsen, al dan niet elektrisch, vaak de meest gezonde, efficiënte en duurzame keuze. Lopen en fietsen zijn landelijk gezien de meest gebruikte manieren van vervoer in het voor- en natransport van het ov. Daarom investeren we in veilige, comfortabele en goed bereikbare fietsroutes, inclusief extra brede ‘doorfietsroutes’ en stallingen. Er komen ook meer toegankelijke en aantrekkelijke looproutes naar knooppunten en ov-haltes. Tussen steden en voor grote vervoerstromen is het ov heel belangrijk. Reizigers moeten eenvoudig kunnen overstappen, bijvoorbeeld van fiets op trein, via toegankelijke en uitnodigende knooppunten (zie beleidskaart 18: Multimodaal knooppunt ). Op die plekken moet heldere informatie beschikbaar zijn, bijvoorbeeld over vertragingen, en er moeten voorzieningen zijn die de overstap vergemakkelijken. De auto is voor veel mensen een belangrijke vervoerwijze, en in het landelijk gebied vaak noodzakelijk. We stimuleren combinaties waarbij reizigers kunnen overstappen op het ov. Ook deelmobiliteit wordt aangemoedigd (zoals deelfietsen en deelauto’s).



Samenhang Rijksnetwerken

Rijkswegen en spoorwegen zijn niet alleen van nationaal belang, maar ook onmisbaar voor de regionale bereikbaarheid en leefbaarheid. Richting 2040 zetten wij samen met het Rijk, ProRail, NS en gemeenten in op een samenhangend netwerk dat duurzaam, veilig en toekomstbestendig is. Op het spoor werken we samen binnen de Spooragenda Utrecht aan projecten zoals ‘corridorstudies’ en capaciteitsuitbreiding op de drukste lijnen. Daarnaast dragen we bij aan het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer, waarmee nieuwe woonwijken beter bereikbaar moeten worden en reizen met de trein binnen Europa makkelijker wordt. En we maken afspraken over een optimale dienstregeling. Al deze opgaven benaderen we integraal, dus ook met oog voor andere thema’s, zoals de ‘gezonde verstedelijking’, de energietransitie en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing. Dit zodat ook in 2040 de Rijksinfrastructuur bijdraagt aan een gezonde en goed verbonden provincie.

Ondanks onze beleidsinzet op verstedelijken in de nabijheid van voorzieningen en het stimuleren van lopen, fietsen en het gebruik van openbaar vervoer, is de mobiliteitsgroei zo groot dat er in de toekomst ook maatregelen op de provinciale en Rijkswegen nodig zijn. We willen dit samen met onze regionale partners realiseren.

De auto is en blijft een belangrijk onderdeel van het mobiliteitssysteem. De auto heeft immers het grootste aandeel in de mobiliteit (circa 70% van alle kilometers) en heeft de hoogste bereikbaarheid van locaties en voorzieningen (zie ook afbeelding 20, reistijd naar arbeidsplaatsen).

Box Definitie van bereikbaarheid

De box is hier te lezen: Box Definitie van bereikbaarheid

Publieke mobiliteit

Publieke mobiliteit zijn collectieve vervoersmiddelen en/of diensten die op kostenefficiënte en reizigersvriendelijke wijze aan de mobiliteitsbehoefte van de reiziger voorzien. Publieke mobiliteit gaat behalve over het reguliere ov ook over flexibel vervoer, doelgroepenvervoer, deelmobiliteit, taxi’s, hubs en services voor reizigers zoals reisplanners. Het is een inclusief systeem waarmee mobiliteit voor iedereen toegankelijk is en moet blijven.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 16. Publieke mobiliteit (bron: CROW)

Ontwikkelperspectief publieke mobiliteit

De provincie zet in op een aantrekkelijk, volwaardig en samenhangend netwerk (zie beleidskaart 18: Provinciaal OV-netwerk). Dit is in lijn met het OV Netwerkperspectief 2025-20235. Het doel daarin is om het aantal belangrijke ov-verbindingen te laten groeien en het publieke mobiliteitssysteem meer toegankelijk te maken. Daarbij willen we het ov in rustige gebieden koesteren en waar mogelijk versterken met de inzet van publieke mobiliteit.



Het ov-netwerk moet meegroeien met de vraag en bijdragen aan:

  • betere, betrouwbaardere en snellere netwerken voor de ov-reiziger;

  • gezonde, toekomstbestendige verstedelijking en leefbaarheid en goede beschikbaarheid van het ov in landelijke gebieden;

  • de sociale functie van het ov-netwerk;

  • betere bereikbaarheid van belangrijke werklocaties zoals Utrecht Science Park en voorkomen van overbelasting in de omgeving van station Utrecht Centraal.

Dit doen we door:

  • nieuwe ov-verbindingen te realiseren en bestaande verbindingen op te waarderen, te verleggen of te verlengen. Bestaande verbindingen op een betere manier gebruiken heeft in deze fase de voorkeur. Het realiseren van hoogwaardige busverbindingen tussen Utrecht Science Park en Amersfoort, richting Vianen en op het OV-Anker in de regio Amersfoort (de centrale corridor tussen Amersfoort CS en het noorden en zuiden van de stad) is hierin een belangrijke stap;

  • duurzaam concessiemanagement, waarbij de concessies flexibel en wendbaar zijn. Dit om uitbreiding en verandering van het ov mogelijk te maken als gevolg van technische, ruimtelijke ontwikkelingen of nieuwe infrastructuur. Doel is een ov dat voor iedereen, van stad tot regio, toegankelijk en betaalbaar is;

  • aantrekkelijke mobiliteitshubs in te richten. Voor de mobiliteitstransitie is het essentieel dat mobiliteithubs een goede kwaliteit hebben. Hiervoor moet de bereikbaarheid van het knooppunt te voet, per (deel-)fiets en (deel-)auto en met het ov verbeterd worden. Het verblijven moet aangenamer worden en de ruimtelijke en economische potentie van de mobiliteitshub moet beter benut worden;

  • duurzaam beheer en duurzame realisatie van de ov-infrastructuur. Waar mogelijk is die klimaatneutraal, klimaatadaptief en circulair. We gebruiken herbruikbare materialen, vergroenen haltes en knooppunten en houden rekening met hittestress, wateroverlast en biodiversiteit. Zo dragen investeringen in het ov bij aan zowel de mobiliteit als aan een gezonde, toekomstbestendige leefomgeving;

  • de Merwedelijn aan te leggen. Dit om grootschalige ontwikkellocaties zoals Groot Merwede en Rijnenburg duurzaam te ontsluiten en te verbinden met het bestaande stedelijk en regionaal publieke mobiliteitsnetwerk.

Openbaar vervoer voor iedereen, van stad tot regio: toegankelijk en betaalbaar

Als mobiliteit voor iedereen toegankelijk is, voorkomt dat sociale uitsluiting en wordt ‘vervoersarmoede’ (waarbij het ov voor mensen te moeilijk, niet toegankelijk of niet betaalbaar is) tegengegaan. We werken aan duidelijkere reisinformatie, verbetering van de fysieke toegankelijkheid van haltes en perrons, meer comfort (bijvoorbeeld toiletten) en meer hulp op locatie zodat iedereen met het openbaar vervoer kan reizen.

Meer fietsen over een sterk netwerk

Fietsen speelt een belangrijke rol in de bereikbaarheid en leefbaarheid van de provincie Utrecht. Een goed functionerend fietsnetwerk draagt bij aan duurzame mobiliteit in een gezonde leefomgeving (zie beleidskaart 19: regionaal fietsnetwerk). De provincie Utrecht streeft naar een sterk en toekomstbestendig fietsnetwerk, waarbij veilig, comfortabel en aantrekkelijk fietsen de norm is.



Fietsen zien we ook als volwaardig onderdeel van een ‘multimodaal’ mobiliteitssysteem (waarin reizigers op verschillende manieren reizen). Daarom willen we fietsen beter integreren met het ov en met mobiliteitshubs. Dan ontstaat een netwerk waarin reizigers flexibeler kunnen kiezen hoe ze zich verplaatsen. Voor met name korte en middellange afstanden is de fiets dan ook echt een aantrekkelijk alternatief voor de auto.



De provincie Utrecht gaat voor:

  • de uitbouw en verbetering van regionale fietsverbindingen, waaronder doorfietsroutes;

  • hoogwaardige en slimme fietsvoorzieningen, waaronder voorrang bij verkeerslichten en veilige oversteekplaatsen;

  • een fietsnetwerk dat naadloos aansluit op andere manieren van vervoer, zoals een goede stalling bij ov-knooppunten en in de stad

Lopen als onderdeel van mobiliteitssysteem

Naast de fiets verdient ook lopen een volwaardige plek binnen het mobiliteitssysteem. Het is namelijk een duurzame, gezonde en ruimte-efficiënte manier van verplaatsen. Wij zetten daarom in op een betere en veiligere infrastructuur voor voetgangers: bredere trottoirs, veilige oversteekplaatsen en aantrekkelijke looproutes naar knooppunten en voorzieningen. Door lopen actief te stimuleren en voetgangers beter te faciliteren, versterken we niet alleen de bereikbaarheid, maar ook de leefbaarheid en gezondheid in de provincie.

Veilige infrastructuur en verkeersveilig gedrag

Een veilige infrastructuur beschermt alle verkeersdeelnemers, voorkomt ongevallen en draagt bij aan een gezonde en toegankelijke leefomgeving. Wegen en fietspaden worden zó ontworpen en ingepast in de omgeving dat ze overzichtelijk, voorspelbaar en veilig zijn. Dat betekent:

  • Een duurzame weginrichting waarbij snelheid, wegtype en functie op elkaar zijn afgestemd.

  • Goede bescherming van kwetsbare verkeersdeelnemers door veilige oversteekplaatsen, gescheiden fietspaden en veilige schoolroutes.

  • Met zorg aangelegde infrastructuur waarbij is gekeken naar de effecten op de openbare ruimte en de verkeersveiligheid.

De provincie Utrecht investeert in meer verkeerseducatie en bewustwording en dat doen we in samenwerking met scholen, gemeenten en maatschappelijke partners.

Samen gezonde groei bereikbaar maken

Tot 2040 komen er meer dan honderdduizend woningen en arbeidsplaatsen bij. Deze groei biedt kansen, maar vraagt ook om keuzes. We werken aan de bereikbaarheid van deze groei volgens de eerdergenoemde 4 principes. Een gezonde groei vraagt om samenwerking tussen overheden, vervoerders, marktpartijen en inwoners. Alleen samen kunnen we zorgen dat groei bijdraagt aan een gezonde, verbonden en toekomstbestendige provincie.

Verschonen mobiliteit

De provincie Utrecht streeft ernaar om in 2040 een klimaatneutraal, toekomstbestendig en duurzaam mobiliteitssysteem te hebben. Dit krijgen we voor elkaar door minder reizen te bevorderen, andere manieren van vervoer te stimuleren en de uitstoot te verminderen. Dit geldt zowel voor personenmobiliteit als goederenvervoer. Personenmobiliteit is verantwoordelijk voor het grootste deel van de uitstoot. Samen met de Utrechtse gemeenten en Rijkswaterstaat werken we aan het verduurzamen van mobiliteit met het Regionaal Mobiliteitsprogramma Midden-Nederland (RMP).



Goederenvervoer heeft een belangrijke rol in de economie en maakt impact op het leefklimaat. Er is ruimte voor nodig, zowel binnen de mobiliteitsnetwerken als in de openbare ruimte als geheel. Samen met gemeenten, het bedrijfsleven en brancheorganisaties werken we ook aan het verduurzamen van goederenvervoer. We stimuleren de ‘modal shift’ van vervoer over weg naar spoor of water en het bundelen van goederenstromen. De aanwezigheid van watergebonden bedrijventerreinen helpt om deze verandering mogelijk te maken.

We gaan voor zero emissie goederenvervoer, werken aan het schoner maken van de binnenvaart, de aanleg van waterstofvulpunten en de aanschaf van waterstofvoertuigen. Afstemming wordt gedaan in het Logistiek Platform Utrecht.

Beter benutten van onze netwerken

Een manier om de huidige infrastructuur efficiënter te benutten, is verkeer gelijkmatiger verdelen, zowel over de verschillende netwerken als over de dag. Hiervoor is gedragsverandering nodig, zoals niet in de spits reizen en meer thuiswerken.

Optimaal benutten van onze netwerken bereiken we ook door de inzet van multimodaal verkeersmanagement en incidentmanagement. We ontwikkelen goede mobiliteitsdata en zetten in op de beschikbaarheid van veilige en goed werkende technologie en digitale toepassingen. Deze willen we breed beschikbaar stellen aan multimodale reizigers en aanbieders van vervoersdiensten.

Klimaatneutraal en circulair realiseren van aanpassingen aan de infrastructuur

Elk jaar doen we kleine en grote aanpassingen aan onze infrastructuur (zie beleidskaart 19: regionaal wegennet). Bij deze projecten hebben we oog voor de veiligheid van de wegwerkers en -gebruikers en houden we ook de hinder voor de omgeving in de gaten. Daarnaast hebben we als doel om werkzaamheden zoveel mogelijk klimaatneutraal en circulair uit te voeren.

Duurzaam beheren van infrastructuur

Onderhoud van wegen, paden en een aantal vaarwegen gebeurt risico-gestuurd. Dat betekent dat de prioriteit ligt bij het beschikbaar houden van de infrastructuur, op veiligheid en op een goede doorstroming.

Preventief onderhoud kan problemen voorkomen, schade door bijvoorbeeld stormen of overstromingen wordt zo snel mogelijk hersteld.

Kwaliteit assets

De onderdelen van de provinciale infrastructuur worden assets genoemd. Landelijk zijn afspraken gemaakt over hoe we de staat van deze assets meten. Zonder te veel op details in te gaan, is het streven een gemiddeld niveau van B, oftewel basiskwaliteit. Dat betekent dat er gebruikssporen mogen zijn, maar geen achterstallig onderhoud. Voor onze bruggen, viaducten en tunnels betekent dit een conditiescore 3 volgens NEN 2767.

Hiervoor is gekozen na een afweging van verschillende belangen: veiligheid, bereikbaarheid, kosten, comfort, leefbaarheid en de staat van het milieu. Beheer van de assets gebeurt zo duurzaam en circulair mogelijk. Streven is een klimaatbestendige inrichting van de leefomgeving en het vergroten van de biodiversiteit in bermen en op de oevers langs provinciale vaarwegen.

afbeelding binnen de regeling

Tabel: Kwaliteitsmatrix risicogestuurd beheer (bron: CROW). R betreft het risiconiveau (functiefalen met betrekking tot prestatie-eisen)

Vaarwegklassen

De A-vaarwegen in de provincie Utrecht zijn bedoeld voor beroepsvaart, de andere vaarwegen zijn vooral voor recreatief gebruik. Daarnaast kennen de vaarwegen een grootteclassificering voor beroepsvaart (CEMT) en recreatievaart (BRTN). We houden de vaarwegen op diepte en breedte, zodat ze aan deze classificering blijven voldoen. De provincie heeft de vaarwegen Eem en Oude Rijn (tussen Woerden en de provinciegrens) in beheer (zie beleidskaart 19: vaarweg in beheer bij provincie utrecht). Behalve voor de beroepsvaart doen we het onderhoud ook in het belang van de recreatie, de natuurontwikkeling en de waterkwaliteit. Het beheer van enkele provinciale vaarwegen, zoals de Linge, het Merwedekanaal ten zuiden van de Lek en de Amstel, is overgedragen aan andere bestuursorganen.

Operationele diensten

Naast het onderhoud verrichten we ook andere diensten: incidentmanagement, gladheidsbestrijding en herstel van storingen. Deze operationele diensten worden door het jaar heen uitgevoerd, onze weginspecteurs hebben hierin een belangrijke rol.

Vervangingsinvesteringen en onderhoud

Het structureel beheer en onderhoud van mobiliteitsnetwerken is vastgelegd in het Meerjarenonderhoudsplan Mobiliteit. Bij vervanging volgen we het beleid zoals vastgelegd in de nota Investeren, waarderen en exploiteren (2022). Vervangingen worden als investering opgenomen in het Meerjareninvesteringsplan Mobiliteit (MIPM).

Netwerkontwikkeling

Hoewel we beleid hebben om alternatieven voor de auto aantrekkelijker te maken, verwachten we dat het verkeer op de provinciale wegen in de toekomst niet zal afnemen ten opzichte van nu. Op veel trajecten in het provinciaal wegennet is de maximale capaciteit zelfs al bereikt. Het gebruik conflicteert daarbij steeds meer met verkeersveiligheid en leefbaarheid. De komende jaren zullen we fors moeten blijven investeren om de groei in de regio in goede banen te leiden. Door te investeren in de provinciale infrastructuur, zoals op de N201 en de Rijnbrug, verbeteren we de bereikbaarheid, doorstroming en veiligheid. Daarnaast kijken we naar de robuustheid van ons netwerk van provinciale wegen in de toekomst, waarbij we kijken hoe we de groei kunnen faciliteren.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 18. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van openbaar vervoer

afbeelding binnen de regeling

Kaart 19. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van het fiets-, wegen- en vaarwegennetwerk

Uitvoering geven aan beleid voor goede bereikbaarheid

Participeren

  • Programma U Ned.

Realiseren

  • Bereikbaarheidsprogramma 2024-2029.

  • Uitvoeringsprogramma Publieke mobiliteit 2024-2029.

  • Uitvoeringsprogramma Gezonde en veilige mobiliteit 2024-2029.

  • Uitvoeringsprogramma Infrastructuur en benutten 2024-2029.

  • Uitvoeringsprogramma knooppunten.

Reguleren

  • Instructieregels voor bereikbaarheidsanalyse en instandhouding OV-netwerk b cmj ontwikkelingen.

Paragraaf 4.6 Vitale steden en dorpen

De provincie Utrecht is een aantrekkelijke plek om te wonen, te werken en te recreëren. De grote steden Utrecht en Amersfoort zijn een populaire vestigingsplaats voor mensen en bedrijven en groeien snel. In de meer landelijk gelegen kernen is er juist de aantrekkingskracht van kleinschaligheid en een vriendelijke leefomgeving.



Door de grote vraag is er een groot tekort aan (betaalbare) woningen. Onze bevolking is in allerlei opzichten divers: demografisch (leeftijd, geslacht, etniciteit), sociaaleconomisch en cultureel. Door vergrijzing en kleinere huishoudens is er een toenemende vraag naar betaalbare en kleinere woningen. Er is ook behoefte aan woningen waar mensen zorg aan huis kunnen krijgen (‘zorggeschikte woningen’).



De aanwezigheid van uitstekend opgeleid talent (op alle niveaus: mbo, hbo en wetenschappelijk onderwijs) en de concentratie van onderwijs- en kennisinstellingen maken de provincie Utrecht een dynamische en competitieve topregio waarin bedrijven willen investeren en waar talent zich graag vestigt. De werkgelegenheid groeit naar verwachting met honderdduizend banen in de periode tot 2050.



De provincie Utrecht wil voldoende ruimte bieden voor wonen en werken. Scheefgroei tussen het aantal woningen en het aantal banen moet worden voorkomen. De provincie heeft een regierol bij het mogelijk maken van nieuwe ‘uitleglocaties’: gebieden bedoeld voor stedelijke uitbreiding, meestal aan de rand van bestaand bebouwd gebied.



We werken daarbij aan de hand van vier verstedelijkingsprincipes:

  • a.

    Zoveel mogelijk binnen het stedelijk gebied nabij Knooppunt en bouwen.

  • b.

    Daarnaast in ‘overig Stedelijk gebied ’.

  • c.

    Eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors.

  • d.

    Waar mogelijk nieuwe locaties koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors. Onder voorwaarden is er ruimte voor kleinere uitbreidingen van het stedelijk gebied, om de lokale vitaliteit van de kernen te vergroten (ook als de kern niet is aangesloten op hoogwaardig ov).

In gebieden die qua water en bodem zeer ongeschikt zijn voor verstedelijking, staan wij alleen nieuwe verstedelijking toe als er geen alternatief is. Dit beoordelen we op basis van ons beleid en onze regels; daarnaast gebruiken we de geschiktheidskaart voor nieuwe woon- en werklocaties van de Utrechtse Waterpartners.



Voor het toevoegen van nieuwe bedrijventerreinen in hogere milieucategorieën is het vaak niet wenselijk deze binnen bestaande dorpen en steden te ontwikkelen. Hiervoor zal sneller naar buiten het stedelijk gebied worden uitgeweken. Via het Provinciaal Programma Wonen en Werken besluit de provincie over nieuwe ‘uitleglocaties’ voor wonen en werken.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 17. Collage met sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema vitale steden en dorpen (bron: BVR i.s.m. provincie Utrecht, 2025)

Paragraaf 4.6.1 Wonen en volkshuisvesting
Opgaven

Niet voor iedereen die in de provincie Utrecht wil wonen is er momenteel passende woonruimte. Er zijn lange wachttijden voor betaalbare huurwoningen en de verkoopprijzen van koopwoningen behoren tot de hoogste van Nederland. Er is sprake van gezinsverdunning en vergrijzing, waardoor er een grotere en een andere woningvraag is ontstaan. Ook aan de vraag van aandachtsgroepen wordt onvoldoende voldaan. Daarnaast is er een onevenwichtige verdeling van de woningvoorraad voor kwetsbare groepen en van sociale huurwoningen in het algemeen. Uitdagingen als bereikbaarheid, netcongestie, de stikstof- en CO₂-uitstoot, biodiversiteit, de (drink)waterbeschikbaarheid en personeelstekorten maken de kwestie betaalbare woningen nog ingewikkelder.



In verschillende bestaande wijken in met name de grote en middelgrote steden is daarnaast sprake van sociale en fysieke achterstanden. In die wijken is behoefte aan verbetering van de leefbaarheid en de brede welvaart, zodat er sterke, veerkrachtige gemeenschappen kunnen ontstaan. De vastgelopen asielketen en de opvang van ontheemden uit Oekraïne heeft de druk op die leefbaarheid verhoogd: het was lastig om binnen de mogelijkheden de juiste voorzieningen voor deze groep mensen te organiseren.



De provincie wil voldoende betaalbare, passende en toekomstbestendige woonruimte realiseren. We stimuleren intensieve, integrale verstedelijking nabij (toekomstige) stationslocaties, kleinschalige integrale ontwikkeling in (kleine) kernen en nieuwe uitleglocaties voor woningbouw (zie kaart 20: Opgavekaart Wonen en volkshuisvesting). ‘Integrale verstedelijking’ betekent dat alle aspecten van gebiedsontwikkeling in samenhang worden ontwikkeld: het bieden van woonruimte, werkruimte, groen, infrastructuur en ook sociale binding.

Box Provinciaal Programma Wonen en Werken

De box is hier te lezen: Box Provinciaal Programma Wonen en Werken

Ambities
  • 2028: bij de helft van alle Utrechtse gemeenten is natuurinclusief bouwen en ontwikkelen uitgangspunt, met als doel dat natuurlijke ecosystemen behouden blijven of worden versterkt. Dit geldt voor nieuwbouw en de inrichting van de openbare ruimte en waar mogelijk ook bij renovatie van bestaande bouw.

  • 2030: in overeenstemming met de afspraken met het Rijk wil de provincie een evenredig deel van de landelijke huisvestings- en opvangopgave te realiseren.

  • 2030: het realiseren van toekomstbestendige woningen en woonwijken met (basis)voorzieningen.

  • 2030: alle nieuwbouw in de provincie Utrecht gebruikt 50% minder primaire abiotische grondstoffen ten opzichte van 1992.

  • 2030: 55% broeikasgasreductie ten opzichte van 1990.

  • 2030: in lijn met Europese wet- en regelgeving (EPBD IV) is de uitrol van zonne-energie installaties mogelijk voor nieuwe woongebouwen (bijvoorbeeld: het plaatsen van zonnepanelen op daken).

  • 2040: in de periode 2025 tot en met 2040 zijn in de provincie Utrecht circa 128.000 extra woningen gerealiseerd, waarvan twee derde in het betaalbare segment en 30% in de categorie sociale huur (inschatting op basis van een woningmarktonderzoek gedaan medio 2025). Met als resultaat het inlopen van het woningtekort tot 2% (dat is de ‘woningkrapte’ waarbij de woningmarkt goed kan functioneren).

  • 2040: voldoende, betaalbare en passende woonruimten op een geschikte locatie voor inwoners (huidig en toekomstig) die een woon(zorg)behoefte hebben (met name ouderen en aandachtsgroepen).

  • 2040: vergroten van brede welvaart, aanpakken van achterstanden en verbeteren van het perspectief van huidige en toekomstige generaties, zodat de wensen van inwoners op het gebied van wonen, werken en sociaal contact zoveel mogelijk worden gehonoreerd.

  • 2040: een provincie met een toekomstbestendige, gezonde en diverse woon- en leefomgeving; gevarieerd en met aandacht voor groen en blauw in de openbare ruimte, ruimte om te bewegen en te recreëren en goed bereikbare (basis)voorzieningen voor iedereen.

  • 2050: het realiseren van circulaire woningen en woonwijken met (basis)voorzieningen.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 20. Opgavekaart Wonen en volkshuisvesting, thema Vitale steden en dorpen. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van wonen en volkshuisvesting. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Met het provinciale volkshuisvestingsbeleid streven we ernaar om alle inwoners voldoende, betaalbare, passende en toekomstbestendige woonruimte te bieden, evenwichtig verdeeld, in een leefomgeving waarin het fijn wonen en leven is.



De wens is om vitale, sociaal gemengde en veerkrachtige wijken en dorpen te realiseren, waarin iedereen volwaardig kan deelnemen en waar de plek waar iemand woont niet bepalend is voor diens kansen. Met een divers woningaanbod en een verdeling van woonvormen komen er meer 'gemengde gemeenschappen’. De huisvesting van kwetsbare groepen wordt evenwichtig verdeeld. Er komen daarnaast voldoende opvangvoorzieningen voor asielzoekers en Oekraïense ontheemden. Het streven is dat locaties een positieve impact hebben op de omgeving.



Er wordt gebouwd en gewoond met oog voor toekomstige generaties, waarbij een fijne en gezonde leefomgeving hoog in het vaandel staat. Dit doen we door toekomstbestendige woningen te bouwen en door het beter benutten van de bestaande voorraad met aandacht voor de woon- en zorgbehoeften van ouderen, aandachtsgroepen en statushouders. Daarnaast wordt ingezet op de ontwikkeling van veilige, gezonde, leefbare, groene en bereikbare woonwijken, met passende basisvoorzieningen in zowel kleinere kernen als in de steden. Dit hangt samen met aandacht voor kwaliteiten als toekomstbestendigheid, waterbeschikbaarheid, milieukwaliteit en bereikbaarheid. Voor kleinere kernen speelt daarbij ook nog het vraagstuk hoe deze kernen vitaal te houden.



De provincie werkt dit beleid verder uit in het nieuwe Volkshuisvestingsprogramma dat op basis van de Wet versterking regie volkshuisvesting moet worden opgesteld. Het is onze ambitie om daarin het ‘ruimtelijke’ en het ‘sociale’ nadrukkelijk met elkaar te verbinden.



De provincie helpt gemeenten en corporaties bij het werken aan de volkshuisvesting. Omdat het belang van genoeg woningen zo groot is, zal de provincie – maar alleen in het uiterste geval – vanuit de Wet versterking regie volkshuisvesting instrumenten inzetten als: beroep, reactieve interventie, instructie of een projectbesluit. Van het Rijk verwachten we hulp, maar ook beleid om voldoende woningbouw mogelijk te maken. Dan gaat het om onderwerpen als: stikstof, netcongestie, mobiliteit en het omgaan met tekorten aan ambtenaren bij provincies en gemeenten. Die ambtenaren zijn nodig om het nieuwe beleid uit te voeren en te handhaven.

Stedelijke kwaliteit

Gezien de grote ruimtevraag in de provincie is het zaak zorgvuldig om te gaan met de ruimte. Binnen steden en dorpen is ruimte nodig die gebruikt kan worden voor ‘verdichting’ (intensiever benutten van bestaand stedelijk gebied en herontwikkeling). Daarbij willen we zoveel mogelijk ruimtelijke en cultuurhistorische kwaliteiten ten minste behouden of waar mogelijk versterken. Gebouwen en locaties die hun oorspronkelijke functie verliezen, komen in beeld voor herontwikkeling.

Waar het nodig is om te kunnen voorzien in de grote woningbouwopgave met alle bijbehorende uitdagingen blijven we samen met gemeenten verkennen wat de mogelijkheden zijn om buitenstedelijk te kunnen bouwen.

De woningbouwopgave

Om de behoefte aan woonruimte te faciliteren, willen we het woningtekort wegwerken tot 2% in 2040 (de wenselijke woningkrapte om de woningmarkt te laten functioneren). Om te voldoen aan de woningbehoefte in de provincie Utrecht, is het nodig om van 2025 tot en met 2040 ongeveer 128.000 extra woningen toe te voegen (exclusief ‘onttrekkingen’, waarbij een woonruimte voor iets anders dan bewoning wordt gebruikt of wordt gesloopt). Twee derde van de woningen moet in het betaalbare segment vallen en 30% in de categorie sociale huur. We blijven de behoefte aan woonruimte meten op basis van het meest recente woonbehoefteonderzoek. Zo houden we het aantal toe te voegen woningen actueel.



Qua bouw zetten we in op 130% plancapaciteit (het totaal aan woningen in bouwplannen), zowel op provinciaal als op regionaal niveau. Omdat plannen kunnen uitvallen of vertraging kunnen oplopen, is een plancapaciteit van meer dan 100% belangrijk. De provincie werkt eraan om ‘zachte’ (voorgenomen) plannen te veranderen in ‘harde’ (uit te voeren) plannen. Dit doen we door belemmeringen voor woningtransformatie en woningbouw zoveel mogelijk weg te nemen.



Voor de locatiekeuze voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen hanteren we de basisprincipes voor verstedelijking. De woningen kunnen voor een groot deel binnen het bestaande stedelijke gebied (van steden en dorpen) worden gerealiseerd. Bij binnenstedelijk bouwen wordt aandacht gevraagd voor de wijze van verdichting, rekening houdend met de huidige en nieuwe bewoners. Fysieke ingrepen alleen zijn niet voldoende om kwetsbare wijken duurzaam te versterken. Ze vragen om een integrale gebiedsgerichte aanpak met aandacht voor de sociale weerbaarheid.



Naast binnenstedelijke ontwikkeling blijft ook de realisatie van zowel kleinschalige als grootschalige buitenstedelijke woningbouwlocaties noodzakelijk; dit om de omvangrijke en complexe volkshuisvestelijke opgaven en ruimtelijke uitdagingen in de provincie het hoofd te bieden. De provincie borgt de samenhang met U-Ned en de ontwikkelperspectieven van NOVEX-gebieden door deze te verankeren in de keuzes voor locatieontwikkeling en infrastructuur.



Een aantal bestaande of toekomstige locaties in de buurt van hoogwaardig openbaar vervoer en/of stationslocaties is specifiek aangewezen als locatie voor het integraal ontwikkelen van wonen en werken. Het gaat onder andere om Metropoolpoorten (onder andere Groot-Merwede en Amersfoort centraal-Amersfoort Schothorst), regiopoorten (onder andere Woerden en Zeist) en uitleglocaties als De Klomp.



Met het oog op de huidige en toekomstige behoefte aan wonen en werken, is het cruciaal om innovatiever, compacter en lichter te bouwen dan we tot nu toe gewend zijn. De gewenste mate van compactheid wordt per locatie bepaald. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de kwaliteiten in de omgeving, netbewust bouwen (rekening houden met de beschikbare capaciteit en belasting van het lokale energienet), de volksgezondheid en het veranderende klimaat. Er wordt gestreefd naar efficiënt en meervoudig gebruik van de beschikbare ruimte, zodat het aantal extra hectares dat nodig is voor de woningbouwopgave waar mogelijk beperkt blijft. Naast het innovatiever en compacter bouwen gaan we bestaande woningen beter benutten. Dat doen we bijvoorbeeld door beter gebruik te maken van bestaande kavels, woningen en woningcomplexen. ‘Beter gebruik’ kan bijvoorbeeld betekenen dat meer mensen in één woning wonen en dat doorstroming wordt bevorderd. Het gaat ook over splitsen en optoppen. Dit wordt verder uitgewerkt in het Volkshuisvestingsprogramma.

Toekomstbestendig bouwen

Toekomstbestendig bouwen betekent: het ontwerpen en bouwen van gebouwen die duurzaam zijn, zich kunnen aanpassen aan toekomstige veranderingen en een gezonde leefomgeving bieden. Hierbij is aandacht voor circulariteit, klimaatadaptatie, energie, duurzame mobiliteit, natuurinclusiviteit en een gezonde leefomgeving. Vanuit de provincie stimuleren wij dit via het convenant Toekomstbestendig Bouwen. In lijn hiermee wordt bij elke stap in een bouwproject gekeken naar de inpassing van circulaire en biobased materialen en het behouden en versterken van natuurlijke ecosystemen door natuurinclusief en klimaatadaptief te bouwen. Ook is er aandacht voor netbelasting, bodem en de drinkwatervraag en -beschikbaarheid. Via de Omgevingsverordening stimuleren we gemeenten om deze thema’s van toekomstbestendig bouwen af te wegen in samenhang met andere thema’s.

Geschiktheidskaart Utrechtse Waterpartners

De box is hier te lezen: Box Geschiktheidskaart Utrechtse Waterpartners

Een thuis voor iedereen

Voor veel mensen zijn woningen te duur. Gemeenten en corporaties hebben in toenemende mate moeite met het passend huisvesten van ouderen en mensen die zich in een kwetsbare positie bevinden, terwijl de maatschappelijke en financiële gevolgen van het tekort aan woningen voor deze mensen – naast de persoonlijke impact van het niet hebben van een passende woonruimte – groot is. Hierdoor nemen de kosten voor opvang toe en stokt de doorstroom vanuit zorginstellingen naar reguliere woningen. De provincie Utrecht streeft naar voldoende betaalbare, passende en toekomstbestendige woningen voor alle aandachtsgroepen, met een verantwoordelijkheid voor iedere gemeente. Daarbij hoort de juiste zorg, ondersteuning en begeleiding. We volgen hiermee de landelijke ambitie en lijn uit de nationale programma's en de Wet versterking regie volkshuisvesting (Wvrv) om met meer regie voldoende, betaalbare, passende en toekomstbestendige woningen te realiseren. Daarbij past een eerlijke verdeling over gemeenten.

Met de opgave rond de huisvesting van aandachtsgroepen krijgt de provincie een extra verantwoordelijkheid (vanuit de Wvrv) in de volkshuisvestingsopgave. We zullen een sterkere regisserende rol op ons nemen dan dat wij de afgelopen jaren hebben gedaan. De urgentie van de volkshuisvestelijke opgave vraagt om meer richting geven, monitoring, toetsing, bijsturing en handhaving. Het toewerken naar voldoende sociale en betaalbare woningen voor ouderen en aandachtsgroepen zien we als een belangrijke verantwoordelijkheid, waar iedere gemeente dan ook op getoetst zal gaan worden. Behalve dat blijft de provincie Utrecht ook andere rollen vervullen, zoals stimuleren en ondersteunen. Als het gaat om aandachtsgroepen wordt in de Wvrv onderscheid gemaakt tussen enerzijds ‘wettelijke urgentiegroepen’ en anderzijds ‘overige aandachtsgroepen’. Gemeenten zijn, na invoering van de Wvrv, verplicht de urgentiegroepen op te nemen in hun huisvestingsverordening; dit is één van de instrumenten uit de wet. Deze instrumenten zijn gekoppeld aan het lokale volkshuisvestingsbeleid van gemeenten.

Voldoende, passende woonruimte voor de woonzorgbehoefte

De provincie Utrecht wil dat er voldoende woningen zijn die in kwalitatieve zin aansluiten op de woon(zorg)behoefte vanuit diverse aandachtsgroepen. Die woningen moeten betaalbaar zijn, geschikt zijn voor zoveel mogelijk aandachtsgroepen en toegankelijk voor ondersteuning en zorg aan huis. In 2024 hebben we een ‘Woonzorgbehoefteanalyse aandachtsgroepen en ouderen’ laten uitvoeren, met een prognose voor de huisvestingsopgave van aandachtsgroepen per doelgroep tot 2030 en tot 2040. Deze analyse dient als uitgangspunt voor het maken van regionale afspraken over de huisvesting van aandachtsgroepen en ouderen en zal eens in de vier jaar geüpdatet worden.

Evenwichtige verdeling en afsprakenkaders

Het huisvesten van aandachtsgroepen en ouderen moet regionaal worden verdeeld, zodat iedere gemeente haar verantwoordelijkheid neemt. Dit wordt vastgelegd in de regionale afsprakenkaders Ouderenhuisvesting en Aandachtsgroepen. Hoe iedere gemeente deze verantwoordelijkheid invult, wordt verder uitgewerkt in het Volkshuisvestingsprogramma. Alle aantallen die regionaal zijn overeengekomen, moeten onderaan de streep overeenkomen met de aantallen in het provinciale Volkshuisvestingsprogramma. Rond ouderenhuisvesting gaat het om een netto-uitbreidingsopgave die onderdeel is van de nieuwbouwaantallen, waar in woondealverband eerder afspraken over gemaakt zijn. De opgave rond aandachtsgroepen is vooral een toewijzingsopgave. Voor deze opgave is het belangrijk dat iedere gemeente zorgt dat er een voldoende grote sociale huurvoorraad ontstaat, zodat iedere gemeente haar verantwoordelijkheid kan nemen. Dat kan via nieuwbouw, maar ook door het beter benutten van de bestaande voorraad.

Asielzoekers, ontheemden en statushouders

De asielketen in Nederland is vastgelopen. De provincie Utrecht benadert deze uitdaging in samenwerking met gemeenten en in overeenstemming met andere opgaven. Op het gebied van de kwantiteit stimuleren we de realisatie van meer opvangplekken, maar zetten we via de Provinciale Regie Tafel (PRT) ook in op kwalitatief goede opvang- en huisvestingsplekken. Die plekken moeten passen bij de schaal, de draagkracht van en het draagvlak in de omgeving. Onze aanpak is gericht op integratie, maatschappelijke ‘inbedding’ en het delen van voorzieningen. Het is mooi als er verbindingen kunnen ontstaan met de buurt, dat verschillende groepen mensen samenleven en dat asielzoekers snel de taal kunnen leren, kunnen werken en kunnen meedoen. Bij de ontwikkeling van opvanglocaties kijken we samen met gemeenten of een opvanglocatie ook de huidige inwoners iets kan brengen. Zoals: woonruimte voor starters, nieuwe voorzieningen of kleine bedrijfsruimtes. Met deze ‘Utrechtse aanpak’ willen we niet alleen zorgen voor bedden, maar ook voor inbedding in de omgeving, zodat de aanwezigheid van opvangvoorzieningen voor bewoners en omwonenden iets vanzelfsprekends wordt.

Vitale en leefbare wijken en kernen

In sterke gemeenschappen en vitale wijken is een gezonde balans tussen kwetsbare en draagkrachtige mensen. Dat leidt tot meer sociale cohesie, een beter toekomstperspectief voor iedereen en gelijke kansen. In een aantal wijken waar de leefbaarheid laag is, bevordert en ondersteunt de provincie Utrecht gemeenten om de leefbaarheid in deze wijken te vergroten. Dat gebeurt via de Vitale Wijken-aanpak. De ambitie om gemeenschappen te versterken, krijgt een extra impuls door de eind 2024 vastgestelde Actieagenda Vitale Samenleving. Daarin staan initiatieven ter bevordering van een brede maatschappelijke participatie, het welzijn en de sociale cohesie.



In een aantal kernen in de provincie Utrecht staat de vitaliteit onder druk, door onder andere vergrijzing en de daling van het aantal leden per gezin (‘gezinsverdunning’). Dit kan ten koste gaan van het draagvlak voor voorzieningen en het verenigingsleven. In lijn met het Actieprogramma Vitale Kernen wordt de vitaliteit van kleinere kernen in stand gehouden door wonen, werken en voorzieningen slim met elkaar te combineren. Daarbij ondersteunt de provincie het bouwen van woningen voor specifieke doelgroepen (ouderen, starters) om de vitaliteit van een aantal kernen en wijken te behouden en te versterken.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 21. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van wonen en volkshuisvesting

Uitvoering geven aan beleid voor wonen en volkshuisvesting

Stimuleren

  • Programma Versnelling Woningbouw 2025-2028.

  • Convenant Toekomstbestendig Bouwen.

  • Subsidie, kennis en capaciteit voor gemeenten ter versterking gemeentelijke uitvoeringskracht in de woningbouw.

Participeren

  • Stakeholderparticipatie projecten en regionale verdelingsafspraken.

  • Woondeals regio’s U10, Amersfoort en Foodvalley.

  • Regionale Versnellingstafels voor knelpunten in de woningbouw.

  • Transformatiefonds NV OMU

Realiseren

  • Provinciaal Programma Wonen en Werken.

  • Opstellen Volkshuisvestingsprogramma.

  • Programma Versnelling Woningbouw 2025-2028.

  • Programma Hart van de Heuvelrug.

Reguleren

  • Verplichting tot regionale programmering woningbouw met criteria voor voldoende betaalbare woningen.

  • Criteria en voorwaarden woningbouwlocaties.

  • Wet versterking regie volkshuisvesting: na vaststelling instrumentarium benutten.

  • Instructieregels Toekomstbestendig Bouwen.

Paragraaf 4.6.2 Economie
Opgaven

De provincie heeft te maken met aan aantal ‘ruimtelijke opgaven’ voor bedrijventerreinen, kantoorlocaties, innovatielocaties en centrumgebieden. Deze zijn weergegeven op kaart 22: Opgavekaart Economie. Het realiseren van voldoende ruimte van de juiste kwaliteit is van belang voor het functioneren van een toekomstbestendige, circulaire en innovatieve regionale economie. Er is op dit moment te weinig ruimte beschikbaar voor de vestiging en ontwikkeling van bedrijven. Prioriteiten zijn dus: het realiseren van voldoende extra ruimte, het beter benutten van bestaande bedrijventerreinen en het voorkomen van verlies aan bedrijventerrein. Bestaande bedrijventerreinen moeten ook efficiënter, aantrekkelijker, duurzamer en toekomstbestendiger worden ingericht. Qua kantoren is er op dit moment sprake van een disbalans: er zijn goed bereikbare plekken waar veel vraag naar is en er zijn leegstaande kantoren die moeten worden vernieuwd, omgevormd, verplaatst of gesloopt. Voor innovatielocaties geldt dat huidige locaties verder ontwikkeld worden en dat er gezocht wordt naar ruimte voor nieuwe locaties. Voor het welvarend, gezond, veilig, leefbaar, duurzaam en bereikbaar houden van dorpen en steden, moet er een goede balans zijn tussen het aantal woningen en het aantal banen. Een belangrijke belemmering van economische ontwikkeling in de provincie is de aanhoudende krapte op de arbeidsmarkt. Er is een tekort aan onder andere technisch personeel en zorgpersoneel.



Een andere uitdaging is het volle elektriciteitsnet en het feit dat de levering van (drink)water niet overal gegarandeerd kan worden. Investeringen in slimme netwerken en lokale energieoplossingen zijn dringend nodig. Net als uitbreidingen van waterwinningen in combinatie met waterbesparende maatregelen om verspilling van schoon drinkwater te voorkomen. Deze innovatieve oplossingen kunnen ervoor zorgen dat de ontwikkeling en uitgifte van nieuwe bedrijventerreinen niet langer stilstaat.

Ambities
  • 2050: stimuleren van de brede welvaart door het behoud van een toekomstbestendig innovatie- en ondernemersklimaat. In 2050 beschikken we over een competitieve, gezonde, klimaatneutrale en circulaire economie. Die is gericht op innovatie die bijdraagt aan maatschappelijke transities en benut de potentie van verbeteringen van de zelfvoorzienendheid en de weerbaarheid van onze samenleving.

  • 2050: realiseren van de behoefte aan ruimte op werklocaties voor bedrijven en maatschappelijke transities (energie, klimaat, circulair, digitaal, vergroening en gezondheid) en ter versterking van het economisch profiel met life sciences, health and sustainability (Utrecht Heart of Health), afgestemd op de driejaarlijkse behoefteramingen. Dit doen we door ruimte te maken voor nieuwe werklocaties en door ruimte te vinden via door intensivering en verduurzaming op bestaande werklocaties en door leegstand te voorkomen.

  • 2040: binnensteden en dorpskernen maken de transitie naar vitale, duurzame centra met een mix van functies. Door een dynamische combinatie van werken, winkelen, recreëren en wonen stimuleren we levendige en toegankelijke plekken die zowel economisch als sociaal aantrekkelijk blijven en bijdragen aan de identiteit en het welzijn van de gemeenschap.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 22. Opgavekaart Economie, thema Vitale steden en dorpen. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van economie. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Economisch ecosysteem

Voor een competitieve, gezonde en circulaire economie is het van belang dat ‘het ondernemers- en innovatieklimaat’ (hoe aantrekkelijk en ondersteunend de provincie is voor ondernemers en innovatieve activiteiten) toekomstbestendig is en dus kan meebewegen met de veranderende maatschappelijke omstandigheden. Dat geldt zowel voor het stedelijk als het landelijk gebied. In 2040 is de provincie Utrecht nog steeds dé regio waar het verdienvermogen (de economie dus) en brede welvaart hand in hand gaan.



De klimaatopgave vraagt om een fundamenteel andere manier van ondernemen (en consumeren) dan nu gebruikelijk is. De overgang naar een klimaatneutrale productie, consumptie en handel vereist niet alleen technologische innovatie, maar ook het herontwerpen van bedrijfsmodellen en ketens. Een consistente koers van de provincie Utrecht ondersteunt duurzame keuzes en opschaling. Deze en andere transities vragen om een verschuiving van korte-termijnoptimalisatie naar langetermijnwaardecreatie en toekomstbestendig ondernemerschap.



Als de economie innovatief en toekomstbestendig is en past binnen de mogelijkheden en begrenzingen van de fysieke leefomgeving, kunnen we onze ambities waarmaken. De pijlers innovatief, ruimtelijk en toekomstbestendig zullen we in de volgende paragrafen uitwerken.



Innovatieve economie

De regio Utrecht staat in de voorhoede van gezondheidsinnovaties binnen Europa (‘Utrecht Heart of Health’). We zetten volop in op innovatie; een belangrijke innovatiepartner voor de provincie is de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht Region (ROM). Innovatieve bedrijven in de provincie Utrecht dragen bij aan het welzijn van mensen overal in de wereld. Innovatie is voor de economie niet alleen de sleutel tot een hogere arbeidsproductiviteit, maar ook de motor achter grote transities op het gebied van gezondheid, digitalisering en circulaire economie. De toegenomen aandacht voor weerbaarheid, als gevolg van spanningen in de wereld, biedt kansen om slimme ideeën van Utrechtse bedrijven toe te passen in de drone-industrie, in sensoren en voor toepassingen die te maken hebben met cyberveiligheid.



In het bedrijfsleven zijn ‘ecosystemen’ economische gemeenschappen van organisaties die samenwerken om goederen te produceren en diensten te leveren. Er zijn drie belangrijke innovatie-ecosystemen in de regio: Life Sciences & Health, Earth Valley en New Digital Society. Wat we hier doen is:

  • gunstige (institutionele) voorwaarden creëren voor innovatie met maatschappelijke impact;

  • de zichtbaarheid van innovatie vergroten;

  • de vraag naar maatschappelijk impactvolle innovatie aanmoedigen;

  • fysieke ruimte bieden voor innovatielocaties.

Incubators (bedrijven die met name startups helpen met groeien) en netwerken spelen een sleutelrol in het versterken van Utrechtse innovatie-ecosystemen. Als het goed loopt weten onderwijs- en kennisinstellingen, bedrijven en financiers elkaar te vinden. Zij bieden ondernemers begeleiding en toegang tot kennis en kapitaal die nodig zijn om nieuwe ideeën uit te bouwen tot succesvolle bedrijven. Door incubators in te zetten voor het aangaan van maatschappelijke opgaven, vergroten we de kans dat innovaties daadwerkelijk bijdragen aan werkgelegenheid, verduurzaming en regionale groei. Daartoe bieden we goede vestigingscondities, gedeelde voorzieningen en uitwisseling van kennis en talent.



Toekomstbestendige economie

We willen een toekomstbestendig ondernemers- en innovatieklimaat dat kan meebewegen met de veranderende maatschappelijke omstandigheden en voortbouwt op de kracht en kwaliteit van het bestaande bedrijfsleven. Dit betekent dat we ervoor zorgen dat bedrijven zich kunnen blijven ontwikkelen en toekomstbestendig kunnen worden. Dit bereiken we door in te zetten op:

  • een goed functionerende, inclusieve en toekomstbestendige arbeidsmarkt, waar ‘een leven lang ontwikkelen’ centraal staat;

  • het voorkomen van een tekort aan gekwalificeerd personeel; zonder hen komt de uitvoering van beleidsambities op het gebied van woningbouw, energietransitie en klimaatadaptatie in het gedrang;

  • een toekomstbestendig mkb dat zich kan voorbereiden op belangrijke maatschappelijke en technologische ontwikkelingen;

  • een sterke zakelijke dienstensector en maakindustrie, die innovatie en ondernemerschap stimuleren en bijdragen aan productiviteit, hoogwaardige werkgelegenheid en de internationale concurrentiekracht van de regio;

  • het faciliteren van de transitie naar een duurzame, circulaire en concurrerende economie. Hierbij kijken we ook nadrukkelijk naar de ondernemers in het landelijke gebied.

Ruimtelijke economie

Circa 60% van de werkgelegenheid in de provincie Utrecht is verbonden aan een werklocatie: een bedrijventerrein, een kantoor, een innovatielocatie of een centrumgebied. We streven naar de nabijheid van wonen, werken en voorzieningen. Om met de schaarse ruimte om te gaan, werken we op basis van de volgende principes:

  • Goed zorgen voor bestaande bedrijventerreinen door te verduurzamen, door te ‘intensiveren’ (ruimte doelmatiger en efficiënter gebruiken), oneigenlijk gebruik te voorkomen en samenwerking te versterken. NV Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht (OMU) zet zich hiervoor in: die organisatie is in 2011 door de provincie opgericht om verouderde en leegstaande werklocaties aan te pakken. Dit gebeurt door te adviseren, financieren, investeren en in sommige gevallen ook transformeren. We creëren toekomstbestendige werklandschappen, met daarin aandacht voor onder andere klimaatadaptatie, energietransitie, circulaire economie, duurzame mobiliteit en toegankelijkheid.

  • Aan de slag met nieuwe bedrijventerreinen: we ontwikkelen nieuwe terreinen waar de behoefte het grootst is. Daar bieden we voldoende ruimte voor de ontwikkeling van bedrijven en voor maatschappelijke transities (waaronder de circulaire transitie). Er komt genoeg ‘schuifruimte’ (alternatieve vestigingslocaties) en ruimte voor innovatielocaties. Bij nieuwbouw van bedrijfspanden en kantoorgebouwen hebben we aandacht voor natuurinclusieve en circulaire bouw volgens de leidraad nieuwbouw van het Nieuwe Normaal.

  • Selectief met toelaten van bedrijven: we gebruiken de schaarse ruimte voor bedrijvigheid die bijdraagt aan innovatie, duurzaamheid en maatschappelijke meerwaarde.

Box Defensie

De box is hier te lezen: Box Defensie

Ruimte voor werklocaties

Bedrijventerreinen

De aandacht voor nieuwe en bestaande bedrijventerreinen (zie beleidskaart 23: Bestaand en gepland bedrijventerrein ) moet in balans zijn. We zorgen dus goed voor de bestaande terreinen, door:

  • de aanpak van intensivering en verduurzaming jarenlang vol te houden, met een centrale rol voor NV Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht;

  • de ruimte zorgvuldig, intensief en efficiënt te gebruiken, op nieuwe maar ook op bestaande bedrijventerreinen. Dit ‘borgen’ we in regelgeving: we maken ‘uitgifteafspraken’, voorkomen oneigenlijk ruimtegebruik voor bedrijven die niet per se op een bedrijventerrein thuishoren en zorgen dat de ‘milieuruimte’ optimaal wordt benut;

  • terreinen voor hogere milieucategorie-bedrijven (HMC), watergebonden bedrijven en niet-mengbare bedrijven te beschermen en te behouden;

  • terughoudend te zijn met transformeren, met oog voor de specifieke locatie. Dat doen we door bij transformatieplannen te verzekeren dat er alternatieve werklocaties zijn, dat een deel van de bedrijvigheid in transformatiegebieden wordt behouden in een mengbare vorm op een transformatielocatie;

  • bij te dragen aan het verbeteren van de kwaliteit door de transitie naar Werklandschappen van de Toekomst te stimuleren. Dit doen we door in te zetten op brede verduurzaming, de betaalbaarheid voor het midden- en kleinbedrijf, de toegankelijkheid en ook op kansen voor combinaties van maatschappelijke opgaven.

Op nieuwe bedrijventerreinen gaan we:

  • kleinschalige uitbreidingen mogelijk maken via de zogenoemde ‘1 ha-regeling voor lokale vitaliteit en maatwerk’;

  • nadrukkelijk aandacht geven aan regionale en ‘bovenlokale’ terreinen. Het laatste betekent: de gemeentegrenzen overstijgend. Als zo’n terrein wordt ontwikkeld, wordt aan Provinciale Staten voorgesteld om dit op te nemen in het Provinciaal Programma Wonen en Werken;

  • onder andere kijken naar de gewenste categorie bedrijven, de toekomstbestendigheid van de energievoorziening, de klimaatbestendigheid en de aanwezigheid van groen en water. Voorkomen moet worden dat er hinder ontstaat door netcongestie, procedures bij de Raad van State en dat gemeenten geen/weinig menskracht kunnen inzetten;

  • een geheel stimuleren van grotere regionaal georiënteerde bedrijventerreinen (>20 ha.), middelgrote bovenlokale bedrijventerreinen (10-20 ha.) en kleinere lokale bedrijventerreinen (1-10 ha.). Een goede verdeling over de provincie en de regio’s heeft de voorkeur. Dit geheel moet passen bij de toekomstige economie, de infrastructuur en het karakter van de lokale economie.

We zijn selectief als het gaat om welke soort bedrijvigheid zich op de bedrijventerreinen vestigt. Dat doen we door:

  • ruimte te prioriteren voor innovatieve, stuwende en circulaire bedrijvigheid. We geven geen ruimte aan grootschalige bedrijvigheid (zoals XXL-logistiek of datacenters), tenzij er sprake is van het oplossen van een bestaand ruimtelijk knelpunt of circulaire bedrijvigheid;

  • oneigenlijk gebruik te voorkomen en milieuruimte optimaal te benutten;

  • in kaart te brengen welke bedrijventerreinen cruciaal zijn voor de circulaire transitie;

  • te onderzoeken of we ruimte kunnen reserveren voor circulaire bedrijven op nieuwe terreinen;

  • bedrijventerreinen te beschermen en te behouden waar mogelijkheden zijn voor bedrijven in de Hoge Milieucategorie (HMC) en ook kadegebonden bedrijven. Zij zijn de dragers van circulaire ketens en grondstofstromen;

  • het bevorderen van samenwerking tussen bedrijven (mogelijk in de vorm van clustering) om afvalstromen te beperken;

  • het bevorderen van hubs voor goederenvervoer en bouwstromen.

Kantoren

Vanwege problematische kantorenleegstand is vanaf 2014 door de provincie Utrecht ingezet op de afname van de leegstand van kantoren. Sindsdien is de kantorenmarkt veranderd. Daarom verruimen we de mogelijkheden voor nieuwe kantoren op kantoorlocaties met veel marktvraag, terwijl we blijven inzetten op behoud of verminderen van kantoren op locaties met geen marktvraag. Het uitgangspunt voor het provinciaal kantorenbeleid is dan ook om mee te bewegen met de veranderde behoefte aan kantoorruimte en om te kunnen zorgen voor voldoende kantoorbanen in nabijheid van de beroepsbevolking. Om een betere balans in vraag en aanbod op de kantorenmarkt te stimuleren, hanteren we de volgende principes:

  • Een ‘gezond’ leegstandsniveau van 5 tot 7%. Zo’n niveau maakt voldoende dynamiek mogelijk. Bij een hogere leegstand nemen we maatregelen gericht op afname van de kantorenvoorraad.

  • Concentratie van kantoorontwikkeling op goed bereikbare locaties met marktvraag. De behoefteraming kantoren vormt hiervoor het uitgangspunt.

  • Concentratie van kantoren in gebieden met een mix van functies. Dat leidt namelijk tot een lager risico op leegstand in de toekomst, doordat gecombineerde functies zorgen voor een aantrekkelijkere leefomgeving. Wonen en werken in één gebouw wordt gestimuleerd.

  • Kansen voor herontwikkeling of transformatie op incourante locaties verzilveren. Hier spelen we samen met gemeenten en NV Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht op in. Daarbij wordt rekening gehouden met de gevoeligheid voor gezondheidseffecten en -risico’s.

  • Herinvullen of herbestemmen van leegstaande kantoren, om langdurige leegstand en maatschappelijke, economische en ruimtelijke schade tegen te gaan of te voorkomen.

We onderscheiden in de provincie Utrecht vier categorieën kantoren:

  • a.

    Top-kantoorlocaties met vrije groeiruimte (kantoorlocatie categorie 1)

  • b.

    Zeer toekomstbestendige stationslocaties voor kantoren: maximaal 13.000 m² groei (kantoorlocatie categorie 2)

  • c.

    Toekomstbestendige stationslocaties voor kantoren: maximaal 5.000 m² groei (kantoorlocatie categorie 3)

  • d.

    Alle overige (stations)locaties in stedelijk gebied: mogelijkheden voor oppervlakte neutrale verplaatsing, vrije toevoeging van 3.000 m2 (met een maximum van 1.500 m2 per kantoor) en grootschalige binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen (kantoorlocatie categorie 4)

Centrumgebieden

Vitale centrumgebieden vormen het hart van steden en dorpen, waar functies als detailhandel, horeca, cultuur en recreatie en toerisme samenkomen. Die versterken de lokale economie, trekken bezoekers en dragen bij aan de identiteit en leefkwaliteit. Tegelijkertijd staan binnensteden en dorpskernen voor uitdagingen, zoals het op peil houden van het voorzieningenniveau, voorkomen van leegstand, verduurzaming en het behoud van een diversiteit aan functies. We zijn er scherp op dat dat de vitaliteit en het voorzieningenniveau niet afnemen. Ook stimuleren we de transitie van winkelgebieden naar multifunctionele, levendige centra, waar wonen, werken en verblijven elkaar versterken.



Innovatielocaties

We behouden en realiseren ruimte voor bestaande en nieuwe innovatielocaties die bijdragen aan brede welvaart en het verdienvermogen van bedrijven. We maken ruimte voor innovatieve bedrijven die bijdragen aan oplossingen voor maatschappelijke transities en meer strategische autonomie (zelfvoorzienendheid). Hierbij kijken we ook nadrukkelijk naar agrarische ondernemers. Innovatielocaties zoals Utrecht Science Park (USP), inclusief satellieten als USP Bilthoven en USP Zeist en in samenhang met ecosystemen zoals Earth Valley, Life Sciences & Health en de New Digital Society, versterken de regionale positie en bieden de juiste voorwaarden voor innovatieve bedrijvigheid. Door samenwerking tussen bedrijven, onderzoeks- en kennisinstellingen en overheden ontstaan vernieuwende oplossingen. Innovatielocaties spelen hierbij een cruciale rol. Ze vormen belangrijke vestigingslocaties die de regionale economisch-maatschappelijke transities ondersteunen. Gezien dit belang willen we hierin de provinciale rol nader uitwerken, bijvoorbeeld op het gebied van regionale coördinatie en het ruimtelijk instrumentarium.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 23. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van economie

Uitvoering geven aan beleid voor economie

Stimuleren

  • Stimuleren toekomstbestendig innovatie- en ondernemersklimaat.

  • Proactieve rol in de zoektocht naar nieuwe werklocaties.

  • Bijeenbrengen ondernemers, onderwijs- en kennisinstellingen en overheid op innovatielocaties.

Participeren

  • Participeren in uitvoeringsorganisaties NV OMU, ROM Utrecht Region en Economic Board Utrecht.

Realiseren

  • Economische visie 2020-2027.

  • Opstellen programma Economie.

  • Kantorenbeleid.

  • Provinciaal Programma Wonen en Werken.

  • Beleidskader Regionale Innovatiekracht.

  • Uitvoeren Human Capital Agenda door inzet Utrecht Talent Alliantie en regionale partners.

  • Actualiseren Regionaal Economische Agenda (REA).

Reguleren

  • Regels voor het beschermen/behouden van terreinen voor HMC, watergebonden en niet-mengbare bedrijven.

  • Regels voor beperken nieuwvestiging kantoren en detailhandel.

  • Sturen op terughoudend transformeren door bij transformatieplannen alternatieve werklocaties te verzekeren.

  • Sturen op bedrijvigheid die bijdraagt aan innovatie, duurzaamheid en maatschappelijke meerwaarde.

Paragraaf 4.7 Gezonde omgeving en vrije tijd

De provincie heeft een rustgevend buitenleven met bossen, stiltegebieden, rivieren, monumenten en een eindeloos polderlandschap. De provincie bruist: je kunt een terrasje pakken en van de zon genieten, prachtige musea bezoeken en naar een festival gaan. We hebben recreatiegebieden, er is zwemwater en je kunt wandelen, fietsen en varen. De milieukwaliteit is belangrijk voor de gezondheid van mensen; de huidige leefomgevingskwaliteit staat in de top-3 van bekende veroorzakers van gezondheidsverlies. Dit wordt vooral veroorzaakt door de lucht- en geluidkwaliteit. De concentratie fijnstof is nog te hoog, de geluidkwaliteit is op veel plaatsen niet goed en stiltegebieden zijn voor de meeste mensen best ver weg. De economie in de provincie bestaat voor een aanzienlijk deel uit dienstverlenende bedrijven, die dan relatief weer weinig vervuiling veroorzaken.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 18. Collage met sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema gezonde omgeving en vrije tijd (bron: BVR i.s.m. provincie Utrecht, 2025)

Paragraaf 4.7.1 Milieu en gezondheid
Opgaven

De ruimte in onze provincie is beperkt en wordt intensief gebruikt; de verwachting is dat dit de komende jaren verder toeneemt. Dit leidt veelal tot meer geluidsoverlast en een verslechtering van de luchtkwaliteit. Ook zijn er ontwikkelingen die leiden tot meer opslag en transport van gevaarlijke stoffen. Dit heeft effect op de gezondheid en veiligheid van mensen. Voor de meest verstedelijkte gebieden biedt het landelijk gebied steeds minder mogelijkheden voor het vinden van rust en ruimte. En de lucht wordt al geruime tijd elk jaar schoner, maar is nog lang niet op een gezond niveau.



De wettelijke (maximum)normen voor de milieukwaliteit zijn vaak te hoog. Ook onder de normen is nog veel gezondheidswinst te behalen. Mede daardoor veroorzaakt een slechtere leefomgevingskwaliteit veel gezondheidsverlies. De provincie werkt in samenwerking met partners aan het verbeteren van de milieukwaliteit: de omgeving schoner en stiller maken, minder gebruikmaken van vervuilende bronnen en het gebruik van schonere en stillere alternatieven stimuleren. Omdat de ruimte schaars is worden woningen en andere gevoelige gebouwen, zoals kinderdagverblijven en verzorgingshuizen, steeds vaker dicht bij bronnen gebouwd die de kwaliteit en/of de veiligheid van de leefomgeving negatief beïnvloeden. Voorbeelden van die bronnen zijn: rijkswegen en provinciale wegen, spoorlijnen, een combinatie van veehouderijen op één plek en vliegroutes. Mogelijk komt hier in de toekomst nog een bron bij, namelijk een laagvlieggebied voor militaire helikopters. Er zijn ook nog kleinere bronnen, zoals: solitair liggende industriële bedrijven, landbouwbedrijven en windturbines. De provincie vindt het belangrijk om blootstelling aan de schadelijkste emissies, de grootste risico's en de hoogste belasting qua geluid te voorkomen (zie verder kaart 24: Opgavekaart Milieu en gezondheid). Bij het maken van keuzes over welke functie waar kan komen, moet voor een gezonde leefomgeving met deze emissies rekening worden gehouden.



Naast een goede milieukwaliteit kan een groene omgeving (natuur, oppervlaktewater) een belangrijke bijdrage leveren aan de gezondheid van mensen. Groen kan mensen helpen te ontspannen, de weerstand verhogen, het bevordert bewegen en sociale contacten. Groen speelt verder een rol in het beperken van effecten van klimaatverandering, zoals hittestress en wateroverlast. In specifieke situaties kan groen ook een negatief effect hebben, zoals allergische reacties of het bij droogte overslaan van brand naar gebouwen. Het is daarom belangrijk goed te kijken naar de inpassing en het soort groen. Een goede inrichting kan bevorderen dat mensen meer gaan bewegen. In de paragrafen 4.2, 4.2, 4.5 en 4.7.2 wordt verder op deze punten ingegaan.

Ambities
  • 2050: een gezonde en veilige leefomgeving. De kwaliteit van het milieu is goed, de veiligheid is gewaarborgd, bewegen wordt bevorderd en er zijn voldoende ontspannings- en ontmoetingsmogelijkheden.

  • 2040: geluidsbelasting voor bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen niet hoger dan nu. Maximaal 60 dB.

  • 2040: stiltegebieden en gebieden waar nog rust en ruimte te vinden is, blijven behouden voor alle inwoners van onze provincie. Deze gebieden zijn goed toegankelijk en liggen zoveel mogelijk in de nabijheid van de steden en dorpen.

  • 2040: de toename van risico’s van opslag en transport van gevaarlijke stoffen en van straling door hoogspanningslijnen is beheersbaar en wordt zoveel mogelijk beperkt. Dat geldt ook voor het verminderen van gezondheidsrisico’s door geur, trillingen, geluid en licht afkomstig van onder andere industriële bedrijven, het verkeer en veehouderijen.

  • 2030: we voldoen aan de EU-normen voor luchtkwaliteit.

  • 2050: we voldoen aan de advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO, 2021). Bij voorkeur bereiken we deze doelstelling eerder, mits de EU en het Rijk helpen dit mogelijk te maken. Qua ‘ruimtelijke inrichting’ gaan we voor het beperken van de blootstelling van mensen dicht bij grote bronnen van emissies.

  • 2030: nieuwbouw voldoet aan de WHO-advieswaarden voor geluid op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen. Waar dat niet mogelijk is, streven we ernaar om de gezondheidsrisico’s van geluid zo minimaal mogelijk te laten zijn.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 24. Opgavekaart Milieu en gezondheid, thema Gezonde omgeving en vrije tijd. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van milieu en gezondheid. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Werken aan een gezonde en veilige leefomgeving

De provincie Utrecht werkt aan een Gezonde en veilige leefomgeving door het verbeteren van de milieukwaliteit, het beperken van de blootstelling aan een slechtere milieukwaliteit en het bevorderen van gezond gedrag om zo via de fysieke leefomgeving de gezondheid van de inwoners van de provincie Utrecht te verbeteren. ‘Gezond gedrag’ is: meer bewegen, meer sociale contacten en meer ontspannen. Het milieubeleid zet in op het schoner en stiller maken van bronnen en het beperken van gebruik dat de milieukwaliteit slechter maakt. In sommige situaties zijn er mogelijkheden om blootstelling te voorkomen, door bronnen te verplaatsen of te saneren. Nieuwe woningen, kinderdagverblijven en verpleeghuizen komen bij voorkeur op enige afstand van de bronnen, als die nog niet gesaneerd zijn; dit is een extra mogelijkheid om de blootstelling te beperken. Het werken aan een gezonde leefomgeving draagt door preventie bij aan het beheersen van de zorgkosten en de zorgvraag in de toekomst.



Voor verstedelijking zetten we in op het binnenstedelijk en vooral rond knooppunten ontwikkelen van nieuwe woningen. Dit is een goede basis voor een gezonde leefomgeving, vanwege de nabijheid en bereikbaarheid van voorzieningen met de fiets of lopend. Dit leidt tot meer bewegen en minder emissies.



Voor onze doelen voor de milieukwaliteit kijken we naar wat voor een gezonde leefomgeving belangrijk is en dus niet uitsluitend naar de wettelijke (maximum)normen.



Op de beleidskaart zijn zones opgenomen rond rijkswegen, provinciale wegen en spoorwegen (zie beleidskaart 35: Zone direct bij de belastende bron en zone maatregelen en inrichting ). De zones zijn gebaseerd op de gezondheidseffecten van de lucht- en geluidkwaliteit en de risico’s voor mensen in die omgeving. Deze grote bronnen zijn in de hele provincie aanwezig en hebben een grote impact. Verplaatsing hiervan is niet aan de orde; ze nog schoner en stiller maken of risico’s beperken is moeilijk en vaak kostbaar. Dat geldt bijvoorbeeld voor tunnels of overkappingen bij wegen. De blootstelling beperken door enige afstand te houden, kan dan een goede optie zijn.



Bij de integrale afweging voor keuzes van waar en hoe woningen en andere gevoelige en (zeer) kwetsbare gebouwen gerealiseerd worden, kunnen de zones betrokken worden. Het is maatwerk per locatie hoe groot de rol van deze zones is in de afweging, dat hangt onder andere samen met de andere belangen. In de zone direct bij de belastende bron, een relatief beperkte zone, is het zinvol om rekening te houden met de relatief grote gezondheids- en/of veiligheidseffecten die hier kunnen optreden. Voor de tweede zone gaat het vooral om het overwegen van maatregelen en het betrekken van de milieukwaliteit bij de keuzes voor inrichting van de locatie en van de gebouwen zelf om de effecten van de daar aanwezige slechtere milieukwaliteit te beperken. De provincie zal deze zones ook betrekken bij de gezamenlijke zoektocht voor de woningbouwopgave.



De zones zijn gebaseerd op drie milieuthema’s die hier spelen: lucht, geluid en externe veiligheid. Het milieuthema dat de grootste afstand vereist, is bepalend voor de begrenzing op de kaart. De gebieden zijn gebaseerd op bekende adviezen en wettelijke aandachtsgebieden. Het gaat om:

  • (voor luchtkwaliteit) de adviezen van de GGD op basis van epidemiologische studies;

  • (voor geluid) de regel in de Omgevingsverordening voor provinciale wegen (verbod op bouwen van woningen bij een geluidsbelasting van 61 dB Lden of meer). En ook de wettelijke aandachtsgebieden zoals opgenomen in het geluidregister voor rijkswegen en het spoor. Voor provinciale wegen zijn deze aandachtsgebieden nog niet daarin opgenomen, maar wel vooruitlopend daarop berekend. In de aandachtsgebieden wordt wettelijk, via een instructieregel, aandacht gevraagd voor de slechtere geluidkwaliteit. Het gaat om de gebieden tussen de standaardwaarde (uitgangspunt voor ontwikkelingen) en de grenswaarde (maximumwaarde voor uitzonderingen);

  • (voor externe veiligheid) de zones gebaseerd op de wettelijke ‘Plaatsgebonden risico contour’ en de wettelijke ‘aandachtsgebieden voor brand en explosie’. Hiervoor zijn er ook instructieregels opgenomen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving.

Voor de Zone direct rond de belastende bron wordt, uitgaande van het bovenstaande, de afstand voor rijkswegen 150 meter, voor provinciale wegen 50 meter en voor het spoor 30 meter vanaf de buienkant spoorstaven. De Zone maatregelen en inrichting varieert sterk in afstand, omdat dit samenhangt met allerlei kenmerken van de bron en de omgeving.

In het nog op te stellen Beleidsprogramma Gezonde en Veilige Leefomgeving zal een verdere uitwerking hiervan worden opgenomen.

De gezondheid van mensen kan ook negatief beïnvloed worden door vervuild zwemwater. Behalve directe gezondheidseffecten zijn er ook indirecte, zoals hoe de vervuiling van water en bodem invloed heeft op de natuur, gewassen of het drinkwater. De provinciale inzet op het tegengaan van verontreiniging van bodem en water is opgenomen in Paragraaf 4.2 Klimaatbestendig en waterrobuust van deze Omgevingsvisie en in het Bodem- en waterprogramma van de provincie.

Verbeteren luchtkwaliteit

We streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit in de gehele provincie om de gezondheid van onze inwoners te beschermen en negatieve invloed op de natuur te beperken. Een verdere verlaging van de concentraties van schadelijke stoffen levert nog steeds substantiële gezondheidswinst op. In 2030 willen we voldoen aan de EU-normen voor luchtkwaliteit. Uiterlijk 2050 willen we voldoen aan de WHO-advieswaarden uit 2021. We houden daarbij rekening met de resultaten van het onderzoek naar de haalbaarheid van doelen voor de luchtkwaliteit, dat wordt uitgevoerd door het RIVM. Waar van toepassing zet de provincie zich ook in voor het voorkomen, beperken en terugdringen van de uitstoot van andere schadelijke stoffen, waaronder de zogenoemde ‘Zeer Zorgwekkende Stoffen’.



Belangrijke bronnen van luchtverontreiniging binnen de provincie Utrecht zijn het wegverkeer, de binnenvaart, de landbouw en houtstook. Dat laatste is relatief gezien de belangrijkste bron van luchtverontreiniging aan het worden. In samenwerking met de gemeenten en inwoners stimuleren we schoon vervoer, pakken we houtstook aan, verduurzamen we de landbouw en verbeteren we de kwaliteit van de ‘binnenlucht’ op bijvoorbeeld scholen en in zorginstellingen. We combineren maatregelen waar mogelijk met maatregelen voor klimaatadaptatie en het aanpakken van de uitstoot van stikstof.

Verminderen geluid

Nieuwbouw van geluidgevoelige gebouwen vindt vooral plaats op locaties die voldoen aan de WHO-advieswaarden voor geluid. Bij dit geluidsniveau ervaart circa 10% van de mensen ernstige geluidhinder en 3% wordt ernstig in de slaap gestoord. Om dit doel te bereiken moet er aandacht voor zijn bij nieuwe woningbouwplannen en bij wijzigingen in de infrastructuur (weg, spoor en tram), bij de vestiging van bedrijvigheid en bij het plaatsen van windturbines. Het verminderen van geluidsemissies aan de bron kan ook zorgen voor het voldoen aan deze geluidkwaliteit. Het beleid zal zich meer richten op het reduceren van het blootstellingsniveau. Er wordt meer ingezet op preventie en inspanningen om risico’s voor de gezondheid aan te pakken.



Het geluid op gevels van bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen onder directe invloed van (spoor)wegen, vliegverkeer en industrie, willen we in 2040 teruggebracht hebben tot maximaal 60 dB. Daar zijn aanpassingen of maatregelen voor nodig. Ook dit vraagt aandacht bij (de inpassing van) ruimtelijke ontwikkelingen en nieuwe ov- of weginfrastructuur, zodat het aantal ernstig gehinderden niet toeneemt. Bij zo’n 12% van alle woningen en andere geluidgevoelige gebouwen in de provincie Utrecht is het geluid op de gevels hoger dan 60 dB. Het verminderen van geluid en geluidhinder lukt alleen in goede samenwerking met onze partners. Samen werken we aan een ‘Agenda Geluid’ waarin projectgewijs doelen en maatregelen worden opgenomen. Hiermee kunnen we gezondheidseffecten van geluid (zoals hart- en vaatziekten) beperken. De gemeente maakt uiteindelijk de afweging of nieuwbouw van geluidgevoelige bebouwing met veel geluid acceptabel is.



De provincie is als wegbeheerder verantwoordelijk voor het verminderen van geluidshinder langs provinciale wegen. Bij een toename van geluid moet de provincie maatregelen nemen om aan haar wettelijke taak – het handhaven van geluidproductieplafonds – te voldoen. Wij willen de ontwikkeling van nieuwe geluidgevoelige gebouwen in gebieden met veel geluid langs provinciale wegen zoveel mogelijk voorkomen via regelgeving in onze verordening. Het aantal woningen langs provinciale wegen binnen de geluidcontour 61 dB willen wij vanwege de gezondheidseffecten de komende jaren verminderen. Voor de woningen met veel geluid langs onze wegen worden geluid reducerende maatregelen getroffen, zoals het aanbrengen van geluidreducerend asfalt en geluidschermen. Ook komen woningen met veel geluid in aanmerking voor geluidmaatregelen aan de gevels. In het Actieplan Geluid (2024-2029) is dit beleid verwoord.



In de provincie Utrecht zorgt vliegverkeer voor geluidhinder. Op rijksniveau worden besluiten genomen die van invloed zijn op het gebruik van het luchtruim van de provincie Utrecht. Het gaat hierbij om besluiten over Schiphol, maar ook over bijvoorbeeld de laagvlieggebieden voor helikopters van defensie. We zetten erop in om toenemende hinder door vliegverkeer hierbij te voorkomen, zoals bij herziening van de luchtruimindeling. In onze provincie is er in beperkte mate ruimte voor diverse vormen van kleine en recreatieve luchtvaart. Dit mag, als dit op een goede manier ingepast kan worden in de omgeving en de hinder voor mens en dier zo beperkt mogelijk wordt gehouden. We gaan terughoudend om met nieuwe luchthavens voor kleine en recreatieve luchtvaart in de provincie. In stiltegebieden zijn recreatieve drones niet toegestaan. We onderzoeken hoe het huidige luchtvaartbeleid aansluit bij nieuwe inzichten in (geluid)hinder en innovaties. Het toestaan van nieuwe vormen van luchtvaart, zoals drones voor maatschappelijke doeleinden, wordt onderzocht. Luchthavens met een duidelijk maatschappelijk belang, zoals heliplatforms bij ziekenhuizen, worden ondersteund; natuurlijk met aandacht voor de kwaliteit van de leefomgeving.



Het intensieve gebruik van onze leefomgeving zorgt voor steeds meer geluidhinder. 12 % van de inwoners ervaart ernstige hinder van wegverkeer, terwijl de behoefte aan rust en ontspanning groot is. Stiltegebieden vervullen een rol in die behoefte. Behalve voor de rustzoekende inwoner, is stilte ook van belang voor de beleving van het landschap en de natuur. In de provincie Utrecht hebben wij veertien stiltegebieden aangewezen. In deze gebieden handhaven wij de rust. Ter bescherming van de stiltegebieden nemen we regels in onze Omgevingsverordening op; hiermee beperken we activiteiten die geluid produceren. In een aantal gebieden is het stiltebeleid de belangrijkste beperkende factor voor de energietransitie en voor de plaatsing van windturbines. Wij nemen op dat gemeenten dit toe kunnen staan, mits de situering zodanig is dat de effecten op het stiltegebied zo beperkt mogelijk zijn en voor de effecten zoveel als mogelijk is aangesloten op het geluidniveau van de stiltegebieden. We vinden het daarbij belangrijk dat er regionale afstemming over heeft plaatsgevonden, bijvoorbeeld in het kader van de RES’en. Naast de stiltegebieden, waarin wij de stilte met regelgeving beschermen, vragen we ook aandacht voor andere gebieden waarin rust en ruimte gevonden kunnen worden. Gebieden waar naast rust ook andere kwaliteiten als erfgoed en natuur aanwezig zijn, zijn van belang bij het herstellen van drukte in de dagelijkse omgeving van onze inwoners. Vooral in de meest verstedelijkte gebieden, zijn plekken met deze kwaliteiten schaars aan het worden.

Beperken van externe veiligheidsrisico

In samenwerking met gemeenten, omgevingsdiensten en de veiligheidsregio werken wij op verschillende manieren aan het in beeld brengen van externe veiligheidsrisico’s en het nemen van maatregelen om die risico’s te beheersen. Vanuit het Programma Gezond en Veilig werken we aan het voorkomen van normoverschrijdingen voor externe veiligheid. Wij kiezen voor het ruimtelijk scheiden van bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken (zoals de ‘Seveso-inrichtingen’) en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties. In de aandachtsgebieden voor brand en explosie mogen deze gebouwen en locaties niet gerealiseerd worden.



In de meest risicovolle zones rond industrie, spoor, wegen en waterwegen waar met gevaarlijke stoffen gewerkt wordt of waarover die vervoerd worden, is ‘het beheersen van de toename van risico’s voor mensen’ de kern van onze inzet. Hiervoor gelden landelijke regels en maatregelen. Voor Seveso-inrichtingen, waarvoor wij het bevoegd gezag zijn, is onze inzet gericht op het niet bouwen van (zeer) kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties binnen het brandaandachtsgebied. Onze inzet is ook om in het explosieaandachtsgebied voor dit soort gebouwen zoveel mogelijk risicobeperkende maatregelen te treffen. Bij ontwikkelingen met grotere populatiedichtheden rondom seveso-inrichting vinden wij het gewenst dat er meer inzicht wordt gegeven in het groepsrisico. Dat inzicht kan er komen door een kwantitatieve of kwalitatieve risicoanalyse, zodat een afgewogen ruimtelijk besluit kan worden genomen.



Het werken met risicoplafonds voor het vervoer van gevaarlijke stoffen op het spoor werkt niet, blijkt uit een evaluatie. Het Rijk heeft voorgesteld om de risicoplafonds in het Basisnet Spoor te laten vervallen, waarmee ook het inzicht in maximale vervoersbewegingen vervalt. Wij vinden het belangrijk om inzicht te hebben in de aantallen vervoersbewegingen op het spoor in verband met de afwegingen die gemaakt moeten worden met betrekking tot het realiseren van (zeer) kwetsbare gebouwen. We zijn daarom in overleg met het Rijk over hun voorstel en wat er wel mogelijk is.



Het transport van gevaarlijke stoffen over de weg in de bebouwde kom wordt gereguleerd. De provincie moet haar Nwegen aan- of afwijzen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarop wijzen de gemeenten een routenetwerk aan zodat de transporteurs de bebouwde kom zoveel mogelijk mijden.



Voor nieuwe risico’s, bijvoorbeeld risico’s die samenhangen met de energietransitie (‘buurtbatterijen’, vervoer van energie zoals waterstof) kijken we naar de landelijke kennisontwikkelingen en de expertise van de Veiligheidsregio Utrecht. Het is belangrijk dat de provincie en de gemeenten als bevoegd gezag de veiligheidsregio tijdig om advies vragen.



Indien daar aanleiding voor is, zal de provincie locatiebeleid ontwikkelen voor nieuwe risicobronnen. Daarbij zal de provincie ook regels vaststellen, zodat duidelijk is waar ontwikkelingen mogelijk zijn. In veel gevallen kunnen met maatregelen de risico’s beheerst worden.



Door weersextremen of een ongeval met gevaarlijke stoffen, kunnen vitale en kwetsbare functies een groter risico lopen op uitval. Samen met het Rijk, de veiligheidsregio en andere partners brengen wij de risico’s in beeld en onderzoeken wij maatregelen.



Op 1 juli 2025 is de initiatiefwet Veilige jaarwisseling aangenomen. Dit leidt tot een betere bescherming van hulpverleners en inwoners van de provincie en tot minder gezondheids- en milieuschade.

Beperken van toename van risico door straling, en van effecten van trillingen en geur- en lichthinder

De provincie Utrecht werkt aan het beperken van risico’s door straling en effecten van trillingen, geur en licht. Voor hoogspanningslijnen zijn de omvang en de gevolgen van de risico’s nog niet volledig te overzien. Er geldt een landelijk beleidsadvies vanaf 1 oktober 2023; daarin zijn onder andere bronmaatregelen opgenomen die de netbeheerder moet treffen in onderdelen van het elektriciteitsnetwerk. Provincies en gemeenten wordt geadviseerd afstandsmaatregelen te treffen voor gevoelige bestemmingen (wonen en wooninstellingen, geen buitenruimten) bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Wij vinden het belangrijk dat dit beleidsadvies wordt gevolgd.

In de praktijk zien we regelmatig problemen met trillingen die worden veroorzaakt door spoor- en wegverkeer. De problemen verschillen per gebied en hangen samen met het bodemtype. De provincie zet zich ervoor in om schade aan gebouwen, de hinder van trillingen voor mensen en de storing van apparatuur zoveel mogelijk te voorkomen.



Het verminderen van geurhinder door de industrie pakken we op door regulering en door middel van de toepassing van Best Beschikbare Technieken (BBT). Voor geur zijn met de komst van de Omgevingswet rollen en taken veranderd. Het Rijk maakt beleid en stelt normen op voor RWZI's (rioolwaterzuiveringen) en de landbouwsector. De gemeenten zijn verantwoordelijk voor het overige geurbeleid en kunnen regels opstellen. De provincies zijn bevoegd gezag voor de meest risicovolle en grootste industriële bedrijven; de gemeenten voor alle overige bedrijven met geuremissies. Voor geur volgen we, in lijn met de Omgevingswet, in principe het gemeentelijk beleid voor vergunningverlening aan industriële bedrijven. Voor beleid en regels voor de vergunningverlening aan alle industriële bedrijven is een handreiking opgesteld door het Interprovinciaal Overleg en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Daarin staan standaardwaarden en maximale waarden voor het omgevingsplan of de Omgevingsverordening, waar binnen de bandbreedte een afweging gemaakt kan worden. De provincie werkt samen met de gemeenten aan een uniforme implementatie hiervan.

De uitgangspunten van dit beleid zullen we opnemen in het op te stellen programma Gezonde en Veilige Leefomgeving (voorheen: programma Gezond en Veilig). Geurcontouren van agrarische bedrijven en van industriële bedrijven zijn door ons inzichtelijk gemaakt ten behoeve van keuzes en afwegingen voor de woningbouw en andere ruimtelijke ontwikkelingen.

De provincie probeert onnodige lichtvervuiling te voorkomen, bijvoorbeeld bij de provinciale wegen, via het landschapsbeleid. Dit doel gaat hand in hand met het voorkomen van onnodig energiegebruik.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 25. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van milieu en gezondheid

Uitvoering geven aan beleid voor milieu en gezondheid

Stimuleren

  • Normenkader geur voor gemeenten om hun geurbeleid in te vullen.

  • Ter beschikking stellen en ondersteuning bij de toepassing ervan, van diverse instrumenten, zoals de GGO digital twin, en het inzichtelijk maken van de gezondheidseffectcontouren van diverse bronnen en milieuthema's, voor een integrale afweging bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Participeren

  • Samenwerkingsagenda geluid.

  • Schone lucht akkoord.

  • Bestuurlijke Regie Schiphol.

Realiseren

  • Beleidsprogramma Gezond en Veilig 2022-2025.

  • Actieplan Geluid provincie Utrecht 2024-2029.

  • Opstellen van een nieuw programma Gezond en Veilig 2027-2030.

Reguleren

  • Instructieregels voor stiltegebieden.

  • Instructieregel voor aandachtsgebieden rond Seveso-inrichtingen (bedrijven waar met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen wordt gewerkt).

  • Instructieregel voor het bouwen van geluidgevoelige gebouwen in de 61 dB Lden contour rond provinciale wegen.

  • Beleidsregels voor het verlenen van tijdelijke ontheffingen voor het gebruik van niet aangewezen terreinen voor luchtvaart.

Paragraaf 4.7.2 Recreatie en toerisme
Opgaven

Het aantal bezoekers in de provincie blijft groeien. Dit heeft twee oorzaken: de groei van het aantal inwoners en de groei van het aantal binnenlandse en buitenlandse bezoekers. Er is daarom meer (recreatief) groen en meer ruimte voor ontspannen en bewegen in de directe nabijheid van de woonomgeving nodig. Voldoende bereikbare en toegankelijke toeristische en recreatieve voorzieningen en sportvoorzieningen zijn essentieel voor een gezonde samenleving. De provincie draagt hieraan bij, onder andere door het in stand houden, verbeteren en uitbreiden van de recreatieve mogelijkheden, het stimuleren van een beweegvriendelijke leefomgeving, het zoeken van de balans tussen recreatie en natuur, het bevorderen van recreatie rondom de grote steden en te sturen op bezoek. Het belang van recreatie wordt gecombineerd met andere belangen, zoals klimaatadaptatie en ontwikkelingen in het landelijk gebied (zie kaart 26: Opgavekaart Recreatie, toerisme, sport en bewegen).

Ambities
  • 2040: het (recreatie)groen is in gelijke tred ontwikkeld met de verstedelijkingsopgave. Het aanbod van toeristische en recreatieve voorzieningen en ook sportvoorzieningen sluit aan op de behoeften van inwoners en bezoekers.

  • 2040: de recreatieterreinen en -voorzieningen worden goed onderhouden, beheerd, benut en beleefd.

  • 2040: in de provincie is er een goede balans tussen de recreatief-toeristische druk en de draagkracht van de leefomgeving.

  • 2040: alle vakantieparken zijn veilig en vitaal. Vakantieparken en recreatiewoningen zijn uitsluitend bedoeld voor verblijfs- en dagrecreatie en niet voor permanente bewoning.

  • 2040: de inrichting van de leefomgeving nodigt uit tot sporten en bewegen, met voldoende, duurzame en toegankelijke voorzieningen.

  • 2050: er is een toekomstbestendige vrijetijdssector waarvan iedere inwoner van de provincie kan profiteren

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 26. Opgavekaart Recreatie, toerisme, sporten bewegen, thema Gezonde omgeving en vrije tijd. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van recreatie en toerisme. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Het provinciaal beleid voor recreatie, toerisme, sport en bewegen is gericht op het realiseren van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving waarin inwoners en bezoekers kunnen bewegen, beleven en ontmoeten. Ons beleid richt zich op de bovenlokale voorzieningen, met name de recreatiezones en –terreinen, het recreatief hoofdroutenetwerk, verblijfsrecreatie en toerisme, sport en bewegen. Waar mogelijk combineren we functies, zoals natuur, cultuur, landbouw, erfgoed, mobiliteit, water en klimaatadaptatie. De beleidsdoelen zijn uitgewerkt in het vierjaarlijkse beleidsprogramma Recreatie, Toerisme, Sport & Bewegen. De provincie wijst ook zwemwaterlocaties aan en ziet (via de Regionale Uitvoeringsdienst) toe op de veiligheid en waterkwaliteit van die locaties.

Bestaande recreatieve gebieden behouden

We willen de recreatieve gebieden en voorzieningen die er nu zijn behouden. De verdere ontwikkeling en het vergroten van het gebruik van de voorzieningen, worden gestimuleerd. Dat kan op meerdere manieren en wordt per geval beoordeeld. Een voorbeeld is het plaatsen van toiletten en het maken van voldoende schaduw- en rustplekken. Wat ook kan: extra paden en het verbeteren van de toegankelijkheid. De provincie Utrecht heeft recreatiezones aangewezen en ook bovenlokaal dagrecreatieterreinnen. In de recreatiezones kunnen in principe geen ontwikkelingen plaatsvinden die de recreatiefunctie in de weg staan. De bovenlokale dagrecreatieterreinen geven we onder voorwaarden ruimte om de kwaliteit te behouden en/of te verhogen. Daarnaast vinden we het van belang dat huidige en toekomstige recreatieterreinen en recreatieve voorzieningen goed worden onderhouden en beheerd.



In de drukste gebieden, nabij de grote stedelijke gebieden, zoeken we naar combinaties van functies in de groene ruimte. Denk hierbij aan het versterken van de beleving van het UNESCO Werelderfgoed. Aandachtspunten zijn: de verbetering van de vindbaarheid, bereikbaarheid en toegankelijkheid van het vrijetijdsaanbod in het buitengebied. Het streven is dat alle bewoners binnen 15 minuten wandelend, fietsend of per openbaar vervoer in een recreatiegebied kunnen zijn.

Meer groen en ruimte voor nieuwe recreatieve voorzieningen

We vinden het belangrijk dat de ontwikkeling van nieuw (recreatie)groen gelijke tred houdt met de toenemende verstedelijking. Rond de steden is nu sprake van een tekort aan recreatiegebieden en recreatieve voorzieningen. Door in de recreatiezones bestaande recreatiefuncties te behouden en ruimte te bieden voor nieuwe dagrecreatiefuncties, doen we hier wat aan. Ook bij nieuwe woningbouwlocaties willen we onder voorwaarden meer mogelijkheden bieden voor dagrecreatiefuncties. Dit doen we omdat recreatie een meerwaarde kan leveren voor een gebied en kan zorgen voor extra inkomsten. Deze extra inkomsten kunnen onder meer gebruikt worden voor beheer en onderhoud. Voor de ontwikkeling van nieuw (recreatie)groen, gekoppeld aan de verstedelijking, werkt de provincie Utrecht samen met partners in het programma Groen Groeit Mee.

Groen groeit mee

Groen Groeit Mee zorgt ervoor dat bij alle ruimtelijke plannen, projecten en gebiedsontwikkelingen, de groenontwikkeling goed wordt meegenomen. De kwaliteit van bestaand groen wordt verbeterd en groen wordt toegevoegd en verbonden met andere gebieden om te komen tot een ‘robuust groenblauw en recreatief netwerk’. Groen Groeit Mee richt zich op groen en landschap rondom steden en dorpen, alsmede kernrandzones, groene scheggen en groenblauwe dooradering tot in bebouwd gebied. Het doel is een goede mix van toegankelijk groen, duurzame landbouw, veerkrachtige natuur, beleefbaar landschap en zichtbaar water. Barrières voor fietsers en voetgangers moeten waar mogelijk worden weggenomen, in het bijzonder tussen het stedelijk gebied en het landelijk gebied in de regio's Utrecht en Amersfoort. Om deze ambitie in praktijk te brengen, werken we samen met gemeenten, waterschappen en andere partners aan de gebieden Kromme Rijn Linielandschap, Hollandsche IJssel en het Noorderpark bij Utrecht, de Zuidelijke Eemvallei bij Amersfoort en de Roode Haan bij Veenendaal.

Bij uitbreiding van woningbouw in het landelijk gebied moeten natuur en recreatie meegroeien en dat regelen we in de Omgevingsverordening. We zetten in op het systeem ‘groen van voordeur tot landschap'. Via het programma Werklandschappen van de toekomst wordt gewerkt aan de vergroening van bedrijventerreinen. Hier wordt natuur en recreatie ook in meegenomen.

Box Balans natuur en recreatie

De box is hier te lezen: Box Balans natuur en recreatie

Recreatief hoofd(route)netwerk behouden, versterken en verder ontwikkelen

Het recreatief hoofd(route)netwerk bestaat uit een samenhangend geheel van (boven)regionale routes voor wandelen, fietsen en varen en toeristische overstappunten (TOP’s). Het netwerk loopt door de afwisselende en cultuurhistorisch waardevolle landschappen van de provincie Utrecht; ook sluit het aan bij bijvoorbeeld horeca en bezienswaardigheden. Het recreatieve netwerk verbindt bovendien de stedelijke gebieden met de recreatieve landschappen. De provincie Utrecht zet zich in voor het behouden, versterken en verder ontwikkelen van het huidige recreatieve hoofdroutenetwerk voor fietsen en wandelen en het recreatietoervaartnet voor inwoners en bezoekers. Het geheel moet op een aantrekkelijke manier met elkaar verbonden zijn. Samen met gemeenten zorgen we voor het beheer en onderhoud van het recreatief hoofdroutenetwerk.

Ruimte voor sport en bewegen

We willen dat de buitenruimte uitnodigt om te sporten en te bewegen. Daarvoor zijn voldoende, duurzame en toegankelijke voorzieningen nodig. We vinden het belangrijk dat het voorzieningenniveau meegroeit met de bevolkingsgroei. Ons beleid richt zich op het ontwikkelen en delen van kennis en informatie en initiatieven faciliteren met ondersteunende instrumenten.

Sturen op recreatief-toeristisch bezoek

Met betrekking tot recreatie en toerisme willen we zowel waken voor overbelasting (te veel bezoek) als onderbelasting (te weinig bezoek). Daarom willen we de vrijetijdssector versterken en richten we ons op bezoekers die het unieke karakter van onze natuur en cultuur en erfgoed waarderen en hier respectvol mee omgaan. Zo bewaken we een balans tussen de toeristisch-recreatieve activiteiten en de draagkracht van de leefomgeving; en kan iedereen (inwoners, bedrijven, culturele instellingen en erfgoedlocaties) profiteren van bezoek.

Vakantieparken en recreatiewoningen

We streven naar zoveel mogelijk behoud en het kwalitatief verbeteren van het huidige aanbod van vakantieparken en Recreatiewoning en. Bij de aanpak in sommige gebieden staan we, onder voorwaarden, open voor de aanleg van nieuwe vakantieparken.

Oneigenlijk gebruik van recreatiewoningen wordt aangepakt in samenwerking met gemeenten en andere partners. Duurzaam ondernemerschap en verduurzaming op parken wordt gestimuleerd.

Per park is maatwerk belangrijk, want omstandigheden verschillen. Uitgangspunt is dat permanente bewoners een dak boven hun hoofd hebben of houden. Voor parken met een uitzichtloos perspectief denken wij mee over een toekomstige invulling. Transformatie naar een andere bestemming kan een mogelijkheid zijn, maar alleen als een recreatieve functie niet meer realistisch is.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 27. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van recreatie en toerisme

Uitvoering geven aan beleid voor een gezonde omgeving

Stimuleren

  • Gemeenten stimuleren tot bescherming en ontwikkeling van recreatie in de recreatiezones.

Participeren

  • Samenwerking met gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties in het programma Groen Groeit Mee.

Realiseren

  • Beleidsprogramma Recreatie, Toerisme, Sport en Bewegen 2026-2029.

Reguleren

  • Instructieregel voor het, onder voorwaarden, toestaan van stedelijke ontwikkelingen om recreatieve voorzieningen te realiseren.

  • Regels ter voorkoming van permanente bewoning en oneigenlijk gebruik van recreatiewoningen.

Paragraaf 4.8 Levend landschap, erfgoed en cultuur

Inwoners en bezoekers waarderen de rijkdom aan landschap, erfgoed en cultuur in de provincie Utrecht. Behalve dat het veel wordt gebruikt en wordt gewaardeerd, zijn ze ook van belang voor onze culturele identiteit, het welzijn en het vestigingsklimaat. Ook versterken ze de leefbaarheid en het gevoel van verbinding in dorpen en steden.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 19. Collage met sfeerbeeld van een aantal beoogde ontwikkelingen vanuit het thema levend landschap, erfgoed en cultuur

Paragraaf 4.8.1 Aantrekkelijke landschappen
Opgaven

Door veranderingen van de inrichting van de fysieke leefomgeving en door intensief ruimtegebruik staan het landschap en het erfgoed onder druk. Alles heeft invloed op hoe ons landschap eruitziet en hoe daarin ons erfgoed is behouden en zichtbaar is. Op kaart 28, Opgavekaart Aantrekkelijke landschappen zijn de ‘kernkwaliteiten’ van onze vijf landschapstypen benoemd. De belangrijkste taak voor de provincie is om de waarden in deze gebieden te beschermen, beter zichtbaar te maken en te gebruiken om de kwaliteit van de omgeving te behouden en verbeteren.

Ambities
  • 2050: bij ruimtelijke ontwikkelingen is voortgebouwd op de kernkwaliteiten van onze karakteristieke landschappen. Aardkundige waarden zijn zichtbaar in het landschap.

  • 2030: aardkundige monumenten vertellen het verhaal van het aardkundig erfgoed en dragen bij aan de recreatieve beleving van het landschap.

  • 2030: alle gemeenten hebben initiatieven ontplooid die ten goede komen aan de kernrandzone.

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 28. Opgavekaart Aantrekkelijke landschappen, thema Levend landschap, erfgoed en cultuur. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van landschap. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Aantrekkelijke landschappen

Elk Utrechts landschap heeft zijn eigen kwaliteiten die bepalend zijn voor functies en hun ontwikkelingsmogelijkheden. Door de kernkwaliteiten van de verschillende landschappen te continueren, kunnen deze kwaliteiten doorontwikkelen in de provincie. Een landschap is geen statisch plaatje, maar altijd in ontwikkeling. Elke ontwikkeling moet aansluiten bij de kernkwaliteiten van het landschap. Voor open landschappen (met een weids uitzicht tot aan de horizon) gelden andere principes dan voor meer gesloten landschappen. Landschappen vragen om bebouwing die qua maat en schaal passen bij de kernen die in het landelijk gebied liggen.



De provincie Utrecht kent vijf karakteristieke landschappen: Eemland, Gelderse Vallei, Groene Hart, Kromme Rijngebied & Schalkwijk en Utrechtse Heuvelrug. Elk landschap heeft zijn eigen kernkwaliteiten:

  • Landschap Eemland : extreme openheid, slagenverkaveling, veenweidekarakter, historie van de Zuiderzee, de hierin gelegen Grebbelinie en overgangsgebieden (bij Eemnes, Soest en Amersfoort).

  • Landschap Gelderse Vallei : rijk gevarieerde kleinschaligheid, stelsel van beken, griften en kanalen, de hierin gelegen Grebbelinie en overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

  • Landschap Groene Hart : openheid, (veen)weidekarakter (incl. strokenverkaveling, lintbebouwing, etc.), landschappelijke diversiteit en rust & stilte.

  • landschap Kromme Rijngebied en Schalkwijk: schaalcontrast van zeer open naar besloten, samenhangend stelsel van rivier - uiterwaard - oeverwal – kom, samenhangend stelsel van hoge stuwwal - flank - kwelzone - oeverwal – rivier en de Kromme Rijn als vesting en vestiging.

  • Landschap Utrechtse Heuvelrug : robuuste eenheid, reliëfbeleving en extreme historische gelaagdheid. Langbroekerwetering en de Nederrijn zijn onderdeel van het watersysteem in het reliëf.

Box Kernkwaliteiten Utrechtse landschappen

De box is hier te lezen: Box Kernkwaliteiten Utrechtse landschappen

Aardkundige waarden en monumenten

De bodem van de provincie Utrecht is ontstaan in een periode van vele tienduizenden jaren. Landijs, wind, rivieren en de zee hebben het landschap gevormd. Aardkundige waarden zijn plekken waar sporen hiervan nog zichtbaar zijn in het reliëf en/of in de bodem. Soms zijn de processen die de aardkundige waarden hebben gevormd nog actief, bijvoorbeeld bij stuif- en rivierduinen. Op een aantal plekken zijn de aardkundige waarden zeer opvallend en vertellen ze duidelijk het verhaal van de ontstaansgeschiedenis van het landschap.



De provincie heeft deze aardkundige waarden benoemd tot aardkundige monumenten. Voorbeelden zijn de Grebbeberg en de Westbroekse Zodden. Deze monumenten vervullen een recreatieve rol. De provincie beschermt de aardkundige waarden. Als een verandering van de inrichting van de fysieke leefomgeving botst met de aardkundige waarden in een gebied, moet een goede afweging worden gemaakt tussen de ingreep en het behoud van de waarden. Daarbij moeten het natuurlijk reliëf, de bodemopbouw en eventuele actieve landschapsvormende processen worden meegenomen. Wat betreft de aardkundige monumenten proberen we waar mogelijk om de recreatieve en educatieve rol te versterken.

Kernrandzone

De Kernrandzone is het gedeelte van het landschap dat direct aansluit op het stedelijk gebied. Deze zone om de Utrechtse kernen is van grote waarde voor de leefbaarheid van de kern als uitloopgebied en door de hier aanwezige stedelijke functies zoals recreatieterreinen of volkstuinen.

Vanwege de kwaliteiten en mogelijkheden die de kernrandzones bieden, vragen we gemeenten om beleid te ontwikkelen gericht op het behouden en versterken hiervan. Indien nodig kan nieuwe verstedelijking onderdeel van dat beleid worden, mits die in lijn is met de gewenste kwaliteitsverbetering. De aard en omvang van de gehele ontwikkeling dient in redelijke verhouding te staan tot de omvang van het stedelijk gebied. We stimuleren gemeenten om de kernrandzone of -zones op te nemen in een integrale ontwikkelvisie. Als de gemeente met ons overeenstemming over die visie heeft bereikt, kan die door de gemeente worden gebruikt als uitgangspunt voor nieuwe initiatieven.



Ter ondersteuning voor het opstellen van een ontwikkelvisie is een provinciale handreiking beschikbaar. Het kernrandzonebeleid maakt deel uit van het ‘rood-voor-groen’-beleid in het landelijk gebied. Daarbij wordt in het buitengebied een initiatief voor bijvoorbeeld woningbouw toegestaan mits er ook meer groen en natuur wordt gerealiseerd. Naast de kernrandzone gaat het om de recreatiezones (zie Paragraaf 4.7 Gezonde omgeving en vrije tijd), de Groene contour (zie Paragraaf 4.3 Toekomstbestendige natuur en landbouw) en de historische buitenplaatszones en de forten in het militair erfgoed (zie hierna). In al deze zones, met uitzondering van de forten, kan onder voorwaarden bij verstedelijking ook aan zonnevelden gedacht worden.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 29. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van aantrekkelijke landschappen

Uitvoering geven aan beleid voor landschap

Stimuleren

  • Provinciale handreiking kernrandzones.

  • Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen (www.provincie-utrecht.nl/kwaliteitsgids).

Realiseren

  • Aanvullen en verbeteren kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen.

Reguleren

  • Regels over beschermen en ontwikkelen kernkwaliteiten.

  • Instructieregels voor kernrandzones en aardkundige waarden.

Paragraaf 4.8.2 Toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed
Opgaven

De grote maatschappelijke en ‘ruimtelijke’ opgaven waar we als provincie voor staan en die al uitgebreid in deze Omgevingsvisie zijn genoemd, leggen een druk op cultuur en erfgoed in de provincie. Op kaart 30, Opgavekaart Toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed en hieronder zijn de belangrijkste ruimtelijke opgaven benoemd.



Samen met het Rijk, gemeenten en andere partners zoeken we naar ruimte en perspectief voor ontwikkelingen voor ontwikkelingen in het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies, zonder daarbij de uitzonderlijke universele waarde aan te tasten.



De opgave vanuit erfgoed is om ervoor te zorgen dat bij alle relevante ontwikkelingen de aanwezige waarden, zoals vermeld in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS), in een vroeg stadium worden meegenomen, zo mogelijk beschermd en beter beleefbaar worden gemaakt. Er zijn zes thema’s: historische buitenplaatsen, militair erfgoed, agrarisch cultuurlandschap, archeologisch waardevolle zones, historische infrastructuur en maritiem erfgoed. Die worden ingezet als inspiratiebron en als drager en aanjager van de omgevingskwaliteit.



De historische buitenplaatszones staan onder hoge druk, zowel door ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving als door de grote problematiek rond de duurzame instandhouding van de buitenplaatsen zelf. Op een buitenplaats komen alle beleidsvelden samen. Dit vraagt om gezamenlijk optrekken en specifiek om een integrale benadering.



Het is belangrijk dat iedereen toegang heeft tot cultuur en dat culturele voorzieningen mee kunnen groeien met de bevolkingsgroei. Hier ligt een belangrijke uitdaging, vooral door toenemende financiële druk op met name gemeenten in combinatie met de sterke bevolkingsgroei. Samen met de gemeenten en het Rijk werken we aan het behouden en versterken van de culturele infrastructuur. De sector moet klaar zijn voor de toekomst en breed toegankelijk blijven.



Vanuit de Wet Stelsel Openbare Voorzieningen (Wsob) krijgen gemeenten en de provincie een wettelijke zorgplicht voor bibliotheken. De rol van de provincie is om te toetsen of gemeenten zich aan de zorgplicht houden. Naar verwachting wordt de wet eind 2026 ingevoerd.

Ambities
  • 2030: archeologische vondsten worden professioneel beheerd, behouden en ontsloten.  

  • 2030: het gedachtegoed van het Verdrag van Faro is onderdeel bij het in stand houden, uitdragen en benutten van het erfgoed. Erfgoedgemeenschappen rondom dit erfgoed hebben een structurele plek in het omgaan met het Utrechts erfgoed.  

  • 2040: bibliotheken dragen bij aan grote maatschappelijke opgaven, een geletterde samenleving, participatie in de (informatie)samenleving en een leven lang ontwikkelen.  

  • 2040: alle leerlingen in het primair en voortgezet onderwijs krijgen kwalitatief goede cultuur- en erfgoededucatie.

  • 2050: de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur zijn behouden, benut en versterkt en zijn bekend, beleefbaar en toegankelijk gemaakt. Tevens zijn de waarden benut als uitgangspunt en inspiratiebron bij ontwikkelingen in de grote transitieopgaven en als dragers en aanjagers van ruimtelijke kwaliteit.  

  • 2050: de uitzonderlijke universele waarde van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en van het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes zijn in stand gehouden, versterkt, en zijn bekend, beleefbaar en toegankelijk gemaakt, en benut als uitgangspunt en inspiratiebron bij ontwikkelingen.  

  • 2050: het aantal rijksmonumenten in een slechte of matige staat van onderhoud is gereduceerd tot 10% van het totale aantal aanwezige rijksmonumenten en uit de Erfgoedmonitor blijkt dat de restauratieopgave structureel tot een beheersbare omvang is teruggebracht.  

  • 2050: cultuur is voor iedereen toegankelijk, beschikbaar en meegegroeid met de bevolkingsgroei.  

Deze ambities worden uitgewerkt in de volgende paragrafen.

afbeelding binnen de regeling

Kaart 30. Opgavekaart Toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed, thema Levend landschap, erfgoed en cultuur. Deze kaart biedt een overzicht van de belangrijkste ruimtelijke opgaven op het gebied van cultuur en erfgoed. Het betreft geen uitputtend overzicht van alle opgaven. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Beleid

Cultuur en het cultureel erfgoed dragen bij aan het creëren van een fijne plek om te wonen en werken en aan een gevoel van verbondenheid. Daarom zetten we ons als provincie in voor het behouden, beleven en benutten van erfgoed en een sterke en toegankelijke Utrechtse cultuursector. Het beoefenen en beleven van cultuur verbetert de gezondheid, fysiek en mentaal, en cultuur en erfgoed spelen een rol in de identiteitsvorming.

Cultuur en de cultuursector

Een robuuste bibliotheekvoorziening in elke gemeente

De bibliotheek is een laagdrempelige, maatschappelijke basisvoorziening voor alle inwoners, zowel in de grotere als kleinere gemeenten. Bibliotheken leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van inwoners: het verbeteren van de basisvaardigheden, (digitale) geletterdheid en burgerschap. De provincie werkt aan het verbeteren van de toegankelijkheid van bibliotheekvoorzieningen voor alle inwoners. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor bibliotheken, de provincie ondersteunt en faciliteert het bibliotheeknetwerk en de doorontwikkeling van de maatschappelijke, educatieve en culturele bibliotheekfunctie.     

  

Een vitale cultuursector met een divers en toegankelijk aanbod

Prioriteit heeft het behouden en toekomstbestendig maken van de cultuursector en het rijke en diverse culturele leven in de provincie. De aandacht ligt vooral op culturele festivals, een sterk ‘makersklimaat’ en veerkrachtige culturele instellingen:     

  • Culturele festivals met een artistieke missie zijn laagdrempelig en verrijken het cultuuraanbod in zowel de steden als kleinere kernen. Festivals trekken een divers publiek en bieden kansen voor makers. De provincie werkt eraan om het veelzijdige maar kwetsbare festivalaanbod te behouden en te versterken.    

  • Voor een goed cultuuraanbod is voldoende toestroom en ontwikkeling van professionele kunstenaars en creatieven (‘makers’) nodig. Voor die makers is het vaak moeilijk om als professional te starten, zich te blijven ontwikkelen en een positie te verwerven in de sector. Daarom ondersteunen we ontwikkelplekken (‘makershuizen’) en verbinden we makers, podia en opleidingen aan elkaar. 

  • We stimuleren organisaties om duurzaam te ondernemen en te innoveren, zodat een diverse en toegankelijke cultuursector gewaarborgd blijft. Bijvoorbeeld door hen te ondersteunen bij de implementatie van de Fair Practice Code en de code Diversiteit en Inclusie.     

Iedereen kan cultuur beoefenen en ervaren, zowel op school als in de vrije tijd

Cultuur- en erfgoededucatie zijn belangrijk voor de vorming van toekomstige generaties. Basisvaardigheden als creativiteit, mediawijsheid, het overbruggen van verschillen en kritisch burgerschap worden erdoor gestimuleerd. Bovendien leren kinderen en jongeren betekenis te geven aan hun directe omgeving. Cultuur- en erfgoededucatie is voor de provincie een basisvoorziening waar we aan bijdragen. Het streven is dat alle kinderen van 4 tot 18 jaar kwalitatief goed cultuur- en erfgoedonderwijs krijgen en met zo veel mogelijk kunst- en erfgoeddisciplines in aanraking komen. Het aanbod moet aansluiten bij hun belevingswereld. Samen met anderen organiseren onze partnerorganisaties activiteiten voor kinderen op scholen, ze bieden deskundigheidsbevordering aan docenten en adviseren gemeenten.   

   

Het beoefenen van cultuur is niet voor iedereen vanzelfsprekend. Financiële, sociale en geografische redenen kunnen een belemmering vormen. Culturele verenigingen worstelen vaak met het vinden van nieuwe leden en met het betrekken van nieuwe groepen. Voor culturele initiatieven is soms geen ruimte beschikbaar, soms ontbreekt het aan financiële mogelijkheden. In aanvulling op inspanningen vanuit gemeenten ondersteunt de provincie Utrecht lokale organisaties, verenigingen, stichtingen en initiatieven die zijn gericht op cultuurbeoefening. We dragen bij aan het creëren van gelijke kansen om cultuur te beoefenen, ongeacht waar iemand woont of wat diens achtergrond is.     

Erfgoed en de cultuurhistorische hoofdstructuur

Beschermen, benutten en beleefbaar maken van de waarden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur

Wij zetten ons in voor het beschermen van cultuurhistorische waarden, het benutten ervan als inspiratiebron én het beter zichtbaar en ‘beleefbaar’ maken ervan. Er verandert veel als het gaat om de inrichting van de fysieke leefomgeving; de waarden van het erfgoed willen we daarbij inzetten als richtinggevend en als drager en aanjager van ruimtelijke kwaliteit. Daarbij geldt behoud door ontwikkeling als motto en stimuleren we ook de inzet van kunst en creatieve verbeeldingskracht.

In de Cultuurhistorische hoofdstructuur leggen we de nadruk op gebieden die gemeentegrenzen overstijgen: historische buitenplaatszone s, militair erfgoed, agrarisch cultuurlandschappen, archeologisch waardevolle zones, historische infrastructuur en maritiem erfgoed .   

In de Omgevingsverordening vragen we gemeenten rekening te houden met de Cultuurhistorische Hoofdstructuur en aan te geven hoe ze daarmee omgaan. De bijlage Cultuurhistorie van de Omgevingsverordening bevat een beschrijving van de specifieke kenmerken en kernkwaliteiten van de verschillende zones bij de erfgoedthema’s. Daarnaast bieden we makers van omgevingsplannen en andere geïnteresseerden met de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht (CHAT) een schat aan cultuurhistorische informatie en inspiratie   



Historische buitenplaatszones

De provincie Utrecht is bijzonder rijk aan historische buitenplaatsen, vaak bij elkaar gelegen in historische buitenplaatszones met specifieke kenmerken. Het meest bekend zijn de gordels langs de Vecht en de Stichtse Lustwarande. De cultuurhistorische waarden van de buitenplaatszones liggen vooral in de samenhang van parkstructuren met hoofdhuizen en bijgebouwen, in de zichtassen en zichtlijnen tussen de buitenplaatsen en hun omgeving en in de kenmerken van de zone in relatie tot het onderliggende landschap.

    

We streven naar ruimte voor ontwikkeling, gericht op het creëren van economische kostendragers voor het behoud van de cultuurhistorische waarden van buitenplaatsen. Daarbij is het uitgangspunt: behoud van de specifieke kenmerken van de zone waarin de buitenplaats ligt en van de buitenplaats zelf. In de ‘Leidraad behoud door ontwikkeling op historische buitenplaatsen’ hebben wij dit beleid nader uitgewerkt.

De duurzame instandhouding van de buitenplaatsen is van groot belang vanwege de brede maatschappelijke betekenis van buitenplaatsen en raakt aan vele beleidsvelden (zoals natuur, landschap, landbouw, gezonde leefomgeving, recreatie, water en bodem, klimaatadaptatie). Dit vraagt om een integrale benadering. 



Militair erfgoed

Het Militair erfgoed betreft de Grebbelinie, de Oude Hollandse Waterlinie, de gebieden rond Soesterberg en de gebieden van de Nieuwe Hollandse Waterlinie die niet behoren tot het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Voor de Grebbelinie zijn de cultuurhistorische waarden: het samenhangende systeem van het strategische landschap, het watermanagement en de militaire werken, in combinatie met de openheid en het groene en overwegend rustige karakter. De waarde van de Oude Hollandse Waterlinie ligt in het snoer van vestingsteden en in enkele militaire werken in het landschap.



We willen de nog aanwezige cultuurhistorische waarden van deze militaire structuren behouden en versterken. Ook willen we nieuwe ontwikkelingen in deze gebieden daarop aan laten sluiten en ermee verbinden. Voor Park Vliegbasis Soesterberg vragen het behoud en beheer van specifieke elementen, zoals bijvoorbeeld sporen van de Koude Oorlog, de nodige aandacht.  



Agrarisch cultuurlandschap

Diverse gebieden (veelal in het Groene Hart) hebben we aangewezen als bijzonder Agrarisch cultuurlandschap , wat ook een van de thema’s is in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. Het gaat om wat nog over is van de middeleeuwse verkavelingsstructuur. De cultuurhistorische waarden liggen vooral in de aanwezige ontginningsstructuur, de boerderijlinten en het waterbeheersingssysteem. We begrijpen dat de klimaatverandering en de problematiek van de bodemdaling en CO₂-uitstoot vragen om aanpassingen. We willen dat de cultuurhistorische waarden van het agrarisch cultuurlandschap vroegtijdig worden meegenomen bij ontwikkelingen als belangrijke drager en aanjager van de identiteit, kwaliteit en het karakter van het landschap.



Archeologisch waardevolle zones

Binnen het archeologisch erfgoed richten we ons op drie belangrijke gebieden gelegen in de archeologisch waardevolle zones: de Limes (het gebied van de noordgrens van het Romeinse Rijk, naast de locaties die het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes vormen), de Utrechtse Heuvelrug (met een stapeling van cultuurhistorische kwaliteiten uit verschillende periodes) en Dorestad (Wijk bij Duurstede). De cultuurhistorische waarden zijn vooral: de samenhang tussen verschillende archeologische structuren en elementen en de relatie hiervan met het landschap. Voor de Limes is ook het ‘lineaire karakter’ van belang: de Romeinse grens die als een lijn door het landschap liep.   

  

Ons beleid voor de archeologisch waardevolle zones is gericht op het bevorderen van duurzaam behoud en het beheer van de archeologische resten in de bodem (‘in situ’). Als ruimtelijke ingrepen onvermijdelijk zijn, vragen wij aandacht voor het op goede wijze uitvoeren van archeologisch onderzoek. Ook richten wij ons op het versterken van de zichtbaarheid en de beleefbaarheid van archeologisch erfgoed, ook als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkeling.   



Historische infrastructuur

Van oudsher heeft de Historische infrastructuur grote invloed gehad op de ontwikkeling van de provincie. Wij hechten bijzondere waarde aan drie iconische routes: de Wegh der Weegen (tussen De Bilt en Amersfoort), de Route Impériale (Napoleonroute van Amsterdam naar Parijs) en de Via Regia (route van Utrecht naar Keulen). De cultuurhistorische waarden liggen vooral in het tracé en in de bijbehorende historische elementen en in de sporen van de weg in het landschap. Daarnaast streven wij naar behoud van historische paden, zoals kerk- en jaagpaden (Trage Paden). Deze worden al eeuwenlang door wandelaars gebruikt en staan aangegeven in de Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht. Hiervoor ontwikkelen we een handreiking.   



Bij infrastructurele ontwikkelingen willen we dat nog aanwezige cultuurhistorische waarden als inspiratiebron worden meegenomen. En dat rekening wordt gehouden met historische paden. Het beleid voor historische infrastructuur is gericht op de iconische routes. Voor die wegen streven we naar behoud van de specifieke kenmerken van de route, versterking van de samenhang in de route en ‘beleefbaarheid’ van de historische waarde ervan.    



Maritiem erfgoed

Het maritiem erfgoed in de provincie is van grote waarde, want het maakt verhalen over de geschiedenis van onze provincie tastbaar en beleefbaar. ‘Maritieme ensembles’ krijgen extra aandacht; dit zijn verzamelingen van meerdere maritieme erfgoedelementen. Zoals het varend erfgoed, een haven, een werf of een vaarweg en het immaterieel erfgoed, zoals verhalen, tradities en ambachten.  



In de provincie zijn zeven maritieme ensembles:  

  • Historische haven Wijk bij Duurstede  

  • Hollandse IJssel  

  • Maritieme ensembles stad Utrecht (Keulse Vaart, Keulse Kade, Middeleeuws havensysteem, grachten/weven/werfkelders, Veilinghaven)

  • Museumhaven Vreeswijk  

  • Museumhaven Spakenburg  

  • De Vecht en de Klop (tussen Maarssen en de Weerdsluis in Utrecht)   

  • Eemhaven Amersfoort  

Ook de erfgoedgemeenschap hoort bij het maritieme ensemble. Het behouden van het maritiem erfgoed vormt een steeds grotere uitdaging. We bieden ondersteuning door samenwerking en kennisoverdracht te stimuleren binnen de gemeenschap van het maritieme erfgoed, een netwerk op te bouwen en subsidieregelingen open te stellen voor projecten.    

   

Ondersteunen restauraties gebouwde monumenten

De provincie bevordert de duurzame instandhouding van rijksmonumenten, waarbij het dan niet gaat om woonhuizen. Aanvullend zetten we in op het terugdringen van de grote restauratieopgave. Naast restauratie stimuleren we duurzaam gebruik, klimaatbestendigheid en biodiversiteit en streven we naar een kwalitatieve leefomgeving met daarin toegankelijke en ‘beleefbare’ monumenten.



Capaciteit en deskundigheid bij gemeenten en provincies

De capaciteit en deskundigheid bij gemeenten en provincies staat onder druk, terwijl er de komende jaren veel op ons afkomt als het gaat om ‘ruimtelijke opgaven’. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en het Rijk werken samen in het programma Erfgoed en Overheid. Met dit rijksprogramma wordt ingezet op het versterken van de erfgoedzorg. Er is behoefte aan een gezamenlijke aanpak voor de lange termijn, met ruimte voor maatwerk. Dit wordt in de komende periode verder vormgegeven.    

  

Archeologisch depot

De provincie heeft de wettelijke taak om een archeologisch depot in stand te houden waarin archeologische collecties (vondsten en bijbehorende documentatie) die zijn gevonden in de provincie Utrecht bewaard en beschikbaar zijn. Nu en in de toekomst. De zorg voor opgravingscomplexen van vóór de Malta-wetgeving uit 2007 valt hieronder (het Verdrag van Malta is een internationale overeenkomst die zich richt op het beschermen van archeologisch erfgoed in de bodem). Het gaat om onderzoek dat niet is uitgewerkt, met niet of slecht geconserveerde vondsten. Om goed uitvoering te kunnen geven aan de taak van depothouder, wordt een verhuizing van het Provinciaal Archeologisch Depot voorbereid. Naar verwachting vindt die plaats in 2029.   

  

Molens en hun biotopen

De provincie Utrecht vindt het behoud van molens belangrijk: ze zijn ‘functionerend en beleefbaar erfgoed’. Wat wil zeggen dat ze vaak nog in werking zijn en bezocht en bekeken kunnen worden. Het beschermen van de ‘molenbiotoop’, de omgeving rond de molen, is essentieel. Want de ‘windvang’ moet behouden blijven en ook de zichtbaarheid en de rol en de betekenis van de molen in het landschap. De provincie stimuleert dat gemeenten in hun erfgoedbeleid en omgevingsplannen de molenbiotoop beschermen als onlosmakelijk onderdeel van het cultuurhistorisch landschap. Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de aanwezige waarden.   

  

Stimuleren erfgoedparticipatie

Het Verdrag van Faro, dat de mens centraal zet in het erfgoed, biedt goede handvatten om de betrokkenheid van inwoners bij het cultureel erfgoed te versterken, verbinding te creëren en een ‘meerstemmige betekenis’ te geven aan cultuurhistorie. Dat laatste gaat over dat de geschiedenis vanuit verschillende perspectieven wordt verteld, zodat iedereen zich erin kan herkennen. We zetten ons daarnaast in voor diverse gemeenschappen rondom het immaterieel en maritiem erfgoed en ondersteunen de instandhouding van het religieus erfgoed en molens.  

  

In stand houden en versterken van de uitzonderlijke universele waarde van UNESCO Werelderfgoed

Op de UNESCO Werelderfgoedlijst staat cultureel en natuurlijk erfgoed dat wordt beschouwd als onvervangbaar, uniek en eigendom van de gehele wereld, met al doel het beter te kunnen bewaren voor toekomstige generaties. De Stelling van Amsterdam en de Nieuwe Hollandse Waterlinie vormen sinds juni 2021 samen het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes is sinds juni 2021 eveneens UNESCO Werelderfgoed. Plaatsing op de Werelderfgoedlijst geeft internationale erkenning en versterkt het recreatief-toeristisch profiel van Utrecht.  

   

Als ‘siteholder’ van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes hebben we (samen met de provincies Noord-Holland, Zuid-Holland, Gelderland en Noord-Brabant) een wettelijke taak om de uitzonderlijke universele waarde van het werelderfgoed te beschermen en om de bekendheid, zichtbaarheid en beleefbaarheid ervan te vergroten. Ook hebben we de ambitie om het Werelderfgoedgebied te benutten voor passende andere opgaven en functies, met behoud van de uitzonderlijke universele waarde ervan. We werken hiervoor nauw samen met gemeenten, het Rijk, waterschappen, terreinbeherende organisaties, recreatieve en toeristische organisaties, ondernemers en andere private partners. Ten aanzien van de Limes werken we ook nog samen met Duitse deelstaten. Samen met het Rijk en de provincies Noord-Holland, Gelderland en Noord-Brabant werken we aan een perspectief gericht op de maatschappelijke meerwaarde van de Hollandse Waterlinies in het Nederland van de toekomst. Dat moet in beeld gaan brengen voor welke ontwikkelingen er ruimte nodig is, nu en later. De uitkomsten worden meegenomen in de reguliere ruimtelijke processen, zodat goed kan worden afgewogen, samen met de daarbij behorende partners, of, waar en hoe urgente veranderingen van de fysieke leefomgeving samen kunnen gaan met behoud van de Werelderfgoedwaarde.

  

Dit is vaak een zoektocht, vooral aan de dynamische oostkant van de stad Utrecht. Als een gemeente ontwikkelingen toestaat in het Werelderfgoedgebied, moet worden aangetoond dat de uitzonderlijke universele waarde niet wordt aangetast. Gebiedsanalyses kunnen hierbij helpen; indien deze onvoldoende antwoord geven, kan advies van de provincie worden gevraagd. Bij twijfel of bij grote ontwikkelingen kan ook een (verkennende) Heritage Impact Assessment (HIA) worden gedaan. Daarin worden de effecten van een voorgestelde verandering op de uitzonderlijke universele waarde van het Werelderfgoed onderzocht.

   

De uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies biedt ook kansen voor versterking van de ruimtelijke kwaliteit en daarmee een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving en een beter vestigingsklimaat.   

   

Het UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bestaat uit kernzones die (met uitzondering van die bij Hoge Woerd-Utrecht) geheel worden beschermd via het archeologisch rijksmonumentenregime. Dat regime is onderdeel van de Omgevingswet. Direct om deze plekken heen liggen lokale bufferzones. Hiervoor en voor een deel van de kernzone bij Hoge Woerd-Utrecht, nemen we regels op in de Omgevingsverordening. De Limes omvat echter meer dan het UNESCO-gebied. Dat richt zich op de militaire aanwezigheid van de Romeinen, terwijl het verhaal van de Limes ook gaat over de interactie met de inheemse bevolking. Daarom nemen wij de Limes ook op als zone in de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. 

  

Het is vrijwel zeker dat er waarden van de Limes onder de grond liggen die we nog niet kennen. Wij vragen gemeenten via de Omgevingsverordening om in de gehele Limeszone rekening te houden met deze verwachte resten en ze, waar aanwezig, goed te onderzoeken. Het beleid voor het UNESCO Werelderfgoed hebben we verder uitgewerkt in het Cultuur- en Erfgoedprogramma. Daarin zetten we in op merkbekendheid, publieksbereik, beleving, educatie, gebiedsontwikkeling en de koppeling met andere opgaven.     

Box Duurzame instandhouding Utrechtse buitenplaatsen en landgoederen gedeeld maatschappelijk belang

De box is hier te lezen: Box Duurzame instandhouding Utrechtse buitenplaatsen en landgoederen gedeeld maatschappelijk belang

afbeelding binnen de regeling

Kaart 31. De beleidskaart toont de geografische ligging van de werkingsgebieden van ons beleid op het gebied van toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed

Uitvoering geven aan beleid voor toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed

Stimuleren

  • Subsidieverordening cultuur en erfgoed (voor projecten en onderzoeken die bijdragen aan onze beleidsdoelen).

  • Subsidies uit het Fonds Erfgoedparels voor restauraties en herbestemming van rijksmonumenten die geen woonhuis zijn.

  • Promotie en marketing UNESCO Werelderfgoed.

  • Subsidies en opdrachten voor herbestemming en gebiedsontwikkeling, publieksactiviteiten en kennisontwikkeling waterlinies.

  • Subsidies en opdrachten voor Neder-Germaanse Limes gericht op behoud, beheer en publieksbereik.

Realiseren

  • Cultuur- en erfgoedprogramma 2025-2028.

Reguleren

  • Instructieregel voor het beschermen en benutten van de provinciale Cultuurhistorische hoofdstructuur.

  • Instructieregel voor het in stand houden en versterken van het UNESCO Werelderfgoed van Hollandse Waterlinies en de Neder-Germaanse Limes.

Paragraaf 4.9 Omvang opgaven

In de voorgaande paragrafen zijn voor zeven beleidsthema’s de ambities en opgaven weergegeven en zijn de beleidskeuzes die wij daarvoor maken uitgewerkt. In deze afsluitende paragraaf wordt waar mogelijk de omvang van de opgaven weergegeven. De opgaven die nieuwe ontwikkelingen met zich meebrengen hebben namelijk impact op het toekomstige ruimtegebruik in de provincie Utrecht, met invloed op het huidige gebruik en de aanwezige kwaliteiten die we graag zoveel mogelijk willen behouden en benutten. Bij de berekening van de omvang van de opgaven wordt aangegeven waarop de inschatting van de ruimtevraag is gebaseerd, welke aannames hier eventueel onder liggen en in hoeverre de ruimtevraag al een locatie toegewezen heeft gekregen. Dit leidt tot een conclusie over de netto-opgave voor het betreffende beleidsthema. Daarbij wordt gerekend aan 2030 en ook waar mogelijk, een doorkijk gegeven voor 2040 en/of 2050.



Bij deze paragraaf hoort een disclaimer. Het type ruimtelijke impact is niet gelijk voor elke opgave en het kwantificeren hiervan kent daardoor haar beperkingen. Zo kan wel gerekend worden aan de geschatte omvang van de afzonderlijke opgaven, maar de combinatiemogelijkheden met en/of beperkingen voor andere opgaven kunnen daarin niet meegenomen worden. Deze kunnen enkel beschreven worden en verschillen sterk per opgave. Er kan daarom geen optelling van de aantallen worden gemaakt. Het belang van deze paragraaf zit dan ook in de toelichting per opgave die een vertrekpunt vormt voor de gebiedsgerichte uitvoering van de opgaven, waarin ook prioriteiten moeten worden gesteld en keuzes moeten worden gemaakt.

Box Landgebruik in de afgelopen 30 jaar

De box is hier te lezen: Box Landgebruik in de afgelopen 30 jaar

Opgaven voor beleidsthema klimaatbestendig en waterrobuust
  • Voor het klimaatbestendig en waterrobuust maken van onze provincie zijn waterbergingsgebieden van belang. Deze vangen het water op bij wateroverlast. Aan de oostkant van de provincie zijn in de Omgevingsverordening al enkele waterbergingsgebieden opgenomen. Er zal daarnaast extra ruimte gevonden moeten worden. In de opgavekaart bodem, water en klimaatadaptatie zijn hiervoor zoekgebieden opgenomen met een oppervlakte van circa 130 km2. We schatten in dat circa 25 tot 50% van dit oppervlakte een toekomstige waterbergingsfunctie krijgt. Ze kunnen gecombineerd worden met bestaande en/of nieuwe functies, zoals landbouw en opwekking van duurzame energie. Ze zorgen wel voor een beperkingen aan deze functies, omdat er af en toe water op het land zal staan.

  • Voor het verbeteren van de ruimte voor en de kwaliteit van de beekdalen is ruimte nodig in de directe omgeving van die beekdalen. Deze liggen aan de oostkant van de provincie en zijn weergegeven op de opgavekaart bodem, water en klimaatadaptatie. Deze opgave heeft een sterke relatie met de natuuropgave en maakt voor wat betreft de omvang daar deel van uit. Bij de toedeling van de essentiële percelen natuur wordt hier al rekening mee gehouden.

  • Zowel bij ontwikkelingen in bestaand stedelijk gebied als bij uitbreidingslocaties is het van belang om voldoende waterberging te realiseren, om wateroverlast en verdroging in het stedelijk gebied zoveel mogelijk te beperken. Dit is onderdeel van het klimaat adaptief maken van het stedelijk gebied. Dit ruimtebeslag is meegenomen in het ruimtebeslag voor nieuwe verstedelijking.

  • Er wordt onderzoek gedaan naar twee nieuwe drinkwaterwinningen in de ondergrond, aangevuld met uitbreiding van bestaande locaties. Ze leveren beperkingen op voor andere functies. Om die reden zijn ze in beeld gebracht. De zoekgebieden voor de nieuwe winningen zijn opgenomen op de opgavekaart bodem, water en klimaatadaptatie. De huidige winlocaties staan op de beleidskaart voor dit thema. Omdat de nieuwe locaties nog niet zijn vergund, is uitgegaan van de gemiddelde omvang van een winlocatie (aan het maaiveld). Deze heeft een diameter van 4 km en dus een oppervlakte van ongeveer 12 km2. Voor twee bronnen gaat het dus om 24 km2, aangevuld met de uitbreiding van bestaande winlocaties (+12 km2) = 36 km2. Dit ruimtebeslag ligt grotendeels ondergronds, op het pompstation en de directe omgeving daarvan na.

Conclusie: De ruimtevraag voor water is deels in beeld, ligt deels onder de grond, valt deels samen met andere opgaven De opgaven kunnen beperkingen opleveren voor andere functies.

Opgaven voor beleidsthema toekomstbestendige natuur
  • Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt er grotendeels. In de provincie Utrecht is er ongeveer 30.000 hectare NNN. We willen de kwaliteit van de natuur verbeteren, onze natuurgebieden groter maken en ze beter met elkaar verbinden. Het kwantitatieve doel is om in totaal 4.381 hectare nieuwe natuur te realiseren in de periode 2011 t/m 2027. Er resteert op dit moment nog een opgave van 1.784 hectare nieuwe natuur, waarvan 507 hectare nu nog een agrarische functie heeft. 1.277 hectare is al wel van functie veranderd maar moet nog worden ingericht (stand van zaken 1‑1‑2025). De Natura 2000-gebieden liggen ook in het NNN. De benodigde extra natuur in de overgangsgebieden Natura 2000 wordt ingepast in de afgesproken hectares NNN en Groene contour. De opgave voor NNN en Natura 2000-gebieden is al begrensd en levert geen nieuwe ruimtevraag op. De natuurgebieden zijn niet allemaal even goed combineerbaar met andere ruimtevragers, maar wel met bijvoorbeeld bos. Bij bepaalde natuurdoeltypen kan een combinatie mogelijk zijn met extensieve landbouw (alleen als beheerder), extensieve recreatie of duurzame energie.

  • Groene contourgebieden worden (op vrijwillige basis) ingericht als natuur en daarna toegevoegd aan het NNN. In totaal is afgesproken om 3.000 hectare in de periode 2011 t/m 2040 te realiseren. Circa 170 hectare is gerealiseerd. Van de groene contour is ongeveer 2.500 ha al begrensd en deels omgevormd naar NNN. Van de oorspronkelijke 500 hectare aan zwevende Groene contour is nog 429 hectare beschikbaar. Dit is een aanvullende ruimtevraag. Realisatie vindt doorgaans plaats op grond met agrarische functie. Groene contour kan ook een volgfunctie zijn op opwek van duurzame energie of gecombineerd worden met windenergie.

  • Het bosbeleid van de provincie Utrecht richt zich op meer, vitaal, toekomstbestendig, beschermd en maatschappelijk gewaardeerd bos in 2040. Het heeft als kwantitatief doel het areaal bos te vergroten met 1.500 hectare in de periode 2021 t/m 2040. De onderverdeling hiervan is 500 hectare in het NNN, 500 hectare in de groene contour en 500 hectare daarbuiten (agroforestry, kleine landschapselementen, rondom en in steden en dorpen, recreatiegroen). De ruimtevraag voor extra bos is dus 500 hectare.

  • De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) en de Natuurherstelverordening leveren een opgave op die alleen indicatief weergegeven kan worden. Dit is opgenomen in het Utrechts Programma Landelijk gebied 2026-2035 (UPLG). Voor de periode 2019 t/m 2030 gaat het om 848 hectare natuur en 14.160 hectare agrarische natuur. Hiervan moet nog 647 hectare natuur en 10.600 hectare agrarische natuur gerealiseerd worden. Voor de totale periode 2019 t/m 2050 gaat het om ruim 2.800 hectare natuur en ruim 47.000 hectare agrarische natuur. Hiervan moet nog bijna 2.500 hectare natuur en ruim 43.000 hectare agrarische natuur gerealiseerd worden. Naar verwachting zal in het landelijke Natuurplan 2026 (op basis van de Europese Natuurherstelverordening) meer duidelijk worden over deze opgave. De indicatieve VHR-areaalopgave voor uitbreiding van natuur en agrarisch natuurbeheer wordt zo veel mogelijk ingevuld door het combineren van opgaven, te beginnen met het nog te realiseren NNN en groene contour en met het versterken van de weidevogelkerngebieden en de omliggende weidevogelgebieden. Voor de realisatie van agrarische natuur (op landbouwgrond) is geen sprake functieverandering en in die zin is het geen ruimtevrager. Dit betreft een andere vorm van beheer. De hectares voor natuur leveren wel een ruimtevraag op, waarbij in het UPLG is aangegeven dat die op korte termijn samen kan vallen met de NNN opgave. Voor de langere termijn wordt nog onderzocht welk deel kan samenvallen met de restopgave NNN en met de opgave groene contour. Daarom is de voorlopige ruimtevraag voor 2050 de gehele 2.500 hectare.

  • Voor het versterken van onder andere biodiversiteit en landschappelijke kwaliteit is groenblauwe dooradering in het landelijk gebied belangrijk. In het UPLG is als doel aangegeven 5% groenblauwe dooradering in 2030 en 10% in 2050. Dit is er deels al. Er is tot 2030 nog 3,5% nodig, oftewel 2.700 hectare. Voor 2050 gaat het om 5.600 hectare. Deze opgave kan volledig samenvallen met andere ruimtegebruikers, te weten natuur, landbouw en recreatiegroen (multifunctioneel ruimtegebruik). Er is dus geen aanvullende ruimtevraag.

Conclusie: De ruimtevraag voor natuur is deels in beeld, deels indicatief weergegeven en valt deels samen met andere opgaven. De functie natuur levert beperkingen op voor andere functies.

Opgaven voor beleidsthema duurzame landbouw
  • De provincie Utrecht heeft 71.089 hectare cultuurgrond voor land- en tuinbouw (CBS, 2023). Dit is ongeveer 46% van het oppervlak van de provincie. In het UPLG is de ambitie opgenomen dat in 2030 15% van het landbouwareaal biologische landbouw betreft. Hiervan resteert nog een opgave van 8,6%. Dit betreft geen ruimtevraag, maar een aangepaste vorm van bedrijfsvoering en beheer waarbij geen kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen wordt toegepast.

  • In het UPLG is daarnaast voor natuurinclusieve landbouw de ambitie opgenomen dat in 2030 50% van de grondgebonden bedrijven dit in de bedrijfsvoering meeneemt. Ongeveer 30% van de bedrijven neemt per 1‑1‑2025 deel aan agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De restopgave is daarmee circa 20% van de grondgebonden agrarische bedrijven. Dit betreft geen ruimtevraag, maar aangepast beheer.

  • In het streefbeeld ‘Toekomst landbouw en voedsel provincie Utrecht 2050’ is een verschuiving naar kortere ketens opgenomen. Dit betekent dat voedsel in de nabijheid geproduceerd wordt. Om te kunnen onderbouwen in hoeverre dit voor de provincie Utrecht mogelijk is heeft Van Hall Larenstein voor de provincie Utrecht het onderzoek Landbouwgronden, voedselproductie en voedselconsumptie (2025) uitgevoerd. De factsheets hiervan leveren als beeld op: De cultuurgrond in de provincie Utrecht is voor 94% in gebruik voor grasland en groenvoedergewassen. Slechts 6% is in gebruik voor akkerbouw en (glas)tuinbouw en hiervan wordt 61% gebruikt voor de productie van voedsel voor menselijke consumptie. Wanneer dit in eiwitten wordt weergegeven en afgezet wordt tegen het aantal inwoners, blijkt dat de plantaardige productie goed is voor 3% van de consumptie, terwijl de dierlijke productie goed is voor 120% van de consumptie. Er is echter sprake van veel export en import. Om te weten of de provincie zelfvoorzienend zou kunnen zijn is gekeken naar de ruimtebehoefte hiervoor. De gemiddelde Nederlander gebruikt 0,2 ha voor voedselproductie per jaar met het huidige voedselpatroon. Doordat de provincie Utrecht veel inwoners heeft, is er per inwoner slechts 0,051 ha cultuurgrond beschikbaar. Concluderend geven de factsheets aan dat in de provincie veel te weinig landbouwgrond beschikbaar voor het voeden van de eigen inwoners. Ook bij een verschuivend voedselpatroon naar meer plantaardig eiwit, waarbij naar verhouding minder grond nodig is, blijft de conclusie dat er veel te weinig landbouwgrond beschikbaar is voor het aantal inwoners. Dit komt mede doordat lang niet alle grond in de provincie geschikt is voor het verbouwen van plantaardig voedsel voor menselijke consumptie.

  • Voor duurzame landbouw is extensivering belangrijk. Deze extensivering kan via twee wegen; per bedrijf meer grond of een vermindering van het aantal stuks vee. Dit kan een ruimtevraag opleveren. In de Verdiepende landbouwanalyse, uitgevoerd door DLV en Connecting Agri & Food (2023) is berekend wat de impact op de grondvraag kan zijn. Hierbij is uitgegaan van een gelijkblijvende totale veebezetting. In de Omgevingsverordening wordt een norm voor grondgebondenheid gehanteerd van 2,5 grootvee-eenheid per hectare (GVE/ha). Een aantal bedrijven in de provincie zit hier nog boven. Voor extensivering van deze bedrijven richting 2,5 GVE per hectare is dan een bijkomende hoeveelheid areaal van 1.514 hectare benodigd. Voor verdere verlaging van de intensiteit van de melkveehouderij naar 2,25 GVE per hectare is in totaal 3.299 hectare extra grond nodig. Er is tot wel 22.818 extra hectare nodig op het moment dat de norm van 1,5 GVE per hectare gehanteerd zou gaan worden. Deze norm past bij een grondgebonden bedrijf dat bij afschaffing van derogatie alle mest op eigen land kan uitrijden. Een norm van 1,5 GVE per hectare past ook bij een natuurinclusieve of biologische bedrijfsvoering.

    Er is tegelijkertijd sprake van een dalende trend in het aantal agrarische bedrijven. In Utrecht zijn 300 boeren gestopt met hun bedrijf in de periode van 2015 tot 2022 (bron: Landbouwstructuur en verkavelingsanalyse provincie Utrecht. Kadaster en WUR, 2022). De verwachting is dat door gebrek aan opvolging en perspectief tussen 2023 en 2030 ongeveer 500 boeren hun bedrijf zullen stoppen. Dit proces stopt niet na 2030. Blijvende boeren kunnen de vrijkomende grond opkopen voor extensivering, voor de ontwikkeling richting natuurinclusieve of biologische landbouw of voor schaalvergroting. Daarom is er geen aanvullende ruimtevraag berekend.

    Ontwikkelingen zoals extensivering, afname van het aantal agrarische bedrijven en verandering van bedrijfsvoering zullen leiden tot een verandering van het gebruik, ook binnen het agrarisch grondgebied. Landbouw is deels combineerbaar met energieopwekking, agrarische natuur, recreatie, bos (bomen) en klimaatadaptatie. Bij transitie naar extensievere landbouw ontstaan er waarschijnlijk meer mogelijkheden voor dit soort functiecombinaties.

Conclusie: Voor de ruimtevraag van de functie landbouw is geen inschatting gemaakt. De reden is dat veel ontwikkelingen binnen de eigen landbouwgronden worden opgelost. Daarnaast is niet met voldoende zekerheid te zeggen waar de ontwikkeling van de ruimtebehoefte naar toe gaat, met enerzijds de groeiende ruimtebehoefte door het extensiveren van de landbouw en anderzijds het aantal stoppende boeren.

Opgaven voor beleidsthema duurzame energie
  • Voor het opwekken van zonne-energie is de ambitie 1,4 Twh tot en met 2030. Daarvan wordt op basis van de Regionale Energiestrategieën (RES’en) 0,488 – 0,688 Twh (= gemiddeld 0,588 Twh) via grootschalig zon op daken gerealiseerd. Het resterende deel, 0,812 Twh, wordt via zon op land gerealiseerd. Met de vuistregels van het Nationaal programma RES betekent dit een ruimtebeslag van 1.137 hectare voor zon op land tot en met 2030. Ook na 2030 wordt er nog zon op daken en op land gerealiseerd. De verwachting is dat de opgave in de periode 2030 t/m 2050 in totaal zo’n 4.280 hectare beslaat, waarvan ongeveer de helft waarschijnlijk via zon op land gerealiseerd wordt (Bron: Energievisie provincie Utrecht, 2024). De oppervlakte van de gelokaliseerde zoekgebieden en -zones voor zon binnen de Provincie Utrecht bedraagt 12.455 hectare. Buiten de gelokaliseerde zoekgebieden en -zones is ook zon op land mogelijk op basis van gemeentelijke afwegingskaders. Er is veel meer potentiële ruimte beschikbaar dan in de periode tot en met 2030 nodig is. Zon op land kan deels gecombineerd worden met andere functies, zoals natuur (met name vegetatie), recreatie en bepaalde landbouwgewassen.

  • Voor het halen van het aandeel windenergie van het doel van 2,4 TWh uit de RES zijn tot en met 2030 circa 40 extra windturbines nodig bovenop parken al eerder vergund en gerealiseerd zijn. Voor de fundering en toegangswegen is per turbine circa 0,1 hectare nodig (Bron: Energievisie provincie Utrecht, 2024). Dit levert een netto ruimtebeslag op van circa 4 hectare tot en met 2030. In de periode 2030 t/m 2050 is er een aanvullende behoefte van ongeveer 0,78 TWh, dat zijn circa 52 turbines met een netto ruimtebeslag van 8,6 hectare (Bron: Energievisie provincie Utrecht, 2024). De oppervlakte van de gelokaliseerde zoekgebieden voor wind binnen de Provincie Utrecht bedraagt in de planMER Wind ongeveer 3.818 hectare. Voor windenergie is er dus meer potentiële ruimte beschikbaar dan nu nodig is.

    Windturbines hebben een grotere invloed op hun omgeving dat zonne-energie. Uitgaande van een afstandsnorm van 2x tiphoogte, zoals deze nu in de conceptnormen voor windturbines van het Rijk staan, heeft een turbine een invloedssfeer van circa 18 hectare. Daarbinnen geldt een beperking voor woningbouw en tot op zekere hoogte bedrijventerreinen, maar zijn wel andere ontwikkelingen mogelijk zoals bepaalde natuurontwikkelingen, recreatie en agrarische bedrijvigheid. Voor de periode tot 2030 gaat het om circa 560 hectare voor plaatsing in clusters van drie, vier of vijf windturbines. Voor de periode 2031 t/m 2050 komt er, afhankelijk van de precieze elektriciteitsmix, nog circa 730 hectare bij voor plaatsing in clusters van drie of meer windturbines. In lijn met de instructieregel 5.4 in de omgevingsverordening worden windturbines in principe niet solitair geplaatst. De daadwerkelijke oppervlakte van de invloedssfeer ligt dus aanzienlijk lager. De beperkingengebieden rondom windturbines gaan bovendien goed samen met zon op land. Dit heeft uit het oogpunt van een effectieve benutting van de energienetwerk-infrastructuur zelfs grote voordelen.

  • Met de ruimtevraag voor zonne- en windenergie komt er ook een ruimtevraag bij voor de energienetwerk-infrastructuur. Hiervan is een eerste inschatting gemaakt op basis van kengetallen van het Nationaal Programma RES (Bron: Basisdocument over energie-infrastructuur). Het bestaande 380 kV station bij Breukelen wordt uitgebreid en er zijn t/m 2030 nog drie hoogspanningsstations diverse onderstations en andere infrastructuur nodig. Ook in de periode 2030–2050 zijn er aanpassingen nodig aan de energie-netwerkinfrastructuur. Dit hangt samen met de duurzame opwek en met veranderingen in de vraag (verstedelijking, het elektrificeren van de maatschappij). Voor de hoogspannings- en onderstations moet tot 2050 rekening gehouden worden met circa 80 hectare ruimtebeslag. Dit is niet combineerbaar. Voor het energienetwerk moet aanvullend rekening gehouden worden met 290 ha, voornamelijk ondergronds.

  • Naast de opgave voor elektriciteit is er ook een opgave voor duurzame warmte. Ook hieraan is een ruimtevraag verbonden. Het ruimtebeslag hiervan is deels ondergronds (geothermie) en deels betreft het water (aquathermie) met installaties daarvoor. Er moet echter ook rekening gehouden worden met bijvoorbeeld warmtebuffers in wijken. Welke ruimtevraag en eventuele beperkingen aan de opgave voor warmte zijn verbonden is nog niet in beeld te brengen.

Conclusie: De ruimtevraag voor energie is voor de kortere termijn goed in beeld. Voor de langere termijn is een inschatting gemaakt van de ruimtebehoefte voor zonne- en windenergie en voor energienetwerk-infrastructuur. Het ruimtebeslag van de opgave voor warmtevoorziening is nog niet in beeld te brengen.

Opgaven voor beleidsthema goede bereikbaarheid

De opgave voor bereikbaarheid is bij het thema wonen en werken meegenomen en is niet apart inzichtelijk gemaakt. Het ruimtebeslag van de benodigde infrastructuur is hier integraal verwerkt. Buiten de nieuwe woon- en werklocaties zijn er weinig grote aanlegprojecten voor weginfrastructuur geprogrammeerd. Daarbij ligt de opgave op het gebied van infrastructuur (zoals de Merwedelijn, Rijnenburglijn, en de BRT-verbindingen) niet zozeer in de absolute omvang ervan, maar in de ruimtelijke inpassing van de infrastructuur.

Opgaven voor beleidsthema vitale steden en dorpen
  • Woningbouw 2024 t/m 2030: Op basis van het Kader voor provinciale programmering wonen en werken 2024-2027 (2024) is het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2025 (PPWW25) opgesteld. Dit programma laat zien dat er van 2024 t/m 2030 voor 92.756 woningen plannen zijn, waarvan de verwachting is dat er ten minste 71.913 worden gerealiseerd en er sprake is van 29% overcapaciteit. De bekende plannen liggen grotendeels binnen bestaand bebouwd gebied. 9000 woningen uit deze plannen liggen in zogenoemde uitleglocatie (buiten het bestaande stedelijk gebied).

    Voor het ruimtebeslag van deze opgave wordt gerekend met het gemiddeld ruimtebeslag van uitleglocaties van 40 woningen per hectare. Dit betekent dat uitgegaan wordt van het realiseren van een stedelijk woonmilieu. Een landelijk woonmilieu heeft 25 of minder woningen per hectare. Als er gebouwd wordt in een lagere dichtheid, wordt het ruimtebeslag vanzelfsprekend groter.

    De ruimtevraag voor 9000 woningen in uitleglocaties is 225 hectare bij 40 woningen per hectare. Deze oppervlakte omvat de woningen, tuinen, blokgroen en de bijbehorende verharding. Een woonwijk is echter meer dan dat. Dit wordt de bruto woningdichtheid genoemd. Deze omvat ook de oppervlakte voor bebouwde en onbebouwde voorzieningen, zoals parken, scholen, wijkgebouwen, de omvang van klimaat-, gezondheid- en watermaatregelen en de omvang van de in de woonwijk passende bedrijvigheid en ontsluiting (wandelen, fietsen, auto). Hiervoor is 1,5 tot 2 keer het netto oppervlak nodig. Bij een rekenfactor van 1,75 levert dit een ruimtevraag op van circa 390 hectare.

  • Woningbouw 2031 t/m 2040: Op het niveau van de provincie als geheel, is het streven om circa 55.100 woningen toe te voegen. In het PPWW25 zijn 40.944 woningen na 2030 geprogrammeerd. Daarbij is een aantal grote verstedelijkingslocaties die nog in onderzoek zijn niet meegenomen. Denk aan Rijnenburg (gemeente Utrecht), De Nieuwe Meent (Rhenen) en binnenstedelijke locaties uit het gebiedsonderzoek Amersfoort. Het gaat al bij deze 3 locaties om een totaal van in potentie circa 35.000 woningen waarvan een deel naar verwachting ook al voor 2040 gerealiseerd zou kunnen worden.

    Voor het ruimtebeslag wordt ook hier gerekend met 40 won/ha. Daarnaast gaan we, mede gezien de grote locaties, uit van een iets hoger percentage van woningen in uitleglocaties. Met 8000 woningen in uitleglocaties levert dit een netto ruimtevraag op van 200 ha en een bruto ruimtebeslag van 350 ha.

  • Bedrijventerreinen 2024 t/m 2030: In het PPWW25 is voor deze periode voor 177 tot 191 ha aanbod van plannen voor bedrijventerreinen opgenomen. Omdat de totale uitbreidingsvraag groter is, bevat het PPWW25 ook nog 80 tot 94 ha aanvullende programmeerruimte. In totaal gaat het dus om 257 tot 285 ha. In deze uitbreidingsvraag is ook rekening gehouden met een vervangingsvraag (vanwege verlies van bedrijventerreinen door transformatie), additionele vraag (om ruimte te bieden voor verschillende transities) en extra schuifruimte (om te zorgen voor een normale bedrijfsdynamiek). Het gaat in deze cijfers om netto hectares, dus uitgeefbaar gebied. Om het bruto-ruimtebeslag (de eigenlijke ruimtevraag voor het terrein zelf, inclusief wegen, groen e.d.) te berekenen zou je dit minstens maal 1,3 moeten doen. Dat levert een ruimtevraag op van 334 tot 370 ha.

  • Bedrijventerreinen 2031 t/m 2040: In het PPWW25 is voor deze periode 115 tot 148 ha aanbod van plannen voor bedrijventerreinen opgenomen. Ook is er nog extra programmeerruimte beschikbaar, te weten 47 tot 80 ha. In totaal gaat het dus om 162 tot 228 ha netto. Bruto is dit 211 tot 296 ha.

Conclusie: De ruimtevraag voor wonen en werken voor de periode t/m 2030 en de periode 2031 t/m 2040 is goed in beeld te brengen. Deze opgave vindt deels plaats in bestaand stedelijk gebied en deels daarbuiten. Het gedeelte erbuiten is een aanvullende ruimtevraag die de plaats inneemt van het huidig landgebruik.

Opgaven voor beleidsthema gezonde omgeving en vrije tijd
  • De ruimtevraag voor recreatie betreft de vraag naar multifunctioneel groen die primair bedoeld is voor recreatie en waar andere functies aanvullend een plek kunnen hebben, oftewel recreatiegroen. Recreatie kan vaak gecombineerd met andere ruimtelijke vragers, zoals de opgaven voor klimaat, natuur en (multifunctionele) landbouw. Hiermee wordt gewerkt aan een gezonde groene leefomgeving die meegroeit met de verstedelijking.

    In het programma Groen Groeit Mee (Bron: Groen Groeit Mee - Opgaven in beeld) is onderzocht welke groenontwikkelingen geïdentificeerd kunnen worden die invulling kunnen geven aan deze opgave. Dit leidt tot een benodigde oppervlakte van 9.901 hectare t/m 2040. Een deel daarvan gaat om recreatief medegebruik van natuur of landbouw. In deze analyse van ruimtebeslag staat dit bij natuur en landbouw. Daarom is voor de ruimtevraag van recreatiegroen alleen gekeken naar de omvang van de nieuwe recreatiegebieden en de recreatieve verbindingen uit het programma Groen Groeit Mee. Die ruimtevraag heeft een omvang van 3.215 hectare. Om te berekenen welk deel van deze opgave logischerwijs toegerekend kan worden aan de periode t/m 2030 worden de woningbouwaantallen gebruikt. In deze periode wordt globaal 55% van de totale opgave gerealiseerd. Dit levert een ruimtevraag voor recreatiegroen op van 1.768 hectare. Voor de periode 2031-2040 gaat het om het resterende deel van 1.447 hectare.

  • Verkoeling kan naast in natuur, groen en recreatievoorzieningen ook gevonden worden in zwemwater. De omvang van het extra benodigde zwemwater wordt onderzocht. Daaruit blijkt dat het nuttiger is om te focussen op potentiële locaties dan om de ruimtevraag daarvoor in exacte cijfers aan te geven.

Conclusie: De ruimtevraag voor gezonde leefomgeving en voor recreatie, toerisme, sport en bewegen betreft meerdere onderdelen. Een aantal onderdelen zijn al concreet becijferd. Anderen worden nog onderzocht. De ruimtevraag voor recreatiegroen kan deels gecombineerd worden met andere functies in het landelijk gebied.

Opgaven voor beleidsthema cultuur en erfgoed
  • Erfgoed: 60% van het oppervlak van de provincie Utrecht valt onder de Cultuur Historisch Hoofdstructuur (CHS). In de CHS zijn de thema’s Historische Buitenplaatsen, Militair Erfgoed, Agrarisch Cultuurlandschap, Archeologie, Historische Infrastructuur en Maritiem erfgoed vertegenwoordigd en met provinciaal beleid beschermd. Tevens zijn in de CHS twee Unesco werelderfgoederen opgenomen zijnde de Hollandse Waterlinies en de Neder-Germaanse Limes. De opgave betreft hier het behouden van/ combineren met de bestaande kwaliteiten.

  • Cultuur: culturele voorzieningen moeten meegroeien met de verstedelijking en groei van de bevolking, ook in ruimte. Bovendien zijn deze vaak tijdelijk ondergebracht op locaties (denk aan ruimte voor makers) op plekken waar uiteindelijk bv woningbouw is voorzien. Ook sportvoorzieningen moeten meegroeien met de verstedelijking. Deze ruimtevraag vindt meestal een plek in het bestaand stedelijk gebied, dan wel, wordt meegenomen bij de ontwikkeling van woon- en werklocaties.

Samenvattende tabel

In de beschrijving van de opgaven is voor diverse functies een geschat aantal hectares of vierkante kilometers ruimtevraag voor de periode t/m 2030 en/of voor de periode t/m 2040 opgenomen. Deze hectares kennen ieder een eigen onderbouwing en zijn deels onderling combineerbaar. Ze zijn dus niet bij elkaar op te tellen. Om wel een idee te geven over de omvang van de opgave, is in de tabel hierna de geschatte ruimtevraag voor de periode t/m 2040 opgenomen in vierkante kilometers.

Categorie

Geschatte ruimtevraag t/m 2040 in km2

Waterberging

50

Drinkwater (grotendeels ondergronds)

36

Groene contour

4

Bos (buiten NNN en groene contour)

5

Europese Vogel- en Habitatrichtlijn

25

Zonne-energie

33

Windenergie

1

Energie-netwerkinfrastructuur

1

Woonwijken (incl. voorzieningen en infrastructuur)

7

Bedrijventerreinen (incl. voorzieningen en infrastructuur)

6

Recreatiegroen

32

Conclusie berekening omvang opgaven

Er zijn alleen op hoofdlijnen conclusies mogelijk over de veranderingen in het ruimtegebruik in de provincie Utrecht als gevolg van de beschreven opgaven. De mate waarin opgaven zich per gebied laten combineren zijn bepalend voor de totaal netto benodigde ruimte en daar is nog onvoldoende zicht op. Daarnaast zijn de beleidsmatige opgaven niet altijd één op één te vertalen in fysiek ruimtegebruik en is er over sommige opgaven nog te weinig informatie beschikbaar. Tenslotte zijn er nog geen uitspraken te doen over de invloed van de opgaven op het huidige ruimtegebruik of de bestaande kwaliteiten. Wel is duidelijk dat de druk op de ruimte door alle opgaven verder zal toenemen. Op hoofdlijnen kan gesteld worden dat de verstedelijking (wonen en werken) toeneemt. Daarvoor is ook ruimte nodig buiten het bestaande bebouwde gebied, ondanks de sterke inzet op inbreiding. In het landelijk gebied zijn functiewijzigingen nodig om opgaven voor bijvoorbeeld natuur, klimaat, recreatie en energie te accommoderen. Het is daarom van groot belang om de ruimtevragen zoveel mogelijk te beperken door functies te concentreren en te combineren. Opgaven die in het landelijk gebied landen zullen immers veelal ten koste gaan van de grootste ruimtegebruiker, en dat is de landbouw. Wanneer de cijfers uit deze ruimtelijke doorrekening bij elkaar gelegd worden en de aanname wordt gedaan dat er zoveel als mogelijk sprake zal zijn van meervoudig ruimtegebruik, dan is de inschatting dat het areaal landbouwgrond met zo’n 5% zal afnemen in de periode t/m 2040. De extra VHR-opgave is hier nog niet in meegenomen. Als die meegerekend wordt, dan kan de afname van areaal landbouwgrond oplopen tot 10% in 2050. Dit zijn percentages die vergelijkbaar zijn met de door het PBL in de WLO-Scenario’s berekende landelijke afname van landbouwgrond op basis van het huidige Rijksbeleid.

Box Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving

De box is hier te lezen: Box Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving

Hoofdstuk 5. Gebieden

In dit hoofdstuk brengen we de Utrechtse kwaliteiten, opgaven en ambities ‘gebiedsgericht’ samen. Dat wil zeggen: we houden rekening met de specifieke omstandigheden in een gebied. De gebieden zijn:

  • Stedelijk netwerk Utrecht

  • Groene Hart

  • Kromme Rijngebied en Schalkwijk

  • Utrechtse Heuvelrug

  • Eemland

  • Gelderse Vallei

Per gebied is een gebiedsprofiel opgesteld met de belangrijkste kenmerken en kwaliteiten. Ook zijn per gebied de samenhangende opgaven aangeduid die we met voorrang willen oppakken, onze gebiedsprioriteiten. Om een volledig beeld te geven, zijn per gebied eveneens de belangrijkste thematische opgaven en keuzes toegelicht. Tegelijkertijd houden we oog voor de relaties tussen gebieden en provinciebrede opgaven en ambities.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 21. Verhouding kwaliteiten, thema's en gebieden (bron: provincie Utrecht)

In die (deel)gebieden werken we in verschillende (gebieds)allianties met gemeenten, waterschappen, buurprovincies, Rijk en andere partners samen. Hierin pakken we de daadwerkelijke uitvoering op. In dit hoofdstuk hebben de inhoudelijke resultaten van lopende samenwerkingstrajecten een plek gekregen, zoals:

  • de ontwikkelperspectieven voor de vier Utrechtse NOVEX-gebieden;

  • het Utrechts Programma Landelijk Gebied;

  • de drie Regionale Energiestrategieën;

  • het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat;

  • het programma U Ned;

  • het programma Groen Groeit Mee.

Ook is een aantal nieuwe samenwerkingstrajecten benoemd. In Hoofdstuk 6. Uitvoering gaan we verder in op de aanpak van onze (gebiedsgerichte) samenwerking met partners en wat dit betekent.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 22. Utrechtse Heuvelrug, Soesterduinen (bronL Utrecht Marketing, foto Kostas Brejaart)

Paragraaf 5.1 Stedelijk netwerk Utrecht

Gebiedsprofiel

Het Stedelijk netwerk Utrecht omvat de stedelijke gebieden plus de verbindingen in de Metropoolregio Utrecht en het Utrechtse deel van de Regio Foodvalley. Het netwerk overlapt gedeeltelijk met de andere gebieden uit dit hoofdstuk. Het Stedelijk netwerk Utrecht is goed verbonden met de Metropoolregio’s Amsterdam, Rotterdam-Den Haag, Eindhoven en Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen.



Het Stedelijk netwerk Utrecht bestaat uit een mix van historische steden, economische toplocaties en culturele voorzieningen, op korte afstand van gevarieerde landschappen, natuurgebieden en cultuurhistorisch erfgoed. Het ligt centraal in Nederland en dichtbij Schiphol. Er zijn directe treinverbindingen naar Frankfurt en Berlijn, en uitstekende ov- en wegverbindingen binnen de Randstad en met andere delen van Nederland. De stedelijke gebieden van Utrecht, Amersfoort en Veenendaal behoren tot de beste Nederlandse gebieden om te wonen.



De unieke combinatie van woonkwaliteit en economische potentie maken het Stedelijk netwerk Utrecht tot een grote drager van de Nederlandse economie. De economie is niet afhankelijk van een enkele sector. Er is een grote diversiteit aan sterke bedrijfstakken, waaronder bouw, handel, creatieve industrie, zakelijke dienstverlening en gezondheidszorg. Onder de noemer ‘Utrecht: Heart of Health’ ontwikkelen bedrijven en kennisinstellingen innovatieve oplossingen voor wereldwijde gezondheidsuitdagingen en een gezonde leefomgeving. Mede daarom heeft de Europese Commissie Utrecht benoemd tot de ‘meest competitieve regio van Europa’ en aangewezen als ‘Regional Innovation Valley

Gebiedsprioriteiten

In het Stedelijk netwerk Utrecht groeit het aantal huishoudens, net als de werkgelegenheid. Er is dus veel behoefte aan ruimte voor nieuwe betaalbare woningen en extra werklocaties, om te zorgen voor een goede woon-werkbalans. Dankzij de centrale ligging en het fijnmazige spoor- en fietsnetwerk kan ruimte-efficiënt worden gebouwd in de buurt van wonen, werken en voorzieningen. Voor het realiseren van nieuwe ontwikkellocaties is het noodzakelijk dat bereikbaarheid, energielevering en drinkwaterbeschikbaarheid zijn gegarandeerd. Dit is een fikse opgave omdat er sprake is van bereikbaarheidsknelpunten, overbelasting van het energienetwerk en zoetwatertekort. Een andere grote opgave is het creëren van meer groen in het gebied, dat ook geschikt is voor recreatie.



We pakken in het Stedelijk netwerk Utrecht de volgende samenhangende opgaven met voorrang op:

  • Realiseren van integrale verstedelijking (wonen, werken en voorzieningen), bij voorkeur binnenstedelijk en rond stations, daarna – waar nodig en passend – buitenstedelijk. 

  • Versterken van netwerken voor mobiliteit, energie en drinkwater als randvoorwaarden voor stedelijke ontwikkeling. 

  • Ontwikkelen van kwalitatief hoogwaardige groenblauwe verbindingen tussen stad en land en vergroten van recreatieve mogelijkheden.    

Opgaven

Kansen

Spanningen

Realiseren van integrale verstedelijking (wonen, werken en voorzieningen) bij voorkeur binnenstedelijk en rond stations, daarna - waar nodig en passend - buitenstedelijk.

Combineert met versterken van economie, vergroten werkgelegenheid, meer lopen en fietsen, verminderen automobiliteit, klimaatadaptieve en circulaire inrichting en behoud van landschap om de stad.

Schuurt met behoud van open groen in de stad, bestendigheid tegen hitte en een gezonde leefomgeving rond (spoor)wegen en milieubelastende bedrijven, en levert extra vraag naar stadsdistributie op.

Versterken van netwerken voor mobiliteit, energie en drinkwater als randvoorwaarden voor stedelijke ontwikkeling.

Combineert met totstandkoming van woningbouw, realisatie werklocaties, duurzame energieopwekking en aanleg laadinfrastructuur.

Schuurt met toegankelijkheid van landschap (obstakels) en in de ‘Kraag van Utrecht’ met instandhouden van de uitzonderlijke universele waarde van UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies.

Ontwikkelen van kwalitatief hoogwaardige groenblauwe verbindingen tussen stad en land en vergroten van recreatieve mogelijkheden.  

Combineert met waterberging, natuurontwikkeling, vergroting biodiversiteit, beperking hitte en gezondheidsbevordering.

Schuurt met behoud van landbouwgronden en toekomstige opties voor (verdere) verstedelijking.

Box Gebiedsontwikkeling Rijnenburg

De box is hier te lezen: Box Gebiedsontwikkeling Rijnenburg

afbeelding binnen de regeling

Tegel 1. Gebiedsprofiel en gebiedsprioriteiten Stedelijk Netwerk. Deze kaart betreft een conceptuele weergave van (boven) de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen en (onder) de gebiedskwaliteiten. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities, opgaven en kwaliteiten van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Gebiedsspecifieke opgaven en keuzes
Klimaatbestendig en waterrobuust

De draagkracht van het water- en bodemsysteem speelt een belangrijke rol bij de keuze van nieuwe ontwikkellocaties voor wonen, werken en voorzieningen. Dit heet ook wel ‘water-en-bodem-sturend’. We bevorderen dat woon- en werklocaties klimaatbestendig en circulair worden ingericht, op basis van de afspraken uit het ‘Convenant Toekomstbestendig Bouwen’ en het programma ‘Werklandschappen van de Toekomst’. We stimuleren het toevoegen van groen en het weghalen van overbodige verharding, zodat het bestaand bebouwd gebied beter bestand is tegen klimaatverandering.

Bodem en ondergrond

De gezondheid van de bodem staat in toenemende mate onder druk, net als de balans tussen het beschermen van de ondergrond en het benutten ervan. De ondergrond levert een belangrijke bijdrage aan de drinkwatervoorziening, de transitie naar een duurzame warmtevoorziening en een gezonde leefomgeving. Met gemeenten, waterschappen en andere stakeholders sturen we op veilig en verantwoord gebruik van de ondergrond, inclusief het grondwater.

Watersysteem en waterberging

Het samenhangende watersysteem van het Amsterdam-Rijnkanaal, het IJ, het Noordzeekanaal en de omliggende boezems is onvoldoende ‘robuust’. Dit leidt vandaag de dag al tot een aanzienlijke kans op schade door wateroverlast, watertekort en slechte waterkwaliteit in en om het bebouwde gebied van Houten, Utrecht, Maarsen en Breukelen. Deze kans neemt toe door klimaatverandering in combinatie met een toenemende druk op de ruimte, waaronder verdere verstedelijking. Er zijn maatregelen nodig om zorg te dragen voor een toekomstbestendige ontwikkeling van het gebied: zowel technische maatregelen in het watersysteem als maatregelen die ruimte bieden aan water. In deze Omgevingsvisie staan zoekgebieden voor (boven)regionale waterberging. Ook willen we noodoverloopgebieden aanwijzen, samen met onze partners in de Deltaregio Centraal Holland (Rijk, provincie Noord-Holland, gemeenten en waterschappen).

Toekomstbestendige natuur en landbouw

Het beschermen en verbeteren van groen in de stedelijke woon-, werk- en leefomgeving draagt bij aan het welzijn van mensen en is goed voor de biodiversiteit. Steden hebben baat bij een ‘groenblauwe inrichting’: het combineren van groen en water. Op deze plekken wordt het minder warm en kan regenwater worden opgevangen en vastgehouden. Groene plekken hebben ook een positief effect op de gezondheid, omdat je er kunt sporten, wandelen en spelen. We stimuleren het vergroenen van versteende wijken en werklocaties en betrekken natuur bij het inrichten van de leefomgeving (‘natuurinclusief’). Het is een uitdaging om voldoende ruimte te creëren voor groen en blauw in de woonomgeving.

Stad en platteland verbinden

We versterken ‘groenblauwe verbindingen’ tussen steden en het platteland, die daarmee beter met elkaar worden verbonden. Voorbeelden hiervan zijn parken, bossen, kanalen en rivieren. Groenblauwe verbindingen dragen bij aan klimaatadaptatie, het herstel van de biodiversiteit, en het bevorderen van gezondheid en recreatie. De relatie tussen stad en platteland versterken we op diverse manieren, bijvoorbeeld door meer ruimte te geven aan multifunctionele landbouw waar ruimte is voor zorg, recreatie en educatie. In de stad denken we aan stadsboerderijen en gemeenschapstuinen, waar voedselproductie gecombineerd wordt met ontmoeting en verbinding tussen buurtbewoners.

Duurzame energie en circulaire samenleving

Er is meer capaciteit nodig op het elektriciteitsnetwerk om de huidige netcongestie (beperkte capaciteit) op te lossen. Hiermee voorkomen we blijvende stagnatie van gewenste ontwikkelingen als woningbouw, het uitbreiden van werklocaties, duurzame energieopwekking en de aanleg van laadinfrastructuur voor schone mobiliteit. Het is noodzakelijk om een nieuw hoogspanningsstation van 380 kilovolt (kV) te realiseren ten westen van Utrecht. Daarnaast is het nodig om het bestaande 150 kV-netwerk te verzwaren (door zeven bestaande 150 kV-stations uit te breiden) en te vergroten (door tien nieuwe 150 kV-stations te realiseren tot en met 2050). De uitbreiding van deze hoogspanningsstations betekent dat bestaande (ondergrondse) kabelverbindingen moeten worden verzwaard. Ook zijn er extra verbindingen nodig om de stations aan elkaar te koppelen. Het gaat in ieder geval om verbindingen tussen de stations Utrecht Noord en Lage Weide, Oudenrijn en Utrecht-West, De Bilt en Bunnik-Kromme Rijn, en Amersfoort-Noord en Zeewolde.

De tracés voor de verbindingen en de locaties voor de stations kiezen we samen met gemeenten en netbeheerders. We houden daarbij rekening met aspecten als het watersysteem, de bodemgesteldheid, natuurwaarden, landschapskwaliteiten, cultuurhistorisch erfgoed en een gezonde leefomgeving.

Zon en wind

We zoeken naar nieuwe plekken voor zonnevelden en windturbines om te voorzien in de grote energiebehoefte. Het is belangrijk om vraag en aanbod van energie geografisch zo dicht mogelijk bij elkaar te brengen; daarom creëren we zoveel mogelijk ruimte voor grootschalige duurzame opwek in het Stedelijk netwerk Utrecht. Hierbij wordt specifiek gekeken naar de meest kansrijke gebieden voor zon en wind rondom Utrecht, Amersfoort, Veenendaal en rijkswegen.

Circulaire samenleving

Bedrijventerreinen met veel ‘milieuruimte’ en met een kade zijn cruciaal in de transitie naar een circulaire samenleving. Milieuruimte wil zeggen: de juridische mogelijkheden voor activiteiten die de kwaliteit van de leefomgeving niet in gevaar brengen. Deze bedrijven zijn bruikbaar voor circulaire functies als recycling, productie en bulkverwerking, en voor het verduurzamen van het goederenvervoer van de provincie. Deze bedrijventerreinen zijn echter schaars en nieuwe terreinen creëren is zeer complex of onhaalbaar. Het is daarom van belang om de bestaande locaties te behouden en zo optimaal mogelijk te benutten.

Bedrijventerrein Lage Weide (Utrecht) biedt potentie voor grootschalige circulaire industrie. Ook bedrijventerreinen De Biezen (Vianen) en Langshaven (Wijk bij Duurstede) bieden mogelijkheden voor het clusteren van circulaire bedrijven. We hebben deze bedrijventerreinen aangewezen als ‘strategische locaties circulaire samenleving’.

Bedrijventerreinen De Isselt (Amersfoort) en Laagraven-Liesbosch (Nieuwegein) hebben eveneens de potentie om ‘strategische locatie circulaire samenleving’ te worden. Waar de grenzen van deze 'strategische locaties' precies komen te liggen, bepalen we na een zorgvuldige afweging van belangen. Samen met de gemeente Amersfoort kijken we ook naar (gedeeltelijke) transformatie van De Isselt-Midden naar woningbouw, met de verzekering van alternatieve werklocaties. Bedrijventerrein Laagraven-Liesbosch maakt onderdeel uit van het MIRT-onderzoek ‘A12-zone in samenhang met Rijnenburg’. Uit dit onderzoek komt het advies om Westraven en Liesbosch-West ‘hoogstedelijk’ te ontwikkelen. Dat wil zeggen dat de ruimte intensief wordt gebruikt. Het bouwen van nieuwe woningen op deze plekken heeft direct impact op de beschikbare milieuruimte op bedrijventerrein Laagraven-Liesbosch. Binnen de gebiedsalliantie Groot Merwede/ Rijnenburg wordt hierover in samenspraak met de gemeenten Nieuwegein en Utrecht een besluit genomen.

De overige gemengde bedrijventerreinen met een lagere milieucategorie (classificatie van de milieubelasting die een bedrijfsactiviteit veroorzaakt) lenen zich uitermate goed voor circulaire stadsverzorgende functies als stadsdistributie, deeleconomie, reparatie en lokale inzameling van grondstoffen. In de bestaande stads-, dorps- en wijkcentra ligt een belangrijke rol voor circulaire activiteiten zoals inzameling van grondstoffen op buurt of wijkniveau, repaircafés, lokale deeleconomie en circulaire winkels met kleinschalige reparatiefaciliteiten.

Goede bereikbaarheid

Iedereen in de provincie Utrecht moet veilig, duurzaam en snel van huis naar werk, opleiding, recreatie en andere bestemmingen kunnen reizen. Reizigers zijn daarin vrij om te kiezen tussen lopen, de fiets, het ov en de auto – of een combinatie daarvan. Als provincie verleiden we hen tot duurzame keuzes door samen met gemeenten, regio’s en Rijk in te zetten op actieve, gezonde en duurzame vormen van mobiliteit, zoals lopen en fietsen, gecombineerd met ov en deelmobiliteit. Ondanks onze beleidsinzet vraagt de groei in onze provincie in de toekomst ook maatregelen op de provinciale en rijkswegen.

Hoogwaardig openbaar vervoer

Vanuit bereikbaarheid faciliteren we – waar mogelijk – de verstedelijkingsopgave. Voor de verdere ontwikkeling van de regio en de realisatie van Metropoolpoort Groot Merwede en uitleglocatie Rijnenburg is de aanleg van een tramlijn vanuit Rijnenburg naar Utrecht Centraal van cruciaal belang. Zonder deze tramlijn is het niet mogelijk om de beoogde woningaantallen en arbeidsplaatsen in Groot Merwede en Rijnenburg te realiseren. De tramlijn verlicht de druk op de bestaande infrastructuur en het hoofdwegennet, houdt station Utrecht Centraal bereikbaar en draagt bij aan duurzaam en toegankelijk vervoer voor inwoners van de regio. Op langere termijn staat het functioneren van de binnenstadsas onder druk om de functies van leefbaarheid en bereikbaarheid nog in voldoende mate goed met elkaar te kunnen combineren. De tramlijn van Rijnenburg naar Utrecht Centraal is op termijn als ondergrondse tram aan te sluiten op de binnenstadsas.

Ook voor hoogwaardige ov-bussen in de vorm van Bus Rapid Transit (BRT) op de Waterlinieweg, op het Utrecht Science Park (USP), tussen Vianen-USP-Amersfoort, rondom de Metropoolpoort Amersfoort Centraal – Amersfoort Schothorst (het ‘OV-anker’) en tussen Wageningen, Ede, Rhenen en Veenendaal zijn ruimtelijke keuzes nodig. Tegelijkertijd is het van belang om te investeren in hoogfrequente sprinterverbindingen om de dragende functie van het spoor in het Stedelijk netwerk Utrecht te behouden en te versterken. En om daarmee de mogelijkheden voor (verdere) verstedelijking te vergroten.

Fietsen

In het stedelijk gebied is de fiets een belangrijke drager van mobiliteit. Daarom zijn stedelijke fietsverbindingen en -stallingen (bijvoorbeeld bij stations) hier van groot belang. Om het aantrekkelijk te maken ook voor langere afstanden de fiets te pakken, werken we samen met gemeenten aan de aanleg van een hoogwaardig netwerk van doorfietsroutes. Ook lossen we knelpunten op in het regionaal fietsnetwerk. Doorfietsroutes ontstaan door het verbeteren en verbinden van fietspaden tussen grote en kleine steden.

Rijkswegen

We zijn – samen met de regio U10 en gemeenten – in gesprek met het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) over de realisatie van een goede doorstroming op de Ring Utrecht, inclusief een aanpak voor de Noordelijke Randweg Utrecht. Daarbij zetten wij in op een verkeersveilige invulling, waarbij het aantal rijstroken bij Amelisweerd wordt uitgebreid zonder dat daarvoor de bak hoeft te worden verbreed. De verdere verstedelijking binnen en buiten onze provincie zorgt voor autonome groei op de Ring van Utrecht. We zetten daarom in op de aanpak van de Noordelijke Randweg Utrecht (NRU) en starten met IenW een onderzoek naar verdere maatregelen voor de knelpunten voor de doorstroming op de A2 en A12 die gaan ontstaan na realisatie van het huidige Tracébesluit op deze wegen. Ook voor het knooppunt Hoevelaken (A1/ A28) en de aansluiting A1/ A30 Barneveld zijn we – samen met provincie Gelderland, regio’s Amersfoort, Foodvalley en gemeenten – met IenW in gesprek over oplossingen voor de bereikbaarheidsknelpunten. Het Rijk is eigenaar van de rijkswegen en neemt uiteindelijk het besluit.

Vervoer over water

Voor het bevoorraden van de stedelijke gebieden is een goede bereikbaarheid belangrijk. Vervoer over water biedt kansen voor het verbeteren van de bereikbaarheid, en heeft een positief effect op verkeersveiligheid, de kwaliteit van de leefomgeving en de uitstoot van broeikasgassen. Er zijn wel passende overslagvoorzieningen en hubs verzamelpunten (hubs) nodig.

Vitale steden en dorpen

De locaties die nodig zijn om steden te ontwikkelen, zijn in beeld gebracht in twee documenten: ‘Gezond groeien in nabijheid’ (NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort) en ‘Meer landschap, meer stad’ (NOVEX-gebied Arnhem-Nijmegen-Foodvalley). De documenten zijn tot stand gekomen in samenwerking met Rijk, provincie Gelderland, gemeenten en waterschappen. Nieuwe woningen, werkplekken en voorzieningen worden zo veel mogelijk geconcentreerd op de volgende locaties:

  • In ‘Metropoolpoorten’ (stedelijke ov-knooppunten die goed met het Stedelijk netwerk Utrecht en Nederland zijn verbonden): Lunetten Koningsweg-USP, Groot Merwede, Leidsche Rijn-Zuilen (Utrecht) en Amersfoort Centraal - Amersfoort Schothorst.

  • Rond grotere regionale ov-knooppunten, waaronder ‘Regiopoorten’ Bilthoven, Breukelen, Bunnik, Driebergen-Zeist, Houten, Vianen, Woerden en Zeist-Noord (provincie Utrecht) en Barneveld en Nijkerk (provincie Gelderland) en Veenendaal Spoorzone.

  • Binnen de ‘Grote U’ (U-vormig gebied rond het centrum van de stad Utrecht).

  • Op met hoogwaardig ov te ontsluiten buitenstedelijke locaties Rijnenburg in Utrecht en Nieuwegein, Vathorst-Bovenduist in Amersfoort en De Klomp en de Nieuwe Meent in het zuidelijke gedeelte van Foodvalley.

De andere stads- en dorpskernen krijgen – binnen randvoorwaarden – voldoende groeiruimte om hun vitaliteit te waarborgen. De concrete programmering van woningbouw en bedrijventerreinen en het eventueel aanwijzen van uitbreidingslocaties vindt plaats via het Provinciaal Programma Wonen en Werken.

Deze verstedelijkingslocaties zijn op de lange termijn mogelijk niet voldoende. Samen met de gemeente Amersfoort bekijken we de transformatiemogelijkheden van binnenstedelijke locaties (Isselt-Midden, de Hoef Oost en een deel van het Spoorwegemplacement). Daarbij letten we op het belang van voldoende (circulaire) bedrijventerreinen. Met het Rijk hebben we afgesproken om samen met gemeenten een beeld te schetsen van de ruimtelijk-economische ontwikkelmogelijkheden van de provincie Utrecht na 2040 en richting 2100. Bij dit beeld letten we ook op de ruimtelijk-economische samenhang met andere onderdelen van het Stedelijk netwerk Nederland, zoals de metropoolregio’s Amsterdam, Rotterdam-Den Haag en Eindhoven.

Integrale verstedelijking

Voor alle genoemde verstedelijkingslocaties in het Stedelijk netwerk Utrecht geldt dat we uitgaan van ‘groene en gezonde groei’, ook wel ‘integrale verstedelijking’ genoemd. Het leidende ontwikkelprincipe is ‘nabijheid’. Werk, school, winkels, gezondheidszorg, sport-, cultuur- en recreatievoorzieningen en natuurgebieden moeten vanuit huis zoveel mogelijk te voet, per fiets of met het ov bereikbaar zijn. Dit vraagt van alle betrokken partijen investeringen in bereikbaarheid en gebiedsgerichte maatregelen.



Voor de integrale verstedelijking van Metropoolpoort Groot Merwede en uitleglocatie Rijnenburg zijn naast grote ingrepen en investeringen in het ov ook investeringen in het provinciale fiets- en wegennet noodzakelijk, evenals het beperken van milieueffecten van met name de A12 en A2. De randvoorwaarden voor deze gebiedsontwikkeling staan in Bijlage IV Gebiedsontwikkeling Rijnenburg. De integrale verstedelijking rond Metropoolpoort Amersfoort Centraal – Amersfoort Schothorst vraagt om een blijvend goede aansluiting op het (inter)nationale netwerk van Intercity’s, treinen die met hoge frequentie rijden en een oplossing voor de risico's rond het spoor als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen. De integrale verstedelijking in de regio’s Utrecht en Foodvalley vragen eveneens om een blijvend goede aansluiting op het (inter)nationale netwerk van Intercity’s. Hiervoor nemen wij deel aan het MIRT-Onderzoek Utrecht-Arnhem-Duitsland.

Door groenblauwe ontwikkeling gelijk op te laten gaan met verstedelijking kunnen we de opgaven voor (drink)waterbeschikbaarheid, natuurinclusiviteit, duurzame mobiliteit, klimaatadaptatie, gezondheidsbevordering en recreatiemogelijkheden in en rond onze steden vormgeven en ondersteunen.

Bestaande bebouwing

Er ligt een grote opgave om het bestaand bebouwd gebied van onze steden en dorpen te verbeteren en te verduurzamen. Verouderde woningen en voor- en naoorlogse wijken vragen aandacht. Het verbeteren en verduurzamen van bestaand bebouwd gebied biedt kansen: we kunnen aan een deel van de woningbouwopgave voldoen door te ‘verdichten’, meer woningen te bouwen. Leidraad hierbij zijn de ‘Afspraken klimaatadaptief bouwen Utrecht’, waarin aandacht is voor leefbaarheid, duurzame energie en een groene, klimaatadaptieve leefomgeving. Om bedrijventerreinen toekomstbestendig te maken, doen we mee aan het programma ‘Werklandschappen van de Toekomst’.

Bedrijventerreinen en kantoor- en innovatielocaties

Voldoende ruimte op bedrijventerreinen en op kantoor- en innovatielocaties is van belang voor een aantrekkelijk regionaal en lokaal ondernemers- en vestigingsklimaat. Dit is ook van belang voor de bijdrage van de Utrechtse economie aan de nationale economie en om de positie als één van de regio's met de grootste concurrentiekracht van Europa vast te houden. Onze focus ligt op innovatieve ontwikkelingen die bijdragen aan maatschappelijke transities en op het benutten van potenties van investeringen in strategische autonomie en defensie. Door deze focus kan de Utrechtse economie als kloppend hart van een gezonde samenleving verder worden versterkt. We stimuleren de totstandkoming van toekomstbestendige voorzieningen voor bedrijven en werknemers.

Bestaande bedrijventerreinen benutten we zo optimaal mogelijk – door herstructurering, revitalisering, (eventuele) herprofilering en efficiënter ruimtegebruik. Er is ook nieuwe ruimte voor bedrijventerreinen nodig voor bedrijven die hun bedrijfsruimte willen uitbreiden of vervangen. Het strategisch uitbreiden van regionale bedrijventerreinen kan ruimte opleveren voor woningbouw en circulaire economie. Door lokale bedrijventerreinen te behouden en in alle opzichten te verduurzamen, houden we werkgelegenheid op korte afstand van woongebieden in stand.



De ontwikkeling van kantoren concentreren we rond de beste ov-locaties en andere goed bereikbare locaties met marktvraag. Hierbij maken we een onderscheid in:

  • Top-kantoorlocaties met onbegrensde groei: Utrecht Centraal, Leidsche Rijn (Utrecht) en Amersfoort Centraal. 

  • Zeer toekomstbestendige stationslocaties voor kantoren met maximaal 13.000 m² groei: Lunetten, Overvecht, Vaartsche Rijn (Utrecht), Schothorst (Amersfoort) en Driebergen-Zeist.

  • Toekomstbestendige stationslocaties voor kantoren met maximaal 5.000 m² groei: Zuilen (Utrecht), Houten, De Klomp (Veenendaal, Renswoude en Ede) en Woerden.

We blijven streven naar een gezonde leegstand van 5 tot 7 procent.

Innovatielocaties dragen bij aan de brede welvaart en het regionale en nationale verdienvermogen. Een voorbeeld is het Utrecht Science Park (USP, inclusief satellieten USP Bilthoven en USP Zeist), in samenhang met de Utrechtse ‘economische ecosystemen’ Life Sciences & Health, Earth Valley en New Digital Society. We zetten in op het behouden van de bestaande innovatielocaties en het mogelijk maken van nieuwe locaties.

Gezonde omgeving en vrije tijd

Hoewel ‘gezond stedelijk leven voor iedereen’ hoog in het vaandel staat, is de milieukwaliteit in delen van het Stedelijk netwerk Utrecht matig tot slecht. Er is een aantal bedrijventerreinen met milieubelastende bedrijven, maar de meeste hinder komt van het wegverkeer op rijks- en provinciale wegen (stikstofdioxide, fijnstof, geluid en veiligheidsrisico’s) en het spoorverkeer op spoorlijnen (geluid, trillingen en veiligheidsrisico’s). De spoorlijn Utrecht-Amersfoort gaat mogelijk onderdeel uitmaken van het Basisnet-spoor. We zijn in gesprek met de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en andere provincies over het bij elkaar brengen van de belangen van goederenvervoer op het spoor, een gezonde en veilige leefomgeving, en ruimte voor stedelijke ontwikkeling. Bij het maken van keuzes over welke functie waar kan komen, willen we rekening houden met de afstand tot (spoor)wegen en milieubelastende bedrijven. Ook stimuleren we de transitie naar schone en duurzame mobiliteit.

Groen

Er is in Stedelijk netwerk Utrecht behoefte aan meer en ook beter recreatief groen. Ontwikkeling van robuuste groenblauwe verbindingen in en om de steden dient meerdere doelen: verbinding tussen stad en land, waterberging, versterking van de biodiversiteit en verbetering van de recreatieve toegankelijkheid. We kunnen een eerste bijdrage leveren door middel van de Groen Groeit Mee-voorbeeldgebieden rond Utrecht (Hollandsche IJsselgebied, Noorderpark en Kromme Rijn Linielandschap), Amersfoort (De Zuidelijke Eemvallei) en Veenendaal (De Roode Haan).

Het is een opgave om de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het landelijk gebied te vergroten als er (spoor)wegen langs steden en dorpen lopen. De opgave is het grootst aan de noord-, oost- en westzijde van Utrecht en de noord- en westzijde van Amersfoort. Door het aanleggen van bufferzones (‘groene scheggen’) voorkomen we dat bestaande bebouwde gebieden en nieuwe ontwikkellocaties aaneengroeien.

Zwemwater

Een andere opgave is het zorgen voor voldoende officieel aangewezen zwemwaterlocaties in de buurt van steden, zoals Amersfoort. De vraag naar zwemwater neemt toe door de groei van het aantal inwoners in het gebied én door het toenemend aantal warme dagen door klimaatverandering.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

De ‘Kraag van Utrecht’, ten oosten van de stad Utrecht, is onderdeel van UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Het gebied kent een uniek karakter, met een fortenring in de stadsrand van Utrecht en een tweede vooruitgeschoven fortenring (grotendeels) in landelijk gebied. Voor veel inwoners en bezoekers is het een waardevol natuur- en recreatiegebied.

Tegelijkertijd is het één van de meest dynamische gebieden van het gehele UNESCO Werelderfgoed. Daardoor staat het behoud van de uitzonderlijke universele waarde en de ruimtelijke kwaliteit onder druk. Samen met Rijk, gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties onderzoeken we hoe de waarde in stand kan worden gehouden, in relatie tot ruimte voor ontwikkelingen zoals woningbouw en de energietransitie. De uitkomsten van dit onderzoek worden verwerkt in het ‘Ruimtelijk Perspectief Hollandse Waterlinies’, dat de zogenoemde linieprovincies (Utrecht, Noord-Holland, Gelderland en Noord-Brabant) op zullen stellen.

Paragraaf 5.2 Groene Hart

Gebiedsprofiel

Het Groene Hart beslaat het hele westelijke deel van de provincie Utrecht en loopt door in de provincies Zuid-Holland en Noord-Holland. Dit gebied karakteriseert zich door een grote diversiteit met contrasten tussen open-dicht, rust-drukte, droog-nat, bebouwd-onbebouwd en hoog-laag. De bodemsamenstelling in het gebied varieert. De grondsoorten die voorkomen zijn klei, kleidek-op-veen, veen en moerige grond.



Grote delen van het Groene Hart zijn veenweidegebieden. Zij bestaan al duizend jaar en zijn ontstaan en steeds veranderd door menselijke ingrepen in de fysieke ondergrond en de waterhuishouding. In de loop der tijd is een typisch Nederlands open polderlandschap ontstaan met onder andere strokenverkaveling, sloten, weteringen en lintbebouwing. In gedeeltes van de veenweidengebieden is het veen ontgonnen voor turfwinning. Bij Vinkeveen en Tienhoven zijn plassen en meren achtergebleven die volop mogelijkheden bieden voor recreatie. Rond Mijdrecht zijn droogmakerijen tot stand gekomen. In het noordwesten van de provincie Utrecht ligt een snoer van laagveenmoerassen. De melkveehouderij is de belangrijkste drager en beheerder van het ‘agrarisch cultuurlandschap’. De veenweidegebieden hebben een hoge ecologische waarde en zijn belangrijk voor weidevogels, overwinterende ganzen en biodiversiteit. In het Groene Hart liggen in het Utrechtse deel zes Natura 2000-gebieden.



UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies loopt door het Groene Hart en heeft voor de inundatiegebieden (delen die onder water werden gezet) gebruikgemaakt van het aanwezige waterstelsel en de lage ligging. Van de oude Hollandse Waterlinie zijn nog restanten waarneembaar in de vorm van versterkingen, civieltechnische werken en inundatievelden. Langs de Vecht liggen veel historische landgoederen en buitenplaatsen. UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes, de oude grens van het Romeinse Rijk, ligt verborgen in het landschap. De ‘beleving’ van diversiteit in het Groene Hart wordt versterkt door elementen en structuren uit verschillende tijdlagen, zoals boezemstelsels, dijken, verzameling molens, gemalen, middeleeuwse stadskernen, kastelen en industrieel erfgoed.



Omringd door de steden Amsterdam en Utrecht is de openheid van grote delen van het gebied van groot belang. Nauw hieraan verbonden is de relatieve rust. Het Groene Hart is echter allerminst verstild: er wordt volop gewoond, gewerkt en geleefd in de vele verspreid liggende vitale kernen. Rijkswegen A2, A12 en A27, verscheidene provinciale wegen en verschillende spoorlijnen zorgen voor goede verbindingen – zowel binnen het gebied als daarbuiten. Het Groene Hart heeft veel mogelijkheden en potenties om te functioneren als een recreatief-toeristisch aantrekkelijk gebied.



De melkveehouderij en de daaraan gelieerde kaas- en zuivelsector zijn sterk vertegenwoordigd in de economie. Een deel van de gronden in de Utrechtse waarden en Vijfheerenlanden is in potentie geschikt voor het verbouwen van eiwitteelten zoals peulvruchten. Ook is er een belangrijke rol weggelegd voor de vrijetijdseconomie en de maakindustrie. Er is toenemende aandacht voor circulaire economie. In het Groene Hart zijn diverse bedrijventerreinen, maar ook in en bij de dorpen en steden zijn lokale bedrijven te vinden. Deze bedrijven zijn van belang voor de leefbaarheid van het Groene Hart. Zij sponsoren vaak lokale verenigingen en spelen ook op andere manieren een belangrijke rol in de samenleving.

Gebiedsprioriteiten

Het Groene Hart kent binnen de provincie Utrecht een grote stapeling van opgaven. Veenoxidatie en inklinking van veenbodems in de veenweidegebieden leidt tot bodemdaling en uitstoot van broeikasgassen. Dat vereist forse aanpassingen in het watersysteem en een grotere waterbeschikbaarheid om de veenbodem natter te houden. Ook is meer ruimte in de polders nodig om neerslagpieken op te vangen en meer ruimte in de boezems of plassen om water vast te houden. Een groot deel van de veenweidegebieden draagt met hogere grondwaterstanden ook bij aan een andere omvangrijke opgave: verbetering van het leefgebied voor weidevogels. De veenbodems vragen deels een aanpassing van het landgebruik. Dit kan hand in hand gaan met verbetering van natuur (waaronder in zes Natura 2000-gebieden), transitie in de landbouw en het duurzaam opwekken van energie. Bij deze grote opgaven moeten we rekening houden met de waardevolle gebiedskenmerken.



We pakken in het Groene Hart de volgende samenhangende opgaven met voorrang op:

  • Afremmen bodemdaling, reduceren uitstoot broeikasgassen in de veenweidegebieden en inrichten van een robuust, schoon en klimaatbestendig watersysteem met ruimte voor waterberging.

  • Herstellen en verbeteren van natuur en biodiversiteit (in de zes Natura 2000-gebieden en in de weidevogelleefgebieden), realiseren groenblauwe dooradering en stimuleren van rendabele natuurinclusieve kringlooplandbouw.

  • Ruimte bieden aan duurzame energieopwekking en energie-infrastructuur in samenhang met zorgvuldige ruimtelijke inpassing.

Opgaven

Kansen

Spanningen

Afremmen bodemdaling en reduceren uitstoot broeikasgassen in de veenweidegebieden en inrichten van een robuust, schoon en klimaatbestendig watersysteem met ruimte voor waterberging. 

Combineert met natuurontwikkeling, vergroting biodiversiteit, verbouw van natte teelten, behoud, benutting en beleefbaarheid van UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies.

Schuurt met verbetering van waterkwaliteit (uitspoeling fosfaat), (Europese) natuurdoelen, voorzetting gangbare melkveehouderij, duurzame energieopwekking, energie-infrastructuur, woningbouw en realisatie van (lokale) werklocaties.

Herstellen en verbeteren van natuur en biodiversiteit (in de zes Natura 2000-gebieden en in de weidevogelleefgebieden), realiseren groenblauwe dooradering en stimuleren van rendabele natuurinclusieve kringlooplandbouw.  

Combineert met waterberging, verbetering waterkwaliteit, handhaving rust in stiltegebieden en behoud open landschap.

Schuurt tussen duurzame instandhouding van historische landgoederen en buitenplaatsen en regels voor natuurbescherming (in Natuurnetwerk Nederland) en tussen duurzame energie-opwekking, intensievere vormen van recreatie en weidevogeleefgebieden.

Ruimte bieden aan duurzame energieopwekking en energie-infrastructuur in samenhang met zorgvuldige ruimtelijke inpassing.   

Combineert met bundeling langs (bestaande) infrastructuur.

Schuurt met noodoverloopgebieden, uitbreiding weidevogelleefgebieden, behoud van landbouwgronden en openheid landschap.

afbeelding binnen de regeling

Tegel 2a. Gebiedsprofiel Groene Hart (noord). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de gebiedskwaliteiten. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 2b. Gebiedsprioriteiten Groene Hart (noord). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities en opgaven van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 2c. Gebiedsprofiel Groene Hart (zuid). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de gebiedskwaliteiten. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 2d. Gebiedsprioriteiten Groene Hart (zuid). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities en opgaven van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Gebiedsspecifieke opgaven en keuzes
Klimaatbestendig en waterrobuust

Op het gebied van water en bodem zijn er in het Groene Hart fikse opgaven. Door het handelen van de mens en een veranderend klimaat staat het bodem- en watersysteem in dit gebied enorm onder druk en zijn de grenzen van de technische maakbaarheid bereikt. Oxidatie van het veen in de veenweiden en inklinking van de veenbodems in het bebouwd gebied leiden tot bodemdaling, uitstoot van broeikasgassen en in sommige gebieden tot toename van verzilting. Dit kan aanzienlijke schade aanrichten aan natuur (onder meer vanwege waterkwaliteit en verdroging), landbouw, gebouwen en infrastructuur. De beheerskosten zullen daardoor toenemen.

Veenweidegebieden

In paragraaf 4.2 wordt uitgebreid ingegaan op het afremmen van de bodemdaling en het tegengaan van de uitstoot van broeikasgassen in veenweidegebieden, waaronder die in het Groene Hart. In onze Regionale Veenweiden Strategie ‘Utrechtse Veenweiden’ hebben we het beleidsvoornemen uitgesproken dat het grondwaterpeil in de veenweiden omhoog moet naar 20 tot 40 centimeter onder het maaiveld. Hiervoor is veel zoetwater nodig, terwijl we niet weten of er op termijn voldoende zoetwater beschikbaar zal zijn. We zetten maximaal in op het bergen en vasthouden van gebiedseigen water. Echter, de veenweiden zijn ook – nu en in de toekomst – afhankelijk van zoetwater uit het regionale- en nationale watersysteem. Ook op deze niveaus moeten dus belangrijke keuzes worden gemaakt. Hierover wordt meer bekend in de Deltabeslissing 2027.

We leggen de nadruk op de gebieden waarin we kunnen werken aan meerdere opgaven tegelijkertijd. Dat zijn gebieden met een grote mate van bodemdaling, een hoge uitstoot van broeikasgassen, hydrologische uitdagingen vanuit bijvoorbeeld hoogteverschillen en die nabij Natura 2000-gebieden zijn gelegen. Als gevolg van vernatting zal in een deel van deze gebieden het grondgebruik veranderen van gangbare landbouw naar bijvoorbeeld veenweidelandbouw (al dan niet in combinatie met weidevogelbeheer), (moeras)natuur, recreatie of duurzame energie.

(Piek)waterberging

Piekbuien en extreme neerslag kunnen ook in het Groene Hart tot wateroverlast leiden. Het samenhangende watersysteem van het Amsterdam-Rijnkanaal, IJ en Noordzeekanaal en de omliggende boezems zit aan zijn grenzen en is afhankelijk van één gemaal bij IJmuiden. Bij hoogwater kan het Amsterdam-Rijnkanaal daardoor overstromen. We willen wateroverlast voorkomen en zorgen voor voldoende en schoon water, ook in de toekomst. Daarvoor zijn technische én ruimtelijke maatregelen nodig om water te kunnen opslaan. In de omgeving van het Amsterdam-Rijnkanaal moeten noodoverloopgebieden worden aangewezen. We willen voorkomen dat daar ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die waterberging in de weg kunnen staan. Samen met Rijk, provincie Noord-Holland, gemeenten en waterschappen onderzoeken we in Deltaregio Centraal Holland de benodigde locaties en de inrichting ervan.

Ook in andere delen van het Groene Hart is er behoefte aan extra locaties voor waterberging. Onder andere bij de Linge en Hollandsche IJssel wordt extra ruimte gezocht. De aanwijzing van waterbergingsgebieden moet zorgvuldig worden afgestemd met andere ontwikkelingen die ruimte vragen, zoals duurzame energieopwekking, energie-infrastructuur en regionale bedrijventerreinen.

Zoetwaterbeschikbaarheid

Klimaatverandering zorgt ook in het Groene Hart voor langere periodes van droogte. Als de beschikbaarheid van zoetwater (inlaat vanuit grote rivieren en neerslag) verder afneemt en de vraag ernaar toeneemt (bijvoorbeeld door vernatting van veenweiden en verdamping), dan ontstaat er een tekort. Het inlaten van gebiedsvreemd water kan tot gevolg hebben dat de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW) niet worden gehaald en dat er schade wordt aangericht aan bijvoorbeeld natuur en landbouw. Daarnaast wordt in het Groene Hart zoetwater ingelaten om verzilting te bestrijden. Ook in diepe polders – en in het bijzonder binnen de droogmakerij Groot-Mijdrecht – is verzilting een steeds groter probleem. Door de lage ligging is het grondgebruik in deze droogmakerij kwetsbaar in tijden van een tekort aan zoetwater. We zetten hier in op het bergen en vasthouden van zoetwater. Oplossingen zijn – gezien het huidige landgebruik – zeer lastig te vinden. Samen met gemeente De Ronde Venen en waterschap Amstel, Gooi en Vecht verkennen we op basis van verleden, heden en toekomst wat een goede vervolgstap is om Groot-Mijdrecht klimaatbestendig en waterrobuust in te richten.

Waterkwaliteit

In het Groene Hart staat de waterkwaliteit onder druk door veenoxidatie, gebiedsvreemd water (onder meer bij zoetwaterinlaat) en meststoffen (stikstof, fosfor en kalium). Ook een hoger grondwaterpeil kan in sommige gebieden leiden tot uitspoeling van fosfaat. Tot slot leidt de toename van Amerikaanse rivierkreeften tot een afname van het aantal waterplanten. Wat betreft de KRW-doelen voor meststoffen: vooral het oppervlaktewater in de Oostelijke Vechtplassen en de Utrechtse Venen voldoet hier niet aan. De ecologie voldoet op grote schaal nog niet aan de gestelde doelen. We kunnen de waterkwaliteit en ecologie verbeteren, samen met waterschappen, gemeenten en boeren, door een breed pakket aan maatregelen te nemen. Voorbeelden zijn: groenblauwe verbindingen, ander slootontwerp en -beheer, robuustere peilvakken (watergebieden met eigen vastgestelde waterpeilen), vitalere bodems, waterbuffers en extensievere vormen van landbouw met minder of geen bemesting.

Sterke Lekdijk

Diverse waterschappen werken in het gebied aan het versterken van dijken en keringen. Een belangrijk project is ‘Sterke Lekdijk’ van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. Hierin ligt het accent op het verbeteren van dijken langs de noordoevers van de Lek in Utrecht. Aan de zuidoevers van de Lek voert waterschap Rivierenland een dijkversterking uit bij Vianen en is begonnen met het project SAFE (Streefkerk-Ameide-Fort Everdingen), dat voor het grootste deel in de provincie Utrecht ligt. Bij deze dijkversterkingen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met natuurontwikkeling, cultuurhistorisch erfgoed, recreatiemogelijkheden en landschappelijke kwaliteit.

Box Samenwerken aan water en ruimte in Deltaregio Centraal Holland

De box is hier te lezen: Box Samenwerken aan water en ruimte in Deltaregio Centraal Holland

Toekomstbestendige natuur en landbouw

In het Groene Hart liggen de Natura 2000-gebieden Oostelijke Vechtplassen, Botshol, Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (met in provincie Utrecht de Schraallanden de Meije), Uiterwaarden Lek, Zouweboezem en Lingegebied & Diefdijk-Zuid. In deze Natura 2000-gebieden komen veel bijzondere natuurtypen voor, zoals veenmosrietlanden, blauwgraslanden en stroomdalgraslanden. Maar: de natuur in deze gebieden staat onder druk, is zelfs mogelijk verslechterd. Om de situatie in deze gebieden te verbeteren, pakken we het hele systeem aan. Dat betekent dat we niet alleen maatregelen nemen in de gebieden zelf, maar ook in de omgeving ervan. Voorbeelden zijn verbetering van het hydrologische systeem, vermindering van ammoniakemissies, verbetering van de verbindingen naar omliggende natuur en in enkele gevallen uitbreiding van de oppervlakte aan natuur (zonder de begrenzing van Natura 2000 aan te passen). Daarnaast werken we in het veenweidegebied aan ecologische verbindingen voor het versterken van het Natuur Netwerk Nederland. Een voorbeeld hiervan is de ‘Natte As’ tussen de natuurgebieden in het noordwesten van de provincie Utrecht.

Weidevogelleefgebieden

Zowel in als buiten de Natura 2000-gebieden ligt er een opgave van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). In het veenweidegebied is de opgave voor weidevogelgraslanden en moerasbos (in de ‘Natte As’) het grootst. Vochtige en natte weilanden in het agrarisch gebied zijn essentieel voor het behoud van weidevogels als de grutto. Daarom realiseren we extra hectares weidevogelgrasland, die kunnen worden gebruikt als natuurgebied en als agrarische natuur. De al aanwezige weidevogelkerngebieden (gebieden die zijn aangewezen voor de bescherming van weidevogels) dragen hieraan bij. De aanleg van bos moet in het Groene Hart goed worden afgewogen, gezien de opgave voor weidevogelgraslanden en het willen behouden van het open karakter van het gebied. Uitzonderingen hierop zijn de opgave voor moerasbos in de ‘Natte As’ ten behoeve van verbinding tussen de natuurgebieden en het landelijk gebied. Dit speelt rondom de stad Utrecht, waar een stedelijk uitloopgebied (gebied aan de rand van een stad dat is bedoeld voor recreatie en uitloop) is ontwikkeld en wordt versterkt. Dit speelt onder meer bij het landgoed Haarzuilens, de Hollandse IJssel en het Noorderpark.

Groenblauwe verbindingen

We benutten kansen voor het aanleggen van groenblauwe verbindingen langs waterlopen zoals de Vecht, Hollandsche IJssel en Oude Rijn, langs sloten en bij de Lekdijk. Daarbij leggen we de nadruk op ‘blauw’: natuurvriendelijke oevers, levendige boerensloten, kruidenrijke (of vochtigere) graslanden en bloemrijke dijken langs rivieren.

Landbouw

Agrariërs in de melkveehouderij zorgen voor een deel van onze voedselvoorziening en zijn daarnaast beheerder van het open landschap van het Groene Hart. Wij stimuleren de beweging naar een meer extensief en natuurinclusief bedrijfsmodel. We versterken het verdienmodel van agrariërs op diverse manieren: we geven ze de ruimte om zelf te bepalen hoe zij doelen behalen, bijvoorbeeld voor extensivering en verduurzaming. Ook ondersteunen we hen met regelingen voor agrarisch natuurbeheer, de aanleg van groenblauwe verbindingen en landbouwstructuurversterking (bijvoorbeeld verkaveling).

Duurzame energie en circulaire samenleving

In de ‘Regionale Energiestrategie (RES) U16 1.0’ is afgesproken om in 2030 minimaal 1,8 TWh (terawattuur) aan duurzame energie op te wekken. Hierbij wordt ingezet op het benutten van daken voor zonnepanelen, het zoeken naar geschikte locaties voor windturbines en het ontwikkelen van duurzame warmtebronnen. Het Groene Hart is een belangrijk gebied voor de verdere verduurzaming van de energievoorziening in de provincie. Uit het uitgevoerde ‘planMER windenergie provincie Utrecht’, waarover het burgerforum heeft geadviseerd, is gebleken dat 16 van de 27 meest kansrijke gebieden voor windenergie in het Groene Hart liggen. We hebben op basis van het planMER twee gebieden aangewezen voor de plaatsing van windturbines: Stichtse Vecht (ten noorden van Loenen aan de Vecht) en Oudewater/ Montfoort (ten zuiden van de A12 langs het spoor ten noorden van Papekop). Belangrijk in deze keuze is dat hiermee windturbines worden geclusterd langs infrastructuur, rekening houdend met bestaande plannen van gemeenten. Daarnaast zijn meerdere gemeenten bezig met planvorming voor windturbines, waaronder de gemeenten Woerden en Montfoort (ten zuiden van de A12 bij Reijerscop en Cattenbroek), Lopik (bij bedrijventerrein De Copen) en Vijfheerenlanden.

Elektriciteitsnetwerk

Om in de (boven)provinciale energiebehoefte te kunnen blijven voorzien, wordt momenteel door TenneT gewerkt aan een uitbreiding van het 380 kV-hoogspanningsstation Kortrijk-Breukelen. Het station wordt uitgebreid met drie extra transformatoren en bijbehorende schakelvelden. Hierdoor wordt het station ongeveer drie keer zo groot als nu. Bovendien is het noodzakelijk om nieuwe stations te realiseren: een 380 kV-station in Utrecht West en drie 150 kV- stations bij Mijdrecht, Utrecht Noord en Utrecht West. Netbeheerders TenneT en Stedin zijn hiermee aan de slag. Hieraan gekoppeld moeten bestaande (ondergrondse) kabelverbindingen worden verzwaard en zijn extra verbindingen nodig tussen de stations. We vinden het van belang om deze ontwikkelingen vorm te geven met respect voor de ligging in en de openheid van het landschap. Voorwaarde is dat ook de opgaven voor water, bodem, natuur, landschap en cultureel erfgoed invulling krijgen.

Circulaire samenleving

Het bedrijventerrein De Biezen (Vianen) hebben we aangewezen als strategische locatie circulaire samenleving. Het is essentieel om dit terrein te beschermen, zodat de huidige milieuruimte ook in de toekomst benut kan worden en bedrijven gebruik kunnen maken van een kade. Ook landbouwgronden bieden kansen voor circulair ondernemen, bijvoorbeeld door op grotere schaal grondstoffen te verbouwen als hennep en vlas (bio-based bouwmateriaal).

Goede bereikbaarheid

Regiopoorten Breukelen, Woerden en Vianen zijn belangrijke regionale mobiliteitsknooppunten. Op deze plekken zijn plannen voor verdere verstedelijking. Het is dan belangrijk om de bereikbaarheid te verbeteren. Het gaat om het versterken van de belangrijkste ov-verbindingen en fietsvoorzieningen, en het uitbreiden van ‘mobiliteitshubs’ (plekken waar meerdere vormen van vervoer samenkomen). Er wordt gewerkt aan de aanleg van doorfietsroutes (Dom tot Dam en Woerden-Utrecht) die het Groene Hart verbindt met het stedelijk netwerk van de Randstad. De provinciale wegen N201 en N210 vormen de belangrijkste dragers van de bereikbaarheid in het Groene Hart. Ze verbinden kernen onderling en sluiten aan op het Rijkswegennet. Om de bereikbaarheid van woonkernen en bedrijventerreinen op peil te houden en de verkeersveiligheid te verbeteren, investeren we de komende jaren gericht in deze verbindingen.

Vitale steden en dorpen

Op basis van ‘Gezond Groeien in nabijheid’ (NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort) en ‘Groene Hart 2050’ (NOVEX-gebied Groene Hart) vindt verdere verstedelijking van het Utrechtse gedeelte van het Groene Hart vooral plaats in de Regiopoorten Vianen, Woerden en – op termijn – Breukelen. Dit zijn goed bereikbare ov-knooppunten waar een substantieel deel van de regionale behoefte aan woningen en werklocaties kan worden opgevangen. Bij de ontwikkeling van het gebied houden we ook rekening met anderen aspecten, zoals water, energie, bereikbaarheid, klimaatadaptatie, groen, recreatie en gezondheid.

Vitale kernen

Buiten deze Regiopoorten wordt ingezet op vitale kernen, waaronder Leerdam, Lopik, Meerkerk, Montfoort, Mijdrecht, Oudewater en IJsselstein. Ook bij kleinere kernen kan worden gebouwd ten behoeve van lokale vitaliteit, maar gemeenten kunnen ervoor kiezen om woningbouw en de aanleg van bedrijventerreinen te concentreren in de grotere kernen. Bij de keuze van nieuwe ontwikkellocaties voor wonen, werken en voorzieningen moet rekening worden gehouden met de draagkracht van het water- en bodemsysteem (‘water-en-bodem-sturend’). In gebieden die qua water en bodem zeer ongeschikt zijn voor verstedelijking, staan wij geen nieuwe ontwikkelingen toe, tenzij er geen alternatief is. We zijn daarom zeer terughoudend in het toestaan van nieuwbouw in veengebieden en diepe polders. De concrete programmering van woningbouw en bedrijventerreinen en het eventueel aanwijzen van uitbreidingslocaties vindt plaats via het Provinciaal Programma Wonen en Werken.



We werken samen met de gemeente Stichtse Vecht aan een integrale ontwerpaanpak voor het gebied tussen de A2, het Amersterdam-Rijnkanaal en de Vecht. Dit is nodig vanwege de complexiteit van de ontwikkelingen in het gebied (zoals piekwaterberging, energie-infrastructuur en verstedelijking van Regiopoort Breukelen en bedrijventerrein Breukelerwaard).

Gezonde omgeving en vrije tijd

De laatste jaren is het luchtverkeer boven De Ronde Venen, Breukelen en Woerden toegenomen. Dit heeft geleid tot meer meldingen van geluidsoverlast in dit gebied. De toename is deels te verklaren door de groei van het totaal aantal vluchten op Schiphol. Maar ook door verandering in de baanindeling van de luchthaven, zoals het frequentere gebruik van de Aalsmeerbaan. In het overleg van de Bestuurlijke Regie Schiphol zetten we ons in voor het bewerkstelligen van een goede balans tussen duurzame verbinding én een gezonde leefomgeving.

Het Rijk wil delen van het Groene Hart aanwijzen als nieuw militair laagvlieggebied voor helikopters. Dat staat in het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie. We zetten ons ervoor in dat ruimtelijke ontwikkelingen – zoals woningbouw en energie-opwek – mogelijk blijven. Ook willen we ervoor zorgen dat rekening wordt gehouden met kwetsbare locaties en periodes (zoals het broedseizoen van weidevogels).

Rijkswegen A2, A12 en A27 veroorzaken geluidshinder en luchtvervuiling in de omliggende woon-, werk- en leefomgeving. Bij het kiezen van locaties voor woningbouw houden we rekening met de afstand tot deze rijkswegen, zodat bewoners niet worden blootgesteld aan de hoogste geluidsbelasting en de meest schadelijke stoffen.

In het Groene Hart liggen verschillende stiltegebieden: rondom Tienhoven en Westbroek, ten noordoosten van Woerden, ten zuiden van Oudewater en Montfoort, in de buurt van Ameide en ten westen van Leerdam. We handhaven de rust die hier aanwezig is via toezicht en het handhaven van regels die in de Omgevingsverordening staan.

Recreatie

Voor de inwoners van het Groene Hart en de steden en dorpen eromheen is het belangrijk dat ze in de directe omgeving kunnen ontspannen door te wandelen, fietsen, varen en zwemmen. We hebben meerdere plekken aangewezen als dagrecreatieterrein: de Vinkeveense Plassen, de Maarsseveense plassen, het Noorderpark-Ruigenhoek, de Haarrijnseplas, het landgoed Haarzuilens, de recreatieplas Cattenbroek, de Strijkviertelplas, de Nedereindse Plas en de uiterwaarden langs de Lek (bij Vianen en Lopik). We onderhouden deze terreinen via recreatieschappen; het beheer doen we samen met gemeenten en terreinbeheerders. Het is een financiële uitdaging om de zwemwateren te behouden. Samen met gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties werken we aan de ontwikkeling van meer – en beter – recreatief groen. Met de voorbeeldgebieden van Groen Groeit Mee Noorderpark en Hollandsche IJsselgebied kunnen we hieraan een eerste bijdrage leveren.



Tijdens de zomermaanden kan het erg druk zijn met recreanten op de Vinkeveense Plassen, met name rondom de zandeilanden en bij de boothellingen. Door de groeiende bevolking en de steeds warmere zomers zal het aantal recreanten naar verwachting toenemen. Dit verhoogt de druk op de waterkwaliteit, het natuursysteem en de mobiliteitsinfrastructuur. We zetten in op een betere spreiding van bezoekers en het uitbreiden van de recreatiemogelijkheden.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

Het Groene Hart kent belangrijk cultuurhistorisch erfgoed, zoals UNESCO Werelderfgoederen Neder-Germaanse Limes en Hollandse Waterlinies. De linies vormen een unieke combinatie van recreatiemogelijkheden, historische forten en waterwerken. Samen met gemeenten, waterschappen en natuurbeheerders zetten we ons in voor de ontwikkeling van een groen, toegankelijk en leefbaar linielandschap. Ook willen we de bijzondere cultuurhistorische waarde van deze linies inzetten als aanjager van omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan zijn de inundatievelden, die in de oorlog opzettelijk onder water werden gezet. Deze velden kunnen gebruikt worden voor het verhogen van de grondwaterstand in het veenweidegebied.

Historische buitenplaatsen en landgoederen

Langs de Vecht liggen de landgoederen Linschoten en Haarzuilens en andere historische buitenplaatsen en landgoederen. We bieden ruimte voor het ontwikkelen van economische dragers die kunnen zorgen voor het behoud van de cultuurhistorische waarden (zoals ‘Bed and Breakfasts’, horeca en natuurbegraven). Uitgangspunt is daarbij is behoud van de specifieke kenmerken van de zone waarin de buitenplaats ligt en van de buitenplaats zelf.

Agrarisch Cultuurlandschap

In het Groene Hart is ook veel Agrarisch Cultuurlandschap. De ontginningsstructuur, de boerderijlinten en het waterbeheersingssysteem hebben cultuurhistorische waarde. Ze zijn een inspiratiebron en uitgangspunt bij ontwikkelingen in het gebied. Denk aan het tegengaan van bodemdaling, het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen in de veenweidegebieden, het beperken van wateroverlast en watertekort, en de energietransitie.

Paragraaf 5.3 Kromme Rijngebied en Schalkwijk

Gebiedsprofiel

Midden in de provincie Utrecht en ten zuidoosten van het stedelijke gebied van Utrecht liggen het Kromme Rijngebied en Schalkwijk. Deze gebieden vormen de overgang van het besloten bos- en heidegebied van de Utrechtse Heuvelrug, via het halfopen landschap van de flanken naar de (relatieve) openheid rond rivier de Lek.



Het Kromme Rijngebied heeft een afwisselend cultuurlandschap. De hoger gelegen zandige oeverwallen en stroomruggen zijn geschikte plekken voor fruitteelt, akker- en tuinbouw, dorpen en lintbebouwing. Op de lagergelegen rivierkommen met kleigronden zijn vooral melkveehouderijen te vinden. De Kromme Rijn is een meanderende rivierloop, omringd door uiterwaarden, oeverwallen en kommen. Het is een karakteristiek, waterrijk landschap. Schalkwijk is een strak geordend, open weidelandschap met een intensief patroon van parallelle sloten in de rivierkommen. Vooral langs de Kromme Rijn en Lek zijn natuurgebieden te vinden.



Een aanzienlijk deel van het Kromme Rijngebied en Schalkwijk valt onder het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Rondom Bunnik, Houten en Utrecht liggen in het landelijke gebied onder andere meerdere forten en waterwerken. De Kromme Rijn vormde de noordelijke grens van het Romeinse Rijk, UNESCO Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes, een geschiedenis die nog steeds zichtbaar is in het gebied. In het Kromme Rijngebied zijn ook vele kastelen, landgoederen en buitenplaatsen, zoals landgoederen Amelisweerd en Rhijnauwen en kasteel Duurstede. Vanwege de cultuurhistorie en het vele water is het gebied aantrekkelijk voor recreanten vanuit de omliggende steden en dorpen. Ze komen er wandelen, fietsen of varen.



De rijkswegen A12, A27 en diverse spoorlijnen kruisen elkaar in de gebieden. Het Amsterdam-Rijnkanaal loopt dwars door het gebied en is daardoor een belangrijke schakel voor de binnenvaart. Provinciale weg N229 is de belangrijkste regionale verbinding.



De economie van het Kromme Rijngebied en Schalkwijk kenmerkt zich door een combinatie van landbouw, diensten, maakindustrie en recreatie. Vanwege de vruchtbare rivierkleigronden is er in het gebied een diversiteit aan agrarische bedrijven aanwezig, te weten fruitteelt, melkveehouderij, akker- en tuinbouw en gecombineerde bedrijven.

Gebiedsprioriteiten

Vanwege de hoge bodemvruchtbaarheid is en blijft de landbouw een belangrijke gebruiksfunctie in het Kromme Rijngebied en Schalkwijk. Het zijn de beste landbouwgronden van de provincie Utrecht. Maar het gebied staat ook onder druk door grote ontwikkelingen op het gebied van energie, mobiliteit, werken en wonen in het stedelijke gebied van Utrecht. We willen groenblauwe verbindingen realiseren die passen bij de behoeften van het stedelijk en het landelijk gebied. Een netwerk waarin de rijke geschiedenis van de Hollandse Waterlinies voelbaar is. We bekijken of – en op welke plek – er ruimte is voor verdere verstedelijking in het noordelijke deel van het Kromme Rijngebied.



We pakken in het Kromme Rijngebied en Schalkwijk de volgende samenhangende opgaven met voorrang op:

  • Toekomstbestendig en zorgvuldig gebruikmaken van de vruchtbare en goede landbouwgronden.

  • Ontwikkelen van kwalitatief hoogwaardige groenblauwe en recreatieve verbindingen tussen stad en land, met de kwaliteiten van de twee UNESCO Werelderfgoederen als landschappelijke onderleggers.

  • Ruimte bieden voor integrale stedelijke ontwikkeling in stedelijke gebieden aan de noordkant van het Kromme Rijngebied.

Opgaven

Kansen

Spanningen

Toekomstbestendig en zorgvuldig gebruikmaken van de vruchtbare en goede landbouwgronden. 

Combineert met multifunctionele landbouw (als boerderijwinkels/ korte ketens, agrotoerisme en zorglandbouw).

Schuurt met zon op land, integrale stedelijke ontwikkeling en recreatief (mede)gebruik van het landschap.

Ontwikkelen van kwalitatief hoogwaardige groenblauwe en recreatieve verbindingen tussen stad en land, met de kwaliteiten van de twee UNESCO Werelderfgoederen als landschappelijke onderleggers. 

Combineert met waterberging, natuurontwikkeling, vergroten biodiversiteit, behouden en benutten van de UNESCO Werelderfgoederen en handhaven rust in stiltegebieden.

Schuurt met behoud van vruchtbare en goede landbouwgronden en ontwikkelingen die de uitzonderlijke universele waarde van de UNESCO Werelderfgoederen aantasten.

Ruimte bieden voor integrale stedelijke ontwikkeling in stedelijke gebieden aan de noordkant van het Kromme Rijngebied. 

Combineert met bijdrage aan de grote woon- en werkopgave en/ of energie-opwek op een daarvoor geschikte plek.

Schuurt met behoud van vruchtbare en goede landbouwgronden en de belastbaarheid van wegen.

Op dit moment werken we samen met gemeenten Bunnik, Houten en Wijk bij Duurstede aan een gebiedsonderzoek naar opgaven, ambities, kansen en conflicterende belangen in het Kromme Rijn Linielandschap. Doel is zicht te krijgen op een evenwichtige ontwikkeling van wonen, werken, energie, groenblauwe ontwikkelingen en landbouw; met respect voor kwaliteiten en benutting van kansen. Schalkwijk heeft de status ‘experimenteerruimte’. Binnen de kaders van het opgestelde ‘Koersdocument’ zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk met behoud van omgevingskwaliteit.

Box Kromme Rijn Linie Landschap

De box is hier te lezen: Box Kromme Rijn Linie Landschap

afbeelding binnen de regeling

Tegel 3a. Gebiedsprofiel Kromme Rijngebied en Schalkwijk. Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de gebiedskwaliteiten. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 3b. Gebiedsprioriteiten Kromme Rijngebied en Schalkwijk. Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities en opgaven van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Gebiedsspecifieke opgaven en keuzes
Klimaatbestendig en waterrobuust

Vanuit het Amsterdam-Rijnkanaal wordt water het Kromme Rijngebied ingelaten ten behoeve van de landbouw in dit gebied. In het vroege voorjaar heeft de fruitteeltsector veel water nodig, om vorstschade tegen te gaan. Later in het groeiseizoen is water nodig voor de beregening van landbouwgewassen. Door langere periodes van droogte en hitte is voldoende en schoon water niet vanzelfsprekend. Hevige piekbuien kunnen in de landbouw leiden tot wateroverlast en opbrengstverliezen. Omdat de bodem uit rivierklei bestaat, blijft overtollig regenwater op het maaiveld liggen totdat het via de grotere waterlopen is afgevoerd. Het gebied wordt weerbaarder tegen weersextremen door meer ruimte te creëren voor het tijdelijk bergen van water. Daarnaast werken we, samen met Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, aan het vergroten van de wateraanvoer in het gebied. Deze extra aanvoer kan een watertekort in de toekomst niet altijd voorkomen.

Drinkwater

Drinkwaterbedrijf Vitens zoekt naar nieuwe gebieden om binnen een aantal jaren grondwater te kunnen winnen op een verantwoorde en duurzame manier. Dat is nodig om aan de stijgende vraag naar drinkwater te kunnen voldoen. Die vraag stijgt door langere perioden van droogte en hitte en door een toename van de bevolking. Eén van die zoekgebieden is Schalkwijk. Momenteel wordt hier door Vitens en de provincie Utrecht, samen met andere stakeholders, onderzoek gedaan naar een voorkeurslocatie voor een nieuwe grondwaterwinning. Er wordt gekeken naar de effecten van het oppompen van grondwater voor natuur, landbouw, en bebouwing bekeken en naar de mogelijkheden om eventuele effecten te voorkomen of te beperken.

Waterkwaliteit

De kwaliteit van het grondwater in het Kromme Rijngebied en Schalkwijk voldoet niet aan de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW), specifiek voor diverse gewasbeschermingsmiddelen en metalen. Ook worden in het grondwater veel PFAS-stoffen gemeten. Met het Uitvoeringsprogramma ‘Impuls KRW’ streven we ernaar om de KRW-doelen zoveel mogelijk te halen. Ook na 2027 werken we samen met waterschappen en andere partijen aan het verbeteren van de waterkwaliteit.

Sterke Lekdijk

Met het project Sterke Lekdijk garanderen we – samen met Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden – de waterveiligheid en geven we een kwaliteitsimpuls aan natuur, actieve mobiliteit (wandelen en fietsen), beleving van cultuurhistorisch erfgoed en recreatie.

Toekomstbestendige natuur en landbouw

Er zijn kansen om de samenhang tussen de natuurgebieden in het Kromme Rijngebied en Schalkwijk te versterken, door het toevoegen en verbeteren van groenblauwe dooradering (natuurvriendelijke oevers, levendige boerensloten, kruidenrijke graslanden en bloemrijke dijken). Dat geldt ook voor de ecologische verbinding van de Nederrijn en Lek via de Kromme Rijn naar de Vechtplassen.

In het buitendijks gelegen gebied en in het gebied tussen Utrecht, Bunnik en Houten kan de biodiversiteit versterkt worden door nieuwe natuur toe te voegen aan het Natuurnetwerk Nederland. Er liggen hier diverse ‘Groene Contourgebieden’.

Landbouw

In het Kromme Rijngebied en binnen Schalkwijk zijn veel agrarische bedrijven. We stimuleren de beweging naar meer circulaire en natuurinclusieve bedrijven. Onder andere het terugbrengen van de emissies (met name de uitstoot van stikstof en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen) is een opgave. Groenblauwe verbindingen bieden ook kansen voor het herstel van de biodiversiteit en agrarisch natuurbeheer. Een deel van het gebied heeft potentie voor weidevogels.

De nabijheid van steden en dorpen vormt de basis voor lokale afzet van streekproducten, boerderijwinkels, huizenverkoop en ‘gemeenschapslandbouw’ (samenwerking tussen burgers en agrariërs). Ook hebben veel agrarische bedrijven nevenactiviteiten, zoals agrotoerisme (boerderijcamping, vakantiehuisjes), zorg (zorgboerderij) of diensten (stalling en opslag). Dit zal in de toekomst waarschijnlijk toenemen. Dergelijke verdienmodellen kunnen helpen bij de beweging naar duurzamere en extensievere landbouw.

Duurzame energie en circulaire samenleving

In de Regionale Energiestrategie (RES) U16 1.0 is afgesproken om in 2030 minimaal 1,8 TWh (terawattuur) aan duurzame energie op te wekken. Hierbij wordt ingezet op het ontwikkelen van geschikte locaties voor windturbines, het benutten van daken voor zonnepanelen, de aanleg van zonnevelden en het aanleggen van duurzame warmtebronnen. Dit heeft al geresulteerd in de plaatsing van diverse windturbines en de aanleg van zonnevelden. In de RES staan enkele kansrijke gebieden voor het opwekken van windenergie. In Wijk bij Duurstede werken gemeente en provincie samen aan een plan voor windenergie in het verlengde van de bestaande windturbines bij Houten en ‘t Goy. Ook staat in de RES een groot zoekgebied voor het opwekken van zonne-energie. De RES-opgave en ook de energieopgave na 2030 kan niet gerealiseerd worden zonder de aanleg van zonnevelden. Het vinden van geschikte locaties staat wel op gespannen voet met het behoud van vruchtbare en goede landbouwgrond.

Elektriciteitsnetwerk

De aanleg van nieuwe hoogspanningsstations heeft gevolgen voor het Kromme Rijngebied. Er komt een nieuw 150 kV-station Bunnik-Kromme Rijn en een ondergrondse verbinding met het nieuwe 150 kV-station Bilthoven op de Utrechtse Heuvelrug. Deze nieuwe noord-zuidverbinding aan de oostzijde van de stad Utrecht voorkomt overbelasting van de verbindingen tussen Breukelen-Kortrijk en Nieuwegein en zorgt voor meer mogelijkheden om verbindingen door het stedelijk gebied te vermijden (zie ook paragraaf 5.1).

Bedrijventerrein Langshaven (Wijk bij Duurstede) biedt mogelijkheden voor het clusteren van circulaire bedrijven. We hebben dit bedrijventerreinen aangewezen als ‘strategische locatie circulaire samenleving’.

Goede bereikbaarheid

Duurzame bereikbaarheid is een opgave bij het ontsluiten van de woon- en werkgebieden in het Kromme Rijngebied en Schalkwijk. Voor bestaande en nieuwe woongebieden is bereikbaarheid met de fiets en het ov belangrijk om een aantrekkelijk alternatief te creëren voor de auto in de gebieden die niet in de buurt van treinstations of bushaltes liggen. De N421 en N229 zijn cruciale ontsluitingswegen tussen het gebied en het Rijkswegennet. Om de groei van wonen en werken in dit gebied verantwoord te kunnen opvangen, is uitbreiding en verbetering van deze verbindingen en hun aansluitingen op het hoofdwegennet noodzakelijk.

Doorfietsroutes

Om vlot, veilig en comfortabel tussen steden en dorpen te fietsen, werken we samen met gemeenten aan de realisatie van doorfietsroutes tussen Houten en bedrijventerrein Lage Weide, en tussen Houten Castellum en Utrecht Science Park. Andere potentiële doorfietsroutes zijn Utrecht Lunetten-Houten, Houten-Vianen, Houten-Culemborg en Houten-Wijk bij Duurstede.

Ring Utrecht

We zijn met het Rijk in gesprek over het vervolg van het tracébesluit voor de A27/ A12 Ring Utrecht. Dit tracébesluit omvat een reeks aanpassingen om de doorstroming, verkeersveiligheid op en leefbaarheid rondom de rijkswegen te verbeteren. Belangrijke kenmerken zijn de capaciteitsuitbreiding van de A27 en A12, de ontvlechting van wegen bij knooppunten, en maatregelen voor geluidsbeperking en natuurcompensatie.

Vitale steden en dorpen

De Regiopoorten Houten en Bunnik zijn goed bereikbare ov-knooppunten. In het Ontwikkelperspectief voor het NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort ‘Gezond Groeien in Nabijheid’ is afgesproken dat deze regiopoorten een substantieel deel van de regionale woon- en werkbehoefte kunnen opvangen, zonder dat daarmee het provinciale wegennet ernstig wordt belast. We streven naar een integrale ontwikkeling. Dat wil zeggen: naast wonen en werken is ook aandacht voor water, energie, bereikbaarheid, klimaatadaptatie, groen, recreatie en gezondheid.

Vitale kernen

Buiten deze Regiopoorten wordt ingezet op vitale kernen, waaronder Odijk en Wijk bij Duurstede. Hoewel de ontwikkelpotentie hier kleiner is, zal ook in deze kernen worden bijgebouwd, zodat ze vitaal blijven. We zetten daarbij in op kleinschalige ontwikkeling en het verbeteren van de aantrekkingskracht van de kernen. De concrete programmering van woningbouw en bedrijventerreinen en het eventueel aanwijzen van uitbreidingslocaties vindt plaats via het Provinciale Programma Wonen en Werken.  

Gezonde omgeving en vrije tijd

Het Kromme Rijngebied is een aantrekkelijk recreatiegebied voor inwoners van Utrecht, Bunnik, Houten, Wijk bij Duurstede en andere kernen. Sommige plekken, zoals landgoederen Amelisweerd en Rhijnauwen, worden druk bezocht. Omdat het aantal inwoners de komende tijd zal toenemen, verbreden we het recreatieaanbod in het gebied. We maken het landschap toegankelijker en aantrekkelijker door de aanleg en het verbeteren van recreatieve wandel- en fietspaden en het aanleggen van (voedsel)bossen. Zo kan dit gebied bijdragen aan een evenwichtige spreiding van recreatie over de provincie.

Groen

In het Groen Groeit Mee-voorbeeldgebied Kromme Rijn Linielandschap werken we samen met regio U10, gemeenten Utrecht, Bunnik, Houten, Nieuwegein en Zeist en Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. We richten ons op het verenigen van de groei van wonen, werken en voorzieningen, met de behoefte aan meer en beter groen en water. Het gebied zal fungeren als recreatiegebied voor de inwoners van het gebied zelf en voor inwoners van omliggende steden en dorpen. Doel is om bestaande groene en blauwe gebieden – zoals landgoed Amelisweerd en Rhijnauwen, Fort Vechten, Castellum Fectio en Bos Nieuw Wulven – te verbinden en hun ecologische, cultuurhistorische en recreatieve waarde te versterken.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

Een aanzienlijk deel van het Kromme Rijngebied en Schalkwijk is onderdeel van UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Het is vanuit cultuurhistorisch oogpunt van groot belang. Ook de Neder-Germaanse Limes ligt als UNESCO Werelderfgoed deels in het Kromme Rijngebied. De Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes kunnen in het algemeen goed worden gecombineerd met de groenblauwe opgaven.

Samen met gemeenten, waterschappen, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten stimuleren we de ontwikkeling van een groen, cultuurhistorisch en recreatief linie- en limeslandschap. Ook willen we de bijzondere cultuurhistorische waarde van deze Werelderfgoederen inzetten als aanjager van omgevingskwaliteit.

Paragraaf 5.4 Utrechtse Heuvelrug

Gebiedsprofiel

De Utrechtse Heuvelrug ligt aan de oostkant van de provincie Utrecht, omringd door de stedelijke gebieden van Utrecht, Amersfoort en Veenendaal. Het gebied kent een afwisselend landschap van heuvels, dalen en vlaktes. Ze zijn voornamelijk bedekt met bossen, naast heiden, vennen en stuifzanden.  



Na de Veluwe is de Utrechtse Heuvelrug het grootste bos- en heidegebied van Nederland. Een flink deel hiervan valt binnen het Natuurnetwerk Nederland en maakt onderdeel uit van Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. In het gebied is veel ‘natuurwaarde’ aanwezig. Dit is de waarde die aan een bepaald gebied wordt toegekend, vanuit het perspectief van natuurbescherming en landschap. Voorbeelden zijn de voormalige vliegbasis Soesterberg en de oude bosgroeiplaatsen. Diep in de ondergrond van de Utrechtse Heuvelrug zit een grote bel met zuiver zoetwater, die de natuur en landbouw in de wijde omgeving voorziet van water en ook wordt benut voor drinkwater. In het Langbroekerweteringgebied liggen de Natura 2000-gebieden Kolland & Overlangbroek en Rijntakken.  



Er is in de Utrechtse Heuvelrug een grote diversiteit aan cultuurhistorische waarden uit verschillende perioden. Deze stapeling van tijdlagen maakt dit gebied bijzonder. Denk aan concentraties van prehistorische grafheuvels en ‘Celtic fields’, middeleeuwse wegenpatronen, elementen en gebouwen van de voormalige tabaksteelt, en historische structuren en objecten uit de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Karakteristiek is de aaneenschakeling van historische buitenplaatsen, landgoederen en villa’s op de (flanken van de) Utrechtse Heuvelrug (waaronder Stichtse Lustwarande en Maarsbergse Flank) en de aanwezigheid van kastelen in het Langbroekerweteringgebied. 

  

Hierdoor is het gebied zeer aantrekkelijk om te ontspannen. Er zijn veel wandel- en fietsroutes aanwezig. Inwoners, recreanten en toeristen kunnen er genieten van aantrekkelijke bovenlokale voorzieningen voor dagrecreatie zoals Lage Vuursche, Paleis Soestdijk, Park Vliegbasis Soesterberg en het Henschotermeer. Eveneens is er veel verblijfsrecreatie.  

  

De economie van het gebied wordt gekenmerkt door een mix van sectoren, met een sterke nadruk op gezondheidszorg, detailhandel, recreatie en toerisme. Op de Utrechtse Heuvelrug zijn meerdere grote militaire terreinen, met toenemende economische potentie door Defensie-investeringen. Agrarische bedrijven liggen vooral op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug en in het Langbroekerweteringgebied.  

Gebiedsprioriteiten

Op de Utrechtse Heuvelrug en flanken komen meerdere grote, complexe en urgente opgaven bij elkaar. Bij het water- en bodemsysteem gaat het om het tegengaan van verdroging, het beperken van wateroverlast en het verbeteren van waterkwaliteit. Dit is de basis voor veerkrachtige en gevarieerde bossen op de Utrechtse Heuvelrug en voor het behoud van beken en natte natuurgrondenop de flanken. Er is meer en beter groen nodig – voor het deel tussen Utrecht en Amersfoort, evenals een aansluiting met het Noord-Hollandse deel van de Heuvelrug – als tegenhanger van toenemende dynamiek door verdere verstedelijking en defensieontwikkelingen. Door de groei van het aantal bezoekers is de druk op de Utrechtse Heuvelrug toegenomen. Deze druk wordt minder door recreatie te spreiden over meerdere gebieden.



We pakken in de Utrechtse Heuvelrug de volgende samenhangende opgaven met voorrang op:

  • Realiseren van een robuust, schoon en klimaatbestendig bodem- en watersysteem, voorbereid op toenemende weersextremen door klimaatverandering.   

  • Van noord tot zuid opwaarderen van de Utrechtse Heuvelrug en flanken tot een natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische eenheid. 

  • In balans brengen van de natuurwaarden en de recreatiebehoeften in samenhang met het integraal ontwikkelen van de militaire terreinen tussen Amersfoort en Zeist.

Opgaven

Kansen

Spanningen

Realiseren van een robuust, schoon en klimaatbestendig bodem- en watersysteem, voorbereid op toenemende weersextremen door klimaatverandering.   

Combineert met het vergroten van de zoetwatervoorraad voor drinkwater, natuur en landbouw, natuurontwikkeling en het stimuleren van rendabele natuurinclusieve kringlooplandbouw.

Schuurt met mogelijke wateroverlast op de flanken als gevolg van het vasthouden van water en infiltratie.

Van noord tot zuid opwaarderen van de Utrechtse Heuvelrug en flanken tot een natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische eenheid.

Combineert met versterking ecologische verbindingen, opheffing barrièrewerking infrastructuur en vergroting recreatiemogelijkheden.

Schuurt met verstedelijkingsdruk en daarmee samenhangende opgaven (mobiliteit, energie) vanuit Utrecht en Amersfoort, met het duurzaam instandhouden van historische landgoederen en buitenplaatsen en met regels voor natuurbescherming (in Natuur Netwerk Nederland). 

In balans brengen van de natuurwaarden en de recreatiebehoeften in samenhang met het integraal ontwikkelen van de militaire terreinen tussen Amersfoort en Zeist.

Combineert met vrijwaring/ afscherming van kwetsbare natuur en ruimte voor recreatieactiviteiten en militair gebruik in/ nabij minder gevoelige natuur, en clustering van Defensie gerelateerde bedrijvigheid.

Schuurt met enkelvoudig ruimtegebruik van militaire terreinen in verband met veiligheid.

Box De Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug: op zoek naar de balans voor een meer robuust watersysteem

De box is hier te lezen: Box De Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug: op zoek naar de balans voor een meer robuust watersysteem

afbeelding binnen de regeling

Tegel 4a. Gebiedsprofiel Utrechtse Heuvelrug (noord). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de gebiedskwaliteiten. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 4b. Gebiedsprioriteiten Utrechtse Heuvelrug (noord). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities en opgaven van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 4c. Gebiedsprofiel Utrechtse Heuvelrug (zuid). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de gebiedskwaliteiten. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 4d. Gebiedsprioriteiten Utrechtse Heuvelrug (zuid). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities en opgaven van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Gebiedsspecifieke opgaven en keuzes
Klimaatbestendig en waterrobuust

Weersextremen als droogte en hevige regenval zorgen voor problemen in landelijk en bebouwd gebied. In de hoger gelegen gebieden van de Utrechtse Heuvelrug droogt de grond uit, terwijl in de kernen op de flanken het regenwater bij heftige buien of langdurige neerslag voor overlast kan zorgen. Om de impact van droogte en wateroverlast te verminderen, werken we in de ‘Blauwe Agenda’ samen met gemeenten, waterpartners, terreinbeheerders en natuurorganisaties aan een robuuster en klimaatbestendiger watersysteem voor het gebied. Door water beter vast te houden en te infiltreren, vergroten we de zoetwatervoorraad voor drinkwater, natuur en landbouw. Daarbij is het beperken van wateroverlast op de flanken een aandachtspunt. 

Watersysteem Langbroekerwetering

Het gebied van de Langbroekerwetering kent een kleinschalige afwisseling tussen (natte) natuurgebieden en landbouwpercelen. Omdat elk landgebruik andere specifieke hydrologische condities vraagt, is het peilbeheer hier suboptimaal. Dat maakt het gebied extra kwetsbaar voor droogte en wateroverlast. Via de samenwerking aan de Blauwe Agenda zorgen we ervoor dat het watersysteem voorop staat bij het maken van keuzes in het landgebruik (‘water-en-bodem-sturend’). Daardoor kunnen we de natuur- en landbouwfuncties beter ondersteunen én minder kwetsbaar maken. Voorbeelden hiervan zijn grotere peilgebieden, het herstel van kwelstromen en landgebruik dat is aangepast op de nattere situatie – zoals het afwisselen van weilanden met natte teelten en productiebossen.

Waterkwaliteit

Door de zandige, arme bodem is het watersysteem van de Utrechtse Heuvelrug kwetsbaar voor verontreiniging. Naast verzuring vormen ook verontreinigingen vanaf het maaiveld een probleem. Als het grondwater verontreinigd is, heeft dat nadelige gevolgen voor drinkwaterwinning en natuur. De inlaat van gebiedsvreemd water in tijden van droogte uit de Nederrijn en Lek beïnvloedt de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in het Langbroekerwetering. Vanuit de Kaderrichtlijn Water (KRW) ligt er met name een opgave voor het verminderen van emissies uit rioolwaterzuiveringsinstallaties en het zorgen voor een gezonde waterplantenvegetatie. Samen met de waterschappen nemen we maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit.

Sterke Lekdijk

Met het project Sterke Lekdijk garanderen we – samen met Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden – de waterveiligheid en geven we een kwaliteitsimpuls aan natuur, actieve mobiliteit, beleving van cultuurhistorisch erfgoed en recreatie.

Toekomstbestendige natuur en landbouw

Op de Utrechtse Heuvelrug en flanken is de opgave tweeledig: de natuur robuuster en weerbaarder maken én een samenhangende landschappelijke eenheid creëren. De biodiversiteit staat hier onder druk door onder meer vermesting, verzuring, verdroging en versnippering. We zetten in op het nemen van maatregelen in overgangsgebieden rondom Natura 2000-gebied de Rijntakken en het tot stand brengen van robuuste ecologische verbindingen. We zoeken de aansluiting met natuur in de omliggende provincies zoals de Veluwe, het Rivierengebied en het Gooi. Daarbij werken we aan het verbeteren, verbinden en aanleggen van natuur.

Natuurbranden

Op de Utrechtse Heuvelrug is er sprake van een verhoogd risico op natuurbranden. Door langere periodes van hitte en droogte neemt het risico op natuurbranden toe, evenals de onbeheersbaarheid ervan. Met grote gevolgen voor de natuur en de veiligheid van de verschillende gebruiksfuncties in het gebied. Wij werken samen met de Veiligheidsregio Utrecht, terrein- en infrabeheerders en gemeenten aan preventieve maatregelen, zoals ‘compartimentering’ van het gebied, het vervangen van naaldbomen door loofbomen en het creëren van overgangen tussen bos en gras.

Groenblauwe verbindingen

Voor het deel van de Utrechtse Heuvelrug tussen Utrecht en Amersfoort kunnen groenblauwe verbindingen bijdragen aan de robuustheid en weerbaarheid van de natuur. In dit gebied ontstaat naar verwachting een toenemende dynamiek door de groei van wonen, werken en voorzieningen en de ontwikkelingen op de aanwezige militaire terreinen. Het gebied is een kwetsbare schakel voor de natuur door ‘infrastructurele barrières’ – het wordt onderbroken door wegen en spoorlijnen. Er zijn twee cruciale ecologische verbindingen: ten westen van de kern Soesterberg en ten oosten van de legerplaats Soesterberg. Ze lopen deels over militair terrein. Voor het ecologische systeem van de Utrechtse Heuvelrug zijn de natuurwaarden op de militaire oefenterreinen Leusderheide en Vlasakkers van groot belang. Wij zijn met het ministerie van Defensie in gesprek over het combineren van militair gebruik en natuur(verbindingen).



In het Langbroekerweteringgebied zetten we in op het versterken van de groenblauwe verbindingen en het op orde brengen van de hydrologie voor natuur. Specifiek voor het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek werken we aan natuurherstel in overgangsgebieden. Om de neerslag van stikstof te verminderen, is meer extensief en natuurinclusief landgebruik nodig op de flanken en in het Langbroekerweteringgebied.

Landbouw

Het is van belang een goede balans te vinden tussen (grondgebonden) landbouw, biodiversiteit en het bodem- en watersysteem. Rond de Utrechtse Heuvelrug moet het bodem- en het watersysteem hersteld worden. Agrariërs kunnen een rol spelen in de jaarlijkse schommeling van vasthouden en afvoeren van grond- en kwelwater en duurzaam bodembeheer. Ook zijn er mogelijkheden voor (agrarisch) natuurbeheer en recreatieve activiteiten in de landbouw. Dit stimuleren we.

Duurzame energie en circulaire samenleving

In zowel de Regionale Energiestrategie (RES) U16 1.0 als de RES Amersfoort 1.0 zijn voor de Utrechtse Heuvelrug ambities opgenomen voor duurzame energie-opwek. Het ministerie van Defensie heeft geïnventariseerd wat de verwachte impact is van windturbines op het gebruik van de militaire terreinen Leusderheide en Vlasakkers. Op basis hiervan ziet het ministerie nu geen ruimte voor het plaatsen van windturbines op haar terreinen. Vanwege het grote belang voor het halen van de RES-doelen zoeken we samen met betrokken gemeenten en het ministerie van Klimaat en Groene Groei naar aanvullende mogelijkheden op rijksgronden voor energie-opwek uit wind, waaronder in Eemland en de Gelderse Vallei.

Elektriciteitsnetwerk

Om in de regionale capaciteitsbehoefte aan elektriciteit te kunnen voldoen, wordt het bestaande hoogspanningsstation Zeist opgewaardeerd van 50 naar 150 kV en worden bij Woudenberg en Bilthoven nieuwe 150 kV-hoogspanningsstations gerealiseerd.

Goede bereikbaarheid

Onlangs is de doorfietsroute Utrecht-Amersfoort opgeleverd, die grotendeels langs het spoor loopt via Bilthoven, Den Dolder en Soestduinen. Het is een comfortabele, veilige en snelle fietsverbinding langs natuur en kunstwerken, geïnspireerd op kunststroming ‘De Stijl’. Potentiële doorfietsroutes die we in de toekomst willen aanleggen – en die door de Utrechtse Heuvelrug heengaan – zijn doorfietsroutes tussen Utrecht en Amersfoort langs de A28, Amersfoort en Veenendaal, en Amersfoort en Wijk bij Duurstede.

De provinciale wegen N224, N225, N226, N227, N234, N237, N238 en N413 vormen de hoofdstructuur voor de bereikbaarheid op en naar de Utrechtse Heuvelrug, zowel voor de auto als voor het openbaar vervoer. Door traversen door woonkernen en passages door natuurgebieden vraagt dit gebied om een zorgvuldige balans tussen bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid. Gericht investeren blijft nodig om deze wegen goed aan te laten sluiten op de omgeving en de bereikbaarheidsdoelen.

Hoogwaardig openbaar vervoer

In de Mobiliteitsstrategie 2040 van het programma U Ned is een perspectief geschetst voor een significante uitbreiding en verbetering van het ov-systeem in het NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort. Bij dit perspectief hoort een hoogwaardige ov-verbinding van Utrecht Science Park (USP) naar Metropoolpoort Amersfoort Centraal - Amersfoort Schothorst. We onderzoeken en besluiten samen met Rijk en gemeenten over deze oplossingsrichting in het kader het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport.

Vitale steden en dorpen

In het Ontwikkelperspectief NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort ‘Gezond groeien in nabijheid’ is afgesproken dat de Regiopoorten Bilthoven, Driebergen-Zeist en Zeist-Noord een bijdrage kunnen leveren aan de regionale vraag naar wonen en werken. Dit zijn goed bereikbare ov-knooppunten waar een deel van de regionale woon- en werkbehoefte kan worden opgevangen, zonder dat daarmee het provinciale wegennet zwaar wordt belast. Daarbij blijft het wel van belang te zoeken naar een goede balans met andere opgaven in de provincie.

Defensie

Door de veranderende veiligheidssituatie in de wereld staat het ministerie van Defensie voor een forse groeiopgave. Voor de oostflank van de Utrechtse Heuvelrug betekent dit een intensivering van de activiteiten op de bestaande militaire terreinen. Het gaat om een toename van arbeidsplaatsen door de concentratie van eenheden en faciliteiten voor onderwijs en training; het vervangen en toevoegen van gebouwen en voorzieningen; en meer oefeningen. Het uitgangspunt is om deze groei op te vangen op of direct naast de bestaande militaire terreinen. Deze activiteiten kunnen spanningen en kansen met zich meebrengen.

Samen met het ministerie van Defensie, de gemeenten Amersfoort, Leusden, Soest en Zeist, het waterschap Vallei en Veluwe en het Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden zijn we een integrale gebiedssamenwerking gestart: ‘A(mersfoort) tot Z(eist)’. Na het gezamenlijke gebiedsakkoord (juni 2024) is het ‘Gebiedsperspectief Amersfoort tot Zeist’ (december 2025) tot stand gekomen. Het gebiedsperspectief beveelt aan om keuzes te maken langs de lijnen van drie prioritaire thema’s: bodem en (grond)water, natuur en Defensie. 



Het is mogelijk om de groeiopgave van Defensie vooral op de bestaande terreinen op te vangen. Daarvoor is het wel nodig dat de bouwregels op delen van de terreinen worden verruimd en kazernes op de Legerplaats Soesterberg worden samengevoegd. De ecologisch meest waardevolle delen van de kazernes kunnen hierdoor worden ontzien. Bij Camp New Amsterdam ligt een specifieke uitdaging, maar ook een kans om zowel de militaire functionaliteit als de ecologische verbinding te versterken. 

De laatste decennia ontstond veel ruimte voor nieuwe functies op de Utrechtse Heuvelrug op afgestoten militaire terreinen, zoals Vliegbasis Soesterberg. Het (volledig) afstoten van kazernes is op korte termijn niet meer aan de orde. Dit vraagt om maatwerk bij het zoeken naar ruimte. Bijvoorbeeld voor het uitplaatsen van bedrijvigheid ten behoeve van woningbouw in Soesterberg Noord. De groei bij Defensie kan ook een kans vormen voor de vitaliteit van dorpen rond de terreinen. 



Het kabinet heeft op 23 mei 2025 in het ontwerp Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD) voorkeurslocaties vastgesteld voor helikopterlandingsplaatsen (Leusderheide en Vlasakkers), graafmogelijkheden op oefenterreinen en uitbreiding van het ’raccordement’ (verbindingsspoorlijn) Vlasakkers. Ook de ontwikkeling van een Defensie-kazerne van 500 hectare met 7.0008.000 militairen en ongeveer 1.300 opleidingsplaatsen in Zeewolde heeft relaties met de defensieontwikkelingen op de Utrechtse Heuvelrug. De beide ontwikkelingen zullen interactie met elkaar gaan krijgen. Dit zorgt voor mobiliteitstoename op weg en spoor en gevolgen voor wonen en economie over gemeente- en provinciegrenzen heen.

Gezonde omgeving en vrije tijd

De Utrechtse Heuvelrug is een populaire bestemming voor openluchtrecreatie, mede door de toegankelijke natuur en de aanwezigheid van landgoederen en buitenplaatsen. Naar verwachting zal het aantal bezoekers toenemen. Dit kan leiden tot grote drukte op de paden, meer parkeeroverlast en natuurschade. Vooral in gebieden rondom populaire bestemmingen en op geliefde wandelroutes is de druk nu al merkbaar. We kijken naar de mogelijkheden om het recreatieaanbod te verbreden en te spreiden over het gebied, met het oog op het herstel van natuurwaarden en -gebieden.

Vakantieparken

Op en rond de Utrechtse Heuvelrug en flanken zijn veel vakantieparken, veelal gelegen in Natuur Netwerk Nederland. Onze inzet is om deze parken vitaal te houden via een integrale en gebiedsgerichte aanpak, samen met gemeenten en andere partners. Daarbij houden we rekening met natuur, economie, wonen, veiligheid en sociale aspecten.

Groen

We zetten ons in voor meer en beter groen rondom steden en dorpen. Dat doen we samen met gemeenten, waterschappen en maatschappelijke organisaties, via de Groen Groeit Mee-voorbeeldgebieden Noorderpark, Kromme Rijn Linielandschap, Zuidelijke Eemvallei en de Roode Haan. Uitloopgebieden (gebieden die zijn bedoeld voor recreatie en uitloop) in de buurt van steden en dorpen helpen om recreatie te spreiden over de provincie en om een balans te bereiken tussen natuur en recreatie.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

We zetten in op het beschermen, benutten en ‘beleefbaar’ maken van de vele waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur op de Utrechtse Heuvelrug en flanken. Voorbeelden zijn het Militair Erfgoed Vliegbasis Soesterberg, de historische infrastructuur ‘De Wegh der Weegen’ (N237) en ‘Via Regina’ (deels N225), en de archeologisch waardevolle gebieden.

Historische buitenplaatsen en landgoederen

De Utrechtse Heuvelrug staat ook bekend om de historische buitenplaatsen en landgoederen, die zich kenmerken door een combinatie van landhuis, bijgebouwen, park, tuin en vaak landbouw en natuur. Voor de duurzame instandhouding ervan is – vanwege de hoge exploitatiekosten – een integrale aanpak nodig. Hierbij bieden we, waar mogelijk, ruimte voor verbreding en ontwikkeling. Daar waar de historische buitenplaatsen en landgoederen in Natuur Netwerk Nederland zijn gelegen, doet zich een spanning voor met de regels voor natuurbescherming.

Paragraaf 5.5 Eemland

Gebiedsprofiel

Eemland is een laaggelegen, deels buitendijks gebied met voornamelijk kleidek-op-veen in het noordoosten van de provincie Utrecht. Het gebied ligt ingesloten tussen de hoger gelegen zandgronden van de Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe en het Eemmeer.



Typerend voor het landschap zijn rust, vergezichten en extreem open veenweiden. Eemland biedt een geschikte leefomgeving voor weidevogels door zachte, vochtige weilanden, droge broedplekken en voldoende stilte. Deze karakteristieken maken het gebied tot één van de beste weidevogelgebieden van Nederland, met relatief hoge dichtheden grutto's. Ook zijn er vele kieviten, tureluurs en scholeksters te vinden.



Het landschap is in smalle, langgerekte percelen of ‘slagen’ opgedeeld, die door sloten van elkaar worden gescheiden. Hierdoorheen slingert de Eem als belangrijke landschappelijke drager. Deze rivier is met haar oevers, uiterwaarden en dijken onderdeel van het Natuur Netwerk Nederland en functioneert als verbindingszone. Het Eemmeer maakt onderdeel uit van het Natura 2000-gebied Eemmeer & Gooimeer. Meerdere diepe plassen of ‘wielen’ getuigen van vroegere dijkdoorbraken, onder andere bij de voormalige Zuiderzee. De aanwezigheid van de Eem en de lage ligging maakten het gebied in de achttiende eeuw geschikt om te worden opgenomen in de Grebbelinie. Verschillende bunkers, liniewallen, forten, schansen en inundatiedijken herinneren nog aan de oude defensiefunctie van deze waterlinie. De weidsheid en leegheid van Eemland vormen een sterk contrast met de bebouwde gebieden, dichte en halfopen landschappen eromheen.



Rijkswegen A1, A27 en A28 en enkele provinciale wegen zorgen voor een goede ontsluiting van het gebied met de auto. De stedelijke voorzieningen van Amersfoort en Nijkerk zijn niet ver weg. In Eemland ligt de eerste doorfietsroute die binnen de provincie Utrecht is opgeleverd: die tussen Bunschoten en Amersfoort. In de woon- en leefomgeving van de kernen Eemnes, Bunschoten-Spakenburg, Baarn en Soest worden de eigenschappen van stad en platteland gecombineerd. Eemland is een geliefde bestemming voor een fiets-, wandel- of vaartocht, voor zowel de inwoners van het gebied zelf als voor de inwoners van omliggende steden en dorpen.



De economie van het gebied wordt gekenmerkt door een mix van grondgebonden melkveehouderij, dienstverlening en bouwnijverheid. Veel agrarische ondernemers beheren hun gronden op zo’n manier dat weidevogels hier goed kunnen broeden en wintergasten (ganzen en zwanen) rust kunnen vinden.

Gebiedsprioriteiten

Oxidatie van de kleidek-op-veenbodems leidt tot uitstoot van broeikasgassen. Hogere waterstanden kunnen deze uitstoot remmen en dragen bij aan grotere en betere leefgebieden voor weidevogels. Hier ligt een opgave omdat het aantal weidevogels is afgenomen door intensief gebruik en de afname van leefgebieden elders. Ook agrarisch natuurbeheer bevordert het behoud van weidevogels. Rivier de Eem en het militair erfgoed van de Grebbelinie gaan hand in hand met ruimte voor waterberging, het ontwikkelen van natuur en het vergroten van de recreatiemogelijkheden. Ten noordwesten van Amersfoort spelen initiatieven om netcongestie (file op het elektriciteitsnetwerk) op te lossen en bij te dragen aan de woningbouwopgave. Hierbij moeten we rekening houden met de waardevolle gebiedskenmerken.



We pakken in Eemland de volgende samenhangende opgaven met voorrang op:

  • Behouden, uitbreiden en verbeteren van de weidevogelleefgebieden in samenhang met reduceren van de uitstoot van broeikasgassen en stimuleren van rendabele natuurinclusieve kringlooplandbouw. 

  • Ontwikkelen van de Eem en Grebbelinie als kwalitatief hoogwaardige groenblauwe en recreatieve verbindingen tussen land en stad. 

  • Zorgvuldig ruimtelijk inpassen van de energie-infrastructuur en stedelijke ontwikkeling aan de noordwestzijde van Amersfoort.

Opgaven

Kansen

Spanningen

Behouden, uitbreiden en verbeteren van de weidevogelleefgebieden in samenhang met reduceren van de uitstoot van broeikasgassen en stimuleren van rendabele natuurinclusieve kringlooplandbouw. 

Combineert met waterberging, verbeteren van waterkwaliteit, groenblauwe verbindingen, handhaven van rust in stiltegebied en behoud open landschap.

Schuurt in weidevogelkerngebied tussen Bunschoten en Eemnes met mogelijke aanleg van windturbines, zon-op-land en intensievere vormen van recreatie.

Ontwikkelen van de Eem en Grebbelinie als kwalitatief hoogwaardige groenblauwe en recreatieve verbindingen tussen land en stad. 

Combineert met waterberging, ontwikkelen van natuur en vergroten van de recreatiemogelijkheden (wandelen, fietsen en zwemmen).

Schuurt met bevaarbaarheid van de Eem voor recreatie- en beroepsvaart, en ruimte langs de Eem voor kadegebonden bedrijven.

Zorgvuldig ruimtelijk inpassen van de energie-infrastructuur en stedelijke ontwikkeling aan de noordwestzijde van Amersfoort.

Combineert met tot stand komen woningbouw, realiseren werklocaties, duurzame energieopwekking en vergroten recreatiemogelijkheden.

Schuurt met behoud van openheid landschap, rust weidevogels en landbouwgrond.

afbeelding binnen de regeling

Tegel 5a. Gebiedsprofiel Eemland. Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de gebiedskwaliteiten. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 5b. Gebiedsprioriteiten Eemland. Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities en opgaven van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Gebiedsspecifieke opgaven en keuzes
Klimaatbestendig en waterrobuust

In het Nationaal Deltaprogramma wordt een toekomstige peilverhoging van het IJsselmeer onderzocht, vanwege de zoetwatervoorziening in langdurige droge perioden. Dit kan impact hebben op het laag- en buitendijks gelegen gebied in Eemland, waarin een aantal boerderijen op terpen liggen. In het buitendijks gebied zal het overstromingsrisico mogelijk toenemen. Daarom is het noodzakelijk om ruimtelijke maatregelen te nemen, zodat de gevolgen beperkt blijven.

Wateroverlast flanken Utrechtse Heuvelrug

Op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug kan veel regenval ervoor zorgen dat het grondwater op sommige plekken dicht bij het oppervlak komt. Inwoners kunnen last krijgen van volgelopen kelders en kruipruimten en agrariërs van te natte landbouwgronden. We werken samen met gemeenten en waterschap Vallei en Veluwe om de wateroverlast bij hoge grondwaterstanden zoveel mogelijk te beperken. En om inwoners zo goed mogelijk te informeren zodat zij zich kunnen voorbereiden en aanpassen.

Verhoging grondwaterstanden kleidek-op-veengebieden

Het verhogen van de grondwaterstanden in de kleidek-op-veengebieden vermindert de uitstoot van broeikasgassen. Het draagt ook bij aan het verbeteren van het leefgebied voor weidevogels en wintergasten. Een nadelig effect is het uitspoelen van fosfaat. Dat heeft mogelijk gevolgen voor het behalen van de waterkwaliteitsnormen van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Samen met het waterschap Vallei en Veluwe sluiten we Eemland aan op het bestaande kennisnetwerk rond de veenweiden.

Waterkwaliteit

Ook extra watertoevoer vanuit de Eem kan leiden tot overschrijdingen van de KRW-normen. De waterkwaliteit in de Eem voldoet namelijk niet aan deze normen. Belangrijkste bronnen voor vervuiling zijn de lozing van gezuiverd rioolwater/ afvalwater vanuit rioolwaterzuiveringsinstallaties en de aanvoer van voedingsstoffen uit onder andere de Gelderse Vallei. Hier ligt een opgave om het water schoon en gezond te maken.

Drinkwater

De grondwaterwinning Eemdijk speelt een belangrijke rol in het garanderen van schoon en voldoende drinkwater voor nu en de toekomst. Deze grondwaterwinning wordt ruimtelijk beschermd door een waterwingebied en een ‘boringsvrije zone’. Samen met Vitens en de provincies Gelderland en Flevoland onderzoeken we de mogelijkheden om in een naastgelegen gebied extra grondwater te winnen. In het onderzoek bekijken we de aanleg van nieuwe winputten, de productielocatie, de transportleiding en de effecten op natuur, landbouw en inwoners.

Toekomstbestendige natuur en landbouw

De belangrijkste opgaven op het gebied van natuur zijn het behouden, uitbreiden en verbeteren van het weidevogelleefgebied, en het versterken van de groenblauwe dooradering. Samen met gemeenten, waterschappen en grondeigenaren realiseren we natuurvriendelijke oevers, levendige boerensloten en kruidenrijke graslanden. In de omgeving van landgoed Coelhorst zijn er potentiële locaties voor bosuitbreiding.

Landbouw

Bij agrarische bedrijven stimuleren we rendabele, natuurinclusieve kringlooplandbouw, met een goede balans tussen voedselproductie, biodiversiteit en het bodem- en watersysteem. Door het aanleggen en beheren van levendige boerensloten en kruidenrijke oevers en graslanden neemt de kwaliteit van water en bodem toe. We versterken het verdienmodel van agrariërs, onder meer door hen ruimte te geven om zelf te bepalen hoe zij doelen behalen, bijvoorbeeld voor extensivering en verduurzaming. Ook ondersteunen we hen met regelingen voor agrarisch natuurbeheer en groenblauwe verbindingen, en compenseren hen voor hoge waterpeilen en verkaveling.

Box Utrechts Programma Landelijk Gebied

De box is hier te lezen: Box Utrechts Programma Landelijk Gebied

Duurzame energie en circulaire samenleving

In de Regionale Energiestrategie Amersfoort 1.0 hebben we met de betreffende gemeenten de gezamenlijke ambitie afgesproken om in 2030 minimaal 0,5 TWh (terawattuur) aan energie duurzaam op te wekken. In Eemland zetten we in op zoveel mogelijk grootschalige zonne-energieprojecten op daken en parkeerterreinen. Ook streven we naar zonnepanelen op geluidsschermen langs de A1 en bij knooppunt Eemnes tussen de A1 en de A27 (programma Opwek Energie op Rijksvastgoed – OER). Het zal ook nodig zijn om windenergie op te wekken; we onderzoeken welke gebieden in de regio Amersfoort daarvoor het meest geschikt zijn. Omdat het ministerie van Defensie geen ruimte ziet voor het plaatsen van windturbines op haar terreinen aan de oostflank van de Utrechtse Heuvelrug zoeken we samen met betrokken gemeenten en het ministerie van Klimaat en Groene Groei naar aanvullende mogelijkheden op rijksgronden voor energie-opwek uit wind, waaronder in Eemland en de Gelderse Vallei.

Elektriciteitsnetwerk

Er is meer capaciteit nodig op het elektriciteitsnetwerk, om de huidige netcongestie op te lossen en te voorkomen dat gewenste ontwikkelingen als woningbouw, het uitbreiden van werklocaties en het opwekken van duurzame energie blijvend stagneren. In de regio Amersfoort kunnen de bestaande 150 kV- hoogspanningsstations in Soest en Bunschoten de toenemende vraag naar elektriciteit niet aan. Daarom zijn we samen met gemeenten en netbeheerders op zoek naar locaties voor vier nieuwe stations, die moeten komen tussen Amersfoort en Bunschoten, tussen Soest en Baarn, en bij Nijkerk. Ook zijn er extra (ondergrondse) kabelverbindingen nodig om de bestaande en nieuwe stations met elkaar te verbinden. Verder is het wellicht noodzakelijk om een additionele (ondergrondse) kabelverbinding aan te leggen tussen de 150 kV-hoogspanningsstations Amersfoort Noord en Zeewolde (provincie Flevoland). Uitgangspunt is om dit zoveel mogelijk te bundelen met bestaande infrastructuur en deze zorgvuldig in te passen in het landschap.

circulaire samenleving

In Eemland zijn meerdere bedrijventerreinen met mogelijkheden voor de transitie naar een circulaire samenleving, voor circulaire functies als recycling, productie en bulkverwerking. Op bedrijventerreinen De Kronkels en Haarbrug in Bunschoten-Spakenburg en De Isselt in Amersfoort zijn bijvoorbeeld kavels waar bedrijven met veel milieuhinder zich kunnen vestigen. De Isselt kent bovendien kadegebonden kavels. Gedeelten van De Isselt hebben potentie om te benoemen tot ‘strategische locatie circulaire samenleving’. Samen met de gemeente Amersfoort hebben wij ook de ambitie om verdere binnenstedelijke woningbouw mogelijk te maken. Gekeken wordt naar (gedeeltelijke) transformatie van De Isselt-Midden naar woningbouw, met inachtneming van het creëren van alternatieve werklocaties. Na een afweging bepalen we de grenzen van de ‘strategische locatie voor circulaire samenleving’. De landbouwgronden in Eemland bieden ook kansen voor de circulaire samenleving, bijvoorbeeld door het op grotere schaal verbouwen van ‘biobased’ materialen als vlas en hennep.

Goede bereikbaarheid

Bij het ontsluiten van de woon- en werkgebieden in Eemland is duurzame bereikbaarheid een opgave. De bereikbaarheid per fiets en het ov is belangrijk om een aantrekkelijk alternatief te zijn voor de auto in de gebieden met grotere afstand tot een treinstation of bushalte. Een potentiële doorfietsroute is die tussen Amersfoort en Baarn.

De N199 en N414 vormen de belangrijkste verbindingen binnen het gebied en richting het Rijkswegennet. Ondanks eerdere investeringen in de N221 bij Baarn blijft de bereikbaarheid en leefbaarheid rond deze corridor de komende jaren onder druk staan. Verdere groei van Baarn en Soest vraagt op termijn om ingrijpendere aanpassingen in het provinciale wegennet.

Bevaarbaarheid Eem

De provincie Utrecht is eigenaar en vaarwegbeheerder van de Eem, vanaf het Valleikanaal in Amersfoort tot en met de monding in het Eemmeer. We zorgen dat de rivier bevaarbaar blijft voor de plezier- en beroepsvaart, bijvoorbeeld door baggeren en het beheer van damwanden. Samen met gemeenten en waterschap Vallei en Veluwe werken we aan een gebiedsagenda voor de Eem. In deze agenda houden we rekening met functies als natuur, goederenvervoer en recreatie, en met maatregelen rondom de vaarweg.

A27

Rijksweg A27 is een belangrijke verbinding tussen de provincies Flevoland en Utrecht. De autonome groei en de woningbouwopgave in dit gebied leiden nu en in de toekomst tot een hoge filedruk. De opgave is om de doorstroming op dit deel van de A27 te verbeteren. Een van de oplossingen is het uitbreiden van de wegcapaciteit tussen knooppunt Eemnes en Zeewolde. Dit moet goed worden afgewogen ten opzichte van de problemen met doorstroming op de Ring Utrecht. We zijn hierover in gesprek met het ministerie van IenW, de provincie Flevoland, de regio Amersfoort en gemeenten.

Vitale steden en dorpen

Eemland ligt in de Regio Amersfoort. Conform het Ontwikkelperspectief NOVEX-gebied Utrecht-Amersfoort ‘Gezond groeien in nabijheid’ vindt groeit voornamelijk plaats in Amersfoort, Nijkerk en Barneveld. In Eemland zetten we in op het behouden van vitale kernen, waaronder Eemnes, Bunschoten-Spakenburg, Baarn en Soest. Demografie en ambities in de kernen variëren nogal; daarom is het stimuleren van vitaliteit maatwerk. We staan kleinschalige ontwikkeling toe, evenals het verbeteren van de aantrekkingskracht van de kernen. Eventueel is rond ov-knooppunten meer mogelijk, voor zover dat vanuit andere functies en kwaliteiten mogelijk is.

Bij de keuze van nieuwe ontwikkellocaties voor wonen, werken en voorzieningen moet rekening gehouden worden met de draagkracht van het water- en bodemsysteem (‘water-en-bodem-sturend’). In gebieden die qua water en bodem zeer ongeschikt zijn voor verstedelijking, staan wij geen nieuwe ontwikkelingen toe, tenzij er geen alternatief is. We zijn daarom terughoudend in het toestaan van nieuwbouw in de veenweidegebieden van Eemland en het buitendijkse gebied van de Eem. De concrete programmering van woningbouw en bedrijventerreinen en het eventueel aanwijzen van uitbreidingslocaties vindt plaats via het Provinciaal Programma Wonen en Werken.

Gezonde omgeving en vrije tijd

In het stiltegebied langs het Eemmeer is sprake van een toename van geluid door luchtverkeer. Dit is deels te verklaren door de groei van het aantal vluchten op Schiphol. Het komt ook door veranderingen in de baanindeling van de luchthaven, zoals het frequentere gebruik van de Aalsmeerbaan. Binnen het NOVEX-gebied Schipholregio en in de Bestuurlijke Regie Schiphol werken we samen met Rijk, provincies en gemeenten in de Schipholregio om de hinder van luchtverkeer in de omgeving van Schiphol te verminderen.

Recreatie

De recreatiebehoefte in dit gebied is groot. Deels komt dat door de geplande woningbouwlocaties in de regio Amersfoort. De toekomstige inwoners willen graag dichtbij huis kunnen recreëren. Aan de andere kant is het ook belangrijk dat de Utrechtse Heuvelrug, waarvan delen nu al druk zijn, niet nog verder onder druk komt te staan. We stimuleren het versterken van ecologische verbindingen, het verbreden van economische dragers (zoals horeca, bezoekerscentra en dagrecreatieve voorzieningen) en de aanleg van recreatieve routes in dit gebied. Dit alles draagt bij aan het vergroten van de recreatiemogelijkheden rondom stedelijk gebied.

Groen

Tussen Amersfoort-Nijkerk en tussen Bunschoten-Amersfoort zorgen we – samen met de gemeenten – voor het in stand houden van groene buffers met open agrarisch landschap. Deze groene buffers dragen bij aan het behoud van de eigenheid van de kernen, het creëren van ecologische verbindingen en ruimte voor recreatie.

In het Groen Groeit Mee-voorbeeldgebied Zuidelijke Eemvallei werken we met de gemeenten Amersfoort, Baarn en Soest en het waterschap Vallei en Veluwe aan een betere balans van (zwem)water, natuur, landbouw en recreatie.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

Om het militair erfgoed van de Grebbelinie ‘beleefbaar’ te maken, hebben we samen met gemeenten en eigenaren historische elementen weer zichtbaar gemaakt, een recreatief routenetwerk met informatiepunten ontwikkeld en een centraal bezoekerscentrum gerealiseerd in de Gelderse Vallei. Ook hebben we de natuur over een lengte van 34 kilometer hersteld. We blijven de bijzondere cultuurhistorische waarde van deze linie inzetten als drager en aanjager van de omgevingskwaliteit in Eemland.  

Paragraaf 5.6 Gelderse Vallei

Gebiedsprofiel

De Gelderse Vallei ligt in het oostelijke deel van de provincie Utrecht en sluit aan op het gelijknamige gebied in de provincie Gelderland. Het is een vallei, gelegen tussen de stuwwallen van de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Hierdoor kent het gebied veel overgangen van hoog naar laag, van nat naar droog en van zand naar veen.



Karakteristiek voor de Gelderse Vallei is de aanwezigheid van een divers, kleinschalig coulisselandschap waarin stad en land in elkaar overgaan. De vele kleine, aaneengesloten percelen worden van elkaar gescheiden door landschapselementen, zoals houtwallen, heggen en bomenrijen. Het landschap wordt doorsneden door vele beken, watergangen en het Valleikanaal. De Grebbelinie, die van noord naar zuid door dit gebied en Eemland loopt, is een bijzondere afgeleide van dit landschap waar natuur, cultuurhistorisch erfgoed en recreatie hand in hand gaan. In de Gelderse Vallei zijn veel natuurgebieden die ook recreatief worden gebruikt, waaronder Kwintelooyen en Natura 2000-gebieden Binnenveld en Blauwe Kamer.

Rijkswegen A1, A12, A28, A30, tal van provinciale wegen en meerdere spoorlijnen doorsnijden het gebied en zorgen voor een goede verbinding met de Randstad en Oost-Nederland. Nationale Parken Utrechtse Heuvelrug en (Hoge) Veluwe zijn nabijgelegen. De aantrekkelijke, groenblauwe leefomgeving; de afwisseling van stedelijke, dorpse en landelijke woonmilieus; en de goede bereikbaarheid zorgen voor een aantrekkelijk woonklimaat en trekt woningzoekenden uit de Randstad en de Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen.



Van oudsher herbergt het gebied een aantal sterke economische pijlers: een toppositie in Agrifood en een sterke vertegenwoordiging in de (maak)industrie, bouwnijverheid en primaire agrarische sector. De Gelderse Vallei kent zowel grondgebonden melkveehouderij als niet grondgebonden veehouderij (kippen, varkens, kalveren en geiten). Een deel van de grond is in potentie geschikt voor het verbouwen van eiwitteelten, zoals peulvruchten.

Gebiedsprioriteiten

In de Gelderse Vallei komen veel grote, complexe en urgente opgaven samen. Bij de beken gaat het om het vergroten van het waterbergend vermogen, het verbeteren van de waterkwaliteit en het versterken van de natuur en biodiversiteit. In het landelijk gebied gaat het om de transitie van de landbouw, het verminderen van stikstofuitstoot (in de omgeving van stikstofgevoelige natuur), het verbeteren van luchtkwaliteit en het verminderen van geuroverlast. In en om het stedelijk gebied van Veenendaal gaat het om woningbouw, het realiseren van werklocaties en de aanleg van netwerken voor energie en mobiliteit. Daarvoor zijn slimme keuzes, combinaties en innovaties nodig. Ook is het noodzakelijk om de sociale en economische gevolgen die hieruit voortkomen goed te begeleiden.



We pakken in de Gelderse Vallei met voorrang deze samenhangende opgaven op:

  • Herstellen en verbeteren van de beekdalsystemen en realiseren van groenblauwe dooradering (onder andere rondom de Grebbelinie). 

  • Extensiveren en verduurzamen van de (niet) grondgebonden veehouderij, in samenhang met herstellen en verbeteren van natuur en biodiversiteit (als in Natura 2000-gebied Binnenveld) en bevorderen van een gezonde leefomgeving.  

  • Realiseren van integrale verstedelijking (wonen, werken, voorzieningen) in en om Veenendaal, bij voorkeur binnenstedelijk en rond stations, daarna – waar nodig en passend – buitenstedelijk.

Opgaven

Kansen

Spanningen

Herstellen en verbeteren van de beekdalsystemen en realiseren van groenblauwe dooradering (onder andere rondom de Grebbelinie).

Combineert met verbeteren van waterkwaliteit, waterberging, water vasthouden, ontwikkelen van natuur (robuuste natuurverbinding Utrechtse Heuvelrug-Veluwe), vergroten recreatiemogelijkheden en versterken kleinschalig coulisselandschap.

Schuurt met de gangbare (niet) grondgebonden landbouw.

Extensiveren en verduurzamen van de (niet) grondgebonden veehouderij, in samenhang met herstellen en verbeteren van natuur en biodiversiteit (als in Natura 2000-gebied Binnenveld) en bevorderen van een gezonde leefomgeving.  

Combineert met verbeteren van de bodem-, water- en luchtkwaliteit, multifunctionele landbouw, vergroten recreatiemogelijkheden en versterken kleinschalig coulisselandschap.

Schuurt met vraagstukken betreffende ruimtelijke kwaliteit, economische vitaliteit en leefbaarheid van het landelijk gebied als gevolg van vrijkomende agrarische bebouwing.

Realiseren van integrale verstedelijking (wonen, werken, voorzieningen) in en om Veenendaal, bij voorkeur binnenstedelijk en rond stations, daarna – waar nodig en passend – buitenstedelijk. 

Combineert met versterken agglomeratiekracht, actieve mobiliteit (lopen en fietsen), klimaatadaptieve en circulaire inrichting.

Schuurt met draagkracht water- en bodemsysteem (lage ligging), stikstofbelasting natuur (Natura 2000-gebied Binnenveld) en belasten wegcapaciteit.

afbeelding binnen de regeling

Tegel 6a. Gebiedsprofiel Gelderse Vallei (noord). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de gebiedskwaliteiten. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 6b. Gebiedsprioriteiten Gelderse Vallei (noord). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities en opgaven van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 6c. Gebiedsprofiel Gelderse Vallei (zuid). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de gebiedskwaliteiten. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

afbeelding binnen de regeling

Tegel 6d. Gebiedsprioriteiten Gelderse Vallei (zuid). Deze kaart betreft een conceptuele weergave van de drie gebiedsprioriteiten met een selectie van mogelijke, daarbij passende ruimtelijke ingrepen. Het biedt geen uitputtend overzicht van ambities en opgaven van dit gebied. Aanduidingen op deze kaart zijn indicatief. (bron: Flux i.s.m. provincie Utrecht)

Gebiedsspecifieke opgaven en keuzes
Klimaatbestendig en waterrobuust

Voor een gezond en robuust water-, bodem- en natuursysteem is het nodig om de beekdalen te herstellen, te zorgen voor schoon water en meer water vast te houden. Om dit te bereiken werken we samen met onder andere grondeigenaren, waterschap Vallei en Veluwe en provincie Gelderland. Samen werken we aan een klimaatbestendige en natuurlijke inrichting van de beekdalen, het realiseren van ecologische verbindingen langs de beken en de aanleg van ‘beek-begeleidend bos’. Ook stimuleren we duurzaam bodembeheer in de landbouw. Door het verhogen van het organisch-stofgehalte in de bodem en het tegengaan van verdichting verbetert de opnamecapaciteit en klimaatbestendigheid van de bodem.

Waterberging

In de Gelderse Vallei zijn diverse waterbergingsgebieden. Via de Omgevingsverordening staan we hier geen ruimtelijke ontwikkelingen toe die de waterbergingsfunctie in de weg staan. Samen met waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten in het gebied zoeken we naar extra waterbergingsgebieden, waaronder langs het Valleikanaal. In deze gebieden wordt het water bij heftige regenbuien tijdelijk vastgehouden en vertraagd afgevoerd. Dit is nodig om wateroverlast in stedelijk gebied te voorkomen of te beperken. Het gaat daarbij waarschijnlijk om gebieden die van nature al laaggelegen zijn, bijvoorbeeld in het beekdal. Deze vorm past goed bij de natuurlijke ontwikkeling van het beekdal.

Wateroverlast flanken Utrechtse Heuvelrug

Wateroverlast op de flanken van de Utrechtse Heuvelrug is een aanhoudend probleem, met name door hoge grondwaterstanden en verzadigde bodems. Dit leidt tot water in kelders en kruipruimten van inwoners en te natte landbouwgronden voor agrariërs. Samen met gemeenten en waterschappen werken we eraan om deze wateroverlast zoveel mogelijk te beperken. 

Waterkwaliteit

Bijna nergens in de Gelderse Vallei voldoen de oppervlaktewaterlichamen (beken en Valleikanaal) aan de doelen voor biologie, chemische stoffen en nutriënten die in de Kaderrichtlijn Water (KRW) staan. Op meerdere locaties worden de KRW-normen voor chemische stoffen overschreden. Hier ligt een opgave om het water schoon en gezond te maken.

Grebbedijk

De Grebbedijk beschermt een groot deel van Midden-Nederland tegen overstroming. Als deze dijk doorbreekt, kan een groot deel van dit gebied overstromen, zelfs tot Bunschoten. Deze dijk wordt de komende jaren versterkt in het kader van het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Samen met het ministerie van IenW, het waterschap Vallei en Veluwe en de gemeenten kiezen we voor een integrale aanpak door gelijktijdig ook de ruimtelijke kwaliteit te versterken. Dit doen we door opgaven op het gebied van water, natuur, bereikbaarheid en recreatie te combineren, en ambities voor cultuurhistorisch erfgoed (Grebbelinie) mee te koppelen.

Toekomstbestendige natuur en landbouw

In het zuidelijk deel van Gelderse Vallei is het in stand houden en versterken van Natura 2000-gebied het Binnenveld een belangrijke opgave. Uit de uitgevoerde ‘Natuurdoelanalyse’ blijkt dat de natuur in dit Natura 2000-gebied in slechte staat verkeert. Er zijn dringend maatregelen nodig om het Binnenveld te verbeteren. Samen met provincie Gelderland, gemeenten, waterschap Vallei en Veluwe, agrariërs en bedrijven pakken we de stikstofdepositie aan (de neerslag van reactieve stikstofverbindingen uit de lucht op de bodem en in het water) en herstellen we het watersysteem.

Groene Vallei-lint

Om ervoor te zorgen dat de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe als één ecologisch systeem gaan functioneren, zetten we in op het verbinden van deze twee stuwwallen via het ‘Groene Vallei-lint’. Dit vraagt samenwerking die gericht is op het beter functioneren van het Natuur Netwerk Nederland, het versterken van het tussengelegen landschap, het oplossen van fysieke barrières (zoals infrastructuur) en het aanleggen van een robuuste ecologische verbindingszone. Via de ‘Groene Contour’-gebieden kan extra natuur worden toegevoegd om deze verbinding vorm te geven. Dit betreft het gebied tussen de Utrechtse Heuvelrug, Woudenberg, Scherpenzeel, Renswoude en Veenendaal.

Landbouw

In het midden en zuiden van de Gelderse Vallei is een grote inspanning nodig om de aanwezige grondgebonden melkveehouderij en niet grondgebonden veehouderij te verduurzamen en, waar nodig, te extensiveren. Het intensieve karakter van de landbouw – in combinatie met de nabijheid van zeer stikstofgevoelige natuurgebieden – maakt dat de opgave voor de reductie van emissies hier aanzienlijk is. Ook het verbeteren van de kwaliteit van water, bodem en leefomgeving en het herstel van de agrarische natuur zijn van belang. We versterken het verdienmodel van agrariërs op diverse manieren: we geven ze de ruimte om zelf te bepalen hoe zij doelen behalen, bijvoorbeeld voor extensivering en verduurzaming. Ook ondersteunen we hen met regelingen voor agrarisch natuurbeheer, de aanleg van groenblauwe verbindingen, compensatie voor hoge waterpeilen en verkaveling.

Vrijkomende agrarische bebouwing

Wanneer steeds meer agrariërs stoppen met hun bedrijf, ontstaan vraagstukken op het gebied van ruimtelijke kwaliteit, economische vitaliteit en leefbaarheid van het landelijk gebied. De vrijkomende agrarische bebouwing biedt ook kansen voor nieuwe bedrijven, recreatie, wonen, duurzame energie en natuur – mits passend bij de schaal van het landschap.

Duurzame energie en circulaire samenleving

In zowel de Regionale Energiestrategie (RES) Foodvalley 1.0 (0,75 terawattuur (TWh) tot 2030) als de RES Amersfoort 1.0 (0,5 TWh tot 2030) zijn voor de Gelderse Vallei ambities opgenomen om duurzame energie op te wekken. In overeenstemming met deze RES’en en ons omgevingsbeleid zetten we samen met gemeenten in op het zoveel mogelijk plaatsen van zonnepanelen op daken van (agrarische) bedrijven en woningen, boven parkeerplaatsen, op stortplaatsen, langs rijkswegen A1, A12, A28, A30 en spoorlijnen. Ook streven we ernaar om windturbines en zonnepanelen het liefst dicht bij elkaar te plaatsen in een beperkt aantal zogenaamde ‘energieclusters'. We onderzoeken de mogelijkheden voor windenergie in een gebied tussen de gemeenten Rhenen en Wageningen. Omdat het ministerie van Defensie geen ruimte ziet voor het plaatsen van windturbines op haar terreinen aan de oostflank van de Utrechtse Heuvelrug zoeken we samen met betrokken gemeenten en het ministerie van Klimaat en Groene Groei naar aanvullende mogelijkheden op rijksgronden voor energie-opwek uit wind, waaronder in de Gelderse Vallei en Eemland. Ook na 2030 zal de duurzame energie-opwek in dit gebied zich verder ontwikkelen, passend bij de ontwikkeling richting het toekomstig regionaal energiesysteem.

Elektriciteitsnetwerk

Om het elektriciteitsnetwerk in het zuidelijke deel van Foodvalley klaar te maken voor de toekomst worden de bestaande 150 kV-hoogspanningsstations door de netbeheerder vernieuwd en uitgebreid en wordt bij Woudenberg een nieuw 150 kV-hoogspanningsstation gerealiseerd. Tevens worden de huidige bovengrondse hoogspanningsverbindingen onder de grond gebracht, waarna de hoogspanningsmasten door de netbeheerder kunnen worden weggehaald. Samen met gemeenten en netbeheerders onderzoeken we locaties voor de aanleg van een nieuw station met een lager spanningsniveau.

Goede bereikbaarheid

Om vlot, veilig en comfortabel tussen steden en dorpen te fietsen, werken we aan de aanleg van doorfietsroutes. Eén daarvan is de doorfietsroute Utrecht Science Park-Veenendaal, die voor een groot deel langs de provinciale weg N225 loopt via Driebergen, Doorn, Leersum en Amerongen. Andere potentiële doorfietsroutes die de Gelderse Vallei passeren, zijn die tussen Amersfoort-Barneveld, Amersfoort-Veenendaal en Veenendaal-Kesteren.

Hoogwaardig openbaar vervoer

Voor de bereikbaarheid van bestaande en groeiende woongebieden rondom Barneveld en tussen Wageningen, Ede, Rhenen en Veenendaal is het nodig om het openbaar vervoer aantrekkelijker te maken. In het kader van de samenwerking binnen het NOVEX-gebied Arnhem-Nijmegen-Foodvalley is afgesproken dat we samen met Rijk, provincie Gelderland en gemeenten de meerwaarde van een hoogwaardige ov-ontsluiting onderzoeken. Dit vraagt om een nadere verkenning, maar bovenal om grensoverschrijdende samenwerking.

Knooppunt Hoevelaken en aansluiting Barneveld

Het uitstellen van de uitbreiding van knooppunt Hoevelaken (A1/ A28) belemmert de ontwikkeling van grootschalige woningbouwlocaties en veroorzaakt lange files (momenteel nummer 3 in landelijke file-top 50). Het aanpassen van het knooppunt en het verbreden van aansluitende wegen is een oplossing voor verbetering van de regionale en de bovenregionale bereikbaarheid. Bij de aansluiting A1/ A30 Barneveld bestaat de opgave uit het verbeteren van de doorstroming op de A1, het functioneren van de aansluiting en de verkeersveiligheid. De oplossing is het verbreden van de A1 en het aanpassen van de aansluiting. We zijn hierover in gesprek met het ministerie van IenW, samen met gemeenten, regio’s Amersfoort, Foodvalley en provincie Gelderland. Het Rijk is eigenaar van de rijkswegen en neemt uiteindelijk het besluit.

Rijnbrug

De Rijnbrug, gelegen op de grens van de provincies Utrecht en Gelderland, vormt een belangrijke verbinding over de Nederrijn. De verbreding van de brug van 2x1 naar 2x2 rijstroken is nodig om de bereikbaarheid en leefbaarheid in de regio te verbeteren. De provincies Utrecht en Gelderland en het Rijk trekken samen op in dit project. Ook de gemeenten en regio's Foodvalley en Rivierenland zijn belangrijke partners in het project. Door te investeren in zowel de Rondweg Oost Veenendaal als de Rijnbrug wordt de bereikbaarheid in dit sterk groeiende gebied verbeterd. De Rijnbrug, eigendom van Rijkswaterstaat, vormt een belangrijke schakel tussen de regio’s Rivierenland en Foodvalley. Daarom werken we hier nauw samen met RWS, de provincie Gelderland en beide regio’s.

Vitale steden en dorpen

De Gelderse Vallei maakt onderdeel uit van de NOVEX-gebieden Arnhem-Nijmegen-Foodvalley en Utrecht-Amersfoort. Voor deze gebieden hebben we samen met Rijk, provincie Gelderland, gemeenten en waterschappen de Ontwikkelperspectieven ‘Meer landschap, meer stad’ en ‘Gezond groeien in nabijheid’ opgesteld. We stimuleren onder andere flinke groei van het stedelijk gebied in en om Veenendaal. Met de transformatie van locatie Spoorzone Veenendaal wordt ruimte gecreëerd voor nieuwe woningen tot en met 2030.

De Klomp en De Nieuwe Meent

Locatie De Klomp (deels grondgebied provincie Gelderland) is na 2030 in beeld voor een grootschalige ontwikkeling met wonen, werken en voorzieningen. Voor dit gebied is een integrale ontwerpaanpak nodig en moet rekening worden gehouden met de draagkracht van het water- en bodemsysteem (‘water-en-bodem-sturend’). Bij de uitvoering van deze aanpak werken we samen met provincie Gelderland, gemeenten Veenendaal, Renswoude en Ede en waterschap Vallei en Veluwe.

Na 2030 is ook locatie De Nieuwe Meent in beeld als grootschalige woon- en werklocatie, mogelijk met een nieuw te ontwikkelen treinstation op de lijn Veenendaal-Rhenen. Ook hier werken we met een integrale ontwerpaanpak, samen met gemeenten Rhenen, Veenendaal en waterschap Vallei en Veluwe. In deze aanpak houden we rekening met mobiliteitseffecten, stikstofbelasting van de nabijgelegen natuur en de gevolgen voor het watersysteem. Om een vitaal en veerkrachtig gebied te blijven, moet in genoemde locaties ook ruimte worden gemaakt voor werkgelegenheid, (vrijetijds)voorzieningen én bereikbaarheid.

Vitale kernen

Buiten deze locaties zetten we in op vitale kernen, waaronder Leusden, Woudenberg, Renswoude en Rhenen. Hoewel de ontwikkelpotentie hier kleiner is, zal ook in deze kernen worden bijgebouwd, zodat ze vitaal blijven. Hiervoor is maatwerk noodzakelijk. We staan daarbij kleinschalige ontwikkeling toe, evenals het verbeteren van de aantrekkingskracht van de kernen. De concrete programmering van woningbouw en bedrijventerreinen en het eventueel aanwijzen van uitbreidingslocaties vindt plaats via het Provinciaal Programma Wonen en Werken.

Gezonde omgeving en vrije tijd

De Gelderse Vallei kent een slechte luchtkwaliteit, met name door fijnstof en stikstofoxiden die afkomstig zijn van de intensieve landbouw en het verkeer. We streven naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit om de gezondheid van de inwoners te bevorderen en de natuur te verbeteren. Daarbij richten we ons onder meer op schoon vervoer, het verduurzamen van de landbouw en het verbeteren van de luchtkwaliteit bij kwetsbare functies (zoals scholen en zorginstellingen). In een groot deel van dit gebied beïnvloedt de geur van veehouderijbedrijven de kwaliteit van de leefomgeving. Vooral in het gebied tussen Veenendaal, Renswoude en Scherpenzeel is sprake van hoge geurconcentraties.

Recreatie

De recreatiebehoefte in dit gebied is groot. Deels komt dat door de geplande woningbouwlocaties in de regio’s Foodvalley en Amersfoort. Het groeiend aantal inwoners in die regio’s wil graag dicht bij huis kunnen recreëren. Aan de andere kant is het ook belangrijk dat de Utrechtse Heuvelrug, waarvan delen nu al te druk zijn, niet nog verder onder druk komen te staan. We stimuleren het versterken van ecologische verbindingen, het verbreden van economische dragers en de aanleg van recreatieve routes. Hiermee vergroten we de recreatiemogelijkheden rondom stedelijk gebied.

In en om de Gelderse Vallei zijn veel kansen voor recreatie die we willen benutten. We hebben twee gebieden aangewezen als (bovenlokale) dagrecreatieterreinen: natuurgebied Kwintelooyen en het Fort aan de Buursteeg, één van de grootste en belangrijkste verdedigingswerken van de Grebbelinie. Rondom rijksweg A28, ten oosten van Amersfoort en ten noorden van Leusden, zijn Bloeidaal en de Schammer aangelegd als gebieden met gecombineerde functies van waterberging, natuur en recreatie.

Groen

In het Groen Groeit Mee-voorbeeldgebied ‘de Roode Haan’, gelegen tussen Achterberg, Veenendaal en Renswoude, versterken we de recreatieve waarden en natuurwaarden, met de Grebbelinie (Grift en Valleikanaal) als drager. Dit doen we samen met gemeenten en waterschap Vallei en Veluwe. Werken aan gebied de Roode Haan is van belang om hier prettig te kunnen wonen, de natuur te versterken en klimaatrobuust te maken, en toekomst te bieden aan de agrariërs die in het gebied blijven.

Levend landschap, erfgoed en cultuur

Om het militair erfgoed van de Grebbelinie ‘beleefbaar’ te maken, hebben we samen met gemeenten en eigenaren historische elementen weer zichtbaar gemaakt, een recreatief routenetwerk met informatiepunten ontwikkeld en een centraal bezoekerscentrum gerealiseerd. Ook hebben we de natuur over een lengte van 34 kilometer hersteld. In de toekomst blijven we de bijzondere cultuurhistorische waarde van deze linie inzetten als drager en aanjager van omgevingskwaliteit in de Gelderse Vallei.

Historische buitenplaatsen en landgoederen

In de Gelderse Vallei bevinden zich onder andere de historische buitenplaatsen en landgoederen Den Treek, De Boom, Geerestein, Prattenburg en Remmerstein. We bieden ruimte voor kleinschalige ontwikkeling, gericht op het creëren van economische dragers die kunnen zorgen voor het behoud van de cultuurhistorische waarden (zoals ‘Bed and Breakfasts’, horeca en natuurbegraven). Uitgangspunt daarbij is het behouden van de specifieke kenmerken van de zone waarin de buitenplaats ligt en die van de buitenplaats zelf. Dit staat in sommige gevallen op gespannen voet met de regelgeving omtrent natuurbescherming van Natuur Netwerk Nederland.

afbeelding binnen de regeling

Hoofdstuk 6. Uitvoering

Uit de voorgaande hoofstukken wordt duidelijk dat de opgaven in en ambities voor de Utrechtse fysieke leefomgeving divers zijn. Een innovatieve en samenhangende aanpak en goede samenwerking zijn belangrijk. Hoe we hier samen aan werken onder de Omgevingswet komt aan bod in paragraaf 6.1 en 6.2. De provincie faciliteert waar dat nodig is en stuurt waar het moet. Dat doen we door: beleid maken, een visie opstellen en de inzet van instrumenten zoals de Omgevingsverordening en programma’s.



In de laatste paragrafen van dit hoofdstuk geven we aan hoe we invulling geven aan deze instrumenten uit de Omgevingswet. Ook de haalbaarheid van de Omgevingsvisie komt aan bod (Paragraaf 6.5 Financiële en andere randvoorwaarden).

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 23. Utrecht Science Park Regenboogfietspad, Utrecht (bron: Utrecht Beeldbank, foto Ruben Drenth)

Paragraaf 6.1 Samenwerken

In de Omgevingsvisie staat centraal dat we meerwaarde willen bereiken door te concentreren, te combineren en te prioriteren. Dit kan alleen door samen te werken. We willen als één overheid samenwerken met inwoners, het bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en kennisinstellingen. Gebiedsgericht samenwerken (kijken wat in een gebied nodig is en daarop actie ondernemen) en oog voor maatwerk zijn belangrijk. De echte uitvoering vindt immers plaats in de deelgebieden. We hebben ook een regierol: ervoor zorgen dat alle lokale initiatieven samen beantwoorden aan wat regionaal nodig is. Wat uiteindelijk de provincie doet en wat anderen doen, hangt af van allerlei factoren: tijd, de aard en omvang van een opgave, gemaakte afspraken en de urgentie die er vanuit de politiek is.

Structureel overleg in het kader van de Omgevingswet

Voor het samenwerken in het kader van de Omgevingswet en de instrumenten die deze wet ons geeft, hebben we vier vormen van vast overleg:

  • Structureel overleg met gemeenten. Voor de doorwerking van ons beleid naar gemeenten is overleg in een vroeg stadium van ontwikkelingen belangrijk. Dan krijgen gemeenten meer zicht op de ambities van de provincie en kan worden voorkomen dat die botsen met instructieregels uit de Omgevingsverordening. Gemeenten kunnen vervolgens in hun Omgevingsplan de passende ruimtelijke afwegingen maken. Voor de structurele samenwerking met gemeenten gaan we samenwerkingsafspraken maken voor de gehele fysieke leefomgeving. Dat moet ertoe leiden dat projecten sneller, beter en integraler in samenwerking kunnen worden uitgevoerd.

  • Structureel overleg met waterpartners. Samen met de waterschappen, drinkwaterbedrijven en Rijkswaterstaat werken we aan het beschermen en robuuster maken van het bodem- en watersysteem, het duurzaam gebruik van de ondergrond, het realiseren van een klimaatbestendige leefomgeving en het afremmen van bodemdaling. Via overleg en samenwerking stemmen we beleid met elkaar af. De waterpartners worden ook vroegtijdig betrokken bij initiatieven voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting van een gebied. Dit verloopt via het periodiek overleg en via diverse samenwerkingsverbanden waarin zowel de provincie als de waterpartners vertegenwoordigd zijn.

  • Structureel overleg met regionale samenwerkingspartners vergunningverlening, toezicht en handhaving. Samen met gemeenten, waterschappen, de omgevingsdiensten, terreinbeherende organisaties, de Veiligheidsregio Utrecht, de GGD, de politie, het Openbaar Ministerie en Prorail werken we aan maatschappelijke opgaven in het ‘fysieke domein’ (de openbare ruimte). Die opgaven zijn gedefinieerd in de regionale Uitvoerings- & Handhavingsstrategie (U&HS). Zowel de samenwerking als de opgaven zelf worden geüpdatet wanneer nodig. Op deze manier zorgen we ervoor dat de regionale samenwerking doelgericht en effectief is.

  • Structureel verleg met de rijksoverheid. . Voor het bij elkaar brengen en afstemmen van de opgaven en ambities in de Omgevingsvisies van het Rijk (Nota Ruimte) en de provincies, is het programma NOVEX (versnelde uitvoering Nationale Omgevingsvisie) opgezet. Er zijn twee sporen: ‘regie per provincie’ en ‘gebiedsgerichte regie’. Het periodiek overleg is onderdeel van het eerste spoor en leidde in de periode 2024/2025 tot het eerste Ruimtelijk Arrangement Rijk – provincie Utrecht, mede op basis van het Ruimtelijk Voorstel provincie Utrecht 'Versnellen, vernieuwen, verdiepen' (2023). Via regelmatig overleg wordt de voortgang van dit arrangement bijgehouden en waar nodig bijgestuurd. In het tweede spoor werken we met het Rijk maar ook met buurprovincies, gemeenten en waterschappen aan Ontwikkelperspectieven en Uitvoeringsagenda’s voor de vier Utrechtse NOVEX-gebieden: Groene Hart, Utrecht-Amersfoort, Arnhem-Nijmegen-Foodvalley en Schipholregio. In het Bestuurlijk Overleg MIRT en het Bestuurlijk Overleg Leefomgeving kunnen indien nodig uiteindelijk afspraken worden vastgesteld.

Naast deze structurele overleggen in het kader van de Omgevingswet vindt er nog zeer regelmatig ander overleg plaats met onze partners. Zoals in de drie bestuurlijke regio’s en met gemeenten over bijvoorbeeld gebiedsvisies en specifieke projecten.

Gebiedsgerichte samenwerking

Voor het aanpakken van opgaven is gebiedsgericht samenwerken cruciaal. Ruimtelijke opgaven zijn immers zelden overal in de provincie hetzelfde. Ook kan het schaalniveau van een opgave verschillen, waardoor er per gebied andere betrokken samenwerkingspartners zijn. Gebiedsgericht samenwerken vraagt dan ook om een gebiedsgerichte sturingsaanpak, maatwerk en flexibiliteit. We maken hierbij gebruik van bestaande samenwerkingsverbanden en allianties. Samen met partners maken we in dialoog en via gezamenlijke analyses integrale afwegingen, bepalen richtingen en maken keuzes. Dit alles met het doel om te doen wat er moet gebeuren en de gewenste kwaliteit van de leefomgeving tot stand te brengen. Gezamenlijk moet worden bepaald met welke en wiens uitvoeringsinstrumenten dit het beste kan gebeuren. Op deze manier werken we met het Rijk in de NOVEX-gebieden en in samenwerkingstrajecten op bijvoorbeeld het gebied van energie, economie of water. En in U NED verband aan onder andere het gebiedsonderzoek van Amersfoort tot Zeist. Deze manier van samenwerken gebruiken we ook in samenwerkingen met vooral regionale opgaven. Zo werken we onder andere aan woningbouwontwikkelingen via regionale Woondeals, in het programma 'Groen Groeit Mee', in de drie RES-regio’s aan de energiestrategieën en bij de gebiedsgerichte aanpak (gebiedsprocessen) in het Utrechts Programma Landelijk Gebied.

Thematische samenwerking

In hoofdstuk 4 hebben we zeven thema’s opgenomen. We hebben verschillende samenwerkingsverbanden die gericht zijn op deze thema’s. Als het bijvoorbeeld gaat om een economie die toekomstbestendig is en bijdraagt aan brede welvaart, werken we samen met ondernemers, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en overheden. Samenwerking, toegang tot financiering en de toepassing van vernieuwende oplossingen gebeurt via de Regionale Ontwikkelingsmaatschappij (ROM) Utrecht region, het incubatorprogramma met Utrecht Inc, de MKB Innovatiestimulering (MIT) en de Economic Board Utrecht (EBU). Voor energie is er bijvoorbeeld samenwerking in de Energy Board, energie-regio’s en het Energie Diensten Centrum. Voor bijvoorbeeld het cultuur- en erfgoedbeleid is er de Cultuurregio Utrecht, een gelijkwaardig samenwerkingsverband tussen alle gemeenten en de provincie. Daarin werken we ook aan het bieden van voorwaarden voor een vitale en toegankelijke cultuur- en erfgoedsector. Voor het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies werken provincie, waterschappen, gemeenten, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten sinds 2017 samen in het Pact van Ruigenhoek.

Programmeren

Zorgvuldig omgaan met de beschikbare ruimte in de provincie Utrecht vraagt ook om goede samenwerking. We vinden het belangrijk in een vroeg stadium met onze partners te overleggen over het aanpakken van opgaven. Bij complexe ontwikkelingen waarbij het van belang is om de verschillende opgaven in samenhang te bezien, zetten we bijvoorbeeld instrumenten als een gebiedsonderzoek of een integrale ontwerpaanpak in.

In het Provinciaal Programma Wonen en Werken (PPWW) werken gemeenten en provincie samen aan het ontwikkelen van binnenstedelijke en buitenstedelijke locaties voor wonen en bedrijventerreinen (zie ook Paragraaf 4.6 Vitale steden en dorpen). We hanteren hierbij een adaptieve en flexibele aanpak. Ook op andere thema’s werkt de provincie samen met partners aan programmering. In het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (pMIEK) werken we aan de programmering van de infrastructuur van het Utrechtse energiesysteem (zie Paragraaf 4.4.1 Duurzame energie) En dan is er het programma Groen Groeit Mee voor het programmeren en realiseren van (recreatie)groen gekoppeld aan verstedelijking (zie Paragraaf 4.7.2 Recreatie en toerisme).

Box Samenwerken aan nationale opgaven en ambities in de Utrechtse ruimte

De box is hier te lezen: Box Samenwerken aan nationale opgaven en ambities in de Utrechtse ruimte

Paragraaf 6.2 Participatie

Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Als een overheid gebruik maakt van instrumenten uit de Omgevingswet, moet het eigen participatiebeleid daarbij worden uitgelegd. Dat doen we in deze paragraaf. Het gaat dus om het generieke provinciale participatiebeleid. Hoe we hier mee om zijn gegaan in de wijziging van de Omgevingsvisie en -verordening is opgenomen in Paragraaf 7.2 Participatie.



We maken ons beleid samen met inwoners (al dan niet verenigd in groepen), ondernemers, maatschappelijke organisaties en medeoverheden. Ze doen ook mee aan de uitvoering ervan. De kaders voor het samenspel met inwoners, ondernemers en organisaties is vastgelegd in de (wettelijk verplichte) participatieverordening. In deze verordening gaat het om participatie op initiatief van de provincie, het ondersteunen van initiatieven en criteria voor het ‘uitdaagrecht’ (op basis waarvan inwoners of partners kunnen aangeven dat zij bepaalde overheidstaken beter of goedkoper kunnen uitvoeren dan de overheid zelf). Speciale aandacht is er voor jongerenparticipatie.



Participatie is maatwerk, acties moeten aansluiten bij het onderwerp, de doelgroep en/of de locatie en moeten de diverse perspectieven en bijdragen in beeld brengen. Transparantie over het proces en duidelijkheid over de mate van invloed en wat er met participatiebijdragen wordt gedaan is essentieel. Daarom zijn er heldere kaders voor participatie. Zo wordt in een participatieaanpak aandacht besteedt aan het doel, de participatievorm en de afweging welke doelgroepen worden uitgenodigd. Na een participatietraject worden de bevindingen en ervaringen opgenomen in een eindverslag.



Participatie voor beleid gaat wat ons betreft om drie onderdelen:

  • Erkennen. Inwoners en maatschappelijke partners voelen zich voldoende betrokken bij de ontwikkeling en uitvoering van het provinciale beleid.

  • Verrijken. Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten wegen input die komt vanuit inwoners en partners mee in de besluitvorming.

  • Herkennen. Participanten (inwoners, ondernemers en partners) kennen de afwegingen die de basis vormen voor de besluiten van Provinciale Staten en weten dat daarbij alle relevante invalshoeken en belangen zijn afgewogen.

Paragraaf 6.3 Uitvoering via Omgevingsverordening, programma en andere instrumenten

De Omgevingsvisie vormt een samenhangend geheel met de Omgevingsverordening en met de programma’s. We noemen dit het ‘samenhangend pakket’.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 24. Samenhangend pakket van instrumenten (bron: provincie Utrecht)

Omgevingsverordening

In de Omgevingsverordening brengt de provincie haar regels voor de fysieke leefomgeving bijeen in één gebiedsdekkende regeling. De verordening zorgt ervoor dat de doelen en het beleid uit de Omgevingsvisie en de programma’s doorwerken naar derden. Er zijn twee soorten regels:

  • Direct werkende regels waar iedereen aan moet voldoen.

  • Instructieregels die verwerkt moeten worden in de omgevingsplannen.

We stellen alleen regels als sprake is van een wettelijke taak of provinciaal belang en regels onvermijdelijk zijn. De Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is compact, samenhangend en eenduidig. Hij is digitaal beschikbaar via het omgevingsloket en ‘objectgericht’. Voor de verbeelding van de digitale kaartobjecten in deze visie vallen we waar mogelijk terug op de verbeelding in de verordening. De verordening heeft een algemene strekking en is niet gericht op specifieke personen of situaties. Omdat we niet elke ontwikkeling kunnen voorzien, bevat onze Omgevingsverordening flexibiliteitsbepalingen: via ontheffing van instructieregels, afwijking van algemene regels en experimenteerruimte in specifieke gebieden. In gebieden die aangewezen zijn als experimenteerruimte hanteren we een specifiekere, vrijere regulering, zowel gericht op de rolverdeling en samenwerking tussenoverheden, als op ruimte bieden aan innovaties, lokale initiatieven en andere afwegingen.

Programma

In programma’s staat hoe we de doelen uit de Omgevingsvisie gaan bereiken en hoe de uitwerking en uitvoering vorm krijgen. Programma’s zijn zelfbindend: de provincie moet zich er zelf aan houden. Afspraken met andere partijen kunnen vastgelegd worden in interbestuurlijke programma’s, waarbij elke partij zich bindt aan de eigen inzet en partijen samen aan de gezamenlijke ambitie. Programma’s kunnen leiden tot bijstelling van de Omgevingsverordening.

De provincie Utrecht werkt met drie soorten programma’s in een logische, transparante structuur:

  • Beleidsprogramma’s zijn thematisch en gaan inhoudelijk in op hoofdlijnen uit de Omgevingsvisie. Zoals het Bereikbaarheidsprogramma 2024-2029, het Programma cultuur en Erfgoed 2025-2028, het Programma Faunabeleid en monitoring en het Provinciaal Programma Wonen en Werken. Voor de beleidsprogramma’s gebruiken we de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, met onder andere het ter inzage leggen van een ontwerpprogramma.

  • Uitvoeringsprogramma’s geven aan hoe uitvoering wordt gegeven aan beleid en wat hiervoor nodig is. Bijvoorbeeld het programma Klimaatadaptatie 2025-2028, het Uitvoeringsprogramma Publieke mobiliteit, het Programma Versnelling woningbouw 2025-2028 en het Uitvoeringsprogramma Strategisch bosbeleid 2025-2028.

  • In een samenwerkingsprogramma zijn meerdere overheden gezamenlijk verantwoordelijk. Zoals Groen Groeit Mee en de Regionale Energie Strategieën.

Provinciale programma’s die verplicht zijn in het kader van Europese richtlijnen zijn:

  • Actieplan geluid (artikel 3.8, lid 1 Omgevingswet);

  • Regionaal waterprogramma (artikel 3.8, lid 2 Omgevingswet);

  • Beheerplannen voor Natura 2000-gebieden (artikel 3.8, lid 3 Omgevingswet);

  • Programma Volkshuisvesting (mits de wet wordt aangenomen);

  • Programma voor dreigende overschrijding van de omgevingswaarde voor zwaveldioxide of stikstofoxiden (artikel 3.10 Omgevingswet in samenhang met artikel 4.1 Besluit kwaliteit leefomgeving). Dit wordt, gezien de huidige waarden niet voorzien in Utrecht voor de komende jaren.

Voor deze verplichte programma’s is de uniforme openbare voorbereidingsprocedure altijd van toepassing.

Voor ieder programma vindt monitoring en evaluatie plaats om te bepalen of de doelen van de programma’s tijdig worden bereikt. Als dit niet het geval is, passen we de programma’s aan. Met Provinciale Staten zijn afspraken gemaakt over hun betrokkenheid bij het opstellen van programma’s.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 25. Overzicht Omgevingswetprogramma's provincie Utrecht (bron: provincie Utrecht)

Overige wettelijke instrumenten

Naast de Omgevingsverordening en de programma’s biedt de Omgevingswet diverse andere instrumenten voor de uitvoering van het Omgevingsbeleid en het ‘borgen’ van het provinciaal belang:

  • De omgevingsvergunning. Inwoners, bedrijven en overheden kunnen toestemming vragen om activiteiten waarvoor een provincie bevoegd gezag is in de fysieke leefomgeving te mogen uitvoeren door het aanvragen van een Omgevingsvergunning. De toetsing is zo eenvoudig mogelijk en houdt rekening met algemeen geldende regels. Deze vergunningplicht geldt onder andere voor het in stand houden van cultuur, archeologie, landschap en natuur.

  • Het projectbesluit. Dit bevat juridisch bindende regels over het gebruik van een concreet gebied en de zich daarin bevindende bouwwerken. Het instrument van een projectbesluit kan gebruikt worden voor fysiek of bestuurlijk ingrijpende en ingewikkelde projecten waarbij een provinciaal belang speelt, of als een gemeente ons verzoekt een projectbesluit te nemen. Voorbeelden zijn de aanleg van een provinciale weg, een windmolenpark of een natuurgebied.

  • De zienswijze. Daarin geeft de provincie een eerste formele reactie op een omgevingsplan van een gemeente. Dit dienen we in als (een gedeelte van) een omgevingsplan naar onze mening strijdig is met de Omgevingsverordening.

  • De instructie. Die geeft Gedeputeerde Staten de bevoegdheid een gemeenteraad te verplichten – binnen een daarbij te bepalen termijn – om een omgevingsplan vast te stellen of te herzien, in overeenstemming met bij de instructie gegeven voorschriften.

  • Reactieve interventie. Als een plan in strijd is met onze Omgevingsverordening kunnen Gedeputeerde Staten een reactieve aanwijzing geven (nadat eerst een zienswijze is ingediend). Hiermee wordt ingegrepen in de gemeentelijke procedure en treedt (een gedeelte van) een plan niet in werking.

Beleidsinstrumenten

Naast de Omgevingsverordening en de programma’s zijn er aanvullende beleidsinstrumenten voor uitvoering van het omgevingsbeleid en de borging van het provinciaal belang. Een aantal hiervan is in Hoofdstuk 3. Basis al genoemd, zoals communicatie en financiën. Gedeputeerde Staten kunnen ook beleidsregels vaststellen die aangeven hoe een bepaalde bevoegdheid zal worden uitgevoerd.

Grondbeleid

De provincie kan kiezen voor het actief inzetten van grondbeleid bij ‘ruimtelijke opgaven’. Dan kan het gaan om het aankopen van strategische gronden, een provinciale grondbank, kavelruil en sturing via het pachtbeleid. Wanneer er sprake is van een groot algemeen belang, kan de provincie er ook voor kiezen een onteigeningsprocedure te starten. Dit gebeurt alleen in uiterste gevallen.

Afstemmen instrumenteninzet

De uitvoering van het omgevingsbeleid wordt afgestemd met gemeenten, waterschappen en regio’s. Samen bepalen we wie welke instrumenten inzet. Gebiedsgerichte keuzes maken we op regionaal niveau, samen met regionale partijen, waarbij alle relevante belangen betrokken worden en zorgvuldig tegen elkaar afgewogen worden.

Paragraaf 6.4 Monitoring en evaluatie

Het is cruciaal dat we de effecten van ons beleid monitoren en evalueren. Flexibele en adaptieve sturing is nodig, omdat wat de toekomst gaat brengen onzeker is en er veel afhankelijkheid is van andere partijen om de doelen te bereiken. Monitoring en evaluatie als onderdeel van de beleidscyclus is nodig om te bepalen of doelstellingen kunnen worden bereikt en wat de effecten van beleid zijn. Dit biedt de basis om in de loop van de tijd, als dat nodig is, maatregelen te nemen. De beleidscyclus richt zich op het ontwikkelen van beleid. De monitoring en evaluatie van het beleid is onderdeel van deze beleidscyclus. Dit staat apart van de P&C-cyclus, waar de financiële en administratieve planning, control en verantwoording van de financiële realisatie.



De uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie verloopt via provinciale programma’s. Voor deze programma’s ligt er de opgave om het doelbereik te monitoren. Dit is een continu proces dat vanaf het begin van de looptijd van een programma start. Er zijn en worden hiervoor thematische monitors opgesteld. De monitor Omgevingsbeleid is aanvullend op de provinciale thematische monitors en brengt informatie hieruit bijeen. Het geeft op hoofdlijnen aan hoe het is gesteld met een aantal ambities uit de Omgevingsvisie. Het is de inzet van de provincie om de komende jaren bij de thematische (programma) monitors meer eenduidigheid en samenhang te bewerkstelligen als hiervoor de randvoorwaarden op orde zijn. Hiermee bereiken we een beter en volledig overzicht. In 2026 worden hiervoor de eerste stappen gezet.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 26. De beleidscyclus (bron: Omgevingsbesluit, Rijksoverheid, juli 2018)

Het is ook de ambitie dat programma’s bij het opstellen al meer aandacht besteden aan beleidsmonitoring. Daarbij gaat het om zowel het resultaat (de ‘outcome’) als de gemaakte impact. Programma’s stellen verder op basis van onder andere de monitoring en eventueel ander onderzoek of extra analyses, (eind)evaluaties op om zo het beleid goed te kunnen evalueren. De invloed van de provincie op het bereiken van beleidsdoelen is vaak beperkt, omdat dat deels afhangt van externe factoren en de inzet van partners. Ook zijn effecten soms pas op de langere termijn waarneembaar. Evaluatie van beleidsdoelen is vooral bedoeld om van te leren, verantwoording af te leggen en beleid eventueel bij te sturen.



De Omgevingsvisie wordt gemiddeld eenmaal per coalitieperiode (dus eenmaal per vier jaar) herzien en het streven is om deze eens per vier jaar geëvalueerd. Als hier acties uit volgen, worden die in eerste instantie opgepakt via de programma’s of onze andere instrumenten. De Omgevingsverordening herzien we zo vaak als nodig, gemiddeld eens in de twee jaar.



Naast het monitoren van de resultaten en de impact van beleid, is het belangrijk om de werking van het omgevingsbeleid als geheel te evalueren. De resultaten daarvan kunnen namelijk effect hebben op het gehele samenhangende pakket van Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en programma’s.



We gaan een regionale analyse brede welvaart uitvoeren. Daarmee wordt met een beleidsneutrale en integrale analyse de regionale kwaliteit van het leven en de verdeling hiervan in beeld gebracht. De resultaten hiervan dienen om te reflecteren, onderwerpen op de agenda te zetten en integrale keuzes te maken.

Paragraaf 6.5 Financiële en andere randvoorwaarden

De ruimte in de provincie Utrecht is beperkt, terwijl we bij elkaar opgeteld veel ambities in die ruimte hebben. In Paragraaf 4.9 Omvang opgaven is in beeld gebracht wat dit fysiek-ruimtelijk betekent. Sleutelwoorden daarbij zijn concentreren, combineren en prioriteren. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen is het belangrijk om de centrale uitgangspunten uit de Omgevingsvisie maximaal toe te passen. Ook financieel, organisatorisch en anderszins zijn er diverse uitdagingen. Voor financiering zijn wij deels afhankelijk van middelen van Rijk en Europa. Daarbovenop komt de stikstofproblematiek, netcongestie, achterblijvende waterkwaliteit, schaarste van grondstoffen, krapte op de arbeidsmarkt, et cetera. Ook zijn we voor een deel van de ambities afhankelijk van uitvoering door andere partijen, zoals marktpartijen, gemeenten en waterschappen.



De ambities uit deze visie worden in programma’s omgezet in uitvoerbaar beleid. Programma’s hebben over het algemeen een looptijd van vier tot zes jaar. Ze worden dus periodiek bijgesteld. Zoals in Paragraaf 6.2 Participatie is aangegeven, is veel van het beleid in deze visie al uitgewerkt in lopende programma’s. De financiering en andere genoemde randvoorwaarden zijn onderdeel van de programma’s. De programma’s maken inzichtelijk hoe aan deze randvoorwaarden voldaan wordt. Wanneer de randvoorwaarden niet ingevuld kunnen worden, kan dat leiden tot bijstelling van de doelen in het programma. Dit kan doorwerken in de ambities die in de Omgevingsvisie staan.



Voor de langere termijn hebben we focus aangebracht door gebiedsgericht te prioriteren en keuzes te maken. De ambities waarop via deze prioritering de focus ligt krijgen, als er keuzes nodig zijn, voorrang in het toedelen van geld, mensen, ruimte, grondstoffen enzovoorts. Hiermee brengen we realisme in de Omgevingsvisie en houden we de energie gericht op dat wat het meest belangrijk is. Tegelijkertijd verliezen we de andere ambities niet uit het oog.



Ambities zijn een stip op de horizon en die hebben we nodig om stappen vooruit te zetten, mensen mee te kunnen krijgen en te kunnen lobbyen. Daar zijn de ambities in deze Omgevingsvisie ook op gericht. Op deze ambities bouwen wij onze programma’s en bepalen we bij het opstellen van de diverse programma’s wat de inzet (organisatorisch en financieel) kan zijn onderweg naar het ambitieniveau. Daarnaast monitoren en evalueren we de ambities via deze programma’s en via de monitor omgevingsbeleid, zoals aangegeven in Paragraaf 6.4 Monitoring en evaluatie. Dat heeft bij de eerste wijziging van de Omgevingsvisie (2025/2026) tot enkele bijstellingen van ambities geleid, vooral in de termijn waarop de ambities gerealiseerd kunnen worden. Ook bij komende wijzigingen stellen we waar nodig de ambities bij, zodat we een ambitieus én realistisch toekomstbeeld blijven schetsen.

Paragraaf 6.6 Vergunningverlening, toezicht en handhaving

Met vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) werken we aan een gezonde en veilige leefomgeving. Zo kunnen we het realiseren van inhoudelijke doelen ondersteunen.



De provincie Utrecht werkt bij de uitvoering van vergunningverlening en toezicht en handhaving omgevingsgericht, in afstemming met partners en professioneel. Het optreden van de provincie Utrecht is betrouwbaar, voorspelbaar en transparant. Over de VTH-taakuitvoering leggen we periodiek verantwoording af. Bij de uitvoering van toezicht- en handhaving pakken we slecht naleefgedrag aan door risicogericht, programmatisch en, datagedreven te werken en gedogen wij uitsluitend actief.



We kiezen daarbij voor:

  • een heldere verbinding tussen beleid en vergunningverlening, toezicht en handhaving. Die moeten elkaar aanvullen en versterken;

  • samenhang aanbrengen tussen de verschillende opgaven bij het uitvoeren van onze VTH-taken;

  • samenwerking met partners in de gebieden bij het uitvoeren van onze VTH-taken;

  • een integrale benadering waarin op regionaal niveau is afgestemd over de prioriteiten en over de inzet van de Omgevingsdienst Utrecht;

  • het versterken van contacten tussen initiatiefnemers en omwonenden en organisaties die opkomen voor de leefomgevingskwaliteit. Dit met het doel om problemen zoveel mogelijk vooraf in de informele sfeer op te lossen en daarmee tijdrovende formele procedures achteraf te voorkomen. Ook de omgevingsdienst kan hier een rol spelen;

  • vergunningverlening, toezicht en handhaving richten zich op de bescherming van de fysieke leefomgeving, rekening houdend met de belangen van initiatiefnemers.

De rol van vergunningverlening, toezicht en handhaving kan sterk verschillen. Bij sommige thema’s wordt het bepaald door landelijke regels, bij andere thema’s is er meer eigen beleidsruimte van de provincie. Waar extra inzet van VTH nodig is, vullen we vanuit de omgevingswetprogramma’s de opdracht aan de uitvoeringsdiensten aan.

Hoofdstuk 7 Participatie en onderzoek

De wijziging van de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening is opgepakt in een participatief proces. In dit hoofdstuk is een verantwoording over hoe participatie en ontwerpend onderzoek gebruikt zijn bij het opstellen van de wijzigingen. Het participatieproces ging voornamelijk over de te wijzigen teksten en had de focus op onderwerpen waar geen eerdere participatie over heeft plaatsgevonden. Ontwerpend onderzoek is ingezet om de lange termijn te verkennen, om de opgaven en ambities te verbeelden en om te inspireren. Afsluitend is aangegeven hoe gebruik is gemaakt van de resultaten van bestaande milieueffectrapportages.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 27. Henschotermeer (bron: Utrecht Beeldbank, foto RBT Heuvelrug & Vallei)

Paragraaf 7.1 Totstandkoming

De basis van deze Omgevingsvisie ligt in de eerste Omgevingsvisie provincie Utrecht, die in maart 2021 is vastgesteld. De huidige Omgevingsvisie is een aangepaste versie daarvan. Om de wijziging voor te bereiden, hebben Provinciale Staten in december 2024 de Startnotitie wijziging Omgevingsvisie en –verordening vastgesteld. In 2025 is door het College van Gedeputeerde Staten het gewijzigde document opgesteld, wat heeft geleid tot de Ontwerp wijziging Omgevingsvisie provincie Utrecht.



In de periode 2021-2025 hebben Provinciale Staten (PS) diverse kaderstellende besluiten genomen die bij deze wijziging verwerkt zijn in de Omgevingsvisie. Het betreft:



Kaderstellende besluiten

Vaststelling in PS

Economische Visie 2022-2027

maart 2021

Beleidskader sport en bewegen 2021-2025

april 2021

Kaderstelling Recreatie en toerisme

juni 2021

Middellangetermijnstrategie circulaire samenleving 2025-2035

december 2024

Beleidskader Sociale Agenda

maart 2022

Strategisch bosbeleid

mei 2022

Kaderstelling Cultuur- en Erfgoedprogramma

november 2023

Kader Provinciale Programmering Wonen en Werken 2023-2027

april 2024

Kaderstellende notitie Utrechts Programma Landelijk Gebied

juni 2024

De Utrechtse Klimaataanpak: Naar Netto Nul

juni 2024

Energievisie 2024-2050 en Afwegingskader P-MIEK 2.0

november 2024

Ambities landbouw en voedsel provincie Utrecht 2050

februari 2025

Kaderstelling Beleidsprogramma Recreatie, Toerisme, Sport en Bewegen 2026 – 2029

juni 2025

In de periode 2021-2025 zijn voor diverse programma’s die (participatief) tot stand zijn gekomen, monitorings- en evaluatierapporten opgesteld. De conclusies hieruit werken deels door in de wijziging van de Omgevingsvisie, omdat ze soms ook aangeven of de Omgevingsvisie voor het betreffende onderwerp nog actueel en passend is. Op basis hiervan zijn enkele ambities bijgesteld in formulering of in termijn waarop het realistisch is om deze ambitie te halen.

Paragraaf 7.2 Participatie

Participatie vormgeven is een belangrijk onderdeel van het werken met de Omgevingswet. Bij het schrijven van dit document gingen we in een vroeg stadium in gesprek met partners en met inwoners. Doel was om verschillende perspectieven, kennis en creativiteit op tafel te krijgen. Zo zorgden we ervoor dat we tot goede oplossingen kwamen voor uitdagingen die voor veel mensen herkenbaar zijn. Hiermee werkten we ook aan draagvlak voor de wijzigingen. Deze werkwijze is niet nieuw: bij het schrijven van de Omgevingsvisie van 2021 begonnen we al in 2017 na te denken over de provincie Utrecht van de toekomst.



Voor de eerste Omgevingsvisie hebben we in de eerste helft van 2018 samen met medeoverheden, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners nagedacht over de provincie Utrecht van de toekomst. Met als resultaat de ‘Horizon Utrecht 2050’. Deze Horizon gaf de kansen, opgaven en uitdagingen voor onze fysieke leefomgeving en vormde de basis voor de visie op 2050. Eind 2018 is de richting en kern van het omgevingsbeleid vastgelegd: nieuwe ontwikkelingen concentreren en combineren om zo de Utrechtse kwaliteiten te beschermen en te ontwikkelen. In 2019 is de concept Ontwerp Omgevingsvisie opgesteld. Hiervoor hebben wij onder andere verschillende ateliers met experts, inhoudelijke werkbijeenkomsten voor grote wijzigingen, dialogen met de samenleving en specifiek met jongeren, en ambtelijke en bestuurlijke regiodialogen georganiseerd. Ook hebben diverse interactieve werksessies met leden van Provinciale Staten plaatsgevonden. Over het concept Ontwerp heeft een consultatieronde plaatsgevonden, waarna het Ontwerp is vastgesteld en ter inzage gelegd.



Ook voor de wijziging is een uitgebreid participatietraject georganiseerd. Er is een scenariostudie naar de lange termijn, tot 2100, uitgevoerd die voorgelegd is aan diverse partijen. Hiervoor is ook een interactieve werksessies met leden van Provinciale Staten georganiseerd. Andere werksessies met PS gingen over sturingsfilosofie en provinciale belangen en over thema’s en gebieden. Ook met maatschappelijke organisaties, bedrijven en inwoners spraken we over de wijzigingen in de diverse thema’s.



Net als bij de eerste Omgevingsvisie zijn we specifiek met jongeren in gesprek gegaan. Dat hebben we gedaan via het traject ‘Jong Utrecht Aan Zet’ (zie box). Overleg met de medeoverheden vond plaats via de regio’s en via de Utrechtse Waterpartners. Ter afsluiting is met medeoverheden en maatschappelijke organisaties in gebiedsgerichte bijeenkomsten gesproken over hoe zij denken over de wijzigingen en over welke prioriteiten en keuzes in een gebied belangrijk zijn. De opbrengst van het participatietraject is terug te lezen in het participatieverslag. We maakten gebruik van de opbrengst uit andere participatietrajecten, zoals die van het Utrechts Programma Landelijk Gebied, het beleidsprogramma Energietransitie, de Klimaatverkenning 2050 en het Beleidsprogramma Recreatie, Toerisme, Sport en Bewegen.



De volgende middelen zijn ingezet om de verschillende doelgroepen te bereiken:

Periode

Middel

Doelgroep

Uitleg

Q1 2025

Reactie startnotitie

Medeoverheden

Maatschappelijke organisaties

Check of partijen aanvullingen hadden en zich konden vinden in de te wijzigen onderwerpen.

Q2 2025

Thema gesprekstafels

Maatschappelijke organisaties

Gesprekstafels per (clustering van) thema(s) om de belangen van diverse stakeholders gezamenlijk op tafel te leggen en te bespreken.

Q2 2025

Jong Utrecht aan Zet

Jongeren (MBO, HBO, Universiteit)

Interactieve werksessies met studenten waar voor hen belangrijke maatschappelijke thema’s werden besproken. Studenten hebben zelf oplossingen bedacht voor de problemen van deze tijd. 

Q2 2025

Thema markt (2 keer)

Inwoners en ondernemers

Uitleg over beoogde wijzigingen en impact ervan op gebieden, bespreken schuurpunten.

Q3 2025

Gebiedsgesprekken

Medeoverheden

Maatschappelijke organisaties

Inzoomen op de stapeling en prioritering in de gebieden. Doorspreken van belangrijkste thematische wijzigingen.

Q3 2025

Consultatie wijzigingen

Medeoverheden

Medeoverheden konden meelezen met de belangrijkste wijzigingen. Feedback is verzameld en verwerkt waar mogelijk

Q4 2025

Bestuurlijke consultatie

Medeoverheden

In gesprek met bestuurders van de bestuurlijke regio’s over de belangrijkste wijzigingen in de visie en verordening. Feedback is verzameld en waar mogelijk verwerkt.

Q1 2026

Vragenuurtjes

Inwoners & organisaties

Mogelijkheid tot het stellen van vragen

Box Jong Utrecht aan Zet

De box is hier te lezen: Box Jong Utrecht aan Zet

Paragraaf 7.3 Ontwerpend onderzoek

Met ontwerpend onderzoek kunnen mogelijke toekomsten worden verkend, kunnen opgaven in beeld worden gebracht en kan worden verbeeld tot welk beeld de beleidskeuzes leiden. Bij de Omgevingsvisie is ontwerpend onderzoek op verschillende manieren ingezet. Ten eerste door in 2025 vier lange termijnperspectieven voor de provincie Utrecht in 2100 uit te werken (zie box Doorkijk naar 2100). Hieruit hebben we lessen gehaald over waar we nu op moeten inzetten om goed voorbereid de toekomst tegemoet te gaan.

Daarnaast is ontwerpend onderzoek ingezet om de inhoudelijke uitwerking van de wijziging Omgevingsvisie te voeden. Het verbeelden van ruimtelijke opgaven en ambities helpt om bewustwording van thematische ruimteclaims te stimuleren en nieuwe ideeën bespreekbaar te maken. Het proces van gezamenlijk verkennen, onderzoeken en uittekenen tijdens ontwerpateliers zorgt voor verbinding tussen de verschillende thema’s en voor begrip voor elkaars belangen. De thematische verbeelding van ruimtelijke opgaven vormde de basis voor de gebiedsgerichte uitwerking, waarbij aan de hand van kaartbeelden van de stapeling van opgaven de samenhang en spanningen tussen verschillende thema’s duidelijk werden. Op basis van deze kaarten kwamen in gebiedsateliers goede gesprekken op gang over keuzes en prioritering per gebied.

Ten derde is ontwerpend onderzoek in gezet om te inspireren en prikkelen. Door gezamenlijk in ontwerpateliers met aansprekende beelden aan de slag te gaan, ontwikkel je nieuwe ideeën en ontstaat er motivatie en draagvlak om tot een goed resultaat te komen.



Ontwerpend onderzoek – en specifiek het werken met kaarten – helpt om gezamenlijk tot inhoudelijke verdieping, scherpte in keuzes en verbinding tussen thema’s te komen en draagt bij aan het creëren van een prettige en inspirerende werkcultuur.

Paragraaf 7.4 Proces richting vaststelling

De Omgevingsvisie en Omgevingsverordening kennen een grote samenhang en zijn daarom parallel aan elkaar voorbereid en vastgesteld. Op 16 december 2025 hebben Gedeputeerde Staten de gewijzigde Ontwerp Omgevingsvisie en gewijzigde Ontwerp Omgevingsverordening vastgesteld. De Ontwerp Omgevingsvisie en de Ontwerp Omgevingsverordening liggen in de periode van 6 januari t/m 16 februari 2026 ter inzage. In die periode kan iedereen die dat wil reageren door een zienswijze in te dienen. De ontvangen zienswijzen worden betrokken bij het opstellen van de definitieve documenten. De manier waarop met de ingekomen zienswijzen wordt omgegaan nemen we op in een Nota van Beantwoording. Besluitvorming over de definitieve gewijzigde Omgevingsvisie en Omgevingsverordening door Provinciale Staten vindt in de 2e helft van 2026 plaats.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding 28. Tijdlijn omgevingsbeleid (bron: provincie Utrecht)

Paragraaf 7.5 Milleueffectrapport

Op 17 maart 2020 hebben Gedeputeerde Staten een milieueffectrapport (planMER) vastgesteld ter ondersteuning van de visievorming en de besluitvorming over de Omgevingsvisie en –verordening. Dit milieueffectrapport gebruiken we ook als basis voor de gewijzigde Omgevingsvisie. Daarnaast zijn de inzichten uit diverse thematische milieueffectrapporten betrokken bij de wijzigingen van de Omgevingsvisie en -verordening. Het gaat om de milieueffectrapporten voor het Utrechts Programma Landelijk Gebied, voor Windenergie in de Provincie Utrecht en voor het Provinciaal Programma Wonen en Werken.



Het planMER uit 2020 geeft inzicht in de effecten van het beleid uit de Omgevingsvisie van 2021 op de Utrechtse leefomgeving. Hierbij is niet alleen gekeken naar de gevolgen voor het milieu, maar ook naar de gevolgen voor bijvoorbeeld wonen en sociale inclusiviteit. Deze brede integrale beoordeling past bij de Omgevingswet. Ook geeft het planMER inzicht in de synergiën of juist mogelijke tegenstrijdigheden tussen de verschillende ambities uit de Omgevingsvisie.



In de wijziging van de Omgevingsvisie en -verordening zijn geen kaders opgenomen voor nieuwe activiteiten die om een (aanvulling van de diverse) milieueffectrapport(en) vragen. De beleidswijzigingen van de bestaande kaders zijn niet zodanig dat deze aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu zouden kunnen hebben die nog niet onderzocht zijn in de huidige planMER voor de Omgevingsvisie of in een planMER bij één van de programma’s. Ook worden geen significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden verwacht die nog niet onderzocht zijn in de bij de planMER voor de Omgevingsvisie opgestelde Passende Beoordeling voor N2000-gebieden.

Lijst van Boxen

Box Doorkijk naar 2100

De ruimtelijke keuzes die we nu maken, werken decennia en soms eeuwen door. Daarom is het belangrijk om ver vooruit te kijken. Dit hebben we gedaan door samen met bureau Flux landcape architecture een verkenning naar 2100 uit te voeren. In dit ontwerpend onderzoek worden vier ruimtelijke langetermijnperspectieven voor de provincie Utrecht in 2100 uitgewerkt en vergeleken met ons huidige beleid.



De verkenning toont vier mogelijke toekomstbeelden voor de provincie Utrecht in 2100. Het zijn inspirerende verhalen, verbeeld met aansprekende visualisaties:

  • Metropolitaan Utrecht, een provincie met hoogstedelijke kwaliteiten en parkachtige natuurgebieden.

  • Krachtige Utrechtse Regio’s, waarin regionale karakteristieken worden benadrukt.

  • Natuurlijke Utrechtse Delta, een toekomst waarin we meebewegen met de dynamiek van het water.

  • Pragmatisch Utrecht, waarin vele verschillende initiatieven een plek kunnen vinden.

Het denken vanuit de lange termijn plaatst opgaven in perspectief, helpt bij het leggen van verbindingen tussen thema’s en leert ons lessen over waar we nu op moeten inzetten om goed voorbereid de toekomst tegemoet te gaan. We maken geen keuze voor een optimaal eindbeeld, maar gebruiken de toekomstbeelden als middel om het gesprek te voeren over verschillende mogelijke toekomsten en mogelijke ruimtelijke ordeningsprincipes die we daarbij kunnen inzetten. In alle toekomstbeelden komt naar voren dat de gevolgen van klimaatverandering op de lange termijn een flinke impact hebben op de ruimtelijke inrichting en de gezondheid en risico’s voor mens, dier en plant.



Uit het ontwerpend onderzoek halen we verschillende inzichten voor de richting en keuzes in onze Visie op 2050. Zo laat ‘Natuurlijke Utrechtse Delta’ zien hoe we toekomstbestendiger worden op de lange termijn door ons langzaamaan aan te passen aan de natuurlijke condities van het bodem- en watersysteem. Maatregelen als het inrichten van grootschalige waterberglocaties en opzetten van het peil in de veenweidegebieden passen daarbij. Een ander inzicht is dat het compact verstedelijken rond ov-knooppunten in elk toekomstbeeld terugkomt, uiteraard het sterkst in Metropolitaan Utrecht. Ook een robuust natuurnetwerk, met name langs de grote waterlopen, is als fundament onder elk van de toekomsten aanwezig. In Krachtige Utrechtse Regio’s wordt dit aangevuld met een strategie gericht op fijnmazigheid en schaalverkleining van het landschap. Maatregelen als groenblauwe dooradering, ecologisch bermbeheer en aanleg van kleine landschapselementen passen daarbij.



Naast de thematische inzichten zien we ook dat de verschillende toekomstbeelden goed op verschillende gebieden toepasbaar zijn. Zo past Krachtige Utrechtse Regio’s goed bij het landelijk gebied, Metropolitaan Utrecht bij de stedelijke opgave en Natuurlijke Delta bij laag Utrecht. De vier toekomstbeelden bieden zodoende verschillende ingrediënten, die elkaar aanvullen en door elkaar gebruikt kunnen worden.



We hebben bij het opstellen van de Omgevingsvisie gemerkt dat de verkenning ‘Provincie Utrecht 2100’ goede gesprekken over de verre toekomst op gang heeft gebracht. Graag blijven hierover ook de komende jaren met onze partners in gesprek.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding a. Vier toekomstperspectieven voor de provincie Utrecht in 2100 (bron: Flux landscape architecture, 2025)

Box Omgevingsdata en toepassingen: wij werken samen

Omgevingsdata zijn een krachtig hulpmiddel bij de ruimtelijke opgaven waar wij voor staan, bij uitstek bij vraagstukken waar integraliteit en een gebiedsgerichte aanpak nodig zijn.



De mogelijkheden worden in de toekomst alleen maar groter. Voor het ontwikkelen en uitvoeren van ons omgevingsbeleid willen wij die kansen dan ook optimaal benutten. Dit doen we door onze datakwaliteit op een hoog niveau te houden, samen te werken en te blijven innoveren. We zetten digitale scenario’s en AI in voor ruimtelijke opgaven. Samen met onze partners bepalen we hoe we onze rol voor de regio op dit gebied invullen en hoe we bedrijven en kennisinstellingen betrekken.



Om de doelen uit de Omgevingsvisie te bereiken, is samenwerking noodzakelijk. Goede, passende en snelle gegevensuitwisseling en een betrouwbare en gedeelde informatiebasis tussen betrokken partijen zijn daarvoor essentieel. Betere uitwisseling van data draagt ook bij aan gelijkmatige werkwijzen en duidelijkere afspraken. We hebben hiervoor afspraken gemaakt in de samenwerkingsagenda Zicht Op Utrecht (ZOUT) met onze partners. Hierdoor vinden we antwoorden op vragen zoals: hoe meten we de effecten? Hoe slaan we de fysieke leefwereld digitaal op? Hoe werken we met digitale scenario’s voor ruimtelijke vraagstukken?



Omgevingsdata zijn ook een van de basisingrediënten van de formele digitale publicatie van onze ruimtelijke besluiten in het provinciaal blad en de dienstverlening via het Omgevingsloket. Alle omgevingsdata die zijn vastgelegd in onze Omgevingsvisie en -verordening hebben juridische status. In het Omgevingsloket is via een klik op de kaart dan ook te vinden welke teksten op een bepaalde plek van toepassing zijn. Zo kan een belanghebbende sneller vinden wat hij/zij nodig heeft. Ook voor onze interne processen biedt dit sneller inzicht in de ruimtelijke afwegingen.

Wij delen onze omgevingsdata en relevante toepassingen via https://geo-point.provincie-utrecht.nl, zodat ook anderen er gebruik van kunnen maken.

Box Werken aan een gezonde en veilige leefomgeving

Voor het beschermen en bevorderen van een gezonde en veilige leefomgeving hanteren we 6 hoofdprincipes, die aansluiten bij elementen van brede welvaart. De basis voor deze hoofdprincipes wordt gevormd door het natuurlijke systeem van bodem, water en natuur.

Per hoofdprincipe zijn er een groot aantal belangen, inrichtingsprincipes en advieswaarden samengebracht in de Gezondheidsscan.

Onze inzet is om tot integraal afgewogen inrichtingskeuzes te komen waarbij ook gezondheid en veiligheid goed worden meegenomen. De Gezondheidsscan is hiervoor een hulpmiddel. We benutten hierbij de kennis en expertise van de GGD en de VRU.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding b. Een gezonde leefomgeving (bron: provincie Utrecht)

Box Klimaatverkenning Utrecht 2050

Op 19 juni 2025 kwamen in de Statenzaal van het Huis voor de provincie Utrecht zo’n twintig vertegenwoordigers van gemeenten, partnerorganisaties en bewonersinitiatieven bijeen voor de klimaatverkenning 2050: samen bogen zij zich over de vraag hoe een klimaatneutrale provincie Utrecht eruit kan zien, welke dilemma’s er spelen en welke keuzes voorrang zouden moeten krijgen.

De verkenning begon met twee uitersten: ‘Hoe hoop je dat de provincie Utrecht er in 2050 uitziet?’ en ‘Waar ben je bang voor?’ Het droomscenario schetst een provincie met een gezond en natuurlijk karakter. Biodiversiteit is overal zichtbaar, voedselproductie is lokaal, de landbouw is duurzaam en de economie is circulair. Energie wordt schoon en eerlijk opgewekt, slim gekoppeld en opgeslagen. Wijken zijn groen, gezond en betaalbaar en mobiliteit is stil en collectief. Ecologie en economie versterken elkaar, brede welvaart is de norm. Het doemscenario toont het tegenovergestelde: een dichtgeslibde en versteende provincie waarin infrastructuur en woningbouw de natuur verdringen. Auto’s en vliegtuigen domineren, de vervuiling neemt toe en duurzame alternatieven komen niet van de grond. Biodiversiteit en leefkwaliteit brokkelen af, ongelijkheid groeit en beleidsvoornemens leveren weinig tastbare veranderingen op.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding c. Toekomstschets van provincie Utrecht met ideeën uit de Klimaatverkenning

Tussen deze uitersten formuleerden deelnemers aan de verkenning uitgangspunten voor het behalen van ons klimaatdoel voor 2050: een klimaatneutrale provincie in dat jaar. Volgens hen moet Utrecht samenwerken over grenzen en belangen heen, met duurzaamheid als motor van verbinding. Groen en natuurinclusiviteit worden de norm, net als circulair leven zonder afval. Energie is eerlijk, hernieuwbaar en zoveel mogelijk lokaal opgewekt. Het platteland blijft vitaal met (onder andere) regeneratieve landbouw, terwijl steden en dorpen klimaatbestendig en gezond zijn ingericht.

Deze uitgangspunten zijn verbeeld in een toekomstschets voor 2050: het gaat om meer dan CO₂-reductie alleen: het draait om een provincie die gezond, leefbaar en inclusief is, met brede welvaart voor huidige én toekomstige generaties.

Box Hoe extreem kan het worden?

Door klimaatverandering komen extreme weersomstandigheden vaker voor en ook vaker onverwacht. Wat vandaag nog ondenkbaar lijkt, kan morgen werkelijkheid zijn. De extremen van nu worden het normaal van de toekomst. Steeds vaker worden we verrast door extreem weer - met ontwrichtende gevolgen voor onze samenleving, infrastructuur, natuur, economie en gezondheid. Als we niets doen zullen deze onvoorziene weersextremen ons steeds vaker raken. Door nu te investeren in klimaatadaptatie - in zowel de fysieke leefomgeving als in sociale weerbaarheid – kunnen we ons voorbereiden en schade beperken.



We schetsen hier drie voorbeelden van extreme weersomstandigheden die realistischer zijn dan we misschien willen geloven:



Scenario regenwaterrivieren: van levensader naar droogvallende rivier

Smeltend water van gletsjers en regen voeden de Rijn. Dit zorgt voor een constante aanvoer van water door de Rijn. Door klimaatverandering worden gletsjers kleiner en verwachten we meer perioden van droogte. In een extreem scenario waarin de gletsjers verdwijnen en er minder regen valt, daalt het waterpeil in de Rijn drastisch. Buurlanden onttrekken hun deel en Nederland blijft achter met een lege rivierbedding. De gevolgen zijn ingrijpend:

  • Zout water vanuit zee dringt diep het binnenland in.

  • Drinkwaterwinning uit rivierwater stopt, met drinkwatertekorten als gevolg.

  • Scheepvaart is niet meer mogelijk, wat directe economische schade oplevert.

  • Water uit de grote rivieren de polders in laten stromen is niet meer mogelijk. De gevolgen voor het veenweidegebied, de landbouw en de natuur zijn groot.

Scenario snikheet: langdurige hitte boven 40 ℃

De kans op langdurige perioden van extreme hitte neemt toe. Een langdurige hittegolf met temperaturen boven de 40 ℃ heeft ontwrichtende gevolgen voor de maatschappij en natuur:

  • Mens en dier raken oververhit. Hittestress leidt tot gezondheidsklachten, uitputting en sterfte, vooral onder kwetsbare groepen.

  • Natuurbranden ontstaan razendsnel, zelfs op onverwachte plekken zoals bermen en stadsranden.

  • Energie- en vervoerssystemen vallen uit, omdat deze niet meer gekoeld kunnen worden.

  • Het kan voorkomen dat het eerste scenario van droogvallende rivieren samenvalt met dit scenario van langdurige extreme hitte. Dan zullen de gevolgen van beide scenario’s nog groter zijn.

Scenario watersnood uit de lucht: regenbuien met een hoge intensiteit

De intensiteit van regen neemt toe. Een recent voorbeeld hiervan is de regenbui met hoge intensiteit die in 2021 in Limburg viel. De hoeveelheid regen was ongekend en de afvoer en berging lieten te wensen over. Als een soortgelijke bui valt in de provincie Utrecht, zijn de gevolgen groot:

  • Steden en dorpen lopen binnen minuten onder water.

  • Huizen en tunnels en vitale infrastructuur raken beschadigd en onbruikbaar.

  • Verzekeringsclaims lopen op, net als herstelkosten en mentale schade.

  • De hoeveelheid water overschrijdt de capaciteit van ons huidige systeem.

Box Hitte: een urgent en onderbelicht thema

Het veranderende klimaat zorgt voor steeds hogere temperaturen en langere perioden van hitte. Deze opwarming raakt ons allemaal, maar heeft op bepaalde plekken en voor specifieke groepen mensen extra grote gevolgen. Juist in dichtbebouwde, versteende gebieden zonder voldoende groen of water, lopen de temperaturen snel op. Hier kunnen hittestress en nachthitte de leefbaarheid sterk onder druk zetten.



Terwijl overstromingen of stormschade vaak direct zichtbaar en tastbaar zijn, blijven de effecten van hitte – zoals oversterfte, overbelasting van de zorg en verminderde leefbaarheid – vaak onzichtbaar. Dit maakt hitte tot een sluipend risico dat snel wordt onderschat. Juist daarom is het belangrijk dat hitte hoger op de agenda komt. Alleen door het structureel mee te nemen in integraal beleid, kunnen we de samenleving beter beschermen tegen extreme warmte.



Hitte is dus niet alleen een gezondheidsprobleem, maar ook een ruimtelijk vraagstuk. De manier waarop we onze leefomgeving inrichten – van straatniveau tot wijk en regio – bepaalt in belangrijke mate hoe goed we bestand zijn tegen extreme warmte.

Daarom willen we hitte structureel meenemen in ruimtelijke beleidskeuzes en projecten. Denk aan:

  • stedelijke verdichting met oog voor koelte: door bij binnenstedelijke woningbouwprojecten en transformaties nadrukkelijk te sturen op vergroening, schaduw en ventilatie;

  • koele netwerken in de wijk: aaneenschakeling van groene en waterrijke plekken die verkoeling bieden tijdens hete dagen en die goed bereikbaar zijn voor iedereen;

  • slimme inrichting van infrastructuur en buitenruimte: materialen en ontwerpprincipes toepassen die hittestress beperken (zoals lichte verharding, schaduwstructuren en waterdoorlatende ondergronden);

  • aandacht voor kwetsbare plekken en doelgroepen: via hittestresstesten in ruimtelijke plannen én via sociaal-ruimtelijke interventies zoals koelteplekken in de buurt, hittebestendige woonzorglocaties en toegankelijke openbare koele gebouwen.

Niet iedereen is in staat zich zelfstandig tegen hitte te beschermen. Dit maakt hitte ook een thema van sociale ongelijkheid. Zo hebben mensen in kwetsbare wijken vaker te maken met slecht geïsoleerde woningen, weinig groen en beperkte sociale netwerken. Hier willen we als provincie, samen met gemeenten en GGD Regio Utrecht, op inspelen via lokale hitteplannen, bewustwordingscampagnes en ruimtelijke investeringen.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding d. Hitte in de stad (bron: Thomas Klomp)

Onze ambitie is dat hitte uiterlijk in 2028 een vast onderdeel is van de beleids- en uitvoeringspraktijk bij gemeenten en samenwerkingspartners. Dat doen we via het ‘Integraal Actieplan Hitte’, waarin de thema’s gebied, gebouw en gezondheid samenkomen. Hiermee sluiten we aan op de landelijke Hitteaanpak 2025 en leggen we een duidelijke koppeling met de fysieke leefomgeving.

Box Europese natuurherstelverordening

Doel: stoppen en herstellen van de achteruitgang van de biodiversiteit in Europa.



De in 2024 van kracht geworden Europese Natuurherstelverordening (NHV) heeft als doel de biodiversiteit te herstellen en de achteruitgang te stoppen. Het specifieke doel van de verordening is om gedegradeerde ecosystemen in de gehele EU tegen 2050 in een goede staat te brengen en tegen 2030 goed op weg te zijn naar herstel. De natuurhersteldoelen in de NHV hebben betrekking op een breed scala aan ecosystemen, namelijk: terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen, mariene ecosystemen, stedelijke ecosystemen, rivieren en uiterwaarden, landbouwecosystemen en bosecosystemen. Voor deze ecosystemen zijn in de NHV meerdere op herstel gerichte bindende streefdoelen en resultaatverplichtingen opgenomen.



De NHV overlapt met een groot aantal internationale en Europese regels die al van toepassing zijn, zoals de Vogel- en Habitatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water, en concretiseert de doelen en tijdspaden. Met name voor stedelijke ecosystemen, herstel van bestuiverpopulaties en landbouwecosystemen zijn er opgaven in de NHV opgenomen die bestaand beleid aanvullen. Dit heeft onder meer betrekking op de verbetering van de biodiversiteit, zoals insectenpopulaties, het herstel van de populaties van boerenlandvogels en het herstel van organische bodems (met betrekking tot ontwaterde veengebieden).

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding e. Bestuiving gewone brem door sachembij (bron: Tjomme Fernhout)

De NHV verplicht de lidstaten om binnen twee jaar (medio 2026) een natuurplan op te stellen. Hierin moeten doelstellingen worden aangeven voor 2030, 2040 en 2050. Het Rijk is dus primair verantwoordelijk voor de implementatie van de verordening. Maar veel van de opgaven die in de verordening zijn opgenomen komen naar verwachting bij provincies terecht, gezien de beleids- en uitvoeringsverantwoordelijkheid die zij hebben voor het onderwerp natuur.

Box Natuurverbindingen

In de provincie Utrecht onderscheiden we natuurverbindingen op drie niveaus:



Robuuste ecologische structuren: Dit zijn grote aaneengesloten eenheden van natuur: de Utrechtse Heuvelrug, de Natte as door het veenweidegebied en het rivierengebied langs de Nederrijn en Lek. Hier liggen grote oppervlaktes van het Natuurnetwerk Nederland. Het is de basis voor onze natuur, waarin soorten hun hele levenscyclus kunnen voltooien en van waaruit ze zich verder kunnen verspreiden over de provincie en naar aangrenzende provincies. Toch ontbreken er nog schakels, en er zijn barrières om op te lossen, zoals aanwezige wegen en stuwen. We vullen ontbrekende schakels in en streven ernaar om de knelpunten op te lossen, zodat grote robuuste natuursystemen ontstaan die tegen een stootje kunnen.



Ecologische verbindingen: De ecologische verbindingen verbinden de grotere en kleinere natuurgebieden met elkaar. Dit zorgt voor een natuurnetwerk van voldoende omvang, waardoor bijzondere soorten ook in de kleinere natuurgebieden blijven bestaan. De verbindingen bestaan vaak uit brede watergangen of brede beplantingsstroken met kruidenrijke randen. De ecologische verbindingen zijn soms ook een op zichzelf staand natuursysteem, zoals bijvoorbeeld de Kromme Rijn. Wanneer zo’n systeem optimaal wordt ingericht met bijvoorbeeld natuurlijke oevers en een gezond waterpeil, kunnen veel soorten in dit systeem leven en zich verspreiden in de haarvaten van het natuursysteem. Ook hier is het van belang om knelpunten met infrastructuur op te lossen. Op enkele plaatsen zijn ‘stapstenen’ in de vorm van kleine natuurgebieden nodig.



Groenblauwe dooradering
: Met de groenblauwe dooradering willen we het landelijk gebied buiten de natuurgebieden geschikt maken voor de (voorheen) algemene soorten planten en dieren. De dooradering bestaat uit natuurvriendelijk ingerichte en beheerde sloten en andere landschapselementen zoals houtwallen, voederhagen, kleine bosjes en poelen. Ook kruidenrijke randen langs akkers en weilanden, bloeiende bermen, bomenrijen en soortenrijke dijken horen bij de groenblauwe dooradering. De provincie stimuleert de aanleg via subsidies en via het Platform Groenblauwe Dooradering, waarin veel verschillende partijen samenwerken. Het beheer loopt op veel plekken via het agrarisch natuurbeheer. Overheden hebben een eigen verantwoordelijkheid voor het natuurvriendelijk beheer van de terreinen die in hun bezit zijn.

afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling
afbeelding binnen de regeling

Afbeelding f. Foto's van diverse natuurverbindingen in de provincie Utrecht (bron: NMU en Provincie Utrecht)

Box Energiesysteem van de toekomst

In 2050 beschikt de provincie Utrecht over een volledig duurzaam en fossielvrij energiesysteem. Energie wordt voornamelijk lokaal opgewekt uit zon en wind, aangevuld met warmte uit bodem, water en lucht. Deze duurzame bronnen voorzien woningen en bedrijven van warmte via collectieve warmtenetten en elektrische warmtepompen. Slimme netwerken zorgen ervoor dat vraag en aanbod continu op elkaar afgestemd blijven, met behulp van opslag, flexibele opwek en vraagsturing. Energie wordt niet alleen duurzaam geproduceerd, maar ook eerlijk verdeeld: bewoners en bedrijven zijn mede-eigenaar van lokale energieprojecten, wat zorgt voor draagvlak en betrokkenheid. Voor de aanpak van netcongestie investeert de provincie samen met netbeheerders in het versterken en uitbreiden van de elektriciteitsinfrastructuur. Nieuwe verbindingen, zwaardere kabels en slimme oplossingen zorgen ervoor dat duurzame energie betrouwbaar getransporteerd kan worden, nu en in de toekomst.



Duurzame opwek uit zon wordt waar mogelijk gekoppeld aan de gebiedsgerichte aanpak in het landelijk gebied en het verduurzamen van bedrijventerreinen. Hierbij wordt rekening gehouden met natuur, landbouw, landschap en de lokale gemeenschap. Deze meervoudige benadering zal het vaak mogelijk maken om energieopwekking in te passen op een manier die waarde toevoegt aan het gebied.



Door regionale samenwerking en stapsgewijze ontwikkeling richting 2030 en 2040 werkt Utrecht toe naar een klimaatneutraal 2050, met een veerkrachtig, circulair energiesysteem als basis.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding g. Energiesysteem van de toekomst (bron: provincie Utrecht)

Box R-ladder

De R-ladder is een model dat inzichtelijk maakt hoe we anders met onze grondstoffen om kunnen gaan en onze economie circulair kunnen maken. Circulaire strategieën die hoger op de ladder staan besparen meer grondstoffen. De R-ladder geeft de mate van circulariteit aan. Deze ladder heeft zes treden (R1 tot en met R6) die verschillende strategieën van circulariteit weergeven. Hoe hoger een strategie op de R-ladder staat, hoe meer circulair de strategie is, waarbij R1 de hoogste trede is. Uiteindelijk begint circulariteit helemaal boven aan de ladder, bij het productontwerp. Hier wordt gekeken naar de functie van het product, de oorsprong van grondstoffen en energie om het te fabriceren, de manier waarop de afnemer het product gebruikt, herstelt en afneemt en het businessmodel waarbinnen dit alles gebeurt. We streven er naar strategieën zo hoog mogelijk op de R-ladder toe te passen.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding h. R-ladder (bron: Planbureau voor de Leefomgeving)

Box Bedrijventerreinen als fundament voor de circulaire transitie

De circulaire transitie vraagt niet alleen om een andere manier van produceren en consumeren, maar leidt ook tot in ieder geval 2040 tot een toenemende en veranderende vraag naar ruimte van bedrijven (Stec Groep, 2023). Bedrijventerreinen spelen in de circulaire transitie een rol. Deze terreinen kunnen ruimte bieden aan bedrijfsactiviteiten die essentieel zijn voor de circulaire economie, zoals: recycling, logistiek, opslag en productie. Activiteiten als recycling en productie vereisen vaak veel milieuruimte, vanwege de impact op de omgeving. Tegelijkertijd zullen water- en kadegebonden bedrijventerreinen een sleutelrol spelen in het bulktransport van grondstoffen en vormen deze terreinen een essentiële schakel in nationale en internationale ketens.



Dergelijke terreinen zijn echter schaars in onze provincie, wat de noodzaak onderstreept om zorgvuldig om te gaan met de bestaande ruimte. Een belangrijk knelpunt is dat veel ruimte op bedrijventerreinen onder druk staat, onder andere vanwege de woningbouwopgave en ontwikkelingen in de landbouw. Het beschermen van deze strategische plekken is daarom essentieel. Daarnaast is het beter benutten van bestaande terreinen een belangrijke opgave. Dit vraagt om slimme combinaties van functies. De ruimte op deze terreinen moet zo optimaal mogelijk worden ingevuld, met bedrijven die zich vanwege hun milieuhinder niet in gemengde gebieden kunnen vestigen. Een sleutelbegrip in deze ruimtelijke puzzel is ‘schuifruimte’. Hiermee wordt bedoeld: het creëren van flexibiliteit binnen het bestaande aanbod van werklocaties.



De ruimtevraag zal de komende jaren blijven toenemen. Adviesbureau Stec Groep (2025) concludeert uit onderzoek dat de ruimtevraag op bedrijventerreinen in Nederland tot 2050 met 6 tot 15% zal toenemen. Tegelijkertijd is het niet realistisch om te verwachten dat er op korte termijn veel ruimte vrijkomt. Dit betekent dat circulaire en lineaire bedrijvigheid voorlopig naast elkaar zullen bestaan, wat de druk op de ruimte verder vergroot. De afbeelding van Stec Groep (2023) laat dit zien. In het algemeen is het ruimtebeslag van een circulaire economie groter dan dat van een lineaire economie. Tot 2040 stijgt het ruimtebeslag onder andere door benodigde schuifruimte. In de periode 2040-2050 zal het ruimtebeslag stabiliseren, maar wel groter zijn dan de benodigde ruimte in een lineaire economie. Bedrijventerreinen vormen daarmee niet alleen een fysieke, maar ook een strategische basis voor de circulaire economie. Dit vraagt om een doordachte ruimtelijke strategie waarin bedrijventerreinen een centrale rol spelen en schuifruimte als essentieel instrument wordt ingezet.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding i. Circulaire transitie (bron: Stec groep, 2023)

Box Definitie van bereikbaarheid

In ons beleid staat bereikbaarheid centraal. Mobiliteit zien wij als middel, niet als doel op zich. Het stelt mensen in staat volwaardig deel te nemen aan de samenleving: een boterham te verdienen, zich te ontplooien, voor zichzelf en anderen te zorgen en sociale contacten te onderhouden. Ook bedrijven profiteren van een goede bereikbaarheid, omdat het hen in staat stelt medewerkers, klanten en goederen efficiënt te laten reizen of vervoeren. Bereikbaarheid gaat daarmee ook over gelijke kansen, inclusie en een gezonde leefomgeving. Om dat te waarborgen, zetten wij in op een mobiliteitssysteem waarin alle modaliteiten volwaardig worden meegenomen: te voet, per fiets (waaronder e-bike), per deelmobiliteit (zoals deelauto’s, deelfietsen, deelscooters en bakfietsen), per auto, per trein, tram of bus, én via goederenvervoer over weg, water of spoor. Elk van deze vormen draagt op zijn eigen manier bij aan een bereikbaar, inclusief en gezond Utrecht. We stimuleren slimme combinaties van vervoermiddelen, afgestemd op het moment, het reisdoel en de kenmerken van het gebied.



Naast mobiliteit spelen ook andere factoren een rol, zoals de nabijheid en mix van wonen, werken en voorzieningen. Hierdoor kan bereikbaarheid nooit overal gelijk zijn en is mobiliteit niet altijd dé oplossing voor bereikbaarheidsproblemen. Daarom streven wij naar een duurzame, veilige en gezonde bereikbaarheid die recht doet aan de kenmerken van ieder gebied. Zo versterken wij de sociale samenhang, dragen we bij aan de klimaatopgave en zorgen we dat iedereen in de provincie Utrecht mee kan doen.



De bereikbaarheidsmaat van de provincie Utrecht laat zien dat de bereikbaarheid in de hele provincie Utrecht op dit moment goed is. Dat geldt voor zowel arbeidsplaatsen als voor de bereikbaarheid van het voortgezet onderwijs. In vrijwel de hele provincie zijn bijvoorbeeld 10.000 arbeidsplaatsen binnen 45 minuten te bereiken met alle modaliteiten (auto, ov en fiets). Ter vergelijking: de provincie telt in totaal circa 824.000 arbeidsplaatsen (cijfers PAR 2022). Onze provincie dankt deze goede bereikbaarheid vooral aan de korte onderlinge afstanden.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding j. Reistijd naar 100.000 arbeidsplaatsen met auto, fiets en ov (bron: bereikbaarheidsmonitor provincie Utrecht, 2018)

Box Provinciaal Programma Wonen en Werken

Om te zorgen dat er in de provincie voldoende ruimte is om de provinciale doelen op het gebied van wonen en werken te kunnen realiseren, stelt de provincie samen met haar partners een Provinciaal Programma Wonen en Werken (PPWW) op. In dit omgevingswetprogramma wordt - via een gezamenlijk proces van gemeenten (regio) en provincie - op regionaal niveau gekeken welk deel van de opgave voor voldoende woningen en bedrijventerreinen binnenstedelijk en op bestaande locaties kan worden gerealiseerd en waar in de provincie nieuwe uitleglocaties nodig zijn.



Voor het PPWW is afgesproken dat Provinciale Staten, in aanvulling op de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening, aanvullende kaders kunnen meegeven aan Gedeputeerde Staten voor het op te stellen provinciale programma. Deze kaders hebben, voor zowel wonen als werken, betrekking op de aantallen woningen en hectares bedrijventerrein (bandbreedtes per tijdsperiode) en de kwaliteit van woon- en werklocaties. Ook kunnen Provinciale Staten aandachtspunten meegeven voor het proces van de totstandkoming van het PPWW, waarbij er ruimte is voor een specifieke regionale invulling.



Voor woningbouw is het PPWW een instrument waarmee kan worden gestuurd op een bouwprogramma van voldoende omvang en een voldoende voorraad plannen in de juiste fase van ontwikkeling voor zowel korte, middellange als lange termijn, zodat een 'continue bouwstroom' gerealiseerd kan worden. Het Provinciaal Volkshuisvestingsprogramma levert daarbij belangrijke input en zorgt daarnaast voor de borgen van een aantal kwalitatieve opgaven waar de provincie voor staat, zoals voldoende betaalbaarheid.



Het PPWW zorgt voor het toewijzen van voldoende ruimte op bestaande en nieuwe bedrijventerrein, aansluitend op de ruimtebehoefte van ondernemers. Door programmeringsafspraken komt er op een gecontroleerde en gefaseerde manier (her)nieuw(d) aanbod tot stand, gelijkmatig verdeeld in tijd en hoeveelheid. Voorkomen moet worden dat er te veel nieuwe bedrijventerreinen ruimtelijk mogelijk worden gemaakt, om voldoende druk te houden op het intensiveren (en verduurzamen) op bestaande bedrijventerreinen en vice versa. Per ontwikkellocatie van nieuwe bedrijventerreinen wordt vastgelegd wat de start (en periode) van uitgifte zal worden om de gefaseerde en gelijkmatige beschikbaarheid te borgen. Daarbij wordt de voorbereidingstermijn (zeven-acht jaar) voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen in acht genomen. Het Provinciaal Beleidsprogramma Economie omvat de kwalitatieve economische opgaven, waaronder innovatie, circulaire economie en arbeidsmarkt.

We zien het proces van provinciaal programmeren als een continue cyclus; we komen tot gezamenlijke afspraken en op basis van monitoring en evaluatie kan de programmering worden bijgesteld. Vanaf 2026 zal bijstelling van het PPWW elke twee jaar plaatsvinden.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding k. De bouw van flexwoningen in Wijk bij Duurstede (bron: gemeente Wijk bij Duurstede, 2025)

Bij het in beeld krijgen van nieuwe locaties zet de provincie in op twee sporen. Enerzijds verkennen we meer grootschalige locaties via uitvoering van de verstedelijkingsstrategieën. Anderzijds hebben gemeenten de mogelijkheid om zelf locaties voor te dragen, die provinciaal en regionaal worden afgewogen. De goedkeuring van grotere, regionale bedrijventerreinen is de bevoegdheid van Provinciale Staten.

Box Geschiktheidskaart Utrechtse Waterpartners

De Utrechtse Waterpartners (Utrechtse waterschappen, drinkwaterbedrijven en Rijkswaterstaat Midden-Nederland) hebben de geschiktheidskaart voor nieuwe woon- en werklocaties gemaakt. De geschiktheidskaart geeft vroegtijdig inzicht over eventuele uitdagingen vanuit het bodem- en watersysteem bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met de kaart kunnen ruimtelijke ontwikkelingen worden beoordeeld aan de hand van de draagkracht van het bodem- en watersysteem. De kaart wordt regelmatig geactualiseerd aan de hand van actuele kennis, monitoring en innovaties. Als provincie gebruiken we de geschiktheidskaart als hulpmiddel bij het maken van ruimtelijke keuzes. In gebieden, die op deze kaart zijn aangeduid als b en c, is stedelijke ontwikkeling vanuit het water- en bodemsysteem mogelijk, mits in de planontwikkeling voldoende maatregelen worden genomen. In gebieden, die op de kaart zijn aangeduid als “d”, moet altijd een uitgebreide analyse gedaan worden naar de locatiekeuze en de noodzakelijk te nemen maatregelen. De mogelijkheid bestaat dat uit analyse blijkt dat de locatie ongeschikt is en naar alternatieven gekeken moet worden. Ontwikkelingen in gebieden “d” vragen in ieder geval om stevige investeringen. In buitendijkse gebieden, op de kaart aangeduid als e, willen we geen nieuwe woningbouw en bedrijventerreinen meer toestaan.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding l. Geschiktheidskaart Woon- en Werklocaties (bron: Utrechtse waterpartners, 2023)

Box Defensie

De aanwezigheid van Defensie heeft door de eeuwen heen grote invloed gehad op de ruimtelijke inrichting van de provincie Utrecht. Dit leidde tot beperkingen maar ook tot bijzondere kwaliteiten, zoals natuurwaarden en de status van werelderfgoed. In korte tijd is het perspectief van een krimpende krijgsmacht veranderd in een forse groeiopgave voor Defensie. Voor de provincie Utrecht betekent dit dat op bestaande terreinen activiteiten worden geïntensiveerd en er nieuwe activiteiten zijn voorzien, zoals een laagvlieggebied voor helikopters.



Wij zien het ook als onze verantwoordelijkheid om in een veranderende wereld een bijdrage aan te leveren aan onze nationale veiligheid. Tegelijk is dit ruimtegebruik van Defensie niet zonder impact. In onze provincie is de ruimtedruk hoog, waardoor niet alle militaire activiteiten mogelijk zijn. Activiteiten in het luchtruim hebben niet de voorkeur. Indien dit onvermijdelijk is, wordt ingezet op het vermijden van kwetsbare gebieden of tijdsperiodes. Daarnaast moet dit verenigbaar blijven met andere ontwikkelingen.



We zetten in op het faciliteren van militaire activiteiten die bijdragen aan versterking van kwaliteiten, zoals het historisch gebruik op de oefenterreinen. De groei van Defensie biedt ook kansen; de provincie Utrecht is een hoog innovatieve regio met een sterk gezondheidscluster en vele kennisinstellingen en die kracht kunnen we inzetten voor het ontwikkelen van producten voor zowel algemene doeleinden als militair gebruik. Naast de combinatie natuur en defensie en de economische kansen zoeken wij ook naar andere mogelijkheden om civiele en militaire voorzieningen te combineren.

Box Balans natuur en recreatie

Het toenemende aantal inwoners en bezoekers en de groeiende verstedelijking zorgt voor een toenemende recreatiebehoefte. Daardoor komt er meer druk op de buitenruimte, waaronder natuurgebieden. Recreëren in de natuur is belangrijk voor de gezondheid en ons welbevinden. Natuurbeleving kan daarnaast zorgen voor draagvlak van natuurbehoud. Om zowel recreatie als natuur een plek te kunnen geven, is beleid nodig om inwoners en bezoekers beter te verdelen en nieuw (recreatief) groen te realiseren.



Op sommige plekken is het soms te druk in de provincie. Recreatie kan op die plekken de natuurkwaliteit beïnvloeden. Andere plekken kunnen en willen juist meer bezoekers ontvangen. Daarom sturen we als provincie op bezoek.



Dat doen we op meerdere manieren: door informatievoorziening en gedragscampagnes, door onderbelichte gebieden onder de aandacht te brengen en door paden en routes slim in te richten. Ook ontwikkelen we nieuw recreatief groen, bijvoorbeeld via het programma Groen Groeit Mee.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding m. Mountainbiken in het bos (bron: provincie Utrecht)

Een aanvullend middel om te sturen op bezoek is zonering. Zonering is het indelen van een gebied in verschillende zones, elk met hun eigen toegestane activiteiten en mate van bescherming van de natuur. De afgelopen jaren is uit onderzoek gebleken dat zonering ecologisch zinvol kan zijn en kan bijdragen aan het herstel van natuurgebieden. Door het instellen van verschillende zones kan recreatie beter worden verdeeld en gefaciliteerd. Daarmee kan de rust in kwetsbare natuurgebieden worden hersteld.

Omdat zonering bovenlokale effecten heeft, heeft de provincie hierin een regisserende rol. De komende tijd onderzoeken we hoe we zonering optimaal vorm kunnen geven, te beginnen op de Utrechtse Heuvelrug. Dit doen we in nauwe samenwerking met onder andere gemeenten, terreinbeheerders en destinatiemanagementorganisaties (DMO’s).

Box Kernkwaliteiten Utrechtse landschappen

Voor de vijf karakteristieke Utrechtse landschappen willen we de kernkwaliteiten zich ontwikkelen., zodat een nieuwe toevoeging de bestaande structuren niet onzichtbaar maakt. In de Kwaliteitsgids voor de Utrechtse Landschappen hebben we de kernkwaliteiten uitgebreid beschreven en handvatten opgenomen voor het omgaan met de kernkwaliteiten, als er bijvoorbeeld bebouwing en beplanting wordt toegevoegd in een gebied. In de Kwaliteitsgids staat welke essentiële structuren in het landschap intact moeten blijven bij nieuwe ontwikkelingen. Op basis hiervan wordt bijvoorbeeld een gebouw landschappelijk ingepast of worden verdwenen elementen of structuren hersteld. Wij vragen gemeenten en initiatiefnemers bij ontwikkelingen gebruik te maken van de gids. De provincie werkt in verschillende samenwerkingsverbanden met andere partijen aan de kwaliteit van onze landschappen, zoals het Bestuurlijk Platform Groene Hart, het programma Hart van de Heuvelrug en in het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug. De resultaten van deze samenwerkingen zijn op verschillende plaatsen in de gids terug te vinden, zoals bij de thema’s bos, recreatie en natuur.

Box Duurzame instandhouding Utrechtse buitenplaatsen en landgoederen gedeeld maatschappelijk belang

De provincie Utrecht is bijzonder rijk aan historische buitenplaatsen en landgoederen. Landelijk gezien heeft onze provincie de hoogste dichtheid aan buitenplaatsen en landgoederen. Om die reden leveren de buitenplaatsen en landgoederen een grote bijdrage aan de identiteit, de kenmerkende landschappen en het karakter van onze provincie. Op buitenplaatsen en landgoederen komen veel verschillende opgaven en beleidsvelden samen. Zo vertegenwoordigen ze een grote landschappelijke waarde en bieden ze hoogwaardige natuurgebieden met een grote biodiversiteit. Er is veel aandacht voor duurzame landbouw en ze vormen een belangrijke partner in de realisatie van nieuwe natuur en bos.



De cultuurhistorische (en monumentale) waarde van zowel de bebouwing als van de groene aanleg (park en landschap) is hoog. Daarbij vervullen ze een grote maatschappelijke rol: doordat ze een belangrijke bijdrage leveren aan een gezonde leefomgeving, aan het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit en zorgen voor een aantrekkelijke woonomgeving. Ze bieden ruimte voor recreatie, ontspanning, rust en sport en zijn een belangrijke toeristische trekpleister. Veel omwonenden en vrijwilligers zijn actief betrokken bij het behoud van de buitenplaatsen. De buitenplaatsen en landgoederen zijn van belang voor het milieu en het klimaat en voor een goede waterhuishouding en waterkwaliteit.



Problematiek van de duurzame instandhouding

Deze plaatsen van hoogwaardige natuur en cultuurhistorie hebben een grote aantrekkingskracht op mensen. De toename van het aantal bezoekers zorgt voor een verhoging van de druk op de natuur. Het garanderen van de veiligheid voor de bezoekers (zoals het behoeden tegen vallende takken en paden met gevaarlijke gaten) brengt echter hoge kosten met zich mee. Bovendien vormen de gevolgen van de klimaatverandering een grote bedreiging voor de buitenplaatsen en landgoederen, waardoor speciale aandacht voor natuurbehoud en aanpassingen noodzakelijk zijn. Daarnaast is de verduurzaming van de monumenten vanuit energiebesparing en besparing van de kosten eveneens een belangrijke opgave.



De exploitatie komt echter steeds meer onder druk te staan doordat de kosten voor beheer, onderhoud en restauratie blijven stijgen. Deze kosten worden onvoldoende gedekt door inkomsten uit bestaande verdienmodellen en subsidies. Ook hebben eigenaren te maken met gewijzigde fiscale regelingen, waardoor de kosten oplopen. Indien geen beheer en onderhoud meer gepleegd kan worden, zullen er waarden verloren gaan en ontstaan er risico’s voor de veiligheid van bezoekers. Ook dreigt het noodzakelijk te worden om paden en wegen af te sluiten en dreigt (bij noodzakelijke verkoop in kleine delen) de buitenplaats uiteen te vallen. Dan wordt het nog moeilijker om tot een sluitende exploitatie te komen.



Dit alles dwingt de (vaak particuliere) eigenaren om te zoeken naar nieuwe kostendragers voor de instandhouding. Complex aan de problematiek is dat op de buitenplaats beleid en regelgeving van Rijk, provincie en gemeente samenkomen. In ons cultuurhistorisch beleid wordt specifieke aandacht gegeven aan behoud door ontwikkeling. De meeste buitenplaatsen en landgoederen liggen voor een groot deel binnen het Natuurnetwerk Nederland, waar ontwikkelingen om kostendragers te realiseren vaak niet mogelijk zijn.



Gezien de gemeenschappelijke belangen is er een duidelijke urgentie om de problematiek van de duurzame instandhouding van de historische buitenplaatsen en landgoederen integraal op te pakken. Het is nodig om op zoek te gaan naar de mogelijkheden en de ruimte om inkomstenbronnen te realiseren zonder de waarden (vanuit zowel natuur als erfgoed) aan te tasten. Hierop willen we de komende jaren nadrukkelijk gezamenlijk inzetten.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding n. Kaart Utrechtse buitenplaatsen (bron: Vorm de Stad, 2025)

Box Landgebruik in de afgelopen 30 jaar

De provincie Utrecht beslaat nu 1560 vierkante kilometer, grenst aan vier andere provincies, kent 26 gemeenten en vier waterschappen. In de provincie Utrecht doen zich continu ruimtelijke veranderingen voor. Een analyse van het landgebruik in de afgelopen decennia laat zien hoe het ruimtegebruik is veranderd. Het bebouwd gebied is fors in omvang toegenomen en ook het areaal bos, natuur en water is gegroeid. Het landbouwareaal is in omvang afgenomen. De grafiek in afbeelding 1 toont het veranderende ruimtegebruik vanaf 1992.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding o. Ontwikkeling van het landgebruik in de afgelopen 30 jaar

Bij de analyse van het veranderende landgebruik in de afgelopen dertig jaar horen enige nuances. Zo leidt de toegenomen precisie in het meten van landgebruik tot relatieve verschuivingen. Daarnaast is de totale oppervlakte van de provincie toegenomen door een aantal grenswijzigingen:

  • 1998: grenscorrectie met de provincie Gelderland bij Amersfoort en Veenendaal;

  • 2002: de gemeente Vianen gaat van de provincie Zuid-Holland naar de provincie Utrecht en de gemeente Loosdrecht gaat van de provincie Utrecht naar de provincie Noord-Holland (in de nieuwe gemeente Wijdemeren);

  • 2019: de gemeenten Leerdam en Zederik gaan van de provincie Zuid-Holland naar de provincie Utrecht en gaan samen met de gemeente Vianen op in de nieuwe gemeente Vijfheerenlanden.

De tabel toont de oppervlakte in vierkante kilometers van de vier hoofdcategorieën van landgebruik: Bebouwd gebied, Bos & natuur, Landbouw en Water over vier jaartallen. Tussen die jaartallen is grens van de provincie steeds gewijzigd, wat effect heeft op die oppervlakten. De tabel geeft ook aan wat de effecten van deze grenswijzigingen zijn op die oppervlakten per categorie (gebaseerd op gegevens uit het Landelijk Grondgebruikbestand Nederland)

afbeelding binnen de regeling

Box Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving

Ook op het niveau van Nederland als geheel wordt er gerekend aan het ruimtegebruik van de toekomst. In juli 2025 heeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de nieuwste editie van de Toekomstverkenning Welvaart en Leefomgeving 2025 (WLO) gepubliceerd. Dit is de opvolger van de Toekomstverkenning WLO 2015. De toekomstverkenning bevat vier scenario’s voor Nederland in 2040, 2050 en 2060. Elk scenario beschrijft mogelijke ontwikkelingen op het gebied van economie, klimaat en demografie – en daaraan gerelateerd de mobiliteit en energievoorziening en het ruimtegebruik. Als uitgangspunt hebben de onderzoekers twee assen gekozen. Op de ene as een hoge economische groei (het bbp groeit met twee procent per jaar) en een lagere groei (het bbp groeit jaarlijks slechts een half procent). Op de andere as een wereldwijd snelle overgang naar klimaatneutraliteit (Europa klimaatneutraal in 2050) en een vertraagde overgang (Europa klimaatneutraal in 2075). De scenario’s gaan uit van vaststaand beleid. De scenario’s kunnen helpen bij het maken van beleid. Met de inzichten kan Nederland zich beter voorbereiden op de toekomst.



Enkele opvallende conclusies op de as met hoge (scenario Hoog) of lage (scenario Laag) economische groei:

  • Zowel in het scenario Laag als in het scenario Hoog gaat het bruto binnenlands product van Nederland omhoog, met een half dan wel met twee procent per jaar.

  • Het aantal huishoudens stijgt in alle scenario’s: meer ouderen blijven alleen over en studie- en arbeidsmigranten zijn verhoudingsgewijs vaak alleenstaand. In 2060 zijn er volgens scenario Hoog 11 miljoen huishoudens, in scenario Laag 8,3 miljoen, tegenover 8,1 miljoen huishoudens in 2022.

  • Het groeien van de bevolking heeft effect op de uitdagingen waar Nederland voor staat, maar ook andere demografische ontwikkelingen brengen uitdagingen mee voor beleid. Vergrijzing vergroot bijvoorbeeld de vraag naar zorg en kan leiden tot andere woonwensen. Ook de ontwikkelingen in de diversiteit in migratieachtergrond hebben invloed op de leefomgeving: de groepen kunnen van elkaar verschillen als het om wonen, werk, mobiliteit of gezondheid gaat.

  • Om de groei van het aantal huishoudens bij te houden moeten de komende 40 jaar 75.000 woningen per jaar worden gebouwd. Een groot deel van de vraag betreft de Randstad en de daaraan grenzende provincies. De analyse laat zien dat daar binnen de bestaande ruimtelijke restricties plek voor is in Nederland. In de meest verstedelijkte gebieden, kan dat wel een puzzel worden. Zeker in combinatie met de ruimtevraag voor duurzame energie, circulaire economie, klimaatadaptie en dergelijke.

Het PBL heeft de inzichten voor de scenario’s Hoog en Laag ook vertaald naar afzonderlijke provincies. Dit geeft voor de provincie Utrecht een grote bandbreedte om rekening mee te houden. Enkele voorbeelden:

  • In het scenario Hoog neemt de bevolking tot 2040 toe met 24% en richting 2060 ontwikkelt zich dit door naar een toename van 47%. In scenario Laag is de toename in de gehele periode rond de 10%.

  • De huishoudensontwikkeling gaat bij het scenario Hoog nog harder door een toename van het aantal eenpersoonshuishoudens. In 2040 gaat het om een toename van 31% en dat groeit richting 2060 door naar 61%. Bij scenario Laag is de toename ook hier de gehele periode rond de 10%.

  • De groei in het aantal banen komt bij scenario Hoog wat langzamer op gang. In 2040 is er een toename van 17%. Dit groeit door naar 42% in 2060. Bij scenario Laag komt er tot 2040 2% bij, in 2060 loopt dat op tot 6%.

  • De hoeveelheid bebouwd gebied loopt bij het scenario Hoog hard op. Van een toename met 14% in 2040 stijgt het naar 29% in 2050 en 46% in 2060. Bij het scenario Laag is er in 2040 sprake van een toename van 6%. Dit loopt op naar 8% in 2050 en 12% in 2060.

  • Voor natuur richt het beleid zich op de periode tot 2040. Economische groei heeft hierop geen invloed. Bij beide scenario’s neemt het ruimtegebruik toe met 12% in 2040 en blijft daarna stabiel.

  • Deze ruimtebehoefte heeft gevolgen voor de ruimte voor landbouw. Bij het scenario Hoog neemt dit tot 2040 af met 7%. In 2050 gaat het om 12% en in 2060 is dit al 18%. Bij het scenario Laag gaat het in 2040 om 5%, in 2050 om 6% en in 2060 om 7%.

Box Gebiedsontwikkeling Rijnenburg

Uitleglocatie Rijnenburg maakt samen met Metropoolpoort Groot Merwede onderdeel uit van het NOVEX-gebied Utrecht – Amersfoort. In Rijnenburg is, naast grootschalige woningbouw, werkgelegenheid en een goed voorzieningenniveau, voorzien in een energielandschap voor grootschalige opwek van elektriciteit met zonne- en windenergie. Ook is het een zoekgebied voor grootschalige waterberging voor het Amsterdam-Rijnkanaal. De ontwikkeling van Rijnenburg draagt bij aan het opvangen van de groei van de Utrechtse regio. Rijnenburg is samen met Groot Merwede één van de ‘doorbraaklocaties’ waar het ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening versneld met marktpartijen, gemeenten en provincie aan oplossingen werkt om de doorlooptijd van gebiedsontwikkeling te verkleinen.



Met de Omgevingsvisie kan de provincie richting geven aan de ontwikkeling van Groot Merwede en Rijnenburg. Via de Omgevingsverordening en het Provinciaal Programma Wonen en Werken maakt de provincie te zijner tijd de ontwikkeling van de woon- en werklocaties in deze gebieden mogelijk. Daarnaast stelt de Omgevingsverordening eisen aan het door de gemeente op te stellen Omgevingsplan. De provincie is ook verantwoordelijk voor de regionale bereikbaarheid, zoals de provinciale infrastructuur. Als ov-autoriteit beslist de provincie over de aanleg en exploitatie van tramlijnen en ander openbaar vervoer. Daarnaast is de provincie bevoegd gezag voor windenergie vanaf 5 Mega Watt (MW) (na inwerkingtreding energiewet 15 MW) en geeft het richting aan de ontwikkeling van energie-infrastructuur via het provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat (P-MIEK).



Door het unieke karakter biedt Rijnenburg een aanvullend woonmilieu op het bestaande regionale aanbod. De ontwikkeling van Rijnenburg is een langjarige en complexe gebiedsontwikkeling. Dit vraagt om flexibiliteit in het op te stellen plan en adaptief vermogen van betrokken partijen om in te spelen op maatschappelijke veranderingen. Vanuit een integrale benadering zoeken we naar de juiste balans, in tijd, geld, ruimte, programma en maatschappelijke haalbaarheid. De ambitie en uitgangspunten kunnen waar nodig bijgesteld of aangescherpt worden als de situatie daarom vraagt. Zo dient continu een integrale weging van alle ambities en uitgangspunten te worden gemaakt, onderling en in relatie tot de maatschappelijke en financiële haalbaarheid.



In bijlage 3 zijn de uitgangspunten voor de ontwikkeling van Rijnenburg opgenomen.

Box Samenwerken aan water en ruimte in Deltaregio Centraal Holland

Deltaregio Centraal Holland bevat onder andere de metropoolregio’s Utrecht en Amsterdam en het Groene Hart. Centraal Holland is dichtbevolkt en kent een forse woningbouwopgave. Ook heeft het een breed scala aan economische motoren, waaronder Port of Amsterdam en Sciencepark Utrecht. Het Noordzeekanaalgebied is een gebied waar stroomkabels van windparken op zee aan land komen en wordt een spil in de waterstofproductie. Tegelijkertijd liggen in het Groene Hart en op de westflank van de Utrechtse Heuvelrug grote opgaven op het gebied van natuur, landbouw en de drinkwatervoorziening.



Centraal in het gebied liggen het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaal. Samen vormen zij de hoofdverbinding in het bovenregionale watersysteem in dit gebied en voeren zij water af van de omliggende regionale watersystemen. Lange tijd kon het watersysteem veiligheid garanderen, overlast voorkomen en ‘functies’ voorzien van voldoende water. Maar inmiddels zit het systeem aan zijn limiet, vooral als gevolg van de klimaatverandering en de stedelijke en economische groei. Zonder ingrijpen wordt het tijdig afvoeren van water in situatie van extreem weer nijpender en wordt de kans op een maatschappij-ontwrichtende situatie te groot. Daarom werken in Centraal Holland 14 overheidspartijen samen aan zowel technische maatregelen in het (hoofd)watersysteem als ruimtelijke maatregelen, waaronder waterbergingslocaties.



Ook de waterbeschikbaarheid vraagt aandacht. Het aanbod van zoetwater zal in de toekomst afnemen. Mogelijk wordt de zoetwatervraag tot twee à drie keer groter dan het aanbod in perioden van droogte (die er steeds vaker zullen zijn). Dat vraagt aanpassingen in gebruik en in ruimtelijke functies op de lange termijn. De partners in Centraal Holland werken aan een boodschap en aanpak om hierover vroegtijdig met gebruikers en belanghebbenden in gesprek te gaan.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding p. Amsterdam-Rijnkanaal (bron: Rijkswaterstaat)

Box Kromme Rijn Linie Landschap

In 2040 is het Kromme Rijn Linie Landschap (KRLL) een gebied met een goede balans tussen natuur, wonen, landbouw en recreatie. Dat is het doel van de samenwerking van de provincie Utrecht, de gemeenten Bunnik, Houten, Nieuwegein, Utrecht en Zeist en waterschap HDSR, dat zij in 2025 vastlegden in het gezamenlijke ontwikkelperspectief.



Het KRLL is uniek met landgoederen, open polderlandschap, de Kromme Rijn en de UNESCO werelderfgoederen van de Limes en Hollandse Waterlinies. Het KRLL is een voorbeeldgebied van het samenwerkingsprogramma Groen Groeit Mee. Hier werken partners samen aan oplossingen voor de verstedelijking in samenhang met uitdagingen rond biodiversiteit, landbouw, recreatie en water. Ze zetten zich in voor behoud en versterking van het gebied voor bewoners, boeren, natuur en het toenemend aantal recreanten uit de stad.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding q. Onderdeel Kromme Rijn Linie Landschap (bron: provincie Utrecht)

Het ontwikkelperspectief geeft een doorkijk tot 2040. In concrete projecten wordt al uitvoering gegeven aan het ontwikkelperspectief. Voorbeelden van resultaten: versterking van bos Nieuw Wulven, een nieuwe natuurkern en een fijnmaziger wandelnetwerk. Dat alles in samenhang met ruimte voor duurzame landbouwbedrijven die bijdragen aan een recreatief landschap. De Noordplas in Laagraven is in beeld om in pieksituaties extra water te kunnen vasthouden. Heemstede-Noord wordt als recreatiegebied ingericht. Ook wordt gewerkt aan de beleving van landschap en erfgoed rond Fort Vechten en Castellum Fectio. Op de flanken van de Heuvelrug wordt ingezet op behoud en versterking van natuurwaarden in combinatie met extensieve recreatie. Zo zorgen we dat het groeiend aantal bewoners in en rond het Kromme Rijn Linie Landschap kan leven in een aantrekkelijke, gezonde en groene omgeving.

Box De Blauwe Agenda Utrechtse Heuvelrug: op zoek naar de balans voor een meer robuust watersysteem

De Blauwe Agenda werkt aan een robuuster watersysteem op de Utrechtse Heuvelrug om daarmee de gevolgen van klimaatverandering beter op te kunnen vangen. Daarmee draagt de Blauwe Agenda onder andere bij aan het tegengaan van verdroging van grondwaterafhankelijke natuur, wateroverlast in de landbouw en in het stedelijk gebied, drinkwatertekorten omdat de drinkwatervoorziening onder druk staat door de grote watervraag, en schade door langdurige droogte aan monumentale bomen, aan natuur en aan landbouwgewassen. Deze problemen worden versterkt als gevolg van klimaatverandering die zich de laatste jaren in toenemende mate manifesteert. Het is daarbij voortdurend zoeken naar de balans tussen het vasthouden van water en het beperken van wateroverlast.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding r. Herfstbos op de Utrechtse Heuvelrug (bron: provincie Utrecht)

De Blauwe Agenda werkt aan een set van 13 samenhangende regionale bouwstenen die moeten leiden tot het bereiken van een meer robuust watersysteem. De Blauwe Agenda wordt uitgevoerd onder regie van de provincie Utrecht en in nauwe samenwerking met Vitens, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR), Waterschap Vallei en Veluwe, het Nationaal Park Utrechtse Heuvelrug (NPUH), land- en tuinbouworganisatie LTO, het Utrechts Particulier Grondbezit (UPG), de terreinbeherende natuurorganisaties en de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Daarbij wordt eveneens samengewerkt met het UPLG, het Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie van de provincie Utrecht, het Netwerk Water en Klimaat en het Platform Vallei en Eem. Er zijn al enkele maatregelen uitgevoerd en er lopen momenteel diverse projecten, bijvoorbeeld met de landgoederen (Blauwe Ader), om overlastrisico’s in beeld te brengen, om water vast te houden op de flanken, om winningen te optimaliseren en om circulair watergebruik mogelijk te maken.

Via deelname aan diverse gebiedsprocessen en projecten op en rondom de Heuvelrug dragen we bij aan een integrale uitvoering van watermaatregelen in afstemming met andere thema's zoals natuur, landbouw, cultuurhistorie en landschap. Zie voor meer achtergronden en informatie over de projecten waar wij momenteel aan werken: www.blauweagenda.nl.

Box Utrechts Programma Landelijk Gebied

Via het Utrechts Programma Landelijk Gebied (UPLG) dragen we bij aan het behalen van (inter)nationaal afgesproken doelen op het gebied van natuur, bodem en water en klimaat. Ingezet wordt op de beschikbaarheid van voldoende en schoon water, een klimaatbestendig water- en bodemsysteem, herstel en uitbreiding van de natuur (waaronder de reductie van stikstof) en vermindering van de uitstoot van broeikasgassen in het veenweidegebied. Daarnaast richt het UPLG zich op een duurzame landbouw met toekomstperspectief. De landbouw heeft een sleutelrol in het halen van de (inter)nationale doelen. De opgaven op het gebied van natuur, water, klimaat en landbouw zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Via het UPLG worden de opgaven in samenhang met elkaar en gebiedsgericht opgepakt.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding s. Weidevogelbeheer in Eemland (bron: Jeroen Bosch fotografie en landschap)

De UPLG-opgaven op het gebied van water, natuur, stikstof en klimaat vragen veel ruimte in het landelijk gebied. Waar mogelijk worden deze opgaven gecombineerd om de extra ruimtevraag zoveel mogelijk te beperken. Ook vanuit de landbouw is er grote behoefte aan grond; dit is vaak een belangrijke reden voor agrariërs om mee te doen aan gebiedsprocessen. Agrarische bedrijven hebben grond nodig voor hun bedrijfsvoering en om tegemoet te kunnen komen aan de UPLG-opgaven. Daarnaast is er grond nodig om agrarische bedrijven te compenseren voor grond die nodig is voor andere doelen.

Ook voor de energietransitie, mobiliteit, woningbouw, bedrijventerreinen en recreatie is grond nodig in het landelijk gebied. Dit alles vraagt om verstandig combineren en het vraagt ook om keuzes. Niet alles kan overal.

Rode draad is dat de inzet van vrijkomende gronden als ‘motor’ zal (moeten) fungeren om de doelen te halen en de gebiedsprocessen tot een succes te maken. Als provincie proberen we dit op verschillende manieren te faciliteren, onder andere via een actief grondbeleid en inzet van het juiste instrumentarium en stimuleringsregelingen.

Box Samenwerken aan nationale opgaven en ambities in de Utrechtse ruimte

De provincie Utrecht heeft veel ruimtelijke opgaven en ambities. Deze staan in onze Omgevingsvisie. Ook het Rijk heeft veel ruimtelijke opgaven en ambities, die (deels) samengaan met die van de provincie Utrecht. Deze komen in de nieuwe Nota Ruimte te staan. Hierin legt het Rijk de langetermijnvisie vast voor de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. In september 2025 heeft het Rijk de Ontwerp-Nota Ruimte gepubliceerd. Totdat de Nota Ruimte definitief gereed is, geldt de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) uit september 2020.



De NOVI en de Nota Ruimte zijn zelfbindend voor het Rijk, terwijl de opgaven in Nederland vragen om een breed gedragen inzet van alle overheden. In het programma NOVEX worden de ruimtelijke opgaven waar het Rijk en de regionale overheden met elkaar voor staan, samen opgepakt. Het programma NOVEX heeft twee aparte sporen: een spoor ‘regie per provincie’ en een ‘gebiedsgericht regiespoor’. Het afgesloten Ruimtelijk Arrangement Rijk – provincie Utrecht maakt deel uit van het spoor ‘regie per provincie’. In het gebiedsgerichte regiespoor werken we samen met Rijk, buurprovincies, gemeenten en waterschappen aan ontwikkelperspectieven en uitvoeringsagenda’s voor de vier Utrechtse NOVEX-gebieden. Daarnaast lopen er verschillende andere Rijk-regiosamenwerkingstrajecten binnen de provincie Utrecht.



Ruimtelijk Arrangement Rijk – provincie Utrecht

Het Rijk en de provincie Utrecht hebben op 10 juni 2025 afspraken gemaakt over samenwerking bij de grote ruimtelijke opgaven in en om Utrecht. Deze afspraken zijn nodig voor het inpassen en uitvoeren van de nationale en de provinciale opgaven die zich hier voordoen. De afspraken zijn vastgelegd in een eerste ‘Ruimtelijk Arrangement Rijk – provincie Utrecht’, dat jaarlijks wordt geactualiseerd. Het Ruimtelijk Voorstel provincie Utrecht’, dat we in 2023 op verzoek van het Rijk hebben opgesteld, is hiervoor een belangrijke basis geweest.



Ontwikkelperspectieven en Uitvoeringsagenda's Utrechtse NOVEX-gebieden

Het Rijk heeft binnen Nederland 16 gebieden aangewezen waar de ruimtelijke opgaven zo groot en gestapeld zijn, dat ze vragen om gezamenlijke regie van het Rijk en de regionale overheden. Deze gebieden worden de NOVEX-gebieden genoemd. Binnen de provincie Utrecht liggen vier NOVEX-gebieden: Groene Hart, Utrecht-Amersfoort (onderdeel programma U Ned), Arnhem-Nijmegen-Foodvalley en Schipholregio. De gezamenlijke overheden hebben hiervoor de afgelopen jaren ontwikkelperspectieven en uitvoeringsagenda's (inclusief regionale investeringsagenda's) opgesteld en vastgesteld.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding t. Overheden werken aan gezamenlijke opgaven en via eigen instrumenten (bron: Rijksoverheid, bewerking provincie Utrecht, 2019)



Andere Rijk-regiosamenwerkingstrajectenprogramma’s binnen provincie Utrecht

Naast aan het programma NOVEX werken we met het Rijk en met regionale overheden samen aan verschillende andere Rijk-regioprogramma’s. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om het programma U Ned (MIRT), de Deltaregio's (Centraal Holland, Rivieren en IJsselmeergebied), de Regio Deals (Groene Hart, Foodvalley en Vitale wijken 2.0), Woondeals (regio's U10, Amersfoort en Foodvalley) en Regionale Energiestrategieën (U16, Amersfoort en Foodvalley).

Box Jong Utrecht aan Zet

Als onderdeel van de Viering Stichtse Landbrief (650 jaar provincie Utrecht) is het participatietraject Jong Utrecht aan Zet georganiseerd. Dit is opgezet om een structurele impuls te geven aan het luisteren naar en betrekken van jongeren bij de provincie Utrecht als verrijking en verbreding van de provinciale democratie.



De opbrengst van Jong Utrecht aan Zet 2025 is tweeledig:

  • Versterken van actief burgerschap van jongeren en investeren in persoonlijke ontwikkeling van jongeren.

  • Koppeling opbrengst Jong Utrecht aan Zet aan beleidsinhoudelijke trajecten van de provincie Utrecht, waaronder de Omgevingsvisie.

Er zijn vijf participatiedagen georganiseerd in het kader van Jong Utrecht aan Zet in 2025. Deze dagen waren met Universiteit Utrecht, Grafisch Lyceum Utrecht, MBO Rijnland, Nimeto en Tech College ROC Midden Nederland. Naast het thema democratie & inspraak zijn thema’s gekozen die aansluiten bij de Omgevingsvisie. Tijdens de participatiedagen kregen de studenten een korte inleiding in wat de provincie doet en wat het thema van de dag inhield. Er werd zoveel mogelijk aangesloten bij de leefwereld van de jongeren en de opleidingen die zij volgden. Via Design Thinking kwamen studenten in groepjes tot hun beste oplossing voor de provincie. Ze formuleerden problemen, bedachten oplossingen voor die problemen en beoordeelden die oplossingen op haalbaarheid en mate van impact. De beste oplossingen presenteerden ze aan het einde van het evenement. Via stemming door alle aanwezigen werd één idee tot winnaar verkozen. Per participatiedag deden 50 tot 150 jongeren mee.



De ideeën van de jongeren zijn meegenomen bij de wijziging van de Omgevingsvisie. Zoals:

  • Stuur op groene invulling in de steden (klimaatmitigatie, meer ruimte voor recreatie);

  • Stimuleer innovaties om netcongestie op te lossen en stimuleer inwoners om het netwerk slimmer te gebruiken om piekbelasting te voorkomen;

  • Stimuleer bio-based (ver)bouwen;

  • Stimuleer woningsplitsing, optopping en andere compacte bouwvormen om snel woningen toe te voegen en gebruik leegstaande gebouwen voor woningen;

  • Stimuleer duurzame mobiliteit: vaker met het openbaar vervoer, waterstofauto’s, et cetera;

  • Maak innovatieve voedselprojecten mogelijk (zoals agroforestry) zodat ons voedsel duurzaam geproduceerd wordt.

afbeelding binnen de regeling

Afbeelding u. Jong Utrecht aan Zet bijeenkomst (bron: Poë van Looveren, 2025)

Colofon

Colofon

Provincie Utrecht

Ontwerp wijziging Omgevingsvisie

Ontwerp vastgesteld bij besluit van Gedeputeerde staten, 16 december 2025

Algemene productie: Provincie Utrecht

Ontwerpend onderzoek: in samenwerking met Flux landscape architecture

Opgavekaarten en visualisaties gebiedsprofielen en -prioriteiten: in samenwerking met Flux landscape architecture

Visiekaarten en collages: in samenwerking met BVR Adviseurs Ruimtelijke Ontwikkeling

Procesbegeleiding gebiedsgesprekken: in samenwerking met Vereniging Deltametropool

Tekstredactie: in samenwerking met Helder & Duidelijk

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

(water)bergingsgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giob4fa3f00-e6ea-436f-85e9-caa7d7a5cae5/nld@2025‑12‑18;465-0

aandachtsgebied bodemdaling - stedelijk

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa1fd3273-f76e-4c31-a2f7-e558332c239f/nld@2025‑12‑18;473-0

aardkundige waarden

/join/id/regdata/pv26/2025/gio1f9c8baf-945f-4cc0-affc-0cdb40689ee9/nld@2025‑12‑18;502-0

agrarisch cultuurlandschap

/join/id/regdata/pv26/2025/gio415d2268-f797-46c0-be01-5ec6caad2f5d/nld@2025‑12‑18;521-0

archeologisch waardevolle zone

/join/id/regdata/pv26/2025/gio42c906ba-75bf-4c5f-aa40-88edf5942263/nld@2025‑12‑18;522-0

bedrijventerrein van strategisch belang

/join/id/regdata/pv26/2025/gioc170a232-8c25-489a-94b9-c77672ca9d49/nld@2025‑12‑18;483-0

beperken bodembewerking

/join/id/regdata/pv26/2025/gio29ba9f87-636f-4ced-af45-5a7c74d7c7bf/nld@2025‑12‑18;472-0

beschermingszone drinkwaterwinning

/join/id/regdata/pv26/2025/giod2b1756f-abe4-4307-bb37-33d571c3be06/nld@2025‑12‑18;455-0

bestaand en gepland bedrijventerrein

/join/id/regdata/pv26/2025/gio55c8776c-d37c-4a6e-8829-cb77e60fdeb4/nld@2025‑12‑18;496-0

bovenlokaal dagrecreatieterrein

/join/id/regdata/pv26/2025/gio59f36e7b-2139-4a07-b1be-107f96970472/nld@2025‑12‑18;261-0

centrumgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio5d0b5a43-cb38-4377-a6cd-7af5c3944114/nld@2025‑12‑18;494-0

concentratiegebied glastuinbouw

/join/id/regdata/pv26/2025/gio1904d990-edc4-4e42-9c1c-79464ac5eddb/nld@2025‑12‑18;479-0

cultuurhistorische hoofdstructuur

/join/id/regdata/pv26/2025/giod7c140ba-7c3e-4622-89e9-a7df2edbf23e/nld@2025‑12‑18;375-0

duurzame elektriciteitsopwekking

/join/id/regdata/pv26/2025/gio7f80ed98-a4f1-4869-91f9-a9c74010a315/nld@2025‑12‑18;481-0

ganzenrustgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giod7d3d4cf-f01b-406b-adf7-b7191923e72a/nld@2025‑12‑18;476-0

geluidcontour 61 db

/join/id/regdata/pv26/2025/gio7bd57513-b843-4402-be04-d8644c8f9ff9/nld@2025‑12‑18;490-0

groene contour

/join/id/regdata/pv26/2025/gio499d90ab-2421-4dc3-8783-dc28e0866b37/nld@2025‑12‑18;449-0

historische buitenplaatszone

/join/id/regdata/pv26/2025/gio391efcfc-3a07-4eb0-a1ea-d91f642a64b3/nld@2025‑12‑18;519-0

historische infrastructuur

/join/id/regdata/pv26/2025/giod4582f23-78a9-42e3-a25f-4b3c8cbd8915/nld@2025‑12‑18;520-0

kantoorlocatie categorie 1

/join/id/regdata/pv26/2025/gio9eb4fc6d-43b1-4350-969d-903ca2dfd40d/nld@2025‑12‑18;511-0

kantoorlocatie categorie 2

/join/id/regdata/pv26/2025/gio57aacf44-3c90-4429-880b-9960e455d1b6/nld@2025‑12‑18;512-0

kantoorlocatie categorie 3

/join/id/regdata/pv26/2025/gio5d900946-80b3-4be0-8eca-e5b978e9f064/nld@2025‑12‑18;510-0

kantoorlocatie categorie 4

/join/id/regdata/pv26/2025/gio95beddb7-dfd5-4fbf-8a93-ab27eb884c16/nld@2025‑12‑18;509-0

kernrandzone

/join/id/regdata/pv26/2025/gio0d71e829-9428-4169-828c-a53abfafbc6d/nld@2025‑12‑18;451-0

knooppunt

/join/id/regdata/pv26/2025/gioed9c5280-2476-4474-b098-cb38e0bebc8b/nld@2025‑12‑18;531-0

landbouwgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio0911bbc2-77d9-407d-9542-1f590fdeb4b2/nld@2025‑12‑18;442-0

landbouwontwikkelingsgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio6fda2b6d-f056-48b6-ae95-6e3a56fe629b/nld@2025‑12‑18;297-0

landbouwstabiliseringsgebied

/join/id/regdata/pv26/2025/giob2455090-5581-48e6-be06-fd67ed84dfa1/nld@2025‑12‑18;299-0

landschap eemland

/join/id/regdata/pv26/2025/giof11b0b30-3748-47a6-b9a1-c7e8a84cb0ef/nld@2025‑12‑18;504-0

landschap gelderse vallei

/join/id/regdata/pv26/2025/gio48abed5e-a8af-4473-9ca9-c6abff90c8ad/nld@2025‑12‑18;503-0

landschap groene hart

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa09d883f-de8b-4fb9-a09e-e7a25bf918e3/nld@2025‑12‑18;501-0

landschap kromme rijngebied en schalkwijk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio9b30df4e-e4d7-4475-bab9-2e8649b85e23/nld@2025‑12‑18;505-0

landschap utrechtse heuvelrug

/join/id/regdata/pv26/2025/giof8c0d909-e79c-4a74-ba1e-3ca7fa601337/nld@2025‑12‑18;500-0

maritiem erfgoed

/join/id/regdata/pv26/2025/gioa981decc-c9a1-451c-a46b-a7dc1afd58dc/nld@2025‑12‑18;524-0

militair erfgoed

/join/id/regdata/pv26/2025/gio37db2fe8-e120-404b-b5fd-3792bcf5e53d/nld@2025‑12‑18;518-0

militair oefenterrein met bijzondere natuurwaarden

/join/id/regdata/pv26/2025/gio52122956-9698-4af4-81b4-4891ee1955ef/nld@2025‑12‑18;420-0

multimodaal knooppunt

/join/id/regdata/pv26/2025/gioaedc3355-39bc-4aa6-9446-d7169c804d61/nld@2025‑12‑18;514-0

natura 2000-gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio92b5c775-c917-455b-ac88-01f71e95a327/nld@2025‑12‑18;422-0

natuurnetwerk nederland

/join/id/regdata/pv26/2025/gioc7c17d74-cc09-41e1-b804-bd04e7e07c93/nld@2025‑12‑18;535-0

omgevingswaarden regionale kering

/join/id/regdata/pv26/2025/gio34cf07e7-4ef6-430c-934c-1466cf08c3d2/nld@2025‑12‑18;469-0

overstroombaar gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gioef44340e-4394-45f1-a153-4eba9b70aef2/nld@2025‑12‑18;463-0

provinciaal ov-netwerk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio642d1a3d-c5e0-48f4-a45a-8b67911ea66d/nld@2025‑12‑18;516-0

recreatietoervaart

/join/id/regdata/pv26/2025/gio65afbdc1-19cb-471e-bd51-ad8aecc57caa/nld@2025‑12‑18;417-0

recreatiewoning

/join/id/regdata/pv26/2025/giobd03b9ca-92f2-460d-a601-0ff6a055e4e9/nld@2025‑12‑18;498-0

recreatiezone

/join/id/regdata/pv26/2025/giof36e718d-299b-447a-9993-4ad8859b266f/nld@2025‑12‑18;334-0

regionaal fietsnetwerk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio3b35a574-d76c-4e09-b3f1-9c78a703995a/nld@2025‑12‑18;487-0

regionaal wegennet

/join/id/regdata/pv26/2025/giod895726a-f387-4087-ae79-48b7bbba2119/nld@2025‑12‑18;486-0

seveso-inrichting

/join/id/regdata/pv26/2025/giode879685-dd80-4853-a3d3-cb872c163c1f/nld@2025‑12‑18;507-0

stedelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio10b5040f-e156-469a-b01c-8da4ba0f6510/nld@2025‑12‑18;529-0

stiltegebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio8e108c08-f07d-431a-b17e-c5ca0b7df029/nld@2025‑12‑18;492-0

tegengaan bodemdaling en co2-uitstoot landelijk gebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gio94825141-d5fc-490e-9691-31234cae5856/nld@2025‑12‑18;471-0

unesco werelderfgoed hollandse waterlinies

/join/id/regdata/pv26/2025/gioea1ba4ea-a106-42a2-b91c-cb5e0e693b39/nld@2025‑12‑18;527-0

unesco werelderfgoed neder-germaanse limes

/join/id/regdata/pv26/2025/giodea0d3cf-42de-401a-936f-52df39cb30b9/nld@2025‑12‑18;526-0

vaarweg in beheer bij provincie utrecht

/join/id/regdata/pv26/2025/gio0cf89a7d-cc44-44e3-ac9a-765d6544d9cd/nld@2025‑12‑18;485-0

veilige dijk

/join/id/regdata/pv26/2025/gio8e5276c9-9dff-4fba-b9ce-c96f5738e833/nld@2025‑12‑18;467-0

weidevogelkerngebied

/join/id/regdata/pv26/2025/gioeb64a800-bc8b-46a3-91bb-5c043e8cb1dc/nld@2025‑12‑18;475-0

zoekgebied drinkwaterwinning

/join/id/regdata/pv26/2025/gio548cdaa2-cfa7-42b8-a10e-847edb205f4f/nld@2025‑12‑18;461-0

zoekgebied waterberging

/join/id/regdata/pv26/2025/giocb349e1d-6b8e-4c09-80c7-6135fe6edda9/nld@2025‑12‑18;466-0

zone direct bij de belastende bron

/join/id/regdata/pv26/2025/gio52eac211-d2e3-4996-9d23-cf21d0067259/nld@2025‑12‑18;491-0

zone maatregelen en inrichting

/join/id/regdata/pv26/2025/gio57a11ce7-3a01-4b72-9f27-db38d6fa60bd/nld@2025‑12‑18;489-0

zwemlocatie

/join/id/regdata/pv26/2025/gio647846dc-289e-4a56-8209-93bf7c142adb/nld@2025‑12‑18;537-0

Bijlage II Overzicht kaarten, tegels en collages

Kaarten

  • Topografie

  • Utrechtse kwaliteiten

  • Positionering provincie Utrecht

  • Toekomstperspectief provincie Utrecht 2050

  • Opgavekaart Bodem, water en klimaatadaptatie

  • Beleidskaart Duurzaam en robuust bodem- en watersysteem

  • Beleidskaart Klimaatbestendig en waterveilige leefomgeving

  • Beleidskaart Tegengaan van CO2-uitstoot en remmen van bodemdaling in veenweidegebieden

  • Opgavekaart Rijke en veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving

  • Beleidskaart Rijke en veerkrachtige natuur in een natuurinclusieve samenleving

  • Opgavekaart Duurzame landbouw

  • Beleidskaart Duurzame landbouw

  • Opgavekaart Duurzame energie

  • Beleidskaart Duurzame energie

  • Opgavekaart Circulaire samenleving

  • Beleidskaart Circulaire samenleving

  • Opgavekaart Goede bereikbaarheid

  • Beleidskaart Openbaar vervoer

  • Beleidskaart Fiets-, wegen- en vaarwegennetwerk

  • Opgavekaart Wonen en volkshuisvesting

  • Beleidskaart Wonen en volkshuisvesting

  • Opgavekaart Economie

  • Beleidskaart Economie

  • Opgavekaart Milieu en gezondheid

  • Beleidskaart Milieu en gezondheid

  • Opgavekaart Recreatie en toerisme

  • Beleidskaart Recreatie en toerisme

  • Opgavekaart Aantrekkelijke landschappen

  • Beleidskaart Aantrekkelijke landschappen

  • Opgavekaart Toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed

  • Beleidskaart Toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed

  • Gebiedsgerichte uitwerking

Tegels

1. Stedelijk netwerk 

2a. Gebiedsprofiel Groene Hart (Noord) 

2b. Gebiedsprioriteiten Groene Hart (Noord) 

2c. Gebiedsprofiel Groene Hart (Zuid) 

2d. Gebiedsprioriteiten Groene Hart (Zuid) 

3a. Gebiedsprofiel Kromme Rijngebied en Schalkwijk 

3b. Gebiedsprioriteiten Kromme Rijngebied en Schalkwijk 

4a. Gebiedsprofiel Utrechtse Heuvelrug (Noord) 

4b. Gebiedsprioriteiten Utrechtse Heuvelrug (Noord) 

4c. Gebiedsprofiel Utrechtse Heuvelrug (Zuid) 

4d. Gebiedsprioriteiten Utrechtse Heuvelrug (Zuid) 

5a. Gebiedsprofiel Eemland 

5b. Gebiedsprioriteiten Eemland 

6a. Gebiedsprofiel Gelderse Vallei (Noord)

6b. Gebiedsprioriteiten Gelderse Vallei (Noord) 

6c. Gebiedsprofiel Gelderse Vallei (Zuid) 

6d. Gebiedsprioriteiten Gelderse Vallei (Zuid) 







Collages

  • a.

    Klimaatbestendig en waterrobuust 

  • b.

    Toekomstbestendige natuur en landbouw 

  • c.

    Duurzame energie en circulaire samenleving 

  • d.

    Goede bereikbaarheid 

  • e.

    Vitale steden en dorpen 

  • f.

    Gezonde omgeving en vrije tijd 

  • g.

    Levend landschap erfgoed en cultuur 

Bijlage III Verklarende woordenlijst

Woorden

Toelichting

A12 Zone

Het gebied aan weerszijden van de A12 tussen de verkeersknooppunten Oudenrijn en Lunetten dat in beeld is voor toekomstige grootschalige ontwikkeling voor wonen en werken.

aardkundige waarden

Geologische, geomorfologische en bodemkundige verschijnselen, die representatief zijn voor de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van het landschap, zoals hoogteverschillen of variaties in de samenstelling van de bodem. Het zijn onderdelen van het landschap die iets vertellen over de natuurlijke ontstaanswijze van het gebied. Voorbeelden van aardkundige waarden zijn: stuifzandgebieden, dekzandruggen, hoogveengebieden en stuwwallen. Soms zijn de processen die de aardkundige waarden hebben gevormd nog actief, bijvoorbeeld bij stuif- en rivierduinen.

agglomeratie

Een aaneenschakeling van nederzettingen, verspreid over verschillende steden en dorpen, waarvan de inwoners zich gedragen alsof zij in één stad wonen.

agrarisch cultuurlandschap

Een uniek en zeldzaam landschap door de onderlinge samenhang van aanwezige ontginningsstructuur, boerderijlinten en waterbeheersingssysteem.

agrarisch natuurbeheer

De maatregelen die landbouwers nemen om tot behoud of verbetering van de natuur- en landschapswaarden te komen. Het gaat bijvoorbeeld om sloten, bloemrijke slootkanten, heggen, houtwallen en kleine bosjes die planten en dieren leefruimte bieden in het agrarisch gebied. Ook betreft het bijvoorbeeld uitgestrekte vochtige graslanden die het broedgebied van weidevogels vormen. De ‘groene dooradering’ van het agrarisch gebied in de vorm van slootkanten, houtwallen en dergelijke, is bovendien ook belangrijk voor het functioneren van het NNN. En de landschapselementen maken het agrarisch gebied recreatief aantrekkelijker.

aquathermie

Warmte en koude uit water halen, uit verschillende waterbronnen.

basiskwaliteit natuur

De set van condities (abiotiek, inrichting en beheer) die algemene soorten nodig hebben om algemeen te blijven of worden. Basiskwaliteit Natuur richt zich met name op die delen van het landelijk- en stedelijk gebied waar natuur niet de primaire functie is.

biomassa

Plantaardig en dierlijk (rest)materiaal, dat als grondstof wordt gebruikt voor de energieopwekking of direct als biobrandstof.

bovenlokaal dagrecreatieterrein

Terrein dat voorziet in een dagrecreatiefunctie voor meer dan de aanliggende kernen of aantoonbaar meer dan 50.000 unieke bezoekers per jaar trekt. Ook een terrein dat aantoonbaar potentie heeft bovenlokaal te worden door toevoeging van recreatieve functies of dat duidelijk een dagrecreatiefunctie vervult of zou moeten vervullen in de agglomeraties Utrecht of Amersfoort valt binnen deze bepaling

brede welvaart

Een kader om investeringen en beleid te toetsen op hun maatschappelijke meerwaarde, gericht op het maken van afwegingen tussen onder andere economische groei en andere publieke waarden, zoals leefbaarheid, natuurbehoud en sociale gelijkheid.

buitenplaats

Een aangelegd geheel van bebouwing (bijvoorbeeld een in oorsprong versterkt huis, kasteel, buitenhuis of landhuis, met bijgebouwen), park en tuin (met één of meer van de volgende onderdelen, zoals grachten, waterpartijen, lanen, zichtassen, zichtlijnen, boomgroepen, parkbossen, (sier)weiden, moestuinen, ornamenten). Een buitenplaats kan onderdeel vormen van een landgoed (dit betreft een groot stuk grond van meerdere hectares met landerijen, bossen en tuinen). Door opzet of ontwerp van de buitenplaats zijn historische bebouwing, park en tuin (en vaak ook de omliggende gronden behorend bij de buitenplaats) met elkaar verbonden en vormen zo een onlosmakelijk geheel. Daarbij speelt de samenhang tussen natuur en erfgoed een grote rol. Buitenplaatsen zijn vaak gebouwd in de 17de eeuw door rijke stedelingen als zomerverblijf. De provincie Utrecht kent een relatief hoog aantal buitenplaatsen. Ze liggen vaak bij elkaar, bijvoorbeeld langs de Vecht en de Stichtse Lustwarande.

circulaire economie

Een economie waarin de kringlopen van de grondstoffen sluiten (anders dan een liniaire economie waarin grondstoffen worden verwerkt in een product dat na gebruik weg wordt gegooid). Dit verandert de manier waarop waarde wordt gecreëerd en wordt behouden, hoe de productie wordt verduurzaamd en welke businessmodellen daarvoor worden gebruikt.

circulaire samenleving

Een samenleving waarin we zuinig omgaan met onze grondstoffen en inzetten op het hergebruik van grondstoffen en het verminderen van afval. Vanuit verschillende beleidsvelden dragen wij als provincie bij aan dit doel. Een circulaire samenleving is meer dan een circulaire economie: het gaat niet alleen om bedrijvigheid, maar om het anders inrichten van een hele maatschappij, waarbij duurzaamheid centraal staat en producten, materialen, en hulpbronnen continu worden hergebruikt, gerepareerd, en gerecycled om afval te minimaliseren en het gebruik van nieuwe grondstoffen te beperken, met als doel een evenwichtige en langdurige balans tussen mens, milieu en economie. Het gaat om gedrag, de directe leefomgeving, om onze manier van leven.

circulaire bedrijvigheid

Alle economische activiteiten die aantoonbaar een substantiële bijdrage leveren aan de transitie naar een circulaire economie, door middel van vermindering van primair grondstoffengebruik, substitutie van primaire grondstoffen door circulaire alternatieven (secundaire materialen of duurzame biogrondstoffen), verlenging van de levensduur van producten en materialen, of hoogwaardige verwerking en recycling van materialen en afvalstromen.

Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS)

(CHS) het geheel van historisch waardevolle structuren en elementen van bovenlokaal belang. Ter toelichting: het gaat om ruimtelijk herkenbare, dan wel in de ondergrond aanwezige structuren en elementen die representatief zijn voor een historische ontwikkeling en/of kenmerkend zijn voor het ontstaan van een gebied. Onder elementen wordt verstaan: afzonderlijke objecten en infrastructurele lijnen en patronen die visueel of historisch-functioneel een samenhang vertonen met structuren. De Historische buitenplaatszone , het Militair erfgoed, Agrarisch cultuurlandschap, de Historische infrastructuur, Maritiem erfgoed en Archeologisch waardevolle zone vormen gezamenlijk de CHS.

compenserende maatregelen

Het creëren van nieuwe waarden die gelijk zijn aan de waarden die verloren (dreigen te) gaan.

cultureel erfgoed

Gebouwde monumenten, archeologische monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

cumulatie

Opgetelde hinder of effecten van bv geluid of stoffen

detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die deze goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of berdrijfsactiviteit en anders dan voor gebruik ter plaatse. Onder detailhandel vallen niet: afhaalpunten (locaties ten behoeve van internetdetailhandel die uitsluitend bedoeld zijn voor het afhalen of terugbrengen van goederen door de consument).

economisch rendabel

De mate waarin een bedrijf resultaat (rendement) behaalt uit het totale vermogen. De rendabiliteit of rentabiliteit geeft de verhouding weer tussen het inkomen en het vermogen van een onderneming.

elektrificatie van de maatschappij

De uitbouw van elektriciteitsopwekking en -distributie. Nu we ook van het gas af gaan, is er sprake van een verdergaande elektrificatie van de maatschappij.

emissies

De uitstoot van broeikasgassen, fijnstof en andere schadelijke stoffen.

functiemenging

Stedelijke functies als wonen, werken, voorzieningen en recreatie worden door elkaar in een gebied gesitueerd (in plaats van naast elkaar in verschillende gebieden).

fysieke leefomgeving

Alles wat je ziet, voelt en ruikt. Denk aan de lucht, alles op, in en onder de bodem, de wegen, de gebouwen en het landschap.

gebiedsgericht werken

Van buiten (de samenleving, het gebied, de wijk) naar binnen (de ambtelijke organisatie), vanuit kansen en problemen in dat gebied kijken en handelen. Met een samenhangende aanpak tussen sociale, economische en fysieke opgaven.

gebiedsontwikkeling

De ontwikkeling van alle facetten -zoals wonen, werken en recreëren- in afgebakend gebied. Er is sprake van het realiseren van meervoudige doelen en ambities, die het lokale niveau overschrijden en waarbij een ruimtelijk afgebakend gebied het integrerend kader vormt. Daarbij gaat het écht om transitie en reallocatie van functies of om een (sterke) aanpassing van functies aan veranderende fysieke omstandigheden. Deze gebiedsontwikkelingen kunnen plaatsvinden in het stedelijk gebied en/of in het landelijk gebied.

geothermie

Energie in de vorm van warmte die in de bodem zit. Ook wel aardwarmte genoemd.

geluidscontour

Gebied waar binnen een bepaald geluidniveau is bepaald of berekend.

geluidgevoelige gebouwen

Gebouwen met een woonfunctie, bijvoorbeeld woningen, verzorgingshuizen.

geluidgevoelige ruimte

Verblijfsruimte of verblijfsgebied van een geluidgevoelig gebouw.

geluidproductieplafond

De maximale geluidproductie, uitgedrukt in het jaargemiddelde Lden, die op grond van de Nederlandse wetgeving geldt op denkbeeldige referentiepunten langs de meeste spoorwegen, rijkswegen, provinciale wegen en industrieterreinen.

gevaarlijke stoffen

Stoffen die door hun specifieke eigenschappen al in kleine hoeveelheden gevaar, schade of ernstige hinder veroorzaken voor mens, dier en milieu

gevoelige gebouwen

Gebouwen met als gebruik een langer verblijf van mensen, zoals woningen, kinderopvang, scholen, verzorgingshuizen.

groenblauwe dooradering

De ‘kleine’ (minder dan 1,5 hectare) natuurelementen die ons landschap in belangrijke mate vormgeven. Deze kunnen als punten, lijnen of vlakken aanwezig zijn. Er wordt ook vaak gesproken van kleine landschapselementen.

groene contour

Begrenzing van een deel van het landelijk gebied waar de provincie zoekt naar mogelijkheden om hier natuur te realiseren ter versterking van het NNN. Natuur die hier gerealiseerd wordt, wordt opgenomen in het NNN.

groene scheggen

Grote en vaak aaneengesloten groengebieden die ver de stad in lopen en daarmee zorgen voor landschappelijke, recreatieve en ecologische verbinding tussen stedelijk gebied en het buitengebied.

grondgebonden landbouw/ grondgebondenheid

Een agrarisch bedrijf dat zijn landbouwproductie geheel of gedeeltelijk voortbrengt door gebruik van landbouwgronden (Niet-grondgebonden veehouderij is niet functioneel gebonden aan een locatie in het landelijk gebied).

Heritage Impact Assessment

Een instrument dat gebruikt wordt om het effect van voorgenomen ingrepen op de uitzonderlijke universele waarde (Outstanding Universal Value) van Werelderfgoed te bepalen.

herstructurering

Het aanpakken van bestaande (bedrijfs)locaties zodat deze weer voldoen aan de eisen van de tijd en de vraag van het bedrijfsleven. Hiervoor stellen gemeenten een herstructureringsplan op: een lokaal of regionaal afgestemd plan met betrekking tot de herstructurering van één of meer gebieden.

HOV

Hoogwaardig openbaar vervoer. Een in Nederland gebruikelijke term voor stads- en streekvervoer over rails of over de weg, dat voldoet aan hoge eisen op het gebied van de doorstroming (hoge gemiddelde rijsnelheid). Andere kenmerken zijn comfortvoorziening en reisinformatie bij zowel de haltes als in het voertuig.

inbreiding

Het bouwen binnen bestaande bebouwingsgrenzen. Het tegenovergestelde is uitbreiding, dat plaatsvindt aan de grenzen van bestaande bebouwing.

inclusieve samenleving

Alle mensen uit alle doelgroepen kunnen meedoen in de samenleving, en horen erbij.

innovatielocaties

Gebieden waar innovatie en kennisuitwisseling tussen bedrijven, kennisinstellingen en andere organisaties plaatsvindt. Ze vormen broedplaatsen voor samenwerking, valorisatie en nieuwe bedrijvigheid en dragen bij aan duurzaam en toekomstbestendig verdienvermogen én aan maatschappelijke opgaven, zoals een gezonde leefomgeving en samenleving.

integrale oplossingen

Allesomvattende oplossingen, of oplossingen waarbij aan alle elementen en aspecten is gedacht

integratie van vervoerwijzen

Verschillende vervoerwijzen op zodanige manier op elkaar laten aansluiten dat het voor de gebruikers één geheel vormt.

Intensivering en verduurzaming

Aanpak van NV OMU waarbij door aankoop van verouderde bedrijfskavels na sloop/nieuwbouw of renovatie, meer nieuwe en duurzame bedrijfsruimte wordt uitgegeven.

kaderrichtlijn water

Een Europese richtlijn die sinds 2000 geldt en tot doel heeft de kwaliteit van al het Europese grond- en oppervlaktewater te verbeteren en te beschermen

kernrandzones

De zone in het landelijk gebied rondom een bebouwingskern. Elke kern heeft een grotere of kleinere kernrandzone die rondom Utrecht en Amersfoort (deels) samen kan vallen met de geledingszone van de visiekaart of de recreatiezone en waar stadsrandactiviteiten/ -ontwikkelingen plaatsvinden.

klimaatadaptatie

Aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering: het benutten van de kansen van het veranderende klimaat en anticiperen op de bedreigingen ervan.

klimaatadaptieve leefomgeving

Inrichting van de leefomgeving die is aangepast aan klimaatverandering. Hierdoor vermindert de kwetsbaarheid voor klimaatverandering of er wordt geprofiteerd van de kansen die een veranderend klimaat biedt.

klimaatmitigatie

Het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen zoals koolstofdioxide (CO2), methaan, lachgas en fluorgassen, om (verdere) klimaatverandering te voorkomen.

knooppunten

Waar meerdere vervoermiddelen (modaliteiten) bij elkaar komen, zoals openbaar vervoer (trein, sneltram, bus, taxi), fiets en auto.

kwetsbare gebouwen

Alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor grote evenementen of voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen. Gebouwen en locaties zijn ook kwetsbaar als er veel personen een groot deel van de dag aanwezig zijn. Het gaat bijvoorbeeld om woonfunctie, bijeenkomstfunctie, kantoorfunctie, sportfunctie, scholen voor volwassenen, gezondheidszorg zonder bedgebied, locatie voor evenementen in de open lucht voor ten minste 5.000 personen.

life sciences

Wetenschap en bedrijvigheid die zich bezighoudt met gezondheid en het bestrijden van ziekten. Het Utrecht Science park en omgeving is sterk in deze discipline.

maatschappelijke opgaven

De grote onderwerpen waarvoor overheden de komende jaren aan de lat staan. Het streven om bepaalde resultaten en de gewenste situatie in de samenleving te bereiken. Voorbeelden zijn leefbaarheid (een gezonde leefomgeving), de woningbouw, klimaatadaptatie en duurzame landbouw (kringlooplandbouw).

maatwerk

De functionele wens wordt aangepast aan de ruimtelijke mogelijkheden. De bestaande situatie stuurt mede de mogelijkheden voor het gebruik. Dit vraagt om een wil tot flexibiliteit van zowel de betrokkenen bij de te realiseren functie, als in geldend beleid en regels.

MIRT

Meerjarenprogramma van het Rijk voor infrastructuur, ruimte en transport.

modaliteiten

Vervoerwijzen. Bijvoorbeeld: (elektrische) vervoermiddelen, auto, trein, fiets, tram, trein, lopen en bus.

Natura 2000

Een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, die zijn aangewezen onder de vogel- en habitatrichtlijn en bedoeld om de Europese biodiversiteit te waarborgen. De gebieden zijn aangewezen op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De Natura 2000 gebieden maken onderdeel uit van het NNN.

natuurinclusief

Maatschappelijke en economische activiteiten zo ontwikkelen, inrichten en uitvoeren dat zij bijdragen aan een samenleving waarin natuur en biodiversiteit structureel worden versterkt en meewegen in alle beslissingen. Onder natuurinclusief in brede zin verstaan we ook klimaatadaptief en gezond.

natuurinclusieve landbouw

Landbouw die natuur en landschap spaart (minder externe druk), zorgt voor natuur (via bijvoorbeeld agrarisch natuurbeheer) én de natuur gebruikt (biodiversiteit is een productiefactor).

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. Het netwerk bestaat uit gebieden met bestaande natuur, nog te realiseren natuur en gebieden die nodig zijn voor de samenhang van het netwerk. De begrenzing en de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN zijn opgenomen in de omgevingsverordening.

NOVEX

Nationale Omgevingsvisie Executie programma van de Rijksoverheid, om ruimtelijke beleidsdoelen, zoals woningbouw, energietransitie en natuurkwaliteit, in samenwerking met provincies en regio's uit te voeren

NV OMU

NV Ontwikkelingsmaatschappij Utrecht is een publieke investeringsmaatschappij opgericht door de provincie Utrecht in 2011, met als doel het herstructureren en transformeren van verouderde en leegstaande werklocaties in de provincie Utrecht.

omgevingskwaliteit

De integrale kwaliteit van ruimtes. Van ondergrond tot sterrenhemel, van lokaal tot internationaal, en van schoonheid tot functionaliteit. (gebaseerd op: Peter Paul Witsen, Waard of niet? Essay over omgevingskwaliteit).

Omgevingskwaliteit omvat in ieder geval ruimtelijke kwaliteit, milieu-, gezondheids- en veiligheidskwaliteit, en maatschappelijke waarden zoals sociale samenhang en economische vitaliteit.

omgevingsverordening

Bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving

omgevingswaarden

In de Omgevingswet opgenomen mogelijkheid om normen te stellen die de gewenste staat of kwaliteit van de fysieke leefomgeving als beleidsdoel vastleggen. De waarden zijn zelfbindend en kunnen met aanvullende regels in de verordening doorwerken naar omgevingsplan, waterschapsverordening of omgevingsvergunning. Als omgevingswaarden worden vastgesteld, moeten deze worden behaald. Ze moeten daarom in het invloedgebied van de vaststeller liggen en via brongerichte of effectgerichte maatregelen te beheersen zijn. Bovendien geldt een monitoringsplicht. Bij het niet behalen van de normen moet verplicht een programma worden opgesteld om de normen alsnog te behalen. Bij het vaststellen van de omgevingswaarde hoort de verplichting om de methode van monitoring van de omgevingswaarde aan te geven.

opkomende stoffen

Af en toe stuiten waterbeheerders en drinkwaterbedrijven in het water op nieuwe en relatief onbekende stoffen die nog niet genormeerd zijn. Ook zijn er stoffen waarvan uit nieuwe informatie blijkt dat deze mogelijk toch schadelijk is. Dit zijn opkomende stoffen.

OV-anker

De kern van het BRT-netwerk in Amersfoort met als middelpunt Metropoolpoort Amersfoort Centraal. Van hieruit loopt een as die verbinding maakt met de Stadsring en de Nieuwe Poort naar hubs aan de randen van de stad en naar de regio. De bus krijgt op deze corridors voorrang en ruimte.

oxidatie van veen

Een proces waarbij veen, door het verlagen van de grond- en-of oppervlaktewaterstand, blootgesteld wordt aan de lucht, waardoor het oxideert en de bodem inklinkt. Het proces is onomkeerbaar en kan grote gevolgen hebben.

participatietraject

Deelname van anderen (inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, medeoverheden) middels gesprekken, overleggen, ateliers en andere manieren van inbreng om tot een gezamenlijke en gedragen beleid of uitvoering te komen.

peilbesluiten

Het peil is de waterstand (het niveau) in een polder en het water eromheen, de boezem, die door een waterschap wordt gehandhaafd, het polderpeil (PP). Dit kan met behulp van gemalen, spuisluizen en stuwen. In een peilbesluit staat welke waterpeilen worden aangehouden in sloten, vaarten, kanalen en waterpartijen.

plancapaciteit

De hoeveelheid woningen of werkruimte die in bestaande plannen is opgenomen.

planMER

De leefomgeving van mensen en de ruimtelijke inrichting hangen nauw met elkaar samen. Om tijdens het opstellen van de Omgevingsvisie vroegtijdig inzicht te krijgen in de effecten van ons voorgenomen ruimtelijk beleid op de leefomgeving, wordt een planMER opgesteld, een Milieu Effect Rapportage, opgesteld. Hierin worden de (duurzaamheids)effecten van het nieuwe beleid beoordeeld vergeleken met de effecten bij voortzetting van bestaand beleid.

PPWW

Provinciaal Programma Wonen en Werken is een Omgevingswet programma dat de programmeringsafspraken voor nieuwe woon- en werklocaties vormgeeft op basis van samenwerking met de Utrechtse regio's en gemeenten.

pragmatisch

Gericht op het nut en de bruikbaarheid.

prioritaire thema’s

De thema’s die voorrang krijgen.

programma U Ned

Hierin werken we samen met gemeente Utrecht, regio U10 en het Rijk aan het bereikbaar houden van de regio Utrecht en het mogelijk maken van de ontwikkeling van toekomstige woon- en werklocaties in een gezonde leefomgeving.

provinciaal belang

Belangen die de provincie wil behouden of ontwikkelen en waarvoor zij bereid is om daarvoor zo nodig het wettelijk instrumentarium in te zetten.

publieke mobiliteit

Collectieve vervoersmiddelen en/of diensten die op kostenefficiënte en reizigersvriendelijke wijze aan de mobiliteitsbehoefte van de reiziger voorzien. Dit systeem omvat naast regulier ov ook flexibel vervoer, doelgroepenvervoer, deelmobiliteit, hubs, reizigersservices zoals het kunnen plannen van de reis en meerijddiensten zoals carpoolen en taxi. Het systeem van publieke mobiliteit is een inclusief systeem dat eraan bijdraagt dat mobiliteit voor iedereen toegankelijk is en blijft.

recreatief hoofroutenetwerk

Een samenhangend netwerk van (boven)regionale routes voor onder andere wandelen, fietsen en varen, met toeristische overstappunten (TOP’s).

recreatiezone

Zone gelegen in het landelijk gebied waarin vooral het recreatieve gebruik wordt gestimuleerd. Het gaat daarbij om bovenlokale recreatievoorzieningen die gericht kunnen zijn op zowel extensief als intensief recreatief gebruik.

R-ladder

Een hulpmiddel binnen de circulaire economie dat laat zien hoe je producten en materialen zo duurzaam mogelijk kunt gebruiken. Het model bestaat uit verschillende strategieën, elk aangeduid met een "R", die variëren van het volledig vermijden van gebruik tot het terugwinnen van energie uit afval (refuse-recover).

robuust

deugdelijk, krachtig, stevig en sterk.

ROM Utrecht Region

De Regionale Ontwikkelingsmaatschappij (ROM) Utrecht Region is een organisatie die zich richt op het versterken van het regionale economische ecosysteem door innovatieve bedrijven te ondersteunen bij groei, innovatie en internationalisering. De ROM is opgericht in 2020 door regio-gemeenten, provincie Utrecht, kennisinstellingen en het ministerie van Economische Zaken. Het werkgebied is de Provincie Utrecht en de Gooi- en Vechtstreek.

ruimtelijke kwaliteit

Volgens de gebruikelijke omschrijving heeft ruimtelijke kwaliteit te maken met de begrippen toekomstwaarde, belevingswaarde en gebruikswaarde.

slagenverkaveling

Een slagenlandschap, meestal gekenschetst als een landschap met strokenverkaveling, is een landschap waarbij verkaveling heeft plaatsgevonden in smalle banen die slagen of stroken worden genoemd.

sturingsfilosofie

De sturingsstijl bestaat uit de overheidsrol (reguleren, samenwerken of ondersteunen) plus de instrumentenmix die gekozen wordt. De basis voor de keuzes, en de uitwerking van de concrete sturingsstijl, staan in de omgevingsvisie.

toekomstbestendig

De ontwikkeling moet vooruitkijken naar de toekomstige situatie en hier zo goed mogelijk op voorbereiden.

toekomstbestendige keuzes

Keuzes die bestand zijn tegen eventuele toekomstige ontwikkelingen, ter voorkoming dat we daar later spijt van krijgen.

transitie

Een fundamentele overgang naar een nieuwe manier waarop de samenleving in zijn behoefte voorziet. Bijvoorbeeld: de transitie van aardgas naar duurzame energie.

transitieopgaven

Opgaven die een overgang van het een naar het ander mogelijk maken. Bijvoorbeeld: de transitie van aardgas naar duurzame energie (energietransitie).

transformatie

Het aanpakken van een gebouw of (werk)locatie waarbij de functie verandert, bijvoorbeeld van bedrijf naar wonen.

UPLG

Utrechts Programma Landelijk Gebied. Een plan van de provincie Utrecht om een vitaal en toekomstbestendig landelijk gebied te realiseren, waarin gezonde natuur, duurzame landbouw, en een goed water- en bodemsysteem hand in hand gaan

verdichten

Meer woningen bouwen binnen het stedelijk gebied van stad of dorp. Het kan gaan om invulling van een braakliggende locatie, of om vervanging, bijvoorbeeld een paar woningen door een hogere woontoren.

vervoersarmoede

Als niet iedereen (dagelijks) over de mogelijkheden tot verplaatsing beschikt en als gevolg hiervan minder makkelijk kan deelnemen aan het sociale leven. Er zijn mensen in de samenleving die om uiteenlopende redenen niet altijd op de plaatsen kunnen komen, waar ze zouden willen komen. Dat kan hun deelname aan de samenleving belemmeren. Denk bijvoorbeeld aan mensen met een beperking, mensen met een laag inkomen of mensen die ver van voorzieningen wonen en geen vervoermiddel bezitten. Deze mensen kunnen vervoersarmoede ervaren. Daardoor bestaat de kans dat het risico op sociale uitsluiting groter wordt.

water en bodem sturend

Het principe dat stelt dat de natuurlijke kenmerken van het water- en bodemsysteem leidend moeten zijn bij ruimtelijke keuzes, in plaats van andersom.

waterrobuust bouwen

Het zodanig vormgeven en inrichten van de openbare ruimte, dat de impact van bijvoorbeeld ernstige neerslag zo klein mogelijk blijft.

waterschapsverordening

Bevat alle regels over de fysieke leefomgeving die het waterschap stelt binnen haar beheergebied. Per waterschap is er één waterschapsverordening.

werklandschappen van de toekomst

Het creëren van robuuste en adaptieve (toekomstbestendige) werklocaties met aandacht voor klimaatadaptatie, energietransitie, circulaire economie, duurzame mobiliteit en toegankelijkheid.

zeer kwetsbare gebouwen

Een gebouw voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen: gebouwen met een woonfunctie,24 uurs zorg, basisscholen, kinderopvang, scholen of dagverblijf voor minderjarigen met een lichamelijke of geestelijke beperking, gezondheidszorg met bedgebied (ziekenhuizen en verpleeghuizen) en gevangenissen.

zetting

Het proces waarbij grond wordt samengedrukt door een bepaalde belasting of druk. Door druk op de grond uit te oefenen wordt de grond verdicht. Dit houdt in dat het volume van de grond afneemt doordat water en lucht uit de poriën worden weggedrukt. Dit kan bodemdaling veroorzaken.

Bijlage IV Gebiedsontwikkeling Rijnenburg

Rijnenburg is de grootste te realiseren uitbreidingslocatie in de provincie Utrecht. Bij de ontwikkeling van Rijnenburg zien wij de volgende uitgangspunten, aansluitend bij onze doelen en ambities uit de Omgevingsvisie:

  • Water en bodem zijn sturend bij de ontwikkeling. Hierdoor concentreert het grootste deel van de verstedelijking zich op de hoger gelegen delen van Rijnenburg. Water is in- en om de wijk zichtbaar en beleefbaar. Om te zorgen dat er bij extreme neerslag geen wateroverlast ontstaat door extra bebouwing en infrastructuur, wordt binnen Rijnenburg voldoende ruimte gecreëerd om het water tijdelijk op te vangen en af te wateren. Daarnaast wordt er ruimte voor (boven) regionale waterberging en/of noodoverloopgebieden gezocht.

  • Het noordelijke deel van Rijnenburg en Reijerscop wordt goed benut voor een landschapspark met ruimte grootschalige elektriciteitsopwekking- en distributie met windenergie bij voorkeur in combinatie met zonnevelden, inpassing van een hoogspanningsstation, (regionale) waterberging, natuur, recreatie, sport en lokale voedselproductie. Door het landschapspark komen sociaal-veilige verbindingen met bestaand stedelijk gebied. Daarnaast is op de Oostplas van de Nedereindseplas een zonneveld voorzien.

  • Rijnenburg wordt een klimaatadaptieve, compacte en gemengde (hoog)stedelijke wijk, met onder meer tussen de 22.000 en 25.000 woningen, bijbehorende (groen)voorzieningen en ruimte voor werkgelegenheid (ca. 12.500 arbeidsplaatsen). Voor deze werkgelegenheidsontwikkeling is ruimte nodig op verschillende werklocaties, zoals: bedrijventerreinen, kantoren, innovatielocaties, gemengde werkmilieus (in de wijk) en locaties met functiecombinaties.

  • In Rijnenburg worden gestreefd naar voldoende betaalbare woningen, aansluitend bij het provinciaal woonbeleid. Differentiatie en afwisseling in woningtypen, doelgroepen en woonmilieus is noodzakelijk. De wijk groeit organisch waarbij flexibel ingespeeld moet kunnen worden op sociale, economische en culturele veranderingen.

  • Om alle functies in het plangebied Rijnenburg te kunnen inpassen, wordt daar waar mogelijk gebruik gemaakt van meervoudig ruimtegebruik en actief onderzoek gedaan naar mogelijke koppelkansen en het uitwisselen van functies met omliggend bestaand en toekomstige gebied.

  • We streven naar een ontwikkeling van Rijnenburg die de brede welvaart versterkt. Naast materiele en economische welvaart gaat het om gezondheid, consumptie en inkomen, onderwijs en opleiding, ruimtelijk samenhang en kwaliteit, milieu, leefomgeving, sociale cohesie, persoonlijke ontplooiing en veiligheid.

  • Groen groeit mee als onderdeel van de integrale gebiedsontwikkeling van Rijnenburg. Bij de integrale afweging in en om Rijnenburg wordt ingezet op voldoende toegankelijk groen, dat is aangesloten op bestaande groengebieden in de omgeving.

  • In of om het plangebied worden één of meerdere kerngebieden ingericht ter compensatie en mitigatie van de aangetaste flora en fauna. Er worden ecopassages aangelegd die soorten kunnen gebruiken om zich te verplaatsen van en naar de kerngebieden.

  • Bestaande bomenrijen (waaronder diverse beschermde kleine landschapselementen) worden zoveel mogelijk behouden voor vleermuizen, vogels en andere soorten.

  • Rijnenburg wordt in samenhang met Groot Merwede ontwikkeld. In de gebiedsalliantie Groot Merwede Rijnenburg wordt gekeken naar ruimtelijke en programmatische samenhang en complementariteit tussen de verschillende ontwikkelgebieden en de regiogemeenten.

  • Rijnenburg wordt goed aangesloten op het stedelijk gebied van Nieuwegein en Utrecht.

  • Bij grote uitbreidingslocaties kijken we naar de bereikbaarheid per fiets, openbaar vervoer (ov) en auto. Reizigers zijn vrij om te kiezen tussen de fiets, het ov, wandelen, de auto of een combinatie daarvan. Als provincie sturen we op duurzame keuzes door lopen, fietsen en ov als belangrijkste vervoersmodaliteiten in het gebied te zien en deze modaliteiten goed te verknopen met de omliggende gebieden. Het mobiliteitssysteem ontwikkelt zich mee met Rijnenburg en is voor iedere fase adequaat met het oog op het mobiliteitsprofiel.

  • Rijnenburg wordt zo goed mogelijk aangesloten met sociaal veilige openbaar vervoer- en langzaam-verkeersverbindingen op het stedelijk gebied van Nieuwegein, Utrecht, IJsselstein, Montfoort, Woerden en de Hollandse IJssel.

  • Forse investeringen in hoogwaardig openbaar vervoer en fietsontsluiting zijn randvoorwaardelijk om Rijnenburg duurzaam en bereikbaar te ontwikkelen. Randvoorwaardelijk is onder meer de Rijnenburglijn in aanvulling op de Merwedelijn met een frequentie van ten minste acht keer per uur en een reistijd van circa 15 minuten naar Utrecht Centraal, plus een robuuste fietsstructuur. Een gebalanceerd stedenbouwkundig programma met wonen, werken én voorzieningen draagt bij aan een efficiënte HOV-exploitatie in beide richtingen.

  • Mede voor Rijnenburg is het van belang dat de ring Utrecht als nationale draaischijf blijft functioneren. Voor de noodzakelijke aansluitingen van Rijnenburg op het hoofdwegennet en het functioneren van de ring Utrecht en de provinciale wegen werken we, ieder vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid, nauw samen met het Rijk en gemeenten.

Naar boven